XIX.DE ZOON DES BLOEDS.De Witte-Gazelle was bij den Zoon des Bloeds aangekomen. Deze lag met zijn troep op de kruin van een heuvel gekampeerd, van welks top hij ver over de prairie kon uitzien.Het ging tegen den avond, de nachtvuren waren reeds ontstoken en de partijgangers zaten er omheen en maakten vroolijk hun avondmaal gereed.De Zoon des Bloeds was blijde dat hij zijn nicht zag aankomen. Zij hadden samen een langdurig gesprek, na den afloop waarvan dewreker, zoo als hij zelf zich noemde, den ranchero wenkte nader te komen.Ondanks zijne onbeschaamdheid, stond Andres Garote niet zonder zeker gevoel van angst tegenover den man, wiens blik hem scheen te willen doorboren en de diepste geheimen van zijn hart dreigde te zullen lezen.De naam van den Zoon des Bloeds was te lang in de prairie bekend en gevreesd, dan dat de ranchero zich in diens tegenwoordigheid op zijn gemak konde gevoelen.De partijganger zat bij het vuur zijn Indiaansche pijp te rooken, naast hem zat de Witte-Gazelle.De ranchero kreeg bijna berouw dat hij zich in de tegenwoordigheid van zulk een man had durven begeven, maar deze gedachte duurde slechts een oogenblik; zijn haat kwam onmiddellijk weder boven en ieder spoor van verlegenheid verdween van zijn gelaat.»Kom nader, kerel,” zei de Zoon des Bloeds, »volgens hetgeendeseñoramij zegt, denkt gij de middelen in handen te hebben om den Roode-Ceder te doen vallen?”»Heb ik gezegd den Roode-Ceder?” antwoordde de ranchero, »ik geloof van neen,monseñor.”»Van wien hebt gij dan gesproken?”»Van Fray Ambrosio.”»Wat geef ik om dien aterling,” riep de andere, »wat die doet gaat mij niet aan en daar wil ik mij niet mede ophouden; ik heb wel andere en gewichtiger zaken te behartigen.”»Dat kan wel zijn,monseñor,” antwoordde de ranchero stoutmoediger dan men van hem verwacht zou hebben; »maar ik heb alleen met Fray Ambrosio te doen.”»Loop dan naar den duivel, want in dat geval zal ik u in uwe onderneming gewis niet helpen.”Andres Garote verloor ondanks deze brutale ontvangst den moed niet, hij liet de schouders zakken, glimlachte loos en zei met een fleemende stem:»Dat kan men niet weten,monseñor.”»Hum! dat zou toch bezwaarlijk gaan.”»Minder dan gij denkt,monseñor.”»Hoe dan?”»Gij hebt het tegen den Roode-Ceder, niet waar?”»Wat raakt het u, kerel?” antwoordde de Zoon des Bloeds barsch.»Mij zeker niet met al, des te minder daar ik hem noch dank noch dienst schuldig ben, maar met u is dat anders,monseñor.”»Wat weet gij daarvan?”»Ik veronderstel het,monseñor, en daarom had ik plan u een koop voor te slaan.”»Een koop!” riep de Zoon des Bloeds verontwaardigd.»Ja,monseñor,” antwoordde de ranchero onbeschaamd, »en een voordeeligen koop voor u, durf ik te zeggen.”»En voor u dan?”»Voor mij natuurlijk ook.”De Zoon des Bloeds begon te lachen.»Die man is gek,” zeide hij de schouders ophalende en vervolgde tegen zijne nicht: »hoe drommel kwam het u in het hoofd om mij dien kerel hier te brengen?”»Kom,” riep de Witte-Gazelle, »gij kunt hem licht aanhooren, wat schaadt u dat?”»Deseñoritaheeft gelijk,” riep de ranchero levendig, »hoor mij,monseñor, dat verbindt u tot niets; buitendien als mijn voorstel u niet bevalt, kunt gij immers altijd weigeren.”»Dat ’s waar,” antwoordde de Zoon des Bloeds met minachting. »Kom spreek dan maar op,Picaro, maar een verzoek, maak het kort.”»O, het is mijne gewoonte niet om lange praatjes te maken.”»Kom, ter zake, ter zake!”»De zaak is zoo,” hervatte de ranchero resoluut. »Gij wilt u,—ik weet niet waarom, en dat is mij volstrekt onverschillig—maar gijwilt u op den Roode-Ceder wreken, ik op mijne beurt, om redenen daar ik u niet meê zal lastig vallen, wil mij wreken op Fray Ambrosio, dat is duidelijk genoeg, niet waar?”»Volkomen duidelijk. Ga voort.”»Best. Nu kan ik u eenvoudig voorslaan, dat gij mij helpt mij te wreken aan den monnik, dan zal ik u helpen u te wreken aan den bandiet.”»Daar heb ik uwe hulp niet bij noodig.”»Misschien niet,monseñor, maar als ik niet vreesde al te vrijpostig te zijn, zou ik zelfs zeggen.…”»Wat zoudt gij mij zeggen?”»Dat gij mijne hulp niet missen kunt?”»Voto aDios!” riep de andere met een schaterenden lach, »dat is erger dan gekscheren, die kerel komt bepaald om mij te bespotten.”Andres Garote bleef met de grootste bedaardheid staan.»Maar komaan, ga voort,” hervatte de Zoon des Bloeds, »het is veel vermakelijker dan ik zoo even dacht; en hoezoo kan ik u niet missen?”»O! mijn hemel,monseñor, dat is dood eenvoudig, daar gij niet weet waar de Roode-Ceder gebleven is.”»Dat is waar; ik heb hem sedert lang te vergeefs gezocht.”»En ik zet het u hem te vinden, als ik u niet te hulp kom.”»Weet gij dan waar hij is, gij?” riep de Zoon des Bloeds driftig zijn hoofd opstekende.»Ha zoo! nu schijn ik voor u belangrijk te worden,monseñor,” zei de ranchero met een nurksch gezicht.»Antwoord mij, ja of neen,” hernam de partijganger, woest, »weet gij waar hij is?”»Ei! zou ik u dan ooit zijn komen opzoeken?”De partijganger bedacht zich een oogenblik.»Zeg mij waar hij is,” herhaalde hij.»Gaat onze koop dan door?”»Hij gaat door.”»Zweert gij mij dat?”»Op mijne eer.”»Goed,” zei de andere vergenoegd, »luister dan nu.”»Ik luister.”»Gij weet zonder twijfel dat de Roode-Ceder en de Gids der Prairiën samen slaags zijn geweest?”»Dat weet ik, ga voort.”»Na den slag zocht iedereen een goed heenkomen. De Roode-Ceder was gewond; hij bracht het niet ver, en viel weldra in flauwte onder een boom neêr. De Franschman en zijne vrienden zochten hem overal; en ik geloof dat het hem slecht vergaan zou zijn als zij hem in handen hadden gekregen. Maar gelukkig voor hem had zijn paard hem midden in een dicht woud gevoerd, waar niemand hem dacht te vervolgen. Bij toeval, of liever door mijne geluksster zoo als ik nubegin te denken, kwam ik dien kant uit waar hij zich bevond; zijne dochter Ellen was bij hem en bood hem zooveel mogelijk hulp, ik was er wezenlijk van getroffen toen ik het zag. Hoe zij daar kwam weet ik niet, maar zooveel is zeker, zij was er.»Zoodra ik den Roode-Ceder in de verte had gezien dacht ik een oogenblik om den jager op te sporen en hem mijne ontdekking mede te deelen.”»Hum! waarom hebt gij zulk een gedachte niet dadelijk ten uitvoer gebracht, kerel?”»Om eene zeer eenvoudige reden, maar die ik voor alles afdoende houd.”»Laat mij die reden hooren,” riep de Zoon des Bloeds, die onwillekeurig in het verslag van den ranchero hoe langer zoo meer behagen vond, te meer daar het even koddig als flink werd voorgedragen.»Ik zal u die zeggen,” hervatte Garote. »Don Valentin, zoo als hij heet, is ongemakkelijk, ik sta bij hem niet in den allerbesten reuk en bovendien was hij zoo dicht bezet met Comanchen en Apachen en dergelijk kanalje, dat ik om u de waarheid te zeggen bang werd en geen lust had om er mijne haren aan te wagen, die ik liefst wilde behouden. Ik bleef dus achter af, uit vrees dat ik zonder profijt de kastanjes voor anderen uit het vuur zou halen.”»Zoo kwaad niet geredeneerd.”»Niet waar,monseñor? Terwijl ik mij zoo stond te bedenken welke partij ik kiezen zou, kwam er een troep van tien of twaalf ruiters, ik weet niet van waar, op de plaats waar de Roode-Ceder half dood nederlag.”»Is hij dan werkelijk gewond?”»Ja, en ik durf zeggen gevaarlijk genoeg; aan het hoofd der ruiters was juist een Fransch missionaris, dien gij zoo ik meen kennen moet?”»Pater Seraphin?”»Dezelfde.”»Wat heeft hij gedaan?”»Iets dat ik in zijne plaats zijnde zeker niet zou gedaan hebben; hij heeft den Roode-Ceder opgenomen en weggevoerd.”»O! dat is juist zijne wijze van doen,” riep de Zoon des Bloeds ondanks zich zelven. »En naar welke plaats heeft hij den gewonde vervoerd?”»Naar een grot, daar ik u brengen zal, zoo gij dat wilt?”»Liegt gij niet?”»Neen,monseñor.”»’t Is goed, ga nu slapen; gij kunt op mijne belofte rekenen indien gij getrouw zijt.”»Dank u,monseñor, wees daar maar gerust op; al was ik niet gezind u getrouw te zijn, zou mijn eigen belang mij verbinden u niet te bedriegen.”»Dat is waar.”De ranchero verwijderde zich. Een half uur later sliep hij zoo gerust als ieder eerlijk man die meent dat hij zijn plicht gedaan heeft.Den volgenden morgen met het krieken van den dag, trok de bende van den Zoon des Bloeds op marsch.In de woestijn is het vaak zeer moeielijk te vinden wat men zoekt, uit hoofde van het zwervende leven dat iedereen ter zake van zelfbehoud verplicht is te voeren; de partijganger, die zich vooral met Valentin en diens vrienden wilde verstaan, verloor dus veel tijd eer hij met zekerheid wist waar hij met de zijnen kampeerde.Eindelijk kwam een zijner veldontdekkers hem berichten dat de Franschman dien dag naar het winterdorp der Comanchen vertrokken was.Hij richtte zich onmiddellijk naar dien kant.Intusschen had de Zoon des Bloeds Andres Garote gelast om op al de bewegingen van den Roode-Ceder een wakend oog te houden, daar hij geen beslissende poging wilde wagen alvorens van zijne zaak zeker te zijn.Hij had zich gemakkelijk bij pater Seraphin kunnen vervoegen om van dezen te vorderen hem den gewonde uit te leveren, maar dit middel stond hem zeer tegen de borst. Ook hij deelde in den eerbied dien men alom in het Verre Westen den missionaris toedroeg; hij zou hem nooit hebben durven vragen zijn gast aan hem uit te leveren, wel wetende dat dit verzoek bepaald zou worden van de hand gewezen; en aan den anderen kant zou hij ook in geen geval, om zijn doel te bereiken geweld hebben willen gebruiken, tegenover een man wiens karakter hij hoogschatte en bewonderde.Hij moest dus wachten tot de Roode-Ceder van zijne wonden zou genezen zijn; hiertoe had de Zoon des Bloeds dan ook besloten en hij bepaalde zich, gelijk wij reeds gezegd hebben, tot het bespieden van al zijne gangen door Andres Garote.Eindelijk, op zekeren dag, kwam laatstgenoemde met een verheugd gezicht in het kamp van den partijganger terug. Want hij bracht gewenschte tijding mede, namelijk, dat pater Seraphin den Roode-Ceder,na hem eerst genezen te hebben, in een jacal had gevestigd, waar hij thans met zijne dochter samen leefde als een kluizenaar.De Zoon des Bloeds slaakte een kreet van blijdschap bij dit bericht en zonder zich eens den tijd te gunnen om behoorlijk na te denken, steeg hij te paard, liet het bevel over zijne bende en de orde in zijn kamp aan zijne nicht over en reed in vollen galop naar het dorp van den Eenhoorn.De afstand was niet groot; de partijganger maakte dien in minder dan twee uren.De Zoon des Bloeds was onder de Comanchen, die hij menigmaal goede diensten bewezen had, zeer gezien en bemind; ook werd hijmet alle eerbewijs en het in zulke gevallen gebruikelijk ceremonieel door hen ontvangen.De Eenhoorn vergezeld van eenige der voornaamste stamhoofden, reed hem een eind ver buiten het dorp te gemoet, onder de gewone juichtonen, geweerschoten en ruiterstoeren.De Zoon des Bloeds schikte zich goedwillig naar de wenschen van den Sachem en reed bij zijne komst terstond aan zijne zijde op.De Comanchen zijn een zeer bescheiden volk en zullen aan hunne gasten nimmer vragen richten, tenzij dezen er hun eerst vrijheid toe geven.Zoodra de Zoon des Bloeds bij het vuur voor de raadshut plaats genomen en de groote vredespijp gerookt had, boog de Eenhoorn plechtstatig en nam het woord:»Mijn broeder het bleekgezicht is welkom bij zijne roode vrienden,” zeide hij. »Heeft mijn broeder eene goede jacht gemaakt?”»De buffels zijn talrijk in de nabijheid der bergen,” antwoordde de Zoon des Bloeds, »mijne jongelingen hebben er velen van gedood.”»Des te beter! mijn broeder zal dan geen hongersnood lijden.”De partijganger boog ten bewijze van dank.»Denkt mijn broeder vele dagen bij zijne roode vrienden te blijven?” vroeg het opperhoofd; »zij zouden zich gelukkig achten hem een tijdlang bij hen te zien.”»Mijne uren zijn geteld,” antwoordde de Zoon des Bloeds; »mijn oogmerk was alleen om mijne vrienden te bezoeken en naar den voorspoed van hun dorp te vernemen terwijl ik voorbijkwam.”Op dit oogenblik verscheen Valentin op den drempel der hut.»Ziedaar mijn broeder Koutonepi,” zeide de Eenhoorn.»Hij is mij welkom,” riep de partijganger; »ik heb zeer verlangd hem te zien.”De beide blanken bogen voor elkander.»Hoe vind ik u toevallig hier?” vroeg de jager.»Om u te vertellen waar op dit oogenblik de Roode-Ceder zich bevindt,” antwoordde de partijganger onmiddellijk.Valentin ontroerde en wierp den spreker een open maar doordringenden blik toe.»O! welk een belangrijk bericht geeft gij mij daar,” riep hij.»Ik geef het u niet, ik verkoop het u.”»Zoo! verklaar u nader als ik u verzoeken mag.”»Ik zal kort zijn. Er is in de gansche prairie niemand of hij heeft eene vreeselijke rekening te vorderen van dien bandiet, wat zegt gij er van?”»Dat is waar.”»Dat monster heeft de aarde te lang en te zwaar gedrukt, het is tijd dat zij er van verlost worde.”Deze woorden werden door den Zoon des Bloeds op zulk een bitteren toon van haat uitgesproken, dat al de aanwezigen, ofschoonmannen met ijzeren zenuwen begaafd eene koude rilling door de aderen liep.Valentin staarde den partijganger aan met een strengen uitvorschenden blik.»Hebt gij hem zooveel te verwijten?” zeide hij.»Meer dan ik kan uitspreken.”»Goed, ga voort.”Op dit oogenblik trad pater Seraphin de raadshut binnen doch zonder te worden opgemerkt, want aller oogen waren op den Zoon des Bloeds gevestigd.De zendeling bleef in den donkersten hoek onbewegelijk staan en luisterde.»Verneem wat ik u voorstel,” vervolgde de Zoon des Bloeds; »ik zal u te kennen geven waar de booswicht zich schuil houdt. Wij zullen ons naar alle kanten verspreiden om hem in een onverbiddelijken kring te besluiten, en zoo gij of een der hier aanwezige opperhoofden gelukkiger mocht zijn om hem te grijpen dan ik, zult gij hem aan mij uitleveren.”»Om wat met hem te doen?”»Om een schitterende wraak aan hem te nemen.”»Dat kan ik u niet beloven,” antwoordde Valentin aarzelend.»Waarom niet?”»Om dezelfde reden zooeven door u genoemd; er is niemand in de woestijn die niet een vreeselijke rekening met dien onmensch te vereffenen heeft.”»Welnu?”»De man dien hij naar mijn gevoelen het grievendst beleedigd heeft is don Miguel de Zarate, wiens eenige dochter hij lafhartig vermoordde. Don Miguel heeft alleen recht om naar welgevallen over hem te beschikken.”De partijganger was blijkbaar teleurgesteld.»O! als hij hier was!” riep hij.»Hier ben ik,” antwoordde dehacenderoop eens te voorschijn tredende, »ook ik heb eene bloedige schuld van den Roode-Ceder te vorderen, maar eene gerechte, groote en edele wraak, in het volle daglicht onder het oog van allen, ik wil hem niet vermoorden, ik wil hem straffen.”»Goed!” riep de Zoon des Bloeds met een gesmoorden juichkreet; »wij hebben dezelfde gedachte, caballero; want het is mijn doel om de Lynchwet op den Roode-Ceder toe te passen; maar de Lynchwet in al hare gestrengheid, op de plaats zelve waar hij zijn eerste misdrijf heeft gepleegd, ten aanzien van het volk dat hij verschrikt heeft gemaakt; dat wil ik doen, caballero. In het Verre Westen heet ik niet alleen de Zoon des Bloeds, maar ook de Wreker der Gerechtigheid.”Na deze woorden, met koortsachtige drift uitgesproken, werd het in de hut een geruime poos doodstil.»Laat de wraak aan God over,” sprak op eens eene stem, die de aanwezigen deed sidderen.Allen keken op.Pater Seraphin stond in hun midden met een kruisbeeld in de hand. Met opgericht hoofd en bezielden blik scheen hij een oogenblik de vergadering te beheerschen door den indruk zijner evangelische zending.»Met welk recht stelt gij u tot werktuigen der goddelijke gerechtigheid,” vervolgde hij. »Zoo die man schuldig was, wie zegt u dat hij op dezen oogenblik zijne zonden niet wenscht af te boeten door een oprecht berouw?”»Oog om oog, tand om tand!” mompelde de Zoon des Bloeds, met eene sombere stem.Vader Seraphin zag zich overwonnen; hij begreep dat alle redeneering schipbreuk zou lijden op deze bloeddorstige mannen voor wie het leven huns gelijken niets geldt en die de wraak tot eene deugd hebben verheven.»Vaartwel,” zeide hij met eene treurige stem, »vaartwel, arme verdoolden! Mijn mond mag u niet vervloeken, ik kan u alleen beklagen; maar weet dat ik het slachtoffer, dat gij aan uwen wrekenden hartstocht wilt brengen, door alle mogelijke middelen aan uwe slagen zal zoeken te onttrekken. Vaartwel!”Hij trad de hut uit.Toen de eerste opschudding door deze verklaring te weeg gebracht, eenigszins bedaard was, naderde don Miguel den Zoon des Bloeds, drukte hem de rechterhand en sprak:»Ik neem uw voorstel aan: de Lynch-wet.”»Ja!” riepen al de aanwezigen, »de Lynch-wet!”Eenige uren later keerde de Zoon des Bloeds naar zijn kamp terug.Het was tengevolge van deze bijeenkomst dat Valentin don Pablo ging opsporen en op korten afstand van het dorp het gesprek met hem had dat wij aan het begin van dit boek vermeld hebben, toen wij den jongman van zijn bezoek bij Ellen in de hut van den Roode-Ceder, zagen terugkeeren.
XIX.DE ZOON DES BLOEDS.De Witte-Gazelle was bij den Zoon des Bloeds aangekomen. Deze lag met zijn troep op de kruin van een heuvel gekampeerd, van welks top hij ver over de prairie kon uitzien.Het ging tegen den avond, de nachtvuren waren reeds ontstoken en de partijgangers zaten er omheen en maakten vroolijk hun avondmaal gereed.De Zoon des Bloeds was blijde dat hij zijn nicht zag aankomen. Zij hadden samen een langdurig gesprek, na den afloop waarvan dewreker, zoo als hij zelf zich noemde, den ranchero wenkte nader te komen.Ondanks zijne onbeschaamdheid, stond Andres Garote niet zonder zeker gevoel van angst tegenover den man, wiens blik hem scheen te willen doorboren en de diepste geheimen van zijn hart dreigde te zullen lezen.De naam van den Zoon des Bloeds was te lang in de prairie bekend en gevreesd, dan dat de ranchero zich in diens tegenwoordigheid op zijn gemak konde gevoelen.De partijganger zat bij het vuur zijn Indiaansche pijp te rooken, naast hem zat de Witte-Gazelle.De ranchero kreeg bijna berouw dat hij zich in de tegenwoordigheid van zulk een man had durven begeven, maar deze gedachte duurde slechts een oogenblik; zijn haat kwam onmiddellijk weder boven en ieder spoor van verlegenheid verdween van zijn gelaat.»Kom nader, kerel,” zei de Zoon des Bloeds, »volgens hetgeendeseñoramij zegt, denkt gij de middelen in handen te hebben om den Roode-Ceder te doen vallen?”»Heb ik gezegd den Roode-Ceder?” antwoordde de ranchero, »ik geloof van neen,monseñor.”»Van wien hebt gij dan gesproken?”»Van Fray Ambrosio.”»Wat geef ik om dien aterling,” riep de andere, »wat die doet gaat mij niet aan en daar wil ik mij niet mede ophouden; ik heb wel andere en gewichtiger zaken te behartigen.”»Dat kan wel zijn,monseñor,” antwoordde de ranchero stoutmoediger dan men van hem verwacht zou hebben; »maar ik heb alleen met Fray Ambrosio te doen.”»Loop dan naar den duivel, want in dat geval zal ik u in uwe onderneming gewis niet helpen.”Andres Garote verloor ondanks deze brutale ontvangst den moed niet, hij liet de schouders zakken, glimlachte loos en zei met een fleemende stem:»Dat kan men niet weten,monseñor.”»Hum! dat zou toch bezwaarlijk gaan.”»Minder dan gij denkt,monseñor.”»Hoe dan?”»Gij hebt het tegen den Roode-Ceder, niet waar?”»Wat raakt het u, kerel?” antwoordde de Zoon des Bloeds barsch.»Mij zeker niet met al, des te minder daar ik hem noch dank noch dienst schuldig ben, maar met u is dat anders,monseñor.”»Wat weet gij daarvan?”»Ik veronderstel het,monseñor, en daarom had ik plan u een koop voor te slaan.”»Een koop!” riep de Zoon des Bloeds verontwaardigd.»Ja,monseñor,” antwoordde de ranchero onbeschaamd, »en een voordeeligen koop voor u, durf ik te zeggen.”»En voor u dan?”»Voor mij natuurlijk ook.”De Zoon des Bloeds begon te lachen.»Die man is gek,” zeide hij de schouders ophalende en vervolgde tegen zijne nicht: »hoe drommel kwam het u in het hoofd om mij dien kerel hier te brengen?”»Kom,” riep de Witte-Gazelle, »gij kunt hem licht aanhooren, wat schaadt u dat?”»Deseñoritaheeft gelijk,” riep de ranchero levendig, »hoor mij,monseñor, dat verbindt u tot niets; buitendien als mijn voorstel u niet bevalt, kunt gij immers altijd weigeren.”»Dat ’s waar,” antwoordde de Zoon des Bloeds met minachting. »Kom spreek dan maar op,Picaro, maar een verzoek, maak het kort.”»O, het is mijne gewoonte niet om lange praatjes te maken.”»Kom, ter zake, ter zake!”»De zaak is zoo,” hervatte de ranchero resoluut. »Gij wilt u,—ik weet niet waarom, en dat is mij volstrekt onverschillig—maar gijwilt u op den Roode-Ceder wreken, ik op mijne beurt, om redenen daar ik u niet meê zal lastig vallen, wil mij wreken op Fray Ambrosio, dat is duidelijk genoeg, niet waar?”»Volkomen duidelijk. Ga voort.”»Best. Nu kan ik u eenvoudig voorslaan, dat gij mij helpt mij te wreken aan den monnik, dan zal ik u helpen u te wreken aan den bandiet.”»Daar heb ik uwe hulp niet bij noodig.”»Misschien niet,monseñor, maar als ik niet vreesde al te vrijpostig te zijn, zou ik zelfs zeggen.…”»Wat zoudt gij mij zeggen?”»Dat gij mijne hulp niet missen kunt?”»Voto aDios!” riep de andere met een schaterenden lach, »dat is erger dan gekscheren, die kerel komt bepaald om mij te bespotten.”Andres Garote bleef met de grootste bedaardheid staan.»Maar komaan, ga voort,” hervatte de Zoon des Bloeds, »het is veel vermakelijker dan ik zoo even dacht; en hoezoo kan ik u niet missen?”»O! mijn hemel,monseñor, dat is dood eenvoudig, daar gij niet weet waar de Roode-Ceder gebleven is.”»Dat is waar; ik heb hem sedert lang te vergeefs gezocht.”»En ik zet het u hem te vinden, als ik u niet te hulp kom.”»Weet gij dan waar hij is, gij?” riep de Zoon des Bloeds driftig zijn hoofd opstekende.»Ha zoo! nu schijn ik voor u belangrijk te worden,monseñor,” zei de ranchero met een nurksch gezicht.»Antwoord mij, ja of neen,” hernam de partijganger, woest, »weet gij waar hij is?”»Ei! zou ik u dan ooit zijn komen opzoeken?”De partijganger bedacht zich een oogenblik.»Zeg mij waar hij is,” herhaalde hij.»Gaat onze koop dan door?”»Hij gaat door.”»Zweert gij mij dat?”»Op mijne eer.”»Goed,” zei de andere vergenoegd, »luister dan nu.”»Ik luister.”»Gij weet zonder twijfel dat de Roode-Ceder en de Gids der Prairiën samen slaags zijn geweest?”»Dat weet ik, ga voort.”»Na den slag zocht iedereen een goed heenkomen. De Roode-Ceder was gewond; hij bracht het niet ver, en viel weldra in flauwte onder een boom neêr. De Franschman en zijne vrienden zochten hem overal; en ik geloof dat het hem slecht vergaan zou zijn als zij hem in handen hadden gekregen. Maar gelukkig voor hem had zijn paard hem midden in een dicht woud gevoerd, waar niemand hem dacht te vervolgen. Bij toeval, of liever door mijne geluksster zoo als ik nubegin te denken, kwam ik dien kant uit waar hij zich bevond; zijne dochter Ellen was bij hem en bood hem zooveel mogelijk hulp, ik was er wezenlijk van getroffen toen ik het zag. Hoe zij daar kwam weet ik niet, maar zooveel is zeker, zij was er.»Zoodra ik den Roode-Ceder in de verte had gezien dacht ik een oogenblik om den jager op te sporen en hem mijne ontdekking mede te deelen.”»Hum! waarom hebt gij zulk een gedachte niet dadelijk ten uitvoer gebracht, kerel?”»Om eene zeer eenvoudige reden, maar die ik voor alles afdoende houd.”»Laat mij die reden hooren,” riep de Zoon des Bloeds, die onwillekeurig in het verslag van den ranchero hoe langer zoo meer behagen vond, te meer daar het even koddig als flink werd voorgedragen.»Ik zal u die zeggen,” hervatte Garote. »Don Valentin, zoo als hij heet, is ongemakkelijk, ik sta bij hem niet in den allerbesten reuk en bovendien was hij zoo dicht bezet met Comanchen en Apachen en dergelijk kanalje, dat ik om u de waarheid te zeggen bang werd en geen lust had om er mijne haren aan te wagen, die ik liefst wilde behouden. Ik bleef dus achter af, uit vrees dat ik zonder profijt de kastanjes voor anderen uit het vuur zou halen.”»Zoo kwaad niet geredeneerd.”»Niet waar,monseñor? Terwijl ik mij zoo stond te bedenken welke partij ik kiezen zou, kwam er een troep van tien of twaalf ruiters, ik weet niet van waar, op de plaats waar de Roode-Ceder half dood nederlag.”»Is hij dan werkelijk gewond?”»Ja, en ik durf zeggen gevaarlijk genoeg; aan het hoofd der ruiters was juist een Fransch missionaris, dien gij zoo ik meen kennen moet?”»Pater Seraphin?”»Dezelfde.”»Wat heeft hij gedaan?”»Iets dat ik in zijne plaats zijnde zeker niet zou gedaan hebben; hij heeft den Roode-Ceder opgenomen en weggevoerd.”»O! dat is juist zijne wijze van doen,” riep de Zoon des Bloeds ondanks zich zelven. »En naar welke plaats heeft hij den gewonde vervoerd?”»Naar een grot, daar ik u brengen zal, zoo gij dat wilt?”»Liegt gij niet?”»Neen,monseñor.”»’t Is goed, ga nu slapen; gij kunt op mijne belofte rekenen indien gij getrouw zijt.”»Dank u,monseñor, wees daar maar gerust op; al was ik niet gezind u getrouw te zijn, zou mijn eigen belang mij verbinden u niet te bedriegen.”»Dat is waar.”De ranchero verwijderde zich. Een half uur later sliep hij zoo gerust als ieder eerlijk man die meent dat hij zijn plicht gedaan heeft.Den volgenden morgen met het krieken van den dag, trok de bende van den Zoon des Bloeds op marsch.In de woestijn is het vaak zeer moeielijk te vinden wat men zoekt, uit hoofde van het zwervende leven dat iedereen ter zake van zelfbehoud verplicht is te voeren; de partijganger, die zich vooral met Valentin en diens vrienden wilde verstaan, verloor dus veel tijd eer hij met zekerheid wist waar hij met de zijnen kampeerde.Eindelijk kwam een zijner veldontdekkers hem berichten dat de Franschman dien dag naar het winterdorp der Comanchen vertrokken was.Hij richtte zich onmiddellijk naar dien kant.Intusschen had de Zoon des Bloeds Andres Garote gelast om op al de bewegingen van den Roode-Ceder een wakend oog te houden, daar hij geen beslissende poging wilde wagen alvorens van zijne zaak zeker te zijn.Hij had zich gemakkelijk bij pater Seraphin kunnen vervoegen om van dezen te vorderen hem den gewonde uit te leveren, maar dit middel stond hem zeer tegen de borst. Ook hij deelde in den eerbied dien men alom in het Verre Westen den missionaris toedroeg; hij zou hem nooit hebben durven vragen zijn gast aan hem uit te leveren, wel wetende dat dit verzoek bepaald zou worden van de hand gewezen; en aan den anderen kant zou hij ook in geen geval, om zijn doel te bereiken geweld hebben willen gebruiken, tegenover een man wiens karakter hij hoogschatte en bewonderde.Hij moest dus wachten tot de Roode-Ceder van zijne wonden zou genezen zijn; hiertoe had de Zoon des Bloeds dan ook besloten en hij bepaalde zich, gelijk wij reeds gezegd hebben, tot het bespieden van al zijne gangen door Andres Garote.Eindelijk, op zekeren dag, kwam laatstgenoemde met een verheugd gezicht in het kamp van den partijganger terug. Want hij bracht gewenschte tijding mede, namelijk, dat pater Seraphin den Roode-Ceder,na hem eerst genezen te hebben, in een jacal had gevestigd, waar hij thans met zijne dochter samen leefde als een kluizenaar.De Zoon des Bloeds slaakte een kreet van blijdschap bij dit bericht en zonder zich eens den tijd te gunnen om behoorlijk na te denken, steeg hij te paard, liet het bevel over zijne bende en de orde in zijn kamp aan zijne nicht over en reed in vollen galop naar het dorp van den Eenhoorn.De afstand was niet groot; de partijganger maakte dien in minder dan twee uren.De Zoon des Bloeds was onder de Comanchen, die hij menigmaal goede diensten bewezen had, zeer gezien en bemind; ook werd hijmet alle eerbewijs en het in zulke gevallen gebruikelijk ceremonieel door hen ontvangen.De Eenhoorn vergezeld van eenige der voornaamste stamhoofden, reed hem een eind ver buiten het dorp te gemoet, onder de gewone juichtonen, geweerschoten en ruiterstoeren.De Zoon des Bloeds schikte zich goedwillig naar de wenschen van den Sachem en reed bij zijne komst terstond aan zijne zijde op.De Comanchen zijn een zeer bescheiden volk en zullen aan hunne gasten nimmer vragen richten, tenzij dezen er hun eerst vrijheid toe geven.Zoodra de Zoon des Bloeds bij het vuur voor de raadshut plaats genomen en de groote vredespijp gerookt had, boog de Eenhoorn plechtstatig en nam het woord:»Mijn broeder het bleekgezicht is welkom bij zijne roode vrienden,” zeide hij. »Heeft mijn broeder eene goede jacht gemaakt?”»De buffels zijn talrijk in de nabijheid der bergen,” antwoordde de Zoon des Bloeds, »mijne jongelingen hebben er velen van gedood.”»Des te beter! mijn broeder zal dan geen hongersnood lijden.”De partijganger boog ten bewijze van dank.»Denkt mijn broeder vele dagen bij zijne roode vrienden te blijven?” vroeg het opperhoofd; »zij zouden zich gelukkig achten hem een tijdlang bij hen te zien.”»Mijne uren zijn geteld,” antwoordde de Zoon des Bloeds; »mijn oogmerk was alleen om mijne vrienden te bezoeken en naar den voorspoed van hun dorp te vernemen terwijl ik voorbijkwam.”Op dit oogenblik verscheen Valentin op den drempel der hut.»Ziedaar mijn broeder Koutonepi,” zeide de Eenhoorn.»Hij is mij welkom,” riep de partijganger; »ik heb zeer verlangd hem te zien.”De beide blanken bogen voor elkander.»Hoe vind ik u toevallig hier?” vroeg de jager.»Om u te vertellen waar op dit oogenblik de Roode-Ceder zich bevindt,” antwoordde de partijganger onmiddellijk.Valentin ontroerde en wierp den spreker een open maar doordringenden blik toe.»O! welk een belangrijk bericht geeft gij mij daar,” riep hij.»Ik geef het u niet, ik verkoop het u.”»Zoo! verklaar u nader als ik u verzoeken mag.”»Ik zal kort zijn. Er is in de gansche prairie niemand of hij heeft eene vreeselijke rekening te vorderen van dien bandiet, wat zegt gij er van?”»Dat is waar.”»Dat monster heeft de aarde te lang en te zwaar gedrukt, het is tijd dat zij er van verlost worde.”Deze woorden werden door den Zoon des Bloeds op zulk een bitteren toon van haat uitgesproken, dat al de aanwezigen, ofschoonmannen met ijzeren zenuwen begaafd eene koude rilling door de aderen liep.Valentin staarde den partijganger aan met een strengen uitvorschenden blik.»Hebt gij hem zooveel te verwijten?” zeide hij.»Meer dan ik kan uitspreken.”»Goed, ga voort.”Op dit oogenblik trad pater Seraphin de raadshut binnen doch zonder te worden opgemerkt, want aller oogen waren op den Zoon des Bloeds gevestigd.De zendeling bleef in den donkersten hoek onbewegelijk staan en luisterde.»Verneem wat ik u voorstel,” vervolgde de Zoon des Bloeds; »ik zal u te kennen geven waar de booswicht zich schuil houdt. Wij zullen ons naar alle kanten verspreiden om hem in een onverbiddelijken kring te besluiten, en zoo gij of een der hier aanwezige opperhoofden gelukkiger mocht zijn om hem te grijpen dan ik, zult gij hem aan mij uitleveren.”»Om wat met hem te doen?”»Om een schitterende wraak aan hem te nemen.”»Dat kan ik u niet beloven,” antwoordde Valentin aarzelend.»Waarom niet?”»Om dezelfde reden zooeven door u genoemd; er is niemand in de woestijn die niet een vreeselijke rekening met dien onmensch te vereffenen heeft.”»Welnu?”»De man dien hij naar mijn gevoelen het grievendst beleedigd heeft is don Miguel de Zarate, wiens eenige dochter hij lafhartig vermoordde. Don Miguel heeft alleen recht om naar welgevallen over hem te beschikken.”De partijganger was blijkbaar teleurgesteld.»O! als hij hier was!” riep hij.»Hier ben ik,” antwoordde dehacenderoop eens te voorschijn tredende, »ook ik heb eene bloedige schuld van den Roode-Ceder te vorderen, maar eene gerechte, groote en edele wraak, in het volle daglicht onder het oog van allen, ik wil hem niet vermoorden, ik wil hem straffen.”»Goed!” riep de Zoon des Bloeds met een gesmoorden juichkreet; »wij hebben dezelfde gedachte, caballero; want het is mijn doel om de Lynchwet op den Roode-Ceder toe te passen; maar de Lynchwet in al hare gestrengheid, op de plaats zelve waar hij zijn eerste misdrijf heeft gepleegd, ten aanzien van het volk dat hij verschrikt heeft gemaakt; dat wil ik doen, caballero. In het Verre Westen heet ik niet alleen de Zoon des Bloeds, maar ook de Wreker der Gerechtigheid.”Na deze woorden, met koortsachtige drift uitgesproken, werd het in de hut een geruime poos doodstil.»Laat de wraak aan God over,” sprak op eens eene stem, die de aanwezigen deed sidderen.Allen keken op.Pater Seraphin stond in hun midden met een kruisbeeld in de hand. Met opgericht hoofd en bezielden blik scheen hij een oogenblik de vergadering te beheerschen door den indruk zijner evangelische zending.»Met welk recht stelt gij u tot werktuigen der goddelijke gerechtigheid,” vervolgde hij. »Zoo die man schuldig was, wie zegt u dat hij op dezen oogenblik zijne zonden niet wenscht af te boeten door een oprecht berouw?”»Oog om oog, tand om tand!” mompelde de Zoon des Bloeds, met eene sombere stem.Vader Seraphin zag zich overwonnen; hij begreep dat alle redeneering schipbreuk zou lijden op deze bloeddorstige mannen voor wie het leven huns gelijken niets geldt en die de wraak tot eene deugd hebben verheven.»Vaartwel,” zeide hij met eene treurige stem, »vaartwel, arme verdoolden! Mijn mond mag u niet vervloeken, ik kan u alleen beklagen; maar weet dat ik het slachtoffer, dat gij aan uwen wrekenden hartstocht wilt brengen, door alle mogelijke middelen aan uwe slagen zal zoeken te onttrekken. Vaartwel!”Hij trad de hut uit.Toen de eerste opschudding door deze verklaring te weeg gebracht, eenigszins bedaard was, naderde don Miguel den Zoon des Bloeds, drukte hem de rechterhand en sprak:»Ik neem uw voorstel aan: de Lynch-wet.”»Ja!” riepen al de aanwezigen, »de Lynch-wet!”Eenige uren later keerde de Zoon des Bloeds naar zijn kamp terug.Het was tengevolge van deze bijeenkomst dat Valentin don Pablo ging opsporen en op korten afstand van het dorp het gesprek met hem had dat wij aan het begin van dit boek vermeld hebben, toen wij den jongman van zijn bezoek bij Ellen in de hut van den Roode-Ceder, zagen terugkeeren.
XIX.DE ZOON DES BLOEDS.
De Witte-Gazelle was bij den Zoon des Bloeds aangekomen. Deze lag met zijn troep op de kruin van een heuvel gekampeerd, van welks top hij ver over de prairie kon uitzien.Het ging tegen den avond, de nachtvuren waren reeds ontstoken en de partijgangers zaten er omheen en maakten vroolijk hun avondmaal gereed.De Zoon des Bloeds was blijde dat hij zijn nicht zag aankomen. Zij hadden samen een langdurig gesprek, na den afloop waarvan dewreker, zoo als hij zelf zich noemde, den ranchero wenkte nader te komen.Ondanks zijne onbeschaamdheid, stond Andres Garote niet zonder zeker gevoel van angst tegenover den man, wiens blik hem scheen te willen doorboren en de diepste geheimen van zijn hart dreigde te zullen lezen.De naam van den Zoon des Bloeds was te lang in de prairie bekend en gevreesd, dan dat de ranchero zich in diens tegenwoordigheid op zijn gemak konde gevoelen.De partijganger zat bij het vuur zijn Indiaansche pijp te rooken, naast hem zat de Witte-Gazelle.De ranchero kreeg bijna berouw dat hij zich in de tegenwoordigheid van zulk een man had durven begeven, maar deze gedachte duurde slechts een oogenblik; zijn haat kwam onmiddellijk weder boven en ieder spoor van verlegenheid verdween van zijn gelaat.»Kom nader, kerel,” zei de Zoon des Bloeds, »volgens hetgeendeseñoramij zegt, denkt gij de middelen in handen te hebben om den Roode-Ceder te doen vallen?”»Heb ik gezegd den Roode-Ceder?” antwoordde de ranchero, »ik geloof van neen,monseñor.”»Van wien hebt gij dan gesproken?”»Van Fray Ambrosio.”»Wat geef ik om dien aterling,” riep de andere, »wat die doet gaat mij niet aan en daar wil ik mij niet mede ophouden; ik heb wel andere en gewichtiger zaken te behartigen.”»Dat kan wel zijn,monseñor,” antwoordde de ranchero stoutmoediger dan men van hem verwacht zou hebben; »maar ik heb alleen met Fray Ambrosio te doen.”»Loop dan naar den duivel, want in dat geval zal ik u in uwe onderneming gewis niet helpen.”Andres Garote verloor ondanks deze brutale ontvangst den moed niet, hij liet de schouders zakken, glimlachte loos en zei met een fleemende stem:»Dat kan men niet weten,monseñor.”»Hum! dat zou toch bezwaarlijk gaan.”»Minder dan gij denkt,monseñor.”»Hoe dan?”»Gij hebt het tegen den Roode-Ceder, niet waar?”»Wat raakt het u, kerel?” antwoordde de Zoon des Bloeds barsch.»Mij zeker niet met al, des te minder daar ik hem noch dank noch dienst schuldig ben, maar met u is dat anders,monseñor.”»Wat weet gij daarvan?”»Ik veronderstel het,monseñor, en daarom had ik plan u een koop voor te slaan.”»Een koop!” riep de Zoon des Bloeds verontwaardigd.»Ja,monseñor,” antwoordde de ranchero onbeschaamd, »en een voordeeligen koop voor u, durf ik te zeggen.”»En voor u dan?”»Voor mij natuurlijk ook.”De Zoon des Bloeds begon te lachen.»Die man is gek,” zeide hij de schouders ophalende en vervolgde tegen zijne nicht: »hoe drommel kwam het u in het hoofd om mij dien kerel hier te brengen?”»Kom,” riep de Witte-Gazelle, »gij kunt hem licht aanhooren, wat schaadt u dat?”»Deseñoritaheeft gelijk,” riep de ranchero levendig, »hoor mij,monseñor, dat verbindt u tot niets; buitendien als mijn voorstel u niet bevalt, kunt gij immers altijd weigeren.”»Dat ’s waar,” antwoordde de Zoon des Bloeds met minachting. »Kom spreek dan maar op,Picaro, maar een verzoek, maak het kort.”»O, het is mijne gewoonte niet om lange praatjes te maken.”»Kom, ter zake, ter zake!”»De zaak is zoo,” hervatte de ranchero resoluut. »Gij wilt u,—ik weet niet waarom, en dat is mij volstrekt onverschillig—maar gijwilt u op den Roode-Ceder wreken, ik op mijne beurt, om redenen daar ik u niet meê zal lastig vallen, wil mij wreken op Fray Ambrosio, dat is duidelijk genoeg, niet waar?”»Volkomen duidelijk. Ga voort.”»Best. Nu kan ik u eenvoudig voorslaan, dat gij mij helpt mij te wreken aan den monnik, dan zal ik u helpen u te wreken aan den bandiet.”»Daar heb ik uwe hulp niet bij noodig.”»Misschien niet,monseñor, maar als ik niet vreesde al te vrijpostig te zijn, zou ik zelfs zeggen.…”»Wat zoudt gij mij zeggen?”»Dat gij mijne hulp niet missen kunt?”»Voto aDios!” riep de andere met een schaterenden lach, »dat is erger dan gekscheren, die kerel komt bepaald om mij te bespotten.”Andres Garote bleef met de grootste bedaardheid staan.»Maar komaan, ga voort,” hervatte de Zoon des Bloeds, »het is veel vermakelijker dan ik zoo even dacht; en hoezoo kan ik u niet missen?”»O! mijn hemel,monseñor, dat is dood eenvoudig, daar gij niet weet waar de Roode-Ceder gebleven is.”»Dat is waar; ik heb hem sedert lang te vergeefs gezocht.”»En ik zet het u hem te vinden, als ik u niet te hulp kom.”»Weet gij dan waar hij is, gij?” riep de Zoon des Bloeds driftig zijn hoofd opstekende.»Ha zoo! nu schijn ik voor u belangrijk te worden,monseñor,” zei de ranchero met een nurksch gezicht.»Antwoord mij, ja of neen,” hernam de partijganger, woest, »weet gij waar hij is?”»Ei! zou ik u dan ooit zijn komen opzoeken?”De partijganger bedacht zich een oogenblik.»Zeg mij waar hij is,” herhaalde hij.»Gaat onze koop dan door?”»Hij gaat door.”»Zweert gij mij dat?”»Op mijne eer.”»Goed,” zei de andere vergenoegd, »luister dan nu.”»Ik luister.”»Gij weet zonder twijfel dat de Roode-Ceder en de Gids der Prairiën samen slaags zijn geweest?”»Dat weet ik, ga voort.”»Na den slag zocht iedereen een goed heenkomen. De Roode-Ceder was gewond; hij bracht het niet ver, en viel weldra in flauwte onder een boom neêr. De Franschman en zijne vrienden zochten hem overal; en ik geloof dat het hem slecht vergaan zou zijn als zij hem in handen hadden gekregen. Maar gelukkig voor hem had zijn paard hem midden in een dicht woud gevoerd, waar niemand hem dacht te vervolgen. Bij toeval, of liever door mijne geluksster zoo als ik nubegin te denken, kwam ik dien kant uit waar hij zich bevond; zijne dochter Ellen was bij hem en bood hem zooveel mogelijk hulp, ik was er wezenlijk van getroffen toen ik het zag. Hoe zij daar kwam weet ik niet, maar zooveel is zeker, zij was er.»Zoodra ik den Roode-Ceder in de verte had gezien dacht ik een oogenblik om den jager op te sporen en hem mijne ontdekking mede te deelen.”»Hum! waarom hebt gij zulk een gedachte niet dadelijk ten uitvoer gebracht, kerel?”»Om eene zeer eenvoudige reden, maar die ik voor alles afdoende houd.”»Laat mij die reden hooren,” riep de Zoon des Bloeds, die onwillekeurig in het verslag van den ranchero hoe langer zoo meer behagen vond, te meer daar het even koddig als flink werd voorgedragen.»Ik zal u die zeggen,” hervatte Garote. »Don Valentin, zoo als hij heet, is ongemakkelijk, ik sta bij hem niet in den allerbesten reuk en bovendien was hij zoo dicht bezet met Comanchen en Apachen en dergelijk kanalje, dat ik om u de waarheid te zeggen bang werd en geen lust had om er mijne haren aan te wagen, die ik liefst wilde behouden. Ik bleef dus achter af, uit vrees dat ik zonder profijt de kastanjes voor anderen uit het vuur zou halen.”»Zoo kwaad niet geredeneerd.”»Niet waar,monseñor? Terwijl ik mij zoo stond te bedenken welke partij ik kiezen zou, kwam er een troep van tien of twaalf ruiters, ik weet niet van waar, op de plaats waar de Roode-Ceder half dood nederlag.”»Is hij dan werkelijk gewond?”»Ja, en ik durf zeggen gevaarlijk genoeg; aan het hoofd der ruiters was juist een Fransch missionaris, dien gij zoo ik meen kennen moet?”»Pater Seraphin?”»Dezelfde.”»Wat heeft hij gedaan?”»Iets dat ik in zijne plaats zijnde zeker niet zou gedaan hebben; hij heeft den Roode-Ceder opgenomen en weggevoerd.”»O! dat is juist zijne wijze van doen,” riep de Zoon des Bloeds ondanks zich zelven. »En naar welke plaats heeft hij den gewonde vervoerd?”»Naar een grot, daar ik u brengen zal, zoo gij dat wilt?”»Liegt gij niet?”»Neen,monseñor.”»’t Is goed, ga nu slapen; gij kunt op mijne belofte rekenen indien gij getrouw zijt.”»Dank u,monseñor, wees daar maar gerust op; al was ik niet gezind u getrouw te zijn, zou mijn eigen belang mij verbinden u niet te bedriegen.”»Dat is waar.”De ranchero verwijderde zich. Een half uur later sliep hij zoo gerust als ieder eerlijk man die meent dat hij zijn plicht gedaan heeft.Den volgenden morgen met het krieken van den dag, trok de bende van den Zoon des Bloeds op marsch.In de woestijn is het vaak zeer moeielijk te vinden wat men zoekt, uit hoofde van het zwervende leven dat iedereen ter zake van zelfbehoud verplicht is te voeren; de partijganger, die zich vooral met Valentin en diens vrienden wilde verstaan, verloor dus veel tijd eer hij met zekerheid wist waar hij met de zijnen kampeerde.Eindelijk kwam een zijner veldontdekkers hem berichten dat de Franschman dien dag naar het winterdorp der Comanchen vertrokken was.Hij richtte zich onmiddellijk naar dien kant.Intusschen had de Zoon des Bloeds Andres Garote gelast om op al de bewegingen van den Roode-Ceder een wakend oog te houden, daar hij geen beslissende poging wilde wagen alvorens van zijne zaak zeker te zijn.Hij had zich gemakkelijk bij pater Seraphin kunnen vervoegen om van dezen te vorderen hem den gewonde uit te leveren, maar dit middel stond hem zeer tegen de borst. Ook hij deelde in den eerbied dien men alom in het Verre Westen den missionaris toedroeg; hij zou hem nooit hebben durven vragen zijn gast aan hem uit te leveren, wel wetende dat dit verzoek bepaald zou worden van de hand gewezen; en aan den anderen kant zou hij ook in geen geval, om zijn doel te bereiken geweld hebben willen gebruiken, tegenover een man wiens karakter hij hoogschatte en bewonderde.Hij moest dus wachten tot de Roode-Ceder van zijne wonden zou genezen zijn; hiertoe had de Zoon des Bloeds dan ook besloten en hij bepaalde zich, gelijk wij reeds gezegd hebben, tot het bespieden van al zijne gangen door Andres Garote.Eindelijk, op zekeren dag, kwam laatstgenoemde met een verheugd gezicht in het kamp van den partijganger terug. Want hij bracht gewenschte tijding mede, namelijk, dat pater Seraphin den Roode-Ceder,na hem eerst genezen te hebben, in een jacal had gevestigd, waar hij thans met zijne dochter samen leefde als een kluizenaar.De Zoon des Bloeds slaakte een kreet van blijdschap bij dit bericht en zonder zich eens den tijd te gunnen om behoorlijk na te denken, steeg hij te paard, liet het bevel over zijne bende en de orde in zijn kamp aan zijne nicht over en reed in vollen galop naar het dorp van den Eenhoorn.De afstand was niet groot; de partijganger maakte dien in minder dan twee uren.De Zoon des Bloeds was onder de Comanchen, die hij menigmaal goede diensten bewezen had, zeer gezien en bemind; ook werd hijmet alle eerbewijs en het in zulke gevallen gebruikelijk ceremonieel door hen ontvangen.De Eenhoorn vergezeld van eenige der voornaamste stamhoofden, reed hem een eind ver buiten het dorp te gemoet, onder de gewone juichtonen, geweerschoten en ruiterstoeren.De Zoon des Bloeds schikte zich goedwillig naar de wenschen van den Sachem en reed bij zijne komst terstond aan zijne zijde op.De Comanchen zijn een zeer bescheiden volk en zullen aan hunne gasten nimmer vragen richten, tenzij dezen er hun eerst vrijheid toe geven.Zoodra de Zoon des Bloeds bij het vuur voor de raadshut plaats genomen en de groote vredespijp gerookt had, boog de Eenhoorn plechtstatig en nam het woord:»Mijn broeder het bleekgezicht is welkom bij zijne roode vrienden,” zeide hij. »Heeft mijn broeder eene goede jacht gemaakt?”»De buffels zijn talrijk in de nabijheid der bergen,” antwoordde de Zoon des Bloeds, »mijne jongelingen hebben er velen van gedood.”»Des te beter! mijn broeder zal dan geen hongersnood lijden.”De partijganger boog ten bewijze van dank.»Denkt mijn broeder vele dagen bij zijne roode vrienden te blijven?” vroeg het opperhoofd; »zij zouden zich gelukkig achten hem een tijdlang bij hen te zien.”»Mijne uren zijn geteld,” antwoordde de Zoon des Bloeds; »mijn oogmerk was alleen om mijne vrienden te bezoeken en naar den voorspoed van hun dorp te vernemen terwijl ik voorbijkwam.”Op dit oogenblik verscheen Valentin op den drempel der hut.»Ziedaar mijn broeder Koutonepi,” zeide de Eenhoorn.»Hij is mij welkom,” riep de partijganger; »ik heb zeer verlangd hem te zien.”De beide blanken bogen voor elkander.»Hoe vind ik u toevallig hier?” vroeg de jager.»Om u te vertellen waar op dit oogenblik de Roode-Ceder zich bevindt,” antwoordde de partijganger onmiddellijk.Valentin ontroerde en wierp den spreker een open maar doordringenden blik toe.»O! welk een belangrijk bericht geeft gij mij daar,” riep hij.»Ik geef het u niet, ik verkoop het u.”»Zoo! verklaar u nader als ik u verzoeken mag.”»Ik zal kort zijn. Er is in de gansche prairie niemand of hij heeft eene vreeselijke rekening te vorderen van dien bandiet, wat zegt gij er van?”»Dat is waar.”»Dat monster heeft de aarde te lang en te zwaar gedrukt, het is tijd dat zij er van verlost worde.”Deze woorden werden door den Zoon des Bloeds op zulk een bitteren toon van haat uitgesproken, dat al de aanwezigen, ofschoonmannen met ijzeren zenuwen begaafd eene koude rilling door de aderen liep.Valentin staarde den partijganger aan met een strengen uitvorschenden blik.»Hebt gij hem zooveel te verwijten?” zeide hij.»Meer dan ik kan uitspreken.”»Goed, ga voort.”Op dit oogenblik trad pater Seraphin de raadshut binnen doch zonder te worden opgemerkt, want aller oogen waren op den Zoon des Bloeds gevestigd.De zendeling bleef in den donkersten hoek onbewegelijk staan en luisterde.»Verneem wat ik u voorstel,” vervolgde de Zoon des Bloeds; »ik zal u te kennen geven waar de booswicht zich schuil houdt. Wij zullen ons naar alle kanten verspreiden om hem in een onverbiddelijken kring te besluiten, en zoo gij of een der hier aanwezige opperhoofden gelukkiger mocht zijn om hem te grijpen dan ik, zult gij hem aan mij uitleveren.”»Om wat met hem te doen?”»Om een schitterende wraak aan hem te nemen.”»Dat kan ik u niet beloven,” antwoordde Valentin aarzelend.»Waarom niet?”»Om dezelfde reden zooeven door u genoemd; er is niemand in de woestijn die niet een vreeselijke rekening met dien onmensch te vereffenen heeft.”»Welnu?”»De man dien hij naar mijn gevoelen het grievendst beleedigd heeft is don Miguel de Zarate, wiens eenige dochter hij lafhartig vermoordde. Don Miguel heeft alleen recht om naar welgevallen over hem te beschikken.”De partijganger was blijkbaar teleurgesteld.»O! als hij hier was!” riep hij.»Hier ben ik,” antwoordde dehacenderoop eens te voorschijn tredende, »ook ik heb eene bloedige schuld van den Roode-Ceder te vorderen, maar eene gerechte, groote en edele wraak, in het volle daglicht onder het oog van allen, ik wil hem niet vermoorden, ik wil hem straffen.”»Goed!” riep de Zoon des Bloeds met een gesmoorden juichkreet; »wij hebben dezelfde gedachte, caballero; want het is mijn doel om de Lynchwet op den Roode-Ceder toe te passen; maar de Lynchwet in al hare gestrengheid, op de plaats zelve waar hij zijn eerste misdrijf heeft gepleegd, ten aanzien van het volk dat hij verschrikt heeft gemaakt; dat wil ik doen, caballero. In het Verre Westen heet ik niet alleen de Zoon des Bloeds, maar ook de Wreker der Gerechtigheid.”Na deze woorden, met koortsachtige drift uitgesproken, werd het in de hut een geruime poos doodstil.»Laat de wraak aan God over,” sprak op eens eene stem, die de aanwezigen deed sidderen.Allen keken op.Pater Seraphin stond in hun midden met een kruisbeeld in de hand. Met opgericht hoofd en bezielden blik scheen hij een oogenblik de vergadering te beheerschen door den indruk zijner evangelische zending.»Met welk recht stelt gij u tot werktuigen der goddelijke gerechtigheid,” vervolgde hij. »Zoo die man schuldig was, wie zegt u dat hij op dezen oogenblik zijne zonden niet wenscht af te boeten door een oprecht berouw?”»Oog om oog, tand om tand!” mompelde de Zoon des Bloeds, met eene sombere stem.Vader Seraphin zag zich overwonnen; hij begreep dat alle redeneering schipbreuk zou lijden op deze bloeddorstige mannen voor wie het leven huns gelijken niets geldt en die de wraak tot eene deugd hebben verheven.»Vaartwel,” zeide hij met eene treurige stem, »vaartwel, arme verdoolden! Mijn mond mag u niet vervloeken, ik kan u alleen beklagen; maar weet dat ik het slachtoffer, dat gij aan uwen wrekenden hartstocht wilt brengen, door alle mogelijke middelen aan uwe slagen zal zoeken te onttrekken. Vaartwel!”Hij trad de hut uit.Toen de eerste opschudding door deze verklaring te weeg gebracht, eenigszins bedaard was, naderde don Miguel den Zoon des Bloeds, drukte hem de rechterhand en sprak:»Ik neem uw voorstel aan: de Lynch-wet.”»Ja!” riepen al de aanwezigen, »de Lynch-wet!”Eenige uren later keerde de Zoon des Bloeds naar zijn kamp terug.Het was tengevolge van deze bijeenkomst dat Valentin don Pablo ging opsporen en op korten afstand van het dorp het gesprek met hem had dat wij aan het begin van dit boek vermeld hebben, toen wij den jongman van zijn bezoek bij Ellen in de hut van den Roode-Ceder, zagen terugkeeren.
De Witte-Gazelle was bij den Zoon des Bloeds aangekomen. Deze lag met zijn troep op de kruin van een heuvel gekampeerd, van welks top hij ver over de prairie kon uitzien.
Het ging tegen den avond, de nachtvuren waren reeds ontstoken en de partijgangers zaten er omheen en maakten vroolijk hun avondmaal gereed.
De Zoon des Bloeds was blijde dat hij zijn nicht zag aankomen. Zij hadden samen een langdurig gesprek, na den afloop waarvan dewreker, zoo als hij zelf zich noemde, den ranchero wenkte nader te komen.
Ondanks zijne onbeschaamdheid, stond Andres Garote niet zonder zeker gevoel van angst tegenover den man, wiens blik hem scheen te willen doorboren en de diepste geheimen van zijn hart dreigde te zullen lezen.
De naam van den Zoon des Bloeds was te lang in de prairie bekend en gevreesd, dan dat de ranchero zich in diens tegenwoordigheid op zijn gemak konde gevoelen.
De partijganger zat bij het vuur zijn Indiaansche pijp te rooken, naast hem zat de Witte-Gazelle.
De ranchero kreeg bijna berouw dat hij zich in de tegenwoordigheid van zulk een man had durven begeven, maar deze gedachte duurde slechts een oogenblik; zijn haat kwam onmiddellijk weder boven en ieder spoor van verlegenheid verdween van zijn gelaat.
»Kom nader, kerel,” zei de Zoon des Bloeds, »volgens hetgeendeseñoramij zegt, denkt gij de middelen in handen te hebben om den Roode-Ceder te doen vallen?”
»Heb ik gezegd den Roode-Ceder?” antwoordde de ranchero, »ik geloof van neen,monseñor.”
»Van wien hebt gij dan gesproken?”
»Van Fray Ambrosio.”
»Wat geef ik om dien aterling,” riep de andere, »wat die doet gaat mij niet aan en daar wil ik mij niet mede ophouden; ik heb wel andere en gewichtiger zaken te behartigen.”
»Dat kan wel zijn,monseñor,” antwoordde de ranchero stoutmoediger dan men van hem verwacht zou hebben; »maar ik heb alleen met Fray Ambrosio te doen.”
»Loop dan naar den duivel, want in dat geval zal ik u in uwe onderneming gewis niet helpen.”
Andres Garote verloor ondanks deze brutale ontvangst den moed niet, hij liet de schouders zakken, glimlachte loos en zei met een fleemende stem:
»Dat kan men niet weten,monseñor.”
»Hum! dat zou toch bezwaarlijk gaan.”
»Minder dan gij denkt,monseñor.”
»Hoe dan?”
»Gij hebt het tegen den Roode-Ceder, niet waar?”
»Wat raakt het u, kerel?” antwoordde de Zoon des Bloeds barsch.
»Mij zeker niet met al, des te minder daar ik hem noch dank noch dienst schuldig ben, maar met u is dat anders,monseñor.”
»Wat weet gij daarvan?”
»Ik veronderstel het,monseñor, en daarom had ik plan u een koop voor te slaan.”
»Een koop!” riep de Zoon des Bloeds verontwaardigd.
»Ja,monseñor,” antwoordde de ranchero onbeschaamd, »en een voordeeligen koop voor u, durf ik te zeggen.”
»En voor u dan?”
»Voor mij natuurlijk ook.”
De Zoon des Bloeds begon te lachen.
»Die man is gek,” zeide hij de schouders ophalende en vervolgde tegen zijne nicht: »hoe drommel kwam het u in het hoofd om mij dien kerel hier te brengen?”
»Kom,” riep de Witte-Gazelle, »gij kunt hem licht aanhooren, wat schaadt u dat?”
»Deseñoritaheeft gelijk,” riep de ranchero levendig, »hoor mij,monseñor, dat verbindt u tot niets; buitendien als mijn voorstel u niet bevalt, kunt gij immers altijd weigeren.”
»Dat ’s waar,” antwoordde de Zoon des Bloeds met minachting. »Kom spreek dan maar op,Picaro, maar een verzoek, maak het kort.”
»O, het is mijne gewoonte niet om lange praatjes te maken.”
»Kom, ter zake, ter zake!”
»De zaak is zoo,” hervatte de ranchero resoluut. »Gij wilt u,—ik weet niet waarom, en dat is mij volstrekt onverschillig—maar gijwilt u op den Roode-Ceder wreken, ik op mijne beurt, om redenen daar ik u niet meê zal lastig vallen, wil mij wreken op Fray Ambrosio, dat is duidelijk genoeg, niet waar?”
»Volkomen duidelijk. Ga voort.”
»Best. Nu kan ik u eenvoudig voorslaan, dat gij mij helpt mij te wreken aan den monnik, dan zal ik u helpen u te wreken aan den bandiet.”
»Daar heb ik uwe hulp niet bij noodig.”
»Misschien niet,monseñor, maar als ik niet vreesde al te vrijpostig te zijn, zou ik zelfs zeggen.…”
»Wat zoudt gij mij zeggen?”
»Dat gij mijne hulp niet missen kunt?”
»Voto aDios!” riep de andere met een schaterenden lach, »dat is erger dan gekscheren, die kerel komt bepaald om mij te bespotten.”
Andres Garote bleef met de grootste bedaardheid staan.
»Maar komaan, ga voort,” hervatte de Zoon des Bloeds, »het is veel vermakelijker dan ik zoo even dacht; en hoezoo kan ik u niet missen?”
»O! mijn hemel,monseñor, dat is dood eenvoudig, daar gij niet weet waar de Roode-Ceder gebleven is.”
»Dat is waar; ik heb hem sedert lang te vergeefs gezocht.”
»En ik zet het u hem te vinden, als ik u niet te hulp kom.”
»Weet gij dan waar hij is, gij?” riep de Zoon des Bloeds driftig zijn hoofd opstekende.
»Ha zoo! nu schijn ik voor u belangrijk te worden,monseñor,” zei de ranchero met een nurksch gezicht.
»Antwoord mij, ja of neen,” hernam de partijganger, woest, »weet gij waar hij is?”
»Ei! zou ik u dan ooit zijn komen opzoeken?”
De partijganger bedacht zich een oogenblik.
»Zeg mij waar hij is,” herhaalde hij.
»Gaat onze koop dan door?”
»Hij gaat door.”
»Zweert gij mij dat?”
»Op mijne eer.”
»Goed,” zei de andere vergenoegd, »luister dan nu.”
»Ik luister.”
»Gij weet zonder twijfel dat de Roode-Ceder en de Gids der Prairiën samen slaags zijn geweest?”
»Dat weet ik, ga voort.”
»Na den slag zocht iedereen een goed heenkomen. De Roode-Ceder was gewond; hij bracht het niet ver, en viel weldra in flauwte onder een boom neêr. De Franschman en zijne vrienden zochten hem overal; en ik geloof dat het hem slecht vergaan zou zijn als zij hem in handen hadden gekregen. Maar gelukkig voor hem had zijn paard hem midden in een dicht woud gevoerd, waar niemand hem dacht te vervolgen. Bij toeval, of liever door mijne geluksster zoo als ik nubegin te denken, kwam ik dien kant uit waar hij zich bevond; zijne dochter Ellen was bij hem en bood hem zooveel mogelijk hulp, ik was er wezenlijk van getroffen toen ik het zag. Hoe zij daar kwam weet ik niet, maar zooveel is zeker, zij was er.
»Zoodra ik den Roode-Ceder in de verte had gezien dacht ik een oogenblik om den jager op te sporen en hem mijne ontdekking mede te deelen.”
»Hum! waarom hebt gij zulk een gedachte niet dadelijk ten uitvoer gebracht, kerel?”
»Om eene zeer eenvoudige reden, maar die ik voor alles afdoende houd.”
»Laat mij die reden hooren,” riep de Zoon des Bloeds, die onwillekeurig in het verslag van den ranchero hoe langer zoo meer behagen vond, te meer daar het even koddig als flink werd voorgedragen.
»Ik zal u die zeggen,” hervatte Garote. »Don Valentin, zoo als hij heet, is ongemakkelijk, ik sta bij hem niet in den allerbesten reuk en bovendien was hij zoo dicht bezet met Comanchen en Apachen en dergelijk kanalje, dat ik om u de waarheid te zeggen bang werd en geen lust had om er mijne haren aan te wagen, die ik liefst wilde behouden. Ik bleef dus achter af, uit vrees dat ik zonder profijt de kastanjes voor anderen uit het vuur zou halen.”
»Zoo kwaad niet geredeneerd.”
»Niet waar,monseñor? Terwijl ik mij zoo stond te bedenken welke partij ik kiezen zou, kwam er een troep van tien of twaalf ruiters, ik weet niet van waar, op de plaats waar de Roode-Ceder half dood nederlag.”
»Is hij dan werkelijk gewond?”
»Ja, en ik durf zeggen gevaarlijk genoeg; aan het hoofd der ruiters was juist een Fransch missionaris, dien gij zoo ik meen kennen moet?”
»Pater Seraphin?”
»Dezelfde.”
»Wat heeft hij gedaan?”
»Iets dat ik in zijne plaats zijnde zeker niet zou gedaan hebben; hij heeft den Roode-Ceder opgenomen en weggevoerd.”
»O! dat is juist zijne wijze van doen,” riep de Zoon des Bloeds ondanks zich zelven. »En naar welke plaats heeft hij den gewonde vervoerd?”
»Naar een grot, daar ik u brengen zal, zoo gij dat wilt?”
»Liegt gij niet?”
»Neen,monseñor.”
»’t Is goed, ga nu slapen; gij kunt op mijne belofte rekenen indien gij getrouw zijt.”
»Dank u,monseñor, wees daar maar gerust op; al was ik niet gezind u getrouw te zijn, zou mijn eigen belang mij verbinden u niet te bedriegen.”
»Dat is waar.”
De ranchero verwijderde zich. Een half uur later sliep hij zoo gerust als ieder eerlijk man die meent dat hij zijn plicht gedaan heeft.
Den volgenden morgen met het krieken van den dag, trok de bende van den Zoon des Bloeds op marsch.
In de woestijn is het vaak zeer moeielijk te vinden wat men zoekt, uit hoofde van het zwervende leven dat iedereen ter zake van zelfbehoud verplicht is te voeren; de partijganger, die zich vooral met Valentin en diens vrienden wilde verstaan, verloor dus veel tijd eer hij met zekerheid wist waar hij met de zijnen kampeerde.
Eindelijk kwam een zijner veldontdekkers hem berichten dat de Franschman dien dag naar het winterdorp der Comanchen vertrokken was.
Hij richtte zich onmiddellijk naar dien kant.
Intusschen had de Zoon des Bloeds Andres Garote gelast om op al de bewegingen van den Roode-Ceder een wakend oog te houden, daar hij geen beslissende poging wilde wagen alvorens van zijne zaak zeker te zijn.
Hij had zich gemakkelijk bij pater Seraphin kunnen vervoegen om van dezen te vorderen hem den gewonde uit te leveren, maar dit middel stond hem zeer tegen de borst. Ook hij deelde in den eerbied dien men alom in het Verre Westen den missionaris toedroeg; hij zou hem nooit hebben durven vragen zijn gast aan hem uit te leveren, wel wetende dat dit verzoek bepaald zou worden van de hand gewezen; en aan den anderen kant zou hij ook in geen geval, om zijn doel te bereiken geweld hebben willen gebruiken, tegenover een man wiens karakter hij hoogschatte en bewonderde.
Hij moest dus wachten tot de Roode-Ceder van zijne wonden zou genezen zijn; hiertoe had de Zoon des Bloeds dan ook besloten en hij bepaalde zich, gelijk wij reeds gezegd hebben, tot het bespieden van al zijne gangen door Andres Garote.
Eindelijk, op zekeren dag, kwam laatstgenoemde met een verheugd gezicht in het kamp van den partijganger terug. Want hij bracht gewenschte tijding mede, namelijk, dat pater Seraphin den Roode-Ceder,na hem eerst genezen te hebben, in een jacal had gevestigd, waar hij thans met zijne dochter samen leefde als een kluizenaar.
De Zoon des Bloeds slaakte een kreet van blijdschap bij dit bericht en zonder zich eens den tijd te gunnen om behoorlijk na te denken, steeg hij te paard, liet het bevel over zijne bende en de orde in zijn kamp aan zijne nicht over en reed in vollen galop naar het dorp van den Eenhoorn.
De afstand was niet groot; de partijganger maakte dien in minder dan twee uren.
De Zoon des Bloeds was onder de Comanchen, die hij menigmaal goede diensten bewezen had, zeer gezien en bemind; ook werd hijmet alle eerbewijs en het in zulke gevallen gebruikelijk ceremonieel door hen ontvangen.
De Eenhoorn vergezeld van eenige der voornaamste stamhoofden, reed hem een eind ver buiten het dorp te gemoet, onder de gewone juichtonen, geweerschoten en ruiterstoeren.
De Zoon des Bloeds schikte zich goedwillig naar de wenschen van den Sachem en reed bij zijne komst terstond aan zijne zijde op.
De Comanchen zijn een zeer bescheiden volk en zullen aan hunne gasten nimmer vragen richten, tenzij dezen er hun eerst vrijheid toe geven.
Zoodra de Zoon des Bloeds bij het vuur voor de raadshut plaats genomen en de groote vredespijp gerookt had, boog de Eenhoorn plechtstatig en nam het woord:
»Mijn broeder het bleekgezicht is welkom bij zijne roode vrienden,” zeide hij. »Heeft mijn broeder eene goede jacht gemaakt?”
»De buffels zijn talrijk in de nabijheid der bergen,” antwoordde de Zoon des Bloeds, »mijne jongelingen hebben er velen van gedood.”
»Des te beter! mijn broeder zal dan geen hongersnood lijden.”
De partijganger boog ten bewijze van dank.
»Denkt mijn broeder vele dagen bij zijne roode vrienden te blijven?” vroeg het opperhoofd; »zij zouden zich gelukkig achten hem een tijdlang bij hen te zien.”
»Mijne uren zijn geteld,” antwoordde de Zoon des Bloeds; »mijn oogmerk was alleen om mijne vrienden te bezoeken en naar den voorspoed van hun dorp te vernemen terwijl ik voorbijkwam.”
Op dit oogenblik verscheen Valentin op den drempel der hut.
»Ziedaar mijn broeder Koutonepi,” zeide de Eenhoorn.
»Hij is mij welkom,” riep de partijganger; »ik heb zeer verlangd hem te zien.”
De beide blanken bogen voor elkander.
»Hoe vind ik u toevallig hier?” vroeg de jager.
»Om u te vertellen waar op dit oogenblik de Roode-Ceder zich bevindt,” antwoordde de partijganger onmiddellijk.
Valentin ontroerde en wierp den spreker een open maar doordringenden blik toe.
»O! welk een belangrijk bericht geeft gij mij daar,” riep hij.
»Ik geef het u niet, ik verkoop het u.”
»Zoo! verklaar u nader als ik u verzoeken mag.”
»Ik zal kort zijn. Er is in de gansche prairie niemand of hij heeft eene vreeselijke rekening te vorderen van dien bandiet, wat zegt gij er van?”
»Dat is waar.”
»Dat monster heeft de aarde te lang en te zwaar gedrukt, het is tijd dat zij er van verlost worde.”
Deze woorden werden door den Zoon des Bloeds op zulk een bitteren toon van haat uitgesproken, dat al de aanwezigen, ofschoonmannen met ijzeren zenuwen begaafd eene koude rilling door de aderen liep.
Valentin staarde den partijganger aan met een strengen uitvorschenden blik.
»Hebt gij hem zooveel te verwijten?” zeide hij.
»Meer dan ik kan uitspreken.”
»Goed, ga voort.”
Op dit oogenblik trad pater Seraphin de raadshut binnen doch zonder te worden opgemerkt, want aller oogen waren op den Zoon des Bloeds gevestigd.
De zendeling bleef in den donkersten hoek onbewegelijk staan en luisterde.
»Verneem wat ik u voorstel,” vervolgde de Zoon des Bloeds; »ik zal u te kennen geven waar de booswicht zich schuil houdt. Wij zullen ons naar alle kanten verspreiden om hem in een onverbiddelijken kring te besluiten, en zoo gij of een der hier aanwezige opperhoofden gelukkiger mocht zijn om hem te grijpen dan ik, zult gij hem aan mij uitleveren.”
»Om wat met hem te doen?”
»Om een schitterende wraak aan hem te nemen.”
»Dat kan ik u niet beloven,” antwoordde Valentin aarzelend.
»Waarom niet?”
»Om dezelfde reden zooeven door u genoemd; er is niemand in de woestijn die niet een vreeselijke rekening met dien onmensch te vereffenen heeft.”
»Welnu?”
»De man dien hij naar mijn gevoelen het grievendst beleedigd heeft is don Miguel de Zarate, wiens eenige dochter hij lafhartig vermoordde. Don Miguel heeft alleen recht om naar welgevallen over hem te beschikken.”
De partijganger was blijkbaar teleurgesteld.
»O! als hij hier was!” riep hij.
»Hier ben ik,” antwoordde dehacenderoop eens te voorschijn tredende, »ook ik heb eene bloedige schuld van den Roode-Ceder te vorderen, maar eene gerechte, groote en edele wraak, in het volle daglicht onder het oog van allen, ik wil hem niet vermoorden, ik wil hem straffen.”
»Goed!” riep de Zoon des Bloeds met een gesmoorden juichkreet; »wij hebben dezelfde gedachte, caballero; want het is mijn doel om de Lynchwet op den Roode-Ceder toe te passen; maar de Lynchwet in al hare gestrengheid, op de plaats zelve waar hij zijn eerste misdrijf heeft gepleegd, ten aanzien van het volk dat hij verschrikt heeft gemaakt; dat wil ik doen, caballero. In het Verre Westen heet ik niet alleen de Zoon des Bloeds, maar ook de Wreker der Gerechtigheid.”
Na deze woorden, met koortsachtige drift uitgesproken, werd het in de hut een geruime poos doodstil.
»Laat de wraak aan God over,” sprak op eens eene stem, die de aanwezigen deed sidderen.
Allen keken op.
Pater Seraphin stond in hun midden met een kruisbeeld in de hand. Met opgericht hoofd en bezielden blik scheen hij een oogenblik de vergadering te beheerschen door den indruk zijner evangelische zending.
»Met welk recht stelt gij u tot werktuigen der goddelijke gerechtigheid,” vervolgde hij. »Zoo die man schuldig was, wie zegt u dat hij op dezen oogenblik zijne zonden niet wenscht af te boeten door een oprecht berouw?”
»Oog om oog, tand om tand!” mompelde de Zoon des Bloeds, met eene sombere stem.
Vader Seraphin zag zich overwonnen; hij begreep dat alle redeneering schipbreuk zou lijden op deze bloeddorstige mannen voor wie het leven huns gelijken niets geldt en die de wraak tot eene deugd hebben verheven.
»Vaartwel,” zeide hij met eene treurige stem, »vaartwel, arme verdoolden! Mijn mond mag u niet vervloeken, ik kan u alleen beklagen; maar weet dat ik het slachtoffer, dat gij aan uwen wrekenden hartstocht wilt brengen, door alle mogelijke middelen aan uwe slagen zal zoeken te onttrekken. Vaartwel!”
Hij trad de hut uit.
Toen de eerste opschudding door deze verklaring te weeg gebracht, eenigszins bedaard was, naderde don Miguel den Zoon des Bloeds, drukte hem de rechterhand en sprak:
»Ik neem uw voorstel aan: de Lynch-wet.”
»Ja!” riepen al de aanwezigen, »de Lynch-wet!”
Eenige uren later keerde de Zoon des Bloeds naar zijn kamp terug.
Het was tengevolge van deze bijeenkomst dat Valentin don Pablo ging opsporen en op korten afstand van het dorp het gesprek met hem had dat wij aan het begin van dit boek vermeld hebben, toen wij den jongman van zijn bezoek bij Ellen in de hut van den Roode-Ceder, zagen terugkeeren.