XXXII.

XXXII.Badend in tranen, kwam ’t meideken zeggen tot Lamme en tot Uilenspiegel:—Te Meulestede laat Spelle, voor geld, moordenaars en coquinen ontsnappen. En onschuldigen doet hij ter dood brengen. Mijn broeder Michielken is onder hen. Laas! laat mij het U zeggen: gij zijt mannen, gij zult hem wreken. Een eerlooze, ontuchtige vuilbaard, Pieter de Roose, bevlekker van kinderen en verleider van meidekens, is de oorzaak van al het kwaad. Laas! mijn arme broeder Michielken en Pieter de Roose zaten op een avond, doch niet aan dezelfde tafel, in de taveerneden Valk, alwaar Pieter de Roose door een iegelijk geschuwd werd als de pest.... Mijn broeder, die met hem in dezelfde zaal niet wilde vertoeven, schold hem uit voor vuilbaard en beval hem onmiddellijk zijne biezen te pakken.... Pieter de Roose antwoordde:—De broeder van een publieke loddege zou minder van zijnen neus moeten maken,... Hij loog, want ik ben geen publieke loddege; ik geef mij alleen aan hen, die ik minne.... Toen smeet Michielken hem zijn pint klauwaard naar den kop, hem toeroepende dat hij er om loog, lijk een smerige vuilbaard die hij was; daarbij bedreigde hij hem met eene aftelling naar de eerste goesting, als hij niet dadelijk opkraamde.... De andere wilde nog antwoorden, doch Michielken deed als hij gezegd had: hij sloeg tweemaal met de vuist op zijn aangezicht en trok hem bij den snoet op de straat, alwaar hij hem, zonder deernis, gansch bebloed en gekneusd op een mesthoop smeet.... Als Pieter de Roose, die in alleenigheid niet kon leven,genezen was, ging hij inhet Vagevier, eene taveerne, die heuren naam niet gestolen heeft; zóó treurig en somber is zij, dat zij maar bezocht wordt door arme lieden en bedelaars. Daar ook werd hij alleen gelaten, geschuwd, zelfs door de armzalige menschen. En niemand richtte het woord tot hem, behalve eenige boeren, die hem niet kenden, en eenige truwanten en diepers of weggeloopen soldaten. Herhaalde malen zelfs werd hij er geslagen, want hij is twistziek van aard.... Toen provoost Spelle met zijne beide hangmannen te Meulestede kwam, volgde Pieter de Roose hem overal op als een hond; op dezes kosten propte Spelle zich vol met wijn, met vleesch en smaakte alle genoegens, die voor geld te koop zijn. Zoo werd Pieter de Roose hun vriend en metgezel en deed hij alles wat zijn slecht karakter hem ingaf om degenen te folteren, die hij verfoeide, en dat waren al de inwoners van Meulestede, doch mijn armen broeder het meest.... Eerst en vooral begon hij met Michielken. Valsche getuigen, rabauwen, die gretig naar guldens waren, verklaarden dat Michielken een heretiek was, dat hij vuile reden gehouden had over Onze-Lieve-Vrouwe, en meermalen den naam van God en de santen en santinnen gelasterd had in de taveerneden Valk, en dat hij daarenboven voor ’t minst driehonderd florijnen in eene kist liggen had.... Alhoewel de getuigen geenszins van goed en zedelijk gedrag waren, werd Michielken gevangengenomen. Daar Spelle en zijne knechten verklaard hadden, dat de bewijzen voldoende waren om den beschuldigde op de pijnbank te leggen, werd Michielken bij de armen gehangen aan eene katrol, die in de zoldering vastgemaakt was, nadat men aan elken zijner voeten een gewicht van vijftig pond had gebonden.... Hij loochende het stuk en zei dat, zoo er te Meulestede een truwant, een rabauw, een godslasteraar en een vuilbaard liep, het wel Pieter de Roose was, maar hij niet.... Doch Spelle wilde niets hooren, en beval den beulsknechten Michielken op te trekken tot aan de zoldering en hem vervolgens in eens te laten nedervallen, met de gewichten aan zijne voeten. Dat deden zij, en wel zoo wreedelijk, dat de huid en de spieren van den ongelukkige vaneenscheurden en dat de voeten nog nauwelijks aan de beenen hingen.... Michielken volhardde in zijne verklaring, dat hij onschuldig was; Spelle deed hem opnieuw folteren en liet hem verstaandat hij hem vrijelijk zou laten henengaan, zoo hij hem honderd gulden wilde ter hand stellen.... Michielken zei, dat hij nog liever alle tormenten verduurde.... Toen die van Meulestede de gevangenneming vernomen hadden, wilden zij bij hoopen voor Michielken komen getuigen.... Michielken is geen ketter, zeiden eenstemmig al de goede burgers van de gemeente, want hij ging alle Zondagen naar de misse en naderde alle hoogdagen de heilige tafel; zij getuigden verder, dat hij over Onze-Lieve-Vrouwe nooit eenig andere rede gehouden had dan heure hulp in te roepen in moeilijke aangelegenheden; dat hij nooit kwaad gesproken had van eenige vrouw op aarde, en hij dienvolgens het nog minder hadde gedurfd van de hemelsche moeder Gods. Wat de godslasteringen betreft, die de valsche getuigen, naar hun zeggen, in de taveerneden Valkhadden hooren uitbraken, dat was gelogen van ’t begin tot het einde, zeiden de getuigen.... Toen werd Michielken losgelaten, en de valsche getuigen gestraft. En Spelle deed Pieter de Roose voor zijne vierschaar verschijnen, doch liet hem weder los, zonder een onderzoek te doen of hem op de pijnbank te leggen, mits honderd gulden aanstonds betaald.... Pieter de Roose vluchtte uit Meulestede, uit vreeze dat het hem nog blijvende geld opnieuw de aandacht van Spelle zou wekken, terwijl Michielken, mijn arme broeder, stierf van den kanker, die zich aan zijne voeten gezet had.... Hij, die mij niet meer bezien wilde, deed mij toch roepen om mij te zeggen goed te letten op het vuur, dat brandt in mijn lichaam, en dat mij zeker naar de helle zou leiden. En ik kon slechts weenen, want het vuur brandt in mijn lichaam, en het is mijne schuld niet.... En in mijne armen gaf hij den geest.—Ha! zeide zij, hij, die op Spelle den dood van mijn zoeten en beminden broeder zou wreken, zou voor eeuwig mijn meester zijn, en ’k zou hem gehoorzamen als een gewillige hond.Terwijl zij sprak, klopte de assche van Klaas op Uilenspiegel’s borst.En hij besloot Spelle, den moordenaar, te doen hangen.Boelkin, zoo was de naam van het meideken, keerde gerust terug naar heur huis te Meulestede, zonder de wraak van Pieter de Roose te vreezen, want een koerier, die voor zaken naar Destelbergen gekomen was, verwittigde heur dat de parochiepaapen de poorters verklaard hadden, dat zij Spelle vóór den hertog zouden doen verschijnen, bijaldien hij de hand dorst leggen op de zuster van Michielken.Uilenspiegel, die het meideken vergezelschapt had naar Meulestede, kwam in de benedenkamer van het huis van Michielken, en zag daar het konterfeitsel van een meester-pasteibakker.Hij veronderstelde dat dit het portret van den armen doode was.En Boelkin zeide:—Dat is mijn rampzalige broeder.Uilenspiegel nam het konterfeitsel en sprak:—Spelle wordt gehangen!—Hoe zult ge dat doen? vroeg zij.—Moest gij het weten, antwoordde hij, dan zoudt gij geenerlei genoegen meer smaken als gij het ziet.Boelkin schudde het hoofd en zei met jammerende stemme:—Gij hebt geen vertrouwen in mij.—Hoe zoo? sprak Uilenspiegel. Is het integendeel geen groot bewijs van vertrouwen als ik u zeg: „Spelle wordt gehangen?” Met dat woord alleen kunt gij mij doen hangen vóór hem.—Inderdaad, antwoordde zij.—Dus, hernam Uilenspiegel, haal mij wat goede klei, een dobbele pint bruinbier, klaar water en eenige sneden ossevleesch. Alles moet afzonderlijk zijn.... Het vleesch is voor mij, het bruinbier voor het vleesch, het water voor de klei en de klei voor het konterfeitsel.Uilenspiegel at en dronk, terwijl hij de klei kneedde; soms at hij er wel een brokje van, doch daar sloeg hij geen acht op, want heel aandachtig beschouwde hij het konterfeitsel van Boelkin’s broeder.Toen de klei gekneed was, maakte hij daarvan een masker, met een neus, eenen mond, oogen en ooren, dat zulke groote gelijkenis had met de trekken van den doode, dat Boelkin er oprecht over verwonderd was.Daarna legde hij het masker in den oven te drogen. Toen het droog was, beschilderde hij het met de kleur van de lijken, met verwilderde oogen en een pijnlijk en getrokken gelaat, als dat van een zieltogende.Toen was het meideken niet meer verwonderd, doch ze bekeek het masker, zonder er van de oogen te kunnen slaan; ze werd bleek, ontstelde, bedekte heur gezicht met de handen, en huiverend sprak zij:—Hij is het, mijn arm Michielken!Met klei maakte Uilenspiegel ook twee bloedige voeten.Boelkin, die van heur eersten schrik bekomen was, zei op plechtigen toon:—Gezegend is hij, die den moordenaar zal vermoorden.Uilenspiegel nam het masker en de voeten en sprak:—Nu moet ik iemand hebben, die mij wil helpen.Boelkin antwoordde:—Ga naarde Blauwe Gans, bij Joost Lansaem van Ieperen, dewelke deze taveerne houdt. Hij was de beste kameraad, de trouwste vriend van mijn ongelukkigen broeder. Zeg hem, dat het Boelkin is, die u zendt.Uilenspiegel deed zooals zij hem heette.Na zijn dagelijksch werk voor den dood, ging provoost Spelle ’s avonds inde Valkwarmen dobbelen klauwaard drinken, die gekookt was met kaneel en met Madeira-suiker. Uit vreeze van gehangen te worden, dorst men hem, in de afspanning, niets weigeren.Pieter de Roose, die weer moed gevat had, was naar Meulestede teruggekeerd. Overal volgde hij Spelle en zijne beulsknechten, om door hen beschermd te worden.En Spelle trakteerde hem soms. En samen dronken zij blijde met het geld der onschuldige slachtofferen.Maar de taveernede Valkwerd niet meer bezocht zooals in de schoone dagen dat het dorpje in vrede leefde, den Heer rechtzinnig diende en nog niet gekweld werd op het stuk van religie. Nu, echter, was het als in rouw gehuld; dat zag men aan zijn menigvuldige ledige huizen, aan zijn eenzame straten, waar enkel eenige magere honden rondzwierven, die in de mesthoopen wroetten, om hun eten te zoeken.In Meulestede was er geene plaats meer dan voor de twee booswichten. De verschrikte inwoners zagen hen heel den dag overmoedig rondloopen, de huizen der aanstaande slachtofferen teekenen, de doodenlijsten opmaken. En als zij ’s avonds, onder ’t zingen van vuile liedekens, vanden Valkterugkeerden, werden ze gevolgd door twee beulsknechten, dronken als zij, en van top tot teen gewapend om hen te vergezelschappen.Uilenspiegel ging inde Blauwe Gans, bij Joost Lansaem, die achter zijnen toog stond.Uilenspiegel trok een fleschje brandewijn uit zijnen zak en zei tot den baas:—Boelkin heeft zoo twee tonnen te verkoopen.—Kom binnen in de keuken, zei de baas.Hij sloot de keukendeur achter zich en bezag Uilenspiegel vlak in de oogen.—Gij zijt geen koopman in brandewijn, sprak hij, wat beteekent uw knipoogen? Wie zijt gij?Uilenspiegel antwoordde:—Ik ben de zoon van Klaas, die te Damme verbrand werd; de assche van den doode klopt op mijne borst: ik wil Spelle den moordenaar dooden.—Is ’t Boelkin, die u zendt? vroeg de weerd.—Boelkin zendt mij bij u, antwoordde Uilenspiegel. Ik zal Spelle dooden en gij zult mij helpen.—Ik wil, zegde de baas. Wat moet ik doen?Uilenspiegel antwoordde:—Ga bij den parochiepaap, die, als een goede herder, de vijand van Spelle is. Verzamel uwe vrienden en kom morgen, na de slaapklok, met hen op de Evergemsche baan, voorbij het huis van Spelle, tusschenden Valken het huis van dien snoodaard. Gij moet allen in de schaduw blijven en moogt geen witte kleeren aanhebben. Op klokslag tien zult gij Spelle uit de herberg zien komen, terwijl van den anderen kant een wagen zal komen aanrijden.... Dezen avond moogt gij uwe vrienden niet verwittigen; zij slapen te dicht bij de ooren hunner vrouw. Eerst morgen zult gij ze opzoeken. Komt, luistert goed, en weest alles indachtig.—Wij zullen alles onthouden, sprak Joost.En, met zijnen beker in de hand, sprak hij:—Ik drink op de koorde van Spelle!—Op zijne koorde! sprak Uilenspiegel.Daarop keerde hij met den baas terug in de gelagkamer, waar eenige Gentsche oude-kleerkoopers zaten te drinken. Zij kwamen van de Zaterdagsmerkt, te Brugge, alwaar zij, tegen goeden prijs, zilver- en goudlakensche wambuizen en opperste kleederen verschacherd hadden, dewelke zij voor eenige oortjes gekocht hadden van edelen, die ten onder gegaan waren door de weelde der Spanjaards te willen evenaren.En zij gastreerden luidruchtig op de groote winsten, die zij behaald hadden.Uilenspiegel en Joost Lansaem gingen in eenen hoek zitten en, onder ’t drinken, kwamen zij overeen, zonder gehoord te worden,dat Joost bij den parochiepaap zou gaan, die kwaad was op Spelle, den moordenaar van zoovele onschuldige slachtofferen.Daarna zou hij de vrienden gaan vinden.’s Anderen daags kwamen de vrienden van Michielken, die verwittigd waren, bijeen bij Joost Lansaem inde Blauwe Gans, alwaar zij, als naar gewoonte en om hunne inzichten te verbergen, pinten op pinten dronken.Bij de slaapklok gingen zij henen en begaven zich, langs verschillende wegen, naar de Evergemsche baan.Zij waren zeventien in getal.Op slag van tien uren kwam Spelle uitden Valk, gevolgd door zijne twee beulsknechten en door Pieter de Roose.Lansaem en zijne gezellen waren verscholen in de schuur van Samson Boone, een vriend van Michielken.Spelle kon hen niet zien.De vrienden van Michielken hoorden hem zwijmelend voorbijgaan, alsook Pieter de Roose en de beide beulsknechten.Met een zware tong, stamelde Spelle hikkend en snikkend:—Provoosten! provoosten! die hebben hier op Gods aarde goed leven; komaan, truwanten, die van mijn overschot leeft, ondersteunt mij toch een beetje!Maar, op den steenweg, van den kant van den kouter, hoorde men op eens het gebalk van een ezel en ’t geklap eener zweep.—Dat moet een weerspannige ezel zijn, zij Spelle, want hij wil niet vooruit, niettegenstaande het vriendelijk verzoek van de zweep.Plotseling hoorde men een groot wielengeknars en eenen wagen, die onstuimig over den steenweg stormde.—Houdt hem tegen! riep Spelle.Toen de wagen dicht bij hen was, sprongen Spelle en zijne twee beulsknechten naar den kop van den ezel.—In dien wagen steekt niets, hij is teenemaal ledig, sprak een van de beulsknechten.—Lomperik, zei Spelle, sedert wanneer rijden de wagens ’s nachts heel alleen op de baan? In dien wagen is iemand, die zich verbergt; spoedt u, steekt de lanteernen aan en heft ze omhoog, ik zal kijken.De lanteernen werden aangestoken en Spelle klom op den wagen met zijne lanteerne in de hand; maar nauwelijks had hij gekeken, of hij slaakte een grooten schreeuw en viel achterover, gillend:—Michielken! Michielken! Jezus, ontferm u mijner!In een hoek van den wagen stond een man, die in ’t wit gekleed was, lijk de pasteibakkers, en die, in de beide handen, bloedige voeten vasthield.Toen Pieter de Roose den man zag, die nu door het licht der lanteernen beschenen was, riep hij als waanzinnig:—Michielken! Michielken!En de twee beulsknechten klappertandden en fluisterden:—Michielken! Heer, ontferm u onzer!Op het gerucht kwamen de zeventien vrienden bij, om het schouwspel te zien, en allen verschrikten toen zij, bij het zilveren licht van de maan, de treffende gelijkenis zagen van Michielken, den armen doode.En de gedaante zwaaide steeds met de bloedige voeten.Het was zijn zelfde vol en rond gezicht, doch verbleekt door den dood, en grimmig, sneeuwwit keek het dreigend toe, en aan de kin waren reeds de wormen aan ’t knagen.Het spook, dat altijd met de bloedige voeten zwaaide, zei met holle stem tot Spelle, die op den rug lag te zuchten:—Spelle! provoost Spelle, word wakker!Maar Spelle verroerde zich niet.—Spelle, sprak het spook opnieuw, provoost Spelle, word wakker, of ik sleep u in den gapenden mond van de helle.Spelle sukkelde recht en riep jammerlijk, met de haren te berge van schrik:—Michielken! Michielken! heb medelijden!De poorters waren nader gekomen, doch Spelle zag niets anders dan de lichtjes hunner lanteernen, die hij voor oogen van duivelen nam. Zoo, ten minste, bekende hij later.—Spelle, vervolgde de schim van Michielken, zijt gij tot sterven bereid?—Tot sterven, neen, antwoordde de provoost, neen, messire Michielken, daar ben ik niet toe bereid, want ik wil vóór God niet verschijnen, beladen met zoo menigvuldige zonden.—Herkent gij mij? vroeg het spook.—God weze mij genadig, zuchtte Spelle; ja, ik herken u; gij zijt het spook van Michielken, den pasteibakker, die onschuldig stierf in zijn bed, ten gevolge van de pijnen der foltering; en de twee bloedige voeten zijn die, aan ieder derwelke ik een gewicht van vijftig pond deed hangen. Ha! Michielken, ontferm u mijner, schenk mij vergiffenis; die Pieter de Roose heeft mijin bekoring gebracht; hij bood mij vijftig gulden, en ik heb ze aanveerd, om uwen naam in het doodenboek te schrijven.—Wilt gij biechten? vroeg het spook.—Ja, messire, zeker wil ik biechten, alles bekennen en penitentie doen. Maar verweerdig u toch die duivelen te doen weggaan, die daar staan, bereid om mij te verslinden. Ik zal alles bekennen. Verwijder die oogen van vuur! Ik heb hetzelfde gedaan te Doornijk, met vijf onschuldige poorters, en ook te Brugge, met vier andere. Ik weet hunne namen niet meer, maar ik zal ze opzoeken en ze u zeggen, als gij wilt; elders nog heb ik insgelijks gezondigd, heer, en door mijn toedoen zijn negen en zestig onschuldige martelaren ten grave gedaald.... Michielken, de koning moest geld hebben. Men had het mij laten weten, doch ik ook moest er hebben; het is te Gent, in den kelder, onder de vloersteenen, bij de oude Gravels, mijn echte moeder. Ik heb alles, alles gezegd; genade en ontferming! Doe de duivelen weggaan. Heere God! Heilige Maagd Maria, wees mijn voorspreekster; verwijder de vuren der helle! Ik zal alles verkoopen, alles aan de arme geven en mijn leven lang boetveerdigheid plegen.Uilenspiegel, ziende dat de menigte der toegeloopen poorters bereid was om hem ter zijde te staan, sprong van den wagen naar de keel van Spelle en wilde hem verworgen.Maar de pastoor kwam bij.—Laat hem leven, sprak hij, het is beter dat hij door beulshanden sterve dan door die van een spook.—Wat wilt gij er mee doen? vroeg Uilenspiegel.—Hem vóór den hertog beschuldigen en naar verdienste doen hangen, antwoordde de parochiepaap. Maar wie zijt gij? vroeg hij.—Ik ben, antwoordde Uilenspiegel, het masker van Michielken en een arme Vlaamsche vos, die terug naar zijn hol trekt, uit vreeze voor de Spaansche jagers.Intusschen nam Pieter de Roose in aller ijl de vlucht.En Spelle werd gevonnist en gehangen, en zijne goederen verbeurdverklaard.En de koning erfde.

XXXII.Badend in tranen, kwam ’t meideken zeggen tot Lamme en tot Uilenspiegel:—Te Meulestede laat Spelle, voor geld, moordenaars en coquinen ontsnappen. En onschuldigen doet hij ter dood brengen. Mijn broeder Michielken is onder hen. Laas! laat mij het U zeggen: gij zijt mannen, gij zult hem wreken. Een eerlooze, ontuchtige vuilbaard, Pieter de Roose, bevlekker van kinderen en verleider van meidekens, is de oorzaak van al het kwaad. Laas! mijn arme broeder Michielken en Pieter de Roose zaten op een avond, doch niet aan dezelfde tafel, in de taveerneden Valk, alwaar Pieter de Roose door een iegelijk geschuwd werd als de pest.... Mijn broeder, die met hem in dezelfde zaal niet wilde vertoeven, schold hem uit voor vuilbaard en beval hem onmiddellijk zijne biezen te pakken.... Pieter de Roose antwoordde:—De broeder van een publieke loddege zou minder van zijnen neus moeten maken,... Hij loog, want ik ben geen publieke loddege; ik geef mij alleen aan hen, die ik minne.... Toen smeet Michielken hem zijn pint klauwaard naar den kop, hem toeroepende dat hij er om loog, lijk een smerige vuilbaard die hij was; daarbij bedreigde hij hem met eene aftelling naar de eerste goesting, als hij niet dadelijk opkraamde.... De andere wilde nog antwoorden, doch Michielken deed als hij gezegd had: hij sloeg tweemaal met de vuist op zijn aangezicht en trok hem bij den snoet op de straat, alwaar hij hem, zonder deernis, gansch bebloed en gekneusd op een mesthoop smeet.... Als Pieter de Roose, die in alleenigheid niet kon leven,genezen was, ging hij inhet Vagevier, eene taveerne, die heuren naam niet gestolen heeft; zóó treurig en somber is zij, dat zij maar bezocht wordt door arme lieden en bedelaars. Daar ook werd hij alleen gelaten, geschuwd, zelfs door de armzalige menschen. En niemand richtte het woord tot hem, behalve eenige boeren, die hem niet kenden, en eenige truwanten en diepers of weggeloopen soldaten. Herhaalde malen zelfs werd hij er geslagen, want hij is twistziek van aard.... Toen provoost Spelle met zijne beide hangmannen te Meulestede kwam, volgde Pieter de Roose hem overal op als een hond; op dezes kosten propte Spelle zich vol met wijn, met vleesch en smaakte alle genoegens, die voor geld te koop zijn. Zoo werd Pieter de Roose hun vriend en metgezel en deed hij alles wat zijn slecht karakter hem ingaf om degenen te folteren, die hij verfoeide, en dat waren al de inwoners van Meulestede, doch mijn armen broeder het meest.... Eerst en vooral begon hij met Michielken. Valsche getuigen, rabauwen, die gretig naar guldens waren, verklaarden dat Michielken een heretiek was, dat hij vuile reden gehouden had over Onze-Lieve-Vrouwe, en meermalen den naam van God en de santen en santinnen gelasterd had in de taveerneden Valk, en dat hij daarenboven voor ’t minst driehonderd florijnen in eene kist liggen had.... Alhoewel de getuigen geenszins van goed en zedelijk gedrag waren, werd Michielken gevangengenomen. Daar Spelle en zijne knechten verklaard hadden, dat de bewijzen voldoende waren om den beschuldigde op de pijnbank te leggen, werd Michielken bij de armen gehangen aan eene katrol, die in de zoldering vastgemaakt was, nadat men aan elken zijner voeten een gewicht van vijftig pond had gebonden.... Hij loochende het stuk en zei dat, zoo er te Meulestede een truwant, een rabauw, een godslasteraar en een vuilbaard liep, het wel Pieter de Roose was, maar hij niet.... Doch Spelle wilde niets hooren, en beval den beulsknechten Michielken op te trekken tot aan de zoldering en hem vervolgens in eens te laten nedervallen, met de gewichten aan zijne voeten. Dat deden zij, en wel zoo wreedelijk, dat de huid en de spieren van den ongelukkige vaneenscheurden en dat de voeten nog nauwelijks aan de beenen hingen.... Michielken volhardde in zijne verklaring, dat hij onschuldig was; Spelle deed hem opnieuw folteren en liet hem verstaandat hij hem vrijelijk zou laten henengaan, zoo hij hem honderd gulden wilde ter hand stellen.... Michielken zei, dat hij nog liever alle tormenten verduurde.... Toen die van Meulestede de gevangenneming vernomen hadden, wilden zij bij hoopen voor Michielken komen getuigen.... Michielken is geen ketter, zeiden eenstemmig al de goede burgers van de gemeente, want hij ging alle Zondagen naar de misse en naderde alle hoogdagen de heilige tafel; zij getuigden verder, dat hij over Onze-Lieve-Vrouwe nooit eenig andere rede gehouden had dan heure hulp in te roepen in moeilijke aangelegenheden; dat hij nooit kwaad gesproken had van eenige vrouw op aarde, en hij dienvolgens het nog minder hadde gedurfd van de hemelsche moeder Gods. Wat de godslasteringen betreft, die de valsche getuigen, naar hun zeggen, in de taveerneden Valkhadden hooren uitbraken, dat was gelogen van ’t begin tot het einde, zeiden de getuigen.... Toen werd Michielken losgelaten, en de valsche getuigen gestraft. En Spelle deed Pieter de Roose voor zijne vierschaar verschijnen, doch liet hem weder los, zonder een onderzoek te doen of hem op de pijnbank te leggen, mits honderd gulden aanstonds betaald.... Pieter de Roose vluchtte uit Meulestede, uit vreeze dat het hem nog blijvende geld opnieuw de aandacht van Spelle zou wekken, terwijl Michielken, mijn arme broeder, stierf van den kanker, die zich aan zijne voeten gezet had.... Hij, die mij niet meer bezien wilde, deed mij toch roepen om mij te zeggen goed te letten op het vuur, dat brandt in mijn lichaam, en dat mij zeker naar de helle zou leiden. En ik kon slechts weenen, want het vuur brandt in mijn lichaam, en het is mijne schuld niet.... En in mijne armen gaf hij den geest.—Ha! zeide zij, hij, die op Spelle den dood van mijn zoeten en beminden broeder zou wreken, zou voor eeuwig mijn meester zijn, en ’k zou hem gehoorzamen als een gewillige hond.Terwijl zij sprak, klopte de assche van Klaas op Uilenspiegel’s borst.En hij besloot Spelle, den moordenaar, te doen hangen.Boelkin, zoo was de naam van het meideken, keerde gerust terug naar heur huis te Meulestede, zonder de wraak van Pieter de Roose te vreezen, want een koerier, die voor zaken naar Destelbergen gekomen was, verwittigde heur dat de parochiepaapen de poorters verklaard hadden, dat zij Spelle vóór den hertog zouden doen verschijnen, bijaldien hij de hand dorst leggen op de zuster van Michielken.Uilenspiegel, die het meideken vergezelschapt had naar Meulestede, kwam in de benedenkamer van het huis van Michielken, en zag daar het konterfeitsel van een meester-pasteibakker.Hij veronderstelde dat dit het portret van den armen doode was.En Boelkin zeide:—Dat is mijn rampzalige broeder.Uilenspiegel nam het konterfeitsel en sprak:—Spelle wordt gehangen!—Hoe zult ge dat doen? vroeg zij.—Moest gij het weten, antwoordde hij, dan zoudt gij geenerlei genoegen meer smaken als gij het ziet.Boelkin schudde het hoofd en zei met jammerende stemme:—Gij hebt geen vertrouwen in mij.—Hoe zoo? sprak Uilenspiegel. Is het integendeel geen groot bewijs van vertrouwen als ik u zeg: „Spelle wordt gehangen?” Met dat woord alleen kunt gij mij doen hangen vóór hem.—Inderdaad, antwoordde zij.—Dus, hernam Uilenspiegel, haal mij wat goede klei, een dobbele pint bruinbier, klaar water en eenige sneden ossevleesch. Alles moet afzonderlijk zijn.... Het vleesch is voor mij, het bruinbier voor het vleesch, het water voor de klei en de klei voor het konterfeitsel.Uilenspiegel at en dronk, terwijl hij de klei kneedde; soms at hij er wel een brokje van, doch daar sloeg hij geen acht op, want heel aandachtig beschouwde hij het konterfeitsel van Boelkin’s broeder.Toen de klei gekneed was, maakte hij daarvan een masker, met een neus, eenen mond, oogen en ooren, dat zulke groote gelijkenis had met de trekken van den doode, dat Boelkin er oprecht over verwonderd was.Daarna legde hij het masker in den oven te drogen. Toen het droog was, beschilderde hij het met de kleur van de lijken, met verwilderde oogen en een pijnlijk en getrokken gelaat, als dat van een zieltogende.Toen was het meideken niet meer verwonderd, doch ze bekeek het masker, zonder er van de oogen te kunnen slaan; ze werd bleek, ontstelde, bedekte heur gezicht met de handen, en huiverend sprak zij:—Hij is het, mijn arm Michielken!Met klei maakte Uilenspiegel ook twee bloedige voeten.Boelkin, die van heur eersten schrik bekomen was, zei op plechtigen toon:—Gezegend is hij, die den moordenaar zal vermoorden.Uilenspiegel nam het masker en de voeten en sprak:—Nu moet ik iemand hebben, die mij wil helpen.Boelkin antwoordde:—Ga naarde Blauwe Gans, bij Joost Lansaem van Ieperen, dewelke deze taveerne houdt. Hij was de beste kameraad, de trouwste vriend van mijn ongelukkigen broeder. Zeg hem, dat het Boelkin is, die u zendt.Uilenspiegel deed zooals zij hem heette.Na zijn dagelijksch werk voor den dood, ging provoost Spelle ’s avonds inde Valkwarmen dobbelen klauwaard drinken, die gekookt was met kaneel en met Madeira-suiker. Uit vreeze van gehangen te worden, dorst men hem, in de afspanning, niets weigeren.Pieter de Roose, die weer moed gevat had, was naar Meulestede teruggekeerd. Overal volgde hij Spelle en zijne beulsknechten, om door hen beschermd te worden.En Spelle trakteerde hem soms. En samen dronken zij blijde met het geld der onschuldige slachtofferen.Maar de taveernede Valkwerd niet meer bezocht zooals in de schoone dagen dat het dorpje in vrede leefde, den Heer rechtzinnig diende en nog niet gekweld werd op het stuk van religie. Nu, echter, was het als in rouw gehuld; dat zag men aan zijn menigvuldige ledige huizen, aan zijn eenzame straten, waar enkel eenige magere honden rondzwierven, die in de mesthoopen wroetten, om hun eten te zoeken.In Meulestede was er geene plaats meer dan voor de twee booswichten. De verschrikte inwoners zagen hen heel den dag overmoedig rondloopen, de huizen der aanstaande slachtofferen teekenen, de doodenlijsten opmaken. En als zij ’s avonds, onder ’t zingen van vuile liedekens, vanden Valkterugkeerden, werden ze gevolgd door twee beulsknechten, dronken als zij, en van top tot teen gewapend om hen te vergezelschappen.Uilenspiegel ging inde Blauwe Gans, bij Joost Lansaem, die achter zijnen toog stond.Uilenspiegel trok een fleschje brandewijn uit zijnen zak en zei tot den baas:—Boelkin heeft zoo twee tonnen te verkoopen.—Kom binnen in de keuken, zei de baas.Hij sloot de keukendeur achter zich en bezag Uilenspiegel vlak in de oogen.—Gij zijt geen koopman in brandewijn, sprak hij, wat beteekent uw knipoogen? Wie zijt gij?Uilenspiegel antwoordde:—Ik ben de zoon van Klaas, die te Damme verbrand werd; de assche van den doode klopt op mijne borst: ik wil Spelle den moordenaar dooden.—Is ’t Boelkin, die u zendt? vroeg de weerd.—Boelkin zendt mij bij u, antwoordde Uilenspiegel. Ik zal Spelle dooden en gij zult mij helpen.—Ik wil, zegde de baas. Wat moet ik doen?Uilenspiegel antwoordde:—Ga bij den parochiepaap, die, als een goede herder, de vijand van Spelle is. Verzamel uwe vrienden en kom morgen, na de slaapklok, met hen op de Evergemsche baan, voorbij het huis van Spelle, tusschenden Valken het huis van dien snoodaard. Gij moet allen in de schaduw blijven en moogt geen witte kleeren aanhebben. Op klokslag tien zult gij Spelle uit de herberg zien komen, terwijl van den anderen kant een wagen zal komen aanrijden.... Dezen avond moogt gij uwe vrienden niet verwittigen; zij slapen te dicht bij de ooren hunner vrouw. Eerst morgen zult gij ze opzoeken. Komt, luistert goed, en weest alles indachtig.—Wij zullen alles onthouden, sprak Joost.En, met zijnen beker in de hand, sprak hij:—Ik drink op de koorde van Spelle!—Op zijne koorde! sprak Uilenspiegel.Daarop keerde hij met den baas terug in de gelagkamer, waar eenige Gentsche oude-kleerkoopers zaten te drinken. Zij kwamen van de Zaterdagsmerkt, te Brugge, alwaar zij, tegen goeden prijs, zilver- en goudlakensche wambuizen en opperste kleederen verschacherd hadden, dewelke zij voor eenige oortjes gekocht hadden van edelen, die ten onder gegaan waren door de weelde der Spanjaards te willen evenaren.En zij gastreerden luidruchtig op de groote winsten, die zij behaald hadden.Uilenspiegel en Joost Lansaem gingen in eenen hoek zitten en, onder ’t drinken, kwamen zij overeen, zonder gehoord te worden,dat Joost bij den parochiepaap zou gaan, die kwaad was op Spelle, den moordenaar van zoovele onschuldige slachtofferen.Daarna zou hij de vrienden gaan vinden.’s Anderen daags kwamen de vrienden van Michielken, die verwittigd waren, bijeen bij Joost Lansaem inde Blauwe Gans, alwaar zij, als naar gewoonte en om hunne inzichten te verbergen, pinten op pinten dronken.Bij de slaapklok gingen zij henen en begaven zich, langs verschillende wegen, naar de Evergemsche baan.Zij waren zeventien in getal.Op slag van tien uren kwam Spelle uitden Valk, gevolgd door zijne twee beulsknechten en door Pieter de Roose.Lansaem en zijne gezellen waren verscholen in de schuur van Samson Boone, een vriend van Michielken.Spelle kon hen niet zien.De vrienden van Michielken hoorden hem zwijmelend voorbijgaan, alsook Pieter de Roose en de beide beulsknechten.Met een zware tong, stamelde Spelle hikkend en snikkend:—Provoosten! provoosten! die hebben hier op Gods aarde goed leven; komaan, truwanten, die van mijn overschot leeft, ondersteunt mij toch een beetje!Maar, op den steenweg, van den kant van den kouter, hoorde men op eens het gebalk van een ezel en ’t geklap eener zweep.—Dat moet een weerspannige ezel zijn, zij Spelle, want hij wil niet vooruit, niettegenstaande het vriendelijk verzoek van de zweep.Plotseling hoorde men een groot wielengeknars en eenen wagen, die onstuimig over den steenweg stormde.—Houdt hem tegen! riep Spelle.Toen de wagen dicht bij hen was, sprongen Spelle en zijne twee beulsknechten naar den kop van den ezel.—In dien wagen steekt niets, hij is teenemaal ledig, sprak een van de beulsknechten.—Lomperik, zei Spelle, sedert wanneer rijden de wagens ’s nachts heel alleen op de baan? In dien wagen is iemand, die zich verbergt; spoedt u, steekt de lanteernen aan en heft ze omhoog, ik zal kijken.De lanteernen werden aangestoken en Spelle klom op den wagen met zijne lanteerne in de hand; maar nauwelijks had hij gekeken, of hij slaakte een grooten schreeuw en viel achterover, gillend:—Michielken! Michielken! Jezus, ontferm u mijner!In een hoek van den wagen stond een man, die in ’t wit gekleed was, lijk de pasteibakkers, en die, in de beide handen, bloedige voeten vasthield.Toen Pieter de Roose den man zag, die nu door het licht der lanteernen beschenen was, riep hij als waanzinnig:—Michielken! Michielken!En de twee beulsknechten klappertandden en fluisterden:—Michielken! Heer, ontferm u onzer!Op het gerucht kwamen de zeventien vrienden bij, om het schouwspel te zien, en allen verschrikten toen zij, bij het zilveren licht van de maan, de treffende gelijkenis zagen van Michielken, den armen doode.En de gedaante zwaaide steeds met de bloedige voeten.Het was zijn zelfde vol en rond gezicht, doch verbleekt door den dood, en grimmig, sneeuwwit keek het dreigend toe, en aan de kin waren reeds de wormen aan ’t knagen.Het spook, dat altijd met de bloedige voeten zwaaide, zei met holle stem tot Spelle, die op den rug lag te zuchten:—Spelle! provoost Spelle, word wakker!Maar Spelle verroerde zich niet.—Spelle, sprak het spook opnieuw, provoost Spelle, word wakker, of ik sleep u in den gapenden mond van de helle.Spelle sukkelde recht en riep jammerlijk, met de haren te berge van schrik:—Michielken! Michielken! heb medelijden!De poorters waren nader gekomen, doch Spelle zag niets anders dan de lichtjes hunner lanteernen, die hij voor oogen van duivelen nam. Zoo, ten minste, bekende hij later.—Spelle, vervolgde de schim van Michielken, zijt gij tot sterven bereid?—Tot sterven, neen, antwoordde de provoost, neen, messire Michielken, daar ben ik niet toe bereid, want ik wil vóór God niet verschijnen, beladen met zoo menigvuldige zonden.—Herkent gij mij? vroeg het spook.—God weze mij genadig, zuchtte Spelle; ja, ik herken u; gij zijt het spook van Michielken, den pasteibakker, die onschuldig stierf in zijn bed, ten gevolge van de pijnen der foltering; en de twee bloedige voeten zijn die, aan ieder derwelke ik een gewicht van vijftig pond deed hangen. Ha! Michielken, ontferm u mijner, schenk mij vergiffenis; die Pieter de Roose heeft mijin bekoring gebracht; hij bood mij vijftig gulden, en ik heb ze aanveerd, om uwen naam in het doodenboek te schrijven.—Wilt gij biechten? vroeg het spook.—Ja, messire, zeker wil ik biechten, alles bekennen en penitentie doen. Maar verweerdig u toch die duivelen te doen weggaan, die daar staan, bereid om mij te verslinden. Ik zal alles bekennen. Verwijder die oogen van vuur! Ik heb hetzelfde gedaan te Doornijk, met vijf onschuldige poorters, en ook te Brugge, met vier andere. Ik weet hunne namen niet meer, maar ik zal ze opzoeken en ze u zeggen, als gij wilt; elders nog heb ik insgelijks gezondigd, heer, en door mijn toedoen zijn negen en zestig onschuldige martelaren ten grave gedaald.... Michielken, de koning moest geld hebben. Men had het mij laten weten, doch ik ook moest er hebben; het is te Gent, in den kelder, onder de vloersteenen, bij de oude Gravels, mijn echte moeder. Ik heb alles, alles gezegd; genade en ontferming! Doe de duivelen weggaan. Heere God! Heilige Maagd Maria, wees mijn voorspreekster; verwijder de vuren der helle! Ik zal alles verkoopen, alles aan de arme geven en mijn leven lang boetveerdigheid plegen.Uilenspiegel, ziende dat de menigte der toegeloopen poorters bereid was om hem ter zijde te staan, sprong van den wagen naar de keel van Spelle en wilde hem verworgen.Maar de pastoor kwam bij.—Laat hem leven, sprak hij, het is beter dat hij door beulshanden sterve dan door die van een spook.—Wat wilt gij er mee doen? vroeg Uilenspiegel.—Hem vóór den hertog beschuldigen en naar verdienste doen hangen, antwoordde de parochiepaap. Maar wie zijt gij? vroeg hij.—Ik ben, antwoordde Uilenspiegel, het masker van Michielken en een arme Vlaamsche vos, die terug naar zijn hol trekt, uit vreeze voor de Spaansche jagers.Intusschen nam Pieter de Roose in aller ijl de vlucht.En Spelle werd gevonnist en gehangen, en zijne goederen verbeurdverklaard.En de koning erfde.

XXXII.Badend in tranen, kwam ’t meideken zeggen tot Lamme en tot Uilenspiegel:—Te Meulestede laat Spelle, voor geld, moordenaars en coquinen ontsnappen. En onschuldigen doet hij ter dood brengen. Mijn broeder Michielken is onder hen. Laas! laat mij het U zeggen: gij zijt mannen, gij zult hem wreken. Een eerlooze, ontuchtige vuilbaard, Pieter de Roose, bevlekker van kinderen en verleider van meidekens, is de oorzaak van al het kwaad. Laas! mijn arme broeder Michielken en Pieter de Roose zaten op een avond, doch niet aan dezelfde tafel, in de taveerneden Valk, alwaar Pieter de Roose door een iegelijk geschuwd werd als de pest.... Mijn broeder, die met hem in dezelfde zaal niet wilde vertoeven, schold hem uit voor vuilbaard en beval hem onmiddellijk zijne biezen te pakken.... Pieter de Roose antwoordde:—De broeder van een publieke loddege zou minder van zijnen neus moeten maken,... Hij loog, want ik ben geen publieke loddege; ik geef mij alleen aan hen, die ik minne.... Toen smeet Michielken hem zijn pint klauwaard naar den kop, hem toeroepende dat hij er om loog, lijk een smerige vuilbaard die hij was; daarbij bedreigde hij hem met eene aftelling naar de eerste goesting, als hij niet dadelijk opkraamde.... De andere wilde nog antwoorden, doch Michielken deed als hij gezegd had: hij sloeg tweemaal met de vuist op zijn aangezicht en trok hem bij den snoet op de straat, alwaar hij hem, zonder deernis, gansch bebloed en gekneusd op een mesthoop smeet.... Als Pieter de Roose, die in alleenigheid niet kon leven,genezen was, ging hij inhet Vagevier, eene taveerne, die heuren naam niet gestolen heeft; zóó treurig en somber is zij, dat zij maar bezocht wordt door arme lieden en bedelaars. Daar ook werd hij alleen gelaten, geschuwd, zelfs door de armzalige menschen. En niemand richtte het woord tot hem, behalve eenige boeren, die hem niet kenden, en eenige truwanten en diepers of weggeloopen soldaten. Herhaalde malen zelfs werd hij er geslagen, want hij is twistziek van aard.... Toen provoost Spelle met zijne beide hangmannen te Meulestede kwam, volgde Pieter de Roose hem overal op als een hond; op dezes kosten propte Spelle zich vol met wijn, met vleesch en smaakte alle genoegens, die voor geld te koop zijn. Zoo werd Pieter de Roose hun vriend en metgezel en deed hij alles wat zijn slecht karakter hem ingaf om degenen te folteren, die hij verfoeide, en dat waren al de inwoners van Meulestede, doch mijn armen broeder het meest.... Eerst en vooral begon hij met Michielken. Valsche getuigen, rabauwen, die gretig naar guldens waren, verklaarden dat Michielken een heretiek was, dat hij vuile reden gehouden had over Onze-Lieve-Vrouwe, en meermalen den naam van God en de santen en santinnen gelasterd had in de taveerneden Valk, en dat hij daarenboven voor ’t minst driehonderd florijnen in eene kist liggen had.... Alhoewel de getuigen geenszins van goed en zedelijk gedrag waren, werd Michielken gevangengenomen. Daar Spelle en zijne knechten verklaard hadden, dat de bewijzen voldoende waren om den beschuldigde op de pijnbank te leggen, werd Michielken bij de armen gehangen aan eene katrol, die in de zoldering vastgemaakt was, nadat men aan elken zijner voeten een gewicht van vijftig pond had gebonden.... Hij loochende het stuk en zei dat, zoo er te Meulestede een truwant, een rabauw, een godslasteraar en een vuilbaard liep, het wel Pieter de Roose was, maar hij niet.... Doch Spelle wilde niets hooren, en beval den beulsknechten Michielken op te trekken tot aan de zoldering en hem vervolgens in eens te laten nedervallen, met de gewichten aan zijne voeten. Dat deden zij, en wel zoo wreedelijk, dat de huid en de spieren van den ongelukkige vaneenscheurden en dat de voeten nog nauwelijks aan de beenen hingen.... Michielken volhardde in zijne verklaring, dat hij onschuldig was; Spelle deed hem opnieuw folteren en liet hem verstaandat hij hem vrijelijk zou laten henengaan, zoo hij hem honderd gulden wilde ter hand stellen.... Michielken zei, dat hij nog liever alle tormenten verduurde.... Toen die van Meulestede de gevangenneming vernomen hadden, wilden zij bij hoopen voor Michielken komen getuigen.... Michielken is geen ketter, zeiden eenstemmig al de goede burgers van de gemeente, want hij ging alle Zondagen naar de misse en naderde alle hoogdagen de heilige tafel; zij getuigden verder, dat hij over Onze-Lieve-Vrouwe nooit eenig andere rede gehouden had dan heure hulp in te roepen in moeilijke aangelegenheden; dat hij nooit kwaad gesproken had van eenige vrouw op aarde, en hij dienvolgens het nog minder hadde gedurfd van de hemelsche moeder Gods. Wat de godslasteringen betreft, die de valsche getuigen, naar hun zeggen, in de taveerneden Valkhadden hooren uitbraken, dat was gelogen van ’t begin tot het einde, zeiden de getuigen.... Toen werd Michielken losgelaten, en de valsche getuigen gestraft. En Spelle deed Pieter de Roose voor zijne vierschaar verschijnen, doch liet hem weder los, zonder een onderzoek te doen of hem op de pijnbank te leggen, mits honderd gulden aanstonds betaald.... Pieter de Roose vluchtte uit Meulestede, uit vreeze dat het hem nog blijvende geld opnieuw de aandacht van Spelle zou wekken, terwijl Michielken, mijn arme broeder, stierf van den kanker, die zich aan zijne voeten gezet had.... Hij, die mij niet meer bezien wilde, deed mij toch roepen om mij te zeggen goed te letten op het vuur, dat brandt in mijn lichaam, en dat mij zeker naar de helle zou leiden. En ik kon slechts weenen, want het vuur brandt in mijn lichaam, en het is mijne schuld niet.... En in mijne armen gaf hij den geest.—Ha! zeide zij, hij, die op Spelle den dood van mijn zoeten en beminden broeder zou wreken, zou voor eeuwig mijn meester zijn, en ’k zou hem gehoorzamen als een gewillige hond.Terwijl zij sprak, klopte de assche van Klaas op Uilenspiegel’s borst.En hij besloot Spelle, den moordenaar, te doen hangen.Boelkin, zoo was de naam van het meideken, keerde gerust terug naar heur huis te Meulestede, zonder de wraak van Pieter de Roose te vreezen, want een koerier, die voor zaken naar Destelbergen gekomen was, verwittigde heur dat de parochiepaapen de poorters verklaard hadden, dat zij Spelle vóór den hertog zouden doen verschijnen, bijaldien hij de hand dorst leggen op de zuster van Michielken.Uilenspiegel, die het meideken vergezelschapt had naar Meulestede, kwam in de benedenkamer van het huis van Michielken, en zag daar het konterfeitsel van een meester-pasteibakker.Hij veronderstelde dat dit het portret van den armen doode was.En Boelkin zeide:—Dat is mijn rampzalige broeder.Uilenspiegel nam het konterfeitsel en sprak:—Spelle wordt gehangen!—Hoe zult ge dat doen? vroeg zij.—Moest gij het weten, antwoordde hij, dan zoudt gij geenerlei genoegen meer smaken als gij het ziet.Boelkin schudde het hoofd en zei met jammerende stemme:—Gij hebt geen vertrouwen in mij.—Hoe zoo? sprak Uilenspiegel. Is het integendeel geen groot bewijs van vertrouwen als ik u zeg: „Spelle wordt gehangen?” Met dat woord alleen kunt gij mij doen hangen vóór hem.—Inderdaad, antwoordde zij.—Dus, hernam Uilenspiegel, haal mij wat goede klei, een dobbele pint bruinbier, klaar water en eenige sneden ossevleesch. Alles moet afzonderlijk zijn.... Het vleesch is voor mij, het bruinbier voor het vleesch, het water voor de klei en de klei voor het konterfeitsel.Uilenspiegel at en dronk, terwijl hij de klei kneedde; soms at hij er wel een brokje van, doch daar sloeg hij geen acht op, want heel aandachtig beschouwde hij het konterfeitsel van Boelkin’s broeder.Toen de klei gekneed was, maakte hij daarvan een masker, met een neus, eenen mond, oogen en ooren, dat zulke groote gelijkenis had met de trekken van den doode, dat Boelkin er oprecht over verwonderd was.Daarna legde hij het masker in den oven te drogen. Toen het droog was, beschilderde hij het met de kleur van de lijken, met verwilderde oogen en een pijnlijk en getrokken gelaat, als dat van een zieltogende.Toen was het meideken niet meer verwonderd, doch ze bekeek het masker, zonder er van de oogen te kunnen slaan; ze werd bleek, ontstelde, bedekte heur gezicht met de handen, en huiverend sprak zij:—Hij is het, mijn arm Michielken!Met klei maakte Uilenspiegel ook twee bloedige voeten.Boelkin, die van heur eersten schrik bekomen was, zei op plechtigen toon:—Gezegend is hij, die den moordenaar zal vermoorden.Uilenspiegel nam het masker en de voeten en sprak:—Nu moet ik iemand hebben, die mij wil helpen.Boelkin antwoordde:—Ga naarde Blauwe Gans, bij Joost Lansaem van Ieperen, dewelke deze taveerne houdt. Hij was de beste kameraad, de trouwste vriend van mijn ongelukkigen broeder. Zeg hem, dat het Boelkin is, die u zendt.Uilenspiegel deed zooals zij hem heette.Na zijn dagelijksch werk voor den dood, ging provoost Spelle ’s avonds inde Valkwarmen dobbelen klauwaard drinken, die gekookt was met kaneel en met Madeira-suiker. Uit vreeze van gehangen te worden, dorst men hem, in de afspanning, niets weigeren.Pieter de Roose, die weer moed gevat had, was naar Meulestede teruggekeerd. Overal volgde hij Spelle en zijne beulsknechten, om door hen beschermd te worden.En Spelle trakteerde hem soms. En samen dronken zij blijde met het geld der onschuldige slachtofferen.Maar de taveernede Valkwerd niet meer bezocht zooals in de schoone dagen dat het dorpje in vrede leefde, den Heer rechtzinnig diende en nog niet gekweld werd op het stuk van religie. Nu, echter, was het als in rouw gehuld; dat zag men aan zijn menigvuldige ledige huizen, aan zijn eenzame straten, waar enkel eenige magere honden rondzwierven, die in de mesthoopen wroetten, om hun eten te zoeken.In Meulestede was er geene plaats meer dan voor de twee booswichten. De verschrikte inwoners zagen hen heel den dag overmoedig rondloopen, de huizen der aanstaande slachtofferen teekenen, de doodenlijsten opmaken. En als zij ’s avonds, onder ’t zingen van vuile liedekens, vanden Valkterugkeerden, werden ze gevolgd door twee beulsknechten, dronken als zij, en van top tot teen gewapend om hen te vergezelschappen.Uilenspiegel ging inde Blauwe Gans, bij Joost Lansaem, die achter zijnen toog stond.Uilenspiegel trok een fleschje brandewijn uit zijnen zak en zei tot den baas:—Boelkin heeft zoo twee tonnen te verkoopen.—Kom binnen in de keuken, zei de baas.Hij sloot de keukendeur achter zich en bezag Uilenspiegel vlak in de oogen.—Gij zijt geen koopman in brandewijn, sprak hij, wat beteekent uw knipoogen? Wie zijt gij?Uilenspiegel antwoordde:—Ik ben de zoon van Klaas, die te Damme verbrand werd; de assche van den doode klopt op mijne borst: ik wil Spelle den moordenaar dooden.—Is ’t Boelkin, die u zendt? vroeg de weerd.—Boelkin zendt mij bij u, antwoordde Uilenspiegel. Ik zal Spelle dooden en gij zult mij helpen.—Ik wil, zegde de baas. Wat moet ik doen?Uilenspiegel antwoordde:—Ga bij den parochiepaap, die, als een goede herder, de vijand van Spelle is. Verzamel uwe vrienden en kom morgen, na de slaapklok, met hen op de Evergemsche baan, voorbij het huis van Spelle, tusschenden Valken het huis van dien snoodaard. Gij moet allen in de schaduw blijven en moogt geen witte kleeren aanhebben. Op klokslag tien zult gij Spelle uit de herberg zien komen, terwijl van den anderen kant een wagen zal komen aanrijden.... Dezen avond moogt gij uwe vrienden niet verwittigen; zij slapen te dicht bij de ooren hunner vrouw. Eerst morgen zult gij ze opzoeken. Komt, luistert goed, en weest alles indachtig.—Wij zullen alles onthouden, sprak Joost.En, met zijnen beker in de hand, sprak hij:—Ik drink op de koorde van Spelle!—Op zijne koorde! sprak Uilenspiegel.Daarop keerde hij met den baas terug in de gelagkamer, waar eenige Gentsche oude-kleerkoopers zaten te drinken. Zij kwamen van de Zaterdagsmerkt, te Brugge, alwaar zij, tegen goeden prijs, zilver- en goudlakensche wambuizen en opperste kleederen verschacherd hadden, dewelke zij voor eenige oortjes gekocht hadden van edelen, die ten onder gegaan waren door de weelde der Spanjaards te willen evenaren.En zij gastreerden luidruchtig op de groote winsten, die zij behaald hadden.Uilenspiegel en Joost Lansaem gingen in eenen hoek zitten en, onder ’t drinken, kwamen zij overeen, zonder gehoord te worden,dat Joost bij den parochiepaap zou gaan, die kwaad was op Spelle, den moordenaar van zoovele onschuldige slachtofferen.Daarna zou hij de vrienden gaan vinden.’s Anderen daags kwamen de vrienden van Michielken, die verwittigd waren, bijeen bij Joost Lansaem inde Blauwe Gans, alwaar zij, als naar gewoonte en om hunne inzichten te verbergen, pinten op pinten dronken.Bij de slaapklok gingen zij henen en begaven zich, langs verschillende wegen, naar de Evergemsche baan.Zij waren zeventien in getal.Op slag van tien uren kwam Spelle uitden Valk, gevolgd door zijne twee beulsknechten en door Pieter de Roose.Lansaem en zijne gezellen waren verscholen in de schuur van Samson Boone, een vriend van Michielken.Spelle kon hen niet zien.De vrienden van Michielken hoorden hem zwijmelend voorbijgaan, alsook Pieter de Roose en de beide beulsknechten.Met een zware tong, stamelde Spelle hikkend en snikkend:—Provoosten! provoosten! die hebben hier op Gods aarde goed leven; komaan, truwanten, die van mijn overschot leeft, ondersteunt mij toch een beetje!Maar, op den steenweg, van den kant van den kouter, hoorde men op eens het gebalk van een ezel en ’t geklap eener zweep.—Dat moet een weerspannige ezel zijn, zij Spelle, want hij wil niet vooruit, niettegenstaande het vriendelijk verzoek van de zweep.Plotseling hoorde men een groot wielengeknars en eenen wagen, die onstuimig over den steenweg stormde.—Houdt hem tegen! riep Spelle.Toen de wagen dicht bij hen was, sprongen Spelle en zijne twee beulsknechten naar den kop van den ezel.—In dien wagen steekt niets, hij is teenemaal ledig, sprak een van de beulsknechten.—Lomperik, zei Spelle, sedert wanneer rijden de wagens ’s nachts heel alleen op de baan? In dien wagen is iemand, die zich verbergt; spoedt u, steekt de lanteernen aan en heft ze omhoog, ik zal kijken.De lanteernen werden aangestoken en Spelle klom op den wagen met zijne lanteerne in de hand; maar nauwelijks had hij gekeken, of hij slaakte een grooten schreeuw en viel achterover, gillend:—Michielken! Michielken! Jezus, ontferm u mijner!In een hoek van den wagen stond een man, die in ’t wit gekleed was, lijk de pasteibakkers, en die, in de beide handen, bloedige voeten vasthield.Toen Pieter de Roose den man zag, die nu door het licht der lanteernen beschenen was, riep hij als waanzinnig:—Michielken! Michielken!En de twee beulsknechten klappertandden en fluisterden:—Michielken! Heer, ontferm u onzer!Op het gerucht kwamen de zeventien vrienden bij, om het schouwspel te zien, en allen verschrikten toen zij, bij het zilveren licht van de maan, de treffende gelijkenis zagen van Michielken, den armen doode.En de gedaante zwaaide steeds met de bloedige voeten.Het was zijn zelfde vol en rond gezicht, doch verbleekt door den dood, en grimmig, sneeuwwit keek het dreigend toe, en aan de kin waren reeds de wormen aan ’t knagen.Het spook, dat altijd met de bloedige voeten zwaaide, zei met holle stem tot Spelle, die op den rug lag te zuchten:—Spelle! provoost Spelle, word wakker!Maar Spelle verroerde zich niet.—Spelle, sprak het spook opnieuw, provoost Spelle, word wakker, of ik sleep u in den gapenden mond van de helle.Spelle sukkelde recht en riep jammerlijk, met de haren te berge van schrik:—Michielken! Michielken! heb medelijden!De poorters waren nader gekomen, doch Spelle zag niets anders dan de lichtjes hunner lanteernen, die hij voor oogen van duivelen nam. Zoo, ten minste, bekende hij later.—Spelle, vervolgde de schim van Michielken, zijt gij tot sterven bereid?—Tot sterven, neen, antwoordde de provoost, neen, messire Michielken, daar ben ik niet toe bereid, want ik wil vóór God niet verschijnen, beladen met zoo menigvuldige zonden.—Herkent gij mij? vroeg het spook.—God weze mij genadig, zuchtte Spelle; ja, ik herken u; gij zijt het spook van Michielken, den pasteibakker, die onschuldig stierf in zijn bed, ten gevolge van de pijnen der foltering; en de twee bloedige voeten zijn die, aan ieder derwelke ik een gewicht van vijftig pond deed hangen. Ha! Michielken, ontferm u mijner, schenk mij vergiffenis; die Pieter de Roose heeft mijin bekoring gebracht; hij bood mij vijftig gulden, en ik heb ze aanveerd, om uwen naam in het doodenboek te schrijven.—Wilt gij biechten? vroeg het spook.—Ja, messire, zeker wil ik biechten, alles bekennen en penitentie doen. Maar verweerdig u toch die duivelen te doen weggaan, die daar staan, bereid om mij te verslinden. Ik zal alles bekennen. Verwijder die oogen van vuur! Ik heb hetzelfde gedaan te Doornijk, met vijf onschuldige poorters, en ook te Brugge, met vier andere. Ik weet hunne namen niet meer, maar ik zal ze opzoeken en ze u zeggen, als gij wilt; elders nog heb ik insgelijks gezondigd, heer, en door mijn toedoen zijn negen en zestig onschuldige martelaren ten grave gedaald.... Michielken, de koning moest geld hebben. Men had het mij laten weten, doch ik ook moest er hebben; het is te Gent, in den kelder, onder de vloersteenen, bij de oude Gravels, mijn echte moeder. Ik heb alles, alles gezegd; genade en ontferming! Doe de duivelen weggaan. Heere God! Heilige Maagd Maria, wees mijn voorspreekster; verwijder de vuren der helle! Ik zal alles verkoopen, alles aan de arme geven en mijn leven lang boetveerdigheid plegen.Uilenspiegel, ziende dat de menigte der toegeloopen poorters bereid was om hem ter zijde te staan, sprong van den wagen naar de keel van Spelle en wilde hem verworgen.Maar de pastoor kwam bij.—Laat hem leven, sprak hij, het is beter dat hij door beulshanden sterve dan door die van een spook.—Wat wilt gij er mee doen? vroeg Uilenspiegel.—Hem vóór den hertog beschuldigen en naar verdienste doen hangen, antwoordde de parochiepaap. Maar wie zijt gij? vroeg hij.—Ik ben, antwoordde Uilenspiegel, het masker van Michielken en een arme Vlaamsche vos, die terug naar zijn hol trekt, uit vreeze voor de Spaansche jagers.Intusschen nam Pieter de Roose in aller ijl de vlucht.En Spelle werd gevonnist en gehangen, en zijne goederen verbeurdverklaard.En de koning erfde.

XXXII.

Badend in tranen, kwam ’t meideken zeggen tot Lamme en tot Uilenspiegel:—Te Meulestede laat Spelle, voor geld, moordenaars en coquinen ontsnappen. En onschuldigen doet hij ter dood brengen. Mijn broeder Michielken is onder hen. Laas! laat mij het U zeggen: gij zijt mannen, gij zult hem wreken. Een eerlooze, ontuchtige vuilbaard, Pieter de Roose, bevlekker van kinderen en verleider van meidekens, is de oorzaak van al het kwaad. Laas! mijn arme broeder Michielken en Pieter de Roose zaten op een avond, doch niet aan dezelfde tafel, in de taveerneden Valk, alwaar Pieter de Roose door een iegelijk geschuwd werd als de pest.... Mijn broeder, die met hem in dezelfde zaal niet wilde vertoeven, schold hem uit voor vuilbaard en beval hem onmiddellijk zijne biezen te pakken.... Pieter de Roose antwoordde:—De broeder van een publieke loddege zou minder van zijnen neus moeten maken,... Hij loog, want ik ben geen publieke loddege; ik geef mij alleen aan hen, die ik minne.... Toen smeet Michielken hem zijn pint klauwaard naar den kop, hem toeroepende dat hij er om loog, lijk een smerige vuilbaard die hij was; daarbij bedreigde hij hem met eene aftelling naar de eerste goesting, als hij niet dadelijk opkraamde.... De andere wilde nog antwoorden, doch Michielken deed als hij gezegd had: hij sloeg tweemaal met de vuist op zijn aangezicht en trok hem bij den snoet op de straat, alwaar hij hem, zonder deernis, gansch bebloed en gekneusd op een mesthoop smeet.... Als Pieter de Roose, die in alleenigheid niet kon leven,genezen was, ging hij inhet Vagevier, eene taveerne, die heuren naam niet gestolen heeft; zóó treurig en somber is zij, dat zij maar bezocht wordt door arme lieden en bedelaars. Daar ook werd hij alleen gelaten, geschuwd, zelfs door de armzalige menschen. En niemand richtte het woord tot hem, behalve eenige boeren, die hem niet kenden, en eenige truwanten en diepers of weggeloopen soldaten. Herhaalde malen zelfs werd hij er geslagen, want hij is twistziek van aard.... Toen provoost Spelle met zijne beide hangmannen te Meulestede kwam, volgde Pieter de Roose hem overal op als een hond; op dezes kosten propte Spelle zich vol met wijn, met vleesch en smaakte alle genoegens, die voor geld te koop zijn. Zoo werd Pieter de Roose hun vriend en metgezel en deed hij alles wat zijn slecht karakter hem ingaf om degenen te folteren, die hij verfoeide, en dat waren al de inwoners van Meulestede, doch mijn armen broeder het meest.... Eerst en vooral begon hij met Michielken. Valsche getuigen, rabauwen, die gretig naar guldens waren, verklaarden dat Michielken een heretiek was, dat hij vuile reden gehouden had over Onze-Lieve-Vrouwe, en meermalen den naam van God en de santen en santinnen gelasterd had in de taveerneden Valk, en dat hij daarenboven voor ’t minst driehonderd florijnen in eene kist liggen had.... Alhoewel de getuigen geenszins van goed en zedelijk gedrag waren, werd Michielken gevangengenomen. Daar Spelle en zijne knechten verklaard hadden, dat de bewijzen voldoende waren om den beschuldigde op de pijnbank te leggen, werd Michielken bij de armen gehangen aan eene katrol, die in de zoldering vastgemaakt was, nadat men aan elken zijner voeten een gewicht van vijftig pond had gebonden.... Hij loochende het stuk en zei dat, zoo er te Meulestede een truwant, een rabauw, een godslasteraar en een vuilbaard liep, het wel Pieter de Roose was, maar hij niet.... Doch Spelle wilde niets hooren, en beval den beulsknechten Michielken op te trekken tot aan de zoldering en hem vervolgens in eens te laten nedervallen, met de gewichten aan zijne voeten. Dat deden zij, en wel zoo wreedelijk, dat de huid en de spieren van den ongelukkige vaneenscheurden en dat de voeten nog nauwelijks aan de beenen hingen.... Michielken volhardde in zijne verklaring, dat hij onschuldig was; Spelle deed hem opnieuw folteren en liet hem verstaandat hij hem vrijelijk zou laten henengaan, zoo hij hem honderd gulden wilde ter hand stellen.... Michielken zei, dat hij nog liever alle tormenten verduurde.... Toen die van Meulestede de gevangenneming vernomen hadden, wilden zij bij hoopen voor Michielken komen getuigen.... Michielken is geen ketter, zeiden eenstemmig al de goede burgers van de gemeente, want hij ging alle Zondagen naar de misse en naderde alle hoogdagen de heilige tafel; zij getuigden verder, dat hij over Onze-Lieve-Vrouwe nooit eenig andere rede gehouden had dan heure hulp in te roepen in moeilijke aangelegenheden; dat hij nooit kwaad gesproken had van eenige vrouw op aarde, en hij dienvolgens het nog minder hadde gedurfd van de hemelsche moeder Gods. Wat de godslasteringen betreft, die de valsche getuigen, naar hun zeggen, in de taveerneden Valkhadden hooren uitbraken, dat was gelogen van ’t begin tot het einde, zeiden de getuigen.... Toen werd Michielken losgelaten, en de valsche getuigen gestraft. En Spelle deed Pieter de Roose voor zijne vierschaar verschijnen, doch liet hem weder los, zonder een onderzoek te doen of hem op de pijnbank te leggen, mits honderd gulden aanstonds betaald.... Pieter de Roose vluchtte uit Meulestede, uit vreeze dat het hem nog blijvende geld opnieuw de aandacht van Spelle zou wekken, terwijl Michielken, mijn arme broeder, stierf van den kanker, die zich aan zijne voeten gezet had.... Hij, die mij niet meer bezien wilde, deed mij toch roepen om mij te zeggen goed te letten op het vuur, dat brandt in mijn lichaam, en dat mij zeker naar de helle zou leiden. En ik kon slechts weenen, want het vuur brandt in mijn lichaam, en het is mijne schuld niet.... En in mijne armen gaf hij den geest.—Ha! zeide zij, hij, die op Spelle den dood van mijn zoeten en beminden broeder zou wreken, zou voor eeuwig mijn meester zijn, en ’k zou hem gehoorzamen als een gewillige hond.Terwijl zij sprak, klopte de assche van Klaas op Uilenspiegel’s borst.En hij besloot Spelle, den moordenaar, te doen hangen.Boelkin, zoo was de naam van het meideken, keerde gerust terug naar heur huis te Meulestede, zonder de wraak van Pieter de Roose te vreezen, want een koerier, die voor zaken naar Destelbergen gekomen was, verwittigde heur dat de parochiepaapen de poorters verklaard hadden, dat zij Spelle vóór den hertog zouden doen verschijnen, bijaldien hij de hand dorst leggen op de zuster van Michielken.Uilenspiegel, die het meideken vergezelschapt had naar Meulestede, kwam in de benedenkamer van het huis van Michielken, en zag daar het konterfeitsel van een meester-pasteibakker.Hij veronderstelde dat dit het portret van den armen doode was.En Boelkin zeide:—Dat is mijn rampzalige broeder.Uilenspiegel nam het konterfeitsel en sprak:—Spelle wordt gehangen!—Hoe zult ge dat doen? vroeg zij.—Moest gij het weten, antwoordde hij, dan zoudt gij geenerlei genoegen meer smaken als gij het ziet.Boelkin schudde het hoofd en zei met jammerende stemme:—Gij hebt geen vertrouwen in mij.—Hoe zoo? sprak Uilenspiegel. Is het integendeel geen groot bewijs van vertrouwen als ik u zeg: „Spelle wordt gehangen?” Met dat woord alleen kunt gij mij doen hangen vóór hem.—Inderdaad, antwoordde zij.—Dus, hernam Uilenspiegel, haal mij wat goede klei, een dobbele pint bruinbier, klaar water en eenige sneden ossevleesch. Alles moet afzonderlijk zijn.... Het vleesch is voor mij, het bruinbier voor het vleesch, het water voor de klei en de klei voor het konterfeitsel.Uilenspiegel at en dronk, terwijl hij de klei kneedde; soms at hij er wel een brokje van, doch daar sloeg hij geen acht op, want heel aandachtig beschouwde hij het konterfeitsel van Boelkin’s broeder.Toen de klei gekneed was, maakte hij daarvan een masker, met een neus, eenen mond, oogen en ooren, dat zulke groote gelijkenis had met de trekken van den doode, dat Boelkin er oprecht over verwonderd was.Daarna legde hij het masker in den oven te drogen. Toen het droog was, beschilderde hij het met de kleur van de lijken, met verwilderde oogen en een pijnlijk en getrokken gelaat, als dat van een zieltogende.Toen was het meideken niet meer verwonderd, doch ze bekeek het masker, zonder er van de oogen te kunnen slaan; ze werd bleek, ontstelde, bedekte heur gezicht met de handen, en huiverend sprak zij:—Hij is het, mijn arm Michielken!Met klei maakte Uilenspiegel ook twee bloedige voeten.Boelkin, die van heur eersten schrik bekomen was, zei op plechtigen toon:—Gezegend is hij, die den moordenaar zal vermoorden.Uilenspiegel nam het masker en de voeten en sprak:—Nu moet ik iemand hebben, die mij wil helpen.Boelkin antwoordde:—Ga naarde Blauwe Gans, bij Joost Lansaem van Ieperen, dewelke deze taveerne houdt. Hij was de beste kameraad, de trouwste vriend van mijn ongelukkigen broeder. Zeg hem, dat het Boelkin is, die u zendt.Uilenspiegel deed zooals zij hem heette.Na zijn dagelijksch werk voor den dood, ging provoost Spelle ’s avonds inde Valkwarmen dobbelen klauwaard drinken, die gekookt was met kaneel en met Madeira-suiker. Uit vreeze van gehangen te worden, dorst men hem, in de afspanning, niets weigeren.Pieter de Roose, die weer moed gevat had, was naar Meulestede teruggekeerd. Overal volgde hij Spelle en zijne beulsknechten, om door hen beschermd te worden.En Spelle trakteerde hem soms. En samen dronken zij blijde met het geld der onschuldige slachtofferen.Maar de taveernede Valkwerd niet meer bezocht zooals in de schoone dagen dat het dorpje in vrede leefde, den Heer rechtzinnig diende en nog niet gekweld werd op het stuk van religie. Nu, echter, was het als in rouw gehuld; dat zag men aan zijn menigvuldige ledige huizen, aan zijn eenzame straten, waar enkel eenige magere honden rondzwierven, die in de mesthoopen wroetten, om hun eten te zoeken.In Meulestede was er geene plaats meer dan voor de twee booswichten. De verschrikte inwoners zagen hen heel den dag overmoedig rondloopen, de huizen der aanstaande slachtofferen teekenen, de doodenlijsten opmaken. En als zij ’s avonds, onder ’t zingen van vuile liedekens, vanden Valkterugkeerden, werden ze gevolgd door twee beulsknechten, dronken als zij, en van top tot teen gewapend om hen te vergezelschappen.Uilenspiegel ging inde Blauwe Gans, bij Joost Lansaem, die achter zijnen toog stond.Uilenspiegel trok een fleschje brandewijn uit zijnen zak en zei tot den baas:—Boelkin heeft zoo twee tonnen te verkoopen.—Kom binnen in de keuken, zei de baas.Hij sloot de keukendeur achter zich en bezag Uilenspiegel vlak in de oogen.—Gij zijt geen koopman in brandewijn, sprak hij, wat beteekent uw knipoogen? Wie zijt gij?Uilenspiegel antwoordde:—Ik ben de zoon van Klaas, die te Damme verbrand werd; de assche van den doode klopt op mijne borst: ik wil Spelle den moordenaar dooden.—Is ’t Boelkin, die u zendt? vroeg de weerd.—Boelkin zendt mij bij u, antwoordde Uilenspiegel. Ik zal Spelle dooden en gij zult mij helpen.—Ik wil, zegde de baas. Wat moet ik doen?Uilenspiegel antwoordde:—Ga bij den parochiepaap, die, als een goede herder, de vijand van Spelle is. Verzamel uwe vrienden en kom morgen, na de slaapklok, met hen op de Evergemsche baan, voorbij het huis van Spelle, tusschenden Valken het huis van dien snoodaard. Gij moet allen in de schaduw blijven en moogt geen witte kleeren aanhebben. Op klokslag tien zult gij Spelle uit de herberg zien komen, terwijl van den anderen kant een wagen zal komen aanrijden.... Dezen avond moogt gij uwe vrienden niet verwittigen; zij slapen te dicht bij de ooren hunner vrouw. Eerst morgen zult gij ze opzoeken. Komt, luistert goed, en weest alles indachtig.—Wij zullen alles onthouden, sprak Joost.En, met zijnen beker in de hand, sprak hij:—Ik drink op de koorde van Spelle!—Op zijne koorde! sprak Uilenspiegel.Daarop keerde hij met den baas terug in de gelagkamer, waar eenige Gentsche oude-kleerkoopers zaten te drinken. Zij kwamen van de Zaterdagsmerkt, te Brugge, alwaar zij, tegen goeden prijs, zilver- en goudlakensche wambuizen en opperste kleederen verschacherd hadden, dewelke zij voor eenige oortjes gekocht hadden van edelen, die ten onder gegaan waren door de weelde der Spanjaards te willen evenaren.En zij gastreerden luidruchtig op de groote winsten, die zij behaald hadden.Uilenspiegel en Joost Lansaem gingen in eenen hoek zitten en, onder ’t drinken, kwamen zij overeen, zonder gehoord te worden,dat Joost bij den parochiepaap zou gaan, die kwaad was op Spelle, den moordenaar van zoovele onschuldige slachtofferen.Daarna zou hij de vrienden gaan vinden.’s Anderen daags kwamen de vrienden van Michielken, die verwittigd waren, bijeen bij Joost Lansaem inde Blauwe Gans, alwaar zij, als naar gewoonte en om hunne inzichten te verbergen, pinten op pinten dronken.Bij de slaapklok gingen zij henen en begaven zich, langs verschillende wegen, naar de Evergemsche baan.Zij waren zeventien in getal.Op slag van tien uren kwam Spelle uitden Valk, gevolgd door zijne twee beulsknechten en door Pieter de Roose.Lansaem en zijne gezellen waren verscholen in de schuur van Samson Boone, een vriend van Michielken.Spelle kon hen niet zien.De vrienden van Michielken hoorden hem zwijmelend voorbijgaan, alsook Pieter de Roose en de beide beulsknechten.Met een zware tong, stamelde Spelle hikkend en snikkend:—Provoosten! provoosten! die hebben hier op Gods aarde goed leven; komaan, truwanten, die van mijn overschot leeft, ondersteunt mij toch een beetje!Maar, op den steenweg, van den kant van den kouter, hoorde men op eens het gebalk van een ezel en ’t geklap eener zweep.—Dat moet een weerspannige ezel zijn, zij Spelle, want hij wil niet vooruit, niettegenstaande het vriendelijk verzoek van de zweep.Plotseling hoorde men een groot wielengeknars en eenen wagen, die onstuimig over den steenweg stormde.—Houdt hem tegen! riep Spelle.Toen de wagen dicht bij hen was, sprongen Spelle en zijne twee beulsknechten naar den kop van den ezel.—In dien wagen steekt niets, hij is teenemaal ledig, sprak een van de beulsknechten.—Lomperik, zei Spelle, sedert wanneer rijden de wagens ’s nachts heel alleen op de baan? In dien wagen is iemand, die zich verbergt; spoedt u, steekt de lanteernen aan en heft ze omhoog, ik zal kijken.De lanteernen werden aangestoken en Spelle klom op den wagen met zijne lanteerne in de hand; maar nauwelijks had hij gekeken, of hij slaakte een grooten schreeuw en viel achterover, gillend:—Michielken! Michielken! Jezus, ontferm u mijner!In een hoek van den wagen stond een man, die in ’t wit gekleed was, lijk de pasteibakkers, en die, in de beide handen, bloedige voeten vasthield.Toen Pieter de Roose den man zag, die nu door het licht der lanteernen beschenen was, riep hij als waanzinnig:—Michielken! Michielken!En de twee beulsknechten klappertandden en fluisterden:—Michielken! Heer, ontferm u onzer!Op het gerucht kwamen de zeventien vrienden bij, om het schouwspel te zien, en allen verschrikten toen zij, bij het zilveren licht van de maan, de treffende gelijkenis zagen van Michielken, den armen doode.En de gedaante zwaaide steeds met de bloedige voeten.Het was zijn zelfde vol en rond gezicht, doch verbleekt door den dood, en grimmig, sneeuwwit keek het dreigend toe, en aan de kin waren reeds de wormen aan ’t knagen.Het spook, dat altijd met de bloedige voeten zwaaide, zei met holle stem tot Spelle, die op den rug lag te zuchten:—Spelle! provoost Spelle, word wakker!Maar Spelle verroerde zich niet.—Spelle, sprak het spook opnieuw, provoost Spelle, word wakker, of ik sleep u in den gapenden mond van de helle.Spelle sukkelde recht en riep jammerlijk, met de haren te berge van schrik:—Michielken! Michielken! heb medelijden!De poorters waren nader gekomen, doch Spelle zag niets anders dan de lichtjes hunner lanteernen, die hij voor oogen van duivelen nam. Zoo, ten minste, bekende hij later.—Spelle, vervolgde de schim van Michielken, zijt gij tot sterven bereid?—Tot sterven, neen, antwoordde de provoost, neen, messire Michielken, daar ben ik niet toe bereid, want ik wil vóór God niet verschijnen, beladen met zoo menigvuldige zonden.—Herkent gij mij? vroeg het spook.—God weze mij genadig, zuchtte Spelle; ja, ik herken u; gij zijt het spook van Michielken, den pasteibakker, die onschuldig stierf in zijn bed, ten gevolge van de pijnen der foltering; en de twee bloedige voeten zijn die, aan ieder derwelke ik een gewicht van vijftig pond deed hangen. Ha! Michielken, ontferm u mijner, schenk mij vergiffenis; die Pieter de Roose heeft mijin bekoring gebracht; hij bood mij vijftig gulden, en ik heb ze aanveerd, om uwen naam in het doodenboek te schrijven.—Wilt gij biechten? vroeg het spook.—Ja, messire, zeker wil ik biechten, alles bekennen en penitentie doen. Maar verweerdig u toch die duivelen te doen weggaan, die daar staan, bereid om mij te verslinden. Ik zal alles bekennen. Verwijder die oogen van vuur! Ik heb hetzelfde gedaan te Doornijk, met vijf onschuldige poorters, en ook te Brugge, met vier andere. Ik weet hunne namen niet meer, maar ik zal ze opzoeken en ze u zeggen, als gij wilt; elders nog heb ik insgelijks gezondigd, heer, en door mijn toedoen zijn negen en zestig onschuldige martelaren ten grave gedaald.... Michielken, de koning moest geld hebben. Men had het mij laten weten, doch ik ook moest er hebben; het is te Gent, in den kelder, onder de vloersteenen, bij de oude Gravels, mijn echte moeder. Ik heb alles, alles gezegd; genade en ontferming! Doe de duivelen weggaan. Heere God! Heilige Maagd Maria, wees mijn voorspreekster; verwijder de vuren der helle! Ik zal alles verkoopen, alles aan de arme geven en mijn leven lang boetveerdigheid plegen.Uilenspiegel, ziende dat de menigte der toegeloopen poorters bereid was om hem ter zijde te staan, sprong van den wagen naar de keel van Spelle en wilde hem verworgen.Maar de pastoor kwam bij.—Laat hem leven, sprak hij, het is beter dat hij door beulshanden sterve dan door die van een spook.—Wat wilt gij er mee doen? vroeg Uilenspiegel.—Hem vóór den hertog beschuldigen en naar verdienste doen hangen, antwoordde de parochiepaap. Maar wie zijt gij? vroeg hij.—Ik ben, antwoordde Uilenspiegel, het masker van Michielken en een arme Vlaamsche vos, die terug naar zijn hol trekt, uit vreeze voor de Spaansche jagers.Intusschen nam Pieter de Roose in aller ijl de vlucht.En Spelle werd gevonnist en gehangen, en zijne goederen verbeurdverklaard.En de koning erfde.

Badend in tranen, kwam ’t meideken zeggen tot Lamme en tot Uilenspiegel:

—Te Meulestede laat Spelle, voor geld, moordenaars en coquinen ontsnappen. En onschuldigen doet hij ter dood brengen. Mijn broeder Michielken is onder hen. Laas! laat mij het U zeggen: gij zijt mannen, gij zult hem wreken. Een eerlooze, ontuchtige vuilbaard, Pieter de Roose, bevlekker van kinderen en verleider van meidekens, is de oorzaak van al het kwaad. Laas! mijn arme broeder Michielken en Pieter de Roose zaten op een avond, doch niet aan dezelfde tafel, in de taveerneden Valk, alwaar Pieter de Roose door een iegelijk geschuwd werd als de pest.

... Mijn broeder, die met hem in dezelfde zaal niet wilde vertoeven, schold hem uit voor vuilbaard en beval hem onmiddellijk zijne biezen te pakken.

... Pieter de Roose antwoordde:

—De broeder van een publieke loddege zou minder van zijnen neus moeten maken,

... Hij loog, want ik ben geen publieke loddege; ik geef mij alleen aan hen, die ik minne.

... Toen smeet Michielken hem zijn pint klauwaard naar den kop, hem toeroepende dat hij er om loog, lijk een smerige vuilbaard die hij was; daarbij bedreigde hij hem met eene aftelling naar de eerste goesting, als hij niet dadelijk opkraamde.

... De andere wilde nog antwoorden, doch Michielken deed als hij gezegd had: hij sloeg tweemaal met de vuist op zijn aangezicht en trok hem bij den snoet op de straat, alwaar hij hem, zonder deernis, gansch bebloed en gekneusd op een mesthoop smeet.

... Als Pieter de Roose, die in alleenigheid niet kon leven,genezen was, ging hij inhet Vagevier, eene taveerne, die heuren naam niet gestolen heeft; zóó treurig en somber is zij, dat zij maar bezocht wordt door arme lieden en bedelaars. Daar ook werd hij alleen gelaten, geschuwd, zelfs door de armzalige menschen. En niemand richtte het woord tot hem, behalve eenige boeren, die hem niet kenden, en eenige truwanten en diepers of weggeloopen soldaten. Herhaalde malen zelfs werd hij er geslagen, want hij is twistziek van aard.

... Toen provoost Spelle met zijne beide hangmannen te Meulestede kwam, volgde Pieter de Roose hem overal op als een hond; op dezes kosten propte Spelle zich vol met wijn, met vleesch en smaakte alle genoegens, die voor geld te koop zijn. Zoo werd Pieter de Roose hun vriend en metgezel en deed hij alles wat zijn slecht karakter hem ingaf om degenen te folteren, die hij verfoeide, en dat waren al de inwoners van Meulestede, doch mijn armen broeder het meest.

... Eerst en vooral begon hij met Michielken. Valsche getuigen, rabauwen, die gretig naar guldens waren, verklaarden dat Michielken een heretiek was, dat hij vuile reden gehouden had over Onze-Lieve-Vrouwe, en meermalen den naam van God en de santen en santinnen gelasterd had in de taveerneden Valk, en dat hij daarenboven voor ’t minst driehonderd florijnen in eene kist liggen had.

... Alhoewel de getuigen geenszins van goed en zedelijk gedrag waren, werd Michielken gevangengenomen. Daar Spelle en zijne knechten verklaard hadden, dat de bewijzen voldoende waren om den beschuldigde op de pijnbank te leggen, werd Michielken bij de armen gehangen aan eene katrol, die in de zoldering vastgemaakt was, nadat men aan elken zijner voeten een gewicht van vijftig pond had gebonden.

... Hij loochende het stuk en zei dat, zoo er te Meulestede een truwant, een rabauw, een godslasteraar en een vuilbaard liep, het wel Pieter de Roose was, maar hij niet.

... Doch Spelle wilde niets hooren, en beval den beulsknechten Michielken op te trekken tot aan de zoldering en hem vervolgens in eens te laten nedervallen, met de gewichten aan zijne voeten. Dat deden zij, en wel zoo wreedelijk, dat de huid en de spieren van den ongelukkige vaneenscheurden en dat de voeten nog nauwelijks aan de beenen hingen.

... Michielken volhardde in zijne verklaring, dat hij onschuldig was; Spelle deed hem opnieuw folteren en liet hem verstaandat hij hem vrijelijk zou laten henengaan, zoo hij hem honderd gulden wilde ter hand stellen.

... Michielken zei, dat hij nog liever alle tormenten verduurde.

... Toen die van Meulestede de gevangenneming vernomen hadden, wilden zij bij hoopen voor Michielken komen getuigen.

... Michielken is geen ketter, zeiden eenstemmig al de goede burgers van de gemeente, want hij ging alle Zondagen naar de misse en naderde alle hoogdagen de heilige tafel; zij getuigden verder, dat hij over Onze-Lieve-Vrouwe nooit eenig andere rede gehouden had dan heure hulp in te roepen in moeilijke aangelegenheden; dat hij nooit kwaad gesproken had van eenige vrouw op aarde, en hij dienvolgens het nog minder hadde gedurfd van de hemelsche moeder Gods. Wat de godslasteringen betreft, die de valsche getuigen, naar hun zeggen, in de taveerneden Valkhadden hooren uitbraken, dat was gelogen van ’t begin tot het einde, zeiden de getuigen.

... Toen werd Michielken losgelaten, en de valsche getuigen gestraft. En Spelle deed Pieter de Roose voor zijne vierschaar verschijnen, doch liet hem weder los, zonder een onderzoek te doen of hem op de pijnbank te leggen, mits honderd gulden aanstonds betaald.

... Pieter de Roose vluchtte uit Meulestede, uit vreeze dat het hem nog blijvende geld opnieuw de aandacht van Spelle zou wekken, terwijl Michielken, mijn arme broeder, stierf van den kanker, die zich aan zijne voeten gezet had.

... Hij, die mij niet meer bezien wilde, deed mij toch roepen om mij te zeggen goed te letten op het vuur, dat brandt in mijn lichaam, en dat mij zeker naar de helle zou leiden. En ik kon slechts weenen, want het vuur brandt in mijn lichaam, en het is mijne schuld niet.

... En in mijne armen gaf hij den geest.

—Ha! zeide zij, hij, die op Spelle den dood van mijn zoeten en beminden broeder zou wreken, zou voor eeuwig mijn meester zijn, en ’k zou hem gehoorzamen als een gewillige hond.

Terwijl zij sprak, klopte de assche van Klaas op Uilenspiegel’s borst.

En hij besloot Spelle, den moordenaar, te doen hangen.

Boelkin, zoo was de naam van het meideken, keerde gerust terug naar heur huis te Meulestede, zonder de wraak van Pieter de Roose te vreezen, want een koerier, die voor zaken naar Destelbergen gekomen was, verwittigde heur dat de parochiepaapen de poorters verklaard hadden, dat zij Spelle vóór den hertog zouden doen verschijnen, bijaldien hij de hand dorst leggen op de zuster van Michielken.

Uilenspiegel, die het meideken vergezelschapt had naar Meulestede, kwam in de benedenkamer van het huis van Michielken, en zag daar het konterfeitsel van een meester-pasteibakker.

Hij veronderstelde dat dit het portret van den armen doode was.

En Boelkin zeide:

—Dat is mijn rampzalige broeder.

Uilenspiegel nam het konterfeitsel en sprak:

—Spelle wordt gehangen!

—Hoe zult ge dat doen? vroeg zij.

—Moest gij het weten, antwoordde hij, dan zoudt gij geenerlei genoegen meer smaken als gij het ziet.

Boelkin schudde het hoofd en zei met jammerende stemme:

—Gij hebt geen vertrouwen in mij.

—Hoe zoo? sprak Uilenspiegel. Is het integendeel geen groot bewijs van vertrouwen als ik u zeg: „Spelle wordt gehangen?” Met dat woord alleen kunt gij mij doen hangen vóór hem.

—Inderdaad, antwoordde zij.

—Dus, hernam Uilenspiegel, haal mij wat goede klei, een dobbele pint bruinbier, klaar water en eenige sneden ossevleesch. Alles moet afzonderlijk zijn.

... Het vleesch is voor mij, het bruinbier voor het vleesch, het water voor de klei en de klei voor het konterfeitsel.

Uilenspiegel at en dronk, terwijl hij de klei kneedde; soms at hij er wel een brokje van, doch daar sloeg hij geen acht op, want heel aandachtig beschouwde hij het konterfeitsel van Boelkin’s broeder.

Toen de klei gekneed was, maakte hij daarvan een masker, met een neus, eenen mond, oogen en ooren, dat zulke groote gelijkenis had met de trekken van den doode, dat Boelkin er oprecht over verwonderd was.

Daarna legde hij het masker in den oven te drogen. Toen het droog was, beschilderde hij het met de kleur van de lijken, met verwilderde oogen en een pijnlijk en getrokken gelaat, als dat van een zieltogende.

Toen was het meideken niet meer verwonderd, doch ze bekeek het masker, zonder er van de oogen te kunnen slaan; ze werd bleek, ontstelde, bedekte heur gezicht met de handen, en huiverend sprak zij:

—Hij is het, mijn arm Michielken!

Met klei maakte Uilenspiegel ook twee bloedige voeten.

Boelkin, die van heur eersten schrik bekomen was, zei op plechtigen toon:

—Gezegend is hij, die den moordenaar zal vermoorden.

Uilenspiegel nam het masker en de voeten en sprak:

—Nu moet ik iemand hebben, die mij wil helpen.

Boelkin antwoordde:

—Ga naarde Blauwe Gans, bij Joost Lansaem van Ieperen, dewelke deze taveerne houdt. Hij was de beste kameraad, de trouwste vriend van mijn ongelukkigen broeder. Zeg hem, dat het Boelkin is, die u zendt.

Uilenspiegel deed zooals zij hem heette.

Na zijn dagelijksch werk voor den dood, ging provoost Spelle ’s avonds inde Valkwarmen dobbelen klauwaard drinken, die gekookt was met kaneel en met Madeira-suiker. Uit vreeze van gehangen te worden, dorst men hem, in de afspanning, niets weigeren.

Pieter de Roose, die weer moed gevat had, was naar Meulestede teruggekeerd. Overal volgde hij Spelle en zijne beulsknechten, om door hen beschermd te worden.

En Spelle trakteerde hem soms. En samen dronken zij blijde met het geld der onschuldige slachtofferen.

Maar de taveernede Valkwerd niet meer bezocht zooals in de schoone dagen dat het dorpje in vrede leefde, den Heer rechtzinnig diende en nog niet gekweld werd op het stuk van religie. Nu, echter, was het als in rouw gehuld; dat zag men aan zijn menigvuldige ledige huizen, aan zijn eenzame straten, waar enkel eenige magere honden rondzwierven, die in de mesthoopen wroetten, om hun eten te zoeken.

In Meulestede was er geene plaats meer dan voor de twee booswichten. De verschrikte inwoners zagen hen heel den dag overmoedig rondloopen, de huizen der aanstaande slachtofferen teekenen, de doodenlijsten opmaken. En als zij ’s avonds, onder ’t zingen van vuile liedekens, vanden Valkterugkeerden, werden ze gevolgd door twee beulsknechten, dronken als zij, en van top tot teen gewapend om hen te vergezelschappen.

Uilenspiegel ging inde Blauwe Gans, bij Joost Lansaem, die achter zijnen toog stond.

Uilenspiegel trok een fleschje brandewijn uit zijnen zak en zei tot den baas:

—Boelkin heeft zoo twee tonnen te verkoopen.

—Kom binnen in de keuken, zei de baas.

Hij sloot de keukendeur achter zich en bezag Uilenspiegel vlak in de oogen.

—Gij zijt geen koopman in brandewijn, sprak hij, wat beteekent uw knipoogen? Wie zijt gij?

Uilenspiegel antwoordde:

—Ik ben de zoon van Klaas, die te Damme verbrand werd; de assche van den doode klopt op mijne borst: ik wil Spelle den moordenaar dooden.

—Is ’t Boelkin, die u zendt? vroeg de weerd.

—Boelkin zendt mij bij u, antwoordde Uilenspiegel. Ik zal Spelle dooden en gij zult mij helpen.

—Ik wil, zegde de baas. Wat moet ik doen?

Uilenspiegel antwoordde:

—Ga bij den parochiepaap, die, als een goede herder, de vijand van Spelle is. Verzamel uwe vrienden en kom morgen, na de slaapklok, met hen op de Evergemsche baan, voorbij het huis van Spelle, tusschenden Valken het huis van dien snoodaard. Gij moet allen in de schaduw blijven en moogt geen witte kleeren aanhebben. Op klokslag tien zult gij Spelle uit de herberg zien komen, terwijl van den anderen kant een wagen zal komen aanrijden.

... Dezen avond moogt gij uwe vrienden niet verwittigen; zij slapen te dicht bij de ooren hunner vrouw. Eerst morgen zult gij ze opzoeken. Komt, luistert goed, en weest alles indachtig.

—Wij zullen alles onthouden, sprak Joost.

En, met zijnen beker in de hand, sprak hij:

—Ik drink op de koorde van Spelle!

—Op zijne koorde! sprak Uilenspiegel.

Daarop keerde hij met den baas terug in de gelagkamer, waar eenige Gentsche oude-kleerkoopers zaten te drinken. Zij kwamen van de Zaterdagsmerkt, te Brugge, alwaar zij, tegen goeden prijs, zilver- en goudlakensche wambuizen en opperste kleederen verschacherd hadden, dewelke zij voor eenige oortjes gekocht hadden van edelen, die ten onder gegaan waren door de weelde der Spanjaards te willen evenaren.

En zij gastreerden luidruchtig op de groote winsten, die zij behaald hadden.

Uilenspiegel en Joost Lansaem gingen in eenen hoek zitten en, onder ’t drinken, kwamen zij overeen, zonder gehoord te worden,dat Joost bij den parochiepaap zou gaan, die kwaad was op Spelle, den moordenaar van zoovele onschuldige slachtofferen.

Daarna zou hij de vrienden gaan vinden.

’s Anderen daags kwamen de vrienden van Michielken, die verwittigd waren, bijeen bij Joost Lansaem inde Blauwe Gans, alwaar zij, als naar gewoonte en om hunne inzichten te verbergen, pinten op pinten dronken.

Bij de slaapklok gingen zij henen en begaven zich, langs verschillende wegen, naar de Evergemsche baan.

Zij waren zeventien in getal.

Op slag van tien uren kwam Spelle uitden Valk, gevolgd door zijne twee beulsknechten en door Pieter de Roose.

Lansaem en zijne gezellen waren verscholen in de schuur van Samson Boone, een vriend van Michielken.

Spelle kon hen niet zien.

De vrienden van Michielken hoorden hem zwijmelend voorbijgaan, alsook Pieter de Roose en de beide beulsknechten.

Met een zware tong, stamelde Spelle hikkend en snikkend:

—Provoosten! provoosten! die hebben hier op Gods aarde goed leven; komaan, truwanten, die van mijn overschot leeft, ondersteunt mij toch een beetje!

Maar, op den steenweg, van den kant van den kouter, hoorde men op eens het gebalk van een ezel en ’t geklap eener zweep.

—Dat moet een weerspannige ezel zijn, zij Spelle, want hij wil niet vooruit, niettegenstaande het vriendelijk verzoek van de zweep.

Plotseling hoorde men een groot wielengeknars en eenen wagen, die onstuimig over den steenweg stormde.

—Houdt hem tegen! riep Spelle.

Toen de wagen dicht bij hen was, sprongen Spelle en zijne twee beulsknechten naar den kop van den ezel.

—In dien wagen steekt niets, hij is teenemaal ledig, sprak een van de beulsknechten.

—Lomperik, zei Spelle, sedert wanneer rijden de wagens ’s nachts heel alleen op de baan? In dien wagen is iemand, die zich verbergt; spoedt u, steekt de lanteernen aan en heft ze omhoog, ik zal kijken.

De lanteernen werden aangestoken en Spelle klom op den wagen met zijne lanteerne in de hand; maar nauwelijks had hij gekeken, of hij slaakte een grooten schreeuw en viel achterover, gillend:

—Michielken! Michielken! Jezus, ontferm u mijner!

In een hoek van den wagen stond een man, die in ’t wit gekleed was, lijk de pasteibakkers, en die, in de beide handen, bloedige voeten vasthield.

Toen Pieter de Roose den man zag, die nu door het licht der lanteernen beschenen was, riep hij als waanzinnig:

—Michielken! Michielken!

En de twee beulsknechten klappertandden en fluisterden:

—Michielken! Heer, ontferm u onzer!

Op het gerucht kwamen de zeventien vrienden bij, om het schouwspel te zien, en allen verschrikten toen zij, bij het zilveren licht van de maan, de treffende gelijkenis zagen van Michielken, den armen doode.

En de gedaante zwaaide steeds met de bloedige voeten.

Het was zijn zelfde vol en rond gezicht, doch verbleekt door den dood, en grimmig, sneeuwwit keek het dreigend toe, en aan de kin waren reeds de wormen aan ’t knagen.

Het spook, dat altijd met de bloedige voeten zwaaide, zei met holle stem tot Spelle, die op den rug lag te zuchten:

—Spelle! provoost Spelle, word wakker!

Maar Spelle verroerde zich niet.

—Spelle, sprak het spook opnieuw, provoost Spelle, word wakker, of ik sleep u in den gapenden mond van de helle.

Spelle sukkelde recht en riep jammerlijk, met de haren te berge van schrik:

—Michielken! Michielken! heb medelijden!

De poorters waren nader gekomen, doch Spelle zag niets anders dan de lichtjes hunner lanteernen, die hij voor oogen van duivelen nam. Zoo, ten minste, bekende hij later.

—Spelle, vervolgde de schim van Michielken, zijt gij tot sterven bereid?

—Tot sterven, neen, antwoordde de provoost, neen, messire Michielken, daar ben ik niet toe bereid, want ik wil vóór God niet verschijnen, beladen met zoo menigvuldige zonden.

—Herkent gij mij? vroeg het spook.

—God weze mij genadig, zuchtte Spelle; ja, ik herken u; gij zijt het spook van Michielken, den pasteibakker, die onschuldig stierf in zijn bed, ten gevolge van de pijnen der foltering; en de twee bloedige voeten zijn die, aan ieder derwelke ik een gewicht van vijftig pond deed hangen. Ha! Michielken, ontferm u mijner, schenk mij vergiffenis; die Pieter de Roose heeft mijin bekoring gebracht; hij bood mij vijftig gulden, en ik heb ze aanveerd, om uwen naam in het doodenboek te schrijven.

—Wilt gij biechten? vroeg het spook.

—Ja, messire, zeker wil ik biechten, alles bekennen en penitentie doen. Maar verweerdig u toch die duivelen te doen weggaan, die daar staan, bereid om mij te verslinden. Ik zal alles bekennen. Verwijder die oogen van vuur! Ik heb hetzelfde gedaan te Doornijk, met vijf onschuldige poorters, en ook te Brugge, met vier andere. Ik weet hunne namen niet meer, maar ik zal ze opzoeken en ze u zeggen, als gij wilt; elders nog heb ik insgelijks gezondigd, heer, en door mijn toedoen zijn negen en zestig onschuldige martelaren ten grave gedaald.

... Michielken, de koning moest geld hebben. Men had het mij laten weten, doch ik ook moest er hebben; het is te Gent, in den kelder, onder de vloersteenen, bij de oude Gravels, mijn echte moeder. Ik heb alles, alles gezegd; genade en ontferming! Doe de duivelen weggaan. Heere God! Heilige Maagd Maria, wees mijn voorspreekster; verwijder de vuren der helle! Ik zal alles verkoopen, alles aan de arme geven en mijn leven lang boetveerdigheid plegen.

Uilenspiegel, ziende dat de menigte der toegeloopen poorters bereid was om hem ter zijde te staan, sprong van den wagen naar de keel van Spelle en wilde hem verworgen.

Maar de pastoor kwam bij.

—Laat hem leven, sprak hij, het is beter dat hij door beulshanden sterve dan door die van een spook.

—Wat wilt gij er mee doen? vroeg Uilenspiegel.

—Hem vóór den hertog beschuldigen en naar verdienste doen hangen, antwoordde de parochiepaap. Maar wie zijt gij? vroeg hij.

—Ik ben, antwoordde Uilenspiegel, het masker van Michielken en een arme Vlaamsche vos, die terug naar zijn hol trekt, uit vreeze voor de Spaansche jagers.

Intusschen nam Pieter de Roose in aller ijl de vlucht.

En Spelle werd gevonnist en gehangen, en zijne goederen verbeurdverklaard.

En de koning erfde.


Back to IndexNext