Vierde hoofdstuk.

Vierde hoofdstuk.De graaf Van Bergen zat in zijn hoogen, met rood marokijn leder gevoerden ebbenhouten leuningstoel, op zijn kasteelden Oldenburgh, hetwelk ongeveer op een uur afstands van ’s-Gravenhage was gelegen. Met strakke oogen staarde hij in het groote, helder vlammende vuur, welks bestanddeelen, die spoedig in asch zouden verkeeren, bouwkunstig waren opeengestapeld. Vroolijk knappendspatten de vonken en stegen in den ontzaglijk breeden schoorsteen op, om weldra echter in kleine stofjes weder neer te komen.Des graven lichaam was bijna geheel in een fluweelen morgenkleed gewikkeld; alleen waren zijne beenen en voeten zichtbaar, die in zwarte zijden kousen en groote roodlederen pantoffels staken. De wanden van het ruime vertrek, aan welks einde Van Bergen was gezeten, waren behangen met groote portretten in prachtig gesneden eikenhouten lijsten. Het waren des graven ouders en voorouders, die zwijgend, in ouderwetsche kleederdrachten, van hun hooge standplaatsen schenen neder te zien. Die groote kruisramen met kleine in lood gevatte vensterglazen, gaven over de breede gracht, die het geheele kasteel omringde, het uitzicht op een eikenhouten bosschage, dat nu geheel van bladeren ontdaan, door de ijle takken, het oog een vrijen doorgang liet, en het de in nevelen gehulde torens van het vorstelijk ’s-Gravenhage in de verte deed aanschouwen. Adelgonde zat—insgelijks in een morgengewaad, doch van witte stoffage, voor het middelste der groote kruisramen. Een prachtig borduurwerk rustte op haren schoot, en met een bewonderenswaardige vlugheid hanteerden haar kleine vingeren de fijne borduurnaald. De stilte duurde onafgebroken voort. Adelgonde wendde het oog naar haren vader, doch naardien hij met den rug naar hare zijde gekeerd zat, kon zij noch den somberen ernst van zijn edel gelaat, noch zijn zwaar gerimpeld voorhoofd aanschouwen.Nu sloeg zij haren blik naar het nevelachtige landschap. Akelig dof teekenden zich de naakte takken der eiken tegen den somberen grijzen hemel. Geen sterfelijk wezen ontwaarde zij in de rondte, en toch, toch bleef haar oog in dat donkere verschiet staren, toch zweefde haar geest over die thans zoo droeve landstreek, en dwaalde met vurig verlangen, maar tevergeefs, door de ontvolkte straten der stad en door de ontruimde balzalen van het Prinselijk paleis, ten einde den schoonen jongeling te ontdekken, die uit vreemde gewesten moest komen, om haar met een gevoel bekend te maken dat zij kort te voren nog slechts bij name gekend had. Een diepe zucht, dat onbetwistbare kenmerk van een vurig verlangen, ontglipte aan haar hijgenden boezem, en slechts met ééne gedachte bezield, haar geest zich slechts met één wezen bezighoudende, ontging het harer aandacht geheel, hoe aan het andere einde der gracht de breede ophaalbrug werd nedergelaten, en een fraaie koets de poort van het kasteel binnenrolde.Eensklaps werd de deur geopend en de gravin dedouairièreVan Bergen aangediend.Het was een kleine, reeds bejaarde dame, die kort daarop het vertrek binnentrad. Hare kleeding was smaakvol, doch voor haren leeftijd kon men die met recht te zwierig noemen. Een zwaar, groen damasten kleed omgaf haar wel is waar kleine, maar niettemin welgevormde gestalte; kleine zilveren lokken die voorheen zwart moesten geweest zijn, krulden om haar voorhoofd, terwijl haar verder hoofdtooisel in een witten sluier verborgen was, die gedeeltelijk over haar linkerschouder, gedeeltelijk over haar rugtot aan de knieën hing. Van onder den witten kraag kwam een fraai bewerkte gouden halsketen te voorschijn, waaraan een kruisje bevestigd was, dat met twaalf diamanten schitterde. Voorheen had zij voorzeker op schoonheid aanspraak gemaakt, want nog zelfs in dezen oogenblik vertoonde haar gelaat wel verouderde, maar toch nog zeer regelmatige trekken. Haar schier altijd nedergeslagene oogen echter, gaven iets geheimzinnigs aan een gelaat dat, bij al het voormalige schoon, toch aan een mindere afkomst deed denken.Van Bergen, door deze onverwachte verschijning in zijne overpeinzingen gestoord, was de gravin bij haar binnenkomen te gemoet gegaan. De bediende, in sierlijke liverei, had een soortgelijken leuningstoel als dien waarop de graaf had gezeten, schuin tegenover den zijne, doch op een grooteren afstand van het vuur nedergezet. De dame nam plaats, en Adelgonde die de binnenkomende met een dienaresse had begroet, hetwelk met een genadig hoofdknikje der andere was beantwoord, verliet op een gebiedenden wenk van haren vader, het vertrek, en begaf zich naar hare kamer.“Voorzeker hadt gij mij niet verwacht?” begon de dame, zoodra zij zich met den graaf alleen bevond, terwijl haar stem een Fransche afkomst verried.“Ik kan niet ontveinzen mevrouw, dat uwe komst in dit vroege voormiddaguur, na een zoo lange afwezigheid, mij eenigszins verrast; het schoone weder kon u onmogelijk tot dit bezoek hebben aangespoord.”“De begeerte om u te zien was voorzeker niet de geringste drijfveeren, die mij tot dezen wandelrit deden besluiten, doch....”“Ongetwijfeld is deze echter niet de voornaamste?” hernam Van Bergen, hare rede aanvullende.“Over zaken had ik u insgelijks te spreken,” hervatte de dame: “Ik vertrouw dat de zoon van mijn zaligen echtgenoot mij met eenige belangstelling zal aanhooren, en durf dit gereedelijk veronderstellen, dewijl hij mij reeds zoovele blijken zijner goedheid heeft gegeven.”“Gij zult mij verplichten het zoo kort mogelijk te maken, dewijl ik ten twee uren in Den Haag word verwacht,” zeide Van Bergen, terwijl hij een paar brandende stukken hout die naar voren gevallen waren, met den voet terugstiet.“Mijn speciaal verzoek is slechts in weinige woorden vervat,” hernam de andere: “De gegrondheid en billijkheid er van zult gij weldra inzien, en mijn waarde zoon zal, vertrouw ik, volkomen met mij instemmen, dat de weduwe van zijn dierbaren vader, onmogelijk op den duur van een jaarwedde kan bestaan die, hoe edelmoedig ook door hem uitgereikt, slechts de geringe som van vier duizend kronen bedraagt.—Mon Dieu!hoe is het mogelijk van deze geringe som een staat te blijven voeren, die aan dedouairièrevan uwen vader past? Hoe is het mogelijk, zeg ik, van zulk een gering jaargeld, behalve zich zelve, zijne bedienden te kleeden, te voeden, zijne paarden en rijtuigen te onderhouden? Kan men van deze som, ik vraag het u zelven, waarde zoon, op dat naargeestige kasteelnu en dan menschen om zich verzamelen, ten einde de bewustheid te behouden dat men nog in een bewoonde wereld leeft?—Impossible, zeg ik u, en ieder zal mij dit toestemmen. En gij, dierbare zoon, die even grootmoedig als dapper zijt, zult het mij voorzeker niet ten kwade duiden dat ik op de verhooging eener jaarwedde kom aandringen, die u zelven, bij eenig nadenken, onbeduidend moet voorkomen.”Van Bergen heeft haar geheel laten uitspreken. Eenige malen had hij haar reeds in de rede willen vallen, doch zich ook telkens bedwongen.Langzaam en met de oogen strak op het vuur gevestigd, ving hij, na eenige oogenblikken zwijgens, aldus aan: “Gij schijnt te vergeten mevrouw, dat het u niet vergund is mij bij een naam te noemen die, behalve door mijn vader, mij alleen door háár kon gegeven worden, die mij onder het hart heeft gedragen. Reeds lang bestaat zij niet meer, de edele moeder, die mij met smart heeft ter wereld gebracht, en mij van mijn vroegste jeugd af aan, godsvrucht en deugd als de hoogste goederen leerde waardeeren. Zij bestaat niet meer op deze aarde; doch in die zalige oorden, waar zij, in den Heere ontslapen, is henengegaan, moet het haar als een heiligschennis in de ooren klinken, dat een andere vrouw,” en hier sloeg de graaf een paar fonkelende oogen op zijne bezoekster: “in hare rechten tredende, dien zoon bij een naam durft noemen, waarop zij alleen, door natuur en bloed had recht verkregen.—Het grieft mij tevens diep,” vervolgde hij, terwijl de gravin, die gedurende deze toespraak, en ook nú nog, zonder de minste gemoedsaandoening op het gelaat, de oogen voor zich hield nedergeslagen: “door u in de noodzakelijkheid te zijn gebracht, u te herinneren, dat ik u na den dood mijns vaders, uit uwe verworpenheid tot een staat heb teruggevoerd waaruit hij u, niet zonder billijke redenen, had verstooten.—Laat mij uitspreken, bid ik u,” ging hij voort, bemerkende dat de gravin hem in de rede wilde vallen: “Herinnert gij u niet dat mijn vader u van alle rechten op zijne nalatenschap heeft verstoken gelaten? Dat zijn uiterste wilsbeschikking u slechts zóóveel verschafte als noodig was om behoorlijk naar uw vaderland te kunnen terugkeeren? Dat ik u uit uw ellende en broodsgebrek heb teruggehaald? Dat ik u het voorvaderlijk kasteelden Blankertmet al zijn toebehooren vrijwillig heb afgestaan, en u nog bovendien die aanzienlijke jaarwedde van vier duizend kronen heb verleend, op welke gij thans ondankbaar nederziet, als geschiedde u het grootste onrecht?—Neen, spaar uwe woorden mevrouw!” vervolgde hij, terwijl hij opstaande met driftige schreden het vertrek op en neder liep: “Ik weet zeer wel dat gij de wettige gemalin van mijn vader zijt geweest; maar ik weet ook zeer goed dat die vader duizend malen het onzalige oogenblik heeft verwenscht waarin hij, God en zijn ontslapene gade vergetende, uw liefde kocht, en eindelijk al meer en meer door uwe schoonheid verblind en in uwe strikken verward, u herwaarts voerde, om zich met u in den echt te begeven. Zeer wél weet ik mevrouw, dat gij uw zondigen aard niet verloochenende,hem spoedig daarna ontrouw zijt geworden, en dat de naam van Van Bergen door u slechts in oneer is gedragen. Dit alles weet ik zeer goed mevrouw, doch heb God tevens menigmalen gedankt, dat hij u geen zoon heeft geschonken die het oud adellijke bloed der Van Bergens, met het uwe vermengd, tot oneere van dat geslacht, zou hebben in stand gehouden. Neen, beter is het mij dien naam met mij in het graf te nemen, dan spruiten van dat geslacht te zien opgroeien die, op anderen bodem gekweekt, hoogst waarschijnlijk hun eigendommelijke kleur en gedaante zouden verloren hebben.—Gij ziet,” zoo eindigde hij: “dat, hoewel ik u in verscheidene jaren niet heb gezien, ik de ware toedracht der zaken toch geenszins vergeten heb. Verschoon mij wat ik u bidden mag, in het vervolg van uwe bezoeken; zij verlevendigen slechts treurige herinneringen in mij. Stel u tevreden met datgene wat ik vrijwillig voor u opoffer. Hecht u niet langer aan deze aarde, welke gij reeds spoedig zult verlaten—verlaten, om rekenschap uwer daden af te leggen. Bereid u voor tot dien gewichtigen stap, en wijd uw laatste levensjaren niet aan het najagen van ijdel zingenot, dat u, in uw jeugdigen leeftijd, het pad der zonde deed betreden.”Van Bergen hield op met spreken; hij scheen vermoeid en overspannen. Met de armen kruiselings over de borst geslagen, beschouwde hij het onveranderlijke gelaat der gravin.Even sloeg zij hare oogen die, voor hare jaren, van een buitengewoon vuur schitterden, naar hem op. “Gij valt mij hard graaf,” sprak zij op diep verongelijkten toon: “Gij valt mij inderdaad zeer hard. Is het daarom dat gij mij uwe gunsten betoont, om mij geheel en al te kunnen vernederen? Werd ik daarom de echtgenoot van uwen vader, om door hem verstooten en onterfd te worden, en werd ik door den zoon gedeeltelijk in mijne rechten hersteld, om daarna van hem weder de grofste beleedigingen te moeten verduren? Moest ik daarom dat schoone Frankrijk, dat aangebeden Parijs verlaten, waar ik....”“Waar gij in dolle vaart de hel en uw eeuwig verderf tegemoet sneldet!” viel Van Bergen haar met een donderende stem in de rede.—“Vertrek mevrouw,” ging hij voort: “verlaat mijne woning! Wat ik u bidden mag pijnig mij niet langer met uwe tegenwoordigheid. In uwe nabijheid komt de zwakheid mijns vaders mij als een onvergeeflijke misdaad voor. Scheur toch niet, gelijk de adder, de borst open, die u nog liefderijk koestert. Verhard u niet, maar bekeer u; bekeer u voor God die lankmoedig is en genadig. Ga nu van hier en herdenk deze woorden, welke ik hoop dat de laatste zullen zijn, die ik ooit tot u spreken zal.”De graaf floot driemalen. “Is de koets der gravin in gereedheid?” vroeg hij een binnenkomenden bediende.“Ja uw genade, zij wacht voor de kleine poort.”“Dan zult gij hare genade naar den wagen begeleiden.”Daarop vergezelde Van Bergen zijne stiefmoeder tot aan de deur; maakte eene buiging; en de gravin die door deze spoedige wending van het gesprek alle hoop moest vaarwel zeggen, om het inhaar voordeel te vervolgen, sprak geen enkel woord, neigde aan de deur gekomen, volgde den vooruitloopenden bediende, en wierp zich in hare koets, met de hel in het hart en een glimlach om de lippen.Adelgonde, op hare kamer gekomen, kon, nu geheel aan zich zelve overgelaten, aan hare gewaarwordingen den vrijen teugel vieren. Dat overkropte gevoel, hetwelk haar na het bal van den vorigen avond steeds had bezield, en hetwelk doorgaans uit een onbevredigd verlangen naar een geliefd voorwerp ontspruit, deed groote tranen langs hare blanke kaken vloeien, welke tranen eenigermate haar gemoed verlichtten, dewijl zij, doch zonder het nog recht te beseffen, reeds vurig beminde en zich reeds eenzaam gevoelde in afwezigheid des geliefden.De schoone Adelgonde weerhield hare tranen niet, en gevoelde zich zelfs ruimer toen ze ruimschoots vloeiden.—Bedrieg ik mij dan waarlijk niet, dacht zij: heeft die jonge Spanjaard mij dan inderdaad zoo op eenmaal het hart ontstolen? Is hij mij dan in die weinige oogenblikken reeds zóó dierbaar geworden, dat ik mijne tranen niet weerhouden kan? Slechts weinige woorden heeft hij mij toegesproken; doch zij waren zoo liefelijk, zij klonken zoo oprecht, en hij sprak met een gevoel, dat van zijn waarachtige liefde getuigde. Zou het dan waarheid zijn, dat mijn beeld het eerste is, ’t welk op zijn licht ontvlambaar gemoed een zoo diepen indruk heeft gemaakt? Zou dan waarlijk mijn bleek gelaat hem meer hebben getroffen dan de donkere haren en gloeiende oogen der dochteren van het Zuiden?Adelgonde sloeg bij deze laatste gedachte de oogen op haar toiletspiegel, en hoewel zij de geringste ijdelheid zelfs als eene ondeugd verfoeide, kon het niet anders of die blik moest haar, op dit laatste punt, ten eenenmale geruststellen.—Wie is schooner dan hij? ging de bevallige, in Amors strikken verwarde jonkvrouw bij zich zelve voort: Welk Nederlandsch edelman is fierder en kloeker gebouwd? Wie toch,van al die jonkers, spreekt zóó bevallig, en zóó oprecht van vriendschap en van liefde? O, neen! wat zijn hunne woorden! Zouteloos, vervelend geklap, in vergelijking van Alonzo’s welluidende en zoetklinkende taal.Zoo droomde Adelgonde voort,—aan Alonzo gelijk, geslingerd door vrees en hoop, door twijfel en vertrouwen; maar toch smolten door de sympathie der zielen, hunne gedachten wonderbaar ineen.Een zacht tikken aan de kamerdeur wekte haar uit dien streelenden droom. Vlug pinkte zij den laatsten traan weg, die nog tusschen hare lange wimpers parelde, en na bekomen verlof trad Adelgondes bevallige kamenier het boudoir van hare gebiedster binnen, ten einde haar in het kleeden behulpzaam te zijn.Het was Anne, de ons reeds bekende geliefde van Maarten, de vroolijke Anne, die den benijdenswaardigen post van kamerjuffer bij de jonkvrouw Van Bergen bekleedde: Anne, wie van het altijd keurige toilet harer jeugdige meesteres de meeste eer toekwam; die altijd even opgeruimd, even voorkomend, even dienstvaardig en bescheiden tevens, de achting en vriendschap van hare gebiedsterten volle waardig was. Hare gestalte was van een tamelijke lengte; hare vormen waren rond; haar kopje, dat met een paar zwarte kijkers voorzien was, trok niet zelden de aandacht der jonge lieden tot zich; haar haren waren gitzwart, doch gedeeltelijk onder een klein kapje of mutsje van roséfluweel verborgen; hare kleeding was net doch hoogst eenvoudig, en vooral muntte daarvan het hagelwitte voorschoot uit, dat zelfs de sneeuw in helderheid verre overtrof.“De lieve freule zou hare kleeding geheel en al vergeten.” begon zij eenigszins spotachtig: “Gisteren, ja, toen moest er meer haast gemaakt worden: Maar het is ook niet alle dagen bal, zegt Maarten, als hij mij eens een frisschen zoen geeft. Neen, van daag zal het er niet zoo op aankomen; gisteren moest ik wel een uur te vroeg beginnen, en nu is het waarlijk wel een half uur over den tijd.”“Ik zal mij heden niet kleeden, Anne!” zeide Adelgonde: “De graaf is naar de stad, komt eerst laat te huis, en wie zou heden nog een bezoek opden Oldenburghkomen afleggen?”“O!” hervatte Anne met een glimlachje: “er zijn zoovele vreemdelingen in Den Haag gekomen, die zullen de naburen toch wel eens komen opzoeken. Wie weet welke bezoeken ons nog te wachten staan!”“Waar zijn uwe gedachten Anne?” hervatte Adelgonde, die, hoewel heimelijk dezen wensch koesterende, dit toch niet voor hare kamenier wilde bekennen: “Waar zijn uwe gedachten! Deze dorre landstreek levert ook heel wat fraais op, om te bezien. Waren wij in de lente of in den zomer, ik zou het u gewonnen geven; doch thans, neen.... die heeren doen verstandig bij den warmen haard te blijven; zij hebben ook wel andere bezigheden.”“Nu ja, dat kan wel wezen. Doch wat die koude aanbelangt, geloof mij lieve freule, er zijn immers ook nog jeugdigen, wier zuidelijk bloed niet zoo spoedig in de aderen zal verkleumen. Maarten is nooit koud als ik bij hem ben, en toch komt hij, zooals gij weet, door het guurste weder iederen Zaterdag-avond naarden Oldenburgh. Maar al sta ik dan ook te bibberen als een rietje, hij brandt en gloeit altijd alsof hij in een oven stond.”“Dan denkt gij dat die heeren voorden Oldenburghzouden gloeien, als uw Maarten voor zijn Anne?” vroeg Adelgonde, die dit gesprek wel scheen te bevallen.“Voorzeker zou Maarten ook niet koud worden als hij eensden Oldenburghals zijn toekomstig erfdeel kon beschouwen,” hernam het meisje: “maar de bezielde persoontjes die in dat schoone kasteel wonen, zullen die heeren toch wel het meeste aantrekken, naar ik meen.”“Foei Anne, hoe komt ge op zulke gedachten! Gij moest....”“Hoe ik op zulke gedachten kom lieve freule, dat zal ik u eens vertellen,” viel het aardige kind Adelgonde snel in de rede: “Gij moet dan weten dat ik u, toen die gezanten—of hoe men die menschen noemt—in Den Haag kwamen, zeer wel bij den baron Van Doorn op het balkon heb zien staan. Toen reed er achter den wagen een jong edelman, met haren, veel mooier dan de uwe of demijne; juist tusschen onze kleuren in, donkerbruin, kastanjebruin. Ik was geheel in verrukking over dien fraaien jonker. Maarten werd wezenlijk jaloersch; o hij werd zoo jaloersch, en sprak maar alleen van den schimmel waar die schoone ruiter op gezeten was. Maarten had wel gerust kunnen zijn, want hoe gaarne ik hem ook eens in de oogen had gezien, dat behoefde niet.—Neen waarlijk, hij had wel naar wat anders te kijken: de jonge dame op het balkon hield hem geheel bezig, en die jonge schoone dame bloosde, ja bloosde—nog veel sterker dan gij in dit oogenblik lieve freule.”Adelgonde dreigde de ondeugende snapster met den vinger, doch deze liet zich niet afschrikken.“Zie, daardoor ben ik op het zonderlinge denkbeeld gekomen,” vervolgde zij: “dat die schoone jonker u wel in eigen persoon den fraaien zakdoek zou terugbrengen, dien ik dadelijk bij uwe te huiskomst heb gemist. Het zou ook waarlijk jammer zijn als hij, door dien te behouden, het mooie stel zou schenden.”“Neen, nu hebt gij geheel en al misgerekend, booze praatster,” zei Adelgonde, terwijl zij den doek uit haar keursje te voorschijn trok: “hier is de doek; ik had hem wel verloren maar toch ook wedergevonden.”“Ha ha!” zeide het meisje lachende: “er heeft dus gisteren op het bal reeds eentête à têteplaats gehad, zooals de Franschen het noemen; nu, dan zullen de bezoeken ook niet achterwege blijven en zal de rest wel volgen.”“Gij deedt beter uw praatgraag mondje een weinig dicht te houden,” hervatte Adelgonde, schijnbaar vertoornd.“Och, neem het mij niet kwalijk, liefste freule Adelgonde,” ging Anne voort, ongeneigd aan het bevel harer gebiedster te gehoorzamen: “Neem het mij toch niet kwalijk, maar ik ben zoo recht verheugd dat gij eindelijk in mijn gild zijt gekomen. Geloof mij, ik ken die zaken goed, en kan u zeer veel van dienst zijn.—Daar is Maarten, die is volmaakt voor een “poltron d’amour” geschikt, zooals de Franschen zeggen; hij kan u de grootste diensten bewijzen: bij voorbeeld uw briefje overbrengen of zoo iets; want uw schoone Spaansche heer zal toch ook wel zoo’n briefje moeten hebben, zooals Maarten van mij heeft. Ik kan wel niet schrijven, doch hij heeft mijne hand bestuurd en toen moest ik op een klein stukje perkament zetten: “ik bemin u!” en dat stukje perkament moest ik hem toen bij de plaats van zijn hart, tusschen het wambuis en de voering vastnaaien. Zie, dat briefje kunt gij toch zelve niet naar Den Haag brengen. O neen, dat gaat niet, want hij moet—evenals Maarten van mij—ook een vlokje van uw haar hebben; dat behoort er zoo bij, freule, want dat zoent Maarten alle avonden geregeld goeden nacht, voordat hij zijn gebed begint.—O, ik zou u nog veel meer kunnen vertellen,” vervolgde zij, ziende dat Adelgonde glimlachte: “Gij moet elkander een suikeren hartje geven, en dat in elkanders tegenwoordigheid geheel opeten; drie malen daags uwe linkerhand zoenen en daarbij aan den geliefde denken;u des nachts op de linkerzijde te slapen leggen, om van hem te droomen, en honderden dingen meer, die Maarten u beter zou kunnen zeggen dan ik het doen kan. En als men dan bij elkander is, freule! o, dan kunt gij u niet verbeelden, hoe aardig dat toegaat. Dan gaan wij heel dicht bij elkaar zitten, en dan praten wij heel zachtjes; niet omdat men het niet hooren mag, maar omdat wij dan toch alleen zijn. Dan drukken wij elkander de handen; Maarten kan mij tusschenbeide wel eens zeer doen, maar dat neem ik hem niet kwalijk, want hij heeft ook veel ruwer handen dan ik.—Maar als hij mij zoent, zie, liefste freule, daarvoor zijt gij ongelukkig te laat gekomen: want zoenen, zoenen doet hij, zooals dat geen mensch op de wereld meer kan!”Anne was geheel in vuur geraakt en Adelgonde bijna om den hals gevlogen, daar zij, geheel en al met het beeld van haren Adonis vervuld, in alles zijn wezen meende te aanschouwen.“Nu, gij zijt mij een waardige leermeesteres!” sprak Adelgonde, wier droevige stemming, door de naïeve woorden van Anne geheel en al was geweken. “Gij klapt al aardig uit de school der liefde! Als Maarten dat wist, dan waren tusschen u beiden voorzeker alles ten eenenmale afgedaan.”“Toch niet! toch niet!” riep Anne: “hij heeft het suikeren hartje geheel en al naar binnen; ik heb het met eigen oogen gezien; en zou ik mijn goede, schoone meesteres, die mij zooveel heeft geleerd, niet in datgene mogen onderrichten wat zij onmogelijk weten kan?”“Gij meent het zeer goed met mij,” zei de jonkvrouw vriendelijk: “Ik dank u recht hartelijk voor uw aangenaam onderwijs,” en te gelijk verborg zij den doek, welken zij uit de hand van Alonzo had aangenomen, zonder dat Anne dit bemerkte, weder aan haren boezem, wel overtuigd dat de vurige Alonzo, Maartens lessen evenmin zou behoeven, als zij zelve die van hare kamenier.Vijfde hoofdstuk.Het is voor de tweede maal dat wij onze Lezers de herbergde Wijnstokbinnenvoeren, doch nu niet met oogmerk om ons in de gelagkamer van Gerrit Aal op te houden, en opnieuw in tabakswalm en brandewijnslucht te vertoeven, maar om de smalle wenteltrap op te klimmen, en eindelijk, na dien vermoeienden tocht, een tamelijk klein zolderkamertje binnen te treden. Het vertrek, dat wij onzen Lezers aanschouwelijk willen maken, was op genoemden zolder met planken afgeschoten. Een kleine deur, waaraan eene klinkwas bevestigd, diende tot den ingang, terwijl een tamelijk breed zoldervenster, eenigszins hoog geplaatst, een vrij voldoend licht inliet. Er heerschte een niet onbevallige wanorde in het anders zoo armoedige vertrek.Drie ouderwetsche stoelen van verschillenden vorm stonden in het rond, een onopgemaakt vierkant rustbed stond in een hoek bij den ingang, en was behangen met een rood damasten bekleedsel dat, hoewel oud en eenigszins verschoten, toch een vlag op een modderschuit geleek. Voorheen moest het zeker tot iets anders gediend hebben, wijl het voor deze wellicht hare laatste bestemming, veel te groot en dus vrij wijd en sierlijk geplooid was.De naaktheid der houten wanden werd zeer aangenaam gedekt door honderden prenten, schetsen in olieverf, meest Madonna-kopjes en kopieën naarRaphaël d’Urbino’sprachtige schilderijen. Portefeuilles en platen, paneelen en teekeningen, kleederen en verven, stonden en lagen in de grootste verwarring, op en onder de kleine eikenhouten tafel, op en nevens de fraaie stoelen, tegen en naast de veelkleurige wanden, ja zelfs over den met stof bedekten vloer verspreid. Twee groote wrijfsteenen met keien loopers stonden op eene aan den wand bevestigde plank, welke door een ijzeren staaf werd ondersteund. Potjes en fleschjes met verschillende oliën, benevens groote en kleinere penseelen omringden die wrijfsteenen, doch gunden evenwel nog plaats aan een ijzeren pot met gloeiende boekweitendoppen gevuld, welke zeker moest dienen om het vertrek of den bewoner te verwarmen. Een fraaie welbesnaarde citer, met een schoon geborduurden band, stond nog bovendien in een hoek van het onaanzienlijk doch niettemin ruim opgevulde vertrek.Te midden dier ontzettende wanorde, en wel bepaaldelijk bij het genoemde dakvenster, zat, voor den grooten schildersezel, de bewoner van het atelier, dat wij met onze lezers zijn binnengetreden.Hij scheen ongeveer vijf en twintig jaren oud te zijn, doch bij een slechts oppervlakkige beschouwing, gaven zijn bleeke en vermagerde trekken hem het aanzien van reeds de dertig te zijn ingetreden. Het gelaat des jeugdigen kunstenaars, waar inspanning en afmatting op te lezen stonden, had juist door die genoemde kleurloosheid, iets zeer belangwekkends. Niet weinig werd dit verhoogd door de lange zwarte haarlokken die, hoewel eenigszins onordelijk, tot op de schouders nederhingen. Maar hetgeen ieder onwederstaanbaar aan dit gelaat boeide, het waren vooral die twee flonkerende oogen, welke als lichtende sterren aan een anders somberen hemel schitterden.Onafgebroken werkte hij met onuitputtelijken ijver voort; met doode verven bezielde hij, vol innige zelfvoldoening, het bijna afgewerkte liefelijke beeld, het voorwerp zijner schepping. Steeds woelde het penseel door de verven, steeds bracht het de fijnste tinten op het bijna hemelsche wezen over, dat al meer en meer het oogenblik harer volmaakte vorming naderde. Het was de gezegendste aller vrouwen, de beminnelijke Moeder van den Zoon des menschen, die met haren zuigeling in de armen, in eenvoudige witte kleeding,door den kunstenaar op het zielloos doek werd getooverd. Haar wezen was zóó gemaald als zij er werkelijk moet hebben uitgezien. De diepste godsvrucht, de heiligste eerbied voor haar eigen zuigeling was op haar gelaat te lezen. Doch in de hoogste mate was ook aardsche schoonheid geschonken aan het beeld der uitverkorene vrouw, hetwelk ongetwijfeld het ideaal des kunstenaars moest wezen.“Zoo! Geen penseelstreek meer!” riep hij, eensklaps eenige schreden achteruitgaande: “Ja, zij is het! Zij is het geheel! Die laatste trek aan den mond maakte de gelijkenis volkomen. Dat lachje, dat hemelsche lachje!—Getroffen!—Getroffen zonder wederga!—Ja, zoo zag zij mij aan!—Ja, juist zoo!—Met dat engelengelaat, met dat reine, tevredene, dankbare lachje, waarmede Maria haar goddelijken Zoon moet hebben aangezien! O heilige kunst!” vervolgde hij in dwepende verrukking: “Goddelijk talent! wat dood is, geeft gij het leven, wat ons ontnomen was, geeft gij ons weder, wat wij verloren hadden, doet gij ons wedervinden. O, onuitsprekelijk schoon,—hemelsch! ja, hemelsch zijn uwe trekken! Gij alleen zijt waardig om de heilige Maria voor te stellen in hare reinheid en lieftalligheid!—Zoo mag ik u dan toch wederzien, na zulk een lange scheiding,—wederzien, na al dat vruchteloos zoeken, na al dat duldeloos lijden. O, gij zijt nog dezelfde. Nog even vriendelijk ziet gij mij aan, doch nu, nu bezit ik u voor eeuwig, nu zal niemand ons meer scheiden! Neen: mijn graf zal ook het uwe zijn!”In schier wanhopige verrukking snelde hij naar het gewrocht zijner handen, strekte beide armen naar het voorwerp zijner verbeelding uit, doch—liet ze plotseling weder als machteloos zinken:—“Dwaas! dwaas!” sprak hij langzaam en met een diepen zucht: “Is dit zwakke maaksel uwer handen dan het voorwerp uwer wenschen?—Is dit vlakke doek dan nu op eenmaal in de verlorene herschapen?—Dwaas!” ging hij voort: “Dwaas! het zijn slechts verven—verven, door u zelven gemengd—door u zelven daarop gebracht.—En gij bemint uw eigen maaksel?—Dit onvolkomen afdruksel van datprachtige origineel?”“Slechts verven!” riep hij nogmaals, en zeeg toen afgemat, terwijl groote droppelen zweets langs zijn voorhoofd liepen, met het oog onafgewend naar zijn tafereel gericht, op een stoel neder.Zijne ademhaling was diep en zwaar; zijne aderen waren dik gezwollen; zijn hart klopte hoorbaar, en telkens ontvlood een diepe zucht aan zijn geprangd gemoed.—Eenige minuten bleef hij in dezen toestand; toen stond hij eenigszins bedaarder op; nam de citer ter hand; sloeg eenige schoone akkoorden aan, en zong met een welluidende, doch klagende stem, de volgende woorden;“Dáár, waar de Maas haar zilvren stroomLangs hooge rotsen voert,Daar droomde ik aan haar kabblend boordIn ’t statig en toch lachend oord,Een schoonen zoeten droom.Ik droomde, dat in snelle vaartEen jonkvrouw, fier en schoon,Kwam rennen van der bergen top,Haar arm geslagen om den kopVan ’t ongezadeld paard.Haar angstkreet klonk van berg tot dal,Door de echo weergekaatst;Zij werd door vriend noch maag gehoord;De klepper holde rustloos voortEn dreigde haar ten val.Het ros, met schuim en stof bedekt,Stoof pijlsnel langs mij heen;Ik hoorde een klagend angstgeschrei;Zij zag mij aan, en hield naar mijDen blanken arm gestrekt.Die blik, en ’t kermend angstgeweenOntvlamden mijn gemoed;Met bliksemsnelheid vloog ik opEn greep den klepper bij den kop,Die eensklaps roerloos scheen.Eén schrede nog, en ’t hollend beest,Waar’, met zijn schoonen last,Gestort in ’t zilverglanzend nat;Eén schrede nog op ’t aklig pad,En ’t waar’ te laat geweest!Maar hoor, toen nu haar stemme klonk,Zoo rein, vol melodie,Toen was het of ik in dien stondMij bij het Godenheir bevondEn zuivren nectar dronk.“O,” klonk dat lieflijk rein geluid:“Ik dank u, edle knaap!Mijn redder, en mijn goede Geest!’t Waar’ zonder u te laat geweest:Gij hebt mijn val gestuit.”Ik droomde voort: Ik leidde haarDen bergtop weder op,Langs bloem en struik, langs mos en steen,En voerde haar naar ’t lustslot heenDes graven Aduaar.Ik droomde voort: Zij zag mij aan,En nogmaals klonk haar stem,Ten afscheid nu, een zacht: “Vaarwel!”Zij drukte mij de hand, en snelWas zij van dáár gegaan!’k Ontwaakte. Hemel! was ’t een droom?Slechts ijdle hersenschim?Had ’k dan die engel niet gezien?Had ’k niet getracht haar hulp te biênAan d’ oever van dien stroom?—Zoo waak ik voort, zoo droom ik voort,Reeds maanden, droef en lang.Was ’t werklijkheid of ideaal?Slechts zinsbedrog?—Heb ’k dan haar taalNiet hem hemelsch rein gehoord?”Hier zweeg de zanger. De twee laatste coupletten had hij met een bijzondere afwisseling in zijne stem en van gelaatsuitdrukking gezongen. Hij werd door vrees en hoop geslingerd. Zijn instrument gleed langs hem op den vloer neder, en somber bleef hij het portret aanstaren, waarin hij de trekken der bezongene schoone zoo duidelijk herkende.Een zacht tikken aan de kamerdeur wekte hem niet uit zijne overpeinzingen, en evenzeer bleef het door hem onopgemerkt, hoe weinige oogenblikken daarna, de lieve dochter uit deWijnstok, het onzen lezers reeds bekende Klaartje, de kamer binnentrad.Het meisje bleef eenige oogenblikken aan den ingang staan, en beschouwde den jongeling met een oog, waarin meer dan medelijden te lezen was. Zij naderde behoedzaam; plaatste zich achter zijn zetel; boog haar lieve kopje over zijn schouder; sloeg den linkerarm om zijn hals, en fluisterde toen, alsof zij een zacht slapende wilde wekken: “Jakob, gij moet niet droomen; droomen is zinsbedrog; een schoone droom is slechts een wreede kwelgeest die ons schatten toont, welke wij nimmer zullen bezitten, die ons een paradijs doet aanschouwen, ’t welk wij op deze aarde nooit zullen binnentreden.—Droom niet, Jakob,” vervolgde zij: “ontwaak! leef in de werkelijkheid; gij vermoeit uw geest en ondermijnt uwe lichaamskrachten. Leef voor de werkelijkheid, leef voor uw hemelsche kunst: eer en lauweren zullen uw deel zijn. Leef voor....”Hier hield zij eensklaps op; een hoogrood bedekte hare wangen, en vragende zag zij, als ter sluik, den somberen jongeling aan. Hij zag haar niet, hij hoorde haar niet.“Vaarwel heeft zij gezegd!” sprak hij eindelijk: “Vaarwel!.... doch tot welken tijd?—Neen, ik zal haar nogmaals gaan zoeken, weder dagen omdolen in die streken waar ik droomde....—Droomde....?Ontferming, hemel! was ’t een droom?Slechts ijdle hersenschim’?Heb ’k dan die engel niet gezien?—Ja! ’k heb getracht haar hulp te biênAan d’ oever van den stroom!”Deze woorden, welke hij onstuimiger dan de vorige zong, schenen zijn besluit te bepalen. Eensklaps sprong hij op, en misschien zou hij blootshoofds ter deure zijn uitgesneld, zoo Klaartje hem niet in den weg ware getreden en, hem smeekend aanziende, gezegd had:“Hoe! wilt gij dan in dit koude jaargetijde, zonder behoorlijke kleeding, verre van hier, datgene gaan zoeken, ’t welk gij reeds zoolang, doch steeds tevergeefs hebt gezocht? Wilt gij dan uw gezondheid, zelfs uw leven ten offer brengen om een ijdele schim na te jagen?—Gij droomt Jakob,” vervolgde zij, terwijl zij met hare hand de haarlokken, die over zijn voorhoofd gevallen waren, ter zijde streek. “Kom tot u zelven; gij zijt ongesteld; een koorts heeft u aangegrepen. O, ga niet van hier; blijf! ik zal u verzorgen!” De jongeling was op Klaartjes woorden roerloos blijven staan. Hij had haar met een mengeling van wezenloosheid, goedheid en onderwerping aangehoord. “Gij zijt een goed meisje!” sprak hij, als ontwakende: “gij hebt gelijk, wat zou het mij baten! doch het brandt mij inwendig.... ik gevoel mij zeer afgemat.”Bij deze laatste woorden zeeg de ongelukkige kunstenaar, door geestinspanning uitgeput, langzaam ineen, en zou voorzeker nedergevallen zijn, zoo niet het liefderijke meisje ter hulpe ware gesneld, en den bezwijmde in hare armen had opgevangen. Met eene inspanning, die hare krachten bijna te boven ging, nam zij den jongeling op, en legde hem op het rustbed neder. Zachtkens schoof zij de rood damasten gordijn dicht, opdat het daglicht hem niet zou hinderen, en keek toen, met een bezorgd hart, door een kleine opening naar den lijder, ten einde zich te overtuigen dat hij leefde. Met aandacht luisterde zij naar zijn langzame doch geregelde ademhaling, en lette met ingehouden adem op het kloppen van zijn hart, toen eensklaps de deur openging en een sierlijk gekleed edelman het vertrek binnentrad.De nieuw aangekomene had eerst eenige oogenblikken rondgezien zonder iemand te ontdekken, doch ontwaarde eindelijk het bekommerde meisje dat, gedeeltelijk in de plooien van het gordijn verborgen en geheel met haar lijder vervuld, evenmin de komst des jonkers had opgemerkt.“Waarachtig, een allerliefst tooneel!” sprak de jonker Van Rodenberg, op spotachtigen toon: “een schoone die haar slapenden minnaar bespiedt! Het is voor u te wenschen aardig kind!” ging hij, haar aansprekende, eenigszins harder voort: “dat gij niet, evenals Potifars huisvrouw, een zedigen Jozef achter die gordijnen begluurt.”Klaartje, hoewel de dochter eens kasteleins en derhalve eenigermate aan onkiesche kortswijl gewoon, was door de komst des jonkers zeer verrast. Zeker was de schijn tegen haar, doch de onteerendevergelijking, die hij haar zoo onverdiend deed ondergaan, en haar gevoel van eerbaarheid tegenover zijne betichting van verregaande zedeloosheid, gaf haar den moed zich onverschrokken van die blaam te zuiveren.“Uw scherts is bitter en ongepast,” sprak zij zachtjes: “De schilder is ziek, zeer ziek; hij slaapt; een flauwte heeft hem bevangen. Verwijder u wat ik u bidden mag, edele heer! Gij kunt hem nu niet spreken; kom dezen middag, kom morgen terug, doch laat hem nu rusten.”“Dat ding is, bij mijne eer, drommels loos!” zeide Van Rodenberg: “Die ziekte is hem dan al zeer spoedig aangewaaid. Zooeven nog, toen ik op de straat voorbij kwam, zong die ongelukkige man als een lijster. Ha ha! wij kennen die ziekten! Nu, voor den duivel, ik neem het u niet kwalijk, doch zet die liefelijkheden wat later voort.—Kom, wakkere kunstenaar!” riep hij, op het bed toetredende: “kom voor den dag! Het spijt mij zeer u te moeten storen; doch ik heb haast. Mijn portret moet gemaakt worden!”“Om ’s hemels wil, spreekt zacht,” smeekte Klaartje. “De ongelukkige is door vermoeienis en uitputting bewusteloos terneder gevallen. Wie weet of hij niet stervende is?—Ik bid u edele heer, ik bid u dringend: ga van hier; heb medelijden met een wezen dat misschien weldra zijn einde nabij is.”“Gij zijt voorwaar een onnoozele deerne!” sprak Van Rodenberg. “Een overdrevene verdediging pleit zelden voor de waarheid. Kom kom!” vervolgde hij, terwijl hij het angstig afwerende meisje vrij onzacht bij den arm greep en ter zijde schoof: “die comedie heeft al lang genoeg geduurd; ik zal u uw minnaar niet ontrooven; kom wat later terug, doch laat ons nu alleen.”Klaartje hield wel den jonker bij zijn mantel vast, doch kon niet beletten dat deze het rustbed naderde en de gordijnen ter zijde schoof.De schilder opende de oogen; streek met de hand over het voorhoofd, en staarde in het rond.“Waar ben ik?” zeide hij: “Zij is er dus niet?—Alweder een droom!—Doch ’t is voorbij!”“Het doet mij werkelijk leed,” sprak Van Rodenberg die, in weerwil van de vermagerde trekken en het bleeke gelaat des kunstenaars, niet willig scheen de waarheid te gelooven: “Het doet mij werkelijk leed u in uw aangename droomerijen te moeten storen; doch mijn portret dient spoedig gemaakt te worden. Ik zal u goed betalen; toef niet langer, wakkere zoon der muzen! Het zal u voordeel en eer bezorgen; het eerste vooral moet u niet onwelkom zijn.”Na deze woorden verwijderde hij zich van het rustbed: neuriede een deuntje, en plaatste zich toen voor den schildersezel waarop nog steeds de Madonna stond. “Bij mijne ziel!” riep hij na eenig zwijgen: “wie voor den duivel heeft het u in de gedachten gegeven, om de dame van mijn hart met een kind op den schoot te schilderen? Dat heet ik waarachtig de tijden vooruit loopen! Adelgonde als moeder! Nu, het staat haar niet slecht. Hebt gij de jonkvrouw Van Bergen zóó naar het leven gemaald?”Bij de eerste vraag des jonkers was de schilder in zijn bed overeind gerezen en had den vrager strak aangestaard; bij de laatste echter sprong hij, als buiten zich zelven van de legerstede; liep op den jonker toe, en greep hem onstuimig bij den arm.“Spreek! kent gij haar? Adelgonde Van Bergen, zegt gij? Die engel!—En gij.... gij bemint haar?” riep hij, terwijl een lichte blos zijn doodsbleek gelaat kleurde: “Waar is zij?—Spreek!—Ik zal haar dan zien.... eindelijk wederzien!”“Gij zijt dronken, knaap!” bromde Van Rodenberg: “Wilt gij op alle mogelijke wijzen den draak met mij steken? Ik ben jonker Walter Van Rodenberg; het moet u tot niet weinig eer verstrekken, dat ik tot u kom om mijn portret door u te laten vervaardigen. Maak een einde aan die schilders-zotheden; zet u aan den arbeid; mijn tijd is kostbaar!”De Geest was door deze, op gebiedenden toon geuite woorden tot zich zelven gekomen. Wel doorwoelden honderden aandoeningen zijne borst; wel bestierven honderden vragen hem op de lippen; doch hij kropte ze op, en maakte werkelijk de noodige toebereidselen tot den arbeid.Zesde hoofdstuk.Reeds te lang hebben wij Alonzo uit het oog verloren. Den morgen na het vermelde bal vinden wij hem in zijne kamer terug. Het vurig verlangen om nader met de schoone Adelgonde bekend te worden, deed hem tallooze plannen vormen, welke hij echter even spoedig weder verwierp. Eindelijk scheen zijn besluit genomen.—Ik moet rechtstreeks handelen, sprak hij bij zich zelven: waarom zijpaden bewandeld, daar de rechte weg voor mij open ligt? Mijn bloed is even edel, wellicht edeler dan het hare; mijn vermogen is groot; rijkdom en eer kunnen haar deel worden. Wij komen in dit land als vrienden, niet als vijanden. Wat zou mij dan in den weg kunnen staan? Op welken grond zou de graaf Van Bergen aan den markgraaf De Spinola zijne dochter ten huwelijk weigeren?Hij floot, en beval den binnentredenden bediende zijn schimmel te zadelen.“Moet ik uw genade vergezellen?” vroeg deze.“Dat is niet noodig Ferdinand.” antwoordde Alonzo: “Ik zal....”Hier werd het gesprek gestoord door het aandienen van den jonker Van Rodenberg, die dadelijk daarop binnentrad.“Bonjour, Bonjour! hoe hebt gij geslapen?” vroeg deze, met de hem zoo eigen vrijpostige gemeenzaamheid: “Het was mij recht aangenaam kennis met u te maken, en hoop die, gedurende uw vereerend verblijf alhier, voort te zetten. Wij zullen vrienden zijn,edele Spinola! Ik kom u de oprechte verzekering mijner genegenheid brengen.”“Ik zal niet gaan rijden Ferdinand!” zeide Alonzo, nadat hij de verplichtende woorden des jonkers beleefdelijk beantwoord had.Ferdinand boog en vertrok.“Gij zijt een vreemdeling in onze streken,” vervolgde Van Rodenberg: “en daarom eischt de Hollandsche gastvrijheid van mij dat ik u mijne diensten kom aanbieden. Indien mijn gezelschap u aanstaat, zult gij in mij een vriend vinden, die uw verblijf alhier kan veraangenamen.”—Bij deze woorden stak hij hem de hand toe, en Alonzo die, hoewel niet geheel met den persoon tevreden, door zoovele bewijzen van welwillendheid meer met hem verzoend werd, nam de aangebodene hand en schudde die trouwhartig.“Gij maakt mij inderdaad verlegen,” zeide hij: “Het is ongetwijfeld veel eer voor mij, dat gij mij uw vriendschap wilt waardig keuren.”De beide nieuwe vrienden plaatsten zich. Alonzo liet een flesch Spaanschen morgenwijn komen en vulde de fijne glazen. Van Rodenberg die zijn glas had opgenomen, stiet het tegen dat van Alonzo en ledigde het tot op den bodem. Alonzo deed insgelijks. Het gesprek liep eerst over onverschillige onderwerpen, het bal van den vorigen avond kwam weldra ter sprake, en Alonzo die van begeerte brandde om iets aangaande Adelgonde te vernemen, luisterde met geen geringe belangstelling, toen de jonker over den edelen graaf Van Bergen en zijne dochter begon te spreken.“Men heeft elkander om dat duifje reeds menigen kogel door den kop gejaagd,” zeide hij: “Reeds menig wakker edelman heeft den steven naarden Oldenburghgewend, doch werd door fellen stormwind teruggedreven. Die oude graaf houdt het vogeltje in de kooi en verliest het nimmer uit het oog. Zij heeft reeds menige blauwe scheen laten loopen, en wel zou ik oppassen mij daaraan te wagen.” Bij deze woorden sloeg hij een veel beteekenenden blik op Alonzo; maar bemerkte dien niet; maar voelde zich toch zonderling verlicht, daar hij den jonker, waarom wist hij zelf niet, als een machtigen medeminnaar had beschouwd, en nu uit zijn eigen mond de ongegrondheid van dit vermoeden vernam.“Leve de vrijheid!” riep de jonker, den opnieuw gevulden roemer zwaaiende: “Leve de vrijheid met een welgevulden buidel! Vergeet hier voor een tijd uw schoone en uwe eeden, gij behoort nog tot dat bataljon, waarbij voor geld en goede woorden volkomen absolutie te verkrijgen is. Geniet de vrijheid en de jeugd, zoolang gij ze genieten kunt. Volg mij, ik zal u op dat pad een veilige leidsman zijn.”Van Rodenberg zag aan de ernstige trekken des Spanjaards dat hij, om tot zijn doel te geraken, den juisten toon niet getroffen had. En inderdaad, Alonzo aan het geloof zijner vaderen gehecht—al gevoelde hij ook zelf dat daarin vele dwaalbegrippen heerschten,—kon in zaken van godsdienst geen den minsten spot verduren, en had daarbij, hoewel geoorloofd genoegen geenszins verachtende, een natuurlijken afkeer van dat losbandige leven, hetwelk op niets dan schade uitloopt.“Uw bedoelingen zijn wellicht goed,” zeide hij: “en zoo ik hoop, wilt gij mij of mijn geloof niet beleedigen, doch mijne grondbeginselen zijn van dien aard dat ik niet in uwe gevoelens kan deelen. De liefde is het edelste wat den mensch kan bezielen. Gepaste vreugde is zeer geoorloofd, doch, met uw verlof, mijn leuze kan nooit de leuze der losbandigheid zijn.”“Wel wel!” zeide Van Rodenberg lachende: dat heet ik iemands woorden fraai uitleggen. Ik wensch den somberen minnaar wat op te vroolijken en eenige afleiding te bezorgen, en wordt daarom met den edelen naam van losbandige begiftigd.—Wij spreken in Holland ronde woorden: wij zeggen wat wij denken, doch zoo gij, graaf! veronderstelt dat mijne bedoelingen....”“Ik ben te voorbarig geweest,” viel Alonzo hem in de rede, daar hij berouw had zich zoodanig te hebben uitgelaten: “Mijne oordeelvellingen waren ontijdig, zonder u te kennen heb ik u wellicht verkeerd beoordeeld,” en zijn glas opnemende, stiet hij het tegen dat des jonkers, en beiden ledigden nu den beker tot op den bodem.“Welnu, met dit glas hebt gij u, in weerwil van uwe grondbeginselen, aan mijne losbandigheid overgegeven!” zeide Van Rodenberg: “Wij spreken in het vervolg vrij met elkander en zullen voorzeker vrienden blijven!”Alonzo, wiens prikkelbaar gemoed even spoedig aan oprechtheid geloofde als het zich aan achterdocht overgaf, beschouwde nu den jonker als een goedhartigen doch vroolijken knaap, die hem ongevraagd en onbaatzuchtig zijne vriendschap en diensten kwam aanbieden. Hij beschuldigde zich zelven van ondankbaarheid zoo hij deze welwillendheid met stugheid en achterhoudendheid beantwoordde. Van Rodenberg was met Adelgonde en haar vader bekend; op het bal reeds had hij zich iets aangaande hare afkomst laten ontvallen. Hij zag in hem nu geen jaloerschen medeminnaar meer, en wat belette hem dus over deze zaak te spreken met den man, die zich zoo welwillend jegens hem betoonde?“Welaan!” zeide Alonzo: “gij zult mij voorzeker met uwe inlichtingen van dienst willen zijn?—Welnu dan:” en thans verhaalde hij met een vloed van woorden, hoe hij Adelgonde had gezien, hoe hij bij zich zelven gezworen had, nooit eene andere dan haar tot gade te zullen nemen, dat hij haar reeds op het bal zijne liefde had geopenbaard, en vast besloten had, haar zijn naam en zijn vermogen aan te bieden, voorts dat hij reeds zeer spoedig bij den graaf Van Bergen aanzoek om hare hand wilde doen, terwijl hij eindigde met Van Rodenberg te verzoeken, hem datgene te melden wat hij aangaande hare geboorte wist, of wat de wereld daarvan zeide.De spreker had in het vuur zijner rede niet opgemerkt dat, onder het uiten dezer woorden, des hoorders vriendelijk gelaat de uitdrukking van een loerenden hyena had gekregen; hij had niet gezien dat zijne groote roode lippen verbleekt en de neusgaten van den kleinen stompen neus wijder opengespalkt waren.Van Rodenberg had zijn gelaat naar een andere zij gewend; en toen nu Alonzo geëindigd had, was het weder—hoewel meer dante voren gekunsteld—in dezelfde plooi, en antwoordde hij op Alonzo’s laatste vraag, vrij natuurlijk lachende: “Booze roover! kwaamt gij daarom herwaarts? Zijn dat uwe bedoelingen? Wilt gij de schoonste bloem uit het noorden in zuidelijker lucht overplanten? De hovenier zal er bezwaarlijk van afstappen: zoolang gekweekt, zoolang getroeteld! Doch wat de ent aanbelangt” vervolgde hij, zich even bezinnende: “ja, die was wel echt, doch werd helaas! op wilden stam gegriffeld.”“Wat bedoelt gij?”“Wat ieder weet,” hervatte Van Rodenberg: “Zij is de natuurlijke dochter van den graaf Van Bergen; de vrucht van een ongeoorloofde verbintenis met een zijner dienstmaagden; doch,” liet hij er onmiddellijk op volgen: “gij hebt mij rondborstig uw geheimen geopenbaard; ik zal ze bewaren, doch vertrouw insgelijks van u, dat gij mijne woorden zult geheim houden.”“Gij liegt!” riep Alonzo, opspringende: “Gij zegt iedereen weet de zaak, en evenwel eischt gij mijne geheimhouding.”“En gij beleedigt mij!” hernam Van Rodenberg, mede opstaande; doch zich eensklaps bezinnende, vervolgde hij zeer kalm: “Neen, ik begrijp uwe drift, maar, ik bid u, moet gij dit aan mij wijten? Wilt gij bewijzen voor de waarheid mijner woorden? Ik zal ze u nog dezen avond verschaffen; laat ons als vrienden scheiden, en tegen negen uren zal ik u mijn knaap zenden, die u voeren zal waar ik u op dat uur zal verwachten.”Bij deze woorden stak hij Alonzo de hand toe, die haar werktuiglijk aannam.—“Vaarwel, edele Spinola, tot hedenavond!” en hiermede verliet de jonker haastig de kamer.Alonzo snakte, na dit zoo hoogst onaangenaam gesprek, naar vrije lucht. De uitgestelde wandelrit wilde hij hervatten, en hij gevoelde zich ruimer, toen hij, op zijn fraaien schimmel gezeten, in gestrekten galop de lanen van het Haagsche Bosch doorkruiste.Toen hij bijna een paar uren gereden had, en zijn paard stadwaarts wendde, zag hij in de verte een ruiter aankomen, die insgelijks op Den Haag aanreed.De ruiter, die nu slechts een paar honderd schreden van Alonzo verwijderd was, gaf eensklaps zijn paard de sporen, en verdween ijlings in eene zijlaan.—Was dat jonker Van Rodenberg niet? dacht Alonzo: Zou hij mij niet gezien hebben, of wat noopte hem anders zoo plotseling dat zijpad in te slaan?”Langzaam reed hij door, en het was reeds schemerdonker toen hij aan zijne woning terugkwam.Weldra was het negen uren, en Alonzo werd bericht dat een knaap hem aan de deur verbeidde.Zou hij gaan? Zou hij zich naar een onbekende plaats begeven, om de zekerheid van eene voor hem zoo treurige waarheid te bekomen?Alleen de drift om iets, wat het dan ook zijn mocht, aangaande Adelgonde te vernemen, en om bovendien zijn gegeven woord niette breken, deed hem tot dien gang besluiten; hij wierp den mantel over den schouder, en volgde den knaap die een kleine lantaarn in de hand hield.Het was een koude avond. Een dichte jachtsneeuw joeg Alonzo in het aangezicht, en terwijl hij steeds zijn jeugdigen leidsman volgde, doorliep hij verscheidene straten, en sloeg eindelijk met hem een nauwe steeg in.“Gij brengt mij waarlijk in geen voorname buurt!” zeide Alonzo: “hier kan onmogelijk de woning van den jonker Van Rodenberg zijn.”“Zijnedele heeft mij gelast, uwe genade in den Avondtempel te brengen,” antwoordde de knaap. Weinige schreden verder gekomen, opende hij een zware eikenhouten deur, en verzocht den graaf binnen te treden. Beiden doorliepen nu eene vrij lange gang, daalden eenige trappen af, en bevonden zich weldra in een gewelfde ruimte. De knaap trad op eene—zich aan het einde bevindende groote deur toe, en klopte vrij sterk met den klopper aan. De deur werd van binnen geopend, en, door het sterke licht dat Alonzo—in tegenstelling van de buiten heerschende duisternis—op eenmaal de oogen verblindde, kon hij in het eerst niet duidelijk onderscheiden waar hij zich bevond. Langzaam echter aan het licht wennende, zag hij nu dat hij een langwerpige zaal was binnengetreden, welker lage zoldering op zes steenen kolommen rustte; langs de wit gepleisterde wanden stonden, op kleine afstanden van elkander, eikenhouten tafeltjes, benevens banken van hetzelfde hout. De aanwezigen waren meest allen jonge lieden uit den beschaafden stand. Hoewel dit echter geenszins merkbaar was aan den toon die hier heerschte, kon hij dit toch bespeuren aan de kleederdrachten en aan de, hoewel ruwe, toch meer verfijnde uitdrukkingen der heeren.De deur was dadelijk weder achter Alonzo dichtgeslagen, en onaangenaam was hij te moede toen hij zich daar alleen te midden van een vreemd gezelschap bevond. Na een oogenblik rondgezien te hebben, besloot hij terug te keeren, en had reeds de hand aan de zware klink geslagen, toen een: “Ha! zijt gij daar? Welkom! welkom vriend!” uit Van Rodenbergs mond hem in de ooren klonk.Verrast zag hij om: “Is het hier?” vroeg hij dadelijk op fluisterenden toon: “dat gij mij nadere opheldering of zekerheid omtrent een zoo teedere zaak wilt geven?”“Bah!” zeide Van Rodenberg: “denkt gij daar nog aan! ’t Was voornamelijk mijn doel om u met onzen Avondtempel bekend te maken. Hier vindt gij de aangenaamste en vroolijkste gasten. Die ophelderingen zal ik u wel naderhand geven; doch bekreun u daar thans niet om.—Jonker Arends! ik heb het genoegen u mijn waardigen vriend, den edelen Alonzo Spinola voor te stellen.” Deze laatste woorden had Van Rodenberg gericht tot een jonkman, wiens gelaat de ontegenzeggelijkste sporen van een verwaarloosd leven droeg. Arends stond op, trad naar Alonzo toe, en bood hem zijne hand. Doch Alonzo, niet gewoon zijne vriendschap zoo terstond weg te schenken, hield zich alsof hij die aanbieding niet bemerkte, en boog zich voor den jonker.“Dezen morgen heb ik bij mijn vriend een kostelijk glas Spaanschen wijn gedronken,” ging Van Rodenberg voort: “en hoewel er op onze naakte duinen geen wijnstok groeit, zoo bevat de kelder van onzen aan Bachus gewijden tempel, toch druivensap dat, op Duitschlands bergen gekweekt, in onze bekers parelen en onze harten vervroolijken zal.—Gij zult mij eene welkomstteug,” vervolgde hij tot Alonzo: “voorzeker niet weigeren?”De aangesprokene zag zich in zijne verwachting deerlijk teleurgesteld, en zou geld hebben willen geven, indien hij onmiddellijk had kunnen vertrekken. Een aangeboden dronk te weigeren, ging echter zeer moeielijk, en daarom besloot hij te vertoeven, in de hoop dat Van Rodenberg spoedig met hem gaan, en hem dan de verlangde bewijzen zou ter hand stellen.“Nu,” zeide hij, tegen zijn wil toegevende: “wij zullen uw wijn eens proeven.” De drie jongelieden namen aan een tafeltje plaats. Van Rodenberg bestelde eene flesch ouden Rijnwijn, en weldra parelde deze in de bekers.Arends dronk onophoudelijk de gezondheid van al wat slechts Spaansch bloed in de aderen had, en Alonzo, wien de edele wijn als nectar smaakte, en bij iederen beker al minder waarheid van logen kon onderscheiden, vergat weldra zijne zorgen, en deed den heeren wakker bescheid.“De derde flesch!” riep Van Rodenberg, met de vuist op de tafel slaande: “Doch voor den duivel!” vervolgde hij, een triomfanten blik op de reeds eenigszins benevelde oogen van Alonzo slaande: “wij kunnen niet met ledige handen dien heerlijken wijn zien schuimen. Wij zullen ons geluk beproeven mijne heeren! wat raakt ons fortuin of goederen!” En met nog grooter hevigheid eischte hij dobbelsteenen.Tegen dien laatsten voorslag echter, kwam het beter gevoel van Alonzo op, hij had een afschuw van het spel, evenals hij een afkeer van dronkenschap had; en hoewel reeds onwillekeurig de palen der strikste matigheid te buiten gegaan, besloot hij niettemin geen deel te nemen aan een vermaak, waarvan hij maar al te dikwijls de nadeelige gevolgen van nabij gezien had.“Gij kunt uw gang gaan,” zeide hij: “hoewel ik het u afraad; maar ik zal niet spelen, dewijl ik het spel als een verderfelijk kwaad beschouw.”“Bij mijne eer, dat heet ik den fijne uithangen!” riep Van Rodenberg: “welk een kinderachtige verontschuldiging. Mijn troetelkind een verderfelijk kwaad? Elkander met gelijke wapenen bevechten, noemt gij eene verkeerdheid? Gelijke kansen, gelijke steenen! Bah! malligheid zeg ik u, niets dan hedendaagsche femelarij!—Leve het spel!”“De gierigaard alleen,” zeide Arends, Van Rodenbergs woorden vervolgende: “schrikt terug voor een eerlijk spel. Hij alleen wil niets wagen, maar altijd zeker winnen.”“Maar gij!” ging Van Rodenberg weder tot Alonzo voort: “Gij! door wiens aderen onbaatzuchtig bloed stroomt; een Spanjaard, edelen vermogend, zoudt gij werkelijk angstvallig zijn om iets van dat vermogen te wagen? Neen! daarvoor ken ik u reeds te wél, gij zult mij een kans niet weigeren. Drie honderd kronen wil ik in den eersten worp met u wagen!”De dobbelsteenen rommelden in den kroes, en negen punten wierp hij op de tafel. De jonge Spinola aarzelde nog, doch den spotachtig, hoonenden blik waarmede Arends hem aanzag, kon hij niet verduren: Deze blik verlamde zijn vasten wil. Zijn genomen besluit wankelde, en werd door een kwalijk geplaatst eergevoel vervangen. Hij vatte den kroes op, schudde dien, en elf punten wierp hij ter neder. “Gij hebt gewonnen!” zeide Van Rodenberg zeer koel: “Laat ons nogmaals drinken; de fortuin is mij niet gunstig.”“Niettemin zullen wij nog één worp doen,” sprak Alonzo, wien het hinderde gewonnen te hebben.“Welaan dan!” hernam Van Rodenberg: “doch dan zullen wij den inzet verdubbelen: zeshonderd kronen!” Weder klonken de steenen in den kroes, en zeven punten vielen. Alonzo wierp zes, en had verloren.Van Rodenberg, van zijn kant zich nu weder edelmoedig toonende, vond goed het spel voort te zetten. Het geluk had Spinola geheel en al den nek toegekeerd; hij verloor onophoudelijk, en hoewel hij gedurig geneigd was het spel te staken, wilde zijne tegenpartij daar niet van hooren: zulk een grove winst mocht hij niet zonder voldoening aannemen.—Door een onafgebrokenquitte ou doublewerd de schuld van Alonzo bij iederen worp verdubbeld! Acht duizend kronen waren reeds door hem verloren.“Het geluk zit in uw kroes!” zeide hij eindelijk met een, door het gestadig gebruik van den zwaren wijn, verhit gelaat: “Geef mij uw steenen, ik zet tweemaaldoubletegenquitte.”De jonker Van Rodenberg verbleekte, doch herstelde zich spoedig.“Waartoe zou dit dienen?” vroeg hij zoo bedaard mogelijk, doch tastte middelerwijl geheimzinnig in den zak van zijn wambuis; maakte een snelle beweging met den kroes onder de tafel, en vervolgde toen, geveinsd lachende: “Doch indien gij denkt dat mijn geluk in den kroes steekt, welnu hier is hij.”“Ellendige! gij hebt valsch gespeeld!” riep Alonzo, eensklaps verwoed opspringende, en zich dreigend vóór Van Rodenberg plaatsende: “Gij zijt een eervergeten schurk, jonker Van Rodenberg!—Mijne heeren!” ging hij overluid voort, de zaal rondziende: “duldt gij een edelman in uw midden die tevens een valsche speler is?”’Van Rodenberg had een oogenblik zijn tegenwoordigheid van geest verloren, doch zich nu ontmaskerd ziende, begreep hij dat slechts een koelbloedige bedaardheid hem kon redden: “Gij zijt mijn gast,” zeide hij, terwijl hij zich op de breede lippen beet: “Gij zijt een vreemdeling in ons midden, en dus past het mij, u ongehinderd van hier te laten gaan; doch, bij mijne eer, waart gij een Hollander, gij zoudt niet ongestraft die grove blaam op mijn alom bekende eerlijkheid geworpen hebben!”Al de aanwezigen hadden zich om de twistenden geschaard.Alonzo, door drank en spel verhit, en bovendien met afkeer voor Van Rodenberg vervuld, vergat zich zelven geheel, en door al die buitengewone omstandigheden zijn anders zoo zachtmoedig en beminnelijk karakter verloochenende, gaf hij den jonker een slag in het aangezicht, zoodat deze achteruit tuimelde en bij een steenen kolom nederviel. Spoedig echter sprong VanRodenbergweder overeind; trok zijn degen, en zou Alonzo ter neder hebben gestooten, zoo niet eenigen der aanwezigen hem hadden tegengehouden.De jonge Spinola kwam tot zich zelven, en gevoelde nu eerst levendig hoe ver zijn kwalijk geplaatst eergevoel hem had weten mee te sleepen. Daar stond hij nu tegenover den nietswaardige, die, in weerwil zijner schandelijke daad, zich nog beleedigd veinsde.“Uw geld zult gij hebben, lage gelukzoeker!” zeide Alonzo eindelijk: “doch eenmaal zult gij rekenschap moeten afleggen van uw nietswaardig bestaan.”“Rekenschap! rekenschap! ja, die zult gij mij geven!” berstte Van Rodenberg los, zich steeds verongelijkt veinzende, en wierp tegelijk zijdelings een blik op iemand die, tot dusverre onopgemerkt achter eene kolom had gezeten, en wiens kleine oogen van onder den breeden rand van zijn grijzen hoed glurend rondstaarden.“Kies wapenen, vermetele Spanjaard, die een Hollandsch edelman durft lasteren! Morgen zult gij de plaats vernemen waar wij een van beiden ons leven zullen laten!”Niets kwam Alonzo verachtelijker voor dan een tweegevecht, en dat nog wel met zulk een ellendeling; doch wat zou hij doen! Eéne schrede gezet op het verkeerde pad, en men wordt van het eene kwaad tot het andere gedreven.“Den degen!” zeide hij, Van Rodenbergs uitdaging aannemende, en snel zijn mantel omwerpende, opende hij de deur, en verdween in de gewelfde ruimte.Nog slechts weinige schreden was hij voortgegaan of hij bemerkte, niettegenstaande de duisternis, dat hem iemand op den voet volgde.“Wie daar?” riep hij stilstaande. Tot bescheid gonsde hem een kogel langs het oor, welke, slechts een duim juister aangehouden, zijne hersenen zou verbrijzeld hebben. Alonzo, eenigszins ontsteld, trok zijn degen, doch hoorde nu duidelijk de woorden, door een jonkman gesproken: “Ziedaar ellendige sluipmoordenaar!” en tevens het nedervallen van een lichaam.—“Zijt gij de graaf Spinola?” vroeg nogmaals dezelfde stem. Alonzo antwoordde toestemmend: de jonkman trad hem nu op zijde, en na met hem de lange gang te zijn doorgegaan, kwamen beiden weldra in de open lucht. “Gij hebt mijn aanvaller gestraft. Ik dank u wakkere knaap!” zeide Alonzo: “doch hoe kendet gij mij? en welk toeval bracht u dáár in dien tempel des satans om mij te verdedigen?”“Ik heb eene boodschap aan u, edele heer!” zei de jongeling: “en daar ik aan uwe woning vernam dat de jonker Van Rodenberg u genoodigd bad, was ik zeker u in den Avondtempel te zullen vinden. Juist kwam ik van pas om uw aanvaller met een duchtigen vuistslag ter aarde te werpen.”“Gij hebt braaf gehandeld,” hernam Alonzo: “Doch gij hadt eene boodschap aan mij?”“Dit briefje moest ik u ter hand stellen,” sprak de jonkman, die niemand anders dan Maarten was: “Het komt vanden Oldenburgh.”Alonzo nam het briefje begeerig aan, en door Maarten op zijn verzoek tot aan zijne woning vergezeld, stopte hij dezen eenig geld in de hand, begaf zich vervolgens naar zijne kamer, en las de volgende woorden:“Waarschijnlijk zult gij u morgen met het gezantschap ten onzent bevinden. Ik bid u, voor uwe en mijne rust, door geen het minste teeken te verraden, dat gij mij genegen zijt.”Deze regelen waren met de letters A. V. B. onderteekend.

Vierde hoofdstuk.De graaf Van Bergen zat in zijn hoogen, met rood marokijn leder gevoerden ebbenhouten leuningstoel, op zijn kasteelden Oldenburgh, hetwelk ongeveer op een uur afstands van ’s-Gravenhage was gelegen. Met strakke oogen staarde hij in het groote, helder vlammende vuur, welks bestanddeelen, die spoedig in asch zouden verkeeren, bouwkunstig waren opeengestapeld. Vroolijk knappendspatten de vonken en stegen in den ontzaglijk breeden schoorsteen op, om weldra echter in kleine stofjes weder neer te komen.Des graven lichaam was bijna geheel in een fluweelen morgenkleed gewikkeld; alleen waren zijne beenen en voeten zichtbaar, die in zwarte zijden kousen en groote roodlederen pantoffels staken. De wanden van het ruime vertrek, aan welks einde Van Bergen was gezeten, waren behangen met groote portretten in prachtig gesneden eikenhouten lijsten. Het waren des graven ouders en voorouders, die zwijgend, in ouderwetsche kleederdrachten, van hun hooge standplaatsen schenen neder te zien. Die groote kruisramen met kleine in lood gevatte vensterglazen, gaven over de breede gracht, die het geheele kasteel omringde, het uitzicht op een eikenhouten bosschage, dat nu geheel van bladeren ontdaan, door de ijle takken, het oog een vrijen doorgang liet, en het de in nevelen gehulde torens van het vorstelijk ’s-Gravenhage in de verte deed aanschouwen. Adelgonde zat—insgelijks in een morgengewaad, doch van witte stoffage, voor het middelste der groote kruisramen. Een prachtig borduurwerk rustte op haren schoot, en met een bewonderenswaardige vlugheid hanteerden haar kleine vingeren de fijne borduurnaald. De stilte duurde onafgebroken voort. Adelgonde wendde het oog naar haren vader, doch naardien hij met den rug naar hare zijde gekeerd zat, kon zij noch den somberen ernst van zijn edel gelaat, noch zijn zwaar gerimpeld voorhoofd aanschouwen.Nu sloeg zij haren blik naar het nevelachtige landschap. Akelig dof teekenden zich de naakte takken der eiken tegen den somberen grijzen hemel. Geen sterfelijk wezen ontwaarde zij in de rondte, en toch, toch bleef haar oog in dat donkere verschiet staren, toch zweefde haar geest over die thans zoo droeve landstreek, en dwaalde met vurig verlangen, maar tevergeefs, door de ontvolkte straten der stad en door de ontruimde balzalen van het Prinselijk paleis, ten einde den schoonen jongeling te ontdekken, die uit vreemde gewesten moest komen, om haar met een gevoel bekend te maken dat zij kort te voren nog slechts bij name gekend had. Een diepe zucht, dat onbetwistbare kenmerk van een vurig verlangen, ontglipte aan haar hijgenden boezem, en slechts met ééne gedachte bezield, haar geest zich slechts met één wezen bezighoudende, ontging het harer aandacht geheel, hoe aan het andere einde der gracht de breede ophaalbrug werd nedergelaten, en een fraaie koets de poort van het kasteel binnenrolde.Eensklaps werd de deur geopend en de gravin dedouairièreVan Bergen aangediend.Het was een kleine, reeds bejaarde dame, die kort daarop het vertrek binnentrad. Hare kleeding was smaakvol, doch voor haren leeftijd kon men die met recht te zwierig noemen. Een zwaar, groen damasten kleed omgaf haar wel is waar kleine, maar niettemin welgevormde gestalte; kleine zilveren lokken die voorheen zwart moesten geweest zijn, krulden om haar voorhoofd, terwijl haar verder hoofdtooisel in een witten sluier verborgen was, die gedeeltelijk over haar linkerschouder, gedeeltelijk over haar rugtot aan de knieën hing. Van onder den witten kraag kwam een fraai bewerkte gouden halsketen te voorschijn, waaraan een kruisje bevestigd was, dat met twaalf diamanten schitterde. Voorheen had zij voorzeker op schoonheid aanspraak gemaakt, want nog zelfs in dezen oogenblik vertoonde haar gelaat wel verouderde, maar toch nog zeer regelmatige trekken. Haar schier altijd nedergeslagene oogen echter, gaven iets geheimzinnigs aan een gelaat dat, bij al het voormalige schoon, toch aan een mindere afkomst deed denken.Van Bergen, door deze onverwachte verschijning in zijne overpeinzingen gestoord, was de gravin bij haar binnenkomen te gemoet gegaan. De bediende, in sierlijke liverei, had een soortgelijken leuningstoel als dien waarop de graaf had gezeten, schuin tegenover den zijne, doch op een grooteren afstand van het vuur nedergezet. De dame nam plaats, en Adelgonde die de binnenkomende met een dienaresse had begroet, hetwelk met een genadig hoofdknikje der andere was beantwoord, verliet op een gebiedenden wenk van haren vader, het vertrek, en begaf zich naar hare kamer.“Voorzeker hadt gij mij niet verwacht?” begon de dame, zoodra zij zich met den graaf alleen bevond, terwijl haar stem een Fransche afkomst verried.“Ik kan niet ontveinzen mevrouw, dat uwe komst in dit vroege voormiddaguur, na een zoo lange afwezigheid, mij eenigszins verrast; het schoone weder kon u onmogelijk tot dit bezoek hebben aangespoord.”“De begeerte om u te zien was voorzeker niet de geringste drijfveeren, die mij tot dezen wandelrit deden besluiten, doch....”“Ongetwijfeld is deze echter niet de voornaamste?” hernam Van Bergen, hare rede aanvullende.“Over zaken had ik u insgelijks te spreken,” hervatte de dame: “Ik vertrouw dat de zoon van mijn zaligen echtgenoot mij met eenige belangstelling zal aanhooren, en durf dit gereedelijk veronderstellen, dewijl hij mij reeds zoovele blijken zijner goedheid heeft gegeven.”“Gij zult mij verplichten het zoo kort mogelijk te maken, dewijl ik ten twee uren in Den Haag word verwacht,” zeide Van Bergen, terwijl hij een paar brandende stukken hout die naar voren gevallen waren, met den voet terugstiet.“Mijn speciaal verzoek is slechts in weinige woorden vervat,” hernam de andere: “De gegrondheid en billijkheid er van zult gij weldra inzien, en mijn waarde zoon zal, vertrouw ik, volkomen met mij instemmen, dat de weduwe van zijn dierbaren vader, onmogelijk op den duur van een jaarwedde kan bestaan die, hoe edelmoedig ook door hem uitgereikt, slechts de geringe som van vier duizend kronen bedraagt.—Mon Dieu!hoe is het mogelijk van deze geringe som een staat te blijven voeren, die aan dedouairièrevan uwen vader past? Hoe is het mogelijk, zeg ik, van zulk een gering jaargeld, behalve zich zelve, zijne bedienden te kleeden, te voeden, zijne paarden en rijtuigen te onderhouden? Kan men van deze som, ik vraag het u zelven, waarde zoon, op dat naargeestige kasteelnu en dan menschen om zich verzamelen, ten einde de bewustheid te behouden dat men nog in een bewoonde wereld leeft?—Impossible, zeg ik u, en ieder zal mij dit toestemmen. En gij, dierbare zoon, die even grootmoedig als dapper zijt, zult het mij voorzeker niet ten kwade duiden dat ik op de verhooging eener jaarwedde kom aandringen, die u zelven, bij eenig nadenken, onbeduidend moet voorkomen.”Van Bergen heeft haar geheel laten uitspreken. Eenige malen had hij haar reeds in de rede willen vallen, doch zich ook telkens bedwongen.Langzaam en met de oogen strak op het vuur gevestigd, ving hij, na eenige oogenblikken zwijgens, aldus aan: “Gij schijnt te vergeten mevrouw, dat het u niet vergund is mij bij een naam te noemen die, behalve door mijn vader, mij alleen door háár kon gegeven worden, die mij onder het hart heeft gedragen. Reeds lang bestaat zij niet meer, de edele moeder, die mij met smart heeft ter wereld gebracht, en mij van mijn vroegste jeugd af aan, godsvrucht en deugd als de hoogste goederen leerde waardeeren. Zij bestaat niet meer op deze aarde; doch in die zalige oorden, waar zij, in den Heere ontslapen, is henengegaan, moet het haar als een heiligschennis in de ooren klinken, dat een andere vrouw,” en hier sloeg de graaf een paar fonkelende oogen op zijne bezoekster: “in hare rechten tredende, dien zoon bij een naam durft noemen, waarop zij alleen, door natuur en bloed had recht verkregen.—Het grieft mij tevens diep,” vervolgde hij, terwijl de gravin, die gedurende deze toespraak, en ook nú nog, zonder de minste gemoedsaandoening op het gelaat, de oogen voor zich hield nedergeslagen: “door u in de noodzakelijkheid te zijn gebracht, u te herinneren, dat ik u na den dood mijns vaders, uit uwe verworpenheid tot een staat heb teruggevoerd waaruit hij u, niet zonder billijke redenen, had verstooten.—Laat mij uitspreken, bid ik u,” ging hij voort, bemerkende dat de gravin hem in de rede wilde vallen: “Herinnert gij u niet dat mijn vader u van alle rechten op zijne nalatenschap heeft verstoken gelaten? Dat zijn uiterste wilsbeschikking u slechts zóóveel verschafte als noodig was om behoorlijk naar uw vaderland te kunnen terugkeeren? Dat ik u uit uw ellende en broodsgebrek heb teruggehaald? Dat ik u het voorvaderlijk kasteelden Blankertmet al zijn toebehooren vrijwillig heb afgestaan, en u nog bovendien die aanzienlijke jaarwedde van vier duizend kronen heb verleend, op welke gij thans ondankbaar nederziet, als geschiedde u het grootste onrecht?—Neen, spaar uwe woorden mevrouw!” vervolgde hij, terwijl hij opstaande met driftige schreden het vertrek op en neder liep: “Ik weet zeer wel dat gij de wettige gemalin van mijn vader zijt geweest; maar ik weet ook zeer goed dat die vader duizend malen het onzalige oogenblik heeft verwenscht waarin hij, God en zijn ontslapene gade vergetende, uw liefde kocht, en eindelijk al meer en meer door uwe schoonheid verblind en in uwe strikken verward, u herwaarts voerde, om zich met u in den echt te begeven. Zeer wél weet ik mevrouw, dat gij uw zondigen aard niet verloochenende,hem spoedig daarna ontrouw zijt geworden, en dat de naam van Van Bergen door u slechts in oneer is gedragen. Dit alles weet ik zeer goed mevrouw, doch heb God tevens menigmalen gedankt, dat hij u geen zoon heeft geschonken die het oud adellijke bloed der Van Bergens, met het uwe vermengd, tot oneere van dat geslacht, zou hebben in stand gehouden. Neen, beter is het mij dien naam met mij in het graf te nemen, dan spruiten van dat geslacht te zien opgroeien die, op anderen bodem gekweekt, hoogst waarschijnlijk hun eigendommelijke kleur en gedaante zouden verloren hebben.—Gij ziet,” zoo eindigde hij: “dat, hoewel ik u in verscheidene jaren niet heb gezien, ik de ware toedracht der zaken toch geenszins vergeten heb. Verschoon mij wat ik u bidden mag, in het vervolg van uwe bezoeken; zij verlevendigen slechts treurige herinneringen in mij. Stel u tevreden met datgene wat ik vrijwillig voor u opoffer. Hecht u niet langer aan deze aarde, welke gij reeds spoedig zult verlaten—verlaten, om rekenschap uwer daden af te leggen. Bereid u voor tot dien gewichtigen stap, en wijd uw laatste levensjaren niet aan het najagen van ijdel zingenot, dat u, in uw jeugdigen leeftijd, het pad der zonde deed betreden.”Van Bergen hield op met spreken; hij scheen vermoeid en overspannen. Met de armen kruiselings over de borst geslagen, beschouwde hij het onveranderlijke gelaat der gravin.Even sloeg zij hare oogen die, voor hare jaren, van een buitengewoon vuur schitterden, naar hem op. “Gij valt mij hard graaf,” sprak zij op diep verongelijkten toon: “Gij valt mij inderdaad zeer hard. Is het daarom dat gij mij uwe gunsten betoont, om mij geheel en al te kunnen vernederen? Werd ik daarom de echtgenoot van uwen vader, om door hem verstooten en onterfd te worden, en werd ik door den zoon gedeeltelijk in mijne rechten hersteld, om daarna van hem weder de grofste beleedigingen te moeten verduren? Moest ik daarom dat schoone Frankrijk, dat aangebeden Parijs verlaten, waar ik....”“Waar gij in dolle vaart de hel en uw eeuwig verderf tegemoet sneldet!” viel Van Bergen haar met een donderende stem in de rede.—“Vertrek mevrouw,” ging hij voort: “verlaat mijne woning! Wat ik u bidden mag pijnig mij niet langer met uwe tegenwoordigheid. In uwe nabijheid komt de zwakheid mijns vaders mij als een onvergeeflijke misdaad voor. Scheur toch niet, gelijk de adder, de borst open, die u nog liefderijk koestert. Verhard u niet, maar bekeer u; bekeer u voor God die lankmoedig is en genadig. Ga nu van hier en herdenk deze woorden, welke ik hoop dat de laatste zullen zijn, die ik ooit tot u spreken zal.”De graaf floot driemalen. “Is de koets der gravin in gereedheid?” vroeg hij een binnenkomenden bediende.“Ja uw genade, zij wacht voor de kleine poort.”“Dan zult gij hare genade naar den wagen begeleiden.”Daarop vergezelde Van Bergen zijne stiefmoeder tot aan de deur; maakte eene buiging; en de gravin die door deze spoedige wending van het gesprek alle hoop moest vaarwel zeggen, om het inhaar voordeel te vervolgen, sprak geen enkel woord, neigde aan de deur gekomen, volgde den vooruitloopenden bediende, en wierp zich in hare koets, met de hel in het hart en een glimlach om de lippen.Adelgonde, op hare kamer gekomen, kon, nu geheel aan zich zelve overgelaten, aan hare gewaarwordingen den vrijen teugel vieren. Dat overkropte gevoel, hetwelk haar na het bal van den vorigen avond steeds had bezield, en hetwelk doorgaans uit een onbevredigd verlangen naar een geliefd voorwerp ontspruit, deed groote tranen langs hare blanke kaken vloeien, welke tranen eenigermate haar gemoed verlichtten, dewijl zij, doch zonder het nog recht te beseffen, reeds vurig beminde en zich reeds eenzaam gevoelde in afwezigheid des geliefden.De schoone Adelgonde weerhield hare tranen niet, en gevoelde zich zelfs ruimer toen ze ruimschoots vloeiden.—Bedrieg ik mij dan waarlijk niet, dacht zij: heeft die jonge Spanjaard mij dan inderdaad zoo op eenmaal het hart ontstolen? Is hij mij dan in die weinige oogenblikken reeds zóó dierbaar geworden, dat ik mijne tranen niet weerhouden kan? Slechts weinige woorden heeft hij mij toegesproken; doch zij waren zoo liefelijk, zij klonken zoo oprecht, en hij sprak met een gevoel, dat van zijn waarachtige liefde getuigde. Zou het dan waarheid zijn, dat mijn beeld het eerste is, ’t welk op zijn licht ontvlambaar gemoed een zoo diepen indruk heeft gemaakt? Zou dan waarlijk mijn bleek gelaat hem meer hebben getroffen dan de donkere haren en gloeiende oogen der dochteren van het Zuiden?Adelgonde sloeg bij deze laatste gedachte de oogen op haar toiletspiegel, en hoewel zij de geringste ijdelheid zelfs als eene ondeugd verfoeide, kon het niet anders of die blik moest haar, op dit laatste punt, ten eenenmale geruststellen.—Wie is schooner dan hij? ging de bevallige, in Amors strikken verwarde jonkvrouw bij zich zelve voort: Welk Nederlandsch edelman is fierder en kloeker gebouwd? Wie toch,van al die jonkers, spreekt zóó bevallig, en zóó oprecht van vriendschap en van liefde? O, neen! wat zijn hunne woorden! Zouteloos, vervelend geklap, in vergelijking van Alonzo’s welluidende en zoetklinkende taal.Zoo droomde Adelgonde voort,—aan Alonzo gelijk, geslingerd door vrees en hoop, door twijfel en vertrouwen; maar toch smolten door de sympathie der zielen, hunne gedachten wonderbaar ineen.Een zacht tikken aan de kamerdeur wekte haar uit dien streelenden droom. Vlug pinkte zij den laatsten traan weg, die nog tusschen hare lange wimpers parelde, en na bekomen verlof trad Adelgondes bevallige kamenier het boudoir van hare gebiedster binnen, ten einde haar in het kleeden behulpzaam te zijn.Het was Anne, de ons reeds bekende geliefde van Maarten, de vroolijke Anne, die den benijdenswaardigen post van kamerjuffer bij de jonkvrouw Van Bergen bekleedde: Anne, wie van het altijd keurige toilet harer jeugdige meesteres de meeste eer toekwam; die altijd even opgeruimd, even voorkomend, even dienstvaardig en bescheiden tevens, de achting en vriendschap van hare gebiedsterten volle waardig was. Hare gestalte was van een tamelijke lengte; hare vormen waren rond; haar kopje, dat met een paar zwarte kijkers voorzien was, trok niet zelden de aandacht der jonge lieden tot zich; haar haren waren gitzwart, doch gedeeltelijk onder een klein kapje of mutsje van roséfluweel verborgen; hare kleeding was net doch hoogst eenvoudig, en vooral muntte daarvan het hagelwitte voorschoot uit, dat zelfs de sneeuw in helderheid verre overtrof.“De lieve freule zou hare kleeding geheel en al vergeten.” begon zij eenigszins spotachtig: “Gisteren, ja, toen moest er meer haast gemaakt worden: Maar het is ook niet alle dagen bal, zegt Maarten, als hij mij eens een frisschen zoen geeft. Neen, van daag zal het er niet zoo op aankomen; gisteren moest ik wel een uur te vroeg beginnen, en nu is het waarlijk wel een half uur over den tijd.”“Ik zal mij heden niet kleeden, Anne!” zeide Adelgonde: “De graaf is naar de stad, komt eerst laat te huis, en wie zou heden nog een bezoek opden Oldenburghkomen afleggen?”“O!” hervatte Anne met een glimlachje: “er zijn zoovele vreemdelingen in Den Haag gekomen, die zullen de naburen toch wel eens komen opzoeken. Wie weet welke bezoeken ons nog te wachten staan!”“Waar zijn uwe gedachten Anne?” hervatte Adelgonde, die, hoewel heimelijk dezen wensch koesterende, dit toch niet voor hare kamenier wilde bekennen: “Waar zijn uwe gedachten! Deze dorre landstreek levert ook heel wat fraais op, om te bezien. Waren wij in de lente of in den zomer, ik zou het u gewonnen geven; doch thans, neen.... die heeren doen verstandig bij den warmen haard te blijven; zij hebben ook wel andere bezigheden.”“Nu ja, dat kan wel wezen. Doch wat die koude aanbelangt, geloof mij lieve freule, er zijn immers ook nog jeugdigen, wier zuidelijk bloed niet zoo spoedig in de aderen zal verkleumen. Maarten is nooit koud als ik bij hem ben, en toch komt hij, zooals gij weet, door het guurste weder iederen Zaterdag-avond naarden Oldenburgh. Maar al sta ik dan ook te bibberen als een rietje, hij brandt en gloeit altijd alsof hij in een oven stond.”“Dan denkt gij dat die heeren voorden Oldenburghzouden gloeien, als uw Maarten voor zijn Anne?” vroeg Adelgonde, die dit gesprek wel scheen te bevallen.“Voorzeker zou Maarten ook niet koud worden als hij eensden Oldenburghals zijn toekomstig erfdeel kon beschouwen,” hernam het meisje: “maar de bezielde persoontjes die in dat schoone kasteel wonen, zullen die heeren toch wel het meeste aantrekken, naar ik meen.”“Foei Anne, hoe komt ge op zulke gedachten! Gij moest....”“Hoe ik op zulke gedachten kom lieve freule, dat zal ik u eens vertellen,” viel het aardige kind Adelgonde snel in de rede: “Gij moet dan weten dat ik u, toen die gezanten—of hoe men die menschen noemt—in Den Haag kwamen, zeer wel bij den baron Van Doorn op het balkon heb zien staan. Toen reed er achter den wagen een jong edelman, met haren, veel mooier dan de uwe of demijne; juist tusschen onze kleuren in, donkerbruin, kastanjebruin. Ik was geheel in verrukking over dien fraaien jonker. Maarten werd wezenlijk jaloersch; o hij werd zoo jaloersch, en sprak maar alleen van den schimmel waar die schoone ruiter op gezeten was. Maarten had wel gerust kunnen zijn, want hoe gaarne ik hem ook eens in de oogen had gezien, dat behoefde niet.—Neen waarlijk, hij had wel naar wat anders te kijken: de jonge dame op het balkon hield hem geheel bezig, en die jonge schoone dame bloosde, ja bloosde—nog veel sterker dan gij in dit oogenblik lieve freule.”Adelgonde dreigde de ondeugende snapster met den vinger, doch deze liet zich niet afschrikken.“Zie, daardoor ben ik op het zonderlinge denkbeeld gekomen,” vervolgde zij: “dat die schoone jonker u wel in eigen persoon den fraaien zakdoek zou terugbrengen, dien ik dadelijk bij uwe te huiskomst heb gemist. Het zou ook waarlijk jammer zijn als hij, door dien te behouden, het mooie stel zou schenden.”“Neen, nu hebt gij geheel en al misgerekend, booze praatster,” zei Adelgonde, terwijl zij den doek uit haar keursje te voorschijn trok: “hier is de doek; ik had hem wel verloren maar toch ook wedergevonden.”“Ha ha!” zeide het meisje lachende: “er heeft dus gisteren op het bal reeds eentête à têteplaats gehad, zooals de Franschen het noemen; nu, dan zullen de bezoeken ook niet achterwege blijven en zal de rest wel volgen.”“Gij deedt beter uw praatgraag mondje een weinig dicht te houden,” hervatte Adelgonde, schijnbaar vertoornd.“Och, neem het mij niet kwalijk, liefste freule Adelgonde,” ging Anne voort, ongeneigd aan het bevel harer gebiedster te gehoorzamen: “Neem het mij toch niet kwalijk, maar ik ben zoo recht verheugd dat gij eindelijk in mijn gild zijt gekomen. Geloof mij, ik ken die zaken goed, en kan u zeer veel van dienst zijn.—Daar is Maarten, die is volmaakt voor een “poltron d’amour” geschikt, zooals de Franschen zeggen; hij kan u de grootste diensten bewijzen: bij voorbeeld uw briefje overbrengen of zoo iets; want uw schoone Spaansche heer zal toch ook wel zoo’n briefje moeten hebben, zooals Maarten van mij heeft. Ik kan wel niet schrijven, doch hij heeft mijne hand bestuurd en toen moest ik op een klein stukje perkament zetten: “ik bemin u!” en dat stukje perkament moest ik hem toen bij de plaats van zijn hart, tusschen het wambuis en de voering vastnaaien. Zie, dat briefje kunt gij toch zelve niet naar Den Haag brengen. O neen, dat gaat niet, want hij moet—evenals Maarten van mij—ook een vlokje van uw haar hebben; dat behoort er zoo bij, freule, want dat zoent Maarten alle avonden geregeld goeden nacht, voordat hij zijn gebed begint.—O, ik zou u nog veel meer kunnen vertellen,” vervolgde zij, ziende dat Adelgonde glimlachte: “Gij moet elkander een suikeren hartje geven, en dat in elkanders tegenwoordigheid geheel opeten; drie malen daags uwe linkerhand zoenen en daarbij aan den geliefde denken;u des nachts op de linkerzijde te slapen leggen, om van hem te droomen, en honderden dingen meer, die Maarten u beter zou kunnen zeggen dan ik het doen kan. En als men dan bij elkander is, freule! o, dan kunt gij u niet verbeelden, hoe aardig dat toegaat. Dan gaan wij heel dicht bij elkaar zitten, en dan praten wij heel zachtjes; niet omdat men het niet hooren mag, maar omdat wij dan toch alleen zijn. Dan drukken wij elkander de handen; Maarten kan mij tusschenbeide wel eens zeer doen, maar dat neem ik hem niet kwalijk, want hij heeft ook veel ruwer handen dan ik.—Maar als hij mij zoent, zie, liefste freule, daarvoor zijt gij ongelukkig te laat gekomen: want zoenen, zoenen doet hij, zooals dat geen mensch op de wereld meer kan!”Anne was geheel in vuur geraakt en Adelgonde bijna om den hals gevlogen, daar zij, geheel en al met het beeld van haren Adonis vervuld, in alles zijn wezen meende te aanschouwen.“Nu, gij zijt mij een waardige leermeesteres!” sprak Adelgonde, wier droevige stemming, door de naïeve woorden van Anne geheel en al was geweken. “Gij klapt al aardig uit de school der liefde! Als Maarten dat wist, dan waren tusschen u beiden voorzeker alles ten eenenmale afgedaan.”“Toch niet! toch niet!” riep Anne: “hij heeft het suikeren hartje geheel en al naar binnen; ik heb het met eigen oogen gezien; en zou ik mijn goede, schoone meesteres, die mij zooveel heeft geleerd, niet in datgene mogen onderrichten wat zij onmogelijk weten kan?”“Gij meent het zeer goed met mij,” zei de jonkvrouw vriendelijk: “Ik dank u recht hartelijk voor uw aangenaam onderwijs,” en te gelijk verborg zij den doek, welken zij uit de hand van Alonzo had aangenomen, zonder dat Anne dit bemerkte, weder aan haren boezem, wel overtuigd dat de vurige Alonzo, Maartens lessen evenmin zou behoeven, als zij zelve die van hare kamenier.Vijfde hoofdstuk.Het is voor de tweede maal dat wij onze Lezers de herbergde Wijnstokbinnenvoeren, doch nu niet met oogmerk om ons in de gelagkamer van Gerrit Aal op te houden, en opnieuw in tabakswalm en brandewijnslucht te vertoeven, maar om de smalle wenteltrap op te klimmen, en eindelijk, na dien vermoeienden tocht, een tamelijk klein zolderkamertje binnen te treden. Het vertrek, dat wij onzen Lezers aanschouwelijk willen maken, was op genoemden zolder met planken afgeschoten. Een kleine deur, waaraan eene klinkwas bevestigd, diende tot den ingang, terwijl een tamelijk breed zoldervenster, eenigszins hoog geplaatst, een vrij voldoend licht inliet. Er heerschte een niet onbevallige wanorde in het anders zoo armoedige vertrek.Drie ouderwetsche stoelen van verschillenden vorm stonden in het rond, een onopgemaakt vierkant rustbed stond in een hoek bij den ingang, en was behangen met een rood damasten bekleedsel dat, hoewel oud en eenigszins verschoten, toch een vlag op een modderschuit geleek. Voorheen moest het zeker tot iets anders gediend hebben, wijl het voor deze wellicht hare laatste bestemming, veel te groot en dus vrij wijd en sierlijk geplooid was.De naaktheid der houten wanden werd zeer aangenaam gedekt door honderden prenten, schetsen in olieverf, meest Madonna-kopjes en kopieën naarRaphaël d’Urbino’sprachtige schilderijen. Portefeuilles en platen, paneelen en teekeningen, kleederen en verven, stonden en lagen in de grootste verwarring, op en onder de kleine eikenhouten tafel, op en nevens de fraaie stoelen, tegen en naast de veelkleurige wanden, ja zelfs over den met stof bedekten vloer verspreid. Twee groote wrijfsteenen met keien loopers stonden op eene aan den wand bevestigde plank, welke door een ijzeren staaf werd ondersteund. Potjes en fleschjes met verschillende oliën, benevens groote en kleinere penseelen omringden die wrijfsteenen, doch gunden evenwel nog plaats aan een ijzeren pot met gloeiende boekweitendoppen gevuld, welke zeker moest dienen om het vertrek of den bewoner te verwarmen. Een fraaie welbesnaarde citer, met een schoon geborduurden band, stond nog bovendien in een hoek van het onaanzienlijk doch niettemin ruim opgevulde vertrek.Te midden dier ontzettende wanorde, en wel bepaaldelijk bij het genoemde dakvenster, zat, voor den grooten schildersezel, de bewoner van het atelier, dat wij met onze lezers zijn binnengetreden.Hij scheen ongeveer vijf en twintig jaren oud te zijn, doch bij een slechts oppervlakkige beschouwing, gaven zijn bleeke en vermagerde trekken hem het aanzien van reeds de dertig te zijn ingetreden. Het gelaat des jeugdigen kunstenaars, waar inspanning en afmatting op te lezen stonden, had juist door die genoemde kleurloosheid, iets zeer belangwekkends. Niet weinig werd dit verhoogd door de lange zwarte haarlokken die, hoewel eenigszins onordelijk, tot op de schouders nederhingen. Maar hetgeen ieder onwederstaanbaar aan dit gelaat boeide, het waren vooral die twee flonkerende oogen, welke als lichtende sterren aan een anders somberen hemel schitterden.Onafgebroken werkte hij met onuitputtelijken ijver voort; met doode verven bezielde hij, vol innige zelfvoldoening, het bijna afgewerkte liefelijke beeld, het voorwerp zijner schepping. Steeds woelde het penseel door de verven, steeds bracht het de fijnste tinten op het bijna hemelsche wezen over, dat al meer en meer het oogenblik harer volmaakte vorming naderde. Het was de gezegendste aller vrouwen, de beminnelijke Moeder van den Zoon des menschen, die met haren zuigeling in de armen, in eenvoudige witte kleeding,door den kunstenaar op het zielloos doek werd getooverd. Haar wezen was zóó gemaald als zij er werkelijk moet hebben uitgezien. De diepste godsvrucht, de heiligste eerbied voor haar eigen zuigeling was op haar gelaat te lezen. Doch in de hoogste mate was ook aardsche schoonheid geschonken aan het beeld der uitverkorene vrouw, hetwelk ongetwijfeld het ideaal des kunstenaars moest wezen.“Zoo! Geen penseelstreek meer!” riep hij, eensklaps eenige schreden achteruitgaande: “Ja, zij is het! Zij is het geheel! Die laatste trek aan den mond maakte de gelijkenis volkomen. Dat lachje, dat hemelsche lachje!—Getroffen!—Getroffen zonder wederga!—Ja, zoo zag zij mij aan!—Ja, juist zoo!—Met dat engelengelaat, met dat reine, tevredene, dankbare lachje, waarmede Maria haar goddelijken Zoon moet hebben aangezien! O heilige kunst!” vervolgde hij in dwepende verrukking: “Goddelijk talent! wat dood is, geeft gij het leven, wat ons ontnomen was, geeft gij ons weder, wat wij verloren hadden, doet gij ons wedervinden. O, onuitsprekelijk schoon,—hemelsch! ja, hemelsch zijn uwe trekken! Gij alleen zijt waardig om de heilige Maria voor te stellen in hare reinheid en lieftalligheid!—Zoo mag ik u dan toch wederzien, na zulk een lange scheiding,—wederzien, na al dat vruchteloos zoeken, na al dat duldeloos lijden. O, gij zijt nog dezelfde. Nog even vriendelijk ziet gij mij aan, doch nu, nu bezit ik u voor eeuwig, nu zal niemand ons meer scheiden! Neen: mijn graf zal ook het uwe zijn!”In schier wanhopige verrukking snelde hij naar het gewrocht zijner handen, strekte beide armen naar het voorwerp zijner verbeelding uit, doch—liet ze plotseling weder als machteloos zinken:—“Dwaas! dwaas!” sprak hij langzaam en met een diepen zucht: “Is dit zwakke maaksel uwer handen dan het voorwerp uwer wenschen?—Is dit vlakke doek dan nu op eenmaal in de verlorene herschapen?—Dwaas!” ging hij voort: “Dwaas! het zijn slechts verven—verven, door u zelven gemengd—door u zelven daarop gebracht.—En gij bemint uw eigen maaksel?—Dit onvolkomen afdruksel van datprachtige origineel?”“Slechts verven!” riep hij nogmaals, en zeeg toen afgemat, terwijl groote droppelen zweets langs zijn voorhoofd liepen, met het oog onafgewend naar zijn tafereel gericht, op een stoel neder.Zijne ademhaling was diep en zwaar; zijne aderen waren dik gezwollen; zijn hart klopte hoorbaar, en telkens ontvlood een diepe zucht aan zijn geprangd gemoed.—Eenige minuten bleef hij in dezen toestand; toen stond hij eenigszins bedaarder op; nam de citer ter hand; sloeg eenige schoone akkoorden aan, en zong met een welluidende, doch klagende stem, de volgende woorden;“Dáár, waar de Maas haar zilvren stroomLangs hooge rotsen voert,Daar droomde ik aan haar kabblend boordIn ’t statig en toch lachend oord,Een schoonen zoeten droom.Ik droomde, dat in snelle vaartEen jonkvrouw, fier en schoon,Kwam rennen van der bergen top,Haar arm geslagen om den kopVan ’t ongezadeld paard.Haar angstkreet klonk van berg tot dal,Door de echo weergekaatst;Zij werd door vriend noch maag gehoord;De klepper holde rustloos voortEn dreigde haar ten val.Het ros, met schuim en stof bedekt,Stoof pijlsnel langs mij heen;Ik hoorde een klagend angstgeschrei;Zij zag mij aan, en hield naar mijDen blanken arm gestrekt.Die blik, en ’t kermend angstgeweenOntvlamden mijn gemoed;Met bliksemsnelheid vloog ik opEn greep den klepper bij den kop,Die eensklaps roerloos scheen.Eén schrede nog, en ’t hollend beest,Waar’, met zijn schoonen last,Gestort in ’t zilverglanzend nat;Eén schrede nog op ’t aklig pad,En ’t waar’ te laat geweest!Maar hoor, toen nu haar stemme klonk,Zoo rein, vol melodie,Toen was het of ik in dien stondMij bij het Godenheir bevondEn zuivren nectar dronk.“O,” klonk dat lieflijk rein geluid:“Ik dank u, edle knaap!Mijn redder, en mijn goede Geest!’t Waar’ zonder u te laat geweest:Gij hebt mijn val gestuit.”Ik droomde voort: Ik leidde haarDen bergtop weder op,Langs bloem en struik, langs mos en steen,En voerde haar naar ’t lustslot heenDes graven Aduaar.Ik droomde voort: Zij zag mij aan,En nogmaals klonk haar stem,Ten afscheid nu, een zacht: “Vaarwel!”Zij drukte mij de hand, en snelWas zij van dáár gegaan!’k Ontwaakte. Hemel! was ’t een droom?Slechts ijdle hersenschim?Had ’k dan die engel niet gezien?Had ’k niet getracht haar hulp te biênAan d’ oever van dien stroom?—Zoo waak ik voort, zoo droom ik voort,Reeds maanden, droef en lang.Was ’t werklijkheid of ideaal?Slechts zinsbedrog?—Heb ’k dan haar taalNiet hem hemelsch rein gehoord?”Hier zweeg de zanger. De twee laatste coupletten had hij met een bijzondere afwisseling in zijne stem en van gelaatsuitdrukking gezongen. Hij werd door vrees en hoop geslingerd. Zijn instrument gleed langs hem op den vloer neder, en somber bleef hij het portret aanstaren, waarin hij de trekken der bezongene schoone zoo duidelijk herkende.Een zacht tikken aan de kamerdeur wekte hem niet uit zijne overpeinzingen, en evenzeer bleef het door hem onopgemerkt, hoe weinige oogenblikken daarna, de lieve dochter uit deWijnstok, het onzen lezers reeds bekende Klaartje, de kamer binnentrad.Het meisje bleef eenige oogenblikken aan den ingang staan, en beschouwde den jongeling met een oog, waarin meer dan medelijden te lezen was. Zij naderde behoedzaam; plaatste zich achter zijn zetel; boog haar lieve kopje over zijn schouder; sloeg den linkerarm om zijn hals, en fluisterde toen, alsof zij een zacht slapende wilde wekken: “Jakob, gij moet niet droomen; droomen is zinsbedrog; een schoone droom is slechts een wreede kwelgeest die ons schatten toont, welke wij nimmer zullen bezitten, die ons een paradijs doet aanschouwen, ’t welk wij op deze aarde nooit zullen binnentreden.—Droom niet, Jakob,” vervolgde zij: “ontwaak! leef in de werkelijkheid; gij vermoeit uw geest en ondermijnt uwe lichaamskrachten. Leef voor de werkelijkheid, leef voor uw hemelsche kunst: eer en lauweren zullen uw deel zijn. Leef voor....”Hier hield zij eensklaps op; een hoogrood bedekte hare wangen, en vragende zag zij, als ter sluik, den somberen jongeling aan. Hij zag haar niet, hij hoorde haar niet.“Vaarwel heeft zij gezegd!” sprak hij eindelijk: “Vaarwel!.... doch tot welken tijd?—Neen, ik zal haar nogmaals gaan zoeken, weder dagen omdolen in die streken waar ik droomde....—Droomde....?Ontferming, hemel! was ’t een droom?Slechts ijdle hersenschim’?Heb ’k dan die engel niet gezien?—Ja! ’k heb getracht haar hulp te biênAan d’ oever van den stroom!”Deze woorden, welke hij onstuimiger dan de vorige zong, schenen zijn besluit te bepalen. Eensklaps sprong hij op, en misschien zou hij blootshoofds ter deure zijn uitgesneld, zoo Klaartje hem niet in den weg ware getreden en, hem smeekend aanziende, gezegd had:“Hoe! wilt gij dan in dit koude jaargetijde, zonder behoorlijke kleeding, verre van hier, datgene gaan zoeken, ’t welk gij reeds zoolang, doch steeds tevergeefs hebt gezocht? Wilt gij dan uw gezondheid, zelfs uw leven ten offer brengen om een ijdele schim na te jagen?—Gij droomt Jakob,” vervolgde zij, terwijl zij met hare hand de haarlokken, die over zijn voorhoofd gevallen waren, ter zijde streek. “Kom tot u zelven; gij zijt ongesteld; een koorts heeft u aangegrepen. O, ga niet van hier; blijf! ik zal u verzorgen!” De jongeling was op Klaartjes woorden roerloos blijven staan. Hij had haar met een mengeling van wezenloosheid, goedheid en onderwerping aangehoord. “Gij zijt een goed meisje!” sprak hij, als ontwakende: “gij hebt gelijk, wat zou het mij baten! doch het brandt mij inwendig.... ik gevoel mij zeer afgemat.”Bij deze laatste woorden zeeg de ongelukkige kunstenaar, door geestinspanning uitgeput, langzaam ineen, en zou voorzeker nedergevallen zijn, zoo niet het liefderijke meisje ter hulpe ware gesneld, en den bezwijmde in hare armen had opgevangen. Met eene inspanning, die hare krachten bijna te boven ging, nam zij den jongeling op, en legde hem op het rustbed neder. Zachtkens schoof zij de rood damasten gordijn dicht, opdat het daglicht hem niet zou hinderen, en keek toen, met een bezorgd hart, door een kleine opening naar den lijder, ten einde zich te overtuigen dat hij leefde. Met aandacht luisterde zij naar zijn langzame doch geregelde ademhaling, en lette met ingehouden adem op het kloppen van zijn hart, toen eensklaps de deur openging en een sierlijk gekleed edelman het vertrek binnentrad.De nieuw aangekomene had eerst eenige oogenblikken rondgezien zonder iemand te ontdekken, doch ontwaarde eindelijk het bekommerde meisje dat, gedeeltelijk in de plooien van het gordijn verborgen en geheel met haar lijder vervuld, evenmin de komst des jonkers had opgemerkt.“Waarachtig, een allerliefst tooneel!” sprak de jonker Van Rodenberg, op spotachtigen toon: “een schoone die haar slapenden minnaar bespiedt! Het is voor u te wenschen aardig kind!” ging hij, haar aansprekende, eenigszins harder voort: “dat gij niet, evenals Potifars huisvrouw, een zedigen Jozef achter die gordijnen begluurt.”Klaartje, hoewel de dochter eens kasteleins en derhalve eenigermate aan onkiesche kortswijl gewoon, was door de komst des jonkers zeer verrast. Zeker was de schijn tegen haar, doch de onteerendevergelijking, die hij haar zoo onverdiend deed ondergaan, en haar gevoel van eerbaarheid tegenover zijne betichting van verregaande zedeloosheid, gaf haar den moed zich onverschrokken van die blaam te zuiveren.“Uw scherts is bitter en ongepast,” sprak zij zachtjes: “De schilder is ziek, zeer ziek; hij slaapt; een flauwte heeft hem bevangen. Verwijder u wat ik u bidden mag, edele heer! Gij kunt hem nu niet spreken; kom dezen middag, kom morgen terug, doch laat hem nu rusten.”“Dat ding is, bij mijne eer, drommels loos!” zeide Van Rodenberg: “Die ziekte is hem dan al zeer spoedig aangewaaid. Zooeven nog, toen ik op de straat voorbij kwam, zong die ongelukkige man als een lijster. Ha ha! wij kennen die ziekten! Nu, voor den duivel, ik neem het u niet kwalijk, doch zet die liefelijkheden wat later voort.—Kom, wakkere kunstenaar!” riep hij, op het bed toetredende: “kom voor den dag! Het spijt mij zeer u te moeten storen; doch ik heb haast. Mijn portret moet gemaakt worden!”“Om ’s hemels wil, spreekt zacht,” smeekte Klaartje. “De ongelukkige is door vermoeienis en uitputting bewusteloos terneder gevallen. Wie weet of hij niet stervende is?—Ik bid u edele heer, ik bid u dringend: ga van hier; heb medelijden met een wezen dat misschien weldra zijn einde nabij is.”“Gij zijt voorwaar een onnoozele deerne!” sprak Van Rodenberg. “Een overdrevene verdediging pleit zelden voor de waarheid. Kom kom!” vervolgde hij, terwijl hij het angstig afwerende meisje vrij onzacht bij den arm greep en ter zijde schoof: “die comedie heeft al lang genoeg geduurd; ik zal u uw minnaar niet ontrooven; kom wat later terug, doch laat ons nu alleen.”Klaartje hield wel den jonker bij zijn mantel vast, doch kon niet beletten dat deze het rustbed naderde en de gordijnen ter zijde schoof.De schilder opende de oogen; streek met de hand over het voorhoofd, en staarde in het rond.“Waar ben ik?” zeide hij: “Zij is er dus niet?—Alweder een droom!—Doch ’t is voorbij!”“Het doet mij werkelijk leed,” sprak Van Rodenberg die, in weerwil van de vermagerde trekken en het bleeke gelaat des kunstenaars, niet willig scheen de waarheid te gelooven: “Het doet mij werkelijk leed u in uw aangename droomerijen te moeten storen; doch mijn portret dient spoedig gemaakt te worden. Ik zal u goed betalen; toef niet langer, wakkere zoon der muzen! Het zal u voordeel en eer bezorgen; het eerste vooral moet u niet onwelkom zijn.”Na deze woorden verwijderde hij zich van het rustbed: neuriede een deuntje, en plaatste zich toen voor den schildersezel waarop nog steeds de Madonna stond. “Bij mijne ziel!” riep hij na eenig zwijgen: “wie voor den duivel heeft het u in de gedachten gegeven, om de dame van mijn hart met een kind op den schoot te schilderen? Dat heet ik waarachtig de tijden vooruit loopen! Adelgonde als moeder! Nu, het staat haar niet slecht. Hebt gij de jonkvrouw Van Bergen zóó naar het leven gemaald?”Bij de eerste vraag des jonkers was de schilder in zijn bed overeind gerezen en had den vrager strak aangestaard; bij de laatste echter sprong hij, als buiten zich zelven van de legerstede; liep op den jonker toe, en greep hem onstuimig bij den arm.“Spreek! kent gij haar? Adelgonde Van Bergen, zegt gij? Die engel!—En gij.... gij bemint haar?” riep hij, terwijl een lichte blos zijn doodsbleek gelaat kleurde: “Waar is zij?—Spreek!—Ik zal haar dan zien.... eindelijk wederzien!”“Gij zijt dronken, knaap!” bromde Van Rodenberg: “Wilt gij op alle mogelijke wijzen den draak met mij steken? Ik ben jonker Walter Van Rodenberg; het moet u tot niet weinig eer verstrekken, dat ik tot u kom om mijn portret door u te laten vervaardigen. Maak een einde aan die schilders-zotheden; zet u aan den arbeid; mijn tijd is kostbaar!”De Geest was door deze, op gebiedenden toon geuite woorden tot zich zelven gekomen. Wel doorwoelden honderden aandoeningen zijne borst; wel bestierven honderden vragen hem op de lippen; doch hij kropte ze op, en maakte werkelijk de noodige toebereidselen tot den arbeid.Zesde hoofdstuk.Reeds te lang hebben wij Alonzo uit het oog verloren. Den morgen na het vermelde bal vinden wij hem in zijne kamer terug. Het vurig verlangen om nader met de schoone Adelgonde bekend te worden, deed hem tallooze plannen vormen, welke hij echter even spoedig weder verwierp. Eindelijk scheen zijn besluit genomen.—Ik moet rechtstreeks handelen, sprak hij bij zich zelven: waarom zijpaden bewandeld, daar de rechte weg voor mij open ligt? Mijn bloed is even edel, wellicht edeler dan het hare; mijn vermogen is groot; rijkdom en eer kunnen haar deel worden. Wij komen in dit land als vrienden, niet als vijanden. Wat zou mij dan in den weg kunnen staan? Op welken grond zou de graaf Van Bergen aan den markgraaf De Spinola zijne dochter ten huwelijk weigeren?Hij floot, en beval den binnentredenden bediende zijn schimmel te zadelen.“Moet ik uw genade vergezellen?” vroeg deze.“Dat is niet noodig Ferdinand.” antwoordde Alonzo: “Ik zal....”Hier werd het gesprek gestoord door het aandienen van den jonker Van Rodenberg, die dadelijk daarop binnentrad.“Bonjour, Bonjour! hoe hebt gij geslapen?” vroeg deze, met de hem zoo eigen vrijpostige gemeenzaamheid: “Het was mij recht aangenaam kennis met u te maken, en hoop die, gedurende uw vereerend verblijf alhier, voort te zetten. Wij zullen vrienden zijn,edele Spinola! Ik kom u de oprechte verzekering mijner genegenheid brengen.”“Ik zal niet gaan rijden Ferdinand!” zeide Alonzo, nadat hij de verplichtende woorden des jonkers beleefdelijk beantwoord had.Ferdinand boog en vertrok.“Gij zijt een vreemdeling in onze streken,” vervolgde Van Rodenberg: “en daarom eischt de Hollandsche gastvrijheid van mij dat ik u mijne diensten kom aanbieden. Indien mijn gezelschap u aanstaat, zult gij in mij een vriend vinden, die uw verblijf alhier kan veraangenamen.”—Bij deze woorden stak hij hem de hand toe, en Alonzo die, hoewel niet geheel met den persoon tevreden, door zoovele bewijzen van welwillendheid meer met hem verzoend werd, nam de aangebodene hand en schudde die trouwhartig.“Gij maakt mij inderdaad verlegen,” zeide hij: “Het is ongetwijfeld veel eer voor mij, dat gij mij uw vriendschap wilt waardig keuren.”De beide nieuwe vrienden plaatsten zich. Alonzo liet een flesch Spaanschen morgenwijn komen en vulde de fijne glazen. Van Rodenberg die zijn glas had opgenomen, stiet het tegen dat van Alonzo en ledigde het tot op den bodem. Alonzo deed insgelijks. Het gesprek liep eerst over onverschillige onderwerpen, het bal van den vorigen avond kwam weldra ter sprake, en Alonzo die van begeerte brandde om iets aangaande Adelgonde te vernemen, luisterde met geen geringe belangstelling, toen de jonker over den edelen graaf Van Bergen en zijne dochter begon te spreken.“Men heeft elkander om dat duifje reeds menigen kogel door den kop gejaagd,” zeide hij: “Reeds menig wakker edelman heeft den steven naarden Oldenburghgewend, doch werd door fellen stormwind teruggedreven. Die oude graaf houdt het vogeltje in de kooi en verliest het nimmer uit het oog. Zij heeft reeds menige blauwe scheen laten loopen, en wel zou ik oppassen mij daaraan te wagen.” Bij deze woorden sloeg hij een veel beteekenenden blik op Alonzo; maar bemerkte dien niet; maar voelde zich toch zonderling verlicht, daar hij den jonker, waarom wist hij zelf niet, als een machtigen medeminnaar had beschouwd, en nu uit zijn eigen mond de ongegrondheid van dit vermoeden vernam.“Leve de vrijheid!” riep de jonker, den opnieuw gevulden roemer zwaaiende: “Leve de vrijheid met een welgevulden buidel! Vergeet hier voor een tijd uw schoone en uwe eeden, gij behoort nog tot dat bataljon, waarbij voor geld en goede woorden volkomen absolutie te verkrijgen is. Geniet de vrijheid en de jeugd, zoolang gij ze genieten kunt. Volg mij, ik zal u op dat pad een veilige leidsman zijn.”Van Rodenberg zag aan de ernstige trekken des Spanjaards dat hij, om tot zijn doel te geraken, den juisten toon niet getroffen had. En inderdaad, Alonzo aan het geloof zijner vaderen gehecht—al gevoelde hij ook zelf dat daarin vele dwaalbegrippen heerschten,—kon in zaken van godsdienst geen den minsten spot verduren, en had daarbij, hoewel geoorloofd genoegen geenszins verachtende, een natuurlijken afkeer van dat losbandige leven, hetwelk op niets dan schade uitloopt.“Uw bedoelingen zijn wellicht goed,” zeide hij: “en zoo ik hoop, wilt gij mij of mijn geloof niet beleedigen, doch mijne grondbeginselen zijn van dien aard dat ik niet in uwe gevoelens kan deelen. De liefde is het edelste wat den mensch kan bezielen. Gepaste vreugde is zeer geoorloofd, doch, met uw verlof, mijn leuze kan nooit de leuze der losbandigheid zijn.”“Wel wel!” zeide Van Rodenberg lachende: dat heet ik iemands woorden fraai uitleggen. Ik wensch den somberen minnaar wat op te vroolijken en eenige afleiding te bezorgen, en wordt daarom met den edelen naam van losbandige begiftigd.—Wij spreken in Holland ronde woorden: wij zeggen wat wij denken, doch zoo gij, graaf! veronderstelt dat mijne bedoelingen....”“Ik ben te voorbarig geweest,” viel Alonzo hem in de rede, daar hij berouw had zich zoodanig te hebben uitgelaten: “Mijne oordeelvellingen waren ontijdig, zonder u te kennen heb ik u wellicht verkeerd beoordeeld,” en zijn glas opnemende, stiet hij het tegen dat des jonkers, en beiden ledigden nu den beker tot op den bodem.“Welnu, met dit glas hebt gij u, in weerwil van uwe grondbeginselen, aan mijne losbandigheid overgegeven!” zeide Van Rodenberg: “Wij spreken in het vervolg vrij met elkander en zullen voorzeker vrienden blijven!”Alonzo, wiens prikkelbaar gemoed even spoedig aan oprechtheid geloofde als het zich aan achterdocht overgaf, beschouwde nu den jonker als een goedhartigen doch vroolijken knaap, die hem ongevraagd en onbaatzuchtig zijne vriendschap en diensten kwam aanbieden. Hij beschuldigde zich zelven van ondankbaarheid zoo hij deze welwillendheid met stugheid en achterhoudendheid beantwoordde. Van Rodenberg was met Adelgonde en haar vader bekend; op het bal reeds had hij zich iets aangaande hare afkomst laten ontvallen. Hij zag in hem nu geen jaloerschen medeminnaar meer, en wat belette hem dus over deze zaak te spreken met den man, die zich zoo welwillend jegens hem betoonde?“Welaan!” zeide Alonzo: “gij zult mij voorzeker met uwe inlichtingen van dienst willen zijn?—Welnu dan:” en thans verhaalde hij met een vloed van woorden, hoe hij Adelgonde had gezien, hoe hij bij zich zelven gezworen had, nooit eene andere dan haar tot gade te zullen nemen, dat hij haar reeds op het bal zijne liefde had geopenbaard, en vast besloten had, haar zijn naam en zijn vermogen aan te bieden, voorts dat hij reeds zeer spoedig bij den graaf Van Bergen aanzoek om hare hand wilde doen, terwijl hij eindigde met Van Rodenberg te verzoeken, hem datgene te melden wat hij aangaande hare geboorte wist, of wat de wereld daarvan zeide.De spreker had in het vuur zijner rede niet opgemerkt dat, onder het uiten dezer woorden, des hoorders vriendelijk gelaat de uitdrukking van een loerenden hyena had gekregen; hij had niet gezien dat zijne groote roode lippen verbleekt en de neusgaten van den kleinen stompen neus wijder opengespalkt waren.Van Rodenberg had zijn gelaat naar een andere zij gewend; en toen nu Alonzo geëindigd had, was het weder—hoewel meer dante voren gekunsteld—in dezelfde plooi, en antwoordde hij op Alonzo’s laatste vraag, vrij natuurlijk lachende: “Booze roover! kwaamt gij daarom herwaarts? Zijn dat uwe bedoelingen? Wilt gij de schoonste bloem uit het noorden in zuidelijker lucht overplanten? De hovenier zal er bezwaarlijk van afstappen: zoolang gekweekt, zoolang getroeteld! Doch wat de ent aanbelangt” vervolgde hij, zich even bezinnende: “ja, die was wel echt, doch werd helaas! op wilden stam gegriffeld.”“Wat bedoelt gij?”“Wat ieder weet,” hervatte Van Rodenberg: “Zij is de natuurlijke dochter van den graaf Van Bergen; de vrucht van een ongeoorloofde verbintenis met een zijner dienstmaagden; doch,” liet hij er onmiddellijk op volgen: “gij hebt mij rondborstig uw geheimen geopenbaard; ik zal ze bewaren, doch vertrouw insgelijks van u, dat gij mijne woorden zult geheim houden.”“Gij liegt!” riep Alonzo, opspringende: “Gij zegt iedereen weet de zaak, en evenwel eischt gij mijne geheimhouding.”“En gij beleedigt mij!” hernam Van Rodenberg, mede opstaande; doch zich eensklaps bezinnende, vervolgde hij zeer kalm: “Neen, ik begrijp uwe drift, maar, ik bid u, moet gij dit aan mij wijten? Wilt gij bewijzen voor de waarheid mijner woorden? Ik zal ze u nog dezen avond verschaffen; laat ons als vrienden scheiden, en tegen negen uren zal ik u mijn knaap zenden, die u voeren zal waar ik u op dat uur zal verwachten.”Bij deze woorden stak hij Alonzo de hand toe, die haar werktuiglijk aannam.—“Vaarwel, edele Spinola, tot hedenavond!” en hiermede verliet de jonker haastig de kamer.Alonzo snakte, na dit zoo hoogst onaangenaam gesprek, naar vrije lucht. De uitgestelde wandelrit wilde hij hervatten, en hij gevoelde zich ruimer, toen hij, op zijn fraaien schimmel gezeten, in gestrekten galop de lanen van het Haagsche Bosch doorkruiste.Toen hij bijna een paar uren gereden had, en zijn paard stadwaarts wendde, zag hij in de verte een ruiter aankomen, die insgelijks op Den Haag aanreed.De ruiter, die nu slechts een paar honderd schreden van Alonzo verwijderd was, gaf eensklaps zijn paard de sporen, en verdween ijlings in eene zijlaan.—Was dat jonker Van Rodenberg niet? dacht Alonzo: Zou hij mij niet gezien hebben, of wat noopte hem anders zoo plotseling dat zijpad in te slaan?”Langzaam reed hij door, en het was reeds schemerdonker toen hij aan zijne woning terugkwam.Weldra was het negen uren, en Alonzo werd bericht dat een knaap hem aan de deur verbeidde.Zou hij gaan? Zou hij zich naar een onbekende plaats begeven, om de zekerheid van eene voor hem zoo treurige waarheid te bekomen?Alleen de drift om iets, wat het dan ook zijn mocht, aangaande Adelgonde te vernemen, en om bovendien zijn gegeven woord niette breken, deed hem tot dien gang besluiten; hij wierp den mantel over den schouder, en volgde den knaap die een kleine lantaarn in de hand hield.Het was een koude avond. Een dichte jachtsneeuw joeg Alonzo in het aangezicht, en terwijl hij steeds zijn jeugdigen leidsman volgde, doorliep hij verscheidene straten, en sloeg eindelijk met hem een nauwe steeg in.“Gij brengt mij waarlijk in geen voorname buurt!” zeide Alonzo: “hier kan onmogelijk de woning van den jonker Van Rodenberg zijn.”“Zijnedele heeft mij gelast, uwe genade in den Avondtempel te brengen,” antwoordde de knaap. Weinige schreden verder gekomen, opende hij een zware eikenhouten deur, en verzocht den graaf binnen te treden. Beiden doorliepen nu eene vrij lange gang, daalden eenige trappen af, en bevonden zich weldra in een gewelfde ruimte. De knaap trad op eene—zich aan het einde bevindende groote deur toe, en klopte vrij sterk met den klopper aan. De deur werd van binnen geopend, en, door het sterke licht dat Alonzo—in tegenstelling van de buiten heerschende duisternis—op eenmaal de oogen verblindde, kon hij in het eerst niet duidelijk onderscheiden waar hij zich bevond. Langzaam echter aan het licht wennende, zag hij nu dat hij een langwerpige zaal was binnengetreden, welker lage zoldering op zes steenen kolommen rustte; langs de wit gepleisterde wanden stonden, op kleine afstanden van elkander, eikenhouten tafeltjes, benevens banken van hetzelfde hout. De aanwezigen waren meest allen jonge lieden uit den beschaafden stand. Hoewel dit echter geenszins merkbaar was aan den toon die hier heerschte, kon hij dit toch bespeuren aan de kleederdrachten en aan de, hoewel ruwe, toch meer verfijnde uitdrukkingen der heeren.De deur was dadelijk weder achter Alonzo dichtgeslagen, en onaangenaam was hij te moede toen hij zich daar alleen te midden van een vreemd gezelschap bevond. Na een oogenblik rondgezien te hebben, besloot hij terug te keeren, en had reeds de hand aan de zware klink geslagen, toen een: “Ha! zijt gij daar? Welkom! welkom vriend!” uit Van Rodenbergs mond hem in de ooren klonk.Verrast zag hij om: “Is het hier?” vroeg hij dadelijk op fluisterenden toon: “dat gij mij nadere opheldering of zekerheid omtrent een zoo teedere zaak wilt geven?”“Bah!” zeide Van Rodenberg: “denkt gij daar nog aan! ’t Was voornamelijk mijn doel om u met onzen Avondtempel bekend te maken. Hier vindt gij de aangenaamste en vroolijkste gasten. Die ophelderingen zal ik u wel naderhand geven; doch bekreun u daar thans niet om.—Jonker Arends! ik heb het genoegen u mijn waardigen vriend, den edelen Alonzo Spinola voor te stellen.” Deze laatste woorden had Van Rodenberg gericht tot een jonkman, wiens gelaat de ontegenzeggelijkste sporen van een verwaarloosd leven droeg. Arends stond op, trad naar Alonzo toe, en bood hem zijne hand. Doch Alonzo, niet gewoon zijne vriendschap zoo terstond weg te schenken, hield zich alsof hij die aanbieding niet bemerkte, en boog zich voor den jonker.“Dezen morgen heb ik bij mijn vriend een kostelijk glas Spaanschen wijn gedronken,” ging Van Rodenberg voort: “en hoewel er op onze naakte duinen geen wijnstok groeit, zoo bevat de kelder van onzen aan Bachus gewijden tempel, toch druivensap dat, op Duitschlands bergen gekweekt, in onze bekers parelen en onze harten vervroolijken zal.—Gij zult mij eene welkomstteug,” vervolgde hij tot Alonzo: “voorzeker niet weigeren?”De aangesprokene zag zich in zijne verwachting deerlijk teleurgesteld, en zou geld hebben willen geven, indien hij onmiddellijk had kunnen vertrekken. Een aangeboden dronk te weigeren, ging echter zeer moeielijk, en daarom besloot hij te vertoeven, in de hoop dat Van Rodenberg spoedig met hem gaan, en hem dan de verlangde bewijzen zou ter hand stellen.“Nu,” zeide hij, tegen zijn wil toegevende: “wij zullen uw wijn eens proeven.” De drie jongelieden namen aan een tafeltje plaats. Van Rodenberg bestelde eene flesch ouden Rijnwijn, en weldra parelde deze in de bekers.Arends dronk onophoudelijk de gezondheid van al wat slechts Spaansch bloed in de aderen had, en Alonzo, wien de edele wijn als nectar smaakte, en bij iederen beker al minder waarheid van logen kon onderscheiden, vergat weldra zijne zorgen, en deed den heeren wakker bescheid.“De derde flesch!” riep Van Rodenberg, met de vuist op de tafel slaande: “Doch voor den duivel!” vervolgde hij, een triomfanten blik op de reeds eenigszins benevelde oogen van Alonzo slaande: “wij kunnen niet met ledige handen dien heerlijken wijn zien schuimen. Wij zullen ons geluk beproeven mijne heeren! wat raakt ons fortuin of goederen!” En met nog grooter hevigheid eischte hij dobbelsteenen.Tegen dien laatsten voorslag echter, kwam het beter gevoel van Alonzo op, hij had een afschuw van het spel, evenals hij een afkeer van dronkenschap had; en hoewel reeds onwillekeurig de palen der strikste matigheid te buiten gegaan, besloot hij niettemin geen deel te nemen aan een vermaak, waarvan hij maar al te dikwijls de nadeelige gevolgen van nabij gezien had.“Gij kunt uw gang gaan,” zeide hij: “hoewel ik het u afraad; maar ik zal niet spelen, dewijl ik het spel als een verderfelijk kwaad beschouw.”“Bij mijne eer, dat heet ik den fijne uithangen!” riep Van Rodenberg: “welk een kinderachtige verontschuldiging. Mijn troetelkind een verderfelijk kwaad? Elkander met gelijke wapenen bevechten, noemt gij eene verkeerdheid? Gelijke kansen, gelijke steenen! Bah! malligheid zeg ik u, niets dan hedendaagsche femelarij!—Leve het spel!”“De gierigaard alleen,” zeide Arends, Van Rodenbergs woorden vervolgende: “schrikt terug voor een eerlijk spel. Hij alleen wil niets wagen, maar altijd zeker winnen.”“Maar gij!” ging Van Rodenberg weder tot Alonzo voort: “Gij! door wiens aderen onbaatzuchtig bloed stroomt; een Spanjaard, edelen vermogend, zoudt gij werkelijk angstvallig zijn om iets van dat vermogen te wagen? Neen! daarvoor ken ik u reeds te wél, gij zult mij een kans niet weigeren. Drie honderd kronen wil ik in den eersten worp met u wagen!”De dobbelsteenen rommelden in den kroes, en negen punten wierp hij op de tafel. De jonge Spinola aarzelde nog, doch den spotachtig, hoonenden blik waarmede Arends hem aanzag, kon hij niet verduren: Deze blik verlamde zijn vasten wil. Zijn genomen besluit wankelde, en werd door een kwalijk geplaatst eergevoel vervangen. Hij vatte den kroes op, schudde dien, en elf punten wierp hij ter neder. “Gij hebt gewonnen!” zeide Van Rodenberg zeer koel: “Laat ons nogmaals drinken; de fortuin is mij niet gunstig.”“Niettemin zullen wij nog één worp doen,” sprak Alonzo, wien het hinderde gewonnen te hebben.“Welaan dan!” hernam Van Rodenberg: “doch dan zullen wij den inzet verdubbelen: zeshonderd kronen!” Weder klonken de steenen in den kroes, en zeven punten vielen. Alonzo wierp zes, en had verloren.Van Rodenberg, van zijn kant zich nu weder edelmoedig toonende, vond goed het spel voort te zetten. Het geluk had Spinola geheel en al den nek toegekeerd; hij verloor onophoudelijk, en hoewel hij gedurig geneigd was het spel te staken, wilde zijne tegenpartij daar niet van hooren: zulk een grove winst mocht hij niet zonder voldoening aannemen.—Door een onafgebrokenquitte ou doublewerd de schuld van Alonzo bij iederen worp verdubbeld! Acht duizend kronen waren reeds door hem verloren.“Het geluk zit in uw kroes!” zeide hij eindelijk met een, door het gestadig gebruik van den zwaren wijn, verhit gelaat: “Geef mij uw steenen, ik zet tweemaaldoubletegenquitte.”De jonker Van Rodenberg verbleekte, doch herstelde zich spoedig.“Waartoe zou dit dienen?” vroeg hij zoo bedaard mogelijk, doch tastte middelerwijl geheimzinnig in den zak van zijn wambuis; maakte een snelle beweging met den kroes onder de tafel, en vervolgde toen, geveinsd lachende: “Doch indien gij denkt dat mijn geluk in den kroes steekt, welnu hier is hij.”“Ellendige! gij hebt valsch gespeeld!” riep Alonzo, eensklaps verwoed opspringende, en zich dreigend vóór Van Rodenberg plaatsende: “Gij zijt een eervergeten schurk, jonker Van Rodenberg!—Mijne heeren!” ging hij overluid voort, de zaal rondziende: “duldt gij een edelman in uw midden die tevens een valsche speler is?”’Van Rodenberg had een oogenblik zijn tegenwoordigheid van geest verloren, doch zich nu ontmaskerd ziende, begreep hij dat slechts een koelbloedige bedaardheid hem kon redden: “Gij zijt mijn gast,” zeide hij, terwijl hij zich op de breede lippen beet: “Gij zijt een vreemdeling in ons midden, en dus past het mij, u ongehinderd van hier te laten gaan; doch, bij mijne eer, waart gij een Hollander, gij zoudt niet ongestraft die grove blaam op mijn alom bekende eerlijkheid geworpen hebben!”Al de aanwezigen hadden zich om de twistenden geschaard.Alonzo, door drank en spel verhit, en bovendien met afkeer voor Van Rodenberg vervuld, vergat zich zelven geheel, en door al die buitengewone omstandigheden zijn anders zoo zachtmoedig en beminnelijk karakter verloochenende, gaf hij den jonker een slag in het aangezicht, zoodat deze achteruit tuimelde en bij een steenen kolom nederviel. Spoedig echter sprong VanRodenbergweder overeind; trok zijn degen, en zou Alonzo ter neder hebben gestooten, zoo niet eenigen der aanwezigen hem hadden tegengehouden.De jonge Spinola kwam tot zich zelven, en gevoelde nu eerst levendig hoe ver zijn kwalijk geplaatst eergevoel hem had weten mee te sleepen. Daar stond hij nu tegenover den nietswaardige, die, in weerwil zijner schandelijke daad, zich nog beleedigd veinsde.“Uw geld zult gij hebben, lage gelukzoeker!” zeide Alonzo eindelijk: “doch eenmaal zult gij rekenschap moeten afleggen van uw nietswaardig bestaan.”“Rekenschap! rekenschap! ja, die zult gij mij geven!” berstte Van Rodenberg los, zich steeds verongelijkt veinzende, en wierp tegelijk zijdelings een blik op iemand die, tot dusverre onopgemerkt achter eene kolom had gezeten, en wiens kleine oogen van onder den breeden rand van zijn grijzen hoed glurend rondstaarden.“Kies wapenen, vermetele Spanjaard, die een Hollandsch edelman durft lasteren! Morgen zult gij de plaats vernemen waar wij een van beiden ons leven zullen laten!”Niets kwam Alonzo verachtelijker voor dan een tweegevecht, en dat nog wel met zulk een ellendeling; doch wat zou hij doen! Eéne schrede gezet op het verkeerde pad, en men wordt van het eene kwaad tot het andere gedreven.“Den degen!” zeide hij, Van Rodenbergs uitdaging aannemende, en snel zijn mantel omwerpende, opende hij de deur, en verdween in de gewelfde ruimte.Nog slechts weinige schreden was hij voortgegaan of hij bemerkte, niettegenstaande de duisternis, dat hem iemand op den voet volgde.“Wie daar?” riep hij stilstaande. Tot bescheid gonsde hem een kogel langs het oor, welke, slechts een duim juister aangehouden, zijne hersenen zou verbrijzeld hebben. Alonzo, eenigszins ontsteld, trok zijn degen, doch hoorde nu duidelijk de woorden, door een jonkman gesproken: “Ziedaar ellendige sluipmoordenaar!” en tevens het nedervallen van een lichaam.—“Zijt gij de graaf Spinola?” vroeg nogmaals dezelfde stem. Alonzo antwoordde toestemmend: de jonkman trad hem nu op zijde, en na met hem de lange gang te zijn doorgegaan, kwamen beiden weldra in de open lucht. “Gij hebt mijn aanvaller gestraft. Ik dank u wakkere knaap!” zeide Alonzo: “doch hoe kendet gij mij? en welk toeval bracht u dáár in dien tempel des satans om mij te verdedigen?”“Ik heb eene boodschap aan u, edele heer!” zei de jongeling: “en daar ik aan uwe woning vernam dat de jonker Van Rodenberg u genoodigd bad, was ik zeker u in den Avondtempel te zullen vinden. Juist kwam ik van pas om uw aanvaller met een duchtigen vuistslag ter aarde te werpen.”“Gij hebt braaf gehandeld,” hernam Alonzo: “Doch gij hadt eene boodschap aan mij?”“Dit briefje moest ik u ter hand stellen,” sprak de jonkman, die niemand anders dan Maarten was: “Het komt vanden Oldenburgh.”Alonzo nam het briefje begeerig aan, en door Maarten op zijn verzoek tot aan zijne woning vergezeld, stopte hij dezen eenig geld in de hand, begaf zich vervolgens naar zijne kamer, en las de volgende woorden:“Waarschijnlijk zult gij u morgen met het gezantschap ten onzent bevinden. Ik bid u, voor uwe en mijne rust, door geen het minste teeken te verraden, dat gij mij genegen zijt.”Deze regelen waren met de letters A. V. B. onderteekend.

Vierde hoofdstuk.De graaf Van Bergen zat in zijn hoogen, met rood marokijn leder gevoerden ebbenhouten leuningstoel, op zijn kasteelden Oldenburgh, hetwelk ongeveer op een uur afstands van ’s-Gravenhage was gelegen. Met strakke oogen staarde hij in het groote, helder vlammende vuur, welks bestanddeelen, die spoedig in asch zouden verkeeren, bouwkunstig waren opeengestapeld. Vroolijk knappendspatten de vonken en stegen in den ontzaglijk breeden schoorsteen op, om weldra echter in kleine stofjes weder neer te komen.Des graven lichaam was bijna geheel in een fluweelen morgenkleed gewikkeld; alleen waren zijne beenen en voeten zichtbaar, die in zwarte zijden kousen en groote roodlederen pantoffels staken. De wanden van het ruime vertrek, aan welks einde Van Bergen was gezeten, waren behangen met groote portretten in prachtig gesneden eikenhouten lijsten. Het waren des graven ouders en voorouders, die zwijgend, in ouderwetsche kleederdrachten, van hun hooge standplaatsen schenen neder te zien. Die groote kruisramen met kleine in lood gevatte vensterglazen, gaven over de breede gracht, die het geheele kasteel omringde, het uitzicht op een eikenhouten bosschage, dat nu geheel van bladeren ontdaan, door de ijle takken, het oog een vrijen doorgang liet, en het de in nevelen gehulde torens van het vorstelijk ’s-Gravenhage in de verte deed aanschouwen. Adelgonde zat—insgelijks in een morgengewaad, doch van witte stoffage, voor het middelste der groote kruisramen. Een prachtig borduurwerk rustte op haren schoot, en met een bewonderenswaardige vlugheid hanteerden haar kleine vingeren de fijne borduurnaald. De stilte duurde onafgebroken voort. Adelgonde wendde het oog naar haren vader, doch naardien hij met den rug naar hare zijde gekeerd zat, kon zij noch den somberen ernst van zijn edel gelaat, noch zijn zwaar gerimpeld voorhoofd aanschouwen.Nu sloeg zij haren blik naar het nevelachtige landschap. Akelig dof teekenden zich de naakte takken der eiken tegen den somberen grijzen hemel. Geen sterfelijk wezen ontwaarde zij in de rondte, en toch, toch bleef haar oog in dat donkere verschiet staren, toch zweefde haar geest over die thans zoo droeve landstreek, en dwaalde met vurig verlangen, maar tevergeefs, door de ontvolkte straten der stad en door de ontruimde balzalen van het Prinselijk paleis, ten einde den schoonen jongeling te ontdekken, die uit vreemde gewesten moest komen, om haar met een gevoel bekend te maken dat zij kort te voren nog slechts bij name gekend had. Een diepe zucht, dat onbetwistbare kenmerk van een vurig verlangen, ontglipte aan haar hijgenden boezem, en slechts met ééne gedachte bezield, haar geest zich slechts met één wezen bezighoudende, ontging het harer aandacht geheel, hoe aan het andere einde der gracht de breede ophaalbrug werd nedergelaten, en een fraaie koets de poort van het kasteel binnenrolde.Eensklaps werd de deur geopend en de gravin dedouairièreVan Bergen aangediend.Het was een kleine, reeds bejaarde dame, die kort daarop het vertrek binnentrad. Hare kleeding was smaakvol, doch voor haren leeftijd kon men die met recht te zwierig noemen. Een zwaar, groen damasten kleed omgaf haar wel is waar kleine, maar niettemin welgevormde gestalte; kleine zilveren lokken die voorheen zwart moesten geweest zijn, krulden om haar voorhoofd, terwijl haar verder hoofdtooisel in een witten sluier verborgen was, die gedeeltelijk over haar linkerschouder, gedeeltelijk over haar rugtot aan de knieën hing. Van onder den witten kraag kwam een fraai bewerkte gouden halsketen te voorschijn, waaraan een kruisje bevestigd was, dat met twaalf diamanten schitterde. Voorheen had zij voorzeker op schoonheid aanspraak gemaakt, want nog zelfs in dezen oogenblik vertoonde haar gelaat wel verouderde, maar toch nog zeer regelmatige trekken. Haar schier altijd nedergeslagene oogen echter, gaven iets geheimzinnigs aan een gelaat dat, bij al het voormalige schoon, toch aan een mindere afkomst deed denken.Van Bergen, door deze onverwachte verschijning in zijne overpeinzingen gestoord, was de gravin bij haar binnenkomen te gemoet gegaan. De bediende, in sierlijke liverei, had een soortgelijken leuningstoel als dien waarop de graaf had gezeten, schuin tegenover den zijne, doch op een grooteren afstand van het vuur nedergezet. De dame nam plaats, en Adelgonde die de binnenkomende met een dienaresse had begroet, hetwelk met een genadig hoofdknikje der andere was beantwoord, verliet op een gebiedenden wenk van haren vader, het vertrek, en begaf zich naar hare kamer.“Voorzeker hadt gij mij niet verwacht?” begon de dame, zoodra zij zich met den graaf alleen bevond, terwijl haar stem een Fransche afkomst verried.“Ik kan niet ontveinzen mevrouw, dat uwe komst in dit vroege voormiddaguur, na een zoo lange afwezigheid, mij eenigszins verrast; het schoone weder kon u onmogelijk tot dit bezoek hebben aangespoord.”“De begeerte om u te zien was voorzeker niet de geringste drijfveeren, die mij tot dezen wandelrit deden besluiten, doch....”“Ongetwijfeld is deze echter niet de voornaamste?” hernam Van Bergen, hare rede aanvullende.“Over zaken had ik u insgelijks te spreken,” hervatte de dame: “Ik vertrouw dat de zoon van mijn zaligen echtgenoot mij met eenige belangstelling zal aanhooren, en durf dit gereedelijk veronderstellen, dewijl hij mij reeds zoovele blijken zijner goedheid heeft gegeven.”“Gij zult mij verplichten het zoo kort mogelijk te maken, dewijl ik ten twee uren in Den Haag word verwacht,” zeide Van Bergen, terwijl hij een paar brandende stukken hout die naar voren gevallen waren, met den voet terugstiet.“Mijn speciaal verzoek is slechts in weinige woorden vervat,” hernam de andere: “De gegrondheid en billijkheid er van zult gij weldra inzien, en mijn waarde zoon zal, vertrouw ik, volkomen met mij instemmen, dat de weduwe van zijn dierbaren vader, onmogelijk op den duur van een jaarwedde kan bestaan die, hoe edelmoedig ook door hem uitgereikt, slechts de geringe som van vier duizend kronen bedraagt.—Mon Dieu!hoe is het mogelijk van deze geringe som een staat te blijven voeren, die aan dedouairièrevan uwen vader past? Hoe is het mogelijk, zeg ik, van zulk een gering jaargeld, behalve zich zelve, zijne bedienden te kleeden, te voeden, zijne paarden en rijtuigen te onderhouden? Kan men van deze som, ik vraag het u zelven, waarde zoon, op dat naargeestige kasteelnu en dan menschen om zich verzamelen, ten einde de bewustheid te behouden dat men nog in een bewoonde wereld leeft?—Impossible, zeg ik u, en ieder zal mij dit toestemmen. En gij, dierbare zoon, die even grootmoedig als dapper zijt, zult het mij voorzeker niet ten kwade duiden dat ik op de verhooging eener jaarwedde kom aandringen, die u zelven, bij eenig nadenken, onbeduidend moet voorkomen.”Van Bergen heeft haar geheel laten uitspreken. Eenige malen had hij haar reeds in de rede willen vallen, doch zich ook telkens bedwongen.Langzaam en met de oogen strak op het vuur gevestigd, ving hij, na eenige oogenblikken zwijgens, aldus aan: “Gij schijnt te vergeten mevrouw, dat het u niet vergund is mij bij een naam te noemen die, behalve door mijn vader, mij alleen door háár kon gegeven worden, die mij onder het hart heeft gedragen. Reeds lang bestaat zij niet meer, de edele moeder, die mij met smart heeft ter wereld gebracht, en mij van mijn vroegste jeugd af aan, godsvrucht en deugd als de hoogste goederen leerde waardeeren. Zij bestaat niet meer op deze aarde; doch in die zalige oorden, waar zij, in den Heere ontslapen, is henengegaan, moet het haar als een heiligschennis in de ooren klinken, dat een andere vrouw,” en hier sloeg de graaf een paar fonkelende oogen op zijne bezoekster: “in hare rechten tredende, dien zoon bij een naam durft noemen, waarop zij alleen, door natuur en bloed had recht verkregen.—Het grieft mij tevens diep,” vervolgde hij, terwijl de gravin, die gedurende deze toespraak, en ook nú nog, zonder de minste gemoedsaandoening op het gelaat, de oogen voor zich hield nedergeslagen: “door u in de noodzakelijkheid te zijn gebracht, u te herinneren, dat ik u na den dood mijns vaders, uit uwe verworpenheid tot een staat heb teruggevoerd waaruit hij u, niet zonder billijke redenen, had verstooten.—Laat mij uitspreken, bid ik u,” ging hij voort, bemerkende dat de gravin hem in de rede wilde vallen: “Herinnert gij u niet dat mijn vader u van alle rechten op zijne nalatenschap heeft verstoken gelaten? Dat zijn uiterste wilsbeschikking u slechts zóóveel verschafte als noodig was om behoorlijk naar uw vaderland te kunnen terugkeeren? Dat ik u uit uw ellende en broodsgebrek heb teruggehaald? Dat ik u het voorvaderlijk kasteelden Blankertmet al zijn toebehooren vrijwillig heb afgestaan, en u nog bovendien die aanzienlijke jaarwedde van vier duizend kronen heb verleend, op welke gij thans ondankbaar nederziet, als geschiedde u het grootste onrecht?—Neen, spaar uwe woorden mevrouw!” vervolgde hij, terwijl hij opstaande met driftige schreden het vertrek op en neder liep: “Ik weet zeer wel dat gij de wettige gemalin van mijn vader zijt geweest; maar ik weet ook zeer goed dat die vader duizend malen het onzalige oogenblik heeft verwenscht waarin hij, God en zijn ontslapene gade vergetende, uw liefde kocht, en eindelijk al meer en meer door uwe schoonheid verblind en in uwe strikken verward, u herwaarts voerde, om zich met u in den echt te begeven. Zeer wél weet ik mevrouw, dat gij uw zondigen aard niet verloochenende,hem spoedig daarna ontrouw zijt geworden, en dat de naam van Van Bergen door u slechts in oneer is gedragen. Dit alles weet ik zeer goed mevrouw, doch heb God tevens menigmalen gedankt, dat hij u geen zoon heeft geschonken die het oud adellijke bloed der Van Bergens, met het uwe vermengd, tot oneere van dat geslacht, zou hebben in stand gehouden. Neen, beter is het mij dien naam met mij in het graf te nemen, dan spruiten van dat geslacht te zien opgroeien die, op anderen bodem gekweekt, hoogst waarschijnlijk hun eigendommelijke kleur en gedaante zouden verloren hebben.—Gij ziet,” zoo eindigde hij: “dat, hoewel ik u in verscheidene jaren niet heb gezien, ik de ware toedracht der zaken toch geenszins vergeten heb. Verschoon mij wat ik u bidden mag, in het vervolg van uwe bezoeken; zij verlevendigen slechts treurige herinneringen in mij. Stel u tevreden met datgene wat ik vrijwillig voor u opoffer. Hecht u niet langer aan deze aarde, welke gij reeds spoedig zult verlaten—verlaten, om rekenschap uwer daden af te leggen. Bereid u voor tot dien gewichtigen stap, en wijd uw laatste levensjaren niet aan het najagen van ijdel zingenot, dat u, in uw jeugdigen leeftijd, het pad der zonde deed betreden.”Van Bergen hield op met spreken; hij scheen vermoeid en overspannen. Met de armen kruiselings over de borst geslagen, beschouwde hij het onveranderlijke gelaat der gravin.Even sloeg zij hare oogen die, voor hare jaren, van een buitengewoon vuur schitterden, naar hem op. “Gij valt mij hard graaf,” sprak zij op diep verongelijkten toon: “Gij valt mij inderdaad zeer hard. Is het daarom dat gij mij uwe gunsten betoont, om mij geheel en al te kunnen vernederen? Werd ik daarom de echtgenoot van uwen vader, om door hem verstooten en onterfd te worden, en werd ik door den zoon gedeeltelijk in mijne rechten hersteld, om daarna van hem weder de grofste beleedigingen te moeten verduren? Moest ik daarom dat schoone Frankrijk, dat aangebeden Parijs verlaten, waar ik....”“Waar gij in dolle vaart de hel en uw eeuwig verderf tegemoet sneldet!” viel Van Bergen haar met een donderende stem in de rede.—“Vertrek mevrouw,” ging hij voort: “verlaat mijne woning! Wat ik u bidden mag pijnig mij niet langer met uwe tegenwoordigheid. In uwe nabijheid komt de zwakheid mijns vaders mij als een onvergeeflijke misdaad voor. Scheur toch niet, gelijk de adder, de borst open, die u nog liefderijk koestert. Verhard u niet, maar bekeer u; bekeer u voor God die lankmoedig is en genadig. Ga nu van hier en herdenk deze woorden, welke ik hoop dat de laatste zullen zijn, die ik ooit tot u spreken zal.”De graaf floot driemalen. “Is de koets der gravin in gereedheid?” vroeg hij een binnenkomenden bediende.“Ja uw genade, zij wacht voor de kleine poort.”“Dan zult gij hare genade naar den wagen begeleiden.”Daarop vergezelde Van Bergen zijne stiefmoeder tot aan de deur; maakte eene buiging; en de gravin die door deze spoedige wending van het gesprek alle hoop moest vaarwel zeggen, om het inhaar voordeel te vervolgen, sprak geen enkel woord, neigde aan de deur gekomen, volgde den vooruitloopenden bediende, en wierp zich in hare koets, met de hel in het hart en een glimlach om de lippen.Adelgonde, op hare kamer gekomen, kon, nu geheel aan zich zelve overgelaten, aan hare gewaarwordingen den vrijen teugel vieren. Dat overkropte gevoel, hetwelk haar na het bal van den vorigen avond steeds had bezield, en hetwelk doorgaans uit een onbevredigd verlangen naar een geliefd voorwerp ontspruit, deed groote tranen langs hare blanke kaken vloeien, welke tranen eenigermate haar gemoed verlichtten, dewijl zij, doch zonder het nog recht te beseffen, reeds vurig beminde en zich reeds eenzaam gevoelde in afwezigheid des geliefden.De schoone Adelgonde weerhield hare tranen niet, en gevoelde zich zelfs ruimer toen ze ruimschoots vloeiden.—Bedrieg ik mij dan waarlijk niet, dacht zij: heeft die jonge Spanjaard mij dan inderdaad zoo op eenmaal het hart ontstolen? Is hij mij dan in die weinige oogenblikken reeds zóó dierbaar geworden, dat ik mijne tranen niet weerhouden kan? Slechts weinige woorden heeft hij mij toegesproken; doch zij waren zoo liefelijk, zij klonken zoo oprecht, en hij sprak met een gevoel, dat van zijn waarachtige liefde getuigde. Zou het dan waarheid zijn, dat mijn beeld het eerste is, ’t welk op zijn licht ontvlambaar gemoed een zoo diepen indruk heeft gemaakt? Zou dan waarlijk mijn bleek gelaat hem meer hebben getroffen dan de donkere haren en gloeiende oogen der dochteren van het Zuiden?Adelgonde sloeg bij deze laatste gedachte de oogen op haar toiletspiegel, en hoewel zij de geringste ijdelheid zelfs als eene ondeugd verfoeide, kon het niet anders of die blik moest haar, op dit laatste punt, ten eenenmale geruststellen.—Wie is schooner dan hij? ging de bevallige, in Amors strikken verwarde jonkvrouw bij zich zelve voort: Welk Nederlandsch edelman is fierder en kloeker gebouwd? Wie toch,van al die jonkers, spreekt zóó bevallig, en zóó oprecht van vriendschap en van liefde? O, neen! wat zijn hunne woorden! Zouteloos, vervelend geklap, in vergelijking van Alonzo’s welluidende en zoetklinkende taal.Zoo droomde Adelgonde voort,—aan Alonzo gelijk, geslingerd door vrees en hoop, door twijfel en vertrouwen; maar toch smolten door de sympathie der zielen, hunne gedachten wonderbaar ineen.Een zacht tikken aan de kamerdeur wekte haar uit dien streelenden droom. Vlug pinkte zij den laatsten traan weg, die nog tusschen hare lange wimpers parelde, en na bekomen verlof trad Adelgondes bevallige kamenier het boudoir van hare gebiedster binnen, ten einde haar in het kleeden behulpzaam te zijn.Het was Anne, de ons reeds bekende geliefde van Maarten, de vroolijke Anne, die den benijdenswaardigen post van kamerjuffer bij de jonkvrouw Van Bergen bekleedde: Anne, wie van het altijd keurige toilet harer jeugdige meesteres de meeste eer toekwam; die altijd even opgeruimd, even voorkomend, even dienstvaardig en bescheiden tevens, de achting en vriendschap van hare gebiedsterten volle waardig was. Hare gestalte was van een tamelijke lengte; hare vormen waren rond; haar kopje, dat met een paar zwarte kijkers voorzien was, trok niet zelden de aandacht der jonge lieden tot zich; haar haren waren gitzwart, doch gedeeltelijk onder een klein kapje of mutsje van roséfluweel verborgen; hare kleeding was net doch hoogst eenvoudig, en vooral muntte daarvan het hagelwitte voorschoot uit, dat zelfs de sneeuw in helderheid verre overtrof.“De lieve freule zou hare kleeding geheel en al vergeten.” begon zij eenigszins spotachtig: “Gisteren, ja, toen moest er meer haast gemaakt worden: Maar het is ook niet alle dagen bal, zegt Maarten, als hij mij eens een frisschen zoen geeft. Neen, van daag zal het er niet zoo op aankomen; gisteren moest ik wel een uur te vroeg beginnen, en nu is het waarlijk wel een half uur over den tijd.”“Ik zal mij heden niet kleeden, Anne!” zeide Adelgonde: “De graaf is naar de stad, komt eerst laat te huis, en wie zou heden nog een bezoek opden Oldenburghkomen afleggen?”“O!” hervatte Anne met een glimlachje: “er zijn zoovele vreemdelingen in Den Haag gekomen, die zullen de naburen toch wel eens komen opzoeken. Wie weet welke bezoeken ons nog te wachten staan!”“Waar zijn uwe gedachten Anne?” hervatte Adelgonde, die, hoewel heimelijk dezen wensch koesterende, dit toch niet voor hare kamenier wilde bekennen: “Waar zijn uwe gedachten! Deze dorre landstreek levert ook heel wat fraais op, om te bezien. Waren wij in de lente of in den zomer, ik zou het u gewonnen geven; doch thans, neen.... die heeren doen verstandig bij den warmen haard te blijven; zij hebben ook wel andere bezigheden.”“Nu ja, dat kan wel wezen. Doch wat die koude aanbelangt, geloof mij lieve freule, er zijn immers ook nog jeugdigen, wier zuidelijk bloed niet zoo spoedig in de aderen zal verkleumen. Maarten is nooit koud als ik bij hem ben, en toch komt hij, zooals gij weet, door het guurste weder iederen Zaterdag-avond naarden Oldenburgh. Maar al sta ik dan ook te bibberen als een rietje, hij brandt en gloeit altijd alsof hij in een oven stond.”“Dan denkt gij dat die heeren voorden Oldenburghzouden gloeien, als uw Maarten voor zijn Anne?” vroeg Adelgonde, die dit gesprek wel scheen te bevallen.“Voorzeker zou Maarten ook niet koud worden als hij eensden Oldenburghals zijn toekomstig erfdeel kon beschouwen,” hernam het meisje: “maar de bezielde persoontjes die in dat schoone kasteel wonen, zullen die heeren toch wel het meeste aantrekken, naar ik meen.”“Foei Anne, hoe komt ge op zulke gedachten! Gij moest....”“Hoe ik op zulke gedachten kom lieve freule, dat zal ik u eens vertellen,” viel het aardige kind Adelgonde snel in de rede: “Gij moet dan weten dat ik u, toen die gezanten—of hoe men die menschen noemt—in Den Haag kwamen, zeer wel bij den baron Van Doorn op het balkon heb zien staan. Toen reed er achter den wagen een jong edelman, met haren, veel mooier dan de uwe of demijne; juist tusschen onze kleuren in, donkerbruin, kastanjebruin. Ik was geheel in verrukking over dien fraaien jonker. Maarten werd wezenlijk jaloersch; o hij werd zoo jaloersch, en sprak maar alleen van den schimmel waar die schoone ruiter op gezeten was. Maarten had wel gerust kunnen zijn, want hoe gaarne ik hem ook eens in de oogen had gezien, dat behoefde niet.—Neen waarlijk, hij had wel naar wat anders te kijken: de jonge dame op het balkon hield hem geheel bezig, en die jonge schoone dame bloosde, ja bloosde—nog veel sterker dan gij in dit oogenblik lieve freule.”Adelgonde dreigde de ondeugende snapster met den vinger, doch deze liet zich niet afschrikken.“Zie, daardoor ben ik op het zonderlinge denkbeeld gekomen,” vervolgde zij: “dat die schoone jonker u wel in eigen persoon den fraaien zakdoek zou terugbrengen, dien ik dadelijk bij uwe te huiskomst heb gemist. Het zou ook waarlijk jammer zijn als hij, door dien te behouden, het mooie stel zou schenden.”“Neen, nu hebt gij geheel en al misgerekend, booze praatster,” zei Adelgonde, terwijl zij den doek uit haar keursje te voorschijn trok: “hier is de doek; ik had hem wel verloren maar toch ook wedergevonden.”“Ha ha!” zeide het meisje lachende: “er heeft dus gisteren op het bal reeds eentête à têteplaats gehad, zooals de Franschen het noemen; nu, dan zullen de bezoeken ook niet achterwege blijven en zal de rest wel volgen.”“Gij deedt beter uw praatgraag mondje een weinig dicht te houden,” hervatte Adelgonde, schijnbaar vertoornd.“Och, neem het mij niet kwalijk, liefste freule Adelgonde,” ging Anne voort, ongeneigd aan het bevel harer gebiedster te gehoorzamen: “Neem het mij toch niet kwalijk, maar ik ben zoo recht verheugd dat gij eindelijk in mijn gild zijt gekomen. Geloof mij, ik ken die zaken goed, en kan u zeer veel van dienst zijn.—Daar is Maarten, die is volmaakt voor een “poltron d’amour” geschikt, zooals de Franschen zeggen; hij kan u de grootste diensten bewijzen: bij voorbeeld uw briefje overbrengen of zoo iets; want uw schoone Spaansche heer zal toch ook wel zoo’n briefje moeten hebben, zooals Maarten van mij heeft. Ik kan wel niet schrijven, doch hij heeft mijne hand bestuurd en toen moest ik op een klein stukje perkament zetten: “ik bemin u!” en dat stukje perkament moest ik hem toen bij de plaats van zijn hart, tusschen het wambuis en de voering vastnaaien. Zie, dat briefje kunt gij toch zelve niet naar Den Haag brengen. O neen, dat gaat niet, want hij moet—evenals Maarten van mij—ook een vlokje van uw haar hebben; dat behoort er zoo bij, freule, want dat zoent Maarten alle avonden geregeld goeden nacht, voordat hij zijn gebed begint.—O, ik zou u nog veel meer kunnen vertellen,” vervolgde zij, ziende dat Adelgonde glimlachte: “Gij moet elkander een suikeren hartje geven, en dat in elkanders tegenwoordigheid geheel opeten; drie malen daags uwe linkerhand zoenen en daarbij aan den geliefde denken;u des nachts op de linkerzijde te slapen leggen, om van hem te droomen, en honderden dingen meer, die Maarten u beter zou kunnen zeggen dan ik het doen kan. En als men dan bij elkander is, freule! o, dan kunt gij u niet verbeelden, hoe aardig dat toegaat. Dan gaan wij heel dicht bij elkaar zitten, en dan praten wij heel zachtjes; niet omdat men het niet hooren mag, maar omdat wij dan toch alleen zijn. Dan drukken wij elkander de handen; Maarten kan mij tusschenbeide wel eens zeer doen, maar dat neem ik hem niet kwalijk, want hij heeft ook veel ruwer handen dan ik.—Maar als hij mij zoent, zie, liefste freule, daarvoor zijt gij ongelukkig te laat gekomen: want zoenen, zoenen doet hij, zooals dat geen mensch op de wereld meer kan!”Anne was geheel in vuur geraakt en Adelgonde bijna om den hals gevlogen, daar zij, geheel en al met het beeld van haren Adonis vervuld, in alles zijn wezen meende te aanschouwen.“Nu, gij zijt mij een waardige leermeesteres!” sprak Adelgonde, wier droevige stemming, door de naïeve woorden van Anne geheel en al was geweken. “Gij klapt al aardig uit de school der liefde! Als Maarten dat wist, dan waren tusschen u beiden voorzeker alles ten eenenmale afgedaan.”“Toch niet! toch niet!” riep Anne: “hij heeft het suikeren hartje geheel en al naar binnen; ik heb het met eigen oogen gezien; en zou ik mijn goede, schoone meesteres, die mij zooveel heeft geleerd, niet in datgene mogen onderrichten wat zij onmogelijk weten kan?”“Gij meent het zeer goed met mij,” zei de jonkvrouw vriendelijk: “Ik dank u recht hartelijk voor uw aangenaam onderwijs,” en te gelijk verborg zij den doek, welken zij uit de hand van Alonzo had aangenomen, zonder dat Anne dit bemerkte, weder aan haren boezem, wel overtuigd dat de vurige Alonzo, Maartens lessen evenmin zou behoeven, als zij zelve die van hare kamenier.

De graaf Van Bergen zat in zijn hoogen, met rood marokijn leder gevoerden ebbenhouten leuningstoel, op zijn kasteelden Oldenburgh, hetwelk ongeveer op een uur afstands van ’s-Gravenhage was gelegen. Met strakke oogen staarde hij in het groote, helder vlammende vuur, welks bestanddeelen, die spoedig in asch zouden verkeeren, bouwkunstig waren opeengestapeld. Vroolijk knappendspatten de vonken en stegen in den ontzaglijk breeden schoorsteen op, om weldra echter in kleine stofjes weder neer te komen.

Des graven lichaam was bijna geheel in een fluweelen morgenkleed gewikkeld; alleen waren zijne beenen en voeten zichtbaar, die in zwarte zijden kousen en groote roodlederen pantoffels staken. De wanden van het ruime vertrek, aan welks einde Van Bergen was gezeten, waren behangen met groote portretten in prachtig gesneden eikenhouten lijsten. Het waren des graven ouders en voorouders, die zwijgend, in ouderwetsche kleederdrachten, van hun hooge standplaatsen schenen neder te zien. Die groote kruisramen met kleine in lood gevatte vensterglazen, gaven over de breede gracht, die het geheele kasteel omringde, het uitzicht op een eikenhouten bosschage, dat nu geheel van bladeren ontdaan, door de ijle takken, het oog een vrijen doorgang liet, en het de in nevelen gehulde torens van het vorstelijk ’s-Gravenhage in de verte deed aanschouwen. Adelgonde zat—insgelijks in een morgengewaad, doch van witte stoffage, voor het middelste der groote kruisramen. Een prachtig borduurwerk rustte op haren schoot, en met een bewonderenswaardige vlugheid hanteerden haar kleine vingeren de fijne borduurnaald. De stilte duurde onafgebroken voort. Adelgonde wendde het oog naar haren vader, doch naardien hij met den rug naar hare zijde gekeerd zat, kon zij noch den somberen ernst van zijn edel gelaat, noch zijn zwaar gerimpeld voorhoofd aanschouwen.

Nu sloeg zij haren blik naar het nevelachtige landschap. Akelig dof teekenden zich de naakte takken der eiken tegen den somberen grijzen hemel. Geen sterfelijk wezen ontwaarde zij in de rondte, en toch, toch bleef haar oog in dat donkere verschiet staren, toch zweefde haar geest over die thans zoo droeve landstreek, en dwaalde met vurig verlangen, maar tevergeefs, door de ontvolkte straten der stad en door de ontruimde balzalen van het Prinselijk paleis, ten einde den schoonen jongeling te ontdekken, die uit vreemde gewesten moest komen, om haar met een gevoel bekend te maken dat zij kort te voren nog slechts bij name gekend had. Een diepe zucht, dat onbetwistbare kenmerk van een vurig verlangen, ontglipte aan haar hijgenden boezem, en slechts met ééne gedachte bezield, haar geest zich slechts met één wezen bezighoudende, ontging het harer aandacht geheel, hoe aan het andere einde der gracht de breede ophaalbrug werd nedergelaten, en een fraaie koets de poort van het kasteel binnenrolde.

Eensklaps werd de deur geopend en de gravin dedouairièreVan Bergen aangediend.

Het was een kleine, reeds bejaarde dame, die kort daarop het vertrek binnentrad. Hare kleeding was smaakvol, doch voor haren leeftijd kon men die met recht te zwierig noemen. Een zwaar, groen damasten kleed omgaf haar wel is waar kleine, maar niettemin welgevormde gestalte; kleine zilveren lokken die voorheen zwart moesten geweest zijn, krulden om haar voorhoofd, terwijl haar verder hoofdtooisel in een witten sluier verborgen was, die gedeeltelijk over haar linkerschouder, gedeeltelijk over haar rugtot aan de knieën hing. Van onder den witten kraag kwam een fraai bewerkte gouden halsketen te voorschijn, waaraan een kruisje bevestigd was, dat met twaalf diamanten schitterde. Voorheen had zij voorzeker op schoonheid aanspraak gemaakt, want nog zelfs in dezen oogenblik vertoonde haar gelaat wel verouderde, maar toch nog zeer regelmatige trekken. Haar schier altijd nedergeslagene oogen echter, gaven iets geheimzinnigs aan een gelaat dat, bij al het voormalige schoon, toch aan een mindere afkomst deed denken.

Van Bergen, door deze onverwachte verschijning in zijne overpeinzingen gestoord, was de gravin bij haar binnenkomen te gemoet gegaan. De bediende, in sierlijke liverei, had een soortgelijken leuningstoel als dien waarop de graaf had gezeten, schuin tegenover den zijne, doch op een grooteren afstand van het vuur nedergezet. De dame nam plaats, en Adelgonde die de binnenkomende met een dienaresse had begroet, hetwelk met een genadig hoofdknikje der andere was beantwoord, verliet op een gebiedenden wenk van haren vader, het vertrek, en begaf zich naar hare kamer.

“Voorzeker hadt gij mij niet verwacht?” begon de dame, zoodra zij zich met den graaf alleen bevond, terwijl haar stem een Fransche afkomst verried.

“Ik kan niet ontveinzen mevrouw, dat uwe komst in dit vroege voormiddaguur, na een zoo lange afwezigheid, mij eenigszins verrast; het schoone weder kon u onmogelijk tot dit bezoek hebben aangespoord.”

“De begeerte om u te zien was voorzeker niet de geringste drijfveeren, die mij tot dezen wandelrit deden besluiten, doch....”

“Ongetwijfeld is deze echter niet de voornaamste?” hernam Van Bergen, hare rede aanvullende.

“Over zaken had ik u insgelijks te spreken,” hervatte de dame: “Ik vertrouw dat de zoon van mijn zaligen echtgenoot mij met eenige belangstelling zal aanhooren, en durf dit gereedelijk veronderstellen, dewijl hij mij reeds zoovele blijken zijner goedheid heeft gegeven.”

“Gij zult mij verplichten het zoo kort mogelijk te maken, dewijl ik ten twee uren in Den Haag word verwacht,” zeide Van Bergen, terwijl hij een paar brandende stukken hout die naar voren gevallen waren, met den voet terugstiet.

“Mijn speciaal verzoek is slechts in weinige woorden vervat,” hernam de andere: “De gegrondheid en billijkheid er van zult gij weldra inzien, en mijn waarde zoon zal, vertrouw ik, volkomen met mij instemmen, dat de weduwe van zijn dierbaren vader, onmogelijk op den duur van een jaarwedde kan bestaan die, hoe edelmoedig ook door hem uitgereikt, slechts de geringe som van vier duizend kronen bedraagt.—Mon Dieu!hoe is het mogelijk van deze geringe som een staat te blijven voeren, die aan dedouairièrevan uwen vader past? Hoe is het mogelijk, zeg ik, van zulk een gering jaargeld, behalve zich zelve, zijne bedienden te kleeden, te voeden, zijne paarden en rijtuigen te onderhouden? Kan men van deze som, ik vraag het u zelven, waarde zoon, op dat naargeestige kasteelnu en dan menschen om zich verzamelen, ten einde de bewustheid te behouden dat men nog in een bewoonde wereld leeft?—Impossible, zeg ik u, en ieder zal mij dit toestemmen. En gij, dierbare zoon, die even grootmoedig als dapper zijt, zult het mij voorzeker niet ten kwade duiden dat ik op de verhooging eener jaarwedde kom aandringen, die u zelven, bij eenig nadenken, onbeduidend moet voorkomen.”

Van Bergen heeft haar geheel laten uitspreken. Eenige malen had hij haar reeds in de rede willen vallen, doch zich ook telkens bedwongen.

Langzaam en met de oogen strak op het vuur gevestigd, ving hij, na eenige oogenblikken zwijgens, aldus aan: “Gij schijnt te vergeten mevrouw, dat het u niet vergund is mij bij een naam te noemen die, behalve door mijn vader, mij alleen door háár kon gegeven worden, die mij onder het hart heeft gedragen. Reeds lang bestaat zij niet meer, de edele moeder, die mij met smart heeft ter wereld gebracht, en mij van mijn vroegste jeugd af aan, godsvrucht en deugd als de hoogste goederen leerde waardeeren. Zij bestaat niet meer op deze aarde; doch in die zalige oorden, waar zij, in den Heere ontslapen, is henengegaan, moet het haar als een heiligschennis in de ooren klinken, dat een andere vrouw,” en hier sloeg de graaf een paar fonkelende oogen op zijne bezoekster: “in hare rechten tredende, dien zoon bij een naam durft noemen, waarop zij alleen, door natuur en bloed had recht verkregen.—Het grieft mij tevens diep,” vervolgde hij, terwijl de gravin, die gedurende deze toespraak, en ook nú nog, zonder de minste gemoedsaandoening op het gelaat, de oogen voor zich hield nedergeslagen: “door u in de noodzakelijkheid te zijn gebracht, u te herinneren, dat ik u na den dood mijns vaders, uit uwe verworpenheid tot een staat heb teruggevoerd waaruit hij u, niet zonder billijke redenen, had verstooten.—Laat mij uitspreken, bid ik u,” ging hij voort, bemerkende dat de gravin hem in de rede wilde vallen: “Herinnert gij u niet dat mijn vader u van alle rechten op zijne nalatenschap heeft verstoken gelaten? Dat zijn uiterste wilsbeschikking u slechts zóóveel verschafte als noodig was om behoorlijk naar uw vaderland te kunnen terugkeeren? Dat ik u uit uw ellende en broodsgebrek heb teruggehaald? Dat ik u het voorvaderlijk kasteelden Blankertmet al zijn toebehooren vrijwillig heb afgestaan, en u nog bovendien die aanzienlijke jaarwedde van vier duizend kronen heb verleend, op welke gij thans ondankbaar nederziet, als geschiedde u het grootste onrecht?—Neen, spaar uwe woorden mevrouw!” vervolgde hij, terwijl hij opstaande met driftige schreden het vertrek op en neder liep: “Ik weet zeer wel dat gij de wettige gemalin van mijn vader zijt geweest; maar ik weet ook zeer goed dat die vader duizend malen het onzalige oogenblik heeft verwenscht waarin hij, God en zijn ontslapene gade vergetende, uw liefde kocht, en eindelijk al meer en meer door uwe schoonheid verblind en in uwe strikken verward, u herwaarts voerde, om zich met u in den echt te begeven. Zeer wél weet ik mevrouw, dat gij uw zondigen aard niet verloochenende,hem spoedig daarna ontrouw zijt geworden, en dat de naam van Van Bergen door u slechts in oneer is gedragen. Dit alles weet ik zeer goed mevrouw, doch heb God tevens menigmalen gedankt, dat hij u geen zoon heeft geschonken die het oud adellijke bloed der Van Bergens, met het uwe vermengd, tot oneere van dat geslacht, zou hebben in stand gehouden. Neen, beter is het mij dien naam met mij in het graf te nemen, dan spruiten van dat geslacht te zien opgroeien die, op anderen bodem gekweekt, hoogst waarschijnlijk hun eigendommelijke kleur en gedaante zouden verloren hebben.—Gij ziet,” zoo eindigde hij: “dat, hoewel ik u in verscheidene jaren niet heb gezien, ik de ware toedracht der zaken toch geenszins vergeten heb. Verschoon mij wat ik u bidden mag, in het vervolg van uwe bezoeken; zij verlevendigen slechts treurige herinneringen in mij. Stel u tevreden met datgene wat ik vrijwillig voor u opoffer. Hecht u niet langer aan deze aarde, welke gij reeds spoedig zult verlaten—verlaten, om rekenschap uwer daden af te leggen. Bereid u voor tot dien gewichtigen stap, en wijd uw laatste levensjaren niet aan het najagen van ijdel zingenot, dat u, in uw jeugdigen leeftijd, het pad der zonde deed betreden.”

Van Bergen hield op met spreken; hij scheen vermoeid en overspannen. Met de armen kruiselings over de borst geslagen, beschouwde hij het onveranderlijke gelaat der gravin.

Even sloeg zij hare oogen die, voor hare jaren, van een buitengewoon vuur schitterden, naar hem op. “Gij valt mij hard graaf,” sprak zij op diep verongelijkten toon: “Gij valt mij inderdaad zeer hard. Is het daarom dat gij mij uwe gunsten betoont, om mij geheel en al te kunnen vernederen? Werd ik daarom de echtgenoot van uwen vader, om door hem verstooten en onterfd te worden, en werd ik door den zoon gedeeltelijk in mijne rechten hersteld, om daarna van hem weder de grofste beleedigingen te moeten verduren? Moest ik daarom dat schoone Frankrijk, dat aangebeden Parijs verlaten, waar ik....”

“Waar gij in dolle vaart de hel en uw eeuwig verderf tegemoet sneldet!” viel Van Bergen haar met een donderende stem in de rede.—“Vertrek mevrouw,” ging hij voort: “verlaat mijne woning! Wat ik u bidden mag pijnig mij niet langer met uwe tegenwoordigheid. In uwe nabijheid komt de zwakheid mijns vaders mij als een onvergeeflijke misdaad voor. Scheur toch niet, gelijk de adder, de borst open, die u nog liefderijk koestert. Verhard u niet, maar bekeer u; bekeer u voor God die lankmoedig is en genadig. Ga nu van hier en herdenk deze woorden, welke ik hoop dat de laatste zullen zijn, die ik ooit tot u spreken zal.”

De graaf floot driemalen. “Is de koets der gravin in gereedheid?” vroeg hij een binnenkomenden bediende.

“Ja uw genade, zij wacht voor de kleine poort.”

“Dan zult gij hare genade naar den wagen begeleiden.”

Daarop vergezelde Van Bergen zijne stiefmoeder tot aan de deur; maakte eene buiging; en de gravin die door deze spoedige wending van het gesprek alle hoop moest vaarwel zeggen, om het inhaar voordeel te vervolgen, sprak geen enkel woord, neigde aan de deur gekomen, volgde den vooruitloopenden bediende, en wierp zich in hare koets, met de hel in het hart en een glimlach om de lippen.

Adelgonde, op hare kamer gekomen, kon, nu geheel aan zich zelve overgelaten, aan hare gewaarwordingen den vrijen teugel vieren. Dat overkropte gevoel, hetwelk haar na het bal van den vorigen avond steeds had bezield, en hetwelk doorgaans uit een onbevredigd verlangen naar een geliefd voorwerp ontspruit, deed groote tranen langs hare blanke kaken vloeien, welke tranen eenigermate haar gemoed verlichtten, dewijl zij, doch zonder het nog recht te beseffen, reeds vurig beminde en zich reeds eenzaam gevoelde in afwezigheid des geliefden.

De schoone Adelgonde weerhield hare tranen niet, en gevoelde zich zelfs ruimer toen ze ruimschoots vloeiden.

—Bedrieg ik mij dan waarlijk niet, dacht zij: heeft die jonge Spanjaard mij dan inderdaad zoo op eenmaal het hart ontstolen? Is hij mij dan in die weinige oogenblikken reeds zóó dierbaar geworden, dat ik mijne tranen niet weerhouden kan? Slechts weinige woorden heeft hij mij toegesproken; doch zij waren zoo liefelijk, zij klonken zoo oprecht, en hij sprak met een gevoel, dat van zijn waarachtige liefde getuigde. Zou het dan waarheid zijn, dat mijn beeld het eerste is, ’t welk op zijn licht ontvlambaar gemoed een zoo diepen indruk heeft gemaakt? Zou dan waarlijk mijn bleek gelaat hem meer hebben getroffen dan de donkere haren en gloeiende oogen der dochteren van het Zuiden?

Adelgonde sloeg bij deze laatste gedachte de oogen op haar toiletspiegel, en hoewel zij de geringste ijdelheid zelfs als eene ondeugd verfoeide, kon het niet anders of die blik moest haar, op dit laatste punt, ten eenenmale geruststellen.

—Wie is schooner dan hij? ging de bevallige, in Amors strikken verwarde jonkvrouw bij zich zelve voort: Welk Nederlandsch edelman is fierder en kloeker gebouwd? Wie toch,van al die jonkers, spreekt zóó bevallig, en zóó oprecht van vriendschap en van liefde? O, neen! wat zijn hunne woorden! Zouteloos, vervelend geklap, in vergelijking van Alonzo’s welluidende en zoetklinkende taal.

Zoo droomde Adelgonde voort,—aan Alonzo gelijk, geslingerd door vrees en hoop, door twijfel en vertrouwen; maar toch smolten door de sympathie der zielen, hunne gedachten wonderbaar ineen.

Een zacht tikken aan de kamerdeur wekte haar uit dien streelenden droom. Vlug pinkte zij den laatsten traan weg, die nog tusschen hare lange wimpers parelde, en na bekomen verlof trad Adelgondes bevallige kamenier het boudoir van hare gebiedster binnen, ten einde haar in het kleeden behulpzaam te zijn.

Het was Anne, de ons reeds bekende geliefde van Maarten, de vroolijke Anne, die den benijdenswaardigen post van kamerjuffer bij de jonkvrouw Van Bergen bekleedde: Anne, wie van het altijd keurige toilet harer jeugdige meesteres de meeste eer toekwam; die altijd even opgeruimd, even voorkomend, even dienstvaardig en bescheiden tevens, de achting en vriendschap van hare gebiedsterten volle waardig was. Hare gestalte was van een tamelijke lengte; hare vormen waren rond; haar kopje, dat met een paar zwarte kijkers voorzien was, trok niet zelden de aandacht der jonge lieden tot zich; haar haren waren gitzwart, doch gedeeltelijk onder een klein kapje of mutsje van roséfluweel verborgen; hare kleeding was net doch hoogst eenvoudig, en vooral muntte daarvan het hagelwitte voorschoot uit, dat zelfs de sneeuw in helderheid verre overtrof.

“De lieve freule zou hare kleeding geheel en al vergeten.” begon zij eenigszins spotachtig: “Gisteren, ja, toen moest er meer haast gemaakt worden: Maar het is ook niet alle dagen bal, zegt Maarten, als hij mij eens een frisschen zoen geeft. Neen, van daag zal het er niet zoo op aankomen; gisteren moest ik wel een uur te vroeg beginnen, en nu is het waarlijk wel een half uur over den tijd.”

“Ik zal mij heden niet kleeden, Anne!” zeide Adelgonde: “De graaf is naar de stad, komt eerst laat te huis, en wie zou heden nog een bezoek opden Oldenburghkomen afleggen?”

“O!” hervatte Anne met een glimlachje: “er zijn zoovele vreemdelingen in Den Haag gekomen, die zullen de naburen toch wel eens komen opzoeken. Wie weet welke bezoeken ons nog te wachten staan!”

“Waar zijn uwe gedachten Anne?” hervatte Adelgonde, die, hoewel heimelijk dezen wensch koesterende, dit toch niet voor hare kamenier wilde bekennen: “Waar zijn uwe gedachten! Deze dorre landstreek levert ook heel wat fraais op, om te bezien. Waren wij in de lente of in den zomer, ik zou het u gewonnen geven; doch thans, neen.... die heeren doen verstandig bij den warmen haard te blijven; zij hebben ook wel andere bezigheden.”

“Nu ja, dat kan wel wezen. Doch wat die koude aanbelangt, geloof mij lieve freule, er zijn immers ook nog jeugdigen, wier zuidelijk bloed niet zoo spoedig in de aderen zal verkleumen. Maarten is nooit koud als ik bij hem ben, en toch komt hij, zooals gij weet, door het guurste weder iederen Zaterdag-avond naarden Oldenburgh. Maar al sta ik dan ook te bibberen als een rietje, hij brandt en gloeit altijd alsof hij in een oven stond.”

“Dan denkt gij dat die heeren voorden Oldenburghzouden gloeien, als uw Maarten voor zijn Anne?” vroeg Adelgonde, die dit gesprek wel scheen te bevallen.

“Voorzeker zou Maarten ook niet koud worden als hij eensden Oldenburghals zijn toekomstig erfdeel kon beschouwen,” hernam het meisje: “maar de bezielde persoontjes die in dat schoone kasteel wonen, zullen die heeren toch wel het meeste aantrekken, naar ik meen.”

“Foei Anne, hoe komt ge op zulke gedachten! Gij moest....”

“Hoe ik op zulke gedachten kom lieve freule, dat zal ik u eens vertellen,” viel het aardige kind Adelgonde snel in de rede: “Gij moet dan weten dat ik u, toen die gezanten—of hoe men die menschen noemt—in Den Haag kwamen, zeer wel bij den baron Van Doorn op het balkon heb zien staan. Toen reed er achter den wagen een jong edelman, met haren, veel mooier dan de uwe of demijne; juist tusschen onze kleuren in, donkerbruin, kastanjebruin. Ik was geheel in verrukking over dien fraaien jonker. Maarten werd wezenlijk jaloersch; o hij werd zoo jaloersch, en sprak maar alleen van den schimmel waar die schoone ruiter op gezeten was. Maarten had wel gerust kunnen zijn, want hoe gaarne ik hem ook eens in de oogen had gezien, dat behoefde niet.—Neen waarlijk, hij had wel naar wat anders te kijken: de jonge dame op het balkon hield hem geheel bezig, en die jonge schoone dame bloosde, ja bloosde—nog veel sterker dan gij in dit oogenblik lieve freule.”

Adelgonde dreigde de ondeugende snapster met den vinger, doch deze liet zich niet afschrikken.

“Zie, daardoor ben ik op het zonderlinge denkbeeld gekomen,” vervolgde zij: “dat die schoone jonker u wel in eigen persoon den fraaien zakdoek zou terugbrengen, dien ik dadelijk bij uwe te huiskomst heb gemist. Het zou ook waarlijk jammer zijn als hij, door dien te behouden, het mooie stel zou schenden.”

“Neen, nu hebt gij geheel en al misgerekend, booze praatster,” zei Adelgonde, terwijl zij den doek uit haar keursje te voorschijn trok: “hier is de doek; ik had hem wel verloren maar toch ook wedergevonden.”

“Ha ha!” zeide het meisje lachende: “er heeft dus gisteren op het bal reeds eentête à têteplaats gehad, zooals de Franschen het noemen; nu, dan zullen de bezoeken ook niet achterwege blijven en zal de rest wel volgen.”

“Gij deedt beter uw praatgraag mondje een weinig dicht te houden,” hervatte Adelgonde, schijnbaar vertoornd.

“Och, neem het mij niet kwalijk, liefste freule Adelgonde,” ging Anne voort, ongeneigd aan het bevel harer gebiedster te gehoorzamen: “Neem het mij toch niet kwalijk, maar ik ben zoo recht verheugd dat gij eindelijk in mijn gild zijt gekomen. Geloof mij, ik ken die zaken goed, en kan u zeer veel van dienst zijn.—Daar is Maarten, die is volmaakt voor een “poltron d’amour” geschikt, zooals de Franschen zeggen; hij kan u de grootste diensten bewijzen: bij voorbeeld uw briefje overbrengen of zoo iets; want uw schoone Spaansche heer zal toch ook wel zoo’n briefje moeten hebben, zooals Maarten van mij heeft. Ik kan wel niet schrijven, doch hij heeft mijne hand bestuurd en toen moest ik op een klein stukje perkament zetten: “ik bemin u!” en dat stukje perkament moest ik hem toen bij de plaats van zijn hart, tusschen het wambuis en de voering vastnaaien. Zie, dat briefje kunt gij toch zelve niet naar Den Haag brengen. O neen, dat gaat niet, want hij moet—evenals Maarten van mij—ook een vlokje van uw haar hebben; dat behoort er zoo bij, freule, want dat zoent Maarten alle avonden geregeld goeden nacht, voordat hij zijn gebed begint.—O, ik zou u nog veel meer kunnen vertellen,” vervolgde zij, ziende dat Adelgonde glimlachte: “Gij moet elkander een suikeren hartje geven, en dat in elkanders tegenwoordigheid geheel opeten; drie malen daags uwe linkerhand zoenen en daarbij aan den geliefde denken;u des nachts op de linkerzijde te slapen leggen, om van hem te droomen, en honderden dingen meer, die Maarten u beter zou kunnen zeggen dan ik het doen kan. En als men dan bij elkander is, freule! o, dan kunt gij u niet verbeelden, hoe aardig dat toegaat. Dan gaan wij heel dicht bij elkaar zitten, en dan praten wij heel zachtjes; niet omdat men het niet hooren mag, maar omdat wij dan toch alleen zijn. Dan drukken wij elkander de handen; Maarten kan mij tusschenbeide wel eens zeer doen, maar dat neem ik hem niet kwalijk, want hij heeft ook veel ruwer handen dan ik.—Maar als hij mij zoent, zie, liefste freule, daarvoor zijt gij ongelukkig te laat gekomen: want zoenen, zoenen doet hij, zooals dat geen mensch op de wereld meer kan!”

Anne was geheel in vuur geraakt en Adelgonde bijna om den hals gevlogen, daar zij, geheel en al met het beeld van haren Adonis vervuld, in alles zijn wezen meende te aanschouwen.

“Nu, gij zijt mij een waardige leermeesteres!” sprak Adelgonde, wier droevige stemming, door de naïeve woorden van Anne geheel en al was geweken. “Gij klapt al aardig uit de school der liefde! Als Maarten dat wist, dan waren tusschen u beiden voorzeker alles ten eenenmale afgedaan.”

“Toch niet! toch niet!” riep Anne: “hij heeft het suikeren hartje geheel en al naar binnen; ik heb het met eigen oogen gezien; en zou ik mijn goede, schoone meesteres, die mij zooveel heeft geleerd, niet in datgene mogen onderrichten wat zij onmogelijk weten kan?”

“Gij meent het zeer goed met mij,” zei de jonkvrouw vriendelijk: “Ik dank u recht hartelijk voor uw aangenaam onderwijs,” en te gelijk verborg zij den doek, welken zij uit de hand van Alonzo had aangenomen, zonder dat Anne dit bemerkte, weder aan haren boezem, wel overtuigd dat de vurige Alonzo, Maartens lessen evenmin zou behoeven, als zij zelve die van hare kamenier.

Vijfde hoofdstuk.Het is voor de tweede maal dat wij onze Lezers de herbergde Wijnstokbinnenvoeren, doch nu niet met oogmerk om ons in de gelagkamer van Gerrit Aal op te houden, en opnieuw in tabakswalm en brandewijnslucht te vertoeven, maar om de smalle wenteltrap op te klimmen, en eindelijk, na dien vermoeienden tocht, een tamelijk klein zolderkamertje binnen te treden. Het vertrek, dat wij onzen Lezers aanschouwelijk willen maken, was op genoemden zolder met planken afgeschoten. Een kleine deur, waaraan eene klinkwas bevestigd, diende tot den ingang, terwijl een tamelijk breed zoldervenster, eenigszins hoog geplaatst, een vrij voldoend licht inliet. Er heerschte een niet onbevallige wanorde in het anders zoo armoedige vertrek.Drie ouderwetsche stoelen van verschillenden vorm stonden in het rond, een onopgemaakt vierkant rustbed stond in een hoek bij den ingang, en was behangen met een rood damasten bekleedsel dat, hoewel oud en eenigszins verschoten, toch een vlag op een modderschuit geleek. Voorheen moest het zeker tot iets anders gediend hebben, wijl het voor deze wellicht hare laatste bestemming, veel te groot en dus vrij wijd en sierlijk geplooid was.De naaktheid der houten wanden werd zeer aangenaam gedekt door honderden prenten, schetsen in olieverf, meest Madonna-kopjes en kopieën naarRaphaël d’Urbino’sprachtige schilderijen. Portefeuilles en platen, paneelen en teekeningen, kleederen en verven, stonden en lagen in de grootste verwarring, op en onder de kleine eikenhouten tafel, op en nevens de fraaie stoelen, tegen en naast de veelkleurige wanden, ja zelfs over den met stof bedekten vloer verspreid. Twee groote wrijfsteenen met keien loopers stonden op eene aan den wand bevestigde plank, welke door een ijzeren staaf werd ondersteund. Potjes en fleschjes met verschillende oliën, benevens groote en kleinere penseelen omringden die wrijfsteenen, doch gunden evenwel nog plaats aan een ijzeren pot met gloeiende boekweitendoppen gevuld, welke zeker moest dienen om het vertrek of den bewoner te verwarmen. Een fraaie welbesnaarde citer, met een schoon geborduurden band, stond nog bovendien in een hoek van het onaanzienlijk doch niettemin ruim opgevulde vertrek.Te midden dier ontzettende wanorde, en wel bepaaldelijk bij het genoemde dakvenster, zat, voor den grooten schildersezel, de bewoner van het atelier, dat wij met onze lezers zijn binnengetreden.Hij scheen ongeveer vijf en twintig jaren oud te zijn, doch bij een slechts oppervlakkige beschouwing, gaven zijn bleeke en vermagerde trekken hem het aanzien van reeds de dertig te zijn ingetreden. Het gelaat des jeugdigen kunstenaars, waar inspanning en afmatting op te lezen stonden, had juist door die genoemde kleurloosheid, iets zeer belangwekkends. Niet weinig werd dit verhoogd door de lange zwarte haarlokken die, hoewel eenigszins onordelijk, tot op de schouders nederhingen. Maar hetgeen ieder onwederstaanbaar aan dit gelaat boeide, het waren vooral die twee flonkerende oogen, welke als lichtende sterren aan een anders somberen hemel schitterden.Onafgebroken werkte hij met onuitputtelijken ijver voort; met doode verven bezielde hij, vol innige zelfvoldoening, het bijna afgewerkte liefelijke beeld, het voorwerp zijner schepping. Steeds woelde het penseel door de verven, steeds bracht het de fijnste tinten op het bijna hemelsche wezen over, dat al meer en meer het oogenblik harer volmaakte vorming naderde. Het was de gezegendste aller vrouwen, de beminnelijke Moeder van den Zoon des menschen, die met haren zuigeling in de armen, in eenvoudige witte kleeding,door den kunstenaar op het zielloos doek werd getooverd. Haar wezen was zóó gemaald als zij er werkelijk moet hebben uitgezien. De diepste godsvrucht, de heiligste eerbied voor haar eigen zuigeling was op haar gelaat te lezen. Doch in de hoogste mate was ook aardsche schoonheid geschonken aan het beeld der uitverkorene vrouw, hetwelk ongetwijfeld het ideaal des kunstenaars moest wezen.“Zoo! Geen penseelstreek meer!” riep hij, eensklaps eenige schreden achteruitgaande: “Ja, zij is het! Zij is het geheel! Die laatste trek aan den mond maakte de gelijkenis volkomen. Dat lachje, dat hemelsche lachje!—Getroffen!—Getroffen zonder wederga!—Ja, zoo zag zij mij aan!—Ja, juist zoo!—Met dat engelengelaat, met dat reine, tevredene, dankbare lachje, waarmede Maria haar goddelijken Zoon moet hebben aangezien! O heilige kunst!” vervolgde hij in dwepende verrukking: “Goddelijk talent! wat dood is, geeft gij het leven, wat ons ontnomen was, geeft gij ons weder, wat wij verloren hadden, doet gij ons wedervinden. O, onuitsprekelijk schoon,—hemelsch! ja, hemelsch zijn uwe trekken! Gij alleen zijt waardig om de heilige Maria voor te stellen in hare reinheid en lieftalligheid!—Zoo mag ik u dan toch wederzien, na zulk een lange scheiding,—wederzien, na al dat vruchteloos zoeken, na al dat duldeloos lijden. O, gij zijt nog dezelfde. Nog even vriendelijk ziet gij mij aan, doch nu, nu bezit ik u voor eeuwig, nu zal niemand ons meer scheiden! Neen: mijn graf zal ook het uwe zijn!”In schier wanhopige verrukking snelde hij naar het gewrocht zijner handen, strekte beide armen naar het voorwerp zijner verbeelding uit, doch—liet ze plotseling weder als machteloos zinken:—“Dwaas! dwaas!” sprak hij langzaam en met een diepen zucht: “Is dit zwakke maaksel uwer handen dan het voorwerp uwer wenschen?—Is dit vlakke doek dan nu op eenmaal in de verlorene herschapen?—Dwaas!” ging hij voort: “Dwaas! het zijn slechts verven—verven, door u zelven gemengd—door u zelven daarop gebracht.—En gij bemint uw eigen maaksel?—Dit onvolkomen afdruksel van datprachtige origineel?”“Slechts verven!” riep hij nogmaals, en zeeg toen afgemat, terwijl groote droppelen zweets langs zijn voorhoofd liepen, met het oog onafgewend naar zijn tafereel gericht, op een stoel neder.Zijne ademhaling was diep en zwaar; zijne aderen waren dik gezwollen; zijn hart klopte hoorbaar, en telkens ontvlood een diepe zucht aan zijn geprangd gemoed.—Eenige minuten bleef hij in dezen toestand; toen stond hij eenigszins bedaarder op; nam de citer ter hand; sloeg eenige schoone akkoorden aan, en zong met een welluidende, doch klagende stem, de volgende woorden;“Dáár, waar de Maas haar zilvren stroomLangs hooge rotsen voert,Daar droomde ik aan haar kabblend boordIn ’t statig en toch lachend oord,Een schoonen zoeten droom.Ik droomde, dat in snelle vaartEen jonkvrouw, fier en schoon,Kwam rennen van der bergen top,Haar arm geslagen om den kopVan ’t ongezadeld paard.Haar angstkreet klonk van berg tot dal,Door de echo weergekaatst;Zij werd door vriend noch maag gehoord;De klepper holde rustloos voortEn dreigde haar ten val.Het ros, met schuim en stof bedekt,Stoof pijlsnel langs mij heen;Ik hoorde een klagend angstgeschrei;Zij zag mij aan, en hield naar mijDen blanken arm gestrekt.Die blik, en ’t kermend angstgeweenOntvlamden mijn gemoed;Met bliksemsnelheid vloog ik opEn greep den klepper bij den kop,Die eensklaps roerloos scheen.Eén schrede nog, en ’t hollend beest,Waar’, met zijn schoonen last,Gestort in ’t zilverglanzend nat;Eén schrede nog op ’t aklig pad,En ’t waar’ te laat geweest!Maar hoor, toen nu haar stemme klonk,Zoo rein, vol melodie,Toen was het of ik in dien stondMij bij het Godenheir bevondEn zuivren nectar dronk.“O,” klonk dat lieflijk rein geluid:“Ik dank u, edle knaap!Mijn redder, en mijn goede Geest!’t Waar’ zonder u te laat geweest:Gij hebt mijn val gestuit.”Ik droomde voort: Ik leidde haarDen bergtop weder op,Langs bloem en struik, langs mos en steen,En voerde haar naar ’t lustslot heenDes graven Aduaar.Ik droomde voort: Zij zag mij aan,En nogmaals klonk haar stem,Ten afscheid nu, een zacht: “Vaarwel!”Zij drukte mij de hand, en snelWas zij van dáár gegaan!’k Ontwaakte. Hemel! was ’t een droom?Slechts ijdle hersenschim?Had ’k dan die engel niet gezien?Had ’k niet getracht haar hulp te biênAan d’ oever van dien stroom?—Zoo waak ik voort, zoo droom ik voort,Reeds maanden, droef en lang.Was ’t werklijkheid of ideaal?Slechts zinsbedrog?—Heb ’k dan haar taalNiet hem hemelsch rein gehoord?”Hier zweeg de zanger. De twee laatste coupletten had hij met een bijzondere afwisseling in zijne stem en van gelaatsuitdrukking gezongen. Hij werd door vrees en hoop geslingerd. Zijn instrument gleed langs hem op den vloer neder, en somber bleef hij het portret aanstaren, waarin hij de trekken der bezongene schoone zoo duidelijk herkende.Een zacht tikken aan de kamerdeur wekte hem niet uit zijne overpeinzingen, en evenzeer bleef het door hem onopgemerkt, hoe weinige oogenblikken daarna, de lieve dochter uit deWijnstok, het onzen lezers reeds bekende Klaartje, de kamer binnentrad.Het meisje bleef eenige oogenblikken aan den ingang staan, en beschouwde den jongeling met een oog, waarin meer dan medelijden te lezen was. Zij naderde behoedzaam; plaatste zich achter zijn zetel; boog haar lieve kopje over zijn schouder; sloeg den linkerarm om zijn hals, en fluisterde toen, alsof zij een zacht slapende wilde wekken: “Jakob, gij moet niet droomen; droomen is zinsbedrog; een schoone droom is slechts een wreede kwelgeest die ons schatten toont, welke wij nimmer zullen bezitten, die ons een paradijs doet aanschouwen, ’t welk wij op deze aarde nooit zullen binnentreden.—Droom niet, Jakob,” vervolgde zij: “ontwaak! leef in de werkelijkheid; gij vermoeit uw geest en ondermijnt uwe lichaamskrachten. Leef voor de werkelijkheid, leef voor uw hemelsche kunst: eer en lauweren zullen uw deel zijn. Leef voor....”Hier hield zij eensklaps op; een hoogrood bedekte hare wangen, en vragende zag zij, als ter sluik, den somberen jongeling aan. Hij zag haar niet, hij hoorde haar niet.“Vaarwel heeft zij gezegd!” sprak hij eindelijk: “Vaarwel!.... doch tot welken tijd?—Neen, ik zal haar nogmaals gaan zoeken, weder dagen omdolen in die streken waar ik droomde....—Droomde....?Ontferming, hemel! was ’t een droom?Slechts ijdle hersenschim’?Heb ’k dan die engel niet gezien?—Ja! ’k heb getracht haar hulp te biênAan d’ oever van den stroom!”Deze woorden, welke hij onstuimiger dan de vorige zong, schenen zijn besluit te bepalen. Eensklaps sprong hij op, en misschien zou hij blootshoofds ter deure zijn uitgesneld, zoo Klaartje hem niet in den weg ware getreden en, hem smeekend aanziende, gezegd had:“Hoe! wilt gij dan in dit koude jaargetijde, zonder behoorlijke kleeding, verre van hier, datgene gaan zoeken, ’t welk gij reeds zoolang, doch steeds tevergeefs hebt gezocht? Wilt gij dan uw gezondheid, zelfs uw leven ten offer brengen om een ijdele schim na te jagen?—Gij droomt Jakob,” vervolgde zij, terwijl zij met hare hand de haarlokken, die over zijn voorhoofd gevallen waren, ter zijde streek. “Kom tot u zelven; gij zijt ongesteld; een koorts heeft u aangegrepen. O, ga niet van hier; blijf! ik zal u verzorgen!” De jongeling was op Klaartjes woorden roerloos blijven staan. Hij had haar met een mengeling van wezenloosheid, goedheid en onderwerping aangehoord. “Gij zijt een goed meisje!” sprak hij, als ontwakende: “gij hebt gelijk, wat zou het mij baten! doch het brandt mij inwendig.... ik gevoel mij zeer afgemat.”Bij deze laatste woorden zeeg de ongelukkige kunstenaar, door geestinspanning uitgeput, langzaam ineen, en zou voorzeker nedergevallen zijn, zoo niet het liefderijke meisje ter hulpe ware gesneld, en den bezwijmde in hare armen had opgevangen. Met eene inspanning, die hare krachten bijna te boven ging, nam zij den jongeling op, en legde hem op het rustbed neder. Zachtkens schoof zij de rood damasten gordijn dicht, opdat het daglicht hem niet zou hinderen, en keek toen, met een bezorgd hart, door een kleine opening naar den lijder, ten einde zich te overtuigen dat hij leefde. Met aandacht luisterde zij naar zijn langzame doch geregelde ademhaling, en lette met ingehouden adem op het kloppen van zijn hart, toen eensklaps de deur openging en een sierlijk gekleed edelman het vertrek binnentrad.De nieuw aangekomene had eerst eenige oogenblikken rondgezien zonder iemand te ontdekken, doch ontwaarde eindelijk het bekommerde meisje dat, gedeeltelijk in de plooien van het gordijn verborgen en geheel met haar lijder vervuld, evenmin de komst des jonkers had opgemerkt.“Waarachtig, een allerliefst tooneel!” sprak de jonker Van Rodenberg, op spotachtigen toon: “een schoone die haar slapenden minnaar bespiedt! Het is voor u te wenschen aardig kind!” ging hij, haar aansprekende, eenigszins harder voort: “dat gij niet, evenals Potifars huisvrouw, een zedigen Jozef achter die gordijnen begluurt.”Klaartje, hoewel de dochter eens kasteleins en derhalve eenigermate aan onkiesche kortswijl gewoon, was door de komst des jonkers zeer verrast. Zeker was de schijn tegen haar, doch de onteerendevergelijking, die hij haar zoo onverdiend deed ondergaan, en haar gevoel van eerbaarheid tegenover zijne betichting van verregaande zedeloosheid, gaf haar den moed zich onverschrokken van die blaam te zuiveren.“Uw scherts is bitter en ongepast,” sprak zij zachtjes: “De schilder is ziek, zeer ziek; hij slaapt; een flauwte heeft hem bevangen. Verwijder u wat ik u bidden mag, edele heer! Gij kunt hem nu niet spreken; kom dezen middag, kom morgen terug, doch laat hem nu rusten.”“Dat ding is, bij mijne eer, drommels loos!” zeide Van Rodenberg: “Die ziekte is hem dan al zeer spoedig aangewaaid. Zooeven nog, toen ik op de straat voorbij kwam, zong die ongelukkige man als een lijster. Ha ha! wij kennen die ziekten! Nu, voor den duivel, ik neem het u niet kwalijk, doch zet die liefelijkheden wat later voort.—Kom, wakkere kunstenaar!” riep hij, op het bed toetredende: “kom voor den dag! Het spijt mij zeer u te moeten storen; doch ik heb haast. Mijn portret moet gemaakt worden!”“Om ’s hemels wil, spreekt zacht,” smeekte Klaartje. “De ongelukkige is door vermoeienis en uitputting bewusteloos terneder gevallen. Wie weet of hij niet stervende is?—Ik bid u edele heer, ik bid u dringend: ga van hier; heb medelijden met een wezen dat misschien weldra zijn einde nabij is.”“Gij zijt voorwaar een onnoozele deerne!” sprak Van Rodenberg. “Een overdrevene verdediging pleit zelden voor de waarheid. Kom kom!” vervolgde hij, terwijl hij het angstig afwerende meisje vrij onzacht bij den arm greep en ter zijde schoof: “die comedie heeft al lang genoeg geduurd; ik zal u uw minnaar niet ontrooven; kom wat later terug, doch laat ons nu alleen.”Klaartje hield wel den jonker bij zijn mantel vast, doch kon niet beletten dat deze het rustbed naderde en de gordijnen ter zijde schoof.De schilder opende de oogen; streek met de hand over het voorhoofd, en staarde in het rond.“Waar ben ik?” zeide hij: “Zij is er dus niet?—Alweder een droom!—Doch ’t is voorbij!”“Het doet mij werkelijk leed,” sprak Van Rodenberg die, in weerwil van de vermagerde trekken en het bleeke gelaat des kunstenaars, niet willig scheen de waarheid te gelooven: “Het doet mij werkelijk leed u in uw aangename droomerijen te moeten storen; doch mijn portret dient spoedig gemaakt te worden. Ik zal u goed betalen; toef niet langer, wakkere zoon der muzen! Het zal u voordeel en eer bezorgen; het eerste vooral moet u niet onwelkom zijn.”Na deze woorden verwijderde hij zich van het rustbed: neuriede een deuntje, en plaatste zich toen voor den schildersezel waarop nog steeds de Madonna stond. “Bij mijne ziel!” riep hij na eenig zwijgen: “wie voor den duivel heeft het u in de gedachten gegeven, om de dame van mijn hart met een kind op den schoot te schilderen? Dat heet ik waarachtig de tijden vooruit loopen! Adelgonde als moeder! Nu, het staat haar niet slecht. Hebt gij de jonkvrouw Van Bergen zóó naar het leven gemaald?”Bij de eerste vraag des jonkers was de schilder in zijn bed overeind gerezen en had den vrager strak aangestaard; bij de laatste echter sprong hij, als buiten zich zelven van de legerstede; liep op den jonker toe, en greep hem onstuimig bij den arm.“Spreek! kent gij haar? Adelgonde Van Bergen, zegt gij? Die engel!—En gij.... gij bemint haar?” riep hij, terwijl een lichte blos zijn doodsbleek gelaat kleurde: “Waar is zij?—Spreek!—Ik zal haar dan zien.... eindelijk wederzien!”“Gij zijt dronken, knaap!” bromde Van Rodenberg: “Wilt gij op alle mogelijke wijzen den draak met mij steken? Ik ben jonker Walter Van Rodenberg; het moet u tot niet weinig eer verstrekken, dat ik tot u kom om mijn portret door u te laten vervaardigen. Maak een einde aan die schilders-zotheden; zet u aan den arbeid; mijn tijd is kostbaar!”De Geest was door deze, op gebiedenden toon geuite woorden tot zich zelven gekomen. Wel doorwoelden honderden aandoeningen zijne borst; wel bestierven honderden vragen hem op de lippen; doch hij kropte ze op, en maakte werkelijk de noodige toebereidselen tot den arbeid.

Het is voor de tweede maal dat wij onze Lezers de herbergde Wijnstokbinnenvoeren, doch nu niet met oogmerk om ons in de gelagkamer van Gerrit Aal op te houden, en opnieuw in tabakswalm en brandewijnslucht te vertoeven, maar om de smalle wenteltrap op te klimmen, en eindelijk, na dien vermoeienden tocht, een tamelijk klein zolderkamertje binnen te treden. Het vertrek, dat wij onzen Lezers aanschouwelijk willen maken, was op genoemden zolder met planken afgeschoten. Een kleine deur, waaraan eene klinkwas bevestigd, diende tot den ingang, terwijl een tamelijk breed zoldervenster, eenigszins hoog geplaatst, een vrij voldoend licht inliet. Er heerschte een niet onbevallige wanorde in het anders zoo armoedige vertrek.

Drie ouderwetsche stoelen van verschillenden vorm stonden in het rond, een onopgemaakt vierkant rustbed stond in een hoek bij den ingang, en was behangen met een rood damasten bekleedsel dat, hoewel oud en eenigszins verschoten, toch een vlag op een modderschuit geleek. Voorheen moest het zeker tot iets anders gediend hebben, wijl het voor deze wellicht hare laatste bestemming, veel te groot en dus vrij wijd en sierlijk geplooid was.

De naaktheid der houten wanden werd zeer aangenaam gedekt door honderden prenten, schetsen in olieverf, meest Madonna-kopjes en kopieën naarRaphaël d’Urbino’sprachtige schilderijen. Portefeuilles en platen, paneelen en teekeningen, kleederen en verven, stonden en lagen in de grootste verwarring, op en onder de kleine eikenhouten tafel, op en nevens de fraaie stoelen, tegen en naast de veelkleurige wanden, ja zelfs over den met stof bedekten vloer verspreid. Twee groote wrijfsteenen met keien loopers stonden op eene aan den wand bevestigde plank, welke door een ijzeren staaf werd ondersteund. Potjes en fleschjes met verschillende oliën, benevens groote en kleinere penseelen omringden die wrijfsteenen, doch gunden evenwel nog plaats aan een ijzeren pot met gloeiende boekweitendoppen gevuld, welke zeker moest dienen om het vertrek of den bewoner te verwarmen. Een fraaie welbesnaarde citer, met een schoon geborduurden band, stond nog bovendien in een hoek van het onaanzienlijk doch niettemin ruim opgevulde vertrek.

Te midden dier ontzettende wanorde, en wel bepaaldelijk bij het genoemde dakvenster, zat, voor den grooten schildersezel, de bewoner van het atelier, dat wij met onze lezers zijn binnengetreden.

Hij scheen ongeveer vijf en twintig jaren oud te zijn, doch bij een slechts oppervlakkige beschouwing, gaven zijn bleeke en vermagerde trekken hem het aanzien van reeds de dertig te zijn ingetreden. Het gelaat des jeugdigen kunstenaars, waar inspanning en afmatting op te lezen stonden, had juist door die genoemde kleurloosheid, iets zeer belangwekkends. Niet weinig werd dit verhoogd door de lange zwarte haarlokken die, hoewel eenigszins onordelijk, tot op de schouders nederhingen. Maar hetgeen ieder onwederstaanbaar aan dit gelaat boeide, het waren vooral die twee flonkerende oogen, welke als lichtende sterren aan een anders somberen hemel schitterden.

Onafgebroken werkte hij met onuitputtelijken ijver voort; met doode verven bezielde hij, vol innige zelfvoldoening, het bijna afgewerkte liefelijke beeld, het voorwerp zijner schepping. Steeds woelde het penseel door de verven, steeds bracht het de fijnste tinten op het bijna hemelsche wezen over, dat al meer en meer het oogenblik harer volmaakte vorming naderde. Het was de gezegendste aller vrouwen, de beminnelijke Moeder van den Zoon des menschen, die met haren zuigeling in de armen, in eenvoudige witte kleeding,door den kunstenaar op het zielloos doek werd getooverd. Haar wezen was zóó gemaald als zij er werkelijk moet hebben uitgezien. De diepste godsvrucht, de heiligste eerbied voor haar eigen zuigeling was op haar gelaat te lezen. Doch in de hoogste mate was ook aardsche schoonheid geschonken aan het beeld der uitverkorene vrouw, hetwelk ongetwijfeld het ideaal des kunstenaars moest wezen.

“Zoo! Geen penseelstreek meer!” riep hij, eensklaps eenige schreden achteruitgaande: “Ja, zij is het! Zij is het geheel! Die laatste trek aan den mond maakte de gelijkenis volkomen. Dat lachje, dat hemelsche lachje!—Getroffen!—Getroffen zonder wederga!—Ja, zoo zag zij mij aan!—Ja, juist zoo!—Met dat engelengelaat, met dat reine, tevredene, dankbare lachje, waarmede Maria haar goddelijken Zoon moet hebben aangezien! O heilige kunst!” vervolgde hij in dwepende verrukking: “Goddelijk talent! wat dood is, geeft gij het leven, wat ons ontnomen was, geeft gij ons weder, wat wij verloren hadden, doet gij ons wedervinden. O, onuitsprekelijk schoon,—hemelsch! ja, hemelsch zijn uwe trekken! Gij alleen zijt waardig om de heilige Maria voor te stellen in hare reinheid en lieftalligheid!—Zoo mag ik u dan toch wederzien, na zulk een lange scheiding,—wederzien, na al dat vruchteloos zoeken, na al dat duldeloos lijden. O, gij zijt nog dezelfde. Nog even vriendelijk ziet gij mij aan, doch nu, nu bezit ik u voor eeuwig, nu zal niemand ons meer scheiden! Neen: mijn graf zal ook het uwe zijn!”

In schier wanhopige verrukking snelde hij naar het gewrocht zijner handen, strekte beide armen naar het voorwerp zijner verbeelding uit, doch—liet ze plotseling weder als machteloos zinken:—“Dwaas! dwaas!” sprak hij langzaam en met een diepen zucht: “Is dit zwakke maaksel uwer handen dan het voorwerp uwer wenschen?—Is dit vlakke doek dan nu op eenmaal in de verlorene herschapen?—Dwaas!” ging hij voort: “Dwaas! het zijn slechts verven—verven, door u zelven gemengd—door u zelven daarop gebracht.—En gij bemint uw eigen maaksel?—Dit onvolkomen afdruksel van datprachtige origineel?”

“Slechts verven!” riep hij nogmaals, en zeeg toen afgemat, terwijl groote droppelen zweets langs zijn voorhoofd liepen, met het oog onafgewend naar zijn tafereel gericht, op een stoel neder.

Zijne ademhaling was diep en zwaar; zijne aderen waren dik gezwollen; zijn hart klopte hoorbaar, en telkens ontvlood een diepe zucht aan zijn geprangd gemoed.—Eenige minuten bleef hij in dezen toestand; toen stond hij eenigszins bedaarder op; nam de citer ter hand; sloeg eenige schoone akkoorden aan, en zong met een welluidende, doch klagende stem, de volgende woorden;

“Dáár, waar de Maas haar zilvren stroomLangs hooge rotsen voert,Daar droomde ik aan haar kabblend boordIn ’t statig en toch lachend oord,Een schoonen zoeten droom.

“Dáár, waar de Maas haar zilvren stroom

Langs hooge rotsen voert,

Daar droomde ik aan haar kabblend boord

In ’t statig en toch lachend oord,

Een schoonen zoeten droom.

Ik droomde, dat in snelle vaartEen jonkvrouw, fier en schoon,Kwam rennen van der bergen top,Haar arm geslagen om den kopVan ’t ongezadeld paard.

Ik droomde, dat in snelle vaart

Een jonkvrouw, fier en schoon,

Kwam rennen van der bergen top,

Haar arm geslagen om den kop

Van ’t ongezadeld paard.

Haar angstkreet klonk van berg tot dal,Door de echo weergekaatst;Zij werd door vriend noch maag gehoord;De klepper holde rustloos voortEn dreigde haar ten val.

Haar angstkreet klonk van berg tot dal,

Door de echo weergekaatst;

Zij werd door vriend noch maag gehoord;

De klepper holde rustloos voort

En dreigde haar ten val.

Het ros, met schuim en stof bedekt,Stoof pijlsnel langs mij heen;Ik hoorde een klagend angstgeschrei;Zij zag mij aan, en hield naar mijDen blanken arm gestrekt.

Het ros, met schuim en stof bedekt,

Stoof pijlsnel langs mij heen;

Ik hoorde een klagend angstgeschrei;

Zij zag mij aan, en hield naar mij

Den blanken arm gestrekt.

Die blik, en ’t kermend angstgeweenOntvlamden mijn gemoed;Met bliksemsnelheid vloog ik opEn greep den klepper bij den kop,Die eensklaps roerloos scheen.

Die blik, en ’t kermend angstgeween

Ontvlamden mijn gemoed;

Met bliksemsnelheid vloog ik op

En greep den klepper bij den kop,

Die eensklaps roerloos scheen.

Eén schrede nog, en ’t hollend beest,Waar’, met zijn schoonen last,Gestort in ’t zilverglanzend nat;Eén schrede nog op ’t aklig pad,En ’t waar’ te laat geweest!

Eén schrede nog, en ’t hollend beest,

Waar’, met zijn schoonen last,

Gestort in ’t zilverglanzend nat;

Eén schrede nog op ’t aklig pad,

En ’t waar’ te laat geweest!

Maar hoor, toen nu haar stemme klonk,Zoo rein, vol melodie,Toen was het of ik in dien stondMij bij het Godenheir bevondEn zuivren nectar dronk.

Maar hoor, toen nu haar stemme klonk,

Zoo rein, vol melodie,

Toen was het of ik in dien stond

Mij bij het Godenheir bevond

En zuivren nectar dronk.

“O,” klonk dat lieflijk rein geluid:“Ik dank u, edle knaap!Mijn redder, en mijn goede Geest!’t Waar’ zonder u te laat geweest:Gij hebt mijn val gestuit.”

“O,” klonk dat lieflijk rein geluid:

“Ik dank u, edle knaap!

Mijn redder, en mijn goede Geest!

’t Waar’ zonder u te laat geweest:

Gij hebt mijn val gestuit.”

Ik droomde voort: Ik leidde haarDen bergtop weder op,Langs bloem en struik, langs mos en steen,En voerde haar naar ’t lustslot heenDes graven Aduaar.

Ik droomde voort: Ik leidde haar

Den bergtop weder op,

Langs bloem en struik, langs mos en steen,

En voerde haar naar ’t lustslot heen

Des graven Aduaar.

Ik droomde voort: Zij zag mij aan,En nogmaals klonk haar stem,Ten afscheid nu, een zacht: “Vaarwel!”Zij drukte mij de hand, en snelWas zij van dáár gegaan!

Ik droomde voort: Zij zag mij aan,

En nogmaals klonk haar stem,

Ten afscheid nu, een zacht: “Vaarwel!”

Zij drukte mij de hand, en snel

Was zij van dáár gegaan!

’k Ontwaakte. Hemel! was ’t een droom?Slechts ijdle hersenschim?Had ’k dan die engel niet gezien?Had ’k niet getracht haar hulp te biênAan d’ oever van dien stroom?—

’k Ontwaakte. Hemel! was ’t een droom?

Slechts ijdle hersenschim?

Had ’k dan die engel niet gezien?

Had ’k niet getracht haar hulp te biên

Aan d’ oever van dien stroom?—

Zoo waak ik voort, zoo droom ik voort,Reeds maanden, droef en lang.Was ’t werklijkheid of ideaal?Slechts zinsbedrog?—Heb ’k dan haar taalNiet hem hemelsch rein gehoord?”

Zoo waak ik voort, zoo droom ik voort,

Reeds maanden, droef en lang.

Was ’t werklijkheid of ideaal?

Slechts zinsbedrog?—Heb ’k dan haar taal

Niet hem hemelsch rein gehoord?”

Hier zweeg de zanger. De twee laatste coupletten had hij met een bijzondere afwisseling in zijne stem en van gelaatsuitdrukking gezongen. Hij werd door vrees en hoop geslingerd. Zijn instrument gleed langs hem op den vloer neder, en somber bleef hij het portret aanstaren, waarin hij de trekken der bezongene schoone zoo duidelijk herkende.

Een zacht tikken aan de kamerdeur wekte hem niet uit zijne overpeinzingen, en evenzeer bleef het door hem onopgemerkt, hoe weinige oogenblikken daarna, de lieve dochter uit deWijnstok, het onzen lezers reeds bekende Klaartje, de kamer binnentrad.

Het meisje bleef eenige oogenblikken aan den ingang staan, en beschouwde den jongeling met een oog, waarin meer dan medelijden te lezen was. Zij naderde behoedzaam; plaatste zich achter zijn zetel; boog haar lieve kopje over zijn schouder; sloeg den linkerarm om zijn hals, en fluisterde toen, alsof zij een zacht slapende wilde wekken: “Jakob, gij moet niet droomen; droomen is zinsbedrog; een schoone droom is slechts een wreede kwelgeest die ons schatten toont, welke wij nimmer zullen bezitten, die ons een paradijs doet aanschouwen, ’t welk wij op deze aarde nooit zullen binnentreden.—Droom niet, Jakob,” vervolgde zij: “ontwaak! leef in de werkelijkheid; gij vermoeit uw geest en ondermijnt uwe lichaamskrachten. Leef voor de werkelijkheid, leef voor uw hemelsche kunst: eer en lauweren zullen uw deel zijn. Leef voor....”

Hier hield zij eensklaps op; een hoogrood bedekte hare wangen, en vragende zag zij, als ter sluik, den somberen jongeling aan. Hij zag haar niet, hij hoorde haar niet.

“Vaarwel heeft zij gezegd!” sprak hij eindelijk: “Vaarwel!.... doch tot welken tijd?—Neen, ik zal haar nogmaals gaan zoeken, weder dagen omdolen in die streken waar ik droomde....—Droomde....?

Ontferming, hemel! was ’t een droom?Slechts ijdle hersenschim’?Heb ’k dan die engel niet gezien?—Ja! ’k heb getracht haar hulp te biênAan d’ oever van den stroom!”

Ontferming, hemel! was ’t een droom?

Slechts ijdle hersenschim’?

Heb ’k dan die engel niet gezien?—

Ja! ’k heb getracht haar hulp te biên

Aan d’ oever van den stroom!”

Deze woorden, welke hij onstuimiger dan de vorige zong, schenen zijn besluit te bepalen. Eensklaps sprong hij op, en misschien zou hij blootshoofds ter deure zijn uitgesneld, zoo Klaartje hem niet in den weg ware getreden en, hem smeekend aanziende, gezegd had:

“Hoe! wilt gij dan in dit koude jaargetijde, zonder behoorlijke kleeding, verre van hier, datgene gaan zoeken, ’t welk gij reeds zoolang, doch steeds tevergeefs hebt gezocht? Wilt gij dan uw gezondheid, zelfs uw leven ten offer brengen om een ijdele schim na te jagen?—Gij droomt Jakob,” vervolgde zij, terwijl zij met hare hand de haarlokken, die over zijn voorhoofd gevallen waren, ter zijde streek. “Kom tot u zelven; gij zijt ongesteld; een koorts heeft u aangegrepen. O, ga niet van hier; blijf! ik zal u verzorgen!” De jongeling was op Klaartjes woorden roerloos blijven staan. Hij had haar met een mengeling van wezenloosheid, goedheid en onderwerping aangehoord. “Gij zijt een goed meisje!” sprak hij, als ontwakende: “gij hebt gelijk, wat zou het mij baten! doch het brandt mij inwendig.... ik gevoel mij zeer afgemat.”

Bij deze laatste woorden zeeg de ongelukkige kunstenaar, door geestinspanning uitgeput, langzaam ineen, en zou voorzeker nedergevallen zijn, zoo niet het liefderijke meisje ter hulpe ware gesneld, en den bezwijmde in hare armen had opgevangen. Met eene inspanning, die hare krachten bijna te boven ging, nam zij den jongeling op, en legde hem op het rustbed neder. Zachtkens schoof zij de rood damasten gordijn dicht, opdat het daglicht hem niet zou hinderen, en keek toen, met een bezorgd hart, door een kleine opening naar den lijder, ten einde zich te overtuigen dat hij leefde. Met aandacht luisterde zij naar zijn langzame doch geregelde ademhaling, en lette met ingehouden adem op het kloppen van zijn hart, toen eensklaps de deur openging en een sierlijk gekleed edelman het vertrek binnentrad.

De nieuw aangekomene had eerst eenige oogenblikken rondgezien zonder iemand te ontdekken, doch ontwaarde eindelijk het bekommerde meisje dat, gedeeltelijk in de plooien van het gordijn verborgen en geheel met haar lijder vervuld, evenmin de komst des jonkers had opgemerkt.

“Waarachtig, een allerliefst tooneel!” sprak de jonker Van Rodenberg, op spotachtigen toon: “een schoone die haar slapenden minnaar bespiedt! Het is voor u te wenschen aardig kind!” ging hij, haar aansprekende, eenigszins harder voort: “dat gij niet, evenals Potifars huisvrouw, een zedigen Jozef achter die gordijnen begluurt.”

Klaartje, hoewel de dochter eens kasteleins en derhalve eenigermate aan onkiesche kortswijl gewoon, was door de komst des jonkers zeer verrast. Zeker was de schijn tegen haar, doch de onteerendevergelijking, die hij haar zoo onverdiend deed ondergaan, en haar gevoel van eerbaarheid tegenover zijne betichting van verregaande zedeloosheid, gaf haar den moed zich onverschrokken van die blaam te zuiveren.

“Uw scherts is bitter en ongepast,” sprak zij zachtjes: “De schilder is ziek, zeer ziek; hij slaapt; een flauwte heeft hem bevangen. Verwijder u wat ik u bidden mag, edele heer! Gij kunt hem nu niet spreken; kom dezen middag, kom morgen terug, doch laat hem nu rusten.”

“Dat ding is, bij mijne eer, drommels loos!” zeide Van Rodenberg: “Die ziekte is hem dan al zeer spoedig aangewaaid. Zooeven nog, toen ik op de straat voorbij kwam, zong die ongelukkige man als een lijster. Ha ha! wij kennen die ziekten! Nu, voor den duivel, ik neem het u niet kwalijk, doch zet die liefelijkheden wat later voort.—Kom, wakkere kunstenaar!” riep hij, op het bed toetredende: “kom voor den dag! Het spijt mij zeer u te moeten storen; doch ik heb haast. Mijn portret moet gemaakt worden!”

“Om ’s hemels wil, spreekt zacht,” smeekte Klaartje. “De ongelukkige is door vermoeienis en uitputting bewusteloos terneder gevallen. Wie weet of hij niet stervende is?—Ik bid u edele heer, ik bid u dringend: ga van hier; heb medelijden met een wezen dat misschien weldra zijn einde nabij is.”

“Gij zijt voorwaar een onnoozele deerne!” sprak Van Rodenberg. “Een overdrevene verdediging pleit zelden voor de waarheid. Kom kom!” vervolgde hij, terwijl hij het angstig afwerende meisje vrij onzacht bij den arm greep en ter zijde schoof: “die comedie heeft al lang genoeg geduurd; ik zal u uw minnaar niet ontrooven; kom wat later terug, doch laat ons nu alleen.”

Klaartje hield wel den jonker bij zijn mantel vast, doch kon niet beletten dat deze het rustbed naderde en de gordijnen ter zijde schoof.

De schilder opende de oogen; streek met de hand over het voorhoofd, en staarde in het rond.

“Waar ben ik?” zeide hij: “Zij is er dus niet?—Alweder een droom!—Doch ’t is voorbij!”

“Het doet mij werkelijk leed,” sprak Van Rodenberg die, in weerwil van de vermagerde trekken en het bleeke gelaat des kunstenaars, niet willig scheen de waarheid te gelooven: “Het doet mij werkelijk leed u in uw aangename droomerijen te moeten storen; doch mijn portret dient spoedig gemaakt te worden. Ik zal u goed betalen; toef niet langer, wakkere zoon der muzen! Het zal u voordeel en eer bezorgen; het eerste vooral moet u niet onwelkom zijn.”

Na deze woorden verwijderde hij zich van het rustbed: neuriede een deuntje, en plaatste zich toen voor den schildersezel waarop nog steeds de Madonna stond. “Bij mijne ziel!” riep hij na eenig zwijgen: “wie voor den duivel heeft het u in de gedachten gegeven, om de dame van mijn hart met een kind op den schoot te schilderen? Dat heet ik waarachtig de tijden vooruit loopen! Adelgonde als moeder! Nu, het staat haar niet slecht. Hebt gij de jonkvrouw Van Bergen zóó naar het leven gemaald?”

Bij de eerste vraag des jonkers was de schilder in zijn bed overeind gerezen en had den vrager strak aangestaard; bij de laatste echter sprong hij, als buiten zich zelven van de legerstede; liep op den jonker toe, en greep hem onstuimig bij den arm.

“Spreek! kent gij haar? Adelgonde Van Bergen, zegt gij? Die engel!—En gij.... gij bemint haar?” riep hij, terwijl een lichte blos zijn doodsbleek gelaat kleurde: “Waar is zij?—Spreek!—Ik zal haar dan zien.... eindelijk wederzien!”

“Gij zijt dronken, knaap!” bromde Van Rodenberg: “Wilt gij op alle mogelijke wijzen den draak met mij steken? Ik ben jonker Walter Van Rodenberg; het moet u tot niet weinig eer verstrekken, dat ik tot u kom om mijn portret door u te laten vervaardigen. Maak een einde aan die schilders-zotheden; zet u aan den arbeid; mijn tijd is kostbaar!”

De Geest was door deze, op gebiedenden toon geuite woorden tot zich zelven gekomen. Wel doorwoelden honderden aandoeningen zijne borst; wel bestierven honderden vragen hem op de lippen; doch hij kropte ze op, en maakte werkelijk de noodige toebereidselen tot den arbeid.

Zesde hoofdstuk.Reeds te lang hebben wij Alonzo uit het oog verloren. Den morgen na het vermelde bal vinden wij hem in zijne kamer terug. Het vurig verlangen om nader met de schoone Adelgonde bekend te worden, deed hem tallooze plannen vormen, welke hij echter even spoedig weder verwierp. Eindelijk scheen zijn besluit genomen.—Ik moet rechtstreeks handelen, sprak hij bij zich zelven: waarom zijpaden bewandeld, daar de rechte weg voor mij open ligt? Mijn bloed is even edel, wellicht edeler dan het hare; mijn vermogen is groot; rijkdom en eer kunnen haar deel worden. Wij komen in dit land als vrienden, niet als vijanden. Wat zou mij dan in den weg kunnen staan? Op welken grond zou de graaf Van Bergen aan den markgraaf De Spinola zijne dochter ten huwelijk weigeren?Hij floot, en beval den binnentredenden bediende zijn schimmel te zadelen.“Moet ik uw genade vergezellen?” vroeg deze.“Dat is niet noodig Ferdinand.” antwoordde Alonzo: “Ik zal....”Hier werd het gesprek gestoord door het aandienen van den jonker Van Rodenberg, die dadelijk daarop binnentrad.“Bonjour, Bonjour! hoe hebt gij geslapen?” vroeg deze, met de hem zoo eigen vrijpostige gemeenzaamheid: “Het was mij recht aangenaam kennis met u te maken, en hoop die, gedurende uw vereerend verblijf alhier, voort te zetten. Wij zullen vrienden zijn,edele Spinola! Ik kom u de oprechte verzekering mijner genegenheid brengen.”“Ik zal niet gaan rijden Ferdinand!” zeide Alonzo, nadat hij de verplichtende woorden des jonkers beleefdelijk beantwoord had.Ferdinand boog en vertrok.“Gij zijt een vreemdeling in onze streken,” vervolgde Van Rodenberg: “en daarom eischt de Hollandsche gastvrijheid van mij dat ik u mijne diensten kom aanbieden. Indien mijn gezelschap u aanstaat, zult gij in mij een vriend vinden, die uw verblijf alhier kan veraangenamen.”—Bij deze woorden stak hij hem de hand toe, en Alonzo die, hoewel niet geheel met den persoon tevreden, door zoovele bewijzen van welwillendheid meer met hem verzoend werd, nam de aangebodene hand en schudde die trouwhartig.“Gij maakt mij inderdaad verlegen,” zeide hij: “Het is ongetwijfeld veel eer voor mij, dat gij mij uw vriendschap wilt waardig keuren.”De beide nieuwe vrienden plaatsten zich. Alonzo liet een flesch Spaanschen morgenwijn komen en vulde de fijne glazen. Van Rodenberg die zijn glas had opgenomen, stiet het tegen dat van Alonzo en ledigde het tot op den bodem. Alonzo deed insgelijks. Het gesprek liep eerst over onverschillige onderwerpen, het bal van den vorigen avond kwam weldra ter sprake, en Alonzo die van begeerte brandde om iets aangaande Adelgonde te vernemen, luisterde met geen geringe belangstelling, toen de jonker over den edelen graaf Van Bergen en zijne dochter begon te spreken.“Men heeft elkander om dat duifje reeds menigen kogel door den kop gejaagd,” zeide hij: “Reeds menig wakker edelman heeft den steven naarden Oldenburghgewend, doch werd door fellen stormwind teruggedreven. Die oude graaf houdt het vogeltje in de kooi en verliest het nimmer uit het oog. Zij heeft reeds menige blauwe scheen laten loopen, en wel zou ik oppassen mij daaraan te wagen.” Bij deze woorden sloeg hij een veel beteekenenden blik op Alonzo; maar bemerkte dien niet; maar voelde zich toch zonderling verlicht, daar hij den jonker, waarom wist hij zelf niet, als een machtigen medeminnaar had beschouwd, en nu uit zijn eigen mond de ongegrondheid van dit vermoeden vernam.“Leve de vrijheid!” riep de jonker, den opnieuw gevulden roemer zwaaiende: “Leve de vrijheid met een welgevulden buidel! Vergeet hier voor een tijd uw schoone en uwe eeden, gij behoort nog tot dat bataljon, waarbij voor geld en goede woorden volkomen absolutie te verkrijgen is. Geniet de vrijheid en de jeugd, zoolang gij ze genieten kunt. Volg mij, ik zal u op dat pad een veilige leidsman zijn.”Van Rodenberg zag aan de ernstige trekken des Spanjaards dat hij, om tot zijn doel te geraken, den juisten toon niet getroffen had. En inderdaad, Alonzo aan het geloof zijner vaderen gehecht—al gevoelde hij ook zelf dat daarin vele dwaalbegrippen heerschten,—kon in zaken van godsdienst geen den minsten spot verduren, en had daarbij, hoewel geoorloofd genoegen geenszins verachtende, een natuurlijken afkeer van dat losbandige leven, hetwelk op niets dan schade uitloopt.“Uw bedoelingen zijn wellicht goed,” zeide hij: “en zoo ik hoop, wilt gij mij of mijn geloof niet beleedigen, doch mijne grondbeginselen zijn van dien aard dat ik niet in uwe gevoelens kan deelen. De liefde is het edelste wat den mensch kan bezielen. Gepaste vreugde is zeer geoorloofd, doch, met uw verlof, mijn leuze kan nooit de leuze der losbandigheid zijn.”“Wel wel!” zeide Van Rodenberg lachende: dat heet ik iemands woorden fraai uitleggen. Ik wensch den somberen minnaar wat op te vroolijken en eenige afleiding te bezorgen, en wordt daarom met den edelen naam van losbandige begiftigd.—Wij spreken in Holland ronde woorden: wij zeggen wat wij denken, doch zoo gij, graaf! veronderstelt dat mijne bedoelingen....”“Ik ben te voorbarig geweest,” viel Alonzo hem in de rede, daar hij berouw had zich zoodanig te hebben uitgelaten: “Mijne oordeelvellingen waren ontijdig, zonder u te kennen heb ik u wellicht verkeerd beoordeeld,” en zijn glas opnemende, stiet hij het tegen dat des jonkers, en beiden ledigden nu den beker tot op den bodem.“Welnu, met dit glas hebt gij u, in weerwil van uwe grondbeginselen, aan mijne losbandigheid overgegeven!” zeide Van Rodenberg: “Wij spreken in het vervolg vrij met elkander en zullen voorzeker vrienden blijven!”Alonzo, wiens prikkelbaar gemoed even spoedig aan oprechtheid geloofde als het zich aan achterdocht overgaf, beschouwde nu den jonker als een goedhartigen doch vroolijken knaap, die hem ongevraagd en onbaatzuchtig zijne vriendschap en diensten kwam aanbieden. Hij beschuldigde zich zelven van ondankbaarheid zoo hij deze welwillendheid met stugheid en achterhoudendheid beantwoordde. Van Rodenberg was met Adelgonde en haar vader bekend; op het bal reeds had hij zich iets aangaande hare afkomst laten ontvallen. Hij zag in hem nu geen jaloerschen medeminnaar meer, en wat belette hem dus over deze zaak te spreken met den man, die zich zoo welwillend jegens hem betoonde?“Welaan!” zeide Alonzo: “gij zult mij voorzeker met uwe inlichtingen van dienst willen zijn?—Welnu dan:” en thans verhaalde hij met een vloed van woorden, hoe hij Adelgonde had gezien, hoe hij bij zich zelven gezworen had, nooit eene andere dan haar tot gade te zullen nemen, dat hij haar reeds op het bal zijne liefde had geopenbaard, en vast besloten had, haar zijn naam en zijn vermogen aan te bieden, voorts dat hij reeds zeer spoedig bij den graaf Van Bergen aanzoek om hare hand wilde doen, terwijl hij eindigde met Van Rodenberg te verzoeken, hem datgene te melden wat hij aangaande hare geboorte wist, of wat de wereld daarvan zeide.De spreker had in het vuur zijner rede niet opgemerkt dat, onder het uiten dezer woorden, des hoorders vriendelijk gelaat de uitdrukking van een loerenden hyena had gekregen; hij had niet gezien dat zijne groote roode lippen verbleekt en de neusgaten van den kleinen stompen neus wijder opengespalkt waren.Van Rodenberg had zijn gelaat naar een andere zij gewend; en toen nu Alonzo geëindigd had, was het weder—hoewel meer dante voren gekunsteld—in dezelfde plooi, en antwoordde hij op Alonzo’s laatste vraag, vrij natuurlijk lachende: “Booze roover! kwaamt gij daarom herwaarts? Zijn dat uwe bedoelingen? Wilt gij de schoonste bloem uit het noorden in zuidelijker lucht overplanten? De hovenier zal er bezwaarlijk van afstappen: zoolang gekweekt, zoolang getroeteld! Doch wat de ent aanbelangt” vervolgde hij, zich even bezinnende: “ja, die was wel echt, doch werd helaas! op wilden stam gegriffeld.”“Wat bedoelt gij?”“Wat ieder weet,” hervatte Van Rodenberg: “Zij is de natuurlijke dochter van den graaf Van Bergen; de vrucht van een ongeoorloofde verbintenis met een zijner dienstmaagden; doch,” liet hij er onmiddellijk op volgen: “gij hebt mij rondborstig uw geheimen geopenbaard; ik zal ze bewaren, doch vertrouw insgelijks van u, dat gij mijne woorden zult geheim houden.”“Gij liegt!” riep Alonzo, opspringende: “Gij zegt iedereen weet de zaak, en evenwel eischt gij mijne geheimhouding.”“En gij beleedigt mij!” hernam Van Rodenberg, mede opstaande; doch zich eensklaps bezinnende, vervolgde hij zeer kalm: “Neen, ik begrijp uwe drift, maar, ik bid u, moet gij dit aan mij wijten? Wilt gij bewijzen voor de waarheid mijner woorden? Ik zal ze u nog dezen avond verschaffen; laat ons als vrienden scheiden, en tegen negen uren zal ik u mijn knaap zenden, die u voeren zal waar ik u op dat uur zal verwachten.”Bij deze woorden stak hij Alonzo de hand toe, die haar werktuiglijk aannam.—“Vaarwel, edele Spinola, tot hedenavond!” en hiermede verliet de jonker haastig de kamer.Alonzo snakte, na dit zoo hoogst onaangenaam gesprek, naar vrije lucht. De uitgestelde wandelrit wilde hij hervatten, en hij gevoelde zich ruimer, toen hij, op zijn fraaien schimmel gezeten, in gestrekten galop de lanen van het Haagsche Bosch doorkruiste.Toen hij bijna een paar uren gereden had, en zijn paard stadwaarts wendde, zag hij in de verte een ruiter aankomen, die insgelijks op Den Haag aanreed.De ruiter, die nu slechts een paar honderd schreden van Alonzo verwijderd was, gaf eensklaps zijn paard de sporen, en verdween ijlings in eene zijlaan.—Was dat jonker Van Rodenberg niet? dacht Alonzo: Zou hij mij niet gezien hebben, of wat noopte hem anders zoo plotseling dat zijpad in te slaan?”Langzaam reed hij door, en het was reeds schemerdonker toen hij aan zijne woning terugkwam.Weldra was het negen uren, en Alonzo werd bericht dat een knaap hem aan de deur verbeidde.Zou hij gaan? Zou hij zich naar een onbekende plaats begeven, om de zekerheid van eene voor hem zoo treurige waarheid te bekomen?Alleen de drift om iets, wat het dan ook zijn mocht, aangaande Adelgonde te vernemen, en om bovendien zijn gegeven woord niette breken, deed hem tot dien gang besluiten; hij wierp den mantel over den schouder, en volgde den knaap die een kleine lantaarn in de hand hield.Het was een koude avond. Een dichte jachtsneeuw joeg Alonzo in het aangezicht, en terwijl hij steeds zijn jeugdigen leidsman volgde, doorliep hij verscheidene straten, en sloeg eindelijk met hem een nauwe steeg in.“Gij brengt mij waarlijk in geen voorname buurt!” zeide Alonzo: “hier kan onmogelijk de woning van den jonker Van Rodenberg zijn.”“Zijnedele heeft mij gelast, uwe genade in den Avondtempel te brengen,” antwoordde de knaap. Weinige schreden verder gekomen, opende hij een zware eikenhouten deur, en verzocht den graaf binnen te treden. Beiden doorliepen nu eene vrij lange gang, daalden eenige trappen af, en bevonden zich weldra in een gewelfde ruimte. De knaap trad op eene—zich aan het einde bevindende groote deur toe, en klopte vrij sterk met den klopper aan. De deur werd van binnen geopend, en, door het sterke licht dat Alonzo—in tegenstelling van de buiten heerschende duisternis—op eenmaal de oogen verblindde, kon hij in het eerst niet duidelijk onderscheiden waar hij zich bevond. Langzaam echter aan het licht wennende, zag hij nu dat hij een langwerpige zaal was binnengetreden, welker lage zoldering op zes steenen kolommen rustte; langs de wit gepleisterde wanden stonden, op kleine afstanden van elkander, eikenhouten tafeltjes, benevens banken van hetzelfde hout. De aanwezigen waren meest allen jonge lieden uit den beschaafden stand. Hoewel dit echter geenszins merkbaar was aan den toon die hier heerschte, kon hij dit toch bespeuren aan de kleederdrachten en aan de, hoewel ruwe, toch meer verfijnde uitdrukkingen der heeren.De deur was dadelijk weder achter Alonzo dichtgeslagen, en onaangenaam was hij te moede toen hij zich daar alleen te midden van een vreemd gezelschap bevond. Na een oogenblik rondgezien te hebben, besloot hij terug te keeren, en had reeds de hand aan de zware klink geslagen, toen een: “Ha! zijt gij daar? Welkom! welkom vriend!” uit Van Rodenbergs mond hem in de ooren klonk.Verrast zag hij om: “Is het hier?” vroeg hij dadelijk op fluisterenden toon: “dat gij mij nadere opheldering of zekerheid omtrent een zoo teedere zaak wilt geven?”“Bah!” zeide Van Rodenberg: “denkt gij daar nog aan! ’t Was voornamelijk mijn doel om u met onzen Avondtempel bekend te maken. Hier vindt gij de aangenaamste en vroolijkste gasten. Die ophelderingen zal ik u wel naderhand geven; doch bekreun u daar thans niet om.—Jonker Arends! ik heb het genoegen u mijn waardigen vriend, den edelen Alonzo Spinola voor te stellen.” Deze laatste woorden had Van Rodenberg gericht tot een jonkman, wiens gelaat de ontegenzeggelijkste sporen van een verwaarloosd leven droeg. Arends stond op, trad naar Alonzo toe, en bood hem zijne hand. Doch Alonzo, niet gewoon zijne vriendschap zoo terstond weg te schenken, hield zich alsof hij die aanbieding niet bemerkte, en boog zich voor den jonker.“Dezen morgen heb ik bij mijn vriend een kostelijk glas Spaanschen wijn gedronken,” ging Van Rodenberg voort: “en hoewel er op onze naakte duinen geen wijnstok groeit, zoo bevat de kelder van onzen aan Bachus gewijden tempel, toch druivensap dat, op Duitschlands bergen gekweekt, in onze bekers parelen en onze harten vervroolijken zal.—Gij zult mij eene welkomstteug,” vervolgde hij tot Alonzo: “voorzeker niet weigeren?”De aangesprokene zag zich in zijne verwachting deerlijk teleurgesteld, en zou geld hebben willen geven, indien hij onmiddellijk had kunnen vertrekken. Een aangeboden dronk te weigeren, ging echter zeer moeielijk, en daarom besloot hij te vertoeven, in de hoop dat Van Rodenberg spoedig met hem gaan, en hem dan de verlangde bewijzen zou ter hand stellen.“Nu,” zeide hij, tegen zijn wil toegevende: “wij zullen uw wijn eens proeven.” De drie jongelieden namen aan een tafeltje plaats. Van Rodenberg bestelde eene flesch ouden Rijnwijn, en weldra parelde deze in de bekers.Arends dronk onophoudelijk de gezondheid van al wat slechts Spaansch bloed in de aderen had, en Alonzo, wien de edele wijn als nectar smaakte, en bij iederen beker al minder waarheid van logen kon onderscheiden, vergat weldra zijne zorgen, en deed den heeren wakker bescheid.“De derde flesch!” riep Van Rodenberg, met de vuist op de tafel slaande: “Doch voor den duivel!” vervolgde hij, een triomfanten blik op de reeds eenigszins benevelde oogen van Alonzo slaande: “wij kunnen niet met ledige handen dien heerlijken wijn zien schuimen. Wij zullen ons geluk beproeven mijne heeren! wat raakt ons fortuin of goederen!” En met nog grooter hevigheid eischte hij dobbelsteenen.Tegen dien laatsten voorslag echter, kwam het beter gevoel van Alonzo op, hij had een afschuw van het spel, evenals hij een afkeer van dronkenschap had; en hoewel reeds onwillekeurig de palen der strikste matigheid te buiten gegaan, besloot hij niettemin geen deel te nemen aan een vermaak, waarvan hij maar al te dikwijls de nadeelige gevolgen van nabij gezien had.“Gij kunt uw gang gaan,” zeide hij: “hoewel ik het u afraad; maar ik zal niet spelen, dewijl ik het spel als een verderfelijk kwaad beschouw.”“Bij mijne eer, dat heet ik den fijne uithangen!” riep Van Rodenberg: “welk een kinderachtige verontschuldiging. Mijn troetelkind een verderfelijk kwaad? Elkander met gelijke wapenen bevechten, noemt gij eene verkeerdheid? Gelijke kansen, gelijke steenen! Bah! malligheid zeg ik u, niets dan hedendaagsche femelarij!—Leve het spel!”“De gierigaard alleen,” zeide Arends, Van Rodenbergs woorden vervolgende: “schrikt terug voor een eerlijk spel. Hij alleen wil niets wagen, maar altijd zeker winnen.”“Maar gij!” ging Van Rodenberg weder tot Alonzo voort: “Gij! door wiens aderen onbaatzuchtig bloed stroomt; een Spanjaard, edelen vermogend, zoudt gij werkelijk angstvallig zijn om iets van dat vermogen te wagen? Neen! daarvoor ken ik u reeds te wél, gij zult mij een kans niet weigeren. Drie honderd kronen wil ik in den eersten worp met u wagen!”De dobbelsteenen rommelden in den kroes, en negen punten wierp hij op de tafel. De jonge Spinola aarzelde nog, doch den spotachtig, hoonenden blik waarmede Arends hem aanzag, kon hij niet verduren: Deze blik verlamde zijn vasten wil. Zijn genomen besluit wankelde, en werd door een kwalijk geplaatst eergevoel vervangen. Hij vatte den kroes op, schudde dien, en elf punten wierp hij ter neder. “Gij hebt gewonnen!” zeide Van Rodenberg zeer koel: “Laat ons nogmaals drinken; de fortuin is mij niet gunstig.”“Niettemin zullen wij nog één worp doen,” sprak Alonzo, wien het hinderde gewonnen te hebben.“Welaan dan!” hernam Van Rodenberg: “doch dan zullen wij den inzet verdubbelen: zeshonderd kronen!” Weder klonken de steenen in den kroes, en zeven punten vielen. Alonzo wierp zes, en had verloren.Van Rodenberg, van zijn kant zich nu weder edelmoedig toonende, vond goed het spel voort te zetten. Het geluk had Spinola geheel en al den nek toegekeerd; hij verloor onophoudelijk, en hoewel hij gedurig geneigd was het spel te staken, wilde zijne tegenpartij daar niet van hooren: zulk een grove winst mocht hij niet zonder voldoening aannemen.—Door een onafgebrokenquitte ou doublewerd de schuld van Alonzo bij iederen worp verdubbeld! Acht duizend kronen waren reeds door hem verloren.“Het geluk zit in uw kroes!” zeide hij eindelijk met een, door het gestadig gebruik van den zwaren wijn, verhit gelaat: “Geef mij uw steenen, ik zet tweemaaldoubletegenquitte.”De jonker Van Rodenberg verbleekte, doch herstelde zich spoedig.“Waartoe zou dit dienen?” vroeg hij zoo bedaard mogelijk, doch tastte middelerwijl geheimzinnig in den zak van zijn wambuis; maakte een snelle beweging met den kroes onder de tafel, en vervolgde toen, geveinsd lachende: “Doch indien gij denkt dat mijn geluk in den kroes steekt, welnu hier is hij.”“Ellendige! gij hebt valsch gespeeld!” riep Alonzo, eensklaps verwoed opspringende, en zich dreigend vóór Van Rodenberg plaatsende: “Gij zijt een eervergeten schurk, jonker Van Rodenberg!—Mijne heeren!” ging hij overluid voort, de zaal rondziende: “duldt gij een edelman in uw midden die tevens een valsche speler is?”’Van Rodenberg had een oogenblik zijn tegenwoordigheid van geest verloren, doch zich nu ontmaskerd ziende, begreep hij dat slechts een koelbloedige bedaardheid hem kon redden: “Gij zijt mijn gast,” zeide hij, terwijl hij zich op de breede lippen beet: “Gij zijt een vreemdeling in ons midden, en dus past het mij, u ongehinderd van hier te laten gaan; doch, bij mijne eer, waart gij een Hollander, gij zoudt niet ongestraft die grove blaam op mijn alom bekende eerlijkheid geworpen hebben!”Al de aanwezigen hadden zich om de twistenden geschaard.Alonzo, door drank en spel verhit, en bovendien met afkeer voor Van Rodenberg vervuld, vergat zich zelven geheel, en door al die buitengewone omstandigheden zijn anders zoo zachtmoedig en beminnelijk karakter verloochenende, gaf hij den jonker een slag in het aangezicht, zoodat deze achteruit tuimelde en bij een steenen kolom nederviel. Spoedig echter sprong VanRodenbergweder overeind; trok zijn degen, en zou Alonzo ter neder hebben gestooten, zoo niet eenigen der aanwezigen hem hadden tegengehouden.De jonge Spinola kwam tot zich zelven, en gevoelde nu eerst levendig hoe ver zijn kwalijk geplaatst eergevoel hem had weten mee te sleepen. Daar stond hij nu tegenover den nietswaardige, die, in weerwil zijner schandelijke daad, zich nog beleedigd veinsde.“Uw geld zult gij hebben, lage gelukzoeker!” zeide Alonzo eindelijk: “doch eenmaal zult gij rekenschap moeten afleggen van uw nietswaardig bestaan.”“Rekenschap! rekenschap! ja, die zult gij mij geven!” berstte Van Rodenberg los, zich steeds verongelijkt veinzende, en wierp tegelijk zijdelings een blik op iemand die, tot dusverre onopgemerkt achter eene kolom had gezeten, en wiens kleine oogen van onder den breeden rand van zijn grijzen hoed glurend rondstaarden.“Kies wapenen, vermetele Spanjaard, die een Hollandsch edelman durft lasteren! Morgen zult gij de plaats vernemen waar wij een van beiden ons leven zullen laten!”Niets kwam Alonzo verachtelijker voor dan een tweegevecht, en dat nog wel met zulk een ellendeling; doch wat zou hij doen! Eéne schrede gezet op het verkeerde pad, en men wordt van het eene kwaad tot het andere gedreven.“Den degen!” zeide hij, Van Rodenbergs uitdaging aannemende, en snel zijn mantel omwerpende, opende hij de deur, en verdween in de gewelfde ruimte.Nog slechts weinige schreden was hij voortgegaan of hij bemerkte, niettegenstaande de duisternis, dat hem iemand op den voet volgde.“Wie daar?” riep hij stilstaande. Tot bescheid gonsde hem een kogel langs het oor, welke, slechts een duim juister aangehouden, zijne hersenen zou verbrijzeld hebben. Alonzo, eenigszins ontsteld, trok zijn degen, doch hoorde nu duidelijk de woorden, door een jonkman gesproken: “Ziedaar ellendige sluipmoordenaar!” en tevens het nedervallen van een lichaam.—“Zijt gij de graaf Spinola?” vroeg nogmaals dezelfde stem. Alonzo antwoordde toestemmend: de jonkman trad hem nu op zijde, en na met hem de lange gang te zijn doorgegaan, kwamen beiden weldra in de open lucht. “Gij hebt mijn aanvaller gestraft. Ik dank u wakkere knaap!” zeide Alonzo: “doch hoe kendet gij mij? en welk toeval bracht u dáár in dien tempel des satans om mij te verdedigen?”“Ik heb eene boodschap aan u, edele heer!” zei de jongeling: “en daar ik aan uwe woning vernam dat de jonker Van Rodenberg u genoodigd bad, was ik zeker u in den Avondtempel te zullen vinden. Juist kwam ik van pas om uw aanvaller met een duchtigen vuistslag ter aarde te werpen.”“Gij hebt braaf gehandeld,” hernam Alonzo: “Doch gij hadt eene boodschap aan mij?”“Dit briefje moest ik u ter hand stellen,” sprak de jonkman, die niemand anders dan Maarten was: “Het komt vanden Oldenburgh.”Alonzo nam het briefje begeerig aan, en door Maarten op zijn verzoek tot aan zijne woning vergezeld, stopte hij dezen eenig geld in de hand, begaf zich vervolgens naar zijne kamer, en las de volgende woorden:“Waarschijnlijk zult gij u morgen met het gezantschap ten onzent bevinden. Ik bid u, voor uwe en mijne rust, door geen het minste teeken te verraden, dat gij mij genegen zijt.”Deze regelen waren met de letters A. V. B. onderteekend.

Reeds te lang hebben wij Alonzo uit het oog verloren. Den morgen na het vermelde bal vinden wij hem in zijne kamer terug. Het vurig verlangen om nader met de schoone Adelgonde bekend te worden, deed hem tallooze plannen vormen, welke hij echter even spoedig weder verwierp. Eindelijk scheen zijn besluit genomen.

—Ik moet rechtstreeks handelen, sprak hij bij zich zelven: waarom zijpaden bewandeld, daar de rechte weg voor mij open ligt? Mijn bloed is even edel, wellicht edeler dan het hare; mijn vermogen is groot; rijkdom en eer kunnen haar deel worden. Wij komen in dit land als vrienden, niet als vijanden. Wat zou mij dan in den weg kunnen staan? Op welken grond zou de graaf Van Bergen aan den markgraaf De Spinola zijne dochter ten huwelijk weigeren?

Hij floot, en beval den binnentredenden bediende zijn schimmel te zadelen.

“Moet ik uw genade vergezellen?” vroeg deze.

“Dat is niet noodig Ferdinand.” antwoordde Alonzo: “Ik zal....”

Hier werd het gesprek gestoord door het aandienen van den jonker Van Rodenberg, die dadelijk daarop binnentrad.

“Bonjour, Bonjour! hoe hebt gij geslapen?” vroeg deze, met de hem zoo eigen vrijpostige gemeenzaamheid: “Het was mij recht aangenaam kennis met u te maken, en hoop die, gedurende uw vereerend verblijf alhier, voort te zetten. Wij zullen vrienden zijn,edele Spinola! Ik kom u de oprechte verzekering mijner genegenheid brengen.”

“Ik zal niet gaan rijden Ferdinand!” zeide Alonzo, nadat hij de verplichtende woorden des jonkers beleefdelijk beantwoord had.

Ferdinand boog en vertrok.

“Gij zijt een vreemdeling in onze streken,” vervolgde Van Rodenberg: “en daarom eischt de Hollandsche gastvrijheid van mij dat ik u mijne diensten kom aanbieden. Indien mijn gezelschap u aanstaat, zult gij in mij een vriend vinden, die uw verblijf alhier kan veraangenamen.”—Bij deze woorden stak hij hem de hand toe, en Alonzo die, hoewel niet geheel met den persoon tevreden, door zoovele bewijzen van welwillendheid meer met hem verzoend werd, nam de aangebodene hand en schudde die trouwhartig.

“Gij maakt mij inderdaad verlegen,” zeide hij: “Het is ongetwijfeld veel eer voor mij, dat gij mij uw vriendschap wilt waardig keuren.”

De beide nieuwe vrienden plaatsten zich. Alonzo liet een flesch Spaanschen morgenwijn komen en vulde de fijne glazen. Van Rodenberg die zijn glas had opgenomen, stiet het tegen dat van Alonzo en ledigde het tot op den bodem. Alonzo deed insgelijks. Het gesprek liep eerst over onverschillige onderwerpen, het bal van den vorigen avond kwam weldra ter sprake, en Alonzo die van begeerte brandde om iets aangaande Adelgonde te vernemen, luisterde met geen geringe belangstelling, toen de jonker over den edelen graaf Van Bergen en zijne dochter begon te spreken.

“Men heeft elkander om dat duifje reeds menigen kogel door den kop gejaagd,” zeide hij: “Reeds menig wakker edelman heeft den steven naarden Oldenburghgewend, doch werd door fellen stormwind teruggedreven. Die oude graaf houdt het vogeltje in de kooi en verliest het nimmer uit het oog. Zij heeft reeds menige blauwe scheen laten loopen, en wel zou ik oppassen mij daaraan te wagen.” Bij deze woorden sloeg hij een veel beteekenenden blik op Alonzo; maar bemerkte dien niet; maar voelde zich toch zonderling verlicht, daar hij den jonker, waarom wist hij zelf niet, als een machtigen medeminnaar had beschouwd, en nu uit zijn eigen mond de ongegrondheid van dit vermoeden vernam.

“Leve de vrijheid!” riep de jonker, den opnieuw gevulden roemer zwaaiende: “Leve de vrijheid met een welgevulden buidel! Vergeet hier voor een tijd uw schoone en uwe eeden, gij behoort nog tot dat bataljon, waarbij voor geld en goede woorden volkomen absolutie te verkrijgen is. Geniet de vrijheid en de jeugd, zoolang gij ze genieten kunt. Volg mij, ik zal u op dat pad een veilige leidsman zijn.”

Van Rodenberg zag aan de ernstige trekken des Spanjaards dat hij, om tot zijn doel te geraken, den juisten toon niet getroffen had. En inderdaad, Alonzo aan het geloof zijner vaderen gehecht—al gevoelde hij ook zelf dat daarin vele dwaalbegrippen heerschten,—kon in zaken van godsdienst geen den minsten spot verduren, en had daarbij, hoewel geoorloofd genoegen geenszins verachtende, een natuurlijken afkeer van dat losbandige leven, hetwelk op niets dan schade uitloopt.

“Uw bedoelingen zijn wellicht goed,” zeide hij: “en zoo ik hoop, wilt gij mij of mijn geloof niet beleedigen, doch mijne grondbeginselen zijn van dien aard dat ik niet in uwe gevoelens kan deelen. De liefde is het edelste wat den mensch kan bezielen. Gepaste vreugde is zeer geoorloofd, doch, met uw verlof, mijn leuze kan nooit de leuze der losbandigheid zijn.”

“Wel wel!” zeide Van Rodenberg lachende: dat heet ik iemands woorden fraai uitleggen. Ik wensch den somberen minnaar wat op te vroolijken en eenige afleiding te bezorgen, en wordt daarom met den edelen naam van losbandige begiftigd.—Wij spreken in Holland ronde woorden: wij zeggen wat wij denken, doch zoo gij, graaf! veronderstelt dat mijne bedoelingen....”

“Ik ben te voorbarig geweest,” viel Alonzo hem in de rede, daar hij berouw had zich zoodanig te hebben uitgelaten: “Mijne oordeelvellingen waren ontijdig, zonder u te kennen heb ik u wellicht verkeerd beoordeeld,” en zijn glas opnemende, stiet hij het tegen dat des jonkers, en beiden ledigden nu den beker tot op den bodem.

“Welnu, met dit glas hebt gij u, in weerwil van uwe grondbeginselen, aan mijne losbandigheid overgegeven!” zeide Van Rodenberg: “Wij spreken in het vervolg vrij met elkander en zullen voorzeker vrienden blijven!”

Alonzo, wiens prikkelbaar gemoed even spoedig aan oprechtheid geloofde als het zich aan achterdocht overgaf, beschouwde nu den jonker als een goedhartigen doch vroolijken knaap, die hem ongevraagd en onbaatzuchtig zijne vriendschap en diensten kwam aanbieden. Hij beschuldigde zich zelven van ondankbaarheid zoo hij deze welwillendheid met stugheid en achterhoudendheid beantwoordde. Van Rodenberg was met Adelgonde en haar vader bekend; op het bal reeds had hij zich iets aangaande hare afkomst laten ontvallen. Hij zag in hem nu geen jaloerschen medeminnaar meer, en wat belette hem dus over deze zaak te spreken met den man, die zich zoo welwillend jegens hem betoonde?

“Welaan!” zeide Alonzo: “gij zult mij voorzeker met uwe inlichtingen van dienst willen zijn?—Welnu dan:” en thans verhaalde hij met een vloed van woorden, hoe hij Adelgonde had gezien, hoe hij bij zich zelven gezworen had, nooit eene andere dan haar tot gade te zullen nemen, dat hij haar reeds op het bal zijne liefde had geopenbaard, en vast besloten had, haar zijn naam en zijn vermogen aan te bieden, voorts dat hij reeds zeer spoedig bij den graaf Van Bergen aanzoek om hare hand wilde doen, terwijl hij eindigde met Van Rodenberg te verzoeken, hem datgene te melden wat hij aangaande hare geboorte wist, of wat de wereld daarvan zeide.

De spreker had in het vuur zijner rede niet opgemerkt dat, onder het uiten dezer woorden, des hoorders vriendelijk gelaat de uitdrukking van een loerenden hyena had gekregen; hij had niet gezien dat zijne groote roode lippen verbleekt en de neusgaten van den kleinen stompen neus wijder opengespalkt waren.

Van Rodenberg had zijn gelaat naar een andere zij gewend; en toen nu Alonzo geëindigd had, was het weder—hoewel meer dante voren gekunsteld—in dezelfde plooi, en antwoordde hij op Alonzo’s laatste vraag, vrij natuurlijk lachende: “Booze roover! kwaamt gij daarom herwaarts? Zijn dat uwe bedoelingen? Wilt gij de schoonste bloem uit het noorden in zuidelijker lucht overplanten? De hovenier zal er bezwaarlijk van afstappen: zoolang gekweekt, zoolang getroeteld! Doch wat de ent aanbelangt” vervolgde hij, zich even bezinnende: “ja, die was wel echt, doch werd helaas! op wilden stam gegriffeld.”

“Wat bedoelt gij?”

“Wat ieder weet,” hervatte Van Rodenberg: “Zij is de natuurlijke dochter van den graaf Van Bergen; de vrucht van een ongeoorloofde verbintenis met een zijner dienstmaagden; doch,” liet hij er onmiddellijk op volgen: “gij hebt mij rondborstig uw geheimen geopenbaard; ik zal ze bewaren, doch vertrouw insgelijks van u, dat gij mijne woorden zult geheim houden.”

“Gij liegt!” riep Alonzo, opspringende: “Gij zegt iedereen weet de zaak, en evenwel eischt gij mijne geheimhouding.”

“En gij beleedigt mij!” hernam Van Rodenberg, mede opstaande; doch zich eensklaps bezinnende, vervolgde hij zeer kalm: “Neen, ik begrijp uwe drift, maar, ik bid u, moet gij dit aan mij wijten? Wilt gij bewijzen voor de waarheid mijner woorden? Ik zal ze u nog dezen avond verschaffen; laat ons als vrienden scheiden, en tegen negen uren zal ik u mijn knaap zenden, die u voeren zal waar ik u op dat uur zal verwachten.”

Bij deze woorden stak hij Alonzo de hand toe, die haar werktuiglijk aannam.—“Vaarwel, edele Spinola, tot hedenavond!” en hiermede verliet de jonker haastig de kamer.

Alonzo snakte, na dit zoo hoogst onaangenaam gesprek, naar vrije lucht. De uitgestelde wandelrit wilde hij hervatten, en hij gevoelde zich ruimer, toen hij, op zijn fraaien schimmel gezeten, in gestrekten galop de lanen van het Haagsche Bosch doorkruiste.

Toen hij bijna een paar uren gereden had, en zijn paard stadwaarts wendde, zag hij in de verte een ruiter aankomen, die insgelijks op Den Haag aanreed.

De ruiter, die nu slechts een paar honderd schreden van Alonzo verwijderd was, gaf eensklaps zijn paard de sporen, en verdween ijlings in eene zijlaan.

—Was dat jonker Van Rodenberg niet? dacht Alonzo: Zou hij mij niet gezien hebben, of wat noopte hem anders zoo plotseling dat zijpad in te slaan?”

Langzaam reed hij door, en het was reeds schemerdonker toen hij aan zijne woning terugkwam.

Weldra was het negen uren, en Alonzo werd bericht dat een knaap hem aan de deur verbeidde.

Zou hij gaan? Zou hij zich naar een onbekende plaats begeven, om de zekerheid van eene voor hem zoo treurige waarheid te bekomen?

Alleen de drift om iets, wat het dan ook zijn mocht, aangaande Adelgonde te vernemen, en om bovendien zijn gegeven woord niette breken, deed hem tot dien gang besluiten; hij wierp den mantel over den schouder, en volgde den knaap die een kleine lantaarn in de hand hield.

Het was een koude avond. Een dichte jachtsneeuw joeg Alonzo in het aangezicht, en terwijl hij steeds zijn jeugdigen leidsman volgde, doorliep hij verscheidene straten, en sloeg eindelijk met hem een nauwe steeg in.

“Gij brengt mij waarlijk in geen voorname buurt!” zeide Alonzo: “hier kan onmogelijk de woning van den jonker Van Rodenberg zijn.”

“Zijnedele heeft mij gelast, uwe genade in den Avondtempel te brengen,” antwoordde de knaap. Weinige schreden verder gekomen, opende hij een zware eikenhouten deur, en verzocht den graaf binnen te treden. Beiden doorliepen nu eene vrij lange gang, daalden eenige trappen af, en bevonden zich weldra in een gewelfde ruimte. De knaap trad op eene—zich aan het einde bevindende groote deur toe, en klopte vrij sterk met den klopper aan. De deur werd van binnen geopend, en, door het sterke licht dat Alonzo—in tegenstelling van de buiten heerschende duisternis—op eenmaal de oogen verblindde, kon hij in het eerst niet duidelijk onderscheiden waar hij zich bevond. Langzaam echter aan het licht wennende, zag hij nu dat hij een langwerpige zaal was binnengetreden, welker lage zoldering op zes steenen kolommen rustte; langs de wit gepleisterde wanden stonden, op kleine afstanden van elkander, eikenhouten tafeltjes, benevens banken van hetzelfde hout. De aanwezigen waren meest allen jonge lieden uit den beschaafden stand. Hoewel dit echter geenszins merkbaar was aan den toon die hier heerschte, kon hij dit toch bespeuren aan de kleederdrachten en aan de, hoewel ruwe, toch meer verfijnde uitdrukkingen der heeren.

De deur was dadelijk weder achter Alonzo dichtgeslagen, en onaangenaam was hij te moede toen hij zich daar alleen te midden van een vreemd gezelschap bevond. Na een oogenblik rondgezien te hebben, besloot hij terug te keeren, en had reeds de hand aan de zware klink geslagen, toen een: “Ha! zijt gij daar? Welkom! welkom vriend!” uit Van Rodenbergs mond hem in de ooren klonk.

Verrast zag hij om: “Is het hier?” vroeg hij dadelijk op fluisterenden toon: “dat gij mij nadere opheldering of zekerheid omtrent een zoo teedere zaak wilt geven?”

“Bah!” zeide Van Rodenberg: “denkt gij daar nog aan! ’t Was voornamelijk mijn doel om u met onzen Avondtempel bekend te maken. Hier vindt gij de aangenaamste en vroolijkste gasten. Die ophelderingen zal ik u wel naderhand geven; doch bekreun u daar thans niet om.—Jonker Arends! ik heb het genoegen u mijn waardigen vriend, den edelen Alonzo Spinola voor te stellen.” Deze laatste woorden had Van Rodenberg gericht tot een jonkman, wiens gelaat de ontegenzeggelijkste sporen van een verwaarloosd leven droeg. Arends stond op, trad naar Alonzo toe, en bood hem zijne hand. Doch Alonzo, niet gewoon zijne vriendschap zoo terstond weg te schenken, hield zich alsof hij die aanbieding niet bemerkte, en boog zich voor den jonker.

“Dezen morgen heb ik bij mijn vriend een kostelijk glas Spaanschen wijn gedronken,” ging Van Rodenberg voort: “en hoewel er op onze naakte duinen geen wijnstok groeit, zoo bevat de kelder van onzen aan Bachus gewijden tempel, toch druivensap dat, op Duitschlands bergen gekweekt, in onze bekers parelen en onze harten vervroolijken zal.—Gij zult mij eene welkomstteug,” vervolgde hij tot Alonzo: “voorzeker niet weigeren?”

De aangesprokene zag zich in zijne verwachting deerlijk teleurgesteld, en zou geld hebben willen geven, indien hij onmiddellijk had kunnen vertrekken. Een aangeboden dronk te weigeren, ging echter zeer moeielijk, en daarom besloot hij te vertoeven, in de hoop dat Van Rodenberg spoedig met hem gaan, en hem dan de verlangde bewijzen zou ter hand stellen.

“Nu,” zeide hij, tegen zijn wil toegevende: “wij zullen uw wijn eens proeven.” De drie jongelieden namen aan een tafeltje plaats. Van Rodenberg bestelde eene flesch ouden Rijnwijn, en weldra parelde deze in de bekers.

Arends dronk onophoudelijk de gezondheid van al wat slechts Spaansch bloed in de aderen had, en Alonzo, wien de edele wijn als nectar smaakte, en bij iederen beker al minder waarheid van logen kon onderscheiden, vergat weldra zijne zorgen, en deed den heeren wakker bescheid.

“De derde flesch!” riep Van Rodenberg, met de vuist op de tafel slaande: “Doch voor den duivel!” vervolgde hij, een triomfanten blik op de reeds eenigszins benevelde oogen van Alonzo slaande: “wij kunnen niet met ledige handen dien heerlijken wijn zien schuimen. Wij zullen ons geluk beproeven mijne heeren! wat raakt ons fortuin of goederen!” En met nog grooter hevigheid eischte hij dobbelsteenen.

Tegen dien laatsten voorslag echter, kwam het beter gevoel van Alonzo op, hij had een afschuw van het spel, evenals hij een afkeer van dronkenschap had; en hoewel reeds onwillekeurig de palen der strikste matigheid te buiten gegaan, besloot hij niettemin geen deel te nemen aan een vermaak, waarvan hij maar al te dikwijls de nadeelige gevolgen van nabij gezien had.

“Gij kunt uw gang gaan,” zeide hij: “hoewel ik het u afraad; maar ik zal niet spelen, dewijl ik het spel als een verderfelijk kwaad beschouw.”

“Bij mijne eer, dat heet ik den fijne uithangen!” riep Van Rodenberg: “welk een kinderachtige verontschuldiging. Mijn troetelkind een verderfelijk kwaad? Elkander met gelijke wapenen bevechten, noemt gij eene verkeerdheid? Gelijke kansen, gelijke steenen! Bah! malligheid zeg ik u, niets dan hedendaagsche femelarij!—Leve het spel!”

“De gierigaard alleen,” zeide Arends, Van Rodenbergs woorden vervolgende: “schrikt terug voor een eerlijk spel. Hij alleen wil niets wagen, maar altijd zeker winnen.”

“Maar gij!” ging Van Rodenberg weder tot Alonzo voort: “Gij! door wiens aderen onbaatzuchtig bloed stroomt; een Spanjaard, edelen vermogend, zoudt gij werkelijk angstvallig zijn om iets van dat vermogen te wagen? Neen! daarvoor ken ik u reeds te wél, gij zult mij een kans niet weigeren. Drie honderd kronen wil ik in den eersten worp met u wagen!”

De dobbelsteenen rommelden in den kroes, en negen punten wierp hij op de tafel. De jonge Spinola aarzelde nog, doch den spotachtig, hoonenden blik waarmede Arends hem aanzag, kon hij niet verduren: Deze blik verlamde zijn vasten wil. Zijn genomen besluit wankelde, en werd door een kwalijk geplaatst eergevoel vervangen. Hij vatte den kroes op, schudde dien, en elf punten wierp hij ter neder. “Gij hebt gewonnen!” zeide Van Rodenberg zeer koel: “Laat ons nogmaals drinken; de fortuin is mij niet gunstig.”

“Niettemin zullen wij nog één worp doen,” sprak Alonzo, wien het hinderde gewonnen te hebben.

“Welaan dan!” hernam Van Rodenberg: “doch dan zullen wij den inzet verdubbelen: zeshonderd kronen!” Weder klonken de steenen in den kroes, en zeven punten vielen. Alonzo wierp zes, en had verloren.

Van Rodenberg, van zijn kant zich nu weder edelmoedig toonende, vond goed het spel voort te zetten. Het geluk had Spinola geheel en al den nek toegekeerd; hij verloor onophoudelijk, en hoewel hij gedurig geneigd was het spel te staken, wilde zijne tegenpartij daar niet van hooren: zulk een grove winst mocht hij niet zonder voldoening aannemen.—Door een onafgebrokenquitte ou doublewerd de schuld van Alonzo bij iederen worp verdubbeld! Acht duizend kronen waren reeds door hem verloren.

“Het geluk zit in uw kroes!” zeide hij eindelijk met een, door het gestadig gebruik van den zwaren wijn, verhit gelaat: “Geef mij uw steenen, ik zet tweemaaldoubletegenquitte.”

De jonker Van Rodenberg verbleekte, doch herstelde zich spoedig.

“Waartoe zou dit dienen?” vroeg hij zoo bedaard mogelijk, doch tastte middelerwijl geheimzinnig in den zak van zijn wambuis; maakte een snelle beweging met den kroes onder de tafel, en vervolgde toen, geveinsd lachende: “Doch indien gij denkt dat mijn geluk in den kroes steekt, welnu hier is hij.”

“Ellendige! gij hebt valsch gespeeld!” riep Alonzo, eensklaps verwoed opspringende, en zich dreigend vóór Van Rodenberg plaatsende: “Gij zijt een eervergeten schurk, jonker Van Rodenberg!—Mijne heeren!” ging hij overluid voort, de zaal rondziende: “duldt gij een edelman in uw midden die tevens een valsche speler is?”’

Van Rodenberg had een oogenblik zijn tegenwoordigheid van geest verloren, doch zich nu ontmaskerd ziende, begreep hij dat slechts een koelbloedige bedaardheid hem kon redden: “Gij zijt mijn gast,” zeide hij, terwijl hij zich op de breede lippen beet: “Gij zijt een vreemdeling in ons midden, en dus past het mij, u ongehinderd van hier te laten gaan; doch, bij mijne eer, waart gij een Hollander, gij zoudt niet ongestraft die grove blaam op mijn alom bekende eerlijkheid geworpen hebben!”

Al de aanwezigen hadden zich om de twistenden geschaard.Alonzo, door drank en spel verhit, en bovendien met afkeer voor Van Rodenberg vervuld, vergat zich zelven geheel, en door al die buitengewone omstandigheden zijn anders zoo zachtmoedig en beminnelijk karakter verloochenende, gaf hij den jonker een slag in het aangezicht, zoodat deze achteruit tuimelde en bij een steenen kolom nederviel. Spoedig echter sprong VanRodenbergweder overeind; trok zijn degen, en zou Alonzo ter neder hebben gestooten, zoo niet eenigen der aanwezigen hem hadden tegengehouden.

De jonge Spinola kwam tot zich zelven, en gevoelde nu eerst levendig hoe ver zijn kwalijk geplaatst eergevoel hem had weten mee te sleepen. Daar stond hij nu tegenover den nietswaardige, die, in weerwil zijner schandelijke daad, zich nog beleedigd veinsde.

“Uw geld zult gij hebben, lage gelukzoeker!” zeide Alonzo eindelijk: “doch eenmaal zult gij rekenschap moeten afleggen van uw nietswaardig bestaan.”

“Rekenschap! rekenschap! ja, die zult gij mij geven!” berstte Van Rodenberg los, zich steeds verongelijkt veinzende, en wierp tegelijk zijdelings een blik op iemand die, tot dusverre onopgemerkt achter eene kolom had gezeten, en wiens kleine oogen van onder den breeden rand van zijn grijzen hoed glurend rondstaarden.

“Kies wapenen, vermetele Spanjaard, die een Hollandsch edelman durft lasteren! Morgen zult gij de plaats vernemen waar wij een van beiden ons leven zullen laten!”

Niets kwam Alonzo verachtelijker voor dan een tweegevecht, en dat nog wel met zulk een ellendeling; doch wat zou hij doen! Eéne schrede gezet op het verkeerde pad, en men wordt van het eene kwaad tot het andere gedreven.

“Den degen!” zeide hij, Van Rodenbergs uitdaging aannemende, en snel zijn mantel omwerpende, opende hij de deur, en verdween in de gewelfde ruimte.

Nog slechts weinige schreden was hij voortgegaan of hij bemerkte, niettegenstaande de duisternis, dat hem iemand op den voet volgde.

“Wie daar?” riep hij stilstaande. Tot bescheid gonsde hem een kogel langs het oor, welke, slechts een duim juister aangehouden, zijne hersenen zou verbrijzeld hebben. Alonzo, eenigszins ontsteld, trok zijn degen, doch hoorde nu duidelijk de woorden, door een jonkman gesproken: “Ziedaar ellendige sluipmoordenaar!” en tevens het nedervallen van een lichaam.—“Zijt gij de graaf Spinola?” vroeg nogmaals dezelfde stem. Alonzo antwoordde toestemmend: de jonkman trad hem nu op zijde, en na met hem de lange gang te zijn doorgegaan, kwamen beiden weldra in de open lucht. “Gij hebt mijn aanvaller gestraft. Ik dank u wakkere knaap!” zeide Alonzo: “doch hoe kendet gij mij? en welk toeval bracht u dáár in dien tempel des satans om mij te verdedigen?”

“Ik heb eene boodschap aan u, edele heer!” zei de jongeling: “en daar ik aan uwe woning vernam dat de jonker Van Rodenberg u genoodigd bad, was ik zeker u in den Avondtempel te zullen vinden. Juist kwam ik van pas om uw aanvaller met een duchtigen vuistslag ter aarde te werpen.”

“Gij hebt braaf gehandeld,” hernam Alonzo: “Doch gij hadt eene boodschap aan mij?”

“Dit briefje moest ik u ter hand stellen,” sprak de jonkman, die niemand anders dan Maarten was: “Het komt vanden Oldenburgh.”

Alonzo nam het briefje begeerig aan, en door Maarten op zijn verzoek tot aan zijne woning vergezeld, stopte hij dezen eenig geld in de hand, begaf zich vervolgens naar zijne kamer, en las de volgende woorden:

“Waarschijnlijk zult gij u morgen met het gezantschap ten onzent bevinden. Ik bid u, voor uwe en mijne rust, door geen het minste teeken te verraden, dat gij mij genegen zijt.”

Deze regelen waren met de letters A. V. B. onderteekend.


Back to IndexNext