XV.Op 15 der Oogstmaand, den grooten dag van Maria en van de wijding van kruiden en wortelen, wanneer de hennen, volgepropt met graan, doof blijven voor ’t geroep van den haan, werd aan eene der poorten van Antwerpen, een groot steenen kruisbeeld aan stukken geslagen door een Italiaan, in dienst van Granvelle. ’s Zondags nadien ging de ommegang van Onze-Lieve Vrouwekerk uit, voorafgegaan door groene, gele en roode narren.Maar het Mariabeeld werd onderwege gehoond door rapaille, dat riep: „Maaiken, de uitdraagster, dit is uw laatste feestdag, want men zal haast met u mosselen zieden”; het beeld werd ijlings in ’t koor van de kerk teruggebracht.Uilenspiegel en Lamme gingen Onze-Lieve-Vrouwekerk binnen. Havelooze, in lompen gehulde jongelieden en ook eenige volwassenen, elkeen onbekend, stonden vóór het koor tot malkander zekere teekenen en gebaren te maken. Zij maakten veel gerucht met voeten en tongen. Niemand had ze ooit in Antwerpen gezien, of zag ze later ooit weer. Een hunner, met een bruin gezicht als een verbrande ajuin, vroeg of Maaiken—dat was Maria—bang was, daar ze zoo ijlings terug in de kerk kwam.—’t Is toch niet voor u dat ze bang is, leelijke moor, antwoordde Uilenspiegel.De jonge schoelje, tot wien hij sprak, kwam op hem af om hem te slaan, maar Uilenspiegel nam hem bij den kraag en sprak:—Als gij durft slaan, doe ik u uwe tong uitspuwen.Zich vervolgens tot eenige Antwerpsche vrienden wendend, die daar waren, zeide hij:—Signoorkens en pagadders (naar de havelooze kerels wijzend), betrouwt ze niet, ’t zijn valsche Vlamingen, lafaards en verraders, die betaald zijn om ons in kwaad, in ellende en in rampspoed te lokken.Vervolgens tot het geboefte sprekend, zeide hij:—Hewel, ezelskoppen, die uittdroogt van armoe, vanwaar haalt gij het geld, dat thans in uwe beurze rinkelt? Hebt gij soms nu reeds uw vel verkocht om er trommelen van te maken?—Beziet eens dien preeker! riepen ze.Toen begonnen zij allen samen te schelden, sprekende van Onze-Lieve-Vrouwe:—Maaiken heeft een schoon kleed! Maaiken heeft een schoone kroon! Ik zal ze geven aan eene loddege van mijne kennis.Zij gingen buiten, terwijl een onverlaat den predikstoel beklom om er zotte reden te houden, en zij kwamen terug, roepende:—Kom beneden, Maaiken, of wij komen u halen. Doe een mirakel, toon nu eens dat gij kunt loopen, in stee van u laten dragen!Maar Uilenspiegel riep te vergeefs: Rampzaligen, houdt op met uw geschimp; alle plundering is misdaad! Zij gingen voort met hunne heiligschendende taal en spraken zelfs van het koor binnen te breken en Maaiken beneden te halen.Daarop smeet een oude vrouw, die keersen verkocht in de kerk, hun de assche van haren vuurpot in het gezicht; maar zij werd geslagen en ten gronde gestampt, en daarna herbegon het geweld.De markgraaf kwam in de kerk met zijne hellebaardiers. Toen hij het volk samengeschoold zag, spoorde hij het aan de kerk te verlaten, maar zoo weinig krachtdadig, dat slechts enkelen henen gingen; de anderen spraken:—Eerst moeten de kanunniken de vespers zingen, ter eere van Maaiken.De markgraaf sprak:—Er wordt niet gezongen.—Dan zullen we zelven zingen was het antwoord.Zoo deden zij in de zijbeuken en omtrent het portaal van de kerk. Eenigen speelden met den bal en hinkelden met steentjes over den vloer en zeiden: „Maaiken, nimmer speelt gij in het hemelrijk, en gij verveelt u: kom spelen met ons”.En onophoudelijk hoonden zij het beeld, riepen, huilden en floten.De markgraaf gebaarde bang te zijn en ging henen. Hij deed de deuren sluiten behalve ééne.En hoewel het gemeen er zich niet mee bemoeide, werden de galgenazen stoutmoediger en riepen zij nog luider. Het gewelf weergalmde als onder ’t gebulder van kanonnen.Op den predikstoel klom er toen een. Hij scheen gezag te hebben; met een gebaar deed hij allen zwijgen, en hij begon te preeken:„In den naam des Vaders, des Zoons en des Heiligen Geestes,drie zijn één en één is drie; God beware ons in ’t hemelrijk van dergelijke cijferkunde; op heden, vijftienden van de Oogstmaand, is Maaiken met heur schoonste kleeren in triomf uitgegaan om haar houten gezicht te toonen aan alle signoorkens en pagadders van de goede stad Antwerpen. Maar onderwege in den ommegang, is Maaiken den duivel Satan tegengekomen en Satan sprak lachend tot haar: „Zijt gij nu te fier om den armen pagadder Satan goeden dag te zeggen, omdat gij gekleed zijt als eene koningin, en gij gedragen wordt door vier signoren?” En Maaiken antwoordde: „Gaat van hier, Satan, of ik verbrijzel u nogmaals den kop!” „Maaiken, dat doet gij nu reeds vijftienhonderd jaar, maar de Geest van den Heer uwen meester heeft mij verlost. Ik ben sterker dan gij; gij zult mij op den kop niet meer trappen, en nu ga ik u een dansken leeren. Satan nam een duchtige lederen zweep en begon er mee te kletsen op Maaiken, die niet dorst schreeuwen om niet te laten zien dat ze bang was; en toen is ze op den loop gegaan en deed zij de signoorkens die haar droegen insgelijks loopen, opdat ze met heur gouden kroon en rijke juweelen niet onder ’t arme gemeene volk zou vallen. En nu zit Maaiken koes en bevend in heur kot, te kijken naar Satan, die daar omhoog op gindsche zuil zit, met de zweep in de hand, en grijnslachend zegt: „Ik zal u het bloed en de tranen betaald zetten, die vloeiden in uwen naam! Maaiken, hoe is ’t met uwe onbevlektheid? Ge moet rijden! We gaan u aan stukken slaan, leelijk houten beeld dat ge zijt, voor al de beelden van vleesch en beenderen, die in uwen naam genadeloos verbrand, gehangen en levend begraven werden.” Aldus sprak Satan, en hij had gelijk. En gij moet beneden, wreedaardig, bloeddorstig Maaiken, want gij geleekt geenszins op uwen zoon Christus.En heel de menigte handlangers riep en tierde en huilde: „Maaiken! Maaiken, gij moet rijden! Maakt gij nu uw hemd nat van schrik? Weg met de houten heiligen! Laat heur een bad in de Schelde nemen! Hout drijft toch boven!”Het volk aanhoorde hen zonder iets te zeggen.Doch Uilenspiegel klom op den predikstoel, stampte met geweld den spreker van de trappen en zei tot het volk:—Dwazen, onnoozele dwazen, ziet gij dan niet verder dan uw neus lang is? Begrijpt gij dan niet, dat dit alles verraderswerk is? Zij willen u tot heiligschenners en tot beeldbrekers maken, om u tot muiters te kunnen verklaren, uwe kisten teledigen, u te onthalzen en levend te verbranden! En de koning zal erven! Signoorkens en pagadders, hecht geen geloof aan de woorden dier bewerkers van rampspoed: laat Onze-Lieve-Vrouw in heure nis, leeft kloekmoedig, werkt blijgezind en geniet van uwe winsten en profijten. De zwarte duivel des rampspoeds heeft u in ’t oog, en ’t is door plundering en vernieling, dat hij het vijandelijke leger zal roepen om u als rebellen te behandelen en Alva over u te doen regeeren door dictatuur, inquisitie, verbeurdverklaring en dood!... En hij zal erven!—Laas, sprak Lamme, plundert niet, signoorkens en pagadders; de koning is al kwaad genoeg. De dochter van de borduurster heeft het tot mijn vriend Uilenspiegel gezegd. Plundert niet, mijne heeren!Maar het gemeen kon hen niet hooren.De handlangers riepen:—Ze moet beneden! In de Schelde, de houten heiligen. Hout drijft toch boven!Uilenspiegel klampte zich aan den preekstoel vast en riep tevergeefs:—Signoorkens en pagadders, duldt de plundering niet! Brengt uwe stad niet ten onder!En hij werd weggerukt met gekwetst gelaat, wambuis en hoos gescheurd, hoewel hij zich dapper verweerde met vuisten en voeten. En heel bebloed, hield hij niet op te roepen:—Duldt de plundering niet!Maar het was te vergeefs.De onbekenden en het grauw van de stad liepen tegen het hek van het koor aan, hetwelk zij braken al roepend:—Vive le geus!Allen begonnen te breken, te plunderen, te vernielen. Vóór middernacht was die groote kerk, in dewelke zeventig autaren, allerhande schoone schilderijen en kostbaarheden waren, teenemaal ledig. De autaren werden aan stukken geslagen, de beelden werden van hunne pedestalen getrokken, uit hunne nissen gerukt, op den vloer geworpen en met hamers verbrijzeld en de gewijde olie tot schoensmeer gebezigd. Toen er niets meer te breken viel, trok de bende naar de Minderbroeders, De Franciscanen, Sint-Pieters, Sint-Andries, Sint-Jacobs, Sint-Joris, Sint-Michiels, de Peterpotkerk, den Burcht, het Fawkensklooster, de Witte Zusters, de Grijze Zusters, de Predikheeren en al dekerken en kapellen van de stad, om er te werk te gaan als in Onze-Lieve-Vrouwe. Zij namen waskeersen en flambouwen en liepen er mee overal rond.En onder hen was geen getwist nog krakeel; geen hunner werd gekwetst in die groote afbraak van steen, van hout en andere stoffen.Zij trokken naar den-Haag, om er de beelden en autaren weg te nemen; doch daar noch elders verleenden de protestanten hun hulp.In den-Haag vroeg de magistraat hun, waar hunne lastgeving was.—Hier, sprak een hunner, en hij sloeg op zijn hert.—Hoort gij, signoorkens en pagadders? Hunne lastgeving! sprak Uilenspiegel, die het feit vernomen had. Er is dus iemand, die hun last geeft het werk van heiligschenners te doen! Als een dief mijne hut binnendringt, zal ik doen als de magistraat van den-Haag, en zal ik, mijn hoedeken afnemend, vragen: Lieve schelm, beminnelijke dieper, eerbiedweerdige roover, waar is uwe lastgeving? Hij zal wijzen naar zijn hert, dat dorst naar mijne have. En ik zal hem al mijne sleutels ter hand stellen! Zoekt, zoekt wien de plundering baat. Mistrouwt den Rooden Hond; de misdaad is begaan, de beteugeling zal volgen. Mistrouwt den Rooden Hond! Het groote steenen kruisbeeld is aan stukken geslagen. Mistrouwt den Rooden Hond!Toen Uilenspiegel vernam dat de Groote Raad van Mechelen, door den mond van zijnen voorzitter Viglius, geboden had den beeldenstorm geenerlei verzet te bieden, sprak hij:—Laas! de oogst is rijp voor de Spaansche maaiers. De hertog! de hertog nadert! Vlamingen, de zee, de zee der wrake wast. Arme vrouwen en meidekens, vlucht den put. Arme mannen, vlucht de galg, het vuur en het zweerd! Philippus wil het bloedig werk van keizer Karel voltooien. De vader zaaide dood en ballingschap; de zoon heeft gezworen, dat hij liever over een kerkhof dan over een kettervolk heerscht. Vlucht, daar zijn de beul en de grafmakers.Het volk luisterde naar Uilenspiegel, en honderden gezinnen verlieten de steden, en de wegen waren vervuld met karren vol huisraad van allen die in ballingschap gingen.En Uilenspiegel ging overal, gevolgd door Lamme, die jammerend zocht naar zijne vrouw.En te Damme weende Nele bij de uitzinnige Katelijne.
XV.Op 15 der Oogstmaand, den grooten dag van Maria en van de wijding van kruiden en wortelen, wanneer de hennen, volgepropt met graan, doof blijven voor ’t geroep van den haan, werd aan eene der poorten van Antwerpen, een groot steenen kruisbeeld aan stukken geslagen door een Italiaan, in dienst van Granvelle. ’s Zondags nadien ging de ommegang van Onze-Lieve Vrouwekerk uit, voorafgegaan door groene, gele en roode narren.Maar het Mariabeeld werd onderwege gehoond door rapaille, dat riep: „Maaiken, de uitdraagster, dit is uw laatste feestdag, want men zal haast met u mosselen zieden”; het beeld werd ijlings in ’t koor van de kerk teruggebracht.Uilenspiegel en Lamme gingen Onze-Lieve-Vrouwekerk binnen. Havelooze, in lompen gehulde jongelieden en ook eenige volwassenen, elkeen onbekend, stonden vóór het koor tot malkander zekere teekenen en gebaren te maken. Zij maakten veel gerucht met voeten en tongen. Niemand had ze ooit in Antwerpen gezien, of zag ze later ooit weer. Een hunner, met een bruin gezicht als een verbrande ajuin, vroeg of Maaiken—dat was Maria—bang was, daar ze zoo ijlings terug in de kerk kwam.—’t Is toch niet voor u dat ze bang is, leelijke moor, antwoordde Uilenspiegel.De jonge schoelje, tot wien hij sprak, kwam op hem af om hem te slaan, maar Uilenspiegel nam hem bij den kraag en sprak:—Als gij durft slaan, doe ik u uwe tong uitspuwen.Zich vervolgens tot eenige Antwerpsche vrienden wendend, die daar waren, zeide hij:—Signoorkens en pagadders (naar de havelooze kerels wijzend), betrouwt ze niet, ’t zijn valsche Vlamingen, lafaards en verraders, die betaald zijn om ons in kwaad, in ellende en in rampspoed te lokken.Vervolgens tot het geboefte sprekend, zeide hij:—Hewel, ezelskoppen, die uittdroogt van armoe, vanwaar haalt gij het geld, dat thans in uwe beurze rinkelt? Hebt gij soms nu reeds uw vel verkocht om er trommelen van te maken?—Beziet eens dien preeker! riepen ze.Toen begonnen zij allen samen te schelden, sprekende van Onze-Lieve-Vrouwe:—Maaiken heeft een schoon kleed! Maaiken heeft een schoone kroon! Ik zal ze geven aan eene loddege van mijne kennis.Zij gingen buiten, terwijl een onverlaat den predikstoel beklom om er zotte reden te houden, en zij kwamen terug, roepende:—Kom beneden, Maaiken, of wij komen u halen. Doe een mirakel, toon nu eens dat gij kunt loopen, in stee van u laten dragen!Maar Uilenspiegel riep te vergeefs: Rampzaligen, houdt op met uw geschimp; alle plundering is misdaad! Zij gingen voort met hunne heiligschendende taal en spraken zelfs van het koor binnen te breken en Maaiken beneden te halen.Daarop smeet een oude vrouw, die keersen verkocht in de kerk, hun de assche van haren vuurpot in het gezicht; maar zij werd geslagen en ten gronde gestampt, en daarna herbegon het geweld.De markgraaf kwam in de kerk met zijne hellebaardiers. Toen hij het volk samengeschoold zag, spoorde hij het aan de kerk te verlaten, maar zoo weinig krachtdadig, dat slechts enkelen henen gingen; de anderen spraken:—Eerst moeten de kanunniken de vespers zingen, ter eere van Maaiken.De markgraaf sprak:—Er wordt niet gezongen.—Dan zullen we zelven zingen was het antwoord.Zoo deden zij in de zijbeuken en omtrent het portaal van de kerk. Eenigen speelden met den bal en hinkelden met steentjes over den vloer en zeiden: „Maaiken, nimmer speelt gij in het hemelrijk, en gij verveelt u: kom spelen met ons”.En onophoudelijk hoonden zij het beeld, riepen, huilden en floten.De markgraaf gebaarde bang te zijn en ging henen. Hij deed de deuren sluiten behalve ééne.En hoewel het gemeen er zich niet mee bemoeide, werden de galgenazen stoutmoediger en riepen zij nog luider. Het gewelf weergalmde als onder ’t gebulder van kanonnen.Op den predikstoel klom er toen een. Hij scheen gezag te hebben; met een gebaar deed hij allen zwijgen, en hij begon te preeken:„In den naam des Vaders, des Zoons en des Heiligen Geestes,drie zijn één en één is drie; God beware ons in ’t hemelrijk van dergelijke cijferkunde; op heden, vijftienden van de Oogstmaand, is Maaiken met heur schoonste kleeren in triomf uitgegaan om haar houten gezicht te toonen aan alle signoorkens en pagadders van de goede stad Antwerpen. Maar onderwege in den ommegang, is Maaiken den duivel Satan tegengekomen en Satan sprak lachend tot haar: „Zijt gij nu te fier om den armen pagadder Satan goeden dag te zeggen, omdat gij gekleed zijt als eene koningin, en gij gedragen wordt door vier signoren?” En Maaiken antwoordde: „Gaat van hier, Satan, of ik verbrijzel u nogmaals den kop!” „Maaiken, dat doet gij nu reeds vijftienhonderd jaar, maar de Geest van den Heer uwen meester heeft mij verlost. Ik ben sterker dan gij; gij zult mij op den kop niet meer trappen, en nu ga ik u een dansken leeren. Satan nam een duchtige lederen zweep en begon er mee te kletsen op Maaiken, die niet dorst schreeuwen om niet te laten zien dat ze bang was; en toen is ze op den loop gegaan en deed zij de signoorkens die haar droegen insgelijks loopen, opdat ze met heur gouden kroon en rijke juweelen niet onder ’t arme gemeene volk zou vallen. En nu zit Maaiken koes en bevend in heur kot, te kijken naar Satan, die daar omhoog op gindsche zuil zit, met de zweep in de hand, en grijnslachend zegt: „Ik zal u het bloed en de tranen betaald zetten, die vloeiden in uwen naam! Maaiken, hoe is ’t met uwe onbevlektheid? Ge moet rijden! We gaan u aan stukken slaan, leelijk houten beeld dat ge zijt, voor al de beelden van vleesch en beenderen, die in uwen naam genadeloos verbrand, gehangen en levend begraven werden.” Aldus sprak Satan, en hij had gelijk. En gij moet beneden, wreedaardig, bloeddorstig Maaiken, want gij geleekt geenszins op uwen zoon Christus.En heel de menigte handlangers riep en tierde en huilde: „Maaiken! Maaiken, gij moet rijden! Maakt gij nu uw hemd nat van schrik? Weg met de houten heiligen! Laat heur een bad in de Schelde nemen! Hout drijft toch boven!”Het volk aanhoorde hen zonder iets te zeggen.Doch Uilenspiegel klom op den predikstoel, stampte met geweld den spreker van de trappen en zei tot het volk:—Dwazen, onnoozele dwazen, ziet gij dan niet verder dan uw neus lang is? Begrijpt gij dan niet, dat dit alles verraderswerk is? Zij willen u tot heiligschenners en tot beeldbrekers maken, om u tot muiters te kunnen verklaren, uwe kisten teledigen, u te onthalzen en levend te verbranden! En de koning zal erven! Signoorkens en pagadders, hecht geen geloof aan de woorden dier bewerkers van rampspoed: laat Onze-Lieve-Vrouw in heure nis, leeft kloekmoedig, werkt blijgezind en geniet van uwe winsten en profijten. De zwarte duivel des rampspoeds heeft u in ’t oog, en ’t is door plundering en vernieling, dat hij het vijandelijke leger zal roepen om u als rebellen te behandelen en Alva over u te doen regeeren door dictatuur, inquisitie, verbeurdverklaring en dood!... En hij zal erven!—Laas, sprak Lamme, plundert niet, signoorkens en pagadders; de koning is al kwaad genoeg. De dochter van de borduurster heeft het tot mijn vriend Uilenspiegel gezegd. Plundert niet, mijne heeren!Maar het gemeen kon hen niet hooren.De handlangers riepen:—Ze moet beneden! In de Schelde, de houten heiligen. Hout drijft toch boven!Uilenspiegel klampte zich aan den preekstoel vast en riep tevergeefs:—Signoorkens en pagadders, duldt de plundering niet! Brengt uwe stad niet ten onder!En hij werd weggerukt met gekwetst gelaat, wambuis en hoos gescheurd, hoewel hij zich dapper verweerde met vuisten en voeten. En heel bebloed, hield hij niet op te roepen:—Duldt de plundering niet!Maar het was te vergeefs.De onbekenden en het grauw van de stad liepen tegen het hek van het koor aan, hetwelk zij braken al roepend:—Vive le geus!Allen begonnen te breken, te plunderen, te vernielen. Vóór middernacht was die groote kerk, in dewelke zeventig autaren, allerhande schoone schilderijen en kostbaarheden waren, teenemaal ledig. De autaren werden aan stukken geslagen, de beelden werden van hunne pedestalen getrokken, uit hunne nissen gerukt, op den vloer geworpen en met hamers verbrijzeld en de gewijde olie tot schoensmeer gebezigd. Toen er niets meer te breken viel, trok de bende naar de Minderbroeders, De Franciscanen, Sint-Pieters, Sint-Andries, Sint-Jacobs, Sint-Joris, Sint-Michiels, de Peterpotkerk, den Burcht, het Fawkensklooster, de Witte Zusters, de Grijze Zusters, de Predikheeren en al dekerken en kapellen van de stad, om er te werk te gaan als in Onze-Lieve-Vrouwe. Zij namen waskeersen en flambouwen en liepen er mee overal rond.En onder hen was geen getwist nog krakeel; geen hunner werd gekwetst in die groote afbraak van steen, van hout en andere stoffen.Zij trokken naar den-Haag, om er de beelden en autaren weg te nemen; doch daar noch elders verleenden de protestanten hun hulp.In den-Haag vroeg de magistraat hun, waar hunne lastgeving was.—Hier, sprak een hunner, en hij sloeg op zijn hert.—Hoort gij, signoorkens en pagadders? Hunne lastgeving! sprak Uilenspiegel, die het feit vernomen had. Er is dus iemand, die hun last geeft het werk van heiligschenners te doen! Als een dief mijne hut binnendringt, zal ik doen als de magistraat van den-Haag, en zal ik, mijn hoedeken afnemend, vragen: Lieve schelm, beminnelijke dieper, eerbiedweerdige roover, waar is uwe lastgeving? Hij zal wijzen naar zijn hert, dat dorst naar mijne have. En ik zal hem al mijne sleutels ter hand stellen! Zoekt, zoekt wien de plundering baat. Mistrouwt den Rooden Hond; de misdaad is begaan, de beteugeling zal volgen. Mistrouwt den Rooden Hond! Het groote steenen kruisbeeld is aan stukken geslagen. Mistrouwt den Rooden Hond!Toen Uilenspiegel vernam dat de Groote Raad van Mechelen, door den mond van zijnen voorzitter Viglius, geboden had den beeldenstorm geenerlei verzet te bieden, sprak hij:—Laas! de oogst is rijp voor de Spaansche maaiers. De hertog! de hertog nadert! Vlamingen, de zee, de zee der wrake wast. Arme vrouwen en meidekens, vlucht den put. Arme mannen, vlucht de galg, het vuur en het zweerd! Philippus wil het bloedig werk van keizer Karel voltooien. De vader zaaide dood en ballingschap; de zoon heeft gezworen, dat hij liever over een kerkhof dan over een kettervolk heerscht. Vlucht, daar zijn de beul en de grafmakers.Het volk luisterde naar Uilenspiegel, en honderden gezinnen verlieten de steden, en de wegen waren vervuld met karren vol huisraad van allen die in ballingschap gingen.En Uilenspiegel ging overal, gevolgd door Lamme, die jammerend zocht naar zijne vrouw.En te Damme weende Nele bij de uitzinnige Katelijne.
XV.Op 15 der Oogstmaand, den grooten dag van Maria en van de wijding van kruiden en wortelen, wanneer de hennen, volgepropt met graan, doof blijven voor ’t geroep van den haan, werd aan eene der poorten van Antwerpen, een groot steenen kruisbeeld aan stukken geslagen door een Italiaan, in dienst van Granvelle. ’s Zondags nadien ging de ommegang van Onze-Lieve Vrouwekerk uit, voorafgegaan door groene, gele en roode narren.Maar het Mariabeeld werd onderwege gehoond door rapaille, dat riep: „Maaiken, de uitdraagster, dit is uw laatste feestdag, want men zal haast met u mosselen zieden”; het beeld werd ijlings in ’t koor van de kerk teruggebracht.Uilenspiegel en Lamme gingen Onze-Lieve-Vrouwekerk binnen. Havelooze, in lompen gehulde jongelieden en ook eenige volwassenen, elkeen onbekend, stonden vóór het koor tot malkander zekere teekenen en gebaren te maken. Zij maakten veel gerucht met voeten en tongen. Niemand had ze ooit in Antwerpen gezien, of zag ze later ooit weer. Een hunner, met een bruin gezicht als een verbrande ajuin, vroeg of Maaiken—dat was Maria—bang was, daar ze zoo ijlings terug in de kerk kwam.—’t Is toch niet voor u dat ze bang is, leelijke moor, antwoordde Uilenspiegel.De jonge schoelje, tot wien hij sprak, kwam op hem af om hem te slaan, maar Uilenspiegel nam hem bij den kraag en sprak:—Als gij durft slaan, doe ik u uwe tong uitspuwen.Zich vervolgens tot eenige Antwerpsche vrienden wendend, die daar waren, zeide hij:—Signoorkens en pagadders (naar de havelooze kerels wijzend), betrouwt ze niet, ’t zijn valsche Vlamingen, lafaards en verraders, die betaald zijn om ons in kwaad, in ellende en in rampspoed te lokken.Vervolgens tot het geboefte sprekend, zeide hij:—Hewel, ezelskoppen, die uittdroogt van armoe, vanwaar haalt gij het geld, dat thans in uwe beurze rinkelt? Hebt gij soms nu reeds uw vel verkocht om er trommelen van te maken?—Beziet eens dien preeker! riepen ze.Toen begonnen zij allen samen te schelden, sprekende van Onze-Lieve-Vrouwe:—Maaiken heeft een schoon kleed! Maaiken heeft een schoone kroon! Ik zal ze geven aan eene loddege van mijne kennis.Zij gingen buiten, terwijl een onverlaat den predikstoel beklom om er zotte reden te houden, en zij kwamen terug, roepende:—Kom beneden, Maaiken, of wij komen u halen. Doe een mirakel, toon nu eens dat gij kunt loopen, in stee van u laten dragen!Maar Uilenspiegel riep te vergeefs: Rampzaligen, houdt op met uw geschimp; alle plundering is misdaad! Zij gingen voort met hunne heiligschendende taal en spraken zelfs van het koor binnen te breken en Maaiken beneden te halen.Daarop smeet een oude vrouw, die keersen verkocht in de kerk, hun de assche van haren vuurpot in het gezicht; maar zij werd geslagen en ten gronde gestampt, en daarna herbegon het geweld.De markgraaf kwam in de kerk met zijne hellebaardiers. Toen hij het volk samengeschoold zag, spoorde hij het aan de kerk te verlaten, maar zoo weinig krachtdadig, dat slechts enkelen henen gingen; de anderen spraken:—Eerst moeten de kanunniken de vespers zingen, ter eere van Maaiken.De markgraaf sprak:—Er wordt niet gezongen.—Dan zullen we zelven zingen was het antwoord.Zoo deden zij in de zijbeuken en omtrent het portaal van de kerk. Eenigen speelden met den bal en hinkelden met steentjes over den vloer en zeiden: „Maaiken, nimmer speelt gij in het hemelrijk, en gij verveelt u: kom spelen met ons”.En onophoudelijk hoonden zij het beeld, riepen, huilden en floten.De markgraaf gebaarde bang te zijn en ging henen. Hij deed de deuren sluiten behalve ééne.En hoewel het gemeen er zich niet mee bemoeide, werden de galgenazen stoutmoediger en riepen zij nog luider. Het gewelf weergalmde als onder ’t gebulder van kanonnen.Op den predikstoel klom er toen een. Hij scheen gezag te hebben; met een gebaar deed hij allen zwijgen, en hij begon te preeken:„In den naam des Vaders, des Zoons en des Heiligen Geestes,drie zijn één en één is drie; God beware ons in ’t hemelrijk van dergelijke cijferkunde; op heden, vijftienden van de Oogstmaand, is Maaiken met heur schoonste kleeren in triomf uitgegaan om haar houten gezicht te toonen aan alle signoorkens en pagadders van de goede stad Antwerpen. Maar onderwege in den ommegang, is Maaiken den duivel Satan tegengekomen en Satan sprak lachend tot haar: „Zijt gij nu te fier om den armen pagadder Satan goeden dag te zeggen, omdat gij gekleed zijt als eene koningin, en gij gedragen wordt door vier signoren?” En Maaiken antwoordde: „Gaat van hier, Satan, of ik verbrijzel u nogmaals den kop!” „Maaiken, dat doet gij nu reeds vijftienhonderd jaar, maar de Geest van den Heer uwen meester heeft mij verlost. Ik ben sterker dan gij; gij zult mij op den kop niet meer trappen, en nu ga ik u een dansken leeren. Satan nam een duchtige lederen zweep en begon er mee te kletsen op Maaiken, die niet dorst schreeuwen om niet te laten zien dat ze bang was; en toen is ze op den loop gegaan en deed zij de signoorkens die haar droegen insgelijks loopen, opdat ze met heur gouden kroon en rijke juweelen niet onder ’t arme gemeene volk zou vallen. En nu zit Maaiken koes en bevend in heur kot, te kijken naar Satan, die daar omhoog op gindsche zuil zit, met de zweep in de hand, en grijnslachend zegt: „Ik zal u het bloed en de tranen betaald zetten, die vloeiden in uwen naam! Maaiken, hoe is ’t met uwe onbevlektheid? Ge moet rijden! We gaan u aan stukken slaan, leelijk houten beeld dat ge zijt, voor al de beelden van vleesch en beenderen, die in uwen naam genadeloos verbrand, gehangen en levend begraven werden.” Aldus sprak Satan, en hij had gelijk. En gij moet beneden, wreedaardig, bloeddorstig Maaiken, want gij geleekt geenszins op uwen zoon Christus.En heel de menigte handlangers riep en tierde en huilde: „Maaiken! Maaiken, gij moet rijden! Maakt gij nu uw hemd nat van schrik? Weg met de houten heiligen! Laat heur een bad in de Schelde nemen! Hout drijft toch boven!”Het volk aanhoorde hen zonder iets te zeggen.Doch Uilenspiegel klom op den predikstoel, stampte met geweld den spreker van de trappen en zei tot het volk:—Dwazen, onnoozele dwazen, ziet gij dan niet verder dan uw neus lang is? Begrijpt gij dan niet, dat dit alles verraderswerk is? Zij willen u tot heiligschenners en tot beeldbrekers maken, om u tot muiters te kunnen verklaren, uwe kisten teledigen, u te onthalzen en levend te verbranden! En de koning zal erven! Signoorkens en pagadders, hecht geen geloof aan de woorden dier bewerkers van rampspoed: laat Onze-Lieve-Vrouw in heure nis, leeft kloekmoedig, werkt blijgezind en geniet van uwe winsten en profijten. De zwarte duivel des rampspoeds heeft u in ’t oog, en ’t is door plundering en vernieling, dat hij het vijandelijke leger zal roepen om u als rebellen te behandelen en Alva over u te doen regeeren door dictatuur, inquisitie, verbeurdverklaring en dood!... En hij zal erven!—Laas, sprak Lamme, plundert niet, signoorkens en pagadders; de koning is al kwaad genoeg. De dochter van de borduurster heeft het tot mijn vriend Uilenspiegel gezegd. Plundert niet, mijne heeren!Maar het gemeen kon hen niet hooren.De handlangers riepen:—Ze moet beneden! In de Schelde, de houten heiligen. Hout drijft toch boven!Uilenspiegel klampte zich aan den preekstoel vast en riep tevergeefs:—Signoorkens en pagadders, duldt de plundering niet! Brengt uwe stad niet ten onder!En hij werd weggerukt met gekwetst gelaat, wambuis en hoos gescheurd, hoewel hij zich dapper verweerde met vuisten en voeten. En heel bebloed, hield hij niet op te roepen:—Duldt de plundering niet!Maar het was te vergeefs.De onbekenden en het grauw van de stad liepen tegen het hek van het koor aan, hetwelk zij braken al roepend:—Vive le geus!Allen begonnen te breken, te plunderen, te vernielen. Vóór middernacht was die groote kerk, in dewelke zeventig autaren, allerhande schoone schilderijen en kostbaarheden waren, teenemaal ledig. De autaren werden aan stukken geslagen, de beelden werden van hunne pedestalen getrokken, uit hunne nissen gerukt, op den vloer geworpen en met hamers verbrijzeld en de gewijde olie tot schoensmeer gebezigd. Toen er niets meer te breken viel, trok de bende naar de Minderbroeders, De Franciscanen, Sint-Pieters, Sint-Andries, Sint-Jacobs, Sint-Joris, Sint-Michiels, de Peterpotkerk, den Burcht, het Fawkensklooster, de Witte Zusters, de Grijze Zusters, de Predikheeren en al dekerken en kapellen van de stad, om er te werk te gaan als in Onze-Lieve-Vrouwe. Zij namen waskeersen en flambouwen en liepen er mee overal rond.En onder hen was geen getwist nog krakeel; geen hunner werd gekwetst in die groote afbraak van steen, van hout en andere stoffen.Zij trokken naar den-Haag, om er de beelden en autaren weg te nemen; doch daar noch elders verleenden de protestanten hun hulp.In den-Haag vroeg de magistraat hun, waar hunne lastgeving was.—Hier, sprak een hunner, en hij sloeg op zijn hert.—Hoort gij, signoorkens en pagadders? Hunne lastgeving! sprak Uilenspiegel, die het feit vernomen had. Er is dus iemand, die hun last geeft het werk van heiligschenners te doen! Als een dief mijne hut binnendringt, zal ik doen als de magistraat van den-Haag, en zal ik, mijn hoedeken afnemend, vragen: Lieve schelm, beminnelijke dieper, eerbiedweerdige roover, waar is uwe lastgeving? Hij zal wijzen naar zijn hert, dat dorst naar mijne have. En ik zal hem al mijne sleutels ter hand stellen! Zoekt, zoekt wien de plundering baat. Mistrouwt den Rooden Hond; de misdaad is begaan, de beteugeling zal volgen. Mistrouwt den Rooden Hond! Het groote steenen kruisbeeld is aan stukken geslagen. Mistrouwt den Rooden Hond!Toen Uilenspiegel vernam dat de Groote Raad van Mechelen, door den mond van zijnen voorzitter Viglius, geboden had den beeldenstorm geenerlei verzet te bieden, sprak hij:—Laas! de oogst is rijp voor de Spaansche maaiers. De hertog! de hertog nadert! Vlamingen, de zee, de zee der wrake wast. Arme vrouwen en meidekens, vlucht den put. Arme mannen, vlucht de galg, het vuur en het zweerd! Philippus wil het bloedig werk van keizer Karel voltooien. De vader zaaide dood en ballingschap; de zoon heeft gezworen, dat hij liever over een kerkhof dan over een kettervolk heerscht. Vlucht, daar zijn de beul en de grafmakers.Het volk luisterde naar Uilenspiegel, en honderden gezinnen verlieten de steden, en de wegen waren vervuld met karren vol huisraad van allen die in ballingschap gingen.En Uilenspiegel ging overal, gevolgd door Lamme, die jammerend zocht naar zijne vrouw.En te Damme weende Nele bij de uitzinnige Katelijne.
XV.
Op 15 der Oogstmaand, den grooten dag van Maria en van de wijding van kruiden en wortelen, wanneer de hennen, volgepropt met graan, doof blijven voor ’t geroep van den haan, werd aan eene der poorten van Antwerpen, een groot steenen kruisbeeld aan stukken geslagen door een Italiaan, in dienst van Granvelle. ’s Zondags nadien ging de ommegang van Onze-Lieve Vrouwekerk uit, voorafgegaan door groene, gele en roode narren.Maar het Mariabeeld werd onderwege gehoond door rapaille, dat riep: „Maaiken, de uitdraagster, dit is uw laatste feestdag, want men zal haast met u mosselen zieden”; het beeld werd ijlings in ’t koor van de kerk teruggebracht.Uilenspiegel en Lamme gingen Onze-Lieve-Vrouwekerk binnen. Havelooze, in lompen gehulde jongelieden en ook eenige volwassenen, elkeen onbekend, stonden vóór het koor tot malkander zekere teekenen en gebaren te maken. Zij maakten veel gerucht met voeten en tongen. Niemand had ze ooit in Antwerpen gezien, of zag ze later ooit weer. Een hunner, met een bruin gezicht als een verbrande ajuin, vroeg of Maaiken—dat was Maria—bang was, daar ze zoo ijlings terug in de kerk kwam.—’t Is toch niet voor u dat ze bang is, leelijke moor, antwoordde Uilenspiegel.De jonge schoelje, tot wien hij sprak, kwam op hem af om hem te slaan, maar Uilenspiegel nam hem bij den kraag en sprak:—Als gij durft slaan, doe ik u uwe tong uitspuwen.Zich vervolgens tot eenige Antwerpsche vrienden wendend, die daar waren, zeide hij:—Signoorkens en pagadders (naar de havelooze kerels wijzend), betrouwt ze niet, ’t zijn valsche Vlamingen, lafaards en verraders, die betaald zijn om ons in kwaad, in ellende en in rampspoed te lokken.Vervolgens tot het geboefte sprekend, zeide hij:—Hewel, ezelskoppen, die uittdroogt van armoe, vanwaar haalt gij het geld, dat thans in uwe beurze rinkelt? Hebt gij soms nu reeds uw vel verkocht om er trommelen van te maken?—Beziet eens dien preeker! riepen ze.Toen begonnen zij allen samen te schelden, sprekende van Onze-Lieve-Vrouwe:—Maaiken heeft een schoon kleed! Maaiken heeft een schoone kroon! Ik zal ze geven aan eene loddege van mijne kennis.Zij gingen buiten, terwijl een onverlaat den predikstoel beklom om er zotte reden te houden, en zij kwamen terug, roepende:—Kom beneden, Maaiken, of wij komen u halen. Doe een mirakel, toon nu eens dat gij kunt loopen, in stee van u laten dragen!Maar Uilenspiegel riep te vergeefs: Rampzaligen, houdt op met uw geschimp; alle plundering is misdaad! Zij gingen voort met hunne heiligschendende taal en spraken zelfs van het koor binnen te breken en Maaiken beneden te halen.Daarop smeet een oude vrouw, die keersen verkocht in de kerk, hun de assche van haren vuurpot in het gezicht; maar zij werd geslagen en ten gronde gestampt, en daarna herbegon het geweld.De markgraaf kwam in de kerk met zijne hellebaardiers. Toen hij het volk samengeschoold zag, spoorde hij het aan de kerk te verlaten, maar zoo weinig krachtdadig, dat slechts enkelen henen gingen; de anderen spraken:—Eerst moeten de kanunniken de vespers zingen, ter eere van Maaiken.De markgraaf sprak:—Er wordt niet gezongen.—Dan zullen we zelven zingen was het antwoord.Zoo deden zij in de zijbeuken en omtrent het portaal van de kerk. Eenigen speelden met den bal en hinkelden met steentjes over den vloer en zeiden: „Maaiken, nimmer speelt gij in het hemelrijk, en gij verveelt u: kom spelen met ons”.En onophoudelijk hoonden zij het beeld, riepen, huilden en floten.De markgraaf gebaarde bang te zijn en ging henen. Hij deed de deuren sluiten behalve ééne.En hoewel het gemeen er zich niet mee bemoeide, werden de galgenazen stoutmoediger en riepen zij nog luider. Het gewelf weergalmde als onder ’t gebulder van kanonnen.Op den predikstoel klom er toen een. Hij scheen gezag te hebben; met een gebaar deed hij allen zwijgen, en hij begon te preeken:„In den naam des Vaders, des Zoons en des Heiligen Geestes,drie zijn één en één is drie; God beware ons in ’t hemelrijk van dergelijke cijferkunde; op heden, vijftienden van de Oogstmaand, is Maaiken met heur schoonste kleeren in triomf uitgegaan om haar houten gezicht te toonen aan alle signoorkens en pagadders van de goede stad Antwerpen. Maar onderwege in den ommegang, is Maaiken den duivel Satan tegengekomen en Satan sprak lachend tot haar: „Zijt gij nu te fier om den armen pagadder Satan goeden dag te zeggen, omdat gij gekleed zijt als eene koningin, en gij gedragen wordt door vier signoren?” En Maaiken antwoordde: „Gaat van hier, Satan, of ik verbrijzel u nogmaals den kop!” „Maaiken, dat doet gij nu reeds vijftienhonderd jaar, maar de Geest van den Heer uwen meester heeft mij verlost. Ik ben sterker dan gij; gij zult mij op den kop niet meer trappen, en nu ga ik u een dansken leeren. Satan nam een duchtige lederen zweep en begon er mee te kletsen op Maaiken, die niet dorst schreeuwen om niet te laten zien dat ze bang was; en toen is ze op den loop gegaan en deed zij de signoorkens die haar droegen insgelijks loopen, opdat ze met heur gouden kroon en rijke juweelen niet onder ’t arme gemeene volk zou vallen. En nu zit Maaiken koes en bevend in heur kot, te kijken naar Satan, die daar omhoog op gindsche zuil zit, met de zweep in de hand, en grijnslachend zegt: „Ik zal u het bloed en de tranen betaald zetten, die vloeiden in uwen naam! Maaiken, hoe is ’t met uwe onbevlektheid? Ge moet rijden! We gaan u aan stukken slaan, leelijk houten beeld dat ge zijt, voor al de beelden van vleesch en beenderen, die in uwen naam genadeloos verbrand, gehangen en levend begraven werden.” Aldus sprak Satan, en hij had gelijk. En gij moet beneden, wreedaardig, bloeddorstig Maaiken, want gij geleekt geenszins op uwen zoon Christus.En heel de menigte handlangers riep en tierde en huilde: „Maaiken! Maaiken, gij moet rijden! Maakt gij nu uw hemd nat van schrik? Weg met de houten heiligen! Laat heur een bad in de Schelde nemen! Hout drijft toch boven!”Het volk aanhoorde hen zonder iets te zeggen.Doch Uilenspiegel klom op den predikstoel, stampte met geweld den spreker van de trappen en zei tot het volk:—Dwazen, onnoozele dwazen, ziet gij dan niet verder dan uw neus lang is? Begrijpt gij dan niet, dat dit alles verraderswerk is? Zij willen u tot heiligschenners en tot beeldbrekers maken, om u tot muiters te kunnen verklaren, uwe kisten teledigen, u te onthalzen en levend te verbranden! En de koning zal erven! Signoorkens en pagadders, hecht geen geloof aan de woorden dier bewerkers van rampspoed: laat Onze-Lieve-Vrouw in heure nis, leeft kloekmoedig, werkt blijgezind en geniet van uwe winsten en profijten. De zwarte duivel des rampspoeds heeft u in ’t oog, en ’t is door plundering en vernieling, dat hij het vijandelijke leger zal roepen om u als rebellen te behandelen en Alva over u te doen regeeren door dictatuur, inquisitie, verbeurdverklaring en dood!... En hij zal erven!—Laas, sprak Lamme, plundert niet, signoorkens en pagadders; de koning is al kwaad genoeg. De dochter van de borduurster heeft het tot mijn vriend Uilenspiegel gezegd. Plundert niet, mijne heeren!Maar het gemeen kon hen niet hooren.De handlangers riepen:—Ze moet beneden! In de Schelde, de houten heiligen. Hout drijft toch boven!Uilenspiegel klampte zich aan den preekstoel vast en riep tevergeefs:—Signoorkens en pagadders, duldt de plundering niet! Brengt uwe stad niet ten onder!En hij werd weggerukt met gekwetst gelaat, wambuis en hoos gescheurd, hoewel hij zich dapper verweerde met vuisten en voeten. En heel bebloed, hield hij niet op te roepen:—Duldt de plundering niet!Maar het was te vergeefs.De onbekenden en het grauw van de stad liepen tegen het hek van het koor aan, hetwelk zij braken al roepend:—Vive le geus!Allen begonnen te breken, te plunderen, te vernielen. Vóór middernacht was die groote kerk, in dewelke zeventig autaren, allerhande schoone schilderijen en kostbaarheden waren, teenemaal ledig. De autaren werden aan stukken geslagen, de beelden werden van hunne pedestalen getrokken, uit hunne nissen gerukt, op den vloer geworpen en met hamers verbrijzeld en de gewijde olie tot schoensmeer gebezigd. Toen er niets meer te breken viel, trok de bende naar de Minderbroeders, De Franciscanen, Sint-Pieters, Sint-Andries, Sint-Jacobs, Sint-Joris, Sint-Michiels, de Peterpotkerk, den Burcht, het Fawkensklooster, de Witte Zusters, de Grijze Zusters, de Predikheeren en al dekerken en kapellen van de stad, om er te werk te gaan als in Onze-Lieve-Vrouwe. Zij namen waskeersen en flambouwen en liepen er mee overal rond.En onder hen was geen getwist nog krakeel; geen hunner werd gekwetst in die groote afbraak van steen, van hout en andere stoffen.Zij trokken naar den-Haag, om er de beelden en autaren weg te nemen; doch daar noch elders verleenden de protestanten hun hulp.In den-Haag vroeg de magistraat hun, waar hunne lastgeving was.—Hier, sprak een hunner, en hij sloeg op zijn hert.—Hoort gij, signoorkens en pagadders? Hunne lastgeving! sprak Uilenspiegel, die het feit vernomen had. Er is dus iemand, die hun last geeft het werk van heiligschenners te doen! Als een dief mijne hut binnendringt, zal ik doen als de magistraat van den-Haag, en zal ik, mijn hoedeken afnemend, vragen: Lieve schelm, beminnelijke dieper, eerbiedweerdige roover, waar is uwe lastgeving? Hij zal wijzen naar zijn hert, dat dorst naar mijne have. En ik zal hem al mijne sleutels ter hand stellen! Zoekt, zoekt wien de plundering baat. Mistrouwt den Rooden Hond; de misdaad is begaan, de beteugeling zal volgen. Mistrouwt den Rooden Hond! Het groote steenen kruisbeeld is aan stukken geslagen. Mistrouwt den Rooden Hond!Toen Uilenspiegel vernam dat de Groote Raad van Mechelen, door den mond van zijnen voorzitter Viglius, geboden had den beeldenstorm geenerlei verzet te bieden, sprak hij:—Laas! de oogst is rijp voor de Spaansche maaiers. De hertog! de hertog nadert! Vlamingen, de zee, de zee der wrake wast. Arme vrouwen en meidekens, vlucht den put. Arme mannen, vlucht de galg, het vuur en het zweerd! Philippus wil het bloedig werk van keizer Karel voltooien. De vader zaaide dood en ballingschap; de zoon heeft gezworen, dat hij liever over een kerkhof dan over een kettervolk heerscht. Vlucht, daar zijn de beul en de grafmakers.Het volk luisterde naar Uilenspiegel, en honderden gezinnen verlieten de steden, en de wegen waren vervuld met karren vol huisraad van allen die in ballingschap gingen.En Uilenspiegel ging overal, gevolgd door Lamme, die jammerend zocht naar zijne vrouw.En te Damme weende Nele bij de uitzinnige Katelijne.
Op 15 der Oogstmaand, den grooten dag van Maria en van de wijding van kruiden en wortelen, wanneer de hennen, volgepropt met graan, doof blijven voor ’t geroep van den haan, werd aan eene der poorten van Antwerpen, een groot steenen kruisbeeld aan stukken geslagen door een Italiaan, in dienst van Granvelle. ’s Zondags nadien ging de ommegang van Onze-Lieve Vrouwekerk uit, voorafgegaan door groene, gele en roode narren.
Maar het Mariabeeld werd onderwege gehoond door rapaille, dat riep: „Maaiken, de uitdraagster, dit is uw laatste feestdag, want men zal haast met u mosselen zieden”; het beeld werd ijlings in ’t koor van de kerk teruggebracht.
Uilenspiegel en Lamme gingen Onze-Lieve-Vrouwekerk binnen. Havelooze, in lompen gehulde jongelieden en ook eenige volwassenen, elkeen onbekend, stonden vóór het koor tot malkander zekere teekenen en gebaren te maken. Zij maakten veel gerucht met voeten en tongen. Niemand had ze ooit in Antwerpen gezien, of zag ze later ooit weer. Een hunner, met een bruin gezicht als een verbrande ajuin, vroeg of Maaiken—dat was Maria—bang was, daar ze zoo ijlings terug in de kerk kwam.
—’t Is toch niet voor u dat ze bang is, leelijke moor, antwoordde Uilenspiegel.
De jonge schoelje, tot wien hij sprak, kwam op hem af om hem te slaan, maar Uilenspiegel nam hem bij den kraag en sprak:
—Als gij durft slaan, doe ik u uwe tong uitspuwen.
Zich vervolgens tot eenige Antwerpsche vrienden wendend, die daar waren, zeide hij:
—Signoorkens en pagadders (naar de havelooze kerels wijzend), betrouwt ze niet, ’t zijn valsche Vlamingen, lafaards en verraders, die betaald zijn om ons in kwaad, in ellende en in rampspoed te lokken.
Vervolgens tot het geboefte sprekend, zeide hij:
—Hewel, ezelskoppen, die uittdroogt van armoe, vanwaar haalt gij het geld, dat thans in uwe beurze rinkelt? Hebt gij soms nu reeds uw vel verkocht om er trommelen van te maken?
—Beziet eens dien preeker! riepen ze.
Toen begonnen zij allen samen te schelden, sprekende van Onze-Lieve-Vrouwe:
—Maaiken heeft een schoon kleed! Maaiken heeft een schoone kroon! Ik zal ze geven aan eene loddege van mijne kennis.
Zij gingen buiten, terwijl een onverlaat den predikstoel beklom om er zotte reden te houden, en zij kwamen terug, roepende:
—Kom beneden, Maaiken, of wij komen u halen. Doe een mirakel, toon nu eens dat gij kunt loopen, in stee van u laten dragen!
Maar Uilenspiegel riep te vergeefs: Rampzaligen, houdt op met uw geschimp; alle plundering is misdaad! Zij gingen voort met hunne heiligschendende taal en spraken zelfs van het koor binnen te breken en Maaiken beneden te halen.
Daarop smeet een oude vrouw, die keersen verkocht in de kerk, hun de assche van haren vuurpot in het gezicht; maar zij werd geslagen en ten gronde gestampt, en daarna herbegon het geweld.
De markgraaf kwam in de kerk met zijne hellebaardiers. Toen hij het volk samengeschoold zag, spoorde hij het aan de kerk te verlaten, maar zoo weinig krachtdadig, dat slechts enkelen henen gingen; de anderen spraken:
—Eerst moeten de kanunniken de vespers zingen, ter eere van Maaiken.
De markgraaf sprak:
—Er wordt niet gezongen.
—Dan zullen we zelven zingen was het antwoord.
Zoo deden zij in de zijbeuken en omtrent het portaal van de kerk. Eenigen speelden met den bal en hinkelden met steentjes over den vloer en zeiden: „Maaiken, nimmer speelt gij in het hemelrijk, en gij verveelt u: kom spelen met ons”.
En onophoudelijk hoonden zij het beeld, riepen, huilden en floten.
De markgraaf gebaarde bang te zijn en ging henen. Hij deed de deuren sluiten behalve ééne.
En hoewel het gemeen er zich niet mee bemoeide, werden de galgenazen stoutmoediger en riepen zij nog luider. Het gewelf weergalmde als onder ’t gebulder van kanonnen.
Op den predikstoel klom er toen een. Hij scheen gezag te hebben; met een gebaar deed hij allen zwijgen, en hij begon te preeken:
„In den naam des Vaders, des Zoons en des Heiligen Geestes,drie zijn één en één is drie; God beware ons in ’t hemelrijk van dergelijke cijferkunde; op heden, vijftienden van de Oogstmaand, is Maaiken met heur schoonste kleeren in triomf uitgegaan om haar houten gezicht te toonen aan alle signoorkens en pagadders van de goede stad Antwerpen. Maar onderwege in den ommegang, is Maaiken den duivel Satan tegengekomen en Satan sprak lachend tot haar: „Zijt gij nu te fier om den armen pagadder Satan goeden dag te zeggen, omdat gij gekleed zijt als eene koningin, en gij gedragen wordt door vier signoren?” En Maaiken antwoordde: „Gaat van hier, Satan, of ik verbrijzel u nogmaals den kop!” „Maaiken, dat doet gij nu reeds vijftienhonderd jaar, maar de Geest van den Heer uwen meester heeft mij verlost. Ik ben sterker dan gij; gij zult mij op den kop niet meer trappen, en nu ga ik u een dansken leeren. Satan nam een duchtige lederen zweep en begon er mee te kletsen op Maaiken, die niet dorst schreeuwen om niet te laten zien dat ze bang was; en toen is ze op den loop gegaan en deed zij de signoorkens die haar droegen insgelijks loopen, opdat ze met heur gouden kroon en rijke juweelen niet onder ’t arme gemeene volk zou vallen. En nu zit Maaiken koes en bevend in heur kot, te kijken naar Satan, die daar omhoog op gindsche zuil zit, met de zweep in de hand, en grijnslachend zegt: „Ik zal u het bloed en de tranen betaald zetten, die vloeiden in uwen naam! Maaiken, hoe is ’t met uwe onbevlektheid? Ge moet rijden! We gaan u aan stukken slaan, leelijk houten beeld dat ge zijt, voor al de beelden van vleesch en beenderen, die in uwen naam genadeloos verbrand, gehangen en levend begraven werden.” Aldus sprak Satan, en hij had gelijk. En gij moet beneden, wreedaardig, bloeddorstig Maaiken, want gij geleekt geenszins op uwen zoon Christus.
En heel de menigte handlangers riep en tierde en huilde: „Maaiken! Maaiken, gij moet rijden! Maakt gij nu uw hemd nat van schrik? Weg met de houten heiligen! Laat heur een bad in de Schelde nemen! Hout drijft toch boven!”
Het volk aanhoorde hen zonder iets te zeggen.
Doch Uilenspiegel klom op den predikstoel, stampte met geweld den spreker van de trappen en zei tot het volk:
—Dwazen, onnoozele dwazen, ziet gij dan niet verder dan uw neus lang is? Begrijpt gij dan niet, dat dit alles verraderswerk is? Zij willen u tot heiligschenners en tot beeldbrekers maken, om u tot muiters te kunnen verklaren, uwe kisten teledigen, u te onthalzen en levend te verbranden! En de koning zal erven! Signoorkens en pagadders, hecht geen geloof aan de woorden dier bewerkers van rampspoed: laat Onze-Lieve-Vrouw in heure nis, leeft kloekmoedig, werkt blijgezind en geniet van uwe winsten en profijten. De zwarte duivel des rampspoeds heeft u in ’t oog, en ’t is door plundering en vernieling, dat hij het vijandelijke leger zal roepen om u als rebellen te behandelen en Alva over u te doen regeeren door dictatuur, inquisitie, verbeurdverklaring en dood!
... En hij zal erven!
—Laas, sprak Lamme, plundert niet, signoorkens en pagadders; de koning is al kwaad genoeg. De dochter van de borduurster heeft het tot mijn vriend Uilenspiegel gezegd. Plundert niet, mijne heeren!
Maar het gemeen kon hen niet hooren.
De handlangers riepen:
—Ze moet beneden! In de Schelde, de houten heiligen. Hout drijft toch boven!
Uilenspiegel klampte zich aan den preekstoel vast en riep tevergeefs:
—Signoorkens en pagadders, duldt de plundering niet! Brengt uwe stad niet ten onder!
En hij werd weggerukt met gekwetst gelaat, wambuis en hoos gescheurd, hoewel hij zich dapper verweerde met vuisten en voeten. En heel bebloed, hield hij niet op te roepen:
—Duldt de plundering niet!
Maar het was te vergeefs.
De onbekenden en het grauw van de stad liepen tegen het hek van het koor aan, hetwelk zij braken al roepend:
—Vive le geus!
Allen begonnen te breken, te plunderen, te vernielen. Vóór middernacht was die groote kerk, in dewelke zeventig autaren, allerhande schoone schilderijen en kostbaarheden waren, teenemaal ledig. De autaren werden aan stukken geslagen, de beelden werden van hunne pedestalen getrokken, uit hunne nissen gerukt, op den vloer geworpen en met hamers verbrijzeld en de gewijde olie tot schoensmeer gebezigd. Toen er niets meer te breken viel, trok de bende naar de Minderbroeders, De Franciscanen, Sint-Pieters, Sint-Andries, Sint-Jacobs, Sint-Joris, Sint-Michiels, de Peterpotkerk, den Burcht, het Fawkensklooster, de Witte Zusters, de Grijze Zusters, de Predikheeren en al dekerken en kapellen van de stad, om er te werk te gaan als in Onze-Lieve-Vrouwe. Zij namen waskeersen en flambouwen en liepen er mee overal rond.
En onder hen was geen getwist nog krakeel; geen hunner werd gekwetst in die groote afbraak van steen, van hout en andere stoffen.
Zij trokken naar den-Haag, om er de beelden en autaren weg te nemen; doch daar noch elders verleenden de protestanten hun hulp.
In den-Haag vroeg de magistraat hun, waar hunne lastgeving was.
—Hier, sprak een hunner, en hij sloeg op zijn hert.
—Hoort gij, signoorkens en pagadders? Hunne lastgeving! sprak Uilenspiegel, die het feit vernomen had. Er is dus iemand, die hun last geeft het werk van heiligschenners te doen! Als een dief mijne hut binnendringt, zal ik doen als de magistraat van den-Haag, en zal ik, mijn hoedeken afnemend, vragen: Lieve schelm, beminnelijke dieper, eerbiedweerdige roover, waar is uwe lastgeving? Hij zal wijzen naar zijn hert, dat dorst naar mijne have. En ik zal hem al mijne sleutels ter hand stellen! Zoekt, zoekt wien de plundering baat. Mistrouwt den Rooden Hond; de misdaad is begaan, de beteugeling zal volgen. Mistrouwt den Rooden Hond! Het groote steenen kruisbeeld is aan stukken geslagen. Mistrouwt den Rooden Hond!
Toen Uilenspiegel vernam dat de Groote Raad van Mechelen, door den mond van zijnen voorzitter Viglius, geboden had den beeldenstorm geenerlei verzet te bieden, sprak hij:
—Laas! de oogst is rijp voor de Spaansche maaiers. De hertog! de hertog nadert! Vlamingen, de zee, de zee der wrake wast. Arme vrouwen en meidekens, vlucht den put. Arme mannen, vlucht de galg, het vuur en het zweerd! Philippus wil het bloedig werk van keizer Karel voltooien. De vader zaaide dood en ballingschap; de zoon heeft gezworen, dat hij liever over een kerkhof dan over een kettervolk heerscht. Vlucht, daar zijn de beul en de grafmakers.
Het volk luisterde naar Uilenspiegel, en honderden gezinnen verlieten de steden, en de wegen waren vervuld met karren vol huisraad van allen die in ballingschap gingen.
En Uilenspiegel ging overal, gevolgd door Lamme, die jammerend zocht naar zijne vrouw.
En te Damme weende Nele bij de uitzinnige Katelijne.