XXXIII.

XXXIII.’sAnderendaags trok Uilenspiegel naar Kortrijk, langsheen den boord van de Leie, met heur helder gouden water.Jammerend volgde Lamme zijn vriend.Uilenspiegel zei tot hem:—Zucht gij nu weder, lafhertige ziele, voor de vrouw, die u een hoornen kroon op het hoofd zette?—Mijn vriend, antwoordde Lamme weemoedig, zij was mij altijd getrouw, en beminde mij genoegzaam, lijk ik ze te zeer beminde, mijn zoete Jezus. Eens dat zij naar Brugge gegaan was, kwam zij teenemaal veranderd terug. Sedertdien, als ik heur van liefde sprak, gaf zij mij tot antwoord:—Ik moet met u leven als eene vriendinne, doch anders niet.—Toen sprak ik, met den weemoed in mijn gebroken herte:—Liefste mijne, wij zijn getrouwd voor den Heer. Deed ik voor u niet alles wat gij wildet? Ging ik niet dikwijls gedost in een zwart linnen wambuis of een bombazijnen opperste kleed, om u, niettegenstaande de koninklijke ordonnantiën tegen de weelde, zijden en goudlakensche kleeren te laten dragen? Bemint ge mij dan niet meer, liefste?—Ik bemin u, sprak zij, volgens God en Zijne wetten, volgens de heilige voorschriften en de boetveerdigheid. Nochtans zal ik een deugdzame gezellin voor u wezen.—Met uwe deugdzaamheid heb ik niets te maken, antwoordde ik; u is het, die ik hebben wil, u, mijne vrouw!—Zij schudde het hoofd en vervolgde:—Ik weet, dat gij goed en braaf zijt; tot heden waart gij de kok in ons huis, om mij het koken en het braden te sparen; tot heden streekt gij onze lakens, kragen en hemden, omdat de ijzers mij te zwaar vielen; gij deedt de wasch, gij kuischtet het huis en de straat vóór de deur, om mij de minste vermoeienis te sparen. Thans wil ik werken in uwe plaats, doch verder niets, mijn vriend.—Ik geef daar niet om, antwoordde ik; ik zal als voorheen uwe kamenier, uwe strijkster, uwe keukenmeid, uwe waschvrouw, uw onderdanige slaaf wezen; maar schei toch geen twee herten en zielen, die maar één wezen uitmaken; breek den zoeten liefdeband niet, die ons zoo innig verbindt.—Het moet, antwoordde zij.—Laas! zeide ik, is het te Brugge, dat gij dit harde besluit hebt genomen?Zij antwoordde:—Ik heb gezworen voor God en Zijne santen.—Wie dan, riep ik uit, heeft u gedwongen te zweren uwe echtelijke plichten niet meer te volbrengen?—Hij, die den geest Gods in zich heeft en zich verweerdigt mij onder ’t getal zijner boetelingen te tellen, sprak zij.—Van dat oogenblik hield zij op mijne vrouw te wezen, alsof zij de trouwe gezellin van een ander was.—Ik smeekte, plaagde, dreigde haar; ik weende en bad, doch tevergeefs. Op een avond, dat ik van Blankenberge terugkwam, alwaar ik gegaan was om de halfwinning van een mijner hofsteden te ontvangen, vond ik mijne vrouw niet meer in huis. Zij was onze halle ontvlucht; ongetwijfeld was zij mijne smeekingen moede, of was zij vergramd of droevig om mijn verdriet.—Waar mag zij nu wezen?En Lamme zette zich neer aan den boord van de Leie, met het hoofd in zijne handen, en keek naar het water.—Ha! mijne vriendin, sprak hij, wat waart gij teeder, poezel en lieftallig! Zal ik ooit een duifje vinden als gij? Stoverije van liefde, zal ik u nimmermeer proeven? Waar zijn uwe kussen, geurig als ortolanen; waar is uw mond, op denwelken ik uw zoenen plukte, als het bijtje den honig op de roze; waar zijn uw witte armen, die mij streelend omhelsden? Waar is uw kloppend hert, uw ronde boezem en die lieve huivering van uw aanbiddelijk lichaam, verlangend naar liefde? Doch waar zijn uwe golven van vroeger, frissche rivier, die uw nieuwe golfjes zoo blijde voortstuwt in ’t gouden licht van de zon?

XXXIII.’sAnderendaags trok Uilenspiegel naar Kortrijk, langsheen den boord van de Leie, met heur helder gouden water.Jammerend volgde Lamme zijn vriend.Uilenspiegel zei tot hem:—Zucht gij nu weder, lafhertige ziele, voor de vrouw, die u een hoornen kroon op het hoofd zette?—Mijn vriend, antwoordde Lamme weemoedig, zij was mij altijd getrouw, en beminde mij genoegzaam, lijk ik ze te zeer beminde, mijn zoete Jezus. Eens dat zij naar Brugge gegaan was, kwam zij teenemaal veranderd terug. Sedertdien, als ik heur van liefde sprak, gaf zij mij tot antwoord:—Ik moet met u leven als eene vriendinne, doch anders niet.—Toen sprak ik, met den weemoed in mijn gebroken herte:—Liefste mijne, wij zijn getrouwd voor den Heer. Deed ik voor u niet alles wat gij wildet? Ging ik niet dikwijls gedost in een zwart linnen wambuis of een bombazijnen opperste kleed, om u, niettegenstaande de koninklijke ordonnantiën tegen de weelde, zijden en goudlakensche kleeren te laten dragen? Bemint ge mij dan niet meer, liefste?—Ik bemin u, sprak zij, volgens God en Zijne wetten, volgens de heilige voorschriften en de boetveerdigheid. Nochtans zal ik een deugdzame gezellin voor u wezen.—Met uwe deugdzaamheid heb ik niets te maken, antwoordde ik; u is het, die ik hebben wil, u, mijne vrouw!—Zij schudde het hoofd en vervolgde:—Ik weet, dat gij goed en braaf zijt; tot heden waart gij de kok in ons huis, om mij het koken en het braden te sparen; tot heden streekt gij onze lakens, kragen en hemden, omdat de ijzers mij te zwaar vielen; gij deedt de wasch, gij kuischtet het huis en de straat vóór de deur, om mij de minste vermoeienis te sparen. Thans wil ik werken in uwe plaats, doch verder niets, mijn vriend.—Ik geef daar niet om, antwoordde ik; ik zal als voorheen uwe kamenier, uwe strijkster, uwe keukenmeid, uwe waschvrouw, uw onderdanige slaaf wezen; maar schei toch geen twee herten en zielen, die maar één wezen uitmaken; breek den zoeten liefdeband niet, die ons zoo innig verbindt.—Het moet, antwoordde zij.—Laas! zeide ik, is het te Brugge, dat gij dit harde besluit hebt genomen?Zij antwoordde:—Ik heb gezworen voor God en Zijne santen.—Wie dan, riep ik uit, heeft u gedwongen te zweren uwe echtelijke plichten niet meer te volbrengen?—Hij, die den geest Gods in zich heeft en zich verweerdigt mij onder ’t getal zijner boetelingen te tellen, sprak zij.—Van dat oogenblik hield zij op mijne vrouw te wezen, alsof zij de trouwe gezellin van een ander was.—Ik smeekte, plaagde, dreigde haar; ik weende en bad, doch tevergeefs. Op een avond, dat ik van Blankenberge terugkwam, alwaar ik gegaan was om de halfwinning van een mijner hofsteden te ontvangen, vond ik mijne vrouw niet meer in huis. Zij was onze halle ontvlucht; ongetwijfeld was zij mijne smeekingen moede, of was zij vergramd of droevig om mijn verdriet.—Waar mag zij nu wezen?En Lamme zette zich neer aan den boord van de Leie, met het hoofd in zijne handen, en keek naar het water.—Ha! mijne vriendin, sprak hij, wat waart gij teeder, poezel en lieftallig! Zal ik ooit een duifje vinden als gij? Stoverije van liefde, zal ik u nimmermeer proeven? Waar zijn uwe kussen, geurig als ortolanen; waar is uw mond, op denwelken ik uw zoenen plukte, als het bijtje den honig op de roze; waar zijn uw witte armen, die mij streelend omhelsden? Waar is uw kloppend hert, uw ronde boezem en die lieve huivering van uw aanbiddelijk lichaam, verlangend naar liefde? Doch waar zijn uwe golven van vroeger, frissche rivier, die uw nieuwe golfjes zoo blijde voortstuwt in ’t gouden licht van de zon?

XXXIII.’sAnderendaags trok Uilenspiegel naar Kortrijk, langsheen den boord van de Leie, met heur helder gouden water.Jammerend volgde Lamme zijn vriend.Uilenspiegel zei tot hem:—Zucht gij nu weder, lafhertige ziele, voor de vrouw, die u een hoornen kroon op het hoofd zette?—Mijn vriend, antwoordde Lamme weemoedig, zij was mij altijd getrouw, en beminde mij genoegzaam, lijk ik ze te zeer beminde, mijn zoete Jezus. Eens dat zij naar Brugge gegaan was, kwam zij teenemaal veranderd terug. Sedertdien, als ik heur van liefde sprak, gaf zij mij tot antwoord:—Ik moet met u leven als eene vriendinne, doch anders niet.—Toen sprak ik, met den weemoed in mijn gebroken herte:—Liefste mijne, wij zijn getrouwd voor den Heer. Deed ik voor u niet alles wat gij wildet? Ging ik niet dikwijls gedost in een zwart linnen wambuis of een bombazijnen opperste kleed, om u, niettegenstaande de koninklijke ordonnantiën tegen de weelde, zijden en goudlakensche kleeren te laten dragen? Bemint ge mij dan niet meer, liefste?—Ik bemin u, sprak zij, volgens God en Zijne wetten, volgens de heilige voorschriften en de boetveerdigheid. Nochtans zal ik een deugdzame gezellin voor u wezen.—Met uwe deugdzaamheid heb ik niets te maken, antwoordde ik; u is het, die ik hebben wil, u, mijne vrouw!—Zij schudde het hoofd en vervolgde:—Ik weet, dat gij goed en braaf zijt; tot heden waart gij de kok in ons huis, om mij het koken en het braden te sparen; tot heden streekt gij onze lakens, kragen en hemden, omdat de ijzers mij te zwaar vielen; gij deedt de wasch, gij kuischtet het huis en de straat vóór de deur, om mij de minste vermoeienis te sparen. Thans wil ik werken in uwe plaats, doch verder niets, mijn vriend.—Ik geef daar niet om, antwoordde ik; ik zal als voorheen uwe kamenier, uwe strijkster, uwe keukenmeid, uwe waschvrouw, uw onderdanige slaaf wezen; maar schei toch geen twee herten en zielen, die maar één wezen uitmaken; breek den zoeten liefdeband niet, die ons zoo innig verbindt.—Het moet, antwoordde zij.—Laas! zeide ik, is het te Brugge, dat gij dit harde besluit hebt genomen?Zij antwoordde:—Ik heb gezworen voor God en Zijne santen.—Wie dan, riep ik uit, heeft u gedwongen te zweren uwe echtelijke plichten niet meer te volbrengen?—Hij, die den geest Gods in zich heeft en zich verweerdigt mij onder ’t getal zijner boetelingen te tellen, sprak zij.—Van dat oogenblik hield zij op mijne vrouw te wezen, alsof zij de trouwe gezellin van een ander was.—Ik smeekte, plaagde, dreigde haar; ik weende en bad, doch tevergeefs. Op een avond, dat ik van Blankenberge terugkwam, alwaar ik gegaan was om de halfwinning van een mijner hofsteden te ontvangen, vond ik mijne vrouw niet meer in huis. Zij was onze halle ontvlucht; ongetwijfeld was zij mijne smeekingen moede, of was zij vergramd of droevig om mijn verdriet.—Waar mag zij nu wezen?En Lamme zette zich neer aan den boord van de Leie, met het hoofd in zijne handen, en keek naar het water.—Ha! mijne vriendin, sprak hij, wat waart gij teeder, poezel en lieftallig! Zal ik ooit een duifje vinden als gij? Stoverije van liefde, zal ik u nimmermeer proeven? Waar zijn uwe kussen, geurig als ortolanen; waar is uw mond, op denwelken ik uw zoenen plukte, als het bijtje den honig op de roze; waar zijn uw witte armen, die mij streelend omhelsden? Waar is uw kloppend hert, uw ronde boezem en die lieve huivering van uw aanbiddelijk lichaam, verlangend naar liefde? Doch waar zijn uwe golven van vroeger, frissche rivier, die uw nieuwe golfjes zoo blijde voortstuwt in ’t gouden licht van de zon?

XXXIII.

’sAnderendaags trok Uilenspiegel naar Kortrijk, langsheen den boord van de Leie, met heur helder gouden water.Jammerend volgde Lamme zijn vriend.Uilenspiegel zei tot hem:—Zucht gij nu weder, lafhertige ziele, voor de vrouw, die u een hoornen kroon op het hoofd zette?—Mijn vriend, antwoordde Lamme weemoedig, zij was mij altijd getrouw, en beminde mij genoegzaam, lijk ik ze te zeer beminde, mijn zoete Jezus. Eens dat zij naar Brugge gegaan was, kwam zij teenemaal veranderd terug. Sedertdien, als ik heur van liefde sprak, gaf zij mij tot antwoord:—Ik moet met u leven als eene vriendinne, doch anders niet.—Toen sprak ik, met den weemoed in mijn gebroken herte:—Liefste mijne, wij zijn getrouwd voor den Heer. Deed ik voor u niet alles wat gij wildet? Ging ik niet dikwijls gedost in een zwart linnen wambuis of een bombazijnen opperste kleed, om u, niettegenstaande de koninklijke ordonnantiën tegen de weelde, zijden en goudlakensche kleeren te laten dragen? Bemint ge mij dan niet meer, liefste?—Ik bemin u, sprak zij, volgens God en Zijne wetten, volgens de heilige voorschriften en de boetveerdigheid. Nochtans zal ik een deugdzame gezellin voor u wezen.—Met uwe deugdzaamheid heb ik niets te maken, antwoordde ik; u is het, die ik hebben wil, u, mijne vrouw!—Zij schudde het hoofd en vervolgde:—Ik weet, dat gij goed en braaf zijt; tot heden waart gij de kok in ons huis, om mij het koken en het braden te sparen; tot heden streekt gij onze lakens, kragen en hemden, omdat de ijzers mij te zwaar vielen; gij deedt de wasch, gij kuischtet het huis en de straat vóór de deur, om mij de minste vermoeienis te sparen. Thans wil ik werken in uwe plaats, doch verder niets, mijn vriend.—Ik geef daar niet om, antwoordde ik; ik zal als voorheen uwe kamenier, uwe strijkster, uwe keukenmeid, uwe waschvrouw, uw onderdanige slaaf wezen; maar schei toch geen twee herten en zielen, die maar één wezen uitmaken; breek den zoeten liefdeband niet, die ons zoo innig verbindt.—Het moet, antwoordde zij.—Laas! zeide ik, is het te Brugge, dat gij dit harde besluit hebt genomen?Zij antwoordde:—Ik heb gezworen voor God en Zijne santen.—Wie dan, riep ik uit, heeft u gedwongen te zweren uwe echtelijke plichten niet meer te volbrengen?—Hij, die den geest Gods in zich heeft en zich verweerdigt mij onder ’t getal zijner boetelingen te tellen, sprak zij.—Van dat oogenblik hield zij op mijne vrouw te wezen, alsof zij de trouwe gezellin van een ander was.—Ik smeekte, plaagde, dreigde haar; ik weende en bad, doch tevergeefs. Op een avond, dat ik van Blankenberge terugkwam, alwaar ik gegaan was om de halfwinning van een mijner hofsteden te ontvangen, vond ik mijne vrouw niet meer in huis. Zij was onze halle ontvlucht; ongetwijfeld was zij mijne smeekingen moede, of was zij vergramd of droevig om mijn verdriet.—Waar mag zij nu wezen?En Lamme zette zich neer aan den boord van de Leie, met het hoofd in zijne handen, en keek naar het water.—Ha! mijne vriendin, sprak hij, wat waart gij teeder, poezel en lieftallig! Zal ik ooit een duifje vinden als gij? Stoverije van liefde, zal ik u nimmermeer proeven? Waar zijn uwe kussen, geurig als ortolanen; waar is uw mond, op denwelken ik uw zoenen plukte, als het bijtje den honig op de roze; waar zijn uw witte armen, die mij streelend omhelsden? Waar is uw kloppend hert, uw ronde boezem en die lieve huivering van uw aanbiddelijk lichaam, verlangend naar liefde? Doch waar zijn uwe golven van vroeger, frissche rivier, die uw nieuwe golfjes zoo blijde voortstuwt in ’t gouden licht van de zon?

’sAnderendaags trok Uilenspiegel naar Kortrijk, langsheen den boord van de Leie, met heur helder gouden water.

Jammerend volgde Lamme zijn vriend.

Uilenspiegel zei tot hem:

—Zucht gij nu weder, lafhertige ziele, voor de vrouw, die u een hoornen kroon op het hoofd zette?

—Mijn vriend, antwoordde Lamme weemoedig, zij was mij altijd getrouw, en beminde mij genoegzaam, lijk ik ze te zeer beminde, mijn zoete Jezus. Eens dat zij naar Brugge gegaan was, kwam zij teenemaal veranderd terug. Sedertdien, als ik heur van liefde sprak, gaf zij mij tot antwoord:

—Ik moet met u leven als eene vriendinne, doch anders niet.

—Toen sprak ik, met den weemoed in mijn gebroken herte:

—Liefste mijne, wij zijn getrouwd voor den Heer. Deed ik voor u niet alles wat gij wildet? Ging ik niet dikwijls gedost in een zwart linnen wambuis of een bombazijnen opperste kleed, om u, niettegenstaande de koninklijke ordonnantiën tegen de weelde, zijden en goudlakensche kleeren te laten dragen? Bemint ge mij dan niet meer, liefste?

—Ik bemin u, sprak zij, volgens God en Zijne wetten, volgens de heilige voorschriften en de boetveerdigheid. Nochtans zal ik een deugdzame gezellin voor u wezen.

—Met uwe deugdzaamheid heb ik niets te maken, antwoordde ik; u is het, die ik hebben wil, u, mijne vrouw!

—Zij schudde het hoofd en vervolgde:

—Ik weet, dat gij goed en braaf zijt; tot heden waart gij de kok in ons huis, om mij het koken en het braden te sparen; tot heden streekt gij onze lakens, kragen en hemden, omdat de ijzers mij te zwaar vielen; gij deedt de wasch, gij kuischtet het huis en de straat vóór de deur, om mij de minste vermoeienis te sparen. Thans wil ik werken in uwe plaats, doch verder niets, mijn vriend.

—Ik geef daar niet om, antwoordde ik; ik zal als voorheen uwe kamenier, uwe strijkster, uwe keukenmeid, uwe waschvrouw, uw onderdanige slaaf wezen; maar schei toch geen twee herten en zielen, die maar één wezen uitmaken; breek den zoeten liefdeband niet, die ons zoo innig verbindt.

—Het moet, antwoordde zij.

—Laas! zeide ik, is het te Brugge, dat gij dit harde besluit hebt genomen?

Zij antwoordde:

—Ik heb gezworen voor God en Zijne santen.

—Wie dan, riep ik uit, heeft u gedwongen te zweren uwe echtelijke plichten niet meer te volbrengen?

—Hij, die den geest Gods in zich heeft en zich verweerdigt mij onder ’t getal zijner boetelingen te tellen, sprak zij.

—Van dat oogenblik hield zij op mijne vrouw te wezen, alsof zij de trouwe gezellin van een ander was.

—Ik smeekte, plaagde, dreigde haar; ik weende en bad, doch tevergeefs. Op een avond, dat ik van Blankenberge terugkwam, alwaar ik gegaan was om de halfwinning van een mijner hofsteden te ontvangen, vond ik mijne vrouw niet meer in huis. Zij was onze halle ontvlucht; ongetwijfeld was zij mijne smeekingen moede, of was zij vergramd of droevig om mijn verdriet.

—Waar mag zij nu wezen?

En Lamme zette zich neer aan den boord van de Leie, met het hoofd in zijne handen, en keek naar het water.

—Ha! mijne vriendin, sprak hij, wat waart gij teeder, poezel en lieftallig! Zal ik ooit een duifje vinden als gij? Stoverije van liefde, zal ik u nimmermeer proeven? Waar zijn uwe kussen, geurig als ortolanen; waar is uw mond, op denwelken ik uw zoenen plukte, als het bijtje den honig op de roze; waar zijn uw witte armen, die mij streelend omhelsden? Waar is uw kloppend hert, uw ronde boezem en die lieve huivering van uw aanbiddelijk lichaam, verlangend naar liefde? Doch waar zijn uwe golven van vroeger, frissche rivier, die uw nieuwe golfjes zoo blijde voortstuwt in ’t gouden licht van de zon?


Back to IndexNext