XV.

XV.HET HERSTEL.De Roode-Ceder beterde slechts langzaam, ondanks de ijverige zorgen door pater Seraphin, Ellen en de moeder van Valentin aan hem besteed.De zedelijke schok door den bandiet ontvangen toen hij zich zoo eensklaps tegenover den zendeling bevond, was te sterk geweest om geen invloed op zijn gestel uit te oefenen.Evenwel was de Squatter zich tamelijk gelijk gebleven, sedert den dag, toen hij tot het leven terugkeerende zich in ootmoed voor den zendeling had neergebogen. Wat het ook wezen mocht, hetzij oprecht berouw, of een gespeelde rol, maar hij was op dien voet volstandig blijven voortgaan, tot groote voldoening van den missionaris en de twee vrouwen, die uit grond van hun hart God dankten voor zulk eene verandering.Zoodra de lijder in staat was op te staan en eenige passen in de grot te wandelen, had pater Seraphin, die nog altijd vreesde Valentin te zien opdagen, hem gevraagd wat hij voornemens was en welke levenswijs hij in ’t vervolg dacht te kiezen.»Vader,” antwoordde de Squatter, »ik ben voortaan uw eigendom; wat gij mij raden zult zal ik doen, ik moet u doen opmerken dat ik een soort van wildeman ben, die geheel zijn leven in de woestijn heeft doorgebracht. Hoe zou ik deugen in eene stad, onder menschen van wier gewoonten of karakter ik niets begrijpen zal?”»Dat is zoo,” zei de zendeling; »geheel zonder middelen van bestaan op uw leeftijd en met geen ander vak bekend dan dat van jager of woudlooper, zoudt gij een allerellendigst leven kunnen hebben en misschien bitter armoede moeten lijden.”»Dat zou mij niet terughouden, vader, als ik daarmede mijn vorige leven kon afboeten, maar ik heb de menschen te zwaar beleedigd om in hun midden terug te keeren; ’t is in de woestijn dat ik leven en sterven moet, om door een onbezoedelden ouderdom, zooveel ik vermag, de misdrijven te vergoeden van eene jeugd daar ik met afgrijzen op terugzie.”»Ik moet u prijzen, uw voornemen is goed, laat er mij eenige dagen over nadenken, dan zal ik zien of ik u de middelen verschaffen kan om te leven zooals gij dat verstaat.”Hierbij bleef het gesprek.Er verliep bijna eene maand zonder dat de missionaris, behalve de vermaningen die hij den Roode-Ceder dagelijks gaf, op het hier boven tusschen hen gesprokene terugkwam.De Squatter had ten allen tijde Ellen zekere woeste, of als men het zoo noemen kan, brutale en hardvochtige vriendschap getoond, die geheel met zijn ruw en ongevoelig karakter overeenstemde; maar sedert hij hare onbezweken trouw had leeren waardeeren en de zelfverloochening waarmede zij hem op het krankbed verzorgde, was er bij hem eene soort van omwenteling voorgevallen; een nieuw gevoel was er ontwaakt in zijn hart en met al de kracht zijner ziel was hij begonnen dat bekoorlijke schepsel lief te hebben.De anders zoo woeste man behoefde het lieve meisje slechts te zien om zoo gedwee te worden als een lam, een glans van genoegenstraalde uit zijne wilde oogen, en zijn mond, altijd zoo gereed tot vloeken, opende zich gaarne om zachte woorden te spreken.Menigmaal, als hij aan de zijde van den berg op korten afstand van de grot met haar zat te praten, soms uren achtereen, kon hij met onbeschrijfelijk genot luisteren naar die welluidende stem, wier streelende klank hij tot hiertoe zoo weinig had gekend of opgemerkt.Ellen verborg haar eigen leed in haar boezem en wendde eene opgeruimdheid voor die zij wel verre was van te bezitten, om den man niet te bedroeven dien zij als haar vader beschouwde en die zoo gelukkig scheen haar vroolijk aan zijne zijde te zien.Inderdaad, zoo iemand op dit oogenblik op het gemoed van den ouden bandiet eenig overwicht bezat en in staat scheen hem op den goeden weg terug te brengen, was het Ellen.Zij wist dit wel en gebruikte met fijn overleg de macht die zij over hem had om het mogelijke te doen tot verbetering van den wildeman, die in zijn leven tot dusver voor al wat mensch heet een soort van duivel geweest was.Op zekeren morgen terwijl de Roode-Ceder, bijna geheel van zijne wonden hersteld, aan den arm van Ellen zijne gewone wandeling deed, kwam pater Seraphin, die sinds de laatste twee dagen afwezig was geweest, hem te gemoet.»Ach! zijt gij daar, vader!” riep de Squatter zoodra hij hem zag; »ik begon reeds ongerust te worden dat ik u niet weder zien zou, en ik ben blij dat gij terug zijt.”»Hoe bevindt gij u thans?” vroeg de missionaris.»Zeer wel; ik zou geheel genezen zijn zoo mijne krachten reeds waren teruggekeerd, maar dat zal niet lang meer duren, hoop ik.”»Zoo veel te beter, want dat ik zoo lang afwezig ben geweest, daarvan zijt gij zelf min of meer de oorzaak.”»Hoedat?” vroeg de Squatter nieuwsgierig.»Gij weet wel dat gij mij eenigen tijd geleden uw verlangen hebt te kennen gegeven om u in de prairie te vestigen.”»Dat heb ik ook.”»Welnu, alles wel ingezien,” hervatte de zendeling, »komt mij dat voor u veel verkieslijker voor, daar het u de middelen zal verschaffen om aan de vervolging uwer vijanden te ontsnappen.”»Geloof mij, vader,” zei de Roode-Ceder ernstig, »dat ik geenszins verlang te ontsnappen aan hen die ik beleedigd heb; als mijn dood de misdaden kon afkoopen waaraan ik schuldig sta, zou ik niet aarzelen om mijn leven op te offeren ter voldoening aan de openbare gerechtigheid.”»Ik acht mij gelukkig, vriend, te zien dat gij zulke goede gevoelens koestert, maar ik geloof dat God, die in geen geval den dood des zondaars wil, naar zijn gunstrijk welbehagen u liever de gelegenheid laat om door een voorbeeldig leven zooveel mogelijk het kwaad te herstellen, dat gij gedaan hebt.”»Ik ben uw eigendom, vader, heb ik u eenmaal gezegd, en ik herhaal het nog; wat gij mij raadt, zal mij een bevel zijn, een bevel dat ik met vreugde volbrengen zal. Het is eerst sedert de Voorzienigheid mij met u in betrekking bracht, dat ik de grootheid mijner wanbedrijven heb leeren beseffen. Helaas! ik ben er niet alleen geheel verantwoordelijk voor, want daar ik nooit anders dan slechte voorbeelden gezien heb, kende ik geen onderscheid tusschen goed en kwaad, dacht ik dat alle menschen slecht waren, en ben ik in mijn doen niet anders te werk gegaan dan in den bedriegelijken waan van wettige zelfverdediging.”»Nu dan, terwijl uw oor thans voor de waarheid is opengegaan, en uw verstand den verheven zin van het Evangelie begint te begrijpen, is u het pad aangewezen; voortaan hebt gij alleen te volharden op den goeden weg dien gij vrijwillig zijt ingetreden.”»Helaas!” zuchtte de Squatter, »ik ben zulk een slecht schepsel en de vergeving zoo diep onwaardig, dat naar ik vrees de Almachtige mij niet in genade zal aannemen.”»Deze woorden zijn eene beleediging voor de Godheid,” zei de zendeling ernstig; »hoe schuldig de zondaar ook is, mag hij toch nooit wanhopen aan de Goddelijke barmhartigheid; of zegt het Evangelie niet: er zal grooter blijdschap zijn in den hemel over eenen zondaar die zich bekeert dan over honderd rechtvaardigen die de bekeering niet noodig hebben.”»Verschoon mij, vader.”»Welaan,” hervatte de missionaris, op eens van toon veranderende, »komen wij dan terug op de reden die mij tot u bracht. Ik heb voor u in een aangenaam oord, eenige mijlen van hier eene jacal laten bouwen waar gij met uwe dochter wonen kunt.”»Wat zijt gij toch goed, vader!” zei de Squatter in vervoering, »wat ben ik u toch een dank schuldig!”»Spreken wij daar niet van, ik zal mij genoeg beloond achten als ik zie dat gij in uw berouw volhardt.”»O! vader, gij moet gelooven dat ik mijn vorige leven verfoei en verafschuw.”»Ik hoop maar dat dit altijd zoo blijven zal. Die jacal waar ik u zoodra gij zulks verlangt brengen zal, ligt in zulk een stillen en verborgen hoek, dat zij schier onmogelijk te ontdekken is; ik zelf heb haar van de noodige voorwerpen en gereedschappen voor uw dagelijksch gebruik voorzien; gij zult er voedsel vinden voor een aantal dagen, alsmede vuurwapenen en kruit om u tegen de wilde dieren te verdedigen of op de jacht te gaan. Ik heb er ook eenige strikken en bevervallen bijgevoegd, kortom, alles wat een pelsjager en strikkenzetter noodig heeft.”»O! hoe goed zijt gij, vader!” riep Ellen met tranen van vreugde op de wangen.»Kom, kom, spreken wij daar niet van,” hervatte de zendeling vroolijk. »Ik deed niets meer dan mijn plicht: overigens heb ik, totmeerdere zekerheid en om alle onbescheiden nieuwsgierigen den pas af te snijden, de geheele zaak voor een ieder geheim gehouden; de jacal is door mij alleen, zonder iemands hulp gebouwd. Gij kunt dus gerust zijn dat niemand u in uwe hermitage zal komen storen.”»En wanneer kan ik nu naar mijne hut gaan, vader?”»Wanneer gij maar wilt; alles is gereed.”»O, ja! als ik niet vreesde ondankbaar te schijnen, zou ik zeggen op staanden voet, vader.”»Zoudt gij denken dat gij reeds weder sterk genoeg zijt om eene reis van vijftien mijlen goed te maken?”»Ik gevoel mij op dit oogenblik meer dan gewoon sterk, vader.”»Kom dan maar aanstonds mede; want als gij zelf mij dat voorstel niet gedaan hadt, zou ik het u gedaan hebben.”»Dus is alles naar wensch, niet waar? en gij neemt mij dan volstrekt niet kwalijk dat ik zooveel haast maak om u te verlaten, vader?”»In ’t minst niet, stel u daaromtrent gerust.”Al pratende waren onze drie wandelaars de berghelling afgedaald daar de grot op lag en bevonden zij zich in de kleine vallei.Drie gezadelde paarden stonden hun daar te wachten door een Indiaan bewaakt.»In de wildernis zijn de afstanden bijna te groot om te voet te gaan,” zei pater Seraphin, »men kan bijna niet leven zonder paarden; gij zult mij pleizier doen als gij deze van mij aanneemt.”»Maar vader,” riep de Squatter, »dat is toch te veel, dat is veel te veel; gij overstelpt mij waarlijk.”Vader Seraphin schudde het hoofd.»Begrijp mij goed,” zeide hij, »er steekt in alles wat ik voor u doe veel meer slim overleg en baatzucht dan gij veronderstelt.”»Zoo!” riep de Roode-Ceder.»Baatzucht in een goed werk!” riep Ellen ongeloovig, »nu schertst gij toch, vader.”»Neen, lieve kind, ik spreek in goeden ernst; gij zult mij weldra begrijpen: dat ik alles voor uw vader zoo goed overlegd en in orde heb gebracht, is om hem volkomen in staat te stellen een eerlijk en braaf jager te worden en hem ieder voorwendsel te ontnemen om tot zijne oude dwalingen terug te keeren, zoodat het nu geheel zijn eigen schuld zou zijn als hij niet volharden mocht in zijn besluit om zich te verbeteren.”»’t Is waar,” hernam de Roode-Ceder. »Nu vader, dan dank ik u voor uwe baatzucht, die mij den gelukkigsten aller menschen maakt en mij bewijst dat gij vertrouwen in mij stelt.”»Kom! nu te paard.”»Maar,” zeide Ellen, »wij kunnen dunkt mij toch zoo niet vertrekken.”»Gij hebt gelijk,” beaamde de Squatter, »hoe kan ik toch zoo wezen, waar staat mijn hoofd?”»Wat woudt gij zeggen?”»Bij God! er is immers hier nog iemand, die zoo trouw geholpen heeft om mij op te passen, vader; die goede vrouw is zich tot hiertoe in alles gelijk gebleven; ik prijs mijne dochter dat zij mij hielp herinneren niet ondankbaar jegens haar te zijn en ik wil deze grot niet verlaten zonder haar mijne erkentenis.…”»Dat behoeft niet,” viel de missionaris hem met drift in de rede, »die goede vrouw is op dit oogenblik een weinig onpasselijk, zij heeft mij verzocht u van harentwegen geluk te wenschen en te verzekeren hoeveel genoegen het haar doet dat gij zoo geheel buiten gevaar zijt.”De Roode-Ceder en zijne dochter drongen er nu niet verder op aan; zij begrepen wel dat de zendeling wellicht bijzondere redenen had om deze zaak te laten rusten. Zij stegen dus in den zadel en zwegen er van, ten einde hun weldoener niet te mishagen.De Squatter wist niet dat de vrouw die hem verpleegd had de moeder was van Valentin Guillois, zijn doodvijand. Vader Seraphin had Ellen laten beloven dat zij dit geheim niet aan haar vader zou openbaren, en het meisje had er van gezwegen zonder naar de reden van deze geheimhouding te vragen.Christelijke liefde en edelmoedigheid, die den grond van haar karakter uitmaakten, hadden de moeder van den jager in staat gesteld om in haar hart het gevoel van afkeer te verbergen dat de Roode-Ceder haar inboezemde, en zoo lang deze in gevaar verkeerde was zij met de meeste zelfverloochening en trouw behulpzaam geweest om hem te verzorgen; maar naar mate de Squatter begon te herstellen en hare zorgen minder noodig waren, had de goede vrouw zich terug getrokken, en eindelijk zag zij den zieke slechts bij lange tusschenpoozen.Tegen wil en dank had de moederlijke liefde bij haar den christelijken zin verdrongen, en kon zij er niet zonder schrik en zonder smartelijk voorgevoel aan denken, dat zij had mede gewerkt om den man in het leven terug te roepen, dien zij als den doodvijand van haar geliefden Valentin moest beschouwen.Bovendien was zij niet te goed om hem kwalijk te nemen dat zijn verblijf in de grot haar belette haar zoon te ontmoeten, dien zij zoo vurig verlangde weder te zien; toen dus vader Seraphin haar verzekerde dat de Squatter vertrekken zou, hoorde zij dit nieuws met groot genoegen, hem te gelijk verzoekende om van zijn vaarwel verschoond te blijven, dat voor haar toch niet anders dan gedwongen kon zijn.Vader Seraphin had hier mede genoegen genomen, en wij hebben reeds gezien hoe behendig hij het verzoek van den Squatter en diens dochter wist af te wijzen.Zij trokken dus op weg.De Roode-Ceder haalde met volle teugen adem; het was hem een onbeschrijfelijk genot de zuivere lucht der woestijn door borst en aderen te voelen stroomen.Hij scheen als te herleven, hij was weder vrij.De missionaris beschouwde hem met groote aandacht en berekende in stilte hoe hij zich de nieuwe gewaarwordingen van den Squatter zou ten nutte maken, om hem in het vervolg op den goeden weg te houden en wat hij te dien aanzien van hem te verwachten had.De Roode-Ceder begreep onwillekeurig dat hij door zijn reisgenoot bespied werd, en om hem van zijne gevoelens het beste te doen denken, liet hij zich op de luidruchtigste wijs en met volle geestdrift uit over zijne dankbaarheid voor al de genoten weldaden, eene dankbaarheid, die ongetwijfeld grootendeels oprecht maar toch te onstuimig was om van alle overdrijving vrij te zijn.Vader Seraphin hield zich alsof hij alles voor goede munt aannam en bleef gedurende de gansche reis op de vroolijkste wijs doorpraten.Ongeveer zes uren nadat zij de grot verlaten hadden kwamen zij aan de jacal.Het was eene bekoorlijke kleine hut, uit jonge boomen en groene twijgen samengesteld en in verscheidene kamertjes afgedeeld, met een corral er achter om de paarden te stallen.Er ontbrak inderdaad niets aan; in het hart van een welige vallei, die zeer moeielijk te bereiken of te vinden was, verhief zij zich aan den oever van een riviertje dat zijne wateren op korten afstand ontlastte in deRio Gila.De ligging van dit eenzame verblijf was allerbekoorlijkst, en voor iemand die in het leven der wildernis behagen vindt was het volkomen geschikt om er gelukkig te zijn.Toen de reizigers waren afgestegen en hunne paarden in de corral hadden gebracht, trad vader Seraphin met zijne twee beschermelingen de jacal binnen.Alles was er volmaakt in orde, zooals hij gezegd had; en vond men er al geen weelde, zoo ontbrak er toch niets aan het strikt noodige.Ellen was er van opgetogen; haar vader veinsde misschien een weinig, en geliet zich wellicht meer voldaan dan hij werkelijk was.Na omtrent een uur lang met hen te hebben rondgeloopen, om hen alles goed te laten zien, nam vader Seraphin van den Squatter en zijne dochter afscheid.»Nu al, vader!” riep Ellen, »gaat gij ons nu reeds verlaten, vader?”»Ik moet, kindlief, gij weet wel dat ik geen meester ben van mijn tijd,” antwoordde de missionaris terwijl hij zijn paard besteeg, dat de Squatter hem gebracht had.»Maar ik hoop toch,” zei de laatstgenoemde, »dat gij niet te lang zult wegblijven, vader, en dat gij steeds aan de jacal zult denken, waar zich twee personen bevinden die alles aan u te danken hebben?”»Ik laat u volkomen vrij in uw doen en laten,” zei pater Seraphin, »als ik te dikwijls bij u kwam zoudt gij in mijne bezoeken eene soort van voogdijschap kunnen zien die op u een verkeerden indruk zou maken; met dat al kom ik zeker terug, twijfel daar niet aan.”»Gij zult nooit te dikwijls kunnen komen, vader,” riepen beiden tegelijk, terwijl zij hem de handen drukten en kusten.»Vaartwel, en weest gelukkig,” hernam de zendeling bewogen; »gij weet waar gij mij kunt vinden als gij mijne hulp of mijn troost noodig hebt. Komt dan vrij, ik zal altijd gereed zijn u te helpen zooveel ik kan; hoe weinig het ook wezen mag, God zal mijne pogingen zegenen, dat weet ik. Vaartwel!”Hiermede gaf de missionaris zijn paard de sporen en reed weg in vollen galop.De Roode-Ceder en zijne dochter oogden hem na zoo lang zij hem zien konden.Toen hij eindelijk aan den anderen oever der rivier in het kreupelbosch der prairie verdwenen was, slaakten zij een zucht en traden in de jacal terug.»Goede, waardige, vrome man!” mompelde de Squatter terwijl hij zich op eene butacca neder wierp. »O! ik wil de hoop niet teleurstellen die hij op mijne verbetering gevestigd heeft!”Het was nu ten minste geen komedie die de Squatter speelde.

XV.HET HERSTEL.De Roode-Ceder beterde slechts langzaam, ondanks de ijverige zorgen door pater Seraphin, Ellen en de moeder van Valentin aan hem besteed.De zedelijke schok door den bandiet ontvangen toen hij zich zoo eensklaps tegenover den zendeling bevond, was te sterk geweest om geen invloed op zijn gestel uit te oefenen.Evenwel was de Squatter zich tamelijk gelijk gebleven, sedert den dag, toen hij tot het leven terugkeerende zich in ootmoed voor den zendeling had neergebogen. Wat het ook wezen mocht, hetzij oprecht berouw, of een gespeelde rol, maar hij was op dien voet volstandig blijven voortgaan, tot groote voldoening van den missionaris en de twee vrouwen, die uit grond van hun hart God dankten voor zulk eene verandering.Zoodra de lijder in staat was op te staan en eenige passen in de grot te wandelen, had pater Seraphin, die nog altijd vreesde Valentin te zien opdagen, hem gevraagd wat hij voornemens was en welke levenswijs hij in ’t vervolg dacht te kiezen.»Vader,” antwoordde de Squatter, »ik ben voortaan uw eigendom; wat gij mij raden zult zal ik doen, ik moet u doen opmerken dat ik een soort van wildeman ben, die geheel zijn leven in de woestijn heeft doorgebracht. Hoe zou ik deugen in eene stad, onder menschen van wier gewoonten of karakter ik niets begrijpen zal?”»Dat is zoo,” zei de zendeling; »geheel zonder middelen van bestaan op uw leeftijd en met geen ander vak bekend dan dat van jager of woudlooper, zoudt gij een allerellendigst leven kunnen hebben en misschien bitter armoede moeten lijden.”»Dat zou mij niet terughouden, vader, als ik daarmede mijn vorige leven kon afboeten, maar ik heb de menschen te zwaar beleedigd om in hun midden terug te keeren; ’t is in de woestijn dat ik leven en sterven moet, om door een onbezoedelden ouderdom, zooveel ik vermag, de misdrijven te vergoeden van eene jeugd daar ik met afgrijzen op terugzie.”»Ik moet u prijzen, uw voornemen is goed, laat er mij eenige dagen over nadenken, dan zal ik zien of ik u de middelen verschaffen kan om te leven zooals gij dat verstaat.”Hierbij bleef het gesprek.Er verliep bijna eene maand zonder dat de missionaris, behalve de vermaningen die hij den Roode-Ceder dagelijks gaf, op het hier boven tusschen hen gesprokene terugkwam.De Squatter had ten allen tijde Ellen zekere woeste, of als men het zoo noemen kan, brutale en hardvochtige vriendschap getoond, die geheel met zijn ruw en ongevoelig karakter overeenstemde; maar sedert hij hare onbezweken trouw had leeren waardeeren en de zelfverloochening waarmede zij hem op het krankbed verzorgde, was er bij hem eene soort van omwenteling voorgevallen; een nieuw gevoel was er ontwaakt in zijn hart en met al de kracht zijner ziel was hij begonnen dat bekoorlijke schepsel lief te hebben.De anders zoo woeste man behoefde het lieve meisje slechts te zien om zoo gedwee te worden als een lam, een glans van genoegenstraalde uit zijne wilde oogen, en zijn mond, altijd zoo gereed tot vloeken, opende zich gaarne om zachte woorden te spreken.Menigmaal, als hij aan de zijde van den berg op korten afstand van de grot met haar zat te praten, soms uren achtereen, kon hij met onbeschrijfelijk genot luisteren naar die welluidende stem, wier streelende klank hij tot hiertoe zoo weinig had gekend of opgemerkt.Ellen verborg haar eigen leed in haar boezem en wendde eene opgeruimdheid voor die zij wel verre was van te bezitten, om den man niet te bedroeven dien zij als haar vader beschouwde en die zoo gelukkig scheen haar vroolijk aan zijne zijde te zien.Inderdaad, zoo iemand op dit oogenblik op het gemoed van den ouden bandiet eenig overwicht bezat en in staat scheen hem op den goeden weg terug te brengen, was het Ellen.Zij wist dit wel en gebruikte met fijn overleg de macht die zij over hem had om het mogelijke te doen tot verbetering van den wildeman, die in zijn leven tot dusver voor al wat mensch heet een soort van duivel geweest was.Op zekeren morgen terwijl de Roode-Ceder, bijna geheel van zijne wonden hersteld, aan den arm van Ellen zijne gewone wandeling deed, kwam pater Seraphin, die sinds de laatste twee dagen afwezig was geweest, hem te gemoet.»Ach! zijt gij daar, vader!” riep de Squatter zoodra hij hem zag; »ik begon reeds ongerust te worden dat ik u niet weder zien zou, en ik ben blij dat gij terug zijt.”»Hoe bevindt gij u thans?” vroeg de missionaris.»Zeer wel; ik zou geheel genezen zijn zoo mijne krachten reeds waren teruggekeerd, maar dat zal niet lang meer duren, hoop ik.”»Zoo veel te beter, want dat ik zoo lang afwezig ben geweest, daarvan zijt gij zelf min of meer de oorzaak.”»Hoedat?” vroeg de Squatter nieuwsgierig.»Gij weet wel dat gij mij eenigen tijd geleden uw verlangen hebt te kennen gegeven om u in de prairie te vestigen.”»Dat heb ik ook.”»Welnu, alles wel ingezien,” hervatte de zendeling, »komt mij dat voor u veel verkieslijker voor, daar het u de middelen zal verschaffen om aan de vervolging uwer vijanden te ontsnappen.”»Geloof mij, vader,” zei de Roode-Ceder ernstig, »dat ik geenszins verlang te ontsnappen aan hen die ik beleedigd heb; als mijn dood de misdaden kon afkoopen waaraan ik schuldig sta, zou ik niet aarzelen om mijn leven op te offeren ter voldoening aan de openbare gerechtigheid.”»Ik acht mij gelukkig, vriend, te zien dat gij zulke goede gevoelens koestert, maar ik geloof dat God, die in geen geval den dood des zondaars wil, naar zijn gunstrijk welbehagen u liever de gelegenheid laat om door een voorbeeldig leven zooveel mogelijk het kwaad te herstellen, dat gij gedaan hebt.”»Ik ben uw eigendom, vader, heb ik u eenmaal gezegd, en ik herhaal het nog; wat gij mij raadt, zal mij een bevel zijn, een bevel dat ik met vreugde volbrengen zal. Het is eerst sedert de Voorzienigheid mij met u in betrekking bracht, dat ik de grootheid mijner wanbedrijven heb leeren beseffen. Helaas! ik ben er niet alleen geheel verantwoordelijk voor, want daar ik nooit anders dan slechte voorbeelden gezien heb, kende ik geen onderscheid tusschen goed en kwaad, dacht ik dat alle menschen slecht waren, en ben ik in mijn doen niet anders te werk gegaan dan in den bedriegelijken waan van wettige zelfverdediging.”»Nu dan, terwijl uw oor thans voor de waarheid is opengegaan, en uw verstand den verheven zin van het Evangelie begint te begrijpen, is u het pad aangewezen; voortaan hebt gij alleen te volharden op den goeden weg dien gij vrijwillig zijt ingetreden.”»Helaas!” zuchtte de Squatter, »ik ben zulk een slecht schepsel en de vergeving zoo diep onwaardig, dat naar ik vrees de Almachtige mij niet in genade zal aannemen.”»Deze woorden zijn eene beleediging voor de Godheid,” zei de zendeling ernstig; »hoe schuldig de zondaar ook is, mag hij toch nooit wanhopen aan de Goddelijke barmhartigheid; of zegt het Evangelie niet: er zal grooter blijdschap zijn in den hemel over eenen zondaar die zich bekeert dan over honderd rechtvaardigen die de bekeering niet noodig hebben.”»Verschoon mij, vader.”»Welaan,” hervatte de missionaris, op eens van toon veranderende, »komen wij dan terug op de reden die mij tot u bracht. Ik heb voor u in een aangenaam oord, eenige mijlen van hier eene jacal laten bouwen waar gij met uwe dochter wonen kunt.”»Wat zijt gij toch goed, vader!” zei de Squatter in vervoering, »wat ben ik u toch een dank schuldig!”»Spreken wij daar niet van, ik zal mij genoeg beloond achten als ik zie dat gij in uw berouw volhardt.”»O! vader, gij moet gelooven dat ik mijn vorige leven verfoei en verafschuw.”»Ik hoop maar dat dit altijd zoo blijven zal. Die jacal waar ik u zoodra gij zulks verlangt brengen zal, ligt in zulk een stillen en verborgen hoek, dat zij schier onmogelijk te ontdekken is; ik zelf heb haar van de noodige voorwerpen en gereedschappen voor uw dagelijksch gebruik voorzien; gij zult er voedsel vinden voor een aantal dagen, alsmede vuurwapenen en kruit om u tegen de wilde dieren te verdedigen of op de jacht te gaan. Ik heb er ook eenige strikken en bevervallen bijgevoegd, kortom, alles wat een pelsjager en strikkenzetter noodig heeft.”»O! hoe goed zijt gij, vader!” riep Ellen met tranen van vreugde op de wangen.»Kom, kom, spreken wij daar niet van,” hervatte de zendeling vroolijk. »Ik deed niets meer dan mijn plicht: overigens heb ik, totmeerdere zekerheid en om alle onbescheiden nieuwsgierigen den pas af te snijden, de geheele zaak voor een ieder geheim gehouden; de jacal is door mij alleen, zonder iemands hulp gebouwd. Gij kunt dus gerust zijn dat niemand u in uwe hermitage zal komen storen.”»En wanneer kan ik nu naar mijne hut gaan, vader?”»Wanneer gij maar wilt; alles is gereed.”»O, ja! als ik niet vreesde ondankbaar te schijnen, zou ik zeggen op staanden voet, vader.”»Zoudt gij denken dat gij reeds weder sterk genoeg zijt om eene reis van vijftien mijlen goed te maken?”»Ik gevoel mij op dit oogenblik meer dan gewoon sterk, vader.”»Kom dan maar aanstonds mede; want als gij zelf mij dat voorstel niet gedaan hadt, zou ik het u gedaan hebben.”»Dus is alles naar wensch, niet waar? en gij neemt mij dan volstrekt niet kwalijk dat ik zooveel haast maak om u te verlaten, vader?”»In ’t minst niet, stel u daaromtrent gerust.”Al pratende waren onze drie wandelaars de berghelling afgedaald daar de grot op lag en bevonden zij zich in de kleine vallei.Drie gezadelde paarden stonden hun daar te wachten door een Indiaan bewaakt.»In de wildernis zijn de afstanden bijna te groot om te voet te gaan,” zei pater Seraphin, »men kan bijna niet leven zonder paarden; gij zult mij pleizier doen als gij deze van mij aanneemt.”»Maar vader,” riep de Squatter, »dat is toch te veel, dat is veel te veel; gij overstelpt mij waarlijk.”Vader Seraphin schudde het hoofd.»Begrijp mij goed,” zeide hij, »er steekt in alles wat ik voor u doe veel meer slim overleg en baatzucht dan gij veronderstelt.”»Zoo!” riep de Roode-Ceder.»Baatzucht in een goed werk!” riep Ellen ongeloovig, »nu schertst gij toch, vader.”»Neen, lieve kind, ik spreek in goeden ernst; gij zult mij weldra begrijpen: dat ik alles voor uw vader zoo goed overlegd en in orde heb gebracht, is om hem volkomen in staat te stellen een eerlijk en braaf jager te worden en hem ieder voorwendsel te ontnemen om tot zijne oude dwalingen terug te keeren, zoodat het nu geheel zijn eigen schuld zou zijn als hij niet volharden mocht in zijn besluit om zich te verbeteren.”»’t Is waar,” hernam de Roode-Ceder. »Nu vader, dan dank ik u voor uwe baatzucht, die mij den gelukkigsten aller menschen maakt en mij bewijst dat gij vertrouwen in mij stelt.”»Kom! nu te paard.”»Maar,” zeide Ellen, »wij kunnen dunkt mij toch zoo niet vertrekken.”»Gij hebt gelijk,” beaamde de Squatter, »hoe kan ik toch zoo wezen, waar staat mijn hoofd?”»Wat woudt gij zeggen?”»Bij God! er is immers hier nog iemand, die zoo trouw geholpen heeft om mij op te passen, vader; die goede vrouw is zich tot hiertoe in alles gelijk gebleven; ik prijs mijne dochter dat zij mij hielp herinneren niet ondankbaar jegens haar te zijn en ik wil deze grot niet verlaten zonder haar mijne erkentenis.…”»Dat behoeft niet,” viel de missionaris hem met drift in de rede, »die goede vrouw is op dit oogenblik een weinig onpasselijk, zij heeft mij verzocht u van harentwegen geluk te wenschen en te verzekeren hoeveel genoegen het haar doet dat gij zoo geheel buiten gevaar zijt.”De Roode-Ceder en zijne dochter drongen er nu niet verder op aan; zij begrepen wel dat de zendeling wellicht bijzondere redenen had om deze zaak te laten rusten. Zij stegen dus in den zadel en zwegen er van, ten einde hun weldoener niet te mishagen.De Squatter wist niet dat de vrouw die hem verpleegd had de moeder was van Valentin Guillois, zijn doodvijand. Vader Seraphin had Ellen laten beloven dat zij dit geheim niet aan haar vader zou openbaren, en het meisje had er van gezwegen zonder naar de reden van deze geheimhouding te vragen.Christelijke liefde en edelmoedigheid, die den grond van haar karakter uitmaakten, hadden de moeder van den jager in staat gesteld om in haar hart het gevoel van afkeer te verbergen dat de Roode-Ceder haar inboezemde, en zoo lang deze in gevaar verkeerde was zij met de meeste zelfverloochening en trouw behulpzaam geweest om hem te verzorgen; maar naar mate de Squatter begon te herstellen en hare zorgen minder noodig waren, had de goede vrouw zich terug getrokken, en eindelijk zag zij den zieke slechts bij lange tusschenpoozen.Tegen wil en dank had de moederlijke liefde bij haar den christelijken zin verdrongen, en kon zij er niet zonder schrik en zonder smartelijk voorgevoel aan denken, dat zij had mede gewerkt om den man in het leven terug te roepen, dien zij als den doodvijand van haar geliefden Valentin moest beschouwen.Bovendien was zij niet te goed om hem kwalijk te nemen dat zijn verblijf in de grot haar belette haar zoon te ontmoeten, dien zij zoo vurig verlangde weder te zien; toen dus vader Seraphin haar verzekerde dat de Squatter vertrekken zou, hoorde zij dit nieuws met groot genoegen, hem te gelijk verzoekende om van zijn vaarwel verschoond te blijven, dat voor haar toch niet anders dan gedwongen kon zijn.Vader Seraphin had hier mede genoegen genomen, en wij hebben reeds gezien hoe behendig hij het verzoek van den Squatter en diens dochter wist af te wijzen.Zij trokken dus op weg.De Roode-Ceder haalde met volle teugen adem; het was hem een onbeschrijfelijk genot de zuivere lucht der woestijn door borst en aderen te voelen stroomen.Hij scheen als te herleven, hij was weder vrij.De missionaris beschouwde hem met groote aandacht en berekende in stilte hoe hij zich de nieuwe gewaarwordingen van den Squatter zou ten nutte maken, om hem in het vervolg op den goeden weg te houden en wat hij te dien aanzien van hem te verwachten had.De Roode-Ceder begreep onwillekeurig dat hij door zijn reisgenoot bespied werd, en om hem van zijne gevoelens het beste te doen denken, liet hij zich op de luidruchtigste wijs en met volle geestdrift uit over zijne dankbaarheid voor al de genoten weldaden, eene dankbaarheid, die ongetwijfeld grootendeels oprecht maar toch te onstuimig was om van alle overdrijving vrij te zijn.Vader Seraphin hield zich alsof hij alles voor goede munt aannam en bleef gedurende de gansche reis op de vroolijkste wijs doorpraten.Ongeveer zes uren nadat zij de grot verlaten hadden kwamen zij aan de jacal.Het was eene bekoorlijke kleine hut, uit jonge boomen en groene twijgen samengesteld en in verscheidene kamertjes afgedeeld, met een corral er achter om de paarden te stallen.Er ontbrak inderdaad niets aan; in het hart van een welige vallei, die zeer moeielijk te bereiken of te vinden was, verhief zij zich aan den oever van een riviertje dat zijne wateren op korten afstand ontlastte in deRio Gila.De ligging van dit eenzame verblijf was allerbekoorlijkst, en voor iemand die in het leven der wildernis behagen vindt was het volkomen geschikt om er gelukkig te zijn.Toen de reizigers waren afgestegen en hunne paarden in de corral hadden gebracht, trad vader Seraphin met zijne twee beschermelingen de jacal binnen.Alles was er volmaakt in orde, zooals hij gezegd had; en vond men er al geen weelde, zoo ontbrak er toch niets aan het strikt noodige.Ellen was er van opgetogen; haar vader veinsde misschien een weinig, en geliet zich wellicht meer voldaan dan hij werkelijk was.Na omtrent een uur lang met hen te hebben rondgeloopen, om hen alles goed te laten zien, nam vader Seraphin van den Squatter en zijne dochter afscheid.»Nu al, vader!” riep Ellen, »gaat gij ons nu reeds verlaten, vader?”»Ik moet, kindlief, gij weet wel dat ik geen meester ben van mijn tijd,” antwoordde de missionaris terwijl hij zijn paard besteeg, dat de Squatter hem gebracht had.»Maar ik hoop toch,” zei de laatstgenoemde, »dat gij niet te lang zult wegblijven, vader, en dat gij steeds aan de jacal zult denken, waar zich twee personen bevinden die alles aan u te danken hebben?”»Ik laat u volkomen vrij in uw doen en laten,” zei pater Seraphin, »als ik te dikwijls bij u kwam zoudt gij in mijne bezoeken eene soort van voogdijschap kunnen zien die op u een verkeerden indruk zou maken; met dat al kom ik zeker terug, twijfel daar niet aan.”»Gij zult nooit te dikwijls kunnen komen, vader,” riepen beiden tegelijk, terwijl zij hem de handen drukten en kusten.»Vaartwel, en weest gelukkig,” hernam de zendeling bewogen; »gij weet waar gij mij kunt vinden als gij mijne hulp of mijn troost noodig hebt. Komt dan vrij, ik zal altijd gereed zijn u te helpen zooveel ik kan; hoe weinig het ook wezen mag, God zal mijne pogingen zegenen, dat weet ik. Vaartwel!”Hiermede gaf de missionaris zijn paard de sporen en reed weg in vollen galop.De Roode-Ceder en zijne dochter oogden hem na zoo lang zij hem zien konden.Toen hij eindelijk aan den anderen oever der rivier in het kreupelbosch der prairie verdwenen was, slaakten zij een zucht en traden in de jacal terug.»Goede, waardige, vrome man!” mompelde de Squatter terwijl hij zich op eene butacca neder wierp. »O! ik wil de hoop niet teleurstellen die hij op mijne verbetering gevestigd heeft!”Het was nu ten minste geen komedie die de Squatter speelde.

XV.HET HERSTEL.

De Roode-Ceder beterde slechts langzaam, ondanks de ijverige zorgen door pater Seraphin, Ellen en de moeder van Valentin aan hem besteed.De zedelijke schok door den bandiet ontvangen toen hij zich zoo eensklaps tegenover den zendeling bevond, was te sterk geweest om geen invloed op zijn gestel uit te oefenen.Evenwel was de Squatter zich tamelijk gelijk gebleven, sedert den dag, toen hij tot het leven terugkeerende zich in ootmoed voor den zendeling had neergebogen. Wat het ook wezen mocht, hetzij oprecht berouw, of een gespeelde rol, maar hij was op dien voet volstandig blijven voortgaan, tot groote voldoening van den missionaris en de twee vrouwen, die uit grond van hun hart God dankten voor zulk eene verandering.Zoodra de lijder in staat was op te staan en eenige passen in de grot te wandelen, had pater Seraphin, die nog altijd vreesde Valentin te zien opdagen, hem gevraagd wat hij voornemens was en welke levenswijs hij in ’t vervolg dacht te kiezen.»Vader,” antwoordde de Squatter, »ik ben voortaan uw eigendom; wat gij mij raden zult zal ik doen, ik moet u doen opmerken dat ik een soort van wildeman ben, die geheel zijn leven in de woestijn heeft doorgebracht. Hoe zou ik deugen in eene stad, onder menschen van wier gewoonten of karakter ik niets begrijpen zal?”»Dat is zoo,” zei de zendeling; »geheel zonder middelen van bestaan op uw leeftijd en met geen ander vak bekend dan dat van jager of woudlooper, zoudt gij een allerellendigst leven kunnen hebben en misschien bitter armoede moeten lijden.”»Dat zou mij niet terughouden, vader, als ik daarmede mijn vorige leven kon afboeten, maar ik heb de menschen te zwaar beleedigd om in hun midden terug te keeren; ’t is in de woestijn dat ik leven en sterven moet, om door een onbezoedelden ouderdom, zooveel ik vermag, de misdrijven te vergoeden van eene jeugd daar ik met afgrijzen op terugzie.”»Ik moet u prijzen, uw voornemen is goed, laat er mij eenige dagen over nadenken, dan zal ik zien of ik u de middelen verschaffen kan om te leven zooals gij dat verstaat.”Hierbij bleef het gesprek.Er verliep bijna eene maand zonder dat de missionaris, behalve de vermaningen die hij den Roode-Ceder dagelijks gaf, op het hier boven tusschen hen gesprokene terugkwam.De Squatter had ten allen tijde Ellen zekere woeste, of als men het zoo noemen kan, brutale en hardvochtige vriendschap getoond, die geheel met zijn ruw en ongevoelig karakter overeenstemde; maar sedert hij hare onbezweken trouw had leeren waardeeren en de zelfverloochening waarmede zij hem op het krankbed verzorgde, was er bij hem eene soort van omwenteling voorgevallen; een nieuw gevoel was er ontwaakt in zijn hart en met al de kracht zijner ziel was hij begonnen dat bekoorlijke schepsel lief te hebben.De anders zoo woeste man behoefde het lieve meisje slechts te zien om zoo gedwee te worden als een lam, een glans van genoegenstraalde uit zijne wilde oogen, en zijn mond, altijd zoo gereed tot vloeken, opende zich gaarne om zachte woorden te spreken.Menigmaal, als hij aan de zijde van den berg op korten afstand van de grot met haar zat te praten, soms uren achtereen, kon hij met onbeschrijfelijk genot luisteren naar die welluidende stem, wier streelende klank hij tot hiertoe zoo weinig had gekend of opgemerkt.Ellen verborg haar eigen leed in haar boezem en wendde eene opgeruimdheid voor die zij wel verre was van te bezitten, om den man niet te bedroeven dien zij als haar vader beschouwde en die zoo gelukkig scheen haar vroolijk aan zijne zijde te zien.Inderdaad, zoo iemand op dit oogenblik op het gemoed van den ouden bandiet eenig overwicht bezat en in staat scheen hem op den goeden weg terug te brengen, was het Ellen.Zij wist dit wel en gebruikte met fijn overleg de macht die zij over hem had om het mogelijke te doen tot verbetering van den wildeman, die in zijn leven tot dusver voor al wat mensch heet een soort van duivel geweest was.Op zekeren morgen terwijl de Roode-Ceder, bijna geheel van zijne wonden hersteld, aan den arm van Ellen zijne gewone wandeling deed, kwam pater Seraphin, die sinds de laatste twee dagen afwezig was geweest, hem te gemoet.»Ach! zijt gij daar, vader!” riep de Squatter zoodra hij hem zag; »ik begon reeds ongerust te worden dat ik u niet weder zien zou, en ik ben blij dat gij terug zijt.”»Hoe bevindt gij u thans?” vroeg de missionaris.»Zeer wel; ik zou geheel genezen zijn zoo mijne krachten reeds waren teruggekeerd, maar dat zal niet lang meer duren, hoop ik.”»Zoo veel te beter, want dat ik zoo lang afwezig ben geweest, daarvan zijt gij zelf min of meer de oorzaak.”»Hoedat?” vroeg de Squatter nieuwsgierig.»Gij weet wel dat gij mij eenigen tijd geleden uw verlangen hebt te kennen gegeven om u in de prairie te vestigen.”»Dat heb ik ook.”»Welnu, alles wel ingezien,” hervatte de zendeling, »komt mij dat voor u veel verkieslijker voor, daar het u de middelen zal verschaffen om aan de vervolging uwer vijanden te ontsnappen.”»Geloof mij, vader,” zei de Roode-Ceder ernstig, »dat ik geenszins verlang te ontsnappen aan hen die ik beleedigd heb; als mijn dood de misdaden kon afkoopen waaraan ik schuldig sta, zou ik niet aarzelen om mijn leven op te offeren ter voldoening aan de openbare gerechtigheid.”»Ik acht mij gelukkig, vriend, te zien dat gij zulke goede gevoelens koestert, maar ik geloof dat God, die in geen geval den dood des zondaars wil, naar zijn gunstrijk welbehagen u liever de gelegenheid laat om door een voorbeeldig leven zooveel mogelijk het kwaad te herstellen, dat gij gedaan hebt.”»Ik ben uw eigendom, vader, heb ik u eenmaal gezegd, en ik herhaal het nog; wat gij mij raadt, zal mij een bevel zijn, een bevel dat ik met vreugde volbrengen zal. Het is eerst sedert de Voorzienigheid mij met u in betrekking bracht, dat ik de grootheid mijner wanbedrijven heb leeren beseffen. Helaas! ik ben er niet alleen geheel verantwoordelijk voor, want daar ik nooit anders dan slechte voorbeelden gezien heb, kende ik geen onderscheid tusschen goed en kwaad, dacht ik dat alle menschen slecht waren, en ben ik in mijn doen niet anders te werk gegaan dan in den bedriegelijken waan van wettige zelfverdediging.”»Nu dan, terwijl uw oor thans voor de waarheid is opengegaan, en uw verstand den verheven zin van het Evangelie begint te begrijpen, is u het pad aangewezen; voortaan hebt gij alleen te volharden op den goeden weg dien gij vrijwillig zijt ingetreden.”»Helaas!” zuchtte de Squatter, »ik ben zulk een slecht schepsel en de vergeving zoo diep onwaardig, dat naar ik vrees de Almachtige mij niet in genade zal aannemen.”»Deze woorden zijn eene beleediging voor de Godheid,” zei de zendeling ernstig; »hoe schuldig de zondaar ook is, mag hij toch nooit wanhopen aan de Goddelijke barmhartigheid; of zegt het Evangelie niet: er zal grooter blijdschap zijn in den hemel over eenen zondaar die zich bekeert dan over honderd rechtvaardigen die de bekeering niet noodig hebben.”»Verschoon mij, vader.”»Welaan,” hervatte de missionaris, op eens van toon veranderende, »komen wij dan terug op de reden die mij tot u bracht. Ik heb voor u in een aangenaam oord, eenige mijlen van hier eene jacal laten bouwen waar gij met uwe dochter wonen kunt.”»Wat zijt gij toch goed, vader!” zei de Squatter in vervoering, »wat ben ik u toch een dank schuldig!”»Spreken wij daar niet van, ik zal mij genoeg beloond achten als ik zie dat gij in uw berouw volhardt.”»O! vader, gij moet gelooven dat ik mijn vorige leven verfoei en verafschuw.”»Ik hoop maar dat dit altijd zoo blijven zal. Die jacal waar ik u zoodra gij zulks verlangt brengen zal, ligt in zulk een stillen en verborgen hoek, dat zij schier onmogelijk te ontdekken is; ik zelf heb haar van de noodige voorwerpen en gereedschappen voor uw dagelijksch gebruik voorzien; gij zult er voedsel vinden voor een aantal dagen, alsmede vuurwapenen en kruit om u tegen de wilde dieren te verdedigen of op de jacht te gaan. Ik heb er ook eenige strikken en bevervallen bijgevoegd, kortom, alles wat een pelsjager en strikkenzetter noodig heeft.”»O! hoe goed zijt gij, vader!” riep Ellen met tranen van vreugde op de wangen.»Kom, kom, spreken wij daar niet van,” hervatte de zendeling vroolijk. »Ik deed niets meer dan mijn plicht: overigens heb ik, totmeerdere zekerheid en om alle onbescheiden nieuwsgierigen den pas af te snijden, de geheele zaak voor een ieder geheim gehouden; de jacal is door mij alleen, zonder iemands hulp gebouwd. Gij kunt dus gerust zijn dat niemand u in uwe hermitage zal komen storen.”»En wanneer kan ik nu naar mijne hut gaan, vader?”»Wanneer gij maar wilt; alles is gereed.”»O, ja! als ik niet vreesde ondankbaar te schijnen, zou ik zeggen op staanden voet, vader.”»Zoudt gij denken dat gij reeds weder sterk genoeg zijt om eene reis van vijftien mijlen goed te maken?”»Ik gevoel mij op dit oogenblik meer dan gewoon sterk, vader.”»Kom dan maar aanstonds mede; want als gij zelf mij dat voorstel niet gedaan hadt, zou ik het u gedaan hebben.”»Dus is alles naar wensch, niet waar? en gij neemt mij dan volstrekt niet kwalijk dat ik zooveel haast maak om u te verlaten, vader?”»In ’t minst niet, stel u daaromtrent gerust.”Al pratende waren onze drie wandelaars de berghelling afgedaald daar de grot op lag en bevonden zij zich in de kleine vallei.Drie gezadelde paarden stonden hun daar te wachten door een Indiaan bewaakt.»In de wildernis zijn de afstanden bijna te groot om te voet te gaan,” zei pater Seraphin, »men kan bijna niet leven zonder paarden; gij zult mij pleizier doen als gij deze van mij aanneemt.”»Maar vader,” riep de Squatter, »dat is toch te veel, dat is veel te veel; gij overstelpt mij waarlijk.”Vader Seraphin schudde het hoofd.»Begrijp mij goed,” zeide hij, »er steekt in alles wat ik voor u doe veel meer slim overleg en baatzucht dan gij veronderstelt.”»Zoo!” riep de Roode-Ceder.»Baatzucht in een goed werk!” riep Ellen ongeloovig, »nu schertst gij toch, vader.”»Neen, lieve kind, ik spreek in goeden ernst; gij zult mij weldra begrijpen: dat ik alles voor uw vader zoo goed overlegd en in orde heb gebracht, is om hem volkomen in staat te stellen een eerlijk en braaf jager te worden en hem ieder voorwendsel te ontnemen om tot zijne oude dwalingen terug te keeren, zoodat het nu geheel zijn eigen schuld zou zijn als hij niet volharden mocht in zijn besluit om zich te verbeteren.”»’t Is waar,” hernam de Roode-Ceder. »Nu vader, dan dank ik u voor uwe baatzucht, die mij den gelukkigsten aller menschen maakt en mij bewijst dat gij vertrouwen in mij stelt.”»Kom! nu te paard.”»Maar,” zeide Ellen, »wij kunnen dunkt mij toch zoo niet vertrekken.”»Gij hebt gelijk,” beaamde de Squatter, »hoe kan ik toch zoo wezen, waar staat mijn hoofd?”»Wat woudt gij zeggen?”»Bij God! er is immers hier nog iemand, die zoo trouw geholpen heeft om mij op te passen, vader; die goede vrouw is zich tot hiertoe in alles gelijk gebleven; ik prijs mijne dochter dat zij mij hielp herinneren niet ondankbaar jegens haar te zijn en ik wil deze grot niet verlaten zonder haar mijne erkentenis.…”»Dat behoeft niet,” viel de missionaris hem met drift in de rede, »die goede vrouw is op dit oogenblik een weinig onpasselijk, zij heeft mij verzocht u van harentwegen geluk te wenschen en te verzekeren hoeveel genoegen het haar doet dat gij zoo geheel buiten gevaar zijt.”De Roode-Ceder en zijne dochter drongen er nu niet verder op aan; zij begrepen wel dat de zendeling wellicht bijzondere redenen had om deze zaak te laten rusten. Zij stegen dus in den zadel en zwegen er van, ten einde hun weldoener niet te mishagen.De Squatter wist niet dat de vrouw die hem verpleegd had de moeder was van Valentin Guillois, zijn doodvijand. Vader Seraphin had Ellen laten beloven dat zij dit geheim niet aan haar vader zou openbaren, en het meisje had er van gezwegen zonder naar de reden van deze geheimhouding te vragen.Christelijke liefde en edelmoedigheid, die den grond van haar karakter uitmaakten, hadden de moeder van den jager in staat gesteld om in haar hart het gevoel van afkeer te verbergen dat de Roode-Ceder haar inboezemde, en zoo lang deze in gevaar verkeerde was zij met de meeste zelfverloochening en trouw behulpzaam geweest om hem te verzorgen; maar naar mate de Squatter begon te herstellen en hare zorgen minder noodig waren, had de goede vrouw zich terug getrokken, en eindelijk zag zij den zieke slechts bij lange tusschenpoozen.Tegen wil en dank had de moederlijke liefde bij haar den christelijken zin verdrongen, en kon zij er niet zonder schrik en zonder smartelijk voorgevoel aan denken, dat zij had mede gewerkt om den man in het leven terug te roepen, dien zij als den doodvijand van haar geliefden Valentin moest beschouwen.Bovendien was zij niet te goed om hem kwalijk te nemen dat zijn verblijf in de grot haar belette haar zoon te ontmoeten, dien zij zoo vurig verlangde weder te zien; toen dus vader Seraphin haar verzekerde dat de Squatter vertrekken zou, hoorde zij dit nieuws met groot genoegen, hem te gelijk verzoekende om van zijn vaarwel verschoond te blijven, dat voor haar toch niet anders dan gedwongen kon zijn.Vader Seraphin had hier mede genoegen genomen, en wij hebben reeds gezien hoe behendig hij het verzoek van den Squatter en diens dochter wist af te wijzen.Zij trokken dus op weg.De Roode-Ceder haalde met volle teugen adem; het was hem een onbeschrijfelijk genot de zuivere lucht der woestijn door borst en aderen te voelen stroomen.Hij scheen als te herleven, hij was weder vrij.De missionaris beschouwde hem met groote aandacht en berekende in stilte hoe hij zich de nieuwe gewaarwordingen van den Squatter zou ten nutte maken, om hem in het vervolg op den goeden weg te houden en wat hij te dien aanzien van hem te verwachten had.De Roode-Ceder begreep onwillekeurig dat hij door zijn reisgenoot bespied werd, en om hem van zijne gevoelens het beste te doen denken, liet hij zich op de luidruchtigste wijs en met volle geestdrift uit over zijne dankbaarheid voor al de genoten weldaden, eene dankbaarheid, die ongetwijfeld grootendeels oprecht maar toch te onstuimig was om van alle overdrijving vrij te zijn.Vader Seraphin hield zich alsof hij alles voor goede munt aannam en bleef gedurende de gansche reis op de vroolijkste wijs doorpraten.Ongeveer zes uren nadat zij de grot verlaten hadden kwamen zij aan de jacal.Het was eene bekoorlijke kleine hut, uit jonge boomen en groene twijgen samengesteld en in verscheidene kamertjes afgedeeld, met een corral er achter om de paarden te stallen.Er ontbrak inderdaad niets aan; in het hart van een welige vallei, die zeer moeielijk te bereiken of te vinden was, verhief zij zich aan den oever van een riviertje dat zijne wateren op korten afstand ontlastte in deRio Gila.De ligging van dit eenzame verblijf was allerbekoorlijkst, en voor iemand die in het leven der wildernis behagen vindt was het volkomen geschikt om er gelukkig te zijn.Toen de reizigers waren afgestegen en hunne paarden in de corral hadden gebracht, trad vader Seraphin met zijne twee beschermelingen de jacal binnen.Alles was er volmaakt in orde, zooals hij gezegd had; en vond men er al geen weelde, zoo ontbrak er toch niets aan het strikt noodige.Ellen was er van opgetogen; haar vader veinsde misschien een weinig, en geliet zich wellicht meer voldaan dan hij werkelijk was.Na omtrent een uur lang met hen te hebben rondgeloopen, om hen alles goed te laten zien, nam vader Seraphin van den Squatter en zijne dochter afscheid.»Nu al, vader!” riep Ellen, »gaat gij ons nu reeds verlaten, vader?”»Ik moet, kindlief, gij weet wel dat ik geen meester ben van mijn tijd,” antwoordde de missionaris terwijl hij zijn paard besteeg, dat de Squatter hem gebracht had.»Maar ik hoop toch,” zei de laatstgenoemde, »dat gij niet te lang zult wegblijven, vader, en dat gij steeds aan de jacal zult denken, waar zich twee personen bevinden die alles aan u te danken hebben?”»Ik laat u volkomen vrij in uw doen en laten,” zei pater Seraphin, »als ik te dikwijls bij u kwam zoudt gij in mijne bezoeken eene soort van voogdijschap kunnen zien die op u een verkeerden indruk zou maken; met dat al kom ik zeker terug, twijfel daar niet aan.”»Gij zult nooit te dikwijls kunnen komen, vader,” riepen beiden tegelijk, terwijl zij hem de handen drukten en kusten.»Vaartwel, en weest gelukkig,” hernam de zendeling bewogen; »gij weet waar gij mij kunt vinden als gij mijne hulp of mijn troost noodig hebt. Komt dan vrij, ik zal altijd gereed zijn u te helpen zooveel ik kan; hoe weinig het ook wezen mag, God zal mijne pogingen zegenen, dat weet ik. Vaartwel!”Hiermede gaf de missionaris zijn paard de sporen en reed weg in vollen galop.De Roode-Ceder en zijne dochter oogden hem na zoo lang zij hem zien konden.Toen hij eindelijk aan den anderen oever der rivier in het kreupelbosch der prairie verdwenen was, slaakten zij een zucht en traden in de jacal terug.»Goede, waardige, vrome man!” mompelde de Squatter terwijl hij zich op eene butacca neder wierp. »O! ik wil de hoop niet teleurstellen die hij op mijne verbetering gevestigd heeft!”Het was nu ten minste geen komedie die de Squatter speelde.

De Roode-Ceder beterde slechts langzaam, ondanks de ijverige zorgen door pater Seraphin, Ellen en de moeder van Valentin aan hem besteed.

De zedelijke schok door den bandiet ontvangen toen hij zich zoo eensklaps tegenover den zendeling bevond, was te sterk geweest om geen invloed op zijn gestel uit te oefenen.

Evenwel was de Squatter zich tamelijk gelijk gebleven, sedert den dag, toen hij tot het leven terugkeerende zich in ootmoed voor den zendeling had neergebogen. Wat het ook wezen mocht, hetzij oprecht berouw, of een gespeelde rol, maar hij was op dien voet volstandig blijven voortgaan, tot groote voldoening van den missionaris en de twee vrouwen, die uit grond van hun hart God dankten voor zulk eene verandering.

Zoodra de lijder in staat was op te staan en eenige passen in de grot te wandelen, had pater Seraphin, die nog altijd vreesde Valentin te zien opdagen, hem gevraagd wat hij voornemens was en welke levenswijs hij in ’t vervolg dacht te kiezen.

»Vader,” antwoordde de Squatter, »ik ben voortaan uw eigendom; wat gij mij raden zult zal ik doen, ik moet u doen opmerken dat ik een soort van wildeman ben, die geheel zijn leven in de woestijn heeft doorgebracht. Hoe zou ik deugen in eene stad, onder menschen van wier gewoonten of karakter ik niets begrijpen zal?”

»Dat is zoo,” zei de zendeling; »geheel zonder middelen van bestaan op uw leeftijd en met geen ander vak bekend dan dat van jager of woudlooper, zoudt gij een allerellendigst leven kunnen hebben en misschien bitter armoede moeten lijden.”

»Dat zou mij niet terughouden, vader, als ik daarmede mijn vorige leven kon afboeten, maar ik heb de menschen te zwaar beleedigd om in hun midden terug te keeren; ’t is in de woestijn dat ik leven en sterven moet, om door een onbezoedelden ouderdom, zooveel ik vermag, de misdrijven te vergoeden van eene jeugd daar ik met afgrijzen op terugzie.”

»Ik moet u prijzen, uw voornemen is goed, laat er mij eenige dagen over nadenken, dan zal ik zien of ik u de middelen verschaffen kan om te leven zooals gij dat verstaat.”

Hierbij bleef het gesprek.

Er verliep bijna eene maand zonder dat de missionaris, behalve de vermaningen die hij den Roode-Ceder dagelijks gaf, op het hier boven tusschen hen gesprokene terugkwam.

De Squatter had ten allen tijde Ellen zekere woeste, of als men het zoo noemen kan, brutale en hardvochtige vriendschap getoond, die geheel met zijn ruw en ongevoelig karakter overeenstemde; maar sedert hij hare onbezweken trouw had leeren waardeeren en de zelfverloochening waarmede zij hem op het krankbed verzorgde, was er bij hem eene soort van omwenteling voorgevallen; een nieuw gevoel was er ontwaakt in zijn hart en met al de kracht zijner ziel was hij begonnen dat bekoorlijke schepsel lief te hebben.

De anders zoo woeste man behoefde het lieve meisje slechts te zien om zoo gedwee te worden als een lam, een glans van genoegenstraalde uit zijne wilde oogen, en zijn mond, altijd zoo gereed tot vloeken, opende zich gaarne om zachte woorden te spreken.

Menigmaal, als hij aan de zijde van den berg op korten afstand van de grot met haar zat te praten, soms uren achtereen, kon hij met onbeschrijfelijk genot luisteren naar die welluidende stem, wier streelende klank hij tot hiertoe zoo weinig had gekend of opgemerkt.

Ellen verborg haar eigen leed in haar boezem en wendde eene opgeruimdheid voor die zij wel verre was van te bezitten, om den man niet te bedroeven dien zij als haar vader beschouwde en die zoo gelukkig scheen haar vroolijk aan zijne zijde te zien.

Inderdaad, zoo iemand op dit oogenblik op het gemoed van den ouden bandiet eenig overwicht bezat en in staat scheen hem op den goeden weg terug te brengen, was het Ellen.

Zij wist dit wel en gebruikte met fijn overleg de macht die zij over hem had om het mogelijke te doen tot verbetering van den wildeman, die in zijn leven tot dusver voor al wat mensch heet een soort van duivel geweest was.

Op zekeren morgen terwijl de Roode-Ceder, bijna geheel van zijne wonden hersteld, aan den arm van Ellen zijne gewone wandeling deed, kwam pater Seraphin, die sinds de laatste twee dagen afwezig was geweest, hem te gemoet.

»Ach! zijt gij daar, vader!” riep de Squatter zoodra hij hem zag; »ik begon reeds ongerust te worden dat ik u niet weder zien zou, en ik ben blij dat gij terug zijt.”

»Hoe bevindt gij u thans?” vroeg de missionaris.

»Zeer wel; ik zou geheel genezen zijn zoo mijne krachten reeds waren teruggekeerd, maar dat zal niet lang meer duren, hoop ik.”

»Zoo veel te beter, want dat ik zoo lang afwezig ben geweest, daarvan zijt gij zelf min of meer de oorzaak.”

»Hoedat?” vroeg de Squatter nieuwsgierig.

»Gij weet wel dat gij mij eenigen tijd geleden uw verlangen hebt te kennen gegeven om u in de prairie te vestigen.”

»Dat heb ik ook.”

»Welnu, alles wel ingezien,” hervatte de zendeling, »komt mij dat voor u veel verkieslijker voor, daar het u de middelen zal verschaffen om aan de vervolging uwer vijanden te ontsnappen.”

»Geloof mij, vader,” zei de Roode-Ceder ernstig, »dat ik geenszins verlang te ontsnappen aan hen die ik beleedigd heb; als mijn dood de misdaden kon afkoopen waaraan ik schuldig sta, zou ik niet aarzelen om mijn leven op te offeren ter voldoening aan de openbare gerechtigheid.”

»Ik acht mij gelukkig, vriend, te zien dat gij zulke goede gevoelens koestert, maar ik geloof dat God, die in geen geval den dood des zondaars wil, naar zijn gunstrijk welbehagen u liever de gelegenheid laat om door een voorbeeldig leven zooveel mogelijk het kwaad te herstellen, dat gij gedaan hebt.”

»Ik ben uw eigendom, vader, heb ik u eenmaal gezegd, en ik herhaal het nog; wat gij mij raadt, zal mij een bevel zijn, een bevel dat ik met vreugde volbrengen zal. Het is eerst sedert de Voorzienigheid mij met u in betrekking bracht, dat ik de grootheid mijner wanbedrijven heb leeren beseffen. Helaas! ik ben er niet alleen geheel verantwoordelijk voor, want daar ik nooit anders dan slechte voorbeelden gezien heb, kende ik geen onderscheid tusschen goed en kwaad, dacht ik dat alle menschen slecht waren, en ben ik in mijn doen niet anders te werk gegaan dan in den bedriegelijken waan van wettige zelfverdediging.”

»Nu dan, terwijl uw oor thans voor de waarheid is opengegaan, en uw verstand den verheven zin van het Evangelie begint te begrijpen, is u het pad aangewezen; voortaan hebt gij alleen te volharden op den goeden weg dien gij vrijwillig zijt ingetreden.”

»Helaas!” zuchtte de Squatter, »ik ben zulk een slecht schepsel en de vergeving zoo diep onwaardig, dat naar ik vrees de Almachtige mij niet in genade zal aannemen.”

»Deze woorden zijn eene beleediging voor de Godheid,” zei de zendeling ernstig; »hoe schuldig de zondaar ook is, mag hij toch nooit wanhopen aan de Goddelijke barmhartigheid; of zegt het Evangelie niet: er zal grooter blijdschap zijn in den hemel over eenen zondaar die zich bekeert dan over honderd rechtvaardigen die de bekeering niet noodig hebben.”

»Verschoon mij, vader.”

»Welaan,” hervatte de missionaris, op eens van toon veranderende, »komen wij dan terug op de reden die mij tot u bracht. Ik heb voor u in een aangenaam oord, eenige mijlen van hier eene jacal laten bouwen waar gij met uwe dochter wonen kunt.”

»Wat zijt gij toch goed, vader!” zei de Squatter in vervoering, »wat ben ik u toch een dank schuldig!”

»Spreken wij daar niet van, ik zal mij genoeg beloond achten als ik zie dat gij in uw berouw volhardt.”

»O! vader, gij moet gelooven dat ik mijn vorige leven verfoei en verafschuw.”

»Ik hoop maar dat dit altijd zoo blijven zal. Die jacal waar ik u zoodra gij zulks verlangt brengen zal, ligt in zulk een stillen en verborgen hoek, dat zij schier onmogelijk te ontdekken is; ik zelf heb haar van de noodige voorwerpen en gereedschappen voor uw dagelijksch gebruik voorzien; gij zult er voedsel vinden voor een aantal dagen, alsmede vuurwapenen en kruit om u tegen de wilde dieren te verdedigen of op de jacht te gaan. Ik heb er ook eenige strikken en bevervallen bijgevoegd, kortom, alles wat een pelsjager en strikkenzetter noodig heeft.”

»O! hoe goed zijt gij, vader!” riep Ellen met tranen van vreugde op de wangen.

»Kom, kom, spreken wij daar niet van,” hervatte de zendeling vroolijk. »Ik deed niets meer dan mijn plicht: overigens heb ik, totmeerdere zekerheid en om alle onbescheiden nieuwsgierigen den pas af te snijden, de geheele zaak voor een ieder geheim gehouden; de jacal is door mij alleen, zonder iemands hulp gebouwd. Gij kunt dus gerust zijn dat niemand u in uwe hermitage zal komen storen.”

»En wanneer kan ik nu naar mijne hut gaan, vader?”

»Wanneer gij maar wilt; alles is gereed.”

»O, ja! als ik niet vreesde ondankbaar te schijnen, zou ik zeggen op staanden voet, vader.”

»Zoudt gij denken dat gij reeds weder sterk genoeg zijt om eene reis van vijftien mijlen goed te maken?”

»Ik gevoel mij op dit oogenblik meer dan gewoon sterk, vader.”

»Kom dan maar aanstonds mede; want als gij zelf mij dat voorstel niet gedaan hadt, zou ik het u gedaan hebben.”

»Dus is alles naar wensch, niet waar? en gij neemt mij dan volstrekt niet kwalijk dat ik zooveel haast maak om u te verlaten, vader?”

»In ’t minst niet, stel u daaromtrent gerust.”

Al pratende waren onze drie wandelaars de berghelling afgedaald daar de grot op lag en bevonden zij zich in de kleine vallei.

Drie gezadelde paarden stonden hun daar te wachten door een Indiaan bewaakt.

»In de wildernis zijn de afstanden bijna te groot om te voet te gaan,” zei pater Seraphin, »men kan bijna niet leven zonder paarden; gij zult mij pleizier doen als gij deze van mij aanneemt.”

»Maar vader,” riep de Squatter, »dat is toch te veel, dat is veel te veel; gij overstelpt mij waarlijk.”

Vader Seraphin schudde het hoofd.

»Begrijp mij goed,” zeide hij, »er steekt in alles wat ik voor u doe veel meer slim overleg en baatzucht dan gij veronderstelt.”

»Zoo!” riep de Roode-Ceder.

»Baatzucht in een goed werk!” riep Ellen ongeloovig, »nu schertst gij toch, vader.”

»Neen, lieve kind, ik spreek in goeden ernst; gij zult mij weldra begrijpen: dat ik alles voor uw vader zoo goed overlegd en in orde heb gebracht, is om hem volkomen in staat te stellen een eerlijk en braaf jager te worden en hem ieder voorwendsel te ontnemen om tot zijne oude dwalingen terug te keeren, zoodat het nu geheel zijn eigen schuld zou zijn als hij niet volharden mocht in zijn besluit om zich te verbeteren.”

»’t Is waar,” hernam de Roode-Ceder. »Nu vader, dan dank ik u voor uwe baatzucht, die mij den gelukkigsten aller menschen maakt en mij bewijst dat gij vertrouwen in mij stelt.”

»Kom! nu te paard.”

»Maar,” zeide Ellen, »wij kunnen dunkt mij toch zoo niet vertrekken.”

»Gij hebt gelijk,” beaamde de Squatter, »hoe kan ik toch zoo wezen, waar staat mijn hoofd?”

»Wat woudt gij zeggen?”

»Bij God! er is immers hier nog iemand, die zoo trouw geholpen heeft om mij op te passen, vader; die goede vrouw is zich tot hiertoe in alles gelijk gebleven; ik prijs mijne dochter dat zij mij hielp herinneren niet ondankbaar jegens haar te zijn en ik wil deze grot niet verlaten zonder haar mijne erkentenis.…”

»Dat behoeft niet,” viel de missionaris hem met drift in de rede, »die goede vrouw is op dit oogenblik een weinig onpasselijk, zij heeft mij verzocht u van harentwegen geluk te wenschen en te verzekeren hoeveel genoegen het haar doet dat gij zoo geheel buiten gevaar zijt.”

De Roode-Ceder en zijne dochter drongen er nu niet verder op aan; zij begrepen wel dat de zendeling wellicht bijzondere redenen had om deze zaak te laten rusten. Zij stegen dus in den zadel en zwegen er van, ten einde hun weldoener niet te mishagen.

De Squatter wist niet dat de vrouw die hem verpleegd had de moeder was van Valentin Guillois, zijn doodvijand. Vader Seraphin had Ellen laten beloven dat zij dit geheim niet aan haar vader zou openbaren, en het meisje had er van gezwegen zonder naar de reden van deze geheimhouding te vragen.

Christelijke liefde en edelmoedigheid, die den grond van haar karakter uitmaakten, hadden de moeder van den jager in staat gesteld om in haar hart het gevoel van afkeer te verbergen dat de Roode-Ceder haar inboezemde, en zoo lang deze in gevaar verkeerde was zij met de meeste zelfverloochening en trouw behulpzaam geweest om hem te verzorgen; maar naar mate de Squatter begon te herstellen en hare zorgen minder noodig waren, had de goede vrouw zich terug getrokken, en eindelijk zag zij den zieke slechts bij lange tusschenpoozen.

Tegen wil en dank had de moederlijke liefde bij haar den christelijken zin verdrongen, en kon zij er niet zonder schrik en zonder smartelijk voorgevoel aan denken, dat zij had mede gewerkt om den man in het leven terug te roepen, dien zij als den doodvijand van haar geliefden Valentin moest beschouwen.

Bovendien was zij niet te goed om hem kwalijk te nemen dat zijn verblijf in de grot haar belette haar zoon te ontmoeten, dien zij zoo vurig verlangde weder te zien; toen dus vader Seraphin haar verzekerde dat de Squatter vertrekken zou, hoorde zij dit nieuws met groot genoegen, hem te gelijk verzoekende om van zijn vaarwel verschoond te blijven, dat voor haar toch niet anders dan gedwongen kon zijn.

Vader Seraphin had hier mede genoegen genomen, en wij hebben reeds gezien hoe behendig hij het verzoek van den Squatter en diens dochter wist af te wijzen.

Zij trokken dus op weg.

De Roode-Ceder haalde met volle teugen adem; het was hem een onbeschrijfelijk genot de zuivere lucht der woestijn door borst en aderen te voelen stroomen.

Hij scheen als te herleven, hij was weder vrij.

De missionaris beschouwde hem met groote aandacht en berekende in stilte hoe hij zich de nieuwe gewaarwordingen van den Squatter zou ten nutte maken, om hem in het vervolg op den goeden weg te houden en wat hij te dien aanzien van hem te verwachten had.

De Roode-Ceder begreep onwillekeurig dat hij door zijn reisgenoot bespied werd, en om hem van zijne gevoelens het beste te doen denken, liet hij zich op de luidruchtigste wijs en met volle geestdrift uit over zijne dankbaarheid voor al de genoten weldaden, eene dankbaarheid, die ongetwijfeld grootendeels oprecht maar toch te onstuimig was om van alle overdrijving vrij te zijn.

Vader Seraphin hield zich alsof hij alles voor goede munt aannam en bleef gedurende de gansche reis op de vroolijkste wijs doorpraten.

Ongeveer zes uren nadat zij de grot verlaten hadden kwamen zij aan de jacal.

Het was eene bekoorlijke kleine hut, uit jonge boomen en groene twijgen samengesteld en in verscheidene kamertjes afgedeeld, met een corral er achter om de paarden te stallen.

Er ontbrak inderdaad niets aan; in het hart van een welige vallei, die zeer moeielijk te bereiken of te vinden was, verhief zij zich aan den oever van een riviertje dat zijne wateren op korten afstand ontlastte in deRio Gila.

De ligging van dit eenzame verblijf was allerbekoorlijkst, en voor iemand die in het leven der wildernis behagen vindt was het volkomen geschikt om er gelukkig te zijn.

Toen de reizigers waren afgestegen en hunne paarden in de corral hadden gebracht, trad vader Seraphin met zijne twee beschermelingen de jacal binnen.

Alles was er volmaakt in orde, zooals hij gezegd had; en vond men er al geen weelde, zoo ontbrak er toch niets aan het strikt noodige.

Ellen was er van opgetogen; haar vader veinsde misschien een weinig, en geliet zich wellicht meer voldaan dan hij werkelijk was.

Na omtrent een uur lang met hen te hebben rondgeloopen, om hen alles goed te laten zien, nam vader Seraphin van den Squatter en zijne dochter afscheid.

»Nu al, vader!” riep Ellen, »gaat gij ons nu reeds verlaten, vader?”

»Ik moet, kindlief, gij weet wel dat ik geen meester ben van mijn tijd,” antwoordde de missionaris terwijl hij zijn paard besteeg, dat de Squatter hem gebracht had.

»Maar ik hoop toch,” zei de laatstgenoemde, »dat gij niet te lang zult wegblijven, vader, en dat gij steeds aan de jacal zult denken, waar zich twee personen bevinden die alles aan u te danken hebben?”

»Ik laat u volkomen vrij in uw doen en laten,” zei pater Seraphin, »als ik te dikwijls bij u kwam zoudt gij in mijne bezoeken eene soort van voogdijschap kunnen zien die op u een verkeerden indruk zou maken; met dat al kom ik zeker terug, twijfel daar niet aan.”

»Gij zult nooit te dikwijls kunnen komen, vader,” riepen beiden tegelijk, terwijl zij hem de handen drukten en kusten.

»Vaartwel, en weest gelukkig,” hernam de zendeling bewogen; »gij weet waar gij mij kunt vinden als gij mijne hulp of mijn troost noodig hebt. Komt dan vrij, ik zal altijd gereed zijn u te helpen zooveel ik kan; hoe weinig het ook wezen mag, God zal mijne pogingen zegenen, dat weet ik. Vaartwel!”

Hiermede gaf de missionaris zijn paard de sporen en reed weg in vollen galop.

De Roode-Ceder en zijne dochter oogden hem na zoo lang zij hem zien konden.

Toen hij eindelijk aan den anderen oever der rivier in het kreupelbosch der prairie verdwenen was, slaakten zij een zucht en traden in de jacal terug.

»Goede, waardige, vrome man!” mompelde de Squatter terwijl hij zich op eene butacca neder wierp. »O! ik wil de hoop niet teleurstellen die hij op mijne verbetering gevestigd heeft!”

Het was nu ten minste geen komedie die de Squatter speelde.


Back to IndexNext