XLII.De reizende Uilenspiegel ware geerne struikroover geworden,maar hij zei tot zich zelven, dat hij met struiken niets verrichten kon.Hij stapte op goed valle ’t uit naar Oudenaarde, waar toen een garnizoen Vlaamsche ruiters lag, om de stad te verdedigen tegen de Fransche benden, die het land verwoestten lijk sprinkhanen.De hoofdman van de ruiters was een Fries, een zekere Kornjuin. Zij ook liepen het platteland af en knevelden het volk, dat aldus, als naar gewoonte, langs twee kanten tegelijk opgegeten werd.Alles was hun deeg: kiekens en kapoenen, eenden en duiven, kalveren en verkens. Op een avond dat Kornjuin en zijne mannen met buit beladen terugkwamen, zagen zij aan den voet van een boom Uilenspiegel liggen, die sliep en zeker van stoverije droomde.—Wat doet gij om te leven? vroeg Kornjuin.—Sterven van honger, antwoordde Uilenspiegel.—Wat is uw ambacht?—Reizen voor mijne zonden, de anderen zien wroeten, op de koorde dansen, lieve gezichtjes schilderen, messenhechten snijden, op den rommelpot spelen en op de trompet blazen.Als Uilenspiegel zoo stout zei, dat hij op de trompet kon blazen, was het omdat hij had hooren zeggen, dat, in het slot van Oudenaarde, de plaats open was van torenwachter, ten gevolge van den dood van den ouden man welke die bediening vervulde.Kornjuin zei hem:—Gij zult bazuinblazer van de stede wezen.Uilenspiegel volgde hem en hij werd gebracht op een van de hoogste torens der vestingen, in een goed verlucht hokje, dat open was voor alle winden, behalve voor dien uit ’t Zuiden.Men zei hem, dat hij blazen moest als hij den vijand zag aankomen en, daarom steeds het hoofd vrij en de oogen helder moest houden, weshalve men hem niet te veel eten of drinken bracht.De hoofdman en zijne huurlingen bleven in de toren en kermisten heel den dag ten koste van het platteland. Daar werd meer dan een kapoen, wiens eenige misdaad was vet te zijn, gedood en opgesmuld. Uilenspiegel, die altijd vergeten werd en zich tevreden moest houden met zijn mageren disch, vond in ’t heel geen behagen in den reuk van de saus. De Franschen kwamen, namen het vee mee, doch Uilenspiegel blies het alarm niet.Kornjuin kwam boven en vroeg:—Waarom hebt gij niet geblazen?Uilenspiegel sprak:—Gij hadt kunnen denken, dat het als dank was voor mijn eten.’s Anderen daags bestelde de hoofdman een groot festijn voor zich en zijne huurlingen, maar Uilenspiegel werd nogmaals vergeten. Zij gingen zich deugd doen aan ’t lekkere maal, toen Uilenspiegel alarm blies.Kornjuin en zijne soldaten, meenende dat de Franschen daar waren, verlieten de tafel en sprongen te peerd. Zij reden in allerijl de stad uit, maar buiten vonden ze niets dan een os, die in de zonne herkauwde, en dien zij meenamen.Middelerwijl had Uilenspiegel zich volgestopt met vleesch en met wijn. Toen de hoofdman terugkwam, zag hij hem lachend en met waggelende beenen staan aan de deur van de zaal van ’t festijn. Hij sprak:—’t Is verraderswerk van alarm te blazen als gij den vijand niet ziet, en van niet te blazen als ge hem wèl ziet.—Mijnheer de hoofdman, antwoordde Uilenspiegel, ik heb geblazen om mij te verlichten, want in mijn toren was ik zoodanig opgeblazen van wind, dat ik vreesde te zullen wegvliegen. Laat mij maar ophangen, nu of een andere maal, zoo gij ezelsvel noodig hebt voor uwe trommelen.De hoofdman ging henen en zei geen woord.Maar Oudenaarde kreeg tijding, dat de genadige keizer Karel de stede zou komen bezoeken met een doorluchtig gezelschap. Bij die gelegenheid gaven de schepenen aan Uilenspiegel eenen bril, om Zijne Majesteit beter te zien aankomen. Uilenspiegel moest driemaal blazen, zoodra hij den keizer van Leupegem zag aankomen op een kwartier gaans van de Borgpoort.Die van de stad zouden aldus den tijd hebben de klokken te luiden, het vuurwerk in gereedheid te brengen, het vleesch in den oven te zetten, de vaten aan te steken.Zekeren dag, dat de wind uit Brabant woei en de hemel helder was, zag Uilenspiegel, rond den middag, een grooten troep ruiters op fiere peerden, op den weg die naar Leupegem leidt. Sommigen droegen banieren. Degene, die statig voorop reed, had een goudlakensche muts op met groote pluimen. Hij droeg een kleed van bruine panne, met bloemen geborduurd.Uilenspiegel zette zijn bril op en zag dat het keizer Karel was, die hoogstgenadiglijk aan die van Oudenaarde kwamtoestaan hem hunne beste wijnen en fijnste vleezen op te dienen.Heel die troep kwam stapvoets af en snoof de frissche lucht op, die eetlust doet krijgen; maar Uilenspiegel zei tot zich zelven, dat die lieden de vette brokken gewoon waren en zij niet zouden sterven zoo zij eens over den pot sprongen, daar vasten gezond is. Hij zag ze dus komen, maar blies niet op de trompet.Lachend en pratend kwamen zij nader, terwijl Zijne Heilige Majesteit het hoofd voorover boog, als om te zien of er in zijnen buik plaats genoeg was voor het festijn van die zijner goede stad Oudenaarde. Doch hij was verwonderd en ontevreden dat geenerlei klokke luidde, om zijne komst te kondschappen.Ondertusschen kwam een boer de stad binnenloopen om te zeggen, dat hij in de omstreken een Franschen aanhang gezien had, die op Oudenaarde aanrukte, om alles te stelen en te rooven.Op die rede sloot de poortwachter zijne poort en liet de andere poortwachters door een knaap der gemeente verwittigen. Maar de wacht kermiste zonder van iets te weten.Zijne Majesteit kwam nader, zeer ontstemd, geen klokkengelui of kanongebulder te vernemen. Te vergeefs de ooren spitsend, hoorde hij niets dan de beiaard, die het half uur speelde. Hij kwam vóór de poort, vond die gesloten en sloeg er op met de vuisten om opengedaan te worden.En de heeren van zijn gevolg, verstoord als Zijne Majesteit, gromden bittere woorden. De poortwachter, die omhoog op de vestingen stond, riep hun toe dat zij moesten stille zijn, of dat hij hun wat kogels zou zenden, hetwelk hun ongeduld eenigszins zou koelen.Doch Zijne Majesteit, in woede ontstoken, riep:—Blind verken, herkent gij uwen keizer niet?De poortwachter antwoordde, dat de meest vergulde verkens niet altijd de kleinsten waren, dat hij overigens goed wist, dat de Franschen spotters van nature waren, en keizer Karel voor ’t oogenblik oorloogde in Italië, en dus niet voor de poorten van Oudenaarde wezen kon.Daarop schreeuwden de keizer en de heeren nog luider, zeggende:—Als gij niet opendoet, laten wij U braden op eene lans. En eerst zult gij uwe sleutels inslikken.Op het gerucht dat zij maakten, kwam een oudgediende uit de plaats waar ’t geschut stond. Hij keek over den muur en sprak tot den poortwachter:—Gij zijt mis, dat is onze keizer; ik herken hem goed, hoewel hij verouderd is sedert hij Maria Vander Gheynst van hier naar ’t kasteel van Lalaing voerde.De poortwachter viel stokkedood van schrik, de soldaat nam de sleutels en deed de poort open.De keizer vroeg waarom men hem zoolang had laten wachten; als de soldaat hem het geval uitgelegd had, beval Zijne Majesteit de poort weder te sluiten en de ruiters van Kornjuin te doen komen. Hij deed ze vóór hem gaan, slaande op de tamboerijnen en spelend op de pijpen.Weldra ontwaakten de klokken de eene na de andere en begonnen zij te bimbommelen. Aldus voorafgegaan, kwam Zijne Majesteit met keizerlijk lawaai op de Groote Markt. Burgemeesteren en schepenen waren op het stadhuis vergaderd; schepen Jan Guigelaer kwam met veel gedruisch de zaal binnen en riep:—Keizer Karel is alhier! Keizer Karel is alhier!Ten uiterst verschrikt bij het hooren van die tijding, liepen burgemeesteren, schepenen en raadsheeren buiten om, in korps, keizer Karel te begroeten, terwijl hunne knapen de stede rondliepen om het vuurwerk in gereedheid te brengen, de kapoenen op ’t vuur te zetten en de tonnen aan te steken.Mannen, vrouwlieden en kinderen riepen tot elkander:—Keizer Karel is op de Groote Markt!Weldra was het volk in groote menigte naar de Markt gestroomd.Grammoedig vroeg de keizer aan de twee burgemeesteren, of zij niet verdienden gehangen te worden, om aldus te kort te komen aan den eerbied, den vorst verschuldigd.De burgemeesteren antwoordden, dat zij zulks inderdaad verdienden, maar dat Uilenspiegel, de torenwachter, het meer verdiende, vermits hij, op de mare van ’t bezoek van Zijne Majesteit, op den toren gezet werd met een goeden bril, met uitdrukkelijk bevel driemaal te blazen, zoodra hij den keizerlijken stoet in het gezicht kreeg. Maar hij had het niet gedaan.De keizer, nog immer gram, deed Uilenspiegel komen.—Waarom, sprak hij, hebt gij bij mijne komst niet geblazen, terwijl gij een goeden bril hadt?Dit zeggende, streek hij de hand over de oogen, om den wille van de zonne, en zoo bekeek hij Uilenspiegel.Deze streek ook de hand over de oogen en antwoordde dat hij, sedert hij Zijne Heilige Majesteit door zijne vingeren zag kijken, geen bril meer wilde bezigen.De keizer zei hem, dat hij ging gehangen worden; de poortwachter zei dat het wel besteed was, en de burgemeesteren zeiden geen woord om die sententie goed te keuren of tegen te spreken, want zij waren met schrik vervuld.De beul en zijne knechten werden geroepen. Zij kwamen met eene ladder en een nieuwe koorde, grepen Uilenspiegel bij den kraag en deden hem vóór de honderd ruiters van Kornjuin gaan. In stee van hem gerust te laten om zijne gebeden te zeggen, begonnen deze hem te sarren en te plagen.Het gemeen, dat volgde, zegde:—’t Is een ongemeene wreedheid, dien armen jongen voor zulk een gering vergrijp ter dood te veroordeelen.En de wevers, die daar in groote menigte onder de wapens stonden, zegden:—Wij zullen Uilenspiegel niet laten hangen; dat is in strijd met de costume van Oudenaarde.Doch men kwam aan het galgeveld. Uilenspiegel werd op de ladder getrokken, en de beul deed de koorde rond zijnen hals. De wevers drongen rond de galge. De provoost was daar, met de roede der justitie bij zich, met dewelke hij op bevel van den keizer het teeken tot de uitvoering moest geven.Heel het vergaderde volk riep:—Genade! genade voor Uilenspiegel!Uilenspiegel, van op zijne ladder, sprak:—Medelijden! genadige keizer!De keizer hief de hand op en sprak:—Als die deugniet mij iets vraagt, dat ik niet doen kan, schenk ik hem het leven!—Spreek, Uilenspiegel! riep het volk.De vrouwen weenden en zeiden:—Hij moet sterven, de jongen, want de keizer kan alles.En allen riepen:—Spreek, Uilenspiegel!—Heilige Majesteit, ik zal U noch geld, noch erfgoederen, noch het leven vragen, doch enkel iets voor hetwelk gij beloven moet, als ik zoo spreken durf, mij niet te zullen doen geeselen of radbraken, vóór dat ik naar de andere wereld vertrek.—Dat beloof ik, sprak de keizer.—Majesteit, zei Uilenspiegel, ik vraag dat, vóór ik gehangen worde, gij mijnen mond komt kussen met denwelken ik geen Vlaamsch spreke....De keizer, die lachte evenals heel de menigte, antwoordde:—Ik kan niet doen wat gij mij vraagt, en gij zult niet gehangen worden, Uilenspiegel.Maar de burgemeesteren en schepenen veroordeelde hij om, zes maanden lang, eenen bril van achteren op het hoofd te dragen, opdat, zegde hij, als die van Oudenaarde van voren niet zien, zij tenminste van achteren zouden zien.En, bij keizerlijk decreet, staat die bril nog heden op het wapen van de stad.En Uilenspiegel ging zediglijk henen, met een kleine tassche vol geld, dat de vrouwen hem hadden gegeven.
XLII.De reizende Uilenspiegel ware geerne struikroover geworden,maar hij zei tot zich zelven, dat hij met struiken niets verrichten kon.Hij stapte op goed valle ’t uit naar Oudenaarde, waar toen een garnizoen Vlaamsche ruiters lag, om de stad te verdedigen tegen de Fransche benden, die het land verwoestten lijk sprinkhanen.De hoofdman van de ruiters was een Fries, een zekere Kornjuin. Zij ook liepen het platteland af en knevelden het volk, dat aldus, als naar gewoonte, langs twee kanten tegelijk opgegeten werd.Alles was hun deeg: kiekens en kapoenen, eenden en duiven, kalveren en verkens. Op een avond dat Kornjuin en zijne mannen met buit beladen terugkwamen, zagen zij aan den voet van een boom Uilenspiegel liggen, die sliep en zeker van stoverije droomde.—Wat doet gij om te leven? vroeg Kornjuin.—Sterven van honger, antwoordde Uilenspiegel.—Wat is uw ambacht?—Reizen voor mijne zonden, de anderen zien wroeten, op de koorde dansen, lieve gezichtjes schilderen, messenhechten snijden, op den rommelpot spelen en op de trompet blazen.Als Uilenspiegel zoo stout zei, dat hij op de trompet kon blazen, was het omdat hij had hooren zeggen, dat, in het slot van Oudenaarde, de plaats open was van torenwachter, ten gevolge van den dood van den ouden man welke die bediening vervulde.Kornjuin zei hem:—Gij zult bazuinblazer van de stede wezen.Uilenspiegel volgde hem en hij werd gebracht op een van de hoogste torens der vestingen, in een goed verlucht hokje, dat open was voor alle winden, behalve voor dien uit ’t Zuiden.Men zei hem, dat hij blazen moest als hij den vijand zag aankomen en, daarom steeds het hoofd vrij en de oogen helder moest houden, weshalve men hem niet te veel eten of drinken bracht.De hoofdman en zijne huurlingen bleven in de toren en kermisten heel den dag ten koste van het platteland. Daar werd meer dan een kapoen, wiens eenige misdaad was vet te zijn, gedood en opgesmuld. Uilenspiegel, die altijd vergeten werd en zich tevreden moest houden met zijn mageren disch, vond in ’t heel geen behagen in den reuk van de saus. De Franschen kwamen, namen het vee mee, doch Uilenspiegel blies het alarm niet.Kornjuin kwam boven en vroeg:—Waarom hebt gij niet geblazen?Uilenspiegel sprak:—Gij hadt kunnen denken, dat het als dank was voor mijn eten.’s Anderen daags bestelde de hoofdman een groot festijn voor zich en zijne huurlingen, maar Uilenspiegel werd nogmaals vergeten. Zij gingen zich deugd doen aan ’t lekkere maal, toen Uilenspiegel alarm blies.Kornjuin en zijne soldaten, meenende dat de Franschen daar waren, verlieten de tafel en sprongen te peerd. Zij reden in allerijl de stad uit, maar buiten vonden ze niets dan een os, die in de zonne herkauwde, en dien zij meenamen.Middelerwijl had Uilenspiegel zich volgestopt met vleesch en met wijn. Toen de hoofdman terugkwam, zag hij hem lachend en met waggelende beenen staan aan de deur van de zaal van ’t festijn. Hij sprak:—’t Is verraderswerk van alarm te blazen als gij den vijand niet ziet, en van niet te blazen als ge hem wèl ziet.—Mijnheer de hoofdman, antwoordde Uilenspiegel, ik heb geblazen om mij te verlichten, want in mijn toren was ik zoodanig opgeblazen van wind, dat ik vreesde te zullen wegvliegen. Laat mij maar ophangen, nu of een andere maal, zoo gij ezelsvel noodig hebt voor uwe trommelen.De hoofdman ging henen en zei geen woord.Maar Oudenaarde kreeg tijding, dat de genadige keizer Karel de stede zou komen bezoeken met een doorluchtig gezelschap. Bij die gelegenheid gaven de schepenen aan Uilenspiegel eenen bril, om Zijne Majesteit beter te zien aankomen. Uilenspiegel moest driemaal blazen, zoodra hij den keizer van Leupegem zag aankomen op een kwartier gaans van de Borgpoort.Die van de stad zouden aldus den tijd hebben de klokken te luiden, het vuurwerk in gereedheid te brengen, het vleesch in den oven te zetten, de vaten aan te steken.Zekeren dag, dat de wind uit Brabant woei en de hemel helder was, zag Uilenspiegel, rond den middag, een grooten troep ruiters op fiere peerden, op den weg die naar Leupegem leidt. Sommigen droegen banieren. Degene, die statig voorop reed, had een goudlakensche muts op met groote pluimen. Hij droeg een kleed van bruine panne, met bloemen geborduurd.Uilenspiegel zette zijn bril op en zag dat het keizer Karel was, die hoogstgenadiglijk aan die van Oudenaarde kwamtoestaan hem hunne beste wijnen en fijnste vleezen op te dienen.Heel die troep kwam stapvoets af en snoof de frissche lucht op, die eetlust doet krijgen; maar Uilenspiegel zei tot zich zelven, dat die lieden de vette brokken gewoon waren en zij niet zouden sterven zoo zij eens over den pot sprongen, daar vasten gezond is. Hij zag ze dus komen, maar blies niet op de trompet.Lachend en pratend kwamen zij nader, terwijl Zijne Heilige Majesteit het hoofd voorover boog, als om te zien of er in zijnen buik plaats genoeg was voor het festijn van die zijner goede stad Oudenaarde. Doch hij was verwonderd en ontevreden dat geenerlei klokke luidde, om zijne komst te kondschappen.Ondertusschen kwam een boer de stad binnenloopen om te zeggen, dat hij in de omstreken een Franschen aanhang gezien had, die op Oudenaarde aanrukte, om alles te stelen en te rooven.Op die rede sloot de poortwachter zijne poort en liet de andere poortwachters door een knaap der gemeente verwittigen. Maar de wacht kermiste zonder van iets te weten.Zijne Majesteit kwam nader, zeer ontstemd, geen klokkengelui of kanongebulder te vernemen. Te vergeefs de ooren spitsend, hoorde hij niets dan de beiaard, die het half uur speelde. Hij kwam vóór de poort, vond die gesloten en sloeg er op met de vuisten om opengedaan te worden.En de heeren van zijn gevolg, verstoord als Zijne Majesteit, gromden bittere woorden. De poortwachter, die omhoog op de vestingen stond, riep hun toe dat zij moesten stille zijn, of dat hij hun wat kogels zou zenden, hetwelk hun ongeduld eenigszins zou koelen.Doch Zijne Majesteit, in woede ontstoken, riep:—Blind verken, herkent gij uwen keizer niet?De poortwachter antwoordde, dat de meest vergulde verkens niet altijd de kleinsten waren, dat hij overigens goed wist, dat de Franschen spotters van nature waren, en keizer Karel voor ’t oogenblik oorloogde in Italië, en dus niet voor de poorten van Oudenaarde wezen kon.Daarop schreeuwden de keizer en de heeren nog luider, zeggende:—Als gij niet opendoet, laten wij U braden op eene lans. En eerst zult gij uwe sleutels inslikken.Op het gerucht dat zij maakten, kwam een oudgediende uit de plaats waar ’t geschut stond. Hij keek over den muur en sprak tot den poortwachter:—Gij zijt mis, dat is onze keizer; ik herken hem goed, hoewel hij verouderd is sedert hij Maria Vander Gheynst van hier naar ’t kasteel van Lalaing voerde.De poortwachter viel stokkedood van schrik, de soldaat nam de sleutels en deed de poort open.De keizer vroeg waarom men hem zoolang had laten wachten; als de soldaat hem het geval uitgelegd had, beval Zijne Majesteit de poort weder te sluiten en de ruiters van Kornjuin te doen komen. Hij deed ze vóór hem gaan, slaande op de tamboerijnen en spelend op de pijpen.Weldra ontwaakten de klokken de eene na de andere en begonnen zij te bimbommelen. Aldus voorafgegaan, kwam Zijne Majesteit met keizerlijk lawaai op de Groote Markt. Burgemeesteren en schepenen waren op het stadhuis vergaderd; schepen Jan Guigelaer kwam met veel gedruisch de zaal binnen en riep:—Keizer Karel is alhier! Keizer Karel is alhier!Ten uiterst verschrikt bij het hooren van die tijding, liepen burgemeesteren, schepenen en raadsheeren buiten om, in korps, keizer Karel te begroeten, terwijl hunne knapen de stede rondliepen om het vuurwerk in gereedheid te brengen, de kapoenen op ’t vuur te zetten en de tonnen aan te steken.Mannen, vrouwlieden en kinderen riepen tot elkander:—Keizer Karel is op de Groote Markt!Weldra was het volk in groote menigte naar de Markt gestroomd.Grammoedig vroeg de keizer aan de twee burgemeesteren, of zij niet verdienden gehangen te worden, om aldus te kort te komen aan den eerbied, den vorst verschuldigd.De burgemeesteren antwoordden, dat zij zulks inderdaad verdienden, maar dat Uilenspiegel, de torenwachter, het meer verdiende, vermits hij, op de mare van ’t bezoek van Zijne Majesteit, op den toren gezet werd met een goeden bril, met uitdrukkelijk bevel driemaal te blazen, zoodra hij den keizerlijken stoet in het gezicht kreeg. Maar hij had het niet gedaan.De keizer, nog immer gram, deed Uilenspiegel komen.—Waarom, sprak hij, hebt gij bij mijne komst niet geblazen, terwijl gij een goeden bril hadt?Dit zeggende, streek hij de hand over de oogen, om den wille van de zonne, en zoo bekeek hij Uilenspiegel.Deze streek ook de hand over de oogen en antwoordde dat hij, sedert hij Zijne Heilige Majesteit door zijne vingeren zag kijken, geen bril meer wilde bezigen.De keizer zei hem, dat hij ging gehangen worden; de poortwachter zei dat het wel besteed was, en de burgemeesteren zeiden geen woord om die sententie goed te keuren of tegen te spreken, want zij waren met schrik vervuld.De beul en zijne knechten werden geroepen. Zij kwamen met eene ladder en een nieuwe koorde, grepen Uilenspiegel bij den kraag en deden hem vóór de honderd ruiters van Kornjuin gaan. In stee van hem gerust te laten om zijne gebeden te zeggen, begonnen deze hem te sarren en te plagen.Het gemeen, dat volgde, zegde:—’t Is een ongemeene wreedheid, dien armen jongen voor zulk een gering vergrijp ter dood te veroordeelen.En de wevers, die daar in groote menigte onder de wapens stonden, zegden:—Wij zullen Uilenspiegel niet laten hangen; dat is in strijd met de costume van Oudenaarde.Doch men kwam aan het galgeveld. Uilenspiegel werd op de ladder getrokken, en de beul deed de koorde rond zijnen hals. De wevers drongen rond de galge. De provoost was daar, met de roede der justitie bij zich, met dewelke hij op bevel van den keizer het teeken tot de uitvoering moest geven.Heel het vergaderde volk riep:—Genade! genade voor Uilenspiegel!Uilenspiegel, van op zijne ladder, sprak:—Medelijden! genadige keizer!De keizer hief de hand op en sprak:—Als die deugniet mij iets vraagt, dat ik niet doen kan, schenk ik hem het leven!—Spreek, Uilenspiegel! riep het volk.De vrouwen weenden en zeiden:—Hij moet sterven, de jongen, want de keizer kan alles.En allen riepen:—Spreek, Uilenspiegel!—Heilige Majesteit, ik zal U noch geld, noch erfgoederen, noch het leven vragen, doch enkel iets voor hetwelk gij beloven moet, als ik zoo spreken durf, mij niet te zullen doen geeselen of radbraken, vóór dat ik naar de andere wereld vertrek.—Dat beloof ik, sprak de keizer.—Majesteit, zei Uilenspiegel, ik vraag dat, vóór ik gehangen worde, gij mijnen mond komt kussen met denwelken ik geen Vlaamsch spreke....De keizer, die lachte evenals heel de menigte, antwoordde:—Ik kan niet doen wat gij mij vraagt, en gij zult niet gehangen worden, Uilenspiegel.Maar de burgemeesteren en schepenen veroordeelde hij om, zes maanden lang, eenen bril van achteren op het hoofd te dragen, opdat, zegde hij, als die van Oudenaarde van voren niet zien, zij tenminste van achteren zouden zien.En, bij keizerlijk decreet, staat die bril nog heden op het wapen van de stad.En Uilenspiegel ging zediglijk henen, met een kleine tassche vol geld, dat de vrouwen hem hadden gegeven.
XLII.De reizende Uilenspiegel ware geerne struikroover geworden,maar hij zei tot zich zelven, dat hij met struiken niets verrichten kon.Hij stapte op goed valle ’t uit naar Oudenaarde, waar toen een garnizoen Vlaamsche ruiters lag, om de stad te verdedigen tegen de Fransche benden, die het land verwoestten lijk sprinkhanen.De hoofdman van de ruiters was een Fries, een zekere Kornjuin. Zij ook liepen het platteland af en knevelden het volk, dat aldus, als naar gewoonte, langs twee kanten tegelijk opgegeten werd.Alles was hun deeg: kiekens en kapoenen, eenden en duiven, kalveren en verkens. Op een avond dat Kornjuin en zijne mannen met buit beladen terugkwamen, zagen zij aan den voet van een boom Uilenspiegel liggen, die sliep en zeker van stoverije droomde.—Wat doet gij om te leven? vroeg Kornjuin.—Sterven van honger, antwoordde Uilenspiegel.—Wat is uw ambacht?—Reizen voor mijne zonden, de anderen zien wroeten, op de koorde dansen, lieve gezichtjes schilderen, messenhechten snijden, op den rommelpot spelen en op de trompet blazen.Als Uilenspiegel zoo stout zei, dat hij op de trompet kon blazen, was het omdat hij had hooren zeggen, dat, in het slot van Oudenaarde, de plaats open was van torenwachter, ten gevolge van den dood van den ouden man welke die bediening vervulde.Kornjuin zei hem:—Gij zult bazuinblazer van de stede wezen.Uilenspiegel volgde hem en hij werd gebracht op een van de hoogste torens der vestingen, in een goed verlucht hokje, dat open was voor alle winden, behalve voor dien uit ’t Zuiden.Men zei hem, dat hij blazen moest als hij den vijand zag aankomen en, daarom steeds het hoofd vrij en de oogen helder moest houden, weshalve men hem niet te veel eten of drinken bracht.De hoofdman en zijne huurlingen bleven in de toren en kermisten heel den dag ten koste van het platteland. Daar werd meer dan een kapoen, wiens eenige misdaad was vet te zijn, gedood en opgesmuld. Uilenspiegel, die altijd vergeten werd en zich tevreden moest houden met zijn mageren disch, vond in ’t heel geen behagen in den reuk van de saus. De Franschen kwamen, namen het vee mee, doch Uilenspiegel blies het alarm niet.Kornjuin kwam boven en vroeg:—Waarom hebt gij niet geblazen?Uilenspiegel sprak:—Gij hadt kunnen denken, dat het als dank was voor mijn eten.’s Anderen daags bestelde de hoofdman een groot festijn voor zich en zijne huurlingen, maar Uilenspiegel werd nogmaals vergeten. Zij gingen zich deugd doen aan ’t lekkere maal, toen Uilenspiegel alarm blies.Kornjuin en zijne soldaten, meenende dat de Franschen daar waren, verlieten de tafel en sprongen te peerd. Zij reden in allerijl de stad uit, maar buiten vonden ze niets dan een os, die in de zonne herkauwde, en dien zij meenamen.Middelerwijl had Uilenspiegel zich volgestopt met vleesch en met wijn. Toen de hoofdman terugkwam, zag hij hem lachend en met waggelende beenen staan aan de deur van de zaal van ’t festijn. Hij sprak:—’t Is verraderswerk van alarm te blazen als gij den vijand niet ziet, en van niet te blazen als ge hem wèl ziet.—Mijnheer de hoofdman, antwoordde Uilenspiegel, ik heb geblazen om mij te verlichten, want in mijn toren was ik zoodanig opgeblazen van wind, dat ik vreesde te zullen wegvliegen. Laat mij maar ophangen, nu of een andere maal, zoo gij ezelsvel noodig hebt voor uwe trommelen.De hoofdman ging henen en zei geen woord.Maar Oudenaarde kreeg tijding, dat de genadige keizer Karel de stede zou komen bezoeken met een doorluchtig gezelschap. Bij die gelegenheid gaven de schepenen aan Uilenspiegel eenen bril, om Zijne Majesteit beter te zien aankomen. Uilenspiegel moest driemaal blazen, zoodra hij den keizer van Leupegem zag aankomen op een kwartier gaans van de Borgpoort.Die van de stad zouden aldus den tijd hebben de klokken te luiden, het vuurwerk in gereedheid te brengen, het vleesch in den oven te zetten, de vaten aan te steken.Zekeren dag, dat de wind uit Brabant woei en de hemel helder was, zag Uilenspiegel, rond den middag, een grooten troep ruiters op fiere peerden, op den weg die naar Leupegem leidt. Sommigen droegen banieren. Degene, die statig voorop reed, had een goudlakensche muts op met groote pluimen. Hij droeg een kleed van bruine panne, met bloemen geborduurd.Uilenspiegel zette zijn bril op en zag dat het keizer Karel was, die hoogstgenadiglijk aan die van Oudenaarde kwamtoestaan hem hunne beste wijnen en fijnste vleezen op te dienen.Heel die troep kwam stapvoets af en snoof de frissche lucht op, die eetlust doet krijgen; maar Uilenspiegel zei tot zich zelven, dat die lieden de vette brokken gewoon waren en zij niet zouden sterven zoo zij eens over den pot sprongen, daar vasten gezond is. Hij zag ze dus komen, maar blies niet op de trompet.Lachend en pratend kwamen zij nader, terwijl Zijne Heilige Majesteit het hoofd voorover boog, als om te zien of er in zijnen buik plaats genoeg was voor het festijn van die zijner goede stad Oudenaarde. Doch hij was verwonderd en ontevreden dat geenerlei klokke luidde, om zijne komst te kondschappen.Ondertusschen kwam een boer de stad binnenloopen om te zeggen, dat hij in de omstreken een Franschen aanhang gezien had, die op Oudenaarde aanrukte, om alles te stelen en te rooven.Op die rede sloot de poortwachter zijne poort en liet de andere poortwachters door een knaap der gemeente verwittigen. Maar de wacht kermiste zonder van iets te weten.Zijne Majesteit kwam nader, zeer ontstemd, geen klokkengelui of kanongebulder te vernemen. Te vergeefs de ooren spitsend, hoorde hij niets dan de beiaard, die het half uur speelde. Hij kwam vóór de poort, vond die gesloten en sloeg er op met de vuisten om opengedaan te worden.En de heeren van zijn gevolg, verstoord als Zijne Majesteit, gromden bittere woorden. De poortwachter, die omhoog op de vestingen stond, riep hun toe dat zij moesten stille zijn, of dat hij hun wat kogels zou zenden, hetwelk hun ongeduld eenigszins zou koelen.Doch Zijne Majesteit, in woede ontstoken, riep:—Blind verken, herkent gij uwen keizer niet?De poortwachter antwoordde, dat de meest vergulde verkens niet altijd de kleinsten waren, dat hij overigens goed wist, dat de Franschen spotters van nature waren, en keizer Karel voor ’t oogenblik oorloogde in Italië, en dus niet voor de poorten van Oudenaarde wezen kon.Daarop schreeuwden de keizer en de heeren nog luider, zeggende:—Als gij niet opendoet, laten wij U braden op eene lans. En eerst zult gij uwe sleutels inslikken.Op het gerucht dat zij maakten, kwam een oudgediende uit de plaats waar ’t geschut stond. Hij keek over den muur en sprak tot den poortwachter:—Gij zijt mis, dat is onze keizer; ik herken hem goed, hoewel hij verouderd is sedert hij Maria Vander Gheynst van hier naar ’t kasteel van Lalaing voerde.De poortwachter viel stokkedood van schrik, de soldaat nam de sleutels en deed de poort open.De keizer vroeg waarom men hem zoolang had laten wachten; als de soldaat hem het geval uitgelegd had, beval Zijne Majesteit de poort weder te sluiten en de ruiters van Kornjuin te doen komen. Hij deed ze vóór hem gaan, slaande op de tamboerijnen en spelend op de pijpen.Weldra ontwaakten de klokken de eene na de andere en begonnen zij te bimbommelen. Aldus voorafgegaan, kwam Zijne Majesteit met keizerlijk lawaai op de Groote Markt. Burgemeesteren en schepenen waren op het stadhuis vergaderd; schepen Jan Guigelaer kwam met veel gedruisch de zaal binnen en riep:—Keizer Karel is alhier! Keizer Karel is alhier!Ten uiterst verschrikt bij het hooren van die tijding, liepen burgemeesteren, schepenen en raadsheeren buiten om, in korps, keizer Karel te begroeten, terwijl hunne knapen de stede rondliepen om het vuurwerk in gereedheid te brengen, de kapoenen op ’t vuur te zetten en de tonnen aan te steken.Mannen, vrouwlieden en kinderen riepen tot elkander:—Keizer Karel is op de Groote Markt!Weldra was het volk in groote menigte naar de Markt gestroomd.Grammoedig vroeg de keizer aan de twee burgemeesteren, of zij niet verdienden gehangen te worden, om aldus te kort te komen aan den eerbied, den vorst verschuldigd.De burgemeesteren antwoordden, dat zij zulks inderdaad verdienden, maar dat Uilenspiegel, de torenwachter, het meer verdiende, vermits hij, op de mare van ’t bezoek van Zijne Majesteit, op den toren gezet werd met een goeden bril, met uitdrukkelijk bevel driemaal te blazen, zoodra hij den keizerlijken stoet in het gezicht kreeg. Maar hij had het niet gedaan.De keizer, nog immer gram, deed Uilenspiegel komen.—Waarom, sprak hij, hebt gij bij mijne komst niet geblazen, terwijl gij een goeden bril hadt?Dit zeggende, streek hij de hand over de oogen, om den wille van de zonne, en zoo bekeek hij Uilenspiegel.Deze streek ook de hand over de oogen en antwoordde dat hij, sedert hij Zijne Heilige Majesteit door zijne vingeren zag kijken, geen bril meer wilde bezigen.De keizer zei hem, dat hij ging gehangen worden; de poortwachter zei dat het wel besteed was, en de burgemeesteren zeiden geen woord om die sententie goed te keuren of tegen te spreken, want zij waren met schrik vervuld.De beul en zijne knechten werden geroepen. Zij kwamen met eene ladder en een nieuwe koorde, grepen Uilenspiegel bij den kraag en deden hem vóór de honderd ruiters van Kornjuin gaan. In stee van hem gerust te laten om zijne gebeden te zeggen, begonnen deze hem te sarren en te plagen.Het gemeen, dat volgde, zegde:—’t Is een ongemeene wreedheid, dien armen jongen voor zulk een gering vergrijp ter dood te veroordeelen.En de wevers, die daar in groote menigte onder de wapens stonden, zegden:—Wij zullen Uilenspiegel niet laten hangen; dat is in strijd met de costume van Oudenaarde.Doch men kwam aan het galgeveld. Uilenspiegel werd op de ladder getrokken, en de beul deed de koorde rond zijnen hals. De wevers drongen rond de galge. De provoost was daar, met de roede der justitie bij zich, met dewelke hij op bevel van den keizer het teeken tot de uitvoering moest geven.Heel het vergaderde volk riep:—Genade! genade voor Uilenspiegel!Uilenspiegel, van op zijne ladder, sprak:—Medelijden! genadige keizer!De keizer hief de hand op en sprak:—Als die deugniet mij iets vraagt, dat ik niet doen kan, schenk ik hem het leven!—Spreek, Uilenspiegel! riep het volk.De vrouwen weenden en zeiden:—Hij moet sterven, de jongen, want de keizer kan alles.En allen riepen:—Spreek, Uilenspiegel!—Heilige Majesteit, ik zal U noch geld, noch erfgoederen, noch het leven vragen, doch enkel iets voor hetwelk gij beloven moet, als ik zoo spreken durf, mij niet te zullen doen geeselen of radbraken, vóór dat ik naar de andere wereld vertrek.—Dat beloof ik, sprak de keizer.—Majesteit, zei Uilenspiegel, ik vraag dat, vóór ik gehangen worde, gij mijnen mond komt kussen met denwelken ik geen Vlaamsch spreke....De keizer, die lachte evenals heel de menigte, antwoordde:—Ik kan niet doen wat gij mij vraagt, en gij zult niet gehangen worden, Uilenspiegel.Maar de burgemeesteren en schepenen veroordeelde hij om, zes maanden lang, eenen bril van achteren op het hoofd te dragen, opdat, zegde hij, als die van Oudenaarde van voren niet zien, zij tenminste van achteren zouden zien.En, bij keizerlijk decreet, staat die bril nog heden op het wapen van de stad.En Uilenspiegel ging zediglijk henen, met een kleine tassche vol geld, dat de vrouwen hem hadden gegeven.
XLII.
De reizende Uilenspiegel ware geerne struikroover geworden,maar hij zei tot zich zelven, dat hij met struiken niets verrichten kon.Hij stapte op goed valle ’t uit naar Oudenaarde, waar toen een garnizoen Vlaamsche ruiters lag, om de stad te verdedigen tegen de Fransche benden, die het land verwoestten lijk sprinkhanen.De hoofdman van de ruiters was een Fries, een zekere Kornjuin. Zij ook liepen het platteland af en knevelden het volk, dat aldus, als naar gewoonte, langs twee kanten tegelijk opgegeten werd.Alles was hun deeg: kiekens en kapoenen, eenden en duiven, kalveren en verkens. Op een avond dat Kornjuin en zijne mannen met buit beladen terugkwamen, zagen zij aan den voet van een boom Uilenspiegel liggen, die sliep en zeker van stoverije droomde.—Wat doet gij om te leven? vroeg Kornjuin.—Sterven van honger, antwoordde Uilenspiegel.—Wat is uw ambacht?—Reizen voor mijne zonden, de anderen zien wroeten, op de koorde dansen, lieve gezichtjes schilderen, messenhechten snijden, op den rommelpot spelen en op de trompet blazen.Als Uilenspiegel zoo stout zei, dat hij op de trompet kon blazen, was het omdat hij had hooren zeggen, dat, in het slot van Oudenaarde, de plaats open was van torenwachter, ten gevolge van den dood van den ouden man welke die bediening vervulde.Kornjuin zei hem:—Gij zult bazuinblazer van de stede wezen.Uilenspiegel volgde hem en hij werd gebracht op een van de hoogste torens der vestingen, in een goed verlucht hokje, dat open was voor alle winden, behalve voor dien uit ’t Zuiden.Men zei hem, dat hij blazen moest als hij den vijand zag aankomen en, daarom steeds het hoofd vrij en de oogen helder moest houden, weshalve men hem niet te veel eten of drinken bracht.De hoofdman en zijne huurlingen bleven in de toren en kermisten heel den dag ten koste van het platteland. Daar werd meer dan een kapoen, wiens eenige misdaad was vet te zijn, gedood en opgesmuld. Uilenspiegel, die altijd vergeten werd en zich tevreden moest houden met zijn mageren disch, vond in ’t heel geen behagen in den reuk van de saus. De Franschen kwamen, namen het vee mee, doch Uilenspiegel blies het alarm niet.Kornjuin kwam boven en vroeg:—Waarom hebt gij niet geblazen?Uilenspiegel sprak:—Gij hadt kunnen denken, dat het als dank was voor mijn eten.’s Anderen daags bestelde de hoofdman een groot festijn voor zich en zijne huurlingen, maar Uilenspiegel werd nogmaals vergeten. Zij gingen zich deugd doen aan ’t lekkere maal, toen Uilenspiegel alarm blies.Kornjuin en zijne soldaten, meenende dat de Franschen daar waren, verlieten de tafel en sprongen te peerd. Zij reden in allerijl de stad uit, maar buiten vonden ze niets dan een os, die in de zonne herkauwde, en dien zij meenamen.Middelerwijl had Uilenspiegel zich volgestopt met vleesch en met wijn. Toen de hoofdman terugkwam, zag hij hem lachend en met waggelende beenen staan aan de deur van de zaal van ’t festijn. Hij sprak:—’t Is verraderswerk van alarm te blazen als gij den vijand niet ziet, en van niet te blazen als ge hem wèl ziet.—Mijnheer de hoofdman, antwoordde Uilenspiegel, ik heb geblazen om mij te verlichten, want in mijn toren was ik zoodanig opgeblazen van wind, dat ik vreesde te zullen wegvliegen. Laat mij maar ophangen, nu of een andere maal, zoo gij ezelsvel noodig hebt voor uwe trommelen.De hoofdman ging henen en zei geen woord.Maar Oudenaarde kreeg tijding, dat de genadige keizer Karel de stede zou komen bezoeken met een doorluchtig gezelschap. Bij die gelegenheid gaven de schepenen aan Uilenspiegel eenen bril, om Zijne Majesteit beter te zien aankomen. Uilenspiegel moest driemaal blazen, zoodra hij den keizer van Leupegem zag aankomen op een kwartier gaans van de Borgpoort.Die van de stad zouden aldus den tijd hebben de klokken te luiden, het vuurwerk in gereedheid te brengen, het vleesch in den oven te zetten, de vaten aan te steken.Zekeren dag, dat de wind uit Brabant woei en de hemel helder was, zag Uilenspiegel, rond den middag, een grooten troep ruiters op fiere peerden, op den weg die naar Leupegem leidt. Sommigen droegen banieren. Degene, die statig voorop reed, had een goudlakensche muts op met groote pluimen. Hij droeg een kleed van bruine panne, met bloemen geborduurd.Uilenspiegel zette zijn bril op en zag dat het keizer Karel was, die hoogstgenadiglijk aan die van Oudenaarde kwamtoestaan hem hunne beste wijnen en fijnste vleezen op te dienen.Heel die troep kwam stapvoets af en snoof de frissche lucht op, die eetlust doet krijgen; maar Uilenspiegel zei tot zich zelven, dat die lieden de vette brokken gewoon waren en zij niet zouden sterven zoo zij eens over den pot sprongen, daar vasten gezond is. Hij zag ze dus komen, maar blies niet op de trompet.Lachend en pratend kwamen zij nader, terwijl Zijne Heilige Majesteit het hoofd voorover boog, als om te zien of er in zijnen buik plaats genoeg was voor het festijn van die zijner goede stad Oudenaarde. Doch hij was verwonderd en ontevreden dat geenerlei klokke luidde, om zijne komst te kondschappen.Ondertusschen kwam een boer de stad binnenloopen om te zeggen, dat hij in de omstreken een Franschen aanhang gezien had, die op Oudenaarde aanrukte, om alles te stelen en te rooven.Op die rede sloot de poortwachter zijne poort en liet de andere poortwachters door een knaap der gemeente verwittigen. Maar de wacht kermiste zonder van iets te weten.Zijne Majesteit kwam nader, zeer ontstemd, geen klokkengelui of kanongebulder te vernemen. Te vergeefs de ooren spitsend, hoorde hij niets dan de beiaard, die het half uur speelde. Hij kwam vóór de poort, vond die gesloten en sloeg er op met de vuisten om opengedaan te worden.En de heeren van zijn gevolg, verstoord als Zijne Majesteit, gromden bittere woorden. De poortwachter, die omhoog op de vestingen stond, riep hun toe dat zij moesten stille zijn, of dat hij hun wat kogels zou zenden, hetwelk hun ongeduld eenigszins zou koelen.Doch Zijne Majesteit, in woede ontstoken, riep:—Blind verken, herkent gij uwen keizer niet?De poortwachter antwoordde, dat de meest vergulde verkens niet altijd de kleinsten waren, dat hij overigens goed wist, dat de Franschen spotters van nature waren, en keizer Karel voor ’t oogenblik oorloogde in Italië, en dus niet voor de poorten van Oudenaarde wezen kon.Daarop schreeuwden de keizer en de heeren nog luider, zeggende:—Als gij niet opendoet, laten wij U braden op eene lans. En eerst zult gij uwe sleutels inslikken.Op het gerucht dat zij maakten, kwam een oudgediende uit de plaats waar ’t geschut stond. Hij keek over den muur en sprak tot den poortwachter:—Gij zijt mis, dat is onze keizer; ik herken hem goed, hoewel hij verouderd is sedert hij Maria Vander Gheynst van hier naar ’t kasteel van Lalaing voerde.De poortwachter viel stokkedood van schrik, de soldaat nam de sleutels en deed de poort open.De keizer vroeg waarom men hem zoolang had laten wachten; als de soldaat hem het geval uitgelegd had, beval Zijne Majesteit de poort weder te sluiten en de ruiters van Kornjuin te doen komen. Hij deed ze vóór hem gaan, slaande op de tamboerijnen en spelend op de pijpen.Weldra ontwaakten de klokken de eene na de andere en begonnen zij te bimbommelen. Aldus voorafgegaan, kwam Zijne Majesteit met keizerlijk lawaai op de Groote Markt. Burgemeesteren en schepenen waren op het stadhuis vergaderd; schepen Jan Guigelaer kwam met veel gedruisch de zaal binnen en riep:—Keizer Karel is alhier! Keizer Karel is alhier!Ten uiterst verschrikt bij het hooren van die tijding, liepen burgemeesteren, schepenen en raadsheeren buiten om, in korps, keizer Karel te begroeten, terwijl hunne knapen de stede rondliepen om het vuurwerk in gereedheid te brengen, de kapoenen op ’t vuur te zetten en de tonnen aan te steken.Mannen, vrouwlieden en kinderen riepen tot elkander:—Keizer Karel is op de Groote Markt!Weldra was het volk in groote menigte naar de Markt gestroomd.Grammoedig vroeg de keizer aan de twee burgemeesteren, of zij niet verdienden gehangen te worden, om aldus te kort te komen aan den eerbied, den vorst verschuldigd.De burgemeesteren antwoordden, dat zij zulks inderdaad verdienden, maar dat Uilenspiegel, de torenwachter, het meer verdiende, vermits hij, op de mare van ’t bezoek van Zijne Majesteit, op den toren gezet werd met een goeden bril, met uitdrukkelijk bevel driemaal te blazen, zoodra hij den keizerlijken stoet in het gezicht kreeg. Maar hij had het niet gedaan.De keizer, nog immer gram, deed Uilenspiegel komen.—Waarom, sprak hij, hebt gij bij mijne komst niet geblazen, terwijl gij een goeden bril hadt?Dit zeggende, streek hij de hand over de oogen, om den wille van de zonne, en zoo bekeek hij Uilenspiegel.Deze streek ook de hand over de oogen en antwoordde dat hij, sedert hij Zijne Heilige Majesteit door zijne vingeren zag kijken, geen bril meer wilde bezigen.De keizer zei hem, dat hij ging gehangen worden; de poortwachter zei dat het wel besteed was, en de burgemeesteren zeiden geen woord om die sententie goed te keuren of tegen te spreken, want zij waren met schrik vervuld.De beul en zijne knechten werden geroepen. Zij kwamen met eene ladder en een nieuwe koorde, grepen Uilenspiegel bij den kraag en deden hem vóór de honderd ruiters van Kornjuin gaan. In stee van hem gerust te laten om zijne gebeden te zeggen, begonnen deze hem te sarren en te plagen.Het gemeen, dat volgde, zegde:—’t Is een ongemeene wreedheid, dien armen jongen voor zulk een gering vergrijp ter dood te veroordeelen.En de wevers, die daar in groote menigte onder de wapens stonden, zegden:—Wij zullen Uilenspiegel niet laten hangen; dat is in strijd met de costume van Oudenaarde.Doch men kwam aan het galgeveld. Uilenspiegel werd op de ladder getrokken, en de beul deed de koorde rond zijnen hals. De wevers drongen rond de galge. De provoost was daar, met de roede der justitie bij zich, met dewelke hij op bevel van den keizer het teeken tot de uitvoering moest geven.Heel het vergaderde volk riep:—Genade! genade voor Uilenspiegel!Uilenspiegel, van op zijne ladder, sprak:—Medelijden! genadige keizer!De keizer hief de hand op en sprak:—Als die deugniet mij iets vraagt, dat ik niet doen kan, schenk ik hem het leven!—Spreek, Uilenspiegel! riep het volk.De vrouwen weenden en zeiden:—Hij moet sterven, de jongen, want de keizer kan alles.En allen riepen:—Spreek, Uilenspiegel!—Heilige Majesteit, ik zal U noch geld, noch erfgoederen, noch het leven vragen, doch enkel iets voor hetwelk gij beloven moet, als ik zoo spreken durf, mij niet te zullen doen geeselen of radbraken, vóór dat ik naar de andere wereld vertrek.—Dat beloof ik, sprak de keizer.—Majesteit, zei Uilenspiegel, ik vraag dat, vóór ik gehangen worde, gij mijnen mond komt kussen met denwelken ik geen Vlaamsch spreke....De keizer, die lachte evenals heel de menigte, antwoordde:—Ik kan niet doen wat gij mij vraagt, en gij zult niet gehangen worden, Uilenspiegel.Maar de burgemeesteren en schepenen veroordeelde hij om, zes maanden lang, eenen bril van achteren op het hoofd te dragen, opdat, zegde hij, als die van Oudenaarde van voren niet zien, zij tenminste van achteren zouden zien.En, bij keizerlijk decreet, staat die bril nog heden op het wapen van de stad.En Uilenspiegel ging zediglijk henen, met een kleine tassche vol geld, dat de vrouwen hem hadden gegeven.
De reizende Uilenspiegel ware geerne struikroover geworden,maar hij zei tot zich zelven, dat hij met struiken niets verrichten kon.
Hij stapte op goed valle ’t uit naar Oudenaarde, waar toen een garnizoen Vlaamsche ruiters lag, om de stad te verdedigen tegen de Fransche benden, die het land verwoestten lijk sprinkhanen.
De hoofdman van de ruiters was een Fries, een zekere Kornjuin. Zij ook liepen het platteland af en knevelden het volk, dat aldus, als naar gewoonte, langs twee kanten tegelijk opgegeten werd.
Alles was hun deeg: kiekens en kapoenen, eenden en duiven, kalveren en verkens. Op een avond dat Kornjuin en zijne mannen met buit beladen terugkwamen, zagen zij aan den voet van een boom Uilenspiegel liggen, die sliep en zeker van stoverije droomde.
—Wat doet gij om te leven? vroeg Kornjuin.
—Sterven van honger, antwoordde Uilenspiegel.
—Wat is uw ambacht?
—Reizen voor mijne zonden, de anderen zien wroeten, op de koorde dansen, lieve gezichtjes schilderen, messenhechten snijden, op den rommelpot spelen en op de trompet blazen.
Als Uilenspiegel zoo stout zei, dat hij op de trompet kon blazen, was het omdat hij had hooren zeggen, dat, in het slot van Oudenaarde, de plaats open was van torenwachter, ten gevolge van den dood van den ouden man welke die bediening vervulde.
Kornjuin zei hem:
—Gij zult bazuinblazer van de stede wezen.
Uilenspiegel volgde hem en hij werd gebracht op een van de hoogste torens der vestingen, in een goed verlucht hokje, dat open was voor alle winden, behalve voor dien uit ’t Zuiden.
Men zei hem, dat hij blazen moest als hij den vijand zag aankomen en, daarom steeds het hoofd vrij en de oogen helder moest houden, weshalve men hem niet te veel eten of drinken bracht.
De hoofdman en zijne huurlingen bleven in de toren en kermisten heel den dag ten koste van het platteland. Daar werd meer dan een kapoen, wiens eenige misdaad was vet te zijn, gedood en opgesmuld. Uilenspiegel, die altijd vergeten werd en zich tevreden moest houden met zijn mageren disch, vond in ’t heel geen behagen in den reuk van de saus. De Franschen kwamen, namen het vee mee, doch Uilenspiegel blies het alarm niet.
Kornjuin kwam boven en vroeg:
—Waarom hebt gij niet geblazen?
Uilenspiegel sprak:
—Gij hadt kunnen denken, dat het als dank was voor mijn eten.
’s Anderen daags bestelde de hoofdman een groot festijn voor zich en zijne huurlingen, maar Uilenspiegel werd nogmaals vergeten. Zij gingen zich deugd doen aan ’t lekkere maal, toen Uilenspiegel alarm blies.
Kornjuin en zijne soldaten, meenende dat de Franschen daar waren, verlieten de tafel en sprongen te peerd. Zij reden in allerijl de stad uit, maar buiten vonden ze niets dan een os, die in de zonne herkauwde, en dien zij meenamen.
Middelerwijl had Uilenspiegel zich volgestopt met vleesch en met wijn. Toen de hoofdman terugkwam, zag hij hem lachend en met waggelende beenen staan aan de deur van de zaal van ’t festijn. Hij sprak:
—’t Is verraderswerk van alarm te blazen als gij den vijand niet ziet, en van niet te blazen als ge hem wèl ziet.
—Mijnheer de hoofdman, antwoordde Uilenspiegel, ik heb geblazen om mij te verlichten, want in mijn toren was ik zoodanig opgeblazen van wind, dat ik vreesde te zullen wegvliegen. Laat mij maar ophangen, nu of een andere maal, zoo gij ezelsvel noodig hebt voor uwe trommelen.
De hoofdman ging henen en zei geen woord.
Maar Oudenaarde kreeg tijding, dat de genadige keizer Karel de stede zou komen bezoeken met een doorluchtig gezelschap. Bij die gelegenheid gaven de schepenen aan Uilenspiegel eenen bril, om Zijne Majesteit beter te zien aankomen. Uilenspiegel moest driemaal blazen, zoodra hij den keizer van Leupegem zag aankomen op een kwartier gaans van de Borgpoort.
Die van de stad zouden aldus den tijd hebben de klokken te luiden, het vuurwerk in gereedheid te brengen, het vleesch in den oven te zetten, de vaten aan te steken.
Zekeren dag, dat de wind uit Brabant woei en de hemel helder was, zag Uilenspiegel, rond den middag, een grooten troep ruiters op fiere peerden, op den weg die naar Leupegem leidt. Sommigen droegen banieren. Degene, die statig voorop reed, had een goudlakensche muts op met groote pluimen. Hij droeg een kleed van bruine panne, met bloemen geborduurd.
Uilenspiegel zette zijn bril op en zag dat het keizer Karel was, die hoogstgenadiglijk aan die van Oudenaarde kwamtoestaan hem hunne beste wijnen en fijnste vleezen op te dienen.
Heel die troep kwam stapvoets af en snoof de frissche lucht op, die eetlust doet krijgen; maar Uilenspiegel zei tot zich zelven, dat die lieden de vette brokken gewoon waren en zij niet zouden sterven zoo zij eens over den pot sprongen, daar vasten gezond is. Hij zag ze dus komen, maar blies niet op de trompet.
Lachend en pratend kwamen zij nader, terwijl Zijne Heilige Majesteit het hoofd voorover boog, als om te zien of er in zijnen buik plaats genoeg was voor het festijn van die zijner goede stad Oudenaarde. Doch hij was verwonderd en ontevreden dat geenerlei klokke luidde, om zijne komst te kondschappen.
Ondertusschen kwam een boer de stad binnenloopen om te zeggen, dat hij in de omstreken een Franschen aanhang gezien had, die op Oudenaarde aanrukte, om alles te stelen en te rooven.
Op die rede sloot de poortwachter zijne poort en liet de andere poortwachters door een knaap der gemeente verwittigen. Maar de wacht kermiste zonder van iets te weten.
Zijne Majesteit kwam nader, zeer ontstemd, geen klokkengelui of kanongebulder te vernemen. Te vergeefs de ooren spitsend, hoorde hij niets dan de beiaard, die het half uur speelde. Hij kwam vóór de poort, vond die gesloten en sloeg er op met de vuisten om opengedaan te worden.
En de heeren van zijn gevolg, verstoord als Zijne Majesteit, gromden bittere woorden. De poortwachter, die omhoog op de vestingen stond, riep hun toe dat zij moesten stille zijn, of dat hij hun wat kogels zou zenden, hetwelk hun ongeduld eenigszins zou koelen.
Doch Zijne Majesteit, in woede ontstoken, riep:
—Blind verken, herkent gij uwen keizer niet?
De poortwachter antwoordde, dat de meest vergulde verkens niet altijd de kleinsten waren, dat hij overigens goed wist, dat de Franschen spotters van nature waren, en keizer Karel voor ’t oogenblik oorloogde in Italië, en dus niet voor de poorten van Oudenaarde wezen kon.
Daarop schreeuwden de keizer en de heeren nog luider, zeggende:
—Als gij niet opendoet, laten wij U braden op eene lans. En eerst zult gij uwe sleutels inslikken.
Op het gerucht dat zij maakten, kwam een oudgediende uit de plaats waar ’t geschut stond. Hij keek over den muur en sprak tot den poortwachter:
—Gij zijt mis, dat is onze keizer; ik herken hem goed, hoewel hij verouderd is sedert hij Maria Vander Gheynst van hier naar ’t kasteel van Lalaing voerde.
De poortwachter viel stokkedood van schrik, de soldaat nam de sleutels en deed de poort open.
De keizer vroeg waarom men hem zoolang had laten wachten; als de soldaat hem het geval uitgelegd had, beval Zijne Majesteit de poort weder te sluiten en de ruiters van Kornjuin te doen komen. Hij deed ze vóór hem gaan, slaande op de tamboerijnen en spelend op de pijpen.
Weldra ontwaakten de klokken de eene na de andere en begonnen zij te bimbommelen. Aldus voorafgegaan, kwam Zijne Majesteit met keizerlijk lawaai op de Groote Markt. Burgemeesteren en schepenen waren op het stadhuis vergaderd; schepen Jan Guigelaer kwam met veel gedruisch de zaal binnen en riep:
—Keizer Karel is alhier! Keizer Karel is alhier!
Ten uiterst verschrikt bij het hooren van die tijding, liepen burgemeesteren, schepenen en raadsheeren buiten om, in korps, keizer Karel te begroeten, terwijl hunne knapen de stede rondliepen om het vuurwerk in gereedheid te brengen, de kapoenen op ’t vuur te zetten en de tonnen aan te steken.
Mannen, vrouwlieden en kinderen riepen tot elkander:
—Keizer Karel is op de Groote Markt!
Weldra was het volk in groote menigte naar de Markt gestroomd.
Grammoedig vroeg de keizer aan de twee burgemeesteren, of zij niet verdienden gehangen te worden, om aldus te kort te komen aan den eerbied, den vorst verschuldigd.
De burgemeesteren antwoordden, dat zij zulks inderdaad verdienden, maar dat Uilenspiegel, de torenwachter, het meer verdiende, vermits hij, op de mare van ’t bezoek van Zijne Majesteit, op den toren gezet werd met een goeden bril, met uitdrukkelijk bevel driemaal te blazen, zoodra hij den keizerlijken stoet in het gezicht kreeg. Maar hij had het niet gedaan.
De keizer, nog immer gram, deed Uilenspiegel komen.
—Waarom, sprak hij, hebt gij bij mijne komst niet geblazen, terwijl gij een goeden bril hadt?
Dit zeggende, streek hij de hand over de oogen, om den wille van de zonne, en zoo bekeek hij Uilenspiegel.
Deze streek ook de hand over de oogen en antwoordde dat hij, sedert hij Zijne Heilige Majesteit door zijne vingeren zag kijken, geen bril meer wilde bezigen.
De keizer zei hem, dat hij ging gehangen worden; de poortwachter zei dat het wel besteed was, en de burgemeesteren zeiden geen woord om die sententie goed te keuren of tegen te spreken, want zij waren met schrik vervuld.
De beul en zijne knechten werden geroepen. Zij kwamen met eene ladder en een nieuwe koorde, grepen Uilenspiegel bij den kraag en deden hem vóór de honderd ruiters van Kornjuin gaan. In stee van hem gerust te laten om zijne gebeden te zeggen, begonnen deze hem te sarren en te plagen.
Het gemeen, dat volgde, zegde:
—’t Is een ongemeene wreedheid, dien armen jongen voor zulk een gering vergrijp ter dood te veroordeelen.
En de wevers, die daar in groote menigte onder de wapens stonden, zegden:
—Wij zullen Uilenspiegel niet laten hangen; dat is in strijd met de costume van Oudenaarde.
Doch men kwam aan het galgeveld. Uilenspiegel werd op de ladder getrokken, en de beul deed de koorde rond zijnen hals. De wevers drongen rond de galge. De provoost was daar, met de roede der justitie bij zich, met dewelke hij op bevel van den keizer het teeken tot de uitvoering moest geven.
Heel het vergaderde volk riep:
—Genade! genade voor Uilenspiegel!
Uilenspiegel, van op zijne ladder, sprak:
—Medelijden! genadige keizer!
De keizer hief de hand op en sprak:
—Als die deugniet mij iets vraagt, dat ik niet doen kan, schenk ik hem het leven!
—Spreek, Uilenspiegel! riep het volk.
De vrouwen weenden en zeiden:
—Hij moet sterven, de jongen, want de keizer kan alles.
En allen riepen:
—Spreek, Uilenspiegel!
—Heilige Majesteit, ik zal U noch geld, noch erfgoederen, noch het leven vragen, doch enkel iets voor hetwelk gij beloven moet, als ik zoo spreken durf, mij niet te zullen doen geeselen of radbraken, vóór dat ik naar de andere wereld vertrek.
—Dat beloof ik, sprak de keizer.
—Majesteit, zei Uilenspiegel, ik vraag dat, vóór ik gehangen worde, gij mijnen mond komt kussen met denwelken ik geen Vlaamsch spreke....
De keizer, die lachte evenals heel de menigte, antwoordde:
—Ik kan niet doen wat gij mij vraagt, en gij zult niet gehangen worden, Uilenspiegel.
Maar de burgemeesteren en schepenen veroordeelde hij om, zes maanden lang, eenen bril van achteren op het hoofd te dragen, opdat, zegde hij, als die van Oudenaarde van voren niet zien, zij tenminste van achteren zouden zien.
En, bij keizerlijk decreet, staat die bril nog heden op het wapen van de stad.
En Uilenspiegel ging zediglijk henen, met een kleine tassche vol geld, dat de vrouwen hem hadden gegeven.