XXIX.Uilenspiegel en Lamme stapten op naar Gent en kwamen met de ochtendschemering omtrent Lokeren.Frissche, witte dampen zweefden over de weiden.De beide wandelaars kwamen voorbij eene smidse en Uilenspiegel schuifelde lijk de leeuwerik, de vogel der vrijheid.En dadelijk vertoonde zich een man met witte, lange haren, vóór de deur van de smidse, en terstond bootste hij het dapper gekraai van den haan na.Uilenspiegel zeide tot Lamme:Dat is smid Wasteele, die ploegscharen maakt, het ijzer smeedt als het warm is om er schoone hekken voor kerkkoren van te verveerdigen, en zeer dikwijls, ’s nachts, wapenen smeedt en slijpt voor de soldaten van het vrije geweten. Hij is vet noch gezond geworden bij dien dubbelen arbeid, want hij is bleek als een spook, treurig als een verdoemde, en zoo mager dat zijne beenderen door zijn vel steken. Hij is nog niet slapen, zeker heeft hij wederom heel den nacht gewrocht.—Komt binnen, gij beiden, zeide smid Wasteele, en brengt uwe ezelen op de meersch, achter het huis.Toen Uilenspiegel en Lamme dit gedaan hadden, kwamen zij terug in de smidse en zagen, dat smid Wasteele al de zweerden in den kelder bracht, die hij binst den nacht geslepen had, en het werk voor zijne knechts gereedmaakte.Uilenspiegel met doffe oogen beziende, vroeg hij hem:—Welk nieuws brengt gij van den Zwijger?Uilenspiegel antwoordde:—De Prins is met zijn leger uit de Nederlanden verjaagd,ter oorzake van de lafheid zijner huurlingen, die roepen: Geld! Geld! als er te vechten valt. Met zijn trouwe soldaten en zijn broeder, graaf Lodewijk, trok hij den koning van Navarra en den hugenoten ter hulp; van daar toog hij naar Duitschland, naar Dillenburg, alwaar vele vluchtelingen uit de Nederlanden tot hem kwamen. Gij moet wapenen zenden en het geld dat gij opgehaald hebt, terwijl wij op zee moeten, om het werk van vrije mannen te verrichten.—Ik zal doen wat mij geheeten wordt, sprak smid Wasteele; ik heb wapenen en negenduizend florijnen. Maar zijt gij hier niet gekomen op ezelen?—Ja, zeiden zij.—En hebt gij, onderwege, gene tijding gehad van drie predikanten, die gedood, uitgeplunderd en in een hol gesmeten werden op de rotsen van de Maas?—Ja, antwoordde Uilenspiegel met de grootste vrijmoedigheid, die drie predikanten waren spionnen van den hertog, die betaald waren om den prins in het verderf te brengen. Wij getweeën, Lamme en ik, hebben hun het tijdelijke met het eeuwige doen verwisselen. Hun geld is in ons bezit en hunne papieren insgelijks. Wij zullen er van nemen wat ons hoeft voor onze reis, de rest zullen wij aan den prins geven.En Uilenspiegel deed zijn wambuis open, alsmede dat van Lamme en trok er papieren en perkamenten uit.Smid Wasteele las ze en sprak vervolgens:—Zij behelzen plannen van gevecht en van samenzweering. Ik zal ze den prins doen behandigen, en er zal hem gezegd worden, dat Uilenspiegel en Lamme Goedzak, zijn trouwe wandelaars, zijn edel leven gered hebben. Ik ga uwe ezelen doen verkoopen, opdat men U niet aan uwe rijdieren zou herkennen.Uilenspiegel vroeg aan smid Wasteele of de vierschaar der schepenen van Namen reeds heure serjanten achter hunne hielen had gezonden.—Ik ga u kond geven van hetgene ik weet, antwoordde Wasteele. Een smid van Namen, een dappere en overtuigde hervormde, is laatst hier bij mij geweest, zoogezeid om mij te vragen hem te helpen in het maken van de hekken, windwijzers en het ander ijzerwerk voor een slot, dat men omtrent La Plante aan ’t bouwen is. De deurwaarder van de vierschaar der schepenen heeft hem verteld, dat zijne meesters reeds bijeengekomenwaren, en dat de baas eener taveerne alreeds geroepen was, omdat hij op eenige honderden stappen van de plaats van den moord woont. Ondervraagd of hij de moordenaars of hen, die hij van den moord kon verdenken, gezien had, heeft hij geantwoord: „Ik heb boeren en boerinnen gezien, die op ezelen reden; sommigen bleven op hunne dieren zitten en vroegen te drinken aan de deur, anderen stegen van hunne ezelen en kwamen in de gelagkamer, de manslieden dronken bier, de vrouwen en meidekens mede. Ik zag ook twee dappere mannen, die spraken van messire van Oranje een kopken kleiner te maken.” Terwijl de baas dit zeide, floot hij, om den steek van een mes in het vleesch van den hals na te bootsen. „Bij Stalen Wind, zeide hij, zal ik u heimelijk op de hoogte houden, daar dit in mijne macht is.” Hij sprak en werd losgelaten. Sedert dien tijd hebben de justitieraden ongetwijfeld brieven gezonden aan de baljuws. De baas zei, dat hij anders niemand gezien had dan boeren en boerinnen op ezelen; daaruit is te voorzien, dat men jacht zal maken op allen die men schrijlings op ezelen zal aantreffen. En de prins heeft u noodig, mijne kinderen.—Verkoop onze ezelen, zeide Uilenspiegel, en de opbrengst kunt gij voegen bij den oorlogsschat van den prins.De dieren werden verkocht.—Nu moet gij, sprak Wasteele, elk een vrij ambacht hebben, dat tot geene gilden behoort. Kunt gij vogelkooien en rattenvallen maken?—Ik heb er vroeger veel gemaakt, zeide Uilenspiegel.—En gij? vroeg Wasteele aan Lamme.—Ik, sprak Lamme, ik zal wafelen en oliekoeken verkoopen.Volgt mij; hier zijn heel gereedgemaakte vogelkooien en rattenvallen, met gereedschap en koperdraad om ze te herstellen en er anderen te maken. Dit alles werd mij gebracht door een mijner spionnenDat is voor u, Uilenspiegel. Gij, Lamme, krijgt een klein komfoor met blaasbalg; ik zal u ook deeg, spek en olie geven, om uwe wafelen en oliekoeken te bakken.—Hij is in staat alles zelf op te eten, zei Uilenspiegel.—Wanneer beginnen wij te bakken? vroeg Lamme.Wasteele antwoordde:—Gij zult mij eerst een nacht of twee moeten helpen; alleen kan ik mijn werk niet afkrijgen.—Ik heb honger, sprak Lamme, is hier niets te eten?—Er is brood en kaas, antwoordde Wasteele.—Zonder boter? vroeg Lamme.—Zonder boter, sprak Wasteele.—Hebt gij bier of wijn? vroeg Uilenspiegel.—Ik zelf drink er nooit, antwoordde Wasteele; doch als gij er hebben wilt, zal ik er halen inden Pelikaan, hier dichtbij.—Ja, sprak Lamme, en breng meteen wat hesp mee.—Ik zal doen wat gij vraagt, sprak Wasteele, die Lamme met groote verachting bekeek.Toch bracht hij dobbelen klauwaard en hesp. En, van genoegen, at Lamme voor vijven.En hij sprak:—Wanneer beginnen wij te werken?—Dezen nacht, sprak Wasteele, maar blijft in de smidse en wees niet bevreesd voor mijne gasten. Het zijn hervormden lijk gij.—Dat gaat mij, sprak Lamme.’s Nachts, als de slaapklokken geluid hadden en de poorten gesloten waren, deed Wasteele zich helpen door Uilenspiegel en Lamme, om uit den kelder zware pakken wapenen naar zijne werkplaats te dragen.—Hier zijn, sprak hij, twintig bussen, die moeten hersteld, dertig lanspunten, die moeten geslepen worden, en lood om vijftienhonderd kogels te gieten; gij gaat mij helpen.—Met mijn beide handen! antwoordde Uilenspiegel. Waarom heb ik er geen vier om u behulpzaam te wezen!—Lamme zal ons helpen, sprak Wasteele.—Ja, antwoordde Lamme op jammerlijken toon, want hij viel van den vaak, ter oorzake van het overvloedig eten en drinken.—Gij zult het lood gieten, sprak Uilenspiegel.—Ik zal, sprak Lamme.Lamme smolt zijn lood en goot zijn kogels, doch grimmig bekeek hij smid Wasteele, die hem dwong op te blijven, terwijl hij zoo’n slaap had.Hij goot de kogels, maar hij had grooten lust het gesmolten lood over het hoofd van smid Wasteele te gieten. Doch hij hield zich in. Rond middernacht werd hij, oververmoeid, door razernij overvallen en, terwijl smid Wasteele en Uilenspiegel geduldig zweerden, bussen en lanspunten slepen, hield hij met sissende stem de volgende rede:—Daar staat gij nu, mager, bleek en schraal, met uw vastvertrouwen in de prinsen en in de grooten der aarde; door overdreven ijver, veronachtzaamt gij uw lichaam, uw edel lichaam, dat gij laat vergaan van ellende en zelfvernedering. Daarom is het niet, dat de goede God u schiep. Vergeet niet dat onze ziel, die de adem des levens is, boonen, ossevleesch, bier, wijn, hesp, worsten, pensen, alsmede rust noodig heeft tot haar bestaan; gij, gij leeft van brood, water en slapeloosheid!—Van waar komt u die ongewone woordenvloed? vroeg Uilenspiegel.—Hij weet niet wat hij zegt, antwoordde Wasteele schokschouderend.Maar Lamme vervolgde:—Ik weet het beter dan gij. Ik zeg dat wij zot zijn, ik, gij en Uilenspiegel insgelijks, onze oogen te bederven voor al die prinsen en heeren, die zeker zouden lachen met ons, als zij ons, overvallen door vermoeienis, den nacht zagen doorbrengen met wapenen te slijpen en kogels te gieten, te hunnen dienste. Terwijl zij wijn uit gouden bekers drinken en kapoenen in tinnen schotels eten, vragen zij zich niet af of hunne vijanden met hunne zeisen onze beenen niet afkappen en ons in den doodenkuil niet werpen. Intusschen zullen zij, die in den grond noch hervormden, noch calvinisten, noch lutheranen, noch katholieken zijn, maar aan God noch duivel gelooven, heerlijkheden koopen en bemachtigen, het goed van monniken, abten en konventen inslikken. Alles zal voor hen zijn: en vrouwen en maagden en meidekens; uit hunne gouden bekers zullen zij drinken op hun eeuwig welzijn, op onze altijddurende onnoozelheid en op de zeven hoofdzonden, die zij gedurig bedrijven; ja, smid Wasteele, en dàt onder uwen neus, die mager is van geestdrift. Aanschouw de velden, de weiden, zie naar de oogsten, de boomgaarden, de ossen, het goud dat opstijgt uit de aarde; aanschouw de wilde dieren van de bosschen, de vogelen van de hemelen, de lekkere ortolanen, de heerlijke lijsters, den kop van het everzwijn, den bout van den reebok: jacht, vischvangst, aarde, zee, alles, alles is voor hen! En gij, gij leeft van water en brood, en wij, wij werken ons dood voor hen, zonder slapen, zonder eten, zonder drinken! En als wij er onder zullen bezweken zijn, zullen zij onze lijken uit hunnen weg schoppen en tot onze moeders zeggen: „Maakt er anderen, deze krengen kunnen ons niet meer dienen.”Uilenspiegel lachte goedmoedig zonder iets te zeggen; Lammeblies van verontweerdiging, doch Wasteele zeide op zachtmoedigen toon:—Gij spreekt lichtzinnig. Ik leef niet voor hesp, voor bier, noch voor ortolanen, maar voor de zegepraal van het vrije geweten. Voor de vrijheid, doet de prins lijk ik. Hij offert zijn goed, zijne rust, zijn geluk op om de beulen en de dwingelandij uit de Nederlanden te verdrijven. Doe lijk hij en tracht mager te worden. Het is niet met den buik dat men de volkeren redt, maar met fieren moed en met geduldige vermoeienis. En nu,... ga maar slapen, zoo gij vaak hebt.Maar Lamme wilde niet slapen gaan, want de smid had hem beschaamd.En gedrieën slepen zij wapenen en smolten zij kogelen tot den dageraad.En dit drie nachten achtereen.Toen vertrokken zij naar Gent. Onderwege leurden zij met vogelkooien, muizenvallen en oliekoeken.Zoo kwamen zij te Meulestede, welks roode daken men van verre ontwaart, en daar kwamen zij overeen dat elk op zijn eigen hand zou rond gaan en dat men ’s avonds, vóór de slaapklok, malkander zou vinden in de afspanningden Zwaan.Lamme zwierf door de straten van Gent en verkocht gewetensvol zijne oliekoeken, want hij kreeg zin in zijn bedrijf, maar toch vergat hij zijne vrouw niet, want hij zocht ze gedurig, noch zijnen buik, want hij ledigde menigvuldige pinten en at zonder ophouden.Uilenspiegel had brieven van den prins van Oranje besteld aan Jacob Scoelap, licentiaat in de medicijnen, aan Lieven Smet, kleermaker, aan Jan de Wulfslaeger, aan Gillis Coorne, roodverver, en aan Jan de Roose, ticheldekkker, welke hem het geld ter hand stelden, dat zij voor den prins opgehaald hadden, en hem zeiden nog eenige dagen te Gent en in ’t ronde te blijven, daar zij hem nog meer zouden geven.Die mannen werden later aan de Nieuwe Galge uit hoofde van ketterije gehangen, en hunne lijken werden begraven op het Galgeveld, omtrent de Brugsche poort.
XXIX.Uilenspiegel en Lamme stapten op naar Gent en kwamen met de ochtendschemering omtrent Lokeren.Frissche, witte dampen zweefden over de weiden.De beide wandelaars kwamen voorbij eene smidse en Uilenspiegel schuifelde lijk de leeuwerik, de vogel der vrijheid.En dadelijk vertoonde zich een man met witte, lange haren, vóór de deur van de smidse, en terstond bootste hij het dapper gekraai van den haan na.Uilenspiegel zeide tot Lamme:Dat is smid Wasteele, die ploegscharen maakt, het ijzer smeedt als het warm is om er schoone hekken voor kerkkoren van te verveerdigen, en zeer dikwijls, ’s nachts, wapenen smeedt en slijpt voor de soldaten van het vrije geweten. Hij is vet noch gezond geworden bij dien dubbelen arbeid, want hij is bleek als een spook, treurig als een verdoemde, en zoo mager dat zijne beenderen door zijn vel steken. Hij is nog niet slapen, zeker heeft hij wederom heel den nacht gewrocht.—Komt binnen, gij beiden, zeide smid Wasteele, en brengt uwe ezelen op de meersch, achter het huis.Toen Uilenspiegel en Lamme dit gedaan hadden, kwamen zij terug in de smidse en zagen, dat smid Wasteele al de zweerden in den kelder bracht, die hij binst den nacht geslepen had, en het werk voor zijne knechts gereedmaakte.Uilenspiegel met doffe oogen beziende, vroeg hij hem:—Welk nieuws brengt gij van den Zwijger?Uilenspiegel antwoordde:—De Prins is met zijn leger uit de Nederlanden verjaagd,ter oorzake van de lafheid zijner huurlingen, die roepen: Geld! Geld! als er te vechten valt. Met zijn trouwe soldaten en zijn broeder, graaf Lodewijk, trok hij den koning van Navarra en den hugenoten ter hulp; van daar toog hij naar Duitschland, naar Dillenburg, alwaar vele vluchtelingen uit de Nederlanden tot hem kwamen. Gij moet wapenen zenden en het geld dat gij opgehaald hebt, terwijl wij op zee moeten, om het werk van vrije mannen te verrichten.—Ik zal doen wat mij geheeten wordt, sprak smid Wasteele; ik heb wapenen en negenduizend florijnen. Maar zijt gij hier niet gekomen op ezelen?—Ja, zeiden zij.—En hebt gij, onderwege, gene tijding gehad van drie predikanten, die gedood, uitgeplunderd en in een hol gesmeten werden op de rotsen van de Maas?—Ja, antwoordde Uilenspiegel met de grootste vrijmoedigheid, die drie predikanten waren spionnen van den hertog, die betaald waren om den prins in het verderf te brengen. Wij getweeën, Lamme en ik, hebben hun het tijdelijke met het eeuwige doen verwisselen. Hun geld is in ons bezit en hunne papieren insgelijks. Wij zullen er van nemen wat ons hoeft voor onze reis, de rest zullen wij aan den prins geven.En Uilenspiegel deed zijn wambuis open, alsmede dat van Lamme en trok er papieren en perkamenten uit.Smid Wasteele las ze en sprak vervolgens:—Zij behelzen plannen van gevecht en van samenzweering. Ik zal ze den prins doen behandigen, en er zal hem gezegd worden, dat Uilenspiegel en Lamme Goedzak, zijn trouwe wandelaars, zijn edel leven gered hebben. Ik ga uwe ezelen doen verkoopen, opdat men U niet aan uwe rijdieren zou herkennen.Uilenspiegel vroeg aan smid Wasteele of de vierschaar der schepenen van Namen reeds heure serjanten achter hunne hielen had gezonden.—Ik ga u kond geven van hetgene ik weet, antwoordde Wasteele. Een smid van Namen, een dappere en overtuigde hervormde, is laatst hier bij mij geweest, zoogezeid om mij te vragen hem te helpen in het maken van de hekken, windwijzers en het ander ijzerwerk voor een slot, dat men omtrent La Plante aan ’t bouwen is. De deurwaarder van de vierschaar der schepenen heeft hem verteld, dat zijne meesters reeds bijeengekomenwaren, en dat de baas eener taveerne alreeds geroepen was, omdat hij op eenige honderden stappen van de plaats van den moord woont. Ondervraagd of hij de moordenaars of hen, die hij van den moord kon verdenken, gezien had, heeft hij geantwoord: „Ik heb boeren en boerinnen gezien, die op ezelen reden; sommigen bleven op hunne dieren zitten en vroegen te drinken aan de deur, anderen stegen van hunne ezelen en kwamen in de gelagkamer, de manslieden dronken bier, de vrouwen en meidekens mede. Ik zag ook twee dappere mannen, die spraken van messire van Oranje een kopken kleiner te maken.” Terwijl de baas dit zeide, floot hij, om den steek van een mes in het vleesch van den hals na te bootsen. „Bij Stalen Wind, zeide hij, zal ik u heimelijk op de hoogte houden, daar dit in mijne macht is.” Hij sprak en werd losgelaten. Sedert dien tijd hebben de justitieraden ongetwijfeld brieven gezonden aan de baljuws. De baas zei, dat hij anders niemand gezien had dan boeren en boerinnen op ezelen; daaruit is te voorzien, dat men jacht zal maken op allen die men schrijlings op ezelen zal aantreffen. En de prins heeft u noodig, mijne kinderen.—Verkoop onze ezelen, zeide Uilenspiegel, en de opbrengst kunt gij voegen bij den oorlogsschat van den prins.De dieren werden verkocht.—Nu moet gij, sprak Wasteele, elk een vrij ambacht hebben, dat tot geene gilden behoort. Kunt gij vogelkooien en rattenvallen maken?—Ik heb er vroeger veel gemaakt, zeide Uilenspiegel.—En gij? vroeg Wasteele aan Lamme.—Ik, sprak Lamme, ik zal wafelen en oliekoeken verkoopen.Volgt mij; hier zijn heel gereedgemaakte vogelkooien en rattenvallen, met gereedschap en koperdraad om ze te herstellen en er anderen te maken. Dit alles werd mij gebracht door een mijner spionnenDat is voor u, Uilenspiegel. Gij, Lamme, krijgt een klein komfoor met blaasbalg; ik zal u ook deeg, spek en olie geven, om uwe wafelen en oliekoeken te bakken.—Hij is in staat alles zelf op te eten, zei Uilenspiegel.—Wanneer beginnen wij te bakken? vroeg Lamme.Wasteele antwoordde:—Gij zult mij eerst een nacht of twee moeten helpen; alleen kan ik mijn werk niet afkrijgen.—Ik heb honger, sprak Lamme, is hier niets te eten?—Er is brood en kaas, antwoordde Wasteele.—Zonder boter? vroeg Lamme.—Zonder boter, sprak Wasteele.—Hebt gij bier of wijn? vroeg Uilenspiegel.—Ik zelf drink er nooit, antwoordde Wasteele; doch als gij er hebben wilt, zal ik er halen inden Pelikaan, hier dichtbij.—Ja, sprak Lamme, en breng meteen wat hesp mee.—Ik zal doen wat gij vraagt, sprak Wasteele, die Lamme met groote verachting bekeek.Toch bracht hij dobbelen klauwaard en hesp. En, van genoegen, at Lamme voor vijven.En hij sprak:—Wanneer beginnen wij te werken?—Dezen nacht, sprak Wasteele, maar blijft in de smidse en wees niet bevreesd voor mijne gasten. Het zijn hervormden lijk gij.—Dat gaat mij, sprak Lamme.’s Nachts, als de slaapklokken geluid hadden en de poorten gesloten waren, deed Wasteele zich helpen door Uilenspiegel en Lamme, om uit den kelder zware pakken wapenen naar zijne werkplaats te dragen.—Hier zijn, sprak hij, twintig bussen, die moeten hersteld, dertig lanspunten, die moeten geslepen worden, en lood om vijftienhonderd kogels te gieten; gij gaat mij helpen.—Met mijn beide handen! antwoordde Uilenspiegel. Waarom heb ik er geen vier om u behulpzaam te wezen!—Lamme zal ons helpen, sprak Wasteele.—Ja, antwoordde Lamme op jammerlijken toon, want hij viel van den vaak, ter oorzake van het overvloedig eten en drinken.—Gij zult het lood gieten, sprak Uilenspiegel.—Ik zal, sprak Lamme.Lamme smolt zijn lood en goot zijn kogels, doch grimmig bekeek hij smid Wasteele, die hem dwong op te blijven, terwijl hij zoo’n slaap had.Hij goot de kogels, maar hij had grooten lust het gesmolten lood over het hoofd van smid Wasteele te gieten. Doch hij hield zich in. Rond middernacht werd hij, oververmoeid, door razernij overvallen en, terwijl smid Wasteele en Uilenspiegel geduldig zweerden, bussen en lanspunten slepen, hield hij met sissende stem de volgende rede:—Daar staat gij nu, mager, bleek en schraal, met uw vastvertrouwen in de prinsen en in de grooten der aarde; door overdreven ijver, veronachtzaamt gij uw lichaam, uw edel lichaam, dat gij laat vergaan van ellende en zelfvernedering. Daarom is het niet, dat de goede God u schiep. Vergeet niet dat onze ziel, die de adem des levens is, boonen, ossevleesch, bier, wijn, hesp, worsten, pensen, alsmede rust noodig heeft tot haar bestaan; gij, gij leeft van brood, water en slapeloosheid!—Van waar komt u die ongewone woordenvloed? vroeg Uilenspiegel.—Hij weet niet wat hij zegt, antwoordde Wasteele schokschouderend.Maar Lamme vervolgde:—Ik weet het beter dan gij. Ik zeg dat wij zot zijn, ik, gij en Uilenspiegel insgelijks, onze oogen te bederven voor al die prinsen en heeren, die zeker zouden lachen met ons, als zij ons, overvallen door vermoeienis, den nacht zagen doorbrengen met wapenen te slijpen en kogels te gieten, te hunnen dienste. Terwijl zij wijn uit gouden bekers drinken en kapoenen in tinnen schotels eten, vragen zij zich niet af of hunne vijanden met hunne zeisen onze beenen niet afkappen en ons in den doodenkuil niet werpen. Intusschen zullen zij, die in den grond noch hervormden, noch calvinisten, noch lutheranen, noch katholieken zijn, maar aan God noch duivel gelooven, heerlijkheden koopen en bemachtigen, het goed van monniken, abten en konventen inslikken. Alles zal voor hen zijn: en vrouwen en maagden en meidekens; uit hunne gouden bekers zullen zij drinken op hun eeuwig welzijn, op onze altijddurende onnoozelheid en op de zeven hoofdzonden, die zij gedurig bedrijven; ja, smid Wasteele, en dàt onder uwen neus, die mager is van geestdrift. Aanschouw de velden, de weiden, zie naar de oogsten, de boomgaarden, de ossen, het goud dat opstijgt uit de aarde; aanschouw de wilde dieren van de bosschen, de vogelen van de hemelen, de lekkere ortolanen, de heerlijke lijsters, den kop van het everzwijn, den bout van den reebok: jacht, vischvangst, aarde, zee, alles, alles is voor hen! En gij, gij leeft van water en brood, en wij, wij werken ons dood voor hen, zonder slapen, zonder eten, zonder drinken! En als wij er onder zullen bezweken zijn, zullen zij onze lijken uit hunnen weg schoppen en tot onze moeders zeggen: „Maakt er anderen, deze krengen kunnen ons niet meer dienen.”Uilenspiegel lachte goedmoedig zonder iets te zeggen; Lammeblies van verontweerdiging, doch Wasteele zeide op zachtmoedigen toon:—Gij spreekt lichtzinnig. Ik leef niet voor hesp, voor bier, noch voor ortolanen, maar voor de zegepraal van het vrije geweten. Voor de vrijheid, doet de prins lijk ik. Hij offert zijn goed, zijne rust, zijn geluk op om de beulen en de dwingelandij uit de Nederlanden te verdrijven. Doe lijk hij en tracht mager te worden. Het is niet met den buik dat men de volkeren redt, maar met fieren moed en met geduldige vermoeienis. En nu,... ga maar slapen, zoo gij vaak hebt.Maar Lamme wilde niet slapen gaan, want de smid had hem beschaamd.En gedrieën slepen zij wapenen en smolten zij kogelen tot den dageraad.En dit drie nachten achtereen.Toen vertrokken zij naar Gent. Onderwege leurden zij met vogelkooien, muizenvallen en oliekoeken.Zoo kwamen zij te Meulestede, welks roode daken men van verre ontwaart, en daar kwamen zij overeen dat elk op zijn eigen hand zou rond gaan en dat men ’s avonds, vóór de slaapklok, malkander zou vinden in de afspanningden Zwaan.Lamme zwierf door de straten van Gent en verkocht gewetensvol zijne oliekoeken, want hij kreeg zin in zijn bedrijf, maar toch vergat hij zijne vrouw niet, want hij zocht ze gedurig, noch zijnen buik, want hij ledigde menigvuldige pinten en at zonder ophouden.Uilenspiegel had brieven van den prins van Oranje besteld aan Jacob Scoelap, licentiaat in de medicijnen, aan Lieven Smet, kleermaker, aan Jan de Wulfslaeger, aan Gillis Coorne, roodverver, en aan Jan de Roose, ticheldekkker, welke hem het geld ter hand stelden, dat zij voor den prins opgehaald hadden, en hem zeiden nog eenige dagen te Gent en in ’t ronde te blijven, daar zij hem nog meer zouden geven.Die mannen werden later aan de Nieuwe Galge uit hoofde van ketterije gehangen, en hunne lijken werden begraven op het Galgeveld, omtrent de Brugsche poort.
XXIX.Uilenspiegel en Lamme stapten op naar Gent en kwamen met de ochtendschemering omtrent Lokeren.Frissche, witte dampen zweefden over de weiden.De beide wandelaars kwamen voorbij eene smidse en Uilenspiegel schuifelde lijk de leeuwerik, de vogel der vrijheid.En dadelijk vertoonde zich een man met witte, lange haren, vóór de deur van de smidse, en terstond bootste hij het dapper gekraai van den haan na.Uilenspiegel zeide tot Lamme:Dat is smid Wasteele, die ploegscharen maakt, het ijzer smeedt als het warm is om er schoone hekken voor kerkkoren van te verveerdigen, en zeer dikwijls, ’s nachts, wapenen smeedt en slijpt voor de soldaten van het vrije geweten. Hij is vet noch gezond geworden bij dien dubbelen arbeid, want hij is bleek als een spook, treurig als een verdoemde, en zoo mager dat zijne beenderen door zijn vel steken. Hij is nog niet slapen, zeker heeft hij wederom heel den nacht gewrocht.—Komt binnen, gij beiden, zeide smid Wasteele, en brengt uwe ezelen op de meersch, achter het huis.Toen Uilenspiegel en Lamme dit gedaan hadden, kwamen zij terug in de smidse en zagen, dat smid Wasteele al de zweerden in den kelder bracht, die hij binst den nacht geslepen had, en het werk voor zijne knechts gereedmaakte.Uilenspiegel met doffe oogen beziende, vroeg hij hem:—Welk nieuws brengt gij van den Zwijger?Uilenspiegel antwoordde:—De Prins is met zijn leger uit de Nederlanden verjaagd,ter oorzake van de lafheid zijner huurlingen, die roepen: Geld! Geld! als er te vechten valt. Met zijn trouwe soldaten en zijn broeder, graaf Lodewijk, trok hij den koning van Navarra en den hugenoten ter hulp; van daar toog hij naar Duitschland, naar Dillenburg, alwaar vele vluchtelingen uit de Nederlanden tot hem kwamen. Gij moet wapenen zenden en het geld dat gij opgehaald hebt, terwijl wij op zee moeten, om het werk van vrije mannen te verrichten.—Ik zal doen wat mij geheeten wordt, sprak smid Wasteele; ik heb wapenen en negenduizend florijnen. Maar zijt gij hier niet gekomen op ezelen?—Ja, zeiden zij.—En hebt gij, onderwege, gene tijding gehad van drie predikanten, die gedood, uitgeplunderd en in een hol gesmeten werden op de rotsen van de Maas?—Ja, antwoordde Uilenspiegel met de grootste vrijmoedigheid, die drie predikanten waren spionnen van den hertog, die betaald waren om den prins in het verderf te brengen. Wij getweeën, Lamme en ik, hebben hun het tijdelijke met het eeuwige doen verwisselen. Hun geld is in ons bezit en hunne papieren insgelijks. Wij zullen er van nemen wat ons hoeft voor onze reis, de rest zullen wij aan den prins geven.En Uilenspiegel deed zijn wambuis open, alsmede dat van Lamme en trok er papieren en perkamenten uit.Smid Wasteele las ze en sprak vervolgens:—Zij behelzen plannen van gevecht en van samenzweering. Ik zal ze den prins doen behandigen, en er zal hem gezegd worden, dat Uilenspiegel en Lamme Goedzak, zijn trouwe wandelaars, zijn edel leven gered hebben. Ik ga uwe ezelen doen verkoopen, opdat men U niet aan uwe rijdieren zou herkennen.Uilenspiegel vroeg aan smid Wasteele of de vierschaar der schepenen van Namen reeds heure serjanten achter hunne hielen had gezonden.—Ik ga u kond geven van hetgene ik weet, antwoordde Wasteele. Een smid van Namen, een dappere en overtuigde hervormde, is laatst hier bij mij geweest, zoogezeid om mij te vragen hem te helpen in het maken van de hekken, windwijzers en het ander ijzerwerk voor een slot, dat men omtrent La Plante aan ’t bouwen is. De deurwaarder van de vierschaar der schepenen heeft hem verteld, dat zijne meesters reeds bijeengekomenwaren, en dat de baas eener taveerne alreeds geroepen was, omdat hij op eenige honderden stappen van de plaats van den moord woont. Ondervraagd of hij de moordenaars of hen, die hij van den moord kon verdenken, gezien had, heeft hij geantwoord: „Ik heb boeren en boerinnen gezien, die op ezelen reden; sommigen bleven op hunne dieren zitten en vroegen te drinken aan de deur, anderen stegen van hunne ezelen en kwamen in de gelagkamer, de manslieden dronken bier, de vrouwen en meidekens mede. Ik zag ook twee dappere mannen, die spraken van messire van Oranje een kopken kleiner te maken.” Terwijl de baas dit zeide, floot hij, om den steek van een mes in het vleesch van den hals na te bootsen. „Bij Stalen Wind, zeide hij, zal ik u heimelijk op de hoogte houden, daar dit in mijne macht is.” Hij sprak en werd losgelaten. Sedert dien tijd hebben de justitieraden ongetwijfeld brieven gezonden aan de baljuws. De baas zei, dat hij anders niemand gezien had dan boeren en boerinnen op ezelen; daaruit is te voorzien, dat men jacht zal maken op allen die men schrijlings op ezelen zal aantreffen. En de prins heeft u noodig, mijne kinderen.—Verkoop onze ezelen, zeide Uilenspiegel, en de opbrengst kunt gij voegen bij den oorlogsschat van den prins.De dieren werden verkocht.—Nu moet gij, sprak Wasteele, elk een vrij ambacht hebben, dat tot geene gilden behoort. Kunt gij vogelkooien en rattenvallen maken?—Ik heb er vroeger veel gemaakt, zeide Uilenspiegel.—En gij? vroeg Wasteele aan Lamme.—Ik, sprak Lamme, ik zal wafelen en oliekoeken verkoopen.Volgt mij; hier zijn heel gereedgemaakte vogelkooien en rattenvallen, met gereedschap en koperdraad om ze te herstellen en er anderen te maken. Dit alles werd mij gebracht door een mijner spionnenDat is voor u, Uilenspiegel. Gij, Lamme, krijgt een klein komfoor met blaasbalg; ik zal u ook deeg, spek en olie geven, om uwe wafelen en oliekoeken te bakken.—Hij is in staat alles zelf op te eten, zei Uilenspiegel.—Wanneer beginnen wij te bakken? vroeg Lamme.Wasteele antwoordde:—Gij zult mij eerst een nacht of twee moeten helpen; alleen kan ik mijn werk niet afkrijgen.—Ik heb honger, sprak Lamme, is hier niets te eten?—Er is brood en kaas, antwoordde Wasteele.—Zonder boter? vroeg Lamme.—Zonder boter, sprak Wasteele.—Hebt gij bier of wijn? vroeg Uilenspiegel.—Ik zelf drink er nooit, antwoordde Wasteele; doch als gij er hebben wilt, zal ik er halen inden Pelikaan, hier dichtbij.—Ja, sprak Lamme, en breng meteen wat hesp mee.—Ik zal doen wat gij vraagt, sprak Wasteele, die Lamme met groote verachting bekeek.Toch bracht hij dobbelen klauwaard en hesp. En, van genoegen, at Lamme voor vijven.En hij sprak:—Wanneer beginnen wij te werken?—Dezen nacht, sprak Wasteele, maar blijft in de smidse en wees niet bevreesd voor mijne gasten. Het zijn hervormden lijk gij.—Dat gaat mij, sprak Lamme.’s Nachts, als de slaapklokken geluid hadden en de poorten gesloten waren, deed Wasteele zich helpen door Uilenspiegel en Lamme, om uit den kelder zware pakken wapenen naar zijne werkplaats te dragen.—Hier zijn, sprak hij, twintig bussen, die moeten hersteld, dertig lanspunten, die moeten geslepen worden, en lood om vijftienhonderd kogels te gieten; gij gaat mij helpen.—Met mijn beide handen! antwoordde Uilenspiegel. Waarom heb ik er geen vier om u behulpzaam te wezen!—Lamme zal ons helpen, sprak Wasteele.—Ja, antwoordde Lamme op jammerlijken toon, want hij viel van den vaak, ter oorzake van het overvloedig eten en drinken.—Gij zult het lood gieten, sprak Uilenspiegel.—Ik zal, sprak Lamme.Lamme smolt zijn lood en goot zijn kogels, doch grimmig bekeek hij smid Wasteele, die hem dwong op te blijven, terwijl hij zoo’n slaap had.Hij goot de kogels, maar hij had grooten lust het gesmolten lood over het hoofd van smid Wasteele te gieten. Doch hij hield zich in. Rond middernacht werd hij, oververmoeid, door razernij overvallen en, terwijl smid Wasteele en Uilenspiegel geduldig zweerden, bussen en lanspunten slepen, hield hij met sissende stem de volgende rede:—Daar staat gij nu, mager, bleek en schraal, met uw vastvertrouwen in de prinsen en in de grooten der aarde; door overdreven ijver, veronachtzaamt gij uw lichaam, uw edel lichaam, dat gij laat vergaan van ellende en zelfvernedering. Daarom is het niet, dat de goede God u schiep. Vergeet niet dat onze ziel, die de adem des levens is, boonen, ossevleesch, bier, wijn, hesp, worsten, pensen, alsmede rust noodig heeft tot haar bestaan; gij, gij leeft van brood, water en slapeloosheid!—Van waar komt u die ongewone woordenvloed? vroeg Uilenspiegel.—Hij weet niet wat hij zegt, antwoordde Wasteele schokschouderend.Maar Lamme vervolgde:—Ik weet het beter dan gij. Ik zeg dat wij zot zijn, ik, gij en Uilenspiegel insgelijks, onze oogen te bederven voor al die prinsen en heeren, die zeker zouden lachen met ons, als zij ons, overvallen door vermoeienis, den nacht zagen doorbrengen met wapenen te slijpen en kogels te gieten, te hunnen dienste. Terwijl zij wijn uit gouden bekers drinken en kapoenen in tinnen schotels eten, vragen zij zich niet af of hunne vijanden met hunne zeisen onze beenen niet afkappen en ons in den doodenkuil niet werpen. Intusschen zullen zij, die in den grond noch hervormden, noch calvinisten, noch lutheranen, noch katholieken zijn, maar aan God noch duivel gelooven, heerlijkheden koopen en bemachtigen, het goed van monniken, abten en konventen inslikken. Alles zal voor hen zijn: en vrouwen en maagden en meidekens; uit hunne gouden bekers zullen zij drinken op hun eeuwig welzijn, op onze altijddurende onnoozelheid en op de zeven hoofdzonden, die zij gedurig bedrijven; ja, smid Wasteele, en dàt onder uwen neus, die mager is van geestdrift. Aanschouw de velden, de weiden, zie naar de oogsten, de boomgaarden, de ossen, het goud dat opstijgt uit de aarde; aanschouw de wilde dieren van de bosschen, de vogelen van de hemelen, de lekkere ortolanen, de heerlijke lijsters, den kop van het everzwijn, den bout van den reebok: jacht, vischvangst, aarde, zee, alles, alles is voor hen! En gij, gij leeft van water en brood, en wij, wij werken ons dood voor hen, zonder slapen, zonder eten, zonder drinken! En als wij er onder zullen bezweken zijn, zullen zij onze lijken uit hunnen weg schoppen en tot onze moeders zeggen: „Maakt er anderen, deze krengen kunnen ons niet meer dienen.”Uilenspiegel lachte goedmoedig zonder iets te zeggen; Lammeblies van verontweerdiging, doch Wasteele zeide op zachtmoedigen toon:—Gij spreekt lichtzinnig. Ik leef niet voor hesp, voor bier, noch voor ortolanen, maar voor de zegepraal van het vrije geweten. Voor de vrijheid, doet de prins lijk ik. Hij offert zijn goed, zijne rust, zijn geluk op om de beulen en de dwingelandij uit de Nederlanden te verdrijven. Doe lijk hij en tracht mager te worden. Het is niet met den buik dat men de volkeren redt, maar met fieren moed en met geduldige vermoeienis. En nu,... ga maar slapen, zoo gij vaak hebt.Maar Lamme wilde niet slapen gaan, want de smid had hem beschaamd.En gedrieën slepen zij wapenen en smolten zij kogelen tot den dageraad.En dit drie nachten achtereen.Toen vertrokken zij naar Gent. Onderwege leurden zij met vogelkooien, muizenvallen en oliekoeken.Zoo kwamen zij te Meulestede, welks roode daken men van verre ontwaart, en daar kwamen zij overeen dat elk op zijn eigen hand zou rond gaan en dat men ’s avonds, vóór de slaapklok, malkander zou vinden in de afspanningden Zwaan.Lamme zwierf door de straten van Gent en verkocht gewetensvol zijne oliekoeken, want hij kreeg zin in zijn bedrijf, maar toch vergat hij zijne vrouw niet, want hij zocht ze gedurig, noch zijnen buik, want hij ledigde menigvuldige pinten en at zonder ophouden.Uilenspiegel had brieven van den prins van Oranje besteld aan Jacob Scoelap, licentiaat in de medicijnen, aan Lieven Smet, kleermaker, aan Jan de Wulfslaeger, aan Gillis Coorne, roodverver, en aan Jan de Roose, ticheldekkker, welke hem het geld ter hand stelden, dat zij voor den prins opgehaald hadden, en hem zeiden nog eenige dagen te Gent en in ’t ronde te blijven, daar zij hem nog meer zouden geven.Die mannen werden later aan de Nieuwe Galge uit hoofde van ketterije gehangen, en hunne lijken werden begraven op het Galgeveld, omtrent de Brugsche poort.
XXIX.
Uilenspiegel en Lamme stapten op naar Gent en kwamen met de ochtendschemering omtrent Lokeren.Frissche, witte dampen zweefden over de weiden.De beide wandelaars kwamen voorbij eene smidse en Uilenspiegel schuifelde lijk de leeuwerik, de vogel der vrijheid.En dadelijk vertoonde zich een man met witte, lange haren, vóór de deur van de smidse, en terstond bootste hij het dapper gekraai van den haan na.Uilenspiegel zeide tot Lamme:Dat is smid Wasteele, die ploegscharen maakt, het ijzer smeedt als het warm is om er schoone hekken voor kerkkoren van te verveerdigen, en zeer dikwijls, ’s nachts, wapenen smeedt en slijpt voor de soldaten van het vrije geweten. Hij is vet noch gezond geworden bij dien dubbelen arbeid, want hij is bleek als een spook, treurig als een verdoemde, en zoo mager dat zijne beenderen door zijn vel steken. Hij is nog niet slapen, zeker heeft hij wederom heel den nacht gewrocht.—Komt binnen, gij beiden, zeide smid Wasteele, en brengt uwe ezelen op de meersch, achter het huis.Toen Uilenspiegel en Lamme dit gedaan hadden, kwamen zij terug in de smidse en zagen, dat smid Wasteele al de zweerden in den kelder bracht, die hij binst den nacht geslepen had, en het werk voor zijne knechts gereedmaakte.Uilenspiegel met doffe oogen beziende, vroeg hij hem:—Welk nieuws brengt gij van den Zwijger?Uilenspiegel antwoordde:—De Prins is met zijn leger uit de Nederlanden verjaagd,ter oorzake van de lafheid zijner huurlingen, die roepen: Geld! Geld! als er te vechten valt. Met zijn trouwe soldaten en zijn broeder, graaf Lodewijk, trok hij den koning van Navarra en den hugenoten ter hulp; van daar toog hij naar Duitschland, naar Dillenburg, alwaar vele vluchtelingen uit de Nederlanden tot hem kwamen. Gij moet wapenen zenden en het geld dat gij opgehaald hebt, terwijl wij op zee moeten, om het werk van vrije mannen te verrichten.—Ik zal doen wat mij geheeten wordt, sprak smid Wasteele; ik heb wapenen en negenduizend florijnen. Maar zijt gij hier niet gekomen op ezelen?—Ja, zeiden zij.—En hebt gij, onderwege, gene tijding gehad van drie predikanten, die gedood, uitgeplunderd en in een hol gesmeten werden op de rotsen van de Maas?—Ja, antwoordde Uilenspiegel met de grootste vrijmoedigheid, die drie predikanten waren spionnen van den hertog, die betaald waren om den prins in het verderf te brengen. Wij getweeën, Lamme en ik, hebben hun het tijdelijke met het eeuwige doen verwisselen. Hun geld is in ons bezit en hunne papieren insgelijks. Wij zullen er van nemen wat ons hoeft voor onze reis, de rest zullen wij aan den prins geven.En Uilenspiegel deed zijn wambuis open, alsmede dat van Lamme en trok er papieren en perkamenten uit.Smid Wasteele las ze en sprak vervolgens:—Zij behelzen plannen van gevecht en van samenzweering. Ik zal ze den prins doen behandigen, en er zal hem gezegd worden, dat Uilenspiegel en Lamme Goedzak, zijn trouwe wandelaars, zijn edel leven gered hebben. Ik ga uwe ezelen doen verkoopen, opdat men U niet aan uwe rijdieren zou herkennen.Uilenspiegel vroeg aan smid Wasteele of de vierschaar der schepenen van Namen reeds heure serjanten achter hunne hielen had gezonden.—Ik ga u kond geven van hetgene ik weet, antwoordde Wasteele. Een smid van Namen, een dappere en overtuigde hervormde, is laatst hier bij mij geweest, zoogezeid om mij te vragen hem te helpen in het maken van de hekken, windwijzers en het ander ijzerwerk voor een slot, dat men omtrent La Plante aan ’t bouwen is. De deurwaarder van de vierschaar der schepenen heeft hem verteld, dat zijne meesters reeds bijeengekomenwaren, en dat de baas eener taveerne alreeds geroepen was, omdat hij op eenige honderden stappen van de plaats van den moord woont. Ondervraagd of hij de moordenaars of hen, die hij van den moord kon verdenken, gezien had, heeft hij geantwoord: „Ik heb boeren en boerinnen gezien, die op ezelen reden; sommigen bleven op hunne dieren zitten en vroegen te drinken aan de deur, anderen stegen van hunne ezelen en kwamen in de gelagkamer, de manslieden dronken bier, de vrouwen en meidekens mede. Ik zag ook twee dappere mannen, die spraken van messire van Oranje een kopken kleiner te maken.” Terwijl de baas dit zeide, floot hij, om den steek van een mes in het vleesch van den hals na te bootsen. „Bij Stalen Wind, zeide hij, zal ik u heimelijk op de hoogte houden, daar dit in mijne macht is.” Hij sprak en werd losgelaten. Sedert dien tijd hebben de justitieraden ongetwijfeld brieven gezonden aan de baljuws. De baas zei, dat hij anders niemand gezien had dan boeren en boerinnen op ezelen; daaruit is te voorzien, dat men jacht zal maken op allen die men schrijlings op ezelen zal aantreffen. En de prins heeft u noodig, mijne kinderen.—Verkoop onze ezelen, zeide Uilenspiegel, en de opbrengst kunt gij voegen bij den oorlogsschat van den prins.De dieren werden verkocht.—Nu moet gij, sprak Wasteele, elk een vrij ambacht hebben, dat tot geene gilden behoort. Kunt gij vogelkooien en rattenvallen maken?—Ik heb er vroeger veel gemaakt, zeide Uilenspiegel.—En gij? vroeg Wasteele aan Lamme.—Ik, sprak Lamme, ik zal wafelen en oliekoeken verkoopen.Volgt mij; hier zijn heel gereedgemaakte vogelkooien en rattenvallen, met gereedschap en koperdraad om ze te herstellen en er anderen te maken. Dit alles werd mij gebracht door een mijner spionnenDat is voor u, Uilenspiegel. Gij, Lamme, krijgt een klein komfoor met blaasbalg; ik zal u ook deeg, spek en olie geven, om uwe wafelen en oliekoeken te bakken.—Hij is in staat alles zelf op te eten, zei Uilenspiegel.—Wanneer beginnen wij te bakken? vroeg Lamme.Wasteele antwoordde:—Gij zult mij eerst een nacht of twee moeten helpen; alleen kan ik mijn werk niet afkrijgen.—Ik heb honger, sprak Lamme, is hier niets te eten?—Er is brood en kaas, antwoordde Wasteele.—Zonder boter? vroeg Lamme.—Zonder boter, sprak Wasteele.—Hebt gij bier of wijn? vroeg Uilenspiegel.—Ik zelf drink er nooit, antwoordde Wasteele; doch als gij er hebben wilt, zal ik er halen inden Pelikaan, hier dichtbij.—Ja, sprak Lamme, en breng meteen wat hesp mee.—Ik zal doen wat gij vraagt, sprak Wasteele, die Lamme met groote verachting bekeek.Toch bracht hij dobbelen klauwaard en hesp. En, van genoegen, at Lamme voor vijven.En hij sprak:—Wanneer beginnen wij te werken?—Dezen nacht, sprak Wasteele, maar blijft in de smidse en wees niet bevreesd voor mijne gasten. Het zijn hervormden lijk gij.—Dat gaat mij, sprak Lamme.’s Nachts, als de slaapklokken geluid hadden en de poorten gesloten waren, deed Wasteele zich helpen door Uilenspiegel en Lamme, om uit den kelder zware pakken wapenen naar zijne werkplaats te dragen.—Hier zijn, sprak hij, twintig bussen, die moeten hersteld, dertig lanspunten, die moeten geslepen worden, en lood om vijftienhonderd kogels te gieten; gij gaat mij helpen.—Met mijn beide handen! antwoordde Uilenspiegel. Waarom heb ik er geen vier om u behulpzaam te wezen!—Lamme zal ons helpen, sprak Wasteele.—Ja, antwoordde Lamme op jammerlijken toon, want hij viel van den vaak, ter oorzake van het overvloedig eten en drinken.—Gij zult het lood gieten, sprak Uilenspiegel.—Ik zal, sprak Lamme.Lamme smolt zijn lood en goot zijn kogels, doch grimmig bekeek hij smid Wasteele, die hem dwong op te blijven, terwijl hij zoo’n slaap had.Hij goot de kogels, maar hij had grooten lust het gesmolten lood over het hoofd van smid Wasteele te gieten. Doch hij hield zich in. Rond middernacht werd hij, oververmoeid, door razernij overvallen en, terwijl smid Wasteele en Uilenspiegel geduldig zweerden, bussen en lanspunten slepen, hield hij met sissende stem de volgende rede:—Daar staat gij nu, mager, bleek en schraal, met uw vastvertrouwen in de prinsen en in de grooten der aarde; door overdreven ijver, veronachtzaamt gij uw lichaam, uw edel lichaam, dat gij laat vergaan van ellende en zelfvernedering. Daarom is het niet, dat de goede God u schiep. Vergeet niet dat onze ziel, die de adem des levens is, boonen, ossevleesch, bier, wijn, hesp, worsten, pensen, alsmede rust noodig heeft tot haar bestaan; gij, gij leeft van brood, water en slapeloosheid!—Van waar komt u die ongewone woordenvloed? vroeg Uilenspiegel.—Hij weet niet wat hij zegt, antwoordde Wasteele schokschouderend.Maar Lamme vervolgde:—Ik weet het beter dan gij. Ik zeg dat wij zot zijn, ik, gij en Uilenspiegel insgelijks, onze oogen te bederven voor al die prinsen en heeren, die zeker zouden lachen met ons, als zij ons, overvallen door vermoeienis, den nacht zagen doorbrengen met wapenen te slijpen en kogels te gieten, te hunnen dienste. Terwijl zij wijn uit gouden bekers drinken en kapoenen in tinnen schotels eten, vragen zij zich niet af of hunne vijanden met hunne zeisen onze beenen niet afkappen en ons in den doodenkuil niet werpen. Intusschen zullen zij, die in den grond noch hervormden, noch calvinisten, noch lutheranen, noch katholieken zijn, maar aan God noch duivel gelooven, heerlijkheden koopen en bemachtigen, het goed van monniken, abten en konventen inslikken. Alles zal voor hen zijn: en vrouwen en maagden en meidekens; uit hunne gouden bekers zullen zij drinken op hun eeuwig welzijn, op onze altijddurende onnoozelheid en op de zeven hoofdzonden, die zij gedurig bedrijven; ja, smid Wasteele, en dàt onder uwen neus, die mager is van geestdrift. Aanschouw de velden, de weiden, zie naar de oogsten, de boomgaarden, de ossen, het goud dat opstijgt uit de aarde; aanschouw de wilde dieren van de bosschen, de vogelen van de hemelen, de lekkere ortolanen, de heerlijke lijsters, den kop van het everzwijn, den bout van den reebok: jacht, vischvangst, aarde, zee, alles, alles is voor hen! En gij, gij leeft van water en brood, en wij, wij werken ons dood voor hen, zonder slapen, zonder eten, zonder drinken! En als wij er onder zullen bezweken zijn, zullen zij onze lijken uit hunnen weg schoppen en tot onze moeders zeggen: „Maakt er anderen, deze krengen kunnen ons niet meer dienen.”Uilenspiegel lachte goedmoedig zonder iets te zeggen; Lammeblies van verontweerdiging, doch Wasteele zeide op zachtmoedigen toon:—Gij spreekt lichtzinnig. Ik leef niet voor hesp, voor bier, noch voor ortolanen, maar voor de zegepraal van het vrije geweten. Voor de vrijheid, doet de prins lijk ik. Hij offert zijn goed, zijne rust, zijn geluk op om de beulen en de dwingelandij uit de Nederlanden te verdrijven. Doe lijk hij en tracht mager te worden. Het is niet met den buik dat men de volkeren redt, maar met fieren moed en met geduldige vermoeienis. En nu,... ga maar slapen, zoo gij vaak hebt.Maar Lamme wilde niet slapen gaan, want de smid had hem beschaamd.En gedrieën slepen zij wapenen en smolten zij kogelen tot den dageraad.En dit drie nachten achtereen.Toen vertrokken zij naar Gent. Onderwege leurden zij met vogelkooien, muizenvallen en oliekoeken.Zoo kwamen zij te Meulestede, welks roode daken men van verre ontwaart, en daar kwamen zij overeen dat elk op zijn eigen hand zou rond gaan en dat men ’s avonds, vóór de slaapklok, malkander zou vinden in de afspanningden Zwaan.Lamme zwierf door de straten van Gent en verkocht gewetensvol zijne oliekoeken, want hij kreeg zin in zijn bedrijf, maar toch vergat hij zijne vrouw niet, want hij zocht ze gedurig, noch zijnen buik, want hij ledigde menigvuldige pinten en at zonder ophouden.Uilenspiegel had brieven van den prins van Oranje besteld aan Jacob Scoelap, licentiaat in de medicijnen, aan Lieven Smet, kleermaker, aan Jan de Wulfslaeger, aan Gillis Coorne, roodverver, en aan Jan de Roose, ticheldekkker, welke hem het geld ter hand stelden, dat zij voor den prins opgehaald hadden, en hem zeiden nog eenige dagen te Gent en in ’t ronde te blijven, daar zij hem nog meer zouden geven.Die mannen werden later aan de Nieuwe Galge uit hoofde van ketterije gehangen, en hunne lijken werden begraven op het Galgeveld, omtrent de Brugsche poort.
Uilenspiegel en Lamme stapten op naar Gent en kwamen met de ochtendschemering omtrent Lokeren.
Frissche, witte dampen zweefden over de weiden.
De beide wandelaars kwamen voorbij eene smidse en Uilenspiegel schuifelde lijk de leeuwerik, de vogel der vrijheid.
En dadelijk vertoonde zich een man met witte, lange haren, vóór de deur van de smidse, en terstond bootste hij het dapper gekraai van den haan na.
Uilenspiegel zeide tot Lamme:
Dat is smid Wasteele, die ploegscharen maakt, het ijzer smeedt als het warm is om er schoone hekken voor kerkkoren van te verveerdigen, en zeer dikwijls, ’s nachts, wapenen smeedt en slijpt voor de soldaten van het vrije geweten. Hij is vet noch gezond geworden bij dien dubbelen arbeid, want hij is bleek als een spook, treurig als een verdoemde, en zoo mager dat zijne beenderen door zijn vel steken. Hij is nog niet slapen, zeker heeft hij wederom heel den nacht gewrocht.
—Komt binnen, gij beiden, zeide smid Wasteele, en brengt uwe ezelen op de meersch, achter het huis.
Toen Uilenspiegel en Lamme dit gedaan hadden, kwamen zij terug in de smidse en zagen, dat smid Wasteele al de zweerden in den kelder bracht, die hij binst den nacht geslepen had, en het werk voor zijne knechts gereedmaakte.
Uilenspiegel met doffe oogen beziende, vroeg hij hem:
—Welk nieuws brengt gij van den Zwijger?
Uilenspiegel antwoordde:
—De Prins is met zijn leger uit de Nederlanden verjaagd,ter oorzake van de lafheid zijner huurlingen, die roepen: Geld! Geld! als er te vechten valt. Met zijn trouwe soldaten en zijn broeder, graaf Lodewijk, trok hij den koning van Navarra en den hugenoten ter hulp; van daar toog hij naar Duitschland, naar Dillenburg, alwaar vele vluchtelingen uit de Nederlanden tot hem kwamen. Gij moet wapenen zenden en het geld dat gij opgehaald hebt, terwijl wij op zee moeten, om het werk van vrije mannen te verrichten.
—Ik zal doen wat mij geheeten wordt, sprak smid Wasteele; ik heb wapenen en negenduizend florijnen. Maar zijt gij hier niet gekomen op ezelen?
—Ja, zeiden zij.
—En hebt gij, onderwege, gene tijding gehad van drie predikanten, die gedood, uitgeplunderd en in een hol gesmeten werden op de rotsen van de Maas?
—Ja, antwoordde Uilenspiegel met de grootste vrijmoedigheid, die drie predikanten waren spionnen van den hertog, die betaald waren om den prins in het verderf te brengen. Wij getweeën, Lamme en ik, hebben hun het tijdelijke met het eeuwige doen verwisselen. Hun geld is in ons bezit en hunne papieren insgelijks. Wij zullen er van nemen wat ons hoeft voor onze reis, de rest zullen wij aan den prins geven.
En Uilenspiegel deed zijn wambuis open, alsmede dat van Lamme en trok er papieren en perkamenten uit.
Smid Wasteele las ze en sprak vervolgens:
—Zij behelzen plannen van gevecht en van samenzweering. Ik zal ze den prins doen behandigen, en er zal hem gezegd worden, dat Uilenspiegel en Lamme Goedzak, zijn trouwe wandelaars, zijn edel leven gered hebben. Ik ga uwe ezelen doen verkoopen, opdat men U niet aan uwe rijdieren zou herkennen.
Uilenspiegel vroeg aan smid Wasteele of de vierschaar der schepenen van Namen reeds heure serjanten achter hunne hielen had gezonden.
—Ik ga u kond geven van hetgene ik weet, antwoordde Wasteele. Een smid van Namen, een dappere en overtuigde hervormde, is laatst hier bij mij geweest, zoogezeid om mij te vragen hem te helpen in het maken van de hekken, windwijzers en het ander ijzerwerk voor een slot, dat men omtrent La Plante aan ’t bouwen is. De deurwaarder van de vierschaar der schepenen heeft hem verteld, dat zijne meesters reeds bijeengekomenwaren, en dat de baas eener taveerne alreeds geroepen was, omdat hij op eenige honderden stappen van de plaats van den moord woont. Ondervraagd of hij de moordenaars of hen, die hij van den moord kon verdenken, gezien had, heeft hij geantwoord: „Ik heb boeren en boerinnen gezien, die op ezelen reden; sommigen bleven op hunne dieren zitten en vroegen te drinken aan de deur, anderen stegen van hunne ezelen en kwamen in de gelagkamer, de manslieden dronken bier, de vrouwen en meidekens mede. Ik zag ook twee dappere mannen, die spraken van messire van Oranje een kopken kleiner te maken.” Terwijl de baas dit zeide, floot hij, om den steek van een mes in het vleesch van den hals na te bootsen. „Bij Stalen Wind, zeide hij, zal ik u heimelijk op de hoogte houden, daar dit in mijne macht is.” Hij sprak en werd losgelaten. Sedert dien tijd hebben de justitieraden ongetwijfeld brieven gezonden aan de baljuws. De baas zei, dat hij anders niemand gezien had dan boeren en boerinnen op ezelen; daaruit is te voorzien, dat men jacht zal maken op allen die men schrijlings op ezelen zal aantreffen. En de prins heeft u noodig, mijne kinderen.
—Verkoop onze ezelen, zeide Uilenspiegel, en de opbrengst kunt gij voegen bij den oorlogsschat van den prins.
De dieren werden verkocht.
—Nu moet gij, sprak Wasteele, elk een vrij ambacht hebben, dat tot geene gilden behoort. Kunt gij vogelkooien en rattenvallen maken?
—Ik heb er vroeger veel gemaakt, zeide Uilenspiegel.
—En gij? vroeg Wasteele aan Lamme.
—Ik, sprak Lamme, ik zal wafelen en oliekoeken verkoopen.
Volgt mij; hier zijn heel gereedgemaakte vogelkooien en rattenvallen, met gereedschap en koperdraad om ze te herstellen en er anderen te maken. Dit alles werd mij gebracht door een mijner spionnenDat is voor u, Uilenspiegel. Gij, Lamme, krijgt een klein komfoor met blaasbalg; ik zal u ook deeg, spek en olie geven, om uwe wafelen en oliekoeken te bakken.
—Hij is in staat alles zelf op te eten, zei Uilenspiegel.
—Wanneer beginnen wij te bakken? vroeg Lamme.
Wasteele antwoordde:
—Gij zult mij eerst een nacht of twee moeten helpen; alleen kan ik mijn werk niet afkrijgen.
—Ik heb honger, sprak Lamme, is hier niets te eten?
—Er is brood en kaas, antwoordde Wasteele.
—Zonder boter? vroeg Lamme.
—Zonder boter, sprak Wasteele.
—Hebt gij bier of wijn? vroeg Uilenspiegel.
—Ik zelf drink er nooit, antwoordde Wasteele; doch als gij er hebben wilt, zal ik er halen inden Pelikaan, hier dichtbij.
—Ja, sprak Lamme, en breng meteen wat hesp mee.
—Ik zal doen wat gij vraagt, sprak Wasteele, die Lamme met groote verachting bekeek.
Toch bracht hij dobbelen klauwaard en hesp. En, van genoegen, at Lamme voor vijven.
En hij sprak:
—Wanneer beginnen wij te werken?
—Dezen nacht, sprak Wasteele, maar blijft in de smidse en wees niet bevreesd voor mijne gasten. Het zijn hervormden lijk gij.
—Dat gaat mij, sprak Lamme.
’s Nachts, als de slaapklokken geluid hadden en de poorten gesloten waren, deed Wasteele zich helpen door Uilenspiegel en Lamme, om uit den kelder zware pakken wapenen naar zijne werkplaats te dragen.
—Hier zijn, sprak hij, twintig bussen, die moeten hersteld, dertig lanspunten, die moeten geslepen worden, en lood om vijftienhonderd kogels te gieten; gij gaat mij helpen.
—Met mijn beide handen! antwoordde Uilenspiegel. Waarom heb ik er geen vier om u behulpzaam te wezen!
—Lamme zal ons helpen, sprak Wasteele.
—Ja, antwoordde Lamme op jammerlijken toon, want hij viel van den vaak, ter oorzake van het overvloedig eten en drinken.
—Gij zult het lood gieten, sprak Uilenspiegel.
—Ik zal, sprak Lamme.
Lamme smolt zijn lood en goot zijn kogels, doch grimmig bekeek hij smid Wasteele, die hem dwong op te blijven, terwijl hij zoo’n slaap had.
Hij goot de kogels, maar hij had grooten lust het gesmolten lood over het hoofd van smid Wasteele te gieten. Doch hij hield zich in. Rond middernacht werd hij, oververmoeid, door razernij overvallen en, terwijl smid Wasteele en Uilenspiegel geduldig zweerden, bussen en lanspunten slepen, hield hij met sissende stem de volgende rede:
—Daar staat gij nu, mager, bleek en schraal, met uw vastvertrouwen in de prinsen en in de grooten der aarde; door overdreven ijver, veronachtzaamt gij uw lichaam, uw edel lichaam, dat gij laat vergaan van ellende en zelfvernedering. Daarom is het niet, dat de goede God u schiep. Vergeet niet dat onze ziel, die de adem des levens is, boonen, ossevleesch, bier, wijn, hesp, worsten, pensen, alsmede rust noodig heeft tot haar bestaan; gij, gij leeft van brood, water en slapeloosheid!
—Van waar komt u die ongewone woordenvloed? vroeg Uilenspiegel.
—Hij weet niet wat hij zegt, antwoordde Wasteele schokschouderend.
Maar Lamme vervolgde:
—Ik weet het beter dan gij. Ik zeg dat wij zot zijn, ik, gij en Uilenspiegel insgelijks, onze oogen te bederven voor al die prinsen en heeren, die zeker zouden lachen met ons, als zij ons, overvallen door vermoeienis, den nacht zagen doorbrengen met wapenen te slijpen en kogels te gieten, te hunnen dienste. Terwijl zij wijn uit gouden bekers drinken en kapoenen in tinnen schotels eten, vragen zij zich niet af of hunne vijanden met hunne zeisen onze beenen niet afkappen en ons in den doodenkuil niet werpen. Intusschen zullen zij, die in den grond noch hervormden, noch calvinisten, noch lutheranen, noch katholieken zijn, maar aan God noch duivel gelooven, heerlijkheden koopen en bemachtigen, het goed van monniken, abten en konventen inslikken. Alles zal voor hen zijn: en vrouwen en maagden en meidekens; uit hunne gouden bekers zullen zij drinken op hun eeuwig welzijn, op onze altijddurende onnoozelheid en op de zeven hoofdzonden, die zij gedurig bedrijven; ja, smid Wasteele, en dàt onder uwen neus, die mager is van geestdrift. Aanschouw de velden, de weiden, zie naar de oogsten, de boomgaarden, de ossen, het goud dat opstijgt uit de aarde; aanschouw de wilde dieren van de bosschen, de vogelen van de hemelen, de lekkere ortolanen, de heerlijke lijsters, den kop van het everzwijn, den bout van den reebok: jacht, vischvangst, aarde, zee, alles, alles is voor hen! En gij, gij leeft van water en brood, en wij, wij werken ons dood voor hen, zonder slapen, zonder eten, zonder drinken! En als wij er onder zullen bezweken zijn, zullen zij onze lijken uit hunnen weg schoppen en tot onze moeders zeggen: „Maakt er anderen, deze krengen kunnen ons niet meer dienen.”
Uilenspiegel lachte goedmoedig zonder iets te zeggen; Lammeblies van verontweerdiging, doch Wasteele zeide op zachtmoedigen toon:
—Gij spreekt lichtzinnig. Ik leef niet voor hesp, voor bier, noch voor ortolanen, maar voor de zegepraal van het vrije geweten. Voor de vrijheid, doet de prins lijk ik. Hij offert zijn goed, zijne rust, zijn geluk op om de beulen en de dwingelandij uit de Nederlanden te verdrijven. Doe lijk hij en tracht mager te worden. Het is niet met den buik dat men de volkeren redt, maar met fieren moed en met geduldige vermoeienis. En nu,... ga maar slapen, zoo gij vaak hebt.
Maar Lamme wilde niet slapen gaan, want de smid had hem beschaamd.
En gedrieën slepen zij wapenen en smolten zij kogelen tot den dageraad.
En dit drie nachten achtereen.
Toen vertrokken zij naar Gent. Onderwege leurden zij met vogelkooien, muizenvallen en oliekoeken.
Zoo kwamen zij te Meulestede, welks roode daken men van verre ontwaart, en daar kwamen zij overeen dat elk op zijn eigen hand zou rond gaan en dat men ’s avonds, vóór de slaapklok, malkander zou vinden in de afspanningden Zwaan.
Lamme zwierf door de straten van Gent en verkocht gewetensvol zijne oliekoeken, want hij kreeg zin in zijn bedrijf, maar toch vergat hij zijne vrouw niet, want hij zocht ze gedurig, noch zijnen buik, want hij ledigde menigvuldige pinten en at zonder ophouden.
Uilenspiegel had brieven van den prins van Oranje besteld aan Jacob Scoelap, licentiaat in de medicijnen, aan Lieven Smet, kleermaker, aan Jan de Wulfslaeger, aan Gillis Coorne, roodverver, en aan Jan de Roose, ticheldekkker, welke hem het geld ter hand stelden, dat zij voor den prins opgehaald hadden, en hem zeiden nog eenige dagen te Gent en in ’t ronde te blijven, daar zij hem nog meer zouden geven.
Die mannen werden later aan de Nieuwe Galge uit hoofde van ketterije gehangen, en hunne lijken werden begraven op het Galgeveld, omtrent de Brugsche poort.