XIII.TERUGKEER TOT HET LEVEN.De liefdadigheid is eene deugd die in onze eeuw wel algemeen wordt geprezen en toegejuicht, maar slechts door weinige menschen op de rechte wijs wordt uitgeoefend.Het voorbeeld van den barmhartigen Samaritaan vindt in onze maatschappij niet vele navolgers en als men de ware menschenliefde wilde zien, zoo rein en eenvoudig als het Evangelie die voorschrijft, zou men die in de wildernissen der nieuwe wereld moeten zoeken.Het is treurig om te zeggen en nog treuriger om te bewijzen, dat zoo weinig menschen in staat zijn tot zelfverloochening, gezwegen van zelfopoffering. Verreweg de meeste Christenen schijnen er nooit aan te denken dat zij eenmaal gedoopt zijn in den naam der eeuwige, ongehoudene, zelfopofferende liefde, en maken dus de zoo hooggeroemde beschaving te schande door zich te verlagen tot de baatzuchtige neigingen en driften die de zoogenaamde wilden in den onbeschaafden natuurstaat beheerschen. Dit gebrek is echter niet geheel aan de individus te wijten, het is veeleer de schuld van de materiëele en moreele richting onzer eeuw en het daaruit voortvloeiende heillooze egoïsme, dat zich vooral sinds de laatste jaren in den boezem der maatschappij en in het hart der menschen heeft ingeplant en tot zulk een ongekende hoogte ontwikkeld.Dit zoogenaamde personalisme en egoïsme, dat zoo veler daden en bedoelingen in Europa zoowel als in Amerika beheerscht, is onder anderen aan twee tastbare oorzaken toe te schrijven.Vooreerst aan de ontdekking der goudmijnen in Californië, Australië en aan de Fraser-rivier.Ten tweede aan de Beurs.De Beurs is vooral sedert de laatste jaren de kanker der oude wereld geworden. Wat hiervan het gevolg moet zijn is gemakkelijk te berekenen. Zoodra iedereen begreep dat er voor hem goede kans bestond om van daag of morgen schatrijk te worden, en velen het werkelijk werden, dacht niemand meer aan zijn arm gebleven buurman, dan om hem als een rampzalig wezen te beschouwen, dat niet in staat was om zijn lot te verbeteren. Uit het bovengezegde volgt echter eene andere beschouwing, namelijk, dat zij die moeds genoeg bezitten om zich aan den heerschenden tuimelgeest te onttrekken, het klatergoud des rijkdoms en der hen omringende weelde te verachten, en door heiligen ijver bezield, de schoonste en moeielijkste maar tevens karigst bezoldigde taak op zich te nemen, in onzen tijd des te meer lof verdienen. Gedreven door christelijke menschenliefde, trekken deze uitverkoren mannen met kloeken zin en een blij gemoed naar de onherbergzaamste wereldstreken, om onderwilde Indianen-horden of onder het uitschot der meer beschaafde maatschappij, roovers en landloopers, die alle gevoel van eer en deugd hebben uitgeschud, het Evangelie te verkondigen en eenige zielen te winnen; daarvoor verlaten zij vaderland en vrienden, brengen alle aardsche genot, eer en voordeel vrijwillig ten offer en maken zich in het oog van ieder die wel denkt en onpartijdig oordeelt verdienstelijk jegens de menschheid.Het aantal dezer edele en onbaatzuchtige gemoederen is veel grooter dan men oppervlakkig zou denken, en dit spreekt schier van zelf: want het eene uiterste roept vaak het andere te voorschijn: naast de liefde tot het goud moet zich gelijktijdig de hartstocht der belangeloosheid vertoonen, opdat de eeuwige balans van het goede en kwade, die de wereld van hoogerhand regelt, bewaard blijve en het evenwicht gedurig hersteld worde, zonder hetwelk de menschelijke maatschappij niet zou kunnen leven noch gedijen.Ik acht mij gelukkig hier te mogen verzekeren, dat onder de velen die Europa in alle richtingen uitzendt tot verspreiding van het licht des Evangelie’s, ook Frankrijk niet achterlijk is, maar naar evenredigheid zijn aandeel in ruime mate bijdraagt.En dit moet wel zoo zijn; terwijl de lagere driften in Frankrijk inzonderheid hare aanhangers tellen, zijn er daarentegen zooveel te meer anderen die door edeler aandrift bezield voor de uitbreiding van al wat waar, goed en schoon is hun leven veil hebben. — Maar hervatten wij ons verhaal.De toestand van den Roode-Ceder was bedenkelijk.De zedelijke schok door hem ondergaan, toen hij den man herkende, dien hij nog kort geleden had trachten te vermoorden, was bij hem weldra tot een vreeselijk delirium overgeslagen.De rampzalige, aan de bitterste wroeging ten prooi, werd door de akelige schrikgestalten zijner vermoorde slachtoffers gefolterd, die zijne koortsachtige verbeelding te voorschijn riep en die als een legioen duivels rondom zijn leger waarden.Zoo ging er een vreeselijke nacht voorbij.Pater Seraphin, Ellen en de moeder van Valentin, die hem geen oogenblik verlieten en met zorg bewaakten, waren nu en dan genoodzaakt hem in bedwang te houden, daar hij zich anders in een vlaag van verbijstering het hoofd tegen den boomstam zou hebben verpletterd.Zonderlinge toevalligheid! de Squatter was juist op dezelfde plaats in den schouder getroffen waar hij vroeger den zendeling eene wond had toegebracht, voor welke wond deze verplicht was geweest in Europa genezing te zoeken; van deze reis was pater Seraphin nauwelijks eenige dagen teruggekeerd, toen de Voorzienigheid hem geheel onverwachts, aan den voet van een boom bijna zieltogend uitgestrekt,den man deed wedervinden, die hem eens had willen vermoorden.Tegen het einde van den nacht begon de crisis een weinig tebedaren en geraakte de Squatter in een soort van slaap of verdooving, die hem althans voor een poos gevoel en bezinning ontnam.Geen van allen had gedurende dien langen en akeligen nacht in het diepste van het bosch een oog toegedaan.Zoodra pater Seraphin zag dat de gewonde kalmer werd, liet hij de Indianen een draagbaar samenstellen om hem te kunnen vervoeren.De Indianen deden dit met blijkbaren tegenzin.Zij kenden den Squatter sinds jaar en dag, en die ruwe natuurmenschen begrepen niet hoe het mogelijk was dat de missionaris in plaats van zijn vijand te dooden dien het toeval hem als ’t ware in handen had geleverd, hem integendeel hulp verleende en in het leven zocht te behouden, en dat zulk een booswicht, die zooveel wandaden gepleegd had, en wiens dood voor de prairie een weldaad zou zijn geweest!Alleen de trouw en genegenheid die zij den zendeling toedroegen kon hen bewegen te doen wat hij hun beval, en nog moeten wij zeggen dat zij het deden tegen wil en dank.Toen de draagbaar gereed was spreidde men er een laag graszoden en dorre bladeren over heen en werd de Squatter op dit tamelijk zachte bed gelegd, ofschoon deze bijna in een staat van volslagen gevoelloosheid verkeerde.Alvorens het bosch te verlaten achtte de zendeling het, ook in het belang van den gewonde, noodig om het wankelende geloof der Roodhuiden te verlevendigen, hij besloot dus vooraf de heilige mis te vieren.Een outaar van graszoden werd opgericht, met een wit linnen doek overdekt en toen door den zendeling de mis gelezen, bijgestaan door een der Indianen, die zich daartoe vrijwillig aanbood.Voorzeker in de groote hoofdkerken van Europa onder de prachtige tempelbogen, eerwaardig door ouderdom, terwijl tusschen de door beeldhouwkunst versierde zuilenrijen, bij schitterende praalkleedij en vergulden altaarpronk, de opwekkende tonen van het dreunende orgelspel door de hooge gewelven weergalmen, mag hetceremoniëelmeer kompleet en indrukwekkend worden genoemd, maar ik betwijfel zeer of er meer ware ernst, eerbied en ontzag bestaat dan bij de zielverheffende eenvoudigheid, waarmede hier de dienst gevierd werd onder de groenende bogen van het maagdelijk woud, begeleid door de treffendemelodieënder woestijn, door dezen armen priester, met zijn bleek gelaat, gevoelvollen blik en heilige geestdrift, terwijl hij bad voor het behoud van zijn eigen moordenaar, die aan zijne voeten lag te reutelen.Toen de mis geëindigd was, wenkte pater Seraphin met de hand. Vier Indianen namen de baar op hunne schouders en men vertrok.Vier Indianen namen de baar op hunne schouders. bladz. 88.Vier Indianen namen de baar op hunne schouders.bladz. 88.Ellen besteeg een der paarden van de mannen die den gewonde droegen.De reis duurde lang.Vader Seraphin was uit Galveston vertrokken met oogmerk om Valentin te zoeken; maar een pelsjager, die gewoon is zich over eene groote ruimte te bewegen en wiens leven bestaat in onophoudelijk heen en weder te trekken, is in de wildernis moeielijk te vinden; de zendeling had dus besloten zich eerst naar het winterdorp der Comanchen te begeven, waar hij den Eenhoorn zou aantreffen en zeker was van bepaalde narichten omtrent zijn vriend Valentin op te doen.Zijne ontmoeting met den Roode-Ceder belette hem echter dit plan ten uitvoer te brengen, want de Eenhoorn en Valentin hadden zulke bittere grieven tegen den Squatter, dat de zendeling zich niet durfde vleien dat zij hunne wraak om zijnentwil zouden laten varen.Vader Seraphin was met de denkwijs en zeden dezer lieden, die het leven in de wildernis uit den aard der zaak onverbiddelijk maakt, te wel bekend om zich aan dezen stap te wagen.Buitendien was de zaak allermoeielijkst; de Roode-Ceder was vogelvrij in de volle beteekenis des woords, en een van die booswichten, wier aantal gelukkig zeer gering is, maar die het gansche menschdom tegen zich hebben en die in geen land zouden worden geduld.En toch wilde de zendeling dezen man redden.Na rijpe overweging had hij zijn besluit eindelijk vastgesteld.Hij trok met zijn gansche gevolg op weg naar de grot waar wij hem vroeger reeds hebben aangetroffen, de grot namelijk die den Gids der Prairiën gewoonlijk tot winterverblijf diende, maar die in de tegenwoordige oogenblikken naar alle waarschijnlijkheid ledig zou zijn.Door eene zeldzame toevalligheid passeerde de missionaris, zonder hen te zien en zonder door hen gezien te worden, op nauwelijks een geweerschot afstand de plaats waar Valentin en zijne vrienden juist dien dag gekampeerd lagen.Tegen zonsondergang maakte de kleine karavaan halt en werd het nachtleger opgeslagen.Vader Seraphin nam het verband af dat hij op de wonden van den Squatter had aangebracht, en verbond hem op nieuw. Deze liet hem begaan zonder er iets van te bemerken, zoo diep waren zijne krachten weggezonken.De wonden stonden echter goed, die aan den schouder was het ergst, maar alles voorspelde mettertijd genezing.Nadat het avondmaal gebruikt, het gemeenschappelijk gebed gedaan was en de Indianen zich in hunne dekens en bisonsmantels gewikkeld en op het gras hadden uitgestrekt om na de vermoeienissen van den dag de noodige rust te zoeken, ging de zendeling nog eens naar den Squatter zien, die gerust sliep, en verzocht toen de twee vrouwen om naast hem bij het vuur te komen zitten, dat men voor den nacht ontstoken had om de wilde dieren op eenen afstand te houden.Pater Seraphin kende Ellen min of meer, hij herinnerde zich haardikwijls ontmoet en zelfs met haar gesproken te hebben in het bosch, tijdens haar vader zich zoo vermetel op het eigendom van don Miguel de Zarate gevestigd had.Het karakter van Ellen had hem bevallen; hare aangeboren eenvoudigheid en oprechtheid had hem dikwijls bij zich zelven doen vragen, hoe het mogelijk was, dat zulk een aanminnig schepsel als Ellen de dochter van een zoo ruw en slecht man kon zijn als de Roode-Ceder; dit kwam hem des te onbegrijpelijker voor, daar het arme kind wel een dubbele mate van rechtschapenheid moest bezitten, om niet besmet te worden door zulke slechte voorbeelden als zij dagelijks voor oogen kreeg.Hij had dan ook altijd veel werk van haar gemaakt, haar telkens aangemoedigd om op den goeden weg te volharden, en de hoop bij haar levendig gehouden, dat God haar eenmaal aan de bedorven omgeving waarin het lot haar geworpen had zou ontrukken, en haar overplaatsen in een beteren kring van menschen dan zij tot dusver had leeren kennen.Toen de beide vrouwen naast hem gezeten waren hield de zendeling, op zijn gewonen, liefdevollen en stichtelijken toon, een vaderlijke toespraak om haar op te wekken tot geduld en onderwerping aan het leed dat de Hemel haar toedeelde; daarop verzocht hij Ellen hem alles omstandig te verhalen wat er sedert zijn vertrek naar Frankrijk in de prairie was voorgevallen.Dit verhaal was lang en treurig en werd dikwijls afgebroken door de zuchten of snikken, die het gevoelige meisje zelf niet kon bedwingen.De moeder van Valentin zat te beven als een riet toen zij deze voor haar zoo ongewone dingen vernam; groote tranen biggelden langs hare verwelkte wangen en nu en dan sloeg zij onwillekeurig een kruis met den uitroep:»Mijn God! arm kind! welk een akelig leven!”Ellen had inderdaad haar eigen leven verteld, al de ijselijkheden die zij voor hare hoorders in bloedige en sombere tooneelen deed voorbijgaan, had zij zelve bijgewoond, van nabij gezien en er grootendeels het leed van gedragen.Toen haar verhaal geëindigd was liet zij het hoofd op de beide handen zinken en weende in stilte, geheel overstelpt door de bittersmarten die zij weder verlevendigd en als bloedende wonden op nieuw had opengereten.De missionaris beschouwde haar een geruime poos met een kalmen blik vol vaderlijk medelijden.Hij nam hare hand, sloot die in de zijnen en tot haar overbuigende sprak hij tot haar met eene zachte troostrijke stem die haar hart treffen moest:»Ween vrij, arm meisje, want gij hebt veel geleden; maar wees sterk; God, die u beproefde, heeft voor u misschien nog zwaarder slagen weggelegd dan die u reeds getroffen hebben, tracht den drinkbekerniet te verwijderen dien hij u aan de lippen zet; hoe meer gij hier lijdt zoo veel te meer wordt gij gelouterd voor het heil en de heerlijkheid van een ander leven. Zoo God u kastijdt, gij onnoozel schaap, is het omdat Hij u bemint; gelukkig zij die Hij alzoo kastijdt! Zoek uwe kracht in den gebede, het gebed verheft de ziel en maakt haar reiner, wanhoop niet; de wanhoop is eene gedachte uit den Booze die den mensch doet opstaan tegen de wijze lessen der Voorzienigheid. Denk aan onzen goddelijken Meester; herinner u wat die voor ons geleden heeft, dan zult gij erkennen moeten dat uwe smarten gering zijn in vergelijking van de Zijnen, en gij zult leeren hopen; want de Voorzienigheid is geen blind noodlot, als zij hare hand zwaar op het arme schepsel laat wegen is het alleen om dat lijden duizendmaal te vergoeden.”»Helaas! vader,” antwoordde Ellen treurig, »ik ben maar een arm ellendig kind, zonder kracht en zonder moed; de last die mij is opgelegd is zeer zwaar; maar toch, indien het Gods wil is dat het zoo zijn moet, zijn naam zij gezegend! ik zal de oproerige gedachten die soms in mijn hart opkomen trachten te onderdrukken en zonder klacht zoeken te strijden tegen het lot dat mij bezwaart.”»Goed zoo, meisje,” zei de priester; »de almachtige God, die de harten doorgrondt, zal zich over u erbarmen.”Toen liet hij haar opstaan en geleidde haar op eenigen afstand naar een bed van droge bladeren, dat de Indianen op zijn bevel voor haar hadden gereed gemaakt.»Gij moet gaan slapen, kind,” zeide hij, »de vermoeienis was te groot voor u; eenige uren rust zullen u goed doen.”»Ik zal trachten u te gehoorzamen, vader.”»Mogen de engelen u bewaken terwijl gij slaapt, mijn kind, en de Almachtige u zegenen, gelijk ik u doe!”In diepe gedachten en met langzamen tred kwam hij terug om zijne plaats te hernemen bij de moeder van Valentin.Ellen vlijde zich neder op haar bladerenbed, waar zij ondanks hare vrees, weldra de oogen sloot en gerust insliep.De natuur heeft hare rechten, die zij zich niet laat ontnemen, en de slaap, dien God ons gaf om ons voor eene poos onze smarten te doen vergeten, is een van die onvervreemdbare rechten, vooral bij jonge en krachtvolle naturen.Er volgde eene vrij langdurige stilte tusschen den zendeling en de moeder van Valentin. Pater Seraphin zat in diepe gedachten verzonken; eindelijk nam hij het woord weder op.»Mevrouw,” zeide hij, »gij hebt het verhaal van dat meisje gehoord; haar vader werd gewond in een gevecht tegen uw zoon. Valentin is zonder twijfel niet ver van ons verwijderd; intusschen vordert de man dien wij gered hebben al onze zorgen; wij moeten waken dat hij zijnen vijanden niet weder in handen valt; ik verzoek u dus nog eenigen tijd geduld te hebben eer gij u met uw zoon vereenigt,want eerst moet de Roode-Ceder in veiligheid zijn; bovenal bid ik u omtrent al wat gij van nu af zien zult het diepste stilzwijgen te bewaren; houd mij ten goede, bid ik u, dat ik uwe ontmoeting met Valentin nog een tijdlang moet uitstellen.”»Vader,” antwoordde zij werktuigelijk, »het is nu tien jaren sinds ik zonder een dag of eene minuut te wanhopen met geduld het uur verbeid heb, waarop ik mijn beminden zoon zou terugzien; thans, nu er over zijn wedervaren bij mij geen de minste twijfel meer bestaat, kan ik nog wel eenige dagen wachten; ik zou wel zeer ondankbaar zijn jegens God, en jegens u die zooveel voor mij gedaan hebt, als ik het anders verlangde. Handel zoo als uwe menschlievendheid en uwe bediening u voorschrijven; volvoer uw plicht zonder u om mij te bekreunen, het was God die gewild heeft dat wij dezen man zouden ontmoeten. De wegen der Voorzienigheid zijn ondoorgrondelijk; laten wij haar gehoorzamen en den lijder redden, al is hij ook onze vergiffenis niet waard.”»Dat antwoord heb ik van u wel verwacht, intusschen ben ik gelukkig te zien dat gij mij in mijn voornemen bevestigt.”Den volgenden dag met zonsopgang trok men weder op weg, na vooraf, volgens de vaste gewoonte van den zendeling, te zamen gebeden te hebben.De Roode-Ceder lag nog altijd in denzelfden bewusteloozen toestand.De twee volgende dagen gingen zonder meldenswaardige gebeurtenissen voorbij.Tegen den avond van den derden dag trok de kleine karavaan het dal binnen, in welks midden, aan den voet der rotsen die het insloten, de grot gelegen was.De Roode-Ceder werd er in gedragen met al de zorg die zijn toestand vereischte, en in een der meest verwijderde vertrekken gebracht, ver van alle gedruisch daarbuiten, en wel zoo dat hij voor het oog der vreemdelingen verborgen bleef, die bij toeval in de grot mochten komen zoolang hij er zich bevinden zou.Valentins moeder was opgetogen van blijdschap toen zij hetwinterverblijfvan haar zoon binnentrad.Deze blijdschap vermeerderde niet weinig, toen zij in de grot rondziende eenige voorwerpen van geringe waarde vond, die hij gewoon was te gebruiken.De goede oude vrouw, als eene ware moeder, gevoelde haar hart door vreugd overstelpt, zij sloot zich op in het vertrek dat de jager voor zich afzonderlijk bestemd had, en daar met hare herinneringen alleen, bleef zij eenige uren in dankbare gedachten verdiept.Nadat de zendeling ieder zijne plaats aangewezen, het gemeenschappelijk gebed gedaan, en allen zich verwijderd hadden, liet hij zijne reisgezellen stilletjes in de rust en ging hij in het diepste der grot om zijne plaats in te nemen naast het bed van den gewonde.Daar komende, vond hij er reeds een ander persoon.Die tweede ziekenoppasser was Ellen.»Waarom gaat gij niet slapen, kind?” vroeg hij.Het meisje wees met edelen ernst naar den gewonde.»Laat mij bij hem waken,” zeide zij, »’t is mijn vader.”De zendeling glimlachte en verwijderde zich.Met het aanbreken van den dag kwam hij terug.DeRoode-Ceder, toen hij hem hoorde aankomen, zuchtte en richtte zich met veel moeite op in zijn bed.»Hoe bevindt gij u, broeder?” vroeg pater Seraphin met ongeveinsde belangstelling.Een koortsachtig rood overtoog de wangen van den bandiet, het koude zweet parelde op zijne slapen, in zijn oog fonkelde een vurige gloed en met eene zwakke, door ontroering nog meer gebroken stem, murmelde hij:»Mijn vader, ik ben een ellendige booswicht en uw medelijden onwaardig.”»Mijn zoon,” antwoordde de geestelijke zacht, »gij zijt een arm verdoold schepsel, dien God zeker genade zal bewijzen als uw berouw oprecht is.”De Roode-Ceder sloeg de oogen neêr; hij begon te beven van top tot teen.»Vader,” murmelde hij, »wilt gij mij leeren een kruis te maken?”Bij deze zonderlinge vraag uit den mond van een man als de Squatter, vouwde pater Seraphin onwillekeurig de handen samen, en sloeg de oogen dankbaar ten hemel.Zou de booze engel werkelijk in hem overwonnen zijn? Of was het misschien weder een komedie, door dezen man gespeeld om zijn redder te bedriegen, en zoodoende de welverdiende straf te ontgaan waarmede zijne vijanden hem dreigden voor al zijne wandaden?Helaas! het menschelijk hart is een arglistig samenweefsel van goed en kwaad, en toch, wie zal ons zeggen, of de Roode-Ceder op dit oogenblik niet ter goeder trouw was?
XIII.TERUGKEER TOT HET LEVEN.De liefdadigheid is eene deugd die in onze eeuw wel algemeen wordt geprezen en toegejuicht, maar slechts door weinige menschen op de rechte wijs wordt uitgeoefend.Het voorbeeld van den barmhartigen Samaritaan vindt in onze maatschappij niet vele navolgers en als men de ware menschenliefde wilde zien, zoo rein en eenvoudig als het Evangelie die voorschrijft, zou men die in de wildernissen der nieuwe wereld moeten zoeken.Het is treurig om te zeggen en nog treuriger om te bewijzen, dat zoo weinig menschen in staat zijn tot zelfverloochening, gezwegen van zelfopoffering. Verreweg de meeste Christenen schijnen er nooit aan te denken dat zij eenmaal gedoopt zijn in den naam der eeuwige, ongehoudene, zelfopofferende liefde, en maken dus de zoo hooggeroemde beschaving te schande door zich te verlagen tot de baatzuchtige neigingen en driften die de zoogenaamde wilden in den onbeschaafden natuurstaat beheerschen. Dit gebrek is echter niet geheel aan de individus te wijten, het is veeleer de schuld van de materiëele en moreele richting onzer eeuw en het daaruit voortvloeiende heillooze egoïsme, dat zich vooral sinds de laatste jaren in den boezem der maatschappij en in het hart der menschen heeft ingeplant en tot zulk een ongekende hoogte ontwikkeld.Dit zoogenaamde personalisme en egoïsme, dat zoo veler daden en bedoelingen in Europa zoowel als in Amerika beheerscht, is onder anderen aan twee tastbare oorzaken toe te schrijven.Vooreerst aan de ontdekking der goudmijnen in Californië, Australië en aan de Fraser-rivier.Ten tweede aan de Beurs.De Beurs is vooral sedert de laatste jaren de kanker der oude wereld geworden. Wat hiervan het gevolg moet zijn is gemakkelijk te berekenen. Zoodra iedereen begreep dat er voor hem goede kans bestond om van daag of morgen schatrijk te worden, en velen het werkelijk werden, dacht niemand meer aan zijn arm gebleven buurman, dan om hem als een rampzalig wezen te beschouwen, dat niet in staat was om zijn lot te verbeteren. Uit het bovengezegde volgt echter eene andere beschouwing, namelijk, dat zij die moeds genoeg bezitten om zich aan den heerschenden tuimelgeest te onttrekken, het klatergoud des rijkdoms en der hen omringende weelde te verachten, en door heiligen ijver bezield, de schoonste en moeielijkste maar tevens karigst bezoldigde taak op zich te nemen, in onzen tijd des te meer lof verdienen. Gedreven door christelijke menschenliefde, trekken deze uitverkoren mannen met kloeken zin en een blij gemoed naar de onherbergzaamste wereldstreken, om onderwilde Indianen-horden of onder het uitschot der meer beschaafde maatschappij, roovers en landloopers, die alle gevoel van eer en deugd hebben uitgeschud, het Evangelie te verkondigen en eenige zielen te winnen; daarvoor verlaten zij vaderland en vrienden, brengen alle aardsche genot, eer en voordeel vrijwillig ten offer en maken zich in het oog van ieder die wel denkt en onpartijdig oordeelt verdienstelijk jegens de menschheid.Het aantal dezer edele en onbaatzuchtige gemoederen is veel grooter dan men oppervlakkig zou denken, en dit spreekt schier van zelf: want het eene uiterste roept vaak het andere te voorschijn: naast de liefde tot het goud moet zich gelijktijdig de hartstocht der belangeloosheid vertoonen, opdat de eeuwige balans van het goede en kwade, die de wereld van hoogerhand regelt, bewaard blijve en het evenwicht gedurig hersteld worde, zonder hetwelk de menschelijke maatschappij niet zou kunnen leven noch gedijen.Ik acht mij gelukkig hier te mogen verzekeren, dat onder de velen die Europa in alle richtingen uitzendt tot verspreiding van het licht des Evangelie’s, ook Frankrijk niet achterlijk is, maar naar evenredigheid zijn aandeel in ruime mate bijdraagt.En dit moet wel zoo zijn; terwijl de lagere driften in Frankrijk inzonderheid hare aanhangers tellen, zijn er daarentegen zooveel te meer anderen die door edeler aandrift bezield voor de uitbreiding van al wat waar, goed en schoon is hun leven veil hebben. — Maar hervatten wij ons verhaal.De toestand van den Roode-Ceder was bedenkelijk.De zedelijke schok door hem ondergaan, toen hij den man herkende, dien hij nog kort geleden had trachten te vermoorden, was bij hem weldra tot een vreeselijk delirium overgeslagen.De rampzalige, aan de bitterste wroeging ten prooi, werd door de akelige schrikgestalten zijner vermoorde slachtoffers gefolterd, die zijne koortsachtige verbeelding te voorschijn riep en die als een legioen duivels rondom zijn leger waarden.Zoo ging er een vreeselijke nacht voorbij.Pater Seraphin, Ellen en de moeder van Valentin, die hem geen oogenblik verlieten en met zorg bewaakten, waren nu en dan genoodzaakt hem in bedwang te houden, daar hij zich anders in een vlaag van verbijstering het hoofd tegen den boomstam zou hebben verpletterd.Zonderlinge toevalligheid! de Squatter was juist op dezelfde plaats in den schouder getroffen waar hij vroeger den zendeling eene wond had toegebracht, voor welke wond deze verplicht was geweest in Europa genezing te zoeken; van deze reis was pater Seraphin nauwelijks eenige dagen teruggekeerd, toen de Voorzienigheid hem geheel onverwachts, aan den voet van een boom bijna zieltogend uitgestrekt,den man deed wedervinden, die hem eens had willen vermoorden.Tegen het einde van den nacht begon de crisis een weinig tebedaren en geraakte de Squatter in een soort van slaap of verdooving, die hem althans voor een poos gevoel en bezinning ontnam.Geen van allen had gedurende dien langen en akeligen nacht in het diepste van het bosch een oog toegedaan.Zoodra pater Seraphin zag dat de gewonde kalmer werd, liet hij de Indianen een draagbaar samenstellen om hem te kunnen vervoeren.De Indianen deden dit met blijkbaren tegenzin.Zij kenden den Squatter sinds jaar en dag, en die ruwe natuurmenschen begrepen niet hoe het mogelijk was dat de missionaris in plaats van zijn vijand te dooden dien het toeval hem als ’t ware in handen had geleverd, hem integendeel hulp verleende en in het leven zocht te behouden, en dat zulk een booswicht, die zooveel wandaden gepleegd had, en wiens dood voor de prairie een weldaad zou zijn geweest!Alleen de trouw en genegenheid die zij den zendeling toedroegen kon hen bewegen te doen wat hij hun beval, en nog moeten wij zeggen dat zij het deden tegen wil en dank.Toen de draagbaar gereed was spreidde men er een laag graszoden en dorre bladeren over heen en werd de Squatter op dit tamelijk zachte bed gelegd, ofschoon deze bijna in een staat van volslagen gevoelloosheid verkeerde.Alvorens het bosch te verlaten achtte de zendeling het, ook in het belang van den gewonde, noodig om het wankelende geloof der Roodhuiden te verlevendigen, hij besloot dus vooraf de heilige mis te vieren.Een outaar van graszoden werd opgericht, met een wit linnen doek overdekt en toen door den zendeling de mis gelezen, bijgestaan door een der Indianen, die zich daartoe vrijwillig aanbood.Voorzeker in de groote hoofdkerken van Europa onder de prachtige tempelbogen, eerwaardig door ouderdom, terwijl tusschen de door beeldhouwkunst versierde zuilenrijen, bij schitterende praalkleedij en vergulden altaarpronk, de opwekkende tonen van het dreunende orgelspel door de hooge gewelven weergalmen, mag hetceremoniëelmeer kompleet en indrukwekkend worden genoemd, maar ik betwijfel zeer of er meer ware ernst, eerbied en ontzag bestaat dan bij de zielverheffende eenvoudigheid, waarmede hier de dienst gevierd werd onder de groenende bogen van het maagdelijk woud, begeleid door de treffendemelodieënder woestijn, door dezen armen priester, met zijn bleek gelaat, gevoelvollen blik en heilige geestdrift, terwijl hij bad voor het behoud van zijn eigen moordenaar, die aan zijne voeten lag te reutelen.Toen de mis geëindigd was, wenkte pater Seraphin met de hand. Vier Indianen namen de baar op hunne schouders en men vertrok.Vier Indianen namen de baar op hunne schouders. bladz. 88.Vier Indianen namen de baar op hunne schouders.bladz. 88.Ellen besteeg een der paarden van de mannen die den gewonde droegen.De reis duurde lang.Vader Seraphin was uit Galveston vertrokken met oogmerk om Valentin te zoeken; maar een pelsjager, die gewoon is zich over eene groote ruimte te bewegen en wiens leven bestaat in onophoudelijk heen en weder te trekken, is in de wildernis moeielijk te vinden; de zendeling had dus besloten zich eerst naar het winterdorp der Comanchen te begeven, waar hij den Eenhoorn zou aantreffen en zeker was van bepaalde narichten omtrent zijn vriend Valentin op te doen.Zijne ontmoeting met den Roode-Ceder belette hem echter dit plan ten uitvoer te brengen, want de Eenhoorn en Valentin hadden zulke bittere grieven tegen den Squatter, dat de zendeling zich niet durfde vleien dat zij hunne wraak om zijnentwil zouden laten varen.Vader Seraphin was met de denkwijs en zeden dezer lieden, die het leven in de wildernis uit den aard der zaak onverbiddelijk maakt, te wel bekend om zich aan dezen stap te wagen.Buitendien was de zaak allermoeielijkst; de Roode-Ceder was vogelvrij in de volle beteekenis des woords, en een van die booswichten, wier aantal gelukkig zeer gering is, maar die het gansche menschdom tegen zich hebben en die in geen land zouden worden geduld.En toch wilde de zendeling dezen man redden.Na rijpe overweging had hij zijn besluit eindelijk vastgesteld.Hij trok met zijn gansche gevolg op weg naar de grot waar wij hem vroeger reeds hebben aangetroffen, de grot namelijk die den Gids der Prairiën gewoonlijk tot winterverblijf diende, maar die in de tegenwoordige oogenblikken naar alle waarschijnlijkheid ledig zou zijn.Door eene zeldzame toevalligheid passeerde de missionaris, zonder hen te zien en zonder door hen gezien te worden, op nauwelijks een geweerschot afstand de plaats waar Valentin en zijne vrienden juist dien dag gekampeerd lagen.Tegen zonsondergang maakte de kleine karavaan halt en werd het nachtleger opgeslagen.Vader Seraphin nam het verband af dat hij op de wonden van den Squatter had aangebracht, en verbond hem op nieuw. Deze liet hem begaan zonder er iets van te bemerken, zoo diep waren zijne krachten weggezonken.De wonden stonden echter goed, die aan den schouder was het ergst, maar alles voorspelde mettertijd genezing.Nadat het avondmaal gebruikt, het gemeenschappelijk gebed gedaan was en de Indianen zich in hunne dekens en bisonsmantels gewikkeld en op het gras hadden uitgestrekt om na de vermoeienissen van den dag de noodige rust te zoeken, ging de zendeling nog eens naar den Squatter zien, die gerust sliep, en verzocht toen de twee vrouwen om naast hem bij het vuur te komen zitten, dat men voor den nacht ontstoken had om de wilde dieren op eenen afstand te houden.Pater Seraphin kende Ellen min of meer, hij herinnerde zich haardikwijls ontmoet en zelfs met haar gesproken te hebben in het bosch, tijdens haar vader zich zoo vermetel op het eigendom van don Miguel de Zarate gevestigd had.Het karakter van Ellen had hem bevallen; hare aangeboren eenvoudigheid en oprechtheid had hem dikwijls bij zich zelven doen vragen, hoe het mogelijk was, dat zulk een aanminnig schepsel als Ellen de dochter van een zoo ruw en slecht man kon zijn als de Roode-Ceder; dit kwam hem des te onbegrijpelijker voor, daar het arme kind wel een dubbele mate van rechtschapenheid moest bezitten, om niet besmet te worden door zulke slechte voorbeelden als zij dagelijks voor oogen kreeg.Hij had dan ook altijd veel werk van haar gemaakt, haar telkens aangemoedigd om op den goeden weg te volharden, en de hoop bij haar levendig gehouden, dat God haar eenmaal aan de bedorven omgeving waarin het lot haar geworpen had zou ontrukken, en haar overplaatsen in een beteren kring van menschen dan zij tot dusver had leeren kennen.Toen de beide vrouwen naast hem gezeten waren hield de zendeling, op zijn gewonen, liefdevollen en stichtelijken toon, een vaderlijke toespraak om haar op te wekken tot geduld en onderwerping aan het leed dat de Hemel haar toedeelde; daarop verzocht hij Ellen hem alles omstandig te verhalen wat er sedert zijn vertrek naar Frankrijk in de prairie was voorgevallen.Dit verhaal was lang en treurig en werd dikwijls afgebroken door de zuchten of snikken, die het gevoelige meisje zelf niet kon bedwingen.De moeder van Valentin zat te beven als een riet toen zij deze voor haar zoo ongewone dingen vernam; groote tranen biggelden langs hare verwelkte wangen en nu en dan sloeg zij onwillekeurig een kruis met den uitroep:»Mijn God! arm kind! welk een akelig leven!”Ellen had inderdaad haar eigen leven verteld, al de ijselijkheden die zij voor hare hoorders in bloedige en sombere tooneelen deed voorbijgaan, had zij zelve bijgewoond, van nabij gezien en er grootendeels het leed van gedragen.Toen haar verhaal geëindigd was liet zij het hoofd op de beide handen zinken en weende in stilte, geheel overstelpt door de bittersmarten die zij weder verlevendigd en als bloedende wonden op nieuw had opengereten.De missionaris beschouwde haar een geruime poos met een kalmen blik vol vaderlijk medelijden.Hij nam hare hand, sloot die in de zijnen en tot haar overbuigende sprak hij tot haar met eene zachte troostrijke stem die haar hart treffen moest:»Ween vrij, arm meisje, want gij hebt veel geleden; maar wees sterk; God, die u beproefde, heeft voor u misschien nog zwaarder slagen weggelegd dan die u reeds getroffen hebben, tracht den drinkbekerniet te verwijderen dien hij u aan de lippen zet; hoe meer gij hier lijdt zoo veel te meer wordt gij gelouterd voor het heil en de heerlijkheid van een ander leven. Zoo God u kastijdt, gij onnoozel schaap, is het omdat Hij u bemint; gelukkig zij die Hij alzoo kastijdt! Zoek uwe kracht in den gebede, het gebed verheft de ziel en maakt haar reiner, wanhoop niet; de wanhoop is eene gedachte uit den Booze die den mensch doet opstaan tegen de wijze lessen der Voorzienigheid. Denk aan onzen goddelijken Meester; herinner u wat die voor ons geleden heeft, dan zult gij erkennen moeten dat uwe smarten gering zijn in vergelijking van de Zijnen, en gij zult leeren hopen; want de Voorzienigheid is geen blind noodlot, als zij hare hand zwaar op het arme schepsel laat wegen is het alleen om dat lijden duizendmaal te vergoeden.”»Helaas! vader,” antwoordde Ellen treurig, »ik ben maar een arm ellendig kind, zonder kracht en zonder moed; de last die mij is opgelegd is zeer zwaar; maar toch, indien het Gods wil is dat het zoo zijn moet, zijn naam zij gezegend! ik zal de oproerige gedachten die soms in mijn hart opkomen trachten te onderdrukken en zonder klacht zoeken te strijden tegen het lot dat mij bezwaart.”»Goed zoo, meisje,” zei de priester; »de almachtige God, die de harten doorgrondt, zal zich over u erbarmen.”Toen liet hij haar opstaan en geleidde haar op eenigen afstand naar een bed van droge bladeren, dat de Indianen op zijn bevel voor haar hadden gereed gemaakt.»Gij moet gaan slapen, kind,” zeide hij, »de vermoeienis was te groot voor u; eenige uren rust zullen u goed doen.”»Ik zal trachten u te gehoorzamen, vader.”»Mogen de engelen u bewaken terwijl gij slaapt, mijn kind, en de Almachtige u zegenen, gelijk ik u doe!”In diepe gedachten en met langzamen tred kwam hij terug om zijne plaats te hernemen bij de moeder van Valentin.Ellen vlijde zich neder op haar bladerenbed, waar zij ondanks hare vrees, weldra de oogen sloot en gerust insliep.De natuur heeft hare rechten, die zij zich niet laat ontnemen, en de slaap, dien God ons gaf om ons voor eene poos onze smarten te doen vergeten, is een van die onvervreemdbare rechten, vooral bij jonge en krachtvolle naturen.Er volgde eene vrij langdurige stilte tusschen den zendeling en de moeder van Valentin. Pater Seraphin zat in diepe gedachten verzonken; eindelijk nam hij het woord weder op.»Mevrouw,” zeide hij, »gij hebt het verhaal van dat meisje gehoord; haar vader werd gewond in een gevecht tegen uw zoon. Valentin is zonder twijfel niet ver van ons verwijderd; intusschen vordert de man dien wij gered hebben al onze zorgen; wij moeten waken dat hij zijnen vijanden niet weder in handen valt; ik verzoek u dus nog eenigen tijd geduld te hebben eer gij u met uw zoon vereenigt,want eerst moet de Roode-Ceder in veiligheid zijn; bovenal bid ik u omtrent al wat gij van nu af zien zult het diepste stilzwijgen te bewaren; houd mij ten goede, bid ik u, dat ik uwe ontmoeting met Valentin nog een tijdlang moet uitstellen.”»Vader,” antwoordde zij werktuigelijk, »het is nu tien jaren sinds ik zonder een dag of eene minuut te wanhopen met geduld het uur verbeid heb, waarop ik mijn beminden zoon zou terugzien; thans, nu er over zijn wedervaren bij mij geen de minste twijfel meer bestaat, kan ik nog wel eenige dagen wachten; ik zou wel zeer ondankbaar zijn jegens God, en jegens u die zooveel voor mij gedaan hebt, als ik het anders verlangde. Handel zoo als uwe menschlievendheid en uwe bediening u voorschrijven; volvoer uw plicht zonder u om mij te bekreunen, het was God die gewild heeft dat wij dezen man zouden ontmoeten. De wegen der Voorzienigheid zijn ondoorgrondelijk; laten wij haar gehoorzamen en den lijder redden, al is hij ook onze vergiffenis niet waard.”»Dat antwoord heb ik van u wel verwacht, intusschen ben ik gelukkig te zien dat gij mij in mijn voornemen bevestigt.”Den volgenden dag met zonsopgang trok men weder op weg, na vooraf, volgens de vaste gewoonte van den zendeling, te zamen gebeden te hebben.De Roode-Ceder lag nog altijd in denzelfden bewusteloozen toestand.De twee volgende dagen gingen zonder meldenswaardige gebeurtenissen voorbij.Tegen den avond van den derden dag trok de kleine karavaan het dal binnen, in welks midden, aan den voet der rotsen die het insloten, de grot gelegen was.De Roode-Ceder werd er in gedragen met al de zorg die zijn toestand vereischte, en in een der meest verwijderde vertrekken gebracht, ver van alle gedruisch daarbuiten, en wel zoo dat hij voor het oog der vreemdelingen verborgen bleef, die bij toeval in de grot mochten komen zoolang hij er zich bevinden zou.Valentins moeder was opgetogen van blijdschap toen zij hetwinterverblijfvan haar zoon binnentrad.Deze blijdschap vermeerderde niet weinig, toen zij in de grot rondziende eenige voorwerpen van geringe waarde vond, die hij gewoon was te gebruiken.De goede oude vrouw, als eene ware moeder, gevoelde haar hart door vreugd overstelpt, zij sloot zich op in het vertrek dat de jager voor zich afzonderlijk bestemd had, en daar met hare herinneringen alleen, bleef zij eenige uren in dankbare gedachten verdiept.Nadat de zendeling ieder zijne plaats aangewezen, het gemeenschappelijk gebed gedaan, en allen zich verwijderd hadden, liet hij zijne reisgezellen stilletjes in de rust en ging hij in het diepste der grot om zijne plaats in te nemen naast het bed van den gewonde.Daar komende, vond hij er reeds een ander persoon.Die tweede ziekenoppasser was Ellen.»Waarom gaat gij niet slapen, kind?” vroeg hij.Het meisje wees met edelen ernst naar den gewonde.»Laat mij bij hem waken,” zeide zij, »’t is mijn vader.”De zendeling glimlachte en verwijderde zich.Met het aanbreken van den dag kwam hij terug.DeRoode-Ceder, toen hij hem hoorde aankomen, zuchtte en richtte zich met veel moeite op in zijn bed.»Hoe bevindt gij u, broeder?” vroeg pater Seraphin met ongeveinsde belangstelling.Een koortsachtig rood overtoog de wangen van den bandiet, het koude zweet parelde op zijne slapen, in zijn oog fonkelde een vurige gloed en met eene zwakke, door ontroering nog meer gebroken stem, murmelde hij:»Mijn vader, ik ben een ellendige booswicht en uw medelijden onwaardig.”»Mijn zoon,” antwoordde de geestelijke zacht, »gij zijt een arm verdoold schepsel, dien God zeker genade zal bewijzen als uw berouw oprecht is.”De Roode-Ceder sloeg de oogen neêr; hij begon te beven van top tot teen.»Vader,” murmelde hij, »wilt gij mij leeren een kruis te maken?”Bij deze zonderlinge vraag uit den mond van een man als de Squatter, vouwde pater Seraphin onwillekeurig de handen samen, en sloeg de oogen dankbaar ten hemel.Zou de booze engel werkelijk in hem overwonnen zijn? Of was het misschien weder een komedie, door dezen man gespeeld om zijn redder te bedriegen, en zoodoende de welverdiende straf te ontgaan waarmede zijne vijanden hem dreigden voor al zijne wandaden?Helaas! het menschelijk hart is een arglistig samenweefsel van goed en kwaad, en toch, wie zal ons zeggen, of de Roode-Ceder op dit oogenblik niet ter goeder trouw was?
XIII.TERUGKEER TOT HET LEVEN.
De liefdadigheid is eene deugd die in onze eeuw wel algemeen wordt geprezen en toegejuicht, maar slechts door weinige menschen op de rechte wijs wordt uitgeoefend.Het voorbeeld van den barmhartigen Samaritaan vindt in onze maatschappij niet vele navolgers en als men de ware menschenliefde wilde zien, zoo rein en eenvoudig als het Evangelie die voorschrijft, zou men die in de wildernissen der nieuwe wereld moeten zoeken.Het is treurig om te zeggen en nog treuriger om te bewijzen, dat zoo weinig menschen in staat zijn tot zelfverloochening, gezwegen van zelfopoffering. Verreweg de meeste Christenen schijnen er nooit aan te denken dat zij eenmaal gedoopt zijn in den naam der eeuwige, ongehoudene, zelfopofferende liefde, en maken dus de zoo hooggeroemde beschaving te schande door zich te verlagen tot de baatzuchtige neigingen en driften die de zoogenaamde wilden in den onbeschaafden natuurstaat beheerschen. Dit gebrek is echter niet geheel aan de individus te wijten, het is veeleer de schuld van de materiëele en moreele richting onzer eeuw en het daaruit voortvloeiende heillooze egoïsme, dat zich vooral sinds de laatste jaren in den boezem der maatschappij en in het hart der menschen heeft ingeplant en tot zulk een ongekende hoogte ontwikkeld.Dit zoogenaamde personalisme en egoïsme, dat zoo veler daden en bedoelingen in Europa zoowel als in Amerika beheerscht, is onder anderen aan twee tastbare oorzaken toe te schrijven.Vooreerst aan de ontdekking der goudmijnen in Californië, Australië en aan de Fraser-rivier.Ten tweede aan de Beurs.De Beurs is vooral sedert de laatste jaren de kanker der oude wereld geworden. Wat hiervan het gevolg moet zijn is gemakkelijk te berekenen. Zoodra iedereen begreep dat er voor hem goede kans bestond om van daag of morgen schatrijk te worden, en velen het werkelijk werden, dacht niemand meer aan zijn arm gebleven buurman, dan om hem als een rampzalig wezen te beschouwen, dat niet in staat was om zijn lot te verbeteren. Uit het bovengezegde volgt echter eene andere beschouwing, namelijk, dat zij die moeds genoeg bezitten om zich aan den heerschenden tuimelgeest te onttrekken, het klatergoud des rijkdoms en der hen omringende weelde te verachten, en door heiligen ijver bezield, de schoonste en moeielijkste maar tevens karigst bezoldigde taak op zich te nemen, in onzen tijd des te meer lof verdienen. Gedreven door christelijke menschenliefde, trekken deze uitverkoren mannen met kloeken zin en een blij gemoed naar de onherbergzaamste wereldstreken, om onderwilde Indianen-horden of onder het uitschot der meer beschaafde maatschappij, roovers en landloopers, die alle gevoel van eer en deugd hebben uitgeschud, het Evangelie te verkondigen en eenige zielen te winnen; daarvoor verlaten zij vaderland en vrienden, brengen alle aardsche genot, eer en voordeel vrijwillig ten offer en maken zich in het oog van ieder die wel denkt en onpartijdig oordeelt verdienstelijk jegens de menschheid.Het aantal dezer edele en onbaatzuchtige gemoederen is veel grooter dan men oppervlakkig zou denken, en dit spreekt schier van zelf: want het eene uiterste roept vaak het andere te voorschijn: naast de liefde tot het goud moet zich gelijktijdig de hartstocht der belangeloosheid vertoonen, opdat de eeuwige balans van het goede en kwade, die de wereld van hoogerhand regelt, bewaard blijve en het evenwicht gedurig hersteld worde, zonder hetwelk de menschelijke maatschappij niet zou kunnen leven noch gedijen.Ik acht mij gelukkig hier te mogen verzekeren, dat onder de velen die Europa in alle richtingen uitzendt tot verspreiding van het licht des Evangelie’s, ook Frankrijk niet achterlijk is, maar naar evenredigheid zijn aandeel in ruime mate bijdraagt.En dit moet wel zoo zijn; terwijl de lagere driften in Frankrijk inzonderheid hare aanhangers tellen, zijn er daarentegen zooveel te meer anderen die door edeler aandrift bezield voor de uitbreiding van al wat waar, goed en schoon is hun leven veil hebben. — Maar hervatten wij ons verhaal.De toestand van den Roode-Ceder was bedenkelijk.De zedelijke schok door hem ondergaan, toen hij den man herkende, dien hij nog kort geleden had trachten te vermoorden, was bij hem weldra tot een vreeselijk delirium overgeslagen.De rampzalige, aan de bitterste wroeging ten prooi, werd door de akelige schrikgestalten zijner vermoorde slachtoffers gefolterd, die zijne koortsachtige verbeelding te voorschijn riep en die als een legioen duivels rondom zijn leger waarden.Zoo ging er een vreeselijke nacht voorbij.Pater Seraphin, Ellen en de moeder van Valentin, die hem geen oogenblik verlieten en met zorg bewaakten, waren nu en dan genoodzaakt hem in bedwang te houden, daar hij zich anders in een vlaag van verbijstering het hoofd tegen den boomstam zou hebben verpletterd.Zonderlinge toevalligheid! de Squatter was juist op dezelfde plaats in den schouder getroffen waar hij vroeger den zendeling eene wond had toegebracht, voor welke wond deze verplicht was geweest in Europa genezing te zoeken; van deze reis was pater Seraphin nauwelijks eenige dagen teruggekeerd, toen de Voorzienigheid hem geheel onverwachts, aan den voet van een boom bijna zieltogend uitgestrekt,den man deed wedervinden, die hem eens had willen vermoorden.Tegen het einde van den nacht begon de crisis een weinig tebedaren en geraakte de Squatter in een soort van slaap of verdooving, die hem althans voor een poos gevoel en bezinning ontnam.Geen van allen had gedurende dien langen en akeligen nacht in het diepste van het bosch een oog toegedaan.Zoodra pater Seraphin zag dat de gewonde kalmer werd, liet hij de Indianen een draagbaar samenstellen om hem te kunnen vervoeren.De Indianen deden dit met blijkbaren tegenzin.Zij kenden den Squatter sinds jaar en dag, en die ruwe natuurmenschen begrepen niet hoe het mogelijk was dat de missionaris in plaats van zijn vijand te dooden dien het toeval hem als ’t ware in handen had geleverd, hem integendeel hulp verleende en in het leven zocht te behouden, en dat zulk een booswicht, die zooveel wandaden gepleegd had, en wiens dood voor de prairie een weldaad zou zijn geweest!Alleen de trouw en genegenheid die zij den zendeling toedroegen kon hen bewegen te doen wat hij hun beval, en nog moeten wij zeggen dat zij het deden tegen wil en dank.Toen de draagbaar gereed was spreidde men er een laag graszoden en dorre bladeren over heen en werd de Squatter op dit tamelijk zachte bed gelegd, ofschoon deze bijna in een staat van volslagen gevoelloosheid verkeerde.Alvorens het bosch te verlaten achtte de zendeling het, ook in het belang van den gewonde, noodig om het wankelende geloof der Roodhuiden te verlevendigen, hij besloot dus vooraf de heilige mis te vieren.Een outaar van graszoden werd opgericht, met een wit linnen doek overdekt en toen door den zendeling de mis gelezen, bijgestaan door een der Indianen, die zich daartoe vrijwillig aanbood.Voorzeker in de groote hoofdkerken van Europa onder de prachtige tempelbogen, eerwaardig door ouderdom, terwijl tusschen de door beeldhouwkunst versierde zuilenrijen, bij schitterende praalkleedij en vergulden altaarpronk, de opwekkende tonen van het dreunende orgelspel door de hooge gewelven weergalmen, mag hetceremoniëelmeer kompleet en indrukwekkend worden genoemd, maar ik betwijfel zeer of er meer ware ernst, eerbied en ontzag bestaat dan bij de zielverheffende eenvoudigheid, waarmede hier de dienst gevierd werd onder de groenende bogen van het maagdelijk woud, begeleid door de treffendemelodieënder woestijn, door dezen armen priester, met zijn bleek gelaat, gevoelvollen blik en heilige geestdrift, terwijl hij bad voor het behoud van zijn eigen moordenaar, die aan zijne voeten lag te reutelen.Toen de mis geëindigd was, wenkte pater Seraphin met de hand. Vier Indianen namen de baar op hunne schouders en men vertrok.Vier Indianen namen de baar op hunne schouders. bladz. 88.Vier Indianen namen de baar op hunne schouders.bladz. 88.Ellen besteeg een der paarden van de mannen die den gewonde droegen.De reis duurde lang.Vader Seraphin was uit Galveston vertrokken met oogmerk om Valentin te zoeken; maar een pelsjager, die gewoon is zich over eene groote ruimte te bewegen en wiens leven bestaat in onophoudelijk heen en weder te trekken, is in de wildernis moeielijk te vinden; de zendeling had dus besloten zich eerst naar het winterdorp der Comanchen te begeven, waar hij den Eenhoorn zou aantreffen en zeker was van bepaalde narichten omtrent zijn vriend Valentin op te doen.Zijne ontmoeting met den Roode-Ceder belette hem echter dit plan ten uitvoer te brengen, want de Eenhoorn en Valentin hadden zulke bittere grieven tegen den Squatter, dat de zendeling zich niet durfde vleien dat zij hunne wraak om zijnentwil zouden laten varen.Vader Seraphin was met de denkwijs en zeden dezer lieden, die het leven in de wildernis uit den aard der zaak onverbiddelijk maakt, te wel bekend om zich aan dezen stap te wagen.Buitendien was de zaak allermoeielijkst; de Roode-Ceder was vogelvrij in de volle beteekenis des woords, en een van die booswichten, wier aantal gelukkig zeer gering is, maar die het gansche menschdom tegen zich hebben en die in geen land zouden worden geduld.En toch wilde de zendeling dezen man redden.Na rijpe overweging had hij zijn besluit eindelijk vastgesteld.Hij trok met zijn gansche gevolg op weg naar de grot waar wij hem vroeger reeds hebben aangetroffen, de grot namelijk die den Gids der Prairiën gewoonlijk tot winterverblijf diende, maar die in de tegenwoordige oogenblikken naar alle waarschijnlijkheid ledig zou zijn.Door eene zeldzame toevalligheid passeerde de missionaris, zonder hen te zien en zonder door hen gezien te worden, op nauwelijks een geweerschot afstand de plaats waar Valentin en zijne vrienden juist dien dag gekampeerd lagen.Tegen zonsondergang maakte de kleine karavaan halt en werd het nachtleger opgeslagen.Vader Seraphin nam het verband af dat hij op de wonden van den Squatter had aangebracht, en verbond hem op nieuw. Deze liet hem begaan zonder er iets van te bemerken, zoo diep waren zijne krachten weggezonken.De wonden stonden echter goed, die aan den schouder was het ergst, maar alles voorspelde mettertijd genezing.Nadat het avondmaal gebruikt, het gemeenschappelijk gebed gedaan was en de Indianen zich in hunne dekens en bisonsmantels gewikkeld en op het gras hadden uitgestrekt om na de vermoeienissen van den dag de noodige rust te zoeken, ging de zendeling nog eens naar den Squatter zien, die gerust sliep, en verzocht toen de twee vrouwen om naast hem bij het vuur te komen zitten, dat men voor den nacht ontstoken had om de wilde dieren op eenen afstand te houden.Pater Seraphin kende Ellen min of meer, hij herinnerde zich haardikwijls ontmoet en zelfs met haar gesproken te hebben in het bosch, tijdens haar vader zich zoo vermetel op het eigendom van don Miguel de Zarate gevestigd had.Het karakter van Ellen had hem bevallen; hare aangeboren eenvoudigheid en oprechtheid had hem dikwijls bij zich zelven doen vragen, hoe het mogelijk was, dat zulk een aanminnig schepsel als Ellen de dochter van een zoo ruw en slecht man kon zijn als de Roode-Ceder; dit kwam hem des te onbegrijpelijker voor, daar het arme kind wel een dubbele mate van rechtschapenheid moest bezitten, om niet besmet te worden door zulke slechte voorbeelden als zij dagelijks voor oogen kreeg.Hij had dan ook altijd veel werk van haar gemaakt, haar telkens aangemoedigd om op den goeden weg te volharden, en de hoop bij haar levendig gehouden, dat God haar eenmaal aan de bedorven omgeving waarin het lot haar geworpen had zou ontrukken, en haar overplaatsen in een beteren kring van menschen dan zij tot dusver had leeren kennen.Toen de beide vrouwen naast hem gezeten waren hield de zendeling, op zijn gewonen, liefdevollen en stichtelijken toon, een vaderlijke toespraak om haar op te wekken tot geduld en onderwerping aan het leed dat de Hemel haar toedeelde; daarop verzocht hij Ellen hem alles omstandig te verhalen wat er sedert zijn vertrek naar Frankrijk in de prairie was voorgevallen.Dit verhaal was lang en treurig en werd dikwijls afgebroken door de zuchten of snikken, die het gevoelige meisje zelf niet kon bedwingen.De moeder van Valentin zat te beven als een riet toen zij deze voor haar zoo ongewone dingen vernam; groote tranen biggelden langs hare verwelkte wangen en nu en dan sloeg zij onwillekeurig een kruis met den uitroep:»Mijn God! arm kind! welk een akelig leven!”Ellen had inderdaad haar eigen leven verteld, al de ijselijkheden die zij voor hare hoorders in bloedige en sombere tooneelen deed voorbijgaan, had zij zelve bijgewoond, van nabij gezien en er grootendeels het leed van gedragen.Toen haar verhaal geëindigd was liet zij het hoofd op de beide handen zinken en weende in stilte, geheel overstelpt door de bittersmarten die zij weder verlevendigd en als bloedende wonden op nieuw had opengereten.De missionaris beschouwde haar een geruime poos met een kalmen blik vol vaderlijk medelijden.Hij nam hare hand, sloot die in de zijnen en tot haar overbuigende sprak hij tot haar met eene zachte troostrijke stem die haar hart treffen moest:»Ween vrij, arm meisje, want gij hebt veel geleden; maar wees sterk; God, die u beproefde, heeft voor u misschien nog zwaarder slagen weggelegd dan die u reeds getroffen hebben, tracht den drinkbekerniet te verwijderen dien hij u aan de lippen zet; hoe meer gij hier lijdt zoo veel te meer wordt gij gelouterd voor het heil en de heerlijkheid van een ander leven. Zoo God u kastijdt, gij onnoozel schaap, is het omdat Hij u bemint; gelukkig zij die Hij alzoo kastijdt! Zoek uwe kracht in den gebede, het gebed verheft de ziel en maakt haar reiner, wanhoop niet; de wanhoop is eene gedachte uit den Booze die den mensch doet opstaan tegen de wijze lessen der Voorzienigheid. Denk aan onzen goddelijken Meester; herinner u wat die voor ons geleden heeft, dan zult gij erkennen moeten dat uwe smarten gering zijn in vergelijking van de Zijnen, en gij zult leeren hopen; want de Voorzienigheid is geen blind noodlot, als zij hare hand zwaar op het arme schepsel laat wegen is het alleen om dat lijden duizendmaal te vergoeden.”»Helaas! vader,” antwoordde Ellen treurig, »ik ben maar een arm ellendig kind, zonder kracht en zonder moed; de last die mij is opgelegd is zeer zwaar; maar toch, indien het Gods wil is dat het zoo zijn moet, zijn naam zij gezegend! ik zal de oproerige gedachten die soms in mijn hart opkomen trachten te onderdrukken en zonder klacht zoeken te strijden tegen het lot dat mij bezwaart.”»Goed zoo, meisje,” zei de priester; »de almachtige God, die de harten doorgrondt, zal zich over u erbarmen.”Toen liet hij haar opstaan en geleidde haar op eenigen afstand naar een bed van droge bladeren, dat de Indianen op zijn bevel voor haar hadden gereed gemaakt.»Gij moet gaan slapen, kind,” zeide hij, »de vermoeienis was te groot voor u; eenige uren rust zullen u goed doen.”»Ik zal trachten u te gehoorzamen, vader.”»Mogen de engelen u bewaken terwijl gij slaapt, mijn kind, en de Almachtige u zegenen, gelijk ik u doe!”In diepe gedachten en met langzamen tred kwam hij terug om zijne plaats te hernemen bij de moeder van Valentin.Ellen vlijde zich neder op haar bladerenbed, waar zij ondanks hare vrees, weldra de oogen sloot en gerust insliep.De natuur heeft hare rechten, die zij zich niet laat ontnemen, en de slaap, dien God ons gaf om ons voor eene poos onze smarten te doen vergeten, is een van die onvervreemdbare rechten, vooral bij jonge en krachtvolle naturen.Er volgde eene vrij langdurige stilte tusschen den zendeling en de moeder van Valentin. Pater Seraphin zat in diepe gedachten verzonken; eindelijk nam hij het woord weder op.»Mevrouw,” zeide hij, »gij hebt het verhaal van dat meisje gehoord; haar vader werd gewond in een gevecht tegen uw zoon. Valentin is zonder twijfel niet ver van ons verwijderd; intusschen vordert de man dien wij gered hebben al onze zorgen; wij moeten waken dat hij zijnen vijanden niet weder in handen valt; ik verzoek u dus nog eenigen tijd geduld te hebben eer gij u met uw zoon vereenigt,want eerst moet de Roode-Ceder in veiligheid zijn; bovenal bid ik u omtrent al wat gij van nu af zien zult het diepste stilzwijgen te bewaren; houd mij ten goede, bid ik u, dat ik uwe ontmoeting met Valentin nog een tijdlang moet uitstellen.”»Vader,” antwoordde zij werktuigelijk, »het is nu tien jaren sinds ik zonder een dag of eene minuut te wanhopen met geduld het uur verbeid heb, waarop ik mijn beminden zoon zou terugzien; thans, nu er over zijn wedervaren bij mij geen de minste twijfel meer bestaat, kan ik nog wel eenige dagen wachten; ik zou wel zeer ondankbaar zijn jegens God, en jegens u die zooveel voor mij gedaan hebt, als ik het anders verlangde. Handel zoo als uwe menschlievendheid en uwe bediening u voorschrijven; volvoer uw plicht zonder u om mij te bekreunen, het was God die gewild heeft dat wij dezen man zouden ontmoeten. De wegen der Voorzienigheid zijn ondoorgrondelijk; laten wij haar gehoorzamen en den lijder redden, al is hij ook onze vergiffenis niet waard.”»Dat antwoord heb ik van u wel verwacht, intusschen ben ik gelukkig te zien dat gij mij in mijn voornemen bevestigt.”Den volgenden dag met zonsopgang trok men weder op weg, na vooraf, volgens de vaste gewoonte van den zendeling, te zamen gebeden te hebben.De Roode-Ceder lag nog altijd in denzelfden bewusteloozen toestand.De twee volgende dagen gingen zonder meldenswaardige gebeurtenissen voorbij.Tegen den avond van den derden dag trok de kleine karavaan het dal binnen, in welks midden, aan den voet der rotsen die het insloten, de grot gelegen was.De Roode-Ceder werd er in gedragen met al de zorg die zijn toestand vereischte, en in een der meest verwijderde vertrekken gebracht, ver van alle gedruisch daarbuiten, en wel zoo dat hij voor het oog der vreemdelingen verborgen bleef, die bij toeval in de grot mochten komen zoolang hij er zich bevinden zou.Valentins moeder was opgetogen van blijdschap toen zij hetwinterverblijfvan haar zoon binnentrad.Deze blijdschap vermeerderde niet weinig, toen zij in de grot rondziende eenige voorwerpen van geringe waarde vond, die hij gewoon was te gebruiken.De goede oude vrouw, als eene ware moeder, gevoelde haar hart door vreugd overstelpt, zij sloot zich op in het vertrek dat de jager voor zich afzonderlijk bestemd had, en daar met hare herinneringen alleen, bleef zij eenige uren in dankbare gedachten verdiept.Nadat de zendeling ieder zijne plaats aangewezen, het gemeenschappelijk gebed gedaan, en allen zich verwijderd hadden, liet hij zijne reisgezellen stilletjes in de rust en ging hij in het diepste der grot om zijne plaats in te nemen naast het bed van den gewonde.Daar komende, vond hij er reeds een ander persoon.Die tweede ziekenoppasser was Ellen.»Waarom gaat gij niet slapen, kind?” vroeg hij.Het meisje wees met edelen ernst naar den gewonde.»Laat mij bij hem waken,” zeide zij, »’t is mijn vader.”De zendeling glimlachte en verwijderde zich.Met het aanbreken van den dag kwam hij terug.DeRoode-Ceder, toen hij hem hoorde aankomen, zuchtte en richtte zich met veel moeite op in zijn bed.»Hoe bevindt gij u, broeder?” vroeg pater Seraphin met ongeveinsde belangstelling.Een koortsachtig rood overtoog de wangen van den bandiet, het koude zweet parelde op zijne slapen, in zijn oog fonkelde een vurige gloed en met eene zwakke, door ontroering nog meer gebroken stem, murmelde hij:»Mijn vader, ik ben een ellendige booswicht en uw medelijden onwaardig.”»Mijn zoon,” antwoordde de geestelijke zacht, »gij zijt een arm verdoold schepsel, dien God zeker genade zal bewijzen als uw berouw oprecht is.”De Roode-Ceder sloeg de oogen neêr; hij begon te beven van top tot teen.»Vader,” murmelde hij, »wilt gij mij leeren een kruis te maken?”Bij deze zonderlinge vraag uit den mond van een man als de Squatter, vouwde pater Seraphin onwillekeurig de handen samen, en sloeg de oogen dankbaar ten hemel.Zou de booze engel werkelijk in hem overwonnen zijn? Of was het misschien weder een komedie, door dezen man gespeeld om zijn redder te bedriegen, en zoodoende de welverdiende straf te ontgaan waarmede zijne vijanden hem dreigden voor al zijne wandaden?Helaas! het menschelijk hart is een arglistig samenweefsel van goed en kwaad, en toch, wie zal ons zeggen, of de Roode-Ceder op dit oogenblik niet ter goeder trouw was?
De liefdadigheid is eene deugd die in onze eeuw wel algemeen wordt geprezen en toegejuicht, maar slechts door weinige menschen op de rechte wijs wordt uitgeoefend.
Het voorbeeld van den barmhartigen Samaritaan vindt in onze maatschappij niet vele navolgers en als men de ware menschenliefde wilde zien, zoo rein en eenvoudig als het Evangelie die voorschrijft, zou men die in de wildernissen der nieuwe wereld moeten zoeken.
Het is treurig om te zeggen en nog treuriger om te bewijzen, dat zoo weinig menschen in staat zijn tot zelfverloochening, gezwegen van zelfopoffering. Verreweg de meeste Christenen schijnen er nooit aan te denken dat zij eenmaal gedoopt zijn in den naam der eeuwige, ongehoudene, zelfopofferende liefde, en maken dus de zoo hooggeroemde beschaving te schande door zich te verlagen tot de baatzuchtige neigingen en driften die de zoogenaamde wilden in den onbeschaafden natuurstaat beheerschen. Dit gebrek is echter niet geheel aan de individus te wijten, het is veeleer de schuld van de materiëele en moreele richting onzer eeuw en het daaruit voortvloeiende heillooze egoïsme, dat zich vooral sinds de laatste jaren in den boezem der maatschappij en in het hart der menschen heeft ingeplant en tot zulk een ongekende hoogte ontwikkeld.
Dit zoogenaamde personalisme en egoïsme, dat zoo veler daden en bedoelingen in Europa zoowel als in Amerika beheerscht, is onder anderen aan twee tastbare oorzaken toe te schrijven.
Vooreerst aan de ontdekking der goudmijnen in Californië, Australië en aan de Fraser-rivier.
Ten tweede aan de Beurs.
De Beurs is vooral sedert de laatste jaren de kanker der oude wereld geworden. Wat hiervan het gevolg moet zijn is gemakkelijk te berekenen. Zoodra iedereen begreep dat er voor hem goede kans bestond om van daag of morgen schatrijk te worden, en velen het werkelijk werden, dacht niemand meer aan zijn arm gebleven buurman, dan om hem als een rampzalig wezen te beschouwen, dat niet in staat was om zijn lot te verbeteren. Uit het bovengezegde volgt echter eene andere beschouwing, namelijk, dat zij die moeds genoeg bezitten om zich aan den heerschenden tuimelgeest te onttrekken, het klatergoud des rijkdoms en der hen omringende weelde te verachten, en door heiligen ijver bezield, de schoonste en moeielijkste maar tevens karigst bezoldigde taak op zich te nemen, in onzen tijd des te meer lof verdienen. Gedreven door christelijke menschenliefde, trekken deze uitverkoren mannen met kloeken zin en een blij gemoed naar de onherbergzaamste wereldstreken, om onderwilde Indianen-horden of onder het uitschot der meer beschaafde maatschappij, roovers en landloopers, die alle gevoel van eer en deugd hebben uitgeschud, het Evangelie te verkondigen en eenige zielen te winnen; daarvoor verlaten zij vaderland en vrienden, brengen alle aardsche genot, eer en voordeel vrijwillig ten offer en maken zich in het oog van ieder die wel denkt en onpartijdig oordeelt verdienstelijk jegens de menschheid.
Het aantal dezer edele en onbaatzuchtige gemoederen is veel grooter dan men oppervlakkig zou denken, en dit spreekt schier van zelf: want het eene uiterste roept vaak het andere te voorschijn: naast de liefde tot het goud moet zich gelijktijdig de hartstocht der belangeloosheid vertoonen, opdat de eeuwige balans van het goede en kwade, die de wereld van hoogerhand regelt, bewaard blijve en het evenwicht gedurig hersteld worde, zonder hetwelk de menschelijke maatschappij niet zou kunnen leven noch gedijen.
Ik acht mij gelukkig hier te mogen verzekeren, dat onder de velen die Europa in alle richtingen uitzendt tot verspreiding van het licht des Evangelie’s, ook Frankrijk niet achterlijk is, maar naar evenredigheid zijn aandeel in ruime mate bijdraagt.
En dit moet wel zoo zijn; terwijl de lagere driften in Frankrijk inzonderheid hare aanhangers tellen, zijn er daarentegen zooveel te meer anderen die door edeler aandrift bezield voor de uitbreiding van al wat waar, goed en schoon is hun leven veil hebben. — Maar hervatten wij ons verhaal.
De toestand van den Roode-Ceder was bedenkelijk.
De zedelijke schok door hem ondergaan, toen hij den man herkende, dien hij nog kort geleden had trachten te vermoorden, was bij hem weldra tot een vreeselijk delirium overgeslagen.
De rampzalige, aan de bitterste wroeging ten prooi, werd door de akelige schrikgestalten zijner vermoorde slachtoffers gefolterd, die zijne koortsachtige verbeelding te voorschijn riep en die als een legioen duivels rondom zijn leger waarden.
Zoo ging er een vreeselijke nacht voorbij.
Pater Seraphin, Ellen en de moeder van Valentin, die hem geen oogenblik verlieten en met zorg bewaakten, waren nu en dan genoodzaakt hem in bedwang te houden, daar hij zich anders in een vlaag van verbijstering het hoofd tegen den boomstam zou hebben verpletterd.
Zonderlinge toevalligheid! de Squatter was juist op dezelfde plaats in den schouder getroffen waar hij vroeger den zendeling eene wond had toegebracht, voor welke wond deze verplicht was geweest in Europa genezing te zoeken; van deze reis was pater Seraphin nauwelijks eenige dagen teruggekeerd, toen de Voorzienigheid hem geheel onverwachts, aan den voet van een boom bijna zieltogend uitgestrekt,den man deed wedervinden, die hem eens had willen vermoorden.
Tegen het einde van den nacht begon de crisis een weinig tebedaren en geraakte de Squatter in een soort van slaap of verdooving, die hem althans voor een poos gevoel en bezinning ontnam.
Geen van allen had gedurende dien langen en akeligen nacht in het diepste van het bosch een oog toegedaan.
Zoodra pater Seraphin zag dat de gewonde kalmer werd, liet hij de Indianen een draagbaar samenstellen om hem te kunnen vervoeren.
De Indianen deden dit met blijkbaren tegenzin.
Zij kenden den Squatter sinds jaar en dag, en die ruwe natuurmenschen begrepen niet hoe het mogelijk was dat de missionaris in plaats van zijn vijand te dooden dien het toeval hem als ’t ware in handen had geleverd, hem integendeel hulp verleende en in het leven zocht te behouden, en dat zulk een booswicht, die zooveel wandaden gepleegd had, en wiens dood voor de prairie een weldaad zou zijn geweest!
Alleen de trouw en genegenheid die zij den zendeling toedroegen kon hen bewegen te doen wat hij hun beval, en nog moeten wij zeggen dat zij het deden tegen wil en dank.
Toen de draagbaar gereed was spreidde men er een laag graszoden en dorre bladeren over heen en werd de Squatter op dit tamelijk zachte bed gelegd, ofschoon deze bijna in een staat van volslagen gevoelloosheid verkeerde.
Alvorens het bosch te verlaten achtte de zendeling het, ook in het belang van den gewonde, noodig om het wankelende geloof der Roodhuiden te verlevendigen, hij besloot dus vooraf de heilige mis te vieren.
Een outaar van graszoden werd opgericht, met een wit linnen doek overdekt en toen door den zendeling de mis gelezen, bijgestaan door een der Indianen, die zich daartoe vrijwillig aanbood.
Voorzeker in de groote hoofdkerken van Europa onder de prachtige tempelbogen, eerwaardig door ouderdom, terwijl tusschen de door beeldhouwkunst versierde zuilenrijen, bij schitterende praalkleedij en vergulden altaarpronk, de opwekkende tonen van het dreunende orgelspel door de hooge gewelven weergalmen, mag hetceremoniëelmeer kompleet en indrukwekkend worden genoemd, maar ik betwijfel zeer of er meer ware ernst, eerbied en ontzag bestaat dan bij de zielverheffende eenvoudigheid, waarmede hier de dienst gevierd werd onder de groenende bogen van het maagdelijk woud, begeleid door de treffendemelodieënder woestijn, door dezen armen priester, met zijn bleek gelaat, gevoelvollen blik en heilige geestdrift, terwijl hij bad voor het behoud van zijn eigen moordenaar, die aan zijne voeten lag te reutelen.
Toen de mis geëindigd was, wenkte pater Seraphin met de hand. Vier Indianen namen de baar op hunne schouders en men vertrok.
Vier Indianen namen de baar op hunne schouders. bladz. 88.Vier Indianen namen de baar op hunne schouders.bladz. 88.
Vier Indianen namen de baar op hunne schouders.bladz. 88.
Ellen besteeg een der paarden van de mannen die den gewonde droegen.
De reis duurde lang.
Vader Seraphin was uit Galveston vertrokken met oogmerk om Valentin te zoeken; maar een pelsjager, die gewoon is zich over eene groote ruimte te bewegen en wiens leven bestaat in onophoudelijk heen en weder te trekken, is in de wildernis moeielijk te vinden; de zendeling had dus besloten zich eerst naar het winterdorp der Comanchen te begeven, waar hij den Eenhoorn zou aantreffen en zeker was van bepaalde narichten omtrent zijn vriend Valentin op te doen.
Zijne ontmoeting met den Roode-Ceder belette hem echter dit plan ten uitvoer te brengen, want de Eenhoorn en Valentin hadden zulke bittere grieven tegen den Squatter, dat de zendeling zich niet durfde vleien dat zij hunne wraak om zijnentwil zouden laten varen.
Vader Seraphin was met de denkwijs en zeden dezer lieden, die het leven in de wildernis uit den aard der zaak onverbiddelijk maakt, te wel bekend om zich aan dezen stap te wagen.
Buitendien was de zaak allermoeielijkst; de Roode-Ceder was vogelvrij in de volle beteekenis des woords, en een van die booswichten, wier aantal gelukkig zeer gering is, maar die het gansche menschdom tegen zich hebben en die in geen land zouden worden geduld.
En toch wilde de zendeling dezen man redden.
Na rijpe overweging had hij zijn besluit eindelijk vastgesteld.
Hij trok met zijn gansche gevolg op weg naar de grot waar wij hem vroeger reeds hebben aangetroffen, de grot namelijk die den Gids der Prairiën gewoonlijk tot winterverblijf diende, maar die in de tegenwoordige oogenblikken naar alle waarschijnlijkheid ledig zou zijn.
Door eene zeldzame toevalligheid passeerde de missionaris, zonder hen te zien en zonder door hen gezien te worden, op nauwelijks een geweerschot afstand de plaats waar Valentin en zijne vrienden juist dien dag gekampeerd lagen.
Tegen zonsondergang maakte de kleine karavaan halt en werd het nachtleger opgeslagen.
Vader Seraphin nam het verband af dat hij op de wonden van den Squatter had aangebracht, en verbond hem op nieuw. Deze liet hem begaan zonder er iets van te bemerken, zoo diep waren zijne krachten weggezonken.
De wonden stonden echter goed, die aan den schouder was het ergst, maar alles voorspelde mettertijd genezing.
Nadat het avondmaal gebruikt, het gemeenschappelijk gebed gedaan was en de Indianen zich in hunne dekens en bisonsmantels gewikkeld en op het gras hadden uitgestrekt om na de vermoeienissen van den dag de noodige rust te zoeken, ging de zendeling nog eens naar den Squatter zien, die gerust sliep, en verzocht toen de twee vrouwen om naast hem bij het vuur te komen zitten, dat men voor den nacht ontstoken had om de wilde dieren op eenen afstand te houden.
Pater Seraphin kende Ellen min of meer, hij herinnerde zich haardikwijls ontmoet en zelfs met haar gesproken te hebben in het bosch, tijdens haar vader zich zoo vermetel op het eigendom van don Miguel de Zarate gevestigd had.
Het karakter van Ellen had hem bevallen; hare aangeboren eenvoudigheid en oprechtheid had hem dikwijls bij zich zelven doen vragen, hoe het mogelijk was, dat zulk een aanminnig schepsel als Ellen de dochter van een zoo ruw en slecht man kon zijn als de Roode-Ceder; dit kwam hem des te onbegrijpelijker voor, daar het arme kind wel een dubbele mate van rechtschapenheid moest bezitten, om niet besmet te worden door zulke slechte voorbeelden als zij dagelijks voor oogen kreeg.
Hij had dan ook altijd veel werk van haar gemaakt, haar telkens aangemoedigd om op den goeden weg te volharden, en de hoop bij haar levendig gehouden, dat God haar eenmaal aan de bedorven omgeving waarin het lot haar geworpen had zou ontrukken, en haar overplaatsen in een beteren kring van menschen dan zij tot dusver had leeren kennen.
Toen de beide vrouwen naast hem gezeten waren hield de zendeling, op zijn gewonen, liefdevollen en stichtelijken toon, een vaderlijke toespraak om haar op te wekken tot geduld en onderwerping aan het leed dat de Hemel haar toedeelde; daarop verzocht hij Ellen hem alles omstandig te verhalen wat er sedert zijn vertrek naar Frankrijk in de prairie was voorgevallen.
Dit verhaal was lang en treurig en werd dikwijls afgebroken door de zuchten of snikken, die het gevoelige meisje zelf niet kon bedwingen.
De moeder van Valentin zat te beven als een riet toen zij deze voor haar zoo ongewone dingen vernam; groote tranen biggelden langs hare verwelkte wangen en nu en dan sloeg zij onwillekeurig een kruis met den uitroep:
»Mijn God! arm kind! welk een akelig leven!”
Ellen had inderdaad haar eigen leven verteld, al de ijselijkheden die zij voor hare hoorders in bloedige en sombere tooneelen deed voorbijgaan, had zij zelve bijgewoond, van nabij gezien en er grootendeels het leed van gedragen.
Toen haar verhaal geëindigd was liet zij het hoofd op de beide handen zinken en weende in stilte, geheel overstelpt door de bittersmarten die zij weder verlevendigd en als bloedende wonden op nieuw had opengereten.
De missionaris beschouwde haar een geruime poos met een kalmen blik vol vaderlijk medelijden.
Hij nam hare hand, sloot die in de zijnen en tot haar overbuigende sprak hij tot haar met eene zachte troostrijke stem die haar hart treffen moest:
»Ween vrij, arm meisje, want gij hebt veel geleden; maar wees sterk; God, die u beproefde, heeft voor u misschien nog zwaarder slagen weggelegd dan die u reeds getroffen hebben, tracht den drinkbekerniet te verwijderen dien hij u aan de lippen zet; hoe meer gij hier lijdt zoo veel te meer wordt gij gelouterd voor het heil en de heerlijkheid van een ander leven. Zoo God u kastijdt, gij onnoozel schaap, is het omdat Hij u bemint; gelukkig zij die Hij alzoo kastijdt! Zoek uwe kracht in den gebede, het gebed verheft de ziel en maakt haar reiner, wanhoop niet; de wanhoop is eene gedachte uit den Booze die den mensch doet opstaan tegen de wijze lessen der Voorzienigheid. Denk aan onzen goddelijken Meester; herinner u wat die voor ons geleden heeft, dan zult gij erkennen moeten dat uwe smarten gering zijn in vergelijking van de Zijnen, en gij zult leeren hopen; want de Voorzienigheid is geen blind noodlot, als zij hare hand zwaar op het arme schepsel laat wegen is het alleen om dat lijden duizendmaal te vergoeden.”
»Helaas! vader,” antwoordde Ellen treurig, »ik ben maar een arm ellendig kind, zonder kracht en zonder moed; de last die mij is opgelegd is zeer zwaar; maar toch, indien het Gods wil is dat het zoo zijn moet, zijn naam zij gezegend! ik zal de oproerige gedachten die soms in mijn hart opkomen trachten te onderdrukken en zonder klacht zoeken te strijden tegen het lot dat mij bezwaart.”
»Goed zoo, meisje,” zei de priester; »de almachtige God, die de harten doorgrondt, zal zich over u erbarmen.”
Toen liet hij haar opstaan en geleidde haar op eenigen afstand naar een bed van droge bladeren, dat de Indianen op zijn bevel voor haar hadden gereed gemaakt.
»Gij moet gaan slapen, kind,” zeide hij, »de vermoeienis was te groot voor u; eenige uren rust zullen u goed doen.”
»Ik zal trachten u te gehoorzamen, vader.”
»Mogen de engelen u bewaken terwijl gij slaapt, mijn kind, en de Almachtige u zegenen, gelijk ik u doe!”
In diepe gedachten en met langzamen tred kwam hij terug om zijne plaats te hernemen bij de moeder van Valentin.
Ellen vlijde zich neder op haar bladerenbed, waar zij ondanks hare vrees, weldra de oogen sloot en gerust insliep.
De natuur heeft hare rechten, die zij zich niet laat ontnemen, en de slaap, dien God ons gaf om ons voor eene poos onze smarten te doen vergeten, is een van die onvervreemdbare rechten, vooral bij jonge en krachtvolle naturen.
Er volgde eene vrij langdurige stilte tusschen den zendeling en de moeder van Valentin. Pater Seraphin zat in diepe gedachten verzonken; eindelijk nam hij het woord weder op.
»Mevrouw,” zeide hij, »gij hebt het verhaal van dat meisje gehoord; haar vader werd gewond in een gevecht tegen uw zoon. Valentin is zonder twijfel niet ver van ons verwijderd; intusschen vordert de man dien wij gered hebben al onze zorgen; wij moeten waken dat hij zijnen vijanden niet weder in handen valt; ik verzoek u dus nog eenigen tijd geduld te hebben eer gij u met uw zoon vereenigt,want eerst moet de Roode-Ceder in veiligheid zijn; bovenal bid ik u omtrent al wat gij van nu af zien zult het diepste stilzwijgen te bewaren; houd mij ten goede, bid ik u, dat ik uwe ontmoeting met Valentin nog een tijdlang moet uitstellen.”
»Vader,” antwoordde zij werktuigelijk, »het is nu tien jaren sinds ik zonder een dag of eene minuut te wanhopen met geduld het uur verbeid heb, waarop ik mijn beminden zoon zou terugzien; thans, nu er over zijn wedervaren bij mij geen de minste twijfel meer bestaat, kan ik nog wel eenige dagen wachten; ik zou wel zeer ondankbaar zijn jegens God, en jegens u die zooveel voor mij gedaan hebt, als ik het anders verlangde. Handel zoo als uwe menschlievendheid en uwe bediening u voorschrijven; volvoer uw plicht zonder u om mij te bekreunen, het was God die gewild heeft dat wij dezen man zouden ontmoeten. De wegen der Voorzienigheid zijn ondoorgrondelijk; laten wij haar gehoorzamen en den lijder redden, al is hij ook onze vergiffenis niet waard.”
»Dat antwoord heb ik van u wel verwacht, intusschen ben ik gelukkig te zien dat gij mij in mijn voornemen bevestigt.”
Den volgenden dag met zonsopgang trok men weder op weg, na vooraf, volgens de vaste gewoonte van den zendeling, te zamen gebeden te hebben.
De Roode-Ceder lag nog altijd in denzelfden bewusteloozen toestand.
De twee volgende dagen gingen zonder meldenswaardige gebeurtenissen voorbij.
Tegen den avond van den derden dag trok de kleine karavaan het dal binnen, in welks midden, aan den voet der rotsen die het insloten, de grot gelegen was.
De Roode-Ceder werd er in gedragen met al de zorg die zijn toestand vereischte, en in een der meest verwijderde vertrekken gebracht, ver van alle gedruisch daarbuiten, en wel zoo dat hij voor het oog der vreemdelingen verborgen bleef, die bij toeval in de grot mochten komen zoolang hij er zich bevinden zou.
Valentins moeder was opgetogen van blijdschap toen zij hetwinterverblijfvan haar zoon binnentrad.
Deze blijdschap vermeerderde niet weinig, toen zij in de grot rondziende eenige voorwerpen van geringe waarde vond, die hij gewoon was te gebruiken.
De goede oude vrouw, als eene ware moeder, gevoelde haar hart door vreugd overstelpt, zij sloot zich op in het vertrek dat de jager voor zich afzonderlijk bestemd had, en daar met hare herinneringen alleen, bleef zij eenige uren in dankbare gedachten verdiept.
Nadat de zendeling ieder zijne plaats aangewezen, het gemeenschappelijk gebed gedaan, en allen zich verwijderd hadden, liet hij zijne reisgezellen stilletjes in de rust en ging hij in het diepste der grot om zijne plaats in te nemen naast het bed van den gewonde.
Daar komende, vond hij er reeds een ander persoon.
Die tweede ziekenoppasser was Ellen.
»Waarom gaat gij niet slapen, kind?” vroeg hij.
Het meisje wees met edelen ernst naar den gewonde.
»Laat mij bij hem waken,” zeide zij, »’t is mijn vader.”
De zendeling glimlachte en verwijderde zich.
Met het aanbreken van den dag kwam hij terug.
DeRoode-Ceder, toen hij hem hoorde aankomen, zuchtte en richtte zich met veel moeite op in zijn bed.
»Hoe bevindt gij u, broeder?” vroeg pater Seraphin met ongeveinsde belangstelling.
Een koortsachtig rood overtoog de wangen van den bandiet, het koude zweet parelde op zijne slapen, in zijn oog fonkelde een vurige gloed en met eene zwakke, door ontroering nog meer gebroken stem, murmelde hij:
»Mijn vader, ik ben een ellendige booswicht en uw medelijden onwaardig.”
»Mijn zoon,” antwoordde de geestelijke zacht, »gij zijt een arm verdoold schepsel, dien God zeker genade zal bewijzen als uw berouw oprecht is.”
De Roode-Ceder sloeg de oogen neêr; hij begon te beven van top tot teen.
»Vader,” murmelde hij, »wilt gij mij leeren een kruis te maken?”
Bij deze zonderlinge vraag uit den mond van een man als de Squatter, vouwde pater Seraphin onwillekeurig de handen samen, en sloeg de oogen dankbaar ten hemel.
Zou de booze engel werkelijk in hem overwonnen zijn? Of was het misschien weder een komedie, door dezen man gespeeld om zijn redder te bedriegen, en zoodoende de welverdiende straf te ontgaan waarmede zijne vijanden hem dreigden voor al zijne wandaden?
Helaas! het menschelijk hart is een arglistig samenweefsel van goed en kwaad, en toch, wie zal ons zeggen, of de Roode-Ceder op dit oogenblik niet ter goeder trouw was?