Twintigste hoofdstuk.In een tijdsverloop van ongeveer negen maanden, hadden de staatkundige aangelegenheden gedurig een geheel ander aanzien verkregen. Telkens was de wapenschorsing tusschen Spanje en Nederland verlengd, en telkens weder was zij ten einde geloopen zonder eenige vrucht te hebben opgeleverd. Was het te verwonderen dat de stier en de leeuw, na een zoo langen worstelstrijd, niet tot vrede konden komen? Was het te verwonderen dat Spanje en Nederland, verschillende in geloof, verschillende in krachten, elkander niet terstond de hand tot vrede reikten? Neen, zelfs had men zich voorgesteld dat, ingevolge eene verklaring der Staten, gedagteekend van den vijf en twintigsten Augustus 1608, de krijg feller dan tevoren zou hervat worden. Openlijk hadden zij betuigd, dat zij, door menige ondervinding het karakter hunner vijanden hadden leeren kennen, en derhalve met recht hadden geaarzeld in eene vredesonderhandeling met hen te treden. Daartoe echter door de Spaanschen aangezocht, hadden de Staten duidelijk hunne meening doen verstaan, terwijl de vijand daarentegen, door vele lagen en fijne listen, de reeds zoo dikwerf toegestane rechten en de boven alles dierbare vrijheid, punt voor punt had trachten te besnoeien en terug te trekken, zoodat de Staten besloten van nu af aan de vredes-onderhandelingen stellig voor afgebroken te verklaren.Twee dagen echter nadat dit besluit was genomen, sloegen de Engelsche en Fransche gezanten aan de beide partijen een veeljarig bestand voor.De Fransche afgevaardigde Jeannin ijverde, op last van zijn vorst, zeer voor deze zaak.Behalve uit diepere staatkundige inzichten, verlangde Hendrik IV voor Nederland—wanneer een vrede mocht worden van de hand gewezen—liever een veeljarig bestand dan den oorlog, dewijl hij in het laatste geval, ingevolge een in Januari met de Nederlanden gesloten verbond, hun eene ondersteuning van tien duizend voetknechten zou moeten verleenen. Zoodra de voorslag van een bestand was bekend geworden, bracht dit geen geringe beweging in de Nederlandsche gemoederen. Tegen een vrede waren reeds verscheidene geschriften in het licht gekomen, doch thans, nu er slechts van een bestand gesproken werd, ontzag men zich niet openlijk voor de meening uit te komen, dat zoo iets het verval der ingezetenen, ja slavernij zou na zich sleepen.Prins Maurits was insgelijks ernstig beducht voor de gevolgen van zulk een bestand, en zocht den koning van Frankrijk tot den oorlog te neigen, door schriftelijk te verklaren: dat een bestand deze landen noodwendig aan de Spaansche heerschappij moest doen vervallen; dat Philips, wiens schatkist nu ledig was, na het einde der jaren van rust, in staat zou zijn den oorlog met meer geweld te hervatten, terwijl men eindelijk—nu reeds in de gewesten en steden tweedracht bespeurende, door rust en ledigheid gevoed, eerlang openbare verdeeldheden te wachten had, welke den vijand eene schoone gelegenheid zouden geven de snoodsten, of hen die reeds naar der Spaanschen zijde neigden, tot ontrouw om te koopen ten einde hunne belangen te bevorderen.De Algemeene Staten evenwel—Zeeland uitgezonderd—besloten, door geldelijke uitputting voornamelijk daartoe gedreven, de voorwaarden van den vijand aan te hooren.De bepalingen en eischen der Spaanschen waren echter dermate ongehoord en eigendunkelijk, dat de Staten bij het genomen besluit wilden volharden, en den vijand nog slechts tot den laatsten September de vrijheid gaven om zich op billijker voorwaarden, van hunne zijde, te bezinnen.Ook die dag verscheen zonder dat de beide partijen elkander hadden verstaan.Voor de laatste maal waren de gezanten bij den prins ten middagmaal genoodigd.Aan het einde van den maaltijd stond de markgraaf Ambrosio Spinola van zijne zitplaats op; nam den beker in de hand, en betuigde zijn ongeveinsde smart over het afbreken van eene onderhandeling, welke hij had gehoopt dat beide landen ten zegen zou zijn. “Deze dronk,” zoo eindigde hij: “zij de tolk mijner dankbaarheid voor het gastvrij onthaal hier te lande genoten.”Nadat Spinola gesproken had, nam prins Maurits het woord.“Mijne heeren!” zeide hij: “Wij zijn als vrienden, niet als vijanden te zamen geweest. In de raadzalen hadden wij verschillende belangen, doch in onze woningen is de vrede niet verstoord geworden. Eerlang zullen wij elkander weder ontmoeten; slechts tot het einde dezes jaars blijft de wapenschorsing voortduren; wij zullen elkander strijdende wederzien. God geve dat Nederland kracht behoude om zich met u te meten! Edel is het, met kracht zijne rechten te verdedigen. Zijn wij in den strijd,—laat ons dan edel kampen; edel in den vollen zin des woords: Vurig en onversaagd zoo het Vaderland en zijne rechten onzen arm behoeft; doch laat ons menschen, vrienden, Christenen zijn, zoo de overwinning aan onze zijde is. Door dit verbond, mijne heeren!” aldus besloot de prins: “zal ons samenzijn iets goeds gewrocht hebben, en zullen uwe namen bij velen in gezegend aandenken achterblijven. Vaartwel mijne heeren! God zij met u!”Na deze woorden werd de afscheidsgroet gedronken, en dien zelfden avond nog vertrokken de Spaansche gezanten, terwijl in de Resolutiën van Holland hun vertrek staat geboekt met deze bede:“God geve dat se alhier geen quaet saet en hebben gelaten daarvan men met ’er tydt de effecten gewaer werde tot ruïne van desen staet.”1Bij dit afscheidsmaal was de graaf Van Bergen, hoewel mede uitgenoodigd, niet tegenwoordig geweest.Alonzo Spinola had het, op den uitdrukkelijken wil van zijn vader, bijgewoond; doch terwijl zijn lichaam aan die plaats tegenwoordig was, bevond zijn geest zich opden Oldenburgh; en alzoo droefgeestig en treurig terneergezeten, zag hij met weemoed de ure naderen, waarin hij een land zou vaarwel zeggen, waar hij den kostbaren door hem gevonden schat voor altijd moest achterlaten.De vijandschap der landen, het verschil des geloofs, ziedaar de twee groote hinderpalen, die zijn aardsch geluk belemmerden.Na het vertrek der Spanjaarden was het dus zoogoed als zeker dat de onderhandelingen voor altijd waren afgebroken.Dien keer echter moesten de zaken niet nemen.De vaderlandsche historiebladen vermelden ons hoe Johan Van Oldenbarneveld, door Engeland en Frankrijk ondersteund, tegenMaurits en de Zeeuwen heeft gekampt ten einde ook hen voor de goede zaak te winnen. Wij vinden het beschreven hoe deze strijd met zegen werd bekroond, en Nederland, getrouw aan de les door den grooten Zwijger gegeven, ook in dezen eensgezind tot onderling geluk krachtdadig heeft samengewerkt.Zoo werd na een tweede bijeenkomst, en wel te Antwerpen, na een onderhandeling van ruim twee maanden, het Twaalfjarig Bestand tusschen Nederland en Spanje gesloten, waarvan de inhoud, voor den weetgierigen lezer, in de Nederlandsche geschiedrollen is opgeteekend.2Het was den vijf en twintigsten April des jaars 1609. Weer wapperden de vlaggen; weer joelde de menigte; weer leverde het vorstelijk ’s-Gravenhage, in feestkleedij getooid, een vroolijk schouwspel op. De bode des vredes had gesproken,—het gesloten bestand was met de meeste plechtigheid van het raadhuis afgekondigd,—de vreugdeschoten knalden door de Maliebaan—’t Wilhelmus van Nassauwen deed zich hooren:“Rust Neerland!”—was de kreet:“Rust van Uw heldendaen.”“Wel duivels, hansworst, gij hadt dat zoete brokje daar vast in de boutjes,” zei een man uit de menigte tot iemand die zich, in de vermomming van een potsenmaker, tusschen de feestvieren den had gemengd.“Het ding was malsch en niet malsch,” antwoordde de aangesprokene: “haar koontjes waren als kussentjes, doch hare nageltjes waren als krabbertjes; tot straf echter is de gouden boot van haar hals, in mijn zak overgegaan.”“Geef hier!” hernam de eerste spreker, en vervolgde terwijl hij het halssieraad bij zich stak: “Gij zijt een slimme vogel; een dief die zijn handwerk verstaat.”“Ik ben een dief en geen dief,” hernam de tweede: “ik neem,—evenals de rijken—wat mij bevalt, met dit onderscheid echter, dat ik mijne kronen in den zak houd.”“Uwekronen! dat geloof ik,” zei de eerste glimlachend, en dan: “Hebt gij Aaij ook gesproken?”“Gesproken en niet gesproken,” hernam de hansworst: “Ik ontmoette hem, of ik ontmoette hem niet, maar hij ontmoette mij, en toen liet hij, zonder iets te zeggen, deze prullen in mijn zak glijden. Hij heeft zich slecht gekweten. Daar Bram, pak aan! en als gij alles zult hebben weggemoffeld, zie ik u over een uur in de Bagijnenstraat weer.”Bram stak de ontronselde goederen bij zich, maakte daarna rechtsomkeert, en liet het aan den hansworst over om het opgewondenpubliek met zijne aardigheden te blinddoeken, ten einde alzoo des te beter zijne kansen te kunnen waarnemen.“Leve de rust! leve de vreugd!Leve de rust die ’t hart verheugt!Weg met den nijd, weg met den strijd!Leve de vree en de vroolijkheid!”Zoo zingende en schreeuwende danste de hansworst-zakkenroller tusschen de jubelende volksmenigte door, en zocht zich telkens, op een uiterst behendige wijze, een loon naar welgevallen te verschaffen.“Nietwaar seigneur!” riep hij eensklaps, terwijl hij, na zijn liedje te hebben opgedreund, achter op het paard van een ruiter sprong, die zijn schimmel nu eens moest doen stilstaan en dan weder slechts langzaam deed stappen, om geen ongelukken te midden der dringende massa’s te veroorzaken: “Nietwaar seigneur?” riep de hansworst nogmaals, terwijl hij door zijn zotte grimassen achter den ruiter, de omstanders deed schateren van lachen.Het voorwerp van des zakkenrollers vrijpostigheid scheen niet willens de vreugde van het oogenblik te storen. Gedwee liet hij zijn bespringer diens aardigheden achter hem uitkramen, als bemerkte hij ze niet; doch eindelijk den snaak moede, wendde hij zich om, en zag hem onverhoeds in het aangezicht.“Wij zijn elkander niet vreemd,” zeide de vreemdeling: “Mij dunkt dat ik den heer hansworst als kunsthandelaar reeds eenmaal in de herberg van Gooswijn Meurskens heb ontmoet.—Voorzichtig, maat!” vervolgde hij zachter: “steek den buidel even behendig weer in mijn zak als gij er dien uit hebt genomen, of anders....” en hij liet dit woord door een veelbeteekenenden blik vergezeld gaan.De hansworst was eenigermate van zijn stuk gebracht, en begon hevig te hoesten. De ruiter echter, op die muziek niet gesteld, en de zwaarte van zijn geldbeurs in zijn zak terug gevoelende, liet den schimmel eenige luchtsprongen maken, zoodat de aardige man weldra het evenwicht verloor en onder het gejuich der menigte al spoedig tot straatruiter werd verlaagd.Het vroolijk rumoer werd evenwel spoedig door een ontboezeming van algemeene verontwaardiging vervangen. De voorwerpen, aan verschillende omstanders ontrold, lagen naast den terneergeworpen zakkenroller, voor de oogen der eigenaars of eigenaressen ten toon gespreid.“Mijn jachtmes!”—“Mijn buidel!”—“Mijn zakboek!” riepen eenige mannen.“Zie, mijn zilveren beugel!”—“Mijn gouden doekspeld!”—“Mijn reukdoosje!” riepen eenige vrouwen.“Houdt den dief!”—“Houdt den schurk!”—“Houdt den afzetter!” riepen allen.De ruiter, omziende, zag nogmaals naar den ongelukkigen hansworst en bespeurde hem hinkende aan de zij van een man, die met hem den weg naar het Buitenhof insloeg, terwijl de schreeuwendestedelingen hem allen in diezelfde richting nastormden, om tot den einde toe het aangename schouwspel van een arrestatie te kunnen bijwonen.Intusschen vervolgde de ruiter, in wien men reeds den jongen Spinola zal vermoed hebben, ongestoord zijn weg. Aan de boschzijde gekomen, gaf hij zijn paard de sporen, en bevond zich binnen een klein half uur, voor de geopende poort vanden Oldenburgh.Ook hier wuifde de driekleurige vlag van den slottoren, ook hier heerschten vreugde en blijdschap. Vreugde was de leus van dien heerlijken lentedag. Vreugde was er in de reine harten. Dankbaarheid aan God bezielde de rechtgeaarde gemoederen; Hij, de Gever van alle goeds, had met de verjongde natuur, ook voor het geteisterde Nederland een liefelijke lente van vrede en rust doen aanbreken.Maar Alonzo?—In weerwil van de heerschende vreugde, in weerwil van die algemeene blijdschap, vertoonden er zich meermalen diepe groeven op zijn edel voorhoofd. Een buitengewone last scheen hem te drukken.—Gevloekt! zeide hij bij zich zelven, terwijl hij een oogenblik staan bleef: Gevloekt! Verstooten! Onterfd! Durf ik dan werkelijk, met den vadervloek beladen, nogmaals dit oord betreden? Durf ik mij in dit kasteel vertoonen?—Ja! het is de heilige engel des Heeren die mij wenkt. O geliefde Adelgonde! voor u wil ik leven; voor u wil ik den vadervloek tot mijn einde torsen; voor u wil ik sterven, want, zonder u zijn de dagen voor mij als kerkernachten, lang en zwart.Een licht geritsel liet zich achter den treurig peinzenden Alonzo hooren: hij zag om, en.... zijne oogen bedrogen hem niet, hij ontwaarde de hemelsche schoone die, op aarde, van het noorden tot het zuiden, hare wedergade niet vond.Met de snelheid van den bliksem was Alonzo uit den zadel gesprongen, en terwijl de schimmel, vrijgelaten, naar den stal en de hem reeds welbekende kribbe liep, ijlde Alonzo naar zijn dierbare Adelgonde, en drukte haar met onstuimige teerheid en liefde aan zijn beklemde borst.Wij zullen niet met onkiesche blikken, de geliefden in de eerste stomme oogenblikken huns wederziens bespieden; wij willen geenszins de rol van valsche getuigen spelen, maar vinden hen liever, naast elkander op een zodenbank gezeten, eenige minuten later terug.“Alonzo!” zeide het meisje: “hebt gij wel gehandeld? Is het uit een zuivere bron dat uw liefde tot ons geloof ontspruit? O dierbare vriend, het is aardsche liefde, liefde voor mij, voor een zondig schepsel! Gij zoekt door God, tot mij te komen: gij hebt mij liever dan Christus. O Alonzo, ik kan het u vergeven, maar Hij, de Heer, hij zegt, dan zijt gij Zijns niet waardig.”“Gij miskent mij, dierbaar meisje!” riep Alonzo, haar aan zijn hart drukkende: “Zie, ik durf vrijmoedig mijne oogen naar den hemel richten. Steeds heb ik Christus gediend; uit liefde voor Hemsloeg mijn zwaard de ketters ter neder, doch thans—evenals Saulus werd bekeerd, evenals hij door de stem des Heeren tot inkeer werd gebracht—evenzoo hebben eenige woorden der Heilige Schrift mij tot nadenken aangespoord. In den herfst des vorigen jaars, weinige dagen vóór ons vertrek, werd mij eene bijbelvertaling te koop aangeboden. Begeerig die te doorsnuffelen, sloeg ik het gewijde boek open, en zie, de eerste woorden die mijne aandacht boeiden, waren deze: “Onderzoekt de Schriften, want zij zijn het, die van Mij getuigen.” Deze woorden, dierbare Adelgonde, ze spraken tot mijn hart. Onderzoekt de Schriften! is het gebod des Heeren, en de kerk, waartoe ik behoorde, verbiedt ’t geen God heeft bevolen. Alles werd mij duidelijk en klaar; mijne zaligheid moest door een ijverig onderzoek verzekerd worden. Een licht rees er op in mijne ziel. God had mij, door deze schijnbaar toevallige omstandigheid, den weg der zaligheid doen vinden, de zaligheid voor het toekomende, de zaligheid voor het aardsche leven. Ja Adelgonde, de vervolger van uw geloof mocht uwe hand niet verwerven, den Hervormde moogt gij beminnen: hij is thans geen vijand van uw land, geen vijand van uw geloof meer.”Adelgonde beschouwde den jongeling met oogen vol teederheid en innige liefde. “En evenwel ziet gij telkens zoo droefgeestig en somber voor u neder,” zeide zij op zacht smeekenden toon: “Zijt gij dan toch nog bevreesd dat ons geluk zal verbroken worden? Vertrouwt gij wellicht nog niet volkomen op mijn waarachtige liefde, of zijt gij misschien bevreesd dat mijn lieve vader zijn gegeven woord zal breken?”“Ons geluk!” riep Alonzo, terwijl hij Adelgondes hand aan zijn hart drukte: “Ons geluk! o, het is nog niet bevestigd. Neen, ik twijfel niet aan uwe liefde; uw oog bedriegt mij niet. Doch helaas! wie is het die u bemint? O, Adelgonde! dierbare Adelgonde! hij die u zoo teeder bemint, is door zijn vader gevloekt. “Ga van hier ontaarde zoon!” waren de woorden mijns vaders: “Ga van hier, door God verdoemde ketter! Ga! ik vloek u in dezen stond. Vlied, want God die u veracht, wil niet dat ik u langer als mijn zoon zal liefhebben.”Bij de treurige herinnering dezer woorden, faalde het den edelen jongeling schier aan kracht om zijne bedaardheid te bewaren, en terwijl hij met de beide handen het aangezicht bedekte, zocht het minnende meisje haar bedroefden vriend door eenige zoete woorden te troosten en op te beuren.“Lang leve onze waardige graaf!” was de kreet, die eensklaps den jongen lieden in de ooren drong. Adelgonde sprong ontsteld van hare zitplaats op. Haar vader vierde op dezen, voor den Staat zoo heuglijken dag, zijn geboortefeest. De slotbewoners begroetten hun heer met blijde galmen.Van Bergen trad de slotbrug over, en Adelgonde, ontroerd en verward, snelde naar haren vader toe, en wierp zich luid snikkende in zijne armen.1Resol. Holl. 30 Sept, 1608, bl. 223.2O. a. Wagenaar, deel IX, boek XXXVI, blz. 436, enz.Een en twintigste hoofdstuk.Wanneer de reiziger ten huidigen dage de oevers der Maas bezoekt, en op het dek der kleine doch ranke stoomboot gezeten, met verrukking de schoone rotswanden beschouwt, die zich nu eens uit den waterspiegel verheffen, en dan weder op eenigen afstand zijn oog bepalen, dan ziet hij, op vele dier steilten, nog menigen slottoren in den glans der morgen, middag- of avondzon blinken, doch bespeurt tevens den alles verwoestenden tand des tijds, die zelfs de schoonste burchten, op rotsen gegrond, in bouwvallen doet verkeeren.De opmerkzame reiziger ontwaart, als hij dat schoone gedeelte van België bezoekt, aan den rechteroever der rivier een bouwval. Dit geringe overblijfsel van een voormalig schoon kasteel, wordt hem verhaald, de ruïne van het kasteel Beaufort te zijn, en terwijl hij bij het schoone weder gemakkelijk zijn manilla wegdampt, beschouwt hij met een dweepachtige oudheidsliefde, die twee bemoste steenklompen, om ze in zijne verbeelding tot het voormalige slot weer op te bouwen.In den tijd, waarin dit verhaal ons verplaatst, mocht het kasteel Beaufort een der fraaiste van den Maasstroom genoemd worden; het werd toen bewoond door den markgraaf Reinier Van Aduaar, die de eenige broeder was van Van Bergens overledene gemalin. Drie jaren lang mocht graaf Reinier in kalmte en vrede zich in Neerlands rust verheugen; drie jaren nog mocht hij, na het gesloten bestand, het goede der aarde op zijn adellijk slot genieten; doch toen konden de zware muren noch de ijzeren sloten den aanrukkenden vijand afweren. De dood drong met zijn snijdend wapen ongenoodigd binnen, en sloeg de vrucht af, die rijp was voor den grooten oogst des Heeren.Het eene geslacht gaat voorbij, het andere treedt in zijne plaats. De doode boom wordt uitgeroeid; een nieuwe stam wordt weer op die plaats gezet, om insgelijks zijne takken tot schaduw te verspreiden, en vruchten voort te brengen tot nut en heil der menschen.Ook het kasteel Beaufort had, weinige maanden na den dood des graven, een bewoner terugbekomen.De zalen en vertrekken, door den vorigen bezitter meest alle verwaarloosd, waren nu van hun naargeestige tint bevrijd, en uiten inwendig getuigde Beaufort van een welvaart, die het sinds jaren niet gekend had.“Ben ik vandaag zoet geweest?” zeide een allerliefst driejarig meisje, dat, met eenig speelgoed om zich heen, in een der bovenvertrekken van Beaufort zat te spelen: “Hé, Klaartje, Clarisje is toch niet stout? Neen zie, ik heb het ju-paardje van papa weer in den stal gezet, en als grootpa hier komt, zal het wel van zelf kunnen loopen. Nietwaar zoete Klaartje, nu mag Clarisje wel eens biju op schootje zitten?”—en zich vleiend naast het ijverig naaiende kindermeisje plaatsende, zag zij deze met haar blauwe oogjes vriendelijk aan, en belette haar met de kleine handjes, de naald naar eisch te hanteeren.“Gij zijt een kleine plaagster!” zeide Klaartje, terwijl zij het lieve kind op haar schoot nam: “Met u kan men nauwelijks de helft van zijn werk verrichten; nu moet gij ook stilzitten, hoor! want anders....”“Ja, heel stil!” hernam het lieve kind: “en Klaartje zal mij dan vertellen wie toch dat bloote kindje is, dat daar bij mama op schootje zit. Hé Klaartje, waarom heeft dat kindje geen kleertjes aan? het zal koud worden.”De vraag der kleine, welke op een portret, dat aan den wand hing, doelde, bracht Klaartje in eenige verwarring, en terwijl zij, even blozende, den blik naar het schilderstuk sloeg, antwoordde zij: “Dat kindje zal niet koud worden, daar behoeft gij niet bang voor te zijn. Want ziet gij,” vervolgde zij, zich met Clarisje op den arm voor het portret plaatsende: “dat is een geschilderd kindje; het kan niet praten, niet zien, niet....”“Ja maar het lacht toch,” zeide het lieve meisje, haar in de rede vallende: “en mama lacht ook. Zeg eens, Klaartje, is Clarisje dat kindje, of is het een ander kindje van mama?”“Hoor lieve,” antwoordde Klaartje: “ik zal u dat later wel eens vertellen; nu zoudt gij alles nog niet begrijpen; alleen dit kan ik u zeggen, dat dit kindje het braafste was dat er ooit geweest is of komen zal; het heeft nooit in zijn leven kwaad gedaan, en de man, die dat mooie kindje daarop heeft geschilderd, heeft uw mama eens het leven gered.”“Dat moet een goede man zijn geweest,” zeide Clarisje: “Ik zal dus veel van hem houden, en Klaartje houdt zeker ook veel van hem, nietwaar lieve Klaartje?”Het bevallige kindermeisje kon een opwellenden traan niet onderdrukken. De onschuldige vraag van het lieve kind had een diepe wond in haar binnenste opengereten: “Ja, voorzeker!” zeide zij eindelijk: “doch kom mijn aardig snapstertje, het wordt tijd dat gij naar uw bedje gaat; wij zullen papa en mama goeden nacht gaan zeggen, en dan zal ik straks eens zien of gij uw avondgebedje goed onthouden hebt.”Adelgonde Van Bergen was sedert vier jaren de echtgenoot van Alonzo Spinola. De teederminnende echtelieden vonden in elkanders bezit een hemel op aarde, en nauwelijks een jaar na hun huwelijk verblijdde Adelgonde haar aangebeden Alonzo met eene dochter, welk kostbaar pand hunner liefde den onverbrekelijken knoop van huwelijkstrouw nog vaster had toegehaald.Als man van eer, als rechtgeaard Hollander, doch als Christen bovenal, had de graaf Van Bergen zijn gegeven woord niet gebroken. “Is Spanje met Nederland in vrede,” had hij gezegd: “en hebt gij de leer van Rome verlaten, zoo keer in mijne woning terug: vóór dien tijd mag mijne dochter uw gade niet worden; dán echter zal ik den redder van mijne kinderen als zoon ontvangen, dán kuntgij mijn kleinood naar het altaar geleiden.—Ga! God zij met u!”En de graaf had woord gehouden. In zijn warmen ijver voor het hervormde geloof, telde hij den vloek niet dien de markgraaf Spinola over zijn zoon had uitgesproken. “Wie vader of moeder lief heeft boven Mij, is Mijns niet waardig.” Dit had de Zaligmaker gezegd. Alonzo had wél gehandeld, hij had den Heer gekozen boven de menschen. En wat het vermogen van Alonzo betrof, al was hij onterfd, al zouden de goederen van den markgraaf nimmer de zijne worden, de schat in den hemel verworven, was van hooger waarde dan alle schatten der aarde, die de dieven doorgraven en de mot en de roest verteren.Een jaar dus na de heuglijke afkondiging van het Twaalfjarig Bestand, hadden de jonge lieden elkander, voor het oog des Heeren, liefde en trouw gezworen.Prins Maurits was bij de trouwplechtigheid tegenwoordig geweest, en het huwelijksfeest, ’t welk juist tot het jaarfeest des graven was uitgesteld, werd met ongemeenen luisterop den Oldenburghgevierd.Twee jaren alzoo bewoonden de jonge echtelingen, op begeerte van den graaf, het vaderlijk kasteel, doch, toenAdelgondeeindelijk, na den dood van haar oom Reinier, volgens diens testament de eenige erfgenaam der goederen van Beaufort bleek te zijn, toen wilde Van Bergen niet langer baatzuchtig zijne kinderen nabij zich houden, maar drong hen zelf: den weg te volgen dien de Heer hun had aangewezen. Diep ontroerd zag hij zijne dierbaren vertrekken. De zwakke Adel alleen bleef hem nu over; en, van het geluk zijner lieve Gonne overtuigd, was het thans zijn eenig streven, en bleef het zijn grootste genoegen, zijn ongelukkigen zoon te leiden, en diens geest te beschaven, opdat hij nog eenmaal goede vruchten van die verwaarloosde plant zou mogen oogsten.“Mijn Gonne is altijd even toegevend,” zeide Alonzo eens tot zijn bevallige gade, die, voor een der ramen aan den Maaskant gezeten, zich in het treffende schouwspel der ondergaande zon verlustigde. “Ik wilde wel,” vervolgde hij, terwijl hij den bruinen jachthond met zijn voet over den vloer heen en weer rolde: “ik wilde wel, Gonne, dat gij mij toch eens iets kondt weigeren. Ik kan u niets vragen of gij zegt, ja! Gij zijt al te goed, mijn lieve vrouw, en ik verwijt mij dikwerf zulk een liefde niet te verdienen.”“Beste Alonzo,” zeide Adelgonde: “waarom zoudt gij die liefde niet verdienen? Gij zijt immers alles voor mij. Voorkomt gij niet altijd al mijne wenschen? O, het is mij een plicht, een wellust, u gelukkig te maken; want Alonzo, gij hebt veel voor mij opgeofferd; en zonder u was er voor mij toch geen geluk op aarde.”“Gij zijt een engel!” hernam Alonzo opstaande, en zijn stoel naast dien van Adelgonde plaatsende, zette hij zich aan hare zijde, en zag een tolk van innig geluk langs hare wangen vloeien.“Die scherpe stralen der zon hebben uwe oogen vochtig gemaakt,” hernam hij: “Kom lieve vrouw, zie mij eens aan, en geef mij een zoen. Zie zoo!—gij moogt uw lieve oogen niet bederven.”“’t Is waar,” zeide Adelgonde, hare kijkers afdrogende: “Het lichtis al te sterk. Wel honderd roode en groene sterretjes zweven mij voor de oogen. Morgen gaan wij dus te zamen naar de valkenjacht, nietwaar beste vriend?”Op dit oogenblik trad Klaartje met Clarisje de zaal binnen. Het aardig wichtje huppelde vroolijk naar hare ouders, klauterde op Adelgondes schoot, en, beurtelings hare moeder en Alonzo kussende, riep het, terwijl zij met de kleine armpjes de twee echtelieden vereenigde: “Nacht maatje! nacht paatje! Clarisje is heel zoet geweest; Clarisje zal ook zoo braaf worden als het bloote kindje, dat die goede man geschilderd heeft. Nacht maatje, nacht paatje!” en het aardige meisje kuste en pakte hare ouders weder dat het een lust was om aan te zien.“O Adelgonde, hoeveel hebt gij mij met dit kind geschonken!” zeide Alonzo, nadat Klaartje met de lieveling vertrokken was: “maar,” vervolgde hij vleiend: “gij zult mij ook een zoon schenken, is het niet zoo?” en den arm om het midden zijner gade slaande, zag hij een zacht rood hare kaken verven, en las hij in hare oogen de woorden: Gij weet het Alonzo, de zegen op aarde ligt in des Heeren hand.”Nog zat het gelukkige echtpaar zoet koutend bijeen, nog was het avondrood niet geheel van den hemel geweken, toen eensklaps een buitengewone verschijning de stilte verbrak, en de echtelingen ontsteld doch verrast deed opspringen.“Lieve vader!” riep Adelgonde, naar Van Bergen toesnellende, die, in reisgewaad, onaangediend en zachtkens de zaal was binnengetreden: “Lieve beste vader!” riep zij nogmaals, terwijl zij aan des graven hals bleef hangen: “hoe onuitsprekelijk verblijdt mij uw komst!”Van Bergen omhelsde zijn kind met innige warmte: drukte zijn schoonzoon recht vaderlijk de hand; ontdeed zich, na de eerste verrukking des wederziens, van zijn mantel; zette zich in een hem door Alonzo toegeschoven leuningstoel, en sprak toen, terwijl zijne kinderen naast zijnen zetel plaats namen: “Het is mij goed weer bij u te zijn. God zij gedankt, die mij aan het gevaar dat mij dreigde, deed ontkomen. Hij heeft mij gered, en....”“Een gevaar!?” riepen Alonzo en Adelgonde schier te gelijk: “Wat is u overkomen?”“Ik zal het u verhalen,” hernam Van Bergen: “doch vooraf verzoek ik u een paar mannen naar het rivierpad te zenden, ten einde Rudolf, dien ik bij mijn aanvaller heb achtergelaten, behulpzaam te zijn.”Alonzo had weldra zijn bevelen gegeven, en nu verhaalde Van Bergen hoe hij gelukkig zijn tocht tot aan den steilen slotweg had volbracht, toen eensklaps een verwilderd haveloos man zijn paard bij den toom had gegrepen, en hem een pistool op de borst drukkende, tot de overgave van zijn geldbeurs had aangemaand; hoe Rudolf, waarschijnlijk door den roover niet opgemerkt, dadelijk was ter hulpe gesneld; hoe deze de pistool uit de hand van den schurk had geslagen, en hem tevens een diepe wond had toegebracht, zoodat de ellendeling voor dood was neergevallen.Dankbaar sloegen ook Adelgonde en Alonzo den blik naar boven, en verheugden zich met ongeveinsde blijdschap, dat ze hun veelgeliefden vader ongedeerd aan hunne zijde mochten zien.Intusschen was de straatroover, door Rudolf en Alonzo’s knechten het kasteel Beaufort binnengedragen.De wonde, hem door Rudolf in de borst toegebracht, was breed en diep; een schrikkelijk bloedverlies had hem geheel uitgeput, en de knechten, niet wetende hoe zij hem eenige verzachting zouden toebrengen, begaven zich naar hun meester om diens hulp voor den lijder in te roepen.Terstond was Van Bergen gereed om Alonzo met zijn meerdere kennis bij te staan, en beiden gingen derhalve naar het benedenvertrek, waar de ongelukkige terneer lag.Zoodra Van Bergen echter met een natgemaakte doek de wonde eenigszins wilde reinigen, en hij den lijder, bij het schijnsel der aangestoken lamp, in het verwilderde aangezicht zag, ontglipte een kreet van verbazing aan zijne lippen, want hij herkende in die vóór den tijd verouderde en verdierlijkte trekken, het gelaat van hem, die zich vroeger Walter Van Rodenberg noemde.“God, Walter! zijt gij het?” riep de graaf, terwijl hij verbleekte, en bevend den nederliggende beschouwde: “Walter, Walter! waartoe zijt gij gekomen!”Walter Van Rodenberg opende zijne oogen en keek verwilderd om zich heen.“Ha!—eindelijk vernietigd!” riep hij met schorre stem: “Het is reeds lang genoeg.—Waar is de dood?—Kom spoedig!”—en met een ontzettende krachtsinspanning balde hij zijn vuist, en sloeg zich met zulk een hevigheid op de diep gapende wond, dat het bloed den aanwezigen in het aangezicht spatte, en hij zelf, weinige seconden later, stuiptrekkend den geest gaf.Het duurde verscheidene dagen eer de bewoners van Beaufort den somberen indruk van dat treurige schouwspel konden verbannen; vooral Van Bergen had dit schrikverwekkend tooneel diep getroffen. Nogmaals was “het opgeheven zwaard der boosheid langs het schild van Gods voorzienigheid afgegleden,” en, twee dagen na deze akelige gebeurtenis bracht Van Bergen het lijk van den ongelukkigen zoon zijner stiefmoeder naar zijn laatste rustplaats.Eene week na des graven onverwachte komst op Beaufort, daagde er voor de jongen echtelieden een morgen van grenzenlooze vreugd. Uit Den Haag was in allerijl een koerier komen aanrennen, die den portier een pakket met het wapen der Oranjes verzegeld, had overhandigd.Het adres luidde aan Alonzo, en de jonge Spinola, niet vermoedende wat de vorst hem kon te melden hebben, doorlas met ongeduld het geschrift van zijn doorluchtigen beschermer.Het was hem niet mogelijk den brief tot het einde te doorlezen, veel minder nog ook het daarbij gaande blad, in de Spaansche taal geschreven, nauwkeurig te doorloopen. De letters dansten hem voor de oogen. “Dáár, dáár,” riep hij in vervoering uit: “lees.... zie....ik kan niet meer. Dierbare Adelgonde! mijn vader.... o God! hij heeft zich mijner ontfermd!”Alonzo had wél gezien: de vadervloek was opgeheven; prins Maurits was de voorspraak van den echtgenoot der schooneHagenleliegeweest, en de markgraaf Ambrosio, tot hiertoe hardnekkig en ongeneigd zijn zoon weder aan te nemen, had de bede van den fieren veldheer niet kunnen weerstaan, maar, hopende op de belofte van Maurits, wilde hij zijn ketterschen zoon genade schenken, zoo het Katholieke geloof daardoor meer oogluikend in de Nederlanden werd toegestaan.Gevoegelijk zouden wij hier de pen kunnen neerleggen, doch gelooven nog eenige inlichtingen aangaande sommige personen verschuldigd te zijn, welke wij dan ook onmiddellijk laten volgen.Het vroolijke kamermeisje van de schooneHagenleliewas, twee maanden na het huwelijk harer meesteres, met Maarten in den echt getreden. Adelgonde had haar een aanzienlijke huwelijksgift geschonken, en Maarten, in een eigen smederij getreden, deed den hamer lustig op het aambeeld klinken, en bleef steeds een ijverig burger der hofstad, gelijk zijn goede huisplaag,—zooals hij Anne meermalen schertsend noemde—steeds een liefhebbende vrouw en, tot aan haar einde, eene trouwe moeder voor hare kinderen bleef.Van den barbier Sebastianus Bril weten wij niet anders te verhalen, dan dat door hem de treurige geschiedenis van den jeugdigen kunstschilder, Jakob De Geest, aan den graaf Van Bergen werd bekend gemaakt. Adelgonde, die haren redder, behalve in dat vluchtige oogenblik op den weg, nimmer had wedergezien, wijdde een traan aan zijne nagedachtenis, en noodigde het treurende Klaartje uit om Annes plaats bij haar te komen innemen.Klaartje gevoelde zich in deze betrekking recht op haar gemak. De akelige taak van schenkster in de kroeg haars vaders, had haar reeds sedert lang tegengestaan. Nu was het haar streven en lust, hare goede gebiedster in alles te voldoen; en dikwerf nog dacht zij met weemoed aan den ongelukkigen Jakob, voor wien Alonzo een klein gedenkteeken had doen oprichten, ter plaatse waar hij Adelgonde aan den Maaskant van een wissen dood had gered.Het schilderstuk, ’t welk wij reeds in de kinderkamer hebben gezien, was daar met voordacht en tot groot genoegen van Klaartje opgehangen, en toen Clarisje eenige jaren ouder was geworden, leerde zij van hare verzorgster het ons bekende droomlied van den kunstenaar, dat het meisje den ongelukkigen jongeling zoo dikwerf had hooren zingen.Van Bergen leefde nog vijftien jaren na het huwelijk zijner Gonne. Het sterven was hem gewin, want reikhalzend zag hij in de laatste oogenblikken zijns levens de ure naderen, waarin hij met zijn Heer zou vereenigd worden, dien hij op aarde zoo vurig had gezocht.Vrouw Barbara is van de wonde, haar door Van Rodenbergs pistoolschot toegebracht, hersteld. Van Bergen heeft haar volkomenvergiffenis geschonken, en, zoo wij wél onderricht zijn, is zij in een klooster als berouwhebbend Katholiek gestorven.Wat Adel betreft, deze is op zijn veertigste jaar, met eene kleindochter van den baron Van Doorn tot den Zandheuvel in den echt getreden. Zijne vrouw heeft hem echter geen kinderen geschonken; en hoewel steeds achterlijk in zijne geestvermogens, werd hij tot zijn einde door zijne onderhoorigen bemind, en werd hem, om zijne schier vrouwelijke zachtaardigheid, den eeretitel vanden goeden graafgegeven.Burgman bleef tot aan zijn dood pluimgraaf opden Oldenburgh, en door hem is de belangrijke kunst uitgevonden, om in zeven dagen tijds, de schraalste haantjes of kippen tot de vetste tafelsieraden op te kweeken; wij gelooven evenwel dat deze edele kunst met den goeden Burgman is verloren gegaan.Het doet ons leed, eindelijk nog te moeten mededeelen, dat Adelgonde niet al de wenschen van haren echtvriend heeft vervuld; zij heeft hem geen zoon ter wereld gebracht, maar ter vergoeding daarvan hem nog eene dochter geschonken, die, evenals Clarisse, het sieraad harer ouders werd, en evenals die oudere zuster, eene partij harer waardig gevonden heeft.
Twintigste hoofdstuk.In een tijdsverloop van ongeveer negen maanden, hadden de staatkundige aangelegenheden gedurig een geheel ander aanzien verkregen. Telkens was de wapenschorsing tusschen Spanje en Nederland verlengd, en telkens weder was zij ten einde geloopen zonder eenige vrucht te hebben opgeleverd. Was het te verwonderen dat de stier en de leeuw, na een zoo langen worstelstrijd, niet tot vrede konden komen? Was het te verwonderen dat Spanje en Nederland, verschillende in geloof, verschillende in krachten, elkander niet terstond de hand tot vrede reikten? Neen, zelfs had men zich voorgesteld dat, ingevolge eene verklaring der Staten, gedagteekend van den vijf en twintigsten Augustus 1608, de krijg feller dan tevoren zou hervat worden. Openlijk hadden zij betuigd, dat zij, door menige ondervinding het karakter hunner vijanden hadden leeren kennen, en derhalve met recht hadden geaarzeld in eene vredesonderhandeling met hen te treden. Daartoe echter door de Spaanschen aangezocht, hadden de Staten duidelijk hunne meening doen verstaan, terwijl de vijand daarentegen, door vele lagen en fijne listen, de reeds zoo dikwerf toegestane rechten en de boven alles dierbare vrijheid, punt voor punt had trachten te besnoeien en terug te trekken, zoodat de Staten besloten van nu af aan de vredes-onderhandelingen stellig voor afgebroken te verklaren.Twee dagen echter nadat dit besluit was genomen, sloegen de Engelsche en Fransche gezanten aan de beide partijen een veeljarig bestand voor.De Fransche afgevaardigde Jeannin ijverde, op last van zijn vorst, zeer voor deze zaak.Behalve uit diepere staatkundige inzichten, verlangde Hendrik IV voor Nederland—wanneer een vrede mocht worden van de hand gewezen—liever een veeljarig bestand dan den oorlog, dewijl hij in het laatste geval, ingevolge een in Januari met de Nederlanden gesloten verbond, hun eene ondersteuning van tien duizend voetknechten zou moeten verleenen. Zoodra de voorslag van een bestand was bekend geworden, bracht dit geen geringe beweging in de Nederlandsche gemoederen. Tegen een vrede waren reeds verscheidene geschriften in het licht gekomen, doch thans, nu er slechts van een bestand gesproken werd, ontzag men zich niet openlijk voor de meening uit te komen, dat zoo iets het verval der ingezetenen, ja slavernij zou na zich sleepen.Prins Maurits was insgelijks ernstig beducht voor de gevolgen van zulk een bestand, en zocht den koning van Frankrijk tot den oorlog te neigen, door schriftelijk te verklaren: dat een bestand deze landen noodwendig aan de Spaansche heerschappij moest doen vervallen; dat Philips, wiens schatkist nu ledig was, na het einde der jaren van rust, in staat zou zijn den oorlog met meer geweld te hervatten, terwijl men eindelijk—nu reeds in de gewesten en steden tweedracht bespeurende, door rust en ledigheid gevoed, eerlang openbare verdeeldheden te wachten had, welke den vijand eene schoone gelegenheid zouden geven de snoodsten, of hen die reeds naar der Spaanschen zijde neigden, tot ontrouw om te koopen ten einde hunne belangen te bevorderen.De Algemeene Staten evenwel—Zeeland uitgezonderd—besloten, door geldelijke uitputting voornamelijk daartoe gedreven, de voorwaarden van den vijand aan te hooren.De bepalingen en eischen der Spaanschen waren echter dermate ongehoord en eigendunkelijk, dat de Staten bij het genomen besluit wilden volharden, en den vijand nog slechts tot den laatsten September de vrijheid gaven om zich op billijker voorwaarden, van hunne zijde, te bezinnen.Ook die dag verscheen zonder dat de beide partijen elkander hadden verstaan.Voor de laatste maal waren de gezanten bij den prins ten middagmaal genoodigd.Aan het einde van den maaltijd stond de markgraaf Ambrosio Spinola van zijne zitplaats op; nam den beker in de hand, en betuigde zijn ongeveinsde smart over het afbreken van eene onderhandeling, welke hij had gehoopt dat beide landen ten zegen zou zijn. “Deze dronk,” zoo eindigde hij: “zij de tolk mijner dankbaarheid voor het gastvrij onthaal hier te lande genoten.”Nadat Spinola gesproken had, nam prins Maurits het woord.“Mijne heeren!” zeide hij: “Wij zijn als vrienden, niet als vijanden te zamen geweest. In de raadzalen hadden wij verschillende belangen, doch in onze woningen is de vrede niet verstoord geworden. Eerlang zullen wij elkander weder ontmoeten; slechts tot het einde dezes jaars blijft de wapenschorsing voortduren; wij zullen elkander strijdende wederzien. God geve dat Nederland kracht behoude om zich met u te meten! Edel is het, met kracht zijne rechten te verdedigen. Zijn wij in den strijd,—laat ons dan edel kampen; edel in den vollen zin des woords: Vurig en onversaagd zoo het Vaderland en zijne rechten onzen arm behoeft; doch laat ons menschen, vrienden, Christenen zijn, zoo de overwinning aan onze zijde is. Door dit verbond, mijne heeren!” aldus besloot de prins: “zal ons samenzijn iets goeds gewrocht hebben, en zullen uwe namen bij velen in gezegend aandenken achterblijven. Vaartwel mijne heeren! God zij met u!”Na deze woorden werd de afscheidsgroet gedronken, en dien zelfden avond nog vertrokken de Spaansche gezanten, terwijl in de Resolutiën van Holland hun vertrek staat geboekt met deze bede:“God geve dat se alhier geen quaet saet en hebben gelaten daarvan men met ’er tydt de effecten gewaer werde tot ruïne van desen staet.”1Bij dit afscheidsmaal was de graaf Van Bergen, hoewel mede uitgenoodigd, niet tegenwoordig geweest.Alonzo Spinola had het, op den uitdrukkelijken wil van zijn vader, bijgewoond; doch terwijl zijn lichaam aan die plaats tegenwoordig was, bevond zijn geest zich opden Oldenburgh; en alzoo droefgeestig en treurig terneergezeten, zag hij met weemoed de ure naderen, waarin hij een land zou vaarwel zeggen, waar hij den kostbaren door hem gevonden schat voor altijd moest achterlaten.De vijandschap der landen, het verschil des geloofs, ziedaar de twee groote hinderpalen, die zijn aardsch geluk belemmerden.Na het vertrek der Spanjaarden was het dus zoogoed als zeker dat de onderhandelingen voor altijd waren afgebroken.Dien keer echter moesten de zaken niet nemen.De vaderlandsche historiebladen vermelden ons hoe Johan Van Oldenbarneveld, door Engeland en Frankrijk ondersteund, tegenMaurits en de Zeeuwen heeft gekampt ten einde ook hen voor de goede zaak te winnen. Wij vinden het beschreven hoe deze strijd met zegen werd bekroond, en Nederland, getrouw aan de les door den grooten Zwijger gegeven, ook in dezen eensgezind tot onderling geluk krachtdadig heeft samengewerkt.Zoo werd na een tweede bijeenkomst, en wel te Antwerpen, na een onderhandeling van ruim twee maanden, het Twaalfjarig Bestand tusschen Nederland en Spanje gesloten, waarvan de inhoud, voor den weetgierigen lezer, in de Nederlandsche geschiedrollen is opgeteekend.2Het was den vijf en twintigsten April des jaars 1609. Weer wapperden de vlaggen; weer joelde de menigte; weer leverde het vorstelijk ’s-Gravenhage, in feestkleedij getooid, een vroolijk schouwspel op. De bode des vredes had gesproken,—het gesloten bestand was met de meeste plechtigheid van het raadhuis afgekondigd,—de vreugdeschoten knalden door de Maliebaan—’t Wilhelmus van Nassauwen deed zich hooren:“Rust Neerland!”—was de kreet:“Rust van Uw heldendaen.”“Wel duivels, hansworst, gij hadt dat zoete brokje daar vast in de boutjes,” zei een man uit de menigte tot iemand die zich, in de vermomming van een potsenmaker, tusschen de feestvieren den had gemengd.“Het ding was malsch en niet malsch,” antwoordde de aangesprokene: “haar koontjes waren als kussentjes, doch hare nageltjes waren als krabbertjes; tot straf echter is de gouden boot van haar hals, in mijn zak overgegaan.”“Geef hier!” hernam de eerste spreker, en vervolgde terwijl hij het halssieraad bij zich stak: “Gij zijt een slimme vogel; een dief die zijn handwerk verstaat.”“Ik ben een dief en geen dief,” hernam de tweede: “ik neem,—evenals de rijken—wat mij bevalt, met dit onderscheid echter, dat ik mijne kronen in den zak houd.”“Uwekronen! dat geloof ik,” zei de eerste glimlachend, en dan: “Hebt gij Aaij ook gesproken?”“Gesproken en niet gesproken,” hernam de hansworst: “Ik ontmoette hem, of ik ontmoette hem niet, maar hij ontmoette mij, en toen liet hij, zonder iets te zeggen, deze prullen in mijn zak glijden. Hij heeft zich slecht gekweten. Daar Bram, pak aan! en als gij alles zult hebben weggemoffeld, zie ik u over een uur in de Bagijnenstraat weer.”Bram stak de ontronselde goederen bij zich, maakte daarna rechtsomkeert, en liet het aan den hansworst over om het opgewondenpubliek met zijne aardigheden te blinddoeken, ten einde alzoo des te beter zijne kansen te kunnen waarnemen.“Leve de rust! leve de vreugd!Leve de rust die ’t hart verheugt!Weg met den nijd, weg met den strijd!Leve de vree en de vroolijkheid!”Zoo zingende en schreeuwende danste de hansworst-zakkenroller tusschen de jubelende volksmenigte door, en zocht zich telkens, op een uiterst behendige wijze, een loon naar welgevallen te verschaffen.“Nietwaar seigneur!” riep hij eensklaps, terwijl hij, na zijn liedje te hebben opgedreund, achter op het paard van een ruiter sprong, die zijn schimmel nu eens moest doen stilstaan en dan weder slechts langzaam deed stappen, om geen ongelukken te midden der dringende massa’s te veroorzaken: “Nietwaar seigneur?” riep de hansworst nogmaals, terwijl hij door zijn zotte grimassen achter den ruiter, de omstanders deed schateren van lachen.Het voorwerp van des zakkenrollers vrijpostigheid scheen niet willens de vreugde van het oogenblik te storen. Gedwee liet hij zijn bespringer diens aardigheden achter hem uitkramen, als bemerkte hij ze niet; doch eindelijk den snaak moede, wendde hij zich om, en zag hem onverhoeds in het aangezicht.“Wij zijn elkander niet vreemd,” zeide de vreemdeling: “Mij dunkt dat ik den heer hansworst als kunsthandelaar reeds eenmaal in de herberg van Gooswijn Meurskens heb ontmoet.—Voorzichtig, maat!” vervolgde hij zachter: “steek den buidel even behendig weer in mijn zak als gij er dien uit hebt genomen, of anders....” en hij liet dit woord door een veelbeteekenenden blik vergezeld gaan.De hansworst was eenigermate van zijn stuk gebracht, en begon hevig te hoesten. De ruiter echter, op die muziek niet gesteld, en de zwaarte van zijn geldbeurs in zijn zak terug gevoelende, liet den schimmel eenige luchtsprongen maken, zoodat de aardige man weldra het evenwicht verloor en onder het gejuich der menigte al spoedig tot straatruiter werd verlaagd.Het vroolijk rumoer werd evenwel spoedig door een ontboezeming van algemeene verontwaardiging vervangen. De voorwerpen, aan verschillende omstanders ontrold, lagen naast den terneergeworpen zakkenroller, voor de oogen der eigenaars of eigenaressen ten toon gespreid.“Mijn jachtmes!”—“Mijn buidel!”—“Mijn zakboek!” riepen eenige mannen.“Zie, mijn zilveren beugel!”—“Mijn gouden doekspeld!”—“Mijn reukdoosje!” riepen eenige vrouwen.“Houdt den dief!”—“Houdt den schurk!”—“Houdt den afzetter!” riepen allen.De ruiter, omziende, zag nogmaals naar den ongelukkigen hansworst en bespeurde hem hinkende aan de zij van een man, die met hem den weg naar het Buitenhof insloeg, terwijl de schreeuwendestedelingen hem allen in diezelfde richting nastormden, om tot den einde toe het aangename schouwspel van een arrestatie te kunnen bijwonen.Intusschen vervolgde de ruiter, in wien men reeds den jongen Spinola zal vermoed hebben, ongestoord zijn weg. Aan de boschzijde gekomen, gaf hij zijn paard de sporen, en bevond zich binnen een klein half uur, voor de geopende poort vanden Oldenburgh.Ook hier wuifde de driekleurige vlag van den slottoren, ook hier heerschten vreugde en blijdschap. Vreugde was de leus van dien heerlijken lentedag. Vreugde was er in de reine harten. Dankbaarheid aan God bezielde de rechtgeaarde gemoederen; Hij, de Gever van alle goeds, had met de verjongde natuur, ook voor het geteisterde Nederland een liefelijke lente van vrede en rust doen aanbreken.Maar Alonzo?—In weerwil van de heerschende vreugde, in weerwil van die algemeene blijdschap, vertoonden er zich meermalen diepe groeven op zijn edel voorhoofd. Een buitengewone last scheen hem te drukken.—Gevloekt! zeide hij bij zich zelven, terwijl hij een oogenblik staan bleef: Gevloekt! Verstooten! Onterfd! Durf ik dan werkelijk, met den vadervloek beladen, nogmaals dit oord betreden? Durf ik mij in dit kasteel vertoonen?—Ja! het is de heilige engel des Heeren die mij wenkt. O geliefde Adelgonde! voor u wil ik leven; voor u wil ik den vadervloek tot mijn einde torsen; voor u wil ik sterven, want, zonder u zijn de dagen voor mij als kerkernachten, lang en zwart.Een licht geritsel liet zich achter den treurig peinzenden Alonzo hooren: hij zag om, en.... zijne oogen bedrogen hem niet, hij ontwaarde de hemelsche schoone die, op aarde, van het noorden tot het zuiden, hare wedergade niet vond.Met de snelheid van den bliksem was Alonzo uit den zadel gesprongen, en terwijl de schimmel, vrijgelaten, naar den stal en de hem reeds welbekende kribbe liep, ijlde Alonzo naar zijn dierbare Adelgonde, en drukte haar met onstuimige teerheid en liefde aan zijn beklemde borst.Wij zullen niet met onkiesche blikken, de geliefden in de eerste stomme oogenblikken huns wederziens bespieden; wij willen geenszins de rol van valsche getuigen spelen, maar vinden hen liever, naast elkander op een zodenbank gezeten, eenige minuten later terug.“Alonzo!” zeide het meisje: “hebt gij wel gehandeld? Is het uit een zuivere bron dat uw liefde tot ons geloof ontspruit? O dierbare vriend, het is aardsche liefde, liefde voor mij, voor een zondig schepsel! Gij zoekt door God, tot mij te komen: gij hebt mij liever dan Christus. O Alonzo, ik kan het u vergeven, maar Hij, de Heer, hij zegt, dan zijt gij Zijns niet waardig.”“Gij miskent mij, dierbaar meisje!” riep Alonzo, haar aan zijn hart drukkende: “Zie, ik durf vrijmoedig mijne oogen naar den hemel richten. Steeds heb ik Christus gediend; uit liefde voor Hemsloeg mijn zwaard de ketters ter neder, doch thans—evenals Saulus werd bekeerd, evenals hij door de stem des Heeren tot inkeer werd gebracht—evenzoo hebben eenige woorden der Heilige Schrift mij tot nadenken aangespoord. In den herfst des vorigen jaars, weinige dagen vóór ons vertrek, werd mij eene bijbelvertaling te koop aangeboden. Begeerig die te doorsnuffelen, sloeg ik het gewijde boek open, en zie, de eerste woorden die mijne aandacht boeiden, waren deze: “Onderzoekt de Schriften, want zij zijn het, die van Mij getuigen.” Deze woorden, dierbare Adelgonde, ze spraken tot mijn hart. Onderzoekt de Schriften! is het gebod des Heeren, en de kerk, waartoe ik behoorde, verbiedt ’t geen God heeft bevolen. Alles werd mij duidelijk en klaar; mijne zaligheid moest door een ijverig onderzoek verzekerd worden. Een licht rees er op in mijne ziel. God had mij, door deze schijnbaar toevallige omstandigheid, den weg der zaligheid doen vinden, de zaligheid voor het toekomende, de zaligheid voor het aardsche leven. Ja Adelgonde, de vervolger van uw geloof mocht uwe hand niet verwerven, den Hervormde moogt gij beminnen: hij is thans geen vijand van uw land, geen vijand van uw geloof meer.”Adelgonde beschouwde den jongeling met oogen vol teederheid en innige liefde. “En evenwel ziet gij telkens zoo droefgeestig en somber voor u neder,” zeide zij op zacht smeekenden toon: “Zijt gij dan toch nog bevreesd dat ons geluk zal verbroken worden? Vertrouwt gij wellicht nog niet volkomen op mijn waarachtige liefde, of zijt gij misschien bevreesd dat mijn lieve vader zijn gegeven woord zal breken?”“Ons geluk!” riep Alonzo, terwijl hij Adelgondes hand aan zijn hart drukte: “Ons geluk! o, het is nog niet bevestigd. Neen, ik twijfel niet aan uwe liefde; uw oog bedriegt mij niet. Doch helaas! wie is het die u bemint? O, Adelgonde! dierbare Adelgonde! hij die u zoo teeder bemint, is door zijn vader gevloekt. “Ga van hier ontaarde zoon!” waren de woorden mijns vaders: “Ga van hier, door God verdoemde ketter! Ga! ik vloek u in dezen stond. Vlied, want God die u veracht, wil niet dat ik u langer als mijn zoon zal liefhebben.”Bij de treurige herinnering dezer woorden, faalde het den edelen jongeling schier aan kracht om zijne bedaardheid te bewaren, en terwijl hij met de beide handen het aangezicht bedekte, zocht het minnende meisje haar bedroefden vriend door eenige zoete woorden te troosten en op te beuren.“Lang leve onze waardige graaf!” was de kreet, die eensklaps den jongen lieden in de ooren drong. Adelgonde sprong ontsteld van hare zitplaats op. Haar vader vierde op dezen, voor den Staat zoo heuglijken dag, zijn geboortefeest. De slotbewoners begroetten hun heer met blijde galmen.Van Bergen trad de slotbrug over, en Adelgonde, ontroerd en verward, snelde naar haren vader toe, en wierp zich luid snikkende in zijne armen.1Resol. Holl. 30 Sept, 1608, bl. 223.2O. a. Wagenaar, deel IX, boek XXXVI, blz. 436, enz.Een en twintigste hoofdstuk.Wanneer de reiziger ten huidigen dage de oevers der Maas bezoekt, en op het dek der kleine doch ranke stoomboot gezeten, met verrukking de schoone rotswanden beschouwt, die zich nu eens uit den waterspiegel verheffen, en dan weder op eenigen afstand zijn oog bepalen, dan ziet hij, op vele dier steilten, nog menigen slottoren in den glans der morgen, middag- of avondzon blinken, doch bespeurt tevens den alles verwoestenden tand des tijds, die zelfs de schoonste burchten, op rotsen gegrond, in bouwvallen doet verkeeren.De opmerkzame reiziger ontwaart, als hij dat schoone gedeelte van België bezoekt, aan den rechteroever der rivier een bouwval. Dit geringe overblijfsel van een voormalig schoon kasteel, wordt hem verhaald, de ruïne van het kasteel Beaufort te zijn, en terwijl hij bij het schoone weder gemakkelijk zijn manilla wegdampt, beschouwt hij met een dweepachtige oudheidsliefde, die twee bemoste steenklompen, om ze in zijne verbeelding tot het voormalige slot weer op te bouwen.In den tijd, waarin dit verhaal ons verplaatst, mocht het kasteel Beaufort een der fraaiste van den Maasstroom genoemd worden; het werd toen bewoond door den markgraaf Reinier Van Aduaar, die de eenige broeder was van Van Bergens overledene gemalin. Drie jaren lang mocht graaf Reinier in kalmte en vrede zich in Neerlands rust verheugen; drie jaren nog mocht hij, na het gesloten bestand, het goede der aarde op zijn adellijk slot genieten; doch toen konden de zware muren noch de ijzeren sloten den aanrukkenden vijand afweren. De dood drong met zijn snijdend wapen ongenoodigd binnen, en sloeg de vrucht af, die rijp was voor den grooten oogst des Heeren.Het eene geslacht gaat voorbij, het andere treedt in zijne plaats. De doode boom wordt uitgeroeid; een nieuwe stam wordt weer op die plaats gezet, om insgelijks zijne takken tot schaduw te verspreiden, en vruchten voort te brengen tot nut en heil der menschen.Ook het kasteel Beaufort had, weinige maanden na den dood des graven, een bewoner terugbekomen.De zalen en vertrekken, door den vorigen bezitter meest alle verwaarloosd, waren nu van hun naargeestige tint bevrijd, en uiten inwendig getuigde Beaufort van een welvaart, die het sinds jaren niet gekend had.“Ben ik vandaag zoet geweest?” zeide een allerliefst driejarig meisje, dat, met eenig speelgoed om zich heen, in een der bovenvertrekken van Beaufort zat te spelen: “Hé, Klaartje, Clarisje is toch niet stout? Neen zie, ik heb het ju-paardje van papa weer in den stal gezet, en als grootpa hier komt, zal het wel van zelf kunnen loopen. Nietwaar zoete Klaartje, nu mag Clarisje wel eens biju op schootje zitten?”—en zich vleiend naast het ijverig naaiende kindermeisje plaatsende, zag zij deze met haar blauwe oogjes vriendelijk aan, en belette haar met de kleine handjes, de naald naar eisch te hanteeren.“Gij zijt een kleine plaagster!” zeide Klaartje, terwijl zij het lieve kind op haar schoot nam: “Met u kan men nauwelijks de helft van zijn werk verrichten; nu moet gij ook stilzitten, hoor! want anders....”“Ja, heel stil!” hernam het lieve kind: “en Klaartje zal mij dan vertellen wie toch dat bloote kindje is, dat daar bij mama op schootje zit. Hé Klaartje, waarom heeft dat kindje geen kleertjes aan? het zal koud worden.”De vraag der kleine, welke op een portret, dat aan den wand hing, doelde, bracht Klaartje in eenige verwarring, en terwijl zij, even blozende, den blik naar het schilderstuk sloeg, antwoordde zij: “Dat kindje zal niet koud worden, daar behoeft gij niet bang voor te zijn. Want ziet gij,” vervolgde zij, zich met Clarisje op den arm voor het portret plaatsende: “dat is een geschilderd kindje; het kan niet praten, niet zien, niet....”“Ja maar het lacht toch,” zeide het lieve meisje, haar in de rede vallende: “en mama lacht ook. Zeg eens, Klaartje, is Clarisje dat kindje, of is het een ander kindje van mama?”“Hoor lieve,” antwoordde Klaartje: “ik zal u dat later wel eens vertellen; nu zoudt gij alles nog niet begrijpen; alleen dit kan ik u zeggen, dat dit kindje het braafste was dat er ooit geweest is of komen zal; het heeft nooit in zijn leven kwaad gedaan, en de man, die dat mooie kindje daarop heeft geschilderd, heeft uw mama eens het leven gered.”“Dat moet een goede man zijn geweest,” zeide Clarisje: “Ik zal dus veel van hem houden, en Klaartje houdt zeker ook veel van hem, nietwaar lieve Klaartje?”Het bevallige kindermeisje kon een opwellenden traan niet onderdrukken. De onschuldige vraag van het lieve kind had een diepe wond in haar binnenste opengereten: “Ja, voorzeker!” zeide zij eindelijk: “doch kom mijn aardig snapstertje, het wordt tijd dat gij naar uw bedje gaat; wij zullen papa en mama goeden nacht gaan zeggen, en dan zal ik straks eens zien of gij uw avondgebedje goed onthouden hebt.”Adelgonde Van Bergen was sedert vier jaren de echtgenoot van Alonzo Spinola. De teederminnende echtelieden vonden in elkanders bezit een hemel op aarde, en nauwelijks een jaar na hun huwelijk verblijdde Adelgonde haar aangebeden Alonzo met eene dochter, welk kostbaar pand hunner liefde den onverbrekelijken knoop van huwelijkstrouw nog vaster had toegehaald.Als man van eer, als rechtgeaard Hollander, doch als Christen bovenal, had de graaf Van Bergen zijn gegeven woord niet gebroken. “Is Spanje met Nederland in vrede,” had hij gezegd: “en hebt gij de leer van Rome verlaten, zoo keer in mijne woning terug: vóór dien tijd mag mijne dochter uw gade niet worden; dán echter zal ik den redder van mijne kinderen als zoon ontvangen, dán kuntgij mijn kleinood naar het altaar geleiden.—Ga! God zij met u!”En de graaf had woord gehouden. In zijn warmen ijver voor het hervormde geloof, telde hij den vloek niet dien de markgraaf Spinola over zijn zoon had uitgesproken. “Wie vader of moeder lief heeft boven Mij, is Mijns niet waardig.” Dit had de Zaligmaker gezegd. Alonzo had wél gehandeld, hij had den Heer gekozen boven de menschen. En wat het vermogen van Alonzo betrof, al was hij onterfd, al zouden de goederen van den markgraaf nimmer de zijne worden, de schat in den hemel verworven, was van hooger waarde dan alle schatten der aarde, die de dieven doorgraven en de mot en de roest verteren.Een jaar dus na de heuglijke afkondiging van het Twaalfjarig Bestand, hadden de jonge lieden elkander, voor het oog des Heeren, liefde en trouw gezworen.Prins Maurits was bij de trouwplechtigheid tegenwoordig geweest, en het huwelijksfeest, ’t welk juist tot het jaarfeest des graven was uitgesteld, werd met ongemeenen luisterop den Oldenburghgevierd.Twee jaren alzoo bewoonden de jonge echtelingen, op begeerte van den graaf, het vaderlijk kasteel, doch, toenAdelgondeeindelijk, na den dood van haar oom Reinier, volgens diens testament de eenige erfgenaam der goederen van Beaufort bleek te zijn, toen wilde Van Bergen niet langer baatzuchtig zijne kinderen nabij zich houden, maar drong hen zelf: den weg te volgen dien de Heer hun had aangewezen. Diep ontroerd zag hij zijne dierbaren vertrekken. De zwakke Adel alleen bleef hem nu over; en, van het geluk zijner lieve Gonne overtuigd, was het thans zijn eenig streven, en bleef het zijn grootste genoegen, zijn ongelukkigen zoon te leiden, en diens geest te beschaven, opdat hij nog eenmaal goede vruchten van die verwaarloosde plant zou mogen oogsten.“Mijn Gonne is altijd even toegevend,” zeide Alonzo eens tot zijn bevallige gade, die, voor een der ramen aan den Maaskant gezeten, zich in het treffende schouwspel der ondergaande zon verlustigde. “Ik wilde wel,” vervolgde hij, terwijl hij den bruinen jachthond met zijn voet over den vloer heen en weer rolde: “ik wilde wel, Gonne, dat gij mij toch eens iets kondt weigeren. Ik kan u niets vragen of gij zegt, ja! Gij zijt al te goed, mijn lieve vrouw, en ik verwijt mij dikwerf zulk een liefde niet te verdienen.”“Beste Alonzo,” zeide Adelgonde: “waarom zoudt gij die liefde niet verdienen? Gij zijt immers alles voor mij. Voorkomt gij niet altijd al mijne wenschen? O, het is mij een plicht, een wellust, u gelukkig te maken; want Alonzo, gij hebt veel voor mij opgeofferd; en zonder u was er voor mij toch geen geluk op aarde.”“Gij zijt een engel!” hernam Alonzo opstaande, en zijn stoel naast dien van Adelgonde plaatsende, zette hij zich aan hare zijde, en zag een tolk van innig geluk langs hare wangen vloeien.“Die scherpe stralen der zon hebben uwe oogen vochtig gemaakt,” hernam hij: “Kom lieve vrouw, zie mij eens aan, en geef mij een zoen. Zie zoo!—gij moogt uw lieve oogen niet bederven.”“’t Is waar,” zeide Adelgonde, hare kijkers afdrogende: “Het lichtis al te sterk. Wel honderd roode en groene sterretjes zweven mij voor de oogen. Morgen gaan wij dus te zamen naar de valkenjacht, nietwaar beste vriend?”Op dit oogenblik trad Klaartje met Clarisje de zaal binnen. Het aardig wichtje huppelde vroolijk naar hare ouders, klauterde op Adelgondes schoot, en, beurtelings hare moeder en Alonzo kussende, riep het, terwijl zij met de kleine armpjes de twee echtelieden vereenigde: “Nacht maatje! nacht paatje! Clarisje is heel zoet geweest; Clarisje zal ook zoo braaf worden als het bloote kindje, dat die goede man geschilderd heeft. Nacht maatje, nacht paatje!” en het aardige meisje kuste en pakte hare ouders weder dat het een lust was om aan te zien.“O Adelgonde, hoeveel hebt gij mij met dit kind geschonken!” zeide Alonzo, nadat Klaartje met de lieveling vertrokken was: “maar,” vervolgde hij vleiend: “gij zult mij ook een zoon schenken, is het niet zoo?” en den arm om het midden zijner gade slaande, zag hij een zacht rood hare kaken verven, en las hij in hare oogen de woorden: Gij weet het Alonzo, de zegen op aarde ligt in des Heeren hand.”Nog zat het gelukkige echtpaar zoet koutend bijeen, nog was het avondrood niet geheel van den hemel geweken, toen eensklaps een buitengewone verschijning de stilte verbrak, en de echtelingen ontsteld doch verrast deed opspringen.“Lieve vader!” riep Adelgonde, naar Van Bergen toesnellende, die, in reisgewaad, onaangediend en zachtkens de zaal was binnengetreden: “Lieve beste vader!” riep zij nogmaals, terwijl zij aan des graven hals bleef hangen: “hoe onuitsprekelijk verblijdt mij uw komst!”Van Bergen omhelsde zijn kind met innige warmte: drukte zijn schoonzoon recht vaderlijk de hand; ontdeed zich, na de eerste verrukking des wederziens, van zijn mantel; zette zich in een hem door Alonzo toegeschoven leuningstoel, en sprak toen, terwijl zijne kinderen naast zijnen zetel plaats namen: “Het is mij goed weer bij u te zijn. God zij gedankt, die mij aan het gevaar dat mij dreigde, deed ontkomen. Hij heeft mij gered, en....”“Een gevaar!?” riepen Alonzo en Adelgonde schier te gelijk: “Wat is u overkomen?”“Ik zal het u verhalen,” hernam Van Bergen: “doch vooraf verzoek ik u een paar mannen naar het rivierpad te zenden, ten einde Rudolf, dien ik bij mijn aanvaller heb achtergelaten, behulpzaam te zijn.”Alonzo had weldra zijn bevelen gegeven, en nu verhaalde Van Bergen hoe hij gelukkig zijn tocht tot aan den steilen slotweg had volbracht, toen eensklaps een verwilderd haveloos man zijn paard bij den toom had gegrepen, en hem een pistool op de borst drukkende, tot de overgave van zijn geldbeurs had aangemaand; hoe Rudolf, waarschijnlijk door den roover niet opgemerkt, dadelijk was ter hulpe gesneld; hoe deze de pistool uit de hand van den schurk had geslagen, en hem tevens een diepe wond had toegebracht, zoodat de ellendeling voor dood was neergevallen.Dankbaar sloegen ook Adelgonde en Alonzo den blik naar boven, en verheugden zich met ongeveinsde blijdschap, dat ze hun veelgeliefden vader ongedeerd aan hunne zijde mochten zien.Intusschen was de straatroover, door Rudolf en Alonzo’s knechten het kasteel Beaufort binnengedragen.De wonde, hem door Rudolf in de borst toegebracht, was breed en diep; een schrikkelijk bloedverlies had hem geheel uitgeput, en de knechten, niet wetende hoe zij hem eenige verzachting zouden toebrengen, begaven zich naar hun meester om diens hulp voor den lijder in te roepen.Terstond was Van Bergen gereed om Alonzo met zijn meerdere kennis bij te staan, en beiden gingen derhalve naar het benedenvertrek, waar de ongelukkige terneer lag.Zoodra Van Bergen echter met een natgemaakte doek de wonde eenigszins wilde reinigen, en hij den lijder, bij het schijnsel der aangestoken lamp, in het verwilderde aangezicht zag, ontglipte een kreet van verbazing aan zijne lippen, want hij herkende in die vóór den tijd verouderde en verdierlijkte trekken, het gelaat van hem, die zich vroeger Walter Van Rodenberg noemde.“God, Walter! zijt gij het?” riep de graaf, terwijl hij verbleekte, en bevend den nederliggende beschouwde: “Walter, Walter! waartoe zijt gij gekomen!”Walter Van Rodenberg opende zijne oogen en keek verwilderd om zich heen.“Ha!—eindelijk vernietigd!” riep hij met schorre stem: “Het is reeds lang genoeg.—Waar is de dood?—Kom spoedig!”—en met een ontzettende krachtsinspanning balde hij zijn vuist, en sloeg zich met zulk een hevigheid op de diep gapende wond, dat het bloed den aanwezigen in het aangezicht spatte, en hij zelf, weinige seconden later, stuiptrekkend den geest gaf.Het duurde verscheidene dagen eer de bewoners van Beaufort den somberen indruk van dat treurige schouwspel konden verbannen; vooral Van Bergen had dit schrikverwekkend tooneel diep getroffen. Nogmaals was “het opgeheven zwaard der boosheid langs het schild van Gods voorzienigheid afgegleden,” en, twee dagen na deze akelige gebeurtenis bracht Van Bergen het lijk van den ongelukkigen zoon zijner stiefmoeder naar zijn laatste rustplaats.Eene week na des graven onverwachte komst op Beaufort, daagde er voor de jongen echtelieden een morgen van grenzenlooze vreugd. Uit Den Haag was in allerijl een koerier komen aanrennen, die den portier een pakket met het wapen der Oranjes verzegeld, had overhandigd.Het adres luidde aan Alonzo, en de jonge Spinola, niet vermoedende wat de vorst hem kon te melden hebben, doorlas met ongeduld het geschrift van zijn doorluchtigen beschermer.Het was hem niet mogelijk den brief tot het einde te doorlezen, veel minder nog ook het daarbij gaande blad, in de Spaansche taal geschreven, nauwkeurig te doorloopen. De letters dansten hem voor de oogen. “Dáár, dáár,” riep hij in vervoering uit: “lees.... zie....ik kan niet meer. Dierbare Adelgonde! mijn vader.... o God! hij heeft zich mijner ontfermd!”Alonzo had wél gezien: de vadervloek was opgeheven; prins Maurits was de voorspraak van den echtgenoot der schooneHagenleliegeweest, en de markgraaf Ambrosio, tot hiertoe hardnekkig en ongeneigd zijn zoon weder aan te nemen, had de bede van den fieren veldheer niet kunnen weerstaan, maar, hopende op de belofte van Maurits, wilde hij zijn ketterschen zoon genade schenken, zoo het Katholieke geloof daardoor meer oogluikend in de Nederlanden werd toegestaan.Gevoegelijk zouden wij hier de pen kunnen neerleggen, doch gelooven nog eenige inlichtingen aangaande sommige personen verschuldigd te zijn, welke wij dan ook onmiddellijk laten volgen.Het vroolijke kamermeisje van de schooneHagenleliewas, twee maanden na het huwelijk harer meesteres, met Maarten in den echt getreden. Adelgonde had haar een aanzienlijke huwelijksgift geschonken, en Maarten, in een eigen smederij getreden, deed den hamer lustig op het aambeeld klinken, en bleef steeds een ijverig burger der hofstad, gelijk zijn goede huisplaag,—zooals hij Anne meermalen schertsend noemde—steeds een liefhebbende vrouw en, tot aan haar einde, eene trouwe moeder voor hare kinderen bleef.Van den barbier Sebastianus Bril weten wij niet anders te verhalen, dan dat door hem de treurige geschiedenis van den jeugdigen kunstschilder, Jakob De Geest, aan den graaf Van Bergen werd bekend gemaakt. Adelgonde, die haren redder, behalve in dat vluchtige oogenblik op den weg, nimmer had wedergezien, wijdde een traan aan zijne nagedachtenis, en noodigde het treurende Klaartje uit om Annes plaats bij haar te komen innemen.Klaartje gevoelde zich in deze betrekking recht op haar gemak. De akelige taak van schenkster in de kroeg haars vaders, had haar reeds sedert lang tegengestaan. Nu was het haar streven en lust, hare goede gebiedster in alles te voldoen; en dikwerf nog dacht zij met weemoed aan den ongelukkigen Jakob, voor wien Alonzo een klein gedenkteeken had doen oprichten, ter plaatse waar hij Adelgonde aan den Maaskant van een wissen dood had gered.Het schilderstuk, ’t welk wij reeds in de kinderkamer hebben gezien, was daar met voordacht en tot groot genoegen van Klaartje opgehangen, en toen Clarisje eenige jaren ouder was geworden, leerde zij van hare verzorgster het ons bekende droomlied van den kunstenaar, dat het meisje den ongelukkigen jongeling zoo dikwerf had hooren zingen.Van Bergen leefde nog vijftien jaren na het huwelijk zijner Gonne. Het sterven was hem gewin, want reikhalzend zag hij in de laatste oogenblikken zijns levens de ure naderen, waarin hij met zijn Heer zou vereenigd worden, dien hij op aarde zoo vurig had gezocht.Vrouw Barbara is van de wonde, haar door Van Rodenbergs pistoolschot toegebracht, hersteld. Van Bergen heeft haar volkomenvergiffenis geschonken, en, zoo wij wél onderricht zijn, is zij in een klooster als berouwhebbend Katholiek gestorven.Wat Adel betreft, deze is op zijn veertigste jaar, met eene kleindochter van den baron Van Doorn tot den Zandheuvel in den echt getreden. Zijne vrouw heeft hem echter geen kinderen geschonken; en hoewel steeds achterlijk in zijne geestvermogens, werd hij tot zijn einde door zijne onderhoorigen bemind, en werd hem, om zijne schier vrouwelijke zachtaardigheid, den eeretitel vanden goeden graafgegeven.Burgman bleef tot aan zijn dood pluimgraaf opden Oldenburgh, en door hem is de belangrijke kunst uitgevonden, om in zeven dagen tijds, de schraalste haantjes of kippen tot de vetste tafelsieraden op te kweeken; wij gelooven evenwel dat deze edele kunst met den goeden Burgman is verloren gegaan.Het doet ons leed, eindelijk nog te moeten mededeelen, dat Adelgonde niet al de wenschen van haren echtvriend heeft vervuld; zij heeft hem geen zoon ter wereld gebracht, maar ter vergoeding daarvan hem nog eene dochter geschonken, die, evenals Clarisse, het sieraad harer ouders werd, en evenals die oudere zuster, eene partij harer waardig gevonden heeft.
Twintigste hoofdstuk.In een tijdsverloop van ongeveer negen maanden, hadden de staatkundige aangelegenheden gedurig een geheel ander aanzien verkregen. Telkens was de wapenschorsing tusschen Spanje en Nederland verlengd, en telkens weder was zij ten einde geloopen zonder eenige vrucht te hebben opgeleverd. Was het te verwonderen dat de stier en de leeuw, na een zoo langen worstelstrijd, niet tot vrede konden komen? Was het te verwonderen dat Spanje en Nederland, verschillende in geloof, verschillende in krachten, elkander niet terstond de hand tot vrede reikten? Neen, zelfs had men zich voorgesteld dat, ingevolge eene verklaring der Staten, gedagteekend van den vijf en twintigsten Augustus 1608, de krijg feller dan tevoren zou hervat worden. Openlijk hadden zij betuigd, dat zij, door menige ondervinding het karakter hunner vijanden hadden leeren kennen, en derhalve met recht hadden geaarzeld in eene vredesonderhandeling met hen te treden. Daartoe echter door de Spaanschen aangezocht, hadden de Staten duidelijk hunne meening doen verstaan, terwijl de vijand daarentegen, door vele lagen en fijne listen, de reeds zoo dikwerf toegestane rechten en de boven alles dierbare vrijheid, punt voor punt had trachten te besnoeien en terug te trekken, zoodat de Staten besloten van nu af aan de vredes-onderhandelingen stellig voor afgebroken te verklaren.Twee dagen echter nadat dit besluit was genomen, sloegen de Engelsche en Fransche gezanten aan de beide partijen een veeljarig bestand voor.De Fransche afgevaardigde Jeannin ijverde, op last van zijn vorst, zeer voor deze zaak.Behalve uit diepere staatkundige inzichten, verlangde Hendrik IV voor Nederland—wanneer een vrede mocht worden van de hand gewezen—liever een veeljarig bestand dan den oorlog, dewijl hij in het laatste geval, ingevolge een in Januari met de Nederlanden gesloten verbond, hun eene ondersteuning van tien duizend voetknechten zou moeten verleenen. Zoodra de voorslag van een bestand was bekend geworden, bracht dit geen geringe beweging in de Nederlandsche gemoederen. Tegen een vrede waren reeds verscheidene geschriften in het licht gekomen, doch thans, nu er slechts van een bestand gesproken werd, ontzag men zich niet openlijk voor de meening uit te komen, dat zoo iets het verval der ingezetenen, ja slavernij zou na zich sleepen.Prins Maurits was insgelijks ernstig beducht voor de gevolgen van zulk een bestand, en zocht den koning van Frankrijk tot den oorlog te neigen, door schriftelijk te verklaren: dat een bestand deze landen noodwendig aan de Spaansche heerschappij moest doen vervallen; dat Philips, wiens schatkist nu ledig was, na het einde der jaren van rust, in staat zou zijn den oorlog met meer geweld te hervatten, terwijl men eindelijk—nu reeds in de gewesten en steden tweedracht bespeurende, door rust en ledigheid gevoed, eerlang openbare verdeeldheden te wachten had, welke den vijand eene schoone gelegenheid zouden geven de snoodsten, of hen die reeds naar der Spaanschen zijde neigden, tot ontrouw om te koopen ten einde hunne belangen te bevorderen.De Algemeene Staten evenwel—Zeeland uitgezonderd—besloten, door geldelijke uitputting voornamelijk daartoe gedreven, de voorwaarden van den vijand aan te hooren.De bepalingen en eischen der Spaanschen waren echter dermate ongehoord en eigendunkelijk, dat de Staten bij het genomen besluit wilden volharden, en den vijand nog slechts tot den laatsten September de vrijheid gaven om zich op billijker voorwaarden, van hunne zijde, te bezinnen.Ook die dag verscheen zonder dat de beide partijen elkander hadden verstaan.Voor de laatste maal waren de gezanten bij den prins ten middagmaal genoodigd.Aan het einde van den maaltijd stond de markgraaf Ambrosio Spinola van zijne zitplaats op; nam den beker in de hand, en betuigde zijn ongeveinsde smart over het afbreken van eene onderhandeling, welke hij had gehoopt dat beide landen ten zegen zou zijn. “Deze dronk,” zoo eindigde hij: “zij de tolk mijner dankbaarheid voor het gastvrij onthaal hier te lande genoten.”Nadat Spinola gesproken had, nam prins Maurits het woord.“Mijne heeren!” zeide hij: “Wij zijn als vrienden, niet als vijanden te zamen geweest. In de raadzalen hadden wij verschillende belangen, doch in onze woningen is de vrede niet verstoord geworden. Eerlang zullen wij elkander weder ontmoeten; slechts tot het einde dezes jaars blijft de wapenschorsing voortduren; wij zullen elkander strijdende wederzien. God geve dat Nederland kracht behoude om zich met u te meten! Edel is het, met kracht zijne rechten te verdedigen. Zijn wij in den strijd,—laat ons dan edel kampen; edel in den vollen zin des woords: Vurig en onversaagd zoo het Vaderland en zijne rechten onzen arm behoeft; doch laat ons menschen, vrienden, Christenen zijn, zoo de overwinning aan onze zijde is. Door dit verbond, mijne heeren!” aldus besloot de prins: “zal ons samenzijn iets goeds gewrocht hebben, en zullen uwe namen bij velen in gezegend aandenken achterblijven. Vaartwel mijne heeren! God zij met u!”Na deze woorden werd de afscheidsgroet gedronken, en dien zelfden avond nog vertrokken de Spaansche gezanten, terwijl in de Resolutiën van Holland hun vertrek staat geboekt met deze bede:“God geve dat se alhier geen quaet saet en hebben gelaten daarvan men met ’er tydt de effecten gewaer werde tot ruïne van desen staet.”1Bij dit afscheidsmaal was de graaf Van Bergen, hoewel mede uitgenoodigd, niet tegenwoordig geweest.Alonzo Spinola had het, op den uitdrukkelijken wil van zijn vader, bijgewoond; doch terwijl zijn lichaam aan die plaats tegenwoordig was, bevond zijn geest zich opden Oldenburgh; en alzoo droefgeestig en treurig terneergezeten, zag hij met weemoed de ure naderen, waarin hij een land zou vaarwel zeggen, waar hij den kostbaren door hem gevonden schat voor altijd moest achterlaten.De vijandschap der landen, het verschil des geloofs, ziedaar de twee groote hinderpalen, die zijn aardsch geluk belemmerden.Na het vertrek der Spanjaarden was het dus zoogoed als zeker dat de onderhandelingen voor altijd waren afgebroken.Dien keer echter moesten de zaken niet nemen.De vaderlandsche historiebladen vermelden ons hoe Johan Van Oldenbarneveld, door Engeland en Frankrijk ondersteund, tegenMaurits en de Zeeuwen heeft gekampt ten einde ook hen voor de goede zaak te winnen. Wij vinden het beschreven hoe deze strijd met zegen werd bekroond, en Nederland, getrouw aan de les door den grooten Zwijger gegeven, ook in dezen eensgezind tot onderling geluk krachtdadig heeft samengewerkt.Zoo werd na een tweede bijeenkomst, en wel te Antwerpen, na een onderhandeling van ruim twee maanden, het Twaalfjarig Bestand tusschen Nederland en Spanje gesloten, waarvan de inhoud, voor den weetgierigen lezer, in de Nederlandsche geschiedrollen is opgeteekend.2Het was den vijf en twintigsten April des jaars 1609. Weer wapperden de vlaggen; weer joelde de menigte; weer leverde het vorstelijk ’s-Gravenhage, in feestkleedij getooid, een vroolijk schouwspel op. De bode des vredes had gesproken,—het gesloten bestand was met de meeste plechtigheid van het raadhuis afgekondigd,—de vreugdeschoten knalden door de Maliebaan—’t Wilhelmus van Nassauwen deed zich hooren:“Rust Neerland!”—was de kreet:“Rust van Uw heldendaen.”“Wel duivels, hansworst, gij hadt dat zoete brokje daar vast in de boutjes,” zei een man uit de menigte tot iemand die zich, in de vermomming van een potsenmaker, tusschen de feestvieren den had gemengd.“Het ding was malsch en niet malsch,” antwoordde de aangesprokene: “haar koontjes waren als kussentjes, doch hare nageltjes waren als krabbertjes; tot straf echter is de gouden boot van haar hals, in mijn zak overgegaan.”“Geef hier!” hernam de eerste spreker, en vervolgde terwijl hij het halssieraad bij zich stak: “Gij zijt een slimme vogel; een dief die zijn handwerk verstaat.”“Ik ben een dief en geen dief,” hernam de tweede: “ik neem,—evenals de rijken—wat mij bevalt, met dit onderscheid echter, dat ik mijne kronen in den zak houd.”“Uwekronen! dat geloof ik,” zei de eerste glimlachend, en dan: “Hebt gij Aaij ook gesproken?”“Gesproken en niet gesproken,” hernam de hansworst: “Ik ontmoette hem, of ik ontmoette hem niet, maar hij ontmoette mij, en toen liet hij, zonder iets te zeggen, deze prullen in mijn zak glijden. Hij heeft zich slecht gekweten. Daar Bram, pak aan! en als gij alles zult hebben weggemoffeld, zie ik u over een uur in de Bagijnenstraat weer.”Bram stak de ontronselde goederen bij zich, maakte daarna rechtsomkeert, en liet het aan den hansworst over om het opgewondenpubliek met zijne aardigheden te blinddoeken, ten einde alzoo des te beter zijne kansen te kunnen waarnemen.“Leve de rust! leve de vreugd!Leve de rust die ’t hart verheugt!Weg met den nijd, weg met den strijd!Leve de vree en de vroolijkheid!”Zoo zingende en schreeuwende danste de hansworst-zakkenroller tusschen de jubelende volksmenigte door, en zocht zich telkens, op een uiterst behendige wijze, een loon naar welgevallen te verschaffen.“Nietwaar seigneur!” riep hij eensklaps, terwijl hij, na zijn liedje te hebben opgedreund, achter op het paard van een ruiter sprong, die zijn schimmel nu eens moest doen stilstaan en dan weder slechts langzaam deed stappen, om geen ongelukken te midden der dringende massa’s te veroorzaken: “Nietwaar seigneur?” riep de hansworst nogmaals, terwijl hij door zijn zotte grimassen achter den ruiter, de omstanders deed schateren van lachen.Het voorwerp van des zakkenrollers vrijpostigheid scheen niet willens de vreugde van het oogenblik te storen. Gedwee liet hij zijn bespringer diens aardigheden achter hem uitkramen, als bemerkte hij ze niet; doch eindelijk den snaak moede, wendde hij zich om, en zag hem onverhoeds in het aangezicht.“Wij zijn elkander niet vreemd,” zeide de vreemdeling: “Mij dunkt dat ik den heer hansworst als kunsthandelaar reeds eenmaal in de herberg van Gooswijn Meurskens heb ontmoet.—Voorzichtig, maat!” vervolgde hij zachter: “steek den buidel even behendig weer in mijn zak als gij er dien uit hebt genomen, of anders....” en hij liet dit woord door een veelbeteekenenden blik vergezeld gaan.De hansworst was eenigermate van zijn stuk gebracht, en begon hevig te hoesten. De ruiter echter, op die muziek niet gesteld, en de zwaarte van zijn geldbeurs in zijn zak terug gevoelende, liet den schimmel eenige luchtsprongen maken, zoodat de aardige man weldra het evenwicht verloor en onder het gejuich der menigte al spoedig tot straatruiter werd verlaagd.Het vroolijk rumoer werd evenwel spoedig door een ontboezeming van algemeene verontwaardiging vervangen. De voorwerpen, aan verschillende omstanders ontrold, lagen naast den terneergeworpen zakkenroller, voor de oogen der eigenaars of eigenaressen ten toon gespreid.“Mijn jachtmes!”—“Mijn buidel!”—“Mijn zakboek!” riepen eenige mannen.“Zie, mijn zilveren beugel!”—“Mijn gouden doekspeld!”—“Mijn reukdoosje!” riepen eenige vrouwen.“Houdt den dief!”—“Houdt den schurk!”—“Houdt den afzetter!” riepen allen.De ruiter, omziende, zag nogmaals naar den ongelukkigen hansworst en bespeurde hem hinkende aan de zij van een man, die met hem den weg naar het Buitenhof insloeg, terwijl de schreeuwendestedelingen hem allen in diezelfde richting nastormden, om tot den einde toe het aangename schouwspel van een arrestatie te kunnen bijwonen.Intusschen vervolgde de ruiter, in wien men reeds den jongen Spinola zal vermoed hebben, ongestoord zijn weg. Aan de boschzijde gekomen, gaf hij zijn paard de sporen, en bevond zich binnen een klein half uur, voor de geopende poort vanden Oldenburgh.Ook hier wuifde de driekleurige vlag van den slottoren, ook hier heerschten vreugde en blijdschap. Vreugde was de leus van dien heerlijken lentedag. Vreugde was er in de reine harten. Dankbaarheid aan God bezielde de rechtgeaarde gemoederen; Hij, de Gever van alle goeds, had met de verjongde natuur, ook voor het geteisterde Nederland een liefelijke lente van vrede en rust doen aanbreken.Maar Alonzo?—In weerwil van de heerschende vreugde, in weerwil van die algemeene blijdschap, vertoonden er zich meermalen diepe groeven op zijn edel voorhoofd. Een buitengewone last scheen hem te drukken.—Gevloekt! zeide hij bij zich zelven, terwijl hij een oogenblik staan bleef: Gevloekt! Verstooten! Onterfd! Durf ik dan werkelijk, met den vadervloek beladen, nogmaals dit oord betreden? Durf ik mij in dit kasteel vertoonen?—Ja! het is de heilige engel des Heeren die mij wenkt. O geliefde Adelgonde! voor u wil ik leven; voor u wil ik den vadervloek tot mijn einde torsen; voor u wil ik sterven, want, zonder u zijn de dagen voor mij als kerkernachten, lang en zwart.Een licht geritsel liet zich achter den treurig peinzenden Alonzo hooren: hij zag om, en.... zijne oogen bedrogen hem niet, hij ontwaarde de hemelsche schoone die, op aarde, van het noorden tot het zuiden, hare wedergade niet vond.Met de snelheid van den bliksem was Alonzo uit den zadel gesprongen, en terwijl de schimmel, vrijgelaten, naar den stal en de hem reeds welbekende kribbe liep, ijlde Alonzo naar zijn dierbare Adelgonde, en drukte haar met onstuimige teerheid en liefde aan zijn beklemde borst.Wij zullen niet met onkiesche blikken, de geliefden in de eerste stomme oogenblikken huns wederziens bespieden; wij willen geenszins de rol van valsche getuigen spelen, maar vinden hen liever, naast elkander op een zodenbank gezeten, eenige minuten later terug.“Alonzo!” zeide het meisje: “hebt gij wel gehandeld? Is het uit een zuivere bron dat uw liefde tot ons geloof ontspruit? O dierbare vriend, het is aardsche liefde, liefde voor mij, voor een zondig schepsel! Gij zoekt door God, tot mij te komen: gij hebt mij liever dan Christus. O Alonzo, ik kan het u vergeven, maar Hij, de Heer, hij zegt, dan zijt gij Zijns niet waardig.”“Gij miskent mij, dierbaar meisje!” riep Alonzo, haar aan zijn hart drukkende: “Zie, ik durf vrijmoedig mijne oogen naar den hemel richten. Steeds heb ik Christus gediend; uit liefde voor Hemsloeg mijn zwaard de ketters ter neder, doch thans—evenals Saulus werd bekeerd, evenals hij door de stem des Heeren tot inkeer werd gebracht—evenzoo hebben eenige woorden der Heilige Schrift mij tot nadenken aangespoord. In den herfst des vorigen jaars, weinige dagen vóór ons vertrek, werd mij eene bijbelvertaling te koop aangeboden. Begeerig die te doorsnuffelen, sloeg ik het gewijde boek open, en zie, de eerste woorden die mijne aandacht boeiden, waren deze: “Onderzoekt de Schriften, want zij zijn het, die van Mij getuigen.” Deze woorden, dierbare Adelgonde, ze spraken tot mijn hart. Onderzoekt de Schriften! is het gebod des Heeren, en de kerk, waartoe ik behoorde, verbiedt ’t geen God heeft bevolen. Alles werd mij duidelijk en klaar; mijne zaligheid moest door een ijverig onderzoek verzekerd worden. Een licht rees er op in mijne ziel. God had mij, door deze schijnbaar toevallige omstandigheid, den weg der zaligheid doen vinden, de zaligheid voor het toekomende, de zaligheid voor het aardsche leven. Ja Adelgonde, de vervolger van uw geloof mocht uwe hand niet verwerven, den Hervormde moogt gij beminnen: hij is thans geen vijand van uw land, geen vijand van uw geloof meer.”Adelgonde beschouwde den jongeling met oogen vol teederheid en innige liefde. “En evenwel ziet gij telkens zoo droefgeestig en somber voor u neder,” zeide zij op zacht smeekenden toon: “Zijt gij dan toch nog bevreesd dat ons geluk zal verbroken worden? Vertrouwt gij wellicht nog niet volkomen op mijn waarachtige liefde, of zijt gij misschien bevreesd dat mijn lieve vader zijn gegeven woord zal breken?”“Ons geluk!” riep Alonzo, terwijl hij Adelgondes hand aan zijn hart drukte: “Ons geluk! o, het is nog niet bevestigd. Neen, ik twijfel niet aan uwe liefde; uw oog bedriegt mij niet. Doch helaas! wie is het die u bemint? O, Adelgonde! dierbare Adelgonde! hij die u zoo teeder bemint, is door zijn vader gevloekt. “Ga van hier ontaarde zoon!” waren de woorden mijns vaders: “Ga van hier, door God verdoemde ketter! Ga! ik vloek u in dezen stond. Vlied, want God die u veracht, wil niet dat ik u langer als mijn zoon zal liefhebben.”Bij de treurige herinnering dezer woorden, faalde het den edelen jongeling schier aan kracht om zijne bedaardheid te bewaren, en terwijl hij met de beide handen het aangezicht bedekte, zocht het minnende meisje haar bedroefden vriend door eenige zoete woorden te troosten en op te beuren.“Lang leve onze waardige graaf!” was de kreet, die eensklaps den jongen lieden in de ooren drong. Adelgonde sprong ontsteld van hare zitplaats op. Haar vader vierde op dezen, voor den Staat zoo heuglijken dag, zijn geboortefeest. De slotbewoners begroetten hun heer met blijde galmen.Van Bergen trad de slotbrug over, en Adelgonde, ontroerd en verward, snelde naar haren vader toe, en wierp zich luid snikkende in zijne armen.1Resol. Holl. 30 Sept, 1608, bl. 223.2O. a. Wagenaar, deel IX, boek XXXVI, blz. 436, enz.
In een tijdsverloop van ongeveer negen maanden, hadden de staatkundige aangelegenheden gedurig een geheel ander aanzien verkregen. Telkens was de wapenschorsing tusschen Spanje en Nederland verlengd, en telkens weder was zij ten einde geloopen zonder eenige vrucht te hebben opgeleverd. Was het te verwonderen dat de stier en de leeuw, na een zoo langen worstelstrijd, niet tot vrede konden komen? Was het te verwonderen dat Spanje en Nederland, verschillende in geloof, verschillende in krachten, elkander niet terstond de hand tot vrede reikten? Neen, zelfs had men zich voorgesteld dat, ingevolge eene verklaring der Staten, gedagteekend van den vijf en twintigsten Augustus 1608, de krijg feller dan tevoren zou hervat worden. Openlijk hadden zij betuigd, dat zij, door menige ondervinding het karakter hunner vijanden hadden leeren kennen, en derhalve met recht hadden geaarzeld in eene vredesonderhandeling met hen te treden. Daartoe echter door de Spaanschen aangezocht, hadden de Staten duidelijk hunne meening doen verstaan, terwijl de vijand daarentegen, door vele lagen en fijne listen, de reeds zoo dikwerf toegestane rechten en de boven alles dierbare vrijheid, punt voor punt had trachten te besnoeien en terug te trekken, zoodat de Staten besloten van nu af aan de vredes-onderhandelingen stellig voor afgebroken te verklaren.
Twee dagen echter nadat dit besluit was genomen, sloegen de Engelsche en Fransche gezanten aan de beide partijen een veeljarig bestand voor.
De Fransche afgevaardigde Jeannin ijverde, op last van zijn vorst, zeer voor deze zaak.
Behalve uit diepere staatkundige inzichten, verlangde Hendrik IV voor Nederland—wanneer een vrede mocht worden van de hand gewezen—liever een veeljarig bestand dan den oorlog, dewijl hij in het laatste geval, ingevolge een in Januari met de Nederlanden gesloten verbond, hun eene ondersteuning van tien duizend voetknechten zou moeten verleenen. Zoodra de voorslag van een bestand was bekend geworden, bracht dit geen geringe beweging in de Nederlandsche gemoederen. Tegen een vrede waren reeds verscheidene geschriften in het licht gekomen, doch thans, nu er slechts van een bestand gesproken werd, ontzag men zich niet openlijk voor de meening uit te komen, dat zoo iets het verval der ingezetenen, ja slavernij zou na zich sleepen.
Prins Maurits was insgelijks ernstig beducht voor de gevolgen van zulk een bestand, en zocht den koning van Frankrijk tot den oorlog te neigen, door schriftelijk te verklaren: dat een bestand deze landen noodwendig aan de Spaansche heerschappij moest doen vervallen; dat Philips, wiens schatkist nu ledig was, na het einde der jaren van rust, in staat zou zijn den oorlog met meer geweld te hervatten, terwijl men eindelijk—nu reeds in de gewesten en steden tweedracht bespeurende, door rust en ledigheid gevoed, eerlang openbare verdeeldheden te wachten had, welke den vijand eene schoone gelegenheid zouden geven de snoodsten, of hen die reeds naar der Spaanschen zijde neigden, tot ontrouw om te koopen ten einde hunne belangen te bevorderen.
De Algemeene Staten evenwel—Zeeland uitgezonderd—besloten, door geldelijke uitputting voornamelijk daartoe gedreven, de voorwaarden van den vijand aan te hooren.
De bepalingen en eischen der Spaanschen waren echter dermate ongehoord en eigendunkelijk, dat de Staten bij het genomen besluit wilden volharden, en den vijand nog slechts tot den laatsten September de vrijheid gaven om zich op billijker voorwaarden, van hunne zijde, te bezinnen.
Ook die dag verscheen zonder dat de beide partijen elkander hadden verstaan.
Voor de laatste maal waren de gezanten bij den prins ten middagmaal genoodigd.
Aan het einde van den maaltijd stond de markgraaf Ambrosio Spinola van zijne zitplaats op; nam den beker in de hand, en betuigde zijn ongeveinsde smart over het afbreken van eene onderhandeling, welke hij had gehoopt dat beide landen ten zegen zou zijn. “Deze dronk,” zoo eindigde hij: “zij de tolk mijner dankbaarheid voor het gastvrij onthaal hier te lande genoten.”
Nadat Spinola gesproken had, nam prins Maurits het woord.
“Mijne heeren!” zeide hij: “Wij zijn als vrienden, niet als vijanden te zamen geweest. In de raadzalen hadden wij verschillende belangen, doch in onze woningen is de vrede niet verstoord geworden. Eerlang zullen wij elkander weder ontmoeten; slechts tot het einde dezes jaars blijft de wapenschorsing voortduren; wij zullen elkander strijdende wederzien. God geve dat Nederland kracht behoude om zich met u te meten! Edel is het, met kracht zijne rechten te verdedigen. Zijn wij in den strijd,—laat ons dan edel kampen; edel in den vollen zin des woords: Vurig en onversaagd zoo het Vaderland en zijne rechten onzen arm behoeft; doch laat ons menschen, vrienden, Christenen zijn, zoo de overwinning aan onze zijde is. Door dit verbond, mijne heeren!” aldus besloot de prins: “zal ons samenzijn iets goeds gewrocht hebben, en zullen uwe namen bij velen in gezegend aandenken achterblijven. Vaartwel mijne heeren! God zij met u!”
Na deze woorden werd de afscheidsgroet gedronken, en dien zelfden avond nog vertrokken de Spaansche gezanten, terwijl in de Resolutiën van Holland hun vertrek staat geboekt met deze bede:
“God geve dat se alhier geen quaet saet en hebben gelaten daarvan men met ’er tydt de effecten gewaer werde tot ruïne van desen staet.”1
“God geve dat se alhier geen quaet saet en hebben gelaten daarvan men met ’er tydt de effecten gewaer werde tot ruïne van desen staet.”1
Bij dit afscheidsmaal was de graaf Van Bergen, hoewel mede uitgenoodigd, niet tegenwoordig geweest.
Alonzo Spinola had het, op den uitdrukkelijken wil van zijn vader, bijgewoond; doch terwijl zijn lichaam aan die plaats tegenwoordig was, bevond zijn geest zich opden Oldenburgh; en alzoo droefgeestig en treurig terneergezeten, zag hij met weemoed de ure naderen, waarin hij een land zou vaarwel zeggen, waar hij den kostbaren door hem gevonden schat voor altijd moest achterlaten.
De vijandschap der landen, het verschil des geloofs, ziedaar de twee groote hinderpalen, die zijn aardsch geluk belemmerden.
Na het vertrek der Spanjaarden was het dus zoogoed als zeker dat de onderhandelingen voor altijd waren afgebroken.
Dien keer echter moesten de zaken niet nemen.
De vaderlandsche historiebladen vermelden ons hoe Johan Van Oldenbarneveld, door Engeland en Frankrijk ondersteund, tegenMaurits en de Zeeuwen heeft gekampt ten einde ook hen voor de goede zaak te winnen. Wij vinden het beschreven hoe deze strijd met zegen werd bekroond, en Nederland, getrouw aan de les door den grooten Zwijger gegeven, ook in dezen eensgezind tot onderling geluk krachtdadig heeft samengewerkt.
Zoo werd na een tweede bijeenkomst, en wel te Antwerpen, na een onderhandeling van ruim twee maanden, het Twaalfjarig Bestand tusschen Nederland en Spanje gesloten, waarvan de inhoud, voor den weetgierigen lezer, in de Nederlandsche geschiedrollen is opgeteekend.2
Het was den vijf en twintigsten April des jaars 1609. Weer wapperden de vlaggen; weer joelde de menigte; weer leverde het vorstelijk ’s-Gravenhage, in feestkleedij getooid, een vroolijk schouwspel op. De bode des vredes had gesproken,—het gesloten bestand was met de meeste plechtigheid van het raadhuis afgekondigd,—de vreugdeschoten knalden door de Maliebaan—’t Wilhelmus van Nassauwen deed zich hooren:
“Rust Neerland!”—was de kreet:“Rust van Uw heldendaen.”
“Rust Neerland!”—was de kreet:
“Rust van Uw heldendaen.”
“Wel duivels, hansworst, gij hadt dat zoete brokje daar vast in de boutjes,” zei een man uit de menigte tot iemand die zich, in de vermomming van een potsenmaker, tusschen de feestvieren den had gemengd.
“Het ding was malsch en niet malsch,” antwoordde de aangesprokene: “haar koontjes waren als kussentjes, doch hare nageltjes waren als krabbertjes; tot straf echter is de gouden boot van haar hals, in mijn zak overgegaan.”
“Geef hier!” hernam de eerste spreker, en vervolgde terwijl hij het halssieraad bij zich stak: “Gij zijt een slimme vogel; een dief die zijn handwerk verstaat.”
“Ik ben een dief en geen dief,” hernam de tweede: “ik neem,—evenals de rijken—wat mij bevalt, met dit onderscheid echter, dat ik mijne kronen in den zak houd.”
“Uwekronen! dat geloof ik,” zei de eerste glimlachend, en dan: “Hebt gij Aaij ook gesproken?”
“Gesproken en niet gesproken,” hernam de hansworst: “Ik ontmoette hem, of ik ontmoette hem niet, maar hij ontmoette mij, en toen liet hij, zonder iets te zeggen, deze prullen in mijn zak glijden. Hij heeft zich slecht gekweten. Daar Bram, pak aan! en als gij alles zult hebben weggemoffeld, zie ik u over een uur in de Bagijnenstraat weer.”
Bram stak de ontronselde goederen bij zich, maakte daarna rechtsomkeert, en liet het aan den hansworst over om het opgewondenpubliek met zijne aardigheden te blinddoeken, ten einde alzoo des te beter zijne kansen te kunnen waarnemen.
“Leve de rust! leve de vreugd!Leve de rust die ’t hart verheugt!Weg met den nijd, weg met den strijd!Leve de vree en de vroolijkheid!”
“Leve de rust! leve de vreugd!
Leve de rust die ’t hart verheugt!
Weg met den nijd, weg met den strijd!
Leve de vree en de vroolijkheid!”
Zoo zingende en schreeuwende danste de hansworst-zakkenroller tusschen de jubelende volksmenigte door, en zocht zich telkens, op een uiterst behendige wijze, een loon naar welgevallen te verschaffen.
“Nietwaar seigneur!” riep hij eensklaps, terwijl hij, na zijn liedje te hebben opgedreund, achter op het paard van een ruiter sprong, die zijn schimmel nu eens moest doen stilstaan en dan weder slechts langzaam deed stappen, om geen ongelukken te midden der dringende massa’s te veroorzaken: “Nietwaar seigneur?” riep de hansworst nogmaals, terwijl hij door zijn zotte grimassen achter den ruiter, de omstanders deed schateren van lachen.
Het voorwerp van des zakkenrollers vrijpostigheid scheen niet willens de vreugde van het oogenblik te storen. Gedwee liet hij zijn bespringer diens aardigheden achter hem uitkramen, als bemerkte hij ze niet; doch eindelijk den snaak moede, wendde hij zich om, en zag hem onverhoeds in het aangezicht.
“Wij zijn elkander niet vreemd,” zeide de vreemdeling: “Mij dunkt dat ik den heer hansworst als kunsthandelaar reeds eenmaal in de herberg van Gooswijn Meurskens heb ontmoet.—Voorzichtig, maat!” vervolgde hij zachter: “steek den buidel even behendig weer in mijn zak als gij er dien uit hebt genomen, of anders....” en hij liet dit woord door een veelbeteekenenden blik vergezeld gaan.
De hansworst was eenigermate van zijn stuk gebracht, en begon hevig te hoesten. De ruiter echter, op die muziek niet gesteld, en de zwaarte van zijn geldbeurs in zijn zak terug gevoelende, liet den schimmel eenige luchtsprongen maken, zoodat de aardige man weldra het evenwicht verloor en onder het gejuich der menigte al spoedig tot straatruiter werd verlaagd.
Het vroolijk rumoer werd evenwel spoedig door een ontboezeming van algemeene verontwaardiging vervangen. De voorwerpen, aan verschillende omstanders ontrold, lagen naast den terneergeworpen zakkenroller, voor de oogen der eigenaars of eigenaressen ten toon gespreid.
“Mijn jachtmes!”—“Mijn buidel!”—“Mijn zakboek!” riepen eenige mannen.
“Zie, mijn zilveren beugel!”—“Mijn gouden doekspeld!”—“Mijn reukdoosje!” riepen eenige vrouwen.
“Houdt den dief!”—“Houdt den schurk!”—“Houdt den afzetter!” riepen allen.
De ruiter, omziende, zag nogmaals naar den ongelukkigen hansworst en bespeurde hem hinkende aan de zij van een man, die met hem den weg naar het Buitenhof insloeg, terwijl de schreeuwendestedelingen hem allen in diezelfde richting nastormden, om tot den einde toe het aangename schouwspel van een arrestatie te kunnen bijwonen.
Intusschen vervolgde de ruiter, in wien men reeds den jongen Spinola zal vermoed hebben, ongestoord zijn weg. Aan de boschzijde gekomen, gaf hij zijn paard de sporen, en bevond zich binnen een klein half uur, voor de geopende poort vanden Oldenburgh.
Ook hier wuifde de driekleurige vlag van den slottoren, ook hier heerschten vreugde en blijdschap. Vreugde was de leus van dien heerlijken lentedag. Vreugde was er in de reine harten. Dankbaarheid aan God bezielde de rechtgeaarde gemoederen; Hij, de Gever van alle goeds, had met de verjongde natuur, ook voor het geteisterde Nederland een liefelijke lente van vrede en rust doen aanbreken.
Maar Alonzo?—In weerwil van de heerschende vreugde, in weerwil van die algemeene blijdschap, vertoonden er zich meermalen diepe groeven op zijn edel voorhoofd. Een buitengewone last scheen hem te drukken.
—Gevloekt! zeide hij bij zich zelven, terwijl hij een oogenblik staan bleef: Gevloekt! Verstooten! Onterfd! Durf ik dan werkelijk, met den vadervloek beladen, nogmaals dit oord betreden? Durf ik mij in dit kasteel vertoonen?—Ja! het is de heilige engel des Heeren die mij wenkt. O geliefde Adelgonde! voor u wil ik leven; voor u wil ik den vadervloek tot mijn einde torsen; voor u wil ik sterven, want, zonder u zijn de dagen voor mij als kerkernachten, lang en zwart.
Een licht geritsel liet zich achter den treurig peinzenden Alonzo hooren: hij zag om, en.... zijne oogen bedrogen hem niet, hij ontwaarde de hemelsche schoone die, op aarde, van het noorden tot het zuiden, hare wedergade niet vond.
Met de snelheid van den bliksem was Alonzo uit den zadel gesprongen, en terwijl de schimmel, vrijgelaten, naar den stal en de hem reeds welbekende kribbe liep, ijlde Alonzo naar zijn dierbare Adelgonde, en drukte haar met onstuimige teerheid en liefde aan zijn beklemde borst.
Wij zullen niet met onkiesche blikken, de geliefden in de eerste stomme oogenblikken huns wederziens bespieden; wij willen geenszins de rol van valsche getuigen spelen, maar vinden hen liever, naast elkander op een zodenbank gezeten, eenige minuten later terug.
“Alonzo!” zeide het meisje: “hebt gij wel gehandeld? Is het uit een zuivere bron dat uw liefde tot ons geloof ontspruit? O dierbare vriend, het is aardsche liefde, liefde voor mij, voor een zondig schepsel! Gij zoekt door God, tot mij te komen: gij hebt mij liever dan Christus. O Alonzo, ik kan het u vergeven, maar Hij, de Heer, hij zegt, dan zijt gij Zijns niet waardig.”
“Gij miskent mij, dierbaar meisje!” riep Alonzo, haar aan zijn hart drukkende: “Zie, ik durf vrijmoedig mijne oogen naar den hemel richten. Steeds heb ik Christus gediend; uit liefde voor Hemsloeg mijn zwaard de ketters ter neder, doch thans—evenals Saulus werd bekeerd, evenals hij door de stem des Heeren tot inkeer werd gebracht—evenzoo hebben eenige woorden der Heilige Schrift mij tot nadenken aangespoord. In den herfst des vorigen jaars, weinige dagen vóór ons vertrek, werd mij eene bijbelvertaling te koop aangeboden. Begeerig die te doorsnuffelen, sloeg ik het gewijde boek open, en zie, de eerste woorden die mijne aandacht boeiden, waren deze: “Onderzoekt de Schriften, want zij zijn het, die van Mij getuigen.” Deze woorden, dierbare Adelgonde, ze spraken tot mijn hart. Onderzoekt de Schriften! is het gebod des Heeren, en de kerk, waartoe ik behoorde, verbiedt ’t geen God heeft bevolen. Alles werd mij duidelijk en klaar; mijne zaligheid moest door een ijverig onderzoek verzekerd worden. Een licht rees er op in mijne ziel. God had mij, door deze schijnbaar toevallige omstandigheid, den weg der zaligheid doen vinden, de zaligheid voor het toekomende, de zaligheid voor het aardsche leven. Ja Adelgonde, de vervolger van uw geloof mocht uwe hand niet verwerven, den Hervormde moogt gij beminnen: hij is thans geen vijand van uw land, geen vijand van uw geloof meer.”
Adelgonde beschouwde den jongeling met oogen vol teederheid en innige liefde. “En evenwel ziet gij telkens zoo droefgeestig en somber voor u neder,” zeide zij op zacht smeekenden toon: “Zijt gij dan toch nog bevreesd dat ons geluk zal verbroken worden? Vertrouwt gij wellicht nog niet volkomen op mijn waarachtige liefde, of zijt gij misschien bevreesd dat mijn lieve vader zijn gegeven woord zal breken?”
“Ons geluk!” riep Alonzo, terwijl hij Adelgondes hand aan zijn hart drukte: “Ons geluk! o, het is nog niet bevestigd. Neen, ik twijfel niet aan uwe liefde; uw oog bedriegt mij niet. Doch helaas! wie is het die u bemint? O, Adelgonde! dierbare Adelgonde! hij die u zoo teeder bemint, is door zijn vader gevloekt. “Ga van hier ontaarde zoon!” waren de woorden mijns vaders: “Ga van hier, door God verdoemde ketter! Ga! ik vloek u in dezen stond. Vlied, want God die u veracht, wil niet dat ik u langer als mijn zoon zal liefhebben.”
Bij de treurige herinnering dezer woorden, faalde het den edelen jongeling schier aan kracht om zijne bedaardheid te bewaren, en terwijl hij met de beide handen het aangezicht bedekte, zocht het minnende meisje haar bedroefden vriend door eenige zoete woorden te troosten en op te beuren.
“Lang leve onze waardige graaf!” was de kreet, die eensklaps den jongen lieden in de ooren drong. Adelgonde sprong ontsteld van hare zitplaats op. Haar vader vierde op dezen, voor den Staat zoo heuglijken dag, zijn geboortefeest. De slotbewoners begroetten hun heer met blijde galmen.
Van Bergen trad de slotbrug over, en Adelgonde, ontroerd en verward, snelde naar haren vader toe, en wierp zich luid snikkende in zijne armen.
1Resol. Holl. 30 Sept, 1608, bl. 223.2O. a. Wagenaar, deel IX, boek XXXVI, blz. 436, enz.
1Resol. Holl. 30 Sept, 1608, bl. 223.
2O. a. Wagenaar, deel IX, boek XXXVI, blz. 436, enz.
Een en twintigste hoofdstuk.Wanneer de reiziger ten huidigen dage de oevers der Maas bezoekt, en op het dek der kleine doch ranke stoomboot gezeten, met verrukking de schoone rotswanden beschouwt, die zich nu eens uit den waterspiegel verheffen, en dan weder op eenigen afstand zijn oog bepalen, dan ziet hij, op vele dier steilten, nog menigen slottoren in den glans der morgen, middag- of avondzon blinken, doch bespeurt tevens den alles verwoestenden tand des tijds, die zelfs de schoonste burchten, op rotsen gegrond, in bouwvallen doet verkeeren.De opmerkzame reiziger ontwaart, als hij dat schoone gedeelte van België bezoekt, aan den rechteroever der rivier een bouwval. Dit geringe overblijfsel van een voormalig schoon kasteel, wordt hem verhaald, de ruïne van het kasteel Beaufort te zijn, en terwijl hij bij het schoone weder gemakkelijk zijn manilla wegdampt, beschouwt hij met een dweepachtige oudheidsliefde, die twee bemoste steenklompen, om ze in zijne verbeelding tot het voormalige slot weer op te bouwen.In den tijd, waarin dit verhaal ons verplaatst, mocht het kasteel Beaufort een der fraaiste van den Maasstroom genoemd worden; het werd toen bewoond door den markgraaf Reinier Van Aduaar, die de eenige broeder was van Van Bergens overledene gemalin. Drie jaren lang mocht graaf Reinier in kalmte en vrede zich in Neerlands rust verheugen; drie jaren nog mocht hij, na het gesloten bestand, het goede der aarde op zijn adellijk slot genieten; doch toen konden de zware muren noch de ijzeren sloten den aanrukkenden vijand afweren. De dood drong met zijn snijdend wapen ongenoodigd binnen, en sloeg de vrucht af, die rijp was voor den grooten oogst des Heeren.Het eene geslacht gaat voorbij, het andere treedt in zijne plaats. De doode boom wordt uitgeroeid; een nieuwe stam wordt weer op die plaats gezet, om insgelijks zijne takken tot schaduw te verspreiden, en vruchten voort te brengen tot nut en heil der menschen.Ook het kasteel Beaufort had, weinige maanden na den dood des graven, een bewoner terugbekomen.De zalen en vertrekken, door den vorigen bezitter meest alle verwaarloosd, waren nu van hun naargeestige tint bevrijd, en uiten inwendig getuigde Beaufort van een welvaart, die het sinds jaren niet gekend had.“Ben ik vandaag zoet geweest?” zeide een allerliefst driejarig meisje, dat, met eenig speelgoed om zich heen, in een der bovenvertrekken van Beaufort zat te spelen: “Hé, Klaartje, Clarisje is toch niet stout? Neen zie, ik heb het ju-paardje van papa weer in den stal gezet, en als grootpa hier komt, zal het wel van zelf kunnen loopen. Nietwaar zoete Klaartje, nu mag Clarisje wel eens biju op schootje zitten?”—en zich vleiend naast het ijverig naaiende kindermeisje plaatsende, zag zij deze met haar blauwe oogjes vriendelijk aan, en belette haar met de kleine handjes, de naald naar eisch te hanteeren.“Gij zijt een kleine plaagster!” zeide Klaartje, terwijl zij het lieve kind op haar schoot nam: “Met u kan men nauwelijks de helft van zijn werk verrichten; nu moet gij ook stilzitten, hoor! want anders....”“Ja, heel stil!” hernam het lieve kind: “en Klaartje zal mij dan vertellen wie toch dat bloote kindje is, dat daar bij mama op schootje zit. Hé Klaartje, waarom heeft dat kindje geen kleertjes aan? het zal koud worden.”De vraag der kleine, welke op een portret, dat aan den wand hing, doelde, bracht Klaartje in eenige verwarring, en terwijl zij, even blozende, den blik naar het schilderstuk sloeg, antwoordde zij: “Dat kindje zal niet koud worden, daar behoeft gij niet bang voor te zijn. Want ziet gij,” vervolgde zij, zich met Clarisje op den arm voor het portret plaatsende: “dat is een geschilderd kindje; het kan niet praten, niet zien, niet....”“Ja maar het lacht toch,” zeide het lieve meisje, haar in de rede vallende: “en mama lacht ook. Zeg eens, Klaartje, is Clarisje dat kindje, of is het een ander kindje van mama?”“Hoor lieve,” antwoordde Klaartje: “ik zal u dat later wel eens vertellen; nu zoudt gij alles nog niet begrijpen; alleen dit kan ik u zeggen, dat dit kindje het braafste was dat er ooit geweest is of komen zal; het heeft nooit in zijn leven kwaad gedaan, en de man, die dat mooie kindje daarop heeft geschilderd, heeft uw mama eens het leven gered.”“Dat moet een goede man zijn geweest,” zeide Clarisje: “Ik zal dus veel van hem houden, en Klaartje houdt zeker ook veel van hem, nietwaar lieve Klaartje?”Het bevallige kindermeisje kon een opwellenden traan niet onderdrukken. De onschuldige vraag van het lieve kind had een diepe wond in haar binnenste opengereten: “Ja, voorzeker!” zeide zij eindelijk: “doch kom mijn aardig snapstertje, het wordt tijd dat gij naar uw bedje gaat; wij zullen papa en mama goeden nacht gaan zeggen, en dan zal ik straks eens zien of gij uw avondgebedje goed onthouden hebt.”Adelgonde Van Bergen was sedert vier jaren de echtgenoot van Alonzo Spinola. De teederminnende echtelieden vonden in elkanders bezit een hemel op aarde, en nauwelijks een jaar na hun huwelijk verblijdde Adelgonde haar aangebeden Alonzo met eene dochter, welk kostbaar pand hunner liefde den onverbrekelijken knoop van huwelijkstrouw nog vaster had toegehaald.Als man van eer, als rechtgeaard Hollander, doch als Christen bovenal, had de graaf Van Bergen zijn gegeven woord niet gebroken. “Is Spanje met Nederland in vrede,” had hij gezegd: “en hebt gij de leer van Rome verlaten, zoo keer in mijne woning terug: vóór dien tijd mag mijne dochter uw gade niet worden; dán echter zal ik den redder van mijne kinderen als zoon ontvangen, dán kuntgij mijn kleinood naar het altaar geleiden.—Ga! God zij met u!”En de graaf had woord gehouden. In zijn warmen ijver voor het hervormde geloof, telde hij den vloek niet dien de markgraaf Spinola over zijn zoon had uitgesproken. “Wie vader of moeder lief heeft boven Mij, is Mijns niet waardig.” Dit had de Zaligmaker gezegd. Alonzo had wél gehandeld, hij had den Heer gekozen boven de menschen. En wat het vermogen van Alonzo betrof, al was hij onterfd, al zouden de goederen van den markgraaf nimmer de zijne worden, de schat in den hemel verworven, was van hooger waarde dan alle schatten der aarde, die de dieven doorgraven en de mot en de roest verteren.Een jaar dus na de heuglijke afkondiging van het Twaalfjarig Bestand, hadden de jonge lieden elkander, voor het oog des Heeren, liefde en trouw gezworen.Prins Maurits was bij de trouwplechtigheid tegenwoordig geweest, en het huwelijksfeest, ’t welk juist tot het jaarfeest des graven was uitgesteld, werd met ongemeenen luisterop den Oldenburghgevierd.Twee jaren alzoo bewoonden de jonge echtelingen, op begeerte van den graaf, het vaderlijk kasteel, doch, toenAdelgondeeindelijk, na den dood van haar oom Reinier, volgens diens testament de eenige erfgenaam der goederen van Beaufort bleek te zijn, toen wilde Van Bergen niet langer baatzuchtig zijne kinderen nabij zich houden, maar drong hen zelf: den weg te volgen dien de Heer hun had aangewezen. Diep ontroerd zag hij zijne dierbaren vertrekken. De zwakke Adel alleen bleef hem nu over; en, van het geluk zijner lieve Gonne overtuigd, was het thans zijn eenig streven, en bleef het zijn grootste genoegen, zijn ongelukkigen zoon te leiden, en diens geest te beschaven, opdat hij nog eenmaal goede vruchten van die verwaarloosde plant zou mogen oogsten.“Mijn Gonne is altijd even toegevend,” zeide Alonzo eens tot zijn bevallige gade, die, voor een der ramen aan den Maaskant gezeten, zich in het treffende schouwspel der ondergaande zon verlustigde. “Ik wilde wel,” vervolgde hij, terwijl hij den bruinen jachthond met zijn voet over den vloer heen en weer rolde: “ik wilde wel, Gonne, dat gij mij toch eens iets kondt weigeren. Ik kan u niets vragen of gij zegt, ja! Gij zijt al te goed, mijn lieve vrouw, en ik verwijt mij dikwerf zulk een liefde niet te verdienen.”“Beste Alonzo,” zeide Adelgonde: “waarom zoudt gij die liefde niet verdienen? Gij zijt immers alles voor mij. Voorkomt gij niet altijd al mijne wenschen? O, het is mij een plicht, een wellust, u gelukkig te maken; want Alonzo, gij hebt veel voor mij opgeofferd; en zonder u was er voor mij toch geen geluk op aarde.”“Gij zijt een engel!” hernam Alonzo opstaande, en zijn stoel naast dien van Adelgonde plaatsende, zette hij zich aan hare zijde, en zag een tolk van innig geluk langs hare wangen vloeien.“Die scherpe stralen der zon hebben uwe oogen vochtig gemaakt,” hernam hij: “Kom lieve vrouw, zie mij eens aan, en geef mij een zoen. Zie zoo!—gij moogt uw lieve oogen niet bederven.”“’t Is waar,” zeide Adelgonde, hare kijkers afdrogende: “Het lichtis al te sterk. Wel honderd roode en groene sterretjes zweven mij voor de oogen. Morgen gaan wij dus te zamen naar de valkenjacht, nietwaar beste vriend?”Op dit oogenblik trad Klaartje met Clarisje de zaal binnen. Het aardig wichtje huppelde vroolijk naar hare ouders, klauterde op Adelgondes schoot, en, beurtelings hare moeder en Alonzo kussende, riep het, terwijl zij met de kleine armpjes de twee echtelieden vereenigde: “Nacht maatje! nacht paatje! Clarisje is heel zoet geweest; Clarisje zal ook zoo braaf worden als het bloote kindje, dat die goede man geschilderd heeft. Nacht maatje, nacht paatje!” en het aardige meisje kuste en pakte hare ouders weder dat het een lust was om aan te zien.“O Adelgonde, hoeveel hebt gij mij met dit kind geschonken!” zeide Alonzo, nadat Klaartje met de lieveling vertrokken was: “maar,” vervolgde hij vleiend: “gij zult mij ook een zoon schenken, is het niet zoo?” en den arm om het midden zijner gade slaande, zag hij een zacht rood hare kaken verven, en las hij in hare oogen de woorden: Gij weet het Alonzo, de zegen op aarde ligt in des Heeren hand.”Nog zat het gelukkige echtpaar zoet koutend bijeen, nog was het avondrood niet geheel van den hemel geweken, toen eensklaps een buitengewone verschijning de stilte verbrak, en de echtelingen ontsteld doch verrast deed opspringen.“Lieve vader!” riep Adelgonde, naar Van Bergen toesnellende, die, in reisgewaad, onaangediend en zachtkens de zaal was binnengetreden: “Lieve beste vader!” riep zij nogmaals, terwijl zij aan des graven hals bleef hangen: “hoe onuitsprekelijk verblijdt mij uw komst!”Van Bergen omhelsde zijn kind met innige warmte: drukte zijn schoonzoon recht vaderlijk de hand; ontdeed zich, na de eerste verrukking des wederziens, van zijn mantel; zette zich in een hem door Alonzo toegeschoven leuningstoel, en sprak toen, terwijl zijne kinderen naast zijnen zetel plaats namen: “Het is mij goed weer bij u te zijn. God zij gedankt, die mij aan het gevaar dat mij dreigde, deed ontkomen. Hij heeft mij gered, en....”“Een gevaar!?” riepen Alonzo en Adelgonde schier te gelijk: “Wat is u overkomen?”“Ik zal het u verhalen,” hernam Van Bergen: “doch vooraf verzoek ik u een paar mannen naar het rivierpad te zenden, ten einde Rudolf, dien ik bij mijn aanvaller heb achtergelaten, behulpzaam te zijn.”Alonzo had weldra zijn bevelen gegeven, en nu verhaalde Van Bergen hoe hij gelukkig zijn tocht tot aan den steilen slotweg had volbracht, toen eensklaps een verwilderd haveloos man zijn paard bij den toom had gegrepen, en hem een pistool op de borst drukkende, tot de overgave van zijn geldbeurs had aangemaand; hoe Rudolf, waarschijnlijk door den roover niet opgemerkt, dadelijk was ter hulpe gesneld; hoe deze de pistool uit de hand van den schurk had geslagen, en hem tevens een diepe wond had toegebracht, zoodat de ellendeling voor dood was neergevallen.Dankbaar sloegen ook Adelgonde en Alonzo den blik naar boven, en verheugden zich met ongeveinsde blijdschap, dat ze hun veelgeliefden vader ongedeerd aan hunne zijde mochten zien.Intusschen was de straatroover, door Rudolf en Alonzo’s knechten het kasteel Beaufort binnengedragen.De wonde, hem door Rudolf in de borst toegebracht, was breed en diep; een schrikkelijk bloedverlies had hem geheel uitgeput, en de knechten, niet wetende hoe zij hem eenige verzachting zouden toebrengen, begaven zich naar hun meester om diens hulp voor den lijder in te roepen.Terstond was Van Bergen gereed om Alonzo met zijn meerdere kennis bij te staan, en beiden gingen derhalve naar het benedenvertrek, waar de ongelukkige terneer lag.Zoodra Van Bergen echter met een natgemaakte doek de wonde eenigszins wilde reinigen, en hij den lijder, bij het schijnsel der aangestoken lamp, in het verwilderde aangezicht zag, ontglipte een kreet van verbazing aan zijne lippen, want hij herkende in die vóór den tijd verouderde en verdierlijkte trekken, het gelaat van hem, die zich vroeger Walter Van Rodenberg noemde.“God, Walter! zijt gij het?” riep de graaf, terwijl hij verbleekte, en bevend den nederliggende beschouwde: “Walter, Walter! waartoe zijt gij gekomen!”Walter Van Rodenberg opende zijne oogen en keek verwilderd om zich heen.“Ha!—eindelijk vernietigd!” riep hij met schorre stem: “Het is reeds lang genoeg.—Waar is de dood?—Kom spoedig!”—en met een ontzettende krachtsinspanning balde hij zijn vuist, en sloeg zich met zulk een hevigheid op de diep gapende wond, dat het bloed den aanwezigen in het aangezicht spatte, en hij zelf, weinige seconden later, stuiptrekkend den geest gaf.Het duurde verscheidene dagen eer de bewoners van Beaufort den somberen indruk van dat treurige schouwspel konden verbannen; vooral Van Bergen had dit schrikverwekkend tooneel diep getroffen. Nogmaals was “het opgeheven zwaard der boosheid langs het schild van Gods voorzienigheid afgegleden,” en, twee dagen na deze akelige gebeurtenis bracht Van Bergen het lijk van den ongelukkigen zoon zijner stiefmoeder naar zijn laatste rustplaats.Eene week na des graven onverwachte komst op Beaufort, daagde er voor de jongen echtelieden een morgen van grenzenlooze vreugd. Uit Den Haag was in allerijl een koerier komen aanrennen, die den portier een pakket met het wapen der Oranjes verzegeld, had overhandigd.Het adres luidde aan Alonzo, en de jonge Spinola, niet vermoedende wat de vorst hem kon te melden hebben, doorlas met ongeduld het geschrift van zijn doorluchtigen beschermer.Het was hem niet mogelijk den brief tot het einde te doorlezen, veel minder nog ook het daarbij gaande blad, in de Spaansche taal geschreven, nauwkeurig te doorloopen. De letters dansten hem voor de oogen. “Dáár, dáár,” riep hij in vervoering uit: “lees.... zie....ik kan niet meer. Dierbare Adelgonde! mijn vader.... o God! hij heeft zich mijner ontfermd!”Alonzo had wél gezien: de vadervloek was opgeheven; prins Maurits was de voorspraak van den echtgenoot der schooneHagenleliegeweest, en de markgraaf Ambrosio, tot hiertoe hardnekkig en ongeneigd zijn zoon weder aan te nemen, had de bede van den fieren veldheer niet kunnen weerstaan, maar, hopende op de belofte van Maurits, wilde hij zijn ketterschen zoon genade schenken, zoo het Katholieke geloof daardoor meer oogluikend in de Nederlanden werd toegestaan.Gevoegelijk zouden wij hier de pen kunnen neerleggen, doch gelooven nog eenige inlichtingen aangaande sommige personen verschuldigd te zijn, welke wij dan ook onmiddellijk laten volgen.Het vroolijke kamermeisje van de schooneHagenleliewas, twee maanden na het huwelijk harer meesteres, met Maarten in den echt getreden. Adelgonde had haar een aanzienlijke huwelijksgift geschonken, en Maarten, in een eigen smederij getreden, deed den hamer lustig op het aambeeld klinken, en bleef steeds een ijverig burger der hofstad, gelijk zijn goede huisplaag,—zooals hij Anne meermalen schertsend noemde—steeds een liefhebbende vrouw en, tot aan haar einde, eene trouwe moeder voor hare kinderen bleef.Van den barbier Sebastianus Bril weten wij niet anders te verhalen, dan dat door hem de treurige geschiedenis van den jeugdigen kunstschilder, Jakob De Geest, aan den graaf Van Bergen werd bekend gemaakt. Adelgonde, die haren redder, behalve in dat vluchtige oogenblik op den weg, nimmer had wedergezien, wijdde een traan aan zijne nagedachtenis, en noodigde het treurende Klaartje uit om Annes plaats bij haar te komen innemen.Klaartje gevoelde zich in deze betrekking recht op haar gemak. De akelige taak van schenkster in de kroeg haars vaders, had haar reeds sedert lang tegengestaan. Nu was het haar streven en lust, hare goede gebiedster in alles te voldoen; en dikwerf nog dacht zij met weemoed aan den ongelukkigen Jakob, voor wien Alonzo een klein gedenkteeken had doen oprichten, ter plaatse waar hij Adelgonde aan den Maaskant van een wissen dood had gered.Het schilderstuk, ’t welk wij reeds in de kinderkamer hebben gezien, was daar met voordacht en tot groot genoegen van Klaartje opgehangen, en toen Clarisje eenige jaren ouder was geworden, leerde zij van hare verzorgster het ons bekende droomlied van den kunstenaar, dat het meisje den ongelukkigen jongeling zoo dikwerf had hooren zingen.Van Bergen leefde nog vijftien jaren na het huwelijk zijner Gonne. Het sterven was hem gewin, want reikhalzend zag hij in de laatste oogenblikken zijns levens de ure naderen, waarin hij met zijn Heer zou vereenigd worden, dien hij op aarde zoo vurig had gezocht.Vrouw Barbara is van de wonde, haar door Van Rodenbergs pistoolschot toegebracht, hersteld. Van Bergen heeft haar volkomenvergiffenis geschonken, en, zoo wij wél onderricht zijn, is zij in een klooster als berouwhebbend Katholiek gestorven.Wat Adel betreft, deze is op zijn veertigste jaar, met eene kleindochter van den baron Van Doorn tot den Zandheuvel in den echt getreden. Zijne vrouw heeft hem echter geen kinderen geschonken; en hoewel steeds achterlijk in zijne geestvermogens, werd hij tot zijn einde door zijne onderhoorigen bemind, en werd hem, om zijne schier vrouwelijke zachtaardigheid, den eeretitel vanden goeden graafgegeven.Burgman bleef tot aan zijn dood pluimgraaf opden Oldenburgh, en door hem is de belangrijke kunst uitgevonden, om in zeven dagen tijds, de schraalste haantjes of kippen tot de vetste tafelsieraden op te kweeken; wij gelooven evenwel dat deze edele kunst met den goeden Burgman is verloren gegaan.Het doet ons leed, eindelijk nog te moeten mededeelen, dat Adelgonde niet al de wenschen van haren echtvriend heeft vervuld; zij heeft hem geen zoon ter wereld gebracht, maar ter vergoeding daarvan hem nog eene dochter geschonken, die, evenals Clarisse, het sieraad harer ouders werd, en evenals die oudere zuster, eene partij harer waardig gevonden heeft.
Wanneer de reiziger ten huidigen dage de oevers der Maas bezoekt, en op het dek der kleine doch ranke stoomboot gezeten, met verrukking de schoone rotswanden beschouwt, die zich nu eens uit den waterspiegel verheffen, en dan weder op eenigen afstand zijn oog bepalen, dan ziet hij, op vele dier steilten, nog menigen slottoren in den glans der morgen, middag- of avondzon blinken, doch bespeurt tevens den alles verwoestenden tand des tijds, die zelfs de schoonste burchten, op rotsen gegrond, in bouwvallen doet verkeeren.
De opmerkzame reiziger ontwaart, als hij dat schoone gedeelte van België bezoekt, aan den rechteroever der rivier een bouwval. Dit geringe overblijfsel van een voormalig schoon kasteel, wordt hem verhaald, de ruïne van het kasteel Beaufort te zijn, en terwijl hij bij het schoone weder gemakkelijk zijn manilla wegdampt, beschouwt hij met een dweepachtige oudheidsliefde, die twee bemoste steenklompen, om ze in zijne verbeelding tot het voormalige slot weer op te bouwen.
In den tijd, waarin dit verhaal ons verplaatst, mocht het kasteel Beaufort een der fraaiste van den Maasstroom genoemd worden; het werd toen bewoond door den markgraaf Reinier Van Aduaar, die de eenige broeder was van Van Bergens overledene gemalin. Drie jaren lang mocht graaf Reinier in kalmte en vrede zich in Neerlands rust verheugen; drie jaren nog mocht hij, na het gesloten bestand, het goede der aarde op zijn adellijk slot genieten; doch toen konden de zware muren noch de ijzeren sloten den aanrukkenden vijand afweren. De dood drong met zijn snijdend wapen ongenoodigd binnen, en sloeg de vrucht af, die rijp was voor den grooten oogst des Heeren.
Het eene geslacht gaat voorbij, het andere treedt in zijne plaats. De doode boom wordt uitgeroeid; een nieuwe stam wordt weer op die plaats gezet, om insgelijks zijne takken tot schaduw te verspreiden, en vruchten voort te brengen tot nut en heil der menschen.
Ook het kasteel Beaufort had, weinige maanden na den dood des graven, een bewoner terugbekomen.
De zalen en vertrekken, door den vorigen bezitter meest alle verwaarloosd, waren nu van hun naargeestige tint bevrijd, en uiten inwendig getuigde Beaufort van een welvaart, die het sinds jaren niet gekend had.
“Ben ik vandaag zoet geweest?” zeide een allerliefst driejarig meisje, dat, met eenig speelgoed om zich heen, in een der bovenvertrekken van Beaufort zat te spelen: “Hé, Klaartje, Clarisje is toch niet stout? Neen zie, ik heb het ju-paardje van papa weer in den stal gezet, en als grootpa hier komt, zal het wel van zelf kunnen loopen. Nietwaar zoete Klaartje, nu mag Clarisje wel eens biju op schootje zitten?”—en zich vleiend naast het ijverig naaiende kindermeisje plaatsende, zag zij deze met haar blauwe oogjes vriendelijk aan, en belette haar met de kleine handjes, de naald naar eisch te hanteeren.
“Gij zijt een kleine plaagster!” zeide Klaartje, terwijl zij het lieve kind op haar schoot nam: “Met u kan men nauwelijks de helft van zijn werk verrichten; nu moet gij ook stilzitten, hoor! want anders....”
“Ja, heel stil!” hernam het lieve kind: “en Klaartje zal mij dan vertellen wie toch dat bloote kindje is, dat daar bij mama op schootje zit. Hé Klaartje, waarom heeft dat kindje geen kleertjes aan? het zal koud worden.”
De vraag der kleine, welke op een portret, dat aan den wand hing, doelde, bracht Klaartje in eenige verwarring, en terwijl zij, even blozende, den blik naar het schilderstuk sloeg, antwoordde zij: “Dat kindje zal niet koud worden, daar behoeft gij niet bang voor te zijn. Want ziet gij,” vervolgde zij, zich met Clarisje op den arm voor het portret plaatsende: “dat is een geschilderd kindje; het kan niet praten, niet zien, niet....”
“Ja maar het lacht toch,” zeide het lieve meisje, haar in de rede vallende: “en mama lacht ook. Zeg eens, Klaartje, is Clarisje dat kindje, of is het een ander kindje van mama?”
“Hoor lieve,” antwoordde Klaartje: “ik zal u dat later wel eens vertellen; nu zoudt gij alles nog niet begrijpen; alleen dit kan ik u zeggen, dat dit kindje het braafste was dat er ooit geweest is of komen zal; het heeft nooit in zijn leven kwaad gedaan, en de man, die dat mooie kindje daarop heeft geschilderd, heeft uw mama eens het leven gered.”
“Dat moet een goede man zijn geweest,” zeide Clarisje: “Ik zal dus veel van hem houden, en Klaartje houdt zeker ook veel van hem, nietwaar lieve Klaartje?”
Het bevallige kindermeisje kon een opwellenden traan niet onderdrukken. De onschuldige vraag van het lieve kind had een diepe wond in haar binnenste opengereten: “Ja, voorzeker!” zeide zij eindelijk: “doch kom mijn aardig snapstertje, het wordt tijd dat gij naar uw bedje gaat; wij zullen papa en mama goeden nacht gaan zeggen, en dan zal ik straks eens zien of gij uw avondgebedje goed onthouden hebt.”
Adelgonde Van Bergen was sedert vier jaren de echtgenoot van Alonzo Spinola. De teederminnende echtelieden vonden in elkanders bezit een hemel op aarde, en nauwelijks een jaar na hun huwelijk verblijdde Adelgonde haar aangebeden Alonzo met eene dochter, welk kostbaar pand hunner liefde den onverbrekelijken knoop van huwelijkstrouw nog vaster had toegehaald.
Als man van eer, als rechtgeaard Hollander, doch als Christen bovenal, had de graaf Van Bergen zijn gegeven woord niet gebroken. “Is Spanje met Nederland in vrede,” had hij gezegd: “en hebt gij de leer van Rome verlaten, zoo keer in mijne woning terug: vóór dien tijd mag mijne dochter uw gade niet worden; dán echter zal ik den redder van mijne kinderen als zoon ontvangen, dán kuntgij mijn kleinood naar het altaar geleiden.—Ga! God zij met u!”
En de graaf had woord gehouden. In zijn warmen ijver voor het hervormde geloof, telde hij den vloek niet dien de markgraaf Spinola over zijn zoon had uitgesproken. “Wie vader of moeder lief heeft boven Mij, is Mijns niet waardig.” Dit had de Zaligmaker gezegd. Alonzo had wél gehandeld, hij had den Heer gekozen boven de menschen. En wat het vermogen van Alonzo betrof, al was hij onterfd, al zouden de goederen van den markgraaf nimmer de zijne worden, de schat in den hemel verworven, was van hooger waarde dan alle schatten der aarde, die de dieven doorgraven en de mot en de roest verteren.
Een jaar dus na de heuglijke afkondiging van het Twaalfjarig Bestand, hadden de jonge lieden elkander, voor het oog des Heeren, liefde en trouw gezworen.
Prins Maurits was bij de trouwplechtigheid tegenwoordig geweest, en het huwelijksfeest, ’t welk juist tot het jaarfeest des graven was uitgesteld, werd met ongemeenen luisterop den Oldenburghgevierd.
Twee jaren alzoo bewoonden de jonge echtelingen, op begeerte van den graaf, het vaderlijk kasteel, doch, toenAdelgondeeindelijk, na den dood van haar oom Reinier, volgens diens testament de eenige erfgenaam der goederen van Beaufort bleek te zijn, toen wilde Van Bergen niet langer baatzuchtig zijne kinderen nabij zich houden, maar drong hen zelf: den weg te volgen dien de Heer hun had aangewezen. Diep ontroerd zag hij zijne dierbaren vertrekken. De zwakke Adel alleen bleef hem nu over; en, van het geluk zijner lieve Gonne overtuigd, was het thans zijn eenig streven, en bleef het zijn grootste genoegen, zijn ongelukkigen zoon te leiden, en diens geest te beschaven, opdat hij nog eenmaal goede vruchten van die verwaarloosde plant zou mogen oogsten.
“Mijn Gonne is altijd even toegevend,” zeide Alonzo eens tot zijn bevallige gade, die, voor een der ramen aan den Maaskant gezeten, zich in het treffende schouwspel der ondergaande zon verlustigde. “Ik wilde wel,” vervolgde hij, terwijl hij den bruinen jachthond met zijn voet over den vloer heen en weer rolde: “ik wilde wel, Gonne, dat gij mij toch eens iets kondt weigeren. Ik kan u niets vragen of gij zegt, ja! Gij zijt al te goed, mijn lieve vrouw, en ik verwijt mij dikwerf zulk een liefde niet te verdienen.”
“Beste Alonzo,” zeide Adelgonde: “waarom zoudt gij die liefde niet verdienen? Gij zijt immers alles voor mij. Voorkomt gij niet altijd al mijne wenschen? O, het is mij een plicht, een wellust, u gelukkig te maken; want Alonzo, gij hebt veel voor mij opgeofferd; en zonder u was er voor mij toch geen geluk op aarde.”
“Gij zijt een engel!” hernam Alonzo opstaande, en zijn stoel naast dien van Adelgonde plaatsende, zette hij zich aan hare zijde, en zag een tolk van innig geluk langs hare wangen vloeien.
“Die scherpe stralen der zon hebben uwe oogen vochtig gemaakt,” hernam hij: “Kom lieve vrouw, zie mij eens aan, en geef mij een zoen. Zie zoo!—gij moogt uw lieve oogen niet bederven.”
“’t Is waar,” zeide Adelgonde, hare kijkers afdrogende: “Het lichtis al te sterk. Wel honderd roode en groene sterretjes zweven mij voor de oogen. Morgen gaan wij dus te zamen naar de valkenjacht, nietwaar beste vriend?”
Op dit oogenblik trad Klaartje met Clarisje de zaal binnen. Het aardig wichtje huppelde vroolijk naar hare ouders, klauterde op Adelgondes schoot, en, beurtelings hare moeder en Alonzo kussende, riep het, terwijl zij met de kleine armpjes de twee echtelieden vereenigde: “Nacht maatje! nacht paatje! Clarisje is heel zoet geweest; Clarisje zal ook zoo braaf worden als het bloote kindje, dat die goede man geschilderd heeft. Nacht maatje, nacht paatje!” en het aardige meisje kuste en pakte hare ouders weder dat het een lust was om aan te zien.
“O Adelgonde, hoeveel hebt gij mij met dit kind geschonken!” zeide Alonzo, nadat Klaartje met de lieveling vertrokken was: “maar,” vervolgde hij vleiend: “gij zult mij ook een zoon schenken, is het niet zoo?” en den arm om het midden zijner gade slaande, zag hij een zacht rood hare kaken verven, en las hij in hare oogen de woorden: Gij weet het Alonzo, de zegen op aarde ligt in des Heeren hand.”
Nog zat het gelukkige echtpaar zoet koutend bijeen, nog was het avondrood niet geheel van den hemel geweken, toen eensklaps een buitengewone verschijning de stilte verbrak, en de echtelingen ontsteld doch verrast deed opspringen.
“Lieve vader!” riep Adelgonde, naar Van Bergen toesnellende, die, in reisgewaad, onaangediend en zachtkens de zaal was binnengetreden: “Lieve beste vader!” riep zij nogmaals, terwijl zij aan des graven hals bleef hangen: “hoe onuitsprekelijk verblijdt mij uw komst!”
Van Bergen omhelsde zijn kind met innige warmte: drukte zijn schoonzoon recht vaderlijk de hand; ontdeed zich, na de eerste verrukking des wederziens, van zijn mantel; zette zich in een hem door Alonzo toegeschoven leuningstoel, en sprak toen, terwijl zijne kinderen naast zijnen zetel plaats namen: “Het is mij goed weer bij u te zijn. God zij gedankt, die mij aan het gevaar dat mij dreigde, deed ontkomen. Hij heeft mij gered, en....”
“Een gevaar!?” riepen Alonzo en Adelgonde schier te gelijk: “Wat is u overkomen?”
“Ik zal het u verhalen,” hernam Van Bergen: “doch vooraf verzoek ik u een paar mannen naar het rivierpad te zenden, ten einde Rudolf, dien ik bij mijn aanvaller heb achtergelaten, behulpzaam te zijn.”
Alonzo had weldra zijn bevelen gegeven, en nu verhaalde Van Bergen hoe hij gelukkig zijn tocht tot aan den steilen slotweg had volbracht, toen eensklaps een verwilderd haveloos man zijn paard bij den toom had gegrepen, en hem een pistool op de borst drukkende, tot de overgave van zijn geldbeurs had aangemaand; hoe Rudolf, waarschijnlijk door den roover niet opgemerkt, dadelijk was ter hulpe gesneld; hoe deze de pistool uit de hand van den schurk had geslagen, en hem tevens een diepe wond had toegebracht, zoodat de ellendeling voor dood was neergevallen.
Dankbaar sloegen ook Adelgonde en Alonzo den blik naar boven, en verheugden zich met ongeveinsde blijdschap, dat ze hun veelgeliefden vader ongedeerd aan hunne zijde mochten zien.
Intusschen was de straatroover, door Rudolf en Alonzo’s knechten het kasteel Beaufort binnengedragen.
De wonde, hem door Rudolf in de borst toegebracht, was breed en diep; een schrikkelijk bloedverlies had hem geheel uitgeput, en de knechten, niet wetende hoe zij hem eenige verzachting zouden toebrengen, begaven zich naar hun meester om diens hulp voor den lijder in te roepen.
Terstond was Van Bergen gereed om Alonzo met zijn meerdere kennis bij te staan, en beiden gingen derhalve naar het benedenvertrek, waar de ongelukkige terneer lag.
Zoodra Van Bergen echter met een natgemaakte doek de wonde eenigszins wilde reinigen, en hij den lijder, bij het schijnsel der aangestoken lamp, in het verwilderde aangezicht zag, ontglipte een kreet van verbazing aan zijne lippen, want hij herkende in die vóór den tijd verouderde en verdierlijkte trekken, het gelaat van hem, die zich vroeger Walter Van Rodenberg noemde.
“God, Walter! zijt gij het?” riep de graaf, terwijl hij verbleekte, en bevend den nederliggende beschouwde: “Walter, Walter! waartoe zijt gij gekomen!”
Walter Van Rodenberg opende zijne oogen en keek verwilderd om zich heen.
“Ha!—eindelijk vernietigd!” riep hij met schorre stem: “Het is reeds lang genoeg.—Waar is de dood?—Kom spoedig!”—en met een ontzettende krachtsinspanning balde hij zijn vuist, en sloeg zich met zulk een hevigheid op de diep gapende wond, dat het bloed den aanwezigen in het aangezicht spatte, en hij zelf, weinige seconden later, stuiptrekkend den geest gaf.
Het duurde verscheidene dagen eer de bewoners van Beaufort den somberen indruk van dat treurige schouwspel konden verbannen; vooral Van Bergen had dit schrikverwekkend tooneel diep getroffen. Nogmaals was “het opgeheven zwaard der boosheid langs het schild van Gods voorzienigheid afgegleden,” en, twee dagen na deze akelige gebeurtenis bracht Van Bergen het lijk van den ongelukkigen zoon zijner stiefmoeder naar zijn laatste rustplaats.
Eene week na des graven onverwachte komst op Beaufort, daagde er voor de jongen echtelieden een morgen van grenzenlooze vreugd. Uit Den Haag was in allerijl een koerier komen aanrennen, die den portier een pakket met het wapen der Oranjes verzegeld, had overhandigd.
Het adres luidde aan Alonzo, en de jonge Spinola, niet vermoedende wat de vorst hem kon te melden hebben, doorlas met ongeduld het geschrift van zijn doorluchtigen beschermer.
Het was hem niet mogelijk den brief tot het einde te doorlezen, veel minder nog ook het daarbij gaande blad, in de Spaansche taal geschreven, nauwkeurig te doorloopen. De letters dansten hem voor de oogen. “Dáár, dáár,” riep hij in vervoering uit: “lees.... zie....ik kan niet meer. Dierbare Adelgonde! mijn vader.... o God! hij heeft zich mijner ontfermd!”
Alonzo had wél gezien: de vadervloek was opgeheven; prins Maurits was de voorspraak van den echtgenoot der schooneHagenleliegeweest, en de markgraaf Ambrosio, tot hiertoe hardnekkig en ongeneigd zijn zoon weder aan te nemen, had de bede van den fieren veldheer niet kunnen weerstaan, maar, hopende op de belofte van Maurits, wilde hij zijn ketterschen zoon genade schenken, zoo het Katholieke geloof daardoor meer oogluikend in de Nederlanden werd toegestaan.
Gevoegelijk zouden wij hier de pen kunnen neerleggen, doch gelooven nog eenige inlichtingen aangaande sommige personen verschuldigd te zijn, welke wij dan ook onmiddellijk laten volgen.
Het vroolijke kamermeisje van de schooneHagenleliewas, twee maanden na het huwelijk harer meesteres, met Maarten in den echt getreden. Adelgonde had haar een aanzienlijke huwelijksgift geschonken, en Maarten, in een eigen smederij getreden, deed den hamer lustig op het aambeeld klinken, en bleef steeds een ijverig burger der hofstad, gelijk zijn goede huisplaag,—zooals hij Anne meermalen schertsend noemde—steeds een liefhebbende vrouw en, tot aan haar einde, eene trouwe moeder voor hare kinderen bleef.
Van den barbier Sebastianus Bril weten wij niet anders te verhalen, dan dat door hem de treurige geschiedenis van den jeugdigen kunstschilder, Jakob De Geest, aan den graaf Van Bergen werd bekend gemaakt. Adelgonde, die haren redder, behalve in dat vluchtige oogenblik op den weg, nimmer had wedergezien, wijdde een traan aan zijne nagedachtenis, en noodigde het treurende Klaartje uit om Annes plaats bij haar te komen innemen.
Klaartje gevoelde zich in deze betrekking recht op haar gemak. De akelige taak van schenkster in de kroeg haars vaders, had haar reeds sedert lang tegengestaan. Nu was het haar streven en lust, hare goede gebiedster in alles te voldoen; en dikwerf nog dacht zij met weemoed aan den ongelukkigen Jakob, voor wien Alonzo een klein gedenkteeken had doen oprichten, ter plaatse waar hij Adelgonde aan den Maaskant van een wissen dood had gered.
Het schilderstuk, ’t welk wij reeds in de kinderkamer hebben gezien, was daar met voordacht en tot groot genoegen van Klaartje opgehangen, en toen Clarisje eenige jaren ouder was geworden, leerde zij van hare verzorgster het ons bekende droomlied van den kunstenaar, dat het meisje den ongelukkigen jongeling zoo dikwerf had hooren zingen.
Van Bergen leefde nog vijftien jaren na het huwelijk zijner Gonne. Het sterven was hem gewin, want reikhalzend zag hij in de laatste oogenblikken zijns levens de ure naderen, waarin hij met zijn Heer zou vereenigd worden, dien hij op aarde zoo vurig had gezocht.
Vrouw Barbara is van de wonde, haar door Van Rodenbergs pistoolschot toegebracht, hersteld. Van Bergen heeft haar volkomenvergiffenis geschonken, en, zoo wij wél onderricht zijn, is zij in een klooster als berouwhebbend Katholiek gestorven.
Wat Adel betreft, deze is op zijn veertigste jaar, met eene kleindochter van den baron Van Doorn tot den Zandheuvel in den echt getreden. Zijne vrouw heeft hem echter geen kinderen geschonken; en hoewel steeds achterlijk in zijne geestvermogens, werd hij tot zijn einde door zijne onderhoorigen bemind, en werd hem, om zijne schier vrouwelijke zachtaardigheid, den eeretitel vanden goeden graafgegeven.
Burgman bleef tot aan zijn dood pluimgraaf opden Oldenburgh, en door hem is de belangrijke kunst uitgevonden, om in zeven dagen tijds, de schraalste haantjes of kippen tot de vetste tafelsieraden op te kweeken; wij gelooven evenwel dat deze edele kunst met den goeden Burgman is verloren gegaan.
Het doet ons leed, eindelijk nog te moeten mededeelen, dat Adelgonde niet al de wenschen van haren echtvriend heeft vervuld; zij heeft hem geen zoon ter wereld gebracht, maar ter vergoeding daarvan hem nog eene dochter geschonken, die, evenals Clarisse, het sieraad harer ouders werd, en evenals die oudere zuster, eene partij harer waardig gevonden heeft.