XL.Onderweg sprak Uilenspiegel tot Lamme:—Wij hebben reeds schrikkelijk veel geld uitgegeven: wij hebben huurlingen aangeworven, den serjanten eene belooning gegeven, een karolus aan dat Egyptisch meideken geschonken; voeg daarbij de ontelbare oliekoeken, die het u beliefde zonder ophouden zelf te eten, liever dan er éénen te verkoopen. Nu, niettegenstaande het verzet van uwen buik, wordt het hoog tijd dat wij ons met minder generen. Geef mij uw geld: ik zal de gemeenschappelijke beurs houden.—Ik wil wel, sprak Lamme.Hem de beurs langend, sprak hij:—Laat mij evenwel niet sterven van honger; want bedenk toch: dik en struisch als ik ben, moet ik kloek en overvloedig voedsel hebben. Dat is goed voor u, die mager en schraal zijt, van onbekommerd te leven, onverschillig of gij eten vindt of niet, lijk de planken op de kaaien, die leven van regen en lucht. Doch ik, dien de lucht en de regen hongerig maken, ik hoef andere festijnen.—Gij zult ze hebben, die festijnen, maar ’t zullen festijnen zijn van een deugdzame vasten. De best gevulde buiken zijn daartegen niet bestand; zij nemen langzamerhand af en maken de zwaartste mannen als een vlinder zoo licht. En weldra zal men Lamme, mijnen vriend, genoegzaam ontvet, zien loopen als een hert,—Laas! sprak Lamme, zou dit voortaan mijn armzalig lot moeten wezen? Ik heb honger, mijn vriend, en zou willen eten.De avond viel. Zij kwamen te Brugge langs de Gentpoort. Zij toonden hunne passen. Toen zij een halven stuiver voor zich en twee stuivers voor hunne ezelen hadden betaald, traden zij de stad binnen.Lamme dacht gedurig aan de woorden van Uilenspiegel en was diep nedergeslagen.—Zullen wij haast avondmalen? sprak hij.—Ja, antwoordde Uilenspiegel.Zij stapten af inde Meermin, afspanning, die van verre kennelijk was door de gouden meermin, die, als windwijzer, bovenop den trappengevel stond.De beide wandelaars brachten hunne ezelen op stal, en Uilenspiegel bestelde brood, bier en kaas voor hun avondmaal.De weerd grijnslachte bij het opdienen van dien schamelen maaltijd. Lamme at met lange tanden, en zag vertwijfeld naar Uilenspiegel, die het oudbakken brood en de te jonge kaas binnenspeelde alsof hij ortolanen at. En Lamme dronk zijn dun bier zonder genoegen. Uilenspiegel lachte in zich zelven als hij hem zoo jammerend zag zitten. En daar was nog iemand, die lachte in het binnenhof van de afspanning, en die van tijd tot tijd den neus voor het venster kwam steken. Uilenspiegel zag dat het eene vrouw was, die heur aangezicht verborg. In den waan dat het een oolijke dienstmaagd was, hield hij er zich niet verder mede bezig, te meer daar hij, naar Lamme kijkend, zag dat zijn vriend bleek, treurig en troosteloos was ter oorzake van zijne tegengewerkte liefde voor lekkere spijzen en dranken. Hij kreeg medelijden met hem en meende voor zijn gezel een pannekoek met pensen, eene pateel ossenvleesch met boonen of een ander warm gerecht te bestellen, toen de weerd binnenkwam en beleefdelijk sprak, met zijne muts in de hand:—Als die doorluchtige heeren een beter avondmaal wenschen, moeten zij maar spreken en zeggen wat hun zal believen.Lamme sperde de oogen wijd open en den mond nog wijder, en bezag Uilenspiegel met angstige onrust.Deze antwoordde:—Reizende werklieden hebben geen gouden karolussen te vereten.—Toch gebeurt het somtijds, sprak de baas, dat zij niet weten wat zij bezitten....En, naar Lamme wijzend, vervolgde hij:—Die goede tronie is er twee andere weerd. Wat zouden die doorluchtige heeren gelieven te eten en te drinken? een pannekoek met vette, lekkere hesp? Soezels?—wij hebben er dezen avond gereedgemaakt. Krakelingen, een kapoen, die zoo malsch is dat hij smelt in den mond? Geurige karbonaden met saus, bereid met de vier specerijen? Antwerpsche dobbelen knol, Brugsche dobbele kuite, Leuvenschen wijn bereid naar dewijs van Bourgondië? En dit alles zonder een duit te betalen.—Breng dan maar alles op, sprak Lamme.Weldra stond de tafel gedekt en schepte Uilenspiegel er oprecht vermaak in den armen Lamme bezig te zien, die, hongeriger dan ooit, beurtelings alle gerechten aanviel: den pannekoek, de soezels, den kapoen, de hesp, de karbonaden, en heele stoopen dobbelen knol, dobbele kuite en Leuvenschen wijn, bereid naar de wijs van Bourgondië, door zijn keelgat zond.Toen Lamme zijne bekomst had, blies hij lijk een walvisch van genoegen; en hij keek rondom zich op de tafel om te zien of er niets meer te peuzelen viel. En zorgvuldig snoepte hij de brokken der krakelingen.Hij noch Uilenspiegel hadden het lieve gezichtje gezien, dat in het binnenhof, glimlachend voor de ruiten kwam lonken. De baas had warmen wijn opgebracht, die met kaneel en Madeira-suiker gekookt was. En de beide vrienden dronken en zongen.Bij de slaapklok, vroeg de baas of zij ieder naar hun groote, schoone kamer wilden gaan.Uilenspiegel zeide, dat een klein kamertje voldoende was voor hun tweeën.De baas antwoordde:—Kleine kamerkens heb ik niet; gij zult elk eene heerenkamer hebben, zonder een duit te betalen.En, inderdaad, hij bracht hen naar rijk gestoffeerde kamers met prachtige meubelen. In die van Lamme stond een groot bed.Uilenspiegel, die veel gedronken had en viel van den vaak, liet hem slapen gaan en deed als hij.’s Anderen daags, rond den middag, trad hij in de kamer zijns vriends en vond hem nog in zijne koets aan ’t ronken.Naast hem lag een fijn geborduurde beugeltasch. Hij opende die en zag dat ze met gouden karolussen en zilveren oortjes gevuld was.Hij schudde Lamme om hem wakker te maken; deze schoot uit zijn slaap, wreef zich de oogen en, ongerust rondom zich kijkend, vroeg hij:—Mijne vrouw? Waar is mijne vrouw?En, naar de ledige plaats naast zich in het bed wijzend, sprak hij:—Straks was ze daar nog.Hij sprong vervolgens uit zijn bed en keek opnieuw overal rond, in alle hoeken en kanten der kamer, in de alkoof, tot in de schapraaien.Stampvoetend herhaalde hij:—Mijne vrouw? Waar is mijne vrouw?De baas kwam boven, op ’t gerucht dat hij maakte.—Deugniet, riep Lamme, den weerd bij de keel grijpend, deugniet, waar is mijne vrouw? Wat hebt gij gedaan met mijne vrouw?—Driftige kerel, zeide de baas, uwe vrouw? Welke vrouw? Gij zijt hier alleen gekomen. Ik weet niet wat ge vertelt.—Ha! hij weet het niet, hij weet het niet, sprak Lamme, die opnieuw al de hoeken en kanten der kamer afzocht. Laas! Daar, in mijn bed, was zij dezen nacht, als in den schoonen tijd onzer liefde. Ja, waar zijt ge, mijn hertje?En, de beurze ten gronde smijtend, vervolgde hij:—’t Is uw geld niet, dat ik hebben moet; ’t is u, ’t is uw liefelijk lichaam, uw schoonen boezem, ’t is uw hert, mijne welbeminde! O, genuchten des hemels, zult gij nooit meer terugkomen? Ik had er mij aan gewend te leven zonder u te zien, te leven zonder liefde, mijn hertediefje. En nu verlaat gij mij opnieuw, na mij uw zoete kussen te hebben laten smaken. Maar ik zal het besterven! Mijne vrouw! Waar is mijne vrouw?En hij lag te snikken ten gronde. Doch eensklaps vloog hij naar de deur; hij stormde de trap af, en liep in zijn hemd de afspanning door, tot op de straat, al roepend:—Mijne vrouw? waar is mijne vrouw?Maar hij kwam dadelijk terug, want de straatjongens jouwden hem uit en smeten met steenen naar hem.En Uilenspiegel zeide tot hem:—Kleed u, Lamme, en wees niet wanhopend, gij zult ze terugzien, vermits gij ze heden gezien hebt. Zij mint u nog immer, vermits zij bij u is teruggekomen, vermits zij het waarschijnlijk is, die het lekkere maal van gisteravond en de heerenkamers betaald, en deze volle beurze op het bed gelegd heeft. De assche zegt mij, dat dit het werk niet is van een ontrouwe vrouw. Ween niet meer, en laat ons gaan voor het heil van den grond onzer vaderen.—Laat ons te Brugge blijven, zei Lamme; ik zal heel de stad afloopen, en zal ze wel vinden.—Gij zult ze niet vinden, daar zij zich voor u verbergt, sprak Uilenspiegel.Lamme vroeg inlichtingen aan den baas, doch deze wilde niets zeggen.En zij togen naar Damme.Onderwege sprak Uilenspiegel tot Lamme:—Waarom vertelt gij mij niet, hoe gij ze dezen nacht nevens u vondt en hoe zij u verliet?—Mijn vriend, antwoordde Lamme, gij weet dat wij gisterenavond gegastreerd hebben met vleesch, met bier en met wijn, en dat ik met moeite kon blazen, toen ik de trap opklom om te slapen. Om mij te lichten hield ik, als een groot heer, eene waskeers in mijne hand, en om te slapen had ik den kandeleer op eene schapraai gezet; de deur was tegenaan en de schapraai stond dicht bij de deur. Terwijl ik mij ontkleedde, bezag ik mijn bed met genoegen, want ik had grooten vaak; de waskeers werd eensklaps uitgeblazen. Ik hoorde als een ademtocht lichte stappen in mijne kamer; doch mits ik meer vaak had dan schrik, liet ik mij vallen in ’t bed. Ik ging slaap vatten, toen eene stem, heure stem, o mijne vrouw, mijn arme vrouwe, mij vroeg: „Heeft het avondmaal gesmaakt, Lamme?†en heure stem was dicht tegen mij en heur aangezicht ook, en heur liefelijk lichaam.Van op den toren van Damme liet de koster, door middel eener gebarsten klok, weten dat het middag was. (Blz. 354).Van op den toren van Damme liet de koster, door middel eener gebarsten klok, weten dat het middag was. (Blz. 354).
XL.Onderweg sprak Uilenspiegel tot Lamme:—Wij hebben reeds schrikkelijk veel geld uitgegeven: wij hebben huurlingen aangeworven, den serjanten eene belooning gegeven, een karolus aan dat Egyptisch meideken geschonken; voeg daarbij de ontelbare oliekoeken, die het u beliefde zonder ophouden zelf te eten, liever dan er éénen te verkoopen. Nu, niettegenstaande het verzet van uwen buik, wordt het hoog tijd dat wij ons met minder generen. Geef mij uw geld: ik zal de gemeenschappelijke beurs houden.—Ik wil wel, sprak Lamme.Hem de beurs langend, sprak hij:—Laat mij evenwel niet sterven van honger; want bedenk toch: dik en struisch als ik ben, moet ik kloek en overvloedig voedsel hebben. Dat is goed voor u, die mager en schraal zijt, van onbekommerd te leven, onverschillig of gij eten vindt of niet, lijk de planken op de kaaien, die leven van regen en lucht. Doch ik, dien de lucht en de regen hongerig maken, ik hoef andere festijnen.—Gij zult ze hebben, die festijnen, maar ’t zullen festijnen zijn van een deugdzame vasten. De best gevulde buiken zijn daartegen niet bestand; zij nemen langzamerhand af en maken de zwaartste mannen als een vlinder zoo licht. En weldra zal men Lamme, mijnen vriend, genoegzaam ontvet, zien loopen als een hert,—Laas! sprak Lamme, zou dit voortaan mijn armzalig lot moeten wezen? Ik heb honger, mijn vriend, en zou willen eten.De avond viel. Zij kwamen te Brugge langs de Gentpoort. Zij toonden hunne passen. Toen zij een halven stuiver voor zich en twee stuivers voor hunne ezelen hadden betaald, traden zij de stad binnen.Lamme dacht gedurig aan de woorden van Uilenspiegel en was diep nedergeslagen.—Zullen wij haast avondmalen? sprak hij.—Ja, antwoordde Uilenspiegel.Zij stapten af inde Meermin, afspanning, die van verre kennelijk was door de gouden meermin, die, als windwijzer, bovenop den trappengevel stond.De beide wandelaars brachten hunne ezelen op stal, en Uilenspiegel bestelde brood, bier en kaas voor hun avondmaal.De weerd grijnslachte bij het opdienen van dien schamelen maaltijd. Lamme at met lange tanden, en zag vertwijfeld naar Uilenspiegel, die het oudbakken brood en de te jonge kaas binnenspeelde alsof hij ortolanen at. En Lamme dronk zijn dun bier zonder genoegen. Uilenspiegel lachte in zich zelven als hij hem zoo jammerend zag zitten. En daar was nog iemand, die lachte in het binnenhof van de afspanning, en die van tijd tot tijd den neus voor het venster kwam steken. Uilenspiegel zag dat het eene vrouw was, die heur aangezicht verborg. In den waan dat het een oolijke dienstmaagd was, hield hij er zich niet verder mede bezig, te meer daar hij, naar Lamme kijkend, zag dat zijn vriend bleek, treurig en troosteloos was ter oorzake van zijne tegengewerkte liefde voor lekkere spijzen en dranken. Hij kreeg medelijden met hem en meende voor zijn gezel een pannekoek met pensen, eene pateel ossenvleesch met boonen of een ander warm gerecht te bestellen, toen de weerd binnenkwam en beleefdelijk sprak, met zijne muts in de hand:—Als die doorluchtige heeren een beter avondmaal wenschen, moeten zij maar spreken en zeggen wat hun zal believen.Lamme sperde de oogen wijd open en den mond nog wijder, en bezag Uilenspiegel met angstige onrust.Deze antwoordde:—Reizende werklieden hebben geen gouden karolussen te vereten.—Toch gebeurt het somtijds, sprak de baas, dat zij niet weten wat zij bezitten....En, naar Lamme wijzend, vervolgde hij:—Die goede tronie is er twee andere weerd. Wat zouden die doorluchtige heeren gelieven te eten en te drinken? een pannekoek met vette, lekkere hesp? Soezels?—wij hebben er dezen avond gereedgemaakt. Krakelingen, een kapoen, die zoo malsch is dat hij smelt in den mond? Geurige karbonaden met saus, bereid met de vier specerijen? Antwerpsche dobbelen knol, Brugsche dobbele kuite, Leuvenschen wijn bereid naar dewijs van Bourgondië? En dit alles zonder een duit te betalen.—Breng dan maar alles op, sprak Lamme.Weldra stond de tafel gedekt en schepte Uilenspiegel er oprecht vermaak in den armen Lamme bezig te zien, die, hongeriger dan ooit, beurtelings alle gerechten aanviel: den pannekoek, de soezels, den kapoen, de hesp, de karbonaden, en heele stoopen dobbelen knol, dobbele kuite en Leuvenschen wijn, bereid naar de wijs van Bourgondië, door zijn keelgat zond.Toen Lamme zijne bekomst had, blies hij lijk een walvisch van genoegen; en hij keek rondom zich op de tafel om te zien of er niets meer te peuzelen viel. En zorgvuldig snoepte hij de brokken der krakelingen.Hij noch Uilenspiegel hadden het lieve gezichtje gezien, dat in het binnenhof, glimlachend voor de ruiten kwam lonken. De baas had warmen wijn opgebracht, die met kaneel en Madeira-suiker gekookt was. En de beide vrienden dronken en zongen.Bij de slaapklok, vroeg de baas of zij ieder naar hun groote, schoone kamer wilden gaan.Uilenspiegel zeide, dat een klein kamertje voldoende was voor hun tweeën.De baas antwoordde:—Kleine kamerkens heb ik niet; gij zult elk eene heerenkamer hebben, zonder een duit te betalen.En, inderdaad, hij bracht hen naar rijk gestoffeerde kamers met prachtige meubelen. In die van Lamme stond een groot bed.Uilenspiegel, die veel gedronken had en viel van den vaak, liet hem slapen gaan en deed als hij.’s Anderen daags, rond den middag, trad hij in de kamer zijns vriends en vond hem nog in zijne koets aan ’t ronken.Naast hem lag een fijn geborduurde beugeltasch. Hij opende die en zag dat ze met gouden karolussen en zilveren oortjes gevuld was.Hij schudde Lamme om hem wakker te maken; deze schoot uit zijn slaap, wreef zich de oogen en, ongerust rondom zich kijkend, vroeg hij:—Mijne vrouw? Waar is mijne vrouw?En, naar de ledige plaats naast zich in het bed wijzend, sprak hij:—Straks was ze daar nog.Hij sprong vervolgens uit zijn bed en keek opnieuw overal rond, in alle hoeken en kanten der kamer, in de alkoof, tot in de schapraaien.Stampvoetend herhaalde hij:—Mijne vrouw? Waar is mijne vrouw?De baas kwam boven, op ’t gerucht dat hij maakte.—Deugniet, riep Lamme, den weerd bij de keel grijpend, deugniet, waar is mijne vrouw? Wat hebt gij gedaan met mijne vrouw?—Driftige kerel, zeide de baas, uwe vrouw? Welke vrouw? Gij zijt hier alleen gekomen. Ik weet niet wat ge vertelt.—Ha! hij weet het niet, hij weet het niet, sprak Lamme, die opnieuw al de hoeken en kanten der kamer afzocht. Laas! Daar, in mijn bed, was zij dezen nacht, als in den schoonen tijd onzer liefde. Ja, waar zijt ge, mijn hertje?En, de beurze ten gronde smijtend, vervolgde hij:—’t Is uw geld niet, dat ik hebben moet; ’t is u, ’t is uw liefelijk lichaam, uw schoonen boezem, ’t is uw hert, mijne welbeminde! O, genuchten des hemels, zult gij nooit meer terugkomen? Ik had er mij aan gewend te leven zonder u te zien, te leven zonder liefde, mijn hertediefje. En nu verlaat gij mij opnieuw, na mij uw zoete kussen te hebben laten smaken. Maar ik zal het besterven! Mijne vrouw! Waar is mijne vrouw?En hij lag te snikken ten gronde. Doch eensklaps vloog hij naar de deur; hij stormde de trap af, en liep in zijn hemd de afspanning door, tot op de straat, al roepend:—Mijne vrouw? waar is mijne vrouw?Maar hij kwam dadelijk terug, want de straatjongens jouwden hem uit en smeten met steenen naar hem.En Uilenspiegel zeide tot hem:—Kleed u, Lamme, en wees niet wanhopend, gij zult ze terugzien, vermits gij ze heden gezien hebt. Zij mint u nog immer, vermits zij bij u is teruggekomen, vermits zij het waarschijnlijk is, die het lekkere maal van gisteravond en de heerenkamers betaald, en deze volle beurze op het bed gelegd heeft. De assche zegt mij, dat dit het werk niet is van een ontrouwe vrouw. Ween niet meer, en laat ons gaan voor het heil van den grond onzer vaderen.—Laat ons te Brugge blijven, zei Lamme; ik zal heel de stad afloopen, en zal ze wel vinden.—Gij zult ze niet vinden, daar zij zich voor u verbergt, sprak Uilenspiegel.Lamme vroeg inlichtingen aan den baas, doch deze wilde niets zeggen.En zij togen naar Damme.Onderwege sprak Uilenspiegel tot Lamme:—Waarom vertelt gij mij niet, hoe gij ze dezen nacht nevens u vondt en hoe zij u verliet?—Mijn vriend, antwoordde Lamme, gij weet dat wij gisterenavond gegastreerd hebben met vleesch, met bier en met wijn, en dat ik met moeite kon blazen, toen ik de trap opklom om te slapen. Om mij te lichten hield ik, als een groot heer, eene waskeers in mijne hand, en om te slapen had ik den kandeleer op eene schapraai gezet; de deur was tegenaan en de schapraai stond dicht bij de deur. Terwijl ik mij ontkleedde, bezag ik mijn bed met genoegen, want ik had grooten vaak; de waskeers werd eensklaps uitgeblazen. Ik hoorde als een ademtocht lichte stappen in mijne kamer; doch mits ik meer vaak had dan schrik, liet ik mij vallen in ’t bed. Ik ging slaap vatten, toen eene stem, heure stem, o mijne vrouw, mijn arme vrouwe, mij vroeg: „Heeft het avondmaal gesmaakt, Lamme?†en heure stem was dicht tegen mij en heur aangezicht ook, en heur liefelijk lichaam.Van op den toren van Damme liet de koster, door middel eener gebarsten klok, weten dat het middag was. (Blz. 354).Van op den toren van Damme liet de koster, door middel eener gebarsten klok, weten dat het middag was. (Blz. 354).
XL.Onderweg sprak Uilenspiegel tot Lamme:—Wij hebben reeds schrikkelijk veel geld uitgegeven: wij hebben huurlingen aangeworven, den serjanten eene belooning gegeven, een karolus aan dat Egyptisch meideken geschonken; voeg daarbij de ontelbare oliekoeken, die het u beliefde zonder ophouden zelf te eten, liever dan er éénen te verkoopen. Nu, niettegenstaande het verzet van uwen buik, wordt het hoog tijd dat wij ons met minder generen. Geef mij uw geld: ik zal de gemeenschappelijke beurs houden.—Ik wil wel, sprak Lamme.Hem de beurs langend, sprak hij:—Laat mij evenwel niet sterven van honger; want bedenk toch: dik en struisch als ik ben, moet ik kloek en overvloedig voedsel hebben. Dat is goed voor u, die mager en schraal zijt, van onbekommerd te leven, onverschillig of gij eten vindt of niet, lijk de planken op de kaaien, die leven van regen en lucht. Doch ik, dien de lucht en de regen hongerig maken, ik hoef andere festijnen.—Gij zult ze hebben, die festijnen, maar ’t zullen festijnen zijn van een deugdzame vasten. De best gevulde buiken zijn daartegen niet bestand; zij nemen langzamerhand af en maken de zwaartste mannen als een vlinder zoo licht. En weldra zal men Lamme, mijnen vriend, genoegzaam ontvet, zien loopen als een hert,—Laas! sprak Lamme, zou dit voortaan mijn armzalig lot moeten wezen? Ik heb honger, mijn vriend, en zou willen eten.De avond viel. Zij kwamen te Brugge langs de Gentpoort. Zij toonden hunne passen. Toen zij een halven stuiver voor zich en twee stuivers voor hunne ezelen hadden betaald, traden zij de stad binnen.Lamme dacht gedurig aan de woorden van Uilenspiegel en was diep nedergeslagen.—Zullen wij haast avondmalen? sprak hij.—Ja, antwoordde Uilenspiegel.Zij stapten af inde Meermin, afspanning, die van verre kennelijk was door de gouden meermin, die, als windwijzer, bovenop den trappengevel stond.De beide wandelaars brachten hunne ezelen op stal, en Uilenspiegel bestelde brood, bier en kaas voor hun avondmaal.De weerd grijnslachte bij het opdienen van dien schamelen maaltijd. Lamme at met lange tanden, en zag vertwijfeld naar Uilenspiegel, die het oudbakken brood en de te jonge kaas binnenspeelde alsof hij ortolanen at. En Lamme dronk zijn dun bier zonder genoegen. Uilenspiegel lachte in zich zelven als hij hem zoo jammerend zag zitten. En daar was nog iemand, die lachte in het binnenhof van de afspanning, en die van tijd tot tijd den neus voor het venster kwam steken. Uilenspiegel zag dat het eene vrouw was, die heur aangezicht verborg. In den waan dat het een oolijke dienstmaagd was, hield hij er zich niet verder mede bezig, te meer daar hij, naar Lamme kijkend, zag dat zijn vriend bleek, treurig en troosteloos was ter oorzake van zijne tegengewerkte liefde voor lekkere spijzen en dranken. Hij kreeg medelijden met hem en meende voor zijn gezel een pannekoek met pensen, eene pateel ossenvleesch met boonen of een ander warm gerecht te bestellen, toen de weerd binnenkwam en beleefdelijk sprak, met zijne muts in de hand:—Als die doorluchtige heeren een beter avondmaal wenschen, moeten zij maar spreken en zeggen wat hun zal believen.Lamme sperde de oogen wijd open en den mond nog wijder, en bezag Uilenspiegel met angstige onrust.Deze antwoordde:—Reizende werklieden hebben geen gouden karolussen te vereten.—Toch gebeurt het somtijds, sprak de baas, dat zij niet weten wat zij bezitten....En, naar Lamme wijzend, vervolgde hij:—Die goede tronie is er twee andere weerd. Wat zouden die doorluchtige heeren gelieven te eten en te drinken? een pannekoek met vette, lekkere hesp? Soezels?—wij hebben er dezen avond gereedgemaakt. Krakelingen, een kapoen, die zoo malsch is dat hij smelt in den mond? Geurige karbonaden met saus, bereid met de vier specerijen? Antwerpsche dobbelen knol, Brugsche dobbele kuite, Leuvenschen wijn bereid naar dewijs van Bourgondië? En dit alles zonder een duit te betalen.—Breng dan maar alles op, sprak Lamme.Weldra stond de tafel gedekt en schepte Uilenspiegel er oprecht vermaak in den armen Lamme bezig te zien, die, hongeriger dan ooit, beurtelings alle gerechten aanviel: den pannekoek, de soezels, den kapoen, de hesp, de karbonaden, en heele stoopen dobbelen knol, dobbele kuite en Leuvenschen wijn, bereid naar de wijs van Bourgondië, door zijn keelgat zond.Toen Lamme zijne bekomst had, blies hij lijk een walvisch van genoegen; en hij keek rondom zich op de tafel om te zien of er niets meer te peuzelen viel. En zorgvuldig snoepte hij de brokken der krakelingen.Hij noch Uilenspiegel hadden het lieve gezichtje gezien, dat in het binnenhof, glimlachend voor de ruiten kwam lonken. De baas had warmen wijn opgebracht, die met kaneel en Madeira-suiker gekookt was. En de beide vrienden dronken en zongen.Bij de slaapklok, vroeg de baas of zij ieder naar hun groote, schoone kamer wilden gaan.Uilenspiegel zeide, dat een klein kamertje voldoende was voor hun tweeën.De baas antwoordde:—Kleine kamerkens heb ik niet; gij zult elk eene heerenkamer hebben, zonder een duit te betalen.En, inderdaad, hij bracht hen naar rijk gestoffeerde kamers met prachtige meubelen. In die van Lamme stond een groot bed.Uilenspiegel, die veel gedronken had en viel van den vaak, liet hem slapen gaan en deed als hij.’s Anderen daags, rond den middag, trad hij in de kamer zijns vriends en vond hem nog in zijne koets aan ’t ronken.Naast hem lag een fijn geborduurde beugeltasch. Hij opende die en zag dat ze met gouden karolussen en zilveren oortjes gevuld was.Hij schudde Lamme om hem wakker te maken; deze schoot uit zijn slaap, wreef zich de oogen en, ongerust rondom zich kijkend, vroeg hij:—Mijne vrouw? Waar is mijne vrouw?En, naar de ledige plaats naast zich in het bed wijzend, sprak hij:—Straks was ze daar nog.Hij sprong vervolgens uit zijn bed en keek opnieuw overal rond, in alle hoeken en kanten der kamer, in de alkoof, tot in de schapraaien.Stampvoetend herhaalde hij:—Mijne vrouw? Waar is mijne vrouw?De baas kwam boven, op ’t gerucht dat hij maakte.—Deugniet, riep Lamme, den weerd bij de keel grijpend, deugniet, waar is mijne vrouw? Wat hebt gij gedaan met mijne vrouw?—Driftige kerel, zeide de baas, uwe vrouw? Welke vrouw? Gij zijt hier alleen gekomen. Ik weet niet wat ge vertelt.—Ha! hij weet het niet, hij weet het niet, sprak Lamme, die opnieuw al de hoeken en kanten der kamer afzocht. Laas! Daar, in mijn bed, was zij dezen nacht, als in den schoonen tijd onzer liefde. Ja, waar zijt ge, mijn hertje?En, de beurze ten gronde smijtend, vervolgde hij:—’t Is uw geld niet, dat ik hebben moet; ’t is u, ’t is uw liefelijk lichaam, uw schoonen boezem, ’t is uw hert, mijne welbeminde! O, genuchten des hemels, zult gij nooit meer terugkomen? Ik had er mij aan gewend te leven zonder u te zien, te leven zonder liefde, mijn hertediefje. En nu verlaat gij mij opnieuw, na mij uw zoete kussen te hebben laten smaken. Maar ik zal het besterven! Mijne vrouw! Waar is mijne vrouw?En hij lag te snikken ten gronde. Doch eensklaps vloog hij naar de deur; hij stormde de trap af, en liep in zijn hemd de afspanning door, tot op de straat, al roepend:—Mijne vrouw? waar is mijne vrouw?Maar hij kwam dadelijk terug, want de straatjongens jouwden hem uit en smeten met steenen naar hem.En Uilenspiegel zeide tot hem:—Kleed u, Lamme, en wees niet wanhopend, gij zult ze terugzien, vermits gij ze heden gezien hebt. Zij mint u nog immer, vermits zij bij u is teruggekomen, vermits zij het waarschijnlijk is, die het lekkere maal van gisteravond en de heerenkamers betaald, en deze volle beurze op het bed gelegd heeft. De assche zegt mij, dat dit het werk niet is van een ontrouwe vrouw. Ween niet meer, en laat ons gaan voor het heil van den grond onzer vaderen.—Laat ons te Brugge blijven, zei Lamme; ik zal heel de stad afloopen, en zal ze wel vinden.—Gij zult ze niet vinden, daar zij zich voor u verbergt, sprak Uilenspiegel.Lamme vroeg inlichtingen aan den baas, doch deze wilde niets zeggen.En zij togen naar Damme.Onderwege sprak Uilenspiegel tot Lamme:—Waarom vertelt gij mij niet, hoe gij ze dezen nacht nevens u vondt en hoe zij u verliet?—Mijn vriend, antwoordde Lamme, gij weet dat wij gisterenavond gegastreerd hebben met vleesch, met bier en met wijn, en dat ik met moeite kon blazen, toen ik de trap opklom om te slapen. Om mij te lichten hield ik, als een groot heer, eene waskeers in mijne hand, en om te slapen had ik den kandeleer op eene schapraai gezet; de deur was tegenaan en de schapraai stond dicht bij de deur. Terwijl ik mij ontkleedde, bezag ik mijn bed met genoegen, want ik had grooten vaak; de waskeers werd eensklaps uitgeblazen. Ik hoorde als een ademtocht lichte stappen in mijne kamer; doch mits ik meer vaak had dan schrik, liet ik mij vallen in ’t bed. Ik ging slaap vatten, toen eene stem, heure stem, o mijne vrouw, mijn arme vrouwe, mij vroeg: „Heeft het avondmaal gesmaakt, Lamme?†en heure stem was dicht tegen mij en heur aangezicht ook, en heur liefelijk lichaam.Van op den toren van Damme liet de koster, door middel eener gebarsten klok, weten dat het middag was. (Blz. 354).Van op den toren van Damme liet de koster, door middel eener gebarsten klok, weten dat het middag was. (Blz. 354).
XL.
Onderweg sprak Uilenspiegel tot Lamme:—Wij hebben reeds schrikkelijk veel geld uitgegeven: wij hebben huurlingen aangeworven, den serjanten eene belooning gegeven, een karolus aan dat Egyptisch meideken geschonken; voeg daarbij de ontelbare oliekoeken, die het u beliefde zonder ophouden zelf te eten, liever dan er éénen te verkoopen. Nu, niettegenstaande het verzet van uwen buik, wordt het hoog tijd dat wij ons met minder generen. Geef mij uw geld: ik zal de gemeenschappelijke beurs houden.—Ik wil wel, sprak Lamme.Hem de beurs langend, sprak hij:—Laat mij evenwel niet sterven van honger; want bedenk toch: dik en struisch als ik ben, moet ik kloek en overvloedig voedsel hebben. Dat is goed voor u, die mager en schraal zijt, van onbekommerd te leven, onverschillig of gij eten vindt of niet, lijk de planken op de kaaien, die leven van regen en lucht. Doch ik, dien de lucht en de regen hongerig maken, ik hoef andere festijnen.—Gij zult ze hebben, die festijnen, maar ’t zullen festijnen zijn van een deugdzame vasten. De best gevulde buiken zijn daartegen niet bestand; zij nemen langzamerhand af en maken de zwaartste mannen als een vlinder zoo licht. En weldra zal men Lamme, mijnen vriend, genoegzaam ontvet, zien loopen als een hert,—Laas! sprak Lamme, zou dit voortaan mijn armzalig lot moeten wezen? Ik heb honger, mijn vriend, en zou willen eten.De avond viel. Zij kwamen te Brugge langs de Gentpoort. Zij toonden hunne passen. Toen zij een halven stuiver voor zich en twee stuivers voor hunne ezelen hadden betaald, traden zij de stad binnen.Lamme dacht gedurig aan de woorden van Uilenspiegel en was diep nedergeslagen.—Zullen wij haast avondmalen? sprak hij.—Ja, antwoordde Uilenspiegel.Zij stapten af inde Meermin, afspanning, die van verre kennelijk was door de gouden meermin, die, als windwijzer, bovenop den trappengevel stond.De beide wandelaars brachten hunne ezelen op stal, en Uilenspiegel bestelde brood, bier en kaas voor hun avondmaal.De weerd grijnslachte bij het opdienen van dien schamelen maaltijd. Lamme at met lange tanden, en zag vertwijfeld naar Uilenspiegel, die het oudbakken brood en de te jonge kaas binnenspeelde alsof hij ortolanen at. En Lamme dronk zijn dun bier zonder genoegen. Uilenspiegel lachte in zich zelven als hij hem zoo jammerend zag zitten. En daar was nog iemand, die lachte in het binnenhof van de afspanning, en die van tijd tot tijd den neus voor het venster kwam steken. Uilenspiegel zag dat het eene vrouw was, die heur aangezicht verborg. In den waan dat het een oolijke dienstmaagd was, hield hij er zich niet verder mede bezig, te meer daar hij, naar Lamme kijkend, zag dat zijn vriend bleek, treurig en troosteloos was ter oorzake van zijne tegengewerkte liefde voor lekkere spijzen en dranken. Hij kreeg medelijden met hem en meende voor zijn gezel een pannekoek met pensen, eene pateel ossenvleesch met boonen of een ander warm gerecht te bestellen, toen de weerd binnenkwam en beleefdelijk sprak, met zijne muts in de hand:—Als die doorluchtige heeren een beter avondmaal wenschen, moeten zij maar spreken en zeggen wat hun zal believen.Lamme sperde de oogen wijd open en den mond nog wijder, en bezag Uilenspiegel met angstige onrust.Deze antwoordde:—Reizende werklieden hebben geen gouden karolussen te vereten.—Toch gebeurt het somtijds, sprak de baas, dat zij niet weten wat zij bezitten....En, naar Lamme wijzend, vervolgde hij:—Die goede tronie is er twee andere weerd. Wat zouden die doorluchtige heeren gelieven te eten en te drinken? een pannekoek met vette, lekkere hesp? Soezels?—wij hebben er dezen avond gereedgemaakt. Krakelingen, een kapoen, die zoo malsch is dat hij smelt in den mond? Geurige karbonaden met saus, bereid met de vier specerijen? Antwerpsche dobbelen knol, Brugsche dobbele kuite, Leuvenschen wijn bereid naar dewijs van Bourgondië? En dit alles zonder een duit te betalen.—Breng dan maar alles op, sprak Lamme.Weldra stond de tafel gedekt en schepte Uilenspiegel er oprecht vermaak in den armen Lamme bezig te zien, die, hongeriger dan ooit, beurtelings alle gerechten aanviel: den pannekoek, de soezels, den kapoen, de hesp, de karbonaden, en heele stoopen dobbelen knol, dobbele kuite en Leuvenschen wijn, bereid naar de wijs van Bourgondië, door zijn keelgat zond.Toen Lamme zijne bekomst had, blies hij lijk een walvisch van genoegen; en hij keek rondom zich op de tafel om te zien of er niets meer te peuzelen viel. En zorgvuldig snoepte hij de brokken der krakelingen.Hij noch Uilenspiegel hadden het lieve gezichtje gezien, dat in het binnenhof, glimlachend voor de ruiten kwam lonken. De baas had warmen wijn opgebracht, die met kaneel en Madeira-suiker gekookt was. En de beide vrienden dronken en zongen.Bij de slaapklok, vroeg de baas of zij ieder naar hun groote, schoone kamer wilden gaan.Uilenspiegel zeide, dat een klein kamertje voldoende was voor hun tweeën.De baas antwoordde:—Kleine kamerkens heb ik niet; gij zult elk eene heerenkamer hebben, zonder een duit te betalen.En, inderdaad, hij bracht hen naar rijk gestoffeerde kamers met prachtige meubelen. In die van Lamme stond een groot bed.Uilenspiegel, die veel gedronken had en viel van den vaak, liet hem slapen gaan en deed als hij.’s Anderen daags, rond den middag, trad hij in de kamer zijns vriends en vond hem nog in zijne koets aan ’t ronken.Naast hem lag een fijn geborduurde beugeltasch. Hij opende die en zag dat ze met gouden karolussen en zilveren oortjes gevuld was.Hij schudde Lamme om hem wakker te maken; deze schoot uit zijn slaap, wreef zich de oogen en, ongerust rondom zich kijkend, vroeg hij:—Mijne vrouw? Waar is mijne vrouw?En, naar de ledige plaats naast zich in het bed wijzend, sprak hij:—Straks was ze daar nog.Hij sprong vervolgens uit zijn bed en keek opnieuw overal rond, in alle hoeken en kanten der kamer, in de alkoof, tot in de schapraaien.Stampvoetend herhaalde hij:—Mijne vrouw? Waar is mijne vrouw?De baas kwam boven, op ’t gerucht dat hij maakte.—Deugniet, riep Lamme, den weerd bij de keel grijpend, deugniet, waar is mijne vrouw? Wat hebt gij gedaan met mijne vrouw?—Driftige kerel, zeide de baas, uwe vrouw? Welke vrouw? Gij zijt hier alleen gekomen. Ik weet niet wat ge vertelt.—Ha! hij weet het niet, hij weet het niet, sprak Lamme, die opnieuw al de hoeken en kanten der kamer afzocht. Laas! Daar, in mijn bed, was zij dezen nacht, als in den schoonen tijd onzer liefde. Ja, waar zijt ge, mijn hertje?En, de beurze ten gronde smijtend, vervolgde hij:—’t Is uw geld niet, dat ik hebben moet; ’t is u, ’t is uw liefelijk lichaam, uw schoonen boezem, ’t is uw hert, mijne welbeminde! O, genuchten des hemels, zult gij nooit meer terugkomen? Ik had er mij aan gewend te leven zonder u te zien, te leven zonder liefde, mijn hertediefje. En nu verlaat gij mij opnieuw, na mij uw zoete kussen te hebben laten smaken. Maar ik zal het besterven! Mijne vrouw! Waar is mijne vrouw?En hij lag te snikken ten gronde. Doch eensklaps vloog hij naar de deur; hij stormde de trap af, en liep in zijn hemd de afspanning door, tot op de straat, al roepend:—Mijne vrouw? waar is mijne vrouw?Maar hij kwam dadelijk terug, want de straatjongens jouwden hem uit en smeten met steenen naar hem.En Uilenspiegel zeide tot hem:—Kleed u, Lamme, en wees niet wanhopend, gij zult ze terugzien, vermits gij ze heden gezien hebt. Zij mint u nog immer, vermits zij bij u is teruggekomen, vermits zij het waarschijnlijk is, die het lekkere maal van gisteravond en de heerenkamers betaald, en deze volle beurze op het bed gelegd heeft. De assche zegt mij, dat dit het werk niet is van een ontrouwe vrouw. Ween niet meer, en laat ons gaan voor het heil van den grond onzer vaderen.—Laat ons te Brugge blijven, zei Lamme; ik zal heel de stad afloopen, en zal ze wel vinden.—Gij zult ze niet vinden, daar zij zich voor u verbergt, sprak Uilenspiegel.Lamme vroeg inlichtingen aan den baas, doch deze wilde niets zeggen.En zij togen naar Damme.Onderwege sprak Uilenspiegel tot Lamme:—Waarom vertelt gij mij niet, hoe gij ze dezen nacht nevens u vondt en hoe zij u verliet?—Mijn vriend, antwoordde Lamme, gij weet dat wij gisterenavond gegastreerd hebben met vleesch, met bier en met wijn, en dat ik met moeite kon blazen, toen ik de trap opklom om te slapen. Om mij te lichten hield ik, als een groot heer, eene waskeers in mijne hand, en om te slapen had ik den kandeleer op eene schapraai gezet; de deur was tegenaan en de schapraai stond dicht bij de deur. Terwijl ik mij ontkleedde, bezag ik mijn bed met genoegen, want ik had grooten vaak; de waskeers werd eensklaps uitgeblazen. Ik hoorde als een ademtocht lichte stappen in mijne kamer; doch mits ik meer vaak had dan schrik, liet ik mij vallen in ’t bed. Ik ging slaap vatten, toen eene stem, heure stem, o mijne vrouw, mijn arme vrouwe, mij vroeg: „Heeft het avondmaal gesmaakt, Lamme?†en heure stem was dicht tegen mij en heur aangezicht ook, en heur liefelijk lichaam.Van op den toren van Damme liet de koster, door middel eener gebarsten klok, weten dat het middag was. (Blz. 354).Van op den toren van Damme liet de koster, door middel eener gebarsten klok, weten dat het middag was. (Blz. 354).
Onderweg sprak Uilenspiegel tot Lamme:
—Wij hebben reeds schrikkelijk veel geld uitgegeven: wij hebben huurlingen aangeworven, den serjanten eene belooning gegeven, een karolus aan dat Egyptisch meideken geschonken; voeg daarbij de ontelbare oliekoeken, die het u beliefde zonder ophouden zelf te eten, liever dan er éénen te verkoopen. Nu, niettegenstaande het verzet van uwen buik, wordt het hoog tijd dat wij ons met minder generen. Geef mij uw geld: ik zal de gemeenschappelijke beurs houden.
—Ik wil wel, sprak Lamme.
Hem de beurs langend, sprak hij:
—Laat mij evenwel niet sterven van honger; want bedenk toch: dik en struisch als ik ben, moet ik kloek en overvloedig voedsel hebben. Dat is goed voor u, die mager en schraal zijt, van onbekommerd te leven, onverschillig of gij eten vindt of niet, lijk de planken op de kaaien, die leven van regen en lucht. Doch ik, dien de lucht en de regen hongerig maken, ik hoef andere festijnen.
—Gij zult ze hebben, die festijnen, maar ’t zullen festijnen zijn van een deugdzame vasten. De best gevulde buiken zijn daartegen niet bestand; zij nemen langzamerhand af en maken de zwaartste mannen als een vlinder zoo licht. En weldra zal men Lamme, mijnen vriend, genoegzaam ontvet, zien loopen als een hert,
—Laas! sprak Lamme, zou dit voortaan mijn armzalig lot moeten wezen? Ik heb honger, mijn vriend, en zou willen eten.
De avond viel. Zij kwamen te Brugge langs de Gentpoort. Zij toonden hunne passen. Toen zij een halven stuiver voor zich en twee stuivers voor hunne ezelen hadden betaald, traden zij de stad binnen.
Lamme dacht gedurig aan de woorden van Uilenspiegel en was diep nedergeslagen.
—Zullen wij haast avondmalen? sprak hij.
—Ja, antwoordde Uilenspiegel.
Zij stapten af inde Meermin, afspanning, die van verre kennelijk was door de gouden meermin, die, als windwijzer, bovenop den trappengevel stond.
De beide wandelaars brachten hunne ezelen op stal, en Uilenspiegel bestelde brood, bier en kaas voor hun avondmaal.
De weerd grijnslachte bij het opdienen van dien schamelen maaltijd. Lamme at met lange tanden, en zag vertwijfeld naar Uilenspiegel, die het oudbakken brood en de te jonge kaas binnenspeelde alsof hij ortolanen at. En Lamme dronk zijn dun bier zonder genoegen. Uilenspiegel lachte in zich zelven als hij hem zoo jammerend zag zitten. En daar was nog iemand, die lachte in het binnenhof van de afspanning, en die van tijd tot tijd den neus voor het venster kwam steken. Uilenspiegel zag dat het eene vrouw was, die heur aangezicht verborg. In den waan dat het een oolijke dienstmaagd was, hield hij er zich niet verder mede bezig, te meer daar hij, naar Lamme kijkend, zag dat zijn vriend bleek, treurig en troosteloos was ter oorzake van zijne tegengewerkte liefde voor lekkere spijzen en dranken. Hij kreeg medelijden met hem en meende voor zijn gezel een pannekoek met pensen, eene pateel ossenvleesch met boonen of een ander warm gerecht te bestellen, toen de weerd binnenkwam en beleefdelijk sprak, met zijne muts in de hand:
—Als die doorluchtige heeren een beter avondmaal wenschen, moeten zij maar spreken en zeggen wat hun zal believen.
Lamme sperde de oogen wijd open en den mond nog wijder, en bezag Uilenspiegel met angstige onrust.
Deze antwoordde:
—Reizende werklieden hebben geen gouden karolussen te vereten.
—Toch gebeurt het somtijds, sprak de baas, dat zij niet weten wat zij bezitten....
En, naar Lamme wijzend, vervolgde hij:
—Die goede tronie is er twee andere weerd. Wat zouden die doorluchtige heeren gelieven te eten en te drinken? een pannekoek met vette, lekkere hesp? Soezels?—wij hebben er dezen avond gereedgemaakt. Krakelingen, een kapoen, die zoo malsch is dat hij smelt in den mond? Geurige karbonaden met saus, bereid met de vier specerijen? Antwerpsche dobbelen knol, Brugsche dobbele kuite, Leuvenschen wijn bereid naar dewijs van Bourgondië? En dit alles zonder een duit te betalen.
—Breng dan maar alles op, sprak Lamme.
Weldra stond de tafel gedekt en schepte Uilenspiegel er oprecht vermaak in den armen Lamme bezig te zien, die, hongeriger dan ooit, beurtelings alle gerechten aanviel: den pannekoek, de soezels, den kapoen, de hesp, de karbonaden, en heele stoopen dobbelen knol, dobbele kuite en Leuvenschen wijn, bereid naar de wijs van Bourgondië, door zijn keelgat zond.
Toen Lamme zijne bekomst had, blies hij lijk een walvisch van genoegen; en hij keek rondom zich op de tafel om te zien of er niets meer te peuzelen viel. En zorgvuldig snoepte hij de brokken der krakelingen.
Hij noch Uilenspiegel hadden het lieve gezichtje gezien, dat in het binnenhof, glimlachend voor de ruiten kwam lonken. De baas had warmen wijn opgebracht, die met kaneel en Madeira-suiker gekookt was. En de beide vrienden dronken en zongen.
Bij de slaapklok, vroeg de baas of zij ieder naar hun groote, schoone kamer wilden gaan.
Uilenspiegel zeide, dat een klein kamertje voldoende was voor hun tweeën.
De baas antwoordde:
—Kleine kamerkens heb ik niet; gij zult elk eene heerenkamer hebben, zonder een duit te betalen.
En, inderdaad, hij bracht hen naar rijk gestoffeerde kamers met prachtige meubelen. In die van Lamme stond een groot bed.
Uilenspiegel, die veel gedronken had en viel van den vaak, liet hem slapen gaan en deed als hij.
’s Anderen daags, rond den middag, trad hij in de kamer zijns vriends en vond hem nog in zijne koets aan ’t ronken.Naast hem lag een fijn geborduurde beugeltasch. Hij opende die en zag dat ze met gouden karolussen en zilveren oortjes gevuld was.
Hij schudde Lamme om hem wakker te maken; deze schoot uit zijn slaap, wreef zich de oogen en, ongerust rondom zich kijkend, vroeg hij:
—Mijne vrouw? Waar is mijne vrouw?
En, naar de ledige plaats naast zich in het bed wijzend, sprak hij:
—Straks was ze daar nog.
Hij sprong vervolgens uit zijn bed en keek opnieuw overal rond, in alle hoeken en kanten der kamer, in de alkoof, tot in de schapraaien.
Stampvoetend herhaalde hij:
—Mijne vrouw? Waar is mijne vrouw?
De baas kwam boven, op ’t gerucht dat hij maakte.
—Deugniet, riep Lamme, den weerd bij de keel grijpend, deugniet, waar is mijne vrouw? Wat hebt gij gedaan met mijne vrouw?
—Driftige kerel, zeide de baas, uwe vrouw? Welke vrouw? Gij zijt hier alleen gekomen. Ik weet niet wat ge vertelt.
—Ha! hij weet het niet, hij weet het niet, sprak Lamme, die opnieuw al de hoeken en kanten der kamer afzocht. Laas! Daar, in mijn bed, was zij dezen nacht, als in den schoonen tijd onzer liefde. Ja, waar zijt ge, mijn hertje?
En, de beurze ten gronde smijtend, vervolgde hij:
—’t Is uw geld niet, dat ik hebben moet; ’t is u, ’t is uw liefelijk lichaam, uw schoonen boezem, ’t is uw hert, mijne welbeminde! O, genuchten des hemels, zult gij nooit meer terugkomen? Ik had er mij aan gewend te leven zonder u te zien, te leven zonder liefde, mijn hertediefje. En nu verlaat gij mij opnieuw, na mij uw zoete kussen te hebben laten smaken. Maar ik zal het besterven! Mijne vrouw! Waar is mijne vrouw?
En hij lag te snikken ten gronde. Doch eensklaps vloog hij naar de deur; hij stormde de trap af, en liep in zijn hemd de afspanning door, tot op de straat, al roepend:
—Mijne vrouw? waar is mijne vrouw?
Maar hij kwam dadelijk terug, want de straatjongens jouwden hem uit en smeten met steenen naar hem.
En Uilenspiegel zeide tot hem:
—Kleed u, Lamme, en wees niet wanhopend, gij zult ze terugzien, vermits gij ze heden gezien hebt. Zij mint u nog immer, vermits zij bij u is teruggekomen, vermits zij het waarschijnlijk is, die het lekkere maal van gisteravond en de heerenkamers betaald, en deze volle beurze op het bed gelegd heeft. De assche zegt mij, dat dit het werk niet is van een ontrouwe vrouw. Ween niet meer, en laat ons gaan voor het heil van den grond onzer vaderen.
—Laat ons te Brugge blijven, zei Lamme; ik zal heel de stad afloopen, en zal ze wel vinden.
—Gij zult ze niet vinden, daar zij zich voor u verbergt, sprak Uilenspiegel.
Lamme vroeg inlichtingen aan den baas, doch deze wilde niets zeggen.
En zij togen naar Damme.
Onderwege sprak Uilenspiegel tot Lamme:
—Waarom vertelt gij mij niet, hoe gij ze dezen nacht nevens u vondt en hoe zij u verliet?
—Mijn vriend, antwoordde Lamme, gij weet dat wij gisterenavond gegastreerd hebben met vleesch, met bier en met wijn, en dat ik met moeite kon blazen, toen ik de trap opklom om te slapen. Om mij te lichten hield ik, als een groot heer, eene waskeers in mijne hand, en om te slapen had ik den kandeleer op eene schapraai gezet; de deur was tegenaan en de schapraai stond dicht bij de deur. Terwijl ik mij ontkleedde, bezag ik mijn bed met genoegen, want ik had grooten vaak; de waskeers werd eensklaps uitgeblazen. Ik hoorde als een ademtocht lichte stappen in mijne kamer; doch mits ik meer vaak had dan schrik, liet ik mij vallen in ’t bed. Ik ging slaap vatten, toen eene stem, heure stem, o mijne vrouw, mijn arme vrouwe, mij vroeg: „Heeft het avondmaal gesmaakt, Lamme?†en heure stem was dicht tegen mij en heur aangezicht ook, en heur liefelijk lichaam.
Van op den toren van Damme liet de koster, door middel eener gebarsten klok, weten dat het middag was. (Blz. 354).Van op den toren van Damme liet de koster, door middel eener gebarsten klok, weten dat het middag was. (Blz. 354).
Van op den toren van Damme liet de koster, door middel eener gebarsten klok, weten dat het middag was. (Blz. 354).