X.

X.Door het Walenland reizend, zag Uilenspiegel, dat de prins daar weinig hulp te verwachten had, en zoo kwam hij omtrent de stad Bouillon.Weldra zag hij op den weg bultenaars van de beide geslachten, van allen leeftijd en allen stand verschijnen. Allen, met groote paternosters in de hand, baden devotelijk.En hunne gebeden geleken op het gerikkik van kikvorschen in eenen vijver, ’s avonds, na een warmen dag.Daar waren moeders met bulten, die gebochelde kinderen op den arm droegen, terwijl andere kleinen aan heure rokken hingen. Er waren bultenaars op de heuvelen en bultenaars in de dalen. En overal zag Uilenspiegel op den helderen hemel hun magere schimmen afsteken.Hij ging tot een hunner en vroeg:—Waar trekken zij allen henen, die ongelukkige mannen, vrouwen en kinderen?De man antwoordde:—’t Is de begankenis van St. Remaclus; wij gaan naar het graf van den heilige, om van hem te verkrijgen wat onze herten verlangen: ons ontlasten van dat vernederend pak op onzen rug.Uilenspiegel hernam:—Zou ik van Sint-Remaclus niet kunnen verkrijgen wat mijn herte verlangt: onze arme gemeenten ontlasten van den bloedigen hertog, die als een looden bochel op de Nederlanden drukt?—Hij is niet gelast, de bochels der boete af te nemen, antwoordde de pelgrim.—Neemt hij er andere af? vroeg Uilenspiegel.—Ja, als de bulten jong zijn. Als het mirakel der genezing geschiedt, is ’t volop kermis in de stad. En elke pelgrim geeft dan een zilverstuk, soms wel een gouden florijn, aan dengelukzalige, die door zijne genezing heilig geworden is en alzoo met vrucht voor de anderen kan bidden.Uilenspiegel sprak:—Waarom doet de rijke mijnheer Sint-Remaclus zijne genezingen betalen, lijk een pillendraaier?—Goddelooze reiziger, hij zal u straffen voor uwe lastertaal, antwoordde de pelgrim, terwijl hij woedend zijnen bochel schudde.—Laas! zuchtte Uilenspiegel.En hij liet zich nedervallen aan den voet van een boom.De pelgrim staarde hem aan en zeide:—De heilige Remaclus treft goed als hij slaat!Uilenspiegel kromde zijnen rug en zuchtte, terwijl hij er aan voelde:—Genade, doorluchtige heilige. ’t Is de kastijding. Tusschen mijne schouderen voel ik een geweldige pijn. Laas! ai! Vergiffenis, mijnheer Sint-Remaclus, Ga voort, pelgrim, en laat mij hier, als een vadermoorder, in alleenigheid weenen met mijn berouwhebbend herte.Maar de pelgrim was reeds op de vlucht: hij liep tot op de Markt van Bouillon, waar al de bultenaars vergaderd waren.Huiverend van schrik, zeide hij met afgebroken woorden:—Pelgrim ontmoet ... recht als een keers ... den heilige gelasterd ... bult op den rug....Bloed-hertog, dwaas-hertog, hebt ge de bruid gezien? (Blz. 276).Bloed-hertog, dwaas-hertog, hebt ge de bruid gezien? (Blz. 276).Als de andere bultenaars dit hoorden, stieten zij blijde kreten en spraken zij:—Sint-Remaclus, als gij bulten kunt maken, kunt gij er afnemen ook. Neem onze bulten weg, mijnheer Sint-Remaclus.Intusschen was Uilenspiegel opgestaan en voortgegaan. Aan de deur eener taveerne van de eenzame voorstad, zag hij aan eenen stok twee verkensblazen hangen, een teeken, dat het daar pensenkermis was.Uilenspiegel nam eene der twee blazen en raapte de ruggegraat eener schol op; stak zich, om wat bloed in de verkensblaas te laten loopen, blies haar op, bond ze toe, na hetwelk hij ze vastmaakte op den rug met de graat daarboven. Aldus toegetakeld, schuddebollend en waggelend als een oude bultenaar, ging hij naar de Markt.De pelgrim, die hem had zien vallen, werd hem dadelijk gewaar en riep:—Daar is de lasteraar!En hij wees met den vinger naar hem.En allen liepen naar hem om den rampzalige te zien.Uilenspiegel schudde treurig het hoofd.—Ha! sprak hij, ik verdien genade noch medelijden; doodt mij als een razenden hond.En de bultenaars riepen verheugd:—Eén te meer in onze broederschap!Uilenspiegel mompelde onhoorbaar tusschen de tanden:—Ik zal het U wel betaald zetten, booze lieden!Doch hij scheen alles geduldig te verdragen en sprak:—Ik eet of ik drink niet meer, totdat de hoogweerdige heilige Remaclus mij geneest zooals hij mij trof.Bij het nieuws van ’t mirakel, kwam de deken uit de kerk. ’t Was een groote, dikke, plechtstatige kerel. Met den neus in de lucht, kliefde hij door de baren der bultenaars, als eene bark door de zee.Men toonde hem Uilenspiegel; hij zegde tot hem:—Zijt gij het, manneken, die getroffen werd door de roede van den heiligen Remaclus?—Ja, heer deken, antwoordde Uilenspiegel, ik ben het inderdaad, zijn nederige dienaar, die zijn nieuwen bult wil laten genezen, als het Zijne Heiligheid belieft.De deken, die giste dat er look in de meersch was, sprak:—Laat mij dien bult eens betasten.—Tast maar, genadige deken, sprak Uilenspiegel.Toen de deken getast had, sprak hij:—Hij is nieuw en nog nat. Ook hoop ik, dat de groote heilige U genadig zal wezen. Kom mede.Uilenspiegel volgde den deken en ging mee in de kerk.De bultenaars liepen achter hem en schreeuwden:—Daar is hij, de gedoemde, de lasteraar! Hoeveel weegt uw versche bult? Ik zou er een zak van maken, om mijne daalders in te steken? Heel uw leven hebt gij den spot gedreven met ons, omdat gij recht waart; nu is ’t onze beurt! Gezegend zij Sint-Remaclus!Uilenspiegel antwoordde niet, doch volgde met gebogen hoofde den deken, die hem leidde in een kleine kapel, waar een marmeren graf was, gedekt met eene zerk, mede van marmer.Tusschen het graf en den muur der kapel was eene opening van ruim eene hand breed. Een menigte gebochelde pelgrims, die elkander volgden, gingen tusschen den muur en de zerkvan het graf, tegen dewelke zij stilzwijgend hunne bulten wreven. En aldus hoopten zij er van verlost te worden. En zij, die hunne bulten tegen de plaat wreven, wilden de plaats niet afstaan aan degenen, die volgden; en er werd gevochten, doch zonder gerucht, want zij dorsten niet dan heimelijk stompen, uit vreeze van heiligschennis.De deken zegde tot Uilenspiegel op de zerk te klimmen, opdat alle pelgrims hem goed konden zien.Uilenspiegel antwoordde:—Dat kan ik alleen niet.De deken hielp hem, bleef bij hem staan en deed hem knielen. Uilenspiegel gehoorzaamde en bleef met gebogen hoofde zitten in die deemoedige houding.Na een kort inwendig gebed, zeide de eerwaarde geestelijke met heldere stem:—Kinderen en broeders in Christus, aan mijne voeten ziet gij den grootsten zondaar en lasteraar, dien Sint-Remaclus ooit met zijne woede trof.En, op zijne borst kloppend, sprak Uilenspiegel:—Confiteor.—Weleer, vervolgde de deken, was hij recht als de stok eener hellebaard, en was hij er fier op. Beziet hem nu, hij is gebult en gebocheld onder de verwensching des hemels.—Confiteor, neem mijnen bult weg, sprak Uilenspiegel.—Ja, vervolgde de deken, ja, groote heilige, ja, Sint-Remaclus, die, sedert uw glorierijken dood, negen en dertig mirakels gedaan hebt, neem van zijne schouderen het gewicht, dat er op drukt, opdat wij uwen lof kunnen zingen in de eeuwigheid der eeuwigheden,in soecula soeculorum! En vrede op de aarde aan de bultenaars, die van goeden wil zijn.En de bultenaars herhaalden te gelijk:—Ja, ja, vrede op aarde aan de bultenaars, die van goeden wil zijn; weg met de bulten, weg met haat en met nijd, weg met alle vernedering! Neem onze bulten weg, doorluchtige heilige Remaclus!De deken gebood Uilenspiegel het graf te verlaten en zijnen bochel te wrijven tegen den kant van de zerk. Uilenspiegel deed het, steeds mompelend:Mea culpa, confiteor, neem mijnen bult weg!En hij wreef zich zoo goed, dat al de omstanders zulks oogenschijnlijk zagen.En dezen riepen:—Ziet naar zijn bult, hij plooit! Ziet gij, hij smelt weg, rechts neemt hij af,—Neen, hij zal in zijnen buik zakken; bulten vergaan niet, zij keeren terug in de darmen, uit dewelke zij komen.—Neen, zij keeren naar de maag, waar zij tachtig dagen lang tot voedsel verstrekken.—’t Is een geschenk van den heilige aan hen, die door zijne genade van hunnen last zijn verlost.—Wat geworden de oude bulten?Plotseling stieten al de bultenaars een grooten schreeuw uit, want Uilenspiegel had zijnen bult gebersten, door hard tegen den boord der zerk te drukken. Het bloed dat er in was, liep er uit, droop van onder zijn wambuis met groote droppelen op de steenen der kerk. En rechtspringend en de armen uitstrekkend, riep hij blijde:—Ik ben er van af!En al de bultenaars riepen te zamen:—Gezegende Sint-Remaclus, genadig zijt gij voor hem.—Groote heilige, neem den mijnen ook weg!—Ik zal u een kalf offeren.—Ik, zeven schapen.—Ik, de jacht van één jaar.—Ik, zes hespen,—Ik, ik schenk mijne hut aan de kerk.—Neem onze bulten af, heilige Remaclus!En zij bekeken Uilenspiegel met eerbied en afgunst. Een der bultenaren wilde onder Uilenspiegel’s wambuis tasten, doch de deken verbood het hem, zeggende:—Daar is een wonde, die het licht niet mag zien.—Ik zal voor ulieden bidden, sprak Uilenspiegel.—Ja, pelgrim, spraken al de bultenaars ondereen, ja, mijnheer de rechtgemaakte; wij dreven den spot met u; vergeef het ons, wij wisten niet wat wij deden. Christus, de Zaligmaker, vergaf aan het kruis, wilt gij ons ook vergiffenis schenken?—Ik vergeef u, sprak Uilenspiegel op hooghertigen toon.—Neem toch, zeiden zij, neem dit oortje, aanvaard dezen gulden, laat ons u dien gouden angelot schenken, dien daalder aanbieden, dien karolus in uwen zak steken.—Laat angelotten en karolussen het daglicht niet zien, zeide Uilenspiegel zeer stille: de linkerhand mag niet weten wat de rechterhand geeft.Dat zeide hij om den wille van den deken, die het geld der bultenaars met de oogen verslond, zonder te zien of het goud was of zilver.—Wij zeggen u duizendmaal dank, gezegende, geheiligde oud-bultenaar, zeiden de pelgrims tot Uilenspiegel.En hij nam hunne giften met hooghertigheid aan, zooals iemand betaamt die met de gratie des hemels bedeeld is.Maar de gierigaards wreven hardnekkig hunne bochels tegen het graf, zonder iets te zeggen en vooral zonder iets te geven.Uilenspiegel trok ’s avonds naar eene taveerne, waar hij kermis vierde.Alvorens slapen te gaan, dacht hij er aan dat de deken, zoo niet alles, dan toch zijn deel van den buit zou eischen. Hij telde zijn winst en vond meer goud dan zilver, want er waren minstens driehonderd karolussen. Hij zag een verdroogden laurier in een bloempot staan, trok de plant bij den kop uit den pot en legde zijn goud onder de aarde. En al de halve guldens, oortjes, deniers spreidde hij uit op de tafel.De deken trad de taveerne binnen en kwam boven bij Uilenspiegel.Toen deze hem zag, vroeg hij:—Heer deken, wat wilt gij van mij, nieteling?—Ik wil niets dan uw goed, antwoordde de dienaar des Heeren.—Laas, zuchtte Uilenspiegel, bediedt gij dát goed, dat daar ligt op de tafel?—Ja, mijn zoon, antwoordde de deken.Vervolgens de hand uitstekend, ruimde hij al het geld van de tafel, en liet hij het vallen in eenen zak, dien hij daarvoor opzettelijk meegebracht had.En hij gaf een gulden aan Uilenspiegel, met een zucht alsof het een stuk zijner ziel was.En hij vroeg hem het gerief van het mirakel.Uilenspiegel toonde hem de graat en de blaas.De deken nam ze, terwijl Uilenspiegel weeklaagde en hem wat méér vroeg, daar de weg van Bouillon naar Damme zoo lang was voor een armen voetganger, dat hij ongetwijfeld van honger zou omkomen.De deken ging heen en lispte geen woord.Als Uilenspiegel alleen was, sliep hij in met het oog op de plant, ’s Anderen daags, met den dageraad, stak hij zijnen buit op zak en verliet de stad.Hij ging recht naar het kamp van den Zwijger, gaf hem het geld en vertelde den Prins hoe hij er aan geraakt was: dit was het beste middel om schattingen van den vijand te lichten, meende hij.En de prins gaf hem tien gulden.De graat werd in een kristallen doos gevat, en gestoken tusschen de twee armen van het kruis op het hoogautaar, in de kerk van Bouillon.En een iegelijk, in die stad, weet dat de bult van den rechtgemaakten lasteraar steekt in het kruis.

X.Door het Walenland reizend, zag Uilenspiegel, dat de prins daar weinig hulp te verwachten had, en zoo kwam hij omtrent de stad Bouillon.Weldra zag hij op den weg bultenaars van de beide geslachten, van allen leeftijd en allen stand verschijnen. Allen, met groote paternosters in de hand, baden devotelijk.En hunne gebeden geleken op het gerikkik van kikvorschen in eenen vijver, ’s avonds, na een warmen dag.Daar waren moeders met bulten, die gebochelde kinderen op den arm droegen, terwijl andere kleinen aan heure rokken hingen. Er waren bultenaars op de heuvelen en bultenaars in de dalen. En overal zag Uilenspiegel op den helderen hemel hun magere schimmen afsteken.Hij ging tot een hunner en vroeg:—Waar trekken zij allen henen, die ongelukkige mannen, vrouwen en kinderen?De man antwoordde:—’t Is de begankenis van St. Remaclus; wij gaan naar het graf van den heilige, om van hem te verkrijgen wat onze herten verlangen: ons ontlasten van dat vernederend pak op onzen rug.Uilenspiegel hernam:—Zou ik van Sint-Remaclus niet kunnen verkrijgen wat mijn herte verlangt: onze arme gemeenten ontlasten van den bloedigen hertog, die als een looden bochel op de Nederlanden drukt?—Hij is niet gelast, de bochels der boete af te nemen, antwoordde de pelgrim.—Neemt hij er andere af? vroeg Uilenspiegel.—Ja, als de bulten jong zijn. Als het mirakel der genezing geschiedt, is ’t volop kermis in de stad. En elke pelgrim geeft dan een zilverstuk, soms wel een gouden florijn, aan dengelukzalige, die door zijne genezing heilig geworden is en alzoo met vrucht voor de anderen kan bidden.Uilenspiegel sprak:—Waarom doet de rijke mijnheer Sint-Remaclus zijne genezingen betalen, lijk een pillendraaier?—Goddelooze reiziger, hij zal u straffen voor uwe lastertaal, antwoordde de pelgrim, terwijl hij woedend zijnen bochel schudde.—Laas! zuchtte Uilenspiegel.En hij liet zich nedervallen aan den voet van een boom.De pelgrim staarde hem aan en zeide:—De heilige Remaclus treft goed als hij slaat!Uilenspiegel kromde zijnen rug en zuchtte, terwijl hij er aan voelde:—Genade, doorluchtige heilige. ’t Is de kastijding. Tusschen mijne schouderen voel ik een geweldige pijn. Laas! ai! Vergiffenis, mijnheer Sint-Remaclus, Ga voort, pelgrim, en laat mij hier, als een vadermoorder, in alleenigheid weenen met mijn berouwhebbend herte.Maar de pelgrim was reeds op de vlucht: hij liep tot op de Markt van Bouillon, waar al de bultenaars vergaderd waren.Huiverend van schrik, zeide hij met afgebroken woorden:—Pelgrim ontmoet ... recht als een keers ... den heilige gelasterd ... bult op den rug....Bloed-hertog, dwaas-hertog, hebt ge de bruid gezien? (Blz. 276).Bloed-hertog, dwaas-hertog, hebt ge de bruid gezien? (Blz. 276).Als de andere bultenaars dit hoorden, stieten zij blijde kreten en spraken zij:—Sint-Remaclus, als gij bulten kunt maken, kunt gij er afnemen ook. Neem onze bulten weg, mijnheer Sint-Remaclus.Intusschen was Uilenspiegel opgestaan en voortgegaan. Aan de deur eener taveerne van de eenzame voorstad, zag hij aan eenen stok twee verkensblazen hangen, een teeken, dat het daar pensenkermis was.Uilenspiegel nam eene der twee blazen en raapte de ruggegraat eener schol op; stak zich, om wat bloed in de verkensblaas te laten loopen, blies haar op, bond ze toe, na hetwelk hij ze vastmaakte op den rug met de graat daarboven. Aldus toegetakeld, schuddebollend en waggelend als een oude bultenaar, ging hij naar de Markt.De pelgrim, die hem had zien vallen, werd hem dadelijk gewaar en riep:—Daar is de lasteraar!En hij wees met den vinger naar hem.En allen liepen naar hem om den rampzalige te zien.Uilenspiegel schudde treurig het hoofd.—Ha! sprak hij, ik verdien genade noch medelijden; doodt mij als een razenden hond.En de bultenaars riepen verheugd:—Eén te meer in onze broederschap!Uilenspiegel mompelde onhoorbaar tusschen de tanden:—Ik zal het U wel betaald zetten, booze lieden!Doch hij scheen alles geduldig te verdragen en sprak:—Ik eet of ik drink niet meer, totdat de hoogweerdige heilige Remaclus mij geneest zooals hij mij trof.Bij het nieuws van ’t mirakel, kwam de deken uit de kerk. ’t Was een groote, dikke, plechtstatige kerel. Met den neus in de lucht, kliefde hij door de baren der bultenaars, als eene bark door de zee.Men toonde hem Uilenspiegel; hij zegde tot hem:—Zijt gij het, manneken, die getroffen werd door de roede van den heiligen Remaclus?—Ja, heer deken, antwoordde Uilenspiegel, ik ben het inderdaad, zijn nederige dienaar, die zijn nieuwen bult wil laten genezen, als het Zijne Heiligheid belieft.De deken, die giste dat er look in de meersch was, sprak:—Laat mij dien bult eens betasten.—Tast maar, genadige deken, sprak Uilenspiegel.Toen de deken getast had, sprak hij:—Hij is nieuw en nog nat. Ook hoop ik, dat de groote heilige U genadig zal wezen. Kom mede.Uilenspiegel volgde den deken en ging mee in de kerk.De bultenaars liepen achter hem en schreeuwden:—Daar is hij, de gedoemde, de lasteraar! Hoeveel weegt uw versche bult? Ik zou er een zak van maken, om mijne daalders in te steken? Heel uw leven hebt gij den spot gedreven met ons, omdat gij recht waart; nu is ’t onze beurt! Gezegend zij Sint-Remaclus!Uilenspiegel antwoordde niet, doch volgde met gebogen hoofde den deken, die hem leidde in een kleine kapel, waar een marmeren graf was, gedekt met eene zerk, mede van marmer.Tusschen het graf en den muur der kapel was eene opening van ruim eene hand breed. Een menigte gebochelde pelgrims, die elkander volgden, gingen tusschen den muur en de zerkvan het graf, tegen dewelke zij stilzwijgend hunne bulten wreven. En aldus hoopten zij er van verlost te worden. En zij, die hunne bulten tegen de plaat wreven, wilden de plaats niet afstaan aan degenen, die volgden; en er werd gevochten, doch zonder gerucht, want zij dorsten niet dan heimelijk stompen, uit vreeze van heiligschennis.De deken zegde tot Uilenspiegel op de zerk te klimmen, opdat alle pelgrims hem goed konden zien.Uilenspiegel antwoordde:—Dat kan ik alleen niet.De deken hielp hem, bleef bij hem staan en deed hem knielen. Uilenspiegel gehoorzaamde en bleef met gebogen hoofde zitten in die deemoedige houding.Na een kort inwendig gebed, zeide de eerwaarde geestelijke met heldere stem:—Kinderen en broeders in Christus, aan mijne voeten ziet gij den grootsten zondaar en lasteraar, dien Sint-Remaclus ooit met zijne woede trof.En, op zijne borst kloppend, sprak Uilenspiegel:—Confiteor.—Weleer, vervolgde de deken, was hij recht als de stok eener hellebaard, en was hij er fier op. Beziet hem nu, hij is gebult en gebocheld onder de verwensching des hemels.—Confiteor, neem mijnen bult weg, sprak Uilenspiegel.—Ja, vervolgde de deken, ja, groote heilige, ja, Sint-Remaclus, die, sedert uw glorierijken dood, negen en dertig mirakels gedaan hebt, neem van zijne schouderen het gewicht, dat er op drukt, opdat wij uwen lof kunnen zingen in de eeuwigheid der eeuwigheden,in soecula soeculorum! En vrede op de aarde aan de bultenaars, die van goeden wil zijn.En de bultenaars herhaalden te gelijk:—Ja, ja, vrede op aarde aan de bultenaars, die van goeden wil zijn; weg met de bulten, weg met haat en met nijd, weg met alle vernedering! Neem onze bulten weg, doorluchtige heilige Remaclus!De deken gebood Uilenspiegel het graf te verlaten en zijnen bochel te wrijven tegen den kant van de zerk. Uilenspiegel deed het, steeds mompelend:Mea culpa, confiteor, neem mijnen bult weg!En hij wreef zich zoo goed, dat al de omstanders zulks oogenschijnlijk zagen.En dezen riepen:—Ziet naar zijn bult, hij plooit! Ziet gij, hij smelt weg, rechts neemt hij af,—Neen, hij zal in zijnen buik zakken; bulten vergaan niet, zij keeren terug in de darmen, uit dewelke zij komen.—Neen, zij keeren naar de maag, waar zij tachtig dagen lang tot voedsel verstrekken.—’t Is een geschenk van den heilige aan hen, die door zijne genade van hunnen last zijn verlost.—Wat geworden de oude bulten?Plotseling stieten al de bultenaars een grooten schreeuw uit, want Uilenspiegel had zijnen bult gebersten, door hard tegen den boord der zerk te drukken. Het bloed dat er in was, liep er uit, droop van onder zijn wambuis met groote droppelen op de steenen der kerk. En rechtspringend en de armen uitstrekkend, riep hij blijde:—Ik ben er van af!En al de bultenaars riepen te zamen:—Gezegende Sint-Remaclus, genadig zijt gij voor hem.—Groote heilige, neem den mijnen ook weg!—Ik zal u een kalf offeren.—Ik, zeven schapen.—Ik, de jacht van één jaar.—Ik, zes hespen,—Ik, ik schenk mijne hut aan de kerk.—Neem onze bulten af, heilige Remaclus!En zij bekeken Uilenspiegel met eerbied en afgunst. Een der bultenaren wilde onder Uilenspiegel’s wambuis tasten, doch de deken verbood het hem, zeggende:—Daar is een wonde, die het licht niet mag zien.—Ik zal voor ulieden bidden, sprak Uilenspiegel.—Ja, pelgrim, spraken al de bultenaars ondereen, ja, mijnheer de rechtgemaakte; wij dreven den spot met u; vergeef het ons, wij wisten niet wat wij deden. Christus, de Zaligmaker, vergaf aan het kruis, wilt gij ons ook vergiffenis schenken?—Ik vergeef u, sprak Uilenspiegel op hooghertigen toon.—Neem toch, zeiden zij, neem dit oortje, aanvaard dezen gulden, laat ons u dien gouden angelot schenken, dien daalder aanbieden, dien karolus in uwen zak steken.—Laat angelotten en karolussen het daglicht niet zien, zeide Uilenspiegel zeer stille: de linkerhand mag niet weten wat de rechterhand geeft.Dat zeide hij om den wille van den deken, die het geld der bultenaars met de oogen verslond, zonder te zien of het goud was of zilver.—Wij zeggen u duizendmaal dank, gezegende, geheiligde oud-bultenaar, zeiden de pelgrims tot Uilenspiegel.En hij nam hunne giften met hooghertigheid aan, zooals iemand betaamt die met de gratie des hemels bedeeld is.Maar de gierigaards wreven hardnekkig hunne bochels tegen het graf, zonder iets te zeggen en vooral zonder iets te geven.Uilenspiegel trok ’s avonds naar eene taveerne, waar hij kermis vierde.Alvorens slapen te gaan, dacht hij er aan dat de deken, zoo niet alles, dan toch zijn deel van den buit zou eischen. Hij telde zijn winst en vond meer goud dan zilver, want er waren minstens driehonderd karolussen. Hij zag een verdroogden laurier in een bloempot staan, trok de plant bij den kop uit den pot en legde zijn goud onder de aarde. En al de halve guldens, oortjes, deniers spreidde hij uit op de tafel.De deken trad de taveerne binnen en kwam boven bij Uilenspiegel.Toen deze hem zag, vroeg hij:—Heer deken, wat wilt gij van mij, nieteling?—Ik wil niets dan uw goed, antwoordde de dienaar des Heeren.—Laas, zuchtte Uilenspiegel, bediedt gij dát goed, dat daar ligt op de tafel?—Ja, mijn zoon, antwoordde de deken.Vervolgens de hand uitstekend, ruimde hij al het geld van de tafel, en liet hij het vallen in eenen zak, dien hij daarvoor opzettelijk meegebracht had.En hij gaf een gulden aan Uilenspiegel, met een zucht alsof het een stuk zijner ziel was.En hij vroeg hem het gerief van het mirakel.Uilenspiegel toonde hem de graat en de blaas.De deken nam ze, terwijl Uilenspiegel weeklaagde en hem wat méér vroeg, daar de weg van Bouillon naar Damme zoo lang was voor een armen voetganger, dat hij ongetwijfeld van honger zou omkomen.De deken ging heen en lispte geen woord.Als Uilenspiegel alleen was, sliep hij in met het oog op de plant, ’s Anderen daags, met den dageraad, stak hij zijnen buit op zak en verliet de stad.Hij ging recht naar het kamp van den Zwijger, gaf hem het geld en vertelde den Prins hoe hij er aan geraakt was: dit was het beste middel om schattingen van den vijand te lichten, meende hij.En de prins gaf hem tien gulden.De graat werd in een kristallen doos gevat, en gestoken tusschen de twee armen van het kruis op het hoogautaar, in de kerk van Bouillon.En een iegelijk, in die stad, weet dat de bult van den rechtgemaakten lasteraar steekt in het kruis.

X.Door het Walenland reizend, zag Uilenspiegel, dat de prins daar weinig hulp te verwachten had, en zoo kwam hij omtrent de stad Bouillon.Weldra zag hij op den weg bultenaars van de beide geslachten, van allen leeftijd en allen stand verschijnen. Allen, met groote paternosters in de hand, baden devotelijk.En hunne gebeden geleken op het gerikkik van kikvorschen in eenen vijver, ’s avonds, na een warmen dag.Daar waren moeders met bulten, die gebochelde kinderen op den arm droegen, terwijl andere kleinen aan heure rokken hingen. Er waren bultenaars op de heuvelen en bultenaars in de dalen. En overal zag Uilenspiegel op den helderen hemel hun magere schimmen afsteken.Hij ging tot een hunner en vroeg:—Waar trekken zij allen henen, die ongelukkige mannen, vrouwen en kinderen?De man antwoordde:—’t Is de begankenis van St. Remaclus; wij gaan naar het graf van den heilige, om van hem te verkrijgen wat onze herten verlangen: ons ontlasten van dat vernederend pak op onzen rug.Uilenspiegel hernam:—Zou ik van Sint-Remaclus niet kunnen verkrijgen wat mijn herte verlangt: onze arme gemeenten ontlasten van den bloedigen hertog, die als een looden bochel op de Nederlanden drukt?—Hij is niet gelast, de bochels der boete af te nemen, antwoordde de pelgrim.—Neemt hij er andere af? vroeg Uilenspiegel.—Ja, als de bulten jong zijn. Als het mirakel der genezing geschiedt, is ’t volop kermis in de stad. En elke pelgrim geeft dan een zilverstuk, soms wel een gouden florijn, aan dengelukzalige, die door zijne genezing heilig geworden is en alzoo met vrucht voor de anderen kan bidden.Uilenspiegel sprak:—Waarom doet de rijke mijnheer Sint-Remaclus zijne genezingen betalen, lijk een pillendraaier?—Goddelooze reiziger, hij zal u straffen voor uwe lastertaal, antwoordde de pelgrim, terwijl hij woedend zijnen bochel schudde.—Laas! zuchtte Uilenspiegel.En hij liet zich nedervallen aan den voet van een boom.De pelgrim staarde hem aan en zeide:—De heilige Remaclus treft goed als hij slaat!Uilenspiegel kromde zijnen rug en zuchtte, terwijl hij er aan voelde:—Genade, doorluchtige heilige. ’t Is de kastijding. Tusschen mijne schouderen voel ik een geweldige pijn. Laas! ai! Vergiffenis, mijnheer Sint-Remaclus, Ga voort, pelgrim, en laat mij hier, als een vadermoorder, in alleenigheid weenen met mijn berouwhebbend herte.Maar de pelgrim was reeds op de vlucht: hij liep tot op de Markt van Bouillon, waar al de bultenaars vergaderd waren.Huiverend van schrik, zeide hij met afgebroken woorden:—Pelgrim ontmoet ... recht als een keers ... den heilige gelasterd ... bult op den rug....Bloed-hertog, dwaas-hertog, hebt ge de bruid gezien? (Blz. 276).Bloed-hertog, dwaas-hertog, hebt ge de bruid gezien? (Blz. 276).Als de andere bultenaars dit hoorden, stieten zij blijde kreten en spraken zij:—Sint-Remaclus, als gij bulten kunt maken, kunt gij er afnemen ook. Neem onze bulten weg, mijnheer Sint-Remaclus.Intusschen was Uilenspiegel opgestaan en voortgegaan. Aan de deur eener taveerne van de eenzame voorstad, zag hij aan eenen stok twee verkensblazen hangen, een teeken, dat het daar pensenkermis was.Uilenspiegel nam eene der twee blazen en raapte de ruggegraat eener schol op; stak zich, om wat bloed in de verkensblaas te laten loopen, blies haar op, bond ze toe, na hetwelk hij ze vastmaakte op den rug met de graat daarboven. Aldus toegetakeld, schuddebollend en waggelend als een oude bultenaar, ging hij naar de Markt.De pelgrim, die hem had zien vallen, werd hem dadelijk gewaar en riep:—Daar is de lasteraar!En hij wees met den vinger naar hem.En allen liepen naar hem om den rampzalige te zien.Uilenspiegel schudde treurig het hoofd.—Ha! sprak hij, ik verdien genade noch medelijden; doodt mij als een razenden hond.En de bultenaars riepen verheugd:—Eén te meer in onze broederschap!Uilenspiegel mompelde onhoorbaar tusschen de tanden:—Ik zal het U wel betaald zetten, booze lieden!Doch hij scheen alles geduldig te verdragen en sprak:—Ik eet of ik drink niet meer, totdat de hoogweerdige heilige Remaclus mij geneest zooals hij mij trof.Bij het nieuws van ’t mirakel, kwam de deken uit de kerk. ’t Was een groote, dikke, plechtstatige kerel. Met den neus in de lucht, kliefde hij door de baren der bultenaars, als eene bark door de zee.Men toonde hem Uilenspiegel; hij zegde tot hem:—Zijt gij het, manneken, die getroffen werd door de roede van den heiligen Remaclus?—Ja, heer deken, antwoordde Uilenspiegel, ik ben het inderdaad, zijn nederige dienaar, die zijn nieuwen bult wil laten genezen, als het Zijne Heiligheid belieft.De deken, die giste dat er look in de meersch was, sprak:—Laat mij dien bult eens betasten.—Tast maar, genadige deken, sprak Uilenspiegel.Toen de deken getast had, sprak hij:—Hij is nieuw en nog nat. Ook hoop ik, dat de groote heilige U genadig zal wezen. Kom mede.Uilenspiegel volgde den deken en ging mee in de kerk.De bultenaars liepen achter hem en schreeuwden:—Daar is hij, de gedoemde, de lasteraar! Hoeveel weegt uw versche bult? Ik zou er een zak van maken, om mijne daalders in te steken? Heel uw leven hebt gij den spot gedreven met ons, omdat gij recht waart; nu is ’t onze beurt! Gezegend zij Sint-Remaclus!Uilenspiegel antwoordde niet, doch volgde met gebogen hoofde den deken, die hem leidde in een kleine kapel, waar een marmeren graf was, gedekt met eene zerk, mede van marmer.Tusschen het graf en den muur der kapel was eene opening van ruim eene hand breed. Een menigte gebochelde pelgrims, die elkander volgden, gingen tusschen den muur en de zerkvan het graf, tegen dewelke zij stilzwijgend hunne bulten wreven. En aldus hoopten zij er van verlost te worden. En zij, die hunne bulten tegen de plaat wreven, wilden de plaats niet afstaan aan degenen, die volgden; en er werd gevochten, doch zonder gerucht, want zij dorsten niet dan heimelijk stompen, uit vreeze van heiligschennis.De deken zegde tot Uilenspiegel op de zerk te klimmen, opdat alle pelgrims hem goed konden zien.Uilenspiegel antwoordde:—Dat kan ik alleen niet.De deken hielp hem, bleef bij hem staan en deed hem knielen. Uilenspiegel gehoorzaamde en bleef met gebogen hoofde zitten in die deemoedige houding.Na een kort inwendig gebed, zeide de eerwaarde geestelijke met heldere stem:—Kinderen en broeders in Christus, aan mijne voeten ziet gij den grootsten zondaar en lasteraar, dien Sint-Remaclus ooit met zijne woede trof.En, op zijne borst kloppend, sprak Uilenspiegel:—Confiteor.—Weleer, vervolgde de deken, was hij recht als de stok eener hellebaard, en was hij er fier op. Beziet hem nu, hij is gebult en gebocheld onder de verwensching des hemels.—Confiteor, neem mijnen bult weg, sprak Uilenspiegel.—Ja, vervolgde de deken, ja, groote heilige, ja, Sint-Remaclus, die, sedert uw glorierijken dood, negen en dertig mirakels gedaan hebt, neem van zijne schouderen het gewicht, dat er op drukt, opdat wij uwen lof kunnen zingen in de eeuwigheid der eeuwigheden,in soecula soeculorum! En vrede op de aarde aan de bultenaars, die van goeden wil zijn.En de bultenaars herhaalden te gelijk:—Ja, ja, vrede op aarde aan de bultenaars, die van goeden wil zijn; weg met de bulten, weg met haat en met nijd, weg met alle vernedering! Neem onze bulten weg, doorluchtige heilige Remaclus!De deken gebood Uilenspiegel het graf te verlaten en zijnen bochel te wrijven tegen den kant van de zerk. Uilenspiegel deed het, steeds mompelend:Mea culpa, confiteor, neem mijnen bult weg!En hij wreef zich zoo goed, dat al de omstanders zulks oogenschijnlijk zagen.En dezen riepen:—Ziet naar zijn bult, hij plooit! Ziet gij, hij smelt weg, rechts neemt hij af,—Neen, hij zal in zijnen buik zakken; bulten vergaan niet, zij keeren terug in de darmen, uit dewelke zij komen.—Neen, zij keeren naar de maag, waar zij tachtig dagen lang tot voedsel verstrekken.—’t Is een geschenk van den heilige aan hen, die door zijne genade van hunnen last zijn verlost.—Wat geworden de oude bulten?Plotseling stieten al de bultenaars een grooten schreeuw uit, want Uilenspiegel had zijnen bult gebersten, door hard tegen den boord der zerk te drukken. Het bloed dat er in was, liep er uit, droop van onder zijn wambuis met groote droppelen op de steenen der kerk. En rechtspringend en de armen uitstrekkend, riep hij blijde:—Ik ben er van af!En al de bultenaars riepen te zamen:—Gezegende Sint-Remaclus, genadig zijt gij voor hem.—Groote heilige, neem den mijnen ook weg!—Ik zal u een kalf offeren.—Ik, zeven schapen.—Ik, de jacht van één jaar.—Ik, zes hespen,—Ik, ik schenk mijne hut aan de kerk.—Neem onze bulten af, heilige Remaclus!En zij bekeken Uilenspiegel met eerbied en afgunst. Een der bultenaren wilde onder Uilenspiegel’s wambuis tasten, doch de deken verbood het hem, zeggende:—Daar is een wonde, die het licht niet mag zien.—Ik zal voor ulieden bidden, sprak Uilenspiegel.—Ja, pelgrim, spraken al de bultenaars ondereen, ja, mijnheer de rechtgemaakte; wij dreven den spot met u; vergeef het ons, wij wisten niet wat wij deden. Christus, de Zaligmaker, vergaf aan het kruis, wilt gij ons ook vergiffenis schenken?—Ik vergeef u, sprak Uilenspiegel op hooghertigen toon.—Neem toch, zeiden zij, neem dit oortje, aanvaard dezen gulden, laat ons u dien gouden angelot schenken, dien daalder aanbieden, dien karolus in uwen zak steken.—Laat angelotten en karolussen het daglicht niet zien, zeide Uilenspiegel zeer stille: de linkerhand mag niet weten wat de rechterhand geeft.Dat zeide hij om den wille van den deken, die het geld der bultenaars met de oogen verslond, zonder te zien of het goud was of zilver.—Wij zeggen u duizendmaal dank, gezegende, geheiligde oud-bultenaar, zeiden de pelgrims tot Uilenspiegel.En hij nam hunne giften met hooghertigheid aan, zooals iemand betaamt die met de gratie des hemels bedeeld is.Maar de gierigaards wreven hardnekkig hunne bochels tegen het graf, zonder iets te zeggen en vooral zonder iets te geven.Uilenspiegel trok ’s avonds naar eene taveerne, waar hij kermis vierde.Alvorens slapen te gaan, dacht hij er aan dat de deken, zoo niet alles, dan toch zijn deel van den buit zou eischen. Hij telde zijn winst en vond meer goud dan zilver, want er waren minstens driehonderd karolussen. Hij zag een verdroogden laurier in een bloempot staan, trok de plant bij den kop uit den pot en legde zijn goud onder de aarde. En al de halve guldens, oortjes, deniers spreidde hij uit op de tafel.De deken trad de taveerne binnen en kwam boven bij Uilenspiegel.Toen deze hem zag, vroeg hij:—Heer deken, wat wilt gij van mij, nieteling?—Ik wil niets dan uw goed, antwoordde de dienaar des Heeren.—Laas, zuchtte Uilenspiegel, bediedt gij dát goed, dat daar ligt op de tafel?—Ja, mijn zoon, antwoordde de deken.Vervolgens de hand uitstekend, ruimde hij al het geld van de tafel, en liet hij het vallen in eenen zak, dien hij daarvoor opzettelijk meegebracht had.En hij gaf een gulden aan Uilenspiegel, met een zucht alsof het een stuk zijner ziel was.En hij vroeg hem het gerief van het mirakel.Uilenspiegel toonde hem de graat en de blaas.De deken nam ze, terwijl Uilenspiegel weeklaagde en hem wat méér vroeg, daar de weg van Bouillon naar Damme zoo lang was voor een armen voetganger, dat hij ongetwijfeld van honger zou omkomen.De deken ging heen en lispte geen woord.Als Uilenspiegel alleen was, sliep hij in met het oog op de plant, ’s Anderen daags, met den dageraad, stak hij zijnen buit op zak en verliet de stad.Hij ging recht naar het kamp van den Zwijger, gaf hem het geld en vertelde den Prins hoe hij er aan geraakt was: dit was het beste middel om schattingen van den vijand te lichten, meende hij.En de prins gaf hem tien gulden.De graat werd in een kristallen doos gevat, en gestoken tusschen de twee armen van het kruis op het hoogautaar, in de kerk van Bouillon.En een iegelijk, in die stad, weet dat de bult van den rechtgemaakten lasteraar steekt in het kruis.

X.

Door het Walenland reizend, zag Uilenspiegel, dat de prins daar weinig hulp te verwachten had, en zoo kwam hij omtrent de stad Bouillon.Weldra zag hij op den weg bultenaars van de beide geslachten, van allen leeftijd en allen stand verschijnen. Allen, met groote paternosters in de hand, baden devotelijk.En hunne gebeden geleken op het gerikkik van kikvorschen in eenen vijver, ’s avonds, na een warmen dag.Daar waren moeders met bulten, die gebochelde kinderen op den arm droegen, terwijl andere kleinen aan heure rokken hingen. Er waren bultenaars op de heuvelen en bultenaars in de dalen. En overal zag Uilenspiegel op den helderen hemel hun magere schimmen afsteken.Hij ging tot een hunner en vroeg:—Waar trekken zij allen henen, die ongelukkige mannen, vrouwen en kinderen?De man antwoordde:—’t Is de begankenis van St. Remaclus; wij gaan naar het graf van den heilige, om van hem te verkrijgen wat onze herten verlangen: ons ontlasten van dat vernederend pak op onzen rug.Uilenspiegel hernam:—Zou ik van Sint-Remaclus niet kunnen verkrijgen wat mijn herte verlangt: onze arme gemeenten ontlasten van den bloedigen hertog, die als een looden bochel op de Nederlanden drukt?—Hij is niet gelast, de bochels der boete af te nemen, antwoordde de pelgrim.—Neemt hij er andere af? vroeg Uilenspiegel.—Ja, als de bulten jong zijn. Als het mirakel der genezing geschiedt, is ’t volop kermis in de stad. En elke pelgrim geeft dan een zilverstuk, soms wel een gouden florijn, aan dengelukzalige, die door zijne genezing heilig geworden is en alzoo met vrucht voor de anderen kan bidden.Uilenspiegel sprak:—Waarom doet de rijke mijnheer Sint-Remaclus zijne genezingen betalen, lijk een pillendraaier?—Goddelooze reiziger, hij zal u straffen voor uwe lastertaal, antwoordde de pelgrim, terwijl hij woedend zijnen bochel schudde.—Laas! zuchtte Uilenspiegel.En hij liet zich nedervallen aan den voet van een boom.De pelgrim staarde hem aan en zeide:—De heilige Remaclus treft goed als hij slaat!Uilenspiegel kromde zijnen rug en zuchtte, terwijl hij er aan voelde:—Genade, doorluchtige heilige. ’t Is de kastijding. Tusschen mijne schouderen voel ik een geweldige pijn. Laas! ai! Vergiffenis, mijnheer Sint-Remaclus, Ga voort, pelgrim, en laat mij hier, als een vadermoorder, in alleenigheid weenen met mijn berouwhebbend herte.Maar de pelgrim was reeds op de vlucht: hij liep tot op de Markt van Bouillon, waar al de bultenaars vergaderd waren.Huiverend van schrik, zeide hij met afgebroken woorden:—Pelgrim ontmoet ... recht als een keers ... den heilige gelasterd ... bult op den rug....Bloed-hertog, dwaas-hertog, hebt ge de bruid gezien? (Blz. 276).Bloed-hertog, dwaas-hertog, hebt ge de bruid gezien? (Blz. 276).Als de andere bultenaars dit hoorden, stieten zij blijde kreten en spraken zij:—Sint-Remaclus, als gij bulten kunt maken, kunt gij er afnemen ook. Neem onze bulten weg, mijnheer Sint-Remaclus.Intusschen was Uilenspiegel opgestaan en voortgegaan. Aan de deur eener taveerne van de eenzame voorstad, zag hij aan eenen stok twee verkensblazen hangen, een teeken, dat het daar pensenkermis was.Uilenspiegel nam eene der twee blazen en raapte de ruggegraat eener schol op; stak zich, om wat bloed in de verkensblaas te laten loopen, blies haar op, bond ze toe, na hetwelk hij ze vastmaakte op den rug met de graat daarboven. Aldus toegetakeld, schuddebollend en waggelend als een oude bultenaar, ging hij naar de Markt.De pelgrim, die hem had zien vallen, werd hem dadelijk gewaar en riep:—Daar is de lasteraar!En hij wees met den vinger naar hem.En allen liepen naar hem om den rampzalige te zien.Uilenspiegel schudde treurig het hoofd.—Ha! sprak hij, ik verdien genade noch medelijden; doodt mij als een razenden hond.En de bultenaars riepen verheugd:—Eén te meer in onze broederschap!Uilenspiegel mompelde onhoorbaar tusschen de tanden:—Ik zal het U wel betaald zetten, booze lieden!Doch hij scheen alles geduldig te verdragen en sprak:—Ik eet of ik drink niet meer, totdat de hoogweerdige heilige Remaclus mij geneest zooals hij mij trof.Bij het nieuws van ’t mirakel, kwam de deken uit de kerk. ’t Was een groote, dikke, plechtstatige kerel. Met den neus in de lucht, kliefde hij door de baren der bultenaars, als eene bark door de zee.Men toonde hem Uilenspiegel; hij zegde tot hem:—Zijt gij het, manneken, die getroffen werd door de roede van den heiligen Remaclus?—Ja, heer deken, antwoordde Uilenspiegel, ik ben het inderdaad, zijn nederige dienaar, die zijn nieuwen bult wil laten genezen, als het Zijne Heiligheid belieft.De deken, die giste dat er look in de meersch was, sprak:—Laat mij dien bult eens betasten.—Tast maar, genadige deken, sprak Uilenspiegel.Toen de deken getast had, sprak hij:—Hij is nieuw en nog nat. Ook hoop ik, dat de groote heilige U genadig zal wezen. Kom mede.Uilenspiegel volgde den deken en ging mee in de kerk.De bultenaars liepen achter hem en schreeuwden:—Daar is hij, de gedoemde, de lasteraar! Hoeveel weegt uw versche bult? Ik zou er een zak van maken, om mijne daalders in te steken? Heel uw leven hebt gij den spot gedreven met ons, omdat gij recht waart; nu is ’t onze beurt! Gezegend zij Sint-Remaclus!Uilenspiegel antwoordde niet, doch volgde met gebogen hoofde den deken, die hem leidde in een kleine kapel, waar een marmeren graf was, gedekt met eene zerk, mede van marmer.Tusschen het graf en den muur der kapel was eene opening van ruim eene hand breed. Een menigte gebochelde pelgrims, die elkander volgden, gingen tusschen den muur en de zerkvan het graf, tegen dewelke zij stilzwijgend hunne bulten wreven. En aldus hoopten zij er van verlost te worden. En zij, die hunne bulten tegen de plaat wreven, wilden de plaats niet afstaan aan degenen, die volgden; en er werd gevochten, doch zonder gerucht, want zij dorsten niet dan heimelijk stompen, uit vreeze van heiligschennis.De deken zegde tot Uilenspiegel op de zerk te klimmen, opdat alle pelgrims hem goed konden zien.Uilenspiegel antwoordde:—Dat kan ik alleen niet.De deken hielp hem, bleef bij hem staan en deed hem knielen. Uilenspiegel gehoorzaamde en bleef met gebogen hoofde zitten in die deemoedige houding.Na een kort inwendig gebed, zeide de eerwaarde geestelijke met heldere stem:—Kinderen en broeders in Christus, aan mijne voeten ziet gij den grootsten zondaar en lasteraar, dien Sint-Remaclus ooit met zijne woede trof.En, op zijne borst kloppend, sprak Uilenspiegel:—Confiteor.—Weleer, vervolgde de deken, was hij recht als de stok eener hellebaard, en was hij er fier op. Beziet hem nu, hij is gebult en gebocheld onder de verwensching des hemels.—Confiteor, neem mijnen bult weg, sprak Uilenspiegel.—Ja, vervolgde de deken, ja, groote heilige, ja, Sint-Remaclus, die, sedert uw glorierijken dood, negen en dertig mirakels gedaan hebt, neem van zijne schouderen het gewicht, dat er op drukt, opdat wij uwen lof kunnen zingen in de eeuwigheid der eeuwigheden,in soecula soeculorum! En vrede op de aarde aan de bultenaars, die van goeden wil zijn.En de bultenaars herhaalden te gelijk:—Ja, ja, vrede op aarde aan de bultenaars, die van goeden wil zijn; weg met de bulten, weg met haat en met nijd, weg met alle vernedering! Neem onze bulten weg, doorluchtige heilige Remaclus!De deken gebood Uilenspiegel het graf te verlaten en zijnen bochel te wrijven tegen den kant van de zerk. Uilenspiegel deed het, steeds mompelend:Mea culpa, confiteor, neem mijnen bult weg!En hij wreef zich zoo goed, dat al de omstanders zulks oogenschijnlijk zagen.En dezen riepen:—Ziet naar zijn bult, hij plooit! Ziet gij, hij smelt weg, rechts neemt hij af,—Neen, hij zal in zijnen buik zakken; bulten vergaan niet, zij keeren terug in de darmen, uit dewelke zij komen.—Neen, zij keeren naar de maag, waar zij tachtig dagen lang tot voedsel verstrekken.—’t Is een geschenk van den heilige aan hen, die door zijne genade van hunnen last zijn verlost.—Wat geworden de oude bulten?Plotseling stieten al de bultenaars een grooten schreeuw uit, want Uilenspiegel had zijnen bult gebersten, door hard tegen den boord der zerk te drukken. Het bloed dat er in was, liep er uit, droop van onder zijn wambuis met groote droppelen op de steenen der kerk. En rechtspringend en de armen uitstrekkend, riep hij blijde:—Ik ben er van af!En al de bultenaars riepen te zamen:—Gezegende Sint-Remaclus, genadig zijt gij voor hem.—Groote heilige, neem den mijnen ook weg!—Ik zal u een kalf offeren.—Ik, zeven schapen.—Ik, de jacht van één jaar.—Ik, zes hespen,—Ik, ik schenk mijne hut aan de kerk.—Neem onze bulten af, heilige Remaclus!En zij bekeken Uilenspiegel met eerbied en afgunst. Een der bultenaren wilde onder Uilenspiegel’s wambuis tasten, doch de deken verbood het hem, zeggende:—Daar is een wonde, die het licht niet mag zien.—Ik zal voor ulieden bidden, sprak Uilenspiegel.—Ja, pelgrim, spraken al de bultenaars ondereen, ja, mijnheer de rechtgemaakte; wij dreven den spot met u; vergeef het ons, wij wisten niet wat wij deden. Christus, de Zaligmaker, vergaf aan het kruis, wilt gij ons ook vergiffenis schenken?—Ik vergeef u, sprak Uilenspiegel op hooghertigen toon.—Neem toch, zeiden zij, neem dit oortje, aanvaard dezen gulden, laat ons u dien gouden angelot schenken, dien daalder aanbieden, dien karolus in uwen zak steken.—Laat angelotten en karolussen het daglicht niet zien, zeide Uilenspiegel zeer stille: de linkerhand mag niet weten wat de rechterhand geeft.Dat zeide hij om den wille van den deken, die het geld der bultenaars met de oogen verslond, zonder te zien of het goud was of zilver.—Wij zeggen u duizendmaal dank, gezegende, geheiligde oud-bultenaar, zeiden de pelgrims tot Uilenspiegel.En hij nam hunne giften met hooghertigheid aan, zooals iemand betaamt die met de gratie des hemels bedeeld is.Maar de gierigaards wreven hardnekkig hunne bochels tegen het graf, zonder iets te zeggen en vooral zonder iets te geven.Uilenspiegel trok ’s avonds naar eene taveerne, waar hij kermis vierde.Alvorens slapen te gaan, dacht hij er aan dat de deken, zoo niet alles, dan toch zijn deel van den buit zou eischen. Hij telde zijn winst en vond meer goud dan zilver, want er waren minstens driehonderd karolussen. Hij zag een verdroogden laurier in een bloempot staan, trok de plant bij den kop uit den pot en legde zijn goud onder de aarde. En al de halve guldens, oortjes, deniers spreidde hij uit op de tafel.De deken trad de taveerne binnen en kwam boven bij Uilenspiegel.Toen deze hem zag, vroeg hij:—Heer deken, wat wilt gij van mij, nieteling?—Ik wil niets dan uw goed, antwoordde de dienaar des Heeren.—Laas, zuchtte Uilenspiegel, bediedt gij dát goed, dat daar ligt op de tafel?—Ja, mijn zoon, antwoordde de deken.Vervolgens de hand uitstekend, ruimde hij al het geld van de tafel, en liet hij het vallen in eenen zak, dien hij daarvoor opzettelijk meegebracht had.En hij gaf een gulden aan Uilenspiegel, met een zucht alsof het een stuk zijner ziel was.En hij vroeg hem het gerief van het mirakel.Uilenspiegel toonde hem de graat en de blaas.De deken nam ze, terwijl Uilenspiegel weeklaagde en hem wat méér vroeg, daar de weg van Bouillon naar Damme zoo lang was voor een armen voetganger, dat hij ongetwijfeld van honger zou omkomen.De deken ging heen en lispte geen woord.Als Uilenspiegel alleen was, sliep hij in met het oog op de plant, ’s Anderen daags, met den dageraad, stak hij zijnen buit op zak en verliet de stad.Hij ging recht naar het kamp van den Zwijger, gaf hem het geld en vertelde den Prins hoe hij er aan geraakt was: dit was het beste middel om schattingen van den vijand te lichten, meende hij.En de prins gaf hem tien gulden.De graat werd in een kristallen doos gevat, en gestoken tusschen de twee armen van het kruis op het hoogautaar, in de kerk van Bouillon.En een iegelijk, in die stad, weet dat de bult van den rechtgemaakten lasteraar steekt in het kruis.

Door het Walenland reizend, zag Uilenspiegel, dat de prins daar weinig hulp te verwachten had, en zoo kwam hij omtrent de stad Bouillon.

Weldra zag hij op den weg bultenaars van de beide geslachten, van allen leeftijd en allen stand verschijnen. Allen, met groote paternosters in de hand, baden devotelijk.

En hunne gebeden geleken op het gerikkik van kikvorschen in eenen vijver, ’s avonds, na een warmen dag.

Daar waren moeders met bulten, die gebochelde kinderen op den arm droegen, terwijl andere kleinen aan heure rokken hingen. Er waren bultenaars op de heuvelen en bultenaars in de dalen. En overal zag Uilenspiegel op den helderen hemel hun magere schimmen afsteken.

Hij ging tot een hunner en vroeg:

—Waar trekken zij allen henen, die ongelukkige mannen, vrouwen en kinderen?

De man antwoordde:

—’t Is de begankenis van St. Remaclus; wij gaan naar het graf van den heilige, om van hem te verkrijgen wat onze herten verlangen: ons ontlasten van dat vernederend pak op onzen rug.

Uilenspiegel hernam:

—Zou ik van Sint-Remaclus niet kunnen verkrijgen wat mijn herte verlangt: onze arme gemeenten ontlasten van den bloedigen hertog, die als een looden bochel op de Nederlanden drukt?

—Hij is niet gelast, de bochels der boete af te nemen, antwoordde de pelgrim.

—Neemt hij er andere af? vroeg Uilenspiegel.

—Ja, als de bulten jong zijn. Als het mirakel der genezing geschiedt, is ’t volop kermis in de stad. En elke pelgrim geeft dan een zilverstuk, soms wel een gouden florijn, aan dengelukzalige, die door zijne genezing heilig geworden is en alzoo met vrucht voor de anderen kan bidden.

Uilenspiegel sprak:

—Waarom doet de rijke mijnheer Sint-Remaclus zijne genezingen betalen, lijk een pillendraaier?

—Goddelooze reiziger, hij zal u straffen voor uwe lastertaal, antwoordde de pelgrim, terwijl hij woedend zijnen bochel schudde.

—Laas! zuchtte Uilenspiegel.

En hij liet zich nedervallen aan den voet van een boom.

De pelgrim staarde hem aan en zeide:

—De heilige Remaclus treft goed als hij slaat!

Uilenspiegel kromde zijnen rug en zuchtte, terwijl hij er aan voelde:

—Genade, doorluchtige heilige. ’t Is de kastijding. Tusschen mijne schouderen voel ik een geweldige pijn. Laas! ai! Vergiffenis, mijnheer Sint-Remaclus, Ga voort, pelgrim, en laat mij hier, als een vadermoorder, in alleenigheid weenen met mijn berouwhebbend herte.

Maar de pelgrim was reeds op de vlucht: hij liep tot op de Markt van Bouillon, waar al de bultenaars vergaderd waren.

Huiverend van schrik, zeide hij met afgebroken woorden:

—Pelgrim ontmoet ... recht als een keers ... den heilige gelasterd ... bult op den rug....

Bloed-hertog, dwaas-hertog, hebt ge de bruid gezien? (Blz. 276).Bloed-hertog, dwaas-hertog, hebt ge de bruid gezien? (Blz. 276).

Bloed-hertog, dwaas-hertog, hebt ge de bruid gezien? (Blz. 276).

Als de andere bultenaars dit hoorden, stieten zij blijde kreten en spraken zij:

—Sint-Remaclus, als gij bulten kunt maken, kunt gij er afnemen ook. Neem onze bulten weg, mijnheer Sint-Remaclus.

Intusschen was Uilenspiegel opgestaan en voortgegaan. Aan de deur eener taveerne van de eenzame voorstad, zag hij aan eenen stok twee verkensblazen hangen, een teeken, dat het daar pensenkermis was.

Uilenspiegel nam eene der twee blazen en raapte de ruggegraat eener schol op; stak zich, om wat bloed in de verkensblaas te laten loopen, blies haar op, bond ze toe, na hetwelk hij ze vastmaakte op den rug met de graat daarboven. Aldus toegetakeld, schuddebollend en waggelend als een oude bultenaar, ging hij naar de Markt.

De pelgrim, die hem had zien vallen, werd hem dadelijk gewaar en riep:

—Daar is de lasteraar!

En hij wees met den vinger naar hem.

En allen liepen naar hem om den rampzalige te zien.

Uilenspiegel schudde treurig het hoofd.

—Ha! sprak hij, ik verdien genade noch medelijden; doodt mij als een razenden hond.

En de bultenaars riepen verheugd:

—Eén te meer in onze broederschap!

Uilenspiegel mompelde onhoorbaar tusschen de tanden:

—Ik zal het U wel betaald zetten, booze lieden!

Doch hij scheen alles geduldig te verdragen en sprak:

—Ik eet of ik drink niet meer, totdat de hoogweerdige heilige Remaclus mij geneest zooals hij mij trof.

Bij het nieuws van ’t mirakel, kwam de deken uit de kerk. ’t Was een groote, dikke, plechtstatige kerel. Met den neus in de lucht, kliefde hij door de baren der bultenaars, als eene bark door de zee.

Men toonde hem Uilenspiegel; hij zegde tot hem:

—Zijt gij het, manneken, die getroffen werd door de roede van den heiligen Remaclus?

—Ja, heer deken, antwoordde Uilenspiegel, ik ben het inderdaad, zijn nederige dienaar, die zijn nieuwen bult wil laten genezen, als het Zijne Heiligheid belieft.

De deken, die giste dat er look in de meersch was, sprak:

—Laat mij dien bult eens betasten.

—Tast maar, genadige deken, sprak Uilenspiegel.

Toen de deken getast had, sprak hij:

—Hij is nieuw en nog nat. Ook hoop ik, dat de groote heilige U genadig zal wezen. Kom mede.

Uilenspiegel volgde den deken en ging mee in de kerk.

De bultenaars liepen achter hem en schreeuwden:

—Daar is hij, de gedoemde, de lasteraar! Hoeveel weegt uw versche bult? Ik zou er een zak van maken, om mijne daalders in te steken? Heel uw leven hebt gij den spot gedreven met ons, omdat gij recht waart; nu is ’t onze beurt! Gezegend zij Sint-Remaclus!

Uilenspiegel antwoordde niet, doch volgde met gebogen hoofde den deken, die hem leidde in een kleine kapel, waar een marmeren graf was, gedekt met eene zerk, mede van marmer.

Tusschen het graf en den muur der kapel was eene opening van ruim eene hand breed. Een menigte gebochelde pelgrims, die elkander volgden, gingen tusschen den muur en de zerkvan het graf, tegen dewelke zij stilzwijgend hunne bulten wreven. En aldus hoopten zij er van verlost te worden. En zij, die hunne bulten tegen de plaat wreven, wilden de plaats niet afstaan aan degenen, die volgden; en er werd gevochten, doch zonder gerucht, want zij dorsten niet dan heimelijk stompen, uit vreeze van heiligschennis.

De deken zegde tot Uilenspiegel op de zerk te klimmen, opdat alle pelgrims hem goed konden zien.

Uilenspiegel antwoordde:

—Dat kan ik alleen niet.

De deken hielp hem, bleef bij hem staan en deed hem knielen. Uilenspiegel gehoorzaamde en bleef met gebogen hoofde zitten in die deemoedige houding.

Na een kort inwendig gebed, zeide de eerwaarde geestelijke met heldere stem:

—Kinderen en broeders in Christus, aan mijne voeten ziet gij den grootsten zondaar en lasteraar, dien Sint-Remaclus ooit met zijne woede trof.

En, op zijne borst kloppend, sprak Uilenspiegel:—Confiteor.

—Weleer, vervolgde de deken, was hij recht als de stok eener hellebaard, en was hij er fier op. Beziet hem nu, hij is gebult en gebocheld onder de verwensching des hemels.

—Confiteor, neem mijnen bult weg, sprak Uilenspiegel.

—Ja, vervolgde de deken, ja, groote heilige, ja, Sint-Remaclus, die, sedert uw glorierijken dood, negen en dertig mirakels gedaan hebt, neem van zijne schouderen het gewicht, dat er op drukt, opdat wij uwen lof kunnen zingen in de eeuwigheid der eeuwigheden,in soecula soeculorum! En vrede op de aarde aan de bultenaars, die van goeden wil zijn.

En de bultenaars herhaalden te gelijk:

—Ja, ja, vrede op aarde aan de bultenaars, die van goeden wil zijn; weg met de bulten, weg met haat en met nijd, weg met alle vernedering! Neem onze bulten weg, doorluchtige heilige Remaclus!

De deken gebood Uilenspiegel het graf te verlaten en zijnen bochel te wrijven tegen den kant van de zerk. Uilenspiegel deed het, steeds mompelend:Mea culpa, confiteor, neem mijnen bult weg!

En hij wreef zich zoo goed, dat al de omstanders zulks oogenschijnlijk zagen.

En dezen riepen:

—Ziet naar zijn bult, hij plooit! Ziet gij, hij smelt weg, rechts neemt hij af,—Neen, hij zal in zijnen buik zakken; bulten vergaan niet, zij keeren terug in de darmen, uit dewelke zij komen.—Neen, zij keeren naar de maag, waar zij tachtig dagen lang tot voedsel verstrekken.—’t Is een geschenk van den heilige aan hen, die door zijne genade van hunnen last zijn verlost.—Wat geworden de oude bulten?

Plotseling stieten al de bultenaars een grooten schreeuw uit, want Uilenspiegel had zijnen bult gebersten, door hard tegen den boord der zerk te drukken. Het bloed dat er in was, liep er uit, droop van onder zijn wambuis met groote droppelen op de steenen der kerk. En rechtspringend en de armen uitstrekkend, riep hij blijde:

—Ik ben er van af!

En al de bultenaars riepen te zamen:

—Gezegende Sint-Remaclus, genadig zijt gij voor hem.—Groote heilige, neem den mijnen ook weg!—Ik zal u een kalf offeren.—Ik, zeven schapen.—Ik, de jacht van één jaar.—Ik, zes hespen,—Ik, ik schenk mijne hut aan de kerk.—Neem onze bulten af, heilige Remaclus!

En zij bekeken Uilenspiegel met eerbied en afgunst. Een der bultenaren wilde onder Uilenspiegel’s wambuis tasten, doch de deken verbood het hem, zeggende:

—Daar is een wonde, die het licht niet mag zien.

—Ik zal voor ulieden bidden, sprak Uilenspiegel.

—Ja, pelgrim, spraken al de bultenaars ondereen, ja, mijnheer de rechtgemaakte; wij dreven den spot met u; vergeef het ons, wij wisten niet wat wij deden. Christus, de Zaligmaker, vergaf aan het kruis, wilt gij ons ook vergiffenis schenken?

—Ik vergeef u, sprak Uilenspiegel op hooghertigen toon.

—Neem toch, zeiden zij, neem dit oortje, aanvaard dezen gulden, laat ons u dien gouden angelot schenken, dien daalder aanbieden, dien karolus in uwen zak steken.

—Laat angelotten en karolussen het daglicht niet zien, zeide Uilenspiegel zeer stille: de linkerhand mag niet weten wat de rechterhand geeft.

Dat zeide hij om den wille van den deken, die het geld der bultenaars met de oogen verslond, zonder te zien of het goud was of zilver.

—Wij zeggen u duizendmaal dank, gezegende, geheiligde oud-bultenaar, zeiden de pelgrims tot Uilenspiegel.

En hij nam hunne giften met hooghertigheid aan, zooals iemand betaamt die met de gratie des hemels bedeeld is.

Maar de gierigaards wreven hardnekkig hunne bochels tegen het graf, zonder iets te zeggen en vooral zonder iets te geven.

Uilenspiegel trok ’s avonds naar eene taveerne, waar hij kermis vierde.

Alvorens slapen te gaan, dacht hij er aan dat de deken, zoo niet alles, dan toch zijn deel van den buit zou eischen. Hij telde zijn winst en vond meer goud dan zilver, want er waren minstens driehonderd karolussen. Hij zag een verdroogden laurier in een bloempot staan, trok de plant bij den kop uit den pot en legde zijn goud onder de aarde. En al de halve guldens, oortjes, deniers spreidde hij uit op de tafel.

De deken trad de taveerne binnen en kwam boven bij Uilenspiegel.

Toen deze hem zag, vroeg hij:

—Heer deken, wat wilt gij van mij, nieteling?

—Ik wil niets dan uw goed, antwoordde de dienaar des Heeren.

—Laas, zuchtte Uilenspiegel, bediedt gij dát goed, dat daar ligt op de tafel?

—Ja, mijn zoon, antwoordde de deken.

Vervolgens de hand uitstekend, ruimde hij al het geld van de tafel, en liet hij het vallen in eenen zak, dien hij daarvoor opzettelijk meegebracht had.

En hij gaf een gulden aan Uilenspiegel, met een zucht alsof het een stuk zijner ziel was.

En hij vroeg hem het gerief van het mirakel.

Uilenspiegel toonde hem de graat en de blaas.

De deken nam ze, terwijl Uilenspiegel weeklaagde en hem wat méér vroeg, daar de weg van Bouillon naar Damme zoo lang was voor een armen voetganger, dat hij ongetwijfeld van honger zou omkomen.

De deken ging heen en lispte geen woord.

Als Uilenspiegel alleen was, sliep hij in met het oog op de plant, ’s Anderen daags, met den dageraad, stak hij zijnen buit op zak en verliet de stad.

Hij ging recht naar het kamp van den Zwijger, gaf hem het geld en vertelde den Prins hoe hij er aan geraakt was: dit was het beste middel om schattingen van den vijand te lichten, meende hij.

En de prins gaf hem tien gulden.

De graat werd in een kristallen doos gevat, en gestoken tusschen de twee armen van het kruis op het hoogautaar, in de kerk van Bouillon.

En een iegelijk, in die stad, weet dat de bult van den rechtgemaakten lasteraar steekt in het kruis.


Back to IndexNext