XII.

XII.DE ZENDELING.Wij gevoelen ons verplicht om hier in weinige regels op te helderen door welken zonderlingen samenloop van omstandigheden pater Seraphin, dien wij sedert lang uit het oog schenen verloren te hebben, alsmede de moeder van Valentin Guillois, die, ofschoon in waardige gestalte, slechts eenmaal in onze verhalen is opgetreden1zoo juist van pas kwamen om den Roode-Ceder hulp te verleenen.Toen de missionaris den Gids der Prairiën verlaten had, was hij, volgens zijn verklaarde verlangen, naar het land der Comanchen vertrokken om onder deze half beschaafde Indianen het Evangelie te prediken, welken heiligen plicht hij reeds vroeger met ijver had aangevangen.Pater Seraphin had zich zoowel door zijne kunde als door zijn eerwaardig karakter en zijne zeden vele vrienden verworven onder deze half wilde kinderen der natuur en telde zelfs eene menigte proselieten bij de verschillende Indianen-stammen, vooral bij dien van den Eenhoorn.De reis naar het dorp der Comanchen was langdurig en vermoeiend; in de woestijn zijn geen middelen van vervoer of vaste rustplaatsen, niet dan enkele jagers of Indianen-horden, die in de eenzame wildernis zonder plan of doel rondzwerven. De zendeling liet zich echter hierdoor niet afschrikken; te zwak om te paard te stijgen, uit hoofde van de wond die hem kort te voren toegebracht en nog nauwelijks gesloten was, ging hij moedig op weg op het voorbeeld der eerste apostelen en trok te voet door een land dat bijna onmogelijk zonder paard te bereizen is.Maar de menschelijke krachten hebben hare grenzen die zij niet kunnen overschrijden en pater Seraphin, ondanks zijn moed, moest, weldra bekennen dat hij een taak ondernomen had, die voor hem te zwaar was om tot een goed einde te brengen.Op zekeren avond, toen hij uitgeput door koorts en vermoeienis niet verder kon, was hij voor de deur eener Indiaansche hut neergezonken, waar hij liefderijk werd opgenomen en verzorgd.Deze Indianen, half beschaafd en sedert lang christenen geworden, hadden niet willen gedoogen dat de geachte priester bij den wankelenden gezondheidstoestand waarin hij zich bevond zijne reis zoude voortzetten; buitendien gaf de koorts, die hem geheel bewusteloos maakte voor hetgeen er met hem gebeurde, hun aanleiding om hem met kleine dagreizen naar Texas over te brengen.Toen dus pater Seraphin, dank zij zijne jeugd en zijn gezond gestel, eindelijk de krankte te boven kwam, die hem meer dan eene maand aan het ziekbed gekluisterd en in ijlenden toestand als tusschen leven en dood had doen zweven, was hij zeer verwonderd te zien dat hij zich te Galveston bevond, in het huis van den bisschop, het hoofd der zending.De bisschop, gebruik makende van de kerkelijke macht die hij bezat en van zijn gezag over het zendingswerk, verbood hem naar de woestijn terug te keeren, maar verplichtte hem integendeel, aan boord te gaan van een schip, dat in de haven van Galveston zeilreê lag en slechts op gunstigen wind wachtte om naar Havre te vertrekken.Pater Seraphin gehoorzaamde niet dan met tegenzin de bevelen van zijn superieur; de bisschop had hem daartoe eerst moeten betoogen, dat zijne gezondheid te veel ondermijnd was en dat alleen de invloed van zijn geboorteland hem kon doen herstellen, eer hij toegaf om, zoo als hij het noemde, zijn post te verlaten en op de vlucht te gaan.De missionaris vertrok derhalve, maar met het vaste voornemen om zoo spoedig mogelijk terug te keeren.De overtocht van Galveston naar Havre was voorspoedig; twee maanden na zijn vertrek uit Texas liep het schip aan welks boord pater Seraphin zich bevond te Havre binnen, en zette hij voet op den vaderlandschen bodem met een geroerd hart en een gevoel van dankbare blijdschap, zoo als zij alleen kunnen beseffen welke gedurende langen tijd in den vreemde hebben moeten omzwerven.Daar het toeval om zoo te zeggen hem in Frankrijk terugvoerde, maakte de zendeling zich deze gelegenheid ten nutte om zijne vrienden te gaan bezoeken, die hij niet had durven hopen ooit weder te zullen zien en die hem met des te grooter vreugde ontvingen, daar zij op zijne terugkomst niet meer hadden gerekend.Het leven der zendelingen is hard en moeitevol; alleen zij die hen aan ’t werk hebben gezien in de groote woestenijen van Amerika, kunnen de vrome zelfverloochening en den waren heldenmoed waardeeren welke deze eenvoudige mannen bezielt, zoo zij althans werkelijk zijn wat zij behooren te zijn; in koene oprechtheid, zonder hoop op aardsche belooning, kunnen zij gezegd worden hun leven voor de bekeering der heidenen ten offer te brengen. In den regel bezwijken zij op hun post en kwijnen weg in een of anderen onbekenden hoek der prairie, als het slachtoffer hunner trouw aan de goede zaak; of gelukt het hun gedurende vijf of zes jaar in hunne moeitevolle taak te volharden dan keeren zij vaak in hun vaderland terug, oud voor hun tijd, verzwakt en vergrijsd, bijna blind of gebogen onder lichaamskwalen en gedwongen hun kommerlijk leven voort te slepen in eene maatschappij die hen veelal miskent en niet zelden bespot of belastert.De verlofdagen van Seraphin waren geteld: ieder uur dat hij langer van zijne geliefde Indianen verwijderd bleef verweet hij zich als een diefstal ten hunnen opzichte. Hij scheurde zich dus om te zeggen los uit de armen zijner ouders en spoedde naar Havre terug, om met de eerste gelegenheid de beste die zich opdeed weder scheep te gaan naar Texas.Op zekeren avond zat vader Seraphin aan het strand te Havre met het oog op de zee gericht, die hem van het doel zijns levens scheidde, en dacht hij met bekommering aan de bekeerlingen die hij in Amerika had achtergelaten en die van zijne leiding verstoken, misschien in hunne oude dwaalbegrippen zouden terugvallen. Zoo in diepe gepeinzen verzonken, hoorde hij in zijne nabijheid iemand klagend zuchten. Hij keek op en zag eenige passen van hem af eene vrouw op het zand geknield en weenende; van tijd tot tijd kwamen er eenige afgebroken woorden op hare lippen. Vader Seraphin kreeg medelijden met haar, hij stond op, naderde haar en hoorde haar duidelijk zeggen: »Mijn zoon! mijn arme zoon! O mijn God, zal ik hem dan nooit wederzien!”Men zou de oude vrouw in hare tranen hebben kunnen wasschen. Zij hield de oogen ten hemel gericht met een blik van hopelooze droefheid die ook op haar vermagerd gelaat was uitgedrukt.Vader Seraphin, met de hem eigene goedheid, begreep terstond dat hier een groot ongeluk te verzachten was, hij wendde zich tot de onbekende en vroeg haar:»Arme vrouw, wat zoekt gij hier? Waarom weent gij?”»Helaas! vader,” antwoordde zij, »ik heb elke hoop op aardsch geluk verloren.”»Dat kan niemand zeggen, mevrouw. Vertel mij uw ongeluk! God is groot, misschien geeft Hij mij de macht om u te troosten.”»Gij hebt gelijk, vader, God verlaat nooit de bedroefden, en helpt hen vaak wanneer de laatste hoop hun ontzinkt.”»Spreek dan maar moedig op.”De oude vrouw hervatte thans met eene geschokte stem, die gedurig door hare inwendige aandoeningen werd afgebroken:»Het is nu tien jaren geleden dat ik mijn zoon voor het laatst gezien heb. Helaas! sedert hij naar Amerika vertrok heb ik ondanks alle aangewende pogingen niets van hem kunnen vernemen, zoodat ik niet weet hoe hij het heeft, en of hij dood of levend is.”»Zoo, hebt gij dan in al dien tijd volstrekt niets van zijn wedervaren gehoord, dat gij hem zoo bitter beschreit.”»Helaas! neen, vader, niets sedert de brave jongen uit eigen verkiezing met zijn zoogbroeder naar Chili is vertrokken.”»Naar Chili!” viel de priester haar in de rede, »welnu, dan zou men dáár toch naar hem kunnen informeeren.”»Dat heb ik gedaan, vader.”»En toch niets?”»Ik zal u zeggen, vader, zijn zoogbroeder is in Chili getrouwd, hij bezit daar een groot fortuin en aan dezen heb ik in der tijd geschreven. Maar mijn zoon is niet meer bij hem, omtrent een jaar nadat zij samen uit Frankrijk waren vertrokken heeft hij zijn zoogbroeder verlaten, zonder de reden op te geven waarom hij dit deed, en sinds dien tijd heeft zijn zoogbroeder alle mogelijke moeite gedaan om te weten waar hij gebleven was, maar al zijne nasporingen waren vergeefs en hij heeft nooit meer van hem hooren spreken; het eenige dat hij nog is te weten kunnen komen was: dat hij naar de onmetelijke bosschen van Groot-Chaco zou vertrokken zijn in gezelschap van twee Indiaansche opperhoofden.”»Dat is al zeer vreemd, inderdaad,” mompelde de priester nadenkend.»Zijn zoogbroeder schrijft mij dikwijls, hij zorgt goed voor mij, door zijn toedoen ben ik rijk voor eene vrouw van mijn stand die gewoon is zich met weinig te behelpen. In iederen brief dien ik van hem krijg, schrijft hij mij dat ik moet overkomen om mijn ouden dag bij hem te slijten. Maar dat verlang ik niet, ik verlang alleen mijn zoon weêr te zien, in zijne armen wensch ik mijne oogen te sluiten. Helaas! dat die troost mij niet gegund mag zijn. O! vader, gij kunt u niet verbeelden hoe smartelijk het voor eene moeder is zooalleen te leven, altijd alleen en altijd gescheiden van het eenigste wezen dat hare laatste dagen zou kunnen gelukkig maken. Al is het nu meer dan tien jaar dat ik hem niet gezien heb, kan ik hem mij nog zoo goed voorstellen alsof hij mij gisteren eerst verlaten had, jong en sterk, onbezorgd en gereed om alles te ondernemen, zoo als hij mij voor het laatst omhelsde en helaas voor altijd verliet.”Onder het uiten dezer laatste woorden kon de arme vrouw zich niet langer goed houden en barstte zij in snikken en tranen uit.»Schep maar moed! het leven is slechts een lange proeftijd, misschien heeft God, die zoo oneindig goed is, voor u, daar gij nu zoo veel geleden hebt nog een groote vreugd weggelegd op uw ouden dag.”»Helaas! vader, gij weet wel dat eene moeder ontroostbaar is, wanneer zij haar zoon missen moet; haar zoon is haar eigen vleesch en bloed! Bij ieder schip dat er aankomt loop ik naar de haven en vraag, en vraag, maar altijd hetzelfde stilzwijgen!… En toch, als ik het u bekennen mag, is er in mij iets dat mij zegt dat hij niet dood is, dat ik hem zal wederzien; het ligt mij zoo bij, als een heimelijk voorgevoel, dat ik mij niet verklaren kan; maar mij dunkt, als mijn zoon dood was, zou er in mijn hart iets gebroken zijn en dan zou ik er reeds lang niet meer zijn geweest. Deze hoop houdt mij tegen wil dank en staande en geeft mij de kracht om te leven.”»Gij zijt inderdaad een vrouw naar mijn hart, goede oude ziel, ik bewonder u.”»Gij bedriegt u, vader; ik ben maar een arm, dom, diep ongelukkig schepsel; ik heb slechts één gevoel in mijn hart, en dat gevoel neemt het geheel in: de liefde voor mijn kind. O! als ik hem eens zien kon, al was het maar voor eene minuut, mij dunkt ik stierf van geluk! Van tijd tot tijd krijg ik ook wel een briefje van een bankier met verzoek om mij bij hem te vervoegen, en die geeft mij dan een sommetje geld, nu eens wat meer en dan eens wat minder; en als ik hem dan vraag wie het mij zendt, antwoordt mij die heer dat hij het zelf niet weet, dat een onbekende correspondent hem gelast heeft het mij ter hand te stellen. Nu verbeeld ik mij telkens, als ik dat geld ontvang, dat het van mijn zoon komt, en dat hij dus nog aan mij denkt, en dat maakt mij gelukkig.”»Daar behoeft gij niet aan te twijfelen, mevrouw, dat geld komt van uw zoon.”»Niet waar?” riep zij blijkbaar vergenoegd. »O! ik ben er zoo zeker van, dat ik het niet zou willen uitgeven; al die gelden liggen nog bij mij onaangeroerd, in dezelfde orde als ik ze ontvangen heb. Dikwijls, als ik wat treuriger ben dan anders en mijn verdriet mij te zwaar wordt, neem ik die geldstukken een voor een op, bekijk ze, laat ze door mijne vingers gaan, praat er mede en dan is het of mijn zoon mij antwoordt dat ik hem nog eens weder zal zien, en dan voel ik de hoop in mijn hart herleven. O! gij moet dit zekerwel dwaas van mij vinden, niet waar vader, dat ik u dit alles zoo vertel? maar waar zou eene moeder anders van spreken dan van haar zoon? waar zou zij anders aan denken dan aan hem?”Pater Seraphin zag haar aan met eene mengeling van teederheid en eerbied. Zooveel grootmoedigheid en eenvoudigheid tegelijk in eene vrouw van haar stand en opvoeding overmeesterden hem, hij voelde dat er een traan langs zijne wangen liep doch vergat dien af te wisschen.»O! vroom en goed schepsel,” zeide hij, »hoop maar op God, Hij waakt over u!”»Ja, dat denk ik zoo dikwijls, en nu gij het ook denkt, vader, doet het mij zoo goed. O, ik dank er u voor! Ziedaar, gij hebt mij nog niets van mijn zoon gezegd en toch voel ik mij reeds gesterkt dat ik u gezien heb en mijn hart voor u heb mogen ontlasten. Maar dat is omdat gij zoo goed zijt, gij hebt mijne smart begrepen, want gij hebt zeker ook veel geleden, ja dat kan ik wel zien.”»Helaas! ja mevrouw, ieder heeft op deze wereld zijn kruis te dragen: gelukkig hij dien deze last niet te zwaar valt.”»Vergeef mij dat ik u met mijn verdriet heb lastig gevallen, vader,” zeide zij, terwijl zij opstond om weer heen te gaan, »ik bedank u wel voor uwe goede woorden.”»Ik heb u niets te vergeven,” zei vader Seraphin, »maar mag ik u nog eene vraag doen?”»Zeer gaarne, vader, spreek, ik hoor u.”»Ik ben missionaris. Reeds verscheidene jaren geleden werd ik naar Amerika gezonden, waar ik in alle richtingen de onmetelijke wildernissen heb doorkruist. Ik heb op mijne reizen vrij wat zaken gezien en personen ontmoet Wie weet of ik niet misschien zonder hem te kennen, met uw zoon in aanraking ben geweest, en of ik niet in staat zou zijn om u eenig bericht te geven daar gij zoo lang op hebt gewacht.”De arme moeder keek hem aan met een onbeschrijfelijken blik, en hield zich de hand op het hart om er het heftige kloppen van te stillen.»Mevrouw, de goede God bestuurt al onze gangen, Hij heeft gewild dat wij elkander hier op dit strand zouden ontmoeten; misschien kan ik u de hoop terug geven die gij dreigt te verliezen; Gods wegen zijn wonderlijk. Mag ik ook weten hoe uw zoon heet?”Op dit oogenblik vertoonde pater Seraphin zich inderdaad als door hooger aandrift bezield, zijne stem klonk indrukwekkend, zijne oogen schitterden van ongewonen gloed zoodat de oude vrouw als aan zijne lippen hing.»Vader, vader!” riep zij hijgend.»Mevrouw,” hervatte hij, »hoe is de naam van uw zoon?”»Valentin Guillois!” murmelde zij terwijl zij bijna in onmacht neerzonk op een ouden scheepsmast die aan het strand lag.»Wat zegt gij?” riep de zendeling verrast, »kniel en dank God! wees getroost, arme moeder! uw zoon leeft nog.”Zij vloog op als werktuigelijk bewogen, wierp zich snikkend op de knieën en strekte de armen uit naar den spreker, als had hij haar zoon uit den doode doen verrijzen.Maar het was te veel voor haar; de langbeproefde moeder, zoo sterk in de smart, kon de vreugd niet weerstaan, zij viel in flauwte.Vader Seraphin bood haar de noodige hulp en bracht haar door zijne onvermoeide zorgen weder tot bewustzijn.Wij behoeven het daarop volgend tooneel niet te beschrijven.Acht dagen later gingen de zendeling en de moeder van Valentin scheep naar Amerika.Op hunne voorspoedige reis vertelde pater Seraphin haar tot in de kleinste bijzonderheden al wat er met haar zoon gedurende zijne lange afwezigheid gebeurd was, de oorzaken van zijn stilzwijgen en de vrome kinderzin waarmede hij haar aandenken steeds in waarde had gehouden.De arme moeder luisterde met gespannen aandacht en opgetogen van geluk naar deze verhalen, die zij telkens op nieuw verlangde te hooren, daar zij niet te verzadigen scheen en nooit gelukkiger was dan wanneer pater Seraphin van haar zoon begon te spreken.Zoo kwamen zij te Galveston.De zendeling was niet zonder reden beducht dat zij tegen de vermoeienis eener reis door de woestijn niet bestand zoude zijn en wilde haar dus overhalen om in de stad te blijven en daar de komst van haar zoon af te wachten.Bij dit voorstel schudde de moeder met tegenzin het hoofd.»Neen,” zeide zij bepaald, »ik ben zoo ver niet gekomen om hier stil te houden; ik verlang de weinige levensdagen die mij nog overschieten met hem te slijten. Ik heb te veel moeten lijden om niet karig te zijn met mijn geluk en er geen stukje van te willen verliezen. Laten wij vertrekken, vader, en breng gij mij bij mijn kind.”Tegen zulk een bepaald uitgedrukten wil had de zendeling geen kracht genoeg zich te verzetten en hij gevoelde het recht niet te bezitten om zijn eigen inzichten door te drijven; zijn eenigste zorg was nu slechts om voor zijne tochtgenoot de vermoeienissen der reis zoo veel mogelijk te verzachten.Zij vertrokken dus samen uit Galveston en zetten met kleine dagreizen koers naar het Verre Westen.Aan de uiterste grenzen der beschaafde wereld komende, had pater Seraphin een geleide van getrouwe Indianen aangenomen om hem en zijne reisgenoote veilig door de woestijn te brengen. Nauwelijks twee dagen echter waren zij de prairiën binnengetrokken, of onder het bestuur der Voorzienigheid, bevonden zij zich eensklaps tegenover den Roode-Ceder, terwijl deze geheel hulpeloos en bijna stervende lag te midden van een der ongerepte natuurwouden.1Ziehet Opperhoofd der Aucas.↑

XII.DE ZENDELING.Wij gevoelen ons verplicht om hier in weinige regels op te helderen door welken zonderlingen samenloop van omstandigheden pater Seraphin, dien wij sedert lang uit het oog schenen verloren te hebben, alsmede de moeder van Valentin Guillois, die, ofschoon in waardige gestalte, slechts eenmaal in onze verhalen is opgetreden1zoo juist van pas kwamen om den Roode-Ceder hulp te verleenen.Toen de missionaris den Gids der Prairiën verlaten had, was hij, volgens zijn verklaarde verlangen, naar het land der Comanchen vertrokken om onder deze half beschaafde Indianen het Evangelie te prediken, welken heiligen plicht hij reeds vroeger met ijver had aangevangen.Pater Seraphin had zich zoowel door zijne kunde als door zijn eerwaardig karakter en zijne zeden vele vrienden verworven onder deze half wilde kinderen der natuur en telde zelfs eene menigte proselieten bij de verschillende Indianen-stammen, vooral bij dien van den Eenhoorn.De reis naar het dorp der Comanchen was langdurig en vermoeiend; in de woestijn zijn geen middelen van vervoer of vaste rustplaatsen, niet dan enkele jagers of Indianen-horden, die in de eenzame wildernis zonder plan of doel rondzwerven. De zendeling liet zich echter hierdoor niet afschrikken; te zwak om te paard te stijgen, uit hoofde van de wond die hem kort te voren toegebracht en nog nauwelijks gesloten was, ging hij moedig op weg op het voorbeeld der eerste apostelen en trok te voet door een land dat bijna onmogelijk zonder paard te bereizen is.Maar de menschelijke krachten hebben hare grenzen die zij niet kunnen overschrijden en pater Seraphin, ondanks zijn moed, moest, weldra bekennen dat hij een taak ondernomen had, die voor hem te zwaar was om tot een goed einde te brengen.Op zekeren avond, toen hij uitgeput door koorts en vermoeienis niet verder kon, was hij voor de deur eener Indiaansche hut neergezonken, waar hij liefderijk werd opgenomen en verzorgd.Deze Indianen, half beschaafd en sedert lang christenen geworden, hadden niet willen gedoogen dat de geachte priester bij den wankelenden gezondheidstoestand waarin hij zich bevond zijne reis zoude voortzetten; buitendien gaf de koorts, die hem geheel bewusteloos maakte voor hetgeen er met hem gebeurde, hun aanleiding om hem met kleine dagreizen naar Texas over te brengen.Toen dus pater Seraphin, dank zij zijne jeugd en zijn gezond gestel, eindelijk de krankte te boven kwam, die hem meer dan eene maand aan het ziekbed gekluisterd en in ijlenden toestand als tusschen leven en dood had doen zweven, was hij zeer verwonderd te zien dat hij zich te Galveston bevond, in het huis van den bisschop, het hoofd der zending.De bisschop, gebruik makende van de kerkelijke macht die hij bezat en van zijn gezag over het zendingswerk, verbood hem naar de woestijn terug te keeren, maar verplichtte hem integendeel, aan boord te gaan van een schip, dat in de haven van Galveston zeilreê lag en slechts op gunstigen wind wachtte om naar Havre te vertrekken.Pater Seraphin gehoorzaamde niet dan met tegenzin de bevelen van zijn superieur; de bisschop had hem daartoe eerst moeten betoogen, dat zijne gezondheid te veel ondermijnd was en dat alleen de invloed van zijn geboorteland hem kon doen herstellen, eer hij toegaf om, zoo als hij het noemde, zijn post te verlaten en op de vlucht te gaan.De missionaris vertrok derhalve, maar met het vaste voornemen om zoo spoedig mogelijk terug te keeren.De overtocht van Galveston naar Havre was voorspoedig; twee maanden na zijn vertrek uit Texas liep het schip aan welks boord pater Seraphin zich bevond te Havre binnen, en zette hij voet op den vaderlandschen bodem met een geroerd hart en een gevoel van dankbare blijdschap, zoo als zij alleen kunnen beseffen welke gedurende langen tijd in den vreemde hebben moeten omzwerven.Daar het toeval om zoo te zeggen hem in Frankrijk terugvoerde, maakte de zendeling zich deze gelegenheid ten nutte om zijne vrienden te gaan bezoeken, die hij niet had durven hopen ooit weder te zullen zien en die hem met des te grooter vreugde ontvingen, daar zij op zijne terugkomst niet meer hadden gerekend.Het leven der zendelingen is hard en moeitevol; alleen zij die hen aan ’t werk hebben gezien in de groote woestenijen van Amerika, kunnen de vrome zelfverloochening en den waren heldenmoed waardeeren welke deze eenvoudige mannen bezielt, zoo zij althans werkelijk zijn wat zij behooren te zijn; in koene oprechtheid, zonder hoop op aardsche belooning, kunnen zij gezegd worden hun leven voor de bekeering der heidenen ten offer te brengen. In den regel bezwijken zij op hun post en kwijnen weg in een of anderen onbekenden hoek der prairie, als het slachtoffer hunner trouw aan de goede zaak; of gelukt het hun gedurende vijf of zes jaar in hunne moeitevolle taak te volharden dan keeren zij vaak in hun vaderland terug, oud voor hun tijd, verzwakt en vergrijsd, bijna blind of gebogen onder lichaamskwalen en gedwongen hun kommerlijk leven voort te slepen in eene maatschappij die hen veelal miskent en niet zelden bespot of belastert.De verlofdagen van Seraphin waren geteld: ieder uur dat hij langer van zijne geliefde Indianen verwijderd bleef verweet hij zich als een diefstal ten hunnen opzichte. Hij scheurde zich dus om te zeggen los uit de armen zijner ouders en spoedde naar Havre terug, om met de eerste gelegenheid de beste die zich opdeed weder scheep te gaan naar Texas.Op zekeren avond zat vader Seraphin aan het strand te Havre met het oog op de zee gericht, die hem van het doel zijns levens scheidde, en dacht hij met bekommering aan de bekeerlingen die hij in Amerika had achtergelaten en die van zijne leiding verstoken, misschien in hunne oude dwaalbegrippen zouden terugvallen. Zoo in diepe gepeinzen verzonken, hoorde hij in zijne nabijheid iemand klagend zuchten. Hij keek op en zag eenige passen van hem af eene vrouw op het zand geknield en weenende; van tijd tot tijd kwamen er eenige afgebroken woorden op hare lippen. Vader Seraphin kreeg medelijden met haar, hij stond op, naderde haar en hoorde haar duidelijk zeggen: »Mijn zoon! mijn arme zoon! O mijn God, zal ik hem dan nooit wederzien!”Men zou de oude vrouw in hare tranen hebben kunnen wasschen. Zij hield de oogen ten hemel gericht met een blik van hopelooze droefheid die ook op haar vermagerd gelaat was uitgedrukt.Vader Seraphin, met de hem eigene goedheid, begreep terstond dat hier een groot ongeluk te verzachten was, hij wendde zich tot de onbekende en vroeg haar:»Arme vrouw, wat zoekt gij hier? Waarom weent gij?”»Helaas! vader,” antwoordde zij, »ik heb elke hoop op aardsch geluk verloren.”»Dat kan niemand zeggen, mevrouw. Vertel mij uw ongeluk! God is groot, misschien geeft Hij mij de macht om u te troosten.”»Gij hebt gelijk, vader, God verlaat nooit de bedroefden, en helpt hen vaak wanneer de laatste hoop hun ontzinkt.”»Spreek dan maar moedig op.”De oude vrouw hervatte thans met eene geschokte stem, die gedurig door hare inwendige aandoeningen werd afgebroken:»Het is nu tien jaren geleden dat ik mijn zoon voor het laatst gezien heb. Helaas! sedert hij naar Amerika vertrok heb ik ondanks alle aangewende pogingen niets van hem kunnen vernemen, zoodat ik niet weet hoe hij het heeft, en of hij dood of levend is.”»Zoo, hebt gij dan in al dien tijd volstrekt niets van zijn wedervaren gehoord, dat gij hem zoo bitter beschreit.”»Helaas! neen, vader, niets sedert de brave jongen uit eigen verkiezing met zijn zoogbroeder naar Chili is vertrokken.”»Naar Chili!” viel de priester haar in de rede, »welnu, dan zou men dáár toch naar hem kunnen informeeren.”»Dat heb ik gedaan, vader.”»En toch niets?”»Ik zal u zeggen, vader, zijn zoogbroeder is in Chili getrouwd, hij bezit daar een groot fortuin en aan dezen heb ik in der tijd geschreven. Maar mijn zoon is niet meer bij hem, omtrent een jaar nadat zij samen uit Frankrijk waren vertrokken heeft hij zijn zoogbroeder verlaten, zonder de reden op te geven waarom hij dit deed, en sinds dien tijd heeft zijn zoogbroeder alle mogelijke moeite gedaan om te weten waar hij gebleven was, maar al zijne nasporingen waren vergeefs en hij heeft nooit meer van hem hooren spreken; het eenige dat hij nog is te weten kunnen komen was: dat hij naar de onmetelijke bosschen van Groot-Chaco zou vertrokken zijn in gezelschap van twee Indiaansche opperhoofden.”»Dat is al zeer vreemd, inderdaad,” mompelde de priester nadenkend.»Zijn zoogbroeder schrijft mij dikwijls, hij zorgt goed voor mij, door zijn toedoen ben ik rijk voor eene vrouw van mijn stand die gewoon is zich met weinig te behelpen. In iederen brief dien ik van hem krijg, schrijft hij mij dat ik moet overkomen om mijn ouden dag bij hem te slijten. Maar dat verlang ik niet, ik verlang alleen mijn zoon weêr te zien, in zijne armen wensch ik mijne oogen te sluiten. Helaas! dat die troost mij niet gegund mag zijn. O! vader, gij kunt u niet verbeelden hoe smartelijk het voor eene moeder is zooalleen te leven, altijd alleen en altijd gescheiden van het eenigste wezen dat hare laatste dagen zou kunnen gelukkig maken. Al is het nu meer dan tien jaar dat ik hem niet gezien heb, kan ik hem mij nog zoo goed voorstellen alsof hij mij gisteren eerst verlaten had, jong en sterk, onbezorgd en gereed om alles te ondernemen, zoo als hij mij voor het laatst omhelsde en helaas voor altijd verliet.”Onder het uiten dezer laatste woorden kon de arme vrouw zich niet langer goed houden en barstte zij in snikken en tranen uit.»Schep maar moed! het leven is slechts een lange proeftijd, misschien heeft God, die zoo oneindig goed is, voor u, daar gij nu zoo veel geleden hebt nog een groote vreugd weggelegd op uw ouden dag.”»Helaas! vader, gij weet wel dat eene moeder ontroostbaar is, wanneer zij haar zoon missen moet; haar zoon is haar eigen vleesch en bloed! Bij ieder schip dat er aankomt loop ik naar de haven en vraag, en vraag, maar altijd hetzelfde stilzwijgen!… En toch, als ik het u bekennen mag, is er in mij iets dat mij zegt dat hij niet dood is, dat ik hem zal wederzien; het ligt mij zoo bij, als een heimelijk voorgevoel, dat ik mij niet verklaren kan; maar mij dunkt, als mijn zoon dood was, zou er in mijn hart iets gebroken zijn en dan zou ik er reeds lang niet meer zijn geweest. Deze hoop houdt mij tegen wil dank en staande en geeft mij de kracht om te leven.”»Gij zijt inderdaad een vrouw naar mijn hart, goede oude ziel, ik bewonder u.”»Gij bedriegt u, vader; ik ben maar een arm, dom, diep ongelukkig schepsel; ik heb slechts één gevoel in mijn hart, en dat gevoel neemt het geheel in: de liefde voor mijn kind. O! als ik hem eens zien kon, al was het maar voor eene minuut, mij dunkt ik stierf van geluk! Van tijd tot tijd krijg ik ook wel een briefje van een bankier met verzoek om mij bij hem te vervoegen, en die geeft mij dan een sommetje geld, nu eens wat meer en dan eens wat minder; en als ik hem dan vraag wie het mij zendt, antwoordt mij die heer dat hij het zelf niet weet, dat een onbekende correspondent hem gelast heeft het mij ter hand te stellen. Nu verbeeld ik mij telkens, als ik dat geld ontvang, dat het van mijn zoon komt, en dat hij dus nog aan mij denkt, en dat maakt mij gelukkig.”»Daar behoeft gij niet aan te twijfelen, mevrouw, dat geld komt van uw zoon.”»Niet waar?” riep zij blijkbaar vergenoegd. »O! ik ben er zoo zeker van, dat ik het niet zou willen uitgeven; al die gelden liggen nog bij mij onaangeroerd, in dezelfde orde als ik ze ontvangen heb. Dikwijls, als ik wat treuriger ben dan anders en mijn verdriet mij te zwaar wordt, neem ik die geldstukken een voor een op, bekijk ze, laat ze door mijne vingers gaan, praat er mede en dan is het of mijn zoon mij antwoordt dat ik hem nog eens weder zal zien, en dan voel ik de hoop in mijn hart herleven. O! gij moet dit zekerwel dwaas van mij vinden, niet waar vader, dat ik u dit alles zoo vertel? maar waar zou eene moeder anders van spreken dan van haar zoon? waar zou zij anders aan denken dan aan hem?”Pater Seraphin zag haar aan met eene mengeling van teederheid en eerbied. Zooveel grootmoedigheid en eenvoudigheid tegelijk in eene vrouw van haar stand en opvoeding overmeesterden hem, hij voelde dat er een traan langs zijne wangen liep doch vergat dien af te wisschen.»O! vroom en goed schepsel,” zeide hij, »hoop maar op God, Hij waakt over u!”»Ja, dat denk ik zoo dikwijls, en nu gij het ook denkt, vader, doet het mij zoo goed. O, ik dank er u voor! Ziedaar, gij hebt mij nog niets van mijn zoon gezegd en toch voel ik mij reeds gesterkt dat ik u gezien heb en mijn hart voor u heb mogen ontlasten. Maar dat is omdat gij zoo goed zijt, gij hebt mijne smart begrepen, want gij hebt zeker ook veel geleden, ja dat kan ik wel zien.”»Helaas! ja mevrouw, ieder heeft op deze wereld zijn kruis te dragen: gelukkig hij dien deze last niet te zwaar valt.”»Vergeef mij dat ik u met mijn verdriet heb lastig gevallen, vader,” zeide zij, terwijl zij opstond om weer heen te gaan, »ik bedank u wel voor uwe goede woorden.”»Ik heb u niets te vergeven,” zei vader Seraphin, »maar mag ik u nog eene vraag doen?”»Zeer gaarne, vader, spreek, ik hoor u.”»Ik ben missionaris. Reeds verscheidene jaren geleden werd ik naar Amerika gezonden, waar ik in alle richtingen de onmetelijke wildernissen heb doorkruist. Ik heb op mijne reizen vrij wat zaken gezien en personen ontmoet Wie weet of ik niet misschien zonder hem te kennen, met uw zoon in aanraking ben geweest, en of ik niet in staat zou zijn om u eenig bericht te geven daar gij zoo lang op hebt gewacht.”De arme moeder keek hem aan met een onbeschrijfelijken blik, en hield zich de hand op het hart om er het heftige kloppen van te stillen.»Mevrouw, de goede God bestuurt al onze gangen, Hij heeft gewild dat wij elkander hier op dit strand zouden ontmoeten; misschien kan ik u de hoop terug geven die gij dreigt te verliezen; Gods wegen zijn wonderlijk. Mag ik ook weten hoe uw zoon heet?”Op dit oogenblik vertoonde pater Seraphin zich inderdaad als door hooger aandrift bezield, zijne stem klonk indrukwekkend, zijne oogen schitterden van ongewonen gloed zoodat de oude vrouw als aan zijne lippen hing.»Vader, vader!” riep zij hijgend.»Mevrouw,” hervatte hij, »hoe is de naam van uw zoon?”»Valentin Guillois!” murmelde zij terwijl zij bijna in onmacht neerzonk op een ouden scheepsmast die aan het strand lag.»Wat zegt gij?” riep de zendeling verrast, »kniel en dank God! wees getroost, arme moeder! uw zoon leeft nog.”Zij vloog op als werktuigelijk bewogen, wierp zich snikkend op de knieën en strekte de armen uit naar den spreker, als had hij haar zoon uit den doode doen verrijzen.Maar het was te veel voor haar; de langbeproefde moeder, zoo sterk in de smart, kon de vreugd niet weerstaan, zij viel in flauwte.Vader Seraphin bood haar de noodige hulp en bracht haar door zijne onvermoeide zorgen weder tot bewustzijn.Wij behoeven het daarop volgend tooneel niet te beschrijven.Acht dagen later gingen de zendeling en de moeder van Valentin scheep naar Amerika.Op hunne voorspoedige reis vertelde pater Seraphin haar tot in de kleinste bijzonderheden al wat er met haar zoon gedurende zijne lange afwezigheid gebeurd was, de oorzaken van zijn stilzwijgen en de vrome kinderzin waarmede hij haar aandenken steeds in waarde had gehouden.De arme moeder luisterde met gespannen aandacht en opgetogen van geluk naar deze verhalen, die zij telkens op nieuw verlangde te hooren, daar zij niet te verzadigen scheen en nooit gelukkiger was dan wanneer pater Seraphin van haar zoon begon te spreken.Zoo kwamen zij te Galveston.De zendeling was niet zonder reden beducht dat zij tegen de vermoeienis eener reis door de woestijn niet bestand zoude zijn en wilde haar dus overhalen om in de stad te blijven en daar de komst van haar zoon af te wachten.Bij dit voorstel schudde de moeder met tegenzin het hoofd.»Neen,” zeide zij bepaald, »ik ben zoo ver niet gekomen om hier stil te houden; ik verlang de weinige levensdagen die mij nog overschieten met hem te slijten. Ik heb te veel moeten lijden om niet karig te zijn met mijn geluk en er geen stukje van te willen verliezen. Laten wij vertrekken, vader, en breng gij mij bij mijn kind.”Tegen zulk een bepaald uitgedrukten wil had de zendeling geen kracht genoeg zich te verzetten en hij gevoelde het recht niet te bezitten om zijn eigen inzichten door te drijven; zijn eenigste zorg was nu slechts om voor zijne tochtgenoot de vermoeienissen der reis zoo veel mogelijk te verzachten.Zij vertrokken dus samen uit Galveston en zetten met kleine dagreizen koers naar het Verre Westen.Aan de uiterste grenzen der beschaafde wereld komende, had pater Seraphin een geleide van getrouwe Indianen aangenomen om hem en zijne reisgenoote veilig door de woestijn te brengen. Nauwelijks twee dagen echter waren zij de prairiën binnengetrokken, of onder het bestuur der Voorzienigheid, bevonden zij zich eensklaps tegenover den Roode-Ceder, terwijl deze geheel hulpeloos en bijna stervende lag te midden van een der ongerepte natuurwouden.1Ziehet Opperhoofd der Aucas.↑

XII.DE ZENDELING.

Wij gevoelen ons verplicht om hier in weinige regels op te helderen door welken zonderlingen samenloop van omstandigheden pater Seraphin, dien wij sedert lang uit het oog schenen verloren te hebben, alsmede de moeder van Valentin Guillois, die, ofschoon in waardige gestalte, slechts eenmaal in onze verhalen is opgetreden1zoo juist van pas kwamen om den Roode-Ceder hulp te verleenen.Toen de missionaris den Gids der Prairiën verlaten had, was hij, volgens zijn verklaarde verlangen, naar het land der Comanchen vertrokken om onder deze half beschaafde Indianen het Evangelie te prediken, welken heiligen plicht hij reeds vroeger met ijver had aangevangen.Pater Seraphin had zich zoowel door zijne kunde als door zijn eerwaardig karakter en zijne zeden vele vrienden verworven onder deze half wilde kinderen der natuur en telde zelfs eene menigte proselieten bij de verschillende Indianen-stammen, vooral bij dien van den Eenhoorn.De reis naar het dorp der Comanchen was langdurig en vermoeiend; in de woestijn zijn geen middelen van vervoer of vaste rustplaatsen, niet dan enkele jagers of Indianen-horden, die in de eenzame wildernis zonder plan of doel rondzwerven. De zendeling liet zich echter hierdoor niet afschrikken; te zwak om te paard te stijgen, uit hoofde van de wond die hem kort te voren toegebracht en nog nauwelijks gesloten was, ging hij moedig op weg op het voorbeeld der eerste apostelen en trok te voet door een land dat bijna onmogelijk zonder paard te bereizen is.Maar de menschelijke krachten hebben hare grenzen die zij niet kunnen overschrijden en pater Seraphin, ondanks zijn moed, moest, weldra bekennen dat hij een taak ondernomen had, die voor hem te zwaar was om tot een goed einde te brengen.Op zekeren avond, toen hij uitgeput door koorts en vermoeienis niet verder kon, was hij voor de deur eener Indiaansche hut neergezonken, waar hij liefderijk werd opgenomen en verzorgd.Deze Indianen, half beschaafd en sedert lang christenen geworden, hadden niet willen gedoogen dat de geachte priester bij den wankelenden gezondheidstoestand waarin hij zich bevond zijne reis zoude voortzetten; buitendien gaf de koorts, die hem geheel bewusteloos maakte voor hetgeen er met hem gebeurde, hun aanleiding om hem met kleine dagreizen naar Texas over te brengen.Toen dus pater Seraphin, dank zij zijne jeugd en zijn gezond gestel, eindelijk de krankte te boven kwam, die hem meer dan eene maand aan het ziekbed gekluisterd en in ijlenden toestand als tusschen leven en dood had doen zweven, was hij zeer verwonderd te zien dat hij zich te Galveston bevond, in het huis van den bisschop, het hoofd der zending.De bisschop, gebruik makende van de kerkelijke macht die hij bezat en van zijn gezag over het zendingswerk, verbood hem naar de woestijn terug te keeren, maar verplichtte hem integendeel, aan boord te gaan van een schip, dat in de haven van Galveston zeilreê lag en slechts op gunstigen wind wachtte om naar Havre te vertrekken.Pater Seraphin gehoorzaamde niet dan met tegenzin de bevelen van zijn superieur; de bisschop had hem daartoe eerst moeten betoogen, dat zijne gezondheid te veel ondermijnd was en dat alleen de invloed van zijn geboorteland hem kon doen herstellen, eer hij toegaf om, zoo als hij het noemde, zijn post te verlaten en op de vlucht te gaan.De missionaris vertrok derhalve, maar met het vaste voornemen om zoo spoedig mogelijk terug te keeren.De overtocht van Galveston naar Havre was voorspoedig; twee maanden na zijn vertrek uit Texas liep het schip aan welks boord pater Seraphin zich bevond te Havre binnen, en zette hij voet op den vaderlandschen bodem met een geroerd hart en een gevoel van dankbare blijdschap, zoo als zij alleen kunnen beseffen welke gedurende langen tijd in den vreemde hebben moeten omzwerven.Daar het toeval om zoo te zeggen hem in Frankrijk terugvoerde, maakte de zendeling zich deze gelegenheid ten nutte om zijne vrienden te gaan bezoeken, die hij niet had durven hopen ooit weder te zullen zien en die hem met des te grooter vreugde ontvingen, daar zij op zijne terugkomst niet meer hadden gerekend.Het leven der zendelingen is hard en moeitevol; alleen zij die hen aan ’t werk hebben gezien in de groote woestenijen van Amerika, kunnen de vrome zelfverloochening en den waren heldenmoed waardeeren welke deze eenvoudige mannen bezielt, zoo zij althans werkelijk zijn wat zij behooren te zijn; in koene oprechtheid, zonder hoop op aardsche belooning, kunnen zij gezegd worden hun leven voor de bekeering der heidenen ten offer te brengen. In den regel bezwijken zij op hun post en kwijnen weg in een of anderen onbekenden hoek der prairie, als het slachtoffer hunner trouw aan de goede zaak; of gelukt het hun gedurende vijf of zes jaar in hunne moeitevolle taak te volharden dan keeren zij vaak in hun vaderland terug, oud voor hun tijd, verzwakt en vergrijsd, bijna blind of gebogen onder lichaamskwalen en gedwongen hun kommerlijk leven voort te slepen in eene maatschappij die hen veelal miskent en niet zelden bespot of belastert.De verlofdagen van Seraphin waren geteld: ieder uur dat hij langer van zijne geliefde Indianen verwijderd bleef verweet hij zich als een diefstal ten hunnen opzichte. Hij scheurde zich dus om te zeggen los uit de armen zijner ouders en spoedde naar Havre terug, om met de eerste gelegenheid de beste die zich opdeed weder scheep te gaan naar Texas.Op zekeren avond zat vader Seraphin aan het strand te Havre met het oog op de zee gericht, die hem van het doel zijns levens scheidde, en dacht hij met bekommering aan de bekeerlingen die hij in Amerika had achtergelaten en die van zijne leiding verstoken, misschien in hunne oude dwaalbegrippen zouden terugvallen. Zoo in diepe gepeinzen verzonken, hoorde hij in zijne nabijheid iemand klagend zuchten. Hij keek op en zag eenige passen van hem af eene vrouw op het zand geknield en weenende; van tijd tot tijd kwamen er eenige afgebroken woorden op hare lippen. Vader Seraphin kreeg medelijden met haar, hij stond op, naderde haar en hoorde haar duidelijk zeggen: »Mijn zoon! mijn arme zoon! O mijn God, zal ik hem dan nooit wederzien!”Men zou de oude vrouw in hare tranen hebben kunnen wasschen. Zij hield de oogen ten hemel gericht met een blik van hopelooze droefheid die ook op haar vermagerd gelaat was uitgedrukt.Vader Seraphin, met de hem eigene goedheid, begreep terstond dat hier een groot ongeluk te verzachten was, hij wendde zich tot de onbekende en vroeg haar:»Arme vrouw, wat zoekt gij hier? Waarom weent gij?”»Helaas! vader,” antwoordde zij, »ik heb elke hoop op aardsch geluk verloren.”»Dat kan niemand zeggen, mevrouw. Vertel mij uw ongeluk! God is groot, misschien geeft Hij mij de macht om u te troosten.”»Gij hebt gelijk, vader, God verlaat nooit de bedroefden, en helpt hen vaak wanneer de laatste hoop hun ontzinkt.”»Spreek dan maar moedig op.”De oude vrouw hervatte thans met eene geschokte stem, die gedurig door hare inwendige aandoeningen werd afgebroken:»Het is nu tien jaren geleden dat ik mijn zoon voor het laatst gezien heb. Helaas! sedert hij naar Amerika vertrok heb ik ondanks alle aangewende pogingen niets van hem kunnen vernemen, zoodat ik niet weet hoe hij het heeft, en of hij dood of levend is.”»Zoo, hebt gij dan in al dien tijd volstrekt niets van zijn wedervaren gehoord, dat gij hem zoo bitter beschreit.”»Helaas! neen, vader, niets sedert de brave jongen uit eigen verkiezing met zijn zoogbroeder naar Chili is vertrokken.”»Naar Chili!” viel de priester haar in de rede, »welnu, dan zou men dáár toch naar hem kunnen informeeren.”»Dat heb ik gedaan, vader.”»En toch niets?”»Ik zal u zeggen, vader, zijn zoogbroeder is in Chili getrouwd, hij bezit daar een groot fortuin en aan dezen heb ik in der tijd geschreven. Maar mijn zoon is niet meer bij hem, omtrent een jaar nadat zij samen uit Frankrijk waren vertrokken heeft hij zijn zoogbroeder verlaten, zonder de reden op te geven waarom hij dit deed, en sinds dien tijd heeft zijn zoogbroeder alle mogelijke moeite gedaan om te weten waar hij gebleven was, maar al zijne nasporingen waren vergeefs en hij heeft nooit meer van hem hooren spreken; het eenige dat hij nog is te weten kunnen komen was: dat hij naar de onmetelijke bosschen van Groot-Chaco zou vertrokken zijn in gezelschap van twee Indiaansche opperhoofden.”»Dat is al zeer vreemd, inderdaad,” mompelde de priester nadenkend.»Zijn zoogbroeder schrijft mij dikwijls, hij zorgt goed voor mij, door zijn toedoen ben ik rijk voor eene vrouw van mijn stand die gewoon is zich met weinig te behelpen. In iederen brief dien ik van hem krijg, schrijft hij mij dat ik moet overkomen om mijn ouden dag bij hem te slijten. Maar dat verlang ik niet, ik verlang alleen mijn zoon weêr te zien, in zijne armen wensch ik mijne oogen te sluiten. Helaas! dat die troost mij niet gegund mag zijn. O! vader, gij kunt u niet verbeelden hoe smartelijk het voor eene moeder is zooalleen te leven, altijd alleen en altijd gescheiden van het eenigste wezen dat hare laatste dagen zou kunnen gelukkig maken. Al is het nu meer dan tien jaar dat ik hem niet gezien heb, kan ik hem mij nog zoo goed voorstellen alsof hij mij gisteren eerst verlaten had, jong en sterk, onbezorgd en gereed om alles te ondernemen, zoo als hij mij voor het laatst omhelsde en helaas voor altijd verliet.”Onder het uiten dezer laatste woorden kon de arme vrouw zich niet langer goed houden en barstte zij in snikken en tranen uit.»Schep maar moed! het leven is slechts een lange proeftijd, misschien heeft God, die zoo oneindig goed is, voor u, daar gij nu zoo veel geleden hebt nog een groote vreugd weggelegd op uw ouden dag.”»Helaas! vader, gij weet wel dat eene moeder ontroostbaar is, wanneer zij haar zoon missen moet; haar zoon is haar eigen vleesch en bloed! Bij ieder schip dat er aankomt loop ik naar de haven en vraag, en vraag, maar altijd hetzelfde stilzwijgen!… En toch, als ik het u bekennen mag, is er in mij iets dat mij zegt dat hij niet dood is, dat ik hem zal wederzien; het ligt mij zoo bij, als een heimelijk voorgevoel, dat ik mij niet verklaren kan; maar mij dunkt, als mijn zoon dood was, zou er in mijn hart iets gebroken zijn en dan zou ik er reeds lang niet meer zijn geweest. Deze hoop houdt mij tegen wil dank en staande en geeft mij de kracht om te leven.”»Gij zijt inderdaad een vrouw naar mijn hart, goede oude ziel, ik bewonder u.”»Gij bedriegt u, vader; ik ben maar een arm, dom, diep ongelukkig schepsel; ik heb slechts één gevoel in mijn hart, en dat gevoel neemt het geheel in: de liefde voor mijn kind. O! als ik hem eens zien kon, al was het maar voor eene minuut, mij dunkt ik stierf van geluk! Van tijd tot tijd krijg ik ook wel een briefje van een bankier met verzoek om mij bij hem te vervoegen, en die geeft mij dan een sommetje geld, nu eens wat meer en dan eens wat minder; en als ik hem dan vraag wie het mij zendt, antwoordt mij die heer dat hij het zelf niet weet, dat een onbekende correspondent hem gelast heeft het mij ter hand te stellen. Nu verbeeld ik mij telkens, als ik dat geld ontvang, dat het van mijn zoon komt, en dat hij dus nog aan mij denkt, en dat maakt mij gelukkig.”»Daar behoeft gij niet aan te twijfelen, mevrouw, dat geld komt van uw zoon.”»Niet waar?” riep zij blijkbaar vergenoegd. »O! ik ben er zoo zeker van, dat ik het niet zou willen uitgeven; al die gelden liggen nog bij mij onaangeroerd, in dezelfde orde als ik ze ontvangen heb. Dikwijls, als ik wat treuriger ben dan anders en mijn verdriet mij te zwaar wordt, neem ik die geldstukken een voor een op, bekijk ze, laat ze door mijne vingers gaan, praat er mede en dan is het of mijn zoon mij antwoordt dat ik hem nog eens weder zal zien, en dan voel ik de hoop in mijn hart herleven. O! gij moet dit zekerwel dwaas van mij vinden, niet waar vader, dat ik u dit alles zoo vertel? maar waar zou eene moeder anders van spreken dan van haar zoon? waar zou zij anders aan denken dan aan hem?”Pater Seraphin zag haar aan met eene mengeling van teederheid en eerbied. Zooveel grootmoedigheid en eenvoudigheid tegelijk in eene vrouw van haar stand en opvoeding overmeesterden hem, hij voelde dat er een traan langs zijne wangen liep doch vergat dien af te wisschen.»O! vroom en goed schepsel,” zeide hij, »hoop maar op God, Hij waakt over u!”»Ja, dat denk ik zoo dikwijls, en nu gij het ook denkt, vader, doet het mij zoo goed. O, ik dank er u voor! Ziedaar, gij hebt mij nog niets van mijn zoon gezegd en toch voel ik mij reeds gesterkt dat ik u gezien heb en mijn hart voor u heb mogen ontlasten. Maar dat is omdat gij zoo goed zijt, gij hebt mijne smart begrepen, want gij hebt zeker ook veel geleden, ja dat kan ik wel zien.”»Helaas! ja mevrouw, ieder heeft op deze wereld zijn kruis te dragen: gelukkig hij dien deze last niet te zwaar valt.”»Vergeef mij dat ik u met mijn verdriet heb lastig gevallen, vader,” zeide zij, terwijl zij opstond om weer heen te gaan, »ik bedank u wel voor uwe goede woorden.”»Ik heb u niets te vergeven,” zei vader Seraphin, »maar mag ik u nog eene vraag doen?”»Zeer gaarne, vader, spreek, ik hoor u.”»Ik ben missionaris. Reeds verscheidene jaren geleden werd ik naar Amerika gezonden, waar ik in alle richtingen de onmetelijke wildernissen heb doorkruist. Ik heb op mijne reizen vrij wat zaken gezien en personen ontmoet Wie weet of ik niet misschien zonder hem te kennen, met uw zoon in aanraking ben geweest, en of ik niet in staat zou zijn om u eenig bericht te geven daar gij zoo lang op hebt gewacht.”De arme moeder keek hem aan met een onbeschrijfelijken blik, en hield zich de hand op het hart om er het heftige kloppen van te stillen.»Mevrouw, de goede God bestuurt al onze gangen, Hij heeft gewild dat wij elkander hier op dit strand zouden ontmoeten; misschien kan ik u de hoop terug geven die gij dreigt te verliezen; Gods wegen zijn wonderlijk. Mag ik ook weten hoe uw zoon heet?”Op dit oogenblik vertoonde pater Seraphin zich inderdaad als door hooger aandrift bezield, zijne stem klonk indrukwekkend, zijne oogen schitterden van ongewonen gloed zoodat de oude vrouw als aan zijne lippen hing.»Vader, vader!” riep zij hijgend.»Mevrouw,” hervatte hij, »hoe is de naam van uw zoon?”»Valentin Guillois!” murmelde zij terwijl zij bijna in onmacht neerzonk op een ouden scheepsmast die aan het strand lag.»Wat zegt gij?” riep de zendeling verrast, »kniel en dank God! wees getroost, arme moeder! uw zoon leeft nog.”Zij vloog op als werktuigelijk bewogen, wierp zich snikkend op de knieën en strekte de armen uit naar den spreker, als had hij haar zoon uit den doode doen verrijzen.Maar het was te veel voor haar; de langbeproefde moeder, zoo sterk in de smart, kon de vreugd niet weerstaan, zij viel in flauwte.Vader Seraphin bood haar de noodige hulp en bracht haar door zijne onvermoeide zorgen weder tot bewustzijn.Wij behoeven het daarop volgend tooneel niet te beschrijven.Acht dagen later gingen de zendeling en de moeder van Valentin scheep naar Amerika.Op hunne voorspoedige reis vertelde pater Seraphin haar tot in de kleinste bijzonderheden al wat er met haar zoon gedurende zijne lange afwezigheid gebeurd was, de oorzaken van zijn stilzwijgen en de vrome kinderzin waarmede hij haar aandenken steeds in waarde had gehouden.De arme moeder luisterde met gespannen aandacht en opgetogen van geluk naar deze verhalen, die zij telkens op nieuw verlangde te hooren, daar zij niet te verzadigen scheen en nooit gelukkiger was dan wanneer pater Seraphin van haar zoon begon te spreken.Zoo kwamen zij te Galveston.De zendeling was niet zonder reden beducht dat zij tegen de vermoeienis eener reis door de woestijn niet bestand zoude zijn en wilde haar dus overhalen om in de stad te blijven en daar de komst van haar zoon af te wachten.Bij dit voorstel schudde de moeder met tegenzin het hoofd.»Neen,” zeide zij bepaald, »ik ben zoo ver niet gekomen om hier stil te houden; ik verlang de weinige levensdagen die mij nog overschieten met hem te slijten. Ik heb te veel moeten lijden om niet karig te zijn met mijn geluk en er geen stukje van te willen verliezen. Laten wij vertrekken, vader, en breng gij mij bij mijn kind.”Tegen zulk een bepaald uitgedrukten wil had de zendeling geen kracht genoeg zich te verzetten en hij gevoelde het recht niet te bezitten om zijn eigen inzichten door te drijven; zijn eenigste zorg was nu slechts om voor zijne tochtgenoot de vermoeienissen der reis zoo veel mogelijk te verzachten.Zij vertrokken dus samen uit Galveston en zetten met kleine dagreizen koers naar het Verre Westen.Aan de uiterste grenzen der beschaafde wereld komende, had pater Seraphin een geleide van getrouwe Indianen aangenomen om hem en zijne reisgenoote veilig door de woestijn te brengen. Nauwelijks twee dagen echter waren zij de prairiën binnengetrokken, of onder het bestuur der Voorzienigheid, bevonden zij zich eensklaps tegenover den Roode-Ceder, terwijl deze geheel hulpeloos en bijna stervende lag te midden van een der ongerepte natuurwouden.

Wij gevoelen ons verplicht om hier in weinige regels op te helderen door welken zonderlingen samenloop van omstandigheden pater Seraphin, dien wij sedert lang uit het oog schenen verloren te hebben, alsmede de moeder van Valentin Guillois, die, ofschoon in waardige gestalte, slechts eenmaal in onze verhalen is opgetreden1zoo juist van pas kwamen om den Roode-Ceder hulp te verleenen.

Toen de missionaris den Gids der Prairiën verlaten had, was hij, volgens zijn verklaarde verlangen, naar het land der Comanchen vertrokken om onder deze half beschaafde Indianen het Evangelie te prediken, welken heiligen plicht hij reeds vroeger met ijver had aangevangen.

Pater Seraphin had zich zoowel door zijne kunde als door zijn eerwaardig karakter en zijne zeden vele vrienden verworven onder deze half wilde kinderen der natuur en telde zelfs eene menigte proselieten bij de verschillende Indianen-stammen, vooral bij dien van den Eenhoorn.

De reis naar het dorp der Comanchen was langdurig en vermoeiend; in de woestijn zijn geen middelen van vervoer of vaste rustplaatsen, niet dan enkele jagers of Indianen-horden, die in de eenzame wildernis zonder plan of doel rondzwerven. De zendeling liet zich echter hierdoor niet afschrikken; te zwak om te paard te stijgen, uit hoofde van de wond die hem kort te voren toegebracht en nog nauwelijks gesloten was, ging hij moedig op weg op het voorbeeld der eerste apostelen en trok te voet door een land dat bijna onmogelijk zonder paard te bereizen is.

Maar de menschelijke krachten hebben hare grenzen die zij niet kunnen overschrijden en pater Seraphin, ondanks zijn moed, moest, weldra bekennen dat hij een taak ondernomen had, die voor hem te zwaar was om tot een goed einde te brengen.

Op zekeren avond, toen hij uitgeput door koorts en vermoeienis niet verder kon, was hij voor de deur eener Indiaansche hut neergezonken, waar hij liefderijk werd opgenomen en verzorgd.

Deze Indianen, half beschaafd en sedert lang christenen geworden, hadden niet willen gedoogen dat de geachte priester bij den wankelenden gezondheidstoestand waarin hij zich bevond zijne reis zoude voortzetten; buitendien gaf de koorts, die hem geheel bewusteloos maakte voor hetgeen er met hem gebeurde, hun aanleiding om hem met kleine dagreizen naar Texas over te brengen.

Toen dus pater Seraphin, dank zij zijne jeugd en zijn gezond gestel, eindelijk de krankte te boven kwam, die hem meer dan eene maand aan het ziekbed gekluisterd en in ijlenden toestand als tusschen leven en dood had doen zweven, was hij zeer verwonderd te zien dat hij zich te Galveston bevond, in het huis van den bisschop, het hoofd der zending.

De bisschop, gebruik makende van de kerkelijke macht die hij bezat en van zijn gezag over het zendingswerk, verbood hem naar de woestijn terug te keeren, maar verplichtte hem integendeel, aan boord te gaan van een schip, dat in de haven van Galveston zeilreê lag en slechts op gunstigen wind wachtte om naar Havre te vertrekken.

Pater Seraphin gehoorzaamde niet dan met tegenzin de bevelen van zijn superieur; de bisschop had hem daartoe eerst moeten betoogen, dat zijne gezondheid te veel ondermijnd was en dat alleen de invloed van zijn geboorteland hem kon doen herstellen, eer hij toegaf om, zoo als hij het noemde, zijn post te verlaten en op de vlucht te gaan.

De missionaris vertrok derhalve, maar met het vaste voornemen om zoo spoedig mogelijk terug te keeren.

De overtocht van Galveston naar Havre was voorspoedig; twee maanden na zijn vertrek uit Texas liep het schip aan welks boord pater Seraphin zich bevond te Havre binnen, en zette hij voet op den vaderlandschen bodem met een geroerd hart en een gevoel van dankbare blijdschap, zoo als zij alleen kunnen beseffen welke gedurende langen tijd in den vreemde hebben moeten omzwerven.

Daar het toeval om zoo te zeggen hem in Frankrijk terugvoerde, maakte de zendeling zich deze gelegenheid ten nutte om zijne vrienden te gaan bezoeken, die hij niet had durven hopen ooit weder te zullen zien en die hem met des te grooter vreugde ontvingen, daar zij op zijne terugkomst niet meer hadden gerekend.

Het leven der zendelingen is hard en moeitevol; alleen zij die hen aan ’t werk hebben gezien in de groote woestenijen van Amerika, kunnen de vrome zelfverloochening en den waren heldenmoed waardeeren welke deze eenvoudige mannen bezielt, zoo zij althans werkelijk zijn wat zij behooren te zijn; in koene oprechtheid, zonder hoop op aardsche belooning, kunnen zij gezegd worden hun leven voor de bekeering der heidenen ten offer te brengen. In den regel bezwijken zij op hun post en kwijnen weg in een of anderen onbekenden hoek der prairie, als het slachtoffer hunner trouw aan de goede zaak; of gelukt het hun gedurende vijf of zes jaar in hunne moeitevolle taak te volharden dan keeren zij vaak in hun vaderland terug, oud voor hun tijd, verzwakt en vergrijsd, bijna blind of gebogen onder lichaamskwalen en gedwongen hun kommerlijk leven voort te slepen in eene maatschappij die hen veelal miskent en niet zelden bespot of belastert.

De verlofdagen van Seraphin waren geteld: ieder uur dat hij langer van zijne geliefde Indianen verwijderd bleef verweet hij zich als een diefstal ten hunnen opzichte. Hij scheurde zich dus om te zeggen los uit de armen zijner ouders en spoedde naar Havre terug, om met de eerste gelegenheid de beste die zich opdeed weder scheep te gaan naar Texas.

Op zekeren avond zat vader Seraphin aan het strand te Havre met het oog op de zee gericht, die hem van het doel zijns levens scheidde, en dacht hij met bekommering aan de bekeerlingen die hij in Amerika had achtergelaten en die van zijne leiding verstoken, misschien in hunne oude dwaalbegrippen zouden terugvallen. Zoo in diepe gepeinzen verzonken, hoorde hij in zijne nabijheid iemand klagend zuchten. Hij keek op en zag eenige passen van hem af eene vrouw op het zand geknield en weenende; van tijd tot tijd kwamen er eenige afgebroken woorden op hare lippen. Vader Seraphin kreeg medelijden met haar, hij stond op, naderde haar en hoorde haar duidelijk zeggen: »Mijn zoon! mijn arme zoon! O mijn God, zal ik hem dan nooit wederzien!”

Men zou de oude vrouw in hare tranen hebben kunnen wasschen. Zij hield de oogen ten hemel gericht met een blik van hopelooze droefheid die ook op haar vermagerd gelaat was uitgedrukt.

Vader Seraphin, met de hem eigene goedheid, begreep terstond dat hier een groot ongeluk te verzachten was, hij wendde zich tot de onbekende en vroeg haar:

»Arme vrouw, wat zoekt gij hier? Waarom weent gij?”

»Helaas! vader,” antwoordde zij, »ik heb elke hoop op aardsch geluk verloren.”

»Dat kan niemand zeggen, mevrouw. Vertel mij uw ongeluk! God is groot, misschien geeft Hij mij de macht om u te troosten.”

»Gij hebt gelijk, vader, God verlaat nooit de bedroefden, en helpt hen vaak wanneer de laatste hoop hun ontzinkt.”

»Spreek dan maar moedig op.”

De oude vrouw hervatte thans met eene geschokte stem, die gedurig door hare inwendige aandoeningen werd afgebroken:

»Het is nu tien jaren geleden dat ik mijn zoon voor het laatst gezien heb. Helaas! sedert hij naar Amerika vertrok heb ik ondanks alle aangewende pogingen niets van hem kunnen vernemen, zoodat ik niet weet hoe hij het heeft, en of hij dood of levend is.”

»Zoo, hebt gij dan in al dien tijd volstrekt niets van zijn wedervaren gehoord, dat gij hem zoo bitter beschreit.”

»Helaas! neen, vader, niets sedert de brave jongen uit eigen verkiezing met zijn zoogbroeder naar Chili is vertrokken.”

»Naar Chili!” viel de priester haar in de rede, »welnu, dan zou men dáár toch naar hem kunnen informeeren.”

»Dat heb ik gedaan, vader.”

»En toch niets?”

»Ik zal u zeggen, vader, zijn zoogbroeder is in Chili getrouwd, hij bezit daar een groot fortuin en aan dezen heb ik in der tijd geschreven. Maar mijn zoon is niet meer bij hem, omtrent een jaar nadat zij samen uit Frankrijk waren vertrokken heeft hij zijn zoogbroeder verlaten, zonder de reden op te geven waarom hij dit deed, en sinds dien tijd heeft zijn zoogbroeder alle mogelijke moeite gedaan om te weten waar hij gebleven was, maar al zijne nasporingen waren vergeefs en hij heeft nooit meer van hem hooren spreken; het eenige dat hij nog is te weten kunnen komen was: dat hij naar de onmetelijke bosschen van Groot-Chaco zou vertrokken zijn in gezelschap van twee Indiaansche opperhoofden.”

»Dat is al zeer vreemd, inderdaad,” mompelde de priester nadenkend.

»Zijn zoogbroeder schrijft mij dikwijls, hij zorgt goed voor mij, door zijn toedoen ben ik rijk voor eene vrouw van mijn stand die gewoon is zich met weinig te behelpen. In iederen brief dien ik van hem krijg, schrijft hij mij dat ik moet overkomen om mijn ouden dag bij hem te slijten. Maar dat verlang ik niet, ik verlang alleen mijn zoon weêr te zien, in zijne armen wensch ik mijne oogen te sluiten. Helaas! dat die troost mij niet gegund mag zijn. O! vader, gij kunt u niet verbeelden hoe smartelijk het voor eene moeder is zooalleen te leven, altijd alleen en altijd gescheiden van het eenigste wezen dat hare laatste dagen zou kunnen gelukkig maken. Al is het nu meer dan tien jaar dat ik hem niet gezien heb, kan ik hem mij nog zoo goed voorstellen alsof hij mij gisteren eerst verlaten had, jong en sterk, onbezorgd en gereed om alles te ondernemen, zoo als hij mij voor het laatst omhelsde en helaas voor altijd verliet.”

Onder het uiten dezer laatste woorden kon de arme vrouw zich niet langer goed houden en barstte zij in snikken en tranen uit.

»Schep maar moed! het leven is slechts een lange proeftijd, misschien heeft God, die zoo oneindig goed is, voor u, daar gij nu zoo veel geleden hebt nog een groote vreugd weggelegd op uw ouden dag.”

»Helaas! vader, gij weet wel dat eene moeder ontroostbaar is, wanneer zij haar zoon missen moet; haar zoon is haar eigen vleesch en bloed! Bij ieder schip dat er aankomt loop ik naar de haven en vraag, en vraag, maar altijd hetzelfde stilzwijgen!… En toch, als ik het u bekennen mag, is er in mij iets dat mij zegt dat hij niet dood is, dat ik hem zal wederzien; het ligt mij zoo bij, als een heimelijk voorgevoel, dat ik mij niet verklaren kan; maar mij dunkt, als mijn zoon dood was, zou er in mijn hart iets gebroken zijn en dan zou ik er reeds lang niet meer zijn geweest. Deze hoop houdt mij tegen wil dank en staande en geeft mij de kracht om te leven.”

»Gij zijt inderdaad een vrouw naar mijn hart, goede oude ziel, ik bewonder u.”

»Gij bedriegt u, vader; ik ben maar een arm, dom, diep ongelukkig schepsel; ik heb slechts één gevoel in mijn hart, en dat gevoel neemt het geheel in: de liefde voor mijn kind. O! als ik hem eens zien kon, al was het maar voor eene minuut, mij dunkt ik stierf van geluk! Van tijd tot tijd krijg ik ook wel een briefje van een bankier met verzoek om mij bij hem te vervoegen, en die geeft mij dan een sommetje geld, nu eens wat meer en dan eens wat minder; en als ik hem dan vraag wie het mij zendt, antwoordt mij die heer dat hij het zelf niet weet, dat een onbekende correspondent hem gelast heeft het mij ter hand te stellen. Nu verbeeld ik mij telkens, als ik dat geld ontvang, dat het van mijn zoon komt, en dat hij dus nog aan mij denkt, en dat maakt mij gelukkig.”

»Daar behoeft gij niet aan te twijfelen, mevrouw, dat geld komt van uw zoon.”

»Niet waar?” riep zij blijkbaar vergenoegd. »O! ik ben er zoo zeker van, dat ik het niet zou willen uitgeven; al die gelden liggen nog bij mij onaangeroerd, in dezelfde orde als ik ze ontvangen heb. Dikwijls, als ik wat treuriger ben dan anders en mijn verdriet mij te zwaar wordt, neem ik die geldstukken een voor een op, bekijk ze, laat ze door mijne vingers gaan, praat er mede en dan is het of mijn zoon mij antwoordt dat ik hem nog eens weder zal zien, en dan voel ik de hoop in mijn hart herleven. O! gij moet dit zekerwel dwaas van mij vinden, niet waar vader, dat ik u dit alles zoo vertel? maar waar zou eene moeder anders van spreken dan van haar zoon? waar zou zij anders aan denken dan aan hem?”

Pater Seraphin zag haar aan met eene mengeling van teederheid en eerbied. Zooveel grootmoedigheid en eenvoudigheid tegelijk in eene vrouw van haar stand en opvoeding overmeesterden hem, hij voelde dat er een traan langs zijne wangen liep doch vergat dien af te wisschen.

»O! vroom en goed schepsel,” zeide hij, »hoop maar op God, Hij waakt over u!”

»Ja, dat denk ik zoo dikwijls, en nu gij het ook denkt, vader, doet het mij zoo goed. O, ik dank er u voor! Ziedaar, gij hebt mij nog niets van mijn zoon gezegd en toch voel ik mij reeds gesterkt dat ik u gezien heb en mijn hart voor u heb mogen ontlasten. Maar dat is omdat gij zoo goed zijt, gij hebt mijne smart begrepen, want gij hebt zeker ook veel geleden, ja dat kan ik wel zien.”

»Helaas! ja mevrouw, ieder heeft op deze wereld zijn kruis te dragen: gelukkig hij dien deze last niet te zwaar valt.”

»Vergeef mij dat ik u met mijn verdriet heb lastig gevallen, vader,” zeide zij, terwijl zij opstond om weer heen te gaan, »ik bedank u wel voor uwe goede woorden.”

»Ik heb u niets te vergeven,” zei vader Seraphin, »maar mag ik u nog eene vraag doen?”

»Zeer gaarne, vader, spreek, ik hoor u.”

»Ik ben missionaris. Reeds verscheidene jaren geleden werd ik naar Amerika gezonden, waar ik in alle richtingen de onmetelijke wildernissen heb doorkruist. Ik heb op mijne reizen vrij wat zaken gezien en personen ontmoet Wie weet of ik niet misschien zonder hem te kennen, met uw zoon in aanraking ben geweest, en of ik niet in staat zou zijn om u eenig bericht te geven daar gij zoo lang op hebt gewacht.”

De arme moeder keek hem aan met een onbeschrijfelijken blik, en hield zich de hand op het hart om er het heftige kloppen van te stillen.

»Mevrouw, de goede God bestuurt al onze gangen, Hij heeft gewild dat wij elkander hier op dit strand zouden ontmoeten; misschien kan ik u de hoop terug geven die gij dreigt te verliezen; Gods wegen zijn wonderlijk. Mag ik ook weten hoe uw zoon heet?”

Op dit oogenblik vertoonde pater Seraphin zich inderdaad als door hooger aandrift bezield, zijne stem klonk indrukwekkend, zijne oogen schitterden van ongewonen gloed zoodat de oude vrouw als aan zijne lippen hing.

»Vader, vader!” riep zij hijgend.

»Mevrouw,” hervatte hij, »hoe is de naam van uw zoon?”

»Valentin Guillois!” murmelde zij terwijl zij bijna in onmacht neerzonk op een ouden scheepsmast die aan het strand lag.

»Wat zegt gij?” riep de zendeling verrast, »kniel en dank God! wees getroost, arme moeder! uw zoon leeft nog.”

Zij vloog op als werktuigelijk bewogen, wierp zich snikkend op de knieën en strekte de armen uit naar den spreker, als had hij haar zoon uit den doode doen verrijzen.

Maar het was te veel voor haar; de langbeproefde moeder, zoo sterk in de smart, kon de vreugd niet weerstaan, zij viel in flauwte.

Vader Seraphin bood haar de noodige hulp en bracht haar door zijne onvermoeide zorgen weder tot bewustzijn.

Wij behoeven het daarop volgend tooneel niet te beschrijven.

Acht dagen later gingen de zendeling en de moeder van Valentin scheep naar Amerika.

Op hunne voorspoedige reis vertelde pater Seraphin haar tot in de kleinste bijzonderheden al wat er met haar zoon gedurende zijne lange afwezigheid gebeurd was, de oorzaken van zijn stilzwijgen en de vrome kinderzin waarmede hij haar aandenken steeds in waarde had gehouden.

De arme moeder luisterde met gespannen aandacht en opgetogen van geluk naar deze verhalen, die zij telkens op nieuw verlangde te hooren, daar zij niet te verzadigen scheen en nooit gelukkiger was dan wanneer pater Seraphin van haar zoon begon te spreken.

Zoo kwamen zij te Galveston.

De zendeling was niet zonder reden beducht dat zij tegen de vermoeienis eener reis door de woestijn niet bestand zoude zijn en wilde haar dus overhalen om in de stad te blijven en daar de komst van haar zoon af te wachten.

Bij dit voorstel schudde de moeder met tegenzin het hoofd.

»Neen,” zeide zij bepaald, »ik ben zoo ver niet gekomen om hier stil te houden; ik verlang de weinige levensdagen die mij nog overschieten met hem te slijten. Ik heb te veel moeten lijden om niet karig te zijn met mijn geluk en er geen stukje van te willen verliezen. Laten wij vertrekken, vader, en breng gij mij bij mijn kind.”

Tegen zulk een bepaald uitgedrukten wil had de zendeling geen kracht genoeg zich te verzetten en hij gevoelde het recht niet te bezitten om zijn eigen inzichten door te drijven; zijn eenigste zorg was nu slechts om voor zijne tochtgenoot de vermoeienissen der reis zoo veel mogelijk te verzachten.

Zij vertrokken dus samen uit Galveston en zetten met kleine dagreizen koers naar het Verre Westen.

Aan de uiterste grenzen der beschaafde wereld komende, had pater Seraphin een geleide van getrouwe Indianen aangenomen om hem en zijne reisgenoote veilig door de woestijn te brengen. Nauwelijks twee dagen echter waren zij de prairiën binnengetrokken, of onder het bestuur der Voorzienigheid, bevonden zij zich eensklaps tegenover den Roode-Ceder, terwijl deze geheel hulpeloos en bijna stervende lag te midden van een der ongerepte natuurwouden.

1Ziehet Opperhoofd der Aucas.↑

1Ziehet Opperhoofd der Aucas.↑

1Ziehet Opperhoofd der Aucas.↑


Back to IndexNext