Twaalfde hoofdstuk.De wapenschorsing, door de Staten met Spanje gesloten, was met het begin van Bloeimaand ten einde geloopen, en de Vereenigde Gewesten begonnen nu hoe langer hoe duidelijker in te zien dat de Spaansche gezanten bedekt spel speelden. Voor het grootste gedeelte verdroot het den gemachtigden van onze zijde derhalve, langer over een vrede te onderhandelen, welke zij wel begrepen dat nimmer tot stand zou komen.Vooral op het punt van godsdienst—die voorname oorzaak van den Spaanschen krijg—vermoedden zij dat de Spanjaard hun eischen zou doen en wetten zou willen voorschrijven, waarin zij van hunne zijde nooit zouden kunnen treden, en geenszins was het dus te verwonderen dat velen verlangden de onderhandeling met Spanje zoo spoedig mogelijk af te breken. Prins Maurits vooral noemde het eene dwaasheid de wapenschorsing voor langeren tijd te verlengen dan hoog noodzakelijk zou zijn. De provinciën Friesland, Utrecht en Zeeland deelden in zijn gevoelen, en stelden voor, het bestand slechts tot het einde van Hooimaand te verlengen. Oldenbarneveld echter hield een vrede geenszins voor onmogelijk, en deed derhalve wat hij kon om de schorsing tot het einde des jaars te rekken. De overige provinciën vielen hem bij, en de overredende taal van den schranderen advocaat, deed hem eindelijk, hoewel met groote moeite, zijn wensch verkrijgen. De wapenstilstand werd tot het einde des jaars verlengd, onder beding echter, dat de onderhandelingen volstrekt niet langer dan uiterlijk tot den laatsten van Herfstmaand mochten worden voortgezet.Alonzo Spinola kon zich zelven de vraag niet beantwoorden, of de verlenging van het verblijf des gezantschaps in Holland, voor zijn bijzondere belangen al dan niet wenschelijk was.In deze oogenblikken gevoelde hij zich als een reiziger, die de plaats zijner bestemming zoekt te bereiken, en onverhoeds op zijn weg een breeden stroom ontwaart. Zal hij terugkeeren en den wensch opgeven het schoone land te betreden waar geluk en voorspoed hem verbeiden? of zal hij zich zonder aarzeling in dien stroom werpen, zijne wellicht te zwakke krachten aanwenden, en moedig met het element en zijne gevaren kampen? Hij stond besluiteloos, en evenals de reiziger, staarde hij met weemoed op den breeden hinderpaal, die zich tegen zijn geluk kantte.Zijn twijfelmoedig karakter bracht hem tot den vruchteloozen wensch, dat hij nimmer dat land van geluk en zaligheid mochtaanschouwd hebben.—O! dacht hij: waarom moest ik ook herwaarts komen! Waarom moest ik hier eene vrouw leeren kennen, wier eerste blik een onuitwischbaren indruk op mijn hart heeft gemaakt! Waarom moest ik hier voor het eerst beminnen! Waaromhaarbeminnen,haar, die nimmer de mijne kan worden!?—“Kan worden?” ging hij,—de laatste woorden overluid met nadruk herhalende, voort: “Kan worden? Zou het mij volstrekt onmogelijk zijn dat paradijs te betreden? Is dat bekoorlijke wezenmijdan geheel onverschillig? Heeftzijeen afkeer van mij....? Goddank, neen! vervolgde hij en trok een brief uit zijn fluweelen wambuis te voorschijn. Neen, deze regelen zelfs getuigen van liefde. Welke noodlottige bezwaren er ook, na onze laatste ontmoeting opden Oldenburgh, voor haar mogen ontstaan zijn, die woorden: “Ik min u!” heeft zij nog geenszins teruggenomen. Ik heb mij harer in dien tijd niet onwaardig gemaakt. Zie, hier staat het geschreven Zij noemt mij haar vriend, zij heeft denzelfden wensch gekoesterd als ik. O! dat zijn hare woorden: “Wij worden van elkander gescheiden. Ook voor mij is de droom onzer liefde in rook verdwenen.”Zoo dacht Alonzo een geruimen tijd. Nu eens verwenschte hij zijn kleinmoedige voorbarigheid, en verweet zich zelven die schoone lelie een brief te hebben geschreven, waarin hij zich van hare liefde had zoeken los te maken, en wel om redenen die nimmer geldig konden zijn. Want meer dan kleinmoedig toch moest het haar voorkomen, dat hij, die haar waarachtig beminde, terugdeinsde voor een medeminnaar, dien hij wist dat hare liefde niet bezat en haar tevens onwaardig was.Dan weder bedacht Alonzo de ware reden zijner handelwijze: Adelgonde was eene dochter uit de heffe des volks, wellicht een kind der schande. De man, die haar zou huwen, de moeder van haren pleegvader zelve, hadden hem die noodlottige waarheid meegedeeld, en hij, Spinola, de stamhouder van dat aloude geslacht, de zoon van den markgraaf Ambrosio,kon,mochthij die vrouw tot gade nemen? Nimmer zou zijn vader dit dulden. Geen naam, hun edelen stamboom onwaardig, zou ooit door hem gedoogd worden. De haat diens vaders, de minachting der gansche familie, onterving, ellende, armoede, dit alles zou zijn deel worden, hij kon, hij mocht aan zijn neiging geen voedsel geven, en toch,—tochbeminde hij Adelgonde Van Bergen sterker dan te voren.De loop van Alonzo’s gedachten werd eindelijk gestoord. De knecht uit de herberg van Gooswijn Meurskens, waar de markgraaf met een deel van het gezantschap zijn intrek had genomen, trad het vertrek binnen, en meldde iemand aan, die den jongen graaf wenschte te spreken.“Hoe is zijn naam?” vroeg de jongeling.“Ik weet het niet uw genade!” antwoordde de bediende: “Dezen morgen heeft die man hier zijn intrek genomen. Hij schijnt een reiziger te zijn die van verre is gekomen, en die, op het hooren van uw naam, mij verzocht heeft hem bij u aan melden.”“Het is goed, laat hem hier komen!” zeide Alonzo.Het duurde niet lang of de bedoelde persoon trad met de vreemdste en nederigste strijkages Alonzo’s kamer binnen.De man die, naar het uitwendige te oordeelen, weinig beschaving bezat, stak bovendien in een zonderlinge, zelfs kluchtige kleeding. Het gele met gouden boordsels omzette wambuis, was zijn bewoner veel te eng; de breede schouders dreigden het vaneen te scheuren, terwijl de ruwe handen en roode polsen zonderling uit de veel te korte mouwen te voorschijn kwamen. De broek daarentegen, die van rood fluweel was, had een verbazende wijdte en hing van achteren als een zak naar beneden. De beenen van den man staken in grijze wollen kousen, zijne voeten in open gele laarsjes, en op zijn hoofd prijkte een fluweelen baret, aan welks linkerzijde een groote witte veer golfde, terwijl hij op den linkerarm een grijzen mantel droeg, die in zeer breede plooi ter nederhing. Zijn groote knevels en breede baard waren van een donkere kleur, en onwillekeurig moest men de echtheid er van in twijfel trekken, wanneer men het stekelig gele hoofdhaar beschouwde, dat van onder den fraaien baret te voorschijn kwam. De degen, dien hij aan de verkeerde zijde had vastgemaakt, was voor zijn lengte omstreeks een halven voet te groot, zoodat alles te zamen niet kon nalaten een potsierlijken indruk te maken, en den binnentredende veel overeenkomst deed hebben met een figurant of koorzanger eener opera uit den tegenwoordigen tijd.Alonzo die niet wist wat hij met dit vreemde model had uit te staan, moest heimelijk glimlachen om de voortdurende strijkages, waarmee de man hem bleef begroeten; eindelijk echter, dit gebarenspel moede, begeerde hij te weten wat de bezoeker van hem verlangde of hem had mee te deelen.“Uw genade vergunt mij te spreken.” ving de man aan, terwijl hij in een gebogen houding voor Alonzo staan bleef: “Welnu, dan moet ik uw genade zeggen, dat er ten alle tijde geesten zijn geweest, en dat er ook ten allen tijde geen geesten zijn geweest. Dat er ten huidigen dage groote geesten zijn, en dat er evenzeer ten huidigen dage geen groote geesten zijn. Uw genade ziet in mij een vereerder der geesten, en ik geniet het onuitsprekelijke voorrecht tot een kenner der geesten te spreken.”Het sprak vanzelf dat Alonzo van dien zotteklap niets begreep, en het berouwde hem den zonderling bij zich toegelaten te hebben: “De onderscheiding die gij mij toekent is inderdaad vereerend,” zeide Alonzo: “doch ik moet u verzoeken mij zeer kort te zeggen wat gij verlangt.”“Ik verlang iets en ik verlang niets,” hernam de vereerder der geesten: “Het is aan u om te zien, te bewonderen en te verlangen. Weet dan uw genade! dat ik uit Italië....” doch hier kon de man, zoo het scheen niet verder gaan, want een vreeselijk hoesten en kuchen,—dat Alonzo niet recht kon onderscheiden of het gemaakt of niet gemaakt was,—brak zijne woorden af.“Gij komt uit Italië?” vroeg Alonzo, dien dat hoesten en kuchen wat al te lang duurde.Met verlof van uw genade!” hervatte de man, die inmiddels het spraakvermogen had terugbekomen: “Ik kom uit Italië, en ik kom niet uit Italië, in ieder geval echter is het een schoon land, rijk aan geesten, rijk aan vernuften! Italië is....” doch weer brak een hoestbui des redenaars woorden af.“Het is onnoodig mij dat land te beschrijven,” hernam Alonzo: “ik ben er meermalen geweest, en zelfs in Italië geboren.”“Uwe genade!? Gij?” zeide de man, tot bedaren gekomen, terwijl hij Alonzo nauwkeurig beschouwde: “Ik moet uw genade gelooven, en ik moet uw genade niet gelooven. De Italianen zijn immers van een zwarte gelaatskleur.”Alonzo moest om ’s mans uitgebreide volkenkennis onwillekeurig lachen; en deze, niet recht wetende waaraan zich te houden, vervolgde met een diep nadenkend knikken: “Voorzeker, uw genade heeft gelijk: de Italianen zijn zwart en zijn niet zwart, dit is ook tamelijk hetzelfde; doch hetgeen zij hebben voortgebracht, dat is schoon, dat is rein, dat is in alle deelen onnavolgbaar; denk slechts aan de groote geesten, die....” doch een nieuwe aanval van hoesten belette den spreker weder voort te gaan.“Het zal mij zeer aangenaam zijn,” zeide Alonzo eenigszins gramstorig: “dat gij eindelijk ter zake komt. Hebt gij mij nog iets te zeggen?”“Ik heb uw genade nog iets, en echter niets meer te zeggen,” hernam de man: “Ik bewonder het vernuft en bezit ook de uitvloeiselen van een Italiaansch vernuft. Ik wilde uw genade dit uitvloeisel aanbieden of niet aanbieden,” liet hij er voorzichtigheidshalve op volgen: “maar in oogenschouw doen nemen; er met uw genade over handelen of niet over handelen. Ik bezit een echte, Italiaansche blanke Maria met haar Heiligen Zoon; een schilderstuk van groote waarde; geschilderd door den beroemden schilder Rachel d’Urbibo.”“Een Raphaël d’Urbino!” zeide Alonzo verwonderd: “Is een stuk van die waarde uw eigendom?”“Zooals uw genade zegt, een Raphaël d’Urbino,” antwoordde de man: “Het stuk is in mijn bezit, en is niet in mijn bezit. Ik ben met uw verlof vereerder der kunst en handelaar tevens. Vergun mij dat ik het u ter bezichtiging aanbiede.”Alonzo was inderdaad een bewonderaar der schoone kunsten, en gaf derhalve zijn wensch te kennen om het werk van dien grooten meester te beschouwen. De kunsthandelaar aarzelde geen oogenblik aan de begeerte van den jongen Spanjaard te voldoen.“Het stuk is wel bewaard en niet wel bewaard,” zeide hij, terwijl hij het uit de vreemde plooi van zijn grijzen mantel te voorschijn haalde. “Het is zaak met zulke voorwerpen van waarde voorzichtig te zijn. Men moet ze voor het oog der wereld verborgen houden en niet verborgen houden. De Hollanders,” vervolgde hij: “waardeeren de geesten niet, maar uw genade, die een vreemdeling, een Spanjaard, of, met uw welnemen, geen Spanjaard, maar een Italiaan zijt, zult zien, bewonderen en de heilige beeltenis in eigendom wenschen te bezitten. Oordeel zelf, uw genade, heb ik gelijk of heb ik geen gelijk?”Alonzo sloeg een blik op het schilderstuk, ’t welk de man thans met zijn beide handen naar voren hield, doch—ter nauwernood had hij het gezien, of hij sprong onstuimig van zijn zitplaats op, beschouwde de schoone Madonna met vonkelende oogen, en riep eindelijk, geheel buiten zich zelven: “Is het mogelijk! Gij!? Kerel! spreek.... lieg niet: waar hebt gij dit portret bekomen?”Een zoo overgroote verrukking had de aangesprokene zich niet durven en kunnen voorstellen. Die vraag trouwens, viel hem niet zoo gemakkelijk te beantwoorden.“Ik heb ... uw genade!....” ving hij aan, maar weder verhinderde zijn noodlottige borstkwaal hem verder te spreken, en Alonzo mocht bidden of dreigen, dezelfde akelige muziek was steeds zijn bescheid.“Dit stuk is nooit uw rechtmatig eigendom geweest,” zeide de jongeling eindelijk, en trok het uit de handen van den kennelijk bedremmelden kunsthandelaar. “Ik gebied u te spreken!” vervolgde hij, den hoestenden roodbroek met een doordringenden blik in de oogen ziende: “Spreek zeg ik u: waar hebt gij dit portret gestolen?”Het woord gestolen, maakte een gewenschten indruk. “Gestolen!” zeide de man, zich herstellende: “Het is niet gestolen!Ikheb het, of lieverikheb het niet, maar een mijner vrienden heeft het uit de handen van den maker zelven, uit de handen van den heer Raphaël ontvangen.”“Gij zijt een schurk!” riep Alonzo in woede: “Raphaël is reeds lang dood.”“Met verlof uw genade,” hervatte de man: “hij is dood en hij is niet dood. Hij leeft....”“Al leefde hij honderdmalen,” viel Alonzo hem in de rede: “gij zijt een schelm en blijft een schelm! Pak u terstond van hier! Dit stuk is uw eigendom niet. Ik zal mij belasten om het aan den rechtmatigen eigenaar terug te geven.”“Bedenk, uw genade,” zeide de man weder, na driemalen gekucht te hebben: “bedenk toch dat het stuk mij behoort, en mij niet behoort, dat....”“Juist, omdat het u niet behoort, zal ik het in bewaring nemen,” hernam Alonzo: “Vertrek van hier! en zoo gij nog een oogenblik draalt, dan zal de gevangenpoort u dezen nacht ten herberg verstrekken!”Tegen deze laatste afdoende drangreden scheen de man niets in het midden te kunnen brengen; zonder een woord te spreken maakte hij dus een nederige buiging voor den jongen edelman, en verliet het vertrek, waar hij zijn Raphaël moest achterlaten.Nadat de heler van gestolen goed vertrokken was en aan zijn ambtgenooten zijn welslagen, of zijn niet welslagen, ging mededeelen, verloor Alonzo zich geheel in de beschouwing der schoone Madonna. Hetgeen hem bij den eersten aanblik zoozeer getroffen had, was de sprekende gelijkenis van dit portret met de schoone Adelgonde Van Bergen.Deze beeltenis was naar het leven gemaald. Dat waren de trekkender bekoorlijkeHagenlelie; de trekken der vrouw die hij aanbad.... Doch dat kind aan haren boezem!?.... Die zuigeling, waar zij met moederlijke liefde op nederzag?....Het was hem onverklaarbaar. Het was, naar zijne meening, eene ongerijmdheid.... Doch neen, een licht ging er voor den nadenkenden jongeling op. Deze beeltenis moest het portret van Adelgondes moeder zijn. Voor hem bestond er geen twijfel meer. Het oog der moeder, hoewel even helder en rein als dat der dochter, stond ernstiger. Met moederlijke bezorgdheid staarde zij op haren telg, en die uitdrukking van moederlijke teederheid, welke zoo duidelijk was wedergegeven, kon nooit de uitdrukking eener maagd zijn geweest.Dit was dan de moeder zijner onvergetelijke Adelgonde. Hier zag Alonzo dan nu de trekken voor zich van haar, aan welke die voortreffelijke bloem haar aanzijn verschuldigd was. En deze vrouw? deze fijn en edel gevormde vrouw,—was zij een dienstbare, eene vrouw uit den geringen stand, van armoedige geboorte geweest? Hadden die teedere handen, die fijne vingeren veelvuldigen arbeid gedaan? Had die reine ziel—want de blankste ziel teekende dat hemelsch gelaat—had die reine ziel hare eer, hare schaamte roekeloos der zinnelijkheid opgeofferd!?—Onmogelijk! dacht Alonzo: Dit wezen was rein, rein als de bloem zelve die uit haar is voortgesproten. Hemel! het was dan laster, Godtergende laster!?—En ik, die daaraan geloof heb willen slaan, zoo ging hij voort, terwijl zijne wangen van innige blijdschap en verlevendigde hoop gloeiden: Ik, die dit heb kunnen gelooven,—ik maakte mij schuldig aan heiligschennis; ik beschouwde den edelen diamant door de ruwe schors van afgunst en laster: maar thans, mijn geluk moet niet vernietigd worden, mijne hoop mag niet verloren gaan! De hemel zelf bracht mij tot de ware bevinding. Dit tafereel is de bode eener zalige toekomst geworden. De onoverkomelijke hinderpalen zullen wijken; zij zullen voorbijgaan voor de macht der liefde. Adelgonde leeft in mijn hart en zal de mijne worden!In een opgewonden gemoedsstemming liep hij het vertrek op en neder, en toen hij eindelijk onwillekeurig naar den vloer blikte, ontwaarde hij eene rol papier, die dicht bij de deur lag.Alonzo was begeerig te weten wat deze papieren zouden bevatten. Voorzeker waren zij, evenals het schoone portret, in de plooien van den grijzen mantel verborgen geweest en den ronselaar bij zijn overhaast vertrek ontvallen.Een vluchtige blik was hem reeds voldoende om te bespeuren dat de inhoud dezer papieren zijner aandacht overwaardig was. Hoe meer hij zijn onderzoek voortzette, hoe belangrijker ze hem werden. Zijne lippen beefden van verontwaardiging. Zijne oogen konden niet gelooven wat zij aanschouwden. “O mijn God! is het mogelijk!” riep hij eindelijk uit, en bedekte met beide handen zijn van aandoening, deernis en afgrijzen gloeiend gelaat.Dertiende hoofdstuk.Het atelier van den jongen kunstschilder Jakob De Geest, leverde den dag nadat hij van zijne reis was teruggekomen, een allertreurigst schouwspel op.De reis—welke hij met geen ander doel had ondernomen dan om zijn ideaal aan de oevers der Maas te gaan opsporen—was door hem uit de gelden bekostigd, die hij voor het vervaardigen van Van Rodenbergs portret had ontvangen.Geheel in het onzekere of hij een ideaal dan wel de werkelijkheid ging najagen, had hij dagen lang die rotsen beklommen en in de streken omgedoold, waar hij zelf niet wist of hij droomend of wakend die hemelsche verschijning had aanschouwd. Te vergeefs had hij gezocht, te vergeefs al zijne nasporingen in het werk gesteld, te vergeefs in de nabijheid van het slotAduaarzich ter ruste nedergelegd. Het schoone wezen was nergens te vinden. Geene hernieuwing van dien heerlijken droom had zijne zinnen mogen streelen. Te vergeefs was zijn vertoeven in die streken geweest. De uitslag van dezen tocht had des jongelings hoop teleurgesteld, en slechts met zijn schepping, het uitvloeisel van den indruk, dien hij van dat onvergetelijke droombeeld had ontvangen, slechts met het portret der schoone, ’t welk hij op zijn tocht steeds had medegevoerd, kwam hij in Holland terug, en zagen wij hem in vrouw Barbara’s herberg zijn intrek nemen.Wat er in zijne ziel was omgegaan, wat hij gevoeld en welke zaligheid hij gesmaakt had toen dat rijtuig op den zandweg hem, in Adelgonde Van Bergen, nogmaals dat bekoorlijk droombeeld in de werkelijkheid had doen aanschouwen, die zielstoestand, dat gevoel, laat zich niet beschrijven.Met uitgestrekte armen, doch roerloos en als aan den grond genageld, was hij blijven staan, en stom van verbazing had hij het rijtuig zien henensnellen, ’t welk háár met zich voerde die hij, reeds sedert maanden, niet uit zijn geest had kunnen verbannen! Zelfs wist hij niet hoe het hem nog mogelijk was geweest zijne woning te bereiken. De innige blijdschap, welke Klaartje bij zijne terugkomst had aan den dag gelegd, had hij niet bespeurd. Den teederen blik, waarmede zij hem had begroet, had hij niet begrepen of beantwoord. Dof en gevoelloos was hij op zijn kamertje in een armstoel neergezegen, en had weinige oogenblikken daarna het kistje geopend om nogmaals de trekken te beschouwen van haar, die hij nu wist dat geen schepsel zijner verbeelding maar een levende hemelsche schoone was.Wij wagen het niet dat oogenblik te beschrijven, dat vernietigende oogenblik, waarin de jonge kunstenaar het deksel van het kistje opende, en slechts een ledige ruimte ontwaarde.Dat was te veel.... te veel voor zijn verzwakt en ondermijndzenuwgestel. Een doodelijke bleekheid verspreidde zich over zijn, reeds vóór den tijd, vermagerd gelaat. Een hevige koorts greep hem aan, en zóó, in dien droevigen toestand, vinden wij hem op zijne legerstede weder.Het was omstreeks twee uren na den middag. De zieke lag in een diepen slaap; een zacht gekreun was het eenige teeken dat hij nu en dan van leven gaf.Het zorgvolle Klaartje had met de meeste bereidwilligheid den post van verzorgster op zich genomen. Het was haar meer dan een genoegen den ongelukkigen lijder op zijn minste wenken te bedienen, te verkwikken en te laven: het was de begeerte van haar hart. Neen, zij kon het zich zelve niet ontveinzen, het was de liefde die haar tot deze taak riep; het was de innigste liefde, die haar tot de trouwe verpleging van den jongeling aanspoorde. Het was de liefde die haar tot een biddende bewaakster van den kranke maakte.—En hij? de kranke, die daar uitgeput en naar het scheen zelfs stervende nederlag, hij kende, hij begreep den oorsprong harer trouwe zorge niet. Een ander wezen had, helaas! zijn hartstocht te onstuimig in beweging gebracht. De jonkman minde zonder wederbemind te worden. Hij aanbad zonder zijn aangebedene te kennen, en reeds dreigde die onbevredigde gloed zijn lichaam met een spoedig uiteinde.—En zij? Ook zij beminde oprecht; ook zij hing met de teerste liefde aan het wezen, dat zij boven allen wenschte te bezitten. En, dat wezen, die beminde, was haar nabij; zij sloeg hem gade; zij voorkwam zijn geringste wenschen; met betraande oogen bad zij zonder ophouden tot God, om het behoud van dien geliefde; en evenwel—hij begreep hare liefde niet; nog nimmer had hij in hare oogen de zuivere min gelezen, die er hem steeds uit had tegengestraald. En de zwakke vrouw, het teedere meisje, beschaamde den sterkeren man. Zij had gestreden, zij streed nog; en waar het meisje moedig haar gevoel bleef overwinnen, daar stortte, voor dat zelfde overheerschende gevoel, de jongeling gansch machteloos ter neder!Uit een lichte beweging van den lijder begreep Klaartje, die voor het bed was gezeten, dat hij zijn brandenden dorst wenschte te lesschen. Aan die begeerte was spoedig voldaan, en de weinige droppelen, waarmede het meisje zijne lippen bevochtigde, waren voldoende om de gewenschte verkwikking te bezorgen. Een tevreden lachje speelde er om zijne lippen, en dat lachje, o! geene schatten waren in staat geweest het meisje zoo te beloonen, en geene woorden hadden haar ooit zóózeer verrukt, als die lachende trek der dankbaarheid.“Hoe bevindt gij u Jakob?” vroeg het meisje met een nauwelijks hoorbare stem: “Gij hebt gerust geslapen, nietwaar? Drie volle uren hebt gij stil en kalm gelegen. Ik heb voor uw behoud gebeden, en nu gevoelt gij u ook iets beter. Is het niet zoo?”De schilder knikte toestemmend. “Het is voorbij,” zeide hij na een kleine pauze, met zwakke stem: “De nevelen zijn opgeklaard.—Het is weder licht voor mijne oogen. Geen droom benevelt meer mijngeest. Het is voorbij, Goddank! De strijd is gestreden. Ik zal leven....”“Gij zult leven! Ja, dat zult gij!” zeide het meisje met innige verrukking.“Leven...., ja, leven.... dáár....,” hervatte de jongeling, terwijl hij zijn zwakke oogen hemelwaarts sloeg. “Hier op aarde was er voor mij geene rust. De hartstochten hebben hevig in mijn binnenste gewoed. Ik leefde, doch helaas! zonder mij zelven bewust te zijn. Ik bemin, o rampzalige gedachte! zonder bemind te worden. Tweemalen aanschouwde ik de toovergodin uit mijn droom; tweemalen ook verdween zij weder als de schaduw van den eik bij het ondergaan der zon. Eindelijk.... O God! Gij hebt den dwependen minnaar streng gestraft! Doch hij verdiende Uw toorn; hij beminde het maaksel meer dan den Schepper zelven. Gij hebt hem alles ontnomen, alles wat hem aan haar, die eenige schoone, kon herinneren; maar tevens hebt Gij hem tot U teruggevoerd; tot U, die reeds van eeuwigheid in Uw Goddelijk raadsbesluit hadt vastgesteld, dat zijn lichaam op aarde geen geluk zou vinden, maar dat zijne ziel eeuwig bij U zou leven!” Deze lange ontboezeming had den zwakken spreker zeer vermoeid; een diepe zucht gleed er van zijne lippen. De ziel had hare rust herkregen, de ziel had opgehouden mede te werken tot de begeerlijkheden des lichaams. De geest des jongelings had sterkte verkregen, door een vertrouwend opzien naar den hoogen; maar zijn lichaam—ongewoon aan die kalmte der ziel, gewoon aan het woeden der hartstochten daarbinnen—het lichaam gevoelde zich verlaten. Het was alsof de ziel, die het bewoonde, reeds was heengegaan, alsof een andere kracht dat lichaam nu bezielde; de ziel en het lichaam verstonden elkander niet meer, het lichaam voelde zich verlamd, daar zijne tegenpartij de overwinning behaalde; de ziel daarentegen was in eene zalige verrukking, en wenschte niets vuriger dan eene woonplaats te verlaten waar zij helaas, op een verkeerde wijze was werkzaam geweest, en waar zij gevoelde thans niet meer thuis te behooren.Het meisje evenwel begreep dien toestand van den beminden lijder niet. Met innige blijdschap en een dankbaar gemoed had zij de woorden gehoord, die haar een gunstige wending in den toestand des jonkmans deden voorzien. Zijne hersenschimmen waren geweken. Hij had zelf zijne dweepzucht beleden; hij had zich tot God gewend, en—die God zou hem vergeving schenken; Hij zou hem oprichten van zijn krankbed; Hij zou hem opnieuw doen leven, van zijne dwalingen bevrijd; wellicht hem de oogen openen voor een ware liefde, en dan.... dan zou zij nietalleenbeminnen, dan zou zij ook weder bemind worden, en de gelukkigste der stervelingen zijn.Zoo droomde Klaartje nog van aardsch geluk, terwijl de jongeling reeds een voorsmaak van de hemelsche gelukzaligheid had. Zoo bad het meisje om leven en herstelling voor den kranke, terwijl hij onophoudelijk den Vader aanriep, tot wien hij hoopte henen te gaan; hij deed dit met onhoorbare woorden, maar met een helderen geest, en bad om bevrijding van den aardschen tabernakel, om genade, ontferming en een eeuwig zalig leven.De heerschende stilte werd eindelijk afgebroken door het binnentreden van Bril, die, bij zijne betrekking van baardschraper, naar gelang der omstandigheden, ook de functiën van genees- en heelmeester uitoefende. Hier vooral had hij, als vriend van den huize, en juist op het oogenblik tegenwoordig zijnde toen den jongen kunstenaar die hevige koorts overviel, zijne diensten aangeboden en den zieke een drank voorgeschreven. Begeerig om dus de uitwerking van zijn geneesmiddel—dat Klaartje den kranke geregeld had toegediend—te zien, kwam hij nu—den volgenden dag—in zijn voornoemde betrekking van geneesheer, den patiënt bezoeken.Met wezenlijke belangstelling, doch tevens met een bijzondere waardigheid, welke hem geenszins eigen was, doch thans voor zijn verhevene betrekking door hem noodzakelijk werd geoordeeld, wenkte hij het meisje van hare zitplaats tot zich; deed haar eenige vragen aangaande de rust en den toestand des lijders, en aan de tevredene uitdrukking van des geneesheers gelaat was het duidelijk te bespeuren, dat die inlichtingen van een alleszins geruststellenden aard waren.Na dit korte en zacht gevoerde onderhoud, nam Bril de plaats in, welke het meisje zooeven had verlaten; wisselde eenige woorden met den patiënt; voelde hem vervolgens met halfgeslotene oogen—ten einde de grootst mogelijke nauwkeurigheid aan te wenden—den pols, en zag daarna het angstig wachtende Klaartje met een blijden en zegevierenden blik aan.“De pols slaat geregeld,” zeide hij. “Uw bevinding is zeer juist. De lijder is kalm en rustig. Hij is nu zonder koorts; wellicht zal deze zich tegen den avond herhalen: een geregeld gebruik der medicijnen kan dit evenwel geheel voorkomen.—Morgen hoop ik u volkomen hersteld te vinden,” vervolgde hij tot den jongeling: “mijn geneesmiddel en de goede oppassing van Klaartje zullen u voorzeker, met Gods hulp, de gezondheid wedergeven.”Een glimlachend hoofdknikken was het bescheid van den schilder.Bril stond op, en Klaartje die hem tot aan de deur vergezelde, drukte den arts de hand, en vroeg nogmaals met een paar oogen, die van innige blijdschap schitterden: “Gij hebt dan waarlijk hoop? Gelooft gij werkelijk dat hij morgen reeds zal hersteld zijn?”“Buiten twijfel!” hernam de kleine geneesheer: “Een trouw gebruik van den heilzaam werkenden drank; een rustige nacht, en gij zult zien, morgen is de zieke jonkman weder gezond en frisch, ja zelfs gezonder dan te voren!”Klaartje was buiten zich zelve van verrukking. Zulk een heerlijke uitkomst, zulk een spoedige herstelling had zij zich niet durven voorstellen. Jakob zou leven! Jakob zou bevrijd zijn van zijne zielskwelling, en leven, gezonder dan te voren, gezond naar ziel en lichaam! O, een dankgebed steeg uit haar vol gemoed naar boven. God had hém willen sparen die haar dierbaar was; God had hem van de banden willen bevrijden, die hem aan een denkbeeldige wereld hadden gekluisterd; God zou hem doen leven,leven—om geluk en vrede te smaken zooals hij die nog nimmer gesmaakt had.En inderdaad, de Hemelsche Vader had in Zijne wijsheid besloten dat de jongeling zou leven, dat zijne ziel rust en vrede zou vinden.—Doch Zijne goedheid was grooter, oneindig grooter en van wijder omvang dan die der menschen. De lijder zou worden vrijgemaakt van de boeien, die hem aan een denkbeeldige wereld met hare vergankelijkheden hadden gekluisterd. De ziel zou leven, en in een reiner kring haar loopbaan beginnen;—maar het lichaam zou die ziel niet langer met zich rondvoeren. Het oude kleed zou aan het verderf worden overgegeven, maar, een reiner en schooner tooisel verbeidde den jongeling in die gewesten, waar geen nacht meer is, waar geene hartstochten woeden, en, waar een naar hooger dorstende geest, onder het gejuich van Gods heilige engelen, door hen zegevierend en met jubelzangen wordt binnengevoerd.De avond begon te vallen.—De Geest slaapt lang, dacht Klaartje: De tijd om zijn drankje in te nemen is reeds verstreken. Zou ik hem wakker maken?—Hij ligt zoo gerust. De slaap zal hem wellicht meer versterken dan dit geneesmiddel.—Zie, ik mag hem niet wakker maken, hij ligt zoo kalm.—Zijn gekreun heeft reeds geheel opgehouden; zijn ademhaling is ook nauwelijks hoorbaar. Zij bracht haar oor dichter aan zijn mond, maar hoorde niets: “Jakob!” sprak zij met een angstige stem: “Jakob! ontwaak!”De jongeling opende nog eenmaal de brekende oogen, zag het meisje met een onbeschrijfelijke verrukking aan, sloot toen de oogen weder, en slaakte een diepen zucht. De strijd was gestreden. De ziel was verlost. De ongelukkige doch thans zalige jongeling had het tijdelijke met het eeuwige verwisseld.Een zachte roodachtige schemering drong door de vensterglazen naar binnen. De ondergaande zon blikte nog eenmaal in die nederige werkplaats, waar de kunstenaar weleer het schepsel van Gods hand had trachten na te bootsen, waar hij met koude verven het doode doek had bezield. Nog eenmaal kleurde zij met haren glans het reeds verbleekte gelaat van den gestorvene, nog eenmaal schonk zij eenige warmte aan het verkleumde wezen, met vriendelijke zachtheid beschouwde zij het schier wanhopige, op den ontslagene neergezonken meisje, en verdween toen—om andere ongelukkigen met hare komst te verblijden.Veertiende hoofdstuk.DedouairièreVan Bergen tuurde, door een der hooge vensterramen van haar kasteel, in de met zware wolken bezwangerde lucht, en sloeg de vurige slangen gade, die door het weerlicht aanden westelijken gezichteinder werden voortgebracht. Haar gelaat had echter geenszins de uitdrukking van dat gevoel, waarmee de sterveling de natuurkrachten nagaat, ten einde door deze tot den Schepper te worden opgevoerd. Neen, hare oogen zagen wel Gods macht en Zijne wonderen in de Schepping, doch haar hart werd door dit alles niet tot dien Formeerder heengeleid.Even snel als de wolken aan het hemelruim elkander opvolgden en verdrongen, even snel ook zweefden er honderden ijdele wenschen voor haren geest, en even snel verdrongen zich tallooze voornemens en plannen in haar binnenste, die, helaas! even zwart, ja nog zwarter waren dan de donkerste wolken aan het luchtgewelf.Het waren haat, nijd, afgunst, wraak en geldzucht, die haar het hart tot een moordkuil maakten. Zij moest, zij zou zegevieren!Dat geslacht, hetwelk zij haat had gezworen, zou zij vernietigen en verdelgen! Verdelgen? Neen—de wraak moest voortduren. Hare slachtoffers moesten leven, moesten onder haar vernietigenden invloed blijven bestaan!—Gij hebt mij verstooten, graaf! sprak zij bij zich zelve: Gij hebt mij verstooten omdat ik de jeugd meer beminde dan uw grijze kruin, omdat een ander mijn bekoorlijkheden meer waardeerde dan gij. Ik heb het u voorspeld: uw bloed zou die blaam betalen. Ha! korten tijd daarna leefdet gij reeds niet meer. En nu.... ik haat het bloed der Van Bergens. Het zal langzaam verkwijnen, en geheel ten ondergaan! en hij, om wiens bestaan ik werd verjaagd, hij zal uwe goederen in erfenis bezitten, slechts weinige jaren na uw dood zal hij reeds in uwe rechten zijn getreden. Ha! graaf Van Bergen, dat hadt gij niet gedacht. Kondt gij nu uit uw graf nog eens mijn arbeid beschouwen, dan zoudt gij zien dat mijne woorden zijn bewaarheid geworden: dat uw bloed den hoon, mij aangedaan, zou betalen!De hoefslag van een paard deed zich op de brug hooren.—Dat zal Van Rodenberg zijn, dacht de gravin: wat voert hem zoo laat herwaarts? Het opkomende onweder kan hem niet hebben uitgelokt; ongetwijfeld heeft hij mij iets belangrijks mee te deelen.Werkelijk trad jonker Walter Van Rodenberg weinige oogenblikken later het vertrek binnen.De gravin had hem nu, ondanks de reeds heerschende schemering, aan zijn tred volkomen herkend.“Gij hebt mij voorzeker iets bijzonders te zeggen?” voerde zij den jonker te gemoet: “Reeds zijn er verscheidene weken verloopen sedert gij opden Blankertzijt geweest. Gij houdt uwe bezoeken wel op prijs, en dan nog zijt gij steeds een onweersvogel; men ziet u niet dan bij avond en ontijden, bij stormen en onweders. Intusschen verheugt het mij u te zien, en gij moogt blijde wezen onder dak te zijn, want die donkere wolken daarbuiten worden hoe langer hoe dreigender.”“Inderdaad mevrouw,” gaf Van Rodenberg—die inmiddels had plaats genomen, ten antwoord: “het is reeds eenigen tijd geleden dat ik hier ben geweest, en werkelijk is het iets bijzonders, eeneverandering in mijne omstandigheden, waarvan ik u bij dit bezoek wilde kennis geven.”“Eene verandering in uwe omstandigheden?” hernam de gravin: “Gij bedoelt uw huwelijk dat wellicht spoedig zal worden voltrokken? Is de freule eindelijk hersteld? Hare ziekte heeft mij om uwentwil verontrust. Door een te schielijk uiteinde had mijne hoop kunnen verijdeld worden. Uwe belangen....”“Mijne belangen mevrouw, werden door u op een zeer verplichtende wijze behartigd,” viel de jonker haar in de rede. “Zij schenen echter eenigermate met de uwe verbonden te zijn. Gij hebt mij dat huwelijk aangeraden, ja, opgedrongen, doch ik wenschte het alleen om der fortuinswille. Bij dezen kom ik u mijn dank betuigen mevrouw, voor de inlichtingen, die gij mij aangaande Adelgondes geboorte hebt gegeven. Ik heb er mijn oogmerk mee bereikt. Mijne bekendheid met hare afkomst deed den graaf, uw zoon, naar eene verbintenis tusschen ons verlangen. De freule echter beminde mij evenmin als ik haar. Ik haat het huwelijk. Gelukkig voor mij was het ook geenszins de echtgenoot, dien men in mij verlangde; maar mijne stilzwijgendheid moest tot elken prijs gekocht worden. Daarom alleen moest Adelgonde mijne vrouw worden. Om kort te gaan, ik deed afstand van hare hand, en liet mij mijne stilzwijgendheid duur betalen. Ik heb....”Een heldere bliksemstraal brak eensklaps Van Rodenbergs woorden af, en terwijl het vertrek door het felle schijnsel verlicht werd, aanschouwde de jonker op het gelaat der gravin eene uitdrukking van verkropte woede. Hare lippen waren verbleekt en op elkander geperst. Haar spraakvermogen scheen als verlamd, en het was in hare oogen te lezen, dat Van Rodenbergs weinige en oogenschijnlijk onbeduidende woorden, haar een bittere teleurstelling hadden veroorzaakt.Het aanhoudende bliksemvuur werd door een ratelenden donderslag opgevolgd. Het scheen alsof de aarde op hare grondvesten schudde. Het gebouw dreunde, en de vensterglazen rinkelden in hunne looden omvatsels.“Mijne woorden schijnen u meer getroffen te hebben dan de bliksem dit zou vermogen,” hervatte Van Rodenberg: “Ik heb echter in mijn belang gehandeld. Dit land, en vooral Den Haag met zijn stijve en eentonige vermaken, verveelt en walgt mij op den duur. In uw vaderland, mevrouw, vindt men de ware genoegens des levens; gij hebt mij daar dikwerf van verhaald. Men moet de wereld genieten zoolang men haar genieten kan. Welnu, ik ga naar Parijs; daar zal ik met mijne fortuin een waar levensgenot smaken, en mij in de armen van een onbezorgd en altijd vroolijk leven werpen.”“Hoe!” riep de gravin eensklaps, met een van woede bevende stem: “Gij wilt u tegen hetgeen ik verlang, tegen mijn wil verzetten? Ha!” zeide zij akelig lachende: “Ik zeg uneen!—Hetgeen ik bepaald, hetgeen ik gezworen heb, zult gij doen. Gij zult mijn wreker, gijmoetmijn wreker zijn! Gij kent mij niet, jonker Van Rodenberg!” ging zij in één adem voort: “Gij weet niet waaromik u tot mijn vertrouwde heb gemaakt; ik zou dit nooit op een lossen grond hebben gedaan, nooit, indien ik zelve daarvan niet de vruchten had willen plukken.—Gij zult mij gehoorzamen!” vervolgde zij, terwijl zij, opstaande, zich in een dreigende houding voor den jonker plaatste. “Ik heb macht over u. Gij zult u aan mijn wil onderwerpen! Nog eens, ik begeer, ik eisch, dat gij Van Bergens dochter tot uwe vrouw maakt.”“Gij eischt van mij, mevrouw?” riep Van Rodenberg: “Waarachtig! mijne verwondering grenst aan verbazing. Wie—wát geeft u het recht om zóó tot mij te spreken? Ben ik niet mijn eigen heer en meester? Wilt gij den jonker Van Rodenberg, Walter Van Rodenberg, uit een der aanzienlijkste geslachten gesproten, wilt gijmijde wet voorschrijven? wiltgijdit doen mevrouw! Gij, die, ondanks den naam dien gij thans voert, eene.... Ha!” vervolgde hij lachende: “Dit is te dwaas, mevrouw! Het kan u onmogelijk ernst zijn. Hoe dit echter ook zijn moge, ik ga mijn gang. Vaarwel, gravin Van Bergen! het blijft steeds eene eer voor mij, uw onderdanige dienaar te zijn.” Na dit gezegd te hebben, stond Van Rodenberg snel op, en ging naar de deur; doch de gravin, blakend van inwendige spijt en gramschap, greep hem bij den arm, en wilde hem beletten het vertrek te verlaten. Van Rodenberg echter, geenszins gewoon zijn wil aan banden te zien leggen, dwong de gravin door een hevigen ruk met zijn arm, hem los te laten, en wierp haar daardoor tevens achterover op den vloer.“Blijf, ellendeling!” riep de nederliggende gravin: “toef, monster! en gij zult vernemen, wie gij....” doch het was haar onmogelijk voort te spreken, want door de deur, welke Van Rodenberg geopend had, drong een dikke rookmassa naar binnen; een benauwde brandlucht vervulde het vertrek, en de kreet van “Brand! Brand!” weergalmde eensklaps door het kasteel.Terwijl het beschrevene binnen een der vertrekken aan de westzijde van het kasteel voorviel, greep daarbuiten, aan den tegenovergestelden kant, een geheel ander tooneel plaats.In de schuit, waar de lezer reeds vroeger de kinderen van den hovenier heeft aangetroffen, bevonden zich op dit oogenblik twee jonge mannen. De een stuwde met de roeispaan de boot dwars door de gracht op het kasteel aan, terwijl de ander met een haak in een tralievenster greep.“Gij zult moeite hebben, die ijzeren bouten los te krijgen,” zeide de man met de roeispaan.“Toch niet, edele heer,” antwoordde de andere: “die bouten zijn slechts met eenige verroeste spijkers bevestigd; ik ben van de noodige breekijzers voorzien; wanneer er slechts één bout uit den weg is geruimd, wordt de opening reeds wijd genoeg.”Werkelijk week de bedoelde bout zeer spoedig voor breekijzer en hamerslag; de opening was nu bijna anderhalve voet groot, en het leed geen twijfel of een mensch zou er gemakkelijk doorheen kunnen glijden.De man met de roeispaan sprak nu eenige woorden door de opening naar beneden; eene vrouw deed hem bescheid, en kort daarna lieten de mannen een stevig koord, waaraan een haak was bevestigd, door het opengebroken tralievenster naar omlaag.Met groote krachtsinspanning trokken de mannen weinige oogenblikken later het koord weder naar boven. Hun arbeid was niet te vergeefs geweest, want den ongelukkige, dien zij uit een diepen kerker hadden verlost, legden zij weldra behouden in hunne boot neder.“Goddank!” riep de eerste spreker in verrukking: “De gevaarlijke arbeid is verricht. De krachten hebben ons niet begeven. God laat de ondeugd nimmer zegevieren!” Na deze woorden wendde hij zich nog eenmaal naar het tralievenster; haalde een toegevouwen papier uit zijn wambuis te voorschijn en liet het naar binnen vallen.Deschuit was daarna spoedig weder aan wal gevoerd, en nadat de mannen den geredde er uit hadden gedragen, gingen zij met hem naar een elzenboschje, waarachter een voertuig hunne terugkomst verbeidde.Eenige oogenblikken later toen het voertuig, door de twee mannen te paard vergezeld, zich in beweging zette, vlamde het bliksemvuur onafgebroken met zijne schichten om de torenspits van het kasteel.Een dikke rookwolk steeg weldra uit den brandenden toren omhoog, en spoedig daarna hoorde de kleine aftrekkende stoet, te midden der rollende donderslagen, den kreet: “Brand! Brand!” door de lucht weergalmen.Hevig woedden de vlammen door het oude kasteel; op twee plaatsen was de bliksem schier gelijktijdig ingeslagen. De leien pannen knapten in den heeten vuurgloed. De balken kraakten en stortten brandend neer. Uit de meeste vensters sloegen dikke roode vuurvlammen naar boven, en teekenden zich hel af tegen de donkere zwarte lucht. Aan blusschen was niet te denken; de felle brand nam van oogenblik tot oogenblik in hevigheid toe. Elk was op eigen redding bedacht; elk greep naar eigen goederen: elk zocht voor zich te behouden wat hem dierbaar was, doch niet één kwam op het denkbeeld, om de meesteres te verwittigen van het gevaar waarin zij verkeerde.“Om Gods wil, red mij!” riep de gravin Van Bergen met heesche stem: “Om Gods wil, Walter! wilt gij mij hier in een brandend graf doen omkomen! Walter! waar zijt gij?” riep zij angstig: “Ik zie u niet. Ik zal in dezen akeligen rookwalm stikken! Redding! help! help!”“Het is te laat!” zei Van Rodenberg, in het vertrek terugkeerende, met een insgelijks door rook en walm benauwde stem: “Het portaal staat in lichtelaaie. De uitgang langs dien weg is onmogelijk. Wellicht door deze zijdeur,” vervolgde hij, snel daar heengaande. Doch ook deze uitgang was geheel versperd. Insgelijks woedden de vlammen in dat aangrenzend vertrek. Wel wilde hij het wagen zich een doortocht te banen, doch een brandende balk,die met een geweldig gedruisch voor zijne voeten neerstortte, deed hem ijlings terugkeeren: “Aan ontkomen is niet te denken,” riep hij de kermende gravin toe: “Er is geen uitweg meer dan alleen door dit venster.” Met een krachtige hand rukte hij het bedoelde kruisraam open: “De gracht is breed en diep,” vervolgde hij: “doch slechts langs dezen kant is nog redding mogelijk. Vaarwel mevrouw! Vaarwel, voor eeuwig!”Reeds had hij den voet op de vensterbank gezet, om zich in het water te werpen, toen de gravin, deze beweging ziende, en eenigszins hersteld door de lucht, welke thans het vertrek was binnengedrongen, met een doodsangst op het gelaat, hem bij zijn wambuis terughield: “Gij zult mij niet verlaten!” riep zij met bevende stem: “Gij zult mij niet aan de vlammen ter prooi geven. Neen, ik kan, ik wil niet sterven!—Ik wil leven!—Ik moet leven! en zoo er voor mij geene redding is dan zult gij met mij vergaan!”De jonker, alleen op eigen redding bedacht, zocht zich aan de krampachtige handen te onttrekken, die hem in zijne vlucht belemmerden; doch zijne pogingen waren vruchteloos.“Neen, gij moogt mij niet aan een rampzalig lot prijsgeven!” riep de gravin, terwijl zij met zenuwachtige krachtsinspanning den worstelenden jonkman staande hield: “Gij kunt, gij zult háár niet doen omkomen, aan wie gij uw aanzijn verschuldigd zijt. Verneem, Walter, verneem in dit bange oogenblik, wat ik u nimmer had willen openbaren. Walter, red mij!—want ik heb u onder het hart gedragen. Walter, gij zijt mijn zoon! Ja ik ben uwe moeder! Om uwentwil heb ik angst en smart uitgestaan; voor u heb ik geleefd; voor u wil ik blijven leven; om uwentwil heb ik wraak gezworen! Red mij—om Gods wil, red mij!—Neen, gij zult uw moeder niet vermoorden!”“Wijf! gij zijt razend!” riep Van Rodenberg, terwijl het klamme zweet op zijn voorhoofd parelde: “Laat mij los zeg ik u!—Laat mij los!” riep hij heviger, daar de gravin hem hoe langer hoe vaster omklemde: “Gij liegt!—Ik uw zoon?—Bij God! neen, dat is gelogen!—Gij mijne moeder?—Ik een kind der schande?—Een basterd?—Wijf, gij hebt gelogen!” riep hij nogmaals: “Trek uwe woorden in; zeg dat gij onwaarheid, dat gij lastertaal hebt gesproken; laat mij los en ik zal u redden!”“Mijn zoon! Mijn zoon!” riep de gravin smeekend en schier buiten zich zelve: “Ja, ik wist het, gij zoudt mij niet verstooten!”“Nogmaals dien naam!” brulde Van Rodenberg: “Weg van mij, verachte vrouw!” vervolgde hij, zijn uiterste krachten verzamelende: “Weg van mij met uw ellendige logentaal!” en met een geweldigen ruk slingerde hij de rampzalige vrouw achter in het vertrek.—Zonder een oogenblik te dralen, sprong de jonker nu uit de hooge verdieping in de breede slotgracht, en zwom, in weerwil van zijne kleederen, naar de overzijde. Een rauwe gil drong hem in de ooren. Een vrouwelijke gedaante vertoonde zich aan het open venster. Eensklaps verdween zij in de diepte. Het water plompte onder den val van een lichaam, en niets meer ontwaarde de jonker dan eenwitte strook, die nog een paar malen boven de watervlakte te voorschijn kwam, maar toen ook voorgoed verdween.
Twaalfde hoofdstuk.De wapenschorsing, door de Staten met Spanje gesloten, was met het begin van Bloeimaand ten einde geloopen, en de Vereenigde Gewesten begonnen nu hoe langer hoe duidelijker in te zien dat de Spaansche gezanten bedekt spel speelden. Voor het grootste gedeelte verdroot het den gemachtigden van onze zijde derhalve, langer over een vrede te onderhandelen, welke zij wel begrepen dat nimmer tot stand zou komen.Vooral op het punt van godsdienst—die voorname oorzaak van den Spaanschen krijg—vermoedden zij dat de Spanjaard hun eischen zou doen en wetten zou willen voorschrijven, waarin zij van hunne zijde nooit zouden kunnen treden, en geenszins was het dus te verwonderen dat velen verlangden de onderhandeling met Spanje zoo spoedig mogelijk af te breken. Prins Maurits vooral noemde het eene dwaasheid de wapenschorsing voor langeren tijd te verlengen dan hoog noodzakelijk zou zijn. De provinciën Friesland, Utrecht en Zeeland deelden in zijn gevoelen, en stelden voor, het bestand slechts tot het einde van Hooimaand te verlengen. Oldenbarneveld echter hield een vrede geenszins voor onmogelijk, en deed derhalve wat hij kon om de schorsing tot het einde des jaars te rekken. De overige provinciën vielen hem bij, en de overredende taal van den schranderen advocaat, deed hem eindelijk, hoewel met groote moeite, zijn wensch verkrijgen. De wapenstilstand werd tot het einde des jaars verlengd, onder beding echter, dat de onderhandelingen volstrekt niet langer dan uiterlijk tot den laatsten van Herfstmaand mochten worden voortgezet.Alonzo Spinola kon zich zelven de vraag niet beantwoorden, of de verlenging van het verblijf des gezantschaps in Holland, voor zijn bijzondere belangen al dan niet wenschelijk was.In deze oogenblikken gevoelde hij zich als een reiziger, die de plaats zijner bestemming zoekt te bereiken, en onverhoeds op zijn weg een breeden stroom ontwaart. Zal hij terugkeeren en den wensch opgeven het schoone land te betreden waar geluk en voorspoed hem verbeiden? of zal hij zich zonder aarzeling in dien stroom werpen, zijne wellicht te zwakke krachten aanwenden, en moedig met het element en zijne gevaren kampen? Hij stond besluiteloos, en evenals de reiziger, staarde hij met weemoed op den breeden hinderpaal, die zich tegen zijn geluk kantte.Zijn twijfelmoedig karakter bracht hem tot den vruchteloozen wensch, dat hij nimmer dat land van geluk en zaligheid mochtaanschouwd hebben.—O! dacht hij: waarom moest ik ook herwaarts komen! Waarom moest ik hier eene vrouw leeren kennen, wier eerste blik een onuitwischbaren indruk op mijn hart heeft gemaakt! Waarom moest ik hier voor het eerst beminnen! Waaromhaarbeminnen,haar, die nimmer de mijne kan worden!?—“Kan worden?” ging hij,—de laatste woorden overluid met nadruk herhalende, voort: “Kan worden? Zou het mij volstrekt onmogelijk zijn dat paradijs te betreden? Is dat bekoorlijke wezenmijdan geheel onverschillig? Heeftzijeen afkeer van mij....? Goddank, neen! vervolgde hij en trok een brief uit zijn fluweelen wambuis te voorschijn. Neen, deze regelen zelfs getuigen van liefde. Welke noodlottige bezwaren er ook, na onze laatste ontmoeting opden Oldenburgh, voor haar mogen ontstaan zijn, die woorden: “Ik min u!” heeft zij nog geenszins teruggenomen. Ik heb mij harer in dien tijd niet onwaardig gemaakt. Zie, hier staat het geschreven Zij noemt mij haar vriend, zij heeft denzelfden wensch gekoesterd als ik. O! dat zijn hare woorden: “Wij worden van elkander gescheiden. Ook voor mij is de droom onzer liefde in rook verdwenen.”Zoo dacht Alonzo een geruimen tijd. Nu eens verwenschte hij zijn kleinmoedige voorbarigheid, en verweet zich zelven die schoone lelie een brief te hebben geschreven, waarin hij zich van hare liefde had zoeken los te maken, en wel om redenen die nimmer geldig konden zijn. Want meer dan kleinmoedig toch moest het haar voorkomen, dat hij, die haar waarachtig beminde, terugdeinsde voor een medeminnaar, dien hij wist dat hare liefde niet bezat en haar tevens onwaardig was.Dan weder bedacht Alonzo de ware reden zijner handelwijze: Adelgonde was eene dochter uit de heffe des volks, wellicht een kind der schande. De man, die haar zou huwen, de moeder van haren pleegvader zelve, hadden hem die noodlottige waarheid meegedeeld, en hij, Spinola, de stamhouder van dat aloude geslacht, de zoon van den markgraaf Ambrosio,kon,mochthij die vrouw tot gade nemen? Nimmer zou zijn vader dit dulden. Geen naam, hun edelen stamboom onwaardig, zou ooit door hem gedoogd worden. De haat diens vaders, de minachting der gansche familie, onterving, ellende, armoede, dit alles zou zijn deel worden, hij kon, hij mocht aan zijn neiging geen voedsel geven, en toch,—tochbeminde hij Adelgonde Van Bergen sterker dan te voren.De loop van Alonzo’s gedachten werd eindelijk gestoord. De knecht uit de herberg van Gooswijn Meurskens, waar de markgraaf met een deel van het gezantschap zijn intrek had genomen, trad het vertrek binnen, en meldde iemand aan, die den jongen graaf wenschte te spreken.“Hoe is zijn naam?” vroeg de jongeling.“Ik weet het niet uw genade!” antwoordde de bediende: “Dezen morgen heeft die man hier zijn intrek genomen. Hij schijnt een reiziger te zijn die van verre is gekomen, en die, op het hooren van uw naam, mij verzocht heeft hem bij u aan melden.”“Het is goed, laat hem hier komen!” zeide Alonzo.Het duurde niet lang of de bedoelde persoon trad met de vreemdste en nederigste strijkages Alonzo’s kamer binnen.De man die, naar het uitwendige te oordeelen, weinig beschaving bezat, stak bovendien in een zonderlinge, zelfs kluchtige kleeding. Het gele met gouden boordsels omzette wambuis, was zijn bewoner veel te eng; de breede schouders dreigden het vaneen te scheuren, terwijl de ruwe handen en roode polsen zonderling uit de veel te korte mouwen te voorschijn kwamen. De broek daarentegen, die van rood fluweel was, had een verbazende wijdte en hing van achteren als een zak naar beneden. De beenen van den man staken in grijze wollen kousen, zijne voeten in open gele laarsjes, en op zijn hoofd prijkte een fluweelen baret, aan welks linkerzijde een groote witte veer golfde, terwijl hij op den linkerarm een grijzen mantel droeg, die in zeer breede plooi ter nederhing. Zijn groote knevels en breede baard waren van een donkere kleur, en onwillekeurig moest men de echtheid er van in twijfel trekken, wanneer men het stekelig gele hoofdhaar beschouwde, dat van onder den fraaien baret te voorschijn kwam. De degen, dien hij aan de verkeerde zijde had vastgemaakt, was voor zijn lengte omstreeks een halven voet te groot, zoodat alles te zamen niet kon nalaten een potsierlijken indruk te maken, en den binnentredende veel overeenkomst deed hebben met een figurant of koorzanger eener opera uit den tegenwoordigen tijd.Alonzo die niet wist wat hij met dit vreemde model had uit te staan, moest heimelijk glimlachen om de voortdurende strijkages, waarmee de man hem bleef begroeten; eindelijk echter, dit gebarenspel moede, begeerde hij te weten wat de bezoeker van hem verlangde of hem had mee te deelen.“Uw genade vergunt mij te spreken.” ving de man aan, terwijl hij in een gebogen houding voor Alonzo staan bleef: “Welnu, dan moet ik uw genade zeggen, dat er ten alle tijde geesten zijn geweest, en dat er ook ten allen tijde geen geesten zijn geweest. Dat er ten huidigen dage groote geesten zijn, en dat er evenzeer ten huidigen dage geen groote geesten zijn. Uw genade ziet in mij een vereerder der geesten, en ik geniet het onuitsprekelijke voorrecht tot een kenner der geesten te spreken.”Het sprak vanzelf dat Alonzo van dien zotteklap niets begreep, en het berouwde hem den zonderling bij zich toegelaten te hebben: “De onderscheiding die gij mij toekent is inderdaad vereerend,” zeide Alonzo: “doch ik moet u verzoeken mij zeer kort te zeggen wat gij verlangt.”“Ik verlang iets en ik verlang niets,” hernam de vereerder der geesten: “Het is aan u om te zien, te bewonderen en te verlangen. Weet dan uw genade! dat ik uit Italië....” doch hier kon de man, zoo het scheen niet verder gaan, want een vreeselijk hoesten en kuchen,—dat Alonzo niet recht kon onderscheiden of het gemaakt of niet gemaakt was,—brak zijne woorden af.“Gij komt uit Italië?” vroeg Alonzo, dien dat hoesten en kuchen wat al te lang duurde.Met verlof van uw genade!” hervatte de man, die inmiddels het spraakvermogen had terugbekomen: “Ik kom uit Italië, en ik kom niet uit Italië, in ieder geval echter is het een schoon land, rijk aan geesten, rijk aan vernuften! Italië is....” doch weer brak een hoestbui des redenaars woorden af.“Het is onnoodig mij dat land te beschrijven,” hernam Alonzo: “ik ben er meermalen geweest, en zelfs in Italië geboren.”“Uwe genade!? Gij?” zeide de man, tot bedaren gekomen, terwijl hij Alonzo nauwkeurig beschouwde: “Ik moet uw genade gelooven, en ik moet uw genade niet gelooven. De Italianen zijn immers van een zwarte gelaatskleur.”Alonzo moest om ’s mans uitgebreide volkenkennis onwillekeurig lachen; en deze, niet recht wetende waaraan zich te houden, vervolgde met een diep nadenkend knikken: “Voorzeker, uw genade heeft gelijk: de Italianen zijn zwart en zijn niet zwart, dit is ook tamelijk hetzelfde; doch hetgeen zij hebben voortgebracht, dat is schoon, dat is rein, dat is in alle deelen onnavolgbaar; denk slechts aan de groote geesten, die....” doch een nieuwe aanval van hoesten belette den spreker weder voort te gaan.“Het zal mij zeer aangenaam zijn,” zeide Alonzo eenigszins gramstorig: “dat gij eindelijk ter zake komt. Hebt gij mij nog iets te zeggen?”“Ik heb uw genade nog iets, en echter niets meer te zeggen,” hernam de man: “Ik bewonder het vernuft en bezit ook de uitvloeiselen van een Italiaansch vernuft. Ik wilde uw genade dit uitvloeisel aanbieden of niet aanbieden,” liet hij er voorzichtigheidshalve op volgen: “maar in oogenschouw doen nemen; er met uw genade over handelen of niet over handelen. Ik bezit een echte, Italiaansche blanke Maria met haar Heiligen Zoon; een schilderstuk van groote waarde; geschilderd door den beroemden schilder Rachel d’Urbibo.”“Een Raphaël d’Urbino!” zeide Alonzo verwonderd: “Is een stuk van die waarde uw eigendom?”“Zooals uw genade zegt, een Raphaël d’Urbino,” antwoordde de man: “Het stuk is in mijn bezit, en is niet in mijn bezit. Ik ben met uw verlof vereerder der kunst en handelaar tevens. Vergun mij dat ik het u ter bezichtiging aanbiede.”Alonzo was inderdaad een bewonderaar der schoone kunsten, en gaf derhalve zijn wensch te kennen om het werk van dien grooten meester te beschouwen. De kunsthandelaar aarzelde geen oogenblik aan de begeerte van den jongen Spanjaard te voldoen.“Het stuk is wel bewaard en niet wel bewaard,” zeide hij, terwijl hij het uit de vreemde plooi van zijn grijzen mantel te voorschijn haalde. “Het is zaak met zulke voorwerpen van waarde voorzichtig te zijn. Men moet ze voor het oog der wereld verborgen houden en niet verborgen houden. De Hollanders,” vervolgde hij: “waardeeren de geesten niet, maar uw genade, die een vreemdeling, een Spanjaard, of, met uw welnemen, geen Spanjaard, maar een Italiaan zijt, zult zien, bewonderen en de heilige beeltenis in eigendom wenschen te bezitten. Oordeel zelf, uw genade, heb ik gelijk of heb ik geen gelijk?”Alonzo sloeg een blik op het schilderstuk, ’t welk de man thans met zijn beide handen naar voren hield, doch—ter nauwernood had hij het gezien, of hij sprong onstuimig van zijn zitplaats op, beschouwde de schoone Madonna met vonkelende oogen, en riep eindelijk, geheel buiten zich zelven: “Is het mogelijk! Gij!? Kerel! spreek.... lieg niet: waar hebt gij dit portret bekomen?”Een zoo overgroote verrukking had de aangesprokene zich niet durven en kunnen voorstellen. Die vraag trouwens, viel hem niet zoo gemakkelijk te beantwoorden.“Ik heb ... uw genade!....” ving hij aan, maar weder verhinderde zijn noodlottige borstkwaal hem verder te spreken, en Alonzo mocht bidden of dreigen, dezelfde akelige muziek was steeds zijn bescheid.“Dit stuk is nooit uw rechtmatig eigendom geweest,” zeide de jongeling eindelijk, en trok het uit de handen van den kennelijk bedremmelden kunsthandelaar. “Ik gebied u te spreken!” vervolgde hij, den hoestenden roodbroek met een doordringenden blik in de oogen ziende: “Spreek zeg ik u: waar hebt gij dit portret gestolen?”Het woord gestolen, maakte een gewenschten indruk. “Gestolen!” zeide de man, zich herstellende: “Het is niet gestolen!Ikheb het, of lieverikheb het niet, maar een mijner vrienden heeft het uit de handen van den maker zelven, uit de handen van den heer Raphaël ontvangen.”“Gij zijt een schurk!” riep Alonzo in woede: “Raphaël is reeds lang dood.”“Met verlof uw genade,” hervatte de man: “hij is dood en hij is niet dood. Hij leeft....”“Al leefde hij honderdmalen,” viel Alonzo hem in de rede: “gij zijt een schelm en blijft een schelm! Pak u terstond van hier! Dit stuk is uw eigendom niet. Ik zal mij belasten om het aan den rechtmatigen eigenaar terug te geven.”“Bedenk, uw genade,” zeide de man weder, na driemalen gekucht te hebben: “bedenk toch dat het stuk mij behoort, en mij niet behoort, dat....”“Juist, omdat het u niet behoort, zal ik het in bewaring nemen,” hernam Alonzo: “Vertrek van hier! en zoo gij nog een oogenblik draalt, dan zal de gevangenpoort u dezen nacht ten herberg verstrekken!”Tegen deze laatste afdoende drangreden scheen de man niets in het midden te kunnen brengen; zonder een woord te spreken maakte hij dus een nederige buiging voor den jongen edelman, en verliet het vertrek, waar hij zijn Raphaël moest achterlaten.Nadat de heler van gestolen goed vertrokken was en aan zijn ambtgenooten zijn welslagen, of zijn niet welslagen, ging mededeelen, verloor Alonzo zich geheel in de beschouwing der schoone Madonna. Hetgeen hem bij den eersten aanblik zoozeer getroffen had, was de sprekende gelijkenis van dit portret met de schoone Adelgonde Van Bergen.Deze beeltenis was naar het leven gemaald. Dat waren de trekkender bekoorlijkeHagenlelie; de trekken der vrouw die hij aanbad.... Doch dat kind aan haren boezem!?.... Die zuigeling, waar zij met moederlijke liefde op nederzag?....Het was hem onverklaarbaar. Het was, naar zijne meening, eene ongerijmdheid.... Doch neen, een licht ging er voor den nadenkenden jongeling op. Deze beeltenis moest het portret van Adelgondes moeder zijn. Voor hem bestond er geen twijfel meer. Het oog der moeder, hoewel even helder en rein als dat der dochter, stond ernstiger. Met moederlijke bezorgdheid staarde zij op haren telg, en die uitdrukking van moederlijke teederheid, welke zoo duidelijk was wedergegeven, kon nooit de uitdrukking eener maagd zijn geweest.Dit was dan de moeder zijner onvergetelijke Adelgonde. Hier zag Alonzo dan nu de trekken voor zich van haar, aan welke die voortreffelijke bloem haar aanzijn verschuldigd was. En deze vrouw? deze fijn en edel gevormde vrouw,—was zij een dienstbare, eene vrouw uit den geringen stand, van armoedige geboorte geweest? Hadden die teedere handen, die fijne vingeren veelvuldigen arbeid gedaan? Had die reine ziel—want de blankste ziel teekende dat hemelsch gelaat—had die reine ziel hare eer, hare schaamte roekeloos der zinnelijkheid opgeofferd!?—Onmogelijk! dacht Alonzo: Dit wezen was rein, rein als de bloem zelve die uit haar is voortgesproten. Hemel! het was dan laster, Godtergende laster!?—En ik, die daaraan geloof heb willen slaan, zoo ging hij voort, terwijl zijne wangen van innige blijdschap en verlevendigde hoop gloeiden: Ik, die dit heb kunnen gelooven,—ik maakte mij schuldig aan heiligschennis; ik beschouwde den edelen diamant door de ruwe schors van afgunst en laster: maar thans, mijn geluk moet niet vernietigd worden, mijne hoop mag niet verloren gaan! De hemel zelf bracht mij tot de ware bevinding. Dit tafereel is de bode eener zalige toekomst geworden. De onoverkomelijke hinderpalen zullen wijken; zij zullen voorbijgaan voor de macht der liefde. Adelgonde leeft in mijn hart en zal de mijne worden!In een opgewonden gemoedsstemming liep hij het vertrek op en neder, en toen hij eindelijk onwillekeurig naar den vloer blikte, ontwaarde hij eene rol papier, die dicht bij de deur lag.Alonzo was begeerig te weten wat deze papieren zouden bevatten. Voorzeker waren zij, evenals het schoone portret, in de plooien van den grijzen mantel verborgen geweest en den ronselaar bij zijn overhaast vertrek ontvallen.Een vluchtige blik was hem reeds voldoende om te bespeuren dat de inhoud dezer papieren zijner aandacht overwaardig was. Hoe meer hij zijn onderzoek voortzette, hoe belangrijker ze hem werden. Zijne lippen beefden van verontwaardiging. Zijne oogen konden niet gelooven wat zij aanschouwden. “O mijn God! is het mogelijk!” riep hij eindelijk uit, en bedekte met beide handen zijn van aandoening, deernis en afgrijzen gloeiend gelaat.Dertiende hoofdstuk.Het atelier van den jongen kunstschilder Jakob De Geest, leverde den dag nadat hij van zijne reis was teruggekomen, een allertreurigst schouwspel op.De reis—welke hij met geen ander doel had ondernomen dan om zijn ideaal aan de oevers der Maas te gaan opsporen—was door hem uit de gelden bekostigd, die hij voor het vervaardigen van Van Rodenbergs portret had ontvangen.Geheel in het onzekere of hij een ideaal dan wel de werkelijkheid ging najagen, had hij dagen lang die rotsen beklommen en in de streken omgedoold, waar hij zelf niet wist of hij droomend of wakend die hemelsche verschijning had aanschouwd. Te vergeefs had hij gezocht, te vergeefs al zijne nasporingen in het werk gesteld, te vergeefs in de nabijheid van het slotAduaarzich ter ruste nedergelegd. Het schoone wezen was nergens te vinden. Geene hernieuwing van dien heerlijken droom had zijne zinnen mogen streelen. Te vergeefs was zijn vertoeven in die streken geweest. De uitslag van dezen tocht had des jongelings hoop teleurgesteld, en slechts met zijn schepping, het uitvloeisel van den indruk, dien hij van dat onvergetelijke droombeeld had ontvangen, slechts met het portret der schoone, ’t welk hij op zijn tocht steeds had medegevoerd, kwam hij in Holland terug, en zagen wij hem in vrouw Barbara’s herberg zijn intrek nemen.Wat er in zijne ziel was omgegaan, wat hij gevoeld en welke zaligheid hij gesmaakt had toen dat rijtuig op den zandweg hem, in Adelgonde Van Bergen, nogmaals dat bekoorlijk droombeeld in de werkelijkheid had doen aanschouwen, die zielstoestand, dat gevoel, laat zich niet beschrijven.Met uitgestrekte armen, doch roerloos en als aan den grond genageld, was hij blijven staan, en stom van verbazing had hij het rijtuig zien henensnellen, ’t welk háár met zich voerde die hij, reeds sedert maanden, niet uit zijn geest had kunnen verbannen! Zelfs wist hij niet hoe het hem nog mogelijk was geweest zijne woning te bereiken. De innige blijdschap, welke Klaartje bij zijne terugkomst had aan den dag gelegd, had hij niet bespeurd. Den teederen blik, waarmede zij hem had begroet, had hij niet begrepen of beantwoord. Dof en gevoelloos was hij op zijn kamertje in een armstoel neergezegen, en had weinige oogenblikken daarna het kistje geopend om nogmaals de trekken te beschouwen van haar, die hij nu wist dat geen schepsel zijner verbeelding maar een levende hemelsche schoone was.Wij wagen het niet dat oogenblik te beschrijven, dat vernietigende oogenblik, waarin de jonge kunstenaar het deksel van het kistje opende, en slechts een ledige ruimte ontwaarde.Dat was te veel.... te veel voor zijn verzwakt en ondermijndzenuwgestel. Een doodelijke bleekheid verspreidde zich over zijn, reeds vóór den tijd, vermagerd gelaat. Een hevige koorts greep hem aan, en zóó, in dien droevigen toestand, vinden wij hem op zijne legerstede weder.Het was omstreeks twee uren na den middag. De zieke lag in een diepen slaap; een zacht gekreun was het eenige teeken dat hij nu en dan van leven gaf.Het zorgvolle Klaartje had met de meeste bereidwilligheid den post van verzorgster op zich genomen. Het was haar meer dan een genoegen den ongelukkigen lijder op zijn minste wenken te bedienen, te verkwikken en te laven: het was de begeerte van haar hart. Neen, zij kon het zich zelve niet ontveinzen, het was de liefde die haar tot deze taak riep; het was de innigste liefde, die haar tot de trouwe verpleging van den jongeling aanspoorde. Het was de liefde die haar tot een biddende bewaakster van den kranke maakte.—En hij? de kranke, die daar uitgeput en naar het scheen zelfs stervende nederlag, hij kende, hij begreep den oorsprong harer trouwe zorge niet. Een ander wezen had, helaas! zijn hartstocht te onstuimig in beweging gebracht. De jonkman minde zonder wederbemind te worden. Hij aanbad zonder zijn aangebedene te kennen, en reeds dreigde die onbevredigde gloed zijn lichaam met een spoedig uiteinde.—En zij? Ook zij beminde oprecht; ook zij hing met de teerste liefde aan het wezen, dat zij boven allen wenschte te bezitten. En, dat wezen, die beminde, was haar nabij; zij sloeg hem gade; zij voorkwam zijn geringste wenschen; met betraande oogen bad zij zonder ophouden tot God, om het behoud van dien geliefde; en evenwel—hij begreep hare liefde niet; nog nimmer had hij in hare oogen de zuivere min gelezen, die er hem steeds uit had tegengestraald. En de zwakke vrouw, het teedere meisje, beschaamde den sterkeren man. Zij had gestreden, zij streed nog; en waar het meisje moedig haar gevoel bleef overwinnen, daar stortte, voor dat zelfde overheerschende gevoel, de jongeling gansch machteloos ter neder!Uit een lichte beweging van den lijder begreep Klaartje, die voor het bed was gezeten, dat hij zijn brandenden dorst wenschte te lesschen. Aan die begeerte was spoedig voldaan, en de weinige droppelen, waarmede het meisje zijne lippen bevochtigde, waren voldoende om de gewenschte verkwikking te bezorgen. Een tevreden lachje speelde er om zijne lippen, en dat lachje, o! geene schatten waren in staat geweest het meisje zoo te beloonen, en geene woorden hadden haar ooit zóózeer verrukt, als die lachende trek der dankbaarheid.“Hoe bevindt gij u Jakob?” vroeg het meisje met een nauwelijks hoorbare stem: “Gij hebt gerust geslapen, nietwaar? Drie volle uren hebt gij stil en kalm gelegen. Ik heb voor uw behoud gebeden, en nu gevoelt gij u ook iets beter. Is het niet zoo?”De schilder knikte toestemmend. “Het is voorbij,” zeide hij na een kleine pauze, met zwakke stem: “De nevelen zijn opgeklaard.—Het is weder licht voor mijne oogen. Geen droom benevelt meer mijngeest. Het is voorbij, Goddank! De strijd is gestreden. Ik zal leven....”“Gij zult leven! Ja, dat zult gij!” zeide het meisje met innige verrukking.“Leven...., ja, leven.... dáár....,” hervatte de jongeling, terwijl hij zijn zwakke oogen hemelwaarts sloeg. “Hier op aarde was er voor mij geene rust. De hartstochten hebben hevig in mijn binnenste gewoed. Ik leefde, doch helaas! zonder mij zelven bewust te zijn. Ik bemin, o rampzalige gedachte! zonder bemind te worden. Tweemalen aanschouwde ik de toovergodin uit mijn droom; tweemalen ook verdween zij weder als de schaduw van den eik bij het ondergaan der zon. Eindelijk.... O God! Gij hebt den dwependen minnaar streng gestraft! Doch hij verdiende Uw toorn; hij beminde het maaksel meer dan den Schepper zelven. Gij hebt hem alles ontnomen, alles wat hem aan haar, die eenige schoone, kon herinneren; maar tevens hebt Gij hem tot U teruggevoerd; tot U, die reeds van eeuwigheid in Uw Goddelijk raadsbesluit hadt vastgesteld, dat zijn lichaam op aarde geen geluk zou vinden, maar dat zijne ziel eeuwig bij U zou leven!” Deze lange ontboezeming had den zwakken spreker zeer vermoeid; een diepe zucht gleed er van zijne lippen. De ziel had hare rust herkregen, de ziel had opgehouden mede te werken tot de begeerlijkheden des lichaams. De geest des jongelings had sterkte verkregen, door een vertrouwend opzien naar den hoogen; maar zijn lichaam—ongewoon aan die kalmte der ziel, gewoon aan het woeden der hartstochten daarbinnen—het lichaam gevoelde zich verlaten. Het was alsof de ziel, die het bewoonde, reeds was heengegaan, alsof een andere kracht dat lichaam nu bezielde; de ziel en het lichaam verstonden elkander niet meer, het lichaam voelde zich verlamd, daar zijne tegenpartij de overwinning behaalde; de ziel daarentegen was in eene zalige verrukking, en wenschte niets vuriger dan eene woonplaats te verlaten waar zij helaas, op een verkeerde wijze was werkzaam geweest, en waar zij gevoelde thans niet meer thuis te behooren.Het meisje evenwel begreep dien toestand van den beminden lijder niet. Met innige blijdschap en een dankbaar gemoed had zij de woorden gehoord, die haar een gunstige wending in den toestand des jonkmans deden voorzien. Zijne hersenschimmen waren geweken. Hij had zelf zijne dweepzucht beleden; hij had zich tot God gewend, en—die God zou hem vergeving schenken; Hij zou hem oprichten van zijn krankbed; Hij zou hem opnieuw doen leven, van zijne dwalingen bevrijd; wellicht hem de oogen openen voor een ware liefde, en dan.... dan zou zij nietalleenbeminnen, dan zou zij ook weder bemind worden, en de gelukkigste der stervelingen zijn.Zoo droomde Klaartje nog van aardsch geluk, terwijl de jongeling reeds een voorsmaak van de hemelsche gelukzaligheid had. Zoo bad het meisje om leven en herstelling voor den kranke, terwijl hij onophoudelijk den Vader aanriep, tot wien hij hoopte henen te gaan; hij deed dit met onhoorbare woorden, maar met een helderen geest, en bad om bevrijding van den aardschen tabernakel, om genade, ontferming en een eeuwig zalig leven.De heerschende stilte werd eindelijk afgebroken door het binnentreden van Bril, die, bij zijne betrekking van baardschraper, naar gelang der omstandigheden, ook de functiën van genees- en heelmeester uitoefende. Hier vooral had hij, als vriend van den huize, en juist op het oogenblik tegenwoordig zijnde toen den jongen kunstenaar die hevige koorts overviel, zijne diensten aangeboden en den zieke een drank voorgeschreven. Begeerig om dus de uitwerking van zijn geneesmiddel—dat Klaartje den kranke geregeld had toegediend—te zien, kwam hij nu—den volgenden dag—in zijn voornoemde betrekking van geneesheer, den patiënt bezoeken.Met wezenlijke belangstelling, doch tevens met een bijzondere waardigheid, welke hem geenszins eigen was, doch thans voor zijn verhevene betrekking door hem noodzakelijk werd geoordeeld, wenkte hij het meisje van hare zitplaats tot zich; deed haar eenige vragen aangaande de rust en den toestand des lijders, en aan de tevredene uitdrukking van des geneesheers gelaat was het duidelijk te bespeuren, dat die inlichtingen van een alleszins geruststellenden aard waren.Na dit korte en zacht gevoerde onderhoud, nam Bril de plaats in, welke het meisje zooeven had verlaten; wisselde eenige woorden met den patiënt; voelde hem vervolgens met halfgeslotene oogen—ten einde de grootst mogelijke nauwkeurigheid aan te wenden—den pols, en zag daarna het angstig wachtende Klaartje met een blijden en zegevierenden blik aan.“De pols slaat geregeld,” zeide hij. “Uw bevinding is zeer juist. De lijder is kalm en rustig. Hij is nu zonder koorts; wellicht zal deze zich tegen den avond herhalen: een geregeld gebruik der medicijnen kan dit evenwel geheel voorkomen.—Morgen hoop ik u volkomen hersteld te vinden,” vervolgde hij tot den jongeling: “mijn geneesmiddel en de goede oppassing van Klaartje zullen u voorzeker, met Gods hulp, de gezondheid wedergeven.”Een glimlachend hoofdknikken was het bescheid van den schilder.Bril stond op, en Klaartje die hem tot aan de deur vergezelde, drukte den arts de hand, en vroeg nogmaals met een paar oogen, die van innige blijdschap schitterden: “Gij hebt dan waarlijk hoop? Gelooft gij werkelijk dat hij morgen reeds zal hersteld zijn?”“Buiten twijfel!” hernam de kleine geneesheer: “Een trouw gebruik van den heilzaam werkenden drank; een rustige nacht, en gij zult zien, morgen is de zieke jonkman weder gezond en frisch, ja zelfs gezonder dan te voren!”Klaartje was buiten zich zelve van verrukking. Zulk een heerlijke uitkomst, zulk een spoedige herstelling had zij zich niet durven voorstellen. Jakob zou leven! Jakob zou bevrijd zijn van zijne zielskwelling, en leven, gezonder dan te voren, gezond naar ziel en lichaam! O, een dankgebed steeg uit haar vol gemoed naar boven. God had hém willen sparen die haar dierbaar was; God had hem van de banden willen bevrijden, die hem aan een denkbeeldige wereld hadden gekluisterd; God zou hem doen leven,leven—om geluk en vrede te smaken zooals hij die nog nimmer gesmaakt had.En inderdaad, de Hemelsche Vader had in Zijne wijsheid besloten dat de jongeling zou leven, dat zijne ziel rust en vrede zou vinden.—Doch Zijne goedheid was grooter, oneindig grooter en van wijder omvang dan die der menschen. De lijder zou worden vrijgemaakt van de boeien, die hem aan een denkbeeldige wereld met hare vergankelijkheden hadden gekluisterd. De ziel zou leven, en in een reiner kring haar loopbaan beginnen;—maar het lichaam zou die ziel niet langer met zich rondvoeren. Het oude kleed zou aan het verderf worden overgegeven, maar, een reiner en schooner tooisel verbeidde den jongeling in die gewesten, waar geen nacht meer is, waar geene hartstochten woeden, en, waar een naar hooger dorstende geest, onder het gejuich van Gods heilige engelen, door hen zegevierend en met jubelzangen wordt binnengevoerd.De avond begon te vallen.—De Geest slaapt lang, dacht Klaartje: De tijd om zijn drankje in te nemen is reeds verstreken. Zou ik hem wakker maken?—Hij ligt zoo gerust. De slaap zal hem wellicht meer versterken dan dit geneesmiddel.—Zie, ik mag hem niet wakker maken, hij ligt zoo kalm.—Zijn gekreun heeft reeds geheel opgehouden; zijn ademhaling is ook nauwelijks hoorbaar. Zij bracht haar oor dichter aan zijn mond, maar hoorde niets: “Jakob!” sprak zij met een angstige stem: “Jakob! ontwaak!”De jongeling opende nog eenmaal de brekende oogen, zag het meisje met een onbeschrijfelijke verrukking aan, sloot toen de oogen weder, en slaakte een diepen zucht. De strijd was gestreden. De ziel was verlost. De ongelukkige doch thans zalige jongeling had het tijdelijke met het eeuwige verwisseld.Een zachte roodachtige schemering drong door de vensterglazen naar binnen. De ondergaande zon blikte nog eenmaal in die nederige werkplaats, waar de kunstenaar weleer het schepsel van Gods hand had trachten na te bootsen, waar hij met koude verven het doode doek had bezield. Nog eenmaal kleurde zij met haren glans het reeds verbleekte gelaat van den gestorvene, nog eenmaal schonk zij eenige warmte aan het verkleumde wezen, met vriendelijke zachtheid beschouwde zij het schier wanhopige, op den ontslagene neergezonken meisje, en verdween toen—om andere ongelukkigen met hare komst te verblijden.Veertiende hoofdstuk.DedouairièreVan Bergen tuurde, door een der hooge vensterramen van haar kasteel, in de met zware wolken bezwangerde lucht, en sloeg de vurige slangen gade, die door het weerlicht aanden westelijken gezichteinder werden voortgebracht. Haar gelaat had echter geenszins de uitdrukking van dat gevoel, waarmee de sterveling de natuurkrachten nagaat, ten einde door deze tot den Schepper te worden opgevoerd. Neen, hare oogen zagen wel Gods macht en Zijne wonderen in de Schepping, doch haar hart werd door dit alles niet tot dien Formeerder heengeleid.Even snel als de wolken aan het hemelruim elkander opvolgden en verdrongen, even snel ook zweefden er honderden ijdele wenschen voor haren geest, en even snel verdrongen zich tallooze voornemens en plannen in haar binnenste, die, helaas! even zwart, ja nog zwarter waren dan de donkerste wolken aan het luchtgewelf.Het waren haat, nijd, afgunst, wraak en geldzucht, die haar het hart tot een moordkuil maakten. Zij moest, zij zou zegevieren!Dat geslacht, hetwelk zij haat had gezworen, zou zij vernietigen en verdelgen! Verdelgen? Neen—de wraak moest voortduren. Hare slachtoffers moesten leven, moesten onder haar vernietigenden invloed blijven bestaan!—Gij hebt mij verstooten, graaf! sprak zij bij zich zelve: Gij hebt mij verstooten omdat ik de jeugd meer beminde dan uw grijze kruin, omdat een ander mijn bekoorlijkheden meer waardeerde dan gij. Ik heb het u voorspeld: uw bloed zou die blaam betalen. Ha! korten tijd daarna leefdet gij reeds niet meer. En nu.... ik haat het bloed der Van Bergens. Het zal langzaam verkwijnen, en geheel ten ondergaan! en hij, om wiens bestaan ik werd verjaagd, hij zal uwe goederen in erfenis bezitten, slechts weinige jaren na uw dood zal hij reeds in uwe rechten zijn getreden. Ha! graaf Van Bergen, dat hadt gij niet gedacht. Kondt gij nu uit uw graf nog eens mijn arbeid beschouwen, dan zoudt gij zien dat mijne woorden zijn bewaarheid geworden: dat uw bloed den hoon, mij aangedaan, zou betalen!De hoefslag van een paard deed zich op de brug hooren.—Dat zal Van Rodenberg zijn, dacht de gravin: wat voert hem zoo laat herwaarts? Het opkomende onweder kan hem niet hebben uitgelokt; ongetwijfeld heeft hij mij iets belangrijks mee te deelen.Werkelijk trad jonker Walter Van Rodenberg weinige oogenblikken later het vertrek binnen.De gravin had hem nu, ondanks de reeds heerschende schemering, aan zijn tred volkomen herkend.“Gij hebt mij voorzeker iets bijzonders te zeggen?” voerde zij den jonker te gemoet: “Reeds zijn er verscheidene weken verloopen sedert gij opden Blankertzijt geweest. Gij houdt uwe bezoeken wel op prijs, en dan nog zijt gij steeds een onweersvogel; men ziet u niet dan bij avond en ontijden, bij stormen en onweders. Intusschen verheugt het mij u te zien, en gij moogt blijde wezen onder dak te zijn, want die donkere wolken daarbuiten worden hoe langer hoe dreigender.”“Inderdaad mevrouw,” gaf Van Rodenberg—die inmiddels had plaats genomen, ten antwoord: “het is reeds eenigen tijd geleden dat ik hier ben geweest, en werkelijk is het iets bijzonders, eeneverandering in mijne omstandigheden, waarvan ik u bij dit bezoek wilde kennis geven.”“Eene verandering in uwe omstandigheden?” hernam de gravin: “Gij bedoelt uw huwelijk dat wellicht spoedig zal worden voltrokken? Is de freule eindelijk hersteld? Hare ziekte heeft mij om uwentwil verontrust. Door een te schielijk uiteinde had mijne hoop kunnen verijdeld worden. Uwe belangen....”“Mijne belangen mevrouw, werden door u op een zeer verplichtende wijze behartigd,” viel de jonker haar in de rede. “Zij schenen echter eenigermate met de uwe verbonden te zijn. Gij hebt mij dat huwelijk aangeraden, ja, opgedrongen, doch ik wenschte het alleen om der fortuinswille. Bij dezen kom ik u mijn dank betuigen mevrouw, voor de inlichtingen, die gij mij aangaande Adelgondes geboorte hebt gegeven. Ik heb er mijn oogmerk mee bereikt. Mijne bekendheid met hare afkomst deed den graaf, uw zoon, naar eene verbintenis tusschen ons verlangen. De freule echter beminde mij evenmin als ik haar. Ik haat het huwelijk. Gelukkig voor mij was het ook geenszins de echtgenoot, dien men in mij verlangde; maar mijne stilzwijgendheid moest tot elken prijs gekocht worden. Daarom alleen moest Adelgonde mijne vrouw worden. Om kort te gaan, ik deed afstand van hare hand, en liet mij mijne stilzwijgendheid duur betalen. Ik heb....”Een heldere bliksemstraal brak eensklaps Van Rodenbergs woorden af, en terwijl het vertrek door het felle schijnsel verlicht werd, aanschouwde de jonker op het gelaat der gravin eene uitdrukking van verkropte woede. Hare lippen waren verbleekt en op elkander geperst. Haar spraakvermogen scheen als verlamd, en het was in hare oogen te lezen, dat Van Rodenbergs weinige en oogenschijnlijk onbeduidende woorden, haar een bittere teleurstelling hadden veroorzaakt.Het aanhoudende bliksemvuur werd door een ratelenden donderslag opgevolgd. Het scheen alsof de aarde op hare grondvesten schudde. Het gebouw dreunde, en de vensterglazen rinkelden in hunne looden omvatsels.“Mijne woorden schijnen u meer getroffen te hebben dan de bliksem dit zou vermogen,” hervatte Van Rodenberg: “Ik heb echter in mijn belang gehandeld. Dit land, en vooral Den Haag met zijn stijve en eentonige vermaken, verveelt en walgt mij op den duur. In uw vaderland, mevrouw, vindt men de ware genoegens des levens; gij hebt mij daar dikwerf van verhaald. Men moet de wereld genieten zoolang men haar genieten kan. Welnu, ik ga naar Parijs; daar zal ik met mijne fortuin een waar levensgenot smaken, en mij in de armen van een onbezorgd en altijd vroolijk leven werpen.”“Hoe!” riep de gravin eensklaps, met een van woede bevende stem: “Gij wilt u tegen hetgeen ik verlang, tegen mijn wil verzetten? Ha!” zeide zij akelig lachende: “Ik zeg uneen!—Hetgeen ik bepaald, hetgeen ik gezworen heb, zult gij doen. Gij zult mijn wreker, gijmoetmijn wreker zijn! Gij kent mij niet, jonker Van Rodenberg!” ging zij in één adem voort: “Gij weet niet waaromik u tot mijn vertrouwde heb gemaakt; ik zou dit nooit op een lossen grond hebben gedaan, nooit, indien ik zelve daarvan niet de vruchten had willen plukken.—Gij zult mij gehoorzamen!” vervolgde zij, terwijl zij, opstaande, zich in een dreigende houding voor den jonker plaatste. “Ik heb macht over u. Gij zult u aan mijn wil onderwerpen! Nog eens, ik begeer, ik eisch, dat gij Van Bergens dochter tot uwe vrouw maakt.”“Gij eischt van mij, mevrouw?” riep Van Rodenberg: “Waarachtig! mijne verwondering grenst aan verbazing. Wie—wát geeft u het recht om zóó tot mij te spreken? Ben ik niet mijn eigen heer en meester? Wilt gij den jonker Van Rodenberg, Walter Van Rodenberg, uit een der aanzienlijkste geslachten gesproten, wilt gijmijde wet voorschrijven? wiltgijdit doen mevrouw! Gij, die, ondanks den naam dien gij thans voert, eene.... Ha!” vervolgde hij lachende: “Dit is te dwaas, mevrouw! Het kan u onmogelijk ernst zijn. Hoe dit echter ook zijn moge, ik ga mijn gang. Vaarwel, gravin Van Bergen! het blijft steeds eene eer voor mij, uw onderdanige dienaar te zijn.” Na dit gezegd te hebben, stond Van Rodenberg snel op, en ging naar de deur; doch de gravin, blakend van inwendige spijt en gramschap, greep hem bij den arm, en wilde hem beletten het vertrek te verlaten. Van Rodenberg echter, geenszins gewoon zijn wil aan banden te zien leggen, dwong de gravin door een hevigen ruk met zijn arm, hem los te laten, en wierp haar daardoor tevens achterover op den vloer.“Blijf, ellendeling!” riep de nederliggende gravin: “toef, monster! en gij zult vernemen, wie gij....” doch het was haar onmogelijk voort te spreken, want door de deur, welke Van Rodenberg geopend had, drong een dikke rookmassa naar binnen; een benauwde brandlucht vervulde het vertrek, en de kreet van “Brand! Brand!” weergalmde eensklaps door het kasteel.Terwijl het beschrevene binnen een der vertrekken aan de westzijde van het kasteel voorviel, greep daarbuiten, aan den tegenovergestelden kant, een geheel ander tooneel plaats.In de schuit, waar de lezer reeds vroeger de kinderen van den hovenier heeft aangetroffen, bevonden zich op dit oogenblik twee jonge mannen. De een stuwde met de roeispaan de boot dwars door de gracht op het kasteel aan, terwijl de ander met een haak in een tralievenster greep.“Gij zult moeite hebben, die ijzeren bouten los te krijgen,” zeide de man met de roeispaan.“Toch niet, edele heer,” antwoordde de andere: “die bouten zijn slechts met eenige verroeste spijkers bevestigd; ik ben van de noodige breekijzers voorzien; wanneer er slechts één bout uit den weg is geruimd, wordt de opening reeds wijd genoeg.”Werkelijk week de bedoelde bout zeer spoedig voor breekijzer en hamerslag; de opening was nu bijna anderhalve voet groot, en het leed geen twijfel of een mensch zou er gemakkelijk doorheen kunnen glijden.De man met de roeispaan sprak nu eenige woorden door de opening naar beneden; eene vrouw deed hem bescheid, en kort daarna lieten de mannen een stevig koord, waaraan een haak was bevestigd, door het opengebroken tralievenster naar omlaag.Met groote krachtsinspanning trokken de mannen weinige oogenblikken later het koord weder naar boven. Hun arbeid was niet te vergeefs geweest, want den ongelukkige, dien zij uit een diepen kerker hadden verlost, legden zij weldra behouden in hunne boot neder.“Goddank!” riep de eerste spreker in verrukking: “De gevaarlijke arbeid is verricht. De krachten hebben ons niet begeven. God laat de ondeugd nimmer zegevieren!” Na deze woorden wendde hij zich nog eenmaal naar het tralievenster; haalde een toegevouwen papier uit zijn wambuis te voorschijn en liet het naar binnen vallen.Deschuit was daarna spoedig weder aan wal gevoerd, en nadat de mannen den geredde er uit hadden gedragen, gingen zij met hem naar een elzenboschje, waarachter een voertuig hunne terugkomst verbeidde.Eenige oogenblikken later toen het voertuig, door de twee mannen te paard vergezeld, zich in beweging zette, vlamde het bliksemvuur onafgebroken met zijne schichten om de torenspits van het kasteel.Een dikke rookwolk steeg weldra uit den brandenden toren omhoog, en spoedig daarna hoorde de kleine aftrekkende stoet, te midden der rollende donderslagen, den kreet: “Brand! Brand!” door de lucht weergalmen.Hevig woedden de vlammen door het oude kasteel; op twee plaatsen was de bliksem schier gelijktijdig ingeslagen. De leien pannen knapten in den heeten vuurgloed. De balken kraakten en stortten brandend neer. Uit de meeste vensters sloegen dikke roode vuurvlammen naar boven, en teekenden zich hel af tegen de donkere zwarte lucht. Aan blusschen was niet te denken; de felle brand nam van oogenblik tot oogenblik in hevigheid toe. Elk was op eigen redding bedacht; elk greep naar eigen goederen: elk zocht voor zich te behouden wat hem dierbaar was, doch niet één kwam op het denkbeeld, om de meesteres te verwittigen van het gevaar waarin zij verkeerde.“Om Gods wil, red mij!” riep de gravin Van Bergen met heesche stem: “Om Gods wil, Walter! wilt gij mij hier in een brandend graf doen omkomen! Walter! waar zijt gij?” riep zij angstig: “Ik zie u niet. Ik zal in dezen akeligen rookwalm stikken! Redding! help! help!”“Het is te laat!” zei Van Rodenberg, in het vertrek terugkeerende, met een insgelijks door rook en walm benauwde stem: “Het portaal staat in lichtelaaie. De uitgang langs dien weg is onmogelijk. Wellicht door deze zijdeur,” vervolgde hij, snel daar heengaande. Doch ook deze uitgang was geheel versperd. Insgelijks woedden de vlammen in dat aangrenzend vertrek. Wel wilde hij het wagen zich een doortocht te banen, doch een brandende balk,die met een geweldig gedruisch voor zijne voeten neerstortte, deed hem ijlings terugkeeren: “Aan ontkomen is niet te denken,” riep hij de kermende gravin toe: “Er is geen uitweg meer dan alleen door dit venster.” Met een krachtige hand rukte hij het bedoelde kruisraam open: “De gracht is breed en diep,” vervolgde hij: “doch slechts langs dezen kant is nog redding mogelijk. Vaarwel mevrouw! Vaarwel, voor eeuwig!”Reeds had hij den voet op de vensterbank gezet, om zich in het water te werpen, toen de gravin, deze beweging ziende, en eenigszins hersteld door de lucht, welke thans het vertrek was binnengedrongen, met een doodsangst op het gelaat, hem bij zijn wambuis terughield: “Gij zult mij niet verlaten!” riep zij met bevende stem: “Gij zult mij niet aan de vlammen ter prooi geven. Neen, ik kan, ik wil niet sterven!—Ik wil leven!—Ik moet leven! en zoo er voor mij geene redding is dan zult gij met mij vergaan!”De jonker, alleen op eigen redding bedacht, zocht zich aan de krampachtige handen te onttrekken, die hem in zijne vlucht belemmerden; doch zijne pogingen waren vruchteloos.“Neen, gij moogt mij niet aan een rampzalig lot prijsgeven!” riep de gravin, terwijl zij met zenuwachtige krachtsinspanning den worstelenden jonkman staande hield: “Gij kunt, gij zult háár niet doen omkomen, aan wie gij uw aanzijn verschuldigd zijt. Verneem, Walter, verneem in dit bange oogenblik, wat ik u nimmer had willen openbaren. Walter, red mij!—want ik heb u onder het hart gedragen. Walter, gij zijt mijn zoon! Ja ik ben uwe moeder! Om uwentwil heb ik angst en smart uitgestaan; voor u heb ik geleefd; voor u wil ik blijven leven; om uwentwil heb ik wraak gezworen! Red mij—om Gods wil, red mij!—Neen, gij zult uw moeder niet vermoorden!”“Wijf! gij zijt razend!” riep Van Rodenberg, terwijl het klamme zweet op zijn voorhoofd parelde: “Laat mij los zeg ik u!—Laat mij los!” riep hij heviger, daar de gravin hem hoe langer hoe vaster omklemde: “Gij liegt!—Ik uw zoon?—Bij God! neen, dat is gelogen!—Gij mijne moeder?—Ik een kind der schande?—Een basterd?—Wijf, gij hebt gelogen!” riep hij nogmaals: “Trek uwe woorden in; zeg dat gij onwaarheid, dat gij lastertaal hebt gesproken; laat mij los en ik zal u redden!”“Mijn zoon! Mijn zoon!” riep de gravin smeekend en schier buiten zich zelve: “Ja, ik wist het, gij zoudt mij niet verstooten!”“Nogmaals dien naam!” brulde Van Rodenberg: “Weg van mij, verachte vrouw!” vervolgde hij, zijn uiterste krachten verzamelende: “Weg van mij met uw ellendige logentaal!” en met een geweldigen ruk slingerde hij de rampzalige vrouw achter in het vertrek.—Zonder een oogenblik te dralen, sprong de jonker nu uit de hooge verdieping in de breede slotgracht, en zwom, in weerwil van zijne kleederen, naar de overzijde. Een rauwe gil drong hem in de ooren. Een vrouwelijke gedaante vertoonde zich aan het open venster. Eensklaps verdween zij in de diepte. Het water plompte onder den val van een lichaam, en niets meer ontwaarde de jonker dan eenwitte strook, die nog een paar malen boven de watervlakte te voorschijn kwam, maar toen ook voorgoed verdween.
Twaalfde hoofdstuk.De wapenschorsing, door de Staten met Spanje gesloten, was met het begin van Bloeimaand ten einde geloopen, en de Vereenigde Gewesten begonnen nu hoe langer hoe duidelijker in te zien dat de Spaansche gezanten bedekt spel speelden. Voor het grootste gedeelte verdroot het den gemachtigden van onze zijde derhalve, langer over een vrede te onderhandelen, welke zij wel begrepen dat nimmer tot stand zou komen.Vooral op het punt van godsdienst—die voorname oorzaak van den Spaanschen krijg—vermoedden zij dat de Spanjaard hun eischen zou doen en wetten zou willen voorschrijven, waarin zij van hunne zijde nooit zouden kunnen treden, en geenszins was het dus te verwonderen dat velen verlangden de onderhandeling met Spanje zoo spoedig mogelijk af te breken. Prins Maurits vooral noemde het eene dwaasheid de wapenschorsing voor langeren tijd te verlengen dan hoog noodzakelijk zou zijn. De provinciën Friesland, Utrecht en Zeeland deelden in zijn gevoelen, en stelden voor, het bestand slechts tot het einde van Hooimaand te verlengen. Oldenbarneveld echter hield een vrede geenszins voor onmogelijk, en deed derhalve wat hij kon om de schorsing tot het einde des jaars te rekken. De overige provinciën vielen hem bij, en de overredende taal van den schranderen advocaat, deed hem eindelijk, hoewel met groote moeite, zijn wensch verkrijgen. De wapenstilstand werd tot het einde des jaars verlengd, onder beding echter, dat de onderhandelingen volstrekt niet langer dan uiterlijk tot den laatsten van Herfstmaand mochten worden voortgezet.Alonzo Spinola kon zich zelven de vraag niet beantwoorden, of de verlenging van het verblijf des gezantschaps in Holland, voor zijn bijzondere belangen al dan niet wenschelijk was.In deze oogenblikken gevoelde hij zich als een reiziger, die de plaats zijner bestemming zoekt te bereiken, en onverhoeds op zijn weg een breeden stroom ontwaart. Zal hij terugkeeren en den wensch opgeven het schoone land te betreden waar geluk en voorspoed hem verbeiden? of zal hij zich zonder aarzeling in dien stroom werpen, zijne wellicht te zwakke krachten aanwenden, en moedig met het element en zijne gevaren kampen? Hij stond besluiteloos, en evenals de reiziger, staarde hij met weemoed op den breeden hinderpaal, die zich tegen zijn geluk kantte.Zijn twijfelmoedig karakter bracht hem tot den vruchteloozen wensch, dat hij nimmer dat land van geluk en zaligheid mochtaanschouwd hebben.—O! dacht hij: waarom moest ik ook herwaarts komen! Waarom moest ik hier eene vrouw leeren kennen, wier eerste blik een onuitwischbaren indruk op mijn hart heeft gemaakt! Waarom moest ik hier voor het eerst beminnen! Waaromhaarbeminnen,haar, die nimmer de mijne kan worden!?—“Kan worden?” ging hij,—de laatste woorden overluid met nadruk herhalende, voort: “Kan worden? Zou het mij volstrekt onmogelijk zijn dat paradijs te betreden? Is dat bekoorlijke wezenmijdan geheel onverschillig? Heeftzijeen afkeer van mij....? Goddank, neen! vervolgde hij en trok een brief uit zijn fluweelen wambuis te voorschijn. Neen, deze regelen zelfs getuigen van liefde. Welke noodlottige bezwaren er ook, na onze laatste ontmoeting opden Oldenburgh, voor haar mogen ontstaan zijn, die woorden: “Ik min u!” heeft zij nog geenszins teruggenomen. Ik heb mij harer in dien tijd niet onwaardig gemaakt. Zie, hier staat het geschreven Zij noemt mij haar vriend, zij heeft denzelfden wensch gekoesterd als ik. O! dat zijn hare woorden: “Wij worden van elkander gescheiden. Ook voor mij is de droom onzer liefde in rook verdwenen.”Zoo dacht Alonzo een geruimen tijd. Nu eens verwenschte hij zijn kleinmoedige voorbarigheid, en verweet zich zelven die schoone lelie een brief te hebben geschreven, waarin hij zich van hare liefde had zoeken los te maken, en wel om redenen die nimmer geldig konden zijn. Want meer dan kleinmoedig toch moest het haar voorkomen, dat hij, die haar waarachtig beminde, terugdeinsde voor een medeminnaar, dien hij wist dat hare liefde niet bezat en haar tevens onwaardig was.Dan weder bedacht Alonzo de ware reden zijner handelwijze: Adelgonde was eene dochter uit de heffe des volks, wellicht een kind der schande. De man, die haar zou huwen, de moeder van haren pleegvader zelve, hadden hem die noodlottige waarheid meegedeeld, en hij, Spinola, de stamhouder van dat aloude geslacht, de zoon van den markgraaf Ambrosio,kon,mochthij die vrouw tot gade nemen? Nimmer zou zijn vader dit dulden. Geen naam, hun edelen stamboom onwaardig, zou ooit door hem gedoogd worden. De haat diens vaders, de minachting der gansche familie, onterving, ellende, armoede, dit alles zou zijn deel worden, hij kon, hij mocht aan zijn neiging geen voedsel geven, en toch,—tochbeminde hij Adelgonde Van Bergen sterker dan te voren.De loop van Alonzo’s gedachten werd eindelijk gestoord. De knecht uit de herberg van Gooswijn Meurskens, waar de markgraaf met een deel van het gezantschap zijn intrek had genomen, trad het vertrek binnen, en meldde iemand aan, die den jongen graaf wenschte te spreken.“Hoe is zijn naam?” vroeg de jongeling.“Ik weet het niet uw genade!” antwoordde de bediende: “Dezen morgen heeft die man hier zijn intrek genomen. Hij schijnt een reiziger te zijn die van verre is gekomen, en die, op het hooren van uw naam, mij verzocht heeft hem bij u aan melden.”“Het is goed, laat hem hier komen!” zeide Alonzo.Het duurde niet lang of de bedoelde persoon trad met de vreemdste en nederigste strijkages Alonzo’s kamer binnen.De man die, naar het uitwendige te oordeelen, weinig beschaving bezat, stak bovendien in een zonderlinge, zelfs kluchtige kleeding. Het gele met gouden boordsels omzette wambuis, was zijn bewoner veel te eng; de breede schouders dreigden het vaneen te scheuren, terwijl de ruwe handen en roode polsen zonderling uit de veel te korte mouwen te voorschijn kwamen. De broek daarentegen, die van rood fluweel was, had een verbazende wijdte en hing van achteren als een zak naar beneden. De beenen van den man staken in grijze wollen kousen, zijne voeten in open gele laarsjes, en op zijn hoofd prijkte een fluweelen baret, aan welks linkerzijde een groote witte veer golfde, terwijl hij op den linkerarm een grijzen mantel droeg, die in zeer breede plooi ter nederhing. Zijn groote knevels en breede baard waren van een donkere kleur, en onwillekeurig moest men de echtheid er van in twijfel trekken, wanneer men het stekelig gele hoofdhaar beschouwde, dat van onder den fraaien baret te voorschijn kwam. De degen, dien hij aan de verkeerde zijde had vastgemaakt, was voor zijn lengte omstreeks een halven voet te groot, zoodat alles te zamen niet kon nalaten een potsierlijken indruk te maken, en den binnentredende veel overeenkomst deed hebben met een figurant of koorzanger eener opera uit den tegenwoordigen tijd.Alonzo die niet wist wat hij met dit vreemde model had uit te staan, moest heimelijk glimlachen om de voortdurende strijkages, waarmee de man hem bleef begroeten; eindelijk echter, dit gebarenspel moede, begeerde hij te weten wat de bezoeker van hem verlangde of hem had mee te deelen.“Uw genade vergunt mij te spreken.” ving de man aan, terwijl hij in een gebogen houding voor Alonzo staan bleef: “Welnu, dan moet ik uw genade zeggen, dat er ten alle tijde geesten zijn geweest, en dat er ook ten allen tijde geen geesten zijn geweest. Dat er ten huidigen dage groote geesten zijn, en dat er evenzeer ten huidigen dage geen groote geesten zijn. Uw genade ziet in mij een vereerder der geesten, en ik geniet het onuitsprekelijke voorrecht tot een kenner der geesten te spreken.”Het sprak vanzelf dat Alonzo van dien zotteklap niets begreep, en het berouwde hem den zonderling bij zich toegelaten te hebben: “De onderscheiding die gij mij toekent is inderdaad vereerend,” zeide Alonzo: “doch ik moet u verzoeken mij zeer kort te zeggen wat gij verlangt.”“Ik verlang iets en ik verlang niets,” hernam de vereerder der geesten: “Het is aan u om te zien, te bewonderen en te verlangen. Weet dan uw genade! dat ik uit Italië....” doch hier kon de man, zoo het scheen niet verder gaan, want een vreeselijk hoesten en kuchen,—dat Alonzo niet recht kon onderscheiden of het gemaakt of niet gemaakt was,—brak zijne woorden af.“Gij komt uit Italië?” vroeg Alonzo, dien dat hoesten en kuchen wat al te lang duurde.Met verlof van uw genade!” hervatte de man, die inmiddels het spraakvermogen had terugbekomen: “Ik kom uit Italië, en ik kom niet uit Italië, in ieder geval echter is het een schoon land, rijk aan geesten, rijk aan vernuften! Italië is....” doch weer brak een hoestbui des redenaars woorden af.“Het is onnoodig mij dat land te beschrijven,” hernam Alonzo: “ik ben er meermalen geweest, en zelfs in Italië geboren.”“Uwe genade!? Gij?” zeide de man, tot bedaren gekomen, terwijl hij Alonzo nauwkeurig beschouwde: “Ik moet uw genade gelooven, en ik moet uw genade niet gelooven. De Italianen zijn immers van een zwarte gelaatskleur.”Alonzo moest om ’s mans uitgebreide volkenkennis onwillekeurig lachen; en deze, niet recht wetende waaraan zich te houden, vervolgde met een diep nadenkend knikken: “Voorzeker, uw genade heeft gelijk: de Italianen zijn zwart en zijn niet zwart, dit is ook tamelijk hetzelfde; doch hetgeen zij hebben voortgebracht, dat is schoon, dat is rein, dat is in alle deelen onnavolgbaar; denk slechts aan de groote geesten, die....” doch een nieuwe aanval van hoesten belette den spreker weder voort te gaan.“Het zal mij zeer aangenaam zijn,” zeide Alonzo eenigszins gramstorig: “dat gij eindelijk ter zake komt. Hebt gij mij nog iets te zeggen?”“Ik heb uw genade nog iets, en echter niets meer te zeggen,” hernam de man: “Ik bewonder het vernuft en bezit ook de uitvloeiselen van een Italiaansch vernuft. Ik wilde uw genade dit uitvloeisel aanbieden of niet aanbieden,” liet hij er voorzichtigheidshalve op volgen: “maar in oogenschouw doen nemen; er met uw genade over handelen of niet over handelen. Ik bezit een echte, Italiaansche blanke Maria met haar Heiligen Zoon; een schilderstuk van groote waarde; geschilderd door den beroemden schilder Rachel d’Urbibo.”“Een Raphaël d’Urbino!” zeide Alonzo verwonderd: “Is een stuk van die waarde uw eigendom?”“Zooals uw genade zegt, een Raphaël d’Urbino,” antwoordde de man: “Het stuk is in mijn bezit, en is niet in mijn bezit. Ik ben met uw verlof vereerder der kunst en handelaar tevens. Vergun mij dat ik het u ter bezichtiging aanbiede.”Alonzo was inderdaad een bewonderaar der schoone kunsten, en gaf derhalve zijn wensch te kennen om het werk van dien grooten meester te beschouwen. De kunsthandelaar aarzelde geen oogenblik aan de begeerte van den jongen Spanjaard te voldoen.“Het stuk is wel bewaard en niet wel bewaard,” zeide hij, terwijl hij het uit de vreemde plooi van zijn grijzen mantel te voorschijn haalde. “Het is zaak met zulke voorwerpen van waarde voorzichtig te zijn. Men moet ze voor het oog der wereld verborgen houden en niet verborgen houden. De Hollanders,” vervolgde hij: “waardeeren de geesten niet, maar uw genade, die een vreemdeling, een Spanjaard, of, met uw welnemen, geen Spanjaard, maar een Italiaan zijt, zult zien, bewonderen en de heilige beeltenis in eigendom wenschen te bezitten. Oordeel zelf, uw genade, heb ik gelijk of heb ik geen gelijk?”Alonzo sloeg een blik op het schilderstuk, ’t welk de man thans met zijn beide handen naar voren hield, doch—ter nauwernood had hij het gezien, of hij sprong onstuimig van zijn zitplaats op, beschouwde de schoone Madonna met vonkelende oogen, en riep eindelijk, geheel buiten zich zelven: “Is het mogelijk! Gij!? Kerel! spreek.... lieg niet: waar hebt gij dit portret bekomen?”Een zoo overgroote verrukking had de aangesprokene zich niet durven en kunnen voorstellen. Die vraag trouwens, viel hem niet zoo gemakkelijk te beantwoorden.“Ik heb ... uw genade!....” ving hij aan, maar weder verhinderde zijn noodlottige borstkwaal hem verder te spreken, en Alonzo mocht bidden of dreigen, dezelfde akelige muziek was steeds zijn bescheid.“Dit stuk is nooit uw rechtmatig eigendom geweest,” zeide de jongeling eindelijk, en trok het uit de handen van den kennelijk bedremmelden kunsthandelaar. “Ik gebied u te spreken!” vervolgde hij, den hoestenden roodbroek met een doordringenden blik in de oogen ziende: “Spreek zeg ik u: waar hebt gij dit portret gestolen?”Het woord gestolen, maakte een gewenschten indruk. “Gestolen!” zeide de man, zich herstellende: “Het is niet gestolen!Ikheb het, of lieverikheb het niet, maar een mijner vrienden heeft het uit de handen van den maker zelven, uit de handen van den heer Raphaël ontvangen.”“Gij zijt een schurk!” riep Alonzo in woede: “Raphaël is reeds lang dood.”“Met verlof uw genade,” hervatte de man: “hij is dood en hij is niet dood. Hij leeft....”“Al leefde hij honderdmalen,” viel Alonzo hem in de rede: “gij zijt een schelm en blijft een schelm! Pak u terstond van hier! Dit stuk is uw eigendom niet. Ik zal mij belasten om het aan den rechtmatigen eigenaar terug te geven.”“Bedenk, uw genade,” zeide de man weder, na driemalen gekucht te hebben: “bedenk toch dat het stuk mij behoort, en mij niet behoort, dat....”“Juist, omdat het u niet behoort, zal ik het in bewaring nemen,” hernam Alonzo: “Vertrek van hier! en zoo gij nog een oogenblik draalt, dan zal de gevangenpoort u dezen nacht ten herberg verstrekken!”Tegen deze laatste afdoende drangreden scheen de man niets in het midden te kunnen brengen; zonder een woord te spreken maakte hij dus een nederige buiging voor den jongen edelman, en verliet het vertrek, waar hij zijn Raphaël moest achterlaten.Nadat de heler van gestolen goed vertrokken was en aan zijn ambtgenooten zijn welslagen, of zijn niet welslagen, ging mededeelen, verloor Alonzo zich geheel in de beschouwing der schoone Madonna. Hetgeen hem bij den eersten aanblik zoozeer getroffen had, was de sprekende gelijkenis van dit portret met de schoone Adelgonde Van Bergen.Deze beeltenis was naar het leven gemaald. Dat waren de trekkender bekoorlijkeHagenlelie; de trekken der vrouw die hij aanbad.... Doch dat kind aan haren boezem!?.... Die zuigeling, waar zij met moederlijke liefde op nederzag?....Het was hem onverklaarbaar. Het was, naar zijne meening, eene ongerijmdheid.... Doch neen, een licht ging er voor den nadenkenden jongeling op. Deze beeltenis moest het portret van Adelgondes moeder zijn. Voor hem bestond er geen twijfel meer. Het oog der moeder, hoewel even helder en rein als dat der dochter, stond ernstiger. Met moederlijke bezorgdheid staarde zij op haren telg, en die uitdrukking van moederlijke teederheid, welke zoo duidelijk was wedergegeven, kon nooit de uitdrukking eener maagd zijn geweest.Dit was dan de moeder zijner onvergetelijke Adelgonde. Hier zag Alonzo dan nu de trekken voor zich van haar, aan welke die voortreffelijke bloem haar aanzijn verschuldigd was. En deze vrouw? deze fijn en edel gevormde vrouw,—was zij een dienstbare, eene vrouw uit den geringen stand, van armoedige geboorte geweest? Hadden die teedere handen, die fijne vingeren veelvuldigen arbeid gedaan? Had die reine ziel—want de blankste ziel teekende dat hemelsch gelaat—had die reine ziel hare eer, hare schaamte roekeloos der zinnelijkheid opgeofferd!?—Onmogelijk! dacht Alonzo: Dit wezen was rein, rein als de bloem zelve die uit haar is voortgesproten. Hemel! het was dan laster, Godtergende laster!?—En ik, die daaraan geloof heb willen slaan, zoo ging hij voort, terwijl zijne wangen van innige blijdschap en verlevendigde hoop gloeiden: Ik, die dit heb kunnen gelooven,—ik maakte mij schuldig aan heiligschennis; ik beschouwde den edelen diamant door de ruwe schors van afgunst en laster: maar thans, mijn geluk moet niet vernietigd worden, mijne hoop mag niet verloren gaan! De hemel zelf bracht mij tot de ware bevinding. Dit tafereel is de bode eener zalige toekomst geworden. De onoverkomelijke hinderpalen zullen wijken; zij zullen voorbijgaan voor de macht der liefde. Adelgonde leeft in mijn hart en zal de mijne worden!In een opgewonden gemoedsstemming liep hij het vertrek op en neder, en toen hij eindelijk onwillekeurig naar den vloer blikte, ontwaarde hij eene rol papier, die dicht bij de deur lag.Alonzo was begeerig te weten wat deze papieren zouden bevatten. Voorzeker waren zij, evenals het schoone portret, in de plooien van den grijzen mantel verborgen geweest en den ronselaar bij zijn overhaast vertrek ontvallen.Een vluchtige blik was hem reeds voldoende om te bespeuren dat de inhoud dezer papieren zijner aandacht overwaardig was. Hoe meer hij zijn onderzoek voortzette, hoe belangrijker ze hem werden. Zijne lippen beefden van verontwaardiging. Zijne oogen konden niet gelooven wat zij aanschouwden. “O mijn God! is het mogelijk!” riep hij eindelijk uit, en bedekte met beide handen zijn van aandoening, deernis en afgrijzen gloeiend gelaat.
De wapenschorsing, door de Staten met Spanje gesloten, was met het begin van Bloeimaand ten einde geloopen, en de Vereenigde Gewesten begonnen nu hoe langer hoe duidelijker in te zien dat de Spaansche gezanten bedekt spel speelden. Voor het grootste gedeelte verdroot het den gemachtigden van onze zijde derhalve, langer over een vrede te onderhandelen, welke zij wel begrepen dat nimmer tot stand zou komen.
Vooral op het punt van godsdienst—die voorname oorzaak van den Spaanschen krijg—vermoedden zij dat de Spanjaard hun eischen zou doen en wetten zou willen voorschrijven, waarin zij van hunne zijde nooit zouden kunnen treden, en geenszins was het dus te verwonderen dat velen verlangden de onderhandeling met Spanje zoo spoedig mogelijk af te breken. Prins Maurits vooral noemde het eene dwaasheid de wapenschorsing voor langeren tijd te verlengen dan hoog noodzakelijk zou zijn. De provinciën Friesland, Utrecht en Zeeland deelden in zijn gevoelen, en stelden voor, het bestand slechts tot het einde van Hooimaand te verlengen. Oldenbarneveld echter hield een vrede geenszins voor onmogelijk, en deed derhalve wat hij kon om de schorsing tot het einde des jaars te rekken. De overige provinciën vielen hem bij, en de overredende taal van den schranderen advocaat, deed hem eindelijk, hoewel met groote moeite, zijn wensch verkrijgen. De wapenstilstand werd tot het einde des jaars verlengd, onder beding echter, dat de onderhandelingen volstrekt niet langer dan uiterlijk tot den laatsten van Herfstmaand mochten worden voortgezet.
Alonzo Spinola kon zich zelven de vraag niet beantwoorden, of de verlenging van het verblijf des gezantschaps in Holland, voor zijn bijzondere belangen al dan niet wenschelijk was.
In deze oogenblikken gevoelde hij zich als een reiziger, die de plaats zijner bestemming zoekt te bereiken, en onverhoeds op zijn weg een breeden stroom ontwaart. Zal hij terugkeeren en den wensch opgeven het schoone land te betreden waar geluk en voorspoed hem verbeiden? of zal hij zich zonder aarzeling in dien stroom werpen, zijne wellicht te zwakke krachten aanwenden, en moedig met het element en zijne gevaren kampen? Hij stond besluiteloos, en evenals de reiziger, staarde hij met weemoed op den breeden hinderpaal, die zich tegen zijn geluk kantte.
Zijn twijfelmoedig karakter bracht hem tot den vruchteloozen wensch, dat hij nimmer dat land van geluk en zaligheid mochtaanschouwd hebben.—O! dacht hij: waarom moest ik ook herwaarts komen! Waarom moest ik hier eene vrouw leeren kennen, wier eerste blik een onuitwischbaren indruk op mijn hart heeft gemaakt! Waarom moest ik hier voor het eerst beminnen! Waaromhaarbeminnen,haar, die nimmer de mijne kan worden!?—“Kan worden?” ging hij,—de laatste woorden overluid met nadruk herhalende, voort: “Kan worden? Zou het mij volstrekt onmogelijk zijn dat paradijs te betreden? Is dat bekoorlijke wezenmijdan geheel onverschillig? Heeftzijeen afkeer van mij....? Goddank, neen! vervolgde hij en trok een brief uit zijn fluweelen wambuis te voorschijn. Neen, deze regelen zelfs getuigen van liefde. Welke noodlottige bezwaren er ook, na onze laatste ontmoeting opden Oldenburgh, voor haar mogen ontstaan zijn, die woorden: “Ik min u!” heeft zij nog geenszins teruggenomen. Ik heb mij harer in dien tijd niet onwaardig gemaakt. Zie, hier staat het geschreven Zij noemt mij haar vriend, zij heeft denzelfden wensch gekoesterd als ik. O! dat zijn hare woorden: “Wij worden van elkander gescheiden. Ook voor mij is de droom onzer liefde in rook verdwenen.”
Zoo dacht Alonzo een geruimen tijd. Nu eens verwenschte hij zijn kleinmoedige voorbarigheid, en verweet zich zelven die schoone lelie een brief te hebben geschreven, waarin hij zich van hare liefde had zoeken los te maken, en wel om redenen die nimmer geldig konden zijn. Want meer dan kleinmoedig toch moest het haar voorkomen, dat hij, die haar waarachtig beminde, terugdeinsde voor een medeminnaar, dien hij wist dat hare liefde niet bezat en haar tevens onwaardig was.
Dan weder bedacht Alonzo de ware reden zijner handelwijze: Adelgonde was eene dochter uit de heffe des volks, wellicht een kind der schande. De man, die haar zou huwen, de moeder van haren pleegvader zelve, hadden hem die noodlottige waarheid meegedeeld, en hij, Spinola, de stamhouder van dat aloude geslacht, de zoon van den markgraaf Ambrosio,kon,mochthij die vrouw tot gade nemen? Nimmer zou zijn vader dit dulden. Geen naam, hun edelen stamboom onwaardig, zou ooit door hem gedoogd worden. De haat diens vaders, de minachting der gansche familie, onterving, ellende, armoede, dit alles zou zijn deel worden, hij kon, hij mocht aan zijn neiging geen voedsel geven, en toch,—tochbeminde hij Adelgonde Van Bergen sterker dan te voren.
De loop van Alonzo’s gedachten werd eindelijk gestoord. De knecht uit de herberg van Gooswijn Meurskens, waar de markgraaf met een deel van het gezantschap zijn intrek had genomen, trad het vertrek binnen, en meldde iemand aan, die den jongen graaf wenschte te spreken.
“Hoe is zijn naam?” vroeg de jongeling.
“Ik weet het niet uw genade!” antwoordde de bediende: “Dezen morgen heeft die man hier zijn intrek genomen. Hij schijnt een reiziger te zijn die van verre is gekomen, en die, op het hooren van uw naam, mij verzocht heeft hem bij u aan melden.”
“Het is goed, laat hem hier komen!” zeide Alonzo.
Het duurde niet lang of de bedoelde persoon trad met de vreemdste en nederigste strijkages Alonzo’s kamer binnen.
De man die, naar het uitwendige te oordeelen, weinig beschaving bezat, stak bovendien in een zonderlinge, zelfs kluchtige kleeding. Het gele met gouden boordsels omzette wambuis, was zijn bewoner veel te eng; de breede schouders dreigden het vaneen te scheuren, terwijl de ruwe handen en roode polsen zonderling uit de veel te korte mouwen te voorschijn kwamen. De broek daarentegen, die van rood fluweel was, had een verbazende wijdte en hing van achteren als een zak naar beneden. De beenen van den man staken in grijze wollen kousen, zijne voeten in open gele laarsjes, en op zijn hoofd prijkte een fluweelen baret, aan welks linkerzijde een groote witte veer golfde, terwijl hij op den linkerarm een grijzen mantel droeg, die in zeer breede plooi ter nederhing. Zijn groote knevels en breede baard waren van een donkere kleur, en onwillekeurig moest men de echtheid er van in twijfel trekken, wanneer men het stekelig gele hoofdhaar beschouwde, dat van onder den fraaien baret te voorschijn kwam. De degen, dien hij aan de verkeerde zijde had vastgemaakt, was voor zijn lengte omstreeks een halven voet te groot, zoodat alles te zamen niet kon nalaten een potsierlijken indruk te maken, en den binnentredende veel overeenkomst deed hebben met een figurant of koorzanger eener opera uit den tegenwoordigen tijd.
Alonzo die niet wist wat hij met dit vreemde model had uit te staan, moest heimelijk glimlachen om de voortdurende strijkages, waarmee de man hem bleef begroeten; eindelijk echter, dit gebarenspel moede, begeerde hij te weten wat de bezoeker van hem verlangde of hem had mee te deelen.
“Uw genade vergunt mij te spreken.” ving de man aan, terwijl hij in een gebogen houding voor Alonzo staan bleef: “Welnu, dan moet ik uw genade zeggen, dat er ten alle tijde geesten zijn geweest, en dat er ook ten allen tijde geen geesten zijn geweest. Dat er ten huidigen dage groote geesten zijn, en dat er evenzeer ten huidigen dage geen groote geesten zijn. Uw genade ziet in mij een vereerder der geesten, en ik geniet het onuitsprekelijke voorrecht tot een kenner der geesten te spreken.”
Het sprak vanzelf dat Alonzo van dien zotteklap niets begreep, en het berouwde hem den zonderling bij zich toegelaten te hebben: “De onderscheiding die gij mij toekent is inderdaad vereerend,” zeide Alonzo: “doch ik moet u verzoeken mij zeer kort te zeggen wat gij verlangt.”
“Ik verlang iets en ik verlang niets,” hernam de vereerder der geesten: “Het is aan u om te zien, te bewonderen en te verlangen. Weet dan uw genade! dat ik uit Italië....” doch hier kon de man, zoo het scheen niet verder gaan, want een vreeselijk hoesten en kuchen,—dat Alonzo niet recht kon onderscheiden of het gemaakt of niet gemaakt was,—brak zijne woorden af.
“Gij komt uit Italië?” vroeg Alonzo, dien dat hoesten en kuchen wat al te lang duurde.
Met verlof van uw genade!” hervatte de man, die inmiddels het spraakvermogen had terugbekomen: “Ik kom uit Italië, en ik kom niet uit Italië, in ieder geval echter is het een schoon land, rijk aan geesten, rijk aan vernuften! Italië is....” doch weer brak een hoestbui des redenaars woorden af.
“Het is onnoodig mij dat land te beschrijven,” hernam Alonzo: “ik ben er meermalen geweest, en zelfs in Italië geboren.”
“Uwe genade!? Gij?” zeide de man, tot bedaren gekomen, terwijl hij Alonzo nauwkeurig beschouwde: “Ik moet uw genade gelooven, en ik moet uw genade niet gelooven. De Italianen zijn immers van een zwarte gelaatskleur.”
Alonzo moest om ’s mans uitgebreide volkenkennis onwillekeurig lachen; en deze, niet recht wetende waaraan zich te houden, vervolgde met een diep nadenkend knikken: “Voorzeker, uw genade heeft gelijk: de Italianen zijn zwart en zijn niet zwart, dit is ook tamelijk hetzelfde; doch hetgeen zij hebben voortgebracht, dat is schoon, dat is rein, dat is in alle deelen onnavolgbaar; denk slechts aan de groote geesten, die....” doch een nieuwe aanval van hoesten belette den spreker weder voort te gaan.
“Het zal mij zeer aangenaam zijn,” zeide Alonzo eenigszins gramstorig: “dat gij eindelijk ter zake komt. Hebt gij mij nog iets te zeggen?”
“Ik heb uw genade nog iets, en echter niets meer te zeggen,” hernam de man: “Ik bewonder het vernuft en bezit ook de uitvloeiselen van een Italiaansch vernuft. Ik wilde uw genade dit uitvloeisel aanbieden of niet aanbieden,” liet hij er voorzichtigheidshalve op volgen: “maar in oogenschouw doen nemen; er met uw genade over handelen of niet over handelen. Ik bezit een echte, Italiaansche blanke Maria met haar Heiligen Zoon; een schilderstuk van groote waarde; geschilderd door den beroemden schilder Rachel d’Urbibo.”
“Een Raphaël d’Urbino!” zeide Alonzo verwonderd: “Is een stuk van die waarde uw eigendom?”
“Zooals uw genade zegt, een Raphaël d’Urbino,” antwoordde de man: “Het stuk is in mijn bezit, en is niet in mijn bezit. Ik ben met uw verlof vereerder der kunst en handelaar tevens. Vergun mij dat ik het u ter bezichtiging aanbiede.”
Alonzo was inderdaad een bewonderaar der schoone kunsten, en gaf derhalve zijn wensch te kennen om het werk van dien grooten meester te beschouwen. De kunsthandelaar aarzelde geen oogenblik aan de begeerte van den jongen Spanjaard te voldoen.
“Het stuk is wel bewaard en niet wel bewaard,” zeide hij, terwijl hij het uit de vreemde plooi van zijn grijzen mantel te voorschijn haalde. “Het is zaak met zulke voorwerpen van waarde voorzichtig te zijn. Men moet ze voor het oog der wereld verborgen houden en niet verborgen houden. De Hollanders,” vervolgde hij: “waardeeren de geesten niet, maar uw genade, die een vreemdeling, een Spanjaard, of, met uw welnemen, geen Spanjaard, maar een Italiaan zijt, zult zien, bewonderen en de heilige beeltenis in eigendom wenschen te bezitten. Oordeel zelf, uw genade, heb ik gelijk of heb ik geen gelijk?”
Alonzo sloeg een blik op het schilderstuk, ’t welk de man thans met zijn beide handen naar voren hield, doch—ter nauwernood had hij het gezien, of hij sprong onstuimig van zijn zitplaats op, beschouwde de schoone Madonna met vonkelende oogen, en riep eindelijk, geheel buiten zich zelven: “Is het mogelijk! Gij!? Kerel! spreek.... lieg niet: waar hebt gij dit portret bekomen?”
Een zoo overgroote verrukking had de aangesprokene zich niet durven en kunnen voorstellen. Die vraag trouwens, viel hem niet zoo gemakkelijk te beantwoorden.
“Ik heb ... uw genade!....” ving hij aan, maar weder verhinderde zijn noodlottige borstkwaal hem verder te spreken, en Alonzo mocht bidden of dreigen, dezelfde akelige muziek was steeds zijn bescheid.
“Dit stuk is nooit uw rechtmatig eigendom geweest,” zeide de jongeling eindelijk, en trok het uit de handen van den kennelijk bedremmelden kunsthandelaar. “Ik gebied u te spreken!” vervolgde hij, den hoestenden roodbroek met een doordringenden blik in de oogen ziende: “Spreek zeg ik u: waar hebt gij dit portret gestolen?”
Het woord gestolen, maakte een gewenschten indruk. “Gestolen!” zeide de man, zich herstellende: “Het is niet gestolen!Ikheb het, of lieverikheb het niet, maar een mijner vrienden heeft het uit de handen van den maker zelven, uit de handen van den heer Raphaël ontvangen.”
“Gij zijt een schurk!” riep Alonzo in woede: “Raphaël is reeds lang dood.”
“Met verlof uw genade,” hervatte de man: “hij is dood en hij is niet dood. Hij leeft....”
“Al leefde hij honderdmalen,” viel Alonzo hem in de rede: “gij zijt een schelm en blijft een schelm! Pak u terstond van hier! Dit stuk is uw eigendom niet. Ik zal mij belasten om het aan den rechtmatigen eigenaar terug te geven.”
“Bedenk, uw genade,” zeide de man weder, na driemalen gekucht te hebben: “bedenk toch dat het stuk mij behoort, en mij niet behoort, dat....”
“Juist, omdat het u niet behoort, zal ik het in bewaring nemen,” hernam Alonzo: “Vertrek van hier! en zoo gij nog een oogenblik draalt, dan zal de gevangenpoort u dezen nacht ten herberg verstrekken!”
Tegen deze laatste afdoende drangreden scheen de man niets in het midden te kunnen brengen; zonder een woord te spreken maakte hij dus een nederige buiging voor den jongen edelman, en verliet het vertrek, waar hij zijn Raphaël moest achterlaten.
Nadat de heler van gestolen goed vertrokken was en aan zijn ambtgenooten zijn welslagen, of zijn niet welslagen, ging mededeelen, verloor Alonzo zich geheel in de beschouwing der schoone Madonna. Hetgeen hem bij den eersten aanblik zoozeer getroffen had, was de sprekende gelijkenis van dit portret met de schoone Adelgonde Van Bergen.
Deze beeltenis was naar het leven gemaald. Dat waren de trekkender bekoorlijkeHagenlelie; de trekken der vrouw die hij aanbad.... Doch dat kind aan haren boezem!?.... Die zuigeling, waar zij met moederlijke liefde op nederzag?....
Het was hem onverklaarbaar. Het was, naar zijne meening, eene ongerijmdheid.... Doch neen, een licht ging er voor den nadenkenden jongeling op. Deze beeltenis moest het portret van Adelgondes moeder zijn. Voor hem bestond er geen twijfel meer. Het oog der moeder, hoewel even helder en rein als dat der dochter, stond ernstiger. Met moederlijke bezorgdheid staarde zij op haren telg, en die uitdrukking van moederlijke teederheid, welke zoo duidelijk was wedergegeven, kon nooit de uitdrukking eener maagd zijn geweest.
Dit was dan de moeder zijner onvergetelijke Adelgonde. Hier zag Alonzo dan nu de trekken voor zich van haar, aan welke die voortreffelijke bloem haar aanzijn verschuldigd was. En deze vrouw? deze fijn en edel gevormde vrouw,—was zij een dienstbare, eene vrouw uit den geringen stand, van armoedige geboorte geweest? Hadden die teedere handen, die fijne vingeren veelvuldigen arbeid gedaan? Had die reine ziel—want de blankste ziel teekende dat hemelsch gelaat—had die reine ziel hare eer, hare schaamte roekeloos der zinnelijkheid opgeofferd!?—Onmogelijk! dacht Alonzo: Dit wezen was rein, rein als de bloem zelve die uit haar is voortgesproten. Hemel! het was dan laster, Godtergende laster!?—En ik, die daaraan geloof heb willen slaan, zoo ging hij voort, terwijl zijne wangen van innige blijdschap en verlevendigde hoop gloeiden: Ik, die dit heb kunnen gelooven,—ik maakte mij schuldig aan heiligschennis; ik beschouwde den edelen diamant door de ruwe schors van afgunst en laster: maar thans, mijn geluk moet niet vernietigd worden, mijne hoop mag niet verloren gaan! De hemel zelf bracht mij tot de ware bevinding. Dit tafereel is de bode eener zalige toekomst geworden. De onoverkomelijke hinderpalen zullen wijken; zij zullen voorbijgaan voor de macht der liefde. Adelgonde leeft in mijn hart en zal de mijne worden!
In een opgewonden gemoedsstemming liep hij het vertrek op en neder, en toen hij eindelijk onwillekeurig naar den vloer blikte, ontwaarde hij eene rol papier, die dicht bij de deur lag.
Alonzo was begeerig te weten wat deze papieren zouden bevatten. Voorzeker waren zij, evenals het schoone portret, in de plooien van den grijzen mantel verborgen geweest en den ronselaar bij zijn overhaast vertrek ontvallen.
Een vluchtige blik was hem reeds voldoende om te bespeuren dat de inhoud dezer papieren zijner aandacht overwaardig was. Hoe meer hij zijn onderzoek voortzette, hoe belangrijker ze hem werden. Zijne lippen beefden van verontwaardiging. Zijne oogen konden niet gelooven wat zij aanschouwden. “O mijn God! is het mogelijk!” riep hij eindelijk uit, en bedekte met beide handen zijn van aandoening, deernis en afgrijzen gloeiend gelaat.
Dertiende hoofdstuk.Het atelier van den jongen kunstschilder Jakob De Geest, leverde den dag nadat hij van zijne reis was teruggekomen, een allertreurigst schouwspel op.De reis—welke hij met geen ander doel had ondernomen dan om zijn ideaal aan de oevers der Maas te gaan opsporen—was door hem uit de gelden bekostigd, die hij voor het vervaardigen van Van Rodenbergs portret had ontvangen.Geheel in het onzekere of hij een ideaal dan wel de werkelijkheid ging najagen, had hij dagen lang die rotsen beklommen en in de streken omgedoold, waar hij zelf niet wist of hij droomend of wakend die hemelsche verschijning had aanschouwd. Te vergeefs had hij gezocht, te vergeefs al zijne nasporingen in het werk gesteld, te vergeefs in de nabijheid van het slotAduaarzich ter ruste nedergelegd. Het schoone wezen was nergens te vinden. Geene hernieuwing van dien heerlijken droom had zijne zinnen mogen streelen. Te vergeefs was zijn vertoeven in die streken geweest. De uitslag van dezen tocht had des jongelings hoop teleurgesteld, en slechts met zijn schepping, het uitvloeisel van den indruk, dien hij van dat onvergetelijke droombeeld had ontvangen, slechts met het portret der schoone, ’t welk hij op zijn tocht steeds had medegevoerd, kwam hij in Holland terug, en zagen wij hem in vrouw Barbara’s herberg zijn intrek nemen.Wat er in zijne ziel was omgegaan, wat hij gevoeld en welke zaligheid hij gesmaakt had toen dat rijtuig op den zandweg hem, in Adelgonde Van Bergen, nogmaals dat bekoorlijk droombeeld in de werkelijkheid had doen aanschouwen, die zielstoestand, dat gevoel, laat zich niet beschrijven.Met uitgestrekte armen, doch roerloos en als aan den grond genageld, was hij blijven staan, en stom van verbazing had hij het rijtuig zien henensnellen, ’t welk háár met zich voerde die hij, reeds sedert maanden, niet uit zijn geest had kunnen verbannen! Zelfs wist hij niet hoe het hem nog mogelijk was geweest zijne woning te bereiken. De innige blijdschap, welke Klaartje bij zijne terugkomst had aan den dag gelegd, had hij niet bespeurd. Den teederen blik, waarmede zij hem had begroet, had hij niet begrepen of beantwoord. Dof en gevoelloos was hij op zijn kamertje in een armstoel neergezegen, en had weinige oogenblikken daarna het kistje geopend om nogmaals de trekken te beschouwen van haar, die hij nu wist dat geen schepsel zijner verbeelding maar een levende hemelsche schoone was.Wij wagen het niet dat oogenblik te beschrijven, dat vernietigende oogenblik, waarin de jonge kunstenaar het deksel van het kistje opende, en slechts een ledige ruimte ontwaarde.Dat was te veel.... te veel voor zijn verzwakt en ondermijndzenuwgestel. Een doodelijke bleekheid verspreidde zich over zijn, reeds vóór den tijd, vermagerd gelaat. Een hevige koorts greep hem aan, en zóó, in dien droevigen toestand, vinden wij hem op zijne legerstede weder.Het was omstreeks twee uren na den middag. De zieke lag in een diepen slaap; een zacht gekreun was het eenige teeken dat hij nu en dan van leven gaf.Het zorgvolle Klaartje had met de meeste bereidwilligheid den post van verzorgster op zich genomen. Het was haar meer dan een genoegen den ongelukkigen lijder op zijn minste wenken te bedienen, te verkwikken en te laven: het was de begeerte van haar hart. Neen, zij kon het zich zelve niet ontveinzen, het was de liefde die haar tot deze taak riep; het was de innigste liefde, die haar tot de trouwe verpleging van den jongeling aanspoorde. Het was de liefde die haar tot een biddende bewaakster van den kranke maakte.—En hij? de kranke, die daar uitgeput en naar het scheen zelfs stervende nederlag, hij kende, hij begreep den oorsprong harer trouwe zorge niet. Een ander wezen had, helaas! zijn hartstocht te onstuimig in beweging gebracht. De jonkman minde zonder wederbemind te worden. Hij aanbad zonder zijn aangebedene te kennen, en reeds dreigde die onbevredigde gloed zijn lichaam met een spoedig uiteinde.—En zij? Ook zij beminde oprecht; ook zij hing met de teerste liefde aan het wezen, dat zij boven allen wenschte te bezitten. En, dat wezen, die beminde, was haar nabij; zij sloeg hem gade; zij voorkwam zijn geringste wenschen; met betraande oogen bad zij zonder ophouden tot God, om het behoud van dien geliefde; en evenwel—hij begreep hare liefde niet; nog nimmer had hij in hare oogen de zuivere min gelezen, die er hem steeds uit had tegengestraald. En de zwakke vrouw, het teedere meisje, beschaamde den sterkeren man. Zij had gestreden, zij streed nog; en waar het meisje moedig haar gevoel bleef overwinnen, daar stortte, voor dat zelfde overheerschende gevoel, de jongeling gansch machteloos ter neder!Uit een lichte beweging van den lijder begreep Klaartje, die voor het bed was gezeten, dat hij zijn brandenden dorst wenschte te lesschen. Aan die begeerte was spoedig voldaan, en de weinige droppelen, waarmede het meisje zijne lippen bevochtigde, waren voldoende om de gewenschte verkwikking te bezorgen. Een tevreden lachje speelde er om zijne lippen, en dat lachje, o! geene schatten waren in staat geweest het meisje zoo te beloonen, en geene woorden hadden haar ooit zóózeer verrukt, als die lachende trek der dankbaarheid.“Hoe bevindt gij u Jakob?” vroeg het meisje met een nauwelijks hoorbare stem: “Gij hebt gerust geslapen, nietwaar? Drie volle uren hebt gij stil en kalm gelegen. Ik heb voor uw behoud gebeden, en nu gevoelt gij u ook iets beter. Is het niet zoo?”De schilder knikte toestemmend. “Het is voorbij,” zeide hij na een kleine pauze, met zwakke stem: “De nevelen zijn opgeklaard.—Het is weder licht voor mijne oogen. Geen droom benevelt meer mijngeest. Het is voorbij, Goddank! De strijd is gestreden. Ik zal leven....”“Gij zult leven! Ja, dat zult gij!” zeide het meisje met innige verrukking.“Leven...., ja, leven.... dáár....,” hervatte de jongeling, terwijl hij zijn zwakke oogen hemelwaarts sloeg. “Hier op aarde was er voor mij geene rust. De hartstochten hebben hevig in mijn binnenste gewoed. Ik leefde, doch helaas! zonder mij zelven bewust te zijn. Ik bemin, o rampzalige gedachte! zonder bemind te worden. Tweemalen aanschouwde ik de toovergodin uit mijn droom; tweemalen ook verdween zij weder als de schaduw van den eik bij het ondergaan der zon. Eindelijk.... O God! Gij hebt den dwependen minnaar streng gestraft! Doch hij verdiende Uw toorn; hij beminde het maaksel meer dan den Schepper zelven. Gij hebt hem alles ontnomen, alles wat hem aan haar, die eenige schoone, kon herinneren; maar tevens hebt Gij hem tot U teruggevoerd; tot U, die reeds van eeuwigheid in Uw Goddelijk raadsbesluit hadt vastgesteld, dat zijn lichaam op aarde geen geluk zou vinden, maar dat zijne ziel eeuwig bij U zou leven!” Deze lange ontboezeming had den zwakken spreker zeer vermoeid; een diepe zucht gleed er van zijne lippen. De ziel had hare rust herkregen, de ziel had opgehouden mede te werken tot de begeerlijkheden des lichaams. De geest des jongelings had sterkte verkregen, door een vertrouwend opzien naar den hoogen; maar zijn lichaam—ongewoon aan die kalmte der ziel, gewoon aan het woeden der hartstochten daarbinnen—het lichaam gevoelde zich verlaten. Het was alsof de ziel, die het bewoonde, reeds was heengegaan, alsof een andere kracht dat lichaam nu bezielde; de ziel en het lichaam verstonden elkander niet meer, het lichaam voelde zich verlamd, daar zijne tegenpartij de overwinning behaalde; de ziel daarentegen was in eene zalige verrukking, en wenschte niets vuriger dan eene woonplaats te verlaten waar zij helaas, op een verkeerde wijze was werkzaam geweest, en waar zij gevoelde thans niet meer thuis te behooren.Het meisje evenwel begreep dien toestand van den beminden lijder niet. Met innige blijdschap en een dankbaar gemoed had zij de woorden gehoord, die haar een gunstige wending in den toestand des jonkmans deden voorzien. Zijne hersenschimmen waren geweken. Hij had zelf zijne dweepzucht beleden; hij had zich tot God gewend, en—die God zou hem vergeving schenken; Hij zou hem oprichten van zijn krankbed; Hij zou hem opnieuw doen leven, van zijne dwalingen bevrijd; wellicht hem de oogen openen voor een ware liefde, en dan.... dan zou zij nietalleenbeminnen, dan zou zij ook weder bemind worden, en de gelukkigste der stervelingen zijn.Zoo droomde Klaartje nog van aardsch geluk, terwijl de jongeling reeds een voorsmaak van de hemelsche gelukzaligheid had. Zoo bad het meisje om leven en herstelling voor den kranke, terwijl hij onophoudelijk den Vader aanriep, tot wien hij hoopte henen te gaan; hij deed dit met onhoorbare woorden, maar met een helderen geest, en bad om bevrijding van den aardschen tabernakel, om genade, ontferming en een eeuwig zalig leven.De heerschende stilte werd eindelijk afgebroken door het binnentreden van Bril, die, bij zijne betrekking van baardschraper, naar gelang der omstandigheden, ook de functiën van genees- en heelmeester uitoefende. Hier vooral had hij, als vriend van den huize, en juist op het oogenblik tegenwoordig zijnde toen den jongen kunstenaar die hevige koorts overviel, zijne diensten aangeboden en den zieke een drank voorgeschreven. Begeerig om dus de uitwerking van zijn geneesmiddel—dat Klaartje den kranke geregeld had toegediend—te zien, kwam hij nu—den volgenden dag—in zijn voornoemde betrekking van geneesheer, den patiënt bezoeken.Met wezenlijke belangstelling, doch tevens met een bijzondere waardigheid, welke hem geenszins eigen was, doch thans voor zijn verhevene betrekking door hem noodzakelijk werd geoordeeld, wenkte hij het meisje van hare zitplaats tot zich; deed haar eenige vragen aangaande de rust en den toestand des lijders, en aan de tevredene uitdrukking van des geneesheers gelaat was het duidelijk te bespeuren, dat die inlichtingen van een alleszins geruststellenden aard waren.Na dit korte en zacht gevoerde onderhoud, nam Bril de plaats in, welke het meisje zooeven had verlaten; wisselde eenige woorden met den patiënt; voelde hem vervolgens met halfgeslotene oogen—ten einde de grootst mogelijke nauwkeurigheid aan te wenden—den pols, en zag daarna het angstig wachtende Klaartje met een blijden en zegevierenden blik aan.“De pols slaat geregeld,” zeide hij. “Uw bevinding is zeer juist. De lijder is kalm en rustig. Hij is nu zonder koorts; wellicht zal deze zich tegen den avond herhalen: een geregeld gebruik der medicijnen kan dit evenwel geheel voorkomen.—Morgen hoop ik u volkomen hersteld te vinden,” vervolgde hij tot den jongeling: “mijn geneesmiddel en de goede oppassing van Klaartje zullen u voorzeker, met Gods hulp, de gezondheid wedergeven.”Een glimlachend hoofdknikken was het bescheid van den schilder.Bril stond op, en Klaartje die hem tot aan de deur vergezelde, drukte den arts de hand, en vroeg nogmaals met een paar oogen, die van innige blijdschap schitterden: “Gij hebt dan waarlijk hoop? Gelooft gij werkelijk dat hij morgen reeds zal hersteld zijn?”“Buiten twijfel!” hernam de kleine geneesheer: “Een trouw gebruik van den heilzaam werkenden drank; een rustige nacht, en gij zult zien, morgen is de zieke jonkman weder gezond en frisch, ja zelfs gezonder dan te voren!”Klaartje was buiten zich zelve van verrukking. Zulk een heerlijke uitkomst, zulk een spoedige herstelling had zij zich niet durven voorstellen. Jakob zou leven! Jakob zou bevrijd zijn van zijne zielskwelling, en leven, gezonder dan te voren, gezond naar ziel en lichaam! O, een dankgebed steeg uit haar vol gemoed naar boven. God had hém willen sparen die haar dierbaar was; God had hem van de banden willen bevrijden, die hem aan een denkbeeldige wereld hadden gekluisterd; God zou hem doen leven,leven—om geluk en vrede te smaken zooals hij die nog nimmer gesmaakt had.En inderdaad, de Hemelsche Vader had in Zijne wijsheid besloten dat de jongeling zou leven, dat zijne ziel rust en vrede zou vinden.—Doch Zijne goedheid was grooter, oneindig grooter en van wijder omvang dan die der menschen. De lijder zou worden vrijgemaakt van de boeien, die hem aan een denkbeeldige wereld met hare vergankelijkheden hadden gekluisterd. De ziel zou leven, en in een reiner kring haar loopbaan beginnen;—maar het lichaam zou die ziel niet langer met zich rondvoeren. Het oude kleed zou aan het verderf worden overgegeven, maar, een reiner en schooner tooisel verbeidde den jongeling in die gewesten, waar geen nacht meer is, waar geene hartstochten woeden, en, waar een naar hooger dorstende geest, onder het gejuich van Gods heilige engelen, door hen zegevierend en met jubelzangen wordt binnengevoerd.De avond begon te vallen.—De Geest slaapt lang, dacht Klaartje: De tijd om zijn drankje in te nemen is reeds verstreken. Zou ik hem wakker maken?—Hij ligt zoo gerust. De slaap zal hem wellicht meer versterken dan dit geneesmiddel.—Zie, ik mag hem niet wakker maken, hij ligt zoo kalm.—Zijn gekreun heeft reeds geheel opgehouden; zijn ademhaling is ook nauwelijks hoorbaar. Zij bracht haar oor dichter aan zijn mond, maar hoorde niets: “Jakob!” sprak zij met een angstige stem: “Jakob! ontwaak!”De jongeling opende nog eenmaal de brekende oogen, zag het meisje met een onbeschrijfelijke verrukking aan, sloot toen de oogen weder, en slaakte een diepen zucht. De strijd was gestreden. De ziel was verlost. De ongelukkige doch thans zalige jongeling had het tijdelijke met het eeuwige verwisseld.Een zachte roodachtige schemering drong door de vensterglazen naar binnen. De ondergaande zon blikte nog eenmaal in die nederige werkplaats, waar de kunstenaar weleer het schepsel van Gods hand had trachten na te bootsen, waar hij met koude verven het doode doek had bezield. Nog eenmaal kleurde zij met haren glans het reeds verbleekte gelaat van den gestorvene, nog eenmaal schonk zij eenige warmte aan het verkleumde wezen, met vriendelijke zachtheid beschouwde zij het schier wanhopige, op den ontslagene neergezonken meisje, en verdween toen—om andere ongelukkigen met hare komst te verblijden.
Het atelier van den jongen kunstschilder Jakob De Geest, leverde den dag nadat hij van zijne reis was teruggekomen, een allertreurigst schouwspel op.
De reis—welke hij met geen ander doel had ondernomen dan om zijn ideaal aan de oevers der Maas te gaan opsporen—was door hem uit de gelden bekostigd, die hij voor het vervaardigen van Van Rodenbergs portret had ontvangen.
Geheel in het onzekere of hij een ideaal dan wel de werkelijkheid ging najagen, had hij dagen lang die rotsen beklommen en in de streken omgedoold, waar hij zelf niet wist of hij droomend of wakend die hemelsche verschijning had aanschouwd. Te vergeefs had hij gezocht, te vergeefs al zijne nasporingen in het werk gesteld, te vergeefs in de nabijheid van het slotAduaarzich ter ruste nedergelegd. Het schoone wezen was nergens te vinden. Geene hernieuwing van dien heerlijken droom had zijne zinnen mogen streelen. Te vergeefs was zijn vertoeven in die streken geweest. De uitslag van dezen tocht had des jongelings hoop teleurgesteld, en slechts met zijn schepping, het uitvloeisel van den indruk, dien hij van dat onvergetelijke droombeeld had ontvangen, slechts met het portret der schoone, ’t welk hij op zijn tocht steeds had medegevoerd, kwam hij in Holland terug, en zagen wij hem in vrouw Barbara’s herberg zijn intrek nemen.
Wat er in zijne ziel was omgegaan, wat hij gevoeld en welke zaligheid hij gesmaakt had toen dat rijtuig op den zandweg hem, in Adelgonde Van Bergen, nogmaals dat bekoorlijk droombeeld in de werkelijkheid had doen aanschouwen, die zielstoestand, dat gevoel, laat zich niet beschrijven.
Met uitgestrekte armen, doch roerloos en als aan den grond genageld, was hij blijven staan, en stom van verbazing had hij het rijtuig zien henensnellen, ’t welk háár met zich voerde die hij, reeds sedert maanden, niet uit zijn geest had kunnen verbannen! Zelfs wist hij niet hoe het hem nog mogelijk was geweest zijne woning te bereiken. De innige blijdschap, welke Klaartje bij zijne terugkomst had aan den dag gelegd, had hij niet bespeurd. Den teederen blik, waarmede zij hem had begroet, had hij niet begrepen of beantwoord. Dof en gevoelloos was hij op zijn kamertje in een armstoel neergezegen, en had weinige oogenblikken daarna het kistje geopend om nogmaals de trekken te beschouwen van haar, die hij nu wist dat geen schepsel zijner verbeelding maar een levende hemelsche schoone was.
Wij wagen het niet dat oogenblik te beschrijven, dat vernietigende oogenblik, waarin de jonge kunstenaar het deksel van het kistje opende, en slechts een ledige ruimte ontwaarde.
Dat was te veel.... te veel voor zijn verzwakt en ondermijndzenuwgestel. Een doodelijke bleekheid verspreidde zich over zijn, reeds vóór den tijd, vermagerd gelaat. Een hevige koorts greep hem aan, en zóó, in dien droevigen toestand, vinden wij hem op zijne legerstede weder.
Het was omstreeks twee uren na den middag. De zieke lag in een diepen slaap; een zacht gekreun was het eenige teeken dat hij nu en dan van leven gaf.
Het zorgvolle Klaartje had met de meeste bereidwilligheid den post van verzorgster op zich genomen. Het was haar meer dan een genoegen den ongelukkigen lijder op zijn minste wenken te bedienen, te verkwikken en te laven: het was de begeerte van haar hart. Neen, zij kon het zich zelve niet ontveinzen, het was de liefde die haar tot deze taak riep; het was de innigste liefde, die haar tot de trouwe verpleging van den jongeling aanspoorde. Het was de liefde die haar tot een biddende bewaakster van den kranke maakte.—En hij? de kranke, die daar uitgeput en naar het scheen zelfs stervende nederlag, hij kende, hij begreep den oorsprong harer trouwe zorge niet. Een ander wezen had, helaas! zijn hartstocht te onstuimig in beweging gebracht. De jonkman minde zonder wederbemind te worden. Hij aanbad zonder zijn aangebedene te kennen, en reeds dreigde die onbevredigde gloed zijn lichaam met een spoedig uiteinde.—En zij? Ook zij beminde oprecht; ook zij hing met de teerste liefde aan het wezen, dat zij boven allen wenschte te bezitten. En, dat wezen, die beminde, was haar nabij; zij sloeg hem gade; zij voorkwam zijn geringste wenschen; met betraande oogen bad zij zonder ophouden tot God, om het behoud van dien geliefde; en evenwel—hij begreep hare liefde niet; nog nimmer had hij in hare oogen de zuivere min gelezen, die er hem steeds uit had tegengestraald. En de zwakke vrouw, het teedere meisje, beschaamde den sterkeren man. Zij had gestreden, zij streed nog; en waar het meisje moedig haar gevoel bleef overwinnen, daar stortte, voor dat zelfde overheerschende gevoel, de jongeling gansch machteloos ter neder!
Uit een lichte beweging van den lijder begreep Klaartje, die voor het bed was gezeten, dat hij zijn brandenden dorst wenschte te lesschen. Aan die begeerte was spoedig voldaan, en de weinige droppelen, waarmede het meisje zijne lippen bevochtigde, waren voldoende om de gewenschte verkwikking te bezorgen. Een tevreden lachje speelde er om zijne lippen, en dat lachje, o! geene schatten waren in staat geweest het meisje zoo te beloonen, en geene woorden hadden haar ooit zóózeer verrukt, als die lachende trek der dankbaarheid.
“Hoe bevindt gij u Jakob?” vroeg het meisje met een nauwelijks hoorbare stem: “Gij hebt gerust geslapen, nietwaar? Drie volle uren hebt gij stil en kalm gelegen. Ik heb voor uw behoud gebeden, en nu gevoelt gij u ook iets beter. Is het niet zoo?”
De schilder knikte toestemmend. “Het is voorbij,” zeide hij na een kleine pauze, met zwakke stem: “De nevelen zijn opgeklaard.—Het is weder licht voor mijne oogen. Geen droom benevelt meer mijngeest. Het is voorbij, Goddank! De strijd is gestreden. Ik zal leven....”
“Gij zult leven! Ja, dat zult gij!” zeide het meisje met innige verrukking.
“Leven...., ja, leven.... dáár....,” hervatte de jongeling, terwijl hij zijn zwakke oogen hemelwaarts sloeg. “Hier op aarde was er voor mij geene rust. De hartstochten hebben hevig in mijn binnenste gewoed. Ik leefde, doch helaas! zonder mij zelven bewust te zijn. Ik bemin, o rampzalige gedachte! zonder bemind te worden. Tweemalen aanschouwde ik de toovergodin uit mijn droom; tweemalen ook verdween zij weder als de schaduw van den eik bij het ondergaan der zon. Eindelijk.... O God! Gij hebt den dwependen minnaar streng gestraft! Doch hij verdiende Uw toorn; hij beminde het maaksel meer dan den Schepper zelven. Gij hebt hem alles ontnomen, alles wat hem aan haar, die eenige schoone, kon herinneren; maar tevens hebt Gij hem tot U teruggevoerd; tot U, die reeds van eeuwigheid in Uw Goddelijk raadsbesluit hadt vastgesteld, dat zijn lichaam op aarde geen geluk zou vinden, maar dat zijne ziel eeuwig bij U zou leven!” Deze lange ontboezeming had den zwakken spreker zeer vermoeid; een diepe zucht gleed er van zijne lippen. De ziel had hare rust herkregen, de ziel had opgehouden mede te werken tot de begeerlijkheden des lichaams. De geest des jongelings had sterkte verkregen, door een vertrouwend opzien naar den hoogen; maar zijn lichaam—ongewoon aan die kalmte der ziel, gewoon aan het woeden der hartstochten daarbinnen—het lichaam gevoelde zich verlaten. Het was alsof de ziel, die het bewoonde, reeds was heengegaan, alsof een andere kracht dat lichaam nu bezielde; de ziel en het lichaam verstonden elkander niet meer, het lichaam voelde zich verlamd, daar zijne tegenpartij de overwinning behaalde; de ziel daarentegen was in eene zalige verrukking, en wenschte niets vuriger dan eene woonplaats te verlaten waar zij helaas, op een verkeerde wijze was werkzaam geweest, en waar zij gevoelde thans niet meer thuis te behooren.
Het meisje evenwel begreep dien toestand van den beminden lijder niet. Met innige blijdschap en een dankbaar gemoed had zij de woorden gehoord, die haar een gunstige wending in den toestand des jonkmans deden voorzien. Zijne hersenschimmen waren geweken. Hij had zelf zijne dweepzucht beleden; hij had zich tot God gewend, en—die God zou hem vergeving schenken; Hij zou hem oprichten van zijn krankbed; Hij zou hem opnieuw doen leven, van zijne dwalingen bevrijd; wellicht hem de oogen openen voor een ware liefde, en dan.... dan zou zij nietalleenbeminnen, dan zou zij ook weder bemind worden, en de gelukkigste der stervelingen zijn.
Zoo droomde Klaartje nog van aardsch geluk, terwijl de jongeling reeds een voorsmaak van de hemelsche gelukzaligheid had. Zoo bad het meisje om leven en herstelling voor den kranke, terwijl hij onophoudelijk den Vader aanriep, tot wien hij hoopte henen te gaan; hij deed dit met onhoorbare woorden, maar met een helderen geest, en bad om bevrijding van den aardschen tabernakel, om genade, ontferming en een eeuwig zalig leven.
De heerschende stilte werd eindelijk afgebroken door het binnentreden van Bril, die, bij zijne betrekking van baardschraper, naar gelang der omstandigheden, ook de functiën van genees- en heelmeester uitoefende. Hier vooral had hij, als vriend van den huize, en juist op het oogenblik tegenwoordig zijnde toen den jongen kunstenaar die hevige koorts overviel, zijne diensten aangeboden en den zieke een drank voorgeschreven. Begeerig om dus de uitwerking van zijn geneesmiddel—dat Klaartje den kranke geregeld had toegediend—te zien, kwam hij nu—den volgenden dag—in zijn voornoemde betrekking van geneesheer, den patiënt bezoeken.
Met wezenlijke belangstelling, doch tevens met een bijzondere waardigheid, welke hem geenszins eigen was, doch thans voor zijn verhevene betrekking door hem noodzakelijk werd geoordeeld, wenkte hij het meisje van hare zitplaats tot zich; deed haar eenige vragen aangaande de rust en den toestand des lijders, en aan de tevredene uitdrukking van des geneesheers gelaat was het duidelijk te bespeuren, dat die inlichtingen van een alleszins geruststellenden aard waren.
Na dit korte en zacht gevoerde onderhoud, nam Bril de plaats in, welke het meisje zooeven had verlaten; wisselde eenige woorden met den patiënt; voelde hem vervolgens met halfgeslotene oogen—ten einde de grootst mogelijke nauwkeurigheid aan te wenden—den pols, en zag daarna het angstig wachtende Klaartje met een blijden en zegevierenden blik aan.
“De pols slaat geregeld,” zeide hij. “Uw bevinding is zeer juist. De lijder is kalm en rustig. Hij is nu zonder koorts; wellicht zal deze zich tegen den avond herhalen: een geregeld gebruik der medicijnen kan dit evenwel geheel voorkomen.—Morgen hoop ik u volkomen hersteld te vinden,” vervolgde hij tot den jongeling: “mijn geneesmiddel en de goede oppassing van Klaartje zullen u voorzeker, met Gods hulp, de gezondheid wedergeven.”
Een glimlachend hoofdknikken was het bescheid van den schilder.
Bril stond op, en Klaartje die hem tot aan de deur vergezelde, drukte den arts de hand, en vroeg nogmaals met een paar oogen, die van innige blijdschap schitterden: “Gij hebt dan waarlijk hoop? Gelooft gij werkelijk dat hij morgen reeds zal hersteld zijn?”
“Buiten twijfel!” hernam de kleine geneesheer: “Een trouw gebruik van den heilzaam werkenden drank; een rustige nacht, en gij zult zien, morgen is de zieke jonkman weder gezond en frisch, ja zelfs gezonder dan te voren!”
Klaartje was buiten zich zelve van verrukking. Zulk een heerlijke uitkomst, zulk een spoedige herstelling had zij zich niet durven voorstellen. Jakob zou leven! Jakob zou bevrijd zijn van zijne zielskwelling, en leven, gezonder dan te voren, gezond naar ziel en lichaam! O, een dankgebed steeg uit haar vol gemoed naar boven. God had hém willen sparen die haar dierbaar was; God had hem van de banden willen bevrijden, die hem aan een denkbeeldige wereld hadden gekluisterd; God zou hem doen leven,leven—om geluk en vrede te smaken zooals hij die nog nimmer gesmaakt had.
En inderdaad, de Hemelsche Vader had in Zijne wijsheid besloten dat de jongeling zou leven, dat zijne ziel rust en vrede zou vinden.—Doch Zijne goedheid was grooter, oneindig grooter en van wijder omvang dan die der menschen. De lijder zou worden vrijgemaakt van de boeien, die hem aan een denkbeeldige wereld met hare vergankelijkheden hadden gekluisterd. De ziel zou leven, en in een reiner kring haar loopbaan beginnen;—maar het lichaam zou die ziel niet langer met zich rondvoeren. Het oude kleed zou aan het verderf worden overgegeven, maar, een reiner en schooner tooisel verbeidde den jongeling in die gewesten, waar geen nacht meer is, waar geene hartstochten woeden, en, waar een naar hooger dorstende geest, onder het gejuich van Gods heilige engelen, door hen zegevierend en met jubelzangen wordt binnengevoerd.
De avond begon te vallen.
—De Geest slaapt lang, dacht Klaartje: De tijd om zijn drankje in te nemen is reeds verstreken. Zou ik hem wakker maken?—Hij ligt zoo gerust. De slaap zal hem wellicht meer versterken dan dit geneesmiddel.—Zie, ik mag hem niet wakker maken, hij ligt zoo kalm.—Zijn gekreun heeft reeds geheel opgehouden; zijn ademhaling is ook nauwelijks hoorbaar. Zij bracht haar oor dichter aan zijn mond, maar hoorde niets: “Jakob!” sprak zij met een angstige stem: “Jakob! ontwaak!”
De jongeling opende nog eenmaal de brekende oogen, zag het meisje met een onbeschrijfelijke verrukking aan, sloot toen de oogen weder, en slaakte een diepen zucht. De strijd was gestreden. De ziel was verlost. De ongelukkige doch thans zalige jongeling had het tijdelijke met het eeuwige verwisseld.
Een zachte roodachtige schemering drong door de vensterglazen naar binnen. De ondergaande zon blikte nog eenmaal in die nederige werkplaats, waar de kunstenaar weleer het schepsel van Gods hand had trachten na te bootsen, waar hij met koude verven het doode doek had bezield. Nog eenmaal kleurde zij met haren glans het reeds verbleekte gelaat van den gestorvene, nog eenmaal schonk zij eenige warmte aan het verkleumde wezen, met vriendelijke zachtheid beschouwde zij het schier wanhopige, op den ontslagene neergezonken meisje, en verdween toen—om andere ongelukkigen met hare komst te verblijden.
Veertiende hoofdstuk.DedouairièreVan Bergen tuurde, door een der hooge vensterramen van haar kasteel, in de met zware wolken bezwangerde lucht, en sloeg de vurige slangen gade, die door het weerlicht aanden westelijken gezichteinder werden voortgebracht. Haar gelaat had echter geenszins de uitdrukking van dat gevoel, waarmee de sterveling de natuurkrachten nagaat, ten einde door deze tot den Schepper te worden opgevoerd. Neen, hare oogen zagen wel Gods macht en Zijne wonderen in de Schepping, doch haar hart werd door dit alles niet tot dien Formeerder heengeleid.Even snel als de wolken aan het hemelruim elkander opvolgden en verdrongen, even snel ook zweefden er honderden ijdele wenschen voor haren geest, en even snel verdrongen zich tallooze voornemens en plannen in haar binnenste, die, helaas! even zwart, ja nog zwarter waren dan de donkerste wolken aan het luchtgewelf.Het waren haat, nijd, afgunst, wraak en geldzucht, die haar het hart tot een moordkuil maakten. Zij moest, zij zou zegevieren!Dat geslacht, hetwelk zij haat had gezworen, zou zij vernietigen en verdelgen! Verdelgen? Neen—de wraak moest voortduren. Hare slachtoffers moesten leven, moesten onder haar vernietigenden invloed blijven bestaan!—Gij hebt mij verstooten, graaf! sprak zij bij zich zelve: Gij hebt mij verstooten omdat ik de jeugd meer beminde dan uw grijze kruin, omdat een ander mijn bekoorlijkheden meer waardeerde dan gij. Ik heb het u voorspeld: uw bloed zou die blaam betalen. Ha! korten tijd daarna leefdet gij reeds niet meer. En nu.... ik haat het bloed der Van Bergens. Het zal langzaam verkwijnen, en geheel ten ondergaan! en hij, om wiens bestaan ik werd verjaagd, hij zal uwe goederen in erfenis bezitten, slechts weinige jaren na uw dood zal hij reeds in uwe rechten zijn getreden. Ha! graaf Van Bergen, dat hadt gij niet gedacht. Kondt gij nu uit uw graf nog eens mijn arbeid beschouwen, dan zoudt gij zien dat mijne woorden zijn bewaarheid geworden: dat uw bloed den hoon, mij aangedaan, zou betalen!De hoefslag van een paard deed zich op de brug hooren.—Dat zal Van Rodenberg zijn, dacht de gravin: wat voert hem zoo laat herwaarts? Het opkomende onweder kan hem niet hebben uitgelokt; ongetwijfeld heeft hij mij iets belangrijks mee te deelen.Werkelijk trad jonker Walter Van Rodenberg weinige oogenblikken later het vertrek binnen.De gravin had hem nu, ondanks de reeds heerschende schemering, aan zijn tred volkomen herkend.“Gij hebt mij voorzeker iets bijzonders te zeggen?” voerde zij den jonker te gemoet: “Reeds zijn er verscheidene weken verloopen sedert gij opden Blankertzijt geweest. Gij houdt uwe bezoeken wel op prijs, en dan nog zijt gij steeds een onweersvogel; men ziet u niet dan bij avond en ontijden, bij stormen en onweders. Intusschen verheugt het mij u te zien, en gij moogt blijde wezen onder dak te zijn, want die donkere wolken daarbuiten worden hoe langer hoe dreigender.”“Inderdaad mevrouw,” gaf Van Rodenberg—die inmiddels had plaats genomen, ten antwoord: “het is reeds eenigen tijd geleden dat ik hier ben geweest, en werkelijk is het iets bijzonders, eeneverandering in mijne omstandigheden, waarvan ik u bij dit bezoek wilde kennis geven.”“Eene verandering in uwe omstandigheden?” hernam de gravin: “Gij bedoelt uw huwelijk dat wellicht spoedig zal worden voltrokken? Is de freule eindelijk hersteld? Hare ziekte heeft mij om uwentwil verontrust. Door een te schielijk uiteinde had mijne hoop kunnen verijdeld worden. Uwe belangen....”“Mijne belangen mevrouw, werden door u op een zeer verplichtende wijze behartigd,” viel de jonker haar in de rede. “Zij schenen echter eenigermate met de uwe verbonden te zijn. Gij hebt mij dat huwelijk aangeraden, ja, opgedrongen, doch ik wenschte het alleen om der fortuinswille. Bij dezen kom ik u mijn dank betuigen mevrouw, voor de inlichtingen, die gij mij aangaande Adelgondes geboorte hebt gegeven. Ik heb er mijn oogmerk mee bereikt. Mijne bekendheid met hare afkomst deed den graaf, uw zoon, naar eene verbintenis tusschen ons verlangen. De freule echter beminde mij evenmin als ik haar. Ik haat het huwelijk. Gelukkig voor mij was het ook geenszins de echtgenoot, dien men in mij verlangde; maar mijne stilzwijgendheid moest tot elken prijs gekocht worden. Daarom alleen moest Adelgonde mijne vrouw worden. Om kort te gaan, ik deed afstand van hare hand, en liet mij mijne stilzwijgendheid duur betalen. Ik heb....”Een heldere bliksemstraal brak eensklaps Van Rodenbergs woorden af, en terwijl het vertrek door het felle schijnsel verlicht werd, aanschouwde de jonker op het gelaat der gravin eene uitdrukking van verkropte woede. Hare lippen waren verbleekt en op elkander geperst. Haar spraakvermogen scheen als verlamd, en het was in hare oogen te lezen, dat Van Rodenbergs weinige en oogenschijnlijk onbeduidende woorden, haar een bittere teleurstelling hadden veroorzaakt.Het aanhoudende bliksemvuur werd door een ratelenden donderslag opgevolgd. Het scheen alsof de aarde op hare grondvesten schudde. Het gebouw dreunde, en de vensterglazen rinkelden in hunne looden omvatsels.“Mijne woorden schijnen u meer getroffen te hebben dan de bliksem dit zou vermogen,” hervatte Van Rodenberg: “Ik heb echter in mijn belang gehandeld. Dit land, en vooral Den Haag met zijn stijve en eentonige vermaken, verveelt en walgt mij op den duur. In uw vaderland, mevrouw, vindt men de ware genoegens des levens; gij hebt mij daar dikwerf van verhaald. Men moet de wereld genieten zoolang men haar genieten kan. Welnu, ik ga naar Parijs; daar zal ik met mijne fortuin een waar levensgenot smaken, en mij in de armen van een onbezorgd en altijd vroolijk leven werpen.”“Hoe!” riep de gravin eensklaps, met een van woede bevende stem: “Gij wilt u tegen hetgeen ik verlang, tegen mijn wil verzetten? Ha!” zeide zij akelig lachende: “Ik zeg uneen!—Hetgeen ik bepaald, hetgeen ik gezworen heb, zult gij doen. Gij zult mijn wreker, gijmoetmijn wreker zijn! Gij kent mij niet, jonker Van Rodenberg!” ging zij in één adem voort: “Gij weet niet waaromik u tot mijn vertrouwde heb gemaakt; ik zou dit nooit op een lossen grond hebben gedaan, nooit, indien ik zelve daarvan niet de vruchten had willen plukken.—Gij zult mij gehoorzamen!” vervolgde zij, terwijl zij, opstaande, zich in een dreigende houding voor den jonker plaatste. “Ik heb macht over u. Gij zult u aan mijn wil onderwerpen! Nog eens, ik begeer, ik eisch, dat gij Van Bergens dochter tot uwe vrouw maakt.”“Gij eischt van mij, mevrouw?” riep Van Rodenberg: “Waarachtig! mijne verwondering grenst aan verbazing. Wie—wát geeft u het recht om zóó tot mij te spreken? Ben ik niet mijn eigen heer en meester? Wilt gij den jonker Van Rodenberg, Walter Van Rodenberg, uit een der aanzienlijkste geslachten gesproten, wilt gijmijde wet voorschrijven? wiltgijdit doen mevrouw! Gij, die, ondanks den naam dien gij thans voert, eene.... Ha!” vervolgde hij lachende: “Dit is te dwaas, mevrouw! Het kan u onmogelijk ernst zijn. Hoe dit echter ook zijn moge, ik ga mijn gang. Vaarwel, gravin Van Bergen! het blijft steeds eene eer voor mij, uw onderdanige dienaar te zijn.” Na dit gezegd te hebben, stond Van Rodenberg snel op, en ging naar de deur; doch de gravin, blakend van inwendige spijt en gramschap, greep hem bij den arm, en wilde hem beletten het vertrek te verlaten. Van Rodenberg echter, geenszins gewoon zijn wil aan banden te zien leggen, dwong de gravin door een hevigen ruk met zijn arm, hem los te laten, en wierp haar daardoor tevens achterover op den vloer.“Blijf, ellendeling!” riep de nederliggende gravin: “toef, monster! en gij zult vernemen, wie gij....” doch het was haar onmogelijk voort te spreken, want door de deur, welke Van Rodenberg geopend had, drong een dikke rookmassa naar binnen; een benauwde brandlucht vervulde het vertrek, en de kreet van “Brand! Brand!” weergalmde eensklaps door het kasteel.Terwijl het beschrevene binnen een der vertrekken aan de westzijde van het kasteel voorviel, greep daarbuiten, aan den tegenovergestelden kant, een geheel ander tooneel plaats.In de schuit, waar de lezer reeds vroeger de kinderen van den hovenier heeft aangetroffen, bevonden zich op dit oogenblik twee jonge mannen. De een stuwde met de roeispaan de boot dwars door de gracht op het kasteel aan, terwijl de ander met een haak in een tralievenster greep.“Gij zult moeite hebben, die ijzeren bouten los te krijgen,” zeide de man met de roeispaan.“Toch niet, edele heer,” antwoordde de andere: “die bouten zijn slechts met eenige verroeste spijkers bevestigd; ik ben van de noodige breekijzers voorzien; wanneer er slechts één bout uit den weg is geruimd, wordt de opening reeds wijd genoeg.”Werkelijk week de bedoelde bout zeer spoedig voor breekijzer en hamerslag; de opening was nu bijna anderhalve voet groot, en het leed geen twijfel of een mensch zou er gemakkelijk doorheen kunnen glijden.De man met de roeispaan sprak nu eenige woorden door de opening naar beneden; eene vrouw deed hem bescheid, en kort daarna lieten de mannen een stevig koord, waaraan een haak was bevestigd, door het opengebroken tralievenster naar omlaag.Met groote krachtsinspanning trokken de mannen weinige oogenblikken later het koord weder naar boven. Hun arbeid was niet te vergeefs geweest, want den ongelukkige, dien zij uit een diepen kerker hadden verlost, legden zij weldra behouden in hunne boot neder.“Goddank!” riep de eerste spreker in verrukking: “De gevaarlijke arbeid is verricht. De krachten hebben ons niet begeven. God laat de ondeugd nimmer zegevieren!” Na deze woorden wendde hij zich nog eenmaal naar het tralievenster; haalde een toegevouwen papier uit zijn wambuis te voorschijn en liet het naar binnen vallen.Deschuit was daarna spoedig weder aan wal gevoerd, en nadat de mannen den geredde er uit hadden gedragen, gingen zij met hem naar een elzenboschje, waarachter een voertuig hunne terugkomst verbeidde.Eenige oogenblikken later toen het voertuig, door de twee mannen te paard vergezeld, zich in beweging zette, vlamde het bliksemvuur onafgebroken met zijne schichten om de torenspits van het kasteel.Een dikke rookwolk steeg weldra uit den brandenden toren omhoog, en spoedig daarna hoorde de kleine aftrekkende stoet, te midden der rollende donderslagen, den kreet: “Brand! Brand!” door de lucht weergalmen.Hevig woedden de vlammen door het oude kasteel; op twee plaatsen was de bliksem schier gelijktijdig ingeslagen. De leien pannen knapten in den heeten vuurgloed. De balken kraakten en stortten brandend neer. Uit de meeste vensters sloegen dikke roode vuurvlammen naar boven, en teekenden zich hel af tegen de donkere zwarte lucht. Aan blusschen was niet te denken; de felle brand nam van oogenblik tot oogenblik in hevigheid toe. Elk was op eigen redding bedacht; elk greep naar eigen goederen: elk zocht voor zich te behouden wat hem dierbaar was, doch niet één kwam op het denkbeeld, om de meesteres te verwittigen van het gevaar waarin zij verkeerde.“Om Gods wil, red mij!” riep de gravin Van Bergen met heesche stem: “Om Gods wil, Walter! wilt gij mij hier in een brandend graf doen omkomen! Walter! waar zijt gij?” riep zij angstig: “Ik zie u niet. Ik zal in dezen akeligen rookwalm stikken! Redding! help! help!”“Het is te laat!” zei Van Rodenberg, in het vertrek terugkeerende, met een insgelijks door rook en walm benauwde stem: “Het portaal staat in lichtelaaie. De uitgang langs dien weg is onmogelijk. Wellicht door deze zijdeur,” vervolgde hij, snel daar heengaande. Doch ook deze uitgang was geheel versperd. Insgelijks woedden de vlammen in dat aangrenzend vertrek. Wel wilde hij het wagen zich een doortocht te banen, doch een brandende balk,die met een geweldig gedruisch voor zijne voeten neerstortte, deed hem ijlings terugkeeren: “Aan ontkomen is niet te denken,” riep hij de kermende gravin toe: “Er is geen uitweg meer dan alleen door dit venster.” Met een krachtige hand rukte hij het bedoelde kruisraam open: “De gracht is breed en diep,” vervolgde hij: “doch slechts langs dezen kant is nog redding mogelijk. Vaarwel mevrouw! Vaarwel, voor eeuwig!”Reeds had hij den voet op de vensterbank gezet, om zich in het water te werpen, toen de gravin, deze beweging ziende, en eenigszins hersteld door de lucht, welke thans het vertrek was binnengedrongen, met een doodsangst op het gelaat, hem bij zijn wambuis terughield: “Gij zult mij niet verlaten!” riep zij met bevende stem: “Gij zult mij niet aan de vlammen ter prooi geven. Neen, ik kan, ik wil niet sterven!—Ik wil leven!—Ik moet leven! en zoo er voor mij geene redding is dan zult gij met mij vergaan!”De jonker, alleen op eigen redding bedacht, zocht zich aan de krampachtige handen te onttrekken, die hem in zijne vlucht belemmerden; doch zijne pogingen waren vruchteloos.“Neen, gij moogt mij niet aan een rampzalig lot prijsgeven!” riep de gravin, terwijl zij met zenuwachtige krachtsinspanning den worstelenden jonkman staande hield: “Gij kunt, gij zult háár niet doen omkomen, aan wie gij uw aanzijn verschuldigd zijt. Verneem, Walter, verneem in dit bange oogenblik, wat ik u nimmer had willen openbaren. Walter, red mij!—want ik heb u onder het hart gedragen. Walter, gij zijt mijn zoon! Ja ik ben uwe moeder! Om uwentwil heb ik angst en smart uitgestaan; voor u heb ik geleefd; voor u wil ik blijven leven; om uwentwil heb ik wraak gezworen! Red mij—om Gods wil, red mij!—Neen, gij zult uw moeder niet vermoorden!”“Wijf! gij zijt razend!” riep Van Rodenberg, terwijl het klamme zweet op zijn voorhoofd parelde: “Laat mij los zeg ik u!—Laat mij los!” riep hij heviger, daar de gravin hem hoe langer hoe vaster omklemde: “Gij liegt!—Ik uw zoon?—Bij God! neen, dat is gelogen!—Gij mijne moeder?—Ik een kind der schande?—Een basterd?—Wijf, gij hebt gelogen!” riep hij nogmaals: “Trek uwe woorden in; zeg dat gij onwaarheid, dat gij lastertaal hebt gesproken; laat mij los en ik zal u redden!”“Mijn zoon! Mijn zoon!” riep de gravin smeekend en schier buiten zich zelve: “Ja, ik wist het, gij zoudt mij niet verstooten!”“Nogmaals dien naam!” brulde Van Rodenberg: “Weg van mij, verachte vrouw!” vervolgde hij, zijn uiterste krachten verzamelende: “Weg van mij met uw ellendige logentaal!” en met een geweldigen ruk slingerde hij de rampzalige vrouw achter in het vertrek.—Zonder een oogenblik te dralen, sprong de jonker nu uit de hooge verdieping in de breede slotgracht, en zwom, in weerwil van zijne kleederen, naar de overzijde. Een rauwe gil drong hem in de ooren. Een vrouwelijke gedaante vertoonde zich aan het open venster. Eensklaps verdween zij in de diepte. Het water plompte onder den val van een lichaam, en niets meer ontwaarde de jonker dan eenwitte strook, die nog een paar malen boven de watervlakte te voorschijn kwam, maar toen ook voorgoed verdween.
DedouairièreVan Bergen tuurde, door een der hooge vensterramen van haar kasteel, in de met zware wolken bezwangerde lucht, en sloeg de vurige slangen gade, die door het weerlicht aanden westelijken gezichteinder werden voortgebracht. Haar gelaat had echter geenszins de uitdrukking van dat gevoel, waarmee de sterveling de natuurkrachten nagaat, ten einde door deze tot den Schepper te worden opgevoerd. Neen, hare oogen zagen wel Gods macht en Zijne wonderen in de Schepping, doch haar hart werd door dit alles niet tot dien Formeerder heengeleid.
Even snel als de wolken aan het hemelruim elkander opvolgden en verdrongen, even snel ook zweefden er honderden ijdele wenschen voor haren geest, en even snel verdrongen zich tallooze voornemens en plannen in haar binnenste, die, helaas! even zwart, ja nog zwarter waren dan de donkerste wolken aan het luchtgewelf.Het waren haat, nijd, afgunst, wraak en geldzucht, die haar het hart tot een moordkuil maakten. Zij moest, zij zou zegevieren!
Dat geslacht, hetwelk zij haat had gezworen, zou zij vernietigen en verdelgen! Verdelgen? Neen—de wraak moest voortduren. Hare slachtoffers moesten leven, moesten onder haar vernietigenden invloed blijven bestaan!
—Gij hebt mij verstooten, graaf! sprak zij bij zich zelve: Gij hebt mij verstooten omdat ik de jeugd meer beminde dan uw grijze kruin, omdat een ander mijn bekoorlijkheden meer waardeerde dan gij. Ik heb het u voorspeld: uw bloed zou die blaam betalen. Ha! korten tijd daarna leefdet gij reeds niet meer. En nu.... ik haat het bloed der Van Bergens. Het zal langzaam verkwijnen, en geheel ten ondergaan! en hij, om wiens bestaan ik werd verjaagd, hij zal uwe goederen in erfenis bezitten, slechts weinige jaren na uw dood zal hij reeds in uwe rechten zijn getreden. Ha! graaf Van Bergen, dat hadt gij niet gedacht. Kondt gij nu uit uw graf nog eens mijn arbeid beschouwen, dan zoudt gij zien dat mijne woorden zijn bewaarheid geworden: dat uw bloed den hoon, mij aangedaan, zou betalen!
De hoefslag van een paard deed zich op de brug hooren.—Dat zal Van Rodenberg zijn, dacht de gravin: wat voert hem zoo laat herwaarts? Het opkomende onweder kan hem niet hebben uitgelokt; ongetwijfeld heeft hij mij iets belangrijks mee te deelen.
Werkelijk trad jonker Walter Van Rodenberg weinige oogenblikken later het vertrek binnen.
De gravin had hem nu, ondanks de reeds heerschende schemering, aan zijn tred volkomen herkend.
“Gij hebt mij voorzeker iets bijzonders te zeggen?” voerde zij den jonker te gemoet: “Reeds zijn er verscheidene weken verloopen sedert gij opden Blankertzijt geweest. Gij houdt uwe bezoeken wel op prijs, en dan nog zijt gij steeds een onweersvogel; men ziet u niet dan bij avond en ontijden, bij stormen en onweders. Intusschen verheugt het mij u te zien, en gij moogt blijde wezen onder dak te zijn, want die donkere wolken daarbuiten worden hoe langer hoe dreigender.”
“Inderdaad mevrouw,” gaf Van Rodenberg—die inmiddels had plaats genomen, ten antwoord: “het is reeds eenigen tijd geleden dat ik hier ben geweest, en werkelijk is het iets bijzonders, eeneverandering in mijne omstandigheden, waarvan ik u bij dit bezoek wilde kennis geven.”
“Eene verandering in uwe omstandigheden?” hernam de gravin: “Gij bedoelt uw huwelijk dat wellicht spoedig zal worden voltrokken? Is de freule eindelijk hersteld? Hare ziekte heeft mij om uwentwil verontrust. Door een te schielijk uiteinde had mijne hoop kunnen verijdeld worden. Uwe belangen....”
“Mijne belangen mevrouw, werden door u op een zeer verplichtende wijze behartigd,” viel de jonker haar in de rede. “Zij schenen echter eenigermate met de uwe verbonden te zijn. Gij hebt mij dat huwelijk aangeraden, ja, opgedrongen, doch ik wenschte het alleen om der fortuinswille. Bij dezen kom ik u mijn dank betuigen mevrouw, voor de inlichtingen, die gij mij aangaande Adelgondes geboorte hebt gegeven. Ik heb er mijn oogmerk mee bereikt. Mijne bekendheid met hare afkomst deed den graaf, uw zoon, naar eene verbintenis tusschen ons verlangen. De freule echter beminde mij evenmin als ik haar. Ik haat het huwelijk. Gelukkig voor mij was het ook geenszins de echtgenoot, dien men in mij verlangde; maar mijne stilzwijgendheid moest tot elken prijs gekocht worden. Daarom alleen moest Adelgonde mijne vrouw worden. Om kort te gaan, ik deed afstand van hare hand, en liet mij mijne stilzwijgendheid duur betalen. Ik heb....”
Een heldere bliksemstraal brak eensklaps Van Rodenbergs woorden af, en terwijl het vertrek door het felle schijnsel verlicht werd, aanschouwde de jonker op het gelaat der gravin eene uitdrukking van verkropte woede. Hare lippen waren verbleekt en op elkander geperst. Haar spraakvermogen scheen als verlamd, en het was in hare oogen te lezen, dat Van Rodenbergs weinige en oogenschijnlijk onbeduidende woorden, haar een bittere teleurstelling hadden veroorzaakt.
Het aanhoudende bliksemvuur werd door een ratelenden donderslag opgevolgd. Het scheen alsof de aarde op hare grondvesten schudde. Het gebouw dreunde, en de vensterglazen rinkelden in hunne looden omvatsels.
“Mijne woorden schijnen u meer getroffen te hebben dan de bliksem dit zou vermogen,” hervatte Van Rodenberg: “Ik heb echter in mijn belang gehandeld. Dit land, en vooral Den Haag met zijn stijve en eentonige vermaken, verveelt en walgt mij op den duur. In uw vaderland, mevrouw, vindt men de ware genoegens des levens; gij hebt mij daar dikwerf van verhaald. Men moet de wereld genieten zoolang men haar genieten kan. Welnu, ik ga naar Parijs; daar zal ik met mijne fortuin een waar levensgenot smaken, en mij in de armen van een onbezorgd en altijd vroolijk leven werpen.”
“Hoe!” riep de gravin eensklaps, met een van woede bevende stem: “Gij wilt u tegen hetgeen ik verlang, tegen mijn wil verzetten? Ha!” zeide zij akelig lachende: “Ik zeg uneen!—Hetgeen ik bepaald, hetgeen ik gezworen heb, zult gij doen. Gij zult mijn wreker, gijmoetmijn wreker zijn! Gij kent mij niet, jonker Van Rodenberg!” ging zij in één adem voort: “Gij weet niet waaromik u tot mijn vertrouwde heb gemaakt; ik zou dit nooit op een lossen grond hebben gedaan, nooit, indien ik zelve daarvan niet de vruchten had willen plukken.—Gij zult mij gehoorzamen!” vervolgde zij, terwijl zij, opstaande, zich in een dreigende houding voor den jonker plaatste. “Ik heb macht over u. Gij zult u aan mijn wil onderwerpen! Nog eens, ik begeer, ik eisch, dat gij Van Bergens dochter tot uwe vrouw maakt.”
“Gij eischt van mij, mevrouw?” riep Van Rodenberg: “Waarachtig! mijne verwondering grenst aan verbazing. Wie—wát geeft u het recht om zóó tot mij te spreken? Ben ik niet mijn eigen heer en meester? Wilt gij den jonker Van Rodenberg, Walter Van Rodenberg, uit een der aanzienlijkste geslachten gesproten, wilt gijmijde wet voorschrijven? wiltgijdit doen mevrouw! Gij, die, ondanks den naam dien gij thans voert, eene.... Ha!” vervolgde hij lachende: “Dit is te dwaas, mevrouw! Het kan u onmogelijk ernst zijn. Hoe dit echter ook zijn moge, ik ga mijn gang. Vaarwel, gravin Van Bergen! het blijft steeds eene eer voor mij, uw onderdanige dienaar te zijn.” Na dit gezegd te hebben, stond Van Rodenberg snel op, en ging naar de deur; doch de gravin, blakend van inwendige spijt en gramschap, greep hem bij den arm, en wilde hem beletten het vertrek te verlaten. Van Rodenberg echter, geenszins gewoon zijn wil aan banden te zien leggen, dwong de gravin door een hevigen ruk met zijn arm, hem los te laten, en wierp haar daardoor tevens achterover op den vloer.
“Blijf, ellendeling!” riep de nederliggende gravin: “toef, monster! en gij zult vernemen, wie gij....” doch het was haar onmogelijk voort te spreken, want door de deur, welke Van Rodenberg geopend had, drong een dikke rookmassa naar binnen; een benauwde brandlucht vervulde het vertrek, en de kreet van “Brand! Brand!” weergalmde eensklaps door het kasteel.
Terwijl het beschrevene binnen een der vertrekken aan de westzijde van het kasteel voorviel, greep daarbuiten, aan den tegenovergestelden kant, een geheel ander tooneel plaats.
In de schuit, waar de lezer reeds vroeger de kinderen van den hovenier heeft aangetroffen, bevonden zich op dit oogenblik twee jonge mannen. De een stuwde met de roeispaan de boot dwars door de gracht op het kasteel aan, terwijl de ander met een haak in een tralievenster greep.
“Gij zult moeite hebben, die ijzeren bouten los te krijgen,” zeide de man met de roeispaan.
“Toch niet, edele heer,” antwoordde de andere: “die bouten zijn slechts met eenige verroeste spijkers bevestigd; ik ben van de noodige breekijzers voorzien; wanneer er slechts één bout uit den weg is geruimd, wordt de opening reeds wijd genoeg.”
Werkelijk week de bedoelde bout zeer spoedig voor breekijzer en hamerslag; de opening was nu bijna anderhalve voet groot, en het leed geen twijfel of een mensch zou er gemakkelijk doorheen kunnen glijden.
De man met de roeispaan sprak nu eenige woorden door de opening naar beneden; eene vrouw deed hem bescheid, en kort daarna lieten de mannen een stevig koord, waaraan een haak was bevestigd, door het opengebroken tralievenster naar omlaag.
Met groote krachtsinspanning trokken de mannen weinige oogenblikken later het koord weder naar boven. Hun arbeid was niet te vergeefs geweest, want den ongelukkige, dien zij uit een diepen kerker hadden verlost, legden zij weldra behouden in hunne boot neder.
“Goddank!” riep de eerste spreker in verrukking: “De gevaarlijke arbeid is verricht. De krachten hebben ons niet begeven. God laat de ondeugd nimmer zegevieren!” Na deze woorden wendde hij zich nog eenmaal naar het tralievenster; haalde een toegevouwen papier uit zijn wambuis te voorschijn en liet het naar binnen vallen.Deschuit was daarna spoedig weder aan wal gevoerd, en nadat de mannen den geredde er uit hadden gedragen, gingen zij met hem naar een elzenboschje, waarachter een voertuig hunne terugkomst verbeidde.
Eenige oogenblikken later toen het voertuig, door de twee mannen te paard vergezeld, zich in beweging zette, vlamde het bliksemvuur onafgebroken met zijne schichten om de torenspits van het kasteel.
Een dikke rookwolk steeg weldra uit den brandenden toren omhoog, en spoedig daarna hoorde de kleine aftrekkende stoet, te midden der rollende donderslagen, den kreet: “Brand! Brand!” door de lucht weergalmen.
Hevig woedden de vlammen door het oude kasteel; op twee plaatsen was de bliksem schier gelijktijdig ingeslagen. De leien pannen knapten in den heeten vuurgloed. De balken kraakten en stortten brandend neer. Uit de meeste vensters sloegen dikke roode vuurvlammen naar boven, en teekenden zich hel af tegen de donkere zwarte lucht. Aan blusschen was niet te denken; de felle brand nam van oogenblik tot oogenblik in hevigheid toe. Elk was op eigen redding bedacht; elk greep naar eigen goederen: elk zocht voor zich te behouden wat hem dierbaar was, doch niet één kwam op het denkbeeld, om de meesteres te verwittigen van het gevaar waarin zij verkeerde.
“Om Gods wil, red mij!” riep de gravin Van Bergen met heesche stem: “Om Gods wil, Walter! wilt gij mij hier in een brandend graf doen omkomen! Walter! waar zijt gij?” riep zij angstig: “Ik zie u niet. Ik zal in dezen akeligen rookwalm stikken! Redding! help! help!”
“Het is te laat!” zei Van Rodenberg, in het vertrek terugkeerende, met een insgelijks door rook en walm benauwde stem: “Het portaal staat in lichtelaaie. De uitgang langs dien weg is onmogelijk. Wellicht door deze zijdeur,” vervolgde hij, snel daar heengaande. Doch ook deze uitgang was geheel versperd. Insgelijks woedden de vlammen in dat aangrenzend vertrek. Wel wilde hij het wagen zich een doortocht te banen, doch een brandende balk,die met een geweldig gedruisch voor zijne voeten neerstortte, deed hem ijlings terugkeeren: “Aan ontkomen is niet te denken,” riep hij de kermende gravin toe: “Er is geen uitweg meer dan alleen door dit venster.” Met een krachtige hand rukte hij het bedoelde kruisraam open: “De gracht is breed en diep,” vervolgde hij: “doch slechts langs dezen kant is nog redding mogelijk. Vaarwel mevrouw! Vaarwel, voor eeuwig!”
Reeds had hij den voet op de vensterbank gezet, om zich in het water te werpen, toen de gravin, deze beweging ziende, en eenigszins hersteld door de lucht, welke thans het vertrek was binnengedrongen, met een doodsangst op het gelaat, hem bij zijn wambuis terughield: “Gij zult mij niet verlaten!” riep zij met bevende stem: “Gij zult mij niet aan de vlammen ter prooi geven. Neen, ik kan, ik wil niet sterven!—Ik wil leven!—Ik moet leven! en zoo er voor mij geene redding is dan zult gij met mij vergaan!”
De jonker, alleen op eigen redding bedacht, zocht zich aan de krampachtige handen te onttrekken, die hem in zijne vlucht belemmerden; doch zijne pogingen waren vruchteloos.
“Neen, gij moogt mij niet aan een rampzalig lot prijsgeven!” riep de gravin, terwijl zij met zenuwachtige krachtsinspanning den worstelenden jonkman staande hield: “Gij kunt, gij zult háár niet doen omkomen, aan wie gij uw aanzijn verschuldigd zijt. Verneem, Walter, verneem in dit bange oogenblik, wat ik u nimmer had willen openbaren. Walter, red mij!—want ik heb u onder het hart gedragen. Walter, gij zijt mijn zoon! Ja ik ben uwe moeder! Om uwentwil heb ik angst en smart uitgestaan; voor u heb ik geleefd; voor u wil ik blijven leven; om uwentwil heb ik wraak gezworen! Red mij—om Gods wil, red mij!—Neen, gij zult uw moeder niet vermoorden!”
“Wijf! gij zijt razend!” riep Van Rodenberg, terwijl het klamme zweet op zijn voorhoofd parelde: “Laat mij los zeg ik u!—Laat mij los!” riep hij heviger, daar de gravin hem hoe langer hoe vaster omklemde: “Gij liegt!—Ik uw zoon?—Bij God! neen, dat is gelogen!—Gij mijne moeder?—Ik een kind der schande?—Een basterd?—Wijf, gij hebt gelogen!” riep hij nogmaals: “Trek uwe woorden in; zeg dat gij onwaarheid, dat gij lastertaal hebt gesproken; laat mij los en ik zal u redden!”
“Mijn zoon! Mijn zoon!” riep de gravin smeekend en schier buiten zich zelve: “Ja, ik wist het, gij zoudt mij niet verstooten!”
“Nogmaals dien naam!” brulde Van Rodenberg: “Weg van mij, verachte vrouw!” vervolgde hij, zijn uiterste krachten verzamelende: “Weg van mij met uw ellendige logentaal!” en met een geweldigen ruk slingerde hij de rampzalige vrouw achter in het vertrek.—Zonder een oogenblik te dralen, sprong de jonker nu uit de hooge verdieping in de breede slotgracht, en zwom, in weerwil van zijne kleederen, naar de overzijde. Een rauwe gil drong hem in de ooren. Een vrouwelijke gedaante vertoonde zich aan het open venster. Eensklaps verdween zij in de diepte. Het water plompte onder den val van een lichaam, en niets meer ontwaarde de jonker dan eenwitte strook, die nog een paar malen boven de watervlakte te voorschijn kwam, maar toen ook voorgoed verdween.