XI.

XI.IN EEN HOEK VAN HET BOSCH.Voort holde de Squatter zonder om te zien of te weten waarheen, ver van het slagveld gevoerd door den woedenden galop van zijn paard, dat hij de kracht niet meer had om te besturen of te beteugelen.Deze man, altoos zoo onversaagd, zoo vast van wil en zoo onverzettelijk van aard, was omgekeerd als een blad van een boom en veranderd als met een tooverslag. Zijne gedachten waren beneveld, zwaar bloedverlies en het aanhoudend schokken van zijn galoppeerend paard hadden hem tot volslagen machteloosheid gebracht. Ware hij niet zoo stevig aan zijn paard gebonden geweest, dan zou hij zeker reeds twintigmaal uit den zadel zijn gestort.Met afhangende armen, met het lijf diep op den hals van zijn paard gebogen en de oogen half gesloten holde hij voort, zonder besef van hetgeen er met hem gebeurde en zonder zelfs eene poging te doen om het te weten.Hotsend en zwaaiend en beurtelings links en rechts geslingerd, bij iederen schok van zijn voorthollend paard, zag hij zonder duidelijk bewustzijn de boomen en struiken en rotsen aan weerszijden voorbij vliegen: hij dacht niet meer, hij leefde niet meer, dan in een schrikkelijken droom, ten prooi aan de zonderlingste en buitensporigste schrikgestalten.De nacht volgde op den dag.Het paard vervolgde zijn loop; als een verschrikte jaguar sprong het heen over iedere hindernis die het op zijn weg ontmoette, achtervolgd door een troep huilende coyotes, terwijl het vruchteloos poogde den levenloozen last af te schudden die zijn afgematte lendenen bezwaarde.Eindelijk struikelde het uitgeputte dier in de duisternis over een boomwortel en stortte met zijn vracht ter aarde, onder het uiten van een klagend gebriesch.De Roode-Ceder had tot dusver, wij zullen niet zeggen, van zijn toestand eenige heldere kennis gedragen, maar ten minste zeker bewustzijn bewaard dat hij nog leefde.Toen het paard uitgeput neerzeeg voelde de bandiet een hevige pijn aan het hoofd, dit was het eenige; hij viel bewusteloos op den grond met een half gesmoorden vloek, het laatste verzet van den weerbarstigen ellendeling die tot zijn uiterst oogenblik de macht trotseerde, onder wier straffende hand hij bukken moest.Hoe lang hij in dien toestand bleef zou hij niet hebben kunnen zeggen.Toen hij eindelijk onder den indruk eener heilzame verademing de oogen weder opsloeg, schitterden de zonnestralen door het dicht belommerde woud, en kweelden de vogels onder het frischgroene gebladerte verscholen op lustige wijs hun veelstemmig morgenlied.De Squatter slaakte een zucht van ontspanning en sloeg een half geloken blik in het rond. Op eenige passen van hem af lag zijn paard dood uitgestrekt.Hij zelf zat met den rug tegen een boomstam.Naast hem, op het gras geknield, lag Ellen die met teedere bezorgdheid zijn terugkeer tot het leven bespiedde.»O! o!” prevelde de Squatter met eene heesche stem, »leef ik dan nog.”»Ja Goddank! ja, vader,” antwoordde Ellen zachtzinnig.De bandiet keek haar aan.»God!” mompelde hij half in zichzelven, en er speelde een spottende lach op zijne lippen.»Hij alleen heeft u gered, vader,” riep het meisje.»Kind!” mompelde de Squatter terwijl hij zich met de hand over het voorhoofd streek, »God is niets meer dan een woord. Spreek mij daar niet van.”Ellen liet het hoofd hangen en zweeg.Intusschen was met het levensgevoel ook dat der lichaamssmart bij den Squatter teruggekeerd.»O! wat heb ik een pijn,” riep hij.»Gij zijt gevaarlijk gewond, vader,” zei Ellen; »helaas! ik heb gedaan wat ik kon om u te helpen, maar ik ben een dom kind en weet zoo weinig van deze dingen; misschien is al de zorg die ik aan u besteed heb juist niet wat uw toestand vereischt.”De Roode-Ceder, die er doodsbleek en machteloos uitzag, keek op en in zijne flauwe oogen blonk een gevoel van teederheid.»Gij houdt dus nog van mij?” zeide hij.»Dat behoort immers zoo, vader, ben ik het niet verplicht?”De bandiet antwoordde niet, en de hem eigen welbekende glimlach plooide zich om zijne blauwe lippen.»Helaas! wat heb ik lang naar uw gezocht, vader,” vervolgde Ellen; »eerst dezen nacht, toen ik uw arme paard hoorde heb ik u bij toeval teruggevonden.”»Ja, gij zijt een goed meisje, Ellen. Ik heb thans niemand meer dan u: waar mijne zoons gebleven zijn weet ik niet. O!” riep hij in een opwelling van toorn, »die snoode Ambrosio is van alles de schuld; zonder hem zou ik nog in Paso del Norte zijn, in de bosschen die ik als mijn eigendom beschouwde.”»Denk daar niet meer aan, vader; in uw toestand hebt gij rust noodig, zie dat gij eenige uren slaapt, de slaap zal u goeddoen.”»Slapen!” zei de bandiet, »moet ik slapen? O neen,” vervolgde hij met weerzin, »neen, waken moet ik; als ik mijne oogen sluit zie ik allerlei .… O! neen, neen, niet slapen!..”Hij sprak niet verder.Ellen beschouwde hem met een mengeling van schrik en medelijden.Door bloedverlies verzwakt en door hevige wondkoorts geteisterd, begon er bij den Squatter een gevoel te ontwaken dat hij tot dusver nooit gekend had, hij werd bang.Misschien was het gewetenswroeging die de herinnering zijner gepleegde misdaden bij hem te voorschijn riep.Er volgde een lange poos stilte.Ellen bespiedde met zorgvolle oplettendheid iedere beweging van den bandiet, wien de koorts in een soort van sluimering dompelde,waaruit hij nu en dan opschrikte, woorden zonder samenhang prevelde en de blikken verstrooid rondsloeg.Tegen den avond werd hij rustiger, hij opende de oogen weder; zijne blikken stonden minder wild en zijn spraak was niet zoo afgebroken.»Ik dank u, kind,” zeide hij, »gij zijt een goed schaap; waar zijn wij hier?”»Ik weet het niet, vader, dit bosch is zoo groot. Ik herhaal u, God alleen heeft mij tot u geleid.”»Neen, Ellen, dat hebt gij mis,” antwoordde hij met zijn sarcastischen glimlach; »God heeft het niet gedaan, maar de duivel, die zeker bang was dat hij in mij zulk een goed vriend zou verliezen.”»O, spreek toch niet zoo dwaas, vader,” riep het meisje droevig; »de nacht daalt snel, het zal weldra geheel donker zijn; laat ik eens voor u bidden, opdat God de gevaren van ons afwende die ons gedurende de duisternis kunnen bedreigen.”»Kind!” riep hij, »vindt gij den nacht in het bosch dan zoo verschrikkelijk, daar wij toch ons gansche leven in de woestijn hebben doorgebracht? Stook liever een vuur van droge takken, om de wilde dieren af te schrikken, en leg mijne pistolen bij mij, ik verzeker u dat zal beter zijn dan uwe nuttelooze gebeden.”»Laster God toch niet, vader,” antwoordde Ellen met drift; »gij zijt zwaar gewond en bijna stervend, het scheelt weinig of gij waart dood, ik ben zwak en buiten staat u naar wensch te ondersteunen; ons leven is in de hand van Hem wiens macht gij vruchteloos poogt te ontkennen; Hij alleen, zoo hij wil, kan ons redden.”De bandiet barstte los in een stuipachtigen lach.»Laat Hij het dan doen, voor den duivel!” riep hij, »dan zal ik aan Hem gelooven.”»Vader, in ’s hemels naam! spreek toch niet langer zoo,” mompelde het meisje geërgerd.»Doe wat ik u zeg, dwaas kind,” viel de Squatter haar bits in de rede, »en laat mij met rust.”Ellen moest zich omkeeren om de tranen af te wisschen die haar uit de oogen sprongen. Zij stond treurig op om haar vader te gehoorzamen.Deze volgde haar met de oogen.»Arm, onnoozel schaap,” meesmuilde hij, »troost u maar, ik heb het met u zoo kwaad niet gemeend.”Ellen sprokkelde al de droge takken bijeen die zij vinden kon, maakte er een hoop van en stak er den brand in. Weldra vatte het hout vuur en kronkelde er eene heldere vlammenzuil omhoog.Zij liep naar het doode paard om de pistolen uit de holsters te halen en legde die onder het bereik van den Squatter; daarop kwam zij weder naast hem zitten.De Roode-Ceder glimlachte vergenoegd.»Ziedaar,” zeide hij, »nu hebben wij immers niets meer te duchten; laten de wilde dieren nu maar komen, wij zullen ze wel verjagen. Nu zullen wij den nacht rustig doorbrengen. Wat morgen betreft, meisje, dat zullen wij nader zien.”Zonder te antwoorden wikkelde Ellen hem zoo veel zij kon in de dekens of dierenvellen, die zij van het paard had genomen om den gewonde tegen de nachtkoude te beschermen.Al deze zorg en zelfverloochening troffen den bandiet.»En wat gij nu, Ellen,” zeide hij, »houdt gij van die dierenvellen niets voor u zelve?”»Waartoe zou ik dat, vader? het vuur zal voor mij voldoende zijn,” zeide zij zacht.»Maar eet dan ten minste iets, gij zult wel honger hebben; want, als ik mij niet bedrieg, hebt gij den ganschen dag nog niets gebruikt.”»Dat is waar, vader, maar ik heb geen eetlust.”»Dat doet er niet toe,” hernam hij haar dringende, »een al te lang vasten zou u kunnen schaden, ik verlang dat gij iets eet.”»Het is onnoodig, vader,” antwoordde zij aarzelend.»Eet, ik wil het zoo,” riep hij; »is het niet om u zelve, doe het dan om mij; eet, al was het ook nog zoo weinig, om te versterken; wij weten niet wat ons binnen weinige uren wacht.”»Helaas! ik zou u gaarne gehoorzamen, vader,” zeide zij, de oogen neêrslaande, »maar het is mij onmogelijk.”»En waarom toch? ik zeg u immers dat ik het zoo verlang.”»Omdat ik niets te eten heb.”Deze verzekering trof den bandiet als een mokerslag.»O dat is verschrikkelijk!” prevelde hij,»arm kind; ik ben een ellendeling, Ellen, die uwe liefde niet verdien.”»Blijf bedaard, vader, als ik u bidden mag; ik heb geen honger zeg ik nog eens; het is slechts om een enkelen nacht te doen en morgen, dan hebt gij immers zelf gezegd, zullen wij nader zien, maar tot zoolang ben ik vast overtuigd dat God ons wel helpen zal.”»God?” riep de Squatter tandknarsend, »alweder dat woord!”»Ja! God alleen, vader,” antwoordde het meisje in vervoering met fonkelend oog en bevende lippen, »en God zeker, want al zijn wij zijne gunst onwaardig, Hij is goed, Hij zal ons toch niet verlaten.”»Reken gij dan op Hem, onnoozel kind, en gij zult zien dat gij over twee dagen dood zijt.”»Neen!” gilde het meisje bijna van vreugd, »want Hij heeft mij verhoord, Hij zendt ons reeds hulp.”De Squatter keek op en zonk onmiddellijk weder op den grond terug, terwijl hij de oogen sloot en in zich zelven de vraag mompelde, die hem sinds eenigen tijd uit het hart op de lippen was gekomen en hem tegen wil en dank overmeesterde:»Zou God dan inderdaad bestaan?”Ontzettende vraag, die zich telkens meer aan hem opdrong en waarop zijn folterend geweten dreigde de waarheid te zullen zeggen naarmate zijn granietharde ziel begon weg te brokkelen voor de herhaalde slagen der wroeging.Maar Ellen lette niet meer op de verslagenheid van den Roode-Ceder; zij was reeds opgestaan en weggeijld met uitgestrekte armen en schreeuwende uit al hare macht:»Help! help!”Zij had sedert eenige oogenblikken stellig gemeend zeker gedruisch in het bosch te hooren.Dit gedruisch, in ’t eerst zwak en bijna onmerkbaar, was genaderd; weldra had zij lichten tusschen het geboomte zien schitteren en hoorde zij duidelijk den galop van een talrijken troep ruiters.Werkelijk had zij geen vijftig passen gedaan in die richting, of zij zag zich omringd door een tiental Indianen te paard, die met fakkels in de hand twee personen eskorteerden in lange mantels gewikkeld.»Help! help!” herhaalde Ellen zich op de knieën werpende met de armen voor zich uitgestrekt.De ruiters bleven staan.Een van hen steeg af, nam haar bij de hand en noopte haar om op te staan.»Wie moeten wij helpen, arm kind,” zeide hij met eene zachte stem.De minzame wijs waarop de onbekende haar toesprak deed de hoop in haar hart herleven.»O!” mompelde zij verheugd, »mijn vader is gered!”»Ons leven is in Gods hand;” antwoordde de onbekende op ernstigen toon; »maar breng mij bij uw vader en al wat menschen doen kunnen om hem te helpen zal gedaan worden.”»Het is God die u zendt! wees gezegend, goede vader,” zei Ellen, hem de hand kussende.Door de beweging die hij maken moest om haar op te heffen was de mantel van den vreemdeling open gegaan en had zij een geestelijke herkend.»Wijs mij den weg,” zeide hij.»Kom!”Ellen ijlde vroolijk vooruit, de kleine karavaan volgde haar.»Vader! vader!” riep zij, toen zij bij den gewonde kwam, »ik wist wel dat God ons niet verlaten zou; ik breng u hulp.”Op dit oogenblik trokken de vreemdelingen het kleine boschkamp binnen waar de Roode-Ceder lag.De Indianen en de andere persoon met den mantel bleven een weinig achteraf. Wat den priester betreft, deze liep vol ijver naar den bandiet en bukte bij hem neder.Op het geroep van zijne dochter had de Squatter de oogen geopend, en wendde hij met drift het hoofd naar dien kant van waar de hulp opdaagde.Op eens werd zijn reeds zoo bleek gelaat lijkkleurig, zijne oogen staarden wijd open en woest, een stuipachtige rilling deed zijne leden beven, hij viel achterover als een blok en mompelde met schrik:»O!.… pater Seraphin!”Werkelijk was het de missionaris.1Zonder zoo ’t scheen op de ontsteltenis van den Squatter te letten, greep hij zijn arm om hem den pols te voelen.De Roode-Ceder lag in zwijm. Ellen had echter den uitroep van haren vader gehoord en zonder er den zin van te vatten, begreep zij terstond dat er onder deze woorden een of ander vreeselijk geheim verborgen lag.»O, vader! vader!” jammerde zij, den priester te voet vallende, »eerwaarde vader, heb medelijden met hem, verlaat hem toch niet!”De zendeling keek haar aan met een glimlach van onbeschrijfelijke goedwilligheid.»Mijne dochter,” antwoordde hij zacht, »ik ben een dienaar Gods, het kleed dat ik draag beveelt mij beleedigingen te vergeten; de ware priester mag geene vijanden hebben, alle menschen zijn zijne broeders; stel u derhalve gerust, uw vader heeft niet alleen een lichaam te verliezen maar ook eene ziel. Beiden zal ik zien te redden en God, die gehengde dat ik hem op mijne reis ontmoette, zal mij de noodige kracht verleenen om te slagen.”»O! ik dank u, vader!” antwoordde Ellen, de oogen vol tranen.»Gij hebt mij niets te danken, arm kind!” zeide hij, »zeg Gode dank, want Hij alleen heeft alles gedaan. Laat mij thans met den ongelukkige begaan die veel lijdt en wiens ellendige toestand al mijne zorg vereischt.”En terwijl hij Ellen zacht van zich aftroonde opende pater Seraphin de doos met geneesmiddelen, die hij steeds aan zijn zadelknop had hangen, en maakte de noodige aanstalten om den gewonde te verbinden.Inmiddels waren de Indianen van lieverlede naderbij gekomen.Zoodra zij gezien hadden wat er gaande was stegen zij af om het kampement op te slaan, want zij begrepen wel dat de toestand van den gewonde niet toeliet hem te vervoeren en de missionaris dus den nacht op deze plaats wel zou doorbrengen.Tot het oprichten van een nachtleger in de prairie behoeven de Indianen weinig tijd.De persoon die pater Seraphin bij zich had was eene vrouw, reeds zeer hoog bejaard, maar wier gelaatstrekken door ouderdom veredeld, blijk gaven van ongemeene goedheid en zielegrootheid.Nauwelijks bemerkte zij dat de zendeling zich gereed maakte om den gewonde te verbinden of zij trad nader en vroeg hem bedaard:»Kan ik u ook van eenige dienst zijn, vader, en u helpen in hetgoede werk dat gij onderneemt? Gij weet wel dat ik mij haasten moet als ik nog leeren wil een goede ziekenoppasster te worden.”Deze woorden sprak zij op een toon van onbeschrijfelijke goedwilligheid.De zendeling was blijkbaar verrukt over dezen trek van dienstvaardigheid, hij nam haar bij de hand en noopte haar om bij den gewonde neder te bukken, die nog altoos onbewegelijk lag.»Het is wel eene beschikking van Gods wijze voorzienigheid, mevrouw, wat hier op dit oogenblik gebeurt,” zeide hij; »nauwelijks zijt gij in dit land ontscheept en deze woestijn ingetreden om er uw zoon te zoeken, of de hemel draagt u eene taak op die uw hart moet verheugen, daar gij u geplaatst ziet tegenover dezen man.”»Wat wilt gij daarmede zeggen, vader?” vroeg zij verwonderd.»Moeder van Valentin Guillois,” hernam hij op een toon van welgeplaatste waardigheid, »beschouw dezen man eens goed opdat gij hem later moogt herkennen: het is de Roode-Ceder, de rampzalige daar ik u zoo vaak van gesproken heb, de onverbiddelijke vijand van uw zoon.”Bij deze ontzettende opheldering deinsde de arme vrouw met schrik terug; doch zij kwam met meer dan menschelijke inspanning haar gevoel van afschuw te boven en antwoordde met eene kalme stem:»Laat dit zoo zijn, vader, de rampzalige is lijdend, ik zal hem verplegen.”»Goed mevrouw!” hervatte de zendeling getroffen, »dit goede werk van christelijke zelfverloochening zal de Heer niet onbeloond laten.”1Ziede Roovers der Prairiën.↑

XI.IN EEN HOEK VAN HET BOSCH.Voort holde de Squatter zonder om te zien of te weten waarheen, ver van het slagveld gevoerd door den woedenden galop van zijn paard, dat hij de kracht niet meer had om te besturen of te beteugelen.Deze man, altoos zoo onversaagd, zoo vast van wil en zoo onverzettelijk van aard, was omgekeerd als een blad van een boom en veranderd als met een tooverslag. Zijne gedachten waren beneveld, zwaar bloedverlies en het aanhoudend schokken van zijn galoppeerend paard hadden hem tot volslagen machteloosheid gebracht. Ware hij niet zoo stevig aan zijn paard gebonden geweest, dan zou hij zeker reeds twintigmaal uit den zadel zijn gestort.Met afhangende armen, met het lijf diep op den hals van zijn paard gebogen en de oogen half gesloten holde hij voort, zonder besef van hetgeen er met hem gebeurde en zonder zelfs eene poging te doen om het te weten.Hotsend en zwaaiend en beurtelings links en rechts geslingerd, bij iederen schok van zijn voorthollend paard, zag hij zonder duidelijk bewustzijn de boomen en struiken en rotsen aan weerszijden voorbij vliegen: hij dacht niet meer, hij leefde niet meer, dan in een schrikkelijken droom, ten prooi aan de zonderlingste en buitensporigste schrikgestalten.De nacht volgde op den dag.Het paard vervolgde zijn loop; als een verschrikte jaguar sprong het heen over iedere hindernis die het op zijn weg ontmoette, achtervolgd door een troep huilende coyotes, terwijl het vruchteloos poogde den levenloozen last af te schudden die zijn afgematte lendenen bezwaarde.Eindelijk struikelde het uitgeputte dier in de duisternis over een boomwortel en stortte met zijn vracht ter aarde, onder het uiten van een klagend gebriesch.De Roode-Ceder had tot dusver, wij zullen niet zeggen, van zijn toestand eenige heldere kennis gedragen, maar ten minste zeker bewustzijn bewaard dat hij nog leefde.Toen het paard uitgeput neerzeeg voelde de bandiet een hevige pijn aan het hoofd, dit was het eenige; hij viel bewusteloos op den grond met een half gesmoorden vloek, het laatste verzet van den weerbarstigen ellendeling die tot zijn uiterst oogenblik de macht trotseerde, onder wier straffende hand hij bukken moest.Hoe lang hij in dien toestand bleef zou hij niet hebben kunnen zeggen.Toen hij eindelijk onder den indruk eener heilzame verademing de oogen weder opsloeg, schitterden de zonnestralen door het dicht belommerde woud, en kweelden de vogels onder het frischgroene gebladerte verscholen op lustige wijs hun veelstemmig morgenlied.De Squatter slaakte een zucht van ontspanning en sloeg een half geloken blik in het rond. Op eenige passen van hem af lag zijn paard dood uitgestrekt.Hij zelf zat met den rug tegen een boomstam.Naast hem, op het gras geknield, lag Ellen die met teedere bezorgdheid zijn terugkeer tot het leven bespiedde.»O! o!” prevelde de Squatter met eene heesche stem, »leef ik dan nog.”»Ja Goddank! ja, vader,” antwoordde Ellen zachtzinnig.De bandiet keek haar aan.»God!” mompelde hij half in zichzelven, en er speelde een spottende lach op zijne lippen.»Hij alleen heeft u gered, vader,” riep het meisje.»Kind!” mompelde de Squatter terwijl hij zich met de hand over het voorhoofd streek, »God is niets meer dan een woord. Spreek mij daar niet van.”Ellen liet het hoofd hangen en zweeg.Intusschen was met het levensgevoel ook dat der lichaamssmart bij den Squatter teruggekeerd.»O! wat heb ik een pijn,” riep hij.»Gij zijt gevaarlijk gewond, vader,” zei Ellen; »helaas! ik heb gedaan wat ik kon om u te helpen, maar ik ben een dom kind en weet zoo weinig van deze dingen; misschien is al de zorg die ik aan u besteed heb juist niet wat uw toestand vereischt.”De Roode-Ceder, die er doodsbleek en machteloos uitzag, keek op en in zijne flauwe oogen blonk een gevoel van teederheid.»Gij houdt dus nog van mij?” zeide hij.»Dat behoort immers zoo, vader, ben ik het niet verplicht?”De bandiet antwoordde niet, en de hem eigen welbekende glimlach plooide zich om zijne blauwe lippen.»Helaas! wat heb ik lang naar uw gezocht, vader,” vervolgde Ellen; »eerst dezen nacht, toen ik uw arme paard hoorde heb ik u bij toeval teruggevonden.”»Ja, gij zijt een goed meisje, Ellen. Ik heb thans niemand meer dan u: waar mijne zoons gebleven zijn weet ik niet. O!” riep hij in een opwelling van toorn, »die snoode Ambrosio is van alles de schuld; zonder hem zou ik nog in Paso del Norte zijn, in de bosschen die ik als mijn eigendom beschouwde.”»Denk daar niet meer aan, vader; in uw toestand hebt gij rust noodig, zie dat gij eenige uren slaapt, de slaap zal u goeddoen.”»Slapen!” zei de bandiet, »moet ik slapen? O neen,” vervolgde hij met weerzin, »neen, waken moet ik; als ik mijne oogen sluit zie ik allerlei .… O! neen, neen, niet slapen!..”Hij sprak niet verder.Ellen beschouwde hem met een mengeling van schrik en medelijden.Door bloedverlies verzwakt en door hevige wondkoorts geteisterd, begon er bij den Squatter een gevoel te ontwaken dat hij tot dusver nooit gekend had, hij werd bang.Misschien was het gewetenswroeging die de herinnering zijner gepleegde misdaden bij hem te voorschijn riep.Er volgde een lange poos stilte.Ellen bespiedde met zorgvolle oplettendheid iedere beweging van den bandiet, wien de koorts in een soort van sluimering dompelde,waaruit hij nu en dan opschrikte, woorden zonder samenhang prevelde en de blikken verstrooid rondsloeg.Tegen den avond werd hij rustiger, hij opende de oogen weder; zijne blikken stonden minder wild en zijn spraak was niet zoo afgebroken.»Ik dank u, kind,” zeide hij, »gij zijt een goed schaap; waar zijn wij hier?”»Ik weet het niet, vader, dit bosch is zoo groot. Ik herhaal u, God alleen heeft mij tot u geleid.”»Neen, Ellen, dat hebt gij mis,” antwoordde hij met zijn sarcastischen glimlach; »God heeft het niet gedaan, maar de duivel, die zeker bang was dat hij in mij zulk een goed vriend zou verliezen.”»O, spreek toch niet zoo dwaas, vader,” riep het meisje droevig; »de nacht daalt snel, het zal weldra geheel donker zijn; laat ik eens voor u bidden, opdat God de gevaren van ons afwende die ons gedurende de duisternis kunnen bedreigen.”»Kind!” riep hij, »vindt gij den nacht in het bosch dan zoo verschrikkelijk, daar wij toch ons gansche leven in de woestijn hebben doorgebracht? Stook liever een vuur van droge takken, om de wilde dieren af te schrikken, en leg mijne pistolen bij mij, ik verzeker u dat zal beter zijn dan uwe nuttelooze gebeden.”»Laster God toch niet, vader,” antwoordde Ellen met drift; »gij zijt zwaar gewond en bijna stervend, het scheelt weinig of gij waart dood, ik ben zwak en buiten staat u naar wensch te ondersteunen; ons leven is in de hand van Hem wiens macht gij vruchteloos poogt te ontkennen; Hij alleen, zoo hij wil, kan ons redden.”De bandiet barstte los in een stuipachtigen lach.»Laat Hij het dan doen, voor den duivel!” riep hij, »dan zal ik aan Hem gelooven.”»Vader, in ’s hemels naam! spreek toch niet langer zoo,” mompelde het meisje geërgerd.»Doe wat ik u zeg, dwaas kind,” viel de Squatter haar bits in de rede, »en laat mij met rust.”Ellen moest zich omkeeren om de tranen af te wisschen die haar uit de oogen sprongen. Zij stond treurig op om haar vader te gehoorzamen.Deze volgde haar met de oogen.»Arm, onnoozel schaap,” meesmuilde hij, »troost u maar, ik heb het met u zoo kwaad niet gemeend.”Ellen sprokkelde al de droge takken bijeen die zij vinden kon, maakte er een hoop van en stak er den brand in. Weldra vatte het hout vuur en kronkelde er eene heldere vlammenzuil omhoog.Zij liep naar het doode paard om de pistolen uit de holsters te halen en legde die onder het bereik van den Squatter; daarop kwam zij weder naast hem zitten.De Roode-Ceder glimlachte vergenoegd.»Ziedaar,” zeide hij, »nu hebben wij immers niets meer te duchten; laten de wilde dieren nu maar komen, wij zullen ze wel verjagen. Nu zullen wij den nacht rustig doorbrengen. Wat morgen betreft, meisje, dat zullen wij nader zien.”Zonder te antwoorden wikkelde Ellen hem zoo veel zij kon in de dekens of dierenvellen, die zij van het paard had genomen om den gewonde tegen de nachtkoude te beschermen.Al deze zorg en zelfverloochening troffen den bandiet.»En wat gij nu, Ellen,” zeide hij, »houdt gij van die dierenvellen niets voor u zelve?”»Waartoe zou ik dat, vader? het vuur zal voor mij voldoende zijn,” zeide zij zacht.»Maar eet dan ten minste iets, gij zult wel honger hebben; want, als ik mij niet bedrieg, hebt gij den ganschen dag nog niets gebruikt.”»Dat is waar, vader, maar ik heb geen eetlust.”»Dat doet er niet toe,” hernam hij haar dringende, »een al te lang vasten zou u kunnen schaden, ik verlang dat gij iets eet.”»Het is onnoodig, vader,” antwoordde zij aarzelend.»Eet, ik wil het zoo,” riep hij; »is het niet om u zelve, doe het dan om mij; eet, al was het ook nog zoo weinig, om te versterken; wij weten niet wat ons binnen weinige uren wacht.”»Helaas! ik zou u gaarne gehoorzamen, vader,” zeide zij, de oogen neêrslaande, »maar het is mij onmogelijk.”»En waarom toch? ik zeg u immers dat ik het zoo verlang.”»Omdat ik niets te eten heb.”Deze verzekering trof den bandiet als een mokerslag.»O dat is verschrikkelijk!” prevelde hij,»arm kind; ik ben een ellendeling, Ellen, die uwe liefde niet verdien.”»Blijf bedaard, vader, als ik u bidden mag; ik heb geen honger zeg ik nog eens; het is slechts om een enkelen nacht te doen en morgen, dan hebt gij immers zelf gezegd, zullen wij nader zien, maar tot zoolang ben ik vast overtuigd dat God ons wel helpen zal.”»God?” riep de Squatter tandknarsend, »alweder dat woord!”»Ja! God alleen, vader,” antwoordde het meisje in vervoering met fonkelend oog en bevende lippen, »en God zeker, want al zijn wij zijne gunst onwaardig, Hij is goed, Hij zal ons toch niet verlaten.”»Reken gij dan op Hem, onnoozel kind, en gij zult zien dat gij over twee dagen dood zijt.”»Neen!” gilde het meisje bijna van vreugd, »want Hij heeft mij verhoord, Hij zendt ons reeds hulp.”De Squatter keek op en zonk onmiddellijk weder op den grond terug, terwijl hij de oogen sloot en in zich zelven de vraag mompelde, die hem sinds eenigen tijd uit het hart op de lippen was gekomen en hem tegen wil en dank overmeesterde:»Zou God dan inderdaad bestaan?”Ontzettende vraag, die zich telkens meer aan hem opdrong en waarop zijn folterend geweten dreigde de waarheid te zullen zeggen naarmate zijn granietharde ziel begon weg te brokkelen voor de herhaalde slagen der wroeging.Maar Ellen lette niet meer op de verslagenheid van den Roode-Ceder; zij was reeds opgestaan en weggeijld met uitgestrekte armen en schreeuwende uit al hare macht:»Help! help!”Zij had sedert eenige oogenblikken stellig gemeend zeker gedruisch in het bosch te hooren.Dit gedruisch, in ’t eerst zwak en bijna onmerkbaar, was genaderd; weldra had zij lichten tusschen het geboomte zien schitteren en hoorde zij duidelijk den galop van een talrijken troep ruiters.Werkelijk had zij geen vijftig passen gedaan in die richting, of zij zag zich omringd door een tiental Indianen te paard, die met fakkels in de hand twee personen eskorteerden in lange mantels gewikkeld.»Help! help!” herhaalde Ellen zich op de knieën werpende met de armen voor zich uitgestrekt.De ruiters bleven staan.Een van hen steeg af, nam haar bij de hand en noopte haar om op te staan.»Wie moeten wij helpen, arm kind,” zeide hij met eene zachte stem.De minzame wijs waarop de onbekende haar toesprak deed de hoop in haar hart herleven.»O!” mompelde zij verheugd, »mijn vader is gered!”»Ons leven is in Gods hand;” antwoordde de onbekende op ernstigen toon; »maar breng mij bij uw vader en al wat menschen doen kunnen om hem te helpen zal gedaan worden.”»Het is God die u zendt! wees gezegend, goede vader,” zei Ellen, hem de hand kussende.Door de beweging die hij maken moest om haar op te heffen was de mantel van den vreemdeling open gegaan en had zij een geestelijke herkend.»Wijs mij den weg,” zeide hij.»Kom!”Ellen ijlde vroolijk vooruit, de kleine karavaan volgde haar.»Vader! vader!” riep zij, toen zij bij den gewonde kwam, »ik wist wel dat God ons niet verlaten zou; ik breng u hulp.”Op dit oogenblik trokken de vreemdelingen het kleine boschkamp binnen waar de Roode-Ceder lag.De Indianen en de andere persoon met den mantel bleven een weinig achteraf. Wat den priester betreft, deze liep vol ijver naar den bandiet en bukte bij hem neder.Op het geroep van zijne dochter had de Squatter de oogen geopend, en wendde hij met drift het hoofd naar dien kant van waar de hulp opdaagde.Op eens werd zijn reeds zoo bleek gelaat lijkkleurig, zijne oogen staarden wijd open en woest, een stuipachtige rilling deed zijne leden beven, hij viel achterover als een blok en mompelde met schrik:»O!.… pater Seraphin!”Werkelijk was het de missionaris.1Zonder zoo ’t scheen op de ontsteltenis van den Squatter te letten, greep hij zijn arm om hem den pols te voelen.De Roode-Ceder lag in zwijm. Ellen had echter den uitroep van haren vader gehoord en zonder er den zin van te vatten, begreep zij terstond dat er onder deze woorden een of ander vreeselijk geheim verborgen lag.»O, vader! vader!” jammerde zij, den priester te voet vallende, »eerwaarde vader, heb medelijden met hem, verlaat hem toch niet!”De zendeling keek haar aan met een glimlach van onbeschrijfelijke goedwilligheid.»Mijne dochter,” antwoordde hij zacht, »ik ben een dienaar Gods, het kleed dat ik draag beveelt mij beleedigingen te vergeten; de ware priester mag geene vijanden hebben, alle menschen zijn zijne broeders; stel u derhalve gerust, uw vader heeft niet alleen een lichaam te verliezen maar ook eene ziel. Beiden zal ik zien te redden en God, die gehengde dat ik hem op mijne reis ontmoette, zal mij de noodige kracht verleenen om te slagen.”»O! ik dank u, vader!” antwoordde Ellen, de oogen vol tranen.»Gij hebt mij niets te danken, arm kind!” zeide hij, »zeg Gode dank, want Hij alleen heeft alles gedaan. Laat mij thans met den ongelukkige begaan die veel lijdt en wiens ellendige toestand al mijne zorg vereischt.”En terwijl hij Ellen zacht van zich aftroonde opende pater Seraphin de doos met geneesmiddelen, die hij steeds aan zijn zadelknop had hangen, en maakte de noodige aanstalten om den gewonde te verbinden.Inmiddels waren de Indianen van lieverlede naderbij gekomen.Zoodra zij gezien hadden wat er gaande was stegen zij af om het kampement op te slaan, want zij begrepen wel dat de toestand van den gewonde niet toeliet hem te vervoeren en de missionaris dus den nacht op deze plaats wel zou doorbrengen.Tot het oprichten van een nachtleger in de prairie behoeven de Indianen weinig tijd.De persoon die pater Seraphin bij zich had was eene vrouw, reeds zeer hoog bejaard, maar wier gelaatstrekken door ouderdom veredeld, blijk gaven van ongemeene goedheid en zielegrootheid.Nauwelijks bemerkte zij dat de zendeling zich gereed maakte om den gewonde te verbinden of zij trad nader en vroeg hem bedaard:»Kan ik u ook van eenige dienst zijn, vader, en u helpen in hetgoede werk dat gij onderneemt? Gij weet wel dat ik mij haasten moet als ik nog leeren wil een goede ziekenoppasster te worden.”Deze woorden sprak zij op een toon van onbeschrijfelijke goedwilligheid.De zendeling was blijkbaar verrukt over dezen trek van dienstvaardigheid, hij nam haar bij de hand en noopte haar om bij den gewonde neder te bukken, die nog altoos onbewegelijk lag.»Het is wel eene beschikking van Gods wijze voorzienigheid, mevrouw, wat hier op dit oogenblik gebeurt,” zeide hij; »nauwelijks zijt gij in dit land ontscheept en deze woestijn ingetreden om er uw zoon te zoeken, of de hemel draagt u eene taak op die uw hart moet verheugen, daar gij u geplaatst ziet tegenover dezen man.”»Wat wilt gij daarmede zeggen, vader?” vroeg zij verwonderd.»Moeder van Valentin Guillois,” hernam hij op een toon van welgeplaatste waardigheid, »beschouw dezen man eens goed opdat gij hem later moogt herkennen: het is de Roode-Ceder, de rampzalige daar ik u zoo vaak van gesproken heb, de onverbiddelijke vijand van uw zoon.”Bij deze ontzettende opheldering deinsde de arme vrouw met schrik terug; doch zij kwam met meer dan menschelijke inspanning haar gevoel van afschuw te boven en antwoordde met eene kalme stem:»Laat dit zoo zijn, vader, de rampzalige is lijdend, ik zal hem verplegen.”»Goed mevrouw!” hervatte de zendeling getroffen, »dit goede werk van christelijke zelfverloochening zal de Heer niet onbeloond laten.”1Ziede Roovers der Prairiën.↑

XI.IN EEN HOEK VAN HET BOSCH.

Voort holde de Squatter zonder om te zien of te weten waarheen, ver van het slagveld gevoerd door den woedenden galop van zijn paard, dat hij de kracht niet meer had om te besturen of te beteugelen.Deze man, altoos zoo onversaagd, zoo vast van wil en zoo onverzettelijk van aard, was omgekeerd als een blad van een boom en veranderd als met een tooverslag. Zijne gedachten waren beneveld, zwaar bloedverlies en het aanhoudend schokken van zijn galoppeerend paard hadden hem tot volslagen machteloosheid gebracht. Ware hij niet zoo stevig aan zijn paard gebonden geweest, dan zou hij zeker reeds twintigmaal uit den zadel zijn gestort.Met afhangende armen, met het lijf diep op den hals van zijn paard gebogen en de oogen half gesloten holde hij voort, zonder besef van hetgeen er met hem gebeurde en zonder zelfs eene poging te doen om het te weten.Hotsend en zwaaiend en beurtelings links en rechts geslingerd, bij iederen schok van zijn voorthollend paard, zag hij zonder duidelijk bewustzijn de boomen en struiken en rotsen aan weerszijden voorbij vliegen: hij dacht niet meer, hij leefde niet meer, dan in een schrikkelijken droom, ten prooi aan de zonderlingste en buitensporigste schrikgestalten.De nacht volgde op den dag.Het paard vervolgde zijn loop; als een verschrikte jaguar sprong het heen over iedere hindernis die het op zijn weg ontmoette, achtervolgd door een troep huilende coyotes, terwijl het vruchteloos poogde den levenloozen last af te schudden die zijn afgematte lendenen bezwaarde.Eindelijk struikelde het uitgeputte dier in de duisternis over een boomwortel en stortte met zijn vracht ter aarde, onder het uiten van een klagend gebriesch.De Roode-Ceder had tot dusver, wij zullen niet zeggen, van zijn toestand eenige heldere kennis gedragen, maar ten minste zeker bewustzijn bewaard dat hij nog leefde.Toen het paard uitgeput neerzeeg voelde de bandiet een hevige pijn aan het hoofd, dit was het eenige; hij viel bewusteloos op den grond met een half gesmoorden vloek, het laatste verzet van den weerbarstigen ellendeling die tot zijn uiterst oogenblik de macht trotseerde, onder wier straffende hand hij bukken moest.Hoe lang hij in dien toestand bleef zou hij niet hebben kunnen zeggen.Toen hij eindelijk onder den indruk eener heilzame verademing de oogen weder opsloeg, schitterden de zonnestralen door het dicht belommerde woud, en kweelden de vogels onder het frischgroene gebladerte verscholen op lustige wijs hun veelstemmig morgenlied.De Squatter slaakte een zucht van ontspanning en sloeg een half geloken blik in het rond. Op eenige passen van hem af lag zijn paard dood uitgestrekt.Hij zelf zat met den rug tegen een boomstam.Naast hem, op het gras geknield, lag Ellen die met teedere bezorgdheid zijn terugkeer tot het leven bespiedde.»O! o!” prevelde de Squatter met eene heesche stem, »leef ik dan nog.”»Ja Goddank! ja, vader,” antwoordde Ellen zachtzinnig.De bandiet keek haar aan.»God!” mompelde hij half in zichzelven, en er speelde een spottende lach op zijne lippen.»Hij alleen heeft u gered, vader,” riep het meisje.»Kind!” mompelde de Squatter terwijl hij zich met de hand over het voorhoofd streek, »God is niets meer dan een woord. Spreek mij daar niet van.”Ellen liet het hoofd hangen en zweeg.Intusschen was met het levensgevoel ook dat der lichaamssmart bij den Squatter teruggekeerd.»O! wat heb ik een pijn,” riep hij.»Gij zijt gevaarlijk gewond, vader,” zei Ellen; »helaas! ik heb gedaan wat ik kon om u te helpen, maar ik ben een dom kind en weet zoo weinig van deze dingen; misschien is al de zorg die ik aan u besteed heb juist niet wat uw toestand vereischt.”De Roode-Ceder, die er doodsbleek en machteloos uitzag, keek op en in zijne flauwe oogen blonk een gevoel van teederheid.»Gij houdt dus nog van mij?” zeide hij.»Dat behoort immers zoo, vader, ben ik het niet verplicht?”De bandiet antwoordde niet, en de hem eigen welbekende glimlach plooide zich om zijne blauwe lippen.»Helaas! wat heb ik lang naar uw gezocht, vader,” vervolgde Ellen; »eerst dezen nacht, toen ik uw arme paard hoorde heb ik u bij toeval teruggevonden.”»Ja, gij zijt een goed meisje, Ellen. Ik heb thans niemand meer dan u: waar mijne zoons gebleven zijn weet ik niet. O!” riep hij in een opwelling van toorn, »die snoode Ambrosio is van alles de schuld; zonder hem zou ik nog in Paso del Norte zijn, in de bosschen die ik als mijn eigendom beschouwde.”»Denk daar niet meer aan, vader; in uw toestand hebt gij rust noodig, zie dat gij eenige uren slaapt, de slaap zal u goeddoen.”»Slapen!” zei de bandiet, »moet ik slapen? O neen,” vervolgde hij met weerzin, »neen, waken moet ik; als ik mijne oogen sluit zie ik allerlei .… O! neen, neen, niet slapen!..”Hij sprak niet verder.Ellen beschouwde hem met een mengeling van schrik en medelijden.Door bloedverlies verzwakt en door hevige wondkoorts geteisterd, begon er bij den Squatter een gevoel te ontwaken dat hij tot dusver nooit gekend had, hij werd bang.Misschien was het gewetenswroeging die de herinnering zijner gepleegde misdaden bij hem te voorschijn riep.Er volgde een lange poos stilte.Ellen bespiedde met zorgvolle oplettendheid iedere beweging van den bandiet, wien de koorts in een soort van sluimering dompelde,waaruit hij nu en dan opschrikte, woorden zonder samenhang prevelde en de blikken verstrooid rondsloeg.Tegen den avond werd hij rustiger, hij opende de oogen weder; zijne blikken stonden minder wild en zijn spraak was niet zoo afgebroken.»Ik dank u, kind,” zeide hij, »gij zijt een goed schaap; waar zijn wij hier?”»Ik weet het niet, vader, dit bosch is zoo groot. Ik herhaal u, God alleen heeft mij tot u geleid.”»Neen, Ellen, dat hebt gij mis,” antwoordde hij met zijn sarcastischen glimlach; »God heeft het niet gedaan, maar de duivel, die zeker bang was dat hij in mij zulk een goed vriend zou verliezen.”»O, spreek toch niet zoo dwaas, vader,” riep het meisje droevig; »de nacht daalt snel, het zal weldra geheel donker zijn; laat ik eens voor u bidden, opdat God de gevaren van ons afwende die ons gedurende de duisternis kunnen bedreigen.”»Kind!” riep hij, »vindt gij den nacht in het bosch dan zoo verschrikkelijk, daar wij toch ons gansche leven in de woestijn hebben doorgebracht? Stook liever een vuur van droge takken, om de wilde dieren af te schrikken, en leg mijne pistolen bij mij, ik verzeker u dat zal beter zijn dan uwe nuttelooze gebeden.”»Laster God toch niet, vader,” antwoordde Ellen met drift; »gij zijt zwaar gewond en bijna stervend, het scheelt weinig of gij waart dood, ik ben zwak en buiten staat u naar wensch te ondersteunen; ons leven is in de hand van Hem wiens macht gij vruchteloos poogt te ontkennen; Hij alleen, zoo hij wil, kan ons redden.”De bandiet barstte los in een stuipachtigen lach.»Laat Hij het dan doen, voor den duivel!” riep hij, »dan zal ik aan Hem gelooven.”»Vader, in ’s hemels naam! spreek toch niet langer zoo,” mompelde het meisje geërgerd.»Doe wat ik u zeg, dwaas kind,” viel de Squatter haar bits in de rede, »en laat mij met rust.”Ellen moest zich omkeeren om de tranen af te wisschen die haar uit de oogen sprongen. Zij stond treurig op om haar vader te gehoorzamen.Deze volgde haar met de oogen.»Arm, onnoozel schaap,” meesmuilde hij, »troost u maar, ik heb het met u zoo kwaad niet gemeend.”Ellen sprokkelde al de droge takken bijeen die zij vinden kon, maakte er een hoop van en stak er den brand in. Weldra vatte het hout vuur en kronkelde er eene heldere vlammenzuil omhoog.Zij liep naar het doode paard om de pistolen uit de holsters te halen en legde die onder het bereik van den Squatter; daarop kwam zij weder naast hem zitten.De Roode-Ceder glimlachte vergenoegd.»Ziedaar,” zeide hij, »nu hebben wij immers niets meer te duchten; laten de wilde dieren nu maar komen, wij zullen ze wel verjagen. Nu zullen wij den nacht rustig doorbrengen. Wat morgen betreft, meisje, dat zullen wij nader zien.”Zonder te antwoorden wikkelde Ellen hem zoo veel zij kon in de dekens of dierenvellen, die zij van het paard had genomen om den gewonde tegen de nachtkoude te beschermen.Al deze zorg en zelfverloochening troffen den bandiet.»En wat gij nu, Ellen,” zeide hij, »houdt gij van die dierenvellen niets voor u zelve?”»Waartoe zou ik dat, vader? het vuur zal voor mij voldoende zijn,” zeide zij zacht.»Maar eet dan ten minste iets, gij zult wel honger hebben; want, als ik mij niet bedrieg, hebt gij den ganschen dag nog niets gebruikt.”»Dat is waar, vader, maar ik heb geen eetlust.”»Dat doet er niet toe,” hernam hij haar dringende, »een al te lang vasten zou u kunnen schaden, ik verlang dat gij iets eet.”»Het is onnoodig, vader,” antwoordde zij aarzelend.»Eet, ik wil het zoo,” riep hij; »is het niet om u zelve, doe het dan om mij; eet, al was het ook nog zoo weinig, om te versterken; wij weten niet wat ons binnen weinige uren wacht.”»Helaas! ik zou u gaarne gehoorzamen, vader,” zeide zij, de oogen neêrslaande, »maar het is mij onmogelijk.”»En waarom toch? ik zeg u immers dat ik het zoo verlang.”»Omdat ik niets te eten heb.”Deze verzekering trof den bandiet als een mokerslag.»O dat is verschrikkelijk!” prevelde hij,»arm kind; ik ben een ellendeling, Ellen, die uwe liefde niet verdien.”»Blijf bedaard, vader, als ik u bidden mag; ik heb geen honger zeg ik nog eens; het is slechts om een enkelen nacht te doen en morgen, dan hebt gij immers zelf gezegd, zullen wij nader zien, maar tot zoolang ben ik vast overtuigd dat God ons wel helpen zal.”»God?” riep de Squatter tandknarsend, »alweder dat woord!”»Ja! God alleen, vader,” antwoordde het meisje in vervoering met fonkelend oog en bevende lippen, »en God zeker, want al zijn wij zijne gunst onwaardig, Hij is goed, Hij zal ons toch niet verlaten.”»Reken gij dan op Hem, onnoozel kind, en gij zult zien dat gij over twee dagen dood zijt.”»Neen!” gilde het meisje bijna van vreugd, »want Hij heeft mij verhoord, Hij zendt ons reeds hulp.”De Squatter keek op en zonk onmiddellijk weder op den grond terug, terwijl hij de oogen sloot en in zich zelven de vraag mompelde, die hem sinds eenigen tijd uit het hart op de lippen was gekomen en hem tegen wil en dank overmeesterde:»Zou God dan inderdaad bestaan?”Ontzettende vraag, die zich telkens meer aan hem opdrong en waarop zijn folterend geweten dreigde de waarheid te zullen zeggen naarmate zijn granietharde ziel begon weg te brokkelen voor de herhaalde slagen der wroeging.Maar Ellen lette niet meer op de verslagenheid van den Roode-Ceder; zij was reeds opgestaan en weggeijld met uitgestrekte armen en schreeuwende uit al hare macht:»Help! help!”Zij had sedert eenige oogenblikken stellig gemeend zeker gedruisch in het bosch te hooren.Dit gedruisch, in ’t eerst zwak en bijna onmerkbaar, was genaderd; weldra had zij lichten tusschen het geboomte zien schitteren en hoorde zij duidelijk den galop van een talrijken troep ruiters.Werkelijk had zij geen vijftig passen gedaan in die richting, of zij zag zich omringd door een tiental Indianen te paard, die met fakkels in de hand twee personen eskorteerden in lange mantels gewikkeld.»Help! help!” herhaalde Ellen zich op de knieën werpende met de armen voor zich uitgestrekt.De ruiters bleven staan.Een van hen steeg af, nam haar bij de hand en noopte haar om op te staan.»Wie moeten wij helpen, arm kind,” zeide hij met eene zachte stem.De minzame wijs waarop de onbekende haar toesprak deed de hoop in haar hart herleven.»O!” mompelde zij verheugd, »mijn vader is gered!”»Ons leven is in Gods hand;” antwoordde de onbekende op ernstigen toon; »maar breng mij bij uw vader en al wat menschen doen kunnen om hem te helpen zal gedaan worden.”»Het is God die u zendt! wees gezegend, goede vader,” zei Ellen, hem de hand kussende.Door de beweging die hij maken moest om haar op te heffen was de mantel van den vreemdeling open gegaan en had zij een geestelijke herkend.»Wijs mij den weg,” zeide hij.»Kom!”Ellen ijlde vroolijk vooruit, de kleine karavaan volgde haar.»Vader! vader!” riep zij, toen zij bij den gewonde kwam, »ik wist wel dat God ons niet verlaten zou; ik breng u hulp.”Op dit oogenblik trokken de vreemdelingen het kleine boschkamp binnen waar de Roode-Ceder lag.De Indianen en de andere persoon met den mantel bleven een weinig achteraf. Wat den priester betreft, deze liep vol ijver naar den bandiet en bukte bij hem neder.Op het geroep van zijne dochter had de Squatter de oogen geopend, en wendde hij met drift het hoofd naar dien kant van waar de hulp opdaagde.Op eens werd zijn reeds zoo bleek gelaat lijkkleurig, zijne oogen staarden wijd open en woest, een stuipachtige rilling deed zijne leden beven, hij viel achterover als een blok en mompelde met schrik:»O!.… pater Seraphin!”Werkelijk was het de missionaris.1Zonder zoo ’t scheen op de ontsteltenis van den Squatter te letten, greep hij zijn arm om hem den pols te voelen.De Roode-Ceder lag in zwijm. Ellen had echter den uitroep van haren vader gehoord en zonder er den zin van te vatten, begreep zij terstond dat er onder deze woorden een of ander vreeselijk geheim verborgen lag.»O, vader! vader!” jammerde zij, den priester te voet vallende, »eerwaarde vader, heb medelijden met hem, verlaat hem toch niet!”De zendeling keek haar aan met een glimlach van onbeschrijfelijke goedwilligheid.»Mijne dochter,” antwoordde hij zacht, »ik ben een dienaar Gods, het kleed dat ik draag beveelt mij beleedigingen te vergeten; de ware priester mag geene vijanden hebben, alle menschen zijn zijne broeders; stel u derhalve gerust, uw vader heeft niet alleen een lichaam te verliezen maar ook eene ziel. Beiden zal ik zien te redden en God, die gehengde dat ik hem op mijne reis ontmoette, zal mij de noodige kracht verleenen om te slagen.”»O! ik dank u, vader!” antwoordde Ellen, de oogen vol tranen.»Gij hebt mij niets te danken, arm kind!” zeide hij, »zeg Gode dank, want Hij alleen heeft alles gedaan. Laat mij thans met den ongelukkige begaan die veel lijdt en wiens ellendige toestand al mijne zorg vereischt.”En terwijl hij Ellen zacht van zich aftroonde opende pater Seraphin de doos met geneesmiddelen, die hij steeds aan zijn zadelknop had hangen, en maakte de noodige aanstalten om den gewonde te verbinden.Inmiddels waren de Indianen van lieverlede naderbij gekomen.Zoodra zij gezien hadden wat er gaande was stegen zij af om het kampement op te slaan, want zij begrepen wel dat de toestand van den gewonde niet toeliet hem te vervoeren en de missionaris dus den nacht op deze plaats wel zou doorbrengen.Tot het oprichten van een nachtleger in de prairie behoeven de Indianen weinig tijd.De persoon die pater Seraphin bij zich had was eene vrouw, reeds zeer hoog bejaard, maar wier gelaatstrekken door ouderdom veredeld, blijk gaven van ongemeene goedheid en zielegrootheid.Nauwelijks bemerkte zij dat de zendeling zich gereed maakte om den gewonde te verbinden of zij trad nader en vroeg hem bedaard:»Kan ik u ook van eenige dienst zijn, vader, en u helpen in hetgoede werk dat gij onderneemt? Gij weet wel dat ik mij haasten moet als ik nog leeren wil een goede ziekenoppasster te worden.”Deze woorden sprak zij op een toon van onbeschrijfelijke goedwilligheid.De zendeling was blijkbaar verrukt over dezen trek van dienstvaardigheid, hij nam haar bij de hand en noopte haar om bij den gewonde neder te bukken, die nog altoos onbewegelijk lag.»Het is wel eene beschikking van Gods wijze voorzienigheid, mevrouw, wat hier op dit oogenblik gebeurt,” zeide hij; »nauwelijks zijt gij in dit land ontscheept en deze woestijn ingetreden om er uw zoon te zoeken, of de hemel draagt u eene taak op die uw hart moet verheugen, daar gij u geplaatst ziet tegenover dezen man.”»Wat wilt gij daarmede zeggen, vader?” vroeg zij verwonderd.»Moeder van Valentin Guillois,” hernam hij op een toon van welgeplaatste waardigheid, »beschouw dezen man eens goed opdat gij hem later moogt herkennen: het is de Roode-Ceder, de rampzalige daar ik u zoo vaak van gesproken heb, de onverbiddelijke vijand van uw zoon.”Bij deze ontzettende opheldering deinsde de arme vrouw met schrik terug; doch zij kwam met meer dan menschelijke inspanning haar gevoel van afschuw te boven en antwoordde met eene kalme stem:»Laat dit zoo zijn, vader, de rampzalige is lijdend, ik zal hem verplegen.”»Goed mevrouw!” hervatte de zendeling getroffen, »dit goede werk van christelijke zelfverloochening zal de Heer niet onbeloond laten.”

Voort holde de Squatter zonder om te zien of te weten waarheen, ver van het slagveld gevoerd door den woedenden galop van zijn paard, dat hij de kracht niet meer had om te besturen of te beteugelen.

Deze man, altoos zoo onversaagd, zoo vast van wil en zoo onverzettelijk van aard, was omgekeerd als een blad van een boom en veranderd als met een tooverslag. Zijne gedachten waren beneveld, zwaar bloedverlies en het aanhoudend schokken van zijn galoppeerend paard hadden hem tot volslagen machteloosheid gebracht. Ware hij niet zoo stevig aan zijn paard gebonden geweest, dan zou hij zeker reeds twintigmaal uit den zadel zijn gestort.

Met afhangende armen, met het lijf diep op den hals van zijn paard gebogen en de oogen half gesloten holde hij voort, zonder besef van hetgeen er met hem gebeurde en zonder zelfs eene poging te doen om het te weten.

Hotsend en zwaaiend en beurtelings links en rechts geslingerd, bij iederen schok van zijn voorthollend paard, zag hij zonder duidelijk bewustzijn de boomen en struiken en rotsen aan weerszijden voorbij vliegen: hij dacht niet meer, hij leefde niet meer, dan in een schrikkelijken droom, ten prooi aan de zonderlingste en buitensporigste schrikgestalten.

De nacht volgde op den dag.

Het paard vervolgde zijn loop; als een verschrikte jaguar sprong het heen over iedere hindernis die het op zijn weg ontmoette, achtervolgd door een troep huilende coyotes, terwijl het vruchteloos poogde den levenloozen last af te schudden die zijn afgematte lendenen bezwaarde.

Eindelijk struikelde het uitgeputte dier in de duisternis over een boomwortel en stortte met zijn vracht ter aarde, onder het uiten van een klagend gebriesch.

De Roode-Ceder had tot dusver, wij zullen niet zeggen, van zijn toestand eenige heldere kennis gedragen, maar ten minste zeker bewustzijn bewaard dat hij nog leefde.

Toen het paard uitgeput neerzeeg voelde de bandiet een hevige pijn aan het hoofd, dit was het eenige; hij viel bewusteloos op den grond met een half gesmoorden vloek, het laatste verzet van den weerbarstigen ellendeling die tot zijn uiterst oogenblik de macht trotseerde, onder wier straffende hand hij bukken moest.

Hoe lang hij in dien toestand bleef zou hij niet hebben kunnen zeggen.

Toen hij eindelijk onder den indruk eener heilzame verademing de oogen weder opsloeg, schitterden de zonnestralen door het dicht belommerde woud, en kweelden de vogels onder het frischgroene gebladerte verscholen op lustige wijs hun veelstemmig morgenlied.

De Squatter slaakte een zucht van ontspanning en sloeg een half geloken blik in het rond. Op eenige passen van hem af lag zijn paard dood uitgestrekt.

Hij zelf zat met den rug tegen een boomstam.

Naast hem, op het gras geknield, lag Ellen die met teedere bezorgdheid zijn terugkeer tot het leven bespiedde.

»O! o!” prevelde de Squatter met eene heesche stem, »leef ik dan nog.”

»Ja Goddank! ja, vader,” antwoordde Ellen zachtzinnig.

De bandiet keek haar aan.

»God!” mompelde hij half in zichzelven, en er speelde een spottende lach op zijne lippen.

»Hij alleen heeft u gered, vader,” riep het meisje.

»Kind!” mompelde de Squatter terwijl hij zich met de hand over het voorhoofd streek, »God is niets meer dan een woord. Spreek mij daar niet van.”

Ellen liet het hoofd hangen en zweeg.

Intusschen was met het levensgevoel ook dat der lichaamssmart bij den Squatter teruggekeerd.

»O! wat heb ik een pijn,” riep hij.

»Gij zijt gevaarlijk gewond, vader,” zei Ellen; »helaas! ik heb gedaan wat ik kon om u te helpen, maar ik ben een dom kind en weet zoo weinig van deze dingen; misschien is al de zorg die ik aan u besteed heb juist niet wat uw toestand vereischt.”

De Roode-Ceder, die er doodsbleek en machteloos uitzag, keek op en in zijne flauwe oogen blonk een gevoel van teederheid.

»Gij houdt dus nog van mij?” zeide hij.

»Dat behoort immers zoo, vader, ben ik het niet verplicht?”

De bandiet antwoordde niet, en de hem eigen welbekende glimlach plooide zich om zijne blauwe lippen.

»Helaas! wat heb ik lang naar uw gezocht, vader,” vervolgde Ellen; »eerst dezen nacht, toen ik uw arme paard hoorde heb ik u bij toeval teruggevonden.”

»Ja, gij zijt een goed meisje, Ellen. Ik heb thans niemand meer dan u: waar mijne zoons gebleven zijn weet ik niet. O!” riep hij in een opwelling van toorn, »die snoode Ambrosio is van alles de schuld; zonder hem zou ik nog in Paso del Norte zijn, in de bosschen die ik als mijn eigendom beschouwde.”

»Denk daar niet meer aan, vader; in uw toestand hebt gij rust noodig, zie dat gij eenige uren slaapt, de slaap zal u goeddoen.”

»Slapen!” zei de bandiet, »moet ik slapen? O neen,” vervolgde hij met weerzin, »neen, waken moet ik; als ik mijne oogen sluit zie ik allerlei .… O! neen, neen, niet slapen!..”

Hij sprak niet verder.

Ellen beschouwde hem met een mengeling van schrik en medelijden.

Door bloedverlies verzwakt en door hevige wondkoorts geteisterd, begon er bij den Squatter een gevoel te ontwaken dat hij tot dusver nooit gekend had, hij werd bang.

Misschien was het gewetenswroeging die de herinnering zijner gepleegde misdaden bij hem te voorschijn riep.

Er volgde een lange poos stilte.

Ellen bespiedde met zorgvolle oplettendheid iedere beweging van den bandiet, wien de koorts in een soort van sluimering dompelde,waaruit hij nu en dan opschrikte, woorden zonder samenhang prevelde en de blikken verstrooid rondsloeg.

Tegen den avond werd hij rustiger, hij opende de oogen weder; zijne blikken stonden minder wild en zijn spraak was niet zoo afgebroken.

»Ik dank u, kind,” zeide hij, »gij zijt een goed schaap; waar zijn wij hier?”

»Ik weet het niet, vader, dit bosch is zoo groot. Ik herhaal u, God alleen heeft mij tot u geleid.”

»Neen, Ellen, dat hebt gij mis,” antwoordde hij met zijn sarcastischen glimlach; »God heeft het niet gedaan, maar de duivel, die zeker bang was dat hij in mij zulk een goed vriend zou verliezen.”

»O, spreek toch niet zoo dwaas, vader,” riep het meisje droevig; »de nacht daalt snel, het zal weldra geheel donker zijn; laat ik eens voor u bidden, opdat God de gevaren van ons afwende die ons gedurende de duisternis kunnen bedreigen.”

»Kind!” riep hij, »vindt gij den nacht in het bosch dan zoo verschrikkelijk, daar wij toch ons gansche leven in de woestijn hebben doorgebracht? Stook liever een vuur van droge takken, om de wilde dieren af te schrikken, en leg mijne pistolen bij mij, ik verzeker u dat zal beter zijn dan uwe nuttelooze gebeden.”

»Laster God toch niet, vader,” antwoordde Ellen met drift; »gij zijt zwaar gewond en bijna stervend, het scheelt weinig of gij waart dood, ik ben zwak en buiten staat u naar wensch te ondersteunen; ons leven is in de hand van Hem wiens macht gij vruchteloos poogt te ontkennen; Hij alleen, zoo hij wil, kan ons redden.”

De bandiet barstte los in een stuipachtigen lach.

»Laat Hij het dan doen, voor den duivel!” riep hij, »dan zal ik aan Hem gelooven.”

»Vader, in ’s hemels naam! spreek toch niet langer zoo,” mompelde het meisje geërgerd.

»Doe wat ik u zeg, dwaas kind,” viel de Squatter haar bits in de rede, »en laat mij met rust.”

Ellen moest zich omkeeren om de tranen af te wisschen die haar uit de oogen sprongen. Zij stond treurig op om haar vader te gehoorzamen.

Deze volgde haar met de oogen.

»Arm, onnoozel schaap,” meesmuilde hij, »troost u maar, ik heb het met u zoo kwaad niet gemeend.”

Ellen sprokkelde al de droge takken bijeen die zij vinden kon, maakte er een hoop van en stak er den brand in. Weldra vatte het hout vuur en kronkelde er eene heldere vlammenzuil omhoog.

Zij liep naar het doode paard om de pistolen uit de holsters te halen en legde die onder het bereik van den Squatter; daarop kwam zij weder naast hem zitten.

De Roode-Ceder glimlachte vergenoegd.

»Ziedaar,” zeide hij, »nu hebben wij immers niets meer te duchten; laten de wilde dieren nu maar komen, wij zullen ze wel verjagen. Nu zullen wij den nacht rustig doorbrengen. Wat morgen betreft, meisje, dat zullen wij nader zien.”

Zonder te antwoorden wikkelde Ellen hem zoo veel zij kon in de dekens of dierenvellen, die zij van het paard had genomen om den gewonde tegen de nachtkoude te beschermen.

Al deze zorg en zelfverloochening troffen den bandiet.

»En wat gij nu, Ellen,” zeide hij, »houdt gij van die dierenvellen niets voor u zelve?”

»Waartoe zou ik dat, vader? het vuur zal voor mij voldoende zijn,” zeide zij zacht.

»Maar eet dan ten minste iets, gij zult wel honger hebben; want, als ik mij niet bedrieg, hebt gij den ganschen dag nog niets gebruikt.”

»Dat is waar, vader, maar ik heb geen eetlust.”

»Dat doet er niet toe,” hernam hij haar dringende, »een al te lang vasten zou u kunnen schaden, ik verlang dat gij iets eet.”

»Het is onnoodig, vader,” antwoordde zij aarzelend.

»Eet, ik wil het zoo,” riep hij; »is het niet om u zelve, doe het dan om mij; eet, al was het ook nog zoo weinig, om te versterken; wij weten niet wat ons binnen weinige uren wacht.”

»Helaas! ik zou u gaarne gehoorzamen, vader,” zeide zij, de oogen neêrslaande, »maar het is mij onmogelijk.”

»En waarom toch? ik zeg u immers dat ik het zoo verlang.”

»Omdat ik niets te eten heb.”

Deze verzekering trof den bandiet als een mokerslag.

»O dat is verschrikkelijk!” prevelde hij,»arm kind; ik ben een ellendeling, Ellen, die uwe liefde niet verdien.”

»Blijf bedaard, vader, als ik u bidden mag; ik heb geen honger zeg ik nog eens; het is slechts om een enkelen nacht te doen en morgen, dan hebt gij immers zelf gezegd, zullen wij nader zien, maar tot zoolang ben ik vast overtuigd dat God ons wel helpen zal.”

»God?” riep de Squatter tandknarsend, »alweder dat woord!”

»Ja! God alleen, vader,” antwoordde het meisje in vervoering met fonkelend oog en bevende lippen, »en God zeker, want al zijn wij zijne gunst onwaardig, Hij is goed, Hij zal ons toch niet verlaten.”

»Reken gij dan op Hem, onnoozel kind, en gij zult zien dat gij over twee dagen dood zijt.”

»Neen!” gilde het meisje bijna van vreugd, »want Hij heeft mij verhoord, Hij zendt ons reeds hulp.”

De Squatter keek op en zonk onmiddellijk weder op den grond terug, terwijl hij de oogen sloot en in zich zelven de vraag mompelde, die hem sinds eenigen tijd uit het hart op de lippen was gekomen en hem tegen wil en dank overmeesterde:

»Zou God dan inderdaad bestaan?”

Ontzettende vraag, die zich telkens meer aan hem opdrong en waarop zijn folterend geweten dreigde de waarheid te zullen zeggen naarmate zijn granietharde ziel begon weg te brokkelen voor de herhaalde slagen der wroeging.

Maar Ellen lette niet meer op de verslagenheid van den Roode-Ceder; zij was reeds opgestaan en weggeijld met uitgestrekte armen en schreeuwende uit al hare macht:

»Help! help!”

Zij had sedert eenige oogenblikken stellig gemeend zeker gedruisch in het bosch te hooren.

Dit gedruisch, in ’t eerst zwak en bijna onmerkbaar, was genaderd; weldra had zij lichten tusschen het geboomte zien schitteren en hoorde zij duidelijk den galop van een talrijken troep ruiters.

Werkelijk had zij geen vijftig passen gedaan in die richting, of zij zag zich omringd door een tiental Indianen te paard, die met fakkels in de hand twee personen eskorteerden in lange mantels gewikkeld.

»Help! help!” herhaalde Ellen zich op de knieën werpende met de armen voor zich uitgestrekt.

De ruiters bleven staan.

Een van hen steeg af, nam haar bij de hand en noopte haar om op te staan.

»Wie moeten wij helpen, arm kind,” zeide hij met eene zachte stem.

De minzame wijs waarop de onbekende haar toesprak deed de hoop in haar hart herleven.

»O!” mompelde zij verheugd, »mijn vader is gered!”

»Ons leven is in Gods hand;” antwoordde de onbekende op ernstigen toon; »maar breng mij bij uw vader en al wat menschen doen kunnen om hem te helpen zal gedaan worden.”

»Het is God die u zendt! wees gezegend, goede vader,” zei Ellen, hem de hand kussende.

Door de beweging die hij maken moest om haar op te heffen was de mantel van den vreemdeling open gegaan en had zij een geestelijke herkend.

»Wijs mij den weg,” zeide hij.

»Kom!”

Ellen ijlde vroolijk vooruit, de kleine karavaan volgde haar.

»Vader! vader!” riep zij, toen zij bij den gewonde kwam, »ik wist wel dat God ons niet verlaten zou; ik breng u hulp.”

Op dit oogenblik trokken de vreemdelingen het kleine boschkamp binnen waar de Roode-Ceder lag.

De Indianen en de andere persoon met den mantel bleven een weinig achteraf. Wat den priester betreft, deze liep vol ijver naar den bandiet en bukte bij hem neder.

Op het geroep van zijne dochter had de Squatter de oogen geopend, en wendde hij met drift het hoofd naar dien kant van waar de hulp opdaagde.

Op eens werd zijn reeds zoo bleek gelaat lijkkleurig, zijne oogen staarden wijd open en woest, een stuipachtige rilling deed zijne leden beven, hij viel achterover als een blok en mompelde met schrik:

»O!.… pater Seraphin!”

Werkelijk was het de missionaris.1Zonder zoo ’t scheen op de ontsteltenis van den Squatter te letten, greep hij zijn arm om hem den pols te voelen.

De Roode-Ceder lag in zwijm. Ellen had echter den uitroep van haren vader gehoord en zonder er den zin van te vatten, begreep zij terstond dat er onder deze woorden een of ander vreeselijk geheim verborgen lag.

»O, vader! vader!” jammerde zij, den priester te voet vallende, »eerwaarde vader, heb medelijden met hem, verlaat hem toch niet!”

De zendeling keek haar aan met een glimlach van onbeschrijfelijke goedwilligheid.

»Mijne dochter,” antwoordde hij zacht, »ik ben een dienaar Gods, het kleed dat ik draag beveelt mij beleedigingen te vergeten; de ware priester mag geene vijanden hebben, alle menschen zijn zijne broeders; stel u derhalve gerust, uw vader heeft niet alleen een lichaam te verliezen maar ook eene ziel. Beiden zal ik zien te redden en God, die gehengde dat ik hem op mijne reis ontmoette, zal mij de noodige kracht verleenen om te slagen.”

»O! ik dank u, vader!” antwoordde Ellen, de oogen vol tranen.

»Gij hebt mij niets te danken, arm kind!” zeide hij, »zeg Gode dank, want Hij alleen heeft alles gedaan. Laat mij thans met den ongelukkige begaan die veel lijdt en wiens ellendige toestand al mijne zorg vereischt.”

En terwijl hij Ellen zacht van zich aftroonde opende pater Seraphin de doos met geneesmiddelen, die hij steeds aan zijn zadelknop had hangen, en maakte de noodige aanstalten om den gewonde te verbinden.

Inmiddels waren de Indianen van lieverlede naderbij gekomen.

Zoodra zij gezien hadden wat er gaande was stegen zij af om het kampement op te slaan, want zij begrepen wel dat de toestand van den gewonde niet toeliet hem te vervoeren en de missionaris dus den nacht op deze plaats wel zou doorbrengen.

Tot het oprichten van een nachtleger in de prairie behoeven de Indianen weinig tijd.

De persoon die pater Seraphin bij zich had was eene vrouw, reeds zeer hoog bejaard, maar wier gelaatstrekken door ouderdom veredeld, blijk gaven van ongemeene goedheid en zielegrootheid.

Nauwelijks bemerkte zij dat de zendeling zich gereed maakte om den gewonde te verbinden of zij trad nader en vroeg hem bedaard:

»Kan ik u ook van eenige dienst zijn, vader, en u helpen in hetgoede werk dat gij onderneemt? Gij weet wel dat ik mij haasten moet als ik nog leeren wil een goede ziekenoppasster te worden.”

Deze woorden sprak zij op een toon van onbeschrijfelijke goedwilligheid.

De zendeling was blijkbaar verrukt over dezen trek van dienstvaardigheid, hij nam haar bij de hand en noopte haar om bij den gewonde neder te bukken, die nog altoos onbewegelijk lag.

»Het is wel eene beschikking van Gods wijze voorzienigheid, mevrouw, wat hier op dit oogenblik gebeurt,” zeide hij; »nauwelijks zijt gij in dit land ontscheept en deze woestijn ingetreden om er uw zoon te zoeken, of de hemel draagt u eene taak op die uw hart moet verheugen, daar gij u geplaatst ziet tegenover dezen man.”

»Wat wilt gij daarmede zeggen, vader?” vroeg zij verwonderd.

»Moeder van Valentin Guillois,” hernam hij op een toon van welgeplaatste waardigheid, »beschouw dezen man eens goed opdat gij hem later moogt herkennen: het is de Roode-Ceder, de rampzalige daar ik u zoo vaak van gesproken heb, de onverbiddelijke vijand van uw zoon.”

Bij deze ontzettende opheldering deinsde de arme vrouw met schrik terug; doch zij kwam met meer dan menschelijke inspanning haar gevoel van afschuw te boven en antwoordde met eene kalme stem:

»Laat dit zoo zijn, vader, de rampzalige is lijdend, ik zal hem verplegen.”

»Goed mevrouw!” hervatte de zendeling getroffen, »dit goede werk van christelijke zelfverloochening zal de Heer niet onbeloond laten.”

1Ziede Roovers der Prairiën.↑

1Ziede Roovers der Prairiën.↑

1Ziede Roovers der Prairiën.↑


Back to IndexNext