XIV.

XIV.EEN OUDE KENNIS.Na het gevecht bij den Dolle-Bisonsheuvel, toen de Apachen onder den Zwarte-Kat aan de eene en de Comanchen onder den Eenhoorn aan de andere zijde waren afgetrokken, en elke oorlogstroep den terugmarsch naar zijn stamdorp had aangenomen, bevonden de jagers zich weder in de prairie alleen.Valentin was de eerste die de Witte-Gazelle peinzend tegen een boom geleund zag staan, met de teugels van haar paard achteloosin de hand, terwijl het argelooze dier nu en dan een bosje gras van den grond of een trosje bladeren van de jonge hagen afhapte.De jager begreep terstond, dat hij en zijne metgezellen haar wel eenige vergoeding schuldig waren voor de onverklaarbare trouw door haar betoond en de onberekenbare dienst die zij hun bewezen had gedurende de ontzettende en hachelijke omstandigheden, waaruit zij zich thans verlost zagen.Hij trad dus met eene beleefde buiging naar haar toe en sprak haar aan met eene zachte stem.»Hoe blijft gij daar zoo op een afstand,señorita?” zeide hij, »uwe plaats is in ons gezelschap; laat uw paard kluisteren met de onzen, bid ik u; en kom u toch nederzetten aan onzen haard.”De Gazelle bloosde van genoegen bij de minzame uitnoodiging van Valentin; maar zich een oogenblik bedenkende, schudde zij weigerachtig het hoofd, keek hem droevig aan en antwoordde met eene bevende stem:»Ik moet u danken, caballero, voor het aanbod dat gij mij wel gelieft te doen; maar ik kan het niet aannemen, zoo gij en uwe vrienden al grootmoedig genoeg zijt om mijn vorige hoogstberispelijke gedrag jegens u te vergeten, mijn geheugen is niet zoo inschikkelijk, ik moet en ik wil door andere, meer afdoende diensten dan ik u heden bewijzen kon, de misslagen zoeken te herstellen die ik vroeger begaan heb.”»Señora,” hervatte de jager, »de gevoelens die gij uit, vereeren u nog meer in onze schatting; sla dus ons verzoek niet af. Lieve hemel! gij weet immers toch, dat men in de prairie het recht niet heeft om zoo gestreng te zijn; het gebeurt niet dikwijls dat men personen aantreft die een begane dwaling op zulk eene edele wijs weten te herstellen.”»Dring mij niet langer, caballero, mijn wil is onverzettelijk,” zeide zij met blijkbare inspanning en met een zijdelingschen blik naar don Pablo. »Ik moet vertrekken, en dat wel op staanden voet, laat mij dus gaan, verzoek ik u.”Valentin boog op nieuw.»Uw wil is voor mij een bevel,señorita,” zeide hij; »gij zijt vrij; ik heb niet anders gepoogd dan u mijne dankbaarheid te toonen.”»Helaas! gij of ik, wij hebben nog niets gedaan, daar onze bitterste vijand de Roode-Ceder ons ontsnapt is.”»Wat zegt gij!” riep de jager verwonderd, »is de Roode-Ceder uw vijand!”»Mijn doodvijand!” riep zij met een blik van onmiskenbaren afkeer. »O! ik begrijp het nu wel, gij hebt mij bij hem ontmoet en gezien hoe ik hem in zijne plannen voorthielp en daarom komt zulk eene verandering u onverklaarbaar voor. Hoor eens, in dien tijd toen ik den onverlaat zocht te dienen, dacht ik alleen dat hij een gewone bandiet was, zooals er maar al te veel zijn in het Verre Westen.”»En thans?” vroeg hij.»O! thans,” hervatte zij, »thans weet ik wat ik toen nog niet wist; ik heb eene vreeselijke rekening met hem te vereffenen.”»Het is er ver van daan dat ik uwe geheimen zou willen doorgronden,señorita, maar vergun mij u slechts eene opmerking te doen.”»Spreek vrijuit.”»De Roode-Ceder is geen alledaagsch vijand, een van die mannen die men gemakkelijk kan uit den weg ruimen; dat weet gij zoo goed als ik, niet waar?”»Ja, en wat zou dat?”»Wat mannen zooals mijne vrienden en ik, met behulp eener talrijke krijgsmacht niet hebben kunnen doen, zoudt gij u vermeten dat te kunnen volbrengen?”De Witte-Gazelle glimlachte.»Wel mogelijk,” zeide zij; »ik heb ook bondgenooten; en als gij het verlangt, caballero, zal ik u die bondgenooten leeren kennen.”»Spreek op,señorita, want waarlijk uwe kalmte en uw zelfvertrouwen maken mij tegen wil en dank nieuwsgierig.”»Verplicht, caballero, voor het belang dat gij in mij stelt, de eerste bondgenoot op wien ik reken, zijt gij zelf.”»Dat is recht,” riep de jager met eene buiging, »al brachten mijne gezindheden er mij niet toe, zouden mijn plicht en mijn belang het mij gebieden. En de tweede, kunt gij mij dien ook noemen?”»Zonder twijfel, des te meer, daar gij hem reeds kent, het is de Zoon des Bloeds.”Valentin sprong bijna achteruit van verrassing, maar bedwong zich oogenblikkelijk.»Met uw welnemen,señorita,” zeide hij beleefd, »maar gij verstaat inderdaad de kunst om mij op eene ongehoorde wijs te verbazen.”»Hoe dat, caballero?”»Omdat ik, neem mij niet kwalijk, dacht dat de Zoon des Bloeds veeleer een uwer bitterste vijanden was.”»Hij was dit, ja,” riep zij met een glimlach.»En thans?”»Thans is hij mijn dierbaarste vriend.”»Dat gaat mijn verstand te boven! En sinds wanneer heeft die buitengewone ommekeer plaats gehad?”»Sinds wanneer?” antwoordde de Gazelle geslepen, »sinds dat de Roode-Ceder, in plaats van een vriend, op eens mijn geslagen vijand geworden is.”Valentin sloeg de armen bij zich neer, als iemand die er van afziet om een al te moeielijk raadsel op te lossen.»Ik begrijp er niets meer van,” zeide hij.»Gij zult het eerlang begrijpen,” riep zij.Op eens sprong zij in den zadel en zich nog eens tot Valentin wendende, zeide zij:»Vaarwel! caballero: ik vertrek naar den Zoon des Bloeds, weldra zien wij elkander terug. Vaarwel!”En hiermede gaf zij haar paard de sporen, wuifde den jager met de hand een laatst vaarwel toe en vertrok in galop, terwijl zij spoedig in een wolk van stof verdwenen was.Valentin keerde vol gedachten naar zijne vrienden terug.»Wel?” vroeg hem don Miguel.»Wel!” was zijn antwoord, »wat zou het wezen? dat meisje is het zonderlingste schepsel dat ik ooit ontmoet heb.”Zoodra zij den jager uit het gezicht was, verslapte de Witte-Gazelle den galop van haar paard en bracht het in den meer bedaarden pas, die beter met de omzichtigheid van een eenzaam reiziger in de prairie overeenkomt.Het jonge meisje gevoelde zich op dit oogenblik gelukkig, zij was niet alleen geslaagd in haar plan om den jongman dien zij beminde uit een dreigend gevaar te redden, maar tevens om zich met Valentin en diens gezellen weder op een goeden voet te brengen.De Roode-Ceder was haar, wel is waar, ontsnapt, maar voor ditmaal had hij toch een goede les gehad en zou hij, van alle zijden als een wild dier verjaagd, naar het zich liet aanzien spoedig in handen vallen van hen wier belang medebracht hem uit den weg te ruimen.Zij reed onbezorgd voort, wierp nu en dan een verstrooiden blik in het rond, en bewonderde de kalme rust der prairie onder den glans der zonnestralen die zich spiegelden in het jonge groen der kreupelboschjes.Nooit had zij de wildernis zoo schoon gevonden, nooit scheen de stilte zoo groot als die er thans heerschte in haar gemoed.Reeds neigde de zon ten ondergang en verlengden zich de schaduwen van het hier en daar in vollen zomerdos prijkend reusachtig geboomte; de vogeltjes in het dichte gebladerte verscholen zongen den Heer der Schepping hun veelstemmig avondlied, toen de eenzame amazone op eens aan den rand eener groeve door het afvloeiende regenwater gedurende den wintertijd gegraven, een man meende te zien liggen half op den eenen elleboog geleund.Deze man, bij wien een paard op korten afstand liep grazen, scheen met iets bezig te zijn daar het meisje niets van begreep, maar dat op het levendigst hare aandacht trok.Ofschoon zij snel de plek naderde waar hij zich bevond, stoorde de vreemdeling zich niet aan haar en zette zijn onbegrijpelijk werk met gespannen aandacht voort.Eindelijk stond zij vlak tegenover hem; en nu kon zij een uitroep van verrassing niet weerhouden; zij bleef pal staan om hem met verwondering aan te kijken.De man speelde in zijne eenzaamheid monté, een soort van Mexicaansch lansquenet, met een spel kaarten dat er bijzonder smerig uitzag.Deze vertooning vond zij zoo buitengewoon koddig dat zij in een schel gelach uitbarstte.Bij dit geluid hief de man het hoofd op.»Ziedaar!” riep hij zonder zich overigens in het minst verwonderd te toonen, »wist ik het niet dat er iemand komen zou; dat kan nooit missen, op dit gezegend benedenrond!”»O, foei!” riep zij met een lach, »gelooft gij daaraan?”»Canarios! ik ben er zeker van,” antwoordde hij, »en gij zelve bewijst het mij,señorita, juist omdat gij komt.”»Leg mij dat eens nader uit, vriend, als ik u verzoeken mag, want ik moet u bekennen dat ik er geen letter van begrijp.”»Dat geloof ik niet,” riep de onbekende hoofdschuddend; »maar toch, strikt genomen zou het waar kunnen wezen. In allen geval, ik sta er voor in, dat het zoo is.”»Zeer goed, maar wees dan zoo goed en verklaar het mij nader.”»O, dat is gemakkelijk genoeg,señorita. Ik ben uit Jalapa, een stad die gij wel kennen moet.”»Ja, maar niet anders dan door de medicijn, die er den naam aan ontleent.”»Goed, goed,” lachte de andere, »maar dat neemt niet weg dat Jalapa een mooie stad is.”»Integendeel! ga voort.”»Ik ga al voort. Gij moet dan weten dat wij te Jalapa een spreekwoord hebben.”»Zeer mogelijk; strikt genomen is dat op zich zelf zooveel bijzonders niet.”»Dat is waar, maar dat spreekwoord kent gij toch niet, zeg!”»Neen, dat wacht ik van u te zullen hooren.”»Daar is het: »wilt gij gezelschap, leg dan de kaarten.””»Dat begrijp ik niet.”»Loop heen!”»Op mijn woord niet!”»Met dat al is het toch zeer duidelijk; dat zult gij zien.”»Ik wou dat ik het reeds zag,” riep het meisje, die het gesprek uitermate behagelijk vond.De onbekende stond op, stak de kaarten in zijn zak met al den ernst die een speler van beroep aan dit werk besteedt en nu met den arm achteloos op den hals van het paard der Gazelle leunende sprak hij:»Door eene reeks van omstandigheden, te lang om u te vertellen bevind ik mij moederziel alleen in deze onmetelijke prairie waar ik geen heg of steg weet; als fatsoenlijk stadsburger ben ik volstrekt niet op de hoogte van de zeden en gebruiken der wildernis, zoodat ik natuurlijk eerlang van honger en gebrek zal moeten omkomen.”»Met uw welnemen, dat ik u in de rede val, maar ik moet u, doen opmerken dat wij hier zoo wat drie honderd mijlen ver van de naaste stad verwijderd zijn en er dus strikt genomen nog al eenige tijd heeft moeten verloopen sedert gij, beschaafde man, u in de wildernis bevindt.”»Dat is ook zoo; wat gij daar zegt is maar al te waar,señorita; maar dat komt door die lange reeks van oorzaken daar ik u zoo even van sprak en die te veel tijd zouden kosten om u te vertellen.”»Zeer goed, ga voort.”»Welnu, toen ik zag dat ik verloren was, dacht ik aan het spreekwoord van mijn land, haalde ik de kaarten uit mijnalforjas(knapzak) en begon, ofschoon gansch alleen, te spelen, wel overtuigd dat er dan spoedig, ongevraagd wie of van waar, een kameraad zou opdagen, niet om een partijtje met mij te spelen, maar om mij uit de verlegenheid te helpen.”De Witte-Gazelle werd op eens ernstig en richtte zich op in den zadel.»Gij hebt wel zeker spel gespeeld,” zeide zij, »want zoo als gij ziet, Andres Garote, ik ben gekomen.”Zoodra de ranchero zijn naam hoorde, want het was inderdaad onze oude kennis die hier voor den duivel speelde, stak hij het hoofd op en keek haar aan.»Wie zijt gij toch,” zeide hij, »dat gij mij zoo goed kent; ik kan mij niet herinneren dat ik u ooit gezien heb?”»Kom, kom,” riep het meisje lachend, »uw geheugen moet dan wel kort zijn, vriend; of herinnert gij u de Witte-Gazelle niet meer?”Bij dezen naam sprong de ranchero een voet achteruit.»O!tonto—dwaas!—die ik ben,” riep hij; »’t is waar. Maar ik kon zoo weinig denken dat ik u hier.… Neem mij niet kwalijk,señorita.…”»Hoe is het,” viel de Gazelle hem in de rede, »hebt gij den Roode-Ceder in den steek gelaten?”»Caramba!” riep de ranchero, »zeg liever dat de Roode-Ceder mij in den steek heeft gelaten; doch om hem geef ik minder, er is een andere oude vriend daar ik drommels kwaad op ben.”»Ah zoo!”»Ja, en ik zou het hem graag betaald zetten, des te meer daar ik er op dit oogenblik wel kans toe zie.”»En wie is die vriend?”»Gij kent hem even goed als ik,señorita.”»Dat kan wel zijn, maar dan dien ik zijn naam toch te weten, of gij moest dien geheim willen.…”»Volstrekt niet,” viel haar de ranchero met drift in de rede; »gij kent zijn naam even goed als ik; de man dien ik bedoel, is Fray Ambrosio.”Toen zij dezen naam hoorde begon de Gazelle in het gesprek meer en meer belang te stellen.»Fray Ambrosio!” riep zij, »en wat hebt gij dien braven man te verwijten?”De ranchero keek het meisje strak aan, om te zien of het haar ernst was. Het gelaat der Witte-Gazelle stond koel en strak; zij schudde het hoofd.»’t Is een oude rekening tusschen hem en mij,” zeide hij, »God zal ons oordeelen.”»Goed, dan wil ik u geen verderen uitleg vragen; en daar uwe zaken mij niet bijzonder veel belang inboezemen, te minder omdat ik met de mijne genoeg te doen heb, zult gij mij wel toestaan u te verlaten.”»Waartoe dat?” riep de ranchero schielijk, »laten wij bij elkander blijven, wij zijn immers wèl samen; waarom zouden wij scheiden?”»Waarom? omdat wij waarschijnlijk niet denzelfden kant uitmoeten.”»Hoe weet gij dat, nina? Als ik u hier heb moeten aantreffen, is het zeker omdat wij samen zouden reizen.”»Ik ben niet van dat gevoelen; ik was op weg naar een man dien gij waarschijnlijk niet gaarne onder de oogen zoudt willen komen.”»Dat ’s niet gezegd, nina, dat ’s niet gezegd,” antwoordde de ranchero met zekeren ijver; »want ik heb gezworen mij te zullen wreken aan zekeren monnik Ambrosio; en alleen ben ik te zwak om het uit te voeren of, om u de waarheid te zeggen, ik heb er den moed niet toe.”»Goed,” riep de Gazelle meesmuilend, »maar hoe zult gij het dan maken om u die wraak niet te zien ontsnappen?”»O! daar weet ik wel raad op, dat is niets; ik ken iemand in de woestijn die hem een doodelijken haat toedraagt en die er vrij wat voor geven zou om tegen hem een afdoend bewijs in handen te krijgen, want ongelukkig heeft die man het gebrek van eerlijk te zijn.”»Ah! zoo.”»Ja, wat denkt gij? niemand is immers volmaakt.”»En wie is die man?”»O! hebt gij nooit van hem hooren spreken, nina?”»Zeg wat gij weet! en noem mij zijn naam, zeg ik u.”»Zooals gij wilt; men noemt hem den Zoon des Bloeds.”»De Zoon des Bloeds!” riep de Gazelle blijkbaar verrast.»Ja; kent gij hem?”»Zoo wat; ga voort.”»Ronduit gezegd, dien man zoek ik.”»En gij hebt de bewijzen in handen, zegt gij, om dien Fray Ambrosio te doen vallen?”»Ik denk wel van ja.”»Waarom denkt gij het?”De ranchero haalde de schouders op en trok zijn mond veel beteekenend samen.De Witte-Gazelle wierp hem een van die doorborende blikken toe waarmede men in de diepte der harten lezen kan.»Hoor eens,” zeide zij, hem de hand op den schouder leggende, »den man dien gij zoekt zal ik u doen vinden.”»Gij?”»Ja!”»Spreekt gij waarlijk in ernst,” riep de ranchero met een sprong van verbazing.»Zoo ernstig als ooit; maar ik dien vooraf te weten of gij waarheid gesproken hebt.”Andres Garote keek haar aan.»Hebt gij het dan ook op Fray Ambrosio gemunt?” vroeg hij.»Dat gaat u niet aan,” antwoordde zij, »het is hier de vraag niet wat ik zal doen, maar wat gij zult doen; hebt gij die bewijzen waarvan gij spreekt, ja of neen?”»Ik heb ze.”»Inderdaad?”»Op mijn eer!”»Volg mij dan, en binnen twee uren zijt gij bij den Zoon des Bloeds.”De ranchero trilde van vreugde, en er kwam een glimlach op zijn verschrompeld gezicht.»Spreekt gij in ernst?” riep hij.»Kom mede,” antwoordde zij.De ranchero sprong te paard.»Ik ben al klaar,” zeide hij, »laten wij gaan.”»Laten wij gaan,” herhaalde de Gazelle.Zij vertrokken.Intusschen had de dag plaats gemaakt voor den nacht, de zon was sinds lang ondergegaan, een tallooze menigte sterren blonken aan het hemelgewelf; de beide tochtgenooten reden naast elkander, snel als de wind, zwijgend en zonder om te zien.»Komen wij er haast?” hijgde Andres Garote eindelijk.De Witte-Gazelle wees hem met de hand voor zich uit, in de richting die zij volgden, en op korten afstand schitterde er een licht door het geboomte.»Daar is het,” zeide zij.

XIV.EEN OUDE KENNIS.Na het gevecht bij den Dolle-Bisonsheuvel, toen de Apachen onder den Zwarte-Kat aan de eene en de Comanchen onder den Eenhoorn aan de andere zijde waren afgetrokken, en elke oorlogstroep den terugmarsch naar zijn stamdorp had aangenomen, bevonden de jagers zich weder in de prairie alleen.Valentin was de eerste die de Witte-Gazelle peinzend tegen een boom geleund zag staan, met de teugels van haar paard achteloosin de hand, terwijl het argelooze dier nu en dan een bosje gras van den grond of een trosje bladeren van de jonge hagen afhapte.De jager begreep terstond, dat hij en zijne metgezellen haar wel eenige vergoeding schuldig waren voor de onverklaarbare trouw door haar betoond en de onberekenbare dienst die zij hun bewezen had gedurende de ontzettende en hachelijke omstandigheden, waaruit zij zich thans verlost zagen.Hij trad dus met eene beleefde buiging naar haar toe en sprak haar aan met eene zachte stem.»Hoe blijft gij daar zoo op een afstand,señorita?” zeide hij, »uwe plaats is in ons gezelschap; laat uw paard kluisteren met de onzen, bid ik u; en kom u toch nederzetten aan onzen haard.”De Gazelle bloosde van genoegen bij de minzame uitnoodiging van Valentin; maar zich een oogenblik bedenkende, schudde zij weigerachtig het hoofd, keek hem droevig aan en antwoordde met eene bevende stem:»Ik moet u danken, caballero, voor het aanbod dat gij mij wel gelieft te doen; maar ik kan het niet aannemen, zoo gij en uwe vrienden al grootmoedig genoeg zijt om mijn vorige hoogstberispelijke gedrag jegens u te vergeten, mijn geheugen is niet zoo inschikkelijk, ik moet en ik wil door andere, meer afdoende diensten dan ik u heden bewijzen kon, de misslagen zoeken te herstellen die ik vroeger begaan heb.”»Señora,” hervatte de jager, »de gevoelens die gij uit, vereeren u nog meer in onze schatting; sla dus ons verzoek niet af. Lieve hemel! gij weet immers toch, dat men in de prairie het recht niet heeft om zoo gestreng te zijn; het gebeurt niet dikwijls dat men personen aantreft die een begane dwaling op zulk eene edele wijs weten te herstellen.”»Dring mij niet langer, caballero, mijn wil is onverzettelijk,” zeide zij met blijkbare inspanning en met een zijdelingschen blik naar don Pablo. »Ik moet vertrekken, en dat wel op staanden voet, laat mij dus gaan, verzoek ik u.”Valentin boog op nieuw.»Uw wil is voor mij een bevel,señorita,” zeide hij; »gij zijt vrij; ik heb niet anders gepoogd dan u mijne dankbaarheid te toonen.”»Helaas! gij of ik, wij hebben nog niets gedaan, daar onze bitterste vijand de Roode-Ceder ons ontsnapt is.”»Wat zegt gij!” riep de jager verwonderd, »is de Roode-Ceder uw vijand!”»Mijn doodvijand!” riep zij met een blik van onmiskenbaren afkeer. »O! ik begrijp het nu wel, gij hebt mij bij hem ontmoet en gezien hoe ik hem in zijne plannen voorthielp en daarom komt zulk eene verandering u onverklaarbaar voor. Hoor eens, in dien tijd toen ik den onverlaat zocht te dienen, dacht ik alleen dat hij een gewone bandiet was, zooals er maar al te veel zijn in het Verre Westen.”»En thans?” vroeg hij.»O! thans,” hervatte zij, »thans weet ik wat ik toen nog niet wist; ik heb eene vreeselijke rekening met hem te vereffenen.”»Het is er ver van daan dat ik uwe geheimen zou willen doorgronden,señorita, maar vergun mij u slechts eene opmerking te doen.”»Spreek vrijuit.”»De Roode-Ceder is geen alledaagsch vijand, een van die mannen die men gemakkelijk kan uit den weg ruimen; dat weet gij zoo goed als ik, niet waar?”»Ja, en wat zou dat?”»Wat mannen zooals mijne vrienden en ik, met behulp eener talrijke krijgsmacht niet hebben kunnen doen, zoudt gij u vermeten dat te kunnen volbrengen?”De Witte-Gazelle glimlachte.»Wel mogelijk,” zeide zij; »ik heb ook bondgenooten; en als gij het verlangt, caballero, zal ik u die bondgenooten leeren kennen.”»Spreek op,señorita, want waarlijk uwe kalmte en uw zelfvertrouwen maken mij tegen wil en dank nieuwsgierig.”»Verplicht, caballero, voor het belang dat gij in mij stelt, de eerste bondgenoot op wien ik reken, zijt gij zelf.”»Dat is recht,” riep de jager met eene buiging, »al brachten mijne gezindheden er mij niet toe, zouden mijn plicht en mijn belang het mij gebieden. En de tweede, kunt gij mij dien ook noemen?”»Zonder twijfel, des te meer, daar gij hem reeds kent, het is de Zoon des Bloeds.”Valentin sprong bijna achteruit van verrassing, maar bedwong zich oogenblikkelijk.»Met uw welnemen,señorita,” zeide hij beleefd, »maar gij verstaat inderdaad de kunst om mij op eene ongehoorde wijs te verbazen.”»Hoe dat, caballero?”»Omdat ik, neem mij niet kwalijk, dacht dat de Zoon des Bloeds veeleer een uwer bitterste vijanden was.”»Hij was dit, ja,” riep zij met een glimlach.»En thans?”»Thans is hij mijn dierbaarste vriend.”»Dat gaat mijn verstand te boven! En sinds wanneer heeft die buitengewone ommekeer plaats gehad?”»Sinds wanneer?” antwoordde de Gazelle geslepen, »sinds dat de Roode-Ceder, in plaats van een vriend, op eens mijn geslagen vijand geworden is.”Valentin sloeg de armen bij zich neer, als iemand die er van afziet om een al te moeielijk raadsel op te lossen.»Ik begrijp er niets meer van,” zeide hij.»Gij zult het eerlang begrijpen,” riep zij.Op eens sprong zij in den zadel en zich nog eens tot Valentin wendende, zeide zij:»Vaarwel! caballero: ik vertrek naar den Zoon des Bloeds, weldra zien wij elkander terug. Vaarwel!”En hiermede gaf zij haar paard de sporen, wuifde den jager met de hand een laatst vaarwel toe en vertrok in galop, terwijl zij spoedig in een wolk van stof verdwenen was.Valentin keerde vol gedachten naar zijne vrienden terug.»Wel?” vroeg hem don Miguel.»Wel!” was zijn antwoord, »wat zou het wezen? dat meisje is het zonderlingste schepsel dat ik ooit ontmoet heb.”Zoodra zij den jager uit het gezicht was, verslapte de Witte-Gazelle den galop van haar paard en bracht het in den meer bedaarden pas, die beter met de omzichtigheid van een eenzaam reiziger in de prairie overeenkomt.Het jonge meisje gevoelde zich op dit oogenblik gelukkig, zij was niet alleen geslaagd in haar plan om den jongman dien zij beminde uit een dreigend gevaar te redden, maar tevens om zich met Valentin en diens gezellen weder op een goeden voet te brengen.De Roode-Ceder was haar, wel is waar, ontsnapt, maar voor ditmaal had hij toch een goede les gehad en zou hij, van alle zijden als een wild dier verjaagd, naar het zich liet aanzien spoedig in handen vallen van hen wier belang medebracht hem uit den weg te ruimen.Zij reed onbezorgd voort, wierp nu en dan een verstrooiden blik in het rond, en bewonderde de kalme rust der prairie onder den glans der zonnestralen die zich spiegelden in het jonge groen der kreupelboschjes.Nooit had zij de wildernis zoo schoon gevonden, nooit scheen de stilte zoo groot als die er thans heerschte in haar gemoed.Reeds neigde de zon ten ondergang en verlengden zich de schaduwen van het hier en daar in vollen zomerdos prijkend reusachtig geboomte; de vogeltjes in het dichte gebladerte verscholen zongen den Heer der Schepping hun veelstemmig avondlied, toen de eenzame amazone op eens aan den rand eener groeve door het afvloeiende regenwater gedurende den wintertijd gegraven, een man meende te zien liggen half op den eenen elleboog geleund.Deze man, bij wien een paard op korten afstand liep grazen, scheen met iets bezig te zijn daar het meisje niets van begreep, maar dat op het levendigst hare aandacht trok.Ofschoon zij snel de plek naderde waar hij zich bevond, stoorde de vreemdeling zich niet aan haar en zette zijn onbegrijpelijk werk met gespannen aandacht voort.Eindelijk stond zij vlak tegenover hem; en nu kon zij een uitroep van verrassing niet weerhouden; zij bleef pal staan om hem met verwondering aan te kijken.De man speelde in zijne eenzaamheid monté, een soort van Mexicaansch lansquenet, met een spel kaarten dat er bijzonder smerig uitzag.Deze vertooning vond zij zoo buitengewoon koddig dat zij in een schel gelach uitbarstte.Bij dit geluid hief de man het hoofd op.»Ziedaar!” riep hij zonder zich overigens in het minst verwonderd te toonen, »wist ik het niet dat er iemand komen zou; dat kan nooit missen, op dit gezegend benedenrond!”»O, foei!” riep zij met een lach, »gelooft gij daaraan?”»Canarios! ik ben er zeker van,” antwoordde hij, »en gij zelve bewijst het mij,señorita, juist omdat gij komt.”»Leg mij dat eens nader uit, vriend, als ik u verzoeken mag, want ik moet u bekennen dat ik er geen letter van begrijp.”»Dat geloof ik niet,” riep de onbekende hoofdschuddend; »maar toch, strikt genomen zou het waar kunnen wezen. In allen geval, ik sta er voor in, dat het zoo is.”»Zeer goed, maar wees dan zoo goed en verklaar het mij nader.”»O, dat is gemakkelijk genoeg,señorita. Ik ben uit Jalapa, een stad die gij wel kennen moet.”»Ja, maar niet anders dan door de medicijn, die er den naam aan ontleent.”»Goed, goed,” lachte de andere, »maar dat neemt niet weg dat Jalapa een mooie stad is.”»Integendeel! ga voort.”»Ik ga al voort. Gij moet dan weten dat wij te Jalapa een spreekwoord hebben.”»Zeer mogelijk; strikt genomen is dat op zich zelf zooveel bijzonders niet.”»Dat is waar, maar dat spreekwoord kent gij toch niet, zeg!”»Neen, dat wacht ik van u te zullen hooren.”»Daar is het: »wilt gij gezelschap, leg dan de kaarten.””»Dat begrijp ik niet.”»Loop heen!”»Op mijn woord niet!”»Met dat al is het toch zeer duidelijk; dat zult gij zien.”»Ik wou dat ik het reeds zag,” riep het meisje, die het gesprek uitermate behagelijk vond.De onbekende stond op, stak de kaarten in zijn zak met al den ernst die een speler van beroep aan dit werk besteedt en nu met den arm achteloos op den hals van het paard der Gazelle leunende sprak hij:»Door eene reeks van omstandigheden, te lang om u te vertellen bevind ik mij moederziel alleen in deze onmetelijke prairie waar ik geen heg of steg weet; als fatsoenlijk stadsburger ben ik volstrekt niet op de hoogte van de zeden en gebruiken der wildernis, zoodat ik natuurlijk eerlang van honger en gebrek zal moeten omkomen.”»Met uw welnemen, dat ik u in de rede val, maar ik moet u, doen opmerken dat wij hier zoo wat drie honderd mijlen ver van de naaste stad verwijderd zijn en er dus strikt genomen nog al eenige tijd heeft moeten verloopen sedert gij, beschaafde man, u in de wildernis bevindt.”»Dat is ook zoo; wat gij daar zegt is maar al te waar,señorita; maar dat komt door die lange reeks van oorzaken daar ik u zoo even van sprak en die te veel tijd zouden kosten om u te vertellen.”»Zeer goed, ga voort.”»Welnu, toen ik zag dat ik verloren was, dacht ik aan het spreekwoord van mijn land, haalde ik de kaarten uit mijnalforjas(knapzak) en begon, ofschoon gansch alleen, te spelen, wel overtuigd dat er dan spoedig, ongevraagd wie of van waar, een kameraad zou opdagen, niet om een partijtje met mij te spelen, maar om mij uit de verlegenheid te helpen.”De Witte-Gazelle werd op eens ernstig en richtte zich op in den zadel.»Gij hebt wel zeker spel gespeeld,” zeide zij, »want zoo als gij ziet, Andres Garote, ik ben gekomen.”Zoodra de ranchero zijn naam hoorde, want het was inderdaad onze oude kennis die hier voor den duivel speelde, stak hij het hoofd op en keek haar aan.»Wie zijt gij toch,” zeide hij, »dat gij mij zoo goed kent; ik kan mij niet herinneren dat ik u ooit gezien heb?”»Kom, kom,” riep het meisje lachend, »uw geheugen moet dan wel kort zijn, vriend; of herinnert gij u de Witte-Gazelle niet meer?”Bij dezen naam sprong de ranchero een voet achteruit.»O!tonto—dwaas!—die ik ben,” riep hij; »’t is waar. Maar ik kon zoo weinig denken dat ik u hier.… Neem mij niet kwalijk,señorita.…”»Hoe is het,” viel de Gazelle hem in de rede, »hebt gij den Roode-Ceder in den steek gelaten?”»Caramba!” riep de ranchero, »zeg liever dat de Roode-Ceder mij in den steek heeft gelaten; doch om hem geef ik minder, er is een andere oude vriend daar ik drommels kwaad op ben.”»Ah zoo!”»Ja, en ik zou het hem graag betaald zetten, des te meer daar ik er op dit oogenblik wel kans toe zie.”»En wie is die vriend?”»Gij kent hem even goed als ik,señorita.”»Dat kan wel zijn, maar dan dien ik zijn naam toch te weten, of gij moest dien geheim willen.…”»Volstrekt niet,” viel haar de ranchero met drift in de rede; »gij kent zijn naam even goed als ik; de man dien ik bedoel, is Fray Ambrosio.”Toen zij dezen naam hoorde begon de Gazelle in het gesprek meer en meer belang te stellen.»Fray Ambrosio!” riep zij, »en wat hebt gij dien braven man te verwijten?”De ranchero keek het meisje strak aan, om te zien of het haar ernst was. Het gelaat der Witte-Gazelle stond koel en strak; zij schudde het hoofd.»’t Is een oude rekening tusschen hem en mij,” zeide hij, »God zal ons oordeelen.”»Goed, dan wil ik u geen verderen uitleg vragen; en daar uwe zaken mij niet bijzonder veel belang inboezemen, te minder omdat ik met de mijne genoeg te doen heb, zult gij mij wel toestaan u te verlaten.”»Waartoe dat?” riep de ranchero schielijk, »laten wij bij elkander blijven, wij zijn immers wèl samen; waarom zouden wij scheiden?”»Waarom? omdat wij waarschijnlijk niet denzelfden kant uitmoeten.”»Hoe weet gij dat, nina? Als ik u hier heb moeten aantreffen, is het zeker omdat wij samen zouden reizen.”»Ik ben niet van dat gevoelen; ik was op weg naar een man dien gij waarschijnlijk niet gaarne onder de oogen zoudt willen komen.”»Dat ’s niet gezegd, nina, dat ’s niet gezegd,” antwoordde de ranchero met zekeren ijver; »want ik heb gezworen mij te zullen wreken aan zekeren monnik Ambrosio; en alleen ben ik te zwak om het uit te voeren of, om u de waarheid te zeggen, ik heb er den moed niet toe.”»Goed,” riep de Gazelle meesmuilend, »maar hoe zult gij het dan maken om u die wraak niet te zien ontsnappen?”»O! daar weet ik wel raad op, dat is niets; ik ken iemand in de woestijn die hem een doodelijken haat toedraagt en die er vrij wat voor geven zou om tegen hem een afdoend bewijs in handen te krijgen, want ongelukkig heeft die man het gebrek van eerlijk te zijn.”»Ah! zoo.”»Ja, wat denkt gij? niemand is immers volmaakt.”»En wie is die man?”»O! hebt gij nooit van hem hooren spreken, nina?”»Zeg wat gij weet! en noem mij zijn naam, zeg ik u.”»Zooals gij wilt; men noemt hem den Zoon des Bloeds.”»De Zoon des Bloeds!” riep de Gazelle blijkbaar verrast.»Ja; kent gij hem?”»Zoo wat; ga voort.”»Ronduit gezegd, dien man zoek ik.”»En gij hebt de bewijzen in handen, zegt gij, om dien Fray Ambrosio te doen vallen?”»Ik denk wel van ja.”»Waarom denkt gij het?”De ranchero haalde de schouders op en trok zijn mond veel beteekenend samen.De Witte-Gazelle wierp hem een van die doorborende blikken toe waarmede men in de diepte der harten lezen kan.»Hoor eens,” zeide zij, hem de hand op den schouder leggende, »den man dien gij zoekt zal ik u doen vinden.”»Gij?”»Ja!”»Spreekt gij waarlijk in ernst,” riep de ranchero met een sprong van verbazing.»Zoo ernstig als ooit; maar ik dien vooraf te weten of gij waarheid gesproken hebt.”Andres Garote keek haar aan.»Hebt gij het dan ook op Fray Ambrosio gemunt?” vroeg hij.»Dat gaat u niet aan,” antwoordde zij, »het is hier de vraag niet wat ik zal doen, maar wat gij zult doen; hebt gij die bewijzen waarvan gij spreekt, ja of neen?”»Ik heb ze.”»Inderdaad?”»Op mijn eer!”»Volg mij dan, en binnen twee uren zijt gij bij den Zoon des Bloeds.”De ranchero trilde van vreugde, en er kwam een glimlach op zijn verschrompeld gezicht.»Spreekt gij in ernst?” riep hij.»Kom mede,” antwoordde zij.De ranchero sprong te paard.»Ik ben al klaar,” zeide hij, »laten wij gaan.”»Laten wij gaan,” herhaalde de Gazelle.Zij vertrokken.Intusschen had de dag plaats gemaakt voor den nacht, de zon was sinds lang ondergegaan, een tallooze menigte sterren blonken aan het hemelgewelf; de beide tochtgenooten reden naast elkander, snel als de wind, zwijgend en zonder om te zien.»Komen wij er haast?” hijgde Andres Garote eindelijk.De Witte-Gazelle wees hem met de hand voor zich uit, in de richting die zij volgden, en op korten afstand schitterde er een licht door het geboomte.»Daar is het,” zeide zij.

XIV.EEN OUDE KENNIS.

Na het gevecht bij den Dolle-Bisonsheuvel, toen de Apachen onder den Zwarte-Kat aan de eene en de Comanchen onder den Eenhoorn aan de andere zijde waren afgetrokken, en elke oorlogstroep den terugmarsch naar zijn stamdorp had aangenomen, bevonden de jagers zich weder in de prairie alleen.Valentin was de eerste die de Witte-Gazelle peinzend tegen een boom geleund zag staan, met de teugels van haar paard achteloosin de hand, terwijl het argelooze dier nu en dan een bosje gras van den grond of een trosje bladeren van de jonge hagen afhapte.De jager begreep terstond, dat hij en zijne metgezellen haar wel eenige vergoeding schuldig waren voor de onverklaarbare trouw door haar betoond en de onberekenbare dienst die zij hun bewezen had gedurende de ontzettende en hachelijke omstandigheden, waaruit zij zich thans verlost zagen.Hij trad dus met eene beleefde buiging naar haar toe en sprak haar aan met eene zachte stem.»Hoe blijft gij daar zoo op een afstand,señorita?” zeide hij, »uwe plaats is in ons gezelschap; laat uw paard kluisteren met de onzen, bid ik u; en kom u toch nederzetten aan onzen haard.”De Gazelle bloosde van genoegen bij de minzame uitnoodiging van Valentin; maar zich een oogenblik bedenkende, schudde zij weigerachtig het hoofd, keek hem droevig aan en antwoordde met eene bevende stem:»Ik moet u danken, caballero, voor het aanbod dat gij mij wel gelieft te doen; maar ik kan het niet aannemen, zoo gij en uwe vrienden al grootmoedig genoeg zijt om mijn vorige hoogstberispelijke gedrag jegens u te vergeten, mijn geheugen is niet zoo inschikkelijk, ik moet en ik wil door andere, meer afdoende diensten dan ik u heden bewijzen kon, de misslagen zoeken te herstellen die ik vroeger begaan heb.”»Señora,” hervatte de jager, »de gevoelens die gij uit, vereeren u nog meer in onze schatting; sla dus ons verzoek niet af. Lieve hemel! gij weet immers toch, dat men in de prairie het recht niet heeft om zoo gestreng te zijn; het gebeurt niet dikwijls dat men personen aantreft die een begane dwaling op zulk eene edele wijs weten te herstellen.”»Dring mij niet langer, caballero, mijn wil is onverzettelijk,” zeide zij met blijkbare inspanning en met een zijdelingschen blik naar don Pablo. »Ik moet vertrekken, en dat wel op staanden voet, laat mij dus gaan, verzoek ik u.”Valentin boog op nieuw.»Uw wil is voor mij een bevel,señorita,” zeide hij; »gij zijt vrij; ik heb niet anders gepoogd dan u mijne dankbaarheid te toonen.”»Helaas! gij of ik, wij hebben nog niets gedaan, daar onze bitterste vijand de Roode-Ceder ons ontsnapt is.”»Wat zegt gij!” riep de jager verwonderd, »is de Roode-Ceder uw vijand!”»Mijn doodvijand!” riep zij met een blik van onmiskenbaren afkeer. »O! ik begrijp het nu wel, gij hebt mij bij hem ontmoet en gezien hoe ik hem in zijne plannen voorthielp en daarom komt zulk eene verandering u onverklaarbaar voor. Hoor eens, in dien tijd toen ik den onverlaat zocht te dienen, dacht ik alleen dat hij een gewone bandiet was, zooals er maar al te veel zijn in het Verre Westen.”»En thans?” vroeg hij.»O! thans,” hervatte zij, »thans weet ik wat ik toen nog niet wist; ik heb eene vreeselijke rekening met hem te vereffenen.”»Het is er ver van daan dat ik uwe geheimen zou willen doorgronden,señorita, maar vergun mij u slechts eene opmerking te doen.”»Spreek vrijuit.”»De Roode-Ceder is geen alledaagsch vijand, een van die mannen die men gemakkelijk kan uit den weg ruimen; dat weet gij zoo goed als ik, niet waar?”»Ja, en wat zou dat?”»Wat mannen zooals mijne vrienden en ik, met behulp eener talrijke krijgsmacht niet hebben kunnen doen, zoudt gij u vermeten dat te kunnen volbrengen?”De Witte-Gazelle glimlachte.»Wel mogelijk,” zeide zij; »ik heb ook bondgenooten; en als gij het verlangt, caballero, zal ik u die bondgenooten leeren kennen.”»Spreek op,señorita, want waarlijk uwe kalmte en uw zelfvertrouwen maken mij tegen wil en dank nieuwsgierig.”»Verplicht, caballero, voor het belang dat gij in mij stelt, de eerste bondgenoot op wien ik reken, zijt gij zelf.”»Dat is recht,” riep de jager met eene buiging, »al brachten mijne gezindheden er mij niet toe, zouden mijn plicht en mijn belang het mij gebieden. En de tweede, kunt gij mij dien ook noemen?”»Zonder twijfel, des te meer, daar gij hem reeds kent, het is de Zoon des Bloeds.”Valentin sprong bijna achteruit van verrassing, maar bedwong zich oogenblikkelijk.»Met uw welnemen,señorita,” zeide hij beleefd, »maar gij verstaat inderdaad de kunst om mij op eene ongehoorde wijs te verbazen.”»Hoe dat, caballero?”»Omdat ik, neem mij niet kwalijk, dacht dat de Zoon des Bloeds veeleer een uwer bitterste vijanden was.”»Hij was dit, ja,” riep zij met een glimlach.»En thans?”»Thans is hij mijn dierbaarste vriend.”»Dat gaat mijn verstand te boven! En sinds wanneer heeft die buitengewone ommekeer plaats gehad?”»Sinds wanneer?” antwoordde de Gazelle geslepen, »sinds dat de Roode-Ceder, in plaats van een vriend, op eens mijn geslagen vijand geworden is.”Valentin sloeg de armen bij zich neer, als iemand die er van afziet om een al te moeielijk raadsel op te lossen.»Ik begrijp er niets meer van,” zeide hij.»Gij zult het eerlang begrijpen,” riep zij.Op eens sprong zij in den zadel en zich nog eens tot Valentin wendende, zeide zij:»Vaarwel! caballero: ik vertrek naar den Zoon des Bloeds, weldra zien wij elkander terug. Vaarwel!”En hiermede gaf zij haar paard de sporen, wuifde den jager met de hand een laatst vaarwel toe en vertrok in galop, terwijl zij spoedig in een wolk van stof verdwenen was.Valentin keerde vol gedachten naar zijne vrienden terug.»Wel?” vroeg hem don Miguel.»Wel!” was zijn antwoord, »wat zou het wezen? dat meisje is het zonderlingste schepsel dat ik ooit ontmoet heb.”Zoodra zij den jager uit het gezicht was, verslapte de Witte-Gazelle den galop van haar paard en bracht het in den meer bedaarden pas, die beter met de omzichtigheid van een eenzaam reiziger in de prairie overeenkomt.Het jonge meisje gevoelde zich op dit oogenblik gelukkig, zij was niet alleen geslaagd in haar plan om den jongman dien zij beminde uit een dreigend gevaar te redden, maar tevens om zich met Valentin en diens gezellen weder op een goeden voet te brengen.De Roode-Ceder was haar, wel is waar, ontsnapt, maar voor ditmaal had hij toch een goede les gehad en zou hij, van alle zijden als een wild dier verjaagd, naar het zich liet aanzien spoedig in handen vallen van hen wier belang medebracht hem uit den weg te ruimen.Zij reed onbezorgd voort, wierp nu en dan een verstrooiden blik in het rond, en bewonderde de kalme rust der prairie onder den glans der zonnestralen die zich spiegelden in het jonge groen der kreupelboschjes.Nooit had zij de wildernis zoo schoon gevonden, nooit scheen de stilte zoo groot als die er thans heerschte in haar gemoed.Reeds neigde de zon ten ondergang en verlengden zich de schaduwen van het hier en daar in vollen zomerdos prijkend reusachtig geboomte; de vogeltjes in het dichte gebladerte verscholen zongen den Heer der Schepping hun veelstemmig avondlied, toen de eenzame amazone op eens aan den rand eener groeve door het afvloeiende regenwater gedurende den wintertijd gegraven, een man meende te zien liggen half op den eenen elleboog geleund.Deze man, bij wien een paard op korten afstand liep grazen, scheen met iets bezig te zijn daar het meisje niets van begreep, maar dat op het levendigst hare aandacht trok.Ofschoon zij snel de plek naderde waar hij zich bevond, stoorde de vreemdeling zich niet aan haar en zette zijn onbegrijpelijk werk met gespannen aandacht voort.Eindelijk stond zij vlak tegenover hem; en nu kon zij een uitroep van verrassing niet weerhouden; zij bleef pal staan om hem met verwondering aan te kijken.De man speelde in zijne eenzaamheid monté, een soort van Mexicaansch lansquenet, met een spel kaarten dat er bijzonder smerig uitzag.Deze vertooning vond zij zoo buitengewoon koddig dat zij in een schel gelach uitbarstte.Bij dit geluid hief de man het hoofd op.»Ziedaar!” riep hij zonder zich overigens in het minst verwonderd te toonen, »wist ik het niet dat er iemand komen zou; dat kan nooit missen, op dit gezegend benedenrond!”»O, foei!” riep zij met een lach, »gelooft gij daaraan?”»Canarios! ik ben er zeker van,” antwoordde hij, »en gij zelve bewijst het mij,señorita, juist omdat gij komt.”»Leg mij dat eens nader uit, vriend, als ik u verzoeken mag, want ik moet u bekennen dat ik er geen letter van begrijp.”»Dat geloof ik niet,” riep de onbekende hoofdschuddend; »maar toch, strikt genomen zou het waar kunnen wezen. In allen geval, ik sta er voor in, dat het zoo is.”»Zeer goed, maar wees dan zoo goed en verklaar het mij nader.”»O, dat is gemakkelijk genoeg,señorita. Ik ben uit Jalapa, een stad die gij wel kennen moet.”»Ja, maar niet anders dan door de medicijn, die er den naam aan ontleent.”»Goed, goed,” lachte de andere, »maar dat neemt niet weg dat Jalapa een mooie stad is.”»Integendeel! ga voort.”»Ik ga al voort. Gij moet dan weten dat wij te Jalapa een spreekwoord hebben.”»Zeer mogelijk; strikt genomen is dat op zich zelf zooveel bijzonders niet.”»Dat is waar, maar dat spreekwoord kent gij toch niet, zeg!”»Neen, dat wacht ik van u te zullen hooren.”»Daar is het: »wilt gij gezelschap, leg dan de kaarten.””»Dat begrijp ik niet.”»Loop heen!”»Op mijn woord niet!”»Met dat al is het toch zeer duidelijk; dat zult gij zien.”»Ik wou dat ik het reeds zag,” riep het meisje, die het gesprek uitermate behagelijk vond.De onbekende stond op, stak de kaarten in zijn zak met al den ernst die een speler van beroep aan dit werk besteedt en nu met den arm achteloos op den hals van het paard der Gazelle leunende sprak hij:»Door eene reeks van omstandigheden, te lang om u te vertellen bevind ik mij moederziel alleen in deze onmetelijke prairie waar ik geen heg of steg weet; als fatsoenlijk stadsburger ben ik volstrekt niet op de hoogte van de zeden en gebruiken der wildernis, zoodat ik natuurlijk eerlang van honger en gebrek zal moeten omkomen.”»Met uw welnemen, dat ik u in de rede val, maar ik moet u, doen opmerken dat wij hier zoo wat drie honderd mijlen ver van de naaste stad verwijderd zijn en er dus strikt genomen nog al eenige tijd heeft moeten verloopen sedert gij, beschaafde man, u in de wildernis bevindt.”»Dat is ook zoo; wat gij daar zegt is maar al te waar,señorita; maar dat komt door die lange reeks van oorzaken daar ik u zoo even van sprak en die te veel tijd zouden kosten om u te vertellen.”»Zeer goed, ga voort.”»Welnu, toen ik zag dat ik verloren was, dacht ik aan het spreekwoord van mijn land, haalde ik de kaarten uit mijnalforjas(knapzak) en begon, ofschoon gansch alleen, te spelen, wel overtuigd dat er dan spoedig, ongevraagd wie of van waar, een kameraad zou opdagen, niet om een partijtje met mij te spelen, maar om mij uit de verlegenheid te helpen.”De Witte-Gazelle werd op eens ernstig en richtte zich op in den zadel.»Gij hebt wel zeker spel gespeeld,” zeide zij, »want zoo als gij ziet, Andres Garote, ik ben gekomen.”Zoodra de ranchero zijn naam hoorde, want het was inderdaad onze oude kennis die hier voor den duivel speelde, stak hij het hoofd op en keek haar aan.»Wie zijt gij toch,” zeide hij, »dat gij mij zoo goed kent; ik kan mij niet herinneren dat ik u ooit gezien heb?”»Kom, kom,” riep het meisje lachend, »uw geheugen moet dan wel kort zijn, vriend; of herinnert gij u de Witte-Gazelle niet meer?”Bij dezen naam sprong de ranchero een voet achteruit.»O!tonto—dwaas!—die ik ben,” riep hij; »’t is waar. Maar ik kon zoo weinig denken dat ik u hier.… Neem mij niet kwalijk,señorita.…”»Hoe is het,” viel de Gazelle hem in de rede, »hebt gij den Roode-Ceder in den steek gelaten?”»Caramba!” riep de ranchero, »zeg liever dat de Roode-Ceder mij in den steek heeft gelaten; doch om hem geef ik minder, er is een andere oude vriend daar ik drommels kwaad op ben.”»Ah zoo!”»Ja, en ik zou het hem graag betaald zetten, des te meer daar ik er op dit oogenblik wel kans toe zie.”»En wie is die vriend?”»Gij kent hem even goed als ik,señorita.”»Dat kan wel zijn, maar dan dien ik zijn naam toch te weten, of gij moest dien geheim willen.…”»Volstrekt niet,” viel haar de ranchero met drift in de rede; »gij kent zijn naam even goed als ik; de man dien ik bedoel, is Fray Ambrosio.”Toen zij dezen naam hoorde begon de Gazelle in het gesprek meer en meer belang te stellen.»Fray Ambrosio!” riep zij, »en wat hebt gij dien braven man te verwijten?”De ranchero keek het meisje strak aan, om te zien of het haar ernst was. Het gelaat der Witte-Gazelle stond koel en strak; zij schudde het hoofd.»’t Is een oude rekening tusschen hem en mij,” zeide hij, »God zal ons oordeelen.”»Goed, dan wil ik u geen verderen uitleg vragen; en daar uwe zaken mij niet bijzonder veel belang inboezemen, te minder omdat ik met de mijne genoeg te doen heb, zult gij mij wel toestaan u te verlaten.”»Waartoe dat?” riep de ranchero schielijk, »laten wij bij elkander blijven, wij zijn immers wèl samen; waarom zouden wij scheiden?”»Waarom? omdat wij waarschijnlijk niet denzelfden kant uitmoeten.”»Hoe weet gij dat, nina? Als ik u hier heb moeten aantreffen, is het zeker omdat wij samen zouden reizen.”»Ik ben niet van dat gevoelen; ik was op weg naar een man dien gij waarschijnlijk niet gaarne onder de oogen zoudt willen komen.”»Dat ’s niet gezegd, nina, dat ’s niet gezegd,” antwoordde de ranchero met zekeren ijver; »want ik heb gezworen mij te zullen wreken aan zekeren monnik Ambrosio; en alleen ben ik te zwak om het uit te voeren of, om u de waarheid te zeggen, ik heb er den moed niet toe.”»Goed,” riep de Gazelle meesmuilend, »maar hoe zult gij het dan maken om u die wraak niet te zien ontsnappen?”»O! daar weet ik wel raad op, dat is niets; ik ken iemand in de woestijn die hem een doodelijken haat toedraagt en die er vrij wat voor geven zou om tegen hem een afdoend bewijs in handen te krijgen, want ongelukkig heeft die man het gebrek van eerlijk te zijn.”»Ah! zoo.”»Ja, wat denkt gij? niemand is immers volmaakt.”»En wie is die man?”»O! hebt gij nooit van hem hooren spreken, nina?”»Zeg wat gij weet! en noem mij zijn naam, zeg ik u.”»Zooals gij wilt; men noemt hem den Zoon des Bloeds.”»De Zoon des Bloeds!” riep de Gazelle blijkbaar verrast.»Ja; kent gij hem?”»Zoo wat; ga voort.”»Ronduit gezegd, dien man zoek ik.”»En gij hebt de bewijzen in handen, zegt gij, om dien Fray Ambrosio te doen vallen?”»Ik denk wel van ja.”»Waarom denkt gij het?”De ranchero haalde de schouders op en trok zijn mond veel beteekenend samen.De Witte-Gazelle wierp hem een van die doorborende blikken toe waarmede men in de diepte der harten lezen kan.»Hoor eens,” zeide zij, hem de hand op den schouder leggende, »den man dien gij zoekt zal ik u doen vinden.”»Gij?”»Ja!”»Spreekt gij waarlijk in ernst,” riep de ranchero met een sprong van verbazing.»Zoo ernstig als ooit; maar ik dien vooraf te weten of gij waarheid gesproken hebt.”Andres Garote keek haar aan.»Hebt gij het dan ook op Fray Ambrosio gemunt?” vroeg hij.»Dat gaat u niet aan,” antwoordde zij, »het is hier de vraag niet wat ik zal doen, maar wat gij zult doen; hebt gij die bewijzen waarvan gij spreekt, ja of neen?”»Ik heb ze.”»Inderdaad?”»Op mijn eer!”»Volg mij dan, en binnen twee uren zijt gij bij den Zoon des Bloeds.”De ranchero trilde van vreugde, en er kwam een glimlach op zijn verschrompeld gezicht.»Spreekt gij in ernst?” riep hij.»Kom mede,” antwoordde zij.De ranchero sprong te paard.»Ik ben al klaar,” zeide hij, »laten wij gaan.”»Laten wij gaan,” herhaalde de Gazelle.Zij vertrokken.Intusschen had de dag plaats gemaakt voor den nacht, de zon was sinds lang ondergegaan, een tallooze menigte sterren blonken aan het hemelgewelf; de beide tochtgenooten reden naast elkander, snel als de wind, zwijgend en zonder om te zien.»Komen wij er haast?” hijgde Andres Garote eindelijk.De Witte-Gazelle wees hem met de hand voor zich uit, in de richting die zij volgden, en op korten afstand schitterde er een licht door het geboomte.»Daar is het,” zeide zij.

Na het gevecht bij den Dolle-Bisonsheuvel, toen de Apachen onder den Zwarte-Kat aan de eene en de Comanchen onder den Eenhoorn aan de andere zijde waren afgetrokken, en elke oorlogstroep den terugmarsch naar zijn stamdorp had aangenomen, bevonden de jagers zich weder in de prairie alleen.

Valentin was de eerste die de Witte-Gazelle peinzend tegen een boom geleund zag staan, met de teugels van haar paard achteloosin de hand, terwijl het argelooze dier nu en dan een bosje gras van den grond of een trosje bladeren van de jonge hagen afhapte.

De jager begreep terstond, dat hij en zijne metgezellen haar wel eenige vergoeding schuldig waren voor de onverklaarbare trouw door haar betoond en de onberekenbare dienst die zij hun bewezen had gedurende de ontzettende en hachelijke omstandigheden, waaruit zij zich thans verlost zagen.

Hij trad dus met eene beleefde buiging naar haar toe en sprak haar aan met eene zachte stem.

»Hoe blijft gij daar zoo op een afstand,señorita?” zeide hij, »uwe plaats is in ons gezelschap; laat uw paard kluisteren met de onzen, bid ik u; en kom u toch nederzetten aan onzen haard.”

De Gazelle bloosde van genoegen bij de minzame uitnoodiging van Valentin; maar zich een oogenblik bedenkende, schudde zij weigerachtig het hoofd, keek hem droevig aan en antwoordde met eene bevende stem:

»Ik moet u danken, caballero, voor het aanbod dat gij mij wel gelieft te doen; maar ik kan het niet aannemen, zoo gij en uwe vrienden al grootmoedig genoeg zijt om mijn vorige hoogstberispelijke gedrag jegens u te vergeten, mijn geheugen is niet zoo inschikkelijk, ik moet en ik wil door andere, meer afdoende diensten dan ik u heden bewijzen kon, de misslagen zoeken te herstellen die ik vroeger begaan heb.”

»Señora,” hervatte de jager, »de gevoelens die gij uit, vereeren u nog meer in onze schatting; sla dus ons verzoek niet af. Lieve hemel! gij weet immers toch, dat men in de prairie het recht niet heeft om zoo gestreng te zijn; het gebeurt niet dikwijls dat men personen aantreft die een begane dwaling op zulk eene edele wijs weten te herstellen.”

»Dring mij niet langer, caballero, mijn wil is onverzettelijk,” zeide zij met blijkbare inspanning en met een zijdelingschen blik naar don Pablo. »Ik moet vertrekken, en dat wel op staanden voet, laat mij dus gaan, verzoek ik u.”

Valentin boog op nieuw.

»Uw wil is voor mij een bevel,señorita,” zeide hij; »gij zijt vrij; ik heb niet anders gepoogd dan u mijne dankbaarheid te toonen.”

»Helaas! gij of ik, wij hebben nog niets gedaan, daar onze bitterste vijand de Roode-Ceder ons ontsnapt is.”

»Wat zegt gij!” riep de jager verwonderd, »is de Roode-Ceder uw vijand!”

»Mijn doodvijand!” riep zij met een blik van onmiskenbaren afkeer. »O! ik begrijp het nu wel, gij hebt mij bij hem ontmoet en gezien hoe ik hem in zijne plannen voorthielp en daarom komt zulk eene verandering u onverklaarbaar voor. Hoor eens, in dien tijd toen ik den onverlaat zocht te dienen, dacht ik alleen dat hij een gewone bandiet was, zooals er maar al te veel zijn in het Verre Westen.”

»En thans?” vroeg hij.

»O! thans,” hervatte zij, »thans weet ik wat ik toen nog niet wist; ik heb eene vreeselijke rekening met hem te vereffenen.”

»Het is er ver van daan dat ik uwe geheimen zou willen doorgronden,señorita, maar vergun mij u slechts eene opmerking te doen.”

»Spreek vrijuit.”

»De Roode-Ceder is geen alledaagsch vijand, een van die mannen die men gemakkelijk kan uit den weg ruimen; dat weet gij zoo goed als ik, niet waar?”

»Ja, en wat zou dat?”

»Wat mannen zooals mijne vrienden en ik, met behulp eener talrijke krijgsmacht niet hebben kunnen doen, zoudt gij u vermeten dat te kunnen volbrengen?”

De Witte-Gazelle glimlachte.

»Wel mogelijk,” zeide zij; »ik heb ook bondgenooten; en als gij het verlangt, caballero, zal ik u die bondgenooten leeren kennen.”

»Spreek op,señorita, want waarlijk uwe kalmte en uw zelfvertrouwen maken mij tegen wil en dank nieuwsgierig.”

»Verplicht, caballero, voor het belang dat gij in mij stelt, de eerste bondgenoot op wien ik reken, zijt gij zelf.”

»Dat is recht,” riep de jager met eene buiging, »al brachten mijne gezindheden er mij niet toe, zouden mijn plicht en mijn belang het mij gebieden. En de tweede, kunt gij mij dien ook noemen?”

»Zonder twijfel, des te meer, daar gij hem reeds kent, het is de Zoon des Bloeds.”

Valentin sprong bijna achteruit van verrassing, maar bedwong zich oogenblikkelijk.

»Met uw welnemen,señorita,” zeide hij beleefd, »maar gij verstaat inderdaad de kunst om mij op eene ongehoorde wijs te verbazen.”

»Hoe dat, caballero?”

»Omdat ik, neem mij niet kwalijk, dacht dat de Zoon des Bloeds veeleer een uwer bitterste vijanden was.”

»Hij was dit, ja,” riep zij met een glimlach.

»En thans?”

»Thans is hij mijn dierbaarste vriend.”

»Dat gaat mijn verstand te boven! En sinds wanneer heeft die buitengewone ommekeer plaats gehad?”

»Sinds wanneer?” antwoordde de Gazelle geslepen, »sinds dat de Roode-Ceder, in plaats van een vriend, op eens mijn geslagen vijand geworden is.”

Valentin sloeg de armen bij zich neer, als iemand die er van afziet om een al te moeielijk raadsel op te lossen.

»Ik begrijp er niets meer van,” zeide hij.

»Gij zult het eerlang begrijpen,” riep zij.

Op eens sprong zij in den zadel en zich nog eens tot Valentin wendende, zeide zij:

»Vaarwel! caballero: ik vertrek naar den Zoon des Bloeds, weldra zien wij elkander terug. Vaarwel!”

En hiermede gaf zij haar paard de sporen, wuifde den jager met de hand een laatst vaarwel toe en vertrok in galop, terwijl zij spoedig in een wolk van stof verdwenen was.

Valentin keerde vol gedachten naar zijne vrienden terug.

»Wel?” vroeg hem don Miguel.

»Wel!” was zijn antwoord, »wat zou het wezen? dat meisje is het zonderlingste schepsel dat ik ooit ontmoet heb.”

Zoodra zij den jager uit het gezicht was, verslapte de Witte-Gazelle den galop van haar paard en bracht het in den meer bedaarden pas, die beter met de omzichtigheid van een eenzaam reiziger in de prairie overeenkomt.

Het jonge meisje gevoelde zich op dit oogenblik gelukkig, zij was niet alleen geslaagd in haar plan om den jongman dien zij beminde uit een dreigend gevaar te redden, maar tevens om zich met Valentin en diens gezellen weder op een goeden voet te brengen.

De Roode-Ceder was haar, wel is waar, ontsnapt, maar voor ditmaal had hij toch een goede les gehad en zou hij, van alle zijden als een wild dier verjaagd, naar het zich liet aanzien spoedig in handen vallen van hen wier belang medebracht hem uit den weg te ruimen.

Zij reed onbezorgd voort, wierp nu en dan een verstrooiden blik in het rond, en bewonderde de kalme rust der prairie onder den glans der zonnestralen die zich spiegelden in het jonge groen der kreupelboschjes.

Nooit had zij de wildernis zoo schoon gevonden, nooit scheen de stilte zoo groot als die er thans heerschte in haar gemoed.

Reeds neigde de zon ten ondergang en verlengden zich de schaduwen van het hier en daar in vollen zomerdos prijkend reusachtig geboomte; de vogeltjes in het dichte gebladerte verscholen zongen den Heer der Schepping hun veelstemmig avondlied, toen de eenzame amazone op eens aan den rand eener groeve door het afvloeiende regenwater gedurende den wintertijd gegraven, een man meende te zien liggen half op den eenen elleboog geleund.

Deze man, bij wien een paard op korten afstand liep grazen, scheen met iets bezig te zijn daar het meisje niets van begreep, maar dat op het levendigst hare aandacht trok.

Ofschoon zij snel de plek naderde waar hij zich bevond, stoorde de vreemdeling zich niet aan haar en zette zijn onbegrijpelijk werk met gespannen aandacht voort.

Eindelijk stond zij vlak tegenover hem; en nu kon zij een uitroep van verrassing niet weerhouden; zij bleef pal staan om hem met verwondering aan te kijken.

De man speelde in zijne eenzaamheid monté, een soort van Mexicaansch lansquenet, met een spel kaarten dat er bijzonder smerig uitzag.

Deze vertooning vond zij zoo buitengewoon koddig dat zij in een schel gelach uitbarstte.

Bij dit geluid hief de man het hoofd op.

»Ziedaar!” riep hij zonder zich overigens in het minst verwonderd te toonen, »wist ik het niet dat er iemand komen zou; dat kan nooit missen, op dit gezegend benedenrond!”

»O, foei!” riep zij met een lach, »gelooft gij daaraan?”

»Canarios! ik ben er zeker van,” antwoordde hij, »en gij zelve bewijst het mij,señorita, juist omdat gij komt.”

»Leg mij dat eens nader uit, vriend, als ik u verzoeken mag, want ik moet u bekennen dat ik er geen letter van begrijp.”

»Dat geloof ik niet,” riep de onbekende hoofdschuddend; »maar toch, strikt genomen zou het waar kunnen wezen. In allen geval, ik sta er voor in, dat het zoo is.”

»Zeer goed, maar wees dan zoo goed en verklaar het mij nader.”

»O, dat is gemakkelijk genoeg,señorita. Ik ben uit Jalapa, een stad die gij wel kennen moet.”

»Ja, maar niet anders dan door de medicijn, die er den naam aan ontleent.”

»Goed, goed,” lachte de andere, »maar dat neemt niet weg dat Jalapa een mooie stad is.”

»Integendeel! ga voort.”

»Ik ga al voort. Gij moet dan weten dat wij te Jalapa een spreekwoord hebben.”

»Zeer mogelijk; strikt genomen is dat op zich zelf zooveel bijzonders niet.”

»Dat is waar, maar dat spreekwoord kent gij toch niet, zeg!”

»Neen, dat wacht ik van u te zullen hooren.”

»Daar is het: »wilt gij gezelschap, leg dan de kaarten.””

»Dat begrijp ik niet.”

»Loop heen!”

»Op mijn woord niet!”

»Met dat al is het toch zeer duidelijk; dat zult gij zien.”

»Ik wou dat ik het reeds zag,” riep het meisje, die het gesprek uitermate behagelijk vond.

De onbekende stond op, stak de kaarten in zijn zak met al den ernst die een speler van beroep aan dit werk besteedt en nu met den arm achteloos op den hals van het paard der Gazelle leunende sprak hij:

»Door eene reeks van omstandigheden, te lang om u te vertellen bevind ik mij moederziel alleen in deze onmetelijke prairie waar ik geen heg of steg weet; als fatsoenlijk stadsburger ben ik volstrekt niet op de hoogte van de zeden en gebruiken der wildernis, zoodat ik natuurlijk eerlang van honger en gebrek zal moeten omkomen.”

»Met uw welnemen, dat ik u in de rede val, maar ik moet u, doen opmerken dat wij hier zoo wat drie honderd mijlen ver van de naaste stad verwijderd zijn en er dus strikt genomen nog al eenige tijd heeft moeten verloopen sedert gij, beschaafde man, u in de wildernis bevindt.”

»Dat is ook zoo; wat gij daar zegt is maar al te waar,señorita; maar dat komt door die lange reeks van oorzaken daar ik u zoo even van sprak en die te veel tijd zouden kosten om u te vertellen.”

»Zeer goed, ga voort.”

»Welnu, toen ik zag dat ik verloren was, dacht ik aan het spreekwoord van mijn land, haalde ik de kaarten uit mijnalforjas(knapzak) en begon, ofschoon gansch alleen, te spelen, wel overtuigd dat er dan spoedig, ongevraagd wie of van waar, een kameraad zou opdagen, niet om een partijtje met mij te spelen, maar om mij uit de verlegenheid te helpen.”

De Witte-Gazelle werd op eens ernstig en richtte zich op in den zadel.

»Gij hebt wel zeker spel gespeeld,” zeide zij, »want zoo als gij ziet, Andres Garote, ik ben gekomen.”

Zoodra de ranchero zijn naam hoorde, want het was inderdaad onze oude kennis die hier voor den duivel speelde, stak hij het hoofd op en keek haar aan.

»Wie zijt gij toch,” zeide hij, »dat gij mij zoo goed kent; ik kan mij niet herinneren dat ik u ooit gezien heb?”

»Kom, kom,” riep het meisje lachend, »uw geheugen moet dan wel kort zijn, vriend; of herinnert gij u de Witte-Gazelle niet meer?”

Bij dezen naam sprong de ranchero een voet achteruit.

»O!tonto—dwaas!—die ik ben,” riep hij; »’t is waar. Maar ik kon zoo weinig denken dat ik u hier.… Neem mij niet kwalijk,señorita.…”

»Hoe is het,” viel de Gazelle hem in de rede, »hebt gij den Roode-Ceder in den steek gelaten?”

»Caramba!” riep de ranchero, »zeg liever dat de Roode-Ceder mij in den steek heeft gelaten; doch om hem geef ik minder, er is een andere oude vriend daar ik drommels kwaad op ben.”

»Ah zoo!”

»Ja, en ik zou het hem graag betaald zetten, des te meer daar ik er op dit oogenblik wel kans toe zie.”

»En wie is die vriend?”

»Gij kent hem even goed als ik,señorita.”

»Dat kan wel zijn, maar dan dien ik zijn naam toch te weten, of gij moest dien geheim willen.…”

»Volstrekt niet,” viel haar de ranchero met drift in de rede; »gij kent zijn naam even goed als ik; de man dien ik bedoel, is Fray Ambrosio.”

Toen zij dezen naam hoorde begon de Gazelle in het gesprek meer en meer belang te stellen.

»Fray Ambrosio!” riep zij, »en wat hebt gij dien braven man te verwijten?”

De ranchero keek het meisje strak aan, om te zien of het haar ernst was. Het gelaat der Witte-Gazelle stond koel en strak; zij schudde het hoofd.

»’t Is een oude rekening tusschen hem en mij,” zeide hij, »God zal ons oordeelen.”

»Goed, dan wil ik u geen verderen uitleg vragen; en daar uwe zaken mij niet bijzonder veel belang inboezemen, te minder omdat ik met de mijne genoeg te doen heb, zult gij mij wel toestaan u te verlaten.”

»Waartoe dat?” riep de ranchero schielijk, »laten wij bij elkander blijven, wij zijn immers wèl samen; waarom zouden wij scheiden?”

»Waarom? omdat wij waarschijnlijk niet denzelfden kant uitmoeten.”

»Hoe weet gij dat, nina? Als ik u hier heb moeten aantreffen, is het zeker omdat wij samen zouden reizen.”

»Ik ben niet van dat gevoelen; ik was op weg naar een man dien gij waarschijnlijk niet gaarne onder de oogen zoudt willen komen.”

»Dat ’s niet gezegd, nina, dat ’s niet gezegd,” antwoordde de ranchero met zekeren ijver; »want ik heb gezworen mij te zullen wreken aan zekeren monnik Ambrosio; en alleen ben ik te zwak om het uit te voeren of, om u de waarheid te zeggen, ik heb er den moed niet toe.”

»Goed,” riep de Gazelle meesmuilend, »maar hoe zult gij het dan maken om u die wraak niet te zien ontsnappen?”

»O! daar weet ik wel raad op, dat is niets; ik ken iemand in de woestijn die hem een doodelijken haat toedraagt en die er vrij wat voor geven zou om tegen hem een afdoend bewijs in handen te krijgen, want ongelukkig heeft die man het gebrek van eerlijk te zijn.”

»Ah! zoo.”

»Ja, wat denkt gij? niemand is immers volmaakt.”

»En wie is die man?”

»O! hebt gij nooit van hem hooren spreken, nina?”

»Zeg wat gij weet! en noem mij zijn naam, zeg ik u.”

»Zooals gij wilt; men noemt hem den Zoon des Bloeds.”

»De Zoon des Bloeds!” riep de Gazelle blijkbaar verrast.

»Ja; kent gij hem?”

»Zoo wat; ga voort.”

»Ronduit gezegd, dien man zoek ik.”

»En gij hebt de bewijzen in handen, zegt gij, om dien Fray Ambrosio te doen vallen?”

»Ik denk wel van ja.”

»Waarom denkt gij het?”

De ranchero haalde de schouders op en trok zijn mond veel beteekenend samen.

De Witte-Gazelle wierp hem een van die doorborende blikken toe waarmede men in de diepte der harten lezen kan.

»Hoor eens,” zeide zij, hem de hand op den schouder leggende, »den man dien gij zoekt zal ik u doen vinden.”

»Gij?”

»Ja!”

»Spreekt gij waarlijk in ernst,” riep de ranchero met een sprong van verbazing.

»Zoo ernstig als ooit; maar ik dien vooraf te weten of gij waarheid gesproken hebt.”

Andres Garote keek haar aan.

»Hebt gij het dan ook op Fray Ambrosio gemunt?” vroeg hij.

»Dat gaat u niet aan,” antwoordde zij, »het is hier de vraag niet wat ik zal doen, maar wat gij zult doen; hebt gij die bewijzen waarvan gij spreekt, ja of neen?”

»Ik heb ze.”

»Inderdaad?”

»Op mijn eer!”

»Volg mij dan, en binnen twee uren zijt gij bij den Zoon des Bloeds.”

De ranchero trilde van vreugde, en er kwam een glimlach op zijn verschrompeld gezicht.

»Spreekt gij in ernst?” riep hij.

»Kom mede,” antwoordde zij.

De ranchero sprong te paard.

»Ik ben al klaar,” zeide hij, »laten wij gaan.”

»Laten wij gaan,” herhaalde de Gazelle.

Zij vertrokken.

Intusschen had de dag plaats gemaakt voor den nacht, de zon was sinds lang ondergegaan, een tallooze menigte sterren blonken aan het hemelgewelf; de beide tochtgenooten reden naast elkander, snel als de wind, zwijgend en zonder om te zien.

»Komen wij er haast?” hijgde Andres Garote eindelijk.

De Witte-Gazelle wees hem met de hand voor zich uit, in de richting die zij volgden, en op korten afstand schitterde er een licht door het geboomte.

»Daar is het,” zeide zij.


Back to IndexNext