Monte-Carlo.

Monte-Carlo.“Cet enfer de Monaco!” dat waren de woorden, die ik van een teruggekeerde uit Monte-Carlo vernomen had, en de man had het voorkomen van iemand, die zich diep ongelukkig gevoelt. Het heeft mij vroeger wel eens verbaasd, dat zoovele menschen, die vast aan een “hel” gelooven, zoo gerust een weg bewandelen, waarop zij—volgens dat geloof—wiskunstig zeker die hel te gemoet gaan.Nadat ik echter op zoo menig schouwtooneel die folterplaats, vol geween en knarsing der tanden, als een tooverpaleis, stralende van licht en van kleuren, vol zingenot zag voorgesteld, maar vooral ook, sedert Dantes hel, met die van Doré vereenigd, mij een onvergetelijk kunstgenot schonk, begrijp ik nog beter dat de bedoelde personen, in weerwil van hun geloof, op een hel rekenen, die inderdaad nog niet zoo zwart en zoo heel verschrikkelijk wezen zal.Men noemt oneigenlijk den naam van het stadjeMonaco, als men van de plaats spreekt, die op een andere rotshoogte der kust, ongeveer een kwartier verder westwaarts is gelegen.Monte-Carlo!Prachtig plekje aan de Middellandsche Zee!Als men het spoorwegstation, juist bij den golfslag aan den voet der rots, heeft verlaten, dan vindt men aanstonds er achter de breede glooiende trappen, die over en naast den rotswand, naar het Dorado voeren.Boven gekomen, waart het verraste oog met verrukking rond.In fijnen toon ziet gij rechts, aan de overzij van een kleine bocht der zee, de rots die, met haar drie étages van woningen in ’t groen, Monaco en zijn vorstelijk paleis omhoog beurt, terwijl de zon vroolijk schittert in het zeenat aan zijn voet en fonkelt in den schuimenden golfslag, die sinds eeuwen de rots bekampt, maar niet zal doen wijken.Recht voor u uit, en ook ter linkerzijde, hebt gij de zee, die groote—die “blauwe zee!” blauw tot den horizon toe.En, als zij u uit overoude tijden verhaalt, hoe Hercules van Hellas’ boordenhier’t allereerst voet aan wal kwam zetten; hoe de oudGrieksche held er Geryon en de woeste bergroovers bestreed en verwon, hoe hij de Grieksche beschaving er bracht en hier een weg dwars door de Alpen sloeg, waardoor aan dit oord voor altijd de naam van Portus Herculis verzekerd werd; als gij nog luistert naar haar sprookjes: van de zeenimfen en de Saracenen, en uw oog eensklaps door een eenigszins lager liggende groene vlakte wordt getroffen, dan—schrikt ge, want ge hoort een stem aan uw zij, en het klinkt in uw oor!“Die groene vlakte dáár, dat is de Tir aux pigeons.”“Ei, is dat de Tir aux pigeons!”Uitzekeren hemel was ik alreeds in een soort van hel gevallen.Het schandelijkst, lafhartigst en wreedst vermaak, ’t welk ooit werd uitgedacht, wordt ook hier even schaamteloos aangeboden, als helaas door zoovelen zonder zelfverachting genoten.Is niet de duif het beeld der reinheid en zachtheid, ’t symbool der zoetste liefde? Welnu, tweemaal ’s weeks worden een aantal van die bevallige diertjes, wit als sneeuw of blauw als een zomerhemel, uit hun cages genomen en gekerkerd in gaten met beweegbare kleppen, welke gaten op kleine afstanden van elkander, in die grasvlakte zijn gemaakt.De duif, snakkende naar licht en lucht, wendt binnen die holen haar uiterste krachten aan, om dien vreeselijken onderaardschen kerker te ontkomen. Ten laatste doodelijk vermoeid, ontsnapt het diertje aan dat knellende en martelende dak.Het duizelt, zwenkt, ziet de blauwe lucht, verzamelt nog eens zijn krachten om zich hoog boven die aardsche folterplaats te verheffen, en.... Dan is het oogenblik van genot voor den mensch gekomen. De arme bedwelmde duif te treffen in haar vlucht; haar te zien buitelen, vallen! welk een voldoening!Maar niet zelden mist het schot van den onervaren schutter geheel of ten deele. In het eerste geval keert de argelooze duif naar haar kooi terug, waar zij haastig wordt binnengelaten, om haar weinige dagen later nogmaals aan dat “vermakelijke spel” te kunnen overleveren. In het tweede geval heeft men het eigenaardig genot van zijn slachtoffer te zien fladderen,—telkens weer zich verheffende, om het allengskens afgetobt te zien dalen, al lager en lager naar de zee—die zich straks over de arme ontfermen zal.Men zegt dat ook vrouwen....“Kom mee; we moeten verder!”Als gij u omwendt, dan ziet ge op de hoogte van het zeer breede terras den prachtigen nieuw opgetrokken voorgevel van het Casino-gebouw aan de zeezijde—met zijn schoone lijnen en voortreffelijk beeldwerk. Doch de toegang tot het gebouw is niet aan deze zijde. Van het terras, met zijn hooge, wit marmeren bloemvazen, begeven wij ons, langs welig begroeide perken, naar dien ingang aan de landzijde. De liefelijkste plekjes, en tal van belommerde banken nooden u er een wijle te rusten.Die verzoeking kunt en moogt ge niet weerstaan. Zie, de cactussenmet haar opeengroeiende bladeren, grooter dan het ovaal van een menschenhoofd, reusachtige aloë’s, hier en ginder bloeiende met een stengel van ruim zes meters hoog; bloemen, overal lachende in ’t rond, purperroode camelia’s, geraniums vol geuren, en inzonderheid de rozen, die hier voor geen wintermaand wijken.—En dan, langs die bosschages, zoowel van het blijvende, alsook van het nú weer zoo liefelijk ontloken lentegroen, langs de stammen en onder het loof door van ceders en mirten en oranjes, van seringen, peperboomen en citroenen, tintelt in het helblinkende zonlicht de blauwe zee, en schittert het witte zeil van een schip in de verte.O, men zou er willen blijven in dat paradijs. Maar, de paradijsslang verloor haar lokstem nog niet.Toen men dit Eden op de eertijds zoo weinig bezochte rotshoogte, grootendeels kunstmatig, in ’t aanzijn riep, toen heeft men wel degelijk op haar lokstem gerekend. Neen, onder dat heerlijke lommer toeft men niet langer. Men moet verder! Die slingerpaden golven zelfs niet veel, en voeren schier rechtstreeks tot het doel.—Reeds bevindt ge u aan de Noordzijde, bij den ingang van het Casino.Een breede trap met kolonnade, die u aan het Stedelijk Badhuis te Scheveningen herinnert, voert u in een zeer breede vestibule.—Recht voor u uit—over de geheele breedte van het gebouw—bevindt zich de bal- en concertzaal, waar des middags en ’s avonds een uitmuntend en sterk bezet orkest bij voorkeur Italiaansche muziek doet hooren. Het plafond der zaal, waarvan de eenigszins gewelfde hoeken door vier reusachtige, vergulde vrouwenbeelden—de priesteressen van een “gouden” vrede—wordt gedragen, is voorts versierd met onderscheidene hoogst verdienstelijk geschilderde tafreelen, in den geest van het carré boven de vermaarde trap der groote opera te Parijs. De toon der geheele zaal, die nog met een menigte ander beeld- en schilderwerk, op ’t kwistigst is versierd, heeft, in den toon van havanna met goud, iets sombers, zoodat de frisch roode kleur van het fluweel der achthonderd zeer gemakkelijke fauteuils er volstrekt geen kwaad doet.Ter rechterzijde van de straks binnengetreden vestibule, bevinden zich de conversatie- en leeszalen. In een der laatsten is het getal nieuwsbladen legio, en ook Nederlandsche couranten ontbreken er niet.Het Casino van den Monte-Carlo biedt alles, wat er in zijn parken te zien, of binnen zijn zalen te genieten valt, den vreemdeling gratis aan en zoo ook het noodzakelijke toegang-bewijs tot de groote zaal terlinkerzijde der vestibule.Een goud-gegalonneerde Cerberus opent u een breede deur, en gij betreedt die zoozeer bevoorrechte plek, waaraan de bekrompen geest dezer eeuw nog niet zijn ruwe hand durfde slaan, en waar het den mensch ten minste nog vrij staat zijngelukte beproeven!Overdag en zelfs des avonds bij lamplicht, heeft die zeer groote speelzaal mede iets sombers. Zij is in Moorschen stijl gebouwd en op Oostersche wijze rijk gekleurd en behangen.Aan de zes tamelijk ver vaneen geplaatste speeltafels ziet gij,in ’t midden der roulette-tafels, vier croupiers, twee aan twee tegenover elkander gezeten, en achter hen, op wat hoogere stoelen, hun bespieders, inspecteurs genoemd; terwijl aan de beide uiteinden der tafel weder een assistent heeft plaats genomen. Aan de trente-et-quarante-tafels is het dienstdoende personeel iets minder sterk. Die “ambtenaren” worden van tijd tot tijd door versche confraters afgewisseld, want van des middags 12 tot des avonds 11 uren staat de affaire geen oogenblik stil.En—tusschen die mannen met hun zwarte harkjes en scherpziende oogen en ongeloofelijk snel geldschietende en geldstapelende vingers, tusschen die dienaren van “la veuve Blanc”, zitten mannen en vrouwen van allerlei stand en leeftijd,—men zou zeggen “op ’t eendrachtigst saamverbonden” neer.De Prince de X zit er naast dennomméPyr, die als garçon de café in Florence zijn meester bestal en al spoedig zal worden ingerekend, na het gestolen geld aan den speelduivel te hebben geofferd.Madame la Baronne de V. zit er tegenover een vervaarlijk roodgeverfde matrone met elf ringen aan vijf vingers.Inzonderheid om de tafels waaraan een speler—bij uitzondering—zeer “en veine” is, of ook waar in weinige oogenblikken duizenden worden verloren, verdringt zich de vlottende menigte, die overigens met een onophoudelijk va-et-vient haar geluk nu eens aan deze, dan weder aan gene tafel beproeft.Te midden van een aanhoudend geschuifel en gefluister, waarboven slechts de stem van den croupier en het voortdurend gekling-klang van geld wordt vernomen, treffen de zachtgesproken woorden: “Tiens, comme ce grand est en veine!” mijn oor.’t Was een breedgeschouderd man van een buitengewone grootte, met een aristocratisch schoon gelaat. De rechte neus zetelde boven den forsch vooruitspringenden knevel, die den fijn besneden mond overschaduwde. Aan zijn blanke hand droeg hij een zwaren zegelring.—Achter de speeltafel staande speelde hij over den schouder der zittenden heen. Eenige goudstukken van honderd francs1werden door hem op “rood” gezet, en, zeven bankbiljetten van vijfhonderd franc fladderden er naast.Het balletje der roulette vloog in ’t rond.Welke diepe voren ploegden nu dat schoone voorhoofd!“Treize; noir, impaire; passe!” riep de croupier, terwijl hij schier terzelfder tijd het geld van den edelman wegharkte en tevens het goud en zilver van zoovelen, die den man “en veine” op “rood” waren gevolgd.Tot hen behoorde een oud heer met zilverwitte haren en een hoogst eerwaardig voorkomen; althans wanneer hij met de blankewimpers naar omlaag,—prikkende in het speelkaartje—zijn kans te berekenen zat. Als hij de oogleden even opsloeg, dan zochten ze goud!Een dame aan zijn zij ziet zeer bleek, terwijl ze een klein hoopje goud met haar fijne vingertoppen terdeeg schikt, maar inderdaad, blijkbaar zoekt ze te tellen. Een heer, die tegenover haar zit en gedurig schuw in ’t rond ziet, is zeer rood, geweldig rood, bijna zoo rood als de roos op den sterk gewelfden boezem van een dametje, dat telkens moet wisselen en opzetten voor een zonderling geverfd oud heer met een magnifique zwarte krulpruik en een verbazend groot bouquet in den boezem van zijn vest, waarboven hij een hemelsblauwe das draagt. Die heer is blind en ik hoor hem tot zijn dametje zeggen;Yes darling twenty-four, and black!”Darling speelt en verliest. Of darling zóóveel opzet als de blinde bedoelt.... dat weet ik niet.Naar mijn vluchtige berekening heeft de groote edelman van daareven in drie zetten meer dan tienduizend francs verloren. Hij begeeft zich van de roulette naar een trente-et-quarante-tafel.Een keurig gekleed heer van omstreeks vijf en twintig jaren trekt nu mijn opmerkzaamheid. Ik ken hem; ’t is geen landgenoot, maar te Nice heeft hij zijne kamer naast de onze.Ja, ’t is de neef van een Franschman, wiens groote gaven zijn naam beroemd maken. Nog geen jaar geleden is die neef getrouwd; hij had fortuin; maar—het bekoorlijke vrouwtje—la gentille Alice B....—die hem haar hand en hart wou schenken, we hadden haar voor weinige dagen op den corridor ontmoet met oogen van ’t schreien rood.“Ah c’est lui qui l’a fait!” had men ons gezegd: “Il perd tout son argent! la pauvre belle femme!”En daar zat hij. En zijn oogen zwommen in een geelachtig rood, en met de vlakke hand streek hij van tijd tot tijd de zweetparels weg, die hem van de haren dropen—ofschoon zijn uiterlijk voor ’t overige zeer kalm schijnt. Hij neemt een bankbiljet uit een blijkbaar schraalvoorziene portefeuille.... Neen, het bankbiljet verdwijnt weder.—Hij opent een portemonnaie, neemt een goudstuk en volgt met schijnbaar rustigen blik het loopende spel.... Zie, de bank verliest. Ha! Nú moet het goudstuk wachten, en tóch het bankbiljet van vijfhonderd francs gewaagd worden.Hij zet op 20—l’age d’Alice!Een oogenblik later heeft de hark van den croupier de vijfhonderd francs doen verdwijnen. Op het gelaat van den speler is geen bijzondere gewaarwording te lezen. Nochtans zijn hand trilt zichtbaar als zij in ’t einde het straks teruggehouden goudstuk op “rood” zet.“Vingt; noir, pair, passe!” roept de croupier.Het gelaat van den jongen man is nu doodelijk wit geworden. Hij ziet naar de schatten van den croupier en ook vluchtig naar de stapeltjes goud van den matrone die naast hem zit.—’t Wordt er hem te benauwd.—“Permettez!” zegt hij opstaande, en alshij achter de massa verdwijnt, dan heeft een vreeselijk bleek jonkman, die akelig kucht en hoogst waarschijnlijk in de laatste periode van tering verkeert, den verlaten stoel reeds in bezit genomen.Een zonderling gedruisch wordt op ’t onverwachts in de zaal gehoord. De menigte, die zich voortdurend rondom de tafels beweegt, stroomt eensklaps naar eenzelfde tafel ter linkerzij. Men mompelt en spreekt alras luider.Wat is er gebeurd? Men weet het niet.De bankdirectiewilhet niet weten. Een schandaal moetá tout prixvermeden worden.—’t Is hier allesdigne, hoogst fatsoenlijk!—La banque, c’est la paix!De persoon, die met zooveel behendigheid een goudstuk onder de hand van den croupier heeft weggemoffeld, wordt openlijk in het gelijk gesteld. ’t Was een vergissing. De persoon die den dief heeft betrapt zal zich vergist hebben.“Messieurs faites votre jeu!”Indien gij meent, dat de jonge man, die den beroemden naam draagt, en zooeven zijn laatste goudstuk verloor, zich tot het plegen van een diefstal heeft kunnen verlagen, dan bedriegt gij u. De dief, die door zekere personen scherp in het oog wordt gehouden, en zich al spoedig ziet aangesproken, om zich kort daarna met zijn nieuwen “vriend”—een net gekleed geheim politie-agent te verwijderen, isle nomméPyr, garçon de cafévan Florence, en—’t werd reeds vroeger gezegd, dat hij zijn dierbare vaderstad slechts vluchtig zal weerzien om een établissement in Toulon te betrekken, waar hem voor altijd de lust zal vergaan, zijn fortuin met gestolen geld te beproeven.Maar de man met den gevierden naam?Tegen den middag van dienzelfden dag moesten de lampen reeds vroegtijdig in de speelzaal worden ontstoken. Een geelbleeke, bijna armoedig gekleede dame, die, sedert een groot jaar dagelijks van Nice vice-versa reist, om, in weerwil dat zij somtijds kleine sommen wint en te gelijk nooit meer dan een vijf-francstuk waagt, toch van lieverlee haar matig vermogen te zien verdwijnen, die dame, reeds scherp turende door haar lorgnet, had reeds de opmerking gefluisterd, dat het te donker werd, om het spel naar eisch te kunnen volgen.De jonkman met de tering, die een paar vuurroode kleurtjes boven de jukbeenderen heeft, zegt kuchende: “Ich spiele im Nachtdunkel.”De vroegere duisternis werd veroorzaakt door een wolkenmassa, die uit zee kwam opzetten en straks, na een vluchtig licht, de hooge zaalvensters doet dreunen van een geweldigen donderslag.De gaskronen zijn spoedig ontstoken. Het bevreemdt u dat er geen gas boven die speeltafels brandt, maar—le maître d’hôtel connait son monde. Boven iedere tafel worden twee brandende carcellampen aan de vergulde kettingen opgehangen. Met zulke olielampen loopt men geen gevaar, door het afsluiten van een gaskraan de speeltafel met haar schatten plotseling in ’t duister te zien gehuld.En buiten ontlast zich het donkere zwerk in een geweldigen plasregen. Langs de paden, terrassen en trappen van den Monte-Carlostroomt het water gutsend naar omlaag. De voorlaatste trein in de richting van Nice en Marseille zal slechts luttel reizigers van Monte-Carlo met zich nemen. Om den regenstroom te ontgaan blijft men in de speelzaal een goudstroom verwachten.Binnen de schier ledige wachtkamer van het station Monte-Carlo heeft zich een net gekleed heer in een der causeuses gezet.Nu staat hij op; gaat het vertrek een paar malen op en neer en vraagt dan aan den deurwachter of de laatste trein naar Nice niet te elf uren twaalf minuten vertrekt.Na een bevestigend antwoord te hebben ontvangen, begeeft de jonge man zich naar buiten. ’t Besluit was genomen. Men zegt dat de eigenares van de bank den totaal geruïneerde niet verlegen laat.—Ja, die oude vrouw zal helpen;—Nuzijnvermogen het hare is geworden, nu zal zij den berooide een klein gedeelte er van niet weigeren!Haastig voortgaande bemerkt hij ternauwernood dat de slagregen zijn kleeren geheel doortrekt en dat hij bij het stijgen schier een bergstroom doorwaadt.Nochtans, nu staat hij weer stil en aarzelt opnieuw.De drager van een naam door meer dan één volk met eere genoemd, zal hij zich verlagen tot het smeeken om een aalmoes aan de vrouw, die?....Wie is zij? Wie was haar man!?Men heeft hem van een fortuinzoeker verhaald, die slechts een speelzaal te Parijs verliet, om te Homburg zijn werk te vervolgen; die, van daar verdreven, een vorst aan den speelduivel koppelde en het vorige jaar ten grave daalde zonder van zijn vermogen, meer dan tachtig millioenen schats, iets anders te kunnen meenemen dan de vervloeking van duizenden, die hij in de zonde gestijfd en verstrikt had.Maar die vrouw! Men heeft hem immers ook gezegd dat zij kerken en godshuizen bouwt, en stijgt haar naam niet in eere, als zij met die millioenen haar dochters aan prinsen en vorsten huwt!Doch hoor, de stormwind loeit: en ja, daar boven in die groote zalen van het Casino, daar wordt wel het noodweer door muziektonen en goudgeklank overstemd, maar ginder, dringt er diezelfde huilende storm niet door tot een vrouwenhart, als hij hier langs palmen en cypressen de schrille kreten wekt:“Wij lieten ons goud ook inuwezalen en stortten ons bloed ook naastuwebloemen. Gevloekt, gevloekt, zij uw naam!”En tot háár zou hij zich om een aalmoes wenden!?—Neen, duizendwerf neen! Liever berooid, en met tranen het brood der ellende gegeten, dan te bedelen bij haar, die met kwistige hand den speelduivel voedt.Maar hij zelf,hijheeft immers aan dien duivel geofferd: ja, groote God, gansch en al, en geheel vrijwillig: vermogen; geluk; de toekomst van zijne jonge vrouw, en—van hun kind, nog ongeboren!Een paar uren later vliegt de sneltrein door den duisteren nacht.Een conducteur heeft aan het station te Monte-Carlo de retourbiljetten van de reizigers der eerste klasse gezien.Naast een ons reeds bekende geelbleeke dame, die sedert haar afreis in den morgen in ’t Casino niets heeft genuttigd, en daarom nu op de terugreis, volgens gewoonte, haar broodje en granaatappels en gebraden kastanjes gebruikt—naast haar zit een man, wiens kleeren zoodanig van het regenwater druipen, dat de dame haar japon reeds wat ter zij heeft getrokken en een der tegenover hem gezeten reizigers gedurig pruttelt en ten slotte de opmerking maakt, dat de bodem van dit compartiment “un vrai Paillon” gelijkt.Slechts de naam van den bergstroom heeft het oor van dien man getroffen. Strak staart hij voor zich heen. In zijn binnenste kookt het, zooals die stroom over zijn keien-bed thans voortbruist in woeste vaart.Wat men rondom hem spreekt hij weet het niet. Het sterker gerommel van den trein, wanneer hij door de lange tunnels boort, ontgaat hem, of wel, het doet hem in stilte verzuchten: dat die tunnel instorten en het rotsgevaarte hem voor eeuwig begraven mocht.En in het namiddaguur van dien zelfden dag heeft een jonge vrouw de lange Avenue de la Gare te Nice ten einde gewandeld, en achter den stam van een hoogen Eucalyptus, ter zij van den breeden stationsweg, heeft zij getoefd en getuurd in de richting van het station, totdat een traan haar oogen geheel heeft verduisterd.Gérard had gezegd, dat hij waarschijnlijk reeds met den namiddagtrein van Monte-Carlo zou terugkeeren. Het jaarcijfervan zijn Alice zou hem geluk brengen. Ja zeker! dat wist hij!En sedert dien namiddag is het een avond geworden met regen en storm. En met den sneltrein van omstreeks elf uren—waarmee hij gewoonlijk terugkwam, is hij nog niet gekomen.—Misschien is er een oponthoud geweest, zoo peinst zij. In den grooten tunnel bij Villefranche is men met herstellingen bezig en ’t gebeurt wel eens, dat de trein er een geruimen tijd moet wachten. Misschien ook was Gérard “en veine” en bleef hij er daarom tot den laatsten trein.—O! indien hij eens alles had teruggewonnen!—Maar neen, neen, dat zal, dat kan niet zoo wezen. Immers zij heeft hem gesmeekt, gebeden, niet meer naar die speelhel te gaan, want, ja, haar voorspelling moest uitkomen dat hij alles,ALLESverliezen zou.—O God,.... als die tunnel eens ingestort was!Bij die laatste zoo plotseling gerezen gedachte is het angstzweet der arme vrouw uitgebroken. IJlings staat zij op, opent het venster en ziet naar buiten, maar de wind slaat haar den fellen regen in het aangezicht en dooft terzelfder tijd de bougie die er brandt op de tafel.O, groote God, die tunnel! Men heeft gesproken van gevaar door de veelvuldige regens der laatste dagen veroorzaakt. Ja, dat water, neerstortende langs holen en spleten, boort er kanalen en doet de kalksteen splijten, en, o Sainte Vierge! schreit de jonge vrouw schier overluid,sauve lui, mon cher, mon pauvre Gérard!In allerijl heeft ze het licht weer ontstoken. Ze ziet op de pendule, ’t Is bij halftwaalf.—O, die onzekerheid! Ze zal........ Neen, ze moet kalm zijn.—Die laatste dagen van spanning hebben haar angstig gemaakt. Als vrouw, als aanstaande moeder is zij verplicht den lang voorzienen vreeselijken slag met waardigheid te dragen. Die vrees voor tunnels en levensgevaar, ’t was overdreven.—’t Is immers nog tweemaal gebeurd, dat Gérard met den laatsten trein, omstreeks kwart na twaalven, was teruggekeerd. Ze zal hem nu rustig wachten, en dan,—wanneer zijn eertijds zoo vriendelijk stralend oog haar met matten blik de droeve waarheid zal hebben gemeld, dan zal ze hem niets verwijten, niets! dan zal ze hem te gemoet treden, en het hoofd tegen zijn schouder leunen, en den arm om zijn hals slaan en hem toefluisteren: Dat alles is nu voorbij, Gérard. Maar we hebben elkaar toch behouden, is het zoo niet! En van de kleine rente, die ik jaarlijks ontvang, zullen we heel zuinig leven op het land, en werken zullen we allebei; en het grootste geluk zal ons de lieveling schenken, die we verwachten, ons kindje, dat onze rijkdom zal wezen, en nooit mag weten dat zijne moeder, vóór zijne komst wel eens heel droevig heeft geschreid.—Ja, ja, zoo zal ze spreken,—of neen, aan dat schreien zal ze hem niet herinneren; die razernij, die speelwoede moet vergeten, een gansch afgesloten verleden worden. Van detoekomstalleen zal ze hem spreken, van een nieuw werkzaam leven, arm in arm, hart aan hart; van een klaverblad, rijk en schoon door de innigste liefde.—Hoor! daar klinkt een voetstap.—O, als Gérard nu binnenkwam, dan zou ze juist kalm, en vol waarachtige liefde, in dien geest kunnen spreken.—Maar, hij is het niet.—De laatste trein kan ook nauwelijks aanwezen.—Doch ja, aangekomen moet hij reeds zijn.—Indien het niet zulk weer was, dan zou zij den vriend te gemoet gaan.—In den nacht? Waarom niet! Het hotel blijft tot twee uren open; en aan den portier kan ze zeggen.... Of eigenlijk behoeft ze dien man niets te zeggen. De eigen vrouw zal toch wel het recht hebben om, zelfs als het wat laat is, haar man van den trein te gaan halen, en vooral als zij wat onrustig wordt.—Maar zij is niet onrustig; ze wil alleen zoo spoedig mogelijk haar lieven man ontmoeten, om hem een zoen—zoo’n innigen zoen te geven en hem zóó reeds te doen gevoelen, dat hij “het beste” nog niet verloor.Toch staat zij een oogenblik later weer in onrust op en luistert.... doch verneemt niets dan het nog sterker gekletter van den regen tegen de ruiten.—O zeker, haar gejaagdheid is zeer verklaarbaar. Doch,—zij wil zich verstrooien. Wel zeker, het hoofdstuk, ’t welk ze in den namiddag begon, wil zij ten einde lezen. Zij zet zich. Maar als zij aan ’t eind der eerste bladzij is gekomen, dan heeft zij, wel woorden gezien, doch niets gelezen. Ze was te Monaco. Op de terrassen zag ze Gérard. Ze hoort een schot....En slechts weinige minuten later stond daar achter een der vierkante kolommen van de arcade aan het eind der Place Masséna een jonge vrouw, turende in de richting van de Avenue de la Gare. Het vreeselijk visioen van daar straks, het staat haar gedurig voor den geest. Of de trein reeds lang aan en het dus te laat is, zij weet het niet.Er komen nog rijtuigen en ook zeer enkele voetgangers uit die richting naar deze zij. Neen, men zal haar niet bemerken. Maar al zou men haar zien en haar schaamteloos toespreken, ze zal hier blijven; immers wat deert het haar; zij wacht haar man!En hij zal komen.... ja, want die akelige voorstelling was een leugen, een zinsbedrog. Een siddering van verrukking doortintelt de arme vrouw. O Jezus! Maria dank! daar komt hij! Bij dat gaslicht van verre heeft ze hem gezien. Dat was zijn gang—zijn figuur. Ja, hij draagt een lagen hoed.—Zie hij nadert.—Ondanks den plassenden regen ijlt ze op hem toe. Maar.... groote God! dat stak als een dolk: een vreemde wijkt ter zij en werpt haar de woorden toe: “Trop tard petite; ma femme m’attend.”“O, Sainte Vierge!” krijt de hevig geschokte, en duikt, zedig in haar donkeren schuilhoek. En schreiende en snikkende, leeft de flauwe hoop nog op in haar borst, dat Gérard langs een anderen weg in hun hotel zal zijn teruggekeerd, en als een gejaagde hinde spoedt zij zich voort en bereikt de zoozeer bevolkte woning, die voor haar echter ledig, geheel en al ledig is.Omstreeks dien zelfden tijd, terwijl de bezoekers van Monte-Carlo, die met den laatsten trein in Nice waren teruggekeerd, voorzeker reeds allen hun woning hadden bereikt, ging een jong man langzaam langs een der achterstraten van Nice naar de Place Grimaldi, een lommerrijk plantsoen, ’t welk rust op bogen, waaronder de bergstroom voor een wijle in ’t verborgen bruist. Nog slechts weinige minuten geleden stond hij op den hoek van den breeden Pont Neuf, het oog strak gericht op de kamers, waar de vrouw hem wachtte, die hij zoo innig liefhad aleer de zucht naar rijkdom en goud die liefde versmoorde.—Maar dat was gelogen! Hij heeft haar nóg lief. ’t Was immers zijn doel, zijn streven geweest om haar rijk en gelukkig te maken! O God! en het moest hun verderf worden! Zij heeft het hem gezegd! Duizendmalen heeft zij hem gesmeekt—gebeden, om niet voort te gaan op dien weg.Doch de hartstocht heeft hem verblind. De winzucht heeft hem koortsig het bloed door de aderen gejaagd. “Terugwinnen!” is de lokstem geworden van den satan—die hem altijd weder bergen vol gouds in de toekomst bleef toonen.O groote God! waartoe te leven? Die jonge schoone vrouw zien wegkwijnen in armoede en ellende; geketend aan den man, die als het beeld van wroeging steeds een schaduw zal werpen op haar pad!—Ja zonder hem zal zij vrijer ademen; voor haar alleen zal het noodige niet ontbreken; en—verlost van den “speler” zullen bloedverwanten en vrienden haar met liefde omringen!De nacht is donker. Ofschoon het niet meer regent, jagen zware wolken nog steeds voort aan den hemel. Van verre ratelt de golfslag der hoogschuimende zee langs het keien-strand. Op den linkeroever van den Paillon, onder de hooge platanen, wier takken zwiepen en kraken, wendt de jonge man eensklaps zijn schreden naar de steenen balustrade, aan wier buitenwand de bergstroom zich in de diepte een weg baant naar zee. Bij het flikkerend licht van een gaslantaarn vindt hij gemakkelijk de steenen trap, die naar de veeltijds droge bedding voert, terwijl nu echter, bij den hooggezwollen stroom, het schuimende water op de onderste treden klotst.Bij het afdalen raakt zijn gloeiende hand den ijskouden glibberigen muur.—Dat is de doodskou!—Hij huivert. De klokken van Nice verkondigen het eerste uur na middernacht; maar toch, het licht van dezen nieuwen dag zal hij niet aanschouwen.Nooit zal hij het daglicht meer zien, de zon die zoo helder scheen, toen zij op dien schoonsten dag van zijn leven, in ’t wit satijn en met den witten sluier om haar blanke schouders, aan zijn zijde zijn eenige rijkdom was, toen haar liefdevol oog hem toeblonk als de reinste diamant........—Haar diamanten!—Als hij eens een laatste kans kon beproeven met de kleinoodien, die Alice bezit.—O God, dat was de duivel!—De vonken en glanzen, die ginds en her van gaslantaarns of hoog vensterlicht in ’t bruisende water wiegen, ze hebben hem de diamanten en nogmaals het goud dier speelbank getoond. O, glimplichten zijn het!—rijk worden, ’t is een hersenschim. Nog geluk vinden op aarde—een onmogelijkheid!Zie, de bergstroom klimt. Duizelig donker is het daarbeneden. Een vochtwalm, met dampen van den plotseling overstroomden vunzen bodem benauwen de borst. En de klokken van “Nizza la bella” brommen in dien donkeren nacht reeds het tweede uur van den nieuwen dag. En nog altijd giert de Libeccio en bruist de Paillon, terwijl de laatste, wat hem weerstaat meesleurt, langs pijler en steen naar den wijden Oceaan.In den namiddag van dien zelfden dag berichtten reeds de nieuwsbladen van Nice dat men nabij de monding van den Paillon, tusschen een paar rotsblokken gekneld, het lijk van een jonkman had gevonden, wiens gelaat deerlijk verminkt, niet te herkennen was, terwijl nadere bijzonderheden omtrent den persoon vooralsnog ontbraken. Naar men vermoedde—zoo schreef men—moest de ongelukkige een nieuw slachtoffer zijn van den duivel, die, van elders verjaagd, helaas voorgoed naar ’t scheen, zijn troon aan de boorden der Middellandsche Zee had gevestigd. En, met de bijvoeging, dat men zich gelukkig mocht achten, dewijl er in de verloopen maand, slechts twee gevallen van zelfmoord hadden plaats gehad, terwijl men er in dezelfde maand van het vorige jaar een twaalftal2te vermelden had, constateerde men den volgenden dag nietslechts het droevige feit, dat de speeltafel een nieuw slachtoffer telde, maar verzekerde men er nog bij, dat, de ongelukkige zijnzeer aanzienlijkvermogen tot den laatsten franc toe had verspeeld, en een treurende weduwe niet slechts in droefheid, maar ook in bitteren nood had achtergelaten.En het nieuwsblad, waarin dit treffende bericht stond te lezen, het trilde in de hand van de jonge vrouw die, twee dagen geleden onder de arcades, haar Gérard heeft gewacht en die nog later zoo vele bloedige tranen heeft geschreid.“O God!” roept ze, terwijl het nieuwsblad haar hand ontglijdt en ze zich aan de borst van haar dierbaren, tot haar wedergekeerden man werpt. “O Gérard, je hebt me lief! Ja dat heb je getoond, mijn schat, mijn leven!”En hij, hij drukte haar vurig aan zijn borst.Engelachtig geduld! onbegrensde vrouwenliefde! Och hij heeft haar getoond hoe lief hij haar had! Als de berooide is hij tot haar teruggekeerd. Arm zijn ze; arm heeft hij haar gemaakt, ellendig en arm. Maar zij—“Neen, neen” vleit ze op den zoetsten toon der liefde; “Rijk heb je mij gemaakt door je moed, door niet te vertwijfelen in die bange ure; door het besluit om te willen leven, ja, te leven voor mij!—O God! die arme vrouw!” en met een blik naar het vallende nieuwsblad herhaalde zij: “Die arme, arme vrouw!”En drie dagen later verlieten de jeugdige echtgenooten de woning, die, ofschoon wel vroolijk gelegen, voor hen zoo somber was geweest. Ze traden mij voorbij, met een groet, en het was alsof de jonge man zich schaamde omdat—ja, omdat het wel bekend kon wezen dat men de terugreis naar ’t Westen van Frankrijk bekostigde van hetgeen de diamanten zijner Alice hadden opgebracht.Maar het oog der jonge vrouw straalde vol levenshoop, als wilde zij zeggen: “wij zullen ons geluk herwinnen; ziet maar, hij heeft zijn vrouw geen weduw, en ons kindje geen wees willen maken. Wij zullen arbeiden en keeren voor eeuwig den rug——à cet enfer de Monaco!”1Den Minister van Financiën geven we eerbiedig in overweging, om ook in ons Nederland goudstukken van 50 en 100 gulden te doen slaan, natuurlijk niet ten behoeve van hen die ze te Monte-Carlo gaan verspelen.2Wij laten deze cijfers voor rekening van dien berichtgever.J. J. C.Fabriekskinderen.Een bede, maar niet om geld.’t Is winter. Een koude Decembernacht houdt met kille vingers oud Hollands grijze academieveste den blinddoek voor de oogen.Slechts een waardig trawant van den reuzengeest dezer eeuw voert strijd met den nacht, en rukt er gedurig den blinddoek weer los. Zie maar, de gasvlammen werpen van afstand tot afstand een vluchtig licht in de holle straten en ginds langs de sombere grachten.Waartoe die kamp; waartoe dat licht? Immers de stad ging ter ruste en slaapt.Geloof het niet, want telkens moet ze wakker en ziende zijn, wakker en ziende om er te waken voor het onheil dat naderen kon. En de oude stad, zij slaapt dan ook niet. Slechts bij wijlen bevangt haar een lichte sluimering, en ’t schijnt u toe als droomde zij van haar alouden roem,—evenals de teedere loot van den grijzen vorst der Alpen, die zoetjes dommelt aan haren boezem, en murmelt en fluistert van de grootheid harer afkomst.Maar toch de grijze veste, hoe vluchtig ook haar sluimering zij—telkens turende over den blinddoek heen, om er te waken zelfs in den nacht, toch vermag zij het niet zooals zij ’t zou willen.De arme is krank!Ja, ’t hoofd is wel helder, zelfs klaarder dan voorheen; ja haar hart klopt wel even luide voor deugd en voor trouw als in de dagen harer jeugd, nochtans gij ziet het wel hoe haar rechterarm als verlamd terneder ligt.Luister:Een deel van haar eelste sappen ging over in onzuivere vochten; in vochten die zich vormden tot een afzichtelijke wonde; een wonde die hare krachten verteert, en wellicht in ’t einde haar voert tot de slooping van haar glorierijk bestaan.Arme stad! Dochter van den Staat! Richt u op, en werp u aan ’s vaders borst. Daar zijn nog zusteren die lijden als gij. Smeekhem dat hij, voor u en voor haar, ter hulpe kome; dat hij zijne dienaars zende met artsenij en zalve, ware het noodig, met vlijmend lancet.Maar gij, novellendichter, wat spreekt ge in beelden en raadsels? Hoort ge niet reeds de stemme opgaan, die u vermaant tot eenvoud en kalmte, die u toeroept; Blijf wie ge zijn wilt?En ja, hij gevoelt wel de juistheid dier woorden; maar ach! koortsachtig jaagde hem het bloed door de aderen, want immers—men heeft hem die wonde getoond! Van hem heeft men een woord begeerd aan den vader der lijdende stad; een smeekwoord om hulpe, ter spoedige redding. Was het wonder dat hij moeite had al aanstonds den juisten toon te treffen, beseffende het hoog gewicht zijner roeping. Nochtans van nu aan zal hij trachten eenvoudig te zijn,ontzettendeenvoudig.’t Is winter. Koud was Decembernacht, en ijzig koud is nog zijn vroege morgen. Zes slagen bromt de klok uit Leidens hoogsten toren. Door de Breestraat en de Hoogewoerd leidt onze weg naar een der achterbuurten der stad.Bij het licht eener gaslantaarn zien wij, op weinige schreden afstands, een armelijke woning. Haar bouw herinnert aan Leidens glorievolle eeuw, aan de eeuw toen zijne zonen en dochters kloek waren en sterk, en streden voor recht en voor vrijheid.Niets is er aan dien gevel veranderd; alleen zoudt ge bij dag kunnen zien, hoe de kleine in lood gevatte ruiten van voorheen, naar den eisch der tijden, door een wat grooter soort zijn vervangen. Eertijds kon Gods lieve zon slechts luttel in die woning schijnen; maar nu...? Helaas, gij ziet het niet hoe die grootere ruiten voor ’t meeste deel met een vettig stof zijn overdekt; hoe er vele, onachtzaam gebroken, slechts ruw met ondoorschijnend papier werden beplakt; hoe er thans in die armoedige woning, overdag nog minder licht straalt dan weleer, en—maar genoeg, dat is bedroevend, zeer bedroevend!In de kamer der genoemde kleine woning, die wij al aanstonds door de voordeur betreden, zou een volslagen duisternis heerschen, indien niet de gaslantaarn daarbuiten, door het straks genoemde venster, eenig schijnsel naar binnen wierp. Het zwaar geronk van een man, benevens de geregelde of snellere ademhaling van eenige slapende kinderen, treft onze ooren. Juist op dit oogenblik bericht de groote torenklok het zesde uur na middernacht. In de bedstee waaruit het naar geronk blijft klinken, verneemt ge, te gelijk met den eersten klokslag daarbuiten, eenige beweging.’t Is eene vrouw die zich haastig opricht. Met een nijdig: “Snork toch zoo niet!” geeft zij den man aan hare zijde een stomp op den schouder, en leent, terwijl het nare geluid een wijle verstomt, nauwlettend het oor aan den doffen klokslag uit de verte.“Zes!” bromt de vrouw binnensmonds, rekt zich geeuwende de leden, stapt nu spoedig uit de hooge bedstee, en sloft een oogenblik later op neergetrapte pantoffels naar een andere bedstee.Drie kinderen slapen er bijeen; twee jongens van tien en dertien jaren, benevens een meisje, dat bijna haar twaalfde jaar heeft bereikt. In de slaapstee der ouders kreunt vluchtig een kind van weinige maanden, waarschijnlijk nu het bespeurt dat moeder hem verliet, en, in de wieg er voor, droomt een meisje van vier jaren, misschien met een droevig lachje om den mond, van mooie winkels met allerlei brood.“Toe kinders, er uit!” roept de moeder met schrille stem het slapende drietal toe, en als zij het schamele dekkleed heeft weggeslagen, dan trekt zij den oudsten knaap bij den arm, haar Evert die, langzaam ontwakende, met lodderigen blik voor zich heen ziet, terwijl zij verder op soortgelijke wijze de beide andere kinderen te wekken tracht. Die taak is geen lichte. Saartje althans weert onbewust de moederhand af, die haar diepen slaap komt verstoren, wijkt naar de achterste hoek der bedstee terug, en kromt zich schier tot een bal ineen, met het hoofd op de knieën.Een klagend geween vervult eensklaps het vertrek. ’t Is Sander, het jongste der knaapjes. Onbarmhartig door de moeder uit de bedstee getild, staat hij half wakende, half droomende, met de bloote voetjes op den killen vloer.“Stil Sander, als vader het hoort!” vermaant de moeder, en als zij nu hém en ook haar oudste—die inmiddels zijn bed heeft verlaten, de schamele kleeren heeft toegeduwd, dan tast zij opnieuw naar het weggedoken meisje, trekt haar bij haar hemdrokje naar voren en beurt het kind, dat woest van zich afslaat, mede uit het bed.Saartje, op den grond gezet, opent de oogen; zij droomde daareven, dat een akelig dier haar bij de keel had; nu ziet ze.... haar moeder; en de teedere handjes klemt ze inéén, en de kille knuistjes drukt ze tegen de brandende oogen, en zegt dat het zoo tikt in haar hoofdje.Maar de moeder hoort het niet. Toen zij Sander heeft losgelaten om het meisje te wekken, is het jongske, overheerd door den slaap, in de knieën gezakt, en ligt met het hoofd tegen den muur, opnieuw in een diepe rust.“’t Is ook wat erg, ze gingen om twaalf uur naar bed!” mompelt de moeder. Zich schielijk tot het jongske voorover buigende, schudt zij hem nogmaals wakker; doch, als nu het kind opnieuw en sterker dan straks aan het krijten gaat, dan legt zij hem haastig de hand voor den mond, en ziet er met angstigen blik naar de zijvan haar bedstee, want—ruw klinkt de stem van haar man, met een nijdigen vloek: “Hé—mondhouwen. Zeg!”Een klein kwartier later beweegt zich een schamel drietal kinderen in de nog onbevolkte straten van Leidens achterbuurt.De nachtwacht, die van zijn laatste ronde huiswaarts keert, hij kent ze wel. ’t Zijn de kinderen van Gerrit Zwarte den voormaligen timmermansknecht; van Zwarte, die sinds een paar jaren—zooals hij zich uitdrukt—bang voor springende knokkels is geworden, en daarom zijn handen maar in de broekzakken houdt.Daar gaan ze, die kinderen. Evert, de oudste, trekt Sander met zich voort, en paait den bibberenden kleine met de woorden: “Kom maar, ’t is warm daarginder.”Sander kan ’t niemendal schelen; hij wil er gaan liggen, hier op die stoep, en—met het handje, waarin nog de kruimels van den straks gekregen en haastig opgegeten kouden aardappel kleven, wrijft hij zich steeds en alweder langs de loodzware oogleden: hijwilniet verder—weet je, hij wil niet!En Saartje, met opgetrokken schouders en de armen in haar boezelaar gerold, gaat ze haar broertjes op eenige schreden afstands haastig vooruit. Bij iederen voetstap dien ze doet, tikt het haar sneller en sterker in ’t hoofdje; dat heeft ze eergister ook gehad; maar nu is ’t erger, veel erger; ze zal maar doorloopen, nóg harder, dat ze eerder in de warmte komt.Saartje is ginds om den hoek reeds verdwenen. Evert kan met Sander, dien hij stevig vasthoudt, niet zoo haastig voortgaan.Eensklaps ontsnapt er een nare kreet aan zijn mond; met pijnlijk gebaar trekt hij ijlings de hand terug, waarmee hij Sander heeft voortgetrokken. Het arme slaapdronken kind had hem kwaadaardig gebeten, gebeten in de hand, die tot loopen hem dwong, dewijl hij slapen wilde, niet anders dan slapen.“Leelijke rakker!” schreeuwt Evert, en.... Doch neen, wij vervolgen hier niet. Arme zwakke onwetende schapen! We zouden u beschuldigen, wij, terwijl we slechts deernis met u hebben, en slechts medelijden voor u vragen. Ha! of we niets meer voor u wilden!En waarheen zal het nu?Zie, een steenen vinger, hoog zich verheffende boven de daken, hij wenkt uit de verte.En daar—gij betreedt er eene der vele werkplaatsen van den grootschen werkman, kloeksten zoon van den geest dien we noemden.Wondere spruit van genie en verstand, bedeeld met ontzettende kracht en rusteloozen ijver, geboren den menschen ten welvaart en zegen—stil, wie fluistert daar zacht: en vaak ook ten moordenaar?Zie, in de voorhoven van zijn werkplaats, daar stoken de dienaars een vuur van bedwelmendehitte.Uit vluchtigen sluimer ontwakende, rekt hij en spant hij zijn leden en spieren.Krachtig heft hij zijn ijzeren armen omhoog, en—wanneer hij ze heft, dan grijpen zijn vingers in stang en in drijfwiel; dan stampen zijn voeten op kammen en staven; dan wielen en keeren ontelbare raders; dan snort het, en gonst het, en bonst het alomme, en trilt er zijn stem als met dondrenden klank: “Voort raderen, voort! Schept haastig uit ruwe wol een kostlijken draad, den menschen ten koesterend dekkleed!” En—’t snort en het dreunt en ’t bonst er nog sterker; en altijd klinkt nog die stem:“Voort raderen, voort!”Ik weet niet waar Saartje gebleven is. Een groot doch somber gebouw is zij binnengegaan; een steile trap heeft zij beklommen, en, hijgende naar den adem, is zij verdwenen in een der zalen van de uitgestrekte stoom-wolspinnerij.Evert, die zijn broertje in de eenzame straat heeft achtergelaten, moet haar al spoedig gevolgd zijn; ook hem ontdekt gij niet meer.Zijt gij een vreemdeling in dit verblijf, dan ziet gij in den aanvang slechts weinig. Wel flonkeren er, in afwachting van den naderenden morgen, een menigte gasvlammen, doch het licht wordt gedurig onderschept en gebroken door een aantal gevaarten, die gestadig hun arbeid verrichten. Zijt voorzichtig dat uw kleed niet gevat wordt door een der vele machine-raderen, die u bij den nauwen doortocht van weerszijden bedreigen, en—let op den grond, dat uw voet niet haakt in de breede pees, die ginder een zeer groote schijf in beweging brengt. Die schijf, ’t is het hoofdrad der trommel van den schrobbelmolen der machine, die de vastgepakte wol in losse en platte vlokken te voorschijn brengt.En er naast, dat andere werktuig, dat is de kaardmachine, die immer de vlokkige wol blijft ontvangen, ze kaardt en verdeelt in haar ijzeren binnenste, en vallen laat in donzige plokken.En die plokken of rolletjes wol,—zoolang als een arm, zoo dun als een pink, en zoo licht als een veder—wáár of ze blijven? Zie, vele losse raderen wentelen heen en weer; en voeren ze toe aan den grofmolen daar; zij lasschen ze snel aan de plokken of draden, die haast zijn versponnen, snel, ongelooflijk snel: zevenhonderdmalen in één uur, negen duizendmalen op den langen dag.Doch die losse raderen hier, zie, ze zijn van een ander fatsoen dan de grootere dáár, die er wielen en snorren om hunne assen.Nietwaar, ge zoudt zweren dat het menschen waren, heel kleine menschen, die staan op hunne voeten als wij; met armen en handen, zeer zwakke handjes; met aangezichten als die van ons, maar flets van kleur en slap van vormen; aangezichten waarin oogjes blinken als een laatste vonk in den bleeken aschhoop. Gij zoudt zweren dat het menschen waren, akelig kleine en arme oude mannen en vrouwtjes, die gaarne hijgende zouden neerzitten bij den warmen haard, en de dorre handen uitstrekken naar een versterkende bete. Nietwaar, gij zoudt zweren dat het natuurgenooten waren, arme ontzenuwde wezens van gelijken aanleg, met dezelfde behoeften als wij; maar gij bedriegt u, zie slechts hoe ze wielen en keeren; negen duizend malen op den langen dag, voortgejaagd door den werkman die—grootsch als zijn oorsprong, doch gesard door zijn duivel, steeds woedender brult:“Voort, raderen, voort!”Doch gij vertrouwt ons niet, hoe langer gij tuurt op die kleine raders—want gijgevoeltwel dat het raderen zijn,—toch ziet ge klaar, onbedrieglijk zeker, dat zij—geschapen tot redelijke wezens, nog met het kleed der menschen zijn bedekt.Immers, in ’t midden van die bontvale rij—het helderst door een der gasvlammen verlicht, daar ziet ge Saartje, het kind van Gerrit Zwarte, het arme kind dat de koorts heeft, dat zich reppen moet, ongelooflijk snel en gestadig. Gij herkent het arme meisje wel, al schrikt ge terug, nu ge haar droevig figuurtje in ’t volle licht te beter kunt zien.Een hoofd, een gansch hoofd is zij kleiner dan uw dochtertje, dat in dit uur gezond, ja met de rozen op de wangen, op ’t zachte kussen te droomen ligt en zoo oud is als zij.Gij schrikt terug bij het beschouwen van dat voos en flets gezichtje, met dien wijden mond en die onnatuurlijk glinsterende oogjes. Gij wendt den blik van haar af, en uw oog blijft gevestigd op het jongske aan hare zijde. Tien jaren oud, gelijkt hij een kind van zeven lentes—wat zeg ik, een kind—van zeven barre winters te zijn. Telkens en telkens werpt hij een lodderigen blik op den grofspinner, die aan gene zijde van den molen zijn werken bespiedt; en angstig rept hij gestadig de handjes, want ziet ge, al tweemalen heeft hij van hem een duchtigen tik met den rolstok gehad, hier op den schouder, erg valsch! erg valsch en gemeen!En aan deze zijde van den tweeden molen, ziet gij dien krommen knaap er wel staan? Zijn hoog en breed voorhoofd doet u vermoeden dat zijn geest iets meer behoeft dan een werktuiglijken arbeid voor zijne handen. Arme onderdrukte geest! wat kan hij meer doen dan tellen, altijd tellen: Zie, zóóveel plokken gelascht geeft ééne minuut, en zestig malen dat getal maakt omstreeks een uur, en als hij die zelfde som straks driemaal verkrijgt, dan is de schoft-of laveitijd nabij; dan mag er het kind.... Doch neen, zijn rust te nemen, dat mag hij dan niet; dat uur is voor zijn kwelgeest, den spinner. Immers, de groote machine weet van geen rusten; immers de plokken, die zij aanhoudend laat vallen, ofschoon ze niet aanstonds verwerkt zullen worden, ze moeten geraapt en op hoopen gelegd. En straks, als de spinner weer aanvangen zal, dan is er de taak van den knaap schier verdubbeld; want, de voorraad van gansch een uur moet worden ingehaald op het nimmer vertragende werktuig, het werktuig, dat altijd plokken voortbrengt; wel honderd in ééne minuut.Maar toch, die lavei, zij gunt er den kleine een uur van minder gestadigen arbeid. Dat uur is hem welkom, het uur van negen tot tienen. Jaapje heeft een goede moeder, en die moeder heeft hem voor zijn ontbijt een koekebak gegeven, een heele-cents koekebak; dien kan hij nu opeten, en hij smaakt zoo lekker. Wat weert zich die arme kromme knaap om zijn geel-grauwen poffer—waarvan de wetenschap leert dat hij slechts één vijfde voedende deelen bevat, zoo zuurachtig klef en zoo krakend van kalk of van krijtstof—naar binnen te slokken.Doch gij zult het begrijpen, daar zijn de kinderen van Zwarte en nog anderen, die hebben zulke goede moeders niet als hij; ze zien hem aan met begeerige blikken, en Heintje Pink heeft gister gedreigd: dat Jaapje de helft er van mee heeft te geven, of dat hij hem anders........ Maar Heintje ziet een anderen kant uit, en het arme Jaapje grijnst van genot nu hij het ziekelijk mengsel binnen heeft: Tetellen, dát heeft hij geleerd, tedeelennog niet.En ginder nabij de fijnspin-tafels, waaraan voor ’t grootste deel de meisjes haar arbeid verrichten, daar staat Heintje Pink, die Jaap en zijn koekebak heeft vergeten. Zijn luid geschreeuw kunt ge niet hooren door het alles overstemmende geraas der machines. Terwijl hij de wol in het kaardwerktuig bracht, hadden zijne kleine vingers te zorgen meteen dat de altijd grijpende tandjes er binnen, gezuiverd werden van de vezelen wol, die er kleven en groeien in het geoliede ijzer.—En ’t was voor de derde maal in weinige weken dat die nijdige haastige tandjes hem knepen het vleesch van zijn schrompele vingers; en Heintje, hij schreeuwt en hij kromt van de pijn, en de meisjes, die van nabij zijn gejammer aanschouwen, ze trekken voor ’t meerendeel haar oude gezichtjes in lachende plooien.Arme, verstompte, gevoellooze meisjes! Zwakke, ellendig verdorvene kinders! Hoe—kinderen? Neen! ’t was toch voorzeker een optisch bedrog; want hoor, nu het uur is verstreken, nu klinkt met verheffing van stem en nog sterkeren klank weer het woord van den vreeselijken werkman:“Voort raderen, voort!”Doch gij toefdet daar reeds lang genoeg en wilt een ander tafreel.Welnu, een net steenen huisje staat voor ons open. In het ruime voorhuis wordt gij aangenaam getroffen door den zoeten roomgeur die het vervult, en de helderheid van maat en vaatwerk, die u als tegenlacht.Gij bevindt u in de woning van een echt Hollandschen melkboer. ’t Is er vroeg dag in zoo’n huis. Hij, de jonge bewoner der beide boven-voorkamers, Willem baron Van Hogenstad, jurist aan de Leidsche academie, hij had daar ook op gerekend. Gisteravond heeft hij met Koen op diens kamer Mathesis gewerkt. Na éénen heeft hij turende en turende op een hellend vlak, dat vlak al grooter en grooter zien worden, akelig groot, en het vlak heeft hem opgeslokt, inééns, zonder dat hij er iets van bemerkte.Koenraad moet wel zijn best hebben gedaan om Willem weer wakker te krijgen, doch het is hem niet gelukt. Toen Willem omtrent zes uren in den morgen de oogen heeft geopend, toen lag hij op de canapé, met een kussen onder ’t hoofd en een deken over zich heen gespreid. Ha! Koen had best gezorgd; maar—op z’n eigen kast, in z’n eigen bed, daar zou ’t nog beter zijn. Weinige minuten later is Koenraads huisploert wakker geschrikt van het toetrekken der huisdeur.Willem, diep in den kraag van zijn overjas gedoken, vervolgde intusschen haastig zijn weg naar de straks genoemde woning van den melkboer. Omstreeks aan ’t einde van een smalle straat gekomen, die hij ter bekorting van zijn weg had gekozen, heeft hij een zonderlinge vondst gedaan. Daar lag een knaapje, ellendig gekleed, met het hoofdje rustende op den kleinen arm, en dien arm gekromd op den scherpen rand van een lage stoep.Wat waren zijn wangen koud!—Was hij dood? Neen, zijn ademhaling ging vrij geregeld. Maar wat te doen met dat kind! Hem meenemen!? Waarachtig! Zoo’n arme drommel!Ha! dat was een goed besluit; het moet wel voortkomen uit een onbevangen edelaardig gemoed. ’t Was niet het gevolg der berekening, omdat geen andere hulp er nabij was. Neen, meenemen! waarachtig! dat was heteerste, en ’t bleef zoo.Bravo, zoon van Minerva! gij zijt er één van het echt oud Neerlandsche bloed. Bravo, Willem Van Hogenstad, nu toont ge dat ge van adel zijt, niet slechts van den adel die de kwartieren în ’t wapen telt, maar van dien dieperen adel der ziel.... Doch stil, ga niet voort, of hij smijt u naar ’t hoofd dat ge deklaplooperzijt.Een half uur later staat de zwaarlijvige echtgenoote van Baks den melkboer, op den drempel van een der mooie kamers, die haar voornamen student tot zit- en studeerkamer dient. Zij kan ’t zich ter wereld niet begrijpen, hoe mijnheer zoo’n vuil schandaal van de straat mee naar boven heeft gedragen. Goddank, ze houdt van helder en netjes, weet je, en nou leit daar op de andere kamer zoo’n smerig sezjet in mijnheers ledikant, en de hemel mag weten wat voor ontuig hij mee in huis heeft gebracht.“Wil j’ is kijken?” fluistert Van Hogenstad, terwijl hij de juffrouwwenkt hem in de achterste kamer te volgen, en haar te gelijk—half ironisch, half ernstig—een knipoogje geeft.“Kijken! wát zou ik kijken!” prevelt de juffrouw, terwijl zij met krakenden tred den jonker volgt, den jonker, die, op zijn teenen loopende, haar naar het ledikant in de andere kamer is voorgegaan, en nu het groen damasten gordijn ter zijde schuift.“Hoe vin je dat, hé?”“Hoe ik dat vind....? Mag ik reis vragen, mijnheer, hoe uwes mama dat zou vinden?”“Heb je wel eens op straat geslapen, juffrouw Baks, met ’en stoep tot je kussen?”“Lieve hemel, ikke!” roept de juffrouw: “Ik ben Goddank ’en fatsoenlik-manskind; maar weet je waar zu’k gespuis van afkomstig is,”—en zij wijst met haar vleezigen vinger op den armen Sander, die in Willems ledikant zoo kostelijk te slapen ligt,—“van ’t repalje weet je, uit de febrieken; van ouwers die drinken en luieren en d’r eigen onmondig vleesch voor den kost laten zorgen, zie je, weet u mijnheer, van zu’k repalje!”“Zoo, juffrouw Baks.”“Ja van volk, dat z’n eigen vader en moeder voor ’en glas jenever aan de galg zou helpen; maar wil ik je reis wat zeggen mijnheer, als je van ’en ouwer mensch ’en goeje raad wilt aannemen: pas op dat je je vingers niet brandt; ’t vuilmaken van je eigen boel en ’t gebabbel in de straat wil ik daarlaten, maar met je dat verwaarloosd en liederlijk sezjet heel Christelijk aan te trekken, ga je vlak buiten je boekje. Als we t’ avond of morgen zoo’n zuiplap in de deur krijgen, die mijn of m’n man ’en maling schopt, omdat we z’n kind van ’t febriek hebben afgehouwen, dan bent uwes responsabel; iederman blijft baas over z’n eigen kinders. Als bijvoorbeeld uwes mama....”“Wil je klaar zetten, juffrouw Baks?!”Lieve hemel, wat zette ie vreeselijke oogen op.“Ja wel mijnheer; twee kadetjes, niet waar?”“Zes kadetjes en tien krentenbroodjes juffrouw Baks.”Guns watte oogen!“Koffie- of theewater mijnheer?”“Chocolade-water, juffrouw Baks.”Juffrouw Baks maakt rechtsom-keer; en als ze langzaam wegschommelt, dan mompelt ze bij zich zelve: Om zoo’n vuil opraapsel ’en fatsoenlik mensch nog te schandalizeeren ook.—Weet je, ze zou wel.... maar, d’r kamers, en ’t lieve geld! Je moet al wat doen in de wereld!En terwijl ginder in de fabriek de grofspinner vloekt omdat hij één der raderen mist aan zijn molen, slaapt de arme kleine Sander zoo rustig voort op het kostelijk leger van zijn weldoener.Toen Willem de kamer van Koenraad verliet, toen heeft hij gerekend nog een paar zoete uurtjes op zijn bed te zullen doorbrengen, maar nu—zijn slaap is gansch en al geweken. Hij heeft het ook druk gekregen. Om de waarheid te zeggen, toen hij het ongelukkigeperceeltje op zijn kamer had, toen is ’t hem bij eene nadere beschouwing niet meegevallen. ’t Begin was niets geweest; maar om nu vol te houden! Boeh! wat een morsig boeltje. Doch een student weet zich te redden. Met behulp van een mes heeft hij het kind, dat dubbende en slapende, niets anders dan: och, en ajasses, gezegd had, de armelijke kleeren van ’t lijf getrokken; heeft verder den steenkouden bloed haastig een oude wollen overjas om de droevig tengere leedjes geslagen, en, na hem vervolgens op zijn bed te hebben gelegd, heeft hij de dekens over hem heen getrokken, hoog-op tot aan den neus, nog hooger, tot aan de ooren; zoo’n arme drommel!’t Was geen wonder dat de jonge baron de vunze kleeren van ’t ventje met de tang in de kachel wierp.Fluks een paar turven er op gelegd, en toen het boeltje in brand gestoken, zag hij alras hoe de vlammen eensklaps zoowel van boven als van onder uit de kachel sloegen. Ja, juffrouw Baks heeft gelijk: Als je zoo’n ouwen rommel opruimt, dan krijg je een vlam en een rook van geweld; maar ’t is heel gauw gedaan; ’t heeft niets te beduiden.Een groot uur later ontwaakt de arme Sander uit een diepen slaap. Eerst tuurt hij geeuwende een wijle suf voor zich heen; maar dan, dan spalkt hij de oogen open, al wijder en wijder, steekt zijn hoofdje buiten het ledikant, en werpt een onbeschrijfelijk vreesachtig verbaasden blik in het keurige slaapvertrek waarin hij getooverd is.Een angstig geween roept eensklaps den jonker.Bij het zien van den voornamen heer die hem haastig nadert, duikt het schreiende kind vreesachtig terug, en verbergt zijn hoofd in het kussen.“Zoo, kleine slaper, ben je al wakker!” zegt Willem met zijn vriendelijk welluidende stem, en laat er dan aanstonds op volgen: “Zeg, lust je een boterham?”Dat laatste woord werkt machtig.—Een boterham? Ja, ja, die lust hij wel; en terwijl hij door de tranen heen een tweeden blik op den vrager werpt, doch ook aanstonds zijn oogen weer neerslaat, glijdt een nauwelijks hoorbaarjahem van de lippen.Ik weet niet of gij zoudt gelachen hebben, indien gij Willem opnieuw met het altijd vreesachtige knaapje hadt zien tobben en sollen; wanneer ge gezien hadt, hoe hij hem tilde van ’t bed, hem dwong de voeten te steken in een paar wollen kousen, die nog veel langer dan zijn geheele beentjes waren; hoe hij de dunne armpjes door de mouwen van de oude overjas trok, en die mouwen, ter vrijmaking van de handjes, meer dan ter halverwege opsloeg; toen hij het arme zoo wonderlijk toegetakelde manneke in zijn zit- en studeerkamer op de canapé deed plaats nemen; hem overlaadde met dik geboterde broodjes en krentenbollen, en verder onthaalde op een enormen kop zeer dikke en geurige waterchocola. Ik weet niet wie er zou gelachen hebben om de inderdaad overdreven goedheid van den student, maar zeker, zeer zeker zijn lieve moeder niet; zij zou een traan hebben weggepinkt; zij zou.... Doch genoeg,de zoon denkt het allerminst om zich zelf; hij heeft slechts oogen voor het arme schaap, het knaapje dat zeker één van die ongelukkige fabriekskinderen is, waarvan men hem wel eens verhaalde, één van de ongelukkige wezens, die geboren worden met den vloek, dat hun lichaam—niet een tempel, maar een ellendige kerker zal zijn voor den geest, die sprank van het eeuwige, van het ideaal, die sprank der Godheid zelve.Nu Willem zoo’n schepseltje van nabij ziet, nu is het hem onbegrijpelijk dat hij vroeger zoo koud is gebleven als er sprake was van hun rampzaligen toestand.Maar, zoo zijn de menschen, ze moetenzienom te gevoelen; ze lezen in hunne nieuwsbladen van de duizenden slachtoffers der mijnen, en van de honderdduizenden in den bloedigen krijg. Ja, ’t heet danverschrikkelijk, maar ook aanstonds, aanstonds plooit weer een lach hun mond, want daarnevens—in het nieuwsblad, worden zij vergast op een aardig avontuur. Ja, zóó zijn de menschen, zoo zijn wij,WIJmenschen! We moeten zien van nabij, we moeten hooren en tasten; maar wij schuwen de ellende en houden haar gaarne van verre.Ei zie dan, en luister nog even. ’t Zal nu zoo akelig niet zijn, misschien zelfs—om te lachen.“Ben jij ’en prins?” klinkt het zachtjes van Sanders lippen, en het jongske, wiens vreeze na het kostelijk onthaal voor een groot deel was geweken, werpt een schuwen blik op zijn gastheer, doch slaat de oogen ook aanstonds weer neer.“Ik? Wel neen!” lacht Willem, uit zijn gemijmer ontwakende: “Maar—áls ik het was, zou je dan wel altijd bij zoo’n prins willen blijven?”“Ja wel,” zegt Sander.“Waarom?”“Om ditte!” zegt de jongen en likt nog eens langs den rand van den grooten chocolade-kop.“Hadt je dat nooit geproefd?”Het ventje grinnikt alsof hij wil zeggen: Dat kun je begrijpen! “’k Docht eerst dat het mosterd was,” zegt hij iets later.“Mosterd?”“Ja, die haalt moeder in een potje, en ’s middags als we van ’t febriek kommen, dan krijgen we aardappels met zoo’n beetje mosterd in ’t water.”“Niets anders?”“Ja, soms wel een scheutje azijn. Vader en moeder eten meestal spek, maar da’s gallig voor de kinders zeit moeder.”“Beesten!” roept Willem.Neen Sander, schrik maar zoo niet; dat geldt niet u of een van uws gelijken; hoor maar, hij vraagt u weer vriendelijk:“En hoe heet je vader?”“Dat weet ik niet,” is het antwoord.“Maar jij, hoe heet jij?”“Sander Zwarte.”“En wat doet je vader?”“Hé, hé,” grinnikt de jongen, “moeder zeit zuipen.”“Maar wat is hij van zijn ambacht?”“Ambacht?” grinnikt het kind.... daar had hij nooit van gehoord.“Waar verdient hij zijn centen mee?”“Dat doen wellui.”“En hoe oud ben je al ventje; ben je al zeven?”“Ikke,” zegt het jongske, “ikke ben tien.”Ongelooflijk! zoo’n worm! “Dus moet je zeker in de fabriek werken?” vraagt Willem opnieuw.Angstig kruipt het jongske ineen. Die vraag had hem eensklaps aan zijn plicht, aan zijn vreeselijk lange dagtaak herinnerd; aan den spinner, die hem zijn loon onthouden, aan den vader die hem ranselen, aan de moeder, die hem geen eten zal geven; en bevende zegt hij:“Maar ’k had ook zoo’n slaap, en gisteravond toen ik dertien of veertien uren gelascht had, toen dreigde de spinner dat ie me zou kielhalen als ik weer stond te hangjassen, zeidie.”“Kielhalen!” herhaalt de student met saamgetrokken wenkbrauwen: “kielhalen, wat is dat?”“Ja, dat weet ik niet,” herneemt de jongen, en angstig rondziende, als vreest hij dat iemand hem beluistert, vervolgt hij: “maar ze zeggen dat ie achter z’n bast ’en emmer met water hêt staan; en als nou ’en slecht kind—zoo zeit ie—z’n luie oogen niet open wil houwen, dan douwt ie ’em even met het hoofd in den emmer: ten minste als ’t opperste menheer van ’t febriek d’r niet bij is; maar ’t zal niet waar wezen; hé zoo koud!”Ja koud, ijzig koud; om van te rillen.“En ga je ook school?” vraagt Willem weder, na een oogenblik van sombere stilte.Zie—tegenover het jongske, tot wien de vraag was gericht, daar staan in de breede en nette boekenkast—slechts weinige achter een groene gordijn verscholen—de bronnen en schatkamers van wijsheid en wetenschap, van deugd en van recht, van beschaving en godsdienst; daar staan de klassieken die getuigen, hoe voor tientallen eeuwen ’s menschen geest reeds krachtig streefde naar het schoonste ideaal: des geestes eeuwige volmaking! Daar staan ze, de wetten der Oude Romeinen, die reeds de zwakken beschermden tegen het onrecht en der moordenaren staal; daar staan ze in de bontste mengeling dooreen, die wijzen en geleerden, die godvruchtigen en zedenmeesters van vroegeren en lateren tijd; en het is alsof ze luisteren, aandachtig luisteren naar de antwoorden van dat kind.Neen, naar school gaat hij niet.Naar school kan hij niet gaan, want dertien, veertien, ja vijftien uren moet hij werken—staande werken, op éénen dag.Naar school gaat hij niet, want het dagloon moest dan minder worden, en dat zou voor vader en moeder te schadelijk zijn.Boeken? Neen, boeken heeft hij nooit gezien.Ja! als dát, daar tegenover hem, boeken zijn, dan weet hij ’t wel: dat zijn bijbels; moeder heeft er ook zoo een, en ze zeit: “’en dominee’s-bedrieger.”Wat een dominee is? Dat weet hij niet. Of ja, die woont in de kerk.En wat de menschen Zondags gaan doen in de kerk? dat kan hij niet zeggen; want hij is er wel in geweest, maar heeft toen geslapen.En waar het brood van gebakken wordt? dat weet hij niet.En dat de tafels en stoelen van het hout der boomen gemaakt worden, dat weet hij evenmin; ja zelfs nooit heeft hij gehoord vanwaar de wol afkomstig is, die reeds bij duizenden ponden door zijne handjes ging; noch heeft hij vernomen dat van diezelfde draden, die hij laschte, een kleed wordt geweven, zooals er nu een zoo warmpjes om zijne leedjes sluit.Hebt ge dat gehoord, groote mannen van den ouden en nieuwen tijd? Nietwaar, dat was een droevig examen in de aloude en wijd vermaarde academiestad. Mij dunkt, ik zie de gulden rugtitels verbleeken op de werken van uwen geest; ik zie ze huiveren en inéénkrimpen de vruchten van uw hart of verstand; gij wenscht dat de gordijn der breede boekenkast u scheide van dat ongelukkige voorwerp, van het voorwerp dat u driest in het aangezicht slaat, en u kermende toekrijt:Gelogen dat de mensch een heer der schepping zou zijn!Daar is geen vrije wil.Daar is geen recht in de wereld, noch een rechtvaardigheid die haar bestiert.Daar is....Doch wij grijpen de gordijn en schuiven haar voor de breede boekenkast, en te gelijk voor dit droevig tafreel.Nochtans onze taak is daarmede niet ten einde. Wij hebben nog twee andere tafreelen.Het eerste ziet ge in een schoon doch fantastisch licht; het tweede in het diepe zwart van den nacht, wanneer er slechts ééne enkele ster breekt door de voortgezweepte wolken.En dat eerste tafreel?Zie, in dat schitterende kunstlicht, lieflijk als het schijnsel der maan, maar toch zoo klaar als de zon, blinkende als goud en zilver dooréén gemengeld, daar ziet ge, te midden van een lachend plantsoen, een jongeling; gij herkent hem terstond: ’t is de wakkere edelman, die zich toerust met de kennis om later te waken voor de rechten der menschheid, ’t is Willem Van Hogenstad.Aan zijn zijde staat een teer doch aardig jongske dat, netjes en helder in de kleeren, te midden van den rijkdom en pracht eenerte voren niet gekende natuur, de oogen telkens met de uitdrukking der dankbaarste verrukking en der innigste gehechtheid tot zijn weldoener opslaat.Dat jongske is het arme fabriekskind, het kind van Zwarte; het knaapje, dat door de macht van het geld werd gered uit zijn ellendigen staat, en opgevoed en onderwezen zal worden, om mensch te zijn,waarachtigmensch!’t Is wel jammer dat zulk een kunstlicht zoo spoedig voorbijgaat. Het schoone tafreel is verdwenen. Wij staan in het duister, in ’t nachtelijk zwart.Hoort ge daarginder—dáár in dien donkeren hoek, dat klagende stemmetje wel. Het kermt om—water.... water! Ontelbare malen hoort ge dat: water! En dan, als wierd het stemmetje moe van altijd datzelfde woord, dan kreunt het: “Dorst, dorst!”Ouders! hoort ge uw kind dan niet? Moeder Zwarte, weet gij ’t niet dat uw arme Saartje, met brandende lippen en tong, naar een teuge smacht en te zwak is om die zelve te krijgen?Maar de moeder slaapt, en de vader, hij ronkt. Voor het te bedde gaan heeft de beschonken man gezegd, dat hij die fratsen wel kende, en—als ze te lui was voor d’r werk, dat ze zich dan, evenals Sander, ook maar door zoo’n sinjeur moest laten oprapen; dat gaf nog betere rekening. En de moeder heeft gemeend dat het zoo erg niet zou zijn, als ze maar eens goed warm kon worden; en zij heeft het bibberende meisje met een rok, waarvan zij zich bij het te bedde gaan ontdeed, wat beter toegestopt. Toen de moeder dat gedaan heeft, toen was het dat er een klein, een heel klein sterretje tusschen de zwarte wolken blonk.Maar nu, nú is ’t weer nacht, pikduistere nacht; want ook de stormwind heeft de gasvlam uitgedoofd, die er nog brandde niet verre van Zwartes woning.En daarslapende ouders, die, al ware het uit lage zelfzucht alleen, te waken hadden bij het bed van hun doodzieke kind. En dat kind, het kan niet meer zeggen dat ze dorst heeft; haar lippen zijn als verschroeid; haar mondje is vuur van binnen; in haar hoofdje bonst en giert en dreunt het. Dat doet de koorts, de heete verslindende koorts. Zoo’n arm verzwakt schepseltje is niet in staat om die koorts te doorstaan.En—niemand hoort er haar telkens stiller en doffer gekreun. En niemand ziet het klamme zweet daar parelen op het dof gezichtje: en niemand hoort er, na zes uren strijds, dat laatste, dat allerlaatste zacht pijnlijke snikje, het snikje dat klinkt als een dankbaar zoetvloeiend ... verlost!En daarbuiten, daar buldert de stormwind als met donderenden weerklank: Vermoord! vermoord!En dát, dát is nu de wonde der arme academiestad.Zij is afgrijselijk! Gij begrijpt het nu wel dat het een dringend verzoek is om artsenij, waarmee de boodschapper zich belastte.Een verzoek? Neen, een smeekschrift; want hij is de eerste boodschapper niet; hij dringt slechts tot spoed.Vermoord! Vermoord!buldert de wind. En ja, die arme fabriekskinderen, ze worden vermoord naar ziel en naar lichaam.In een nieuwen vorm gaf ik u die oude, maar des te vreeselijker waarheid. Slechts wat ik zelf gezien en gehoord, of ook door ooggetuigen heb vernomen, gaf ik u weer in vluchtige trekken. En dat mijn verhaal u niet heeft voldaan; dat gij het “niet mooi” hebt gevonden, zie, dat zou mij verheugen, indien ik u maar getroffen had, indien ge maar diep gevoeldet, dat daarginder natuurgenooten, zwakke kinderen, armelijk gekleed en ellendig gevoed, 13–14–15 uren daags moeten werken in een klein bestek, ja—somtijds nog bovendien den ganschen langen nacht, wanneer de Zondag moet volgen.En een groot deel van die ongelukkige schepsels! ze zijn de kostwinners voor hun luie onbarmhartige ouders; ze zijn.... Doch immers, ik heb ze u geschetst, naar waarheid geschetst, al sprak ik u niet van de verregaande zedeloosheid, die hen almede besmettend omringd. En gelooft gij mij niet: welnu, bezoek de Leidsche fabrieken; gij zultzien, en, zoo uw harte al aanstonds niet bloedt, dan zult ge toch voorzeker, weergekeerd in uwe woning, bij het aanschouwen van uw lief en bloeiend kroost, moeten uitroepen: Groote God! bestaat er zulk een ontzettend kwaad in ons dierbaar Nederland, in het land welks grootsch verleden van vrijheid spreekt en van recht voor allen! Goede God, wordt er dan niets gedaan in ons lieve vaderland voor die honderden, ja duizenden van rampzaligen, die er vermoord worden, langzaam vermoord! En al zijn die ellendige ouders ook verschoonbaar, ja onschuldig zoo ge wilt, onwetende, ontzenuwde wezens als ze veelal zelven van jongs af aan waren, en al ziet ook een groot aantal fabrikanten met deernis neder op de ellende die hen omringt; al geven u vele brave rechtschapene mannen onder hen, de oprechte verzekering, dat ook zij zoo vuriglijk wenschen die armen eenigszins te kunnen opheffen uit den deerniswaardigen toestand, waarin zij verkeeren, ze fluisteren u toe: “Wat we willen, we kunnen het niet; ééne is er die ’t ons belet, en haar naam is:Concurrentie!”Hoe! zou zij de moordenares der arme kinderen zijn, zij, de schoone kloeke vrouw, die de leuze van vrijheid in hare banier voert?Ja, zij is het! En de schoone vrouw, die zich baadt in de wierookgeuren die men haar toezwaait, ze zondigt, bedwelmd door dien geur; en haar leuze van vrijheid, zij voert ze hoog, schaamteloos hoog! Vrijheid! ja vrijheid voor allen en voor alles! gilt ze in dollen overmoed: Wie zal er den ouders het recht over hunne kinderen ontnemen; wie zal ze gelasten, hunnen arbeid te verlichten of hen ter schole te zenden, wie, wie zalMIJbeletten....Zwijg: schoone waanzinnige vrouw! Weet gij ’t dan niet hoe deStaat—en rechtvaardig,—der arme gevallene, die uit schaamte haar kind vermoordde, de vrijheid ontneemt? Ha! voor die ongelukkige den kerker, en voor u de dartelste vrijheid; gij die boeleert met den gouddorst, en duizenden kinders vermoordt, zonder blozen vermoordt naar ziel en naar lichaam!Neen! ik zeg het u, de ure zal weldra slaan, waarin men u ketenen zal, ja ketenen in de banden eener zegenrijke wet!Edelen, en grootmachtige wetgevers in den Staat! Ziet, daar valt de smeekbrief neer voor uwe voeten.Nogmaals, ten laatste: De kranke stad en hare zusters snakken naar redding en artsenij. Gij vraagt den boodschapper niet waar het kruid is te vinden, het kruid dat hulpe kan geven. Gij weet het wel: Daarginder, aan gene zijde van den Oceaan, daar bloeit en daar tiert het op Engelands bodem; daar behoedt een schoone zegenrijke wet die armearmefabriekskinderen voor den ellendigen toestand, waarin zij hier te lande verkeeren. Dáár zijn hunne werkuren minder in aantal; daar gaan ze ter schole en worden ze onderwezen, drie, ja vijf uren per dag. En de onderwezen kinderen worden bekwame werklieden; en de nijverheid, zij bloeit er; en ik bid u, waarom zouden wij bij onze overzeesche naburen, ja zelfs bij het grootste deel ook der minder ontwikkelde Staten van Europa ten achterstaan?Maar wat spreek ik van artsenij te zoeken in den vreemde; Uwe wijsheid zal het weten te vinden op eigen bodem, naar eigen behoeften. Neen, ik vraag u niets meer dan eene wet in het belang dier ongelukkigen. Het tafreel, dat ik schetste van den edelen knaap met het jongske aan zijne zijde, het was in een kunstlicht geplaatst. Dat beeld zou een uitzonderingkunnenzijn; een toekomst voor die armen kan het niet worden. Die minvermogende kinderen, ze moeten werken en zij zullen en kunnen het, indien gij u hunner ontfermt; ja ze zullen meer doen dan nu, want immers nu zijn ze verlamd en ontzenuwd, en de ervaring heeft elders—ook reeds hier te lande, in de werkplaatsen van waarachtig menschlievende mannen geleerd, dat te veelvuldige arbeid der Industrie nádeelig wordt, terwijl meerdere rust en onderwijs voor die kleinen haar krachtig verheft.Machtige wetgevers in den Staat! gelooft ze niet de valsche boodschappers, indien ze komen mochten, die u zouden verhalen, dat de hulpe, die wij van u afsmeeken, een onnoodige is.—Zij zoudenliegen!Maar neen, komen zullen ze niet; want ik zeg u: Zij, zij zouden metterdaad de ellendigen zijn, die de schoone vrouw tot ontucht en kindermoord verleiden. Die boodschappers, ja, ze zouden verbleeken indien gij hen krachtig betichttet dat zij dus inderdaad de moordenaar onzer arme fabriekskinderen zijn. Neen, daar zal er geen komen, die u driest in het aangezicht zal werpen dat daar geen moord geschiedt in den vollen zin des woords.Ik bid u, laat mij begaan met hem die het zou wagen; ik vraag hem dan zacht: Zeg, ongelukkige, hebt gij dan dat eene kamertjevergeten, het kamertje met de reinigings-machine van het ruwe katoen, waarbij het kind in slechts luttele jaren zijn rampzalig leven der win- of der sleurzucht ten offer brengt? Zie,—zie—dán verbleekt hij, en sluipt hij terug.Maar ik weet het, daar zullen, daar kunnen geen boodschappers komen, om tegen mijne zending te getuigen. Hoor maar, hoor! de arme stad, zij kermt te luide en roept om hulp.Edelen en grootmachtige wetgevers in den Staat, ziet, aan uwe en mijne kleederen, waaraan de handjes dier kleinen werkten, kleven droppelen bloeds. O! toeft dan geen oogenblik langer, zendt de hulpe die Gij gebieden kunt; dat heeft haast, groote haast. Doet de stad verrijzen uit haren nood, en hare zusteren met haar; en dan, dan zal er een stemme suizen door uwe zielen: Wél u, dat gij hebt saamgewerkt—niet tot leniging, maar ter voorkoming van jammer en ellende. Wél u, dat gij der Nederlandsche Nijverheid een schoonere toekomst hebt gewaarborgd; en wél u, wél u bovenal, dat Gij die armen daarginder—en nu zonder geld—naar ziel en lichaam gered enWAARLIJK HEBT LIEFGEHAD.

Monte-Carlo.“Cet enfer de Monaco!” dat waren de woorden, die ik van een teruggekeerde uit Monte-Carlo vernomen had, en de man had het voorkomen van iemand, die zich diep ongelukkig gevoelt. Het heeft mij vroeger wel eens verbaasd, dat zoovele menschen, die vast aan een “hel” gelooven, zoo gerust een weg bewandelen, waarop zij—volgens dat geloof—wiskunstig zeker die hel te gemoet gaan.Nadat ik echter op zoo menig schouwtooneel die folterplaats, vol geween en knarsing der tanden, als een tooverpaleis, stralende van licht en van kleuren, vol zingenot zag voorgesteld, maar vooral ook, sedert Dantes hel, met die van Doré vereenigd, mij een onvergetelijk kunstgenot schonk, begrijp ik nog beter dat de bedoelde personen, in weerwil van hun geloof, op een hel rekenen, die inderdaad nog niet zoo zwart en zoo heel verschrikkelijk wezen zal.Men noemt oneigenlijk den naam van het stadjeMonaco, als men van de plaats spreekt, die op een andere rotshoogte der kust, ongeveer een kwartier verder westwaarts is gelegen.Monte-Carlo!Prachtig plekje aan de Middellandsche Zee!Als men het spoorwegstation, juist bij den golfslag aan den voet der rots, heeft verlaten, dan vindt men aanstonds er achter de breede glooiende trappen, die over en naast den rotswand, naar het Dorado voeren.Boven gekomen, waart het verraste oog met verrukking rond.In fijnen toon ziet gij rechts, aan de overzij van een kleine bocht der zee, de rots die, met haar drie étages van woningen in ’t groen, Monaco en zijn vorstelijk paleis omhoog beurt, terwijl de zon vroolijk schittert in het zeenat aan zijn voet en fonkelt in den schuimenden golfslag, die sinds eeuwen de rots bekampt, maar niet zal doen wijken.Recht voor u uit, en ook ter linkerzijde, hebt gij de zee, die groote—die “blauwe zee!” blauw tot den horizon toe.En, als zij u uit overoude tijden verhaalt, hoe Hercules van Hellas’ boordenhier’t allereerst voet aan wal kwam zetten; hoe de oudGrieksche held er Geryon en de woeste bergroovers bestreed en verwon, hoe hij de Grieksche beschaving er bracht en hier een weg dwars door de Alpen sloeg, waardoor aan dit oord voor altijd de naam van Portus Herculis verzekerd werd; als gij nog luistert naar haar sprookjes: van de zeenimfen en de Saracenen, en uw oog eensklaps door een eenigszins lager liggende groene vlakte wordt getroffen, dan—schrikt ge, want ge hoort een stem aan uw zij, en het klinkt in uw oor!“Die groene vlakte dáár, dat is de Tir aux pigeons.”“Ei, is dat de Tir aux pigeons!”Uitzekeren hemel was ik alreeds in een soort van hel gevallen.Het schandelijkst, lafhartigst en wreedst vermaak, ’t welk ooit werd uitgedacht, wordt ook hier even schaamteloos aangeboden, als helaas door zoovelen zonder zelfverachting genoten.Is niet de duif het beeld der reinheid en zachtheid, ’t symbool der zoetste liefde? Welnu, tweemaal ’s weeks worden een aantal van die bevallige diertjes, wit als sneeuw of blauw als een zomerhemel, uit hun cages genomen en gekerkerd in gaten met beweegbare kleppen, welke gaten op kleine afstanden van elkander, in die grasvlakte zijn gemaakt.De duif, snakkende naar licht en lucht, wendt binnen die holen haar uiterste krachten aan, om dien vreeselijken onderaardschen kerker te ontkomen. Ten laatste doodelijk vermoeid, ontsnapt het diertje aan dat knellende en martelende dak.Het duizelt, zwenkt, ziet de blauwe lucht, verzamelt nog eens zijn krachten om zich hoog boven die aardsche folterplaats te verheffen, en.... Dan is het oogenblik van genot voor den mensch gekomen. De arme bedwelmde duif te treffen in haar vlucht; haar te zien buitelen, vallen! welk een voldoening!Maar niet zelden mist het schot van den onervaren schutter geheel of ten deele. In het eerste geval keert de argelooze duif naar haar kooi terug, waar zij haastig wordt binnengelaten, om haar weinige dagen later nogmaals aan dat “vermakelijke spel” te kunnen overleveren. In het tweede geval heeft men het eigenaardig genot van zijn slachtoffer te zien fladderen,—telkens weer zich verheffende, om het allengskens afgetobt te zien dalen, al lager en lager naar de zee—die zich straks over de arme ontfermen zal.Men zegt dat ook vrouwen....“Kom mee; we moeten verder!”Als gij u omwendt, dan ziet ge op de hoogte van het zeer breede terras den prachtigen nieuw opgetrokken voorgevel van het Casino-gebouw aan de zeezijde—met zijn schoone lijnen en voortreffelijk beeldwerk. Doch de toegang tot het gebouw is niet aan deze zijde. Van het terras, met zijn hooge, wit marmeren bloemvazen, begeven wij ons, langs welig begroeide perken, naar dien ingang aan de landzijde. De liefelijkste plekjes, en tal van belommerde banken nooden u er een wijle te rusten.Die verzoeking kunt en moogt ge niet weerstaan. Zie, de cactussenmet haar opeengroeiende bladeren, grooter dan het ovaal van een menschenhoofd, reusachtige aloë’s, hier en ginder bloeiende met een stengel van ruim zes meters hoog; bloemen, overal lachende in ’t rond, purperroode camelia’s, geraniums vol geuren, en inzonderheid de rozen, die hier voor geen wintermaand wijken.—En dan, langs die bosschages, zoowel van het blijvende, alsook van het nú weer zoo liefelijk ontloken lentegroen, langs de stammen en onder het loof door van ceders en mirten en oranjes, van seringen, peperboomen en citroenen, tintelt in het helblinkende zonlicht de blauwe zee, en schittert het witte zeil van een schip in de verte.O, men zou er willen blijven in dat paradijs. Maar, de paradijsslang verloor haar lokstem nog niet.Toen men dit Eden op de eertijds zoo weinig bezochte rotshoogte, grootendeels kunstmatig, in ’t aanzijn riep, toen heeft men wel degelijk op haar lokstem gerekend. Neen, onder dat heerlijke lommer toeft men niet langer. Men moet verder! Die slingerpaden golven zelfs niet veel, en voeren schier rechtstreeks tot het doel.—Reeds bevindt ge u aan de Noordzijde, bij den ingang van het Casino.Een breede trap met kolonnade, die u aan het Stedelijk Badhuis te Scheveningen herinnert, voert u in een zeer breede vestibule.—Recht voor u uit—over de geheele breedte van het gebouw—bevindt zich de bal- en concertzaal, waar des middags en ’s avonds een uitmuntend en sterk bezet orkest bij voorkeur Italiaansche muziek doet hooren. Het plafond der zaal, waarvan de eenigszins gewelfde hoeken door vier reusachtige, vergulde vrouwenbeelden—de priesteressen van een “gouden” vrede—wordt gedragen, is voorts versierd met onderscheidene hoogst verdienstelijk geschilderde tafreelen, in den geest van het carré boven de vermaarde trap der groote opera te Parijs. De toon der geheele zaal, die nog met een menigte ander beeld- en schilderwerk, op ’t kwistigst is versierd, heeft, in den toon van havanna met goud, iets sombers, zoodat de frisch roode kleur van het fluweel der achthonderd zeer gemakkelijke fauteuils er volstrekt geen kwaad doet.Ter rechterzijde van de straks binnengetreden vestibule, bevinden zich de conversatie- en leeszalen. In een der laatsten is het getal nieuwsbladen legio, en ook Nederlandsche couranten ontbreken er niet.Het Casino van den Monte-Carlo biedt alles, wat er in zijn parken te zien, of binnen zijn zalen te genieten valt, den vreemdeling gratis aan en zoo ook het noodzakelijke toegang-bewijs tot de groote zaal terlinkerzijde der vestibule.Een goud-gegalonneerde Cerberus opent u een breede deur, en gij betreedt die zoozeer bevoorrechte plek, waaraan de bekrompen geest dezer eeuw nog niet zijn ruwe hand durfde slaan, en waar het den mensch ten minste nog vrij staat zijngelukte beproeven!Overdag en zelfs des avonds bij lamplicht, heeft die zeer groote speelzaal mede iets sombers. Zij is in Moorschen stijl gebouwd en op Oostersche wijze rijk gekleurd en behangen.Aan de zes tamelijk ver vaneen geplaatste speeltafels ziet gij,in ’t midden der roulette-tafels, vier croupiers, twee aan twee tegenover elkander gezeten, en achter hen, op wat hoogere stoelen, hun bespieders, inspecteurs genoemd; terwijl aan de beide uiteinden der tafel weder een assistent heeft plaats genomen. Aan de trente-et-quarante-tafels is het dienstdoende personeel iets minder sterk. Die “ambtenaren” worden van tijd tot tijd door versche confraters afgewisseld, want van des middags 12 tot des avonds 11 uren staat de affaire geen oogenblik stil.En—tusschen die mannen met hun zwarte harkjes en scherpziende oogen en ongeloofelijk snel geldschietende en geldstapelende vingers, tusschen die dienaren van “la veuve Blanc”, zitten mannen en vrouwen van allerlei stand en leeftijd,—men zou zeggen “op ’t eendrachtigst saamverbonden” neer.De Prince de X zit er naast dennomméPyr, die als garçon de café in Florence zijn meester bestal en al spoedig zal worden ingerekend, na het gestolen geld aan den speelduivel te hebben geofferd.Madame la Baronne de V. zit er tegenover een vervaarlijk roodgeverfde matrone met elf ringen aan vijf vingers.Inzonderheid om de tafels waaraan een speler—bij uitzondering—zeer “en veine” is, of ook waar in weinige oogenblikken duizenden worden verloren, verdringt zich de vlottende menigte, die overigens met een onophoudelijk va-et-vient haar geluk nu eens aan deze, dan weder aan gene tafel beproeft.Te midden van een aanhoudend geschuifel en gefluister, waarboven slechts de stem van den croupier en het voortdurend gekling-klang van geld wordt vernomen, treffen de zachtgesproken woorden: “Tiens, comme ce grand est en veine!” mijn oor.’t Was een breedgeschouderd man van een buitengewone grootte, met een aristocratisch schoon gelaat. De rechte neus zetelde boven den forsch vooruitspringenden knevel, die den fijn besneden mond overschaduwde. Aan zijn blanke hand droeg hij een zwaren zegelring.—Achter de speeltafel staande speelde hij over den schouder der zittenden heen. Eenige goudstukken van honderd francs1werden door hem op “rood” gezet, en, zeven bankbiljetten van vijfhonderd franc fladderden er naast.Het balletje der roulette vloog in ’t rond.Welke diepe voren ploegden nu dat schoone voorhoofd!“Treize; noir, impaire; passe!” riep de croupier, terwijl hij schier terzelfder tijd het geld van den edelman wegharkte en tevens het goud en zilver van zoovelen, die den man “en veine” op “rood” waren gevolgd.Tot hen behoorde een oud heer met zilverwitte haren en een hoogst eerwaardig voorkomen; althans wanneer hij met de blankewimpers naar omlaag,—prikkende in het speelkaartje—zijn kans te berekenen zat. Als hij de oogleden even opsloeg, dan zochten ze goud!Een dame aan zijn zij ziet zeer bleek, terwijl ze een klein hoopje goud met haar fijne vingertoppen terdeeg schikt, maar inderdaad, blijkbaar zoekt ze te tellen. Een heer, die tegenover haar zit en gedurig schuw in ’t rond ziet, is zeer rood, geweldig rood, bijna zoo rood als de roos op den sterk gewelfden boezem van een dametje, dat telkens moet wisselen en opzetten voor een zonderling geverfd oud heer met een magnifique zwarte krulpruik en een verbazend groot bouquet in den boezem van zijn vest, waarboven hij een hemelsblauwe das draagt. Die heer is blind en ik hoor hem tot zijn dametje zeggen;Yes darling twenty-four, and black!”Darling speelt en verliest. Of darling zóóveel opzet als de blinde bedoelt.... dat weet ik niet.Naar mijn vluchtige berekening heeft de groote edelman van daareven in drie zetten meer dan tienduizend francs verloren. Hij begeeft zich van de roulette naar een trente-et-quarante-tafel.Een keurig gekleed heer van omstreeks vijf en twintig jaren trekt nu mijn opmerkzaamheid. Ik ken hem; ’t is geen landgenoot, maar te Nice heeft hij zijne kamer naast de onze.Ja, ’t is de neef van een Franschman, wiens groote gaven zijn naam beroemd maken. Nog geen jaar geleden is die neef getrouwd; hij had fortuin; maar—het bekoorlijke vrouwtje—la gentille Alice B....—die hem haar hand en hart wou schenken, we hadden haar voor weinige dagen op den corridor ontmoet met oogen van ’t schreien rood.“Ah c’est lui qui l’a fait!” had men ons gezegd: “Il perd tout son argent! la pauvre belle femme!”En daar zat hij. En zijn oogen zwommen in een geelachtig rood, en met de vlakke hand streek hij van tijd tot tijd de zweetparels weg, die hem van de haren dropen—ofschoon zijn uiterlijk voor ’t overige zeer kalm schijnt. Hij neemt een bankbiljet uit een blijkbaar schraalvoorziene portefeuille.... Neen, het bankbiljet verdwijnt weder.—Hij opent een portemonnaie, neemt een goudstuk en volgt met schijnbaar rustigen blik het loopende spel.... Zie, de bank verliest. Ha! Nú moet het goudstuk wachten, en tóch het bankbiljet van vijfhonderd francs gewaagd worden.Hij zet op 20—l’age d’Alice!Een oogenblik later heeft de hark van den croupier de vijfhonderd francs doen verdwijnen. Op het gelaat van den speler is geen bijzondere gewaarwording te lezen. Nochtans zijn hand trilt zichtbaar als zij in ’t einde het straks teruggehouden goudstuk op “rood” zet.“Vingt; noir, pair, passe!” roept de croupier.Het gelaat van den jongen man is nu doodelijk wit geworden. Hij ziet naar de schatten van den croupier en ook vluchtig naar de stapeltjes goud van den matrone die naast hem zit.—’t Wordt er hem te benauwd.—“Permettez!” zegt hij opstaande, en alshij achter de massa verdwijnt, dan heeft een vreeselijk bleek jonkman, die akelig kucht en hoogst waarschijnlijk in de laatste periode van tering verkeert, den verlaten stoel reeds in bezit genomen.Een zonderling gedruisch wordt op ’t onverwachts in de zaal gehoord. De menigte, die zich voortdurend rondom de tafels beweegt, stroomt eensklaps naar eenzelfde tafel ter linkerzij. Men mompelt en spreekt alras luider.Wat is er gebeurd? Men weet het niet.De bankdirectiewilhet niet weten. Een schandaal moetá tout prixvermeden worden.—’t Is hier allesdigne, hoogst fatsoenlijk!—La banque, c’est la paix!De persoon, die met zooveel behendigheid een goudstuk onder de hand van den croupier heeft weggemoffeld, wordt openlijk in het gelijk gesteld. ’t Was een vergissing. De persoon die den dief heeft betrapt zal zich vergist hebben.“Messieurs faites votre jeu!”Indien gij meent, dat de jonge man, die den beroemden naam draagt, en zooeven zijn laatste goudstuk verloor, zich tot het plegen van een diefstal heeft kunnen verlagen, dan bedriegt gij u. De dief, die door zekere personen scherp in het oog wordt gehouden, en zich al spoedig ziet aangesproken, om zich kort daarna met zijn nieuwen “vriend”—een net gekleed geheim politie-agent te verwijderen, isle nomméPyr, garçon de cafévan Florence, en—’t werd reeds vroeger gezegd, dat hij zijn dierbare vaderstad slechts vluchtig zal weerzien om een établissement in Toulon te betrekken, waar hem voor altijd de lust zal vergaan, zijn fortuin met gestolen geld te beproeven.Maar de man met den gevierden naam?Tegen den middag van dienzelfden dag moesten de lampen reeds vroegtijdig in de speelzaal worden ontstoken. Een geelbleeke, bijna armoedig gekleede dame, die, sedert een groot jaar dagelijks van Nice vice-versa reist, om, in weerwil dat zij somtijds kleine sommen wint en te gelijk nooit meer dan een vijf-francstuk waagt, toch van lieverlee haar matig vermogen te zien verdwijnen, die dame, reeds scherp turende door haar lorgnet, had reeds de opmerking gefluisterd, dat het te donker werd, om het spel naar eisch te kunnen volgen.De jonkman met de tering, die een paar vuurroode kleurtjes boven de jukbeenderen heeft, zegt kuchende: “Ich spiele im Nachtdunkel.”De vroegere duisternis werd veroorzaakt door een wolkenmassa, die uit zee kwam opzetten en straks, na een vluchtig licht, de hooge zaalvensters doet dreunen van een geweldigen donderslag.De gaskronen zijn spoedig ontstoken. Het bevreemdt u dat er geen gas boven die speeltafels brandt, maar—le maître d’hôtel connait son monde. Boven iedere tafel worden twee brandende carcellampen aan de vergulde kettingen opgehangen. Met zulke olielampen loopt men geen gevaar, door het afsluiten van een gaskraan de speeltafel met haar schatten plotseling in ’t duister te zien gehuld.En buiten ontlast zich het donkere zwerk in een geweldigen plasregen. Langs de paden, terrassen en trappen van den Monte-Carlostroomt het water gutsend naar omlaag. De voorlaatste trein in de richting van Nice en Marseille zal slechts luttel reizigers van Monte-Carlo met zich nemen. Om den regenstroom te ontgaan blijft men in de speelzaal een goudstroom verwachten.Binnen de schier ledige wachtkamer van het station Monte-Carlo heeft zich een net gekleed heer in een der causeuses gezet.Nu staat hij op; gaat het vertrek een paar malen op en neer en vraagt dan aan den deurwachter of de laatste trein naar Nice niet te elf uren twaalf minuten vertrekt.Na een bevestigend antwoord te hebben ontvangen, begeeft de jonge man zich naar buiten. ’t Besluit was genomen. Men zegt dat de eigenares van de bank den totaal geruïneerde niet verlegen laat.—Ja, die oude vrouw zal helpen;—Nuzijnvermogen het hare is geworden, nu zal zij den berooide een klein gedeelte er van niet weigeren!Haastig voortgaande bemerkt hij ternauwernood dat de slagregen zijn kleeren geheel doortrekt en dat hij bij het stijgen schier een bergstroom doorwaadt.Nochtans, nu staat hij weer stil en aarzelt opnieuw.De drager van een naam door meer dan één volk met eere genoemd, zal hij zich verlagen tot het smeeken om een aalmoes aan de vrouw, die?....Wie is zij? Wie was haar man!?Men heeft hem van een fortuinzoeker verhaald, die slechts een speelzaal te Parijs verliet, om te Homburg zijn werk te vervolgen; die, van daar verdreven, een vorst aan den speelduivel koppelde en het vorige jaar ten grave daalde zonder van zijn vermogen, meer dan tachtig millioenen schats, iets anders te kunnen meenemen dan de vervloeking van duizenden, die hij in de zonde gestijfd en verstrikt had.Maar die vrouw! Men heeft hem immers ook gezegd dat zij kerken en godshuizen bouwt, en stijgt haar naam niet in eere, als zij met die millioenen haar dochters aan prinsen en vorsten huwt!Doch hoor, de stormwind loeit: en ja, daar boven in die groote zalen van het Casino, daar wordt wel het noodweer door muziektonen en goudgeklank overstemd, maar ginder, dringt er diezelfde huilende storm niet door tot een vrouwenhart, als hij hier langs palmen en cypressen de schrille kreten wekt:“Wij lieten ons goud ook inuwezalen en stortten ons bloed ook naastuwebloemen. Gevloekt, gevloekt, zij uw naam!”En tot háár zou hij zich om een aalmoes wenden!?—Neen, duizendwerf neen! Liever berooid, en met tranen het brood der ellende gegeten, dan te bedelen bij haar, die met kwistige hand den speelduivel voedt.Maar hij zelf,hijheeft immers aan dien duivel geofferd: ja, groote God, gansch en al, en geheel vrijwillig: vermogen; geluk; de toekomst van zijne jonge vrouw, en—van hun kind, nog ongeboren!Een paar uren later vliegt de sneltrein door den duisteren nacht.Een conducteur heeft aan het station te Monte-Carlo de retourbiljetten van de reizigers der eerste klasse gezien.Naast een ons reeds bekende geelbleeke dame, die sedert haar afreis in den morgen in ’t Casino niets heeft genuttigd, en daarom nu op de terugreis, volgens gewoonte, haar broodje en granaatappels en gebraden kastanjes gebruikt—naast haar zit een man, wiens kleeren zoodanig van het regenwater druipen, dat de dame haar japon reeds wat ter zij heeft getrokken en een der tegenover hem gezeten reizigers gedurig pruttelt en ten slotte de opmerking maakt, dat de bodem van dit compartiment “un vrai Paillon” gelijkt.Slechts de naam van den bergstroom heeft het oor van dien man getroffen. Strak staart hij voor zich heen. In zijn binnenste kookt het, zooals die stroom over zijn keien-bed thans voortbruist in woeste vaart.Wat men rondom hem spreekt hij weet het niet. Het sterker gerommel van den trein, wanneer hij door de lange tunnels boort, ontgaat hem, of wel, het doet hem in stilte verzuchten: dat die tunnel instorten en het rotsgevaarte hem voor eeuwig begraven mocht.En in het namiddaguur van dien zelfden dag heeft een jonge vrouw de lange Avenue de la Gare te Nice ten einde gewandeld, en achter den stam van een hoogen Eucalyptus, ter zij van den breeden stationsweg, heeft zij getoefd en getuurd in de richting van het station, totdat een traan haar oogen geheel heeft verduisterd.Gérard had gezegd, dat hij waarschijnlijk reeds met den namiddagtrein van Monte-Carlo zou terugkeeren. Het jaarcijfervan zijn Alice zou hem geluk brengen. Ja zeker! dat wist hij!En sedert dien namiddag is het een avond geworden met regen en storm. En met den sneltrein van omstreeks elf uren—waarmee hij gewoonlijk terugkwam, is hij nog niet gekomen.—Misschien is er een oponthoud geweest, zoo peinst zij. In den grooten tunnel bij Villefranche is men met herstellingen bezig en ’t gebeurt wel eens, dat de trein er een geruimen tijd moet wachten. Misschien ook was Gérard “en veine” en bleef hij er daarom tot den laatsten trein.—O! indien hij eens alles had teruggewonnen!—Maar neen, neen, dat zal, dat kan niet zoo wezen. Immers zij heeft hem gesmeekt, gebeden, niet meer naar die speelhel te gaan, want, ja, haar voorspelling moest uitkomen dat hij alles,ALLESverliezen zou.—O God,.... als die tunnel eens ingestort was!Bij die laatste zoo plotseling gerezen gedachte is het angstzweet der arme vrouw uitgebroken. IJlings staat zij op, opent het venster en ziet naar buiten, maar de wind slaat haar den fellen regen in het aangezicht en dooft terzelfder tijd de bougie die er brandt op de tafel.O, groote God, die tunnel! Men heeft gesproken van gevaar door de veelvuldige regens der laatste dagen veroorzaakt. Ja, dat water, neerstortende langs holen en spleten, boort er kanalen en doet de kalksteen splijten, en, o Sainte Vierge! schreit de jonge vrouw schier overluid,sauve lui, mon cher, mon pauvre Gérard!In allerijl heeft ze het licht weer ontstoken. Ze ziet op de pendule, ’t Is bij halftwaalf.—O, die onzekerheid! Ze zal........ Neen, ze moet kalm zijn.—Die laatste dagen van spanning hebben haar angstig gemaakt. Als vrouw, als aanstaande moeder is zij verplicht den lang voorzienen vreeselijken slag met waardigheid te dragen. Die vrees voor tunnels en levensgevaar, ’t was overdreven.—’t Is immers nog tweemaal gebeurd, dat Gérard met den laatsten trein, omstreeks kwart na twaalven, was teruggekeerd. Ze zal hem nu rustig wachten, en dan,—wanneer zijn eertijds zoo vriendelijk stralend oog haar met matten blik de droeve waarheid zal hebben gemeld, dan zal ze hem niets verwijten, niets! dan zal ze hem te gemoet treden, en het hoofd tegen zijn schouder leunen, en den arm om zijn hals slaan en hem toefluisteren: Dat alles is nu voorbij, Gérard. Maar we hebben elkaar toch behouden, is het zoo niet! En van de kleine rente, die ik jaarlijks ontvang, zullen we heel zuinig leven op het land, en werken zullen we allebei; en het grootste geluk zal ons de lieveling schenken, die we verwachten, ons kindje, dat onze rijkdom zal wezen, en nooit mag weten dat zijne moeder, vóór zijne komst wel eens heel droevig heeft geschreid.—Ja, ja, zoo zal ze spreken,—of neen, aan dat schreien zal ze hem niet herinneren; die razernij, die speelwoede moet vergeten, een gansch afgesloten verleden worden. Van detoekomstalleen zal ze hem spreken, van een nieuw werkzaam leven, arm in arm, hart aan hart; van een klaverblad, rijk en schoon door de innigste liefde.—Hoor! daar klinkt een voetstap.—O, als Gérard nu binnenkwam, dan zou ze juist kalm, en vol waarachtige liefde, in dien geest kunnen spreken.—Maar, hij is het niet.—De laatste trein kan ook nauwelijks aanwezen.—Doch ja, aangekomen moet hij reeds zijn.—Indien het niet zulk weer was, dan zou zij den vriend te gemoet gaan.—In den nacht? Waarom niet! Het hotel blijft tot twee uren open; en aan den portier kan ze zeggen.... Of eigenlijk behoeft ze dien man niets te zeggen. De eigen vrouw zal toch wel het recht hebben om, zelfs als het wat laat is, haar man van den trein te gaan halen, en vooral als zij wat onrustig wordt.—Maar zij is niet onrustig; ze wil alleen zoo spoedig mogelijk haar lieven man ontmoeten, om hem een zoen—zoo’n innigen zoen te geven en hem zóó reeds te doen gevoelen, dat hij “het beste” nog niet verloor.Toch staat zij een oogenblik later weer in onrust op en luistert.... doch verneemt niets dan het nog sterker gekletter van den regen tegen de ruiten.—O zeker, haar gejaagdheid is zeer verklaarbaar. Doch,—zij wil zich verstrooien. Wel zeker, het hoofdstuk, ’t welk ze in den namiddag begon, wil zij ten einde lezen. Zij zet zich. Maar als zij aan ’t eind der eerste bladzij is gekomen, dan heeft zij, wel woorden gezien, doch niets gelezen. Ze was te Monaco. Op de terrassen zag ze Gérard. Ze hoort een schot....En slechts weinige minuten later stond daar achter een der vierkante kolommen van de arcade aan het eind der Place Masséna een jonge vrouw, turende in de richting van de Avenue de la Gare. Het vreeselijk visioen van daar straks, het staat haar gedurig voor den geest. Of de trein reeds lang aan en het dus te laat is, zij weet het niet.Er komen nog rijtuigen en ook zeer enkele voetgangers uit die richting naar deze zij. Neen, men zal haar niet bemerken. Maar al zou men haar zien en haar schaamteloos toespreken, ze zal hier blijven; immers wat deert het haar; zij wacht haar man!En hij zal komen.... ja, want die akelige voorstelling was een leugen, een zinsbedrog. Een siddering van verrukking doortintelt de arme vrouw. O Jezus! Maria dank! daar komt hij! Bij dat gaslicht van verre heeft ze hem gezien. Dat was zijn gang—zijn figuur. Ja, hij draagt een lagen hoed.—Zie hij nadert.—Ondanks den plassenden regen ijlt ze op hem toe. Maar.... groote God! dat stak als een dolk: een vreemde wijkt ter zij en werpt haar de woorden toe: “Trop tard petite; ma femme m’attend.”“O, Sainte Vierge!” krijt de hevig geschokte, en duikt, zedig in haar donkeren schuilhoek. En schreiende en snikkende, leeft de flauwe hoop nog op in haar borst, dat Gérard langs een anderen weg in hun hotel zal zijn teruggekeerd, en als een gejaagde hinde spoedt zij zich voort en bereikt de zoozeer bevolkte woning, die voor haar echter ledig, geheel en al ledig is.Omstreeks dien zelfden tijd, terwijl de bezoekers van Monte-Carlo, die met den laatsten trein in Nice waren teruggekeerd, voorzeker reeds allen hun woning hadden bereikt, ging een jong man langzaam langs een der achterstraten van Nice naar de Place Grimaldi, een lommerrijk plantsoen, ’t welk rust op bogen, waaronder de bergstroom voor een wijle in ’t verborgen bruist. Nog slechts weinige minuten geleden stond hij op den hoek van den breeden Pont Neuf, het oog strak gericht op de kamers, waar de vrouw hem wachtte, die hij zoo innig liefhad aleer de zucht naar rijkdom en goud die liefde versmoorde.—Maar dat was gelogen! Hij heeft haar nóg lief. ’t Was immers zijn doel, zijn streven geweest om haar rijk en gelukkig te maken! O God! en het moest hun verderf worden! Zij heeft het hem gezegd! Duizendmalen heeft zij hem gesmeekt—gebeden, om niet voort te gaan op dien weg.Doch de hartstocht heeft hem verblind. De winzucht heeft hem koortsig het bloed door de aderen gejaagd. “Terugwinnen!” is de lokstem geworden van den satan—die hem altijd weder bergen vol gouds in de toekomst bleef toonen.O groote God! waartoe te leven? Die jonge schoone vrouw zien wegkwijnen in armoede en ellende; geketend aan den man, die als het beeld van wroeging steeds een schaduw zal werpen op haar pad!—Ja zonder hem zal zij vrijer ademen; voor haar alleen zal het noodige niet ontbreken; en—verlost van den “speler” zullen bloedverwanten en vrienden haar met liefde omringen!De nacht is donker. Ofschoon het niet meer regent, jagen zware wolken nog steeds voort aan den hemel. Van verre ratelt de golfslag der hoogschuimende zee langs het keien-strand. Op den linkeroever van den Paillon, onder de hooge platanen, wier takken zwiepen en kraken, wendt de jonge man eensklaps zijn schreden naar de steenen balustrade, aan wier buitenwand de bergstroom zich in de diepte een weg baant naar zee. Bij het flikkerend licht van een gaslantaarn vindt hij gemakkelijk de steenen trap, die naar de veeltijds droge bedding voert, terwijl nu echter, bij den hooggezwollen stroom, het schuimende water op de onderste treden klotst.Bij het afdalen raakt zijn gloeiende hand den ijskouden glibberigen muur.—Dat is de doodskou!—Hij huivert. De klokken van Nice verkondigen het eerste uur na middernacht; maar toch, het licht van dezen nieuwen dag zal hij niet aanschouwen.Nooit zal hij het daglicht meer zien, de zon die zoo helder scheen, toen zij op dien schoonsten dag van zijn leven, in ’t wit satijn en met den witten sluier om haar blanke schouders, aan zijn zijde zijn eenige rijkdom was, toen haar liefdevol oog hem toeblonk als de reinste diamant........—Haar diamanten!—Als hij eens een laatste kans kon beproeven met de kleinoodien, die Alice bezit.—O God, dat was de duivel!—De vonken en glanzen, die ginds en her van gaslantaarns of hoog vensterlicht in ’t bruisende water wiegen, ze hebben hem de diamanten en nogmaals het goud dier speelbank getoond. O, glimplichten zijn het!—rijk worden, ’t is een hersenschim. Nog geluk vinden op aarde—een onmogelijkheid!Zie, de bergstroom klimt. Duizelig donker is het daarbeneden. Een vochtwalm, met dampen van den plotseling overstroomden vunzen bodem benauwen de borst. En de klokken van “Nizza la bella” brommen in dien donkeren nacht reeds het tweede uur van den nieuwen dag. En nog altijd giert de Libeccio en bruist de Paillon, terwijl de laatste, wat hem weerstaat meesleurt, langs pijler en steen naar den wijden Oceaan.In den namiddag van dien zelfden dag berichtten reeds de nieuwsbladen van Nice dat men nabij de monding van den Paillon, tusschen een paar rotsblokken gekneld, het lijk van een jonkman had gevonden, wiens gelaat deerlijk verminkt, niet te herkennen was, terwijl nadere bijzonderheden omtrent den persoon vooralsnog ontbraken. Naar men vermoedde—zoo schreef men—moest de ongelukkige een nieuw slachtoffer zijn van den duivel, die, van elders verjaagd, helaas voorgoed naar ’t scheen, zijn troon aan de boorden der Middellandsche Zee had gevestigd. En, met de bijvoeging, dat men zich gelukkig mocht achten, dewijl er in de verloopen maand, slechts twee gevallen van zelfmoord hadden plaats gehad, terwijl men er in dezelfde maand van het vorige jaar een twaalftal2te vermelden had, constateerde men den volgenden dag nietslechts het droevige feit, dat de speeltafel een nieuw slachtoffer telde, maar verzekerde men er nog bij, dat, de ongelukkige zijnzeer aanzienlijkvermogen tot den laatsten franc toe had verspeeld, en een treurende weduwe niet slechts in droefheid, maar ook in bitteren nood had achtergelaten.En het nieuwsblad, waarin dit treffende bericht stond te lezen, het trilde in de hand van de jonge vrouw die, twee dagen geleden onder de arcades, haar Gérard heeft gewacht en die nog later zoo vele bloedige tranen heeft geschreid.“O God!” roept ze, terwijl het nieuwsblad haar hand ontglijdt en ze zich aan de borst van haar dierbaren, tot haar wedergekeerden man werpt. “O Gérard, je hebt me lief! Ja dat heb je getoond, mijn schat, mijn leven!”En hij, hij drukte haar vurig aan zijn borst.Engelachtig geduld! onbegrensde vrouwenliefde! Och hij heeft haar getoond hoe lief hij haar had! Als de berooide is hij tot haar teruggekeerd. Arm zijn ze; arm heeft hij haar gemaakt, ellendig en arm. Maar zij—“Neen, neen” vleit ze op den zoetsten toon der liefde; “Rijk heb je mij gemaakt door je moed, door niet te vertwijfelen in die bange ure; door het besluit om te willen leven, ja, te leven voor mij!—O God! die arme vrouw!” en met een blik naar het vallende nieuwsblad herhaalde zij: “Die arme, arme vrouw!”En drie dagen later verlieten de jeugdige echtgenooten de woning, die, ofschoon wel vroolijk gelegen, voor hen zoo somber was geweest. Ze traden mij voorbij, met een groet, en het was alsof de jonge man zich schaamde omdat—ja, omdat het wel bekend kon wezen dat men de terugreis naar ’t Westen van Frankrijk bekostigde van hetgeen de diamanten zijner Alice hadden opgebracht.Maar het oog der jonge vrouw straalde vol levenshoop, als wilde zij zeggen: “wij zullen ons geluk herwinnen; ziet maar, hij heeft zijn vrouw geen weduw, en ons kindje geen wees willen maken. Wij zullen arbeiden en keeren voor eeuwig den rug——à cet enfer de Monaco!”1Den Minister van Financiën geven we eerbiedig in overweging, om ook in ons Nederland goudstukken van 50 en 100 gulden te doen slaan, natuurlijk niet ten behoeve van hen die ze te Monte-Carlo gaan verspelen.2Wij laten deze cijfers voor rekening van dien berichtgever.J. J. C.Fabriekskinderen.Een bede, maar niet om geld.’t Is winter. Een koude Decembernacht houdt met kille vingers oud Hollands grijze academieveste den blinddoek voor de oogen.Slechts een waardig trawant van den reuzengeest dezer eeuw voert strijd met den nacht, en rukt er gedurig den blinddoek weer los. Zie maar, de gasvlammen werpen van afstand tot afstand een vluchtig licht in de holle straten en ginds langs de sombere grachten.Waartoe die kamp; waartoe dat licht? Immers de stad ging ter ruste en slaapt.Geloof het niet, want telkens moet ze wakker en ziende zijn, wakker en ziende om er te waken voor het onheil dat naderen kon. En de oude stad, zij slaapt dan ook niet. Slechts bij wijlen bevangt haar een lichte sluimering, en ’t schijnt u toe als droomde zij van haar alouden roem,—evenals de teedere loot van den grijzen vorst der Alpen, die zoetjes dommelt aan haren boezem, en murmelt en fluistert van de grootheid harer afkomst.Maar toch de grijze veste, hoe vluchtig ook haar sluimering zij—telkens turende over den blinddoek heen, om er te waken zelfs in den nacht, toch vermag zij het niet zooals zij ’t zou willen.De arme is krank!Ja, ’t hoofd is wel helder, zelfs klaarder dan voorheen; ja haar hart klopt wel even luide voor deugd en voor trouw als in de dagen harer jeugd, nochtans gij ziet het wel hoe haar rechterarm als verlamd terneder ligt.Luister:Een deel van haar eelste sappen ging over in onzuivere vochten; in vochten die zich vormden tot een afzichtelijke wonde; een wonde die hare krachten verteert, en wellicht in ’t einde haar voert tot de slooping van haar glorierijk bestaan.Arme stad! Dochter van den Staat! Richt u op, en werp u aan ’s vaders borst. Daar zijn nog zusteren die lijden als gij. Smeekhem dat hij, voor u en voor haar, ter hulpe kome; dat hij zijne dienaars zende met artsenij en zalve, ware het noodig, met vlijmend lancet.Maar gij, novellendichter, wat spreekt ge in beelden en raadsels? Hoort ge niet reeds de stemme opgaan, die u vermaant tot eenvoud en kalmte, die u toeroept; Blijf wie ge zijn wilt?En ja, hij gevoelt wel de juistheid dier woorden; maar ach! koortsachtig jaagde hem het bloed door de aderen, want immers—men heeft hem die wonde getoond! Van hem heeft men een woord begeerd aan den vader der lijdende stad; een smeekwoord om hulpe, ter spoedige redding. Was het wonder dat hij moeite had al aanstonds den juisten toon te treffen, beseffende het hoog gewicht zijner roeping. Nochtans van nu aan zal hij trachten eenvoudig te zijn,ontzettendeenvoudig.’t Is winter. Koud was Decembernacht, en ijzig koud is nog zijn vroege morgen. Zes slagen bromt de klok uit Leidens hoogsten toren. Door de Breestraat en de Hoogewoerd leidt onze weg naar een der achterbuurten der stad.Bij het licht eener gaslantaarn zien wij, op weinige schreden afstands, een armelijke woning. Haar bouw herinnert aan Leidens glorievolle eeuw, aan de eeuw toen zijne zonen en dochters kloek waren en sterk, en streden voor recht en voor vrijheid.Niets is er aan dien gevel veranderd; alleen zoudt ge bij dag kunnen zien, hoe de kleine in lood gevatte ruiten van voorheen, naar den eisch der tijden, door een wat grooter soort zijn vervangen. Eertijds kon Gods lieve zon slechts luttel in die woning schijnen; maar nu...? Helaas, gij ziet het niet hoe die grootere ruiten voor ’t meeste deel met een vettig stof zijn overdekt; hoe er vele, onachtzaam gebroken, slechts ruw met ondoorschijnend papier werden beplakt; hoe er thans in die armoedige woning, overdag nog minder licht straalt dan weleer, en—maar genoeg, dat is bedroevend, zeer bedroevend!In de kamer der genoemde kleine woning, die wij al aanstonds door de voordeur betreden, zou een volslagen duisternis heerschen, indien niet de gaslantaarn daarbuiten, door het straks genoemde venster, eenig schijnsel naar binnen wierp. Het zwaar geronk van een man, benevens de geregelde of snellere ademhaling van eenige slapende kinderen, treft onze ooren. Juist op dit oogenblik bericht de groote torenklok het zesde uur na middernacht. In de bedstee waaruit het naar geronk blijft klinken, verneemt ge, te gelijk met den eersten klokslag daarbuiten, eenige beweging.’t Is eene vrouw die zich haastig opricht. Met een nijdig: “Snork toch zoo niet!” geeft zij den man aan hare zijde een stomp op den schouder, en leent, terwijl het nare geluid een wijle verstomt, nauwlettend het oor aan den doffen klokslag uit de verte.“Zes!” bromt de vrouw binnensmonds, rekt zich geeuwende de leden, stapt nu spoedig uit de hooge bedstee, en sloft een oogenblik later op neergetrapte pantoffels naar een andere bedstee.Drie kinderen slapen er bijeen; twee jongens van tien en dertien jaren, benevens een meisje, dat bijna haar twaalfde jaar heeft bereikt. In de slaapstee der ouders kreunt vluchtig een kind van weinige maanden, waarschijnlijk nu het bespeurt dat moeder hem verliet, en, in de wieg er voor, droomt een meisje van vier jaren, misschien met een droevig lachje om den mond, van mooie winkels met allerlei brood.“Toe kinders, er uit!” roept de moeder met schrille stem het slapende drietal toe, en als zij het schamele dekkleed heeft weggeslagen, dan trekt zij den oudsten knaap bij den arm, haar Evert die, langzaam ontwakende, met lodderigen blik voor zich heen ziet, terwijl zij verder op soortgelijke wijze de beide andere kinderen te wekken tracht. Die taak is geen lichte. Saartje althans weert onbewust de moederhand af, die haar diepen slaap komt verstoren, wijkt naar de achterste hoek der bedstee terug, en kromt zich schier tot een bal ineen, met het hoofd op de knieën.Een klagend geween vervult eensklaps het vertrek. ’t Is Sander, het jongste der knaapjes. Onbarmhartig door de moeder uit de bedstee getild, staat hij half wakende, half droomende, met de bloote voetjes op den killen vloer.“Stil Sander, als vader het hoort!” vermaant de moeder, en als zij nu hém en ook haar oudste—die inmiddels zijn bed heeft verlaten, de schamele kleeren heeft toegeduwd, dan tast zij opnieuw naar het weggedoken meisje, trekt haar bij haar hemdrokje naar voren en beurt het kind, dat woest van zich afslaat, mede uit het bed.Saartje, op den grond gezet, opent de oogen; zij droomde daareven, dat een akelig dier haar bij de keel had; nu ziet ze.... haar moeder; en de teedere handjes klemt ze inéén, en de kille knuistjes drukt ze tegen de brandende oogen, en zegt dat het zoo tikt in haar hoofdje.Maar de moeder hoort het niet. Toen zij Sander heeft losgelaten om het meisje te wekken, is het jongske, overheerd door den slaap, in de knieën gezakt, en ligt met het hoofd tegen den muur, opnieuw in een diepe rust.“’t Is ook wat erg, ze gingen om twaalf uur naar bed!” mompelt de moeder. Zich schielijk tot het jongske voorover buigende, schudt zij hem nogmaals wakker; doch, als nu het kind opnieuw en sterker dan straks aan het krijten gaat, dan legt zij hem haastig de hand voor den mond, en ziet er met angstigen blik naar de zijvan haar bedstee, want—ruw klinkt de stem van haar man, met een nijdigen vloek: “Hé—mondhouwen. Zeg!”Een klein kwartier later beweegt zich een schamel drietal kinderen in de nog onbevolkte straten van Leidens achterbuurt.De nachtwacht, die van zijn laatste ronde huiswaarts keert, hij kent ze wel. ’t Zijn de kinderen van Gerrit Zwarte den voormaligen timmermansknecht; van Zwarte, die sinds een paar jaren—zooals hij zich uitdrukt—bang voor springende knokkels is geworden, en daarom zijn handen maar in de broekzakken houdt.Daar gaan ze, die kinderen. Evert, de oudste, trekt Sander met zich voort, en paait den bibberenden kleine met de woorden: “Kom maar, ’t is warm daarginder.”Sander kan ’t niemendal schelen; hij wil er gaan liggen, hier op die stoep, en—met het handje, waarin nog de kruimels van den straks gekregen en haastig opgegeten kouden aardappel kleven, wrijft hij zich steeds en alweder langs de loodzware oogleden: hijwilniet verder—weet je, hij wil niet!En Saartje, met opgetrokken schouders en de armen in haar boezelaar gerold, gaat ze haar broertjes op eenige schreden afstands haastig vooruit. Bij iederen voetstap dien ze doet, tikt het haar sneller en sterker in ’t hoofdje; dat heeft ze eergister ook gehad; maar nu is ’t erger, veel erger; ze zal maar doorloopen, nóg harder, dat ze eerder in de warmte komt.Saartje is ginds om den hoek reeds verdwenen. Evert kan met Sander, dien hij stevig vasthoudt, niet zoo haastig voortgaan.Eensklaps ontsnapt er een nare kreet aan zijn mond; met pijnlijk gebaar trekt hij ijlings de hand terug, waarmee hij Sander heeft voortgetrokken. Het arme slaapdronken kind had hem kwaadaardig gebeten, gebeten in de hand, die tot loopen hem dwong, dewijl hij slapen wilde, niet anders dan slapen.“Leelijke rakker!” schreeuwt Evert, en.... Doch neen, wij vervolgen hier niet. Arme zwakke onwetende schapen! We zouden u beschuldigen, wij, terwijl we slechts deernis met u hebben, en slechts medelijden voor u vragen. Ha! of we niets meer voor u wilden!En waarheen zal het nu?Zie, een steenen vinger, hoog zich verheffende boven de daken, hij wenkt uit de verte.En daar—gij betreedt er eene der vele werkplaatsen van den grootschen werkman, kloeksten zoon van den geest dien we noemden.Wondere spruit van genie en verstand, bedeeld met ontzettende kracht en rusteloozen ijver, geboren den menschen ten welvaart en zegen—stil, wie fluistert daar zacht: en vaak ook ten moordenaar?Zie, in de voorhoven van zijn werkplaats, daar stoken de dienaars een vuur van bedwelmendehitte.Uit vluchtigen sluimer ontwakende, rekt hij en spant hij zijn leden en spieren.Krachtig heft hij zijn ijzeren armen omhoog, en—wanneer hij ze heft, dan grijpen zijn vingers in stang en in drijfwiel; dan stampen zijn voeten op kammen en staven; dan wielen en keeren ontelbare raders; dan snort het, en gonst het, en bonst het alomme, en trilt er zijn stem als met dondrenden klank: “Voort raderen, voort! Schept haastig uit ruwe wol een kostlijken draad, den menschen ten koesterend dekkleed!” En—’t snort en het dreunt en ’t bonst er nog sterker; en altijd klinkt nog die stem:“Voort raderen, voort!”Ik weet niet waar Saartje gebleven is. Een groot doch somber gebouw is zij binnengegaan; een steile trap heeft zij beklommen, en, hijgende naar den adem, is zij verdwenen in een der zalen van de uitgestrekte stoom-wolspinnerij.Evert, die zijn broertje in de eenzame straat heeft achtergelaten, moet haar al spoedig gevolgd zijn; ook hem ontdekt gij niet meer.Zijt gij een vreemdeling in dit verblijf, dan ziet gij in den aanvang slechts weinig. Wel flonkeren er, in afwachting van den naderenden morgen, een menigte gasvlammen, doch het licht wordt gedurig onderschept en gebroken door een aantal gevaarten, die gestadig hun arbeid verrichten. Zijt voorzichtig dat uw kleed niet gevat wordt door een der vele machine-raderen, die u bij den nauwen doortocht van weerszijden bedreigen, en—let op den grond, dat uw voet niet haakt in de breede pees, die ginder een zeer groote schijf in beweging brengt. Die schijf, ’t is het hoofdrad der trommel van den schrobbelmolen der machine, die de vastgepakte wol in losse en platte vlokken te voorschijn brengt.En er naast, dat andere werktuig, dat is de kaardmachine, die immer de vlokkige wol blijft ontvangen, ze kaardt en verdeelt in haar ijzeren binnenste, en vallen laat in donzige plokken.En die plokken of rolletjes wol,—zoolang als een arm, zoo dun als een pink, en zoo licht als een veder—wáár of ze blijven? Zie, vele losse raderen wentelen heen en weer; en voeren ze toe aan den grofmolen daar; zij lasschen ze snel aan de plokken of draden, die haast zijn versponnen, snel, ongelooflijk snel: zevenhonderdmalen in één uur, negen duizendmalen op den langen dag.Doch die losse raderen hier, zie, ze zijn van een ander fatsoen dan de grootere dáár, die er wielen en snorren om hunne assen.Nietwaar, ge zoudt zweren dat het menschen waren, heel kleine menschen, die staan op hunne voeten als wij; met armen en handen, zeer zwakke handjes; met aangezichten als die van ons, maar flets van kleur en slap van vormen; aangezichten waarin oogjes blinken als een laatste vonk in den bleeken aschhoop. Gij zoudt zweren dat het menschen waren, akelig kleine en arme oude mannen en vrouwtjes, die gaarne hijgende zouden neerzitten bij den warmen haard, en de dorre handen uitstrekken naar een versterkende bete. Nietwaar, gij zoudt zweren dat het natuurgenooten waren, arme ontzenuwde wezens van gelijken aanleg, met dezelfde behoeften als wij; maar gij bedriegt u, zie slechts hoe ze wielen en keeren; negen duizend malen op den langen dag, voortgejaagd door den werkman die—grootsch als zijn oorsprong, doch gesard door zijn duivel, steeds woedender brult:“Voort, raderen, voort!”Doch gij vertrouwt ons niet, hoe langer gij tuurt op die kleine raders—want gijgevoeltwel dat het raderen zijn,—toch ziet ge klaar, onbedrieglijk zeker, dat zij—geschapen tot redelijke wezens, nog met het kleed der menschen zijn bedekt.Immers, in ’t midden van die bontvale rij—het helderst door een der gasvlammen verlicht, daar ziet ge Saartje, het kind van Gerrit Zwarte, het arme kind dat de koorts heeft, dat zich reppen moet, ongelooflijk snel en gestadig. Gij herkent het arme meisje wel, al schrikt ge terug, nu ge haar droevig figuurtje in ’t volle licht te beter kunt zien.Een hoofd, een gansch hoofd is zij kleiner dan uw dochtertje, dat in dit uur gezond, ja met de rozen op de wangen, op ’t zachte kussen te droomen ligt en zoo oud is als zij.Gij schrikt terug bij het beschouwen van dat voos en flets gezichtje, met dien wijden mond en die onnatuurlijk glinsterende oogjes. Gij wendt den blik van haar af, en uw oog blijft gevestigd op het jongske aan hare zijde. Tien jaren oud, gelijkt hij een kind van zeven lentes—wat zeg ik, een kind—van zeven barre winters te zijn. Telkens en telkens werpt hij een lodderigen blik op den grofspinner, die aan gene zijde van den molen zijn werken bespiedt; en angstig rept hij gestadig de handjes, want ziet ge, al tweemalen heeft hij van hem een duchtigen tik met den rolstok gehad, hier op den schouder, erg valsch! erg valsch en gemeen!En aan deze zijde van den tweeden molen, ziet gij dien krommen knaap er wel staan? Zijn hoog en breed voorhoofd doet u vermoeden dat zijn geest iets meer behoeft dan een werktuiglijken arbeid voor zijne handen. Arme onderdrukte geest! wat kan hij meer doen dan tellen, altijd tellen: Zie, zóóveel plokken gelascht geeft ééne minuut, en zestig malen dat getal maakt omstreeks een uur, en als hij die zelfde som straks driemaal verkrijgt, dan is de schoft-of laveitijd nabij; dan mag er het kind.... Doch neen, zijn rust te nemen, dat mag hij dan niet; dat uur is voor zijn kwelgeest, den spinner. Immers, de groote machine weet van geen rusten; immers de plokken, die zij aanhoudend laat vallen, ofschoon ze niet aanstonds verwerkt zullen worden, ze moeten geraapt en op hoopen gelegd. En straks, als de spinner weer aanvangen zal, dan is er de taak van den knaap schier verdubbeld; want, de voorraad van gansch een uur moet worden ingehaald op het nimmer vertragende werktuig, het werktuig, dat altijd plokken voortbrengt; wel honderd in ééne minuut.Maar toch, die lavei, zij gunt er den kleine een uur van minder gestadigen arbeid. Dat uur is hem welkom, het uur van negen tot tienen. Jaapje heeft een goede moeder, en die moeder heeft hem voor zijn ontbijt een koekebak gegeven, een heele-cents koekebak; dien kan hij nu opeten, en hij smaakt zoo lekker. Wat weert zich die arme kromme knaap om zijn geel-grauwen poffer—waarvan de wetenschap leert dat hij slechts één vijfde voedende deelen bevat, zoo zuurachtig klef en zoo krakend van kalk of van krijtstof—naar binnen te slokken.Doch gij zult het begrijpen, daar zijn de kinderen van Zwarte en nog anderen, die hebben zulke goede moeders niet als hij; ze zien hem aan met begeerige blikken, en Heintje Pink heeft gister gedreigd: dat Jaapje de helft er van mee heeft te geven, of dat hij hem anders........ Maar Heintje ziet een anderen kant uit, en het arme Jaapje grijnst van genot nu hij het ziekelijk mengsel binnen heeft: Tetellen, dát heeft hij geleerd, tedeelennog niet.En ginder nabij de fijnspin-tafels, waaraan voor ’t grootste deel de meisjes haar arbeid verrichten, daar staat Heintje Pink, die Jaap en zijn koekebak heeft vergeten. Zijn luid geschreeuw kunt ge niet hooren door het alles overstemmende geraas der machines. Terwijl hij de wol in het kaardwerktuig bracht, hadden zijne kleine vingers te zorgen meteen dat de altijd grijpende tandjes er binnen, gezuiverd werden van de vezelen wol, die er kleven en groeien in het geoliede ijzer.—En ’t was voor de derde maal in weinige weken dat die nijdige haastige tandjes hem knepen het vleesch van zijn schrompele vingers; en Heintje, hij schreeuwt en hij kromt van de pijn, en de meisjes, die van nabij zijn gejammer aanschouwen, ze trekken voor ’t meerendeel haar oude gezichtjes in lachende plooien.Arme, verstompte, gevoellooze meisjes! Zwakke, ellendig verdorvene kinders! Hoe—kinderen? Neen! ’t was toch voorzeker een optisch bedrog; want hoor, nu het uur is verstreken, nu klinkt met verheffing van stem en nog sterkeren klank weer het woord van den vreeselijken werkman:“Voort raderen, voort!”Doch gij toefdet daar reeds lang genoeg en wilt een ander tafreel.Welnu, een net steenen huisje staat voor ons open. In het ruime voorhuis wordt gij aangenaam getroffen door den zoeten roomgeur die het vervult, en de helderheid van maat en vaatwerk, die u als tegenlacht.Gij bevindt u in de woning van een echt Hollandschen melkboer. ’t Is er vroeg dag in zoo’n huis. Hij, de jonge bewoner der beide boven-voorkamers, Willem baron Van Hogenstad, jurist aan de Leidsche academie, hij had daar ook op gerekend. Gisteravond heeft hij met Koen op diens kamer Mathesis gewerkt. Na éénen heeft hij turende en turende op een hellend vlak, dat vlak al grooter en grooter zien worden, akelig groot, en het vlak heeft hem opgeslokt, inééns, zonder dat hij er iets van bemerkte.Koenraad moet wel zijn best hebben gedaan om Willem weer wakker te krijgen, doch het is hem niet gelukt. Toen Willem omtrent zes uren in den morgen de oogen heeft geopend, toen lag hij op de canapé, met een kussen onder ’t hoofd en een deken over zich heen gespreid. Ha! Koen had best gezorgd; maar—op z’n eigen kast, in z’n eigen bed, daar zou ’t nog beter zijn. Weinige minuten later is Koenraads huisploert wakker geschrikt van het toetrekken der huisdeur.Willem, diep in den kraag van zijn overjas gedoken, vervolgde intusschen haastig zijn weg naar de straks genoemde woning van den melkboer. Omstreeks aan ’t einde van een smalle straat gekomen, die hij ter bekorting van zijn weg had gekozen, heeft hij een zonderlinge vondst gedaan. Daar lag een knaapje, ellendig gekleed, met het hoofdje rustende op den kleinen arm, en dien arm gekromd op den scherpen rand van een lage stoep.Wat waren zijn wangen koud!—Was hij dood? Neen, zijn ademhaling ging vrij geregeld. Maar wat te doen met dat kind! Hem meenemen!? Waarachtig! Zoo’n arme drommel!Ha! dat was een goed besluit; het moet wel voortkomen uit een onbevangen edelaardig gemoed. ’t Was niet het gevolg der berekening, omdat geen andere hulp er nabij was. Neen, meenemen! waarachtig! dat was heteerste, en ’t bleef zoo.Bravo, zoon van Minerva! gij zijt er één van het echt oud Neerlandsche bloed. Bravo, Willem Van Hogenstad, nu toont ge dat ge van adel zijt, niet slechts van den adel die de kwartieren în ’t wapen telt, maar van dien dieperen adel der ziel.... Doch stil, ga niet voort, of hij smijt u naar ’t hoofd dat ge deklaplooperzijt.Een half uur later staat de zwaarlijvige echtgenoote van Baks den melkboer, op den drempel van een der mooie kamers, die haar voornamen student tot zit- en studeerkamer dient. Zij kan ’t zich ter wereld niet begrijpen, hoe mijnheer zoo’n vuil schandaal van de straat mee naar boven heeft gedragen. Goddank, ze houdt van helder en netjes, weet je, en nou leit daar op de andere kamer zoo’n smerig sezjet in mijnheers ledikant, en de hemel mag weten wat voor ontuig hij mee in huis heeft gebracht.“Wil j’ is kijken?” fluistert Van Hogenstad, terwijl hij de juffrouwwenkt hem in de achterste kamer te volgen, en haar te gelijk—half ironisch, half ernstig—een knipoogje geeft.“Kijken! wát zou ik kijken!” prevelt de juffrouw, terwijl zij met krakenden tred den jonker volgt, den jonker, die, op zijn teenen loopende, haar naar het ledikant in de andere kamer is voorgegaan, en nu het groen damasten gordijn ter zijde schuift.“Hoe vin je dat, hé?”“Hoe ik dat vind....? Mag ik reis vragen, mijnheer, hoe uwes mama dat zou vinden?”“Heb je wel eens op straat geslapen, juffrouw Baks, met ’en stoep tot je kussen?”“Lieve hemel, ikke!” roept de juffrouw: “Ik ben Goddank ’en fatsoenlik-manskind; maar weet je waar zu’k gespuis van afkomstig is,”—en zij wijst met haar vleezigen vinger op den armen Sander, die in Willems ledikant zoo kostelijk te slapen ligt,—“van ’t repalje weet je, uit de febrieken; van ouwers die drinken en luieren en d’r eigen onmondig vleesch voor den kost laten zorgen, zie je, weet u mijnheer, van zu’k repalje!”“Zoo, juffrouw Baks.”“Ja van volk, dat z’n eigen vader en moeder voor ’en glas jenever aan de galg zou helpen; maar wil ik je reis wat zeggen mijnheer, als je van ’en ouwer mensch ’en goeje raad wilt aannemen: pas op dat je je vingers niet brandt; ’t vuilmaken van je eigen boel en ’t gebabbel in de straat wil ik daarlaten, maar met je dat verwaarloosd en liederlijk sezjet heel Christelijk aan te trekken, ga je vlak buiten je boekje. Als we t’ avond of morgen zoo’n zuiplap in de deur krijgen, die mijn of m’n man ’en maling schopt, omdat we z’n kind van ’t febriek hebben afgehouwen, dan bent uwes responsabel; iederman blijft baas over z’n eigen kinders. Als bijvoorbeeld uwes mama....”“Wil je klaar zetten, juffrouw Baks?!”Lieve hemel, wat zette ie vreeselijke oogen op.“Ja wel mijnheer; twee kadetjes, niet waar?”“Zes kadetjes en tien krentenbroodjes juffrouw Baks.”Guns watte oogen!“Koffie- of theewater mijnheer?”“Chocolade-water, juffrouw Baks.”Juffrouw Baks maakt rechtsom-keer; en als ze langzaam wegschommelt, dan mompelt ze bij zich zelve: Om zoo’n vuil opraapsel ’en fatsoenlik mensch nog te schandalizeeren ook.—Weet je, ze zou wel.... maar, d’r kamers, en ’t lieve geld! Je moet al wat doen in de wereld!En terwijl ginder in de fabriek de grofspinner vloekt omdat hij één der raderen mist aan zijn molen, slaapt de arme kleine Sander zoo rustig voort op het kostelijk leger van zijn weldoener.Toen Willem de kamer van Koenraad verliet, toen heeft hij gerekend nog een paar zoete uurtjes op zijn bed te zullen doorbrengen, maar nu—zijn slaap is gansch en al geweken. Hij heeft het ook druk gekregen. Om de waarheid te zeggen, toen hij het ongelukkigeperceeltje op zijn kamer had, toen is ’t hem bij eene nadere beschouwing niet meegevallen. ’t Begin was niets geweest; maar om nu vol te houden! Boeh! wat een morsig boeltje. Doch een student weet zich te redden. Met behulp van een mes heeft hij het kind, dat dubbende en slapende, niets anders dan: och, en ajasses, gezegd had, de armelijke kleeren van ’t lijf getrokken; heeft verder den steenkouden bloed haastig een oude wollen overjas om de droevig tengere leedjes geslagen, en, na hem vervolgens op zijn bed te hebben gelegd, heeft hij de dekens over hem heen getrokken, hoog-op tot aan den neus, nog hooger, tot aan de ooren; zoo’n arme drommel!’t Was geen wonder dat de jonge baron de vunze kleeren van ’t ventje met de tang in de kachel wierp.Fluks een paar turven er op gelegd, en toen het boeltje in brand gestoken, zag hij alras hoe de vlammen eensklaps zoowel van boven als van onder uit de kachel sloegen. Ja, juffrouw Baks heeft gelijk: Als je zoo’n ouwen rommel opruimt, dan krijg je een vlam en een rook van geweld; maar ’t is heel gauw gedaan; ’t heeft niets te beduiden.Een groot uur later ontwaakt de arme Sander uit een diepen slaap. Eerst tuurt hij geeuwende een wijle suf voor zich heen; maar dan, dan spalkt hij de oogen open, al wijder en wijder, steekt zijn hoofdje buiten het ledikant, en werpt een onbeschrijfelijk vreesachtig verbaasden blik in het keurige slaapvertrek waarin hij getooverd is.Een angstig geween roept eensklaps den jonker.Bij het zien van den voornamen heer die hem haastig nadert, duikt het schreiende kind vreesachtig terug, en verbergt zijn hoofd in het kussen.“Zoo, kleine slaper, ben je al wakker!” zegt Willem met zijn vriendelijk welluidende stem, en laat er dan aanstonds op volgen: “Zeg, lust je een boterham?”Dat laatste woord werkt machtig.—Een boterham? Ja, ja, die lust hij wel; en terwijl hij door de tranen heen een tweeden blik op den vrager werpt, doch ook aanstonds zijn oogen weer neerslaat, glijdt een nauwelijks hoorbaarjahem van de lippen.Ik weet niet of gij zoudt gelachen hebben, indien gij Willem opnieuw met het altijd vreesachtige knaapje hadt zien tobben en sollen; wanneer ge gezien hadt, hoe hij hem tilde van ’t bed, hem dwong de voeten te steken in een paar wollen kousen, die nog veel langer dan zijn geheele beentjes waren; hoe hij de dunne armpjes door de mouwen van de oude overjas trok, en die mouwen, ter vrijmaking van de handjes, meer dan ter halverwege opsloeg; toen hij het arme zoo wonderlijk toegetakelde manneke in zijn zit- en studeerkamer op de canapé deed plaats nemen; hem overlaadde met dik geboterde broodjes en krentenbollen, en verder onthaalde op een enormen kop zeer dikke en geurige waterchocola. Ik weet niet wie er zou gelachen hebben om de inderdaad overdreven goedheid van den student, maar zeker, zeer zeker zijn lieve moeder niet; zij zou een traan hebben weggepinkt; zij zou.... Doch genoeg,de zoon denkt het allerminst om zich zelf; hij heeft slechts oogen voor het arme schaap, het knaapje dat zeker één van die ongelukkige fabriekskinderen is, waarvan men hem wel eens verhaalde, één van de ongelukkige wezens, die geboren worden met den vloek, dat hun lichaam—niet een tempel, maar een ellendige kerker zal zijn voor den geest, die sprank van het eeuwige, van het ideaal, die sprank der Godheid zelve.Nu Willem zoo’n schepseltje van nabij ziet, nu is het hem onbegrijpelijk dat hij vroeger zoo koud is gebleven als er sprake was van hun rampzaligen toestand.Maar, zoo zijn de menschen, ze moetenzienom te gevoelen; ze lezen in hunne nieuwsbladen van de duizenden slachtoffers der mijnen, en van de honderdduizenden in den bloedigen krijg. Ja, ’t heet danverschrikkelijk, maar ook aanstonds, aanstonds plooit weer een lach hun mond, want daarnevens—in het nieuwsblad, worden zij vergast op een aardig avontuur. Ja, zóó zijn de menschen, zoo zijn wij,WIJmenschen! We moeten zien van nabij, we moeten hooren en tasten; maar wij schuwen de ellende en houden haar gaarne van verre.Ei zie dan, en luister nog even. ’t Zal nu zoo akelig niet zijn, misschien zelfs—om te lachen.“Ben jij ’en prins?” klinkt het zachtjes van Sanders lippen, en het jongske, wiens vreeze na het kostelijk onthaal voor een groot deel was geweken, werpt een schuwen blik op zijn gastheer, doch slaat de oogen ook aanstonds weer neer.“Ik? Wel neen!” lacht Willem, uit zijn gemijmer ontwakende: “Maar—áls ik het was, zou je dan wel altijd bij zoo’n prins willen blijven?”“Ja wel,” zegt Sander.“Waarom?”“Om ditte!” zegt de jongen en likt nog eens langs den rand van den grooten chocolade-kop.“Hadt je dat nooit geproefd?”Het ventje grinnikt alsof hij wil zeggen: Dat kun je begrijpen! “’k Docht eerst dat het mosterd was,” zegt hij iets later.“Mosterd?”“Ja, die haalt moeder in een potje, en ’s middags als we van ’t febriek kommen, dan krijgen we aardappels met zoo’n beetje mosterd in ’t water.”“Niets anders?”“Ja, soms wel een scheutje azijn. Vader en moeder eten meestal spek, maar da’s gallig voor de kinders zeit moeder.”“Beesten!” roept Willem.Neen Sander, schrik maar zoo niet; dat geldt niet u of een van uws gelijken; hoor maar, hij vraagt u weer vriendelijk:“En hoe heet je vader?”“Dat weet ik niet,” is het antwoord.“Maar jij, hoe heet jij?”“Sander Zwarte.”“En wat doet je vader?”“Hé, hé,” grinnikt de jongen, “moeder zeit zuipen.”“Maar wat is hij van zijn ambacht?”“Ambacht?” grinnikt het kind.... daar had hij nooit van gehoord.“Waar verdient hij zijn centen mee?”“Dat doen wellui.”“En hoe oud ben je al ventje; ben je al zeven?”“Ikke,” zegt het jongske, “ikke ben tien.”Ongelooflijk! zoo’n worm! “Dus moet je zeker in de fabriek werken?” vraagt Willem opnieuw.Angstig kruipt het jongske ineen. Die vraag had hem eensklaps aan zijn plicht, aan zijn vreeselijk lange dagtaak herinnerd; aan den spinner, die hem zijn loon onthouden, aan den vader die hem ranselen, aan de moeder, die hem geen eten zal geven; en bevende zegt hij:“Maar ’k had ook zoo’n slaap, en gisteravond toen ik dertien of veertien uren gelascht had, toen dreigde de spinner dat ie me zou kielhalen als ik weer stond te hangjassen, zeidie.”“Kielhalen!” herhaalt de student met saamgetrokken wenkbrauwen: “kielhalen, wat is dat?”“Ja, dat weet ik niet,” herneemt de jongen, en angstig rondziende, als vreest hij dat iemand hem beluistert, vervolgt hij: “maar ze zeggen dat ie achter z’n bast ’en emmer met water hêt staan; en als nou ’en slecht kind—zoo zeit ie—z’n luie oogen niet open wil houwen, dan douwt ie ’em even met het hoofd in den emmer: ten minste als ’t opperste menheer van ’t febriek d’r niet bij is; maar ’t zal niet waar wezen; hé zoo koud!”Ja koud, ijzig koud; om van te rillen.“En ga je ook school?” vraagt Willem weder, na een oogenblik van sombere stilte.Zie—tegenover het jongske, tot wien de vraag was gericht, daar staan in de breede en nette boekenkast—slechts weinige achter een groene gordijn verscholen—de bronnen en schatkamers van wijsheid en wetenschap, van deugd en van recht, van beschaving en godsdienst; daar staan de klassieken die getuigen, hoe voor tientallen eeuwen ’s menschen geest reeds krachtig streefde naar het schoonste ideaal: des geestes eeuwige volmaking! Daar staan ze, de wetten der Oude Romeinen, die reeds de zwakken beschermden tegen het onrecht en der moordenaren staal; daar staan ze in de bontste mengeling dooreen, die wijzen en geleerden, die godvruchtigen en zedenmeesters van vroegeren en lateren tijd; en het is alsof ze luisteren, aandachtig luisteren naar de antwoorden van dat kind.Neen, naar school gaat hij niet.Naar school kan hij niet gaan, want dertien, veertien, ja vijftien uren moet hij werken—staande werken, op éénen dag.Naar school gaat hij niet, want het dagloon moest dan minder worden, en dat zou voor vader en moeder te schadelijk zijn.Boeken? Neen, boeken heeft hij nooit gezien.Ja! als dát, daar tegenover hem, boeken zijn, dan weet hij ’t wel: dat zijn bijbels; moeder heeft er ook zoo een, en ze zeit: “’en dominee’s-bedrieger.”Wat een dominee is? Dat weet hij niet. Of ja, die woont in de kerk.En wat de menschen Zondags gaan doen in de kerk? dat kan hij niet zeggen; want hij is er wel in geweest, maar heeft toen geslapen.En waar het brood van gebakken wordt? dat weet hij niet.En dat de tafels en stoelen van het hout der boomen gemaakt worden, dat weet hij evenmin; ja zelfs nooit heeft hij gehoord vanwaar de wol afkomstig is, die reeds bij duizenden ponden door zijne handjes ging; noch heeft hij vernomen dat van diezelfde draden, die hij laschte, een kleed wordt geweven, zooals er nu een zoo warmpjes om zijne leedjes sluit.Hebt ge dat gehoord, groote mannen van den ouden en nieuwen tijd? Nietwaar, dat was een droevig examen in de aloude en wijd vermaarde academiestad. Mij dunkt, ik zie de gulden rugtitels verbleeken op de werken van uwen geest; ik zie ze huiveren en inéénkrimpen de vruchten van uw hart of verstand; gij wenscht dat de gordijn der breede boekenkast u scheide van dat ongelukkige voorwerp, van het voorwerp dat u driest in het aangezicht slaat, en u kermende toekrijt:Gelogen dat de mensch een heer der schepping zou zijn!Daar is geen vrije wil.Daar is geen recht in de wereld, noch een rechtvaardigheid die haar bestiert.Daar is....Doch wij grijpen de gordijn en schuiven haar voor de breede boekenkast, en te gelijk voor dit droevig tafreel.Nochtans onze taak is daarmede niet ten einde. Wij hebben nog twee andere tafreelen.Het eerste ziet ge in een schoon doch fantastisch licht; het tweede in het diepe zwart van den nacht, wanneer er slechts ééne enkele ster breekt door de voortgezweepte wolken.En dat eerste tafreel?Zie, in dat schitterende kunstlicht, lieflijk als het schijnsel der maan, maar toch zoo klaar als de zon, blinkende als goud en zilver dooréén gemengeld, daar ziet ge, te midden van een lachend plantsoen, een jongeling; gij herkent hem terstond: ’t is de wakkere edelman, die zich toerust met de kennis om later te waken voor de rechten der menschheid, ’t is Willem Van Hogenstad.Aan zijn zijde staat een teer doch aardig jongske dat, netjes en helder in de kleeren, te midden van den rijkdom en pracht eenerte voren niet gekende natuur, de oogen telkens met de uitdrukking der dankbaarste verrukking en der innigste gehechtheid tot zijn weldoener opslaat.Dat jongske is het arme fabriekskind, het kind van Zwarte; het knaapje, dat door de macht van het geld werd gered uit zijn ellendigen staat, en opgevoed en onderwezen zal worden, om mensch te zijn,waarachtigmensch!’t Is wel jammer dat zulk een kunstlicht zoo spoedig voorbijgaat. Het schoone tafreel is verdwenen. Wij staan in het duister, in ’t nachtelijk zwart.Hoort ge daarginder—dáár in dien donkeren hoek, dat klagende stemmetje wel. Het kermt om—water.... water! Ontelbare malen hoort ge dat: water! En dan, als wierd het stemmetje moe van altijd datzelfde woord, dan kreunt het: “Dorst, dorst!”Ouders! hoort ge uw kind dan niet? Moeder Zwarte, weet gij ’t niet dat uw arme Saartje, met brandende lippen en tong, naar een teuge smacht en te zwak is om die zelve te krijgen?Maar de moeder slaapt, en de vader, hij ronkt. Voor het te bedde gaan heeft de beschonken man gezegd, dat hij die fratsen wel kende, en—als ze te lui was voor d’r werk, dat ze zich dan, evenals Sander, ook maar door zoo’n sinjeur moest laten oprapen; dat gaf nog betere rekening. En de moeder heeft gemeend dat het zoo erg niet zou zijn, als ze maar eens goed warm kon worden; en zij heeft het bibberende meisje met een rok, waarvan zij zich bij het te bedde gaan ontdeed, wat beter toegestopt. Toen de moeder dat gedaan heeft, toen was het dat er een klein, een heel klein sterretje tusschen de zwarte wolken blonk.Maar nu, nú is ’t weer nacht, pikduistere nacht; want ook de stormwind heeft de gasvlam uitgedoofd, die er nog brandde niet verre van Zwartes woning.En daarslapende ouders, die, al ware het uit lage zelfzucht alleen, te waken hadden bij het bed van hun doodzieke kind. En dat kind, het kan niet meer zeggen dat ze dorst heeft; haar lippen zijn als verschroeid; haar mondje is vuur van binnen; in haar hoofdje bonst en giert en dreunt het. Dat doet de koorts, de heete verslindende koorts. Zoo’n arm verzwakt schepseltje is niet in staat om die koorts te doorstaan.En—niemand hoort er haar telkens stiller en doffer gekreun. En niemand ziet het klamme zweet daar parelen op het dof gezichtje: en niemand hoort er, na zes uren strijds, dat laatste, dat allerlaatste zacht pijnlijke snikje, het snikje dat klinkt als een dankbaar zoetvloeiend ... verlost!En daarbuiten, daar buldert de stormwind als met donderenden weerklank: Vermoord! vermoord!En dát, dát is nu de wonde der arme academiestad.Zij is afgrijselijk! Gij begrijpt het nu wel dat het een dringend verzoek is om artsenij, waarmee de boodschapper zich belastte.Een verzoek? Neen, een smeekschrift; want hij is de eerste boodschapper niet; hij dringt slechts tot spoed.Vermoord! Vermoord!buldert de wind. En ja, die arme fabriekskinderen, ze worden vermoord naar ziel en naar lichaam.In een nieuwen vorm gaf ik u die oude, maar des te vreeselijker waarheid. Slechts wat ik zelf gezien en gehoord, of ook door ooggetuigen heb vernomen, gaf ik u weer in vluchtige trekken. En dat mijn verhaal u niet heeft voldaan; dat gij het “niet mooi” hebt gevonden, zie, dat zou mij verheugen, indien ik u maar getroffen had, indien ge maar diep gevoeldet, dat daarginder natuurgenooten, zwakke kinderen, armelijk gekleed en ellendig gevoed, 13–14–15 uren daags moeten werken in een klein bestek, ja—somtijds nog bovendien den ganschen langen nacht, wanneer de Zondag moet volgen.En een groot deel van die ongelukkige schepsels! ze zijn de kostwinners voor hun luie onbarmhartige ouders; ze zijn.... Doch immers, ik heb ze u geschetst, naar waarheid geschetst, al sprak ik u niet van de verregaande zedeloosheid, die hen almede besmettend omringd. En gelooft gij mij niet: welnu, bezoek de Leidsche fabrieken; gij zultzien, en, zoo uw harte al aanstonds niet bloedt, dan zult ge toch voorzeker, weergekeerd in uwe woning, bij het aanschouwen van uw lief en bloeiend kroost, moeten uitroepen: Groote God! bestaat er zulk een ontzettend kwaad in ons dierbaar Nederland, in het land welks grootsch verleden van vrijheid spreekt en van recht voor allen! Goede God, wordt er dan niets gedaan in ons lieve vaderland voor die honderden, ja duizenden van rampzaligen, die er vermoord worden, langzaam vermoord! En al zijn die ellendige ouders ook verschoonbaar, ja onschuldig zoo ge wilt, onwetende, ontzenuwde wezens als ze veelal zelven van jongs af aan waren, en al ziet ook een groot aantal fabrikanten met deernis neder op de ellende die hen omringt; al geven u vele brave rechtschapene mannen onder hen, de oprechte verzekering, dat ook zij zoo vuriglijk wenschen die armen eenigszins te kunnen opheffen uit den deerniswaardigen toestand, waarin zij verkeeren, ze fluisteren u toe: “Wat we willen, we kunnen het niet; ééne is er die ’t ons belet, en haar naam is:Concurrentie!”Hoe! zou zij de moordenares der arme kinderen zijn, zij, de schoone kloeke vrouw, die de leuze van vrijheid in hare banier voert?Ja, zij is het! En de schoone vrouw, die zich baadt in de wierookgeuren die men haar toezwaait, ze zondigt, bedwelmd door dien geur; en haar leuze van vrijheid, zij voert ze hoog, schaamteloos hoog! Vrijheid! ja vrijheid voor allen en voor alles! gilt ze in dollen overmoed: Wie zal er den ouders het recht over hunne kinderen ontnemen; wie zal ze gelasten, hunnen arbeid te verlichten of hen ter schole te zenden, wie, wie zalMIJbeletten....Zwijg: schoone waanzinnige vrouw! Weet gij ’t dan niet hoe deStaat—en rechtvaardig,—der arme gevallene, die uit schaamte haar kind vermoordde, de vrijheid ontneemt? Ha! voor die ongelukkige den kerker, en voor u de dartelste vrijheid; gij die boeleert met den gouddorst, en duizenden kinders vermoordt, zonder blozen vermoordt naar ziel en naar lichaam!Neen! ik zeg het u, de ure zal weldra slaan, waarin men u ketenen zal, ja ketenen in de banden eener zegenrijke wet!Edelen, en grootmachtige wetgevers in den Staat! Ziet, daar valt de smeekbrief neer voor uwe voeten.Nogmaals, ten laatste: De kranke stad en hare zusters snakken naar redding en artsenij. Gij vraagt den boodschapper niet waar het kruid is te vinden, het kruid dat hulpe kan geven. Gij weet het wel: Daarginder, aan gene zijde van den Oceaan, daar bloeit en daar tiert het op Engelands bodem; daar behoedt een schoone zegenrijke wet die armearmefabriekskinderen voor den ellendigen toestand, waarin zij hier te lande verkeeren. Dáár zijn hunne werkuren minder in aantal; daar gaan ze ter schole en worden ze onderwezen, drie, ja vijf uren per dag. En de onderwezen kinderen worden bekwame werklieden; en de nijverheid, zij bloeit er; en ik bid u, waarom zouden wij bij onze overzeesche naburen, ja zelfs bij het grootste deel ook der minder ontwikkelde Staten van Europa ten achterstaan?Maar wat spreek ik van artsenij te zoeken in den vreemde; Uwe wijsheid zal het weten te vinden op eigen bodem, naar eigen behoeften. Neen, ik vraag u niets meer dan eene wet in het belang dier ongelukkigen. Het tafreel, dat ik schetste van den edelen knaap met het jongske aan zijne zijde, het was in een kunstlicht geplaatst. Dat beeld zou een uitzonderingkunnenzijn; een toekomst voor die armen kan het niet worden. Die minvermogende kinderen, ze moeten werken en zij zullen en kunnen het, indien gij u hunner ontfermt; ja ze zullen meer doen dan nu, want immers nu zijn ze verlamd en ontzenuwd, en de ervaring heeft elders—ook reeds hier te lande, in de werkplaatsen van waarachtig menschlievende mannen geleerd, dat te veelvuldige arbeid der Industrie nádeelig wordt, terwijl meerdere rust en onderwijs voor die kleinen haar krachtig verheft.Machtige wetgevers in den Staat! gelooft ze niet de valsche boodschappers, indien ze komen mochten, die u zouden verhalen, dat de hulpe, die wij van u afsmeeken, een onnoodige is.—Zij zoudenliegen!Maar neen, komen zullen ze niet; want ik zeg u: Zij, zij zouden metterdaad de ellendigen zijn, die de schoone vrouw tot ontucht en kindermoord verleiden. Die boodschappers, ja, ze zouden verbleeken indien gij hen krachtig betichttet dat zij dus inderdaad de moordenaar onzer arme fabriekskinderen zijn. Neen, daar zal er geen komen, die u driest in het aangezicht zal werpen dat daar geen moord geschiedt in den vollen zin des woords.Ik bid u, laat mij begaan met hem die het zou wagen; ik vraag hem dan zacht: Zeg, ongelukkige, hebt gij dan dat eene kamertjevergeten, het kamertje met de reinigings-machine van het ruwe katoen, waarbij het kind in slechts luttele jaren zijn rampzalig leven der win- of der sleurzucht ten offer brengt? Zie,—zie—dán verbleekt hij, en sluipt hij terug.Maar ik weet het, daar zullen, daar kunnen geen boodschappers komen, om tegen mijne zending te getuigen. Hoor maar, hoor! de arme stad, zij kermt te luide en roept om hulp.Edelen en grootmachtige wetgevers in den Staat, ziet, aan uwe en mijne kleederen, waaraan de handjes dier kleinen werkten, kleven droppelen bloeds. O! toeft dan geen oogenblik langer, zendt de hulpe die Gij gebieden kunt; dat heeft haast, groote haast. Doet de stad verrijzen uit haren nood, en hare zusteren met haar; en dan, dan zal er een stemme suizen door uwe zielen: Wél u, dat gij hebt saamgewerkt—niet tot leniging, maar ter voorkoming van jammer en ellende. Wél u, dat gij der Nederlandsche Nijverheid een schoonere toekomst hebt gewaarborgd; en wél u, wél u bovenal, dat Gij die armen daarginder—en nu zonder geld—naar ziel en lichaam gered enWAARLIJK HEBT LIEFGEHAD.

Monte-Carlo.“Cet enfer de Monaco!” dat waren de woorden, die ik van een teruggekeerde uit Monte-Carlo vernomen had, en de man had het voorkomen van iemand, die zich diep ongelukkig gevoelt. Het heeft mij vroeger wel eens verbaasd, dat zoovele menschen, die vast aan een “hel” gelooven, zoo gerust een weg bewandelen, waarop zij—volgens dat geloof—wiskunstig zeker die hel te gemoet gaan.Nadat ik echter op zoo menig schouwtooneel die folterplaats, vol geween en knarsing der tanden, als een tooverpaleis, stralende van licht en van kleuren, vol zingenot zag voorgesteld, maar vooral ook, sedert Dantes hel, met die van Doré vereenigd, mij een onvergetelijk kunstgenot schonk, begrijp ik nog beter dat de bedoelde personen, in weerwil van hun geloof, op een hel rekenen, die inderdaad nog niet zoo zwart en zoo heel verschrikkelijk wezen zal.Men noemt oneigenlijk den naam van het stadjeMonaco, als men van de plaats spreekt, die op een andere rotshoogte der kust, ongeveer een kwartier verder westwaarts is gelegen.Monte-Carlo!Prachtig plekje aan de Middellandsche Zee!Als men het spoorwegstation, juist bij den golfslag aan den voet der rots, heeft verlaten, dan vindt men aanstonds er achter de breede glooiende trappen, die over en naast den rotswand, naar het Dorado voeren.Boven gekomen, waart het verraste oog met verrukking rond.In fijnen toon ziet gij rechts, aan de overzij van een kleine bocht der zee, de rots die, met haar drie étages van woningen in ’t groen, Monaco en zijn vorstelijk paleis omhoog beurt, terwijl de zon vroolijk schittert in het zeenat aan zijn voet en fonkelt in den schuimenden golfslag, die sinds eeuwen de rots bekampt, maar niet zal doen wijken.Recht voor u uit, en ook ter linkerzijde, hebt gij de zee, die groote—die “blauwe zee!” blauw tot den horizon toe.En, als zij u uit overoude tijden verhaalt, hoe Hercules van Hellas’ boordenhier’t allereerst voet aan wal kwam zetten; hoe de oudGrieksche held er Geryon en de woeste bergroovers bestreed en verwon, hoe hij de Grieksche beschaving er bracht en hier een weg dwars door de Alpen sloeg, waardoor aan dit oord voor altijd de naam van Portus Herculis verzekerd werd; als gij nog luistert naar haar sprookjes: van de zeenimfen en de Saracenen, en uw oog eensklaps door een eenigszins lager liggende groene vlakte wordt getroffen, dan—schrikt ge, want ge hoort een stem aan uw zij, en het klinkt in uw oor!“Die groene vlakte dáár, dat is de Tir aux pigeons.”“Ei, is dat de Tir aux pigeons!”Uitzekeren hemel was ik alreeds in een soort van hel gevallen.Het schandelijkst, lafhartigst en wreedst vermaak, ’t welk ooit werd uitgedacht, wordt ook hier even schaamteloos aangeboden, als helaas door zoovelen zonder zelfverachting genoten.Is niet de duif het beeld der reinheid en zachtheid, ’t symbool der zoetste liefde? Welnu, tweemaal ’s weeks worden een aantal van die bevallige diertjes, wit als sneeuw of blauw als een zomerhemel, uit hun cages genomen en gekerkerd in gaten met beweegbare kleppen, welke gaten op kleine afstanden van elkander, in die grasvlakte zijn gemaakt.De duif, snakkende naar licht en lucht, wendt binnen die holen haar uiterste krachten aan, om dien vreeselijken onderaardschen kerker te ontkomen. Ten laatste doodelijk vermoeid, ontsnapt het diertje aan dat knellende en martelende dak.Het duizelt, zwenkt, ziet de blauwe lucht, verzamelt nog eens zijn krachten om zich hoog boven die aardsche folterplaats te verheffen, en.... Dan is het oogenblik van genot voor den mensch gekomen. De arme bedwelmde duif te treffen in haar vlucht; haar te zien buitelen, vallen! welk een voldoening!Maar niet zelden mist het schot van den onervaren schutter geheel of ten deele. In het eerste geval keert de argelooze duif naar haar kooi terug, waar zij haastig wordt binnengelaten, om haar weinige dagen later nogmaals aan dat “vermakelijke spel” te kunnen overleveren. In het tweede geval heeft men het eigenaardig genot van zijn slachtoffer te zien fladderen,—telkens weer zich verheffende, om het allengskens afgetobt te zien dalen, al lager en lager naar de zee—die zich straks over de arme ontfermen zal.Men zegt dat ook vrouwen....“Kom mee; we moeten verder!”Als gij u omwendt, dan ziet ge op de hoogte van het zeer breede terras den prachtigen nieuw opgetrokken voorgevel van het Casino-gebouw aan de zeezijde—met zijn schoone lijnen en voortreffelijk beeldwerk. Doch de toegang tot het gebouw is niet aan deze zijde. Van het terras, met zijn hooge, wit marmeren bloemvazen, begeven wij ons, langs welig begroeide perken, naar dien ingang aan de landzijde. De liefelijkste plekjes, en tal van belommerde banken nooden u er een wijle te rusten.Die verzoeking kunt en moogt ge niet weerstaan. Zie, de cactussenmet haar opeengroeiende bladeren, grooter dan het ovaal van een menschenhoofd, reusachtige aloë’s, hier en ginder bloeiende met een stengel van ruim zes meters hoog; bloemen, overal lachende in ’t rond, purperroode camelia’s, geraniums vol geuren, en inzonderheid de rozen, die hier voor geen wintermaand wijken.—En dan, langs die bosschages, zoowel van het blijvende, alsook van het nú weer zoo liefelijk ontloken lentegroen, langs de stammen en onder het loof door van ceders en mirten en oranjes, van seringen, peperboomen en citroenen, tintelt in het helblinkende zonlicht de blauwe zee, en schittert het witte zeil van een schip in de verte.O, men zou er willen blijven in dat paradijs. Maar, de paradijsslang verloor haar lokstem nog niet.Toen men dit Eden op de eertijds zoo weinig bezochte rotshoogte, grootendeels kunstmatig, in ’t aanzijn riep, toen heeft men wel degelijk op haar lokstem gerekend. Neen, onder dat heerlijke lommer toeft men niet langer. Men moet verder! Die slingerpaden golven zelfs niet veel, en voeren schier rechtstreeks tot het doel.—Reeds bevindt ge u aan de Noordzijde, bij den ingang van het Casino.Een breede trap met kolonnade, die u aan het Stedelijk Badhuis te Scheveningen herinnert, voert u in een zeer breede vestibule.—Recht voor u uit—over de geheele breedte van het gebouw—bevindt zich de bal- en concertzaal, waar des middags en ’s avonds een uitmuntend en sterk bezet orkest bij voorkeur Italiaansche muziek doet hooren. Het plafond der zaal, waarvan de eenigszins gewelfde hoeken door vier reusachtige, vergulde vrouwenbeelden—de priesteressen van een “gouden” vrede—wordt gedragen, is voorts versierd met onderscheidene hoogst verdienstelijk geschilderde tafreelen, in den geest van het carré boven de vermaarde trap der groote opera te Parijs. De toon der geheele zaal, die nog met een menigte ander beeld- en schilderwerk, op ’t kwistigst is versierd, heeft, in den toon van havanna met goud, iets sombers, zoodat de frisch roode kleur van het fluweel der achthonderd zeer gemakkelijke fauteuils er volstrekt geen kwaad doet.Ter rechterzijde van de straks binnengetreden vestibule, bevinden zich de conversatie- en leeszalen. In een der laatsten is het getal nieuwsbladen legio, en ook Nederlandsche couranten ontbreken er niet.Het Casino van den Monte-Carlo biedt alles, wat er in zijn parken te zien, of binnen zijn zalen te genieten valt, den vreemdeling gratis aan en zoo ook het noodzakelijke toegang-bewijs tot de groote zaal terlinkerzijde der vestibule.Een goud-gegalonneerde Cerberus opent u een breede deur, en gij betreedt die zoozeer bevoorrechte plek, waaraan de bekrompen geest dezer eeuw nog niet zijn ruwe hand durfde slaan, en waar het den mensch ten minste nog vrij staat zijngelukte beproeven!Overdag en zelfs des avonds bij lamplicht, heeft die zeer groote speelzaal mede iets sombers. Zij is in Moorschen stijl gebouwd en op Oostersche wijze rijk gekleurd en behangen.Aan de zes tamelijk ver vaneen geplaatste speeltafels ziet gij,in ’t midden der roulette-tafels, vier croupiers, twee aan twee tegenover elkander gezeten, en achter hen, op wat hoogere stoelen, hun bespieders, inspecteurs genoemd; terwijl aan de beide uiteinden der tafel weder een assistent heeft plaats genomen. Aan de trente-et-quarante-tafels is het dienstdoende personeel iets minder sterk. Die “ambtenaren” worden van tijd tot tijd door versche confraters afgewisseld, want van des middags 12 tot des avonds 11 uren staat de affaire geen oogenblik stil.En—tusschen die mannen met hun zwarte harkjes en scherpziende oogen en ongeloofelijk snel geldschietende en geldstapelende vingers, tusschen die dienaren van “la veuve Blanc”, zitten mannen en vrouwen van allerlei stand en leeftijd,—men zou zeggen “op ’t eendrachtigst saamverbonden” neer.De Prince de X zit er naast dennomméPyr, die als garçon de café in Florence zijn meester bestal en al spoedig zal worden ingerekend, na het gestolen geld aan den speelduivel te hebben geofferd.Madame la Baronne de V. zit er tegenover een vervaarlijk roodgeverfde matrone met elf ringen aan vijf vingers.Inzonderheid om de tafels waaraan een speler—bij uitzondering—zeer “en veine” is, of ook waar in weinige oogenblikken duizenden worden verloren, verdringt zich de vlottende menigte, die overigens met een onophoudelijk va-et-vient haar geluk nu eens aan deze, dan weder aan gene tafel beproeft.Te midden van een aanhoudend geschuifel en gefluister, waarboven slechts de stem van den croupier en het voortdurend gekling-klang van geld wordt vernomen, treffen de zachtgesproken woorden: “Tiens, comme ce grand est en veine!” mijn oor.’t Was een breedgeschouderd man van een buitengewone grootte, met een aristocratisch schoon gelaat. De rechte neus zetelde boven den forsch vooruitspringenden knevel, die den fijn besneden mond overschaduwde. Aan zijn blanke hand droeg hij een zwaren zegelring.—Achter de speeltafel staande speelde hij over den schouder der zittenden heen. Eenige goudstukken van honderd francs1werden door hem op “rood” gezet, en, zeven bankbiljetten van vijfhonderd franc fladderden er naast.Het balletje der roulette vloog in ’t rond.Welke diepe voren ploegden nu dat schoone voorhoofd!“Treize; noir, impaire; passe!” riep de croupier, terwijl hij schier terzelfder tijd het geld van den edelman wegharkte en tevens het goud en zilver van zoovelen, die den man “en veine” op “rood” waren gevolgd.Tot hen behoorde een oud heer met zilverwitte haren en een hoogst eerwaardig voorkomen; althans wanneer hij met de blankewimpers naar omlaag,—prikkende in het speelkaartje—zijn kans te berekenen zat. Als hij de oogleden even opsloeg, dan zochten ze goud!Een dame aan zijn zij ziet zeer bleek, terwijl ze een klein hoopje goud met haar fijne vingertoppen terdeeg schikt, maar inderdaad, blijkbaar zoekt ze te tellen. Een heer, die tegenover haar zit en gedurig schuw in ’t rond ziet, is zeer rood, geweldig rood, bijna zoo rood als de roos op den sterk gewelfden boezem van een dametje, dat telkens moet wisselen en opzetten voor een zonderling geverfd oud heer met een magnifique zwarte krulpruik en een verbazend groot bouquet in den boezem van zijn vest, waarboven hij een hemelsblauwe das draagt. Die heer is blind en ik hoor hem tot zijn dametje zeggen;Yes darling twenty-four, and black!”Darling speelt en verliest. Of darling zóóveel opzet als de blinde bedoelt.... dat weet ik niet.Naar mijn vluchtige berekening heeft de groote edelman van daareven in drie zetten meer dan tienduizend francs verloren. Hij begeeft zich van de roulette naar een trente-et-quarante-tafel.Een keurig gekleed heer van omstreeks vijf en twintig jaren trekt nu mijn opmerkzaamheid. Ik ken hem; ’t is geen landgenoot, maar te Nice heeft hij zijne kamer naast de onze.Ja, ’t is de neef van een Franschman, wiens groote gaven zijn naam beroemd maken. Nog geen jaar geleden is die neef getrouwd; hij had fortuin; maar—het bekoorlijke vrouwtje—la gentille Alice B....—die hem haar hand en hart wou schenken, we hadden haar voor weinige dagen op den corridor ontmoet met oogen van ’t schreien rood.“Ah c’est lui qui l’a fait!” had men ons gezegd: “Il perd tout son argent! la pauvre belle femme!”En daar zat hij. En zijn oogen zwommen in een geelachtig rood, en met de vlakke hand streek hij van tijd tot tijd de zweetparels weg, die hem van de haren dropen—ofschoon zijn uiterlijk voor ’t overige zeer kalm schijnt. Hij neemt een bankbiljet uit een blijkbaar schraalvoorziene portefeuille.... Neen, het bankbiljet verdwijnt weder.—Hij opent een portemonnaie, neemt een goudstuk en volgt met schijnbaar rustigen blik het loopende spel.... Zie, de bank verliest. Ha! Nú moet het goudstuk wachten, en tóch het bankbiljet van vijfhonderd francs gewaagd worden.Hij zet op 20—l’age d’Alice!Een oogenblik later heeft de hark van den croupier de vijfhonderd francs doen verdwijnen. Op het gelaat van den speler is geen bijzondere gewaarwording te lezen. Nochtans zijn hand trilt zichtbaar als zij in ’t einde het straks teruggehouden goudstuk op “rood” zet.“Vingt; noir, pair, passe!” roept de croupier.Het gelaat van den jongen man is nu doodelijk wit geworden. Hij ziet naar de schatten van den croupier en ook vluchtig naar de stapeltjes goud van den matrone die naast hem zit.—’t Wordt er hem te benauwd.—“Permettez!” zegt hij opstaande, en alshij achter de massa verdwijnt, dan heeft een vreeselijk bleek jonkman, die akelig kucht en hoogst waarschijnlijk in de laatste periode van tering verkeert, den verlaten stoel reeds in bezit genomen.Een zonderling gedruisch wordt op ’t onverwachts in de zaal gehoord. De menigte, die zich voortdurend rondom de tafels beweegt, stroomt eensklaps naar eenzelfde tafel ter linkerzij. Men mompelt en spreekt alras luider.Wat is er gebeurd? Men weet het niet.De bankdirectiewilhet niet weten. Een schandaal moetá tout prixvermeden worden.—’t Is hier allesdigne, hoogst fatsoenlijk!—La banque, c’est la paix!De persoon, die met zooveel behendigheid een goudstuk onder de hand van den croupier heeft weggemoffeld, wordt openlijk in het gelijk gesteld. ’t Was een vergissing. De persoon die den dief heeft betrapt zal zich vergist hebben.“Messieurs faites votre jeu!”Indien gij meent, dat de jonge man, die den beroemden naam draagt, en zooeven zijn laatste goudstuk verloor, zich tot het plegen van een diefstal heeft kunnen verlagen, dan bedriegt gij u. De dief, die door zekere personen scherp in het oog wordt gehouden, en zich al spoedig ziet aangesproken, om zich kort daarna met zijn nieuwen “vriend”—een net gekleed geheim politie-agent te verwijderen, isle nomméPyr, garçon de cafévan Florence, en—’t werd reeds vroeger gezegd, dat hij zijn dierbare vaderstad slechts vluchtig zal weerzien om een établissement in Toulon te betrekken, waar hem voor altijd de lust zal vergaan, zijn fortuin met gestolen geld te beproeven.Maar de man met den gevierden naam?Tegen den middag van dienzelfden dag moesten de lampen reeds vroegtijdig in de speelzaal worden ontstoken. Een geelbleeke, bijna armoedig gekleede dame, die, sedert een groot jaar dagelijks van Nice vice-versa reist, om, in weerwil dat zij somtijds kleine sommen wint en te gelijk nooit meer dan een vijf-francstuk waagt, toch van lieverlee haar matig vermogen te zien verdwijnen, die dame, reeds scherp turende door haar lorgnet, had reeds de opmerking gefluisterd, dat het te donker werd, om het spel naar eisch te kunnen volgen.De jonkman met de tering, die een paar vuurroode kleurtjes boven de jukbeenderen heeft, zegt kuchende: “Ich spiele im Nachtdunkel.”De vroegere duisternis werd veroorzaakt door een wolkenmassa, die uit zee kwam opzetten en straks, na een vluchtig licht, de hooge zaalvensters doet dreunen van een geweldigen donderslag.De gaskronen zijn spoedig ontstoken. Het bevreemdt u dat er geen gas boven die speeltafels brandt, maar—le maître d’hôtel connait son monde. Boven iedere tafel worden twee brandende carcellampen aan de vergulde kettingen opgehangen. Met zulke olielampen loopt men geen gevaar, door het afsluiten van een gaskraan de speeltafel met haar schatten plotseling in ’t duister te zien gehuld.En buiten ontlast zich het donkere zwerk in een geweldigen plasregen. Langs de paden, terrassen en trappen van den Monte-Carlostroomt het water gutsend naar omlaag. De voorlaatste trein in de richting van Nice en Marseille zal slechts luttel reizigers van Monte-Carlo met zich nemen. Om den regenstroom te ontgaan blijft men in de speelzaal een goudstroom verwachten.Binnen de schier ledige wachtkamer van het station Monte-Carlo heeft zich een net gekleed heer in een der causeuses gezet.Nu staat hij op; gaat het vertrek een paar malen op en neer en vraagt dan aan den deurwachter of de laatste trein naar Nice niet te elf uren twaalf minuten vertrekt.Na een bevestigend antwoord te hebben ontvangen, begeeft de jonge man zich naar buiten. ’t Besluit was genomen. Men zegt dat de eigenares van de bank den totaal geruïneerde niet verlegen laat.—Ja, die oude vrouw zal helpen;—Nuzijnvermogen het hare is geworden, nu zal zij den berooide een klein gedeelte er van niet weigeren!Haastig voortgaande bemerkt hij ternauwernood dat de slagregen zijn kleeren geheel doortrekt en dat hij bij het stijgen schier een bergstroom doorwaadt.Nochtans, nu staat hij weer stil en aarzelt opnieuw.De drager van een naam door meer dan één volk met eere genoemd, zal hij zich verlagen tot het smeeken om een aalmoes aan de vrouw, die?....Wie is zij? Wie was haar man!?Men heeft hem van een fortuinzoeker verhaald, die slechts een speelzaal te Parijs verliet, om te Homburg zijn werk te vervolgen; die, van daar verdreven, een vorst aan den speelduivel koppelde en het vorige jaar ten grave daalde zonder van zijn vermogen, meer dan tachtig millioenen schats, iets anders te kunnen meenemen dan de vervloeking van duizenden, die hij in de zonde gestijfd en verstrikt had.Maar die vrouw! Men heeft hem immers ook gezegd dat zij kerken en godshuizen bouwt, en stijgt haar naam niet in eere, als zij met die millioenen haar dochters aan prinsen en vorsten huwt!Doch hoor, de stormwind loeit: en ja, daar boven in die groote zalen van het Casino, daar wordt wel het noodweer door muziektonen en goudgeklank overstemd, maar ginder, dringt er diezelfde huilende storm niet door tot een vrouwenhart, als hij hier langs palmen en cypressen de schrille kreten wekt:“Wij lieten ons goud ook inuwezalen en stortten ons bloed ook naastuwebloemen. Gevloekt, gevloekt, zij uw naam!”En tot háár zou hij zich om een aalmoes wenden!?—Neen, duizendwerf neen! Liever berooid, en met tranen het brood der ellende gegeten, dan te bedelen bij haar, die met kwistige hand den speelduivel voedt.Maar hij zelf,hijheeft immers aan dien duivel geofferd: ja, groote God, gansch en al, en geheel vrijwillig: vermogen; geluk; de toekomst van zijne jonge vrouw, en—van hun kind, nog ongeboren!Een paar uren later vliegt de sneltrein door den duisteren nacht.Een conducteur heeft aan het station te Monte-Carlo de retourbiljetten van de reizigers der eerste klasse gezien.Naast een ons reeds bekende geelbleeke dame, die sedert haar afreis in den morgen in ’t Casino niets heeft genuttigd, en daarom nu op de terugreis, volgens gewoonte, haar broodje en granaatappels en gebraden kastanjes gebruikt—naast haar zit een man, wiens kleeren zoodanig van het regenwater druipen, dat de dame haar japon reeds wat ter zij heeft getrokken en een der tegenover hem gezeten reizigers gedurig pruttelt en ten slotte de opmerking maakt, dat de bodem van dit compartiment “un vrai Paillon” gelijkt.Slechts de naam van den bergstroom heeft het oor van dien man getroffen. Strak staart hij voor zich heen. In zijn binnenste kookt het, zooals die stroom over zijn keien-bed thans voortbruist in woeste vaart.Wat men rondom hem spreekt hij weet het niet. Het sterker gerommel van den trein, wanneer hij door de lange tunnels boort, ontgaat hem, of wel, het doet hem in stilte verzuchten: dat die tunnel instorten en het rotsgevaarte hem voor eeuwig begraven mocht.En in het namiddaguur van dien zelfden dag heeft een jonge vrouw de lange Avenue de la Gare te Nice ten einde gewandeld, en achter den stam van een hoogen Eucalyptus, ter zij van den breeden stationsweg, heeft zij getoefd en getuurd in de richting van het station, totdat een traan haar oogen geheel heeft verduisterd.Gérard had gezegd, dat hij waarschijnlijk reeds met den namiddagtrein van Monte-Carlo zou terugkeeren. Het jaarcijfervan zijn Alice zou hem geluk brengen. Ja zeker! dat wist hij!En sedert dien namiddag is het een avond geworden met regen en storm. En met den sneltrein van omstreeks elf uren—waarmee hij gewoonlijk terugkwam, is hij nog niet gekomen.—Misschien is er een oponthoud geweest, zoo peinst zij. In den grooten tunnel bij Villefranche is men met herstellingen bezig en ’t gebeurt wel eens, dat de trein er een geruimen tijd moet wachten. Misschien ook was Gérard “en veine” en bleef hij er daarom tot den laatsten trein.—O! indien hij eens alles had teruggewonnen!—Maar neen, neen, dat zal, dat kan niet zoo wezen. Immers zij heeft hem gesmeekt, gebeden, niet meer naar die speelhel te gaan, want, ja, haar voorspelling moest uitkomen dat hij alles,ALLESverliezen zou.—O God,.... als die tunnel eens ingestort was!Bij die laatste zoo plotseling gerezen gedachte is het angstzweet der arme vrouw uitgebroken. IJlings staat zij op, opent het venster en ziet naar buiten, maar de wind slaat haar den fellen regen in het aangezicht en dooft terzelfder tijd de bougie die er brandt op de tafel.O, groote God, die tunnel! Men heeft gesproken van gevaar door de veelvuldige regens der laatste dagen veroorzaakt. Ja, dat water, neerstortende langs holen en spleten, boort er kanalen en doet de kalksteen splijten, en, o Sainte Vierge! schreit de jonge vrouw schier overluid,sauve lui, mon cher, mon pauvre Gérard!In allerijl heeft ze het licht weer ontstoken. Ze ziet op de pendule, ’t Is bij halftwaalf.—O, die onzekerheid! Ze zal........ Neen, ze moet kalm zijn.—Die laatste dagen van spanning hebben haar angstig gemaakt. Als vrouw, als aanstaande moeder is zij verplicht den lang voorzienen vreeselijken slag met waardigheid te dragen. Die vrees voor tunnels en levensgevaar, ’t was overdreven.—’t Is immers nog tweemaal gebeurd, dat Gérard met den laatsten trein, omstreeks kwart na twaalven, was teruggekeerd. Ze zal hem nu rustig wachten, en dan,—wanneer zijn eertijds zoo vriendelijk stralend oog haar met matten blik de droeve waarheid zal hebben gemeld, dan zal ze hem niets verwijten, niets! dan zal ze hem te gemoet treden, en het hoofd tegen zijn schouder leunen, en den arm om zijn hals slaan en hem toefluisteren: Dat alles is nu voorbij, Gérard. Maar we hebben elkaar toch behouden, is het zoo niet! En van de kleine rente, die ik jaarlijks ontvang, zullen we heel zuinig leven op het land, en werken zullen we allebei; en het grootste geluk zal ons de lieveling schenken, die we verwachten, ons kindje, dat onze rijkdom zal wezen, en nooit mag weten dat zijne moeder, vóór zijne komst wel eens heel droevig heeft geschreid.—Ja, ja, zoo zal ze spreken,—of neen, aan dat schreien zal ze hem niet herinneren; die razernij, die speelwoede moet vergeten, een gansch afgesloten verleden worden. Van detoekomstalleen zal ze hem spreken, van een nieuw werkzaam leven, arm in arm, hart aan hart; van een klaverblad, rijk en schoon door de innigste liefde.—Hoor! daar klinkt een voetstap.—O, als Gérard nu binnenkwam, dan zou ze juist kalm, en vol waarachtige liefde, in dien geest kunnen spreken.—Maar, hij is het niet.—De laatste trein kan ook nauwelijks aanwezen.—Doch ja, aangekomen moet hij reeds zijn.—Indien het niet zulk weer was, dan zou zij den vriend te gemoet gaan.—In den nacht? Waarom niet! Het hotel blijft tot twee uren open; en aan den portier kan ze zeggen.... Of eigenlijk behoeft ze dien man niets te zeggen. De eigen vrouw zal toch wel het recht hebben om, zelfs als het wat laat is, haar man van den trein te gaan halen, en vooral als zij wat onrustig wordt.—Maar zij is niet onrustig; ze wil alleen zoo spoedig mogelijk haar lieven man ontmoeten, om hem een zoen—zoo’n innigen zoen te geven en hem zóó reeds te doen gevoelen, dat hij “het beste” nog niet verloor.Toch staat zij een oogenblik later weer in onrust op en luistert.... doch verneemt niets dan het nog sterker gekletter van den regen tegen de ruiten.—O zeker, haar gejaagdheid is zeer verklaarbaar. Doch,—zij wil zich verstrooien. Wel zeker, het hoofdstuk, ’t welk ze in den namiddag begon, wil zij ten einde lezen. Zij zet zich. Maar als zij aan ’t eind der eerste bladzij is gekomen, dan heeft zij, wel woorden gezien, doch niets gelezen. Ze was te Monaco. Op de terrassen zag ze Gérard. Ze hoort een schot....En slechts weinige minuten later stond daar achter een der vierkante kolommen van de arcade aan het eind der Place Masséna een jonge vrouw, turende in de richting van de Avenue de la Gare. Het vreeselijk visioen van daar straks, het staat haar gedurig voor den geest. Of de trein reeds lang aan en het dus te laat is, zij weet het niet.Er komen nog rijtuigen en ook zeer enkele voetgangers uit die richting naar deze zij. Neen, men zal haar niet bemerken. Maar al zou men haar zien en haar schaamteloos toespreken, ze zal hier blijven; immers wat deert het haar; zij wacht haar man!En hij zal komen.... ja, want die akelige voorstelling was een leugen, een zinsbedrog. Een siddering van verrukking doortintelt de arme vrouw. O Jezus! Maria dank! daar komt hij! Bij dat gaslicht van verre heeft ze hem gezien. Dat was zijn gang—zijn figuur. Ja, hij draagt een lagen hoed.—Zie hij nadert.—Ondanks den plassenden regen ijlt ze op hem toe. Maar.... groote God! dat stak als een dolk: een vreemde wijkt ter zij en werpt haar de woorden toe: “Trop tard petite; ma femme m’attend.”“O, Sainte Vierge!” krijt de hevig geschokte, en duikt, zedig in haar donkeren schuilhoek. En schreiende en snikkende, leeft de flauwe hoop nog op in haar borst, dat Gérard langs een anderen weg in hun hotel zal zijn teruggekeerd, en als een gejaagde hinde spoedt zij zich voort en bereikt de zoozeer bevolkte woning, die voor haar echter ledig, geheel en al ledig is.Omstreeks dien zelfden tijd, terwijl de bezoekers van Monte-Carlo, die met den laatsten trein in Nice waren teruggekeerd, voorzeker reeds allen hun woning hadden bereikt, ging een jong man langzaam langs een der achterstraten van Nice naar de Place Grimaldi, een lommerrijk plantsoen, ’t welk rust op bogen, waaronder de bergstroom voor een wijle in ’t verborgen bruist. Nog slechts weinige minuten geleden stond hij op den hoek van den breeden Pont Neuf, het oog strak gericht op de kamers, waar de vrouw hem wachtte, die hij zoo innig liefhad aleer de zucht naar rijkdom en goud die liefde versmoorde.—Maar dat was gelogen! Hij heeft haar nóg lief. ’t Was immers zijn doel, zijn streven geweest om haar rijk en gelukkig te maken! O God! en het moest hun verderf worden! Zij heeft het hem gezegd! Duizendmalen heeft zij hem gesmeekt—gebeden, om niet voort te gaan op dien weg.Doch de hartstocht heeft hem verblind. De winzucht heeft hem koortsig het bloed door de aderen gejaagd. “Terugwinnen!” is de lokstem geworden van den satan—die hem altijd weder bergen vol gouds in de toekomst bleef toonen.O groote God! waartoe te leven? Die jonge schoone vrouw zien wegkwijnen in armoede en ellende; geketend aan den man, die als het beeld van wroeging steeds een schaduw zal werpen op haar pad!—Ja zonder hem zal zij vrijer ademen; voor haar alleen zal het noodige niet ontbreken; en—verlost van den “speler” zullen bloedverwanten en vrienden haar met liefde omringen!De nacht is donker. Ofschoon het niet meer regent, jagen zware wolken nog steeds voort aan den hemel. Van verre ratelt de golfslag der hoogschuimende zee langs het keien-strand. Op den linkeroever van den Paillon, onder de hooge platanen, wier takken zwiepen en kraken, wendt de jonge man eensklaps zijn schreden naar de steenen balustrade, aan wier buitenwand de bergstroom zich in de diepte een weg baant naar zee. Bij het flikkerend licht van een gaslantaarn vindt hij gemakkelijk de steenen trap, die naar de veeltijds droge bedding voert, terwijl nu echter, bij den hooggezwollen stroom, het schuimende water op de onderste treden klotst.Bij het afdalen raakt zijn gloeiende hand den ijskouden glibberigen muur.—Dat is de doodskou!—Hij huivert. De klokken van Nice verkondigen het eerste uur na middernacht; maar toch, het licht van dezen nieuwen dag zal hij niet aanschouwen.Nooit zal hij het daglicht meer zien, de zon die zoo helder scheen, toen zij op dien schoonsten dag van zijn leven, in ’t wit satijn en met den witten sluier om haar blanke schouders, aan zijn zijde zijn eenige rijkdom was, toen haar liefdevol oog hem toeblonk als de reinste diamant........—Haar diamanten!—Als hij eens een laatste kans kon beproeven met de kleinoodien, die Alice bezit.—O God, dat was de duivel!—De vonken en glanzen, die ginds en her van gaslantaarns of hoog vensterlicht in ’t bruisende water wiegen, ze hebben hem de diamanten en nogmaals het goud dier speelbank getoond. O, glimplichten zijn het!—rijk worden, ’t is een hersenschim. Nog geluk vinden op aarde—een onmogelijkheid!Zie, de bergstroom klimt. Duizelig donker is het daarbeneden. Een vochtwalm, met dampen van den plotseling overstroomden vunzen bodem benauwen de borst. En de klokken van “Nizza la bella” brommen in dien donkeren nacht reeds het tweede uur van den nieuwen dag. En nog altijd giert de Libeccio en bruist de Paillon, terwijl de laatste, wat hem weerstaat meesleurt, langs pijler en steen naar den wijden Oceaan.In den namiddag van dien zelfden dag berichtten reeds de nieuwsbladen van Nice dat men nabij de monding van den Paillon, tusschen een paar rotsblokken gekneld, het lijk van een jonkman had gevonden, wiens gelaat deerlijk verminkt, niet te herkennen was, terwijl nadere bijzonderheden omtrent den persoon vooralsnog ontbraken. Naar men vermoedde—zoo schreef men—moest de ongelukkige een nieuw slachtoffer zijn van den duivel, die, van elders verjaagd, helaas voorgoed naar ’t scheen, zijn troon aan de boorden der Middellandsche Zee had gevestigd. En, met de bijvoeging, dat men zich gelukkig mocht achten, dewijl er in de verloopen maand, slechts twee gevallen van zelfmoord hadden plaats gehad, terwijl men er in dezelfde maand van het vorige jaar een twaalftal2te vermelden had, constateerde men den volgenden dag nietslechts het droevige feit, dat de speeltafel een nieuw slachtoffer telde, maar verzekerde men er nog bij, dat, de ongelukkige zijnzeer aanzienlijkvermogen tot den laatsten franc toe had verspeeld, en een treurende weduwe niet slechts in droefheid, maar ook in bitteren nood had achtergelaten.En het nieuwsblad, waarin dit treffende bericht stond te lezen, het trilde in de hand van de jonge vrouw die, twee dagen geleden onder de arcades, haar Gérard heeft gewacht en die nog later zoo vele bloedige tranen heeft geschreid.“O God!” roept ze, terwijl het nieuwsblad haar hand ontglijdt en ze zich aan de borst van haar dierbaren, tot haar wedergekeerden man werpt. “O Gérard, je hebt me lief! Ja dat heb je getoond, mijn schat, mijn leven!”En hij, hij drukte haar vurig aan zijn borst.Engelachtig geduld! onbegrensde vrouwenliefde! Och hij heeft haar getoond hoe lief hij haar had! Als de berooide is hij tot haar teruggekeerd. Arm zijn ze; arm heeft hij haar gemaakt, ellendig en arm. Maar zij—“Neen, neen” vleit ze op den zoetsten toon der liefde; “Rijk heb je mij gemaakt door je moed, door niet te vertwijfelen in die bange ure; door het besluit om te willen leven, ja, te leven voor mij!—O God! die arme vrouw!” en met een blik naar het vallende nieuwsblad herhaalde zij: “Die arme, arme vrouw!”En drie dagen later verlieten de jeugdige echtgenooten de woning, die, ofschoon wel vroolijk gelegen, voor hen zoo somber was geweest. Ze traden mij voorbij, met een groet, en het was alsof de jonge man zich schaamde omdat—ja, omdat het wel bekend kon wezen dat men de terugreis naar ’t Westen van Frankrijk bekostigde van hetgeen de diamanten zijner Alice hadden opgebracht.Maar het oog der jonge vrouw straalde vol levenshoop, als wilde zij zeggen: “wij zullen ons geluk herwinnen; ziet maar, hij heeft zijn vrouw geen weduw, en ons kindje geen wees willen maken. Wij zullen arbeiden en keeren voor eeuwig den rug——à cet enfer de Monaco!”1Den Minister van Financiën geven we eerbiedig in overweging, om ook in ons Nederland goudstukken van 50 en 100 gulden te doen slaan, natuurlijk niet ten behoeve van hen die ze te Monte-Carlo gaan verspelen.2Wij laten deze cijfers voor rekening van dien berichtgever.J. J. C.

“Cet enfer de Monaco!” dat waren de woorden, die ik van een teruggekeerde uit Monte-Carlo vernomen had, en de man had het voorkomen van iemand, die zich diep ongelukkig gevoelt. Het heeft mij vroeger wel eens verbaasd, dat zoovele menschen, die vast aan een “hel” gelooven, zoo gerust een weg bewandelen, waarop zij—volgens dat geloof—wiskunstig zeker die hel te gemoet gaan.

Nadat ik echter op zoo menig schouwtooneel die folterplaats, vol geween en knarsing der tanden, als een tooverpaleis, stralende van licht en van kleuren, vol zingenot zag voorgesteld, maar vooral ook, sedert Dantes hel, met die van Doré vereenigd, mij een onvergetelijk kunstgenot schonk, begrijp ik nog beter dat de bedoelde personen, in weerwil van hun geloof, op een hel rekenen, die inderdaad nog niet zoo zwart en zoo heel verschrikkelijk wezen zal.

Men noemt oneigenlijk den naam van het stadjeMonaco, als men van de plaats spreekt, die op een andere rotshoogte der kust, ongeveer een kwartier verder westwaarts is gelegen.

Monte-Carlo!Prachtig plekje aan de Middellandsche Zee!

Als men het spoorwegstation, juist bij den golfslag aan den voet der rots, heeft verlaten, dan vindt men aanstonds er achter de breede glooiende trappen, die over en naast den rotswand, naar het Dorado voeren.

Boven gekomen, waart het verraste oog met verrukking rond.

In fijnen toon ziet gij rechts, aan de overzij van een kleine bocht der zee, de rots die, met haar drie étages van woningen in ’t groen, Monaco en zijn vorstelijk paleis omhoog beurt, terwijl de zon vroolijk schittert in het zeenat aan zijn voet en fonkelt in den schuimenden golfslag, die sinds eeuwen de rots bekampt, maar niet zal doen wijken.

Recht voor u uit, en ook ter linkerzijde, hebt gij de zee, die groote—die “blauwe zee!” blauw tot den horizon toe.

En, als zij u uit overoude tijden verhaalt, hoe Hercules van Hellas’ boordenhier’t allereerst voet aan wal kwam zetten; hoe de oudGrieksche held er Geryon en de woeste bergroovers bestreed en verwon, hoe hij de Grieksche beschaving er bracht en hier een weg dwars door de Alpen sloeg, waardoor aan dit oord voor altijd de naam van Portus Herculis verzekerd werd; als gij nog luistert naar haar sprookjes: van de zeenimfen en de Saracenen, en uw oog eensklaps door een eenigszins lager liggende groene vlakte wordt getroffen, dan—schrikt ge, want ge hoort een stem aan uw zij, en het klinkt in uw oor!

“Die groene vlakte dáár, dat is de Tir aux pigeons.”

“Ei, is dat de Tir aux pigeons!”Uitzekeren hemel was ik alreeds in een soort van hel gevallen.

Het schandelijkst, lafhartigst en wreedst vermaak, ’t welk ooit werd uitgedacht, wordt ook hier even schaamteloos aangeboden, als helaas door zoovelen zonder zelfverachting genoten.

Is niet de duif het beeld der reinheid en zachtheid, ’t symbool der zoetste liefde? Welnu, tweemaal ’s weeks worden een aantal van die bevallige diertjes, wit als sneeuw of blauw als een zomerhemel, uit hun cages genomen en gekerkerd in gaten met beweegbare kleppen, welke gaten op kleine afstanden van elkander, in die grasvlakte zijn gemaakt.

De duif, snakkende naar licht en lucht, wendt binnen die holen haar uiterste krachten aan, om dien vreeselijken onderaardschen kerker te ontkomen. Ten laatste doodelijk vermoeid, ontsnapt het diertje aan dat knellende en martelende dak.

Het duizelt, zwenkt, ziet de blauwe lucht, verzamelt nog eens zijn krachten om zich hoog boven die aardsche folterplaats te verheffen, en.... Dan is het oogenblik van genot voor den mensch gekomen. De arme bedwelmde duif te treffen in haar vlucht; haar te zien buitelen, vallen! welk een voldoening!

Maar niet zelden mist het schot van den onervaren schutter geheel of ten deele. In het eerste geval keert de argelooze duif naar haar kooi terug, waar zij haastig wordt binnengelaten, om haar weinige dagen later nogmaals aan dat “vermakelijke spel” te kunnen overleveren. In het tweede geval heeft men het eigenaardig genot van zijn slachtoffer te zien fladderen,—telkens weer zich verheffende, om het allengskens afgetobt te zien dalen, al lager en lager naar de zee—die zich straks over de arme ontfermen zal.

Men zegt dat ook vrouwen....

“Kom mee; we moeten verder!”

Als gij u omwendt, dan ziet ge op de hoogte van het zeer breede terras den prachtigen nieuw opgetrokken voorgevel van het Casino-gebouw aan de zeezijde—met zijn schoone lijnen en voortreffelijk beeldwerk. Doch de toegang tot het gebouw is niet aan deze zijde. Van het terras, met zijn hooge, wit marmeren bloemvazen, begeven wij ons, langs welig begroeide perken, naar dien ingang aan de landzijde. De liefelijkste plekjes, en tal van belommerde banken nooden u er een wijle te rusten.

Die verzoeking kunt en moogt ge niet weerstaan. Zie, de cactussenmet haar opeengroeiende bladeren, grooter dan het ovaal van een menschenhoofd, reusachtige aloë’s, hier en ginder bloeiende met een stengel van ruim zes meters hoog; bloemen, overal lachende in ’t rond, purperroode camelia’s, geraniums vol geuren, en inzonderheid de rozen, die hier voor geen wintermaand wijken.—En dan, langs die bosschages, zoowel van het blijvende, alsook van het nú weer zoo liefelijk ontloken lentegroen, langs de stammen en onder het loof door van ceders en mirten en oranjes, van seringen, peperboomen en citroenen, tintelt in het helblinkende zonlicht de blauwe zee, en schittert het witte zeil van een schip in de verte.

O, men zou er willen blijven in dat paradijs. Maar, de paradijsslang verloor haar lokstem nog niet.

Toen men dit Eden op de eertijds zoo weinig bezochte rotshoogte, grootendeels kunstmatig, in ’t aanzijn riep, toen heeft men wel degelijk op haar lokstem gerekend. Neen, onder dat heerlijke lommer toeft men niet langer. Men moet verder! Die slingerpaden golven zelfs niet veel, en voeren schier rechtstreeks tot het doel.—Reeds bevindt ge u aan de Noordzijde, bij den ingang van het Casino.

Een breede trap met kolonnade, die u aan het Stedelijk Badhuis te Scheveningen herinnert, voert u in een zeer breede vestibule.—Recht voor u uit—over de geheele breedte van het gebouw—bevindt zich de bal- en concertzaal, waar des middags en ’s avonds een uitmuntend en sterk bezet orkest bij voorkeur Italiaansche muziek doet hooren. Het plafond der zaal, waarvan de eenigszins gewelfde hoeken door vier reusachtige, vergulde vrouwenbeelden—de priesteressen van een “gouden” vrede—wordt gedragen, is voorts versierd met onderscheidene hoogst verdienstelijk geschilderde tafreelen, in den geest van het carré boven de vermaarde trap der groote opera te Parijs. De toon der geheele zaal, die nog met een menigte ander beeld- en schilderwerk, op ’t kwistigst is versierd, heeft, in den toon van havanna met goud, iets sombers, zoodat de frisch roode kleur van het fluweel der achthonderd zeer gemakkelijke fauteuils er volstrekt geen kwaad doet.

Ter rechterzijde van de straks binnengetreden vestibule, bevinden zich de conversatie- en leeszalen. In een der laatsten is het getal nieuwsbladen legio, en ook Nederlandsche couranten ontbreken er niet.

Het Casino van den Monte-Carlo biedt alles, wat er in zijn parken te zien, of binnen zijn zalen te genieten valt, den vreemdeling gratis aan en zoo ook het noodzakelijke toegang-bewijs tot de groote zaal terlinkerzijde der vestibule.

Een goud-gegalonneerde Cerberus opent u een breede deur, en gij betreedt die zoozeer bevoorrechte plek, waaraan de bekrompen geest dezer eeuw nog niet zijn ruwe hand durfde slaan, en waar het den mensch ten minste nog vrij staat zijngelukte beproeven!

Overdag en zelfs des avonds bij lamplicht, heeft die zeer groote speelzaal mede iets sombers. Zij is in Moorschen stijl gebouwd en op Oostersche wijze rijk gekleurd en behangen.

Aan de zes tamelijk ver vaneen geplaatste speeltafels ziet gij,in ’t midden der roulette-tafels, vier croupiers, twee aan twee tegenover elkander gezeten, en achter hen, op wat hoogere stoelen, hun bespieders, inspecteurs genoemd; terwijl aan de beide uiteinden der tafel weder een assistent heeft plaats genomen. Aan de trente-et-quarante-tafels is het dienstdoende personeel iets minder sterk. Die “ambtenaren” worden van tijd tot tijd door versche confraters afgewisseld, want van des middags 12 tot des avonds 11 uren staat de affaire geen oogenblik stil.

En—tusschen die mannen met hun zwarte harkjes en scherpziende oogen en ongeloofelijk snel geldschietende en geldstapelende vingers, tusschen die dienaren van “la veuve Blanc”, zitten mannen en vrouwen van allerlei stand en leeftijd,—men zou zeggen “op ’t eendrachtigst saamverbonden” neer.

De Prince de X zit er naast dennomméPyr, die als garçon de café in Florence zijn meester bestal en al spoedig zal worden ingerekend, na het gestolen geld aan den speelduivel te hebben geofferd.

Madame la Baronne de V. zit er tegenover een vervaarlijk roodgeverfde matrone met elf ringen aan vijf vingers.

Inzonderheid om de tafels waaraan een speler—bij uitzondering—zeer “en veine” is, of ook waar in weinige oogenblikken duizenden worden verloren, verdringt zich de vlottende menigte, die overigens met een onophoudelijk va-et-vient haar geluk nu eens aan deze, dan weder aan gene tafel beproeft.

Te midden van een aanhoudend geschuifel en gefluister, waarboven slechts de stem van den croupier en het voortdurend gekling-klang van geld wordt vernomen, treffen de zachtgesproken woorden: “Tiens, comme ce grand est en veine!” mijn oor.

’t Was een breedgeschouderd man van een buitengewone grootte, met een aristocratisch schoon gelaat. De rechte neus zetelde boven den forsch vooruitspringenden knevel, die den fijn besneden mond overschaduwde. Aan zijn blanke hand droeg hij een zwaren zegelring.—Achter de speeltafel staande speelde hij over den schouder der zittenden heen. Eenige goudstukken van honderd francs1werden door hem op “rood” gezet, en, zeven bankbiljetten van vijfhonderd franc fladderden er naast.

Het balletje der roulette vloog in ’t rond.

Welke diepe voren ploegden nu dat schoone voorhoofd!

“Treize; noir, impaire; passe!” riep de croupier, terwijl hij schier terzelfder tijd het geld van den edelman wegharkte en tevens het goud en zilver van zoovelen, die den man “en veine” op “rood” waren gevolgd.

Tot hen behoorde een oud heer met zilverwitte haren en een hoogst eerwaardig voorkomen; althans wanneer hij met de blankewimpers naar omlaag,—prikkende in het speelkaartje—zijn kans te berekenen zat. Als hij de oogleden even opsloeg, dan zochten ze goud!

Een dame aan zijn zij ziet zeer bleek, terwijl ze een klein hoopje goud met haar fijne vingertoppen terdeeg schikt, maar inderdaad, blijkbaar zoekt ze te tellen. Een heer, die tegenover haar zit en gedurig schuw in ’t rond ziet, is zeer rood, geweldig rood, bijna zoo rood als de roos op den sterk gewelfden boezem van een dametje, dat telkens moet wisselen en opzetten voor een zonderling geverfd oud heer met een magnifique zwarte krulpruik en een verbazend groot bouquet in den boezem van zijn vest, waarboven hij een hemelsblauwe das draagt. Die heer is blind en ik hoor hem tot zijn dametje zeggen;Yes darling twenty-four, and black!”

Darling speelt en verliest. Of darling zóóveel opzet als de blinde bedoelt.... dat weet ik niet.

Naar mijn vluchtige berekening heeft de groote edelman van daareven in drie zetten meer dan tienduizend francs verloren. Hij begeeft zich van de roulette naar een trente-et-quarante-tafel.

Een keurig gekleed heer van omstreeks vijf en twintig jaren trekt nu mijn opmerkzaamheid. Ik ken hem; ’t is geen landgenoot, maar te Nice heeft hij zijne kamer naast de onze.

Ja, ’t is de neef van een Franschman, wiens groote gaven zijn naam beroemd maken. Nog geen jaar geleden is die neef getrouwd; hij had fortuin; maar—het bekoorlijke vrouwtje—la gentille Alice B....—die hem haar hand en hart wou schenken, we hadden haar voor weinige dagen op den corridor ontmoet met oogen van ’t schreien rood.

“Ah c’est lui qui l’a fait!” had men ons gezegd: “Il perd tout son argent! la pauvre belle femme!”

En daar zat hij. En zijn oogen zwommen in een geelachtig rood, en met de vlakke hand streek hij van tijd tot tijd de zweetparels weg, die hem van de haren dropen—ofschoon zijn uiterlijk voor ’t overige zeer kalm schijnt. Hij neemt een bankbiljet uit een blijkbaar schraalvoorziene portefeuille.... Neen, het bankbiljet verdwijnt weder.—Hij opent een portemonnaie, neemt een goudstuk en volgt met schijnbaar rustigen blik het loopende spel.... Zie, de bank verliest. Ha! Nú moet het goudstuk wachten, en tóch het bankbiljet van vijfhonderd francs gewaagd worden.

Hij zet op 20—l’age d’Alice!

Een oogenblik later heeft de hark van den croupier de vijfhonderd francs doen verdwijnen. Op het gelaat van den speler is geen bijzondere gewaarwording te lezen. Nochtans zijn hand trilt zichtbaar als zij in ’t einde het straks teruggehouden goudstuk op “rood” zet.

“Vingt; noir, pair, passe!” roept de croupier.

Het gelaat van den jongen man is nu doodelijk wit geworden. Hij ziet naar de schatten van den croupier en ook vluchtig naar de stapeltjes goud van den matrone die naast hem zit.—’t Wordt er hem te benauwd.—“Permettez!” zegt hij opstaande, en alshij achter de massa verdwijnt, dan heeft een vreeselijk bleek jonkman, die akelig kucht en hoogst waarschijnlijk in de laatste periode van tering verkeert, den verlaten stoel reeds in bezit genomen.

Een zonderling gedruisch wordt op ’t onverwachts in de zaal gehoord. De menigte, die zich voortdurend rondom de tafels beweegt, stroomt eensklaps naar eenzelfde tafel ter linkerzij. Men mompelt en spreekt alras luider.

Wat is er gebeurd? Men weet het niet.

De bankdirectiewilhet niet weten. Een schandaal moetá tout prixvermeden worden.—’t Is hier allesdigne, hoogst fatsoenlijk!—La banque, c’est la paix!

De persoon, die met zooveel behendigheid een goudstuk onder de hand van den croupier heeft weggemoffeld, wordt openlijk in het gelijk gesteld. ’t Was een vergissing. De persoon die den dief heeft betrapt zal zich vergist hebben.

“Messieurs faites votre jeu!”

Indien gij meent, dat de jonge man, die den beroemden naam draagt, en zooeven zijn laatste goudstuk verloor, zich tot het plegen van een diefstal heeft kunnen verlagen, dan bedriegt gij u. De dief, die door zekere personen scherp in het oog wordt gehouden, en zich al spoedig ziet aangesproken, om zich kort daarna met zijn nieuwen “vriend”—een net gekleed geheim politie-agent te verwijderen, isle nomméPyr, garçon de cafévan Florence, en—’t werd reeds vroeger gezegd, dat hij zijn dierbare vaderstad slechts vluchtig zal weerzien om een établissement in Toulon te betrekken, waar hem voor altijd de lust zal vergaan, zijn fortuin met gestolen geld te beproeven.

Maar de man met den gevierden naam?

Tegen den middag van dienzelfden dag moesten de lampen reeds vroegtijdig in de speelzaal worden ontstoken. Een geelbleeke, bijna armoedig gekleede dame, die, sedert een groot jaar dagelijks van Nice vice-versa reist, om, in weerwil dat zij somtijds kleine sommen wint en te gelijk nooit meer dan een vijf-francstuk waagt, toch van lieverlee haar matig vermogen te zien verdwijnen, die dame, reeds scherp turende door haar lorgnet, had reeds de opmerking gefluisterd, dat het te donker werd, om het spel naar eisch te kunnen volgen.

De jonkman met de tering, die een paar vuurroode kleurtjes boven de jukbeenderen heeft, zegt kuchende: “Ich spiele im Nachtdunkel.”

De vroegere duisternis werd veroorzaakt door een wolkenmassa, die uit zee kwam opzetten en straks, na een vluchtig licht, de hooge zaalvensters doet dreunen van een geweldigen donderslag.

De gaskronen zijn spoedig ontstoken. Het bevreemdt u dat er geen gas boven die speeltafels brandt, maar—le maître d’hôtel connait son monde. Boven iedere tafel worden twee brandende carcellampen aan de vergulde kettingen opgehangen. Met zulke olielampen loopt men geen gevaar, door het afsluiten van een gaskraan de speeltafel met haar schatten plotseling in ’t duister te zien gehuld.

En buiten ontlast zich het donkere zwerk in een geweldigen plasregen. Langs de paden, terrassen en trappen van den Monte-Carlostroomt het water gutsend naar omlaag. De voorlaatste trein in de richting van Nice en Marseille zal slechts luttel reizigers van Monte-Carlo met zich nemen. Om den regenstroom te ontgaan blijft men in de speelzaal een goudstroom verwachten.

Binnen de schier ledige wachtkamer van het station Monte-Carlo heeft zich een net gekleed heer in een der causeuses gezet.

Nu staat hij op; gaat het vertrek een paar malen op en neer en vraagt dan aan den deurwachter of de laatste trein naar Nice niet te elf uren twaalf minuten vertrekt.

Na een bevestigend antwoord te hebben ontvangen, begeeft de jonge man zich naar buiten. ’t Besluit was genomen. Men zegt dat de eigenares van de bank den totaal geruïneerde niet verlegen laat.—Ja, die oude vrouw zal helpen;—Nuzijnvermogen het hare is geworden, nu zal zij den berooide een klein gedeelte er van niet weigeren!

Haastig voortgaande bemerkt hij ternauwernood dat de slagregen zijn kleeren geheel doortrekt en dat hij bij het stijgen schier een bergstroom doorwaadt.

Nochtans, nu staat hij weer stil en aarzelt opnieuw.

De drager van een naam door meer dan één volk met eere genoemd, zal hij zich verlagen tot het smeeken om een aalmoes aan de vrouw, die?....

Wie is zij? Wie was haar man!?

Men heeft hem van een fortuinzoeker verhaald, die slechts een speelzaal te Parijs verliet, om te Homburg zijn werk te vervolgen; die, van daar verdreven, een vorst aan den speelduivel koppelde en het vorige jaar ten grave daalde zonder van zijn vermogen, meer dan tachtig millioenen schats, iets anders te kunnen meenemen dan de vervloeking van duizenden, die hij in de zonde gestijfd en verstrikt had.

Maar die vrouw! Men heeft hem immers ook gezegd dat zij kerken en godshuizen bouwt, en stijgt haar naam niet in eere, als zij met die millioenen haar dochters aan prinsen en vorsten huwt!

Doch hoor, de stormwind loeit: en ja, daar boven in die groote zalen van het Casino, daar wordt wel het noodweer door muziektonen en goudgeklank overstemd, maar ginder, dringt er diezelfde huilende storm niet door tot een vrouwenhart, als hij hier langs palmen en cypressen de schrille kreten wekt:

“Wij lieten ons goud ook inuwezalen en stortten ons bloed ook naastuwebloemen. Gevloekt, gevloekt, zij uw naam!”

En tot háár zou hij zich om een aalmoes wenden!?—Neen, duizendwerf neen! Liever berooid, en met tranen het brood der ellende gegeten, dan te bedelen bij haar, die met kwistige hand den speelduivel voedt.

Maar hij zelf,hijheeft immers aan dien duivel geofferd: ja, groote God, gansch en al, en geheel vrijwillig: vermogen; geluk; de toekomst van zijne jonge vrouw, en—van hun kind, nog ongeboren!

Een paar uren later vliegt de sneltrein door den duisteren nacht.

Een conducteur heeft aan het station te Monte-Carlo de retourbiljetten van de reizigers der eerste klasse gezien.

Naast een ons reeds bekende geelbleeke dame, die sedert haar afreis in den morgen in ’t Casino niets heeft genuttigd, en daarom nu op de terugreis, volgens gewoonte, haar broodje en granaatappels en gebraden kastanjes gebruikt—naast haar zit een man, wiens kleeren zoodanig van het regenwater druipen, dat de dame haar japon reeds wat ter zij heeft getrokken en een der tegenover hem gezeten reizigers gedurig pruttelt en ten slotte de opmerking maakt, dat de bodem van dit compartiment “un vrai Paillon” gelijkt.

Slechts de naam van den bergstroom heeft het oor van dien man getroffen. Strak staart hij voor zich heen. In zijn binnenste kookt het, zooals die stroom over zijn keien-bed thans voortbruist in woeste vaart.

Wat men rondom hem spreekt hij weet het niet. Het sterker gerommel van den trein, wanneer hij door de lange tunnels boort, ontgaat hem, of wel, het doet hem in stilte verzuchten: dat die tunnel instorten en het rotsgevaarte hem voor eeuwig begraven mocht.

En in het namiddaguur van dien zelfden dag heeft een jonge vrouw de lange Avenue de la Gare te Nice ten einde gewandeld, en achter den stam van een hoogen Eucalyptus, ter zij van den breeden stationsweg, heeft zij getoefd en getuurd in de richting van het station, totdat een traan haar oogen geheel heeft verduisterd.

Gérard had gezegd, dat hij waarschijnlijk reeds met den namiddagtrein van Monte-Carlo zou terugkeeren. Het jaarcijfervan zijn Alice zou hem geluk brengen. Ja zeker! dat wist hij!

En sedert dien namiddag is het een avond geworden met regen en storm. En met den sneltrein van omstreeks elf uren—waarmee hij gewoonlijk terugkwam, is hij nog niet gekomen.—Misschien is er een oponthoud geweest, zoo peinst zij. In den grooten tunnel bij Villefranche is men met herstellingen bezig en ’t gebeurt wel eens, dat de trein er een geruimen tijd moet wachten. Misschien ook was Gérard “en veine” en bleef hij er daarom tot den laatsten trein.—O! indien hij eens alles had teruggewonnen!

—Maar neen, neen, dat zal, dat kan niet zoo wezen. Immers zij heeft hem gesmeekt, gebeden, niet meer naar die speelhel te gaan, want, ja, haar voorspelling moest uitkomen dat hij alles,ALLESverliezen zou.—O God,.... als die tunnel eens ingestort was!

Bij die laatste zoo plotseling gerezen gedachte is het angstzweet der arme vrouw uitgebroken. IJlings staat zij op, opent het venster en ziet naar buiten, maar de wind slaat haar den fellen regen in het aangezicht en dooft terzelfder tijd de bougie die er brandt op de tafel.

O, groote God, die tunnel! Men heeft gesproken van gevaar door de veelvuldige regens der laatste dagen veroorzaakt. Ja, dat water, neerstortende langs holen en spleten, boort er kanalen en doet de kalksteen splijten, en, o Sainte Vierge! schreit de jonge vrouw schier overluid,sauve lui, mon cher, mon pauvre Gérard!

In allerijl heeft ze het licht weer ontstoken. Ze ziet op de pendule, ’t Is bij halftwaalf.—O, die onzekerheid! Ze zal........ Neen, ze moet kalm zijn.—Die laatste dagen van spanning hebben haar angstig gemaakt. Als vrouw, als aanstaande moeder is zij verplicht den lang voorzienen vreeselijken slag met waardigheid te dragen. Die vrees voor tunnels en levensgevaar, ’t was overdreven.—’t Is immers nog tweemaal gebeurd, dat Gérard met den laatsten trein, omstreeks kwart na twaalven, was teruggekeerd. Ze zal hem nu rustig wachten, en dan,—wanneer zijn eertijds zoo vriendelijk stralend oog haar met matten blik de droeve waarheid zal hebben gemeld, dan zal ze hem niets verwijten, niets! dan zal ze hem te gemoet treden, en het hoofd tegen zijn schouder leunen, en den arm om zijn hals slaan en hem toefluisteren: Dat alles is nu voorbij, Gérard. Maar we hebben elkaar toch behouden, is het zoo niet! En van de kleine rente, die ik jaarlijks ontvang, zullen we heel zuinig leven op het land, en werken zullen we allebei; en het grootste geluk zal ons de lieveling schenken, die we verwachten, ons kindje, dat onze rijkdom zal wezen, en nooit mag weten dat zijne moeder, vóór zijne komst wel eens heel droevig heeft geschreid.

—Ja, ja, zoo zal ze spreken,—of neen, aan dat schreien zal ze hem niet herinneren; die razernij, die speelwoede moet vergeten, een gansch afgesloten verleden worden. Van detoekomstalleen zal ze hem spreken, van een nieuw werkzaam leven, arm in arm, hart aan hart; van een klaverblad, rijk en schoon door de innigste liefde.

—Hoor! daar klinkt een voetstap.—O, als Gérard nu binnenkwam, dan zou ze juist kalm, en vol waarachtige liefde, in dien geest kunnen spreken.

—Maar, hij is het niet.—De laatste trein kan ook nauwelijks aanwezen.—Doch ja, aangekomen moet hij reeds zijn.—Indien het niet zulk weer was, dan zou zij den vriend te gemoet gaan.—In den nacht? Waarom niet! Het hotel blijft tot twee uren open; en aan den portier kan ze zeggen.... Of eigenlijk behoeft ze dien man niets te zeggen. De eigen vrouw zal toch wel het recht hebben om, zelfs als het wat laat is, haar man van den trein te gaan halen, en vooral als zij wat onrustig wordt.

—Maar zij is niet onrustig; ze wil alleen zoo spoedig mogelijk haar lieven man ontmoeten, om hem een zoen—zoo’n innigen zoen te geven en hem zóó reeds te doen gevoelen, dat hij “het beste” nog niet verloor.

Toch staat zij een oogenblik later weer in onrust op en luistert.... doch verneemt niets dan het nog sterker gekletter van den regen tegen de ruiten.

—O zeker, haar gejaagdheid is zeer verklaarbaar. Doch,—zij wil zich verstrooien. Wel zeker, het hoofdstuk, ’t welk ze in den namiddag begon, wil zij ten einde lezen. Zij zet zich. Maar als zij aan ’t eind der eerste bladzij is gekomen, dan heeft zij, wel woorden gezien, doch niets gelezen. Ze was te Monaco. Op de terrassen zag ze Gérard. Ze hoort een schot....

En slechts weinige minuten later stond daar achter een der vierkante kolommen van de arcade aan het eind der Place Masséna een jonge vrouw, turende in de richting van de Avenue de la Gare. Het vreeselijk visioen van daar straks, het staat haar gedurig voor den geest. Of de trein reeds lang aan en het dus te laat is, zij weet het niet.

Er komen nog rijtuigen en ook zeer enkele voetgangers uit die richting naar deze zij. Neen, men zal haar niet bemerken. Maar al zou men haar zien en haar schaamteloos toespreken, ze zal hier blijven; immers wat deert het haar; zij wacht haar man!

En hij zal komen.... ja, want die akelige voorstelling was een leugen, een zinsbedrog. Een siddering van verrukking doortintelt de arme vrouw. O Jezus! Maria dank! daar komt hij! Bij dat gaslicht van verre heeft ze hem gezien. Dat was zijn gang—zijn figuur. Ja, hij draagt een lagen hoed.—Zie hij nadert.—Ondanks den plassenden regen ijlt ze op hem toe. Maar.... groote God! dat stak als een dolk: een vreemde wijkt ter zij en werpt haar de woorden toe: “Trop tard petite; ma femme m’attend.”

“O, Sainte Vierge!” krijt de hevig geschokte, en duikt, zedig in haar donkeren schuilhoek. En schreiende en snikkende, leeft de flauwe hoop nog op in haar borst, dat Gérard langs een anderen weg in hun hotel zal zijn teruggekeerd, en als een gejaagde hinde spoedt zij zich voort en bereikt de zoozeer bevolkte woning, die voor haar echter ledig, geheel en al ledig is.

Omstreeks dien zelfden tijd, terwijl de bezoekers van Monte-Carlo, die met den laatsten trein in Nice waren teruggekeerd, voorzeker reeds allen hun woning hadden bereikt, ging een jong man langzaam langs een der achterstraten van Nice naar de Place Grimaldi, een lommerrijk plantsoen, ’t welk rust op bogen, waaronder de bergstroom voor een wijle in ’t verborgen bruist. Nog slechts weinige minuten geleden stond hij op den hoek van den breeden Pont Neuf, het oog strak gericht op de kamers, waar de vrouw hem wachtte, die hij zoo innig liefhad aleer de zucht naar rijkdom en goud die liefde versmoorde.—Maar dat was gelogen! Hij heeft haar nóg lief. ’t Was immers zijn doel, zijn streven geweest om haar rijk en gelukkig te maken! O God! en het moest hun verderf worden! Zij heeft het hem gezegd! Duizendmalen heeft zij hem gesmeekt—gebeden, om niet voort te gaan op dien weg.

Doch de hartstocht heeft hem verblind. De winzucht heeft hem koortsig het bloed door de aderen gejaagd. “Terugwinnen!” is de lokstem geworden van den satan—die hem altijd weder bergen vol gouds in de toekomst bleef toonen.

O groote God! waartoe te leven? Die jonge schoone vrouw zien wegkwijnen in armoede en ellende; geketend aan den man, die als het beeld van wroeging steeds een schaduw zal werpen op haar pad!—Ja zonder hem zal zij vrijer ademen; voor haar alleen zal het noodige niet ontbreken; en—verlost van den “speler” zullen bloedverwanten en vrienden haar met liefde omringen!

De nacht is donker. Ofschoon het niet meer regent, jagen zware wolken nog steeds voort aan den hemel. Van verre ratelt de golfslag der hoogschuimende zee langs het keien-strand. Op den linkeroever van den Paillon, onder de hooge platanen, wier takken zwiepen en kraken, wendt de jonge man eensklaps zijn schreden naar de steenen balustrade, aan wier buitenwand de bergstroom zich in de diepte een weg baant naar zee. Bij het flikkerend licht van een gaslantaarn vindt hij gemakkelijk de steenen trap, die naar de veeltijds droge bedding voert, terwijl nu echter, bij den hooggezwollen stroom, het schuimende water op de onderste treden klotst.

Bij het afdalen raakt zijn gloeiende hand den ijskouden glibberigen muur.—Dat is de doodskou!—Hij huivert. De klokken van Nice verkondigen het eerste uur na middernacht; maar toch, het licht van dezen nieuwen dag zal hij niet aanschouwen.

Nooit zal hij het daglicht meer zien, de zon die zoo helder scheen, toen zij op dien schoonsten dag van zijn leven, in ’t wit satijn en met den witten sluier om haar blanke schouders, aan zijn zijde zijn eenige rijkdom was, toen haar liefdevol oog hem toeblonk als de reinste diamant........

—Haar diamanten!—Als hij eens een laatste kans kon beproeven met de kleinoodien, die Alice bezit.—O God, dat was de duivel!—De vonken en glanzen, die ginds en her van gaslantaarns of hoog vensterlicht in ’t bruisende water wiegen, ze hebben hem de diamanten en nogmaals het goud dier speelbank getoond. O, glimplichten zijn het!—rijk worden, ’t is een hersenschim. Nog geluk vinden op aarde—een onmogelijkheid!

Zie, de bergstroom klimt. Duizelig donker is het daarbeneden. Een vochtwalm, met dampen van den plotseling overstroomden vunzen bodem benauwen de borst. En de klokken van “Nizza la bella” brommen in dien donkeren nacht reeds het tweede uur van den nieuwen dag. En nog altijd giert de Libeccio en bruist de Paillon, terwijl de laatste, wat hem weerstaat meesleurt, langs pijler en steen naar den wijden Oceaan.

In den namiddag van dien zelfden dag berichtten reeds de nieuwsbladen van Nice dat men nabij de monding van den Paillon, tusschen een paar rotsblokken gekneld, het lijk van een jonkman had gevonden, wiens gelaat deerlijk verminkt, niet te herkennen was, terwijl nadere bijzonderheden omtrent den persoon vooralsnog ontbraken. Naar men vermoedde—zoo schreef men—moest de ongelukkige een nieuw slachtoffer zijn van den duivel, die, van elders verjaagd, helaas voorgoed naar ’t scheen, zijn troon aan de boorden der Middellandsche Zee had gevestigd. En, met de bijvoeging, dat men zich gelukkig mocht achten, dewijl er in de verloopen maand, slechts twee gevallen van zelfmoord hadden plaats gehad, terwijl men er in dezelfde maand van het vorige jaar een twaalftal2te vermelden had, constateerde men den volgenden dag nietslechts het droevige feit, dat de speeltafel een nieuw slachtoffer telde, maar verzekerde men er nog bij, dat, de ongelukkige zijnzeer aanzienlijkvermogen tot den laatsten franc toe had verspeeld, en een treurende weduwe niet slechts in droefheid, maar ook in bitteren nood had achtergelaten.

En het nieuwsblad, waarin dit treffende bericht stond te lezen, het trilde in de hand van de jonge vrouw die, twee dagen geleden onder de arcades, haar Gérard heeft gewacht en die nog later zoo vele bloedige tranen heeft geschreid.

“O God!” roept ze, terwijl het nieuwsblad haar hand ontglijdt en ze zich aan de borst van haar dierbaren, tot haar wedergekeerden man werpt. “O Gérard, je hebt me lief! Ja dat heb je getoond, mijn schat, mijn leven!”

En hij, hij drukte haar vurig aan zijn borst.

Engelachtig geduld! onbegrensde vrouwenliefde! Och hij heeft haar getoond hoe lief hij haar had! Als de berooide is hij tot haar teruggekeerd. Arm zijn ze; arm heeft hij haar gemaakt, ellendig en arm. Maar zij—“Neen, neen” vleit ze op den zoetsten toon der liefde; “Rijk heb je mij gemaakt door je moed, door niet te vertwijfelen in die bange ure; door het besluit om te willen leven, ja, te leven voor mij!—O God! die arme vrouw!” en met een blik naar het vallende nieuwsblad herhaalde zij: “Die arme, arme vrouw!”

En drie dagen later verlieten de jeugdige echtgenooten de woning, die, ofschoon wel vroolijk gelegen, voor hen zoo somber was geweest. Ze traden mij voorbij, met een groet, en het was alsof de jonge man zich schaamde omdat—ja, omdat het wel bekend kon wezen dat men de terugreis naar ’t Westen van Frankrijk bekostigde van hetgeen de diamanten zijner Alice hadden opgebracht.

Maar het oog der jonge vrouw straalde vol levenshoop, als wilde zij zeggen: “wij zullen ons geluk herwinnen; ziet maar, hij heeft zijn vrouw geen weduw, en ons kindje geen wees willen maken. Wij zullen arbeiden en keeren voor eeuwig den rug——à cet enfer de Monaco!”

1Den Minister van Financiën geven we eerbiedig in overweging, om ook in ons Nederland goudstukken van 50 en 100 gulden te doen slaan, natuurlijk niet ten behoeve van hen die ze te Monte-Carlo gaan verspelen.2Wij laten deze cijfers voor rekening van dien berichtgever.J. J. C.

1Den Minister van Financiën geven we eerbiedig in overweging, om ook in ons Nederland goudstukken van 50 en 100 gulden te doen slaan, natuurlijk niet ten behoeve van hen die ze te Monte-Carlo gaan verspelen.

2Wij laten deze cijfers voor rekening van dien berichtgever.

J. J. C.

Fabriekskinderen.Een bede, maar niet om geld.’t Is winter. Een koude Decembernacht houdt met kille vingers oud Hollands grijze academieveste den blinddoek voor de oogen.Slechts een waardig trawant van den reuzengeest dezer eeuw voert strijd met den nacht, en rukt er gedurig den blinddoek weer los. Zie maar, de gasvlammen werpen van afstand tot afstand een vluchtig licht in de holle straten en ginds langs de sombere grachten.Waartoe die kamp; waartoe dat licht? Immers de stad ging ter ruste en slaapt.Geloof het niet, want telkens moet ze wakker en ziende zijn, wakker en ziende om er te waken voor het onheil dat naderen kon. En de oude stad, zij slaapt dan ook niet. Slechts bij wijlen bevangt haar een lichte sluimering, en ’t schijnt u toe als droomde zij van haar alouden roem,—evenals de teedere loot van den grijzen vorst der Alpen, die zoetjes dommelt aan haren boezem, en murmelt en fluistert van de grootheid harer afkomst.Maar toch de grijze veste, hoe vluchtig ook haar sluimering zij—telkens turende over den blinddoek heen, om er te waken zelfs in den nacht, toch vermag zij het niet zooals zij ’t zou willen.De arme is krank!Ja, ’t hoofd is wel helder, zelfs klaarder dan voorheen; ja haar hart klopt wel even luide voor deugd en voor trouw als in de dagen harer jeugd, nochtans gij ziet het wel hoe haar rechterarm als verlamd terneder ligt.Luister:Een deel van haar eelste sappen ging over in onzuivere vochten; in vochten die zich vormden tot een afzichtelijke wonde; een wonde die hare krachten verteert, en wellicht in ’t einde haar voert tot de slooping van haar glorierijk bestaan.Arme stad! Dochter van den Staat! Richt u op, en werp u aan ’s vaders borst. Daar zijn nog zusteren die lijden als gij. Smeekhem dat hij, voor u en voor haar, ter hulpe kome; dat hij zijne dienaars zende met artsenij en zalve, ware het noodig, met vlijmend lancet.Maar gij, novellendichter, wat spreekt ge in beelden en raadsels? Hoort ge niet reeds de stemme opgaan, die u vermaant tot eenvoud en kalmte, die u toeroept; Blijf wie ge zijn wilt?En ja, hij gevoelt wel de juistheid dier woorden; maar ach! koortsachtig jaagde hem het bloed door de aderen, want immers—men heeft hem die wonde getoond! Van hem heeft men een woord begeerd aan den vader der lijdende stad; een smeekwoord om hulpe, ter spoedige redding. Was het wonder dat hij moeite had al aanstonds den juisten toon te treffen, beseffende het hoog gewicht zijner roeping. Nochtans van nu aan zal hij trachten eenvoudig te zijn,ontzettendeenvoudig.’t Is winter. Koud was Decembernacht, en ijzig koud is nog zijn vroege morgen. Zes slagen bromt de klok uit Leidens hoogsten toren. Door de Breestraat en de Hoogewoerd leidt onze weg naar een der achterbuurten der stad.Bij het licht eener gaslantaarn zien wij, op weinige schreden afstands, een armelijke woning. Haar bouw herinnert aan Leidens glorievolle eeuw, aan de eeuw toen zijne zonen en dochters kloek waren en sterk, en streden voor recht en voor vrijheid.Niets is er aan dien gevel veranderd; alleen zoudt ge bij dag kunnen zien, hoe de kleine in lood gevatte ruiten van voorheen, naar den eisch der tijden, door een wat grooter soort zijn vervangen. Eertijds kon Gods lieve zon slechts luttel in die woning schijnen; maar nu...? Helaas, gij ziet het niet hoe die grootere ruiten voor ’t meeste deel met een vettig stof zijn overdekt; hoe er vele, onachtzaam gebroken, slechts ruw met ondoorschijnend papier werden beplakt; hoe er thans in die armoedige woning, overdag nog minder licht straalt dan weleer, en—maar genoeg, dat is bedroevend, zeer bedroevend!In de kamer der genoemde kleine woning, die wij al aanstonds door de voordeur betreden, zou een volslagen duisternis heerschen, indien niet de gaslantaarn daarbuiten, door het straks genoemde venster, eenig schijnsel naar binnen wierp. Het zwaar geronk van een man, benevens de geregelde of snellere ademhaling van eenige slapende kinderen, treft onze ooren. Juist op dit oogenblik bericht de groote torenklok het zesde uur na middernacht. In de bedstee waaruit het naar geronk blijft klinken, verneemt ge, te gelijk met den eersten klokslag daarbuiten, eenige beweging.’t Is eene vrouw die zich haastig opricht. Met een nijdig: “Snork toch zoo niet!” geeft zij den man aan hare zijde een stomp op den schouder, en leent, terwijl het nare geluid een wijle verstomt, nauwlettend het oor aan den doffen klokslag uit de verte.“Zes!” bromt de vrouw binnensmonds, rekt zich geeuwende de leden, stapt nu spoedig uit de hooge bedstee, en sloft een oogenblik later op neergetrapte pantoffels naar een andere bedstee.Drie kinderen slapen er bijeen; twee jongens van tien en dertien jaren, benevens een meisje, dat bijna haar twaalfde jaar heeft bereikt. In de slaapstee der ouders kreunt vluchtig een kind van weinige maanden, waarschijnlijk nu het bespeurt dat moeder hem verliet, en, in de wieg er voor, droomt een meisje van vier jaren, misschien met een droevig lachje om den mond, van mooie winkels met allerlei brood.“Toe kinders, er uit!” roept de moeder met schrille stem het slapende drietal toe, en als zij het schamele dekkleed heeft weggeslagen, dan trekt zij den oudsten knaap bij den arm, haar Evert die, langzaam ontwakende, met lodderigen blik voor zich heen ziet, terwijl zij verder op soortgelijke wijze de beide andere kinderen te wekken tracht. Die taak is geen lichte. Saartje althans weert onbewust de moederhand af, die haar diepen slaap komt verstoren, wijkt naar de achterste hoek der bedstee terug, en kromt zich schier tot een bal ineen, met het hoofd op de knieën.Een klagend geween vervult eensklaps het vertrek. ’t Is Sander, het jongste der knaapjes. Onbarmhartig door de moeder uit de bedstee getild, staat hij half wakende, half droomende, met de bloote voetjes op den killen vloer.“Stil Sander, als vader het hoort!” vermaant de moeder, en als zij nu hém en ook haar oudste—die inmiddels zijn bed heeft verlaten, de schamele kleeren heeft toegeduwd, dan tast zij opnieuw naar het weggedoken meisje, trekt haar bij haar hemdrokje naar voren en beurt het kind, dat woest van zich afslaat, mede uit het bed.Saartje, op den grond gezet, opent de oogen; zij droomde daareven, dat een akelig dier haar bij de keel had; nu ziet ze.... haar moeder; en de teedere handjes klemt ze inéén, en de kille knuistjes drukt ze tegen de brandende oogen, en zegt dat het zoo tikt in haar hoofdje.Maar de moeder hoort het niet. Toen zij Sander heeft losgelaten om het meisje te wekken, is het jongske, overheerd door den slaap, in de knieën gezakt, en ligt met het hoofd tegen den muur, opnieuw in een diepe rust.“’t Is ook wat erg, ze gingen om twaalf uur naar bed!” mompelt de moeder. Zich schielijk tot het jongske voorover buigende, schudt zij hem nogmaals wakker; doch, als nu het kind opnieuw en sterker dan straks aan het krijten gaat, dan legt zij hem haastig de hand voor den mond, en ziet er met angstigen blik naar de zijvan haar bedstee, want—ruw klinkt de stem van haar man, met een nijdigen vloek: “Hé—mondhouwen. Zeg!”Een klein kwartier later beweegt zich een schamel drietal kinderen in de nog onbevolkte straten van Leidens achterbuurt.De nachtwacht, die van zijn laatste ronde huiswaarts keert, hij kent ze wel. ’t Zijn de kinderen van Gerrit Zwarte den voormaligen timmermansknecht; van Zwarte, die sinds een paar jaren—zooals hij zich uitdrukt—bang voor springende knokkels is geworden, en daarom zijn handen maar in de broekzakken houdt.Daar gaan ze, die kinderen. Evert, de oudste, trekt Sander met zich voort, en paait den bibberenden kleine met de woorden: “Kom maar, ’t is warm daarginder.”Sander kan ’t niemendal schelen; hij wil er gaan liggen, hier op die stoep, en—met het handje, waarin nog de kruimels van den straks gekregen en haastig opgegeten kouden aardappel kleven, wrijft hij zich steeds en alweder langs de loodzware oogleden: hijwilniet verder—weet je, hij wil niet!En Saartje, met opgetrokken schouders en de armen in haar boezelaar gerold, gaat ze haar broertjes op eenige schreden afstands haastig vooruit. Bij iederen voetstap dien ze doet, tikt het haar sneller en sterker in ’t hoofdje; dat heeft ze eergister ook gehad; maar nu is ’t erger, veel erger; ze zal maar doorloopen, nóg harder, dat ze eerder in de warmte komt.Saartje is ginds om den hoek reeds verdwenen. Evert kan met Sander, dien hij stevig vasthoudt, niet zoo haastig voortgaan.Eensklaps ontsnapt er een nare kreet aan zijn mond; met pijnlijk gebaar trekt hij ijlings de hand terug, waarmee hij Sander heeft voortgetrokken. Het arme slaapdronken kind had hem kwaadaardig gebeten, gebeten in de hand, die tot loopen hem dwong, dewijl hij slapen wilde, niet anders dan slapen.“Leelijke rakker!” schreeuwt Evert, en.... Doch neen, wij vervolgen hier niet. Arme zwakke onwetende schapen! We zouden u beschuldigen, wij, terwijl we slechts deernis met u hebben, en slechts medelijden voor u vragen. Ha! of we niets meer voor u wilden!En waarheen zal het nu?Zie, een steenen vinger, hoog zich verheffende boven de daken, hij wenkt uit de verte.En daar—gij betreedt er eene der vele werkplaatsen van den grootschen werkman, kloeksten zoon van den geest dien we noemden.Wondere spruit van genie en verstand, bedeeld met ontzettende kracht en rusteloozen ijver, geboren den menschen ten welvaart en zegen—stil, wie fluistert daar zacht: en vaak ook ten moordenaar?Zie, in de voorhoven van zijn werkplaats, daar stoken de dienaars een vuur van bedwelmendehitte.Uit vluchtigen sluimer ontwakende, rekt hij en spant hij zijn leden en spieren.Krachtig heft hij zijn ijzeren armen omhoog, en—wanneer hij ze heft, dan grijpen zijn vingers in stang en in drijfwiel; dan stampen zijn voeten op kammen en staven; dan wielen en keeren ontelbare raders; dan snort het, en gonst het, en bonst het alomme, en trilt er zijn stem als met dondrenden klank: “Voort raderen, voort! Schept haastig uit ruwe wol een kostlijken draad, den menschen ten koesterend dekkleed!” En—’t snort en het dreunt en ’t bonst er nog sterker; en altijd klinkt nog die stem:“Voort raderen, voort!”Ik weet niet waar Saartje gebleven is. Een groot doch somber gebouw is zij binnengegaan; een steile trap heeft zij beklommen, en, hijgende naar den adem, is zij verdwenen in een der zalen van de uitgestrekte stoom-wolspinnerij.Evert, die zijn broertje in de eenzame straat heeft achtergelaten, moet haar al spoedig gevolgd zijn; ook hem ontdekt gij niet meer.Zijt gij een vreemdeling in dit verblijf, dan ziet gij in den aanvang slechts weinig. Wel flonkeren er, in afwachting van den naderenden morgen, een menigte gasvlammen, doch het licht wordt gedurig onderschept en gebroken door een aantal gevaarten, die gestadig hun arbeid verrichten. Zijt voorzichtig dat uw kleed niet gevat wordt door een der vele machine-raderen, die u bij den nauwen doortocht van weerszijden bedreigen, en—let op den grond, dat uw voet niet haakt in de breede pees, die ginder een zeer groote schijf in beweging brengt. Die schijf, ’t is het hoofdrad der trommel van den schrobbelmolen der machine, die de vastgepakte wol in losse en platte vlokken te voorschijn brengt.En er naast, dat andere werktuig, dat is de kaardmachine, die immer de vlokkige wol blijft ontvangen, ze kaardt en verdeelt in haar ijzeren binnenste, en vallen laat in donzige plokken.En die plokken of rolletjes wol,—zoolang als een arm, zoo dun als een pink, en zoo licht als een veder—wáár of ze blijven? Zie, vele losse raderen wentelen heen en weer; en voeren ze toe aan den grofmolen daar; zij lasschen ze snel aan de plokken of draden, die haast zijn versponnen, snel, ongelooflijk snel: zevenhonderdmalen in één uur, negen duizendmalen op den langen dag.Doch die losse raderen hier, zie, ze zijn van een ander fatsoen dan de grootere dáár, die er wielen en snorren om hunne assen.Nietwaar, ge zoudt zweren dat het menschen waren, heel kleine menschen, die staan op hunne voeten als wij; met armen en handen, zeer zwakke handjes; met aangezichten als die van ons, maar flets van kleur en slap van vormen; aangezichten waarin oogjes blinken als een laatste vonk in den bleeken aschhoop. Gij zoudt zweren dat het menschen waren, akelig kleine en arme oude mannen en vrouwtjes, die gaarne hijgende zouden neerzitten bij den warmen haard, en de dorre handen uitstrekken naar een versterkende bete. Nietwaar, gij zoudt zweren dat het natuurgenooten waren, arme ontzenuwde wezens van gelijken aanleg, met dezelfde behoeften als wij; maar gij bedriegt u, zie slechts hoe ze wielen en keeren; negen duizend malen op den langen dag, voortgejaagd door den werkman die—grootsch als zijn oorsprong, doch gesard door zijn duivel, steeds woedender brult:“Voort, raderen, voort!”Doch gij vertrouwt ons niet, hoe langer gij tuurt op die kleine raders—want gijgevoeltwel dat het raderen zijn,—toch ziet ge klaar, onbedrieglijk zeker, dat zij—geschapen tot redelijke wezens, nog met het kleed der menschen zijn bedekt.Immers, in ’t midden van die bontvale rij—het helderst door een der gasvlammen verlicht, daar ziet ge Saartje, het kind van Gerrit Zwarte, het arme kind dat de koorts heeft, dat zich reppen moet, ongelooflijk snel en gestadig. Gij herkent het arme meisje wel, al schrikt ge terug, nu ge haar droevig figuurtje in ’t volle licht te beter kunt zien.Een hoofd, een gansch hoofd is zij kleiner dan uw dochtertje, dat in dit uur gezond, ja met de rozen op de wangen, op ’t zachte kussen te droomen ligt en zoo oud is als zij.Gij schrikt terug bij het beschouwen van dat voos en flets gezichtje, met dien wijden mond en die onnatuurlijk glinsterende oogjes. Gij wendt den blik van haar af, en uw oog blijft gevestigd op het jongske aan hare zijde. Tien jaren oud, gelijkt hij een kind van zeven lentes—wat zeg ik, een kind—van zeven barre winters te zijn. Telkens en telkens werpt hij een lodderigen blik op den grofspinner, die aan gene zijde van den molen zijn werken bespiedt; en angstig rept hij gestadig de handjes, want ziet ge, al tweemalen heeft hij van hem een duchtigen tik met den rolstok gehad, hier op den schouder, erg valsch! erg valsch en gemeen!En aan deze zijde van den tweeden molen, ziet gij dien krommen knaap er wel staan? Zijn hoog en breed voorhoofd doet u vermoeden dat zijn geest iets meer behoeft dan een werktuiglijken arbeid voor zijne handen. Arme onderdrukte geest! wat kan hij meer doen dan tellen, altijd tellen: Zie, zóóveel plokken gelascht geeft ééne minuut, en zestig malen dat getal maakt omstreeks een uur, en als hij die zelfde som straks driemaal verkrijgt, dan is de schoft-of laveitijd nabij; dan mag er het kind.... Doch neen, zijn rust te nemen, dat mag hij dan niet; dat uur is voor zijn kwelgeest, den spinner. Immers, de groote machine weet van geen rusten; immers de plokken, die zij aanhoudend laat vallen, ofschoon ze niet aanstonds verwerkt zullen worden, ze moeten geraapt en op hoopen gelegd. En straks, als de spinner weer aanvangen zal, dan is er de taak van den knaap schier verdubbeld; want, de voorraad van gansch een uur moet worden ingehaald op het nimmer vertragende werktuig, het werktuig, dat altijd plokken voortbrengt; wel honderd in ééne minuut.Maar toch, die lavei, zij gunt er den kleine een uur van minder gestadigen arbeid. Dat uur is hem welkom, het uur van negen tot tienen. Jaapje heeft een goede moeder, en die moeder heeft hem voor zijn ontbijt een koekebak gegeven, een heele-cents koekebak; dien kan hij nu opeten, en hij smaakt zoo lekker. Wat weert zich die arme kromme knaap om zijn geel-grauwen poffer—waarvan de wetenschap leert dat hij slechts één vijfde voedende deelen bevat, zoo zuurachtig klef en zoo krakend van kalk of van krijtstof—naar binnen te slokken.Doch gij zult het begrijpen, daar zijn de kinderen van Zwarte en nog anderen, die hebben zulke goede moeders niet als hij; ze zien hem aan met begeerige blikken, en Heintje Pink heeft gister gedreigd: dat Jaapje de helft er van mee heeft te geven, of dat hij hem anders........ Maar Heintje ziet een anderen kant uit, en het arme Jaapje grijnst van genot nu hij het ziekelijk mengsel binnen heeft: Tetellen, dát heeft hij geleerd, tedeelennog niet.En ginder nabij de fijnspin-tafels, waaraan voor ’t grootste deel de meisjes haar arbeid verrichten, daar staat Heintje Pink, die Jaap en zijn koekebak heeft vergeten. Zijn luid geschreeuw kunt ge niet hooren door het alles overstemmende geraas der machines. Terwijl hij de wol in het kaardwerktuig bracht, hadden zijne kleine vingers te zorgen meteen dat de altijd grijpende tandjes er binnen, gezuiverd werden van de vezelen wol, die er kleven en groeien in het geoliede ijzer.—En ’t was voor de derde maal in weinige weken dat die nijdige haastige tandjes hem knepen het vleesch van zijn schrompele vingers; en Heintje, hij schreeuwt en hij kromt van de pijn, en de meisjes, die van nabij zijn gejammer aanschouwen, ze trekken voor ’t meerendeel haar oude gezichtjes in lachende plooien.Arme, verstompte, gevoellooze meisjes! Zwakke, ellendig verdorvene kinders! Hoe—kinderen? Neen! ’t was toch voorzeker een optisch bedrog; want hoor, nu het uur is verstreken, nu klinkt met verheffing van stem en nog sterkeren klank weer het woord van den vreeselijken werkman:“Voort raderen, voort!”Doch gij toefdet daar reeds lang genoeg en wilt een ander tafreel.Welnu, een net steenen huisje staat voor ons open. In het ruime voorhuis wordt gij aangenaam getroffen door den zoeten roomgeur die het vervult, en de helderheid van maat en vaatwerk, die u als tegenlacht.Gij bevindt u in de woning van een echt Hollandschen melkboer. ’t Is er vroeg dag in zoo’n huis. Hij, de jonge bewoner der beide boven-voorkamers, Willem baron Van Hogenstad, jurist aan de Leidsche academie, hij had daar ook op gerekend. Gisteravond heeft hij met Koen op diens kamer Mathesis gewerkt. Na éénen heeft hij turende en turende op een hellend vlak, dat vlak al grooter en grooter zien worden, akelig groot, en het vlak heeft hem opgeslokt, inééns, zonder dat hij er iets van bemerkte.Koenraad moet wel zijn best hebben gedaan om Willem weer wakker te krijgen, doch het is hem niet gelukt. Toen Willem omtrent zes uren in den morgen de oogen heeft geopend, toen lag hij op de canapé, met een kussen onder ’t hoofd en een deken over zich heen gespreid. Ha! Koen had best gezorgd; maar—op z’n eigen kast, in z’n eigen bed, daar zou ’t nog beter zijn. Weinige minuten later is Koenraads huisploert wakker geschrikt van het toetrekken der huisdeur.Willem, diep in den kraag van zijn overjas gedoken, vervolgde intusschen haastig zijn weg naar de straks genoemde woning van den melkboer. Omstreeks aan ’t einde van een smalle straat gekomen, die hij ter bekorting van zijn weg had gekozen, heeft hij een zonderlinge vondst gedaan. Daar lag een knaapje, ellendig gekleed, met het hoofdje rustende op den kleinen arm, en dien arm gekromd op den scherpen rand van een lage stoep.Wat waren zijn wangen koud!—Was hij dood? Neen, zijn ademhaling ging vrij geregeld. Maar wat te doen met dat kind! Hem meenemen!? Waarachtig! Zoo’n arme drommel!Ha! dat was een goed besluit; het moet wel voortkomen uit een onbevangen edelaardig gemoed. ’t Was niet het gevolg der berekening, omdat geen andere hulp er nabij was. Neen, meenemen! waarachtig! dat was heteerste, en ’t bleef zoo.Bravo, zoon van Minerva! gij zijt er één van het echt oud Neerlandsche bloed. Bravo, Willem Van Hogenstad, nu toont ge dat ge van adel zijt, niet slechts van den adel die de kwartieren în ’t wapen telt, maar van dien dieperen adel der ziel.... Doch stil, ga niet voort, of hij smijt u naar ’t hoofd dat ge deklaplooperzijt.Een half uur later staat de zwaarlijvige echtgenoote van Baks den melkboer, op den drempel van een der mooie kamers, die haar voornamen student tot zit- en studeerkamer dient. Zij kan ’t zich ter wereld niet begrijpen, hoe mijnheer zoo’n vuil schandaal van de straat mee naar boven heeft gedragen. Goddank, ze houdt van helder en netjes, weet je, en nou leit daar op de andere kamer zoo’n smerig sezjet in mijnheers ledikant, en de hemel mag weten wat voor ontuig hij mee in huis heeft gebracht.“Wil j’ is kijken?” fluistert Van Hogenstad, terwijl hij de juffrouwwenkt hem in de achterste kamer te volgen, en haar te gelijk—half ironisch, half ernstig—een knipoogje geeft.“Kijken! wát zou ik kijken!” prevelt de juffrouw, terwijl zij met krakenden tred den jonker volgt, den jonker, die, op zijn teenen loopende, haar naar het ledikant in de andere kamer is voorgegaan, en nu het groen damasten gordijn ter zijde schuift.“Hoe vin je dat, hé?”“Hoe ik dat vind....? Mag ik reis vragen, mijnheer, hoe uwes mama dat zou vinden?”“Heb je wel eens op straat geslapen, juffrouw Baks, met ’en stoep tot je kussen?”“Lieve hemel, ikke!” roept de juffrouw: “Ik ben Goddank ’en fatsoenlik-manskind; maar weet je waar zu’k gespuis van afkomstig is,”—en zij wijst met haar vleezigen vinger op den armen Sander, die in Willems ledikant zoo kostelijk te slapen ligt,—“van ’t repalje weet je, uit de febrieken; van ouwers die drinken en luieren en d’r eigen onmondig vleesch voor den kost laten zorgen, zie je, weet u mijnheer, van zu’k repalje!”“Zoo, juffrouw Baks.”“Ja van volk, dat z’n eigen vader en moeder voor ’en glas jenever aan de galg zou helpen; maar wil ik je reis wat zeggen mijnheer, als je van ’en ouwer mensch ’en goeje raad wilt aannemen: pas op dat je je vingers niet brandt; ’t vuilmaken van je eigen boel en ’t gebabbel in de straat wil ik daarlaten, maar met je dat verwaarloosd en liederlijk sezjet heel Christelijk aan te trekken, ga je vlak buiten je boekje. Als we t’ avond of morgen zoo’n zuiplap in de deur krijgen, die mijn of m’n man ’en maling schopt, omdat we z’n kind van ’t febriek hebben afgehouwen, dan bent uwes responsabel; iederman blijft baas over z’n eigen kinders. Als bijvoorbeeld uwes mama....”“Wil je klaar zetten, juffrouw Baks?!”Lieve hemel, wat zette ie vreeselijke oogen op.“Ja wel mijnheer; twee kadetjes, niet waar?”“Zes kadetjes en tien krentenbroodjes juffrouw Baks.”Guns watte oogen!“Koffie- of theewater mijnheer?”“Chocolade-water, juffrouw Baks.”Juffrouw Baks maakt rechtsom-keer; en als ze langzaam wegschommelt, dan mompelt ze bij zich zelve: Om zoo’n vuil opraapsel ’en fatsoenlik mensch nog te schandalizeeren ook.—Weet je, ze zou wel.... maar, d’r kamers, en ’t lieve geld! Je moet al wat doen in de wereld!En terwijl ginder in de fabriek de grofspinner vloekt omdat hij één der raderen mist aan zijn molen, slaapt de arme kleine Sander zoo rustig voort op het kostelijk leger van zijn weldoener.Toen Willem de kamer van Koenraad verliet, toen heeft hij gerekend nog een paar zoete uurtjes op zijn bed te zullen doorbrengen, maar nu—zijn slaap is gansch en al geweken. Hij heeft het ook druk gekregen. Om de waarheid te zeggen, toen hij het ongelukkigeperceeltje op zijn kamer had, toen is ’t hem bij eene nadere beschouwing niet meegevallen. ’t Begin was niets geweest; maar om nu vol te houden! Boeh! wat een morsig boeltje. Doch een student weet zich te redden. Met behulp van een mes heeft hij het kind, dat dubbende en slapende, niets anders dan: och, en ajasses, gezegd had, de armelijke kleeren van ’t lijf getrokken; heeft verder den steenkouden bloed haastig een oude wollen overjas om de droevig tengere leedjes geslagen, en, na hem vervolgens op zijn bed te hebben gelegd, heeft hij de dekens over hem heen getrokken, hoog-op tot aan den neus, nog hooger, tot aan de ooren; zoo’n arme drommel!’t Was geen wonder dat de jonge baron de vunze kleeren van ’t ventje met de tang in de kachel wierp.Fluks een paar turven er op gelegd, en toen het boeltje in brand gestoken, zag hij alras hoe de vlammen eensklaps zoowel van boven als van onder uit de kachel sloegen. Ja, juffrouw Baks heeft gelijk: Als je zoo’n ouwen rommel opruimt, dan krijg je een vlam en een rook van geweld; maar ’t is heel gauw gedaan; ’t heeft niets te beduiden.Een groot uur later ontwaakt de arme Sander uit een diepen slaap. Eerst tuurt hij geeuwende een wijle suf voor zich heen; maar dan, dan spalkt hij de oogen open, al wijder en wijder, steekt zijn hoofdje buiten het ledikant, en werpt een onbeschrijfelijk vreesachtig verbaasden blik in het keurige slaapvertrek waarin hij getooverd is.Een angstig geween roept eensklaps den jonker.Bij het zien van den voornamen heer die hem haastig nadert, duikt het schreiende kind vreesachtig terug, en verbergt zijn hoofd in het kussen.“Zoo, kleine slaper, ben je al wakker!” zegt Willem met zijn vriendelijk welluidende stem, en laat er dan aanstonds op volgen: “Zeg, lust je een boterham?”Dat laatste woord werkt machtig.—Een boterham? Ja, ja, die lust hij wel; en terwijl hij door de tranen heen een tweeden blik op den vrager werpt, doch ook aanstonds zijn oogen weer neerslaat, glijdt een nauwelijks hoorbaarjahem van de lippen.Ik weet niet of gij zoudt gelachen hebben, indien gij Willem opnieuw met het altijd vreesachtige knaapje hadt zien tobben en sollen; wanneer ge gezien hadt, hoe hij hem tilde van ’t bed, hem dwong de voeten te steken in een paar wollen kousen, die nog veel langer dan zijn geheele beentjes waren; hoe hij de dunne armpjes door de mouwen van de oude overjas trok, en die mouwen, ter vrijmaking van de handjes, meer dan ter halverwege opsloeg; toen hij het arme zoo wonderlijk toegetakelde manneke in zijn zit- en studeerkamer op de canapé deed plaats nemen; hem overlaadde met dik geboterde broodjes en krentenbollen, en verder onthaalde op een enormen kop zeer dikke en geurige waterchocola. Ik weet niet wie er zou gelachen hebben om de inderdaad overdreven goedheid van den student, maar zeker, zeer zeker zijn lieve moeder niet; zij zou een traan hebben weggepinkt; zij zou.... Doch genoeg,de zoon denkt het allerminst om zich zelf; hij heeft slechts oogen voor het arme schaap, het knaapje dat zeker één van die ongelukkige fabriekskinderen is, waarvan men hem wel eens verhaalde, één van de ongelukkige wezens, die geboren worden met den vloek, dat hun lichaam—niet een tempel, maar een ellendige kerker zal zijn voor den geest, die sprank van het eeuwige, van het ideaal, die sprank der Godheid zelve.Nu Willem zoo’n schepseltje van nabij ziet, nu is het hem onbegrijpelijk dat hij vroeger zoo koud is gebleven als er sprake was van hun rampzaligen toestand.Maar, zoo zijn de menschen, ze moetenzienom te gevoelen; ze lezen in hunne nieuwsbladen van de duizenden slachtoffers der mijnen, en van de honderdduizenden in den bloedigen krijg. Ja, ’t heet danverschrikkelijk, maar ook aanstonds, aanstonds plooit weer een lach hun mond, want daarnevens—in het nieuwsblad, worden zij vergast op een aardig avontuur. Ja, zóó zijn de menschen, zoo zijn wij,WIJmenschen! We moeten zien van nabij, we moeten hooren en tasten; maar wij schuwen de ellende en houden haar gaarne van verre.Ei zie dan, en luister nog even. ’t Zal nu zoo akelig niet zijn, misschien zelfs—om te lachen.“Ben jij ’en prins?” klinkt het zachtjes van Sanders lippen, en het jongske, wiens vreeze na het kostelijk onthaal voor een groot deel was geweken, werpt een schuwen blik op zijn gastheer, doch slaat de oogen ook aanstonds weer neer.“Ik? Wel neen!” lacht Willem, uit zijn gemijmer ontwakende: “Maar—áls ik het was, zou je dan wel altijd bij zoo’n prins willen blijven?”“Ja wel,” zegt Sander.“Waarom?”“Om ditte!” zegt de jongen en likt nog eens langs den rand van den grooten chocolade-kop.“Hadt je dat nooit geproefd?”Het ventje grinnikt alsof hij wil zeggen: Dat kun je begrijpen! “’k Docht eerst dat het mosterd was,” zegt hij iets later.“Mosterd?”“Ja, die haalt moeder in een potje, en ’s middags als we van ’t febriek kommen, dan krijgen we aardappels met zoo’n beetje mosterd in ’t water.”“Niets anders?”“Ja, soms wel een scheutje azijn. Vader en moeder eten meestal spek, maar da’s gallig voor de kinders zeit moeder.”“Beesten!” roept Willem.Neen Sander, schrik maar zoo niet; dat geldt niet u of een van uws gelijken; hoor maar, hij vraagt u weer vriendelijk:“En hoe heet je vader?”“Dat weet ik niet,” is het antwoord.“Maar jij, hoe heet jij?”“Sander Zwarte.”“En wat doet je vader?”“Hé, hé,” grinnikt de jongen, “moeder zeit zuipen.”“Maar wat is hij van zijn ambacht?”“Ambacht?” grinnikt het kind.... daar had hij nooit van gehoord.“Waar verdient hij zijn centen mee?”“Dat doen wellui.”“En hoe oud ben je al ventje; ben je al zeven?”“Ikke,” zegt het jongske, “ikke ben tien.”Ongelooflijk! zoo’n worm! “Dus moet je zeker in de fabriek werken?” vraagt Willem opnieuw.Angstig kruipt het jongske ineen. Die vraag had hem eensklaps aan zijn plicht, aan zijn vreeselijk lange dagtaak herinnerd; aan den spinner, die hem zijn loon onthouden, aan den vader die hem ranselen, aan de moeder, die hem geen eten zal geven; en bevende zegt hij:“Maar ’k had ook zoo’n slaap, en gisteravond toen ik dertien of veertien uren gelascht had, toen dreigde de spinner dat ie me zou kielhalen als ik weer stond te hangjassen, zeidie.”“Kielhalen!” herhaalt de student met saamgetrokken wenkbrauwen: “kielhalen, wat is dat?”“Ja, dat weet ik niet,” herneemt de jongen, en angstig rondziende, als vreest hij dat iemand hem beluistert, vervolgt hij: “maar ze zeggen dat ie achter z’n bast ’en emmer met water hêt staan; en als nou ’en slecht kind—zoo zeit ie—z’n luie oogen niet open wil houwen, dan douwt ie ’em even met het hoofd in den emmer: ten minste als ’t opperste menheer van ’t febriek d’r niet bij is; maar ’t zal niet waar wezen; hé zoo koud!”Ja koud, ijzig koud; om van te rillen.“En ga je ook school?” vraagt Willem weder, na een oogenblik van sombere stilte.Zie—tegenover het jongske, tot wien de vraag was gericht, daar staan in de breede en nette boekenkast—slechts weinige achter een groene gordijn verscholen—de bronnen en schatkamers van wijsheid en wetenschap, van deugd en van recht, van beschaving en godsdienst; daar staan de klassieken die getuigen, hoe voor tientallen eeuwen ’s menschen geest reeds krachtig streefde naar het schoonste ideaal: des geestes eeuwige volmaking! Daar staan ze, de wetten der Oude Romeinen, die reeds de zwakken beschermden tegen het onrecht en der moordenaren staal; daar staan ze in de bontste mengeling dooreen, die wijzen en geleerden, die godvruchtigen en zedenmeesters van vroegeren en lateren tijd; en het is alsof ze luisteren, aandachtig luisteren naar de antwoorden van dat kind.Neen, naar school gaat hij niet.Naar school kan hij niet gaan, want dertien, veertien, ja vijftien uren moet hij werken—staande werken, op éénen dag.Naar school gaat hij niet, want het dagloon moest dan minder worden, en dat zou voor vader en moeder te schadelijk zijn.Boeken? Neen, boeken heeft hij nooit gezien.Ja! als dát, daar tegenover hem, boeken zijn, dan weet hij ’t wel: dat zijn bijbels; moeder heeft er ook zoo een, en ze zeit: “’en dominee’s-bedrieger.”Wat een dominee is? Dat weet hij niet. Of ja, die woont in de kerk.En wat de menschen Zondags gaan doen in de kerk? dat kan hij niet zeggen; want hij is er wel in geweest, maar heeft toen geslapen.En waar het brood van gebakken wordt? dat weet hij niet.En dat de tafels en stoelen van het hout der boomen gemaakt worden, dat weet hij evenmin; ja zelfs nooit heeft hij gehoord vanwaar de wol afkomstig is, die reeds bij duizenden ponden door zijne handjes ging; noch heeft hij vernomen dat van diezelfde draden, die hij laschte, een kleed wordt geweven, zooals er nu een zoo warmpjes om zijne leedjes sluit.Hebt ge dat gehoord, groote mannen van den ouden en nieuwen tijd? Nietwaar, dat was een droevig examen in de aloude en wijd vermaarde academiestad. Mij dunkt, ik zie de gulden rugtitels verbleeken op de werken van uwen geest; ik zie ze huiveren en inéénkrimpen de vruchten van uw hart of verstand; gij wenscht dat de gordijn der breede boekenkast u scheide van dat ongelukkige voorwerp, van het voorwerp dat u driest in het aangezicht slaat, en u kermende toekrijt:Gelogen dat de mensch een heer der schepping zou zijn!Daar is geen vrije wil.Daar is geen recht in de wereld, noch een rechtvaardigheid die haar bestiert.Daar is....Doch wij grijpen de gordijn en schuiven haar voor de breede boekenkast, en te gelijk voor dit droevig tafreel.Nochtans onze taak is daarmede niet ten einde. Wij hebben nog twee andere tafreelen.Het eerste ziet ge in een schoon doch fantastisch licht; het tweede in het diepe zwart van den nacht, wanneer er slechts ééne enkele ster breekt door de voortgezweepte wolken.En dat eerste tafreel?Zie, in dat schitterende kunstlicht, lieflijk als het schijnsel der maan, maar toch zoo klaar als de zon, blinkende als goud en zilver dooréén gemengeld, daar ziet ge, te midden van een lachend plantsoen, een jongeling; gij herkent hem terstond: ’t is de wakkere edelman, die zich toerust met de kennis om later te waken voor de rechten der menschheid, ’t is Willem Van Hogenstad.Aan zijn zijde staat een teer doch aardig jongske dat, netjes en helder in de kleeren, te midden van den rijkdom en pracht eenerte voren niet gekende natuur, de oogen telkens met de uitdrukking der dankbaarste verrukking en der innigste gehechtheid tot zijn weldoener opslaat.Dat jongske is het arme fabriekskind, het kind van Zwarte; het knaapje, dat door de macht van het geld werd gered uit zijn ellendigen staat, en opgevoed en onderwezen zal worden, om mensch te zijn,waarachtigmensch!’t Is wel jammer dat zulk een kunstlicht zoo spoedig voorbijgaat. Het schoone tafreel is verdwenen. Wij staan in het duister, in ’t nachtelijk zwart.Hoort ge daarginder—dáár in dien donkeren hoek, dat klagende stemmetje wel. Het kermt om—water.... water! Ontelbare malen hoort ge dat: water! En dan, als wierd het stemmetje moe van altijd datzelfde woord, dan kreunt het: “Dorst, dorst!”Ouders! hoort ge uw kind dan niet? Moeder Zwarte, weet gij ’t niet dat uw arme Saartje, met brandende lippen en tong, naar een teuge smacht en te zwak is om die zelve te krijgen?Maar de moeder slaapt, en de vader, hij ronkt. Voor het te bedde gaan heeft de beschonken man gezegd, dat hij die fratsen wel kende, en—als ze te lui was voor d’r werk, dat ze zich dan, evenals Sander, ook maar door zoo’n sinjeur moest laten oprapen; dat gaf nog betere rekening. En de moeder heeft gemeend dat het zoo erg niet zou zijn, als ze maar eens goed warm kon worden; en zij heeft het bibberende meisje met een rok, waarvan zij zich bij het te bedde gaan ontdeed, wat beter toegestopt. Toen de moeder dat gedaan heeft, toen was het dat er een klein, een heel klein sterretje tusschen de zwarte wolken blonk.Maar nu, nú is ’t weer nacht, pikduistere nacht; want ook de stormwind heeft de gasvlam uitgedoofd, die er nog brandde niet verre van Zwartes woning.En daarslapende ouders, die, al ware het uit lage zelfzucht alleen, te waken hadden bij het bed van hun doodzieke kind. En dat kind, het kan niet meer zeggen dat ze dorst heeft; haar lippen zijn als verschroeid; haar mondje is vuur van binnen; in haar hoofdje bonst en giert en dreunt het. Dat doet de koorts, de heete verslindende koorts. Zoo’n arm verzwakt schepseltje is niet in staat om die koorts te doorstaan.En—niemand hoort er haar telkens stiller en doffer gekreun. En niemand ziet het klamme zweet daar parelen op het dof gezichtje: en niemand hoort er, na zes uren strijds, dat laatste, dat allerlaatste zacht pijnlijke snikje, het snikje dat klinkt als een dankbaar zoetvloeiend ... verlost!En daarbuiten, daar buldert de stormwind als met donderenden weerklank: Vermoord! vermoord!En dát, dát is nu de wonde der arme academiestad.Zij is afgrijselijk! Gij begrijpt het nu wel dat het een dringend verzoek is om artsenij, waarmee de boodschapper zich belastte.Een verzoek? Neen, een smeekschrift; want hij is de eerste boodschapper niet; hij dringt slechts tot spoed.Vermoord! Vermoord!buldert de wind. En ja, die arme fabriekskinderen, ze worden vermoord naar ziel en naar lichaam.In een nieuwen vorm gaf ik u die oude, maar des te vreeselijker waarheid. Slechts wat ik zelf gezien en gehoord, of ook door ooggetuigen heb vernomen, gaf ik u weer in vluchtige trekken. En dat mijn verhaal u niet heeft voldaan; dat gij het “niet mooi” hebt gevonden, zie, dat zou mij verheugen, indien ik u maar getroffen had, indien ge maar diep gevoeldet, dat daarginder natuurgenooten, zwakke kinderen, armelijk gekleed en ellendig gevoed, 13–14–15 uren daags moeten werken in een klein bestek, ja—somtijds nog bovendien den ganschen langen nacht, wanneer de Zondag moet volgen.En een groot deel van die ongelukkige schepsels! ze zijn de kostwinners voor hun luie onbarmhartige ouders; ze zijn.... Doch immers, ik heb ze u geschetst, naar waarheid geschetst, al sprak ik u niet van de verregaande zedeloosheid, die hen almede besmettend omringd. En gelooft gij mij niet: welnu, bezoek de Leidsche fabrieken; gij zultzien, en, zoo uw harte al aanstonds niet bloedt, dan zult ge toch voorzeker, weergekeerd in uwe woning, bij het aanschouwen van uw lief en bloeiend kroost, moeten uitroepen: Groote God! bestaat er zulk een ontzettend kwaad in ons dierbaar Nederland, in het land welks grootsch verleden van vrijheid spreekt en van recht voor allen! Goede God, wordt er dan niets gedaan in ons lieve vaderland voor die honderden, ja duizenden van rampzaligen, die er vermoord worden, langzaam vermoord! En al zijn die ellendige ouders ook verschoonbaar, ja onschuldig zoo ge wilt, onwetende, ontzenuwde wezens als ze veelal zelven van jongs af aan waren, en al ziet ook een groot aantal fabrikanten met deernis neder op de ellende die hen omringt; al geven u vele brave rechtschapene mannen onder hen, de oprechte verzekering, dat ook zij zoo vuriglijk wenschen die armen eenigszins te kunnen opheffen uit den deerniswaardigen toestand, waarin zij verkeeren, ze fluisteren u toe: “Wat we willen, we kunnen het niet; ééne is er die ’t ons belet, en haar naam is:Concurrentie!”Hoe! zou zij de moordenares der arme kinderen zijn, zij, de schoone kloeke vrouw, die de leuze van vrijheid in hare banier voert?Ja, zij is het! En de schoone vrouw, die zich baadt in de wierookgeuren die men haar toezwaait, ze zondigt, bedwelmd door dien geur; en haar leuze van vrijheid, zij voert ze hoog, schaamteloos hoog! Vrijheid! ja vrijheid voor allen en voor alles! gilt ze in dollen overmoed: Wie zal er den ouders het recht over hunne kinderen ontnemen; wie zal ze gelasten, hunnen arbeid te verlichten of hen ter schole te zenden, wie, wie zalMIJbeletten....Zwijg: schoone waanzinnige vrouw! Weet gij ’t dan niet hoe deStaat—en rechtvaardig,—der arme gevallene, die uit schaamte haar kind vermoordde, de vrijheid ontneemt? Ha! voor die ongelukkige den kerker, en voor u de dartelste vrijheid; gij die boeleert met den gouddorst, en duizenden kinders vermoordt, zonder blozen vermoordt naar ziel en naar lichaam!Neen! ik zeg het u, de ure zal weldra slaan, waarin men u ketenen zal, ja ketenen in de banden eener zegenrijke wet!Edelen, en grootmachtige wetgevers in den Staat! Ziet, daar valt de smeekbrief neer voor uwe voeten.Nogmaals, ten laatste: De kranke stad en hare zusters snakken naar redding en artsenij. Gij vraagt den boodschapper niet waar het kruid is te vinden, het kruid dat hulpe kan geven. Gij weet het wel: Daarginder, aan gene zijde van den Oceaan, daar bloeit en daar tiert het op Engelands bodem; daar behoedt een schoone zegenrijke wet die armearmefabriekskinderen voor den ellendigen toestand, waarin zij hier te lande verkeeren. Dáár zijn hunne werkuren minder in aantal; daar gaan ze ter schole en worden ze onderwezen, drie, ja vijf uren per dag. En de onderwezen kinderen worden bekwame werklieden; en de nijverheid, zij bloeit er; en ik bid u, waarom zouden wij bij onze overzeesche naburen, ja zelfs bij het grootste deel ook der minder ontwikkelde Staten van Europa ten achterstaan?Maar wat spreek ik van artsenij te zoeken in den vreemde; Uwe wijsheid zal het weten te vinden op eigen bodem, naar eigen behoeften. Neen, ik vraag u niets meer dan eene wet in het belang dier ongelukkigen. Het tafreel, dat ik schetste van den edelen knaap met het jongske aan zijne zijde, het was in een kunstlicht geplaatst. Dat beeld zou een uitzonderingkunnenzijn; een toekomst voor die armen kan het niet worden. Die minvermogende kinderen, ze moeten werken en zij zullen en kunnen het, indien gij u hunner ontfermt; ja ze zullen meer doen dan nu, want immers nu zijn ze verlamd en ontzenuwd, en de ervaring heeft elders—ook reeds hier te lande, in de werkplaatsen van waarachtig menschlievende mannen geleerd, dat te veelvuldige arbeid der Industrie nádeelig wordt, terwijl meerdere rust en onderwijs voor die kleinen haar krachtig verheft.Machtige wetgevers in den Staat! gelooft ze niet de valsche boodschappers, indien ze komen mochten, die u zouden verhalen, dat de hulpe, die wij van u afsmeeken, een onnoodige is.—Zij zoudenliegen!Maar neen, komen zullen ze niet; want ik zeg u: Zij, zij zouden metterdaad de ellendigen zijn, die de schoone vrouw tot ontucht en kindermoord verleiden. Die boodschappers, ja, ze zouden verbleeken indien gij hen krachtig betichttet dat zij dus inderdaad de moordenaar onzer arme fabriekskinderen zijn. Neen, daar zal er geen komen, die u driest in het aangezicht zal werpen dat daar geen moord geschiedt in den vollen zin des woords.Ik bid u, laat mij begaan met hem die het zou wagen; ik vraag hem dan zacht: Zeg, ongelukkige, hebt gij dan dat eene kamertjevergeten, het kamertje met de reinigings-machine van het ruwe katoen, waarbij het kind in slechts luttele jaren zijn rampzalig leven der win- of der sleurzucht ten offer brengt? Zie,—zie—dán verbleekt hij, en sluipt hij terug.Maar ik weet het, daar zullen, daar kunnen geen boodschappers komen, om tegen mijne zending te getuigen. Hoor maar, hoor! de arme stad, zij kermt te luide en roept om hulp.Edelen en grootmachtige wetgevers in den Staat, ziet, aan uwe en mijne kleederen, waaraan de handjes dier kleinen werkten, kleven droppelen bloeds. O! toeft dan geen oogenblik langer, zendt de hulpe die Gij gebieden kunt; dat heeft haast, groote haast. Doet de stad verrijzen uit haren nood, en hare zusteren met haar; en dan, dan zal er een stemme suizen door uwe zielen: Wél u, dat gij hebt saamgewerkt—niet tot leniging, maar ter voorkoming van jammer en ellende. Wél u, dat gij der Nederlandsche Nijverheid een schoonere toekomst hebt gewaarborgd; en wél u, wél u bovenal, dat Gij die armen daarginder—en nu zonder geld—naar ziel en lichaam gered enWAARLIJK HEBT LIEFGEHAD.

’t Is winter. Een koude Decembernacht houdt met kille vingers oud Hollands grijze academieveste den blinddoek voor de oogen.

Slechts een waardig trawant van den reuzengeest dezer eeuw voert strijd met den nacht, en rukt er gedurig den blinddoek weer los. Zie maar, de gasvlammen werpen van afstand tot afstand een vluchtig licht in de holle straten en ginds langs de sombere grachten.

Waartoe die kamp; waartoe dat licht? Immers de stad ging ter ruste en slaapt.

Geloof het niet, want telkens moet ze wakker en ziende zijn, wakker en ziende om er te waken voor het onheil dat naderen kon. En de oude stad, zij slaapt dan ook niet. Slechts bij wijlen bevangt haar een lichte sluimering, en ’t schijnt u toe als droomde zij van haar alouden roem,—evenals de teedere loot van den grijzen vorst der Alpen, die zoetjes dommelt aan haren boezem, en murmelt en fluistert van de grootheid harer afkomst.

Maar toch de grijze veste, hoe vluchtig ook haar sluimering zij—telkens turende over den blinddoek heen, om er te waken zelfs in den nacht, toch vermag zij het niet zooals zij ’t zou willen.

De arme is krank!

Ja, ’t hoofd is wel helder, zelfs klaarder dan voorheen; ja haar hart klopt wel even luide voor deugd en voor trouw als in de dagen harer jeugd, nochtans gij ziet het wel hoe haar rechterarm als verlamd terneder ligt.

Luister:

Een deel van haar eelste sappen ging over in onzuivere vochten; in vochten die zich vormden tot een afzichtelijke wonde; een wonde die hare krachten verteert, en wellicht in ’t einde haar voert tot de slooping van haar glorierijk bestaan.

Arme stad! Dochter van den Staat! Richt u op, en werp u aan ’s vaders borst. Daar zijn nog zusteren die lijden als gij. Smeekhem dat hij, voor u en voor haar, ter hulpe kome; dat hij zijne dienaars zende met artsenij en zalve, ware het noodig, met vlijmend lancet.

Maar gij, novellendichter, wat spreekt ge in beelden en raadsels? Hoort ge niet reeds de stemme opgaan, die u vermaant tot eenvoud en kalmte, die u toeroept; Blijf wie ge zijn wilt?

En ja, hij gevoelt wel de juistheid dier woorden; maar ach! koortsachtig jaagde hem het bloed door de aderen, want immers—men heeft hem die wonde getoond! Van hem heeft men een woord begeerd aan den vader der lijdende stad; een smeekwoord om hulpe, ter spoedige redding. Was het wonder dat hij moeite had al aanstonds den juisten toon te treffen, beseffende het hoog gewicht zijner roeping. Nochtans van nu aan zal hij trachten eenvoudig te zijn,ontzettendeenvoudig.

’t Is winter. Koud was Decembernacht, en ijzig koud is nog zijn vroege morgen. Zes slagen bromt de klok uit Leidens hoogsten toren. Door de Breestraat en de Hoogewoerd leidt onze weg naar een der achterbuurten der stad.

Bij het licht eener gaslantaarn zien wij, op weinige schreden afstands, een armelijke woning. Haar bouw herinnert aan Leidens glorievolle eeuw, aan de eeuw toen zijne zonen en dochters kloek waren en sterk, en streden voor recht en voor vrijheid.

Niets is er aan dien gevel veranderd; alleen zoudt ge bij dag kunnen zien, hoe de kleine in lood gevatte ruiten van voorheen, naar den eisch der tijden, door een wat grooter soort zijn vervangen. Eertijds kon Gods lieve zon slechts luttel in die woning schijnen; maar nu...? Helaas, gij ziet het niet hoe die grootere ruiten voor ’t meeste deel met een vettig stof zijn overdekt; hoe er vele, onachtzaam gebroken, slechts ruw met ondoorschijnend papier werden beplakt; hoe er thans in die armoedige woning, overdag nog minder licht straalt dan weleer, en—maar genoeg, dat is bedroevend, zeer bedroevend!

In de kamer der genoemde kleine woning, die wij al aanstonds door de voordeur betreden, zou een volslagen duisternis heerschen, indien niet de gaslantaarn daarbuiten, door het straks genoemde venster, eenig schijnsel naar binnen wierp. Het zwaar geronk van een man, benevens de geregelde of snellere ademhaling van eenige slapende kinderen, treft onze ooren. Juist op dit oogenblik bericht de groote torenklok het zesde uur na middernacht. In de bedstee waaruit het naar geronk blijft klinken, verneemt ge, te gelijk met den eersten klokslag daarbuiten, eenige beweging.’t Is eene vrouw die zich haastig opricht. Met een nijdig: “Snork toch zoo niet!” geeft zij den man aan hare zijde een stomp op den schouder, en leent, terwijl het nare geluid een wijle verstomt, nauwlettend het oor aan den doffen klokslag uit de verte.

“Zes!” bromt de vrouw binnensmonds, rekt zich geeuwende de leden, stapt nu spoedig uit de hooge bedstee, en sloft een oogenblik later op neergetrapte pantoffels naar een andere bedstee.

Drie kinderen slapen er bijeen; twee jongens van tien en dertien jaren, benevens een meisje, dat bijna haar twaalfde jaar heeft bereikt. In de slaapstee der ouders kreunt vluchtig een kind van weinige maanden, waarschijnlijk nu het bespeurt dat moeder hem verliet, en, in de wieg er voor, droomt een meisje van vier jaren, misschien met een droevig lachje om den mond, van mooie winkels met allerlei brood.

“Toe kinders, er uit!” roept de moeder met schrille stem het slapende drietal toe, en als zij het schamele dekkleed heeft weggeslagen, dan trekt zij den oudsten knaap bij den arm, haar Evert die, langzaam ontwakende, met lodderigen blik voor zich heen ziet, terwijl zij verder op soortgelijke wijze de beide andere kinderen te wekken tracht. Die taak is geen lichte. Saartje althans weert onbewust de moederhand af, die haar diepen slaap komt verstoren, wijkt naar de achterste hoek der bedstee terug, en kromt zich schier tot een bal ineen, met het hoofd op de knieën.

Een klagend geween vervult eensklaps het vertrek. ’t Is Sander, het jongste der knaapjes. Onbarmhartig door de moeder uit de bedstee getild, staat hij half wakende, half droomende, met de bloote voetjes op den killen vloer.

“Stil Sander, als vader het hoort!” vermaant de moeder, en als zij nu hém en ook haar oudste—die inmiddels zijn bed heeft verlaten, de schamele kleeren heeft toegeduwd, dan tast zij opnieuw naar het weggedoken meisje, trekt haar bij haar hemdrokje naar voren en beurt het kind, dat woest van zich afslaat, mede uit het bed.

Saartje, op den grond gezet, opent de oogen; zij droomde daareven, dat een akelig dier haar bij de keel had; nu ziet ze.... haar moeder; en de teedere handjes klemt ze inéén, en de kille knuistjes drukt ze tegen de brandende oogen, en zegt dat het zoo tikt in haar hoofdje.

Maar de moeder hoort het niet. Toen zij Sander heeft losgelaten om het meisje te wekken, is het jongske, overheerd door den slaap, in de knieën gezakt, en ligt met het hoofd tegen den muur, opnieuw in een diepe rust.

“’t Is ook wat erg, ze gingen om twaalf uur naar bed!” mompelt de moeder. Zich schielijk tot het jongske voorover buigende, schudt zij hem nogmaals wakker; doch, als nu het kind opnieuw en sterker dan straks aan het krijten gaat, dan legt zij hem haastig de hand voor den mond, en ziet er met angstigen blik naar de zijvan haar bedstee, want—ruw klinkt de stem van haar man, met een nijdigen vloek: “Hé—mondhouwen. Zeg!”

Een klein kwartier later beweegt zich een schamel drietal kinderen in de nog onbevolkte straten van Leidens achterbuurt.

De nachtwacht, die van zijn laatste ronde huiswaarts keert, hij kent ze wel. ’t Zijn de kinderen van Gerrit Zwarte den voormaligen timmermansknecht; van Zwarte, die sinds een paar jaren—zooals hij zich uitdrukt—bang voor springende knokkels is geworden, en daarom zijn handen maar in de broekzakken houdt.

Daar gaan ze, die kinderen. Evert, de oudste, trekt Sander met zich voort, en paait den bibberenden kleine met de woorden: “Kom maar, ’t is warm daarginder.”

Sander kan ’t niemendal schelen; hij wil er gaan liggen, hier op die stoep, en—met het handje, waarin nog de kruimels van den straks gekregen en haastig opgegeten kouden aardappel kleven, wrijft hij zich steeds en alweder langs de loodzware oogleden: hijwilniet verder—weet je, hij wil niet!

En Saartje, met opgetrokken schouders en de armen in haar boezelaar gerold, gaat ze haar broertjes op eenige schreden afstands haastig vooruit. Bij iederen voetstap dien ze doet, tikt het haar sneller en sterker in ’t hoofdje; dat heeft ze eergister ook gehad; maar nu is ’t erger, veel erger; ze zal maar doorloopen, nóg harder, dat ze eerder in de warmte komt.

Saartje is ginds om den hoek reeds verdwenen. Evert kan met Sander, dien hij stevig vasthoudt, niet zoo haastig voortgaan.

Eensklaps ontsnapt er een nare kreet aan zijn mond; met pijnlijk gebaar trekt hij ijlings de hand terug, waarmee hij Sander heeft voortgetrokken. Het arme slaapdronken kind had hem kwaadaardig gebeten, gebeten in de hand, die tot loopen hem dwong, dewijl hij slapen wilde, niet anders dan slapen.

“Leelijke rakker!” schreeuwt Evert, en.... Doch neen, wij vervolgen hier niet. Arme zwakke onwetende schapen! We zouden u beschuldigen, wij, terwijl we slechts deernis met u hebben, en slechts medelijden voor u vragen. Ha! of we niets meer voor u wilden!

En waarheen zal het nu?

Zie, een steenen vinger, hoog zich verheffende boven de daken, hij wenkt uit de verte.

En daar—gij betreedt er eene der vele werkplaatsen van den grootschen werkman, kloeksten zoon van den geest dien we noemden.

Wondere spruit van genie en verstand, bedeeld met ontzettende kracht en rusteloozen ijver, geboren den menschen ten welvaart en zegen—stil, wie fluistert daar zacht: en vaak ook ten moordenaar?

Zie, in de voorhoven van zijn werkplaats, daar stoken de dienaars een vuur van bedwelmendehitte.

Uit vluchtigen sluimer ontwakende, rekt hij en spant hij zijn leden en spieren.

Krachtig heft hij zijn ijzeren armen omhoog, en—wanneer hij ze heft, dan grijpen zijn vingers in stang en in drijfwiel; dan stampen zijn voeten op kammen en staven; dan wielen en keeren ontelbare raders; dan snort het, en gonst het, en bonst het alomme, en trilt er zijn stem als met dondrenden klank: “Voort raderen, voort! Schept haastig uit ruwe wol een kostlijken draad, den menschen ten koesterend dekkleed!” En—’t snort en het dreunt en ’t bonst er nog sterker; en altijd klinkt nog die stem:

“Voort raderen, voort!”

Ik weet niet waar Saartje gebleven is. Een groot doch somber gebouw is zij binnengegaan; een steile trap heeft zij beklommen, en, hijgende naar den adem, is zij verdwenen in een der zalen van de uitgestrekte stoom-wolspinnerij.

Evert, die zijn broertje in de eenzame straat heeft achtergelaten, moet haar al spoedig gevolgd zijn; ook hem ontdekt gij niet meer.

Zijt gij een vreemdeling in dit verblijf, dan ziet gij in den aanvang slechts weinig. Wel flonkeren er, in afwachting van den naderenden morgen, een menigte gasvlammen, doch het licht wordt gedurig onderschept en gebroken door een aantal gevaarten, die gestadig hun arbeid verrichten. Zijt voorzichtig dat uw kleed niet gevat wordt door een der vele machine-raderen, die u bij den nauwen doortocht van weerszijden bedreigen, en—let op den grond, dat uw voet niet haakt in de breede pees, die ginder een zeer groote schijf in beweging brengt. Die schijf, ’t is het hoofdrad der trommel van den schrobbelmolen der machine, die de vastgepakte wol in losse en platte vlokken te voorschijn brengt.

En er naast, dat andere werktuig, dat is de kaardmachine, die immer de vlokkige wol blijft ontvangen, ze kaardt en verdeelt in haar ijzeren binnenste, en vallen laat in donzige plokken.

En die plokken of rolletjes wol,—zoolang als een arm, zoo dun als een pink, en zoo licht als een veder—wáár of ze blijven? Zie, vele losse raderen wentelen heen en weer; en voeren ze toe aan den grofmolen daar; zij lasschen ze snel aan de plokken of draden, die haast zijn versponnen, snel, ongelooflijk snel: zevenhonderdmalen in één uur, negen duizendmalen op den langen dag.

Doch die losse raderen hier, zie, ze zijn van een ander fatsoen dan de grootere dáár, die er wielen en snorren om hunne assen.

Nietwaar, ge zoudt zweren dat het menschen waren, heel kleine menschen, die staan op hunne voeten als wij; met armen en handen, zeer zwakke handjes; met aangezichten als die van ons, maar flets van kleur en slap van vormen; aangezichten waarin oogjes blinken als een laatste vonk in den bleeken aschhoop. Gij zoudt zweren dat het menschen waren, akelig kleine en arme oude mannen en vrouwtjes, die gaarne hijgende zouden neerzitten bij den warmen haard, en de dorre handen uitstrekken naar een versterkende bete. Nietwaar, gij zoudt zweren dat het natuurgenooten waren, arme ontzenuwde wezens van gelijken aanleg, met dezelfde behoeften als wij; maar gij bedriegt u, zie slechts hoe ze wielen en keeren; negen duizend malen op den langen dag, voortgejaagd door den werkman die—grootsch als zijn oorsprong, doch gesard door zijn duivel, steeds woedender brult:

“Voort, raderen, voort!”

Doch gij vertrouwt ons niet, hoe langer gij tuurt op die kleine raders—want gijgevoeltwel dat het raderen zijn,—toch ziet ge klaar, onbedrieglijk zeker, dat zij—geschapen tot redelijke wezens, nog met het kleed der menschen zijn bedekt.

Immers, in ’t midden van die bontvale rij—het helderst door een der gasvlammen verlicht, daar ziet ge Saartje, het kind van Gerrit Zwarte, het arme kind dat de koorts heeft, dat zich reppen moet, ongelooflijk snel en gestadig. Gij herkent het arme meisje wel, al schrikt ge terug, nu ge haar droevig figuurtje in ’t volle licht te beter kunt zien.

Een hoofd, een gansch hoofd is zij kleiner dan uw dochtertje, dat in dit uur gezond, ja met de rozen op de wangen, op ’t zachte kussen te droomen ligt en zoo oud is als zij.

Gij schrikt terug bij het beschouwen van dat voos en flets gezichtje, met dien wijden mond en die onnatuurlijk glinsterende oogjes. Gij wendt den blik van haar af, en uw oog blijft gevestigd op het jongske aan hare zijde. Tien jaren oud, gelijkt hij een kind van zeven lentes—wat zeg ik, een kind—van zeven barre winters te zijn. Telkens en telkens werpt hij een lodderigen blik op den grofspinner, die aan gene zijde van den molen zijn werken bespiedt; en angstig rept hij gestadig de handjes, want ziet ge, al tweemalen heeft hij van hem een duchtigen tik met den rolstok gehad, hier op den schouder, erg valsch! erg valsch en gemeen!

En aan deze zijde van den tweeden molen, ziet gij dien krommen knaap er wel staan? Zijn hoog en breed voorhoofd doet u vermoeden dat zijn geest iets meer behoeft dan een werktuiglijken arbeid voor zijne handen. Arme onderdrukte geest! wat kan hij meer doen dan tellen, altijd tellen: Zie, zóóveel plokken gelascht geeft ééne minuut, en zestig malen dat getal maakt omstreeks een uur, en als hij die zelfde som straks driemaal verkrijgt, dan is de schoft-of laveitijd nabij; dan mag er het kind.... Doch neen, zijn rust te nemen, dat mag hij dan niet; dat uur is voor zijn kwelgeest, den spinner. Immers, de groote machine weet van geen rusten; immers de plokken, die zij aanhoudend laat vallen, ofschoon ze niet aanstonds verwerkt zullen worden, ze moeten geraapt en op hoopen gelegd. En straks, als de spinner weer aanvangen zal, dan is er de taak van den knaap schier verdubbeld; want, de voorraad van gansch een uur moet worden ingehaald op het nimmer vertragende werktuig, het werktuig, dat altijd plokken voortbrengt; wel honderd in ééne minuut.

Maar toch, die lavei, zij gunt er den kleine een uur van minder gestadigen arbeid. Dat uur is hem welkom, het uur van negen tot tienen. Jaapje heeft een goede moeder, en die moeder heeft hem voor zijn ontbijt een koekebak gegeven, een heele-cents koekebak; dien kan hij nu opeten, en hij smaakt zoo lekker. Wat weert zich die arme kromme knaap om zijn geel-grauwen poffer—waarvan de wetenschap leert dat hij slechts één vijfde voedende deelen bevat, zoo zuurachtig klef en zoo krakend van kalk of van krijtstof—naar binnen te slokken.

Doch gij zult het begrijpen, daar zijn de kinderen van Zwarte en nog anderen, die hebben zulke goede moeders niet als hij; ze zien hem aan met begeerige blikken, en Heintje Pink heeft gister gedreigd: dat Jaapje de helft er van mee heeft te geven, of dat hij hem anders........ Maar Heintje ziet een anderen kant uit, en het arme Jaapje grijnst van genot nu hij het ziekelijk mengsel binnen heeft: Tetellen, dát heeft hij geleerd, tedeelennog niet.

En ginder nabij de fijnspin-tafels, waaraan voor ’t grootste deel de meisjes haar arbeid verrichten, daar staat Heintje Pink, die Jaap en zijn koekebak heeft vergeten. Zijn luid geschreeuw kunt ge niet hooren door het alles overstemmende geraas der machines. Terwijl hij de wol in het kaardwerktuig bracht, hadden zijne kleine vingers te zorgen meteen dat de altijd grijpende tandjes er binnen, gezuiverd werden van de vezelen wol, die er kleven en groeien in het geoliede ijzer.—En ’t was voor de derde maal in weinige weken dat die nijdige haastige tandjes hem knepen het vleesch van zijn schrompele vingers; en Heintje, hij schreeuwt en hij kromt van de pijn, en de meisjes, die van nabij zijn gejammer aanschouwen, ze trekken voor ’t meerendeel haar oude gezichtjes in lachende plooien.

Arme, verstompte, gevoellooze meisjes! Zwakke, ellendig verdorvene kinders! Hoe—kinderen? Neen! ’t was toch voorzeker een optisch bedrog; want hoor, nu het uur is verstreken, nu klinkt met verheffing van stem en nog sterkeren klank weer het woord van den vreeselijken werkman:

“Voort raderen, voort!”

Doch gij toefdet daar reeds lang genoeg en wilt een ander tafreel.

Welnu, een net steenen huisje staat voor ons open. In het ruime voorhuis wordt gij aangenaam getroffen door den zoeten roomgeur die het vervult, en de helderheid van maat en vaatwerk, die u als tegenlacht.

Gij bevindt u in de woning van een echt Hollandschen melkboer. ’t Is er vroeg dag in zoo’n huis. Hij, de jonge bewoner der beide boven-voorkamers, Willem baron Van Hogenstad, jurist aan de Leidsche academie, hij had daar ook op gerekend. Gisteravond heeft hij met Koen op diens kamer Mathesis gewerkt. Na éénen heeft hij turende en turende op een hellend vlak, dat vlak al grooter en grooter zien worden, akelig groot, en het vlak heeft hem opgeslokt, inééns, zonder dat hij er iets van bemerkte.

Koenraad moet wel zijn best hebben gedaan om Willem weer wakker te krijgen, doch het is hem niet gelukt. Toen Willem omtrent zes uren in den morgen de oogen heeft geopend, toen lag hij op de canapé, met een kussen onder ’t hoofd en een deken over zich heen gespreid. Ha! Koen had best gezorgd; maar—op z’n eigen kast, in z’n eigen bed, daar zou ’t nog beter zijn. Weinige minuten later is Koenraads huisploert wakker geschrikt van het toetrekken der huisdeur.

Willem, diep in den kraag van zijn overjas gedoken, vervolgde intusschen haastig zijn weg naar de straks genoemde woning van den melkboer. Omstreeks aan ’t einde van een smalle straat gekomen, die hij ter bekorting van zijn weg had gekozen, heeft hij een zonderlinge vondst gedaan. Daar lag een knaapje, ellendig gekleed, met het hoofdje rustende op den kleinen arm, en dien arm gekromd op den scherpen rand van een lage stoep.

Wat waren zijn wangen koud!—Was hij dood? Neen, zijn ademhaling ging vrij geregeld. Maar wat te doen met dat kind! Hem meenemen!? Waarachtig! Zoo’n arme drommel!

Ha! dat was een goed besluit; het moet wel voortkomen uit een onbevangen edelaardig gemoed. ’t Was niet het gevolg der berekening, omdat geen andere hulp er nabij was. Neen, meenemen! waarachtig! dat was heteerste, en ’t bleef zoo.

Bravo, zoon van Minerva! gij zijt er één van het echt oud Neerlandsche bloed. Bravo, Willem Van Hogenstad, nu toont ge dat ge van adel zijt, niet slechts van den adel die de kwartieren în ’t wapen telt, maar van dien dieperen adel der ziel.... Doch stil, ga niet voort, of hij smijt u naar ’t hoofd dat ge deklaplooperzijt.

Een half uur later staat de zwaarlijvige echtgenoote van Baks den melkboer, op den drempel van een der mooie kamers, die haar voornamen student tot zit- en studeerkamer dient. Zij kan ’t zich ter wereld niet begrijpen, hoe mijnheer zoo’n vuil schandaal van de straat mee naar boven heeft gedragen. Goddank, ze houdt van helder en netjes, weet je, en nou leit daar op de andere kamer zoo’n smerig sezjet in mijnheers ledikant, en de hemel mag weten wat voor ontuig hij mee in huis heeft gebracht.

“Wil j’ is kijken?” fluistert Van Hogenstad, terwijl hij de juffrouwwenkt hem in de achterste kamer te volgen, en haar te gelijk—half ironisch, half ernstig—een knipoogje geeft.

“Kijken! wát zou ik kijken!” prevelt de juffrouw, terwijl zij met krakenden tred den jonker volgt, den jonker, die, op zijn teenen loopende, haar naar het ledikant in de andere kamer is voorgegaan, en nu het groen damasten gordijn ter zijde schuift.

“Hoe vin je dat, hé?”

“Hoe ik dat vind....? Mag ik reis vragen, mijnheer, hoe uwes mama dat zou vinden?”

“Heb je wel eens op straat geslapen, juffrouw Baks, met ’en stoep tot je kussen?”

“Lieve hemel, ikke!” roept de juffrouw: “Ik ben Goddank ’en fatsoenlik-manskind; maar weet je waar zu’k gespuis van afkomstig is,”—en zij wijst met haar vleezigen vinger op den armen Sander, die in Willems ledikant zoo kostelijk te slapen ligt,—“van ’t repalje weet je, uit de febrieken; van ouwers die drinken en luieren en d’r eigen onmondig vleesch voor den kost laten zorgen, zie je, weet u mijnheer, van zu’k repalje!”

“Zoo, juffrouw Baks.”

“Ja van volk, dat z’n eigen vader en moeder voor ’en glas jenever aan de galg zou helpen; maar wil ik je reis wat zeggen mijnheer, als je van ’en ouwer mensch ’en goeje raad wilt aannemen: pas op dat je je vingers niet brandt; ’t vuilmaken van je eigen boel en ’t gebabbel in de straat wil ik daarlaten, maar met je dat verwaarloosd en liederlijk sezjet heel Christelijk aan te trekken, ga je vlak buiten je boekje. Als we t’ avond of morgen zoo’n zuiplap in de deur krijgen, die mijn of m’n man ’en maling schopt, omdat we z’n kind van ’t febriek hebben afgehouwen, dan bent uwes responsabel; iederman blijft baas over z’n eigen kinders. Als bijvoorbeeld uwes mama....”

“Wil je klaar zetten, juffrouw Baks?!”

Lieve hemel, wat zette ie vreeselijke oogen op.

“Ja wel mijnheer; twee kadetjes, niet waar?”

“Zes kadetjes en tien krentenbroodjes juffrouw Baks.”

Guns watte oogen!

“Koffie- of theewater mijnheer?”

“Chocolade-water, juffrouw Baks.”

Juffrouw Baks maakt rechtsom-keer; en als ze langzaam wegschommelt, dan mompelt ze bij zich zelve: Om zoo’n vuil opraapsel ’en fatsoenlik mensch nog te schandalizeeren ook.—Weet je, ze zou wel.... maar, d’r kamers, en ’t lieve geld! Je moet al wat doen in de wereld!

En terwijl ginder in de fabriek de grofspinner vloekt omdat hij één der raderen mist aan zijn molen, slaapt de arme kleine Sander zoo rustig voort op het kostelijk leger van zijn weldoener.

Toen Willem de kamer van Koenraad verliet, toen heeft hij gerekend nog een paar zoete uurtjes op zijn bed te zullen doorbrengen, maar nu—zijn slaap is gansch en al geweken. Hij heeft het ook druk gekregen. Om de waarheid te zeggen, toen hij het ongelukkigeperceeltje op zijn kamer had, toen is ’t hem bij eene nadere beschouwing niet meegevallen. ’t Begin was niets geweest; maar om nu vol te houden! Boeh! wat een morsig boeltje. Doch een student weet zich te redden. Met behulp van een mes heeft hij het kind, dat dubbende en slapende, niets anders dan: och, en ajasses, gezegd had, de armelijke kleeren van ’t lijf getrokken; heeft verder den steenkouden bloed haastig een oude wollen overjas om de droevig tengere leedjes geslagen, en, na hem vervolgens op zijn bed te hebben gelegd, heeft hij de dekens over hem heen getrokken, hoog-op tot aan den neus, nog hooger, tot aan de ooren; zoo’n arme drommel!

’t Was geen wonder dat de jonge baron de vunze kleeren van ’t ventje met de tang in de kachel wierp.

Fluks een paar turven er op gelegd, en toen het boeltje in brand gestoken, zag hij alras hoe de vlammen eensklaps zoowel van boven als van onder uit de kachel sloegen. Ja, juffrouw Baks heeft gelijk: Als je zoo’n ouwen rommel opruimt, dan krijg je een vlam en een rook van geweld; maar ’t is heel gauw gedaan; ’t heeft niets te beduiden.

Een groot uur later ontwaakt de arme Sander uit een diepen slaap. Eerst tuurt hij geeuwende een wijle suf voor zich heen; maar dan, dan spalkt hij de oogen open, al wijder en wijder, steekt zijn hoofdje buiten het ledikant, en werpt een onbeschrijfelijk vreesachtig verbaasden blik in het keurige slaapvertrek waarin hij getooverd is.

Een angstig geween roept eensklaps den jonker.

Bij het zien van den voornamen heer die hem haastig nadert, duikt het schreiende kind vreesachtig terug, en verbergt zijn hoofd in het kussen.

“Zoo, kleine slaper, ben je al wakker!” zegt Willem met zijn vriendelijk welluidende stem, en laat er dan aanstonds op volgen: “Zeg, lust je een boterham?”

Dat laatste woord werkt machtig.—Een boterham? Ja, ja, die lust hij wel; en terwijl hij door de tranen heen een tweeden blik op den vrager werpt, doch ook aanstonds zijn oogen weer neerslaat, glijdt een nauwelijks hoorbaarjahem van de lippen.

Ik weet niet of gij zoudt gelachen hebben, indien gij Willem opnieuw met het altijd vreesachtige knaapje hadt zien tobben en sollen; wanneer ge gezien hadt, hoe hij hem tilde van ’t bed, hem dwong de voeten te steken in een paar wollen kousen, die nog veel langer dan zijn geheele beentjes waren; hoe hij de dunne armpjes door de mouwen van de oude overjas trok, en die mouwen, ter vrijmaking van de handjes, meer dan ter halverwege opsloeg; toen hij het arme zoo wonderlijk toegetakelde manneke in zijn zit- en studeerkamer op de canapé deed plaats nemen; hem overlaadde met dik geboterde broodjes en krentenbollen, en verder onthaalde op een enormen kop zeer dikke en geurige waterchocola. Ik weet niet wie er zou gelachen hebben om de inderdaad overdreven goedheid van den student, maar zeker, zeer zeker zijn lieve moeder niet; zij zou een traan hebben weggepinkt; zij zou.... Doch genoeg,de zoon denkt het allerminst om zich zelf; hij heeft slechts oogen voor het arme schaap, het knaapje dat zeker één van die ongelukkige fabriekskinderen is, waarvan men hem wel eens verhaalde, één van de ongelukkige wezens, die geboren worden met den vloek, dat hun lichaam—niet een tempel, maar een ellendige kerker zal zijn voor den geest, die sprank van het eeuwige, van het ideaal, die sprank der Godheid zelve.

Nu Willem zoo’n schepseltje van nabij ziet, nu is het hem onbegrijpelijk dat hij vroeger zoo koud is gebleven als er sprake was van hun rampzaligen toestand.

Maar, zoo zijn de menschen, ze moetenzienom te gevoelen; ze lezen in hunne nieuwsbladen van de duizenden slachtoffers der mijnen, en van de honderdduizenden in den bloedigen krijg. Ja, ’t heet danverschrikkelijk, maar ook aanstonds, aanstonds plooit weer een lach hun mond, want daarnevens—in het nieuwsblad, worden zij vergast op een aardig avontuur. Ja, zóó zijn de menschen, zoo zijn wij,WIJmenschen! We moeten zien van nabij, we moeten hooren en tasten; maar wij schuwen de ellende en houden haar gaarne van verre.

Ei zie dan, en luister nog even. ’t Zal nu zoo akelig niet zijn, misschien zelfs—om te lachen.

“Ben jij ’en prins?” klinkt het zachtjes van Sanders lippen, en het jongske, wiens vreeze na het kostelijk onthaal voor een groot deel was geweken, werpt een schuwen blik op zijn gastheer, doch slaat de oogen ook aanstonds weer neer.

“Ik? Wel neen!” lacht Willem, uit zijn gemijmer ontwakende: “Maar—áls ik het was, zou je dan wel altijd bij zoo’n prins willen blijven?”

“Ja wel,” zegt Sander.

“Waarom?”

“Om ditte!” zegt de jongen en likt nog eens langs den rand van den grooten chocolade-kop.

“Hadt je dat nooit geproefd?”

Het ventje grinnikt alsof hij wil zeggen: Dat kun je begrijpen! “’k Docht eerst dat het mosterd was,” zegt hij iets later.

“Mosterd?”

“Ja, die haalt moeder in een potje, en ’s middags als we van ’t febriek kommen, dan krijgen we aardappels met zoo’n beetje mosterd in ’t water.”

“Niets anders?”

“Ja, soms wel een scheutje azijn. Vader en moeder eten meestal spek, maar da’s gallig voor de kinders zeit moeder.”

“Beesten!” roept Willem.

Neen Sander, schrik maar zoo niet; dat geldt niet u of een van uws gelijken; hoor maar, hij vraagt u weer vriendelijk:

“En hoe heet je vader?”

“Dat weet ik niet,” is het antwoord.

“Maar jij, hoe heet jij?”

“Sander Zwarte.”

“En wat doet je vader?”

“Hé, hé,” grinnikt de jongen, “moeder zeit zuipen.”

“Maar wat is hij van zijn ambacht?”

“Ambacht?” grinnikt het kind.... daar had hij nooit van gehoord.

“Waar verdient hij zijn centen mee?”

“Dat doen wellui.”

“En hoe oud ben je al ventje; ben je al zeven?”

“Ikke,” zegt het jongske, “ikke ben tien.”

Ongelooflijk! zoo’n worm! “Dus moet je zeker in de fabriek werken?” vraagt Willem opnieuw.

Angstig kruipt het jongske ineen. Die vraag had hem eensklaps aan zijn plicht, aan zijn vreeselijk lange dagtaak herinnerd; aan den spinner, die hem zijn loon onthouden, aan den vader die hem ranselen, aan de moeder, die hem geen eten zal geven; en bevende zegt hij:

“Maar ’k had ook zoo’n slaap, en gisteravond toen ik dertien of veertien uren gelascht had, toen dreigde de spinner dat ie me zou kielhalen als ik weer stond te hangjassen, zeidie.”

“Kielhalen!” herhaalt de student met saamgetrokken wenkbrauwen: “kielhalen, wat is dat?”

“Ja, dat weet ik niet,” herneemt de jongen, en angstig rondziende, als vreest hij dat iemand hem beluistert, vervolgt hij: “maar ze zeggen dat ie achter z’n bast ’en emmer met water hêt staan; en als nou ’en slecht kind—zoo zeit ie—z’n luie oogen niet open wil houwen, dan douwt ie ’em even met het hoofd in den emmer: ten minste als ’t opperste menheer van ’t febriek d’r niet bij is; maar ’t zal niet waar wezen; hé zoo koud!”

Ja koud, ijzig koud; om van te rillen.

“En ga je ook school?” vraagt Willem weder, na een oogenblik van sombere stilte.

Zie—tegenover het jongske, tot wien de vraag was gericht, daar staan in de breede en nette boekenkast—slechts weinige achter een groene gordijn verscholen—de bronnen en schatkamers van wijsheid en wetenschap, van deugd en van recht, van beschaving en godsdienst; daar staan de klassieken die getuigen, hoe voor tientallen eeuwen ’s menschen geest reeds krachtig streefde naar het schoonste ideaal: des geestes eeuwige volmaking! Daar staan ze, de wetten der Oude Romeinen, die reeds de zwakken beschermden tegen het onrecht en der moordenaren staal; daar staan ze in de bontste mengeling dooreen, die wijzen en geleerden, die godvruchtigen en zedenmeesters van vroegeren en lateren tijd; en het is alsof ze luisteren, aandachtig luisteren naar de antwoorden van dat kind.

Neen, naar school gaat hij niet.

Naar school kan hij niet gaan, want dertien, veertien, ja vijftien uren moet hij werken—staande werken, op éénen dag.

Naar school gaat hij niet, want het dagloon moest dan minder worden, en dat zou voor vader en moeder te schadelijk zijn.

Boeken? Neen, boeken heeft hij nooit gezien.

Ja! als dát, daar tegenover hem, boeken zijn, dan weet hij ’t wel: dat zijn bijbels; moeder heeft er ook zoo een, en ze zeit: “’en dominee’s-bedrieger.”

Wat een dominee is? Dat weet hij niet. Of ja, die woont in de kerk.

En wat de menschen Zondags gaan doen in de kerk? dat kan hij niet zeggen; want hij is er wel in geweest, maar heeft toen geslapen.

En waar het brood van gebakken wordt? dat weet hij niet.

En dat de tafels en stoelen van het hout der boomen gemaakt worden, dat weet hij evenmin; ja zelfs nooit heeft hij gehoord vanwaar de wol afkomstig is, die reeds bij duizenden ponden door zijne handjes ging; noch heeft hij vernomen dat van diezelfde draden, die hij laschte, een kleed wordt geweven, zooals er nu een zoo warmpjes om zijne leedjes sluit.

Hebt ge dat gehoord, groote mannen van den ouden en nieuwen tijd? Nietwaar, dat was een droevig examen in de aloude en wijd vermaarde academiestad. Mij dunkt, ik zie de gulden rugtitels verbleeken op de werken van uwen geest; ik zie ze huiveren en inéénkrimpen de vruchten van uw hart of verstand; gij wenscht dat de gordijn der breede boekenkast u scheide van dat ongelukkige voorwerp, van het voorwerp dat u driest in het aangezicht slaat, en u kermende toekrijt:

Gelogen dat de mensch een heer der schepping zou zijn!

Daar is geen vrije wil.

Daar is geen recht in de wereld, noch een rechtvaardigheid die haar bestiert.

Daar is....

Doch wij grijpen de gordijn en schuiven haar voor de breede boekenkast, en te gelijk voor dit droevig tafreel.

Nochtans onze taak is daarmede niet ten einde. Wij hebben nog twee andere tafreelen.

Het eerste ziet ge in een schoon doch fantastisch licht; het tweede in het diepe zwart van den nacht, wanneer er slechts ééne enkele ster breekt door de voortgezweepte wolken.

En dat eerste tafreel?

Zie, in dat schitterende kunstlicht, lieflijk als het schijnsel der maan, maar toch zoo klaar als de zon, blinkende als goud en zilver dooréén gemengeld, daar ziet ge, te midden van een lachend plantsoen, een jongeling; gij herkent hem terstond: ’t is de wakkere edelman, die zich toerust met de kennis om later te waken voor de rechten der menschheid, ’t is Willem Van Hogenstad.

Aan zijn zijde staat een teer doch aardig jongske dat, netjes en helder in de kleeren, te midden van den rijkdom en pracht eenerte voren niet gekende natuur, de oogen telkens met de uitdrukking der dankbaarste verrukking en der innigste gehechtheid tot zijn weldoener opslaat.

Dat jongske is het arme fabriekskind, het kind van Zwarte; het knaapje, dat door de macht van het geld werd gered uit zijn ellendigen staat, en opgevoed en onderwezen zal worden, om mensch te zijn,waarachtigmensch!

’t Is wel jammer dat zulk een kunstlicht zoo spoedig voorbijgaat. Het schoone tafreel is verdwenen. Wij staan in het duister, in ’t nachtelijk zwart.

Hoort ge daarginder—dáár in dien donkeren hoek, dat klagende stemmetje wel. Het kermt om—water.... water! Ontelbare malen hoort ge dat: water! En dan, als wierd het stemmetje moe van altijd datzelfde woord, dan kreunt het: “Dorst, dorst!”

Ouders! hoort ge uw kind dan niet? Moeder Zwarte, weet gij ’t niet dat uw arme Saartje, met brandende lippen en tong, naar een teuge smacht en te zwak is om die zelve te krijgen?

Maar de moeder slaapt, en de vader, hij ronkt. Voor het te bedde gaan heeft de beschonken man gezegd, dat hij die fratsen wel kende, en—als ze te lui was voor d’r werk, dat ze zich dan, evenals Sander, ook maar door zoo’n sinjeur moest laten oprapen; dat gaf nog betere rekening. En de moeder heeft gemeend dat het zoo erg niet zou zijn, als ze maar eens goed warm kon worden; en zij heeft het bibberende meisje met een rok, waarvan zij zich bij het te bedde gaan ontdeed, wat beter toegestopt. Toen de moeder dat gedaan heeft, toen was het dat er een klein, een heel klein sterretje tusschen de zwarte wolken blonk.

Maar nu, nú is ’t weer nacht, pikduistere nacht; want ook de stormwind heeft de gasvlam uitgedoofd, die er nog brandde niet verre van Zwartes woning.

En daarslapende ouders, die, al ware het uit lage zelfzucht alleen, te waken hadden bij het bed van hun doodzieke kind. En dat kind, het kan niet meer zeggen dat ze dorst heeft; haar lippen zijn als verschroeid; haar mondje is vuur van binnen; in haar hoofdje bonst en giert en dreunt het. Dat doet de koorts, de heete verslindende koorts. Zoo’n arm verzwakt schepseltje is niet in staat om die koorts te doorstaan.

En—niemand hoort er haar telkens stiller en doffer gekreun. En niemand ziet het klamme zweet daar parelen op het dof gezichtje: en niemand hoort er, na zes uren strijds, dat laatste, dat allerlaatste zacht pijnlijke snikje, het snikje dat klinkt als een dankbaar zoetvloeiend ... verlost!

En daarbuiten, daar buldert de stormwind als met donderenden weerklank: Vermoord! vermoord!

En dát, dát is nu de wonde der arme academiestad.

Zij is afgrijselijk! Gij begrijpt het nu wel dat het een dringend verzoek is om artsenij, waarmee de boodschapper zich belastte.

Een verzoek? Neen, een smeekschrift; want hij is de eerste boodschapper niet; hij dringt slechts tot spoed.

Vermoord! Vermoord!buldert de wind. En ja, die arme fabriekskinderen, ze worden vermoord naar ziel en naar lichaam.

In een nieuwen vorm gaf ik u die oude, maar des te vreeselijker waarheid. Slechts wat ik zelf gezien en gehoord, of ook door ooggetuigen heb vernomen, gaf ik u weer in vluchtige trekken. En dat mijn verhaal u niet heeft voldaan; dat gij het “niet mooi” hebt gevonden, zie, dat zou mij verheugen, indien ik u maar getroffen had, indien ge maar diep gevoeldet, dat daarginder natuurgenooten, zwakke kinderen, armelijk gekleed en ellendig gevoed, 13–14–15 uren daags moeten werken in een klein bestek, ja—somtijds nog bovendien den ganschen langen nacht, wanneer de Zondag moet volgen.

En een groot deel van die ongelukkige schepsels! ze zijn de kostwinners voor hun luie onbarmhartige ouders; ze zijn.... Doch immers, ik heb ze u geschetst, naar waarheid geschetst, al sprak ik u niet van de verregaande zedeloosheid, die hen almede besmettend omringd. En gelooft gij mij niet: welnu, bezoek de Leidsche fabrieken; gij zultzien, en, zoo uw harte al aanstonds niet bloedt, dan zult ge toch voorzeker, weergekeerd in uwe woning, bij het aanschouwen van uw lief en bloeiend kroost, moeten uitroepen: Groote God! bestaat er zulk een ontzettend kwaad in ons dierbaar Nederland, in het land welks grootsch verleden van vrijheid spreekt en van recht voor allen! Goede God, wordt er dan niets gedaan in ons lieve vaderland voor die honderden, ja duizenden van rampzaligen, die er vermoord worden, langzaam vermoord! En al zijn die ellendige ouders ook verschoonbaar, ja onschuldig zoo ge wilt, onwetende, ontzenuwde wezens als ze veelal zelven van jongs af aan waren, en al ziet ook een groot aantal fabrikanten met deernis neder op de ellende die hen omringt; al geven u vele brave rechtschapene mannen onder hen, de oprechte verzekering, dat ook zij zoo vuriglijk wenschen die armen eenigszins te kunnen opheffen uit den deerniswaardigen toestand, waarin zij verkeeren, ze fluisteren u toe: “Wat we willen, we kunnen het niet; ééne is er die ’t ons belet, en haar naam is:Concurrentie!”

Hoe! zou zij de moordenares der arme kinderen zijn, zij, de schoone kloeke vrouw, die de leuze van vrijheid in hare banier voert?

Ja, zij is het! En de schoone vrouw, die zich baadt in de wierookgeuren die men haar toezwaait, ze zondigt, bedwelmd door dien geur; en haar leuze van vrijheid, zij voert ze hoog, schaamteloos hoog! Vrijheid! ja vrijheid voor allen en voor alles! gilt ze in dollen overmoed: Wie zal er den ouders het recht over hunne kinderen ontnemen; wie zal ze gelasten, hunnen arbeid te verlichten of hen ter schole te zenden, wie, wie zalMIJbeletten....

Zwijg: schoone waanzinnige vrouw! Weet gij ’t dan niet hoe deStaat—en rechtvaardig,—der arme gevallene, die uit schaamte haar kind vermoordde, de vrijheid ontneemt? Ha! voor die ongelukkige den kerker, en voor u de dartelste vrijheid; gij die boeleert met den gouddorst, en duizenden kinders vermoordt, zonder blozen vermoordt naar ziel en naar lichaam!

Neen! ik zeg het u, de ure zal weldra slaan, waarin men u ketenen zal, ja ketenen in de banden eener zegenrijke wet!

Edelen, en grootmachtige wetgevers in den Staat! Ziet, daar valt de smeekbrief neer voor uwe voeten.

Nogmaals, ten laatste: De kranke stad en hare zusters snakken naar redding en artsenij. Gij vraagt den boodschapper niet waar het kruid is te vinden, het kruid dat hulpe kan geven. Gij weet het wel: Daarginder, aan gene zijde van den Oceaan, daar bloeit en daar tiert het op Engelands bodem; daar behoedt een schoone zegenrijke wet die armearmefabriekskinderen voor den ellendigen toestand, waarin zij hier te lande verkeeren. Dáár zijn hunne werkuren minder in aantal; daar gaan ze ter schole en worden ze onderwezen, drie, ja vijf uren per dag. En de onderwezen kinderen worden bekwame werklieden; en de nijverheid, zij bloeit er; en ik bid u, waarom zouden wij bij onze overzeesche naburen, ja zelfs bij het grootste deel ook der minder ontwikkelde Staten van Europa ten achterstaan?

Maar wat spreek ik van artsenij te zoeken in den vreemde; Uwe wijsheid zal het weten te vinden op eigen bodem, naar eigen behoeften. Neen, ik vraag u niets meer dan eene wet in het belang dier ongelukkigen. Het tafreel, dat ik schetste van den edelen knaap met het jongske aan zijne zijde, het was in een kunstlicht geplaatst. Dat beeld zou een uitzonderingkunnenzijn; een toekomst voor die armen kan het niet worden. Die minvermogende kinderen, ze moeten werken en zij zullen en kunnen het, indien gij u hunner ontfermt; ja ze zullen meer doen dan nu, want immers nu zijn ze verlamd en ontzenuwd, en de ervaring heeft elders—ook reeds hier te lande, in de werkplaatsen van waarachtig menschlievende mannen geleerd, dat te veelvuldige arbeid der Industrie nádeelig wordt, terwijl meerdere rust en onderwijs voor die kleinen haar krachtig verheft.

Machtige wetgevers in den Staat! gelooft ze niet de valsche boodschappers, indien ze komen mochten, die u zouden verhalen, dat de hulpe, die wij van u afsmeeken, een onnoodige is.—Zij zoudenliegen!

Maar neen, komen zullen ze niet; want ik zeg u: Zij, zij zouden metterdaad de ellendigen zijn, die de schoone vrouw tot ontucht en kindermoord verleiden. Die boodschappers, ja, ze zouden verbleeken indien gij hen krachtig betichttet dat zij dus inderdaad de moordenaar onzer arme fabriekskinderen zijn. Neen, daar zal er geen komen, die u driest in het aangezicht zal werpen dat daar geen moord geschiedt in den vollen zin des woords.

Ik bid u, laat mij begaan met hem die het zou wagen; ik vraag hem dan zacht: Zeg, ongelukkige, hebt gij dan dat eene kamertjevergeten, het kamertje met de reinigings-machine van het ruwe katoen, waarbij het kind in slechts luttele jaren zijn rampzalig leven der win- of der sleurzucht ten offer brengt? Zie,—zie—dán verbleekt hij, en sluipt hij terug.

Maar ik weet het, daar zullen, daar kunnen geen boodschappers komen, om tegen mijne zending te getuigen. Hoor maar, hoor! de arme stad, zij kermt te luide en roept om hulp.

Edelen en grootmachtige wetgevers in den Staat, ziet, aan uwe en mijne kleederen, waaraan de handjes dier kleinen werkten, kleven droppelen bloeds. O! toeft dan geen oogenblik langer, zendt de hulpe die Gij gebieden kunt; dat heeft haast, groote haast. Doet de stad verrijzen uit haren nood, en hare zusteren met haar; en dan, dan zal er een stemme suizen door uwe zielen: Wél u, dat gij hebt saamgewerkt—niet tot leniging, maar ter voorkoming van jammer en ellende. Wél u, dat gij der Nederlandsche Nijverheid een schoonere toekomst hebt gewaarborgd; en wél u, wél u bovenal, dat Gij die armen daarginder—en nu zonder geld—naar ziel en lichaam gered enWAARLIJK HEBT LIEFGEHAD.


Back to IndexNext