X.KRIJGSLIST.De beide mannen volgden haar.Zij begonnen thans met hun drieën door het hooge gras te kruipen en daalden in stilte den heuvel af.De moeielijke tocht ging natuurlijk zeer langzaam, wegens de talloozevoorzorgen die zij verplicht waren te nemen, ten einde niet door de vijandelijke voorposten ontdekt te worden; de Indianen toch hadden aan alle kanten schildwachts uitgezet om op de bewegingen der blanken te letten; zoo deze mochten willen beproeven de belegerden te hulp te komen, waardoor de belegeraars licht gevaar zouden loopen van tusschen twee vuren te geraken.De Witte-Gazelle kroop langzaam maar zeker voor de beide jagers uit, gedurig naar alle zijden uitkijkende en telkens stil houdende, om met gespitste ooren te luisteren naar het minste verdacht gerucht in de struiken of kreupelboschjes; en wanneer het dan bleek dat hare vrees ongegrond was geweest, hervatte zij haar tocht met een aanmoedigenden lach tegen degenen die zij geleidde en die haar op korten afstand volgden.»Beetgenomen!†riep Valentin op eens, terwijl hij met een satirieken lach zijn geweer op den grond zette; »wel, wel! de kleine is waarachtig slimmer dan ik gedacht had.â€Plotseling zagen de beide mannen zich door een talrijken troep Apache-Indianen omringd.Don Pablo sprak geen woord; hij keek de Gazelle aan; zij glimlachte nog altijd.»Bah!†bromde de Franschman koel in zich zelven, »ik neem er althans zeven of acht voor mijne rekening, en dan zullen wij verder zien.â€Door deze troostrijke aanmerking volkomen gerustgesteld, herkreeg de jager zijne vorige kalmte en keek hij nieuwsgierig in ’t rond.De twee blanken waren nu midden in het detachement van den Zwarte-Kat.Het oude opperhoofd naderde den jager.»Ik heet mijn broeder welkom onder zijne vrienden de Bisons-Apachen,†zeide hij op zekeren toon van edelheid.»Waarom schertst gij, hoofdman?†antwoordde Valentin. »Ik ben uw gevangene, doe met mij wat u goeddunkt.â€Â»De Zwarte-Kat schertst niet; de groote bleeke jager is zijn gevangene niet, maar zijn vriend; hij gebiede slechts, en de Zwarte-Kat zal zijne bevelen volbrengen.â€Â»Wat beteekenen deze woorden?†zei de Franschman ten hoogste verwonderd. »Zijt gij dan, even als de overige leden van uw stam, niet hier om u van mij en mijne vrienden meester te maken?â€Â»Dat was inderdaad mijn voornemen toen ik, eenige dagen geleden, mijn dorp verliet; maar mijn hart is veranderd sedert mijn broeder mij het leven redde; hij moet het reeds hebben kunnen opmerken; dat ik herwaarts kom, is niet om hem te bevechten, maar om hem en al de zijnen te redden. Mijn broeder stelle dus vertrouwen in mijne woorden; mijn stam zal hem gehoorzamen zoo goed als mij zelven.â€Valentin bedacht zich een oogenblik en nam toen het woord op, terwijl hij den Indiaan scherp aankeek.»En wat eischt de Zwarte-Kat tot loon voor de hulp die hij mij wil verleenen?â€Â»Niets. De bleeke jager is mijn broeder; als onze toeleg gelukt, doe hij wat hij goedvindt.â€Â»Zoo! dat verandert alles ten beste,†riep de Franschman en zich nu tot de Gazelle wendende, vervolgde hij: »Ik heb mij deerlijk vergist,señorita; en ik vraag u wel zeer om verschooning.â€De Witte-Gazelle bloosde van genoegen bij deze edelmoedige bekentenis.»En dus, hoofdman,†hervatte Valentin tegen den Indiaan, »heb ik de vrije beschikking over uwe krijgslieden?â€Â»Ten volle.â€Â»Zullen zij mij getrouw zijn?â€Â»Ik heb het u reeds gezegd, zoo goed als aan mij zelven.â€Â»Goed!†riep de jager, wiens gelaat merkelijk ophelderde. »Hoeveel krijgslieden hebt gij bij u?â€De Indiaan stak tienmaal de vingers van zijne twee open handen op.»Honderd?†vroeg Valentin.»Ja,†antwoordde het opperhoofd, »en nog acht meer.â€Â»Maar de andere stammen zijn veel talrijkerdande uwe.â€Â»Zij maken een troep krijgslieden uit, tweemaal twintig en zevenmaal sterker dan de mijne.â€Â»Hum! dat is veel; en dan de bandieten nog.â€Â»Ooah! er zijn driemaal zooveel Langmessen uit het Oosten als ik vingers heb aan mijn twee handen,†zei de Zwarte-Kat.»Ik vrees,†merkte don Pablo aan, »dat wij ten slotte tegen zoovele vijanden niet zullen bestand zijn.â€Â»Misschien!†antwoordde Valentin nadenkend. »Waar is de Roode-Ceder?â€Â»De Roode-Ceder is bij zijne broeders van gemengd ras in de prairie. Zij hebben zich bij den troep van Stanapat aangesloten.â€Op dit oogenblik weergalmde de oorlogskreet der Apachen met kracht over de vlakte.Eene sterke losbranding deed zich aan alle kanten hooren en de Dolle-Bisonsheuvel scheen als omgeven door een gordel van rookwolken en bliksemvlammen.De strijd was begonnen.De Indianen gingen dapper aan ’t bestormen en trokken onversaagd den berg op, onder het gestadig lossen hunner geweren en het afschieten van pijlen op den nog onzichtbaren vijand.Aan de zijde waar de heuvelreeks de Rio Gila raakte, zag men gedurig nieuwe benden Apachen opdagen.Zij reden in galop bij troepjes van drie tot twintig man te gelijk. Hunne paarden waren met schuim en stof overdekt, waaruit bleek dat zij een langen marsch hadden gemaakt.De Apachen waren in groot kostuum, beladen met allerlei soortvan sieraden, talismans en wapenen, de boog en pijlbus op den rug, het geweer in de hand en het hoofd met golvende pluimen gekroond, waaronder sommige witte en zwarte arendsveeren van zeldzame schoonheid, die in een grooten bos afhingen.Gezeten op prachtige paarden met schabrakken van pantervel met rood laken gevoerd, hadden zij de overige ledematen geheel naakt, behalve een lange bandelier van wolfsvel die over hunne schouders was geslagen. Hunne schilden waren met vederen en strooken laken van verschillende kleuren versierd.Op deze wijze uitgedost hadden deze mannen iets grootsch en majestueus in hun voorkomen, dat de verbeelding trof en onwillekeurig ontzag inboezemde.Verscheidenen hunner reden onmiddellijk de hoogten over, de vermoeide paarden met zweepslagen aanzettende om in tijds op het slagveld te komen, onder luid gezang of liever onder het uitbrullen van hun bekenden oorlogskreet.In den omtrek der palissaden was de strijd het hevigst.De twee Mexicanen en Curumilla, die achter hunne verschansing gedekt stonden, beantwoordden met moorddadig geweervuur den aanval der Apachen en moedigden elkander aan om als dapperen met de wapens in de vuist te sneven.Reeds lagen er een aantal gesneuvelde Indianen hier en daar op de vlakte; paarden zonder ruiter galoppeerden in alle richtingen en het gekerm der gewonden vermengde zich met het uitdagend geschreeuw der aanvallers.Wat wij hierboven in zoovele woorden omschreven hebben, hadden Valentin en don Pablo in weinige sekonden gezien met den onfeilbaren oogopslag van lieden die aan dergelijke tooneelen sinds lang gewoon waren.»Gij ziet het, hoofdman,†zei Valentin tegen den Zwarte-Kat, »wij moeten ons bij onze vrienden gaan voegen; help ons, anders zijn zij verloren.â€Â»Goed!†antwoordde de Zwarte-Kat, »de bleeke jager plaatse zich met zijn vriend midden in ons detachement en binnen weinige minuten zijn wij op den heuvel. Maar eens vooral moeten de bleeke opperhoofden mij laten begaan.â€Â»Ga uw gang, hoofdman, ik laat dit geheel aan u over!â€De Zwarte-Kat sprak eenige woorden zacht tegen de krijgslieden die hij bij zich had.Dezen groepeerden zich onmiddellijk rondom de beide jagers, die dus in hun midden geheel onzichtbaar werden.»O, wee!†riep don Pablo alles behalve gerust, »ziet gij dat, vriend?â€Valentin glimlachte en nam hem bij den arm.»Ik heb het plan van den Sachem begrepen; hij neemt het eenigst middel te baat dat mogelijk is. Wees gerust, alles gaat goed.â€De Zwarte-Kat stelde zich aan het hoofd van zijn troep en gaf het sein.Een ontzettend hoerah klonk door de lucht.Het was de oorlogskreet van den stam der Bisons-Apachen.De moedige Roodhuiden sleepten de beide blanken met zich voort, en stormden als razenden den heuvel op.Valentin en don Pablo wisten nauwelijks wat er met hen gebeurd was toen zij zich reeds bij hunne vrienden bevonden, terwijl de krijgslieden van den Zwarte-Kat, als een neertuimelenden sneeuwval, in alle richtingen den heuvel weder afrenden als waren zij door een panischen schrik getroffen.Intusschen was de strijd niet geëindigd.De Indianen van Stanapat stormden als brullende tijgers tegen de palissaden op en lieten zich dooden zonder een stap te wijken.De strijd, zoo hij lang aanhield, moest eindelijk noodlottig worden voor de partij der blanken, wier krachten reeds uitgeput raakten.Dit hadden zoowel Stanapat als de Roode-Ceder begrepen, en dus verdubbelden zij hunne pogingen om hunne vijanden te overstelpen.Maar op eens, toen de Apachen op nieuw tegen de stormpalen opklauterden om een laatsten aanval te beproeven, klonk achter hen de oorlogskreet der Coras, gepaard met een vreeselijke losbranding uit klein geweer. De Apachen, op hunne beurt overrompeld, aarzelden.De Roode-Ceder wierp een blik om zich heen en uitte eene verwensching. Want aan de andere zijde van het kamp klonk ook de oorlogskreet der Comanchen.»Voorwaarts! altoos voorwaarts!†brulde de Squatter, die gevolgd door zijne beide zoons en eenige vrijbuiters den heuvel besteeg.Maar het tooneel was als met een tooverslag omgekeerd.De Zwarte-Kat had de nieuwe hulp die voor zijne vrienden opdaagde nauwelijks gezien, of hij sloot zich dadelijk aan met den Eenhoorn. Aan het hoofd van hun vereenigden troep, vielen zij thans de Apachen in de flank, terwijl Mookapec en zijne tweehonderd uitgelezen krijgslieden hen in den rug aangrepen. Het vluchten begon; en veranderde weldra in volslagen verstrooiing.Alleen de Roode-Ceder en een kleine schaar vrijbuiters rondom hem hielden nog stand.De kring der vijanden die hem omringde werd echter met ieder oogenblik al nauwer en nauwer.De aanvallers waren nu aangevallenen geworden. Het zou spoedig beslist zijn; nog eenige sekonden en alles was gedaan en iedere kans op terugtocht hun afgesneden.»Hoerah!†brulde de Roode-Ceder terwijl hij zijn geweer bij de tromp nam en als eenknotsboven zijn hoofd deed zwaaien. »Neer met die honden! Nemen wij hun hoofdhaar!â€Â»Nemen wij hun hoofdhaar!†herhaalden zijne gezellen, terwijl zij zijn voorbeeld volgden en alles neerbeukten wat in den weg stond en hun den doortocht betwistte.Zoo slaagden zij om zich al strijdende een bloedigen uitweg te banen en vorderden zij langzamerhand naar de zijde van de rivier.Plotseling wierp zich een enkel man den Roode-Ceder in den weg.Die man was Mookapec.»Ik kom u mijn hoofdhaar brengen, hond van een bleekmuil,†schreeuwde de Indiaan met zijn strijdbijl op hem inhouwende.»Ik zeg u dank,†antwoordde de Squatter den dreigenden slag behendig afwerend. De Arendsveer sprong voorwaarts als een hyena en eer zijn vijand in staat was zich te dekken had hij hem met de machete een steek in de dij toegebracht.De Roode-Ceder gaf een schreeuw van spijt toen hij zich gewond gevoelde, hij trok met de eene hand zijn mes terwijl hij met de andere den Indiaan bij de keel greep.Laatstgenoemde zag zich verloren: het blauwe lemmer glinsterde boven zijn hoofd en drong het volgende oogenblik diep in zijne borst.»Ha ha!†grinnikte de Roode-Ceder terwijl hij zijn vijand losliet, die dadelijk van zijn paard stortte, »ik geloof dat wij nu onze rekening vereffend hebben.â€Â»Nog niet!†riep de Coras met een triomfanten lach; en met eenlaatsteheldhaftige poging schoot hij zijn geweer op den Squatter af.Deze liet de teugels glippen en tuimelde naast den Indiaan neder.»Ik sterf gewroken!†mompelde de Arendsveer die reeds met den dood worstelde.»O! ik ben nog niet dood!†antwoordde deRoode-Cederterwijl hij zich op de eene knie oprichtte en den Coras de hersens insloeg, »ik zal het ontkomen hoe dan ook.â€Behalve de wond in zijn dij had de kogel hem den schouder verbrijzeld. Evenwel, met medehulp zijner kameraden, die geen voet breed terugweken, gelukte het hem weder te paard te stijgen.Nathan en Sutter bonden hem op den zadel vast. »Aftrekken! aftrekken!†riep hij, »of wij zijn verloren. Bergt uw hals! ieder voor zich!â€De vrijbuiters gehoorzaamden oogenblikkelijk en namen in alle richtingen de vlucht, dicht nagezet door de Coras en de Comanchen.Intusschen gelukte het den meesten zich te redden: sommigen in het dichte bosch, waar zij spoedig verdwenen waren; anderen in de rivier, die zij overzwommen.De Roode-Ceder was onder de eerstgenoemden.Valentin en zijne vrienden hadden den goeden uitslag van het gevecht dank zij de tijdige hun verleende hulp nauwelijks gezien, of zij daalden met allen spoed den Bisonsheuvel af en reden de vlakte in om zich van den Roode-Ceder meester te maken.Ongelukkig kwamen zij te laat en zagen zij hem alleen in de verte verdwijnen.De gelukkige wending die het gevecht genomen had was hun van onberekenbaar nut, daar zij hen niet alleen redde uit de hachelijkestelling waar zij zich in bevonden, maar tevens het verbond der Indianen-stammen in duigen wierp, die door de groote verliezen bij den aanval geleden, afgeschrikt, zich hals over hoofd terugtrokken, en de blanken hunne onderlinge geschillen liefst zelven lieten beslechten zonder zich verder in hunne veete te mengen.Wat den Roode-Ceder betreft, zijne bende was geheel verslagen of althans ontbonden en verstrooid; terwijl hij zelf, geheel alleen gelaten, en daarbij zwaar gewond niet meer te vreezen was.Het opvangen van dezen man, die thans als een wild dier in de prairie moest rondzwerven, was slechts eene vraag van tijd.Ook Stanapat had met eenige zijner krijgslieden het hazenpad gekozen, zonder dat iemand wist waar hij gestoven of gevlogen was.De drie overwinnende legerscharen kampeerden samen op het slagveld.Volgens gewoonte hielden de Indianen zich terstond bezig met het scalpeeren hunner gesneuvelde vijanden.Zonderling genoeg hadden zij geen enkelen krijgsgevangene gemaakt; de strijd was met zooveel verbittering gevoerd, dat ieder slechts zijn man had zoeken te dooden zonder er aan te denken zich van zijn persoon meester te maken.Het lijk van Mookapec werd zorgvuldig opgenomen en met alle eerbewijs begraven op den Dolle-Bisonsheuvel naast den vermaarden Sachem die deze plaats het eerst tot zijn graf had gekozen.De zon was juist aan het ondergaan op het oogenblik toen men de laatste plichten en eerbewijzen aan de gesneuvelde Coras en Comanchen bewezen had.De kampvuren werden weldra ontstoken.Iedereen nam plaats, en nadat de vredescalumet was rond geweest stond Valentin op.»Sachems en opperhoofden,†begon hij, »mijne vrienden en ik, wij zeggen u dank voor de edelaardige pogingen, waarmede gij ons geholpen hebt om de prairiën van het Verre Westen te bevrijden van den bandiet, die haar zoo lang heeft geteisterd en ontvolkt; het is niet slechts eene ijdele wraak die ons drijft, maar een loffelijk en menschlievend werk; de man dien wij bedoelen schandvlekt den naam van mensch en het ras waartoe hij behoort. Thans zijn hem van de talrijke bende roovers die hij onder zijne bevelen had slechts weinigen overgebleven: de bende boosdoeners, die weleer de schrik was der prairiën, bestaat niet meer, en weldra, ik ben er zeker van, zal ook hun hoofd in onze handen vallen.»Houdt u steeds gereed om wanneer het wezen moet ons uwe hulp te bieden, gelijk gij dat heden gedaan hebt; keert tot zoolang naar uw dorpen terug; gelooft steeds dat wij hetzij afwezig of tegenwoordig de herinnering zullen bewaren der goede diensten die gij ons bewezen hebt, en dat gij, mocht het geval dit vereischen, altijd op ons kunt rekenen gelijk wij overal en altijd op u gerekend hebben.â€Na deze toespraak, die door de Indianen met luide toejuiching werd beantwoord, ging Valentin weder zitten.Er volgde eene lange poos stilte, gedurende welke de Indianen zorgvuldig hunne calumets bleven rooken.De Zwarte-Kat was de eerste die het woord weder opvatte:»Dat mijne broeders luisteren,†zeide hij; »de woorden die mijne borst uitblaast zijn mij door den Meester des levens ingegeven; de wolk die mijn geest benevelde is opgeklaard, sedert mijne broeders de Coras en Comanchen, deze dappere natiën, mij de plaats hebben teruggegeven die mij aan hun raadvuur toekwam; de Eenhoorn is een wijs opperhoofd, zijne vriendschap is mij dierbaar.»Ik hoop dat de Wacondah verhoeden zal dat tusschen den Eenhoorn en mij, en tusschen zijne jongelingen en de mijne, de minste onmin of tweespalt oprijze die de goede verstandhouding welke in de tegenwoordige oogenblikken tusschen ons bestaat zou kunnen verstoren, van nu aan tot over duizend en vijftig manen.â€De Eenhoorn nam de calumet uit zijn mond, boog voor den Zwarte-Kat met een vriendelijken lach, en antwoordde:»Mijn broeder de Zwarte-Kat heeft goed gesproken: mijn hart heeft van vreugde gegloeid toen ik hem hoorde. Waarom zouden wij geene vrienden zijn? Is de prairie voor ons niet groot of ruim genoeg? Zijn er de bisons niet in genoegzamen getale aanwezig? Dat mijne broeders hooren, ik zoek te vergeefs rondom mij naar de oorlogsbijl, zij is tusschen ons zoo diep begraven, dat de kinderen der kindskinderen onzer zonen haar nooit weder zullen kunnen terugvinden.â€Nog andere redevoeringen werden door de overige Sachems gehouden en de beste overeenstemming bleef tusschen de bondgenooten heerschen.Met het krieken van den dag werd de vergadering opgeheven en scheidde men op den meest vriendschappelijken voet. Ieder ging den weg naar zijn eigen dorp.Valentin, Curumilla, generaal Ibanez, don Pablo en don Miguel bleven alleen.De Witte-Gazelle zat eenige passen van hen af tegen een boomstam geleund, in diepe gedachten verzonken.
X.KRIJGSLIST.De beide mannen volgden haar.Zij begonnen thans met hun drieën door het hooge gras te kruipen en daalden in stilte den heuvel af.De moeielijke tocht ging natuurlijk zeer langzaam, wegens de talloozevoorzorgen die zij verplicht waren te nemen, ten einde niet door de vijandelijke voorposten ontdekt te worden; de Indianen toch hadden aan alle kanten schildwachts uitgezet om op de bewegingen der blanken te letten; zoo deze mochten willen beproeven de belegerden te hulp te komen, waardoor de belegeraars licht gevaar zouden loopen van tusschen twee vuren te geraken.De Witte-Gazelle kroop langzaam maar zeker voor de beide jagers uit, gedurig naar alle zijden uitkijkende en telkens stil houdende, om met gespitste ooren te luisteren naar het minste verdacht gerucht in de struiken of kreupelboschjes; en wanneer het dan bleek dat hare vrees ongegrond was geweest, hervatte zij haar tocht met een aanmoedigenden lach tegen degenen die zij geleidde en die haar op korten afstand volgden.»Beetgenomen!†riep Valentin op eens, terwijl hij met een satirieken lach zijn geweer op den grond zette; »wel, wel! de kleine is waarachtig slimmer dan ik gedacht had.â€Plotseling zagen de beide mannen zich door een talrijken troep Apache-Indianen omringd.Don Pablo sprak geen woord; hij keek de Gazelle aan; zij glimlachte nog altijd.»Bah!†bromde de Franschman koel in zich zelven, »ik neem er althans zeven of acht voor mijne rekening, en dan zullen wij verder zien.â€Door deze troostrijke aanmerking volkomen gerustgesteld, herkreeg de jager zijne vorige kalmte en keek hij nieuwsgierig in ’t rond.De twee blanken waren nu midden in het detachement van den Zwarte-Kat.Het oude opperhoofd naderde den jager.»Ik heet mijn broeder welkom onder zijne vrienden de Bisons-Apachen,†zeide hij op zekeren toon van edelheid.»Waarom schertst gij, hoofdman?†antwoordde Valentin. »Ik ben uw gevangene, doe met mij wat u goeddunkt.â€Â»De Zwarte-Kat schertst niet; de groote bleeke jager is zijn gevangene niet, maar zijn vriend; hij gebiede slechts, en de Zwarte-Kat zal zijne bevelen volbrengen.â€Â»Wat beteekenen deze woorden?†zei de Franschman ten hoogste verwonderd. »Zijt gij dan, even als de overige leden van uw stam, niet hier om u van mij en mijne vrienden meester te maken?â€Â»Dat was inderdaad mijn voornemen toen ik, eenige dagen geleden, mijn dorp verliet; maar mijn hart is veranderd sedert mijn broeder mij het leven redde; hij moet het reeds hebben kunnen opmerken; dat ik herwaarts kom, is niet om hem te bevechten, maar om hem en al de zijnen te redden. Mijn broeder stelle dus vertrouwen in mijne woorden; mijn stam zal hem gehoorzamen zoo goed als mij zelven.â€Valentin bedacht zich een oogenblik en nam toen het woord op, terwijl hij den Indiaan scherp aankeek.»En wat eischt de Zwarte-Kat tot loon voor de hulp die hij mij wil verleenen?â€Â»Niets. De bleeke jager is mijn broeder; als onze toeleg gelukt, doe hij wat hij goedvindt.â€Â»Zoo! dat verandert alles ten beste,†riep de Franschman en zich nu tot de Gazelle wendende, vervolgde hij: »Ik heb mij deerlijk vergist,señorita; en ik vraag u wel zeer om verschooning.â€De Witte-Gazelle bloosde van genoegen bij deze edelmoedige bekentenis.»En dus, hoofdman,†hervatte Valentin tegen den Indiaan, »heb ik de vrije beschikking over uwe krijgslieden?â€Â»Ten volle.â€Â»Zullen zij mij getrouw zijn?â€Â»Ik heb het u reeds gezegd, zoo goed als aan mij zelven.â€Â»Goed!†riep de jager, wiens gelaat merkelijk ophelderde. »Hoeveel krijgslieden hebt gij bij u?â€De Indiaan stak tienmaal de vingers van zijne twee open handen op.»Honderd?†vroeg Valentin.»Ja,†antwoordde het opperhoofd, »en nog acht meer.â€Â»Maar de andere stammen zijn veel talrijkerdande uwe.â€Â»Zij maken een troep krijgslieden uit, tweemaal twintig en zevenmaal sterker dan de mijne.â€Â»Hum! dat is veel; en dan de bandieten nog.â€Â»Ooah! er zijn driemaal zooveel Langmessen uit het Oosten als ik vingers heb aan mijn twee handen,†zei de Zwarte-Kat.»Ik vrees,†merkte don Pablo aan, »dat wij ten slotte tegen zoovele vijanden niet zullen bestand zijn.â€Â»Misschien!†antwoordde Valentin nadenkend. »Waar is de Roode-Ceder?â€Â»De Roode-Ceder is bij zijne broeders van gemengd ras in de prairie. Zij hebben zich bij den troep van Stanapat aangesloten.â€Op dit oogenblik weergalmde de oorlogskreet der Apachen met kracht over de vlakte.Eene sterke losbranding deed zich aan alle kanten hooren en de Dolle-Bisonsheuvel scheen als omgeven door een gordel van rookwolken en bliksemvlammen.De strijd was begonnen.De Indianen gingen dapper aan ’t bestormen en trokken onversaagd den berg op, onder het gestadig lossen hunner geweren en het afschieten van pijlen op den nog onzichtbaren vijand.Aan de zijde waar de heuvelreeks de Rio Gila raakte, zag men gedurig nieuwe benden Apachen opdagen.Zij reden in galop bij troepjes van drie tot twintig man te gelijk. Hunne paarden waren met schuim en stof overdekt, waaruit bleek dat zij een langen marsch hadden gemaakt.De Apachen waren in groot kostuum, beladen met allerlei soortvan sieraden, talismans en wapenen, de boog en pijlbus op den rug, het geweer in de hand en het hoofd met golvende pluimen gekroond, waaronder sommige witte en zwarte arendsveeren van zeldzame schoonheid, die in een grooten bos afhingen.Gezeten op prachtige paarden met schabrakken van pantervel met rood laken gevoerd, hadden zij de overige ledematen geheel naakt, behalve een lange bandelier van wolfsvel die over hunne schouders was geslagen. Hunne schilden waren met vederen en strooken laken van verschillende kleuren versierd.Op deze wijze uitgedost hadden deze mannen iets grootsch en majestueus in hun voorkomen, dat de verbeelding trof en onwillekeurig ontzag inboezemde.Verscheidenen hunner reden onmiddellijk de hoogten over, de vermoeide paarden met zweepslagen aanzettende om in tijds op het slagveld te komen, onder luid gezang of liever onder het uitbrullen van hun bekenden oorlogskreet.In den omtrek der palissaden was de strijd het hevigst.De twee Mexicanen en Curumilla, die achter hunne verschansing gedekt stonden, beantwoordden met moorddadig geweervuur den aanval der Apachen en moedigden elkander aan om als dapperen met de wapens in de vuist te sneven.Reeds lagen er een aantal gesneuvelde Indianen hier en daar op de vlakte; paarden zonder ruiter galoppeerden in alle richtingen en het gekerm der gewonden vermengde zich met het uitdagend geschreeuw der aanvallers.Wat wij hierboven in zoovele woorden omschreven hebben, hadden Valentin en don Pablo in weinige sekonden gezien met den onfeilbaren oogopslag van lieden die aan dergelijke tooneelen sinds lang gewoon waren.»Gij ziet het, hoofdman,†zei Valentin tegen den Zwarte-Kat, »wij moeten ons bij onze vrienden gaan voegen; help ons, anders zijn zij verloren.â€Â»Goed!†antwoordde de Zwarte-Kat, »de bleeke jager plaatse zich met zijn vriend midden in ons detachement en binnen weinige minuten zijn wij op den heuvel. Maar eens vooral moeten de bleeke opperhoofden mij laten begaan.â€Â»Ga uw gang, hoofdman, ik laat dit geheel aan u over!â€De Zwarte-Kat sprak eenige woorden zacht tegen de krijgslieden die hij bij zich had.Dezen groepeerden zich onmiddellijk rondom de beide jagers, die dus in hun midden geheel onzichtbaar werden.»O, wee!†riep don Pablo alles behalve gerust, »ziet gij dat, vriend?â€Valentin glimlachte en nam hem bij den arm.»Ik heb het plan van den Sachem begrepen; hij neemt het eenigst middel te baat dat mogelijk is. Wees gerust, alles gaat goed.â€De Zwarte-Kat stelde zich aan het hoofd van zijn troep en gaf het sein.Een ontzettend hoerah klonk door de lucht.Het was de oorlogskreet van den stam der Bisons-Apachen.De moedige Roodhuiden sleepten de beide blanken met zich voort, en stormden als razenden den heuvel op.Valentin en don Pablo wisten nauwelijks wat er met hen gebeurd was toen zij zich reeds bij hunne vrienden bevonden, terwijl de krijgslieden van den Zwarte-Kat, als een neertuimelenden sneeuwval, in alle richtingen den heuvel weder afrenden als waren zij door een panischen schrik getroffen.Intusschen was de strijd niet geëindigd.De Indianen van Stanapat stormden als brullende tijgers tegen de palissaden op en lieten zich dooden zonder een stap te wijken.De strijd, zoo hij lang aanhield, moest eindelijk noodlottig worden voor de partij der blanken, wier krachten reeds uitgeput raakten.Dit hadden zoowel Stanapat als de Roode-Ceder begrepen, en dus verdubbelden zij hunne pogingen om hunne vijanden te overstelpen.Maar op eens, toen de Apachen op nieuw tegen de stormpalen opklauterden om een laatsten aanval te beproeven, klonk achter hen de oorlogskreet der Coras, gepaard met een vreeselijke losbranding uit klein geweer. De Apachen, op hunne beurt overrompeld, aarzelden.De Roode-Ceder wierp een blik om zich heen en uitte eene verwensching. Want aan de andere zijde van het kamp klonk ook de oorlogskreet der Comanchen.»Voorwaarts! altoos voorwaarts!†brulde de Squatter, die gevolgd door zijne beide zoons en eenige vrijbuiters den heuvel besteeg.Maar het tooneel was als met een tooverslag omgekeerd.De Zwarte-Kat had de nieuwe hulp die voor zijne vrienden opdaagde nauwelijks gezien, of hij sloot zich dadelijk aan met den Eenhoorn. Aan het hoofd van hun vereenigden troep, vielen zij thans de Apachen in de flank, terwijl Mookapec en zijne tweehonderd uitgelezen krijgslieden hen in den rug aangrepen. Het vluchten begon; en veranderde weldra in volslagen verstrooiing.Alleen de Roode-Ceder en een kleine schaar vrijbuiters rondom hem hielden nog stand.De kring der vijanden die hem omringde werd echter met ieder oogenblik al nauwer en nauwer.De aanvallers waren nu aangevallenen geworden. Het zou spoedig beslist zijn; nog eenige sekonden en alles was gedaan en iedere kans op terugtocht hun afgesneden.»Hoerah!†brulde de Roode-Ceder terwijl hij zijn geweer bij de tromp nam en als eenknotsboven zijn hoofd deed zwaaien. »Neer met die honden! Nemen wij hun hoofdhaar!â€Â»Nemen wij hun hoofdhaar!†herhaalden zijne gezellen, terwijl zij zijn voorbeeld volgden en alles neerbeukten wat in den weg stond en hun den doortocht betwistte.Zoo slaagden zij om zich al strijdende een bloedigen uitweg te banen en vorderden zij langzamerhand naar de zijde van de rivier.Plotseling wierp zich een enkel man den Roode-Ceder in den weg.Die man was Mookapec.»Ik kom u mijn hoofdhaar brengen, hond van een bleekmuil,†schreeuwde de Indiaan met zijn strijdbijl op hem inhouwende.»Ik zeg u dank,†antwoordde de Squatter den dreigenden slag behendig afwerend. De Arendsveer sprong voorwaarts als een hyena en eer zijn vijand in staat was zich te dekken had hij hem met de machete een steek in de dij toegebracht.De Roode-Ceder gaf een schreeuw van spijt toen hij zich gewond gevoelde, hij trok met de eene hand zijn mes terwijl hij met de andere den Indiaan bij de keel greep.Laatstgenoemde zag zich verloren: het blauwe lemmer glinsterde boven zijn hoofd en drong het volgende oogenblik diep in zijne borst.»Ha ha!†grinnikte de Roode-Ceder terwijl hij zijn vijand losliet, die dadelijk van zijn paard stortte, »ik geloof dat wij nu onze rekening vereffend hebben.â€Â»Nog niet!†riep de Coras met een triomfanten lach; en met eenlaatsteheldhaftige poging schoot hij zijn geweer op den Squatter af.Deze liet de teugels glippen en tuimelde naast den Indiaan neder.»Ik sterf gewroken!†mompelde de Arendsveer die reeds met den dood worstelde.»O! ik ben nog niet dood!†antwoordde deRoode-Cederterwijl hij zich op de eene knie oprichtte en den Coras de hersens insloeg, »ik zal het ontkomen hoe dan ook.â€Behalve de wond in zijn dij had de kogel hem den schouder verbrijzeld. Evenwel, met medehulp zijner kameraden, die geen voet breed terugweken, gelukte het hem weder te paard te stijgen.Nathan en Sutter bonden hem op den zadel vast. »Aftrekken! aftrekken!†riep hij, »of wij zijn verloren. Bergt uw hals! ieder voor zich!â€De vrijbuiters gehoorzaamden oogenblikkelijk en namen in alle richtingen de vlucht, dicht nagezet door de Coras en de Comanchen.Intusschen gelukte het den meesten zich te redden: sommigen in het dichte bosch, waar zij spoedig verdwenen waren; anderen in de rivier, die zij overzwommen.De Roode-Ceder was onder de eerstgenoemden.Valentin en zijne vrienden hadden den goeden uitslag van het gevecht dank zij de tijdige hun verleende hulp nauwelijks gezien, of zij daalden met allen spoed den Bisonsheuvel af en reden de vlakte in om zich van den Roode-Ceder meester te maken.Ongelukkig kwamen zij te laat en zagen zij hem alleen in de verte verdwijnen.De gelukkige wending die het gevecht genomen had was hun van onberekenbaar nut, daar zij hen niet alleen redde uit de hachelijkestelling waar zij zich in bevonden, maar tevens het verbond der Indianen-stammen in duigen wierp, die door de groote verliezen bij den aanval geleden, afgeschrikt, zich hals over hoofd terugtrokken, en de blanken hunne onderlinge geschillen liefst zelven lieten beslechten zonder zich verder in hunne veete te mengen.Wat den Roode-Ceder betreft, zijne bende was geheel verslagen of althans ontbonden en verstrooid; terwijl hij zelf, geheel alleen gelaten, en daarbij zwaar gewond niet meer te vreezen was.Het opvangen van dezen man, die thans als een wild dier in de prairie moest rondzwerven, was slechts eene vraag van tijd.Ook Stanapat had met eenige zijner krijgslieden het hazenpad gekozen, zonder dat iemand wist waar hij gestoven of gevlogen was.De drie overwinnende legerscharen kampeerden samen op het slagveld.Volgens gewoonte hielden de Indianen zich terstond bezig met het scalpeeren hunner gesneuvelde vijanden.Zonderling genoeg hadden zij geen enkelen krijgsgevangene gemaakt; de strijd was met zooveel verbittering gevoerd, dat ieder slechts zijn man had zoeken te dooden zonder er aan te denken zich van zijn persoon meester te maken.Het lijk van Mookapec werd zorgvuldig opgenomen en met alle eerbewijs begraven op den Dolle-Bisonsheuvel naast den vermaarden Sachem die deze plaats het eerst tot zijn graf had gekozen.De zon was juist aan het ondergaan op het oogenblik toen men de laatste plichten en eerbewijzen aan de gesneuvelde Coras en Comanchen bewezen had.De kampvuren werden weldra ontstoken.Iedereen nam plaats, en nadat de vredescalumet was rond geweest stond Valentin op.»Sachems en opperhoofden,†begon hij, »mijne vrienden en ik, wij zeggen u dank voor de edelaardige pogingen, waarmede gij ons geholpen hebt om de prairiën van het Verre Westen te bevrijden van den bandiet, die haar zoo lang heeft geteisterd en ontvolkt; het is niet slechts eene ijdele wraak die ons drijft, maar een loffelijk en menschlievend werk; de man dien wij bedoelen schandvlekt den naam van mensch en het ras waartoe hij behoort. Thans zijn hem van de talrijke bende roovers die hij onder zijne bevelen had slechts weinigen overgebleven: de bende boosdoeners, die weleer de schrik was der prairiën, bestaat niet meer, en weldra, ik ben er zeker van, zal ook hun hoofd in onze handen vallen.»Houdt u steeds gereed om wanneer het wezen moet ons uwe hulp te bieden, gelijk gij dat heden gedaan hebt; keert tot zoolang naar uw dorpen terug; gelooft steeds dat wij hetzij afwezig of tegenwoordig de herinnering zullen bewaren der goede diensten die gij ons bewezen hebt, en dat gij, mocht het geval dit vereischen, altijd op ons kunt rekenen gelijk wij overal en altijd op u gerekend hebben.â€Na deze toespraak, die door de Indianen met luide toejuiching werd beantwoord, ging Valentin weder zitten.Er volgde eene lange poos stilte, gedurende welke de Indianen zorgvuldig hunne calumets bleven rooken.De Zwarte-Kat was de eerste die het woord weder opvatte:»Dat mijne broeders luisteren,†zeide hij; »de woorden die mijne borst uitblaast zijn mij door den Meester des levens ingegeven; de wolk die mijn geest benevelde is opgeklaard, sedert mijne broeders de Coras en Comanchen, deze dappere natiën, mij de plaats hebben teruggegeven die mij aan hun raadvuur toekwam; de Eenhoorn is een wijs opperhoofd, zijne vriendschap is mij dierbaar.»Ik hoop dat de Wacondah verhoeden zal dat tusschen den Eenhoorn en mij, en tusschen zijne jongelingen en de mijne, de minste onmin of tweespalt oprijze die de goede verstandhouding welke in de tegenwoordige oogenblikken tusschen ons bestaat zou kunnen verstoren, van nu aan tot over duizend en vijftig manen.â€De Eenhoorn nam de calumet uit zijn mond, boog voor den Zwarte-Kat met een vriendelijken lach, en antwoordde:»Mijn broeder de Zwarte-Kat heeft goed gesproken: mijn hart heeft van vreugde gegloeid toen ik hem hoorde. Waarom zouden wij geene vrienden zijn? Is de prairie voor ons niet groot of ruim genoeg? Zijn er de bisons niet in genoegzamen getale aanwezig? Dat mijne broeders hooren, ik zoek te vergeefs rondom mij naar de oorlogsbijl, zij is tusschen ons zoo diep begraven, dat de kinderen der kindskinderen onzer zonen haar nooit weder zullen kunnen terugvinden.â€Nog andere redevoeringen werden door de overige Sachems gehouden en de beste overeenstemming bleef tusschen de bondgenooten heerschen.Met het krieken van den dag werd de vergadering opgeheven en scheidde men op den meest vriendschappelijken voet. Ieder ging den weg naar zijn eigen dorp.Valentin, Curumilla, generaal Ibanez, don Pablo en don Miguel bleven alleen.De Witte-Gazelle zat eenige passen van hen af tegen een boomstam geleund, in diepe gedachten verzonken.
X.KRIJGSLIST.
De beide mannen volgden haar.Zij begonnen thans met hun drieën door het hooge gras te kruipen en daalden in stilte den heuvel af.De moeielijke tocht ging natuurlijk zeer langzaam, wegens de talloozevoorzorgen die zij verplicht waren te nemen, ten einde niet door de vijandelijke voorposten ontdekt te worden; de Indianen toch hadden aan alle kanten schildwachts uitgezet om op de bewegingen der blanken te letten; zoo deze mochten willen beproeven de belegerden te hulp te komen, waardoor de belegeraars licht gevaar zouden loopen van tusschen twee vuren te geraken.De Witte-Gazelle kroop langzaam maar zeker voor de beide jagers uit, gedurig naar alle zijden uitkijkende en telkens stil houdende, om met gespitste ooren te luisteren naar het minste verdacht gerucht in de struiken of kreupelboschjes; en wanneer het dan bleek dat hare vrees ongegrond was geweest, hervatte zij haar tocht met een aanmoedigenden lach tegen degenen die zij geleidde en die haar op korten afstand volgden.»Beetgenomen!†riep Valentin op eens, terwijl hij met een satirieken lach zijn geweer op den grond zette; »wel, wel! de kleine is waarachtig slimmer dan ik gedacht had.â€Plotseling zagen de beide mannen zich door een talrijken troep Apache-Indianen omringd.Don Pablo sprak geen woord; hij keek de Gazelle aan; zij glimlachte nog altijd.»Bah!†bromde de Franschman koel in zich zelven, »ik neem er althans zeven of acht voor mijne rekening, en dan zullen wij verder zien.â€Door deze troostrijke aanmerking volkomen gerustgesteld, herkreeg de jager zijne vorige kalmte en keek hij nieuwsgierig in ’t rond.De twee blanken waren nu midden in het detachement van den Zwarte-Kat.Het oude opperhoofd naderde den jager.»Ik heet mijn broeder welkom onder zijne vrienden de Bisons-Apachen,†zeide hij op zekeren toon van edelheid.»Waarom schertst gij, hoofdman?†antwoordde Valentin. »Ik ben uw gevangene, doe met mij wat u goeddunkt.â€Â»De Zwarte-Kat schertst niet; de groote bleeke jager is zijn gevangene niet, maar zijn vriend; hij gebiede slechts, en de Zwarte-Kat zal zijne bevelen volbrengen.â€Â»Wat beteekenen deze woorden?†zei de Franschman ten hoogste verwonderd. »Zijt gij dan, even als de overige leden van uw stam, niet hier om u van mij en mijne vrienden meester te maken?â€Â»Dat was inderdaad mijn voornemen toen ik, eenige dagen geleden, mijn dorp verliet; maar mijn hart is veranderd sedert mijn broeder mij het leven redde; hij moet het reeds hebben kunnen opmerken; dat ik herwaarts kom, is niet om hem te bevechten, maar om hem en al de zijnen te redden. Mijn broeder stelle dus vertrouwen in mijne woorden; mijn stam zal hem gehoorzamen zoo goed als mij zelven.â€Valentin bedacht zich een oogenblik en nam toen het woord op, terwijl hij den Indiaan scherp aankeek.»En wat eischt de Zwarte-Kat tot loon voor de hulp die hij mij wil verleenen?â€Â»Niets. De bleeke jager is mijn broeder; als onze toeleg gelukt, doe hij wat hij goedvindt.â€Â»Zoo! dat verandert alles ten beste,†riep de Franschman en zich nu tot de Gazelle wendende, vervolgde hij: »Ik heb mij deerlijk vergist,señorita; en ik vraag u wel zeer om verschooning.â€De Witte-Gazelle bloosde van genoegen bij deze edelmoedige bekentenis.»En dus, hoofdman,†hervatte Valentin tegen den Indiaan, »heb ik de vrije beschikking over uwe krijgslieden?â€Â»Ten volle.â€Â»Zullen zij mij getrouw zijn?â€Â»Ik heb het u reeds gezegd, zoo goed als aan mij zelven.â€Â»Goed!†riep de jager, wiens gelaat merkelijk ophelderde. »Hoeveel krijgslieden hebt gij bij u?â€De Indiaan stak tienmaal de vingers van zijne twee open handen op.»Honderd?†vroeg Valentin.»Ja,†antwoordde het opperhoofd, »en nog acht meer.â€Â»Maar de andere stammen zijn veel talrijkerdande uwe.â€Â»Zij maken een troep krijgslieden uit, tweemaal twintig en zevenmaal sterker dan de mijne.â€Â»Hum! dat is veel; en dan de bandieten nog.â€Â»Ooah! er zijn driemaal zooveel Langmessen uit het Oosten als ik vingers heb aan mijn twee handen,†zei de Zwarte-Kat.»Ik vrees,†merkte don Pablo aan, »dat wij ten slotte tegen zoovele vijanden niet zullen bestand zijn.â€Â»Misschien!†antwoordde Valentin nadenkend. »Waar is de Roode-Ceder?â€Â»De Roode-Ceder is bij zijne broeders van gemengd ras in de prairie. Zij hebben zich bij den troep van Stanapat aangesloten.â€Op dit oogenblik weergalmde de oorlogskreet der Apachen met kracht over de vlakte.Eene sterke losbranding deed zich aan alle kanten hooren en de Dolle-Bisonsheuvel scheen als omgeven door een gordel van rookwolken en bliksemvlammen.De strijd was begonnen.De Indianen gingen dapper aan ’t bestormen en trokken onversaagd den berg op, onder het gestadig lossen hunner geweren en het afschieten van pijlen op den nog onzichtbaren vijand.Aan de zijde waar de heuvelreeks de Rio Gila raakte, zag men gedurig nieuwe benden Apachen opdagen.Zij reden in galop bij troepjes van drie tot twintig man te gelijk. Hunne paarden waren met schuim en stof overdekt, waaruit bleek dat zij een langen marsch hadden gemaakt.De Apachen waren in groot kostuum, beladen met allerlei soortvan sieraden, talismans en wapenen, de boog en pijlbus op den rug, het geweer in de hand en het hoofd met golvende pluimen gekroond, waaronder sommige witte en zwarte arendsveeren van zeldzame schoonheid, die in een grooten bos afhingen.Gezeten op prachtige paarden met schabrakken van pantervel met rood laken gevoerd, hadden zij de overige ledematen geheel naakt, behalve een lange bandelier van wolfsvel die over hunne schouders was geslagen. Hunne schilden waren met vederen en strooken laken van verschillende kleuren versierd.Op deze wijze uitgedost hadden deze mannen iets grootsch en majestueus in hun voorkomen, dat de verbeelding trof en onwillekeurig ontzag inboezemde.Verscheidenen hunner reden onmiddellijk de hoogten over, de vermoeide paarden met zweepslagen aanzettende om in tijds op het slagveld te komen, onder luid gezang of liever onder het uitbrullen van hun bekenden oorlogskreet.In den omtrek der palissaden was de strijd het hevigst.De twee Mexicanen en Curumilla, die achter hunne verschansing gedekt stonden, beantwoordden met moorddadig geweervuur den aanval der Apachen en moedigden elkander aan om als dapperen met de wapens in de vuist te sneven.Reeds lagen er een aantal gesneuvelde Indianen hier en daar op de vlakte; paarden zonder ruiter galoppeerden in alle richtingen en het gekerm der gewonden vermengde zich met het uitdagend geschreeuw der aanvallers.Wat wij hierboven in zoovele woorden omschreven hebben, hadden Valentin en don Pablo in weinige sekonden gezien met den onfeilbaren oogopslag van lieden die aan dergelijke tooneelen sinds lang gewoon waren.»Gij ziet het, hoofdman,†zei Valentin tegen den Zwarte-Kat, »wij moeten ons bij onze vrienden gaan voegen; help ons, anders zijn zij verloren.â€Â»Goed!†antwoordde de Zwarte-Kat, »de bleeke jager plaatse zich met zijn vriend midden in ons detachement en binnen weinige minuten zijn wij op den heuvel. Maar eens vooral moeten de bleeke opperhoofden mij laten begaan.â€Â»Ga uw gang, hoofdman, ik laat dit geheel aan u over!â€De Zwarte-Kat sprak eenige woorden zacht tegen de krijgslieden die hij bij zich had.Dezen groepeerden zich onmiddellijk rondom de beide jagers, die dus in hun midden geheel onzichtbaar werden.»O, wee!†riep don Pablo alles behalve gerust, »ziet gij dat, vriend?â€Valentin glimlachte en nam hem bij den arm.»Ik heb het plan van den Sachem begrepen; hij neemt het eenigst middel te baat dat mogelijk is. Wees gerust, alles gaat goed.â€De Zwarte-Kat stelde zich aan het hoofd van zijn troep en gaf het sein.Een ontzettend hoerah klonk door de lucht.Het was de oorlogskreet van den stam der Bisons-Apachen.De moedige Roodhuiden sleepten de beide blanken met zich voort, en stormden als razenden den heuvel op.Valentin en don Pablo wisten nauwelijks wat er met hen gebeurd was toen zij zich reeds bij hunne vrienden bevonden, terwijl de krijgslieden van den Zwarte-Kat, als een neertuimelenden sneeuwval, in alle richtingen den heuvel weder afrenden als waren zij door een panischen schrik getroffen.Intusschen was de strijd niet geëindigd.De Indianen van Stanapat stormden als brullende tijgers tegen de palissaden op en lieten zich dooden zonder een stap te wijken.De strijd, zoo hij lang aanhield, moest eindelijk noodlottig worden voor de partij der blanken, wier krachten reeds uitgeput raakten.Dit hadden zoowel Stanapat als de Roode-Ceder begrepen, en dus verdubbelden zij hunne pogingen om hunne vijanden te overstelpen.Maar op eens, toen de Apachen op nieuw tegen de stormpalen opklauterden om een laatsten aanval te beproeven, klonk achter hen de oorlogskreet der Coras, gepaard met een vreeselijke losbranding uit klein geweer. De Apachen, op hunne beurt overrompeld, aarzelden.De Roode-Ceder wierp een blik om zich heen en uitte eene verwensching. Want aan de andere zijde van het kamp klonk ook de oorlogskreet der Comanchen.»Voorwaarts! altoos voorwaarts!†brulde de Squatter, die gevolgd door zijne beide zoons en eenige vrijbuiters den heuvel besteeg.Maar het tooneel was als met een tooverslag omgekeerd.De Zwarte-Kat had de nieuwe hulp die voor zijne vrienden opdaagde nauwelijks gezien, of hij sloot zich dadelijk aan met den Eenhoorn. Aan het hoofd van hun vereenigden troep, vielen zij thans de Apachen in de flank, terwijl Mookapec en zijne tweehonderd uitgelezen krijgslieden hen in den rug aangrepen. Het vluchten begon; en veranderde weldra in volslagen verstrooiing.Alleen de Roode-Ceder en een kleine schaar vrijbuiters rondom hem hielden nog stand.De kring der vijanden die hem omringde werd echter met ieder oogenblik al nauwer en nauwer.De aanvallers waren nu aangevallenen geworden. Het zou spoedig beslist zijn; nog eenige sekonden en alles was gedaan en iedere kans op terugtocht hun afgesneden.»Hoerah!†brulde de Roode-Ceder terwijl hij zijn geweer bij de tromp nam en als eenknotsboven zijn hoofd deed zwaaien. »Neer met die honden! Nemen wij hun hoofdhaar!â€Â»Nemen wij hun hoofdhaar!†herhaalden zijne gezellen, terwijl zij zijn voorbeeld volgden en alles neerbeukten wat in den weg stond en hun den doortocht betwistte.Zoo slaagden zij om zich al strijdende een bloedigen uitweg te banen en vorderden zij langzamerhand naar de zijde van de rivier.Plotseling wierp zich een enkel man den Roode-Ceder in den weg.Die man was Mookapec.»Ik kom u mijn hoofdhaar brengen, hond van een bleekmuil,†schreeuwde de Indiaan met zijn strijdbijl op hem inhouwende.»Ik zeg u dank,†antwoordde de Squatter den dreigenden slag behendig afwerend. De Arendsveer sprong voorwaarts als een hyena en eer zijn vijand in staat was zich te dekken had hij hem met de machete een steek in de dij toegebracht.De Roode-Ceder gaf een schreeuw van spijt toen hij zich gewond gevoelde, hij trok met de eene hand zijn mes terwijl hij met de andere den Indiaan bij de keel greep.Laatstgenoemde zag zich verloren: het blauwe lemmer glinsterde boven zijn hoofd en drong het volgende oogenblik diep in zijne borst.»Ha ha!†grinnikte de Roode-Ceder terwijl hij zijn vijand losliet, die dadelijk van zijn paard stortte, »ik geloof dat wij nu onze rekening vereffend hebben.â€Â»Nog niet!†riep de Coras met een triomfanten lach; en met eenlaatsteheldhaftige poging schoot hij zijn geweer op den Squatter af.Deze liet de teugels glippen en tuimelde naast den Indiaan neder.»Ik sterf gewroken!†mompelde de Arendsveer die reeds met den dood worstelde.»O! ik ben nog niet dood!†antwoordde deRoode-Cederterwijl hij zich op de eene knie oprichtte en den Coras de hersens insloeg, »ik zal het ontkomen hoe dan ook.â€Behalve de wond in zijn dij had de kogel hem den schouder verbrijzeld. Evenwel, met medehulp zijner kameraden, die geen voet breed terugweken, gelukte het hem weder te paard te stijgen.Nathan en Sutter bonden hem op den zadel vast. »Aftrekken! aftrekken!†riep hij, »of wij zijn verloren. Bergt uw hals! ieder voor zich!â€De vrijbuiters gehoorzaamden oogenblikkelijk en namen in alle richtingen de vlucht, dicht nagezet door de Coras en de Comanchen.Intusschen gelukte het den meesten zich te redden: sommigen in het dichte bosch, waar zij spoedig verdwenen waren; anderen in de rivier, die zij overzwommen.De Roode-Ceder was onder de eerstgenoemden.Valentin en zijne vrienden hadden den goeden uitslag van het gevecht dank zij de tijdige hun verleende hulp nauwelijks gezien, of zij daalden met allen spoed den Bisonsheuvel af en reden de vlakte in om zich van den Roode-Ceder meester te maken.Ongelukkig kwamen zij te laat en zagen zij hem alleen in de verte verdwijnen.De gelukkige wending die het gevecht genomen had was hun van onberekenbaar nut, daar zij hen niet alleen redde uit de hachelijkestelling waar zij zich in bevonden, maar tevens het verbond der Indianen-stammen in duigen wierp, die door de groote verliezen bij den aanval geleden, afgeschrikt, zich hals over hoofd terugtrokken, en de blanken hunne onderlinge geschillen liefst zelven lieten beslechten zonder zich verder in hunne veete te mengen.Wat den Roode-Ceder betreft, zijne bende was geheel verslagen of althans ontbonden en verstrooid; terwijl hij zelf, geheel alleen gelaten, en daarbij zwaar gewond niet meer te vreezen was.Het opvangen van dezen man, die thans als een wild dier in de prairie moest rondzwerven, was slechts eene vraag van tijd.Ook Stanapat had met eenige zijner krijgslieden het hazenpad gekozen, zonder dat iemand wist waar hij gestoven of gevlogen was.De drie overwinnende legerscharen kampeerden samen op het slagveld.Volgens gewoonte hielden de Indianen zich terstond bezig met het scalpeeren hunner gesneuvelde vijanden.Zonderling genoeg hadden zij geen enkelen krijgsgevangene gemaakt; de strijd was met zooveel verbittering gevoerd, dat ieder slechts zijn man had zoeken te dooden zonder er aan te denken zich van zijn persoon meester te maken.Het lijk van Mookapec werd zorgvuldig opgenomen en met alle eerbewijs begraven op den Dolle-Bisonsheuvel naast den vermaarden Sachem die deze plaats het eerst tot zijn graf had gekozen.De zon was juist aan het ondergaan op het oogenblik toen men de laatste plichten en eerbewijzen aan de gesneuvelde Coras en Comanchen bewezen had.De kampvuren werden weldra ontstoken.Iedereen nam plaats, en nadat de vredescalumet was rond geweest stond Valentin op.»Sachems en opperhoofden,†begon hij, »mijne vrienden en ik, wij zeggen u dank voor de edelaardige pogingen, waarmede gij ons geholpen hebt om de prairiën van het Verre Westen te bevrijden van den bandiet, die haar zoo lang heeft geteisterd en ontvolkt; het is niet slechts eene ijdele wraak die ons drijft, maar een loffelijk en menschlievend werk; de man dien wij bedoelen schandvlekt den naam van mensch en het ras waartoe hij behoort. Thans zijn hem van de talrijke bende roovers die hij onder zijne bevelen had slechts weinigen overgebleven: de bende boosdoeners, die weleer de schrik was der prairiën, bestaat niet meer, en weldra, ik ben er zeker van, zal ook hun hoofd in onze handen vallen.»Houdt u steeds gereed om wanneer het wezen moet ons uwe hulp te bieden, gelijk gij dat heden gedaan hebt; keert tot zoolang naar uw dorpen terug; gelooft steeds dat wij hetzij afwezig of tegenwoordig de herinnering zullen bewaren der goede diensten die gij ons bewezen hebt, en dat gij, mocht het geval dit vereischen, altijd op ons kunt rekenen gelijk wij overal en altijd op u gerekend hebben.â€Na deze toespraak, die door de Indianen met luide toejuiching werd beantwoord, ging Valentin weder zitten.Er volgde eene lange poos stilte, gedurende welke de Indianen zorgvuldig hunne calumets bleven rooken.De Zwarte-Kat was de eerste die het woord weder opvatte:»Dat mijne broeders luisteren,†zeide hij; »de woorden die mijne borst uitblaast zijn mij door den Meester des levens ingegeven; de wolk die mijn geest benevelde is opgeklaard, sedert mijne broeders de Coras en Comanchen, deze dappere natiën, mij de plaats hebben teruggegeven die mij aan hun raadvuur toekwam; de Eenhoorn is een wijs opperhoofd, zijne vriendschap is mij dierbaar.»Ik hoop dat de Wacondah verhoeden zal dat tusschen den Eenhoorn en mij, en tusschen zijne jongelingen en de mijne, de minste onmin of tweespalt oprijze die de goede verstandhouding welke in de tegenwoordige oogenblikken tusschen ons bestaat zou kunnen verstoren, van nu aan tot over duizend en vijftig manen.â€De Eenhoorn nam de calumet uit zijn mond, boog voor den Zwarte-Kat met een vriendelijken lach, en antwoordde:»Mijn broeder de Zwarte-Kat heeft goed gesproken: mijn hart heeft van vreugde gegloeid toen ik hem hoorde. Waarom zouden wij geene vrienden zijn? Is de prairie voor ons niet groot of ruim genoeg? Zijn er de bisons niet in genoegzamen getale aanwezig? Dat mijne broeders hooren, ik zoek te vergeefs rondom mij naar de oorlogsbijl, zij is tusschen ons zoo diep begraven, dat de kinderen der kindskinderen onzer zonen haar nooit weder zullen kunnen terugvinden.â€Nog andere redevoeringen werden door de overige Sachems gehouden en de beste overeenstemming bleef tusschen de bondgenooten heerschen.Met het krieken van den dag werd de vergadering opgeheven en scheidde men op den meest vriendschappelijken voet. Ieder ging den weg naar zijn eigen dorp.Valentin, Curumilla, generaal Ibanez, don Pablo en don Miguel bleven alleen.De Witte-Gazelle zat eenige passen van hen af tegen een boomstam geleund, in diepe gedachten verzonken.
De beide mannen volgden haar.
Zij begonnen thans met hun drieën door het hooge gras te kruipen en daalden in stilte den heuvel af.
De moeielijke tocht ging natuurlijk zeer langzaam, wegens de talloozevoorzorgen die zij verplicht waren te nemen, ten einde niet door de vijandelijke voorposten ontdekt te worden; de Indianen toch hadden aan alle kanten schildwachts uitgezet om op de bewegingen der blanken te letten; zoo deze mochten willen beproeven de belegerden te hulp te komen, waardoor de belegeraars licht gevaar zouden loopen van tusschen twee vuren te geraken.
De Witte-Gazelle kroop langzaam maar zeker voor de beide jagers uit, gedurig naar alle zijden uitkijkende en telkens stil houdende, om met gespitste ooren te luisteren naar het minste verdacht gerucht in de struiken of kreupelboschjes; en wanneer het dan bleek dat hare vrees ongegrond was geweest, hervatte zij haar tocht met een aanmoedigenden lach tegen degenen die zij geleidde en die haar op korten afstand volgden.
»Beetgenomen!†riep Valentin op eens, terwijl hij met een satirieken lach zijn geweer op den grond zette; »wel, wel! de kleine is waarachtig slimmer dan ik gedacht had.â€
Plotseling zagen de beide mannen zich door een talrijken troep Apache-Indianen omringd.
Don Pablo sprak geen woord; hij keek de Gazelle aan; zij glimlachte nog altijd.
»Bah!†bromde de Franschman koel in zich zelven, »ik neem er althans zeven of acht voor mijne rekening, en dan zullen wij verder zien.â€
Door deze troostrijke aanmerking volkomen gerustgesteld, herkreeg de jager zijne vorige kalmte en keek hij nieuwsgierig in ’t rond.
De twee blanken waren nu midden in het detachement van den Zwarte-Kat.
Het oude opperhoofd naderde den jager.
»Ik heet mijn broeder welkom onder zijne vrienden de Bisons-Apachen,†zeide hij op zekeren toon van edelheid.
»Waarom schertst gij, hoofdman?†antwoordde Valentin. »Ik ben uw gevangene, doe met mij wat u goeddunkt.â€
»De Zwarte-Kat schertst niet; de groote bleeke jager is zijn gevangene niet, maar zijn vriend; hij gebiede slechts, en de Zwarte-Kat zal zijne bevelen volbrengen.â€
»Wat beteekenen deze woorden?†zei de Franschman ten hoogste verwonderd. »Zijt gij dan, even als de overige leden van uw stam, niet hier om u van mij en mijne vrienden meester te maken?â€
»Dat was inderdaad mijn voornemen toen ik, eenige dagen geleden, mijn dorp verliet; maar mijn hart is veranderd sedert mijn broeder mij het leven redde; hij moet het reeds hebben kunnen opmerken; dat ik herwaarts kom, is niet om hem te bevechten, maar om hem en al de zijnen te redden. Mijn broeder stelle dus vertrouwen in mijne woorden; mijn stam zal hem gehoorzamen zoo goed als mij zelven.â€
Valentin bedacht zich een oogenblik en nam toen het woord op, terwijl hij den Indiaan scherp aankeek.
»En wat eischt de Zwarte-Kat tot loon voor de hulp die hij mij wil verleenen?â€
»Niets. De bleeke jager is mijn broeder; als onze toeleg gelukt, doe hij wat hij goedvindt.â€
»Zoo! dat verandert alles ten beste,†riep de Franschman en zich nu tot de Gazelle wendende, vervolgde hij: »Ik heb mij deerlijk vergist,señorita; en ik vraag u wel zeer om verschooning.â€
De Witte-Gazelle bloosde van genoegen bij deze edelmoedige bekentenis.
»En dus, hoofdman,†hervatte Valentin tegen den Indiaan, »heb ik de vrije beschikking over uwe krijgslieden?â€
»Ten volle.â€
»Zullen zij mij getrouw zijn?â€
»Ik heb het u reeds gezegd, zoo goed als aan mij zelven.â€
»Goed!†riep de jager, wiens gelaat merkelijk ophelderde. »Hoeveel krijgslieden hebt gij bij u?â€
De Indiaan stak tienmaal de vingers van zijne twee open handen op.
»Honderd?†vroeg Valentin.
»Ja,†antwoordde het opperhoofd, »en nog acht meer.â€
»Maar de andere stammen zijn veel talrijkerdande uwe.â€
»Zij maken een troep krijgslieden uit, tweemaal twintig en zevenmaal sterker dan de mijne.â€
»Hum! dat is veel; en dan de bandieten nog.â€
»Ooah! er zijn driemaal zooveel Langmessen uit het Oosten als ik vingers heb aan mijn twee handen,†zei de Zwarte-Kat.
»Ik vrees,†merkte don Pablo aan, »dat wij ten slotte tegen zoovele vijanden niet zullen bestand zijn.â€
»Misschien!†antwoordde Valentin nadenkend. »Waar is de Roode-Ceder?â€
»De Roode-Ceder is bij zijne broeders van gemengd ras in de prairie. Zij hebben zich bij den troep van Stanapat aangesloten.â€
Op dit oogenblik weergalmde de oorlogskreet der Apachen met kracht over de vlakte.
Eene sterke losbranding deed zich aan alle kanten hooren en de Dolle-Bisonsheuvel scheen als omgeven door een gordel van rookwolken en bliksemvlammen.
De strijd was begonnen.
De Indianen gingen dapper aan ’t bestormen en trokken onversaagd den berg op, onder het gestadig lossen hunner geweren en het afschieten van pijlen op den nog onzichtbaren vijand.
Aan de zijde waar de heuvelreeks de Rio Gila raakte, zag men gedurig nieuwe benden Apachen opdagen.
Zij reden in galop bij troepjes van drie tot twintig man te gelijk. Hunne paarden waren met schuim en stof overdekt, waaruit bleek dat zij een langen marsch hadden gemaakt.
De Apachen waren in groot kostuum, beladen met allerlei soortvan sieraden, talismans en wapenen, de boog en pijlbus op den rug, het geweer in de hand en het hoofd met golvende pluimen gekroond, waaronder sommige witte en zwarte arendsveeren van zeldzame schoonheid, die in een grooten bos afhingen.
Gezeten op prachtige paarden met schabrakken van pantervel met rood laken gevoerd, hadden zij de overige ledematen geheel naakt, behalve een lange bandelier van wolfsvel die over hunne schouders was geslagen. Hunne schilden waren met vederen en strooken laken van verschillende kleuren versierd.
Op deze wijze uitgedost hadden deze mannen iets grootsch en majestueus in hun voorkomen, dat de verbeelding trof en onwillekeurig ontzag inboezemde.
Verscheidenen hunner reden onmiddellijk de hoogten over, de vermoeide paarden met zweepslagen aanzettende om in tijds op het slagveld te komen, onder luid gezang of liever onder het uitbrullen van hun bekenden oorlogskreet.
In den omtrek der palissaden was de strijd het hevigst.
De twee Mexicanen en Curumilla, die achter hunne verschansing gedekt stonden, beantwoordden met moorddadig geweervuur den aanval der Apachen en moedigden elkander aan om als dapperen met de wapens in de vuist te sneven.
Reeds lagen er een aantal gesneuvelde Indianen hier en daar op de vlakte; paarden zonder ruiter galoppeerden in alle richtingen en het gekerm der gewonden vermengde zich met het uitdagend geschreeuw der aanvallers.
Wat wij hierboven in zoovele woorden omschreven hebben, hadden Valentin en don Pablo in weinige sekonden gezien met den onfeilbaren oogopslag van lieden die aan dergelijke tooneelen sinds lang gewoon waren.
»Gij ziet het, hoofdman,†zei Valentin tegen den Zwarte-Kat, »wij moeten ons bij onze vrienden gaan voegen; help ons, anders zijn zij verloren.â€
»Goed!†antwoordde de Zwarte-Kat, »de bleeke jager plaatse zich met zijn vriend midden in ons detachement en binnen weinige minuten zijn wij op den heuvel. Maar eens vooral moeten de bleeke opperhoofden mij laten begaan.â€
»Ga uw gang, hoofdman, ik laat dit geheel aan u over!â€
De Zwarte-Kat sprak eenige woorden zacht tegen de krijgslieden die hij bij zich had.
Dezen groepeerden zich onmiddellijk rondom de beide jagers, die dus in hun midden geheel onzichtbaar werden.
»O, wee!†riep don Pablo alles behalve gerust, »ziet gij dat, vriend?â€
Valentin glimlachte en nam hem bij den arm.
»Ik heb het plan van den Sachem begrepen; hij neemt het eenigst middel te baat dat mogelijk is. Wees gerust, alles gaat goed.â€
De Zwarte-Kat stelde zich aan het hoofd van zijn troep en gaf het sein.
Een ontzettend hoerah klonk door de lucht.
Het was de oorlogskreet van den stam der Bisons-Apachen.
De moedige Roodhuiden sleepten de beide blanken met zich voort, en stormden als razenden den heuvel op.
Valentin en don Pablo wisten nauwelijks wat er met hen gebeurd was toen zij zich reeds bij hunne vrienden bevonden, terwijl de krijgslieden van den Zwarte-Kat, als een neertuimelenden sneeuwval, in alle richtingen den heuvel weder afrenden als waren zij door een panischen schrik getroffen.
Intusschen was de strijd niet geëindigd.
De Indianen van Stanapat stormden als brullende tijgers tegen de palissaden op en lieten zich dooden zonder een stap te wijken.
De strijd, zoo hij lang aanhield, moest eindelijk noodlottig worden voor de partij der blanken, wier krachten reeds uitgeput raakten.
Dit hadden zoowel Stanapat als de Roode-Ceder begrepen, en dus verdubbelden zij hunne pogingen om hunne vijanden te overstelpen.
Maar op eens, toen de Apachen op nieuw tegen de stormpalen opklauterden om een laatsten aanval te beproeven, klonk achter hen de oorlogskreet der Coras, gepaard met een vreeselijke losbranding uit klein geweer. De Apachen, op hunne beurt overrompeld, aarzelden.
De Roode-Ceder wierp een blik om zich heen en uitte eene verwensching. Want aan de andere zijde van het kamp klonk ook de oorlogskreet der Comanchen.
»Voorwaarts! altoos voorwaarts!†brulde de Squatter, die gevolgd door zijne beide zoons en eenige vrijbuiters den heuvel besteeg.
Maar het tooneel was als met een tooverslag omgekeerd.
De Zwarte-Kat had de nieuwe hulp die voor zijne vrienden opdaagde nauwelijks gezien, of hij sloot zich dadelijk aan met den Eenhoorn. Aan het hoofd van hun vereenigden troep, vielen zij thans de Apachen in de flank, terwijl Mookapec en zijne tweehonderd uitgelezen krijgslieden hen in den rug aangrepen. Het vluchten begon; en veranderde weldra in volslagen verstrooiing.
Alleen de Roode-Ceder en een kleine schaar vrijbuiters rondom hem hielden nog stand.
De kring der vijanden die hem omringde werd echter met ieder oogenblik al nauwer en nauwer.
De aanvallers waren nu aangevallenen geworden. Het zou spoedig beslist zijn; nog eenige sekonden en alles was gedaan en iedere kans op terugtocht hun afgesneden.
»Hoerah!†brulde de Roode-Ceder terwijl hij zijn geweer bij de tromp nam en als eenknotsboven zijn hoofd deed zwaaien. »Neer met die honden! Nemen wij hun hoofdhaar!â€
»Nemen wij hun hoofdhaar!†herhaalden zijne gezellen, terwijl zij zijn voorbeeld volgden en alles neerbeukten wat in den weg stond en hun den doortocht betwistte.
Zoo slaagden zij om zich al strijdende een bloedigen uitweg te banen en vorderden zij langzamerhand naar de zijde van de rivier.
Plotseling wierp zich een enkel man den Roode-Ceder in den weg.
Die man was Mookapec.
»Ik kom u mijn hoofdhaar brengen, hond van een bleekmuil,†schreeuwde de Indiaan met zijn strijdbijl op hem inhouwende.
»Ik zeg u dank,†antwoordde de Squatter den dreigenden slag behendig afwerend. De Arendsveer sprong voorwaarts als een hyena en eer zijn vijand in staat was zich te dekken had hij hem met de machete een steek in de dij toegebracht.
De Roode-Ceder gaf een schreeuw van spijt toen hij zich gewond gevoelde, hij trok met de eene hand zijn mes terwijl hij met de andere den Indiaan bij de keel greep.
Laatstgenoemde zag zich verloren: het blauwe lemmer glinsterde boven zijn hoofd en drong het volgende oogenblik diep in zijne borst.
»Ha ha!†grinnikte de Roode-Ceder terwijl hij zijn vijand losliet, die dadelijk van zijn paard stortte, »ik geloof dat wij nu onze rekening vereffend hebben.â€
»Nog niet!†riep de Coras met een triomfanten lach; en met eenlaatsteheldhaftige poging schoot hij zijn geweer op den Squatter af.
Deze liet de teugels glippen en tuimelde naast den Indiaan neder.
»Ik sterf gewroken!†mompelde de Arendsveer die reeds met den dood worstelde.
»O! ik ben nog niet dood!†antwoordde deRoode-Cederterwijl hij zich op de eene knie oprichtte en den Coras de hersens insloeg, »ik zal het ontkomen hoe dan ook.â€
Behalve de wond in zijn dij had de kogel hem den schouder verbrijzeld. Evenwel, met medehulp zijner kameraden, die geen voet breed terugweken, gelukte het hem weder te paard te stijgen.
Nathan en Sutter bonden hem op den zadel vast. »Aftrekken! aftrekken!†riep hij, »of wij zijn verloren. Bergt uw hals! ieder voor zich!â€
De vrijbuiters gehoorzaamden oogenblikkelijk en namen in alle richtingen de vlucht, dicht nagezet door de Coras en de Comanchen.
Intusschen gelukte het den meesten zich te redden: sommigen in het dichte bosch, waar zij spoedig verdwenen waren; anderen in de rivier, die zij overzwommen.
De Roode-Ceder was onder de eerstgenoemden.
Valentin en zijne vrienden hadden den goeden uitslag van het gevecht dank zij de tijdige hun verleende hulp nauwelijks gezien, of zij daalden met allen spoed den Bisonsheuvel af en reden de vlakte in om zich van den Roode-Ceder meester te maken.
Ongelukkig kwamen zij te laat en zagen zij hem alleen in de verte verdwijnen.
De gelukkige wending die het gevecht genomen had was hun van onberekenbaar nut, daar zij hen niet alleen redde uit de hachelijkestelling waar zij zich in bevonden, maar tevens het verbond der Indianen-stammen in duigen wierp, die door de groote verliezen bij den aanval geleden, afgeschrikt, zich hals over hoofd terugtrokken, en de blanken hunne onderlinge geschillen liefst zelven lieten beslechten zonder zich verder in hunne veete te mengen.
Wat den Roode-Ceder betreft, zijne bende was geheel verslagen of althans ontbonden en verstrooid; terwijl hij zelf, geheel alleen gelaten, en daarbij zwaar gewond niet meer te vreezen was.
Het opvangen van dezen man, die thans als een wild dier in de prairie moest rondzwerven, was slechts eene vraag van tijd.
Ook Stanapat had met eenige zijner krijgslieden het hazenpad gekozen, zonder dat iemand wist waar hij gestoven of gevlogen was.
De drie overwinnende legerscharen kampeerden samen op het slagveld.
Volgens gewoonte hielden de Indianen zich terstond bezig met het scalpeeren hunner gesneuvelde vijanden.
Zonderling genoeg hadden zij geen enkelen krijgsgevangene gemaakt; de strijd was met zooveel verbittering gevoerd, dat ieder slechts zijn man had zoeken te dooden zonder er aan te denken zich van zijn persoon meester te maken.
Het lijk van Mookapec werd zorgvuldig opgenomen en met alle eerbewijs begraven op den Dolle-Bisonsheuvel naast den vermaarden Sachem die deze plaats het eerst tot zijn graf had gekozen.
De zon was juist aan het ondergaan op het oogenblik toen men de laatste plichten en eerbewijzen aan de gesneuvelde Coras en Comanchen bewezen had.
De kampvuren werden weldra ontstoken.
Iedereen nam plaats, en nadat de vredescalumet was rond geweest stond Valentin op.
»Sachems en opperhoofden,†begon hij, »mijne vrienden en ik, wij zeggen u dank voor de edelaardige pogingen, waarmede gij ons geholpen hebt om de prairiën van het Verre Westen te bevrijden van den bandiet, die haar zoo lang heeft geteisterd en ontvolkt; het is niet slechts eene ijdele wraak die ons drijft, maar een loffelijk en menschlievend werk; de man dien wij bedoelen schandvlekt den naam van mensch en het ras waartoe hij behoort. Thans zijn hem van de talrijke bende roovers die hij onder zijne bevelen had slechts weinigen overgebleven: de bende boosdoeners, die weleer de schrik was der prairiën, bestaat niet meer, en weldra, ik ben er zeker van, zal ook hun hoofd in onze handen vallen.
»Houdt u steeds gereed om wanneer het wezen moet ons uwe hulp te bieden, gelijk gij dat heden gedaan hebt; keert tot zoolang naar uw dorpen terug; gelooft steeds dat wij hetzij afwezig of tegenwoordig de herinnering zullen bewaren der goede diensten die gij ons bewezen hebt, en dat gij, mocht het geval dit vereischen, altijd op ons kunt rekenen gelijk wij overal en altijd op u gerekend hebben.â€
Na deze toespraak, die door de Indianen met luide toejuiching werd beantwoord, ging Valentin weder zitten.
Er volgde eene lange poos stilte, gedurende welke de Indianen zorgvuldig hunne calumets bleven rooken.
De Zwarte-Kat was de eerste die het woord weder opvatte:
»Dat mijne broeders luisteren,†zeide hij; »de woorden die mijne borst uitblaast zijn mij door den Meester des levens ingegeven; de wolk die mijn geest benevelde is opgeklaard, sedert mijne broeders de Coras en Comanchen, deze dappere natiën, mij de plaats hebben teruggegeven die mij aan hun raadvuur toekwam; de Eenhoorn is een wijs opperhoofd, zijne vriendschap is mij dierbaar.
»Ik hoop dat de Wacondah verhoeden zal dat tusschen den Eenhoorn en mij, en tusschen zijne jongelingen en de mijne, de minste onmin of tweespalt oprijze die de goede verstandhouding welke in de tegenwoordige oogenblikken tusschen ons bestaat zou kunnen verstoren, van nu aan tot over duizend en vijftig manen.â€
De Eenhoorn nam de calumet uit zijn mond, boog voor den Zwarte-Kat met een vriendelijken lach, en antwoordde:
»Mijn broeder de Zwarte-Kat heeft goed gesproken: mijn hart heeft van vreugde gegloeid toen ik hem hoorde. Waarom zouden wij geene vrienden zijn? Is de prairie voor ons niet groot of ruim genoeg? Zijn er de bisons niet in genoegzamen getale aanwezig? Dat mijne broeders hooren, ik zoek te vergeefs rondom mij naar de oorlogsbijl, zij is tusschen ons zoo diep begraven, dat de kinderen der kindskinderen onzer zonen haar nooit weder zullen kunnen terugvinden.â€
Nog andere redevoeringen werden door de overige Sachems gehouden en de beste overeenstemming bleef tusschen de bondgenooten heerschen.
Met het krieken van den dag werd de vergadering opgeheven en scheidde men op den meest vriendschappelijken voet. Ieder ging den weg naar zijn eigen dorp.
Valentin, Curumilla, generaal Ibanez, don Pablo en don Miguel bleven alleen.
De Witte-Gazelle zat eenige passen van hen af tegen een boomstam geleund, in diepe gedachten verzonken.