XXV.De infant, nu vijftien jaar oud, dwaalde als naar gewoonte door gangen en trappen en zalen van ’t slot. Doch meestal slenterde hij rond de vertrekken der edelvrouwen, om de edelknapen te verschalken, die, gelijk hij, als katten in de gangen op loer lagen.Andere jonkers waren in den tuin, keken verzuchtend omhoog, en zongen eene ballade van minne.Als de infant het hoorde, vertoonde hij zich eensklaps aan een der vensteren, en de arme edelknapen waren ontsteld als zij zijn bleeke tronie zagen, in stee van de zoete oogen hunner schoonen.Onder de edelvrouwen van het hof was een lieftallige dame, een Vlaamsche van Dudzele, omtrent Damme, van ongemeene schoonheid en in de volheid harer jaren, met oogen, groenig-bruin,en rossig, krullend haar, dat schitterde als goud. Vroolijk van zin en vurig van aard, verheelde zij niemand hare neiging tot den gelukkige, wien zij, op heur aanbiddelijk erf, het hemelsch privilege van liefde schonk. De uitverkorene heurs herten was een schoon en fier ridder. Elken dag op vast uur, ging zij tot hem, hetgeen Philippus wist.Hij zette zich op eene bank tegenover een venster en wachtte. En als zij hem voorbijging met flikkerend oog en met rozeroode lippen, en glanzend van jeugd en van liefde in haar kleed van goudbrocaat, zag zij den infant, die, zonder zich van zijne plaats te verheffen, tot haar zegde:—Mevrouwe, hebt gij een oogenblik voor mij?Driftig als de merrie, die in haren loop gestuit wordt op ’t oogenblik dat zij rent naar den schoonen hengst, die in den beemd hinnikt, antwoordde zij:—Hoogheid, een ieder moet gehoorzamen aan Uwen vorstelijken wil.—Zet U naast mij, sprak de infant.Onbeschaamd, listiglijk en onbermhertig zag hij haar aan:—Zeg mij het Onze-vader in Vlaamsche tale; men heeft het mij geleerd, laas! ik heb het vergeten.De arme vrouw zegde een Vader-ons, doch tamelijk vlug, maar hij dwong haar telkens tot langzamer spreken.En aldus noodzaakte hij heur het tot tienmaal toe te zeggen, aan haar, die op dit uur aan andere gebeden dacht.Daarna sprak hij vleiend van heure schoone gouden lokken, van heure heldere tint, heur klare oogen, maar niets dorst hij zeggen van heur gevleesde schouderen, noch van haren fraai gevormden boezem, noch van iets anders.Zij meende te mogen heengaan en blikte reeds naar den tuin waar zij haren minnaar wachtte, toen hij vroeg of ze wist welke de deugden der vrouw zijn?Daar zij niet antwoordde uit vreeze van verkeerd te spreken, deed hij het in heure plaats, en zegde hij op den toon van een zedenpreeker:—Deugden der vrouwe zijn kuischheid, eerzaamheid en ingetogenheid.Hij ried haar aan zich zedig te kleeden en alles wat heur was, zorgvuldiglijk te verbergen.Zij knikte ten teeken van goedkeuring en zeide, dat zij zich voor Zijne Noordpoolachtige Hoogheid liever met tienberenhuiden dan met eene el neteldoek bedekken zou.En terwijl hij onthutst was over dit antwoord, nam zij lachende de vlucht.Nochmaals was het vuur der jeugd in de borst van den infant ontbrand: maar het was dit gloeiende vuur niet, dat de sterke zielen tot groote daden drijft, noch het zoete vuur, dat de teedere herten doet weenen: ’t was een somber vuur uit de helle, door Satan ontstoken. En het glom in zijne grijze oogen, gelijk de maan boven een kerkhof, in winternacht. En het brandde hem wreedelijk.Daar de arme gluiperd geene liefde voor anderen voelde, dorst hij de edelvrouwen niet aanspreken; toen ging hij naar een afgelegen hoekje, in een kamertje, met witte muren, slecht verlicht, waar hij gemeenlijk zijne lekkernijen at en waar een groote menigte vliegen waren, om den wille van de brokkelingen. Daar streelde hij zichzelven, terwijl hij de vliegen met den kop tegen de ruiten plette en er met honderden doodde, totdat zijne vingeren te danig beefden om hunne bloedige bezigheid voort te zetten. En in die wreede uitspanning vond hij een genot, mits geilheid en wreedheid twee eerlooze zusteren zijn. Als hij uit dat hok kwam, was hij nog somberder dan te voren en een ieder ontvluchtte het bleeke gelaat van dien terugstootenden prins.En de treurige Hoogheid leed, want slecht herte is smerte.
XXV.De infant, nu vijftien jaar oud, dwaalde als naar gewoonte door gangen en trappen en zalen van ’t slot. Doch meestal slenterde hij rond de vertrekken der edelvrouwen, om de edelknapen te verschalken, die, gelijk hij, als katten in de gangen op loer lagen.Andere jonkers waren in den tuin, keken verzuchtend omhoog, en zongen eene ballade van minne.Als de infant het hoorde, vertoonde hij zich eensklaps aan een der vensteren, en de arme edelknapen waren ontsteld als zij zijn bleeke tronie zagen, in stee van de zoete oogen hunner schoonen.Onder de edelvrouwen van het hof was een lieftallige dame, een Vlaamsche van Dudzele, omtrent Damme, van ongemeene schoonheid en in de volheid harer jaren, met oogen, groenig-bruin,en rossig, krullend haar, dat schitterde als goud. Vroolijk van zin en vurig van aard, verheelde zij niemand hare neiging tot den gelukkige, wien zij, op heur aanbiddelijk erf, het hemelsch privilege van liefde schonk. De uitverkorene heurs herten was een schoon en fier ridder. Elken dag op vast uur, ging zij tot hem, hetgeen Philippus wist.Hij zette zich op eene bank tegenover een venster en wachtte. En als zij hem voorbijging met flikkerend oog en met rozeroode lippen, en glanzend van jeugd en van liefde in haar kleed van goudbrocaat, zag zij den infant, die, zonder zich van zijne plaats te verheffen, tot haar zegde:—Mevrouwe, hebt gij een oogenblik voor mij?Driftig als de merrie, die in haren loop gestuit wordt op ’t oogenblik dat zij rent naar den schoonen hengst, die in den beemd hinnikt, antwoordde zij:—Hoogheid, een ieder moet gehoorzamen aan Uwen vorstelijken wil.—Zet U naast mij, sprak de infant.Onbeschaamd, listiglijk en onbermhertig zag hij haar aan:—Zeg mij het Onze-vader in Vlaamsche tale; men heeft het mij geleerd, laas! ik heb het vergeten.De arme vrouw zegde een Vader-ons, doch tamelijk vlug, maar hij dwong haar telkens tot langzamer spreken.En aldus noodzaakte hij heur het tot tienmaal toe te zeggen, aan haar, die op dit uur aan andere gebeden dacht.Daarna sprak hij vleiend van heure schoone gouden lokken, van heure heldere tint, heur klare oogen, maar niets dorst hij zeggen van heur gevleesde schouderen, noch van haren fraai gevormden boezem, noch van iets anders.Zij meende te mogen heengaan en blikte reeds naar den tuin waar zij haren minnaar wachtte, toen hij vroeg of ze wist welke de deugden der vrouw zijn?Daar zij niet antwoordde uit vreeze van verkeerd te spreken, deed hij het in heure plaats, en zegde hij op den toon van een zedenpreeker:—Deugden der vrouwe zijn kuischheid, eerzaamheid en ingetogenheid.Hij ried haar aan zich zedig te kleeden en alles wat heur was, zorgvuldiglijk te verbergen.Zij knikte ten teeken van goedkeuring en zeide, dat zij zich voor Zijne Noordpoolachtige Hoogheid liever met tienberenhuiden dan met eene el neteldoek bedekken zou.En terwijl hij onthutst was over dit antwoord, nam zij lachende de vlucht.Nochmaals was het vuur der jeugd in de borst van den infant ontbrand: maar het was dit gloeiende vuur niet, dat de sterke zielen tot groote daden drijft, noch het zoete vuur, dat de teedere herten doet weenen: ’t was een somber vuur uit de helle, door Satan ontstoken. En het glom in zijne grijze oogen, gelijk de maan boven een kerkhof, in winternacht. En het brandde hem wreedelijk.Daar de arme gluiperd geene liefde voor anderen voelde, dorst hij de edelvrouwen niet aanspreken; toen ging hij naar een afgelegen hoekje, in een kamertje, met witte muren, slecht verlicht, waar hij gemeenlijk zijne lekkernijen at en waar een groote menigte vliegen waren, om den wille van de brokkelingen. Daar streelde hij zichzelven, terwijl hij de vliegen met den kop tegen de ruiten plette en er met honderden doodde, totdat zijne vingeren te danig beefden om hunne bloedige bezigheid voort te zetten. En in die wreede uitspanning vond hij een genot, mits geilheid en wreedheid twee eerlooze zusteren zijn. Als hij uit dat hok kwam, was hij nog somberder dan te voren en een ieder ontvluchtte het bleeke gelaat van dien terugstootenden prins.En de treurige Hoogheid leed, want slecht herte is smerte.
XXV.De infant, nu vijftien jaar oud, dwaalde als naar gewoonte door gangen en trappen en zalen van ’t slot. Doch meestal slenterde hij rond de vertrekken der edelvrouwen, om de edelknapen te verschalken, die, gelijk hij, als katten in de gangen op loer lagen.Andere jonkers waren in den tuin, keken verzuchtend omhoog, en zongen eene ballade van minne.Als de infant het hoorde, vertoonde hij zich eensklaps aan een der vensteren, en de arme edelknapen waren ontsteld als zij zijn bleeke tronie zagen, in stee van de zoete oogen hunner schoonen.Onder de edelvrouwen van het hof was een lieftallige dame, een Vlaamsche van Dudzele, omtrent Damme, van ongemeene schoonheid en in de volheid harer jaren, met oogen, groenig-bruin,en rossig, krullend haar, dat schitterde als goud. Vroolijk van zin en vurig van aard, verheelde zij niemand hare neiging tot den gelukkige, wien zij, op heur aanbiddelijk erf, het hemelsch privilege van liefde schonk. De uitverkorene heurs herten was een schoon en fier ridder. Elken dag op vast uur, ging zij tot hem, hetgeen Philippus wist.Hij zette zich op eene bank tegenover een venster en wachtte. En als zij hem voorbijging met flikkerend oog en met rozeroode lippen, en glanzend van jeugd en van liefde in haar kleed van goudbrocaat, zag zij den infant, die, zonder zich van zijne plaats te verheffen, tot haar zegde:—Mevrouwe, hebt gij een oogenblik voor mij?Driftig als de merrie, die in haren loop gestuit wordt op ’t oogenblik dat zij rent naar den schoonen hengst, die in den beemd hinnikt, antwoordde zij:—Hoogheid, een ieder moet gehoorzamen aan Uwen vorstelijken wil.—Zet U naast mij, sprak de infant.Onbeschaamd, listiglijk en onbermhertig zag hij haar aan:—Zeg mij het Onze-vader in Vlaamsche tale; men heeft het mij geleerd, laas! ik heb het vergeten.De arme vrouw zegde een Vader-ons, doch tamelijk vlug, maar hij dwong haar telkens tot langzamer spreken.En aldus noodzaakte hij heur het tot tienmaal toe te zeggen, aan haar, die op dit uur aan andere gebeden dacht.Daarna sprak hij vleiend van heure schoone gouden lokken, van heure heldere tint, heur klare oogen, maar niets dorst hij zeggen van heur gevleesde schouderen, noch van haren fraai gevormden boezem, noch van iets anders.Zij meende te mogen heengaan en blikte reeds naar den tuin waar zij haren minnaar wachtte, toen hij vroeg of ze wist welke de deugden der vrouw zijn?Daar zij niet antwoordde uit vreeze van verkeerd te spreken, deed hij het in heure plaats, en zegde hij op den toon van een zedenpreeker:—Deugden der vrouwe zijn kuischheid, eerzaamheid en ingetogenheid.Hij ried haar aan zich zedig te kleeden en alles wat heur was, zorgvuldiglijk te verbergen.Zij knikte ten teeken van goedkeuring en zeide, dat zij zich voor Zijne Noordpoolachtige Hoogheid liever met tienberenhuiden dan met eene el neteldoek bedekken zou.En terwijl hij onthutst was over dit antwoord, nam zij lachende de vlucht.Nochmaals was het vuur der jeugd in de borst van den infant ontbrand: maar het was dit gloeiende vuur niet, dat de sterke zielen tot groote daden drijft, noch het zoete vuur, dat de teedere herten doet weenen: ’t was een somber vuur uit de helle, door Satan ontstoken. En het glom in zijne grijze oogen, gelijk de maan boven een kerkhof, in winternacht. En het brandde hem wreedelijk.Daar de arme gluiperd geene liefde voor anderen voelde, dorst hij de edelvrouwen niet aanspreken; toen ging hij naar een afgelegen hoekje, in een kamertje, met witte muren, slecht verlicht, waar hij gemeenlijk zijne lekkernijen at en waar een groote menigte vliegen waren, om den wille van de brokkelingen. Daar streelde hij zichzelven, terwijl hij de vliegen met den kop tegen de ruiten plette en er met honderden doodde, totdat zijne vingeren te danig beefden om hunne bloedige bezigheid voort te zetten. En in die wreede uitspanning vond hij een genot, mits geilheid en wreedheid twee eerlooze zusteren zijn. Als hij uit dat hok kwam, was hij nog somberder dan te voren en een ieder ontvluchtte het bleeke gelaat van dien terugstootenden prins.En de treurige Hoogheid leed, want slecht herte is smerte.
XXV.
De infant, nu vijftien jaar oud, dwaalde als naar gewoonte door gangen en trappen en zalen van ’t slot. Doch meestal slenterde hij rond de vertrekken der edelvrouwen, om de edelknapen te verschalken, die, gelijk hij, als katten in de gangen op loer lagen.Andere jonkers waren in den tuin, keken verzuchtend omhoog, en zongen eene ballade van minne.Als de infant het hoorde, vertoonde hij zich eensklaps aan een der vensteren, en de arme edelknapen waren ontsteld als zij zijn bleeke tronie zagen, in stee van de zoete oogen hunner schoonen.Onder de edelvrouwen van het hof was een lieftallige dame, een Vlaamsche van Dudzele, omtrent Damme, van ongemeene schoonheid en in de volheid harer jaren, met oogen, groenig-bruin,en rossig, krullend haar, dat schitterde als goud. Vroolijk van zin en vurig van aard, verheelde zij niemand hare neiging tot den gelukkige, wien zij, op heur aanbiddelijk erf, het hemelsch privilege van liefde schonk. De uitverkorene heurs herten was een schoon en fier ridder. Elken dag op vast uur, ging zij tot hem, hetgeen Philippus wist.Hij zette zich op eene bank tegenover een venster en wachtte. En als zij hem voorbijging met flikkerend oog en met rozeroode lippen, en glanzend van jeugd en van liefde in haar kleed van goudbrocaat, zag zij den infant, die, zonder zich van zijne plaats te verheffen, tot haar zegde:—Mevrouwe, hebt gij een oogenblik voor mij?Driftig als de merrie, die in haren loop gestuit wordt op ’t oogenblik dat zij rent naar den schoonen hengst, die in den beemd hinnikt, antwoordde zij:—Hoogheid, een ieder moet gehoorzamen aan Uwen vorstelijken wil.—Zet U naast mij, sprak de infant.Onbeschaamd, listiglijk en onbermhertig zag hij haar aan:—Zeg mij het Onze-vader in Vlaamsche tale; men heeft het mij geleerd, laas! ik heb het vergeten.De arme vrouw zegde een Vader-ons, doch tamelijk vlug, maar hij dwong haar telkens tot langzamer spreken.En aldus noodzaakte hij heur het tot tienmaal toe te zeggen, aan haar, die op dit uur aan andere gebeden dacht.Daarna sprak hij vleiend van heure schoone gouden lokken, van heure heldere tint, heur klare oogen, maar niets dorst hij zeggen van heur gevleesde schouderen, noch van haren fraai gevormden boezem, noch van iets anders.Zij meende te mogen heengaan en blikte reeds naar den tuin waar zij haren minnaar wachtte, toen hij vroeg of ze wist welke de deugden der vrouw zijn?Daar zij niet antwoordde uit vreeze van verkeerd te spreken, deed hij het in heure plaats, en zegde hij op den toon van een zedenpreeker:—Deugden der vrouwe zijn kuischheid, eerzaamheid en ingetogenheid.Hij ried haar aan zich zedig te kleeden en alles wat heur was, zorgvuldiglijk te verbergen.Zij knikte ten teeken van goedkeuring en zeide, dat zij zich voor Zijne Noordpoolachtige Hoogheid liever met tienberenhuiden dan met eene el neteldoek bedekken zou.En terwijl hij onthutst was over dit antwoord, nam zij lachende de vlucht.Nochmaals was het vuur der jeugd in de borst van den infant ontbrand: maar het was dit gloeiende vuur niet, dat de sterke zielen tot groote daden drijft, noch het zoete vuur, dat de teedere herten doet weenen: ’t was een somber vuur uit de helle, door Satan ontstoken. En het glom in zijne grijze oogen, gelijk de maan boven een kerkhof, in winternacht. En het brandde hem wreedelijk.Daar de arme gluiperd geene liefde voor anderen voelde, dorst hij de edelvrouwen niet aanspreken; toen ging hij naar een afgelegen hoekje, in een kamertje, met witte muren, slecht verlicht, waar hij gemeenlijk zijne lekkernijen at en waar een groote menigte vliegen waren, om den wille van de brokkelingen. Daar streelde hij zichzelven, terwijl hij de vliegen met den kop tegen de ruiten plette en er met honderden doodde, totdat zijne vingeren te danig beefden om hunne bloedige bezigheid voort te zetten. En in die wreede uitspanning vond hij een genot, mits geilheid en wreedheid twee eerlooze zusteren zijn. Als hij uit dat hok kwam, was hij nog somberder dan te voren en een ieder ontvluchtte het bleeke gelaat van dien terugstootenden prins.En de treurige Hoogheid leed, want slecht herte is smerte.
De infant, nu vijftien jaar oud, dwaalde als naar gewoonte door gangen en trappen en zalen van ’t slot. Doch meestal slenterde hij rond de vertrekken der edelvrouwen, om de edelknapen te verschalken, die, gelijk hij, als katten in de gangen op loer lagen.Andere jonkers waren in den tuin, keken verzuchtend omhoog, en zongen eene ballade van minne.
Als de infant het hoorde, vertoonde hij zich eensklaps aan een der vensteren, en de arme edelknapen waren ontsteld als zij zijn bleeke tronie zagen, in stee van de zoete oogen hunner schoonen.
Onder de edelvrouwen van het hof was een lieftallige dame, een Vlaamsche van Dudzele, omtrent Damme, van ongemeene schoonheid en in de volheid harer jaren, met oogen, groenig-bruin,en rossig, krullend haar, dat schitterde als goud. Vroolijk van zin en vurig van aard, verheelde zij niemand hare neiging tot den gelukkige, wien zij, op heur aanbiddelijk erf, het hemelsch privilege van liefde schonk. De uitverkorene heurs herten was een schoon en fier ridder. Elken dag op vast uur, ging zij tot hem, hetgeen Philippus wist.
Hij zette zich op eene bank tegenover een venster en wachtte. En als zij hem voorbijging met flikkerend oog en met rozeroode lippen, en glanzend van jeugd en van liefde in haar kleed van goudbrocaat, zag zij den infant, die, zonder zich van zijne plaats te verheffen, tot haar zegde:
—Mevrouwe, hebt gij een oogenblik voor mij?
Driftig als de merrie, die in haren loop gestuit wordt op ’t oogenblik dat zij rent naar den schoonen hengst, die in den beemd hinnikt, antwoordde zij:
—Hoogheid, een ieder moet gehoorzamen aan Uwen vorstelijken wil.
—Zet U naast mij, sprak de infant.
Onbeschaamd, listiglijk en onbermhertig zag hij haar aan:
—Zeg mij het Onze-vader in Vlaamsche tale; men heeft het mij geleerd, laas! ik heb het vergeten.
De arme vrouw zegde een Vader-ons, doch tamelijk vlug, maar hij dwong haar telkens tot langzamer spreken.
En aldus noodzaakte hij heur het tot tienmaal toe te zeggen, aan haar, die op dit uur aan andere gebeden dacht.
Daarna sprak hij vleiend van heure schoone gouden lokken, van heure heldere tint, heur klare oogen, maar niets dorst hij zeggen van heur gevleesde schouderen, noch van haren fraai gevormden boezem, noch van iets anders.
Zij meende te mogen heengaan en blikte reeds naar den tuin waar zij haren minnaar wachtte, toen hij vroeg of ze wist welke de deugden der vrouw zijn?
Daar zij niet antwoordde uit vreeze van verkeerd te spreken, deed hij het in heure plaats, en zegde hij op den toon van een zedenpreeker:
—Deugden der vrouwe zijn kuischheid, eerzaamheid en ingetogenheid.
Hij ried haar aan zich zedig te kleeden en alles wat heur was, zorgvuldiglijk te verbergen.
Zij knikte ten teeken van goedkeuring en zeide, dat zij zich voor Zijne Noordpoolachtige Hoogheid liever met tienberenhuiden dan met eene el neteldoek bedekken zou.
En terwijl hij onthutst was over dit antwoord, nam zij lachende de vlucht.
Nochmaals was het vuur der jeugd in de borst van den infant ontbrand: maar het was dit gloeiende vuur niet, dat de sterke zielen tot groote daden drijft, noch het zoete vuur, dat de teedere herten doet weenen: ’t was een somber vuur uit de helle, door Satan ontstoken. En het glom in zijne grijze oogen, gelijk de maan boven een kerkhof, in winternacht. En het brandde hem wreedelijk.
Daar de arme gluiperd geene liefde voor anderen voelde, dorst hij de edelvrouwen niet aanspreken; toen ging hij naar een afgelegen hoekje, in een kamertje, met witte muren, slecht verlicht, waar hij gemeenlijk zijne lekkernijen at en waar een groote menigte vliegen waren, om den wille van de brokkelingen. Daar streelde hij zichzelven, terwijl hij de vliegen met den kop tegen de ruiten plette en er met honderden doodde, totdat zijne vingeren te danig beefden om hunne bloedige bezigheid voort te zetten. En in die wreede uitspanning vond hij een genot, mits geilheid en wreedheid twee eerlooze zusteren zijn. Als hij uit dat hok kwam, was hij nog somberder dan te voren en een ieder ontvluchtte het bleeke gelaat van dien terugstootenden prins.
En de treurige Hoogheid leed, want slecht herte is smerte.