XXII.Dien dag was ’t kermis op de vloot van de Geuzen. Niettegenstaande het gure weder der Wintermaand, niettegenstaande regen en sneeuw, waren al de Geuzen op het dek van de schepen. De zilveren halvemanen flikkerden op de Zeeuwsche hoedekens.En Uilenspiegel zong:Leiden is ontzet, de bloedhertogWijkt uit de Nederlanden;Klare klokken, klinkt,Beiaards, schatert uw deuntjes uit;Rinkelt, roomers en bottels.Kreeg de doghond slaag,Staartneder, met bloedend oog,Loopt hij de stokken weer in.Zijn gescheurde muilHijgt en huivert.Weg is de bloedhertog:Rinkelt, roomers en bottels. Leve de Geus!Bijten wou hij zijn eigen.De stokken brijzelden zijn gebit.Met hangenden suffen kop,Denkt hij aan dagen van moord en vraatlust.Weg is de bloedhertog:Slaat op de glorietrom,Slaat op de krijgstrom!Leve de Geus!Thans schreeuwt hij den duivel toe: „KoopMijn hondsche ziel voor één uur kracht”.„Uw ziel, roept de duivel,Uw ziel of een boestring, dat ’s eender.”Geen tand past op een tand.De harde brokken moest ge maar laten.Weg is de bloedhertog:Leve de Geus!De straathondjes, scheef, scheel, schurftig,Die leven en krepeeren op vuilnishoopen,Heffen hun poot op, beurt om beurt,Naar hem, die doodde uit moordzucht....Leve de Geus!„Hij hield van vrouw noch vriend,Van vreugd, noch zon, noch meester,Slechts van de Dood, zijn bruid,Die hem de pooten knakte,Tot blijdans vóór de bruiloft;Want heele menschen lust ze niet.Slaat op de vreugdtrom.Leve de Geus!”En de straathondjes mank,Scheef, schurftig en scheel,Heffen nog eens den poot opDat het ziedt en zout,En met hen brakken en winden,Rekels van Hongarije,Van Brabant, Namen en Luxemburg.Leve de Geus!En triestig, met schuimmuil,Krepeert hij vóór zijn meester,Die hem schopt met den voet,Wijl hij te weinig beet.Ter helle huwt hij Dood.Hem heet zij: Mijn hertog;Hij haar: Mijn inquisitie.Leve de Geus!Klare klokken, klinkt,Beiaard, schater uw deuntjes uit;Rinkelt, roomers en bottels:Leve de Geus!
XXII.Dien dag was ’t kermis op de vloot van de Geuzen. Niettegenstaande het gure weder der Wintermaand, niettegenstaande regen en sneeuw, waren al de Geuzen op het dek van de schepen. De zilveren halvemanen flikkerden op de Zeeuwsche hoedekens.En Uilenspiegel zong:Leiden is ontzet, de bloedhertogWijkt uit de Nederlanden;Klare klokken, klinkt,Beiaards, schatert uw deuntjes uit;Rinkelt, roomers en bottels.Kreeg de doghond slaag,Staartneder, met bloedend oog,Loopt hij de stokken weer in.Zijn gescheurde muilHijgt en huivert.Weg is de bloedhertog:Rinkelt, roomers en bottels. Leve de Geus!Bijten wou hij zijn eigen.De stokken brijzelden zijn gebit.Met hangenden suffen kop,Denkt hij aan dagen van moord en vraatlust.Weg is de bloedhertog:Slaat op de glorietrom,Slaat op de krijgstrom!Leve de Geus!Thans schreeuwt hij den duivel toe: „KoopMijn hondsche ziel voor één uur kracht”.„Uw ziel, roept de duivel,Uw ziel of een boestring, dat ’s eender.”Geen tand past op een tand.De harde brokken moest ge maar laten.Weg is de bloedhertog:Leve de Geus!De straathondjes, scheef, scheel, schurftig,Die leven en krepeeren op vuilnishoopen,Heffen hun poot op, beurt om beurt,Naar hem, die doodde uit moordzucht....Leve de Geus!„Hij hield van vrouw noch vriend,Van vreugd, noch zon, noch meester,Slechts van de Dood, zijn bruid,Die hem de pooten knakte,Tot blijdans vóór de bruiloft;Want heele menschen lust ze niet.Slaat op de vreugdtrom.Leve de Geus!”En de straathondjes mank,Scheef, schurftig en scheel,Heffen nog eens den poot opDat het ziedt en zout,En met hen brakken en winden,Rekels van Hongarije,Van Brabant, Namen en Luxemburg.Leve de Geus!En triestig, met schuimmuil,Krepeert hij vóór zijn meester,Die hem schopt met den voet,Wijl hij te weinig beet.Ter helle huwt hij Dood.Hem heet zij: Mijn hertog;Hij haar: Mijn inquisitie.Leve de Geus!Klare klokken, klinkt,Beiaard, schater uw deuntjes uit;Rinkelt, roomers en bottels:Leve de Geus!
XXII.Dien dag was ’t kermis op de vloot van de Geuzen. Niettegenstaande het gure weder der Wintermaand, niettegenstaande regen en sneeuw, waren al de Geuzen op het dek van de schepen. De zilveren halvemanen flikkerden op de Zeeuwsche hoedekens.En Uilenspiegel zong:Leiden is ontzet, de bloedhertogWijkt uit de Nederlanden;Klare klokken, klinkt,Beiaards, schatert uw deuntjes uit;Rinkelt, roomers en bottels.Kreeg de doghond slaag,Staartneder, met bloedend oog,Loopt hij de stokken weer in.Zijn gescheurde muilHijgt en huivert.Weg is de bloedhertog:Rinkelt, roomers en bottels. Leve de Geus!Bijten wou hij zijn eigen.De stokken brijzelden zijn gebit.Met hangenden suffen kop,Denkt hij aan dagen van moord en vraatlust.Weg is de bloedhertog:Slaat op de glorietrom,Slaat op de krijgstrom!Leve de Geus!Thans schreeuwt hij den duivel toe: „KoopMijn hondsche ziel voor één uur kracht”.„Uw ziel, roept de duivel,Uw ziel of een boestring, dat ’s eender.”Geen tand past op een tand.De harde brokken moest ge maar laten.Weg is de bloedhertog:Leve de Geus!De straathondjes, scheef, scheel, schurftig,Die leven en krepeeren op vuilnishoopen,Heffen hun poot op, beurt om beurt,Naar hem, die doodde uit moordzucht....Leve de Geus!„Hij hield van vrouw noch vriend,Van vreugd, noch zon, noch meester,Slechts van de Dood, zijn bruid,Die hem de pooten knakte,Tot blijdans vóór de bruiloft;Want heele menschen lust ze niet.Slaat op de vreugdtrom.Leve de Geus!”En de straathondjes mank,Scheef, schurftig en scheel,Heffen nog eens den poot opDat het ziedt en zout,En met hen brakken en winden,Rekels van Hongarije,Van Brabant, Namen en Luxemburg.Leve de Geus!En triestig, met schuimmuil,Krepeert hij vóór zijn meester,Die hem schopt met den voet,Wijl hij te weinig beet.Ter helle huwt hij Dood.Hem heet zij: Mijn hertog;Hij haar: Mijn inquisitie.Leve de Geus!Klare klokken, klinkt,Beiaard, schater uw deuntjes uit;Rinkelt, roomers en bottels:Leve de Geus!
XXII.
Dien dag was ’t kermis op de vloot van de Geuzen. Niettegenstaande het gure weder der Wintermaand, niettegenstaande regen en sneeuw, waren al de Geuzen op het dek van de schepen. De zilveren halvemanen flikkerden op de Zeeuwsche hoedekens.En Uilenspiegel zong:Leiden is ontzet, de bloedhertogWijkt uit de Nederlanden;Klare klokken, klinkt,Beiaards, schatert uw deuntjes uit;Rinkelt, roomers en bottels.Kreeg de doghond slaag,Staartneder, met bloedend oog,Loopt hij de stokken weer in.Zijn gescheurde muilHijgt en huivert.Weg is de bloedhertog:Rinkelt, roomers en bottels. Leve de Geus!Bijten wou hij zijn eigen.De stokken brijzelden zijn gebit.Met hangenden suffen kop,Denkt hij aan dagen van moord en vraatlust.Weg is de bloedhertog:Slaat op de glorietrom,Slaat op de krijgstrom!Leve de Geus!Thans schreeuwt hij den duivel toe: „KoopMijn hondsche ziel voor één uur kracht”.„Uw ziel, roept de duivel,Uw ziel of een boestring, dat ’s eender.”Geen tand past op een tand.De harde brokken moest ge maar laten.Weg is de bloedhertog:Leve de Geus!De straathondjes, scheef, scheel, schurftig,Die leven en krepeeren op vuilnishoopen,Heffen hun poot op, beurt om beurt,Naar hem, die doodde uit moordzucht....Leve de Geus!„Hij hield van vrouw noch vriend,Van vreugd, noch zon, noch meester,Slechts van de Dood, zijn bruid,Die hem de pooten knakte,Tot blijdans vóór de bruiloft;Want heele menschen lust ze niet.Slaat op de vreugdtrom.Leve de Geus!”En de straathondjes mank,Scheef, schurftig en scheel,Heffen nog eens den poot opDat het ziedt en zout,En met hen brakken en winden,Rekels van Hongarije,Van Brabant, Namen en Luxemburg.Leve de Geus!En triestig, met schuimmuil,Krepeert hij vóór zijn meester,Die hem schopt met den voet,Wijl hij te weinig beet.Ter helle huwt hij Dood.Hem heet zij: Mijn hertog;Hij haar: Mijn inquisitie.Leve de Geus!Klare klokken, klinkt,Beiaard, schater uw deuntjes uit;Rinkelt, roomers en bottels:Leve de Geus!
Dien dag was ’t kermis op de vloot van de Geuzen. Niettegenstaande het gure weder der Wintermaand, niettegenstaande regen en sneeuw, waren al de Geuzen op het dek van de schepen. De zilveren halvemanen flikkerden op de Zeeuwsche hoedekens.
En Uilenspiegel zong:
Leiden is ontzet, de bloedhertogWijkt uit de Nederlanden;Klare klokken, klinkt,Beiaards, schatert uw deuntjes uit;Rinkelt, roomers en bottels.Kreeg de doghond slaag,Staartneder, met bloedend oog,Loopt hij de stokken weer in.Zijn gescheurde muilHijgt en huivert.Weg is de bloedhertog:Rinkelt, roomers en bottels. Leve de Geus!Bijten wou hij zijn eigen.De stokken brijzelden zijn gebit.Met hangenden suffen kop,Denkt hij aan dagen van moord en vraatlust.Weg is de bloedhertog:Slaat op de glorietrom,Slaat op de krijgstrom!Leve de Geus!Thans schreeuwt hij den duivel toe: „KoopMijn hondsche ziel voor één uur kracht”.„Uw ziel, roept de duivel,Uw ziel of een boestring, dat ’s eender.”Geen tand past op een tand.De harde brokken moest ge maar laten.Weg is de bloedhertog:Leve de Geus!De straathondjes, scheef, scheel, schurftig,Die leven en krepeeren op vuilnishoopen,Heffen hun poot op, beurt om beurt,Naar hem, die doodde uit moordzucht....Leve de Geus!„Hij hield van vrouw noch vriend,Van vreugd, noch zon, noch meester,Slechts van de Dood, zijn bruid,Die hem de pooten knakte,Tot blijdans vóór de bruiloft;Want heele menschen lust ze niet.Slaat op de vreugdtrom.Leve de Geus!”En de straathondjes mank,Scheef, schurftig en scheel,Heffen nog eens den poot opDat het ziedt en zout,En met hen brakken en winden,Rekels van Hongarije,Van Brabant, Namen en Luxemburg.Leve de Geus!En triestig, met schuimmuil,Krepeert hij vóór zijn meester,Die hem schopt met den voet,Wijl hij te weinig beet.Ter helle huwt hij Dood.Hem heet zij: Mijn hertog;Hij haar: Mijn inquisitie.Leve de Geus!Klare klokken, klinkt,Beiaard, schater uw deuntjes uit;Rinkelt, roomers en bottels:Leve de Geus!
Leiden is ontzet, de bloedhertogWijkt uit de Nederlanden;Klare klokken, klinkt,Beiaards, schatert uw deuntjes uit;Rinkelt, roomers en bottels.
Leiden is ontzet, de bloedhertog
Wijkt uit de Nederlanden;
Klare klokken, klinkt,
Beiaards, schatert uw deuntjes uit;
Rinkelt, roomers en bottels.
Kreeg de doghond slaag,Staartneder, met bloedend oog,Loopt hij de stokken weer in.Zijn gescheurde muilHijgt en huivert.Weg is de bloedhertog:Rinkelt, roomers en bottels. Leve de Geus!
Kreeg de doghond slaag,
Staartneder, met bloedend oog,
Loopt hij de stokken weer in.
Zijn gescheurde muil
Hijgt en huivert.
Weg is de bloedhertog:
Rinkelt, roomers en bottels. Leve de Geus!
Bijten wou hij zijn eigen.De stokken brijzelden zijn gebit.Met hangenden suffen kop,Denkt hij aan dagen van moord en vraatlust.Weg is de bloedhertog:Slaat op de glorietrom,Slaat op de krijgstrom!Leve de Geus!
Bijten wou hij zijn eigen.
De stokken brijzelden zijn gebit.
Met hangenden suffen kop,
Denkt hij aan dagen van moord en vraatlust.
Weg is de bloedhertog:
Slaat op de glorietrom,
Slaat op de krijgstrom!
Leve de Geus!
Thans schreeuwt hij den duivel toe: „KoopMijn hondsche ziel voor één uur kracht”.„Uw ziel, roept de duivel,Uw ziel of een boestring, dat ’s eender.”Geen tand past op een tand.De harde brokken moest ge maar laten.Weg is de bloedhertog:Leve de Geus!
Thans schreeuwt hij den duivel toe: „Koop
Mijn hondsche ziel voor één uur kracht”.
„Uw ziel, roept de duivel,
Uw ziel of een boestring, dat ’s eender.”
Geen tand past op een tand.
De harde brokken moest ge maar laten.
Weg is de bloedhertog:
Leve de Geus!
De straathondjes, scheef, scheel, schurftig,Die leven en krepeeren op vuilnishoopen,Heffen hun poot op, beurt om beurt,Naar hem, die doodde uit moordzucht....Leve de Geus!
De straathondjes, scheef, scheel, schurftig,
Die leven en krepeeren op vuilnishoopen,
Heffen hun poot op, beurt om beurt,
Naar hem, die doodde uit moordzucht....
Leve de Geus!
„Hij hield van vrouw noch vriend,Van vreugd, noch zon, noch meester,Slechts van de Dood, zijn bruid,Die hem de pooten knakte,Tot blijdans vóór de bruiloft;Want heele menschen lust ze niet.Slaat op de vreugdtrom.Leve de Geus!”
„Hij hield van vrouw noch vriend,
Van vreugd, noch zon, noch meester,
Slechts van de Dood, zijn bruid,
Die hem de pooten knakte,
Tot blijdans vóór de bruiloft;
Want heele menschen lust ze niet.
Slaat op de vreugdtrom.
Leve de Geus!”
En de straathondjes mank,Scheef, schurftig en scheel,Heffen nog eens den poot opDat het ziedt en zout,En met hen brakken en winden,Rekels van Hongarije,Van Brabant, Namen en Luxemburg.Leve de Geus!
En de straathondjes mank,
Scheef, schurftig en scheel,
Heffen nog eens den poot op
Dat het ziedt en zout,
En met hen brakken en winden,
Rekels van Hongarije,
Van Brabant, Namen en Luxemburg.
Leve de Geus!
En triestig, met schuimmuil,Krepeert hij vóór zijn meester,Die hem schopt met den voet,Wijl hij te weinig beet.Ter helle huwt hij Dood.Hem heet zij: Mijn hertog;Hij haar: Mijn inquisitie.Leve de Geus!
En triestig, met schuimmuil,
Krepeert hij vóór zijn meester,
Die hem schopt met den voet,
Wijl hij te weinig beet.
Ter helle huwt hij Dood.
Hem heet zij: Mijn hertog;
Hij haar: Mijn inquisitie.
Leve de Geus!
Klare klokken, klinkt,Beiaard, schater uw deuntjes uit;Rinkelt, roomers en bottels:Leve de Geus!
Klare klokken, klinkt,
Beiaard, schater uw deuntjes uit;
Rinkelt, roomers en bottels:
Leve de Geus!