XLIV.De burgstorm luidde ’s anderen daags, om den baljuw, de schepenen en de griffiers ter vierschaar te roepen op de banken van graszoden, rond den boom der justitie, dewelke een schoone lindeboom was.En rondom stond het gemeen.De vischverkooper, ondervraagd, wilde niets belijden, zelfs niet wanneer men hem de drie vingeren toonde, die de soldaat afgekapt had, en die aan zijne rechterhand ontbraken. Hij antwoordde steeds:—Ik ben arm en oud, hebt medelijden met mij!Maar het gemeen jouwde hem uit en riep:—Gij zijt een oude wolf, een moordenaar van onschuldige kinderen. Geen medelijden, heeren rechters!De vrouwlieden spraken:—Ge moet ons niet bezien met uwe ijskoude oogen; gij zijt een man en geen duivel: wij vreezen u niet. Wreedaardig beest, lafhertiger dan eene kat die de vogeltjes in hun nestje opvreet, dooddet gij de arme meidekens, die niets vroegen dan in braafheid hun liefelijk leven te slijten.—Hij betale, hij betale met zacht vuur, met gloeiende tangen, riep Tonia.En, hoewel de serjanten van de gemeente het heur verboden, hitsten de moeders heure knapen en meidekens op, om steenen te werpen naar den vischverkooper. En dezen deden het: en telkens dat hij hen bezag, jouwden zij hem uit, en gedurig riepen zij:—Bloedzuiger! bloedzuiger! slaat dood!En gedurig riep Tonia:—Hij betale met zacht vuur, met gloeiende tangen, hij betale!En het volk morde.—Ziet eens, zeiden de vrouwen tot elkander, hij heeft koude onder de heldere zon, die gloort aan den hemel, en kan zijn witte haren of zijn vaneengereten gezicht niet verwarmen.—Hij siddert van smerte!—’t Is de rechtveerdigheid Gods!—Ziet eens hoe jammerlijk hij zich recht houdt!—En zijne moordenaarshanden, van voren gebonden, bloeden ten gevolge van het prangen der val.—Hij betale, hij betale! schreeuwde Tonia.En jammerend zuchtte hij:—Ik ben arm, laat mij gaan.En iedereen, tot zelfs de rechters, dreef den spot met hem. Toen veinsde hij te weenen om het volk te vermurwen. Maar de vrouwen lachten.Gezien de genoegzame gronden tot torture, werd hij veroordeeld om op de pijnbank te worden gezet, totdat hij zou bekennen hoe hij doodde, van waar hij kwam, waar de kleederen van zijn slachtofferen waren, en de plaats, waar hij zijn geld verborg.Toen hij, met de te smalle nieuwlederen schoenen aan de voeten, in de folterkamer gebracht werd, vroeg de baljuw hem, hoe Satan hem beroerd had zulke afgrijselijke misdaden te bedrijven; hij antwoordde:—Ik zelf ben Satan, want ik gelijk hem in alles. Reeds toen ik zeer klein was,—ik was leelijk en schraal en onbehendig in alle spelen en lichaamsoefeningen,—aanzag een iegelijk mij voor eenen onnoozele, en werd ik dikwijls geslagen. Knapen, noch meidekens hadden medelijden met mij. Jongeling geworden, wilde geenerlei meideken weten van mij, zelfs niet mits betaling. Toen vatte ik wrok en haat op tegen een iegelijk wezen, datkomt van de vrouw. Daarom kloeg ik Klaas aan, dien een ieder beminde. En ik beminde alleenlijk Munt, die mijn witte of goudgele gezelline was; met Klaas te doen sterven, vond ik profijt en plezier. Nadien moest ik, meer nog dan vroeger, leven als een wolf, en ik droomde van te bijten. Op reize door Brabant, zag ik er de wafelijzers van dat land en zei ik bij mij zelven, dat een dergelijk ijzer mij zou kunnen dienen als een ijzeren muil. Ha! had ik u bij den kraag, gij allen, boosaardige tijgers, die genoegen schept in de folteringen eens grijsaards! Ik zou u bijten met nog meerder genoegen dan den soldaat en het meideken. Want, als ik heur op het zand, in de zonne zoo liefelijk zag slapen met het zakje geld in de handen, maakten liefde en medelijden zich meester van mij; doch daar ik te oud ben en het kind niet kon nemen, beet ik het met de ijzeren tanden.De baljuw vroeg hem waar hij woonde; de vischverkooper antwoordde:—Te Ramskapelle; van daar ga ik naar Blankenberge, naar Heist, ja zelfs naar Knokke. Op Zon- en kermisdagen bak ik, met dat ijzer, wafelen naar de wijs van die van Brabant. Het was altijd zuiver en goed gesmeerd. En in al de dorpen werd die nieuwigheid uit vreemde gewesten zeer goed onthaald. En als het u belieft nog meerder te weten, en hoe het komt, dat niemand mij kon herkennen, zal ik u zeggen, dat ik mijn aangezicht wit en mijne haren ros verfde. Wat de wolfshuid betreft, dewelke gij mij toont met uw wreeden, ondervragenden vinger, die komt van twee wolven, die ik gedood heb in de bosschen van Raveschoot en Maldegem. Ik had de vellen maar aaneen te naaien om er mij mede te bedekken. Ik verborg ze in eene kist in het duin van Heist; daar ook zijn de kleederen, gestolen door mij, om ze later te verkoopen bij een goede gelegenheid.—Trek hem van voor het vuur weg, sprak de baljuw.De beul gehoorzaamde.—Waar is uw goud? vroeg nog de baljuw.—De koning zal het niet weten, antwoordde de vischverkooper.—Brand hem van dichtbij met de vlammende keersen, sprak de baljuw. Breng hem dichter bij het vuur.De hangman gehoorzaamde en de vischverkooper schreeuwde:—Ik zal niets belijden. Ik sprak reeds te veel: gij zult mij verbranden. Ik ben geen tooveraar: waarom plaatst gij mij bij het vuur? Mijn voeten bloeden ten gevolge van de brandwonden.Ik zal niets zeggen. Waarom nu nog dichter? Zij bloeden, zeg ik u, zij bloeden; die schoenen zijn van gloeiend ijzer gemaakt! Mijn goud? welnu, mijn eenige vriend op deze wereld is ... trek mij weg van het vuur; het is in mijnen kelder te Ramskapelle, in eene doos ... laat mij gaan; genade, ontferming, heeren rechters; vermaledijde hangman, neem de keersen weg.... Hij brandt mij nog meerder ... het ligt in eene doos met dubbelen bodem en is gewikkeld in een wollen deken, opdat het niet rammelen zou, als men de doos schudt; nu heb ik alles gezegd, breng mij weg van het vuur!Als hij van vóór het vuur werd geschoven, lachte hij valschelijk.De baljuw vroeg hem waarom hij lachte.—Van genoegen, omdat ik verlost ben, antwoordde hij.De baljuw zeide tot hem:—Vroeg niemand u ooit om uw wafelijzer met wreede tanden te zien?De vischverkooper antwoordde:—Men zag, dat het een wafelijzer was, teenemaal gelijk aan de anderen, behalve dat er gaten in waren, in dewelke ik’s nachts de ijzeren tanden vastschroefde; met den dageraad nam ik ze er uit; de boeren verkozen mijne wafelen boven die van de andere kooplieden en hieten ze „wafelen met Brabantsche knoopen”, ter oorzake van de ledige holten,—waarin de tanden geschroefd werden,—en dewelke kleine halfronden, die op knoopen geleken, op de wafelen maakten.Maar de baljuw vervolgde.—Wanneer beet gij de arme slachtofferen?’s Nachts, en ook ’s daags. ’s Daags dwaalde ik langs het duin en de groote wegen, met mijn wafelijzer steeds op den loer, maar voornamelijk ’s Zaterdags, de groote merktdag te Brugge. Zag ik een boer voorbijkomen met een droevig gezicht, dan liet ik hem gaan, want ik dacht, dat zijne droefgeestigheid te wijten was aan den staat zijner beurze; doch ik bleef aanstappen naast dengene, die wel te moede scheen; en als hij er zich het minst aan verwachtte, beet ik hem in den nek, na hetwelk ik zijne beugeltasch nam. En niet alleenlijk in het duin liep ik, maar langs alle wegen en paden van ’t platteland.Toen sprak de baljuw:—Heb berouw en bid God.Maar godslasterlijk antwoordde de vischverkooper:—’t Is de Heer God, die wilde dat ik was wat ik ben: ik deed alles ondanks mij zelven, beroerd door den wil der Natuur. Boosaardige tijgeren, die mij onrechtveerdig wilt straffen! Maar veroordeelt mij niet tot het vuur: ik deed alles ondanks mij zelven; hebt medelijden, ik ben arm en oud; ik zal sterven van mijne wonden; verbrandt mij toch niet!Toen werd hij terug naar de vierschaar gebracht, onder den lindeboom, om er het vonnis te hooren, in bijzijn van het vergaderde volk.En als schromelijke moordenaar, dief en godslasteraar, werd hij veroordeeld om de tong met een gloeienden priem doorstoken te worden, de rechterhand afgekapt, en met een zacht vuur verbrand, totdat de dood er op volge, vóór de pui van het Schepenhuis.En Tonia riep:—’t Is rechtveerdig, hij betale!En het volk riep:—Lang leven de Heeren van de Wet!En hij werd terug naar het Steen gebracht, alwaar men hem vleesch en wijn brengen kwam. En hij was blijde, zeggende, dat hij er tot dan toe nooit had gegeten en gedronken, maar dat de koning, die zijne goederen erfde, wel dien laatsten maaltijd mocht betalen.En hij grijnslachte.’s Anderen daags, bij zonsopgang, toen men hem naar het schavot bracht, zag hij Uilenspiegel omtrent den brandstapel staan; en hij riep, met den vinger naar hem wijzend:—Die dààr, die moordenaar van grijsaards, moet insgelijks sterven; tien jaar geleden smeet hij mij te Damme in de vaart, omdat ik zijn vader had aangeklaagd. Daardoor diende ik, als trouw onderdaan, Zijne Katholieke Majesteit.De klokken van Onze-Lieve-Vrouwekerk klepten.—Voor u ook kleppen die klokken, sprak hij tot Uilenspiegel; gij zult gehangen worden, daar gij gemoord hebt!—De vischverkooper liegt, riepen die van ’t gemeen; hij liegt, de beul, de moordenaar!En, als waanzinnig, smeet Tonia eenen steen naar hem, die hem kwetste aan ’t voorhoofd. En ze riep:—Had hij u verdronken, ge zoudt niet geleefd hebben om mijn arm dochterken te bijten lijk een bloedzuiger, die ge zijt!Uilenspiegel uitte geen woord; Lamme sprak:—Heeft iemand den vischverkooper in ’t water zien smijten?Uilenspiegel antwoordde niet.—Neen, neen, riep het gemeen, hij heeft gelogen, de beul!—Neen, ik heb geenszins gelogen, schreeuwde de vischverkooper, hij wierp mij er in, terwijl ik hem om vergiffenis smeekte, en ik kon er maar uitgeraken door middel van een schuitje, dat aan den oever vastgemeerd lag. Doornat en bibberend, kwam ik met veel moeite naar mijne armzalige hut, alwaar ik de koorts had, alwaar niemand mij oppaste, terwijl ik tusschen leven en dood lag.—Gij liegt, sprak Lamme, niemand heeft het gezien.—Neen, niemand, riep Tonia. In ’t vuur, met den beul! Alvorens te sterven, wil hij nog een onschuldig slachtoffer maken; in ’t vuur, hij betale! Hij heeft gelogen! Belijd niet, Uilenspiegel, al mocht het nog waar zijn. Er zijn geene getuigen. Hij betale met zacht vuur, met gloeiende tangen!—Bedreeft gij den moord? vroeg de baljuw tot Uilenspiegel.Uilenspiegel antwoordde:—Den aanklager, den moordenaar van Klaas, mijn vader, smeet ik in ’t water. De assche klopte op mijn hert.—Hij bekent, sprak de vischverkooper; hij zal insgelijks sterven? Waar is de galg, dat ik ze zie? Waar is de beul met het zweerd der justitie? De doodklok klept ook voor u, nietdeug, moordenaar van een armen grijsaard.Hoort gij, Lamme, de stemme der zielen die dorsten naar wraak? (Blz. 416).Hoort gij, Lamme, de stemme der zielen die dorsten naar wraak? (Blz. 416).Uilenspiegel sprak:—Ik smeet u in ’t water om u te dooden: de assche van mijn vader klopt op mijn hert.En in het volk spraken de vrouwen:—Waarom het stuk bekend, Uilenspiegel? Niemand heeft het gezien; nu zult gij sterven.En de vischverkooper lachte, danste van bittere vreugde, zwaaide met zijne armen, dewelke met bloedige doeken omwonden waren.—Hij zal sterven, sprak hij, hij zal ter helle varen met een strop om den hals, als dieper, rabauw en truwant: hij zal sterven; God is rechtveerdig!—Neen, hij zal niet sterven, sprak de baljuw. Na tien jaren wordt, in Vlaanderenland, de moord niet meer gepunieerd. Uilenspiegel pleegde een lakensweerdige daad, maar ’t was uit kinderlijke liefde. Uilenspiegel zal uit dien hoofde niet worden vervolgd.—Leve de Wet! riep het volk. Lang leven de Heeren van de Wet!De klokken van Onze-Lieve-Vrouwekerk klepten. En de vischverkooper knarsetandde, boog het hoofd en weende zijn eersten traan.En men kapte zijne hand af, en men doorstak zijne tong met een gloeienden priem, en hij werd levend verbrand met zacht vuur, vóór de pui van het Schepenhuis.Als hij den dood nabij was, riep hij:—De koning zal mijn goud niet hebben; ik heb gelogen ... Boosaardige tijgeren, ik zal weerkomen om u te bijten.En Tonia riep:—Hij betale, hij betale! Zie hoe zijne armen en beenen, die naar den moord liepen, wringen en smijten: het lichaam van den moordenaar rookt; zijn wit haar, hyena’s haar, brandt op zijn bleek gezicht. Hij betale, hij betale!En de vischverkooper huilde als een wolf.En de klokken van Onze-Lieve-Vrouwekerk klepten.En Lamme en Uilenspiegel stegen terug op hunne ezelen.En de jammerende Nele bleef bij Katelijne, dewelke gedurig zeide:—Doe het vuur weg! het hoofd brandt; kom terug, Hansken, mijn liefste.
XLIV.De burgstorm luidde ’s anderen daags, om den baljuw, de schepenen en de griffiers ter vierschaar te roepen op de banken van graszoden, rond den boom der justitie, dewelke een schoone lindeboom was.En rondom stond het gemeen.De vischverkooper, ondervraagd, wilde niets belijden, zelfs niet wanneer men hem de drie vingeren toonde, die de soldaat afgekapt had, en die aan zijne rechterhand ontbraken. Hij antwoordde steeds:—Ik ben arm en oud, hebt medelijden met mij!Maar het gemeen jouwde hem uit en riep:—Gij zijt een oude wolf, een moordenaar van onschuldige kinderen. Geen medelijden, heeren rechters!De vrouwlieden spraken:—Ge moet ons niet bezien met uwe ijskoude oogen; gij zijt een man en geen duivel: wij vreezen u niet. Wreedaardig beest, lafhertiger dan eene kat die de vogeltjes in hun nestje opvreet, dooddet gij de arme meidekens, die niets vroegen dan in braafheid hun liefelijk leven te slijten.—Hij betale, hij betale met zacht vuur, met gloeiende tangen, riep Tonia.En, hoewel de serjanten van de gemeente het heur verboden, hitsten de moeders heure knapen en meidekens op, om steenen te werpen naar den vischverkooper. En dezen deden het: en telkens dat hij hen bezag, jouwden zij hem uit, en gedurig riepen zij:—Bloedzuiger! bloedzuiger! slaat dood!En gedurig riep Tonia:—Hij betale met zacht vuur, met gloeiende tangen, hij betale!En het volk morde.—Ziet eens, zeiden de vrouwen tot elkander, hij heeft koude onder de heldere zon, die gloort aan den hemel, en kan zijn witte haren of zijn vaneengereten gezicht niet verwarmen.—Hij siddert van smerte!—’t Is de rechtveerdigheid Gods!—Ziet eens hoe jammerlijk hij zich recht houdt!—En zijne moordenaarshanden, van voren gebonden, bloeden ten gevolge van het prangen der val.—Hij betale, hij betale! schreeuwde Tonia.En jammerend zuchtte hij:—Ik ben arm, laat mij gaan.En iedereen, tot zelfs de rechters, dreef den spot met hem. Toen veinsde hij te weenen om het volk te vermurwen. Maar de vrouwen lachten.Gezien de genoegzame gronden tot torture, werd hij veroordeeld om op de pijnbank te worden gezet, totdat hij zou bekennen hoe hij doodde, van waar hij kwam, waar de kleederen van zijn slachtofferen waren, en de plaats, waar hij zijn geld verborg.Toen hij, met de te smalle nieuwlederen schoenen aan de voeten, in de folterkamer gebracht werd, vroeg de baljuw hem, hoe Satan hem beroerd had zulke afgrijselijke misdaden te bedrijven; hij antwoordde:—Ik zelf ben Satan, want ik gelijk hem in alles. Reeds toen ik zeer klein was,—ik was leelijk en schraal en onbehendig in alle spelen en lichaamsoefeningen,—aanzag een iegelijk mij voor eenen onnoozele, en werd ik dikwijls geslagen. Knapen, noch meidekens hadden medelijden met mij. Jongeling geworden, wilde geenerlei meideken weten van mij, zelfs niet mits betaling. Toen vatte ik wrok en haat op tegen een iegelijk wezen, datkomt van de vrouw. Daarom kloeg ik Klaas aan, dien een ieder beminde. En ik beminde alleenlijk Munt, die mijn witte of goudgele gezelline was; met Klaas te doen sterven, vond ik profijt en plezier. Nadien moest ik, meer nog dan vroeger, leven als een wolf, en ik droomde van te bijten. Op reize door Brabant, zag ik er de wafelijzers van dat land en zei ik bij mij zelven, dat een dergelijk ijzer mij zou kunnen dienen als een ijzeren muil. Ha! had ik u bij den kraag, gij allen, boosaardige tijgers, die genoegen schept in de folteringen eens grijsaards! Ik zou u bijten met nog meerder genoegen dan den soldaat en het meideken. Want, als ik heur op het zand, in de zonne zoo liefelijk zag slapen met het zakje geld in de handen, maakten liefde en medelijden zich meester van mij; doch daar ik te oud ben en het kind niet kon nemen, beet ik het met de ijzeren tanden.De baljuw vroeg hem waar hij woonde; de vischverkooper antwoordde:—Te Ramskapelle; van daar ga ik naar Blankenberge, naar Heist, ja zelfs naar Knokke. Op Zon- en kermisdagen bak ik, met dat ijzer, wafelen naar de wijs van die van Brabant. Het was altijd zuiver en goed gesmeerd. En in al de dorpen werd die nieuwigheid uit vreemde gewesten zeer goed onthaald. En als het u belieft nog meerder te weten, en hoe het komt, dat niemand mij kon herkennen, zal ik u zeggen, dat ik mijn aangezicht wit en mijne haren ros verfde. Wat de wolfshuid betreft, dewelke gij mij toont met uw wreeden, ondervragenden vinger, die komt van twee wolven, die ik gedood heb in de bosschen van Raveschoot en Maldegem. Ik had de vellen maar aaneen te naaien om er mij mede te bedekken. Ik verborg ze in eene kist in het duin van Heist; daar ook zijn de kleederen, gestolen door mij, om ze later te verkoopen bij een goede gelegenheid.—Trek hem van voor het vuur weg, sprak de baljuw.De beul gehoorzaamde.—Waar is uw goud? vroeg nog de baljuw.—De koning zal het niet weten, antwoordde de vischverkooper.—Brand hem van dichtbij met de vlammende keersen, sprak de baljuw. Breng hem dichter bij het vuur.De hangman gehoorzaamde en de vischverkooper schreeuwde:—Ik zal niets belijden. Ik sprak reeds te veel: gij zult mij verbranden. Ik ben geen tooveraar: waarom plaatst gij mij bij het vuur? Mijn voeten bloeden ten gevolge van de brandwonden.Ik zal niets zeggen. Waarom nu nog dichter? Zij bloeden, zeg ik u, zij bloeden; die schoenen zijn van gloeiend ijzer gemaakt! Mijn goud? welnu, mijn eenige vriend op deze wereld is ... trek mij weg van het vuur; het is in mijnen kelder te Ramskapelle, in eene doos ... laat mij gaan; genade, ontferming, heeren rechters; vermaledijde hangman, neem de keersen weg.... Hij brandt mij nog meerder ... het ligt in eene doos met dubbelen bodem en is gewikkeld in een wollen deken, opdat het niet rammelen zou, als men de doos schudt; nu heb ik alles gezegd, breng mij weg van het vuur!Als hij van vóór het vuur werd geschoven, lachte hij valschelijk.De baljuw vroeg hem waarom hij lachte.—Van genoegen, omdat ik verlost ben, antwoordde hij.De baljuw zeide tot hem:—Vroeg niemand u ooit om uw wafelijzer met wreede tanden te zien?De vischverkooper antwoordde:—Men zag, dat het een wafelijzer was, teenemaal gelijk aan de anderen, behalve dat er gaten in waren, in dewelke ik’s nachts de ijzeren tanden vastschroefde; met den dageraad nam ik ze er uit; de boeren verkozen mijne wafelen boven die van de andere kooplieden en hieten ze „wafelen met Brabantsche knoopen”, ter oorzake van de ledige holten,—waarin de tanden geschroefd werden,—en dewelke kleine halfronden, die op knoopen geleken, op de wafelen maakten.Maar de baljuw vervolgde.—Wanneer beet gij de arme slachtofferen?’s Nachts, en ook ’s daags. ’s Daags dwaalde ik langs het duin en de groote wegen, met mijn wafelijzer steeds op den loer, maar voornamelijk ’s Zaterdags, de groote merktdag te Brugge. Zag ik een boer voorbijkomen met een droevig gezicht, dan liet ik hem gaan, want ik dacht, dat zijne droefgeestigheid te wijten was aan den staat zijner beurze; doch ik bleef aanstappen naast dengene, die wel te moede scheen; en als hij er zich het minst aan verwachtte, beet ik hem in den nek, na hetwelk ik zijne beugeltasch nam. En niet alleenlijk in het duin liep ik, maar langs alle wegen en paden van ’t platteland.Toen sprak de baljuw:—Heb berouw en bid God.Maar godslasterlijk antwoordde de vischverkooper:—’t Is de Heer God, die wilde dat ik was wat ik ben: ik deed alles ondanks mij zelven, beroerd door den wil der Natuur. Boosaardige tijgeren, die mij onrechtveerdig wilt straffen! Maar veroordeelt mij niet tot het vuur: ik deed alles ondanks mij zelven; hebt medelijden, ik ben arm en oud; ik zal sterven van mijne wonden; verbrandt mij toch niet!Toen werd hij terug naar de vierschaar gebracht, onder den lindeboom, om er het vonnis te hooren, in bijzijn van het vergaderde volk.En als schromelijke moordenaar, dief en godslasteraar, werd hij veroordeeld om de tong met een gloeienden priem doorstoken te worden, de rechterhand afgekapt, en met een zacht vuur verbrand, totdat de dood er op volge, vóór de pui van het Schepenhuis.En Tonia riep:—’t Is rechtveerdig, hij betale!En het volk riep:—Lang leven de Heeren van de Wet!En hij werd terug naar het Steen gebracht, alwaar men hem vleesch en wijn brengen kwam. En hij was blijde, zeggende, dat hij er tot dan toe nooit had gegeten en gedronken, maar dat de koning, die zijne goederen erfde, wel dien laatsten maaltijd mocht betalen.En hij grijnslachte.’s Anderen daags, bij zonsopgang, toen men hem naar het schavot bracht, zag hij Uilenspiegel omtrent den brandstapel staan; en hij riep, met den vinger naar hem wijzend:—Die dààr, die moordenaar van grijsaards, moet insgelijks sterven; tien jaar geleden smeet hij mij te Damme in de vaart, omdat ik zijn vader had aangeklaagd. Daardoor diende ik, als trouw onderdaan, Zijne Katholieke Majesteit.De klokken van Onze-Lieve-Vrouwekerk klepten.—Voor u ook kleppen die klokken, sprak hij tot Uilenspiegel; gij zult gehangen worden, daar gij gemoord hebt!—De vischverkooper liegt, riepen die van ’t gemeen; hij liegt, de beul, de moordenaar!En, als waanzinnig, smeet Tonia eenen steen naar hem, die hem kwetste aan ’t voorhoofd. En ze riep:—Had hij u verdronken, ge zoudt niet geleefd hebben om mijn arm dochterken te bijten lijk een bloedzuiger, die ge zijt!Uilenspiegel uitte geen woord; Lamme sprak:—Heeft iemand den vischverkooper in ’t water zien smijten?Uilenspiegel antwoordde niet.—Neen, neen, riep het gemeen, hij heeft gelogen, de beul!—Neen, ik heb geenszins gelogen, schreeuwde de vischverkooper, hij wierp mij er in, terwijl ik hem om vergiffenis smeekte, en ik kon er maar uitgeraken door middel van een schuitje, dat aan den oever vastgemeerd lag. Doornat en bibberend, kwam ik met veel moeite naar mijne armzalige hut, alwaar ik de koorts had, alwaar niemand mij oppaste, terwijl ik tusschen leven en dood lag.—Gij liegt, sprak Lamme, niemand heeft het gezien.—Neen, niemand, riep Tonia. In ’t vuur, met den beul! Alvorens te sterven, wil hij nog een onschuldig slachtoffer maken; in ’t vuur, hij betale! Hij heeft gelogen! Belijd niet, Uilenspiegel, al mocht het nog waar zijn. Er zijn geene getuigen. Hij betale met zacht vuur, met gloeiende tangen!—Bedreeft gij den moord? vroeg de baljuw tot Uilenspiegel.Uilenspiegel antwoordde:—Den aanklager, den moordenaar van Klaas, mijn vader, smeet ik in ’t water. De assche klopte op mijn hert.—Hij bekent, sprak de vischverkooper; hij zal insgelijks sterven? Waar is de galg, dat ik ze zie? Waar is de beul met het zweerd der justitie? De doodklok klept ook voor u, nietdeug, moordenaar van een armen grijsaard.Hoort gij, Lamme, de stemme der zielen die dorsten naar wraak? (Blz. 416).Hoort gij, Lamme, de stemme der zielen die dorsten naar wraak? (Blz. 416).Uilenspiegel sprak:—Ik smeet u in ’t water om u te dooden: de assche van mijn vader klopt op mijn hert.En in het volk spraken de vrouwen:—Waarom het stuk bekend, Uilenspiegel? Niemand heeft het gezien; nu zult gij sterven.En de vischverkooper lachte, danste van bittere vreugde, zwaaide met zijne armen, dewelke met bloedige doeken omwonden waren.—Hij zal sterven, sprak hij, hij zal ter helle varen met een strop om den hals, als dieper, rabauw en truwant: hij zal sterven; God is rechtveerdig!—Neen, hij zal niet sterven, sprak de baljuw. Na tien jaren wordt, in Vlaanderenland, de moord niet meer gepunieerd. Uilenspiegel pleegde een lakensweerdige daad, maar ’t was uit kinderlijke liefde. Uilenspiegel zal uit dien hoofde niet worden vervolgd.—Leve de Wet! riep het volk. Lang leven de Heeren van de Wet!De klokken van Onze-Lieve-Vrouwekerk klepten. En de vischverkooper knarsetandde, boog het hoofd en weende zijn eersten traan.En men kapte zijne hand af, en men doorstak zijne tong met een gloeienden priem, en hij werd levend verbrand met zacht vuur, vóór de pui van het Schepenhuis.Als hij den dood nabij was, riep hij:—De koning zal mijn goud niet hebben; ik heb gelogen ... Boosaardige tijgeren, ik zal weerkomen om u te bijten.En Tonia riep:—Hij betale, hij betale! Zie hoe zijne armen en beenen, die naar den moord liepen, wringen en smijten: het lichaam van den moordenaar rookt; zijn wit haar, hyena’s haar, brandt op zijn bleek gezicht. Hij betale, hij betale!En de vischverkooper huilde als een wolf.En de klokken van Onze-Lieve-Vrouwekerk klepten.En Lamme en Uilenspiegel stegen terug op hunne ezelen.En de jammerende Nele bleef bij Katelijne, dewelke gedurig zeide:—Doe het vuur weg! het hoofd brandt; kom terug, Hansken, mijn liefste.
XLIV.De burgstorm luidde ’s anderen daags, om den baljuw, de schepenen en de griffiers ter vierschaar te roepen op de banken van graszoden, rond den boom der justitie, dewelke een schoone lindeboom was.En rondom stond het gemeen.De vischverkooper, ondervraagd, wilde niets belijden, zelfs niet wanneer men hem de drie vingeren toonde, die de soldaat afgekapt had, en die aan zijne rechterhand ontbraken. Hij antwoordde steeds:—Ik ben arm en oud, hebt medelijden met mij!Maar het gemeen jouwde hem uit en riep:—Gij zijt een oude wolf, een moordenaar van onschuldige kinderen. Geen medelijden, heeren rechters!De vrouwlieden spraken:—Ge moet ons niet bezien met uwe ijskoude oogen; gij zijt een man en geen duivel: wij vreezen u niet. Wreedaardig beest, lafhertiger dan eene kat die de vogeltjes in hun nestje opvreet, dooddet gij de arme meidekens, die niets vroegen dan in braafheid hun liefelijk leven te slijten.—Hij betale, hij betale met zacht vuur, met gloeiende tangen, riep Tonia.En, hoewel de serjanten van de gemeente het heur verboden, hitsten de moeders heure knapen en meidekens op, om steenen te werpen naar den vischverkooper. En dezen deden het: en telkens dat hij hen bezag, jouwden zij hem uit, en gedurig riepen zij:—Bloedzuiger! bloedzuiger! slaat dood!En gedurig riep Tonia:—Hij betale met zacht vuur, met gloeiende tangen, hij betale!En het volk morde.—Ziet eens, zeiden de vrouwen tot elkander, hij heeft koude onder de heldere zon, die gloort aan den hemel, en kan zijn witte haren of zijn vaneengereten gezicht niet verwarmen.—Hij siddert van smerte!—’t Is de rechtveerdigheid Gods!—Ziet eens hoe jammerlijk hij zich recht houdt!—En zijne moordenaarshanden, van voren gebonden, bloeden ten gevolge van het prangen der val.—Hij betale, hij betale! schreeuwde Tonia.En jammerend zuchtte hij:—Ik ben arm, laat mij gaan.En iedereen, tot zelfs de rechters, dreef den spot met hem. Toen veinsde hij te weenen om het volk te vermurwen. Maar de vrouwen lachten.Gezien de genoegzame gronden tot torture, werd hij veroordeeld om op de pijnbank te worden gezet, totdat hij zou bekennen hoe hij doodde, van waar hij kwam, waar de kleederen van zijn slachtofferen waren, en de plaats, waar hij zijn geld verborg.Toen hij, met de te smalle nieuwlederen schoenen aan de voeten, in de folterkamer gebracht werd, vroeg de baljuw hem, hoe Satan hem beroerd had zulke afgrijselijke misdaden te bedrijven; hij antwoordde:—Ik zelf ben Satan, want ik gelijk hem in alles. Reeds toen ik zeer klein was,—ik was leelijk en schraal en onbehendig in alle spelen en lichaamsoefeningen,—aanzag een iegelijk mij voor eenen onnoozele, en werd ik dikwijls geslagen. Knapen, noch meidekens hadden medelijden met mij. Jongeling geworden, wilde geenerlei meideken weten van mij, zelfs niet mits betaling. Toen vatte ik wrok en haat op tegen een iegelijk wezen, datkomt van de vrouw. Daarom kloeg ik Klaas aan, dien een ieder beminde. En ik beminde alleenlijk Munt, die mijn witte of goudgele gezelline was; met Klaas te doen sterven, vond ik profijt en plezier. Nadien moest ik, meer nog dan vroeger, leven als een wolf, en ik droomde van te bijten. Op reize door Brabant, zag ik er de wafelijzers van dat land en zei ik bij mij zelven, dat een dergelijk ijzer mij zou kunnen dienen als een ijzeren muil. Ha! had ik u bij den kraag, gij allen, boosaardige tijgers, die genoegen schept in de folteringen eens grijsaards! Ik zou u bijten met nog meerder genoegen dan den soldaat en het meideken. Want, als ik heur op het zand, in de zonne zoo liefelijk zag slapen met het zakje geld in de handen, maakten liefde en medelijden zich meester van mij; doch daar ik te oud ben en het kind niet kon nemen, beet ik het met de ijzeren tanden.De baljuw vroeg hem waar hij woonde; de vischverkooper antwoordde:—Te Ramskapelle; van daar ga ik naar Blankenberge, naar Heist, ja zelfs naar Knokke. Op Zon- en kermisdagen bak ik, met dat ijzer, wafelen naar de wijs van die van Brabant. Het was altijd zuiver en goed gesmeerd. En in al de dorpen werd die nieuwigheid uit vreemde gewesten zeer goed onthaald. En als het u belieft nog meerder te weten, en hoe het komt, dat niemand mij kon herkennen, zal ik u zeggen, dat ik mijn aangezicht wit en mijne haren ros verfde. Wat de wolfshuid betreft, dewelke gij mij toont met uw wreeden, ondervragenden vinger, die komt van twee wolven, die ik gedood heb in de bosschen van Raveschoot en Maldegem. Ik had de vellen maar aaneen te naaien om er mij mede te bedekken. Ik verborg ze in eene kist in het duin van Heist; daar ook zijn de kleederen, gestolen door mij, om ze later te verkoopen bij een goede gelegenheid.—Trek hem van voor het vuur weg, sprak de baljuw.De beul gehoorzaamde.—Waar is uw goud? vroeg nog de baljuw.—De koning zal het niet weten, antwoordde de vischverkooper.—Brand hem van dichtbij met de vlammende keersen, sprak de baljuw. Breng hem dichter bij het vuur.De hangman gehoorzaamde en de vischverkooper schreeuwde:—Ik zal niets belijden. Ik sprak reeds te veel: gij zult mij verbranden. Ik ben geen tooveraar: waarom plaatst gij mij bij het vuur? Mijn voeten bloeden ten gevolge van de brandwonden.Ik zal niets zeggen. Waarom nu nog dichter? Zij bloeden, zeg ik u, zij bloeden; die schoenen zijn van gloeiend ijzer gemaakt! Mijn goud? welnu, mijn eenige vriend op deze wereld is ... trek mij weg van het vuur; het is in mijnen kelder te Ramskapelle, in eene doos ... laat mij gaan; genade, ontferming, heeren rechters; vermaledijde hangman, neem de keersen weg.... Hij brandt mij nog meerder ... het ligt in eene doos met dubbelen bodem en is gewikkeld in een wollen deken, opdat het niet rammelen zou, als men de doos schudt; nu heb ik alles gezegd, breng mij weg van het vuur!Als hij van vóór het vuur werd geschoven, lachte hij valschelijk.De baljuw vroeg hem waarom hij lachte.—Van genoegen, omdat ik verlost ben, antwoordde hij.De baljuw zeide tot hem:—Vroeg niemand u ooit om uw wafelijzer met wreede tanden te zien?De vischverkooper antwoordde:—Men zag, dat het een wafelijzer was, teenemaal gelijk aan de anderen, behalve dat er gaten in waren, in dewelke ik’s nachts de ijzeren tanden vastschroefde; met den dageraad nam ik ze er uit; de boeren verkozen mijne wafelen boven die van de andere kooplieden en hieten ze „wafelen met Brabantsche knoopen”, ter oorzake van de ledige holten,—waarin de tanden geschroefd werden,—en dewelke kleine halfronden, die op knoopen geleken, op de wafelen maakten.Maar de baljuw vervolgde.—Wanneer beet gij de arme slachtofferen?’s Nachts, en ook ’s daags. ’s Daags dwaalde ik langs het duin en de groote wegen, met mijn wafelijzer steeds op den loer, maar voornamelijk ’s Zaterdags, de groote merktdag te Brugge. Zag ik een boer voorbijkomen met een droevig gezicht, dan liet ik hem gaan, want ik dacht, dat zijne droefgeestigheid te wijten was aan den staat zijner beurze; doch ik bleef aanstappen naast dengene, die wel te moede scheen; en als hij er zich het minst aan verwachtte, beet ik hem in den nek, na hetwelk ik zijne beugeltasch nam. En niet alleenlijk in het duin liep ik, maar langs alle wegen en paden van ’t platteland.Toen sprak de baljuw:—Heb berouw en bid God.Maar godslasterlijk antwoordde de vischverkooper:—’t Is de Heer God, die wilde dat ik was wat ik ben: ik deed alles ondanks mij zelven, beroerd door den wil der Natuur. Boosaardige tijgeren, die mij onrechtveerdig wilt straffen! Maar veroordeelt mij niet tot het vuur: ik deed alles ondanks mij zelven; hebt medelijden, ik ben arm en oud; ik zal sterven van mijne wonden; verbrandt mij toch niet!Toen werd hij terug naar de vierschaar gebracht, onder den lindeboom, om er het vonnis te hooren, in bijzijn van het vergaderde volk.En als schromelijke moordenaar, dief en godslasteraar, werd hij veroordeeld om de tong met een gloeienden priem doorstoken te worden, de rechterhand afgekapt, en met een zacht vuur verbrand, totdat de dood er op volge, vóór de pui van het Schepenhuis.En Tonia riep:—’t Is rechtveerdig, hij betale!En het volk riep:—Lang leven de Heeren van de Wet!En hij werd terug naar het Steen gebracht, alwaar men hem vleesch en wijn brengen kwam. En hij was blijde, zeggende, dat hij er tot dan toe nooit had gegeten en gedronken, maar dat de koning, die zijne goederen erfde, wel dien laatsten maaltijd mocht betalen.En hij grijnslachte.’s Anderen daags, bij zonsopgang, toen men hem naar het schavot bracht, zag hij Uilenspiegel omtrent den brandstapel staan; en hij riep, met den vinger naar hem wijzend:—Die dààr, die moordenaar van grijsaards, moet insgelijks sterven; tien jaar geleden smeet hij mij te Damme in de vaart, omdat ik zijn vader had aangeklaagd. Daardoor diende ik, als trouw onderdaan, Zijne Katholieke Majesteit.De klokken van Onze-Lieve-Vrouwekerk klepten.—Voor u ook kleppen die klokken, sprak hij tot Uilenspiegel; gij zult gehangen worden, daar gij gemoord hebt!—De vischverkooper liegt, riepen die van ’t gemeen; hij liegt, de beul, de moordenaar!En, als waanzinnig, smeet Tonia eenen steen naar hem, die hem kwetste aan ’t voorhoofd. En ze riep:—Had hij u verdronken, ge zoudt niet geleefd hebben om mijn arm dochterken te bijten lijk een bloedzuiger, die ge zijt!Uilenspiegel uitte geen woord; Lamme sprak:—Heeft iemand den vischverkooper in ’t water zien smijten?Uilenspiegel antwoordde niet.—Neen, neen, riep het gemeen, hij heeft gelogen, de beul!—Neen, ik heb geenszins gelogen, schreeuwde de vischverkooper, hij wierp mij er in, terwijl ik hem om vergiffenis smeekte, en ik kon er maar uitgeraken door middel van een schuitje, dat aan den oever vastgemeerd lag. Doornat en bibberend, kwam ik met veel moeite naar mijne armzalige hut, alwaar ik de koorts had, alwaar niemand mij oppaste, terwijl ik tusschen leven en dood lag.—Gij liegt, sprak Lamme, niemand heeft het gezien.—Neen, niemand, riep Tonia. In ’t vuur, met den beul! Alvorens te sterven, wil hij nog een onschuldig slachtoffer maken; in ’t vuur, hij betale! Hij heeft gelogen! Belijd niet, Uilenspiegel, al mocht het nog waar zijn. Er zijn geene getuigen. Hij betale met zacht vuur, met gloeiende tangen!—Bedreeft gij den moord? vroeg de baljuw tot Uilenspiegel.Uilenspiegel antwoordde:—Den aanklager, den moordenaar van Klaas, mijn vader, smeet ik in ’t water. De assche klopte op mijn hert.—Hij bekent, sprak de vischverkooper; hij zal insgelijks sterven? Waar is de galg, dat ik ze zie? Waar is de beul met het zweerd der justitie? De doodklok klept ook voor u, nietdeug, moordenaar van een armen grijsaard.Hoort gij, Lamme, de stemme der zielen die dorsten naar wraak? (Blz. 416).Hoort gij, Lamme, de stemme der zielen die dorsten naar wraak? (Blz. 416).Uilenspiegel sprak:—Ik smeet u in ’t water om u te dooden: de assche van mijn vader klopt op mijn hert.En in het volk spraken de vrouwen:—Waarom het stuk bekend, Uilenspiegel? Niemand heeft het gezien; nu zult gij sterven.En de vischverkooper lachte, danste van bittere vreugde, zwaaide met zijne armen, dewelke met bloedige doeken omwonden waren.—Hij zal sterven, sprak hij, hij zal ter helle varen met een strop om den hals, als dieper, rabauw en truwant: hij zal sterven; God is rechtveerdig!—Neen, hij zal niet sterven, sprak de baljuw. Na tien jaren wordt, in Vlaanderenland, de moord niet meer gepunieerd. Uilenspiegel pleegde een lakensweerdige daad, maar ’t was uit kinderlijke liefde. Uilenspiegel zal uit dien hoofde niet worden vervolgd.—Leve de Wet! riep het volk. Lang leven de Heeren van de Wet!De klokken van Onze-Lieve-Vrouwekerk klepten. En de vischverkooper knarsetandde, boog het hoofd en weende zijn eersten traan.En men kapte zijne hand af, en men doorstak zijne tong met een gloeienden priem, en hij werd levend verbrand met zacht vuur, vóór de pui van het Schepenhuis.Als hij den dood nabij was, riep hij:—De koning zal mijn goud niet hebben; ik heb gelogen ... Boosaardige tijgeren, ik zal weerkomen om u te bijten.En Tonia riep:—Hij betale, hij betale! Zie hoe zijne armen en beenen, die naar den moord liepen, wringen en smijten: het lichaam van den moordenaar rookt; zijn wit haar, hyena’s haar, brandt op zijn bleek gezicht. Hij betale, hij betale!En de vischverkooper huilde als een wolf.En de klokken van Onze-Lieve-Vrouwekerk klepten.En Lamme en Uilenspiegel stegen terug op hunne ezelen.En de jammerende Nele bleef bij Katelijne, dewelke gedurig zeide:—Doe het vuur weg! het hoofd brandt; kom terug, Hansken, mijn liefste.
XLIV.
De burgstorm luidde ’s anderen daags, om den baljuw, de schepenen en de griffiers ter vierschaar te roepen op de banken van graszoden, rond den boom der justitie, dewelke een schoone lindeboom was.En rondom stond het gemeen.De vischverkooper, ondervraagd, wilde niets belijden, zelfs niet wanneer men hem de drie vingeren toonde, die de soldaat afgekapt had, en die aan zijne rechterhand ontbraken. Hij antwoordde steeds:—Ik ben arm en oud, hebt medelijden met mij!Maar het gemeen jouwde hem uit en riep:—Gij zijt een oude wolf, een moordenaar van onschuldige kinderen. Geen medelijden, heeren rechters!De vrouwlieden spraken:—Ge moet ons niet bezien met uwe ijskoude oogen; gij zijt een man en geen duivel: wij vreezen u niet. Wreedaardig beest, lafhertiger dan eene kat die de vogeltjes in hun nestje opvreet, dooddet gij de arme meidekens, die niets vroegen dan in braafheid hun liefelijk leven te slijten.—Hij betale, hij betale met zacht vuur, met gloeiende tangen, riep Tonia.En, hoewel de serjanten van de gemeente het heur verboden, hitsten de moeders heure knapen en meidekens op, om steenen te werpen naar den vischverkooper. En dezen deden het: en telkens dat hij hen bezag, jouwden zij hem uit, en gedurig riepen zij:—Bloedzuiger! bloedzuiger! slaat dood!En gedurig riep Tonia:—Hij betale met zacht vuur, met gloeiende tangen, hij betale!En het volk morde.—Ziet eens, zeiden de vrouwen tot elkander, hij heeft koude onder de heldere zon, die gloort aan den hemel, en kan zijn witte haren of zijn vaneengereten gezicht niet verwarmen.—Hij siddert van smerte!—’t Is de rechtveerdigheid Gods!—Ziet eens hoe jammerlijk hij zich recht houdt!—En zijne moordenaarshanden, van voren gebonden, bloeden ten gevolge van het prangen der val.—Hij betale, hij betale! schreeuwde Tonia.En jammerend zuchtte hij:—Ik ben arm, laat mij gaan.En iedereen, tot zelfs de rechters, dreef den spot met hem. Toen veinsde hij te weenen om het volk te vermurwen. Maar de vrouwen lachten.Gezien de genoegzame gronden tot torture, werd hij veroordeeld om op de pijnbank te worden gezet, totdat hij zou bekennen hoe hij doodde, van waar hij kwam, waar de kleederen van zijn slachtofferen waren, en de plaats, waar hij zijn geld verborg.Toen hij, met de te smalle nieuwlederen schoenen aan de voeten, in de folterkamer gebracht werd, vroeg de baljuw hem, hoe Satan hem beroerd had zulke afgrijselijke misdaden te bedrijven; hij antwoordde:—Ik zelf ben Satan, want ik gelijk hem in alles. Reeds toen ik zeer klein was,—ik was leelijk en schraal en onbehendig in alle spelen en lichaamsoefeningen,—aanzag een iegelijk mij voor eenen onnoozele, en werd ik dikwijls geslagen. Knapen, noch meidekens hadden medelijden met mij. Jongeling geworden, wilde geenerlei meideken weten van mij, zelfs niet mits betaling. Toen vatte ik wrok en haat op tegen een iegelijk wezen, datkomt van de vrouw. Daarom kloeg ik Klaas aan, dien een ieder beminde. En ik beminde alleenlijk Munt, die mijn witte of goudgele gezelline was; met Klaas te doen sterven, vond ik profijt en plezier. Nadien moest ik, meer nog dan vroeger, leven als een wolf, en ik droomde van te bijten. Op reize door Brabant, zag ik er de wafelijzers van dat land en zei ik bij mij zelven, dat een dergelijk ijzer mij zou kunnen dienen als een ijzeren muil. Ha! had ik u bij den kraag, gij allen, boosaardige tijgers, die genoegen schept in de folteringen eens grijsaards! Ik zou u bijten met nog meerder genoegen dan den soldaat en het meideken. Want, als ik heur op het zand, in de zonne zoo liefelijk zag slapen met het zakje geld in de handen, maakten liefde en medelijden zich meester van mij; doch daar ik te oud ben en het kind niet kon nemen, beet ik het met de ijzeren tanden.De baljuw vroeg hem waar hij woonde; de vischverkooper antwoordde:—Te Ramskapelle; van daar ga ik naar Blankenberge, naar Heist, ja zelfs naar Knokke. Op Zon- en kermisdagen bak ik, met dat ijzer, wafelen naar de wijs van die van Brabant. Het was altijd zuiver en goed gesmeerd. En in al de dorpen werd die nieuwigheid uit vreemde gewesten zeer goed onthaald. En als het u belieft nog meerder te weten, en hoe het komt, dat niemand mij kon herkennen, zal ik u zeggen, dat ik mijn aangezicht wit en mijne haren ros verfde. Wat de wolfshuid betreft, dewelke gij mij toont met uw wreeden, ondervragenden vinger, die komt van twee wolven, die ik gedood heb in de bosschen van Raveschoot en Maldegem. Ik had de vellen maar aaneen te naaien om er mij mede te bedekken. Ik verborg ze in eene kist in het duin van Heist; daar ook zijn de kleederen, gestolen door mij, om ze later te verkoopen bij een goede gelegenheid.—Trek hem van voor het vuur weg, sprak de baljuw.De beul gehoorzaamde.—Waar is uw goud? vroeg nog de baljuw.—De koning zal het niet weten, antwoordde de vischverkooper.—Brand hem van dichtbij met de vlammende keersen, sprak de baljuw. Breng hem dichter bij het vuur.De hangman gehoorzaamde en de vischverkooper schreeuwde:—Ik zal niets belijden. Ik sprak reeds te veel: gij zult mij verbranden. Ik ben geen tooveraar: waarom plaatst gij mij bij het vuur? Mijn voeten bloeden ten gevolge van de brandwonden.Ik zal niets zeggen. Waarom nu nog dichter? Zij bloeden, zeg ik u, zij bloeden; die schoenen zijn van gloeiend ijzer gemaakt! Mijn goud? welnu, mijn eenige vriend op deze wereld is ... trek mij weg van het vuur; het is in mijnen kelder te Ramskapelle, in eene doos ... laat mij gaan; genade, ontferming, heeren rechters; vermaledijde hangman, neem de keersen weg.... Hij brandt mij nog meerder ... het ligt in eene doos met dubbelen bodem en is gewikkeld in een wollen deken, opdat het niet rammelen zou, als men de doos schudt; nu heb ik alles gezegd, breng mij weg van het vuur!Als hij van vóór het vuur werd geschoven, lachte hij valschelijk.De baljuw vroeg hem waarom hij lachte.—Van genoegen, omdat ik verlost ben, antwoordde hij.De baljuw zeide tot hem:—Vroeg niemand u ooit om uw wafelijzer met wreede tanden te zien?De vischverkooper antwoordde:—Men zag, dat het een wafelijzer was, teenemaal gelijk aan de anderen, behalve dat er gaten in waren, in dewelke ik’s nachts de ijzeren tanden vastschroefde; met den dageraad nam ik ze er uit; de boeren verkozen mijne wafelen boven die van de andere kooplieden en hieten ze „wafelen met Brabantsche knoopen”, ter oorzake van de ledige holten,—waarin de tanden geschroefd werden,—en dewelke kleine halfronden, die op knoopen geleken, op de wafelen maakten.Maar de baljuw vervolgde.—Wanneer beet gij de arme slachtofferen?’s Nachts, en ook ’s daags. ’s Daags dwaalde ik langs het duin en de groote wegen, met mijn wafelijzer steeds op den loer, maar voornamelijk ’s Zaterdags, de groote merktdag te Brugge. Zag ik een boer voorbijkomen met een droevig gezicht, dan liet ik hem gaan, want ik dacht, dat zijne droefgeestigheid te wijten was aan den staat zijner beurze; doch ik bleef aanstappen naast dengene, die wel te moede scheen; en als hij er zich het minst aan verwachtte, beet ik hem in den nek, na hetwelk ik zijne beugeltasch nam. En niet alleenlijk in het duin liep ik, maar langs alle wegen en paden van ’t platteland.Toen sprak de baljuw:—Heb berouw en bid God.Maar godslasterlijk antwoordde de vischverkooper:—’t Is de Heer God, die wilde dat ik was wat ik ben: ik deed alles ondanks mij zelven, beroerd door den wil der Natuur. Boosaardige tijgeren, die mij onrechtveerdig wilt straffen! Maar veroordeelt mij niet tot het vuur: ik deed alles ondanks mij zelven; hebt medelijden, ik ben arm en oud; ik zal sterven van mijne wonden; verbrandt mij toch niet!Toen werd hij terug naar de vierschaar gebracht, onder den lindeboom, om er het vonnis te hooren, in bijzijn van het vergaderde volk.En als schromelijke moordenaar, dief en godslasteraar, werd hij veroordeeld om de tong met een gloeienden priem doorstoken te worden, de rechterhand afgekapt, en met een zacht vuur verbrand, totdat de dood er op volge, vóór de pui van het Schepenhuis.En Tonia riep:—’t Is rechtveerdig, hij betale!En het volk riep:—Lang leven de Heeren van de Wet!En hij werd terug naar het Steen gebracht, alwaar men hem vleesch en wijn brengen kwam. En hij was blijde, zeggende, dat hij er tot dan toe nooit had gegeten en gedronken, maar dat de koning, die zijne goederen erfde, wel dien laatsten maaltijd mocht betalen.En hij grijnslachte.’s Anderen daags, bij zonsopgang, toen men hem naar het schavot bracht, zag hij Uilenspiegel omtrent den brandstapel staan; en hij riep, met den vinger naar hem wijzend:—Die dààr, die moordenaar van grijsaards, moet insgelijks sterven; tien jaar geleden smeet hij mij te Damme in de vaart, omdat ik zijn vader had aangeklaagd. Daardoor diende ik, als trouw onderdaan, Zijne Katholieke Majesteit.De klokken van Onze-Lieve-Vrouwekerk klepten.—Voor u ook kleppen die klokken, sprak hij tot Uilenspiegel; gij zult gehangen worden, daar gij gemoord hebt!—De vischverkooper liegt, riepen die van ’t gemeen; hij liegt, de beul, de moordenaar!En, als waanzinnig, smeet Tonia eenen steen naar hem, die hem kwetste aan ’t voorhoofd. En ze riep:—Had hij u verdronken, ge zoudt niet geleefd hebben om mijn arm dochterken te bijten lijk een bloedzuiger, die ge zijt!Uilenspiegel uitte geen woord; Lamme sprak:—Heeft iemand den vischverkooper in ’t water zien smijten?Uilenspiegel antwoordde niet.—Neen, neen, riep het gemeen, hij heeft gelogen, de beul!—Neen, ik heb geenszins gelogen, schreeuwde de vischverkooper, hij wierp mij er in, terwijl ik hem om vergiffenis smeekte, en ik kon er maar uitgeraken door middel van een schuitje, dat aan den oever vastgemeerd lag. Doornat en bibberend, kwam ik met veel moeite naar mijne armzalige hut, alwaar ik de koorts had, alwaar niemand mij oppaste, terwijl ik tusschen leven en dood lag.—Gij liegt, sprak Lamme, niemand heeft het gezien.—Neen, niemand, riep Tonia. In ’t vuur, met den beul! Alvorens te sterven, wil hij nog een onschuldig slachtoffer maken; in ’t vuur, hij betale! Hij heeft gelogen! Belijd niet, Uilenspiegel, al mocht het nog waar zijn. Er zijn geene getuigen. Hij betale met zacht vuur, met gloeiende tangen!—Bedreeft gij den moord? vroeg de baljuw tot Uilenspiegel.Uilenspiegel antwoordde:—Den aanklager, den moordenaar van Klaas, mijn vader, smeet ik in ’t water. De assche klopte op mijn hert.—Hij bekent, sprak de vischverkooper; hij zal insgelijks sterven? Waar is de galg, dat ik ze zie? Waar is de beul met het zweerd der justitie? De doodklok klept ook voor u, nietdeug, moordenaar van een armen grijsaard.Hoort gij, Lamme, de stemme der zielen die dorsten naar wraak? (Blz. 416).Hoort gij, Lamme, de stemme der zielen die dorsten naar wraak? (Blz. 416).Uilenspiegel sprak:—Ik smeet u in ’t water om u te dooden: de assche van mijn vader klopt op mijn hert.En in het volk spraken de vrouwen:—Waarom het stuk bekend, Uilenspiegel? Niemand heeft het gezien; nu zult gij sterven.En de vischverkooper lachte, danste van bittere vreugde, zwaaide met zijne armen, dewelke met bloedige doeken omwonden waren.—Hij zal sterven, sprak hij, hij zal ter helle varen met een strop om den hals, als dieper, rabauw en truwant: hij zal sterven; God is rechtveerdig!—Neen, hij zal niet sterven, sprak de baljuw. Na tien jaren wordt, in Vlaanderenland, de moord niet meer gepunieerd. Uilenspiegel pleegde een lakensweerdige daad, maar ’t was uit kinderlijke liefde. Uilenspiegel zal uit dien hoofde niet worden vervolgd.—Leve de Wet! riep het volk. Lang leven de Heeren van de Wet!De klokken van Onze-Lieve-Vrouwekerk klepten. En de vischverkooper knarsetandde, boog het hoofd en weende zijn eersten traan.En men kapte zijne hand af, en men doorstak zijne tong met een gloeienden priem, en hij werd levend verbrand met zacht vuur, vóór de pui van het Schepenhuis.Als hij den dood nabij was, riep hij:—De koning zal mijn goud niet hebben; ik heb gelogen ... Boosaardige tijgeren, ik zal weerkomen om u te bijten.En Tonia riep:—Hij betale, hij betale! Zie hoe zijne armen en beenen, die naar den moord liepen, wringen en smijten: het lichaam van den moordenaar rookt; zijn wit haar, hyena’s haar, brandt op zijn bleek gezicht. Hij betale, hij betale!En de vischverkooper huilde als een wolf.En de klokken van Onze-Lieve-Vrouwekerk klepten.En Lamme en Uilenspiegel stegen terug op hunne ezelen.En de jammerende Nele bleef bij Katelijne, dewelke gedurig zeide:—Doe het vuur weg! het hoofd brandt; kom terug, Hansken, mijn liefste.
De burgstorm luidde ’s anderen daags, om den baljuw, de schepenen en de griffiers ter vierschaar te roepen op de banken van graszoden, rond den boom der justitie, dewelke een schoone lindeboom was.
En rondom stond het gemeen.
De vischverkooper, ondervraagd, wilde niets belijden, zelfs niet wanneer men hem de drie vingeren toonde, die de soldaat afgekapt had, en die aan zijne rechterhand ontbraken. Hij antwoordde steeds:
—Ik ben arm en oud, hebt medelijden met mij!
Maar het gemeen jouwde hem uit en riep:
—Gij zijt een oude wolf, een moordenaar van onschuldige kinderen. Geen medelijden, heeren rechters!
De vrouwlieden spraken:
—Ge moet ons niet bezien met uwe ijskoude oogen; gij zijt een man en geen duivel: wij vreezen u niet. Wreedaardig beest, lafhertiger dan eene kat die de vogeltjes in hun nestje opvreet, dooddet gij de arme meidekens, die niets vroegen dan in braafheid hun liefelijk leven te slijten.
—Hij betale, hij betale met zacht vuur, met gloeiende tangen, riep Tonia.
En, hoewel de serjanten van de gemeente het heur verboden, hitsten de moeders heure knapen en meidekens op, om steenen te werpen naar den vischverkooper. En dezen deden het: en telkens dat hij hen bezag, jouwden zij hem uit, en gedurig riepen zij:
—Bloedzuiger! bloedzuiger! slaat dood!
En gedurig riep Tonia:
—Hij betale met zacht vuur, met gloeiende tangen, hij betale!
En het volk morde.
—Ziet eens, zeiden de vrouwen tot elkander, hij heeft koude onder de heldere zon, die gloort aan den hemel, en kan zijn witte haren of zijn vaneengereten gezicht niet verwarmen.
—Hij siddert van smerte!
—’t Is de rechtveerdigheid Gods!
—Ziet eens hoe jammerlijk hij zich recht houdt!
—En zijne moordenaarshanden, van voren gebonden, bloeden ten gevolge van het prangen der val.
—Hij betale, hij betale! schreeuwde Tonia.
En jammerend zuchtte hij:
—Ik ben arm, laat mij gaan.
En iedereen, tot zelfs de rechters, dreef den spot met hem. Toen veinsde hij te weenen om het volk te vermurwen. Maar de vrouwen lachten.
Gezien de genoegzame gronden tot torture, werd hij veroordeeld om op de pijnbank te worden gezet, totdat hij zou bekennen hoe hij doodde, van waar hij kwam, waar de kleederen van zijn slachtofferen waren, en de plaats, waar hij zijn geld verborg.
Toen hij, met de te smalle nieuwlederen schoenen aan de voeten, in de folterkamer gebracht werd, vroeg de baljuw hem, hoe Satan hem beroerd had zulke afgrijselijke misdaden te bedrijven; hij antwoordde:
—Ik zelf ben Satan, want ik gelijk hem in alles. Reeds toen ik zeer klein was,—ik was leelijk en schraal en onbehendig in alle spelen en lichaamsoefeningen,—aanzag een iegelijk mij voor eenen onnoozele, en werd ik dikwijls geslagen. Knapen, noch meidekens hadden medelijden met mij. Jongeling geworden, wilde geenerlei meideken weten van mij, zelfs niet mits betaling. Toen vatte ik wrok en haat op tegen een iegelijk wezen, datkomt van de vrouw. Daarom kloeg ik Klaas aan, dien een ieder beminde. En ik beminde alleenlijk Munt, die mijn witte of goudgele gezelline was; met Klaas te doen sterven, vond ik profijt en plezier. Nadien moest ik, meer nog dan vroeger, leven als een wolf, en ik droomde van te bijten. Op reize door Brabant, zag ik er de wafelijzers van dat land en zei ik bij mij zelven, dat een dergelijk ijzer mij zou kunnen dienen als een ijzeren muil. Ha! had ik u bij den kraag, gij allen, boosaardige tijgers, die genoegen schept in de folteringen eens grijsaards! Ik zou u bijten met nog meerder genoegen dan den soldaat en het meideken. Want, als ik heur op het zand, in de zonne zoo liefelijk zag slapen met het zakje geld in de handen, maakten liefde en medelijden zich meester van mij; doch daar ik te oud ben en het kind niet kon nemen, beet ik het met de ijzeren tanden.
De baljuw vroeg hem waar hij woonde; de vischverkooper antwoordde:
—Te Ramskapelle; van daar ga ik naar Blankenberge, naar Heist, ja zelfs naar Knokke. Op Zon- en kermisdagen bak ik, met dat ijzer, wafelen naar de wijs van die van Brabant. Het was altijd zuiver en goed gesmeerd. En in al de dorpen werd die nieuwigheid uit vreemde gewesten zeer goed onthaald. En als het u belieft nog meerder te weten, en hoe het komt, dat niemand mij kon herkennen, zal ik u zeggen, dat ik mijn aangezicht wit en mijne haren ros verfde. Wat de wolfshuid betreft, dewelke gij mij toont met uw wreeden, ondervragenden vinger, die komt van twee wolven, die ik gedood heb in de bosschen van Raveschoot en Maldegem. Ik had de vellen maar aaneen te naaien om er mij mede te bedekken. Ik verborg ze in eene kist in het duin van Heist; daar ook zijn de kleederen, gestolen door mij, om ze later te verkoopen bij een goede gelegenheid.
—Trek hem van voor het vuur weg, sprak de baljuw.
De beul gehoorzaamde.
—Waar is uw goud? vroeg nog de baljuw.
—De koning zal het niet weten, antwoordde de vischverkooper.
—Brand hem van dichtbij met de vlammende keersen, sprak de baljuw. Breng hem dichter bij het vuur.
De hangman gehoorzaamde en de vischverkooper schreeuwde:
—Ik zal niets belijden. Ik sprak reeds te veel: gij zult mij verbranden. Ik ben geen tooveraar: waarom plaatst gij mij bij het vuur? Mijn voeten bloeden ten gevolge van de brandwonden.Ik zal niets zeggen. Waarom nu nog dichter? Zij bloeden, zeg ik u, zij bloeden; die schoenen zijn van gloeiend ijzer gemaakt! Mijn goud? welnu, mijn eenige vriend op deze wereld is ... trek mij weg van het vuur; het is in mijnen kelder te Ramskapelle, in eene doos ... laat mij gaan; genade, ontferming, heeren rechters; vermaledijde hangman, neem de keersen weg.... Hij brandt mij nog meerder ... het ligt in eene doos met dubbelen bodem en is gewikkeld in een wollen deken, opdat het niet rammelen zou, als men de doos schudt; nu heb ik alles gezegd, breng mij weg van het vuur!
Als hij van vóór het vuur werd geschoven, lachte hij valschelijk.
De baljuw vroeg hem waarom hij lachte.
—Van genoegen, omdat ik verlost ben, antwoordde hij.
De baljuw zeide tot hem:
—Vroeg niemand u ooit om uw wafelijzer met wreede tanden te zien?
De vischverkooper antwoordde:
—Men zag, dat het een wafelijzer was, teenemaal gelijk aan de anderen, behalve dat er gaten in waren, in dewelke ik’s nachts de ijzeren tanden vastschroefde; met den dageraad nam ik ze er uit; de boeren verkozen mijne wafelen boven die van de andere kooplieden en hieten ze „wafelen met Brabantsche knoopen”, ter oorzake van de ledige holten,—waarin de tanden geschroefd werden,—en dewelke kleine halfronden, die op knoopen geleken, op de wafelen maakten.
Maar de baljuw vervolgde.
—Wanneer beet gij de arme slachtofferen?
’s Nachts, en ook ’s daags. ’s Daags dwaalde ik langs het duin en de groote wegen, met mijn wafelijzer steeds op den loer, maar voornamelijk ’s Zaterdags, de groote merktdag te Brugge. Zag ik een boer voorbijkomen met een droevig gezicht, dan liet ik hem gaan, want ik dacht, dat zijne droefgeestigheid te wijten was aan den staat zijner beurze; doch ik bleef aanstappen naast dengene, die wel te moede scheen; en als hij er zich het minst aan verwachtte, beet ik hem in den nek, na hetwelk ik zijne beugeltasch nam. En niet alleenlijk in het duin liep ik, maar langs alle wegen en paden van ’t platteland.
Toen sprak de baljuw:
—Heb berouw en bid God.
Maar godslasterlijk antwoordde de vischverkooper:
—’t Is de Heer God, die wilde dat ik was wat ik ben: ik deed alles ondanks mij zelven, beroerd door den wil der Natuur. Boosaardige tijgeren, die mij onrechtveerdig wilt straffen! Maar veroordeelt mij niet tot het vuur: ik deed alles ondanks mij zelven; hebt medelijden, ik ben arm en oud; ik zal sterven van mijne wonden; verbrandt mij toch niet!
Toen werd hij terug naar de vierschaar gebracht, onder den lindeboom, om er het vonnis te hooren, in bijzijn van het vergaderde volk.
En als schromelijke moordenaar, dief en godslasteraar, werd hij veroordeeld om de tong met een gloeienden priem doorstoken te worden, de rechterhand afgekapt, en met een zacht vuur verbrand, totdat de dood er op volge, vóór de pui van het Schepenhuis.
En Tonia riep:
—’t Is rechtveerdig, hij betale!
En het volk riep:
—Lang leven de Heeren van de Wet!
En hij werd terug naar het Steen gebracht, alwaar men hem vleesch en wijn brengen kwam. En hij was blijde, zeggende, dat hij er tot dan toe nooit had gegeten en gedronken, maar dat de koning, die zijne goederen erfde, wel dien laatsten maaltijd mocht betalen.
En hij grijnslachte.
’s Anderen daags, bij zonsopgang, toen men hem naar het schavot bracht, zag hij Uilenspiegel omtrent den brandstapel staan; en hij riep, met den vinger naar hem wijzend:
—Die dààr, die moordenaar van grijsaards, moet insgelijks sterven; tien jaar geleden smeet hij mij te Damme in de vaart, omdat ik zijn vader had aangeklaagd. Daardoor diende ik, als trouw onderdaan, Zijne Katholieke Majesteit.
De klokken van Onze-Lieve-Vrouwekerk klepten.
—Voor u ook kleppen die klokken, sprak hij tot Uilenspiegel; gij zult gehangen worden, daar gij gemoord hebt!
—De vischverkooper liegt, riepen die van ’t gemeen; hij liegt, de beul, de moordenaar!
En, als waanzinnig, smeet Tonia eenen steen naar hem, die hem kwetste aan ’t voorhoofd. En ze riep:
—Had hij u verdronken, ge zoudt niet geleefd hebben om mijn arm dochterken te bijten lijk een bloedzuiger, die ge zijt!
Uilenspiegel uitte geen woord; Lamme sprak:
—Heeft iemand den vischverkooper in ’t water zien smijten?
Uilenspiegel antwoordde niet.
—Neen, neen, riep het gemeen, hij heeft gelogen, de beul!
—Neen, ik heb geenszins gelogen, schreeuwde de vischverkooper, hij wierp mij er in, terwijl ik hem om vergiffenis smeekte, en ik kon er maar uitgeraken door middel van een schuitje, dat aan den oever vastgemeerd lag. Doornat en bibberend, kwam ik met veel moeite naar mijne armzalige hut, alwaar ik de koorts had, alwaar niemand mij oppaste, terwijl ik tusschen leven en dood lag.
—Gij liegt, sprak Lamme, niemand heeft het gezien.
—Neen, niemand, riep Tonia. In ’t vuur, met den beul! Alvorens te sterven, wil hij nog een onschuldig slachtoffer maken; in ’t vuur, hij betale! Hij heeft gelogen! Belijd niet, Uilenspiegel, al mocht het nog waar zijn. Er zijn geene getuigen. Hij betale met zacht vuur, met gloeiende tangen!
—Bedreeft gij den moord? vroeg de baljuw tot Uilenspiegel.
Uilenspiegel antwoordde:
—Den aanklager, den moordenaar van Klaas, mijn vader, smeet ik in ’t water. De assche klopte op mijn hert.
—Hij bekent, sprak de vischverkooper; hij zal insgelijks sterven? Waar is de galg, dat ik ze zie? Waar is de beul met het zweerd der justitie? De doodklok klept ook voor u, nietdeug, moordenaar van een armen grijsaard.
Hoort gij, Lamme, de stemme der zielen die dorsten naar wraak? (Blz. 416).Hoort gij, Lamme, de stemme der zielen die dorsten naar wraak? (Blz. 416).
Hoort gij, Lamme, de stemme der zielen die dorsten naar wraak? (Blz. 416).
Uilenspiegel sprak:
—Ik smeet u in ’t water om u te dooden: de assche van mijn vader klopt op mijn hert.
En in het volk spraken de vrouwen:
—Waarom het stuk bekend, Uilenspiegel? Niemand heeft het gezien; nu zult gij sterven.
En de vischverkooper lachte, danste van bittere vreugde, zwaaide met zijne armen, dewelke met bloedige doeken omwonden waren.
—Hij zal sterven, sprak hij, hij zal ter helle varen met een strop om den hals, als dieper, rabauw en truwant: hij zal sterven; God is rechtveerdig!
—Neen, hij zal niet sterven, sprak de baljuw. Na tien jaren wordt, in Vlaanderenland, de moord niet meer gepunieerd. Uilenspiegel pleegde een lakensweerdige daad, maar ’t was uit kinderlijke liefde. Uilenspiegel zal uit dien hoofde niet worden vervolgd.
—Leve de Wet! riep het volk. Lang leven de Heeren van de Wet!
De klokken van Onze-Lieve-Vrouwekerk klepten. En de vischverkooper knarsetandde, boog het hoofd en weende zijn eersten traan.
En men kapte zijne hand af, en men doorstak zijne tong met een gloeienden priem, en hij werd levend verbrand met zacht vuur, vóór de pui van het Schepenhuis.
Als hij den dood nabij was, riep hij:
—De koning zal mijn goud niet hebben; ik heb gelogen ... Boosaardige tijgeren, ik zal weerkomen om u te bijten.
En Tonia riep:
—Hij betale, hij betale! Zie hoe zijne armen en beenen, die naar den moord liepen, wringen en smijten: het lichaam van den moordenaar rookt; zijn wit haar, hyena’s haar, brandt op zijn bleek gezicht. Hij betale, hij betale!
En de vischverkooper huilde als een wolf.
En de klokken van Onze-Lieve-Vrouwekerk klepten.
En Lamme en Uilenspiegel stegen terug op hunne ezelen.
En de jammerende Nele bleef bij Katelijne, dewelke gedurig zeide:
—Doe het vuur weg! het hoofd brandt; kom terug, Hansken, mijn liefste.