XX.DE ROODE-CEDER.Nu wij gezien hebben wat er had plaats gehad gedurende de zes maanden tusschen den dood van dona Clara en het onderhoud van Valentin met don Pablo in de Berengrot, na het onweder, hervatten wij ons verhaal van het punt waar wij het aan het slot van ons derde hoofdstuk lieten rusten.Nauwelijks was de zoon van denhacenderoeenige minuten vertrokken of de deur der jacal werd met drift opengestooten en vier mannen traden binnen.Deze vier mannen waren de Roode-Ceder, Fray Ambrosio, Sutter en Nathan.Zij zagen er verdrietig en somber uit; het water liep hen met stralen uit de kleeren alsof zij uit de rivier kwamen.»Hola!” riep de monnik. »Wat is dat hier! geen vuur, geen licht, niets op tafel om ons te ontvangen! gij schijnt weinig om ons te geven, nina.”De Roode-Ceder gaf zijne dochter een kus op het voorhoofd, wierp Fray Ambrosio een zijdelingschen blik toe en zeide met eene ruwe stem.»Gij zijt hier bij mij te gast, vriend; laat ik u dat niet behoeven te herinneren; begin dus met mijne dochter beleefder te bejegenen, zoo gij niet wilt dat ik u op uwe plaats zet.”»Hum!” bromde de monnik, »’t is toch geen heilige monstrans, die jonge vrouw, dat gij terstond opstuift bij het eerste woord dat ik haar toespreek.”»Ik maak mij niet moeielijk,” antwoordde de Squatter barsch terwijl hij met de vuist op de tafel sloeg, »maar uwe manier van doen en spreken staat mij niet aan, en dat zeg ik u: laat ik het u niet behoeven te herhalen.”Fray Ambrosio sprak niet terug; hij begreep dat de Squatter in geen geschikte luim was om te redeneeren en wachtte zich dus voor iedere aanmerking die het verschil in een twist kon veranderen, iets dat hij des te minder verlangde daar de Squatter dien scheen te zoeken.Gedurende deze korte woordenwisseling had Ellen, door hare broeders geholpen een fakkel van kaarshout ontstoken, het vuur zooveel mogelijk opgerakeld en de tafel gedekt met een maal dat zoo al niet weelderig ten minste voldoende was.»Caballeros,” zeide zij met hare zachte stem, »gij zijt gediend.”De vier mannen namen plaats aan de tafel met al de drift van hongerige lieden die een lange vasten gehad hebben.Eer echter de Squatter het eerste stuk aan zijne lippen bracht, wendde hij zich tot zijne dochter.»Ellen!” zeide hij goedhartig.»Vader,” antwoordde zij, terstond bij hem komende, »wat verlangt gij? Ontbreekt er nog iets?”»Dat niet, kindje,” hernam hij, »ons ontbreekt niets, ik denk het ten minste niet.”»Wat is het dan?” vroeg zij min of meer verwonderd.»Waarom gaat gij ook niet zitten, zooals wij?” vroeg hij.»Neem mij niet kwalijk, vader, ik heb geen honger; het zou mij onmogelijk zijn een stukje te eten.”De Squatter zuchtte; maar zei verder niets en begon de gastente bedienen, terwijl Ellen zich in den donkersten hoek der jacal terugtrok.Het maal was treurig; de vier mannen schenen afgetrokken, zij aten schielijk en zwijgend.Toen hun honger verzadigd was staken zij hunne pijpen aan en begonnen te rooken.»Vader,” zei Nathan op eens terwijl de Roode-Ceder zwaarmoedig naar de rookwolkjes keek die uit zijne pijp naar het gewelf der jacal opstegen, »ik heb sporen ontdekt.”»Ik ook,” zei de monnik.»En ik ook,” zei de Squatter, »wat meer?”»Wat meer!” riep Fray Ambrosio; »canarios! Gij neemt het wel vroolijk op; sporen in de woestijn beteekenen altijd een vijand.”»Wat geef ik daarom?” zei de Roode-Ceder de schouders ophalende.»Hoedat, wat geef ik daarom?” riep de monnik terwijl hij bijna opsprong, »nu, die vind ik aardig, als men u hoort zou men zeggen dat gij er niets meê te maken hadt; is uw leven niet evenzeer in gevaar als het onze?”»Wie zegt u, dat ik het niet zou willen verdedigen?” antwoordde de Squatter, hem aanstarende met een blik die hem onwillekeurig de oogen deed neerslaan.»Hum!” riep de monnik na een poosje gezwegen te hebben; »dat gij niet veel om uw leven geeft kan ik begrijpen; gij hebt het lang genoeg op alle manieren gebruikt, om er niet over te treuren, tegen u in vrijheid gezegd; maar gij vergeet iets, vriendje, al wil ik mij zelven er buiten laten, zou ik toch recht hebben u eenige niet ongegronde verwijten te doen.”De Squatter schudde onverschillig de asch uit zijne pijp op de tafel uit, stopte haar op nieuw, stak haar aan en begon weder bedaard te rooken, zonder dat hij in ’t minst op het gezegde van den monnik scheen te letten.Deze fronste de wenkbrauwen en balde de vuisten, maar bedacht zich schier oogenblikkelijk en vervolgde met geveinsde onverschilligheid terwijl hij met zijn mes speelde:»Ja, vriend, gij vergeet eene zaak, daar gij intusschen wel eens om behoordet te denken.”»Wat dan?”»Uwe kinderen,caspita!”De Squatter schoot hem een spotachtigen blik toe.»O,por Dios Santo!” hervatte de monnik, »ik spreek hier niet van uwe zoons, dat zijn mannen, en altijd sterk en dapper genoeg om zich te weren als het noodig is; daar maak ik mij juist zoo ongerust niet over.”»Over wie maakt gij u dan ongerust?” vroeg de Squatter, hem strak aanziende.»Waar ik mij ongerust over maak!” herhaalde de monnik met zekere aarzeling.»Ja.”»Over uwe dochter Ellen, canarios! wat zal daarvan worden als gij dood zijt?” zeide de monnik met de stoutmoedigheid van vreesachtige lieden die dadelijk willen zien of de mijn die zij ontsteken niet verkeerd barsten zal.De Squatter schudde treurig het hoofd.»Dat is waar,” mompelde hij terwijl hij naar zijne dochter omzag.De monnik glimlachte, hij had doel getroffen en vervolgde:»Als gij u zelven prijs geeft, geeft gij haar op; uw onwil zou ook haar dood kunnen veroorzaken, wees dus op uwe hoede!”»Wat moet ik doen?” zei de Roode-Ceder.»Voorzorgen gebruiken, zoo als wij,Voto de Dios! Geloof mij toch, wij worden bespied; als gij nog langer hier blijft, begaat gij eene groote onvoorzichtigheid.”De beide zoons van den Squatter knikten toestemmend.»Dat onze vijanden ons op het spoor zijn, is ontegenzeggelijk,” merkte Sutter aan.»En dat zij ieder oogenblik hier kunnen zijn,” voegde Nathan er bij.»Gij hoort het,” zei de monnik.»Nog eens, wat moet ik doen?” vroeg de Roode-Ceder.»Caspita! verhuizen, zoodra mogelijk.”»Waar zal ik heen in dezen tijd van het jaar? weldra zal het gaan sneeuwen en dan is alle vervoer onmogelijk; de jacal te verlaten, is zooveel als van honger omkomen.”»Ja, als wij in de woestijn bleven,” zei de monnik met eene fleemende stem.»Waar wilt gij dan naar toe?” riep de Squatter.»Hoe weet ik dat? er zijn zeker steden genoeg op de Indiaansche grenzen denk ik, des noods zouden wij samen naar Paso del Norte kunnen terug keeren, daar hebben we althans vrienden en zijn we zeker van goed ontvangen te worden.”De Roode-Ceder keek hem strak aan en zeide ironisch.»Laat uwe gedachte voluit hooren,señorpadre; gij hebt een doel met naar Paso terug te willen; geef het mij te kennen.”»Caspita! gij weet er zooveel van als ik,” riep de monnik, »wat behoeven we zoo fijn te spelen, en elkander om den tuin te leiden.”De Squatter stond onstuimig op en stiet met den voet zijn stoel achteruit.»Gij hebt gelijk,” zeide hij toornig, »spelen wij met open kaart, dat is al wat ik verlang; en om u een voorbeeld te geven van openhartigheid verzoek ik u te luisteren. Gij hebt nooit het doel uit het oog verloren waarmede gij in de woestijn gekomen zijt. Gij hebt maar één oogmerk en ééne begeerte, namelijk de goudmijn, wier aanwezen gij ten koste van een moord hebt leeren kennen; om dat doelte bereiken zijn geen vermoeienissen u te zwaar, geen gevaren te groot; gij geeft het niet op tot welken prijs ook, de hoop om goud in te zamelen verblindt u en maakt u schier gek, is het waar of niet?”»’t Is waar,” antwoordde de monnik, »wat meer?”»Wat meer? dat zult ge hooren. Nu onze bende vernietigd of uiteengeslagen is, hebt gij aldus geredeneerd—op eene wijze, moet ik zeggen, die zoowel voor uwe schranderheid als voor de vastheid van uw karakter pleit,” vervolgde de Squatter met een bitteren glimlach—»ziehier uwe redeneering: De Roode-Ceder weet ten naaste bij waar de goudmijn ligt, ik moet hem zien te noodzaken met mij naar Paso del Norte te gaan, om er eene nieuwe bende te vormen, want laat ik hem alleen in de prairie, dan zal hij zoodra ik vertrokken ben den schat zoeken en den buit inzamelen die mij toebehoort. Heb ik het niet goed geraden? zeg, kameraad?”»Omtrent.” antwoordde de monnik inwendig verwoed dat hij zich zoo ontmaskeren zag.»’t Is immers zoo?” vervolgde de Squatter. »Nu; maar als alle slechte karakters, door merg en been bedorven, zijt gij uw doel voorbij geschoten door aan mij dezelfde lage begeerten toe te schrijven die gij bezit, en hebt gij gemeend dat ik een moordenaar zijnde, ook een dief wezen moest. Weet het wel,” riep hij stampvoetend, »dat al had ik den door u begeerden schat hier onder mijne voeten, ik niet bukken zou om er een stukje van op te rapen. Goud is mij niets waard, ik veracht het; toen ik instemde om u naar de mijn te geleiden hebt gij natuurlijk gemeend dat ik dit uit gierigheid deed, maar gij hebt u bedrogen, ik had toen een veel krachtiger en ten minste edeler doel: de wraak. Houd u dit thans voor gezegd en spreek mij nooit weer van uw vervloekte goudmijn, daar ik zooveel om geef als om eenavellana(een notendop). Hiermede goeden avond, compadre; ik ga slapen, of althans ik zal zien of ik kan slapen en ik raad u hetzelfde te doen.”En zonder het antwoord van den monnik af te wachten keerde de Squatter hem den rug toe en verwijderde zich naar een ander vertrek.Ellen had zich reeds lang ter ruste begeven.Fray Ambrosio bleef dus met de zoons van den Squatter alleen.Er volgden eenige minuten stilte tusschen hen.»Ba ba,” riep de monnik eindelijk onbezorgd, »hij mag weigeren zoo veel hij wil, maar hij zal moeten toegeven.”Sutter schudde twijfelmoedig het hoofd.»Neen,” riep hij, »gij kent den oude nog niet, als hij eens neen zegt, blijft het neen.”»Hm!” zei Nathan, »vader is sedert den laatsten tijd zeer veranderd, hij takelt af, en schijnt van zijn oude karakter alleen de stijfhoofdigheid behouden te hebben; ik vrees dat het u niet gelukken zal,señorpadre.”»Dat zullen wij zien!” zei de monnik luchtig. »Morgen wordt het weer dag; intusschen zullen wij zijn raad opvolgen en gaan slapen.”Tien minuten later was alles in de jacal in slaap of althans scheen te slapen.Het onweder duurde den ganschen nacht voort met onverzwakte woede en deed de wanden der hut kraken. Eerst tegen den morgen kwam de lucht tot bedaren.Met het krieken van den dag stond de Squatter op en trad naar de deur, om te zien welk weer het was.De morgenstond liet zich goed aanzien, de hemel was helder en de Roode-Ceder maakte zich gereed om naar de corral te gaan om zijn paard en die zijner gasten te zadelen.Eer hij de jacal uittrad keek hij naar buiten en liet hij zijn blik rondweiden.Op eens smoorde hij een uitroep van verrassing en deinsde schielijk terug.Hij had in de verte een ruiter bespeurd die met vollen teugel kwam aanrennen.»Vader Seraphin!” mompelde hij verwonderd, »welke gewichtige reden kan die hebben om op zulk een uur hier te komen en daarbij zooveel spoed te maken?”Op dit oogenblik traden de monnik en zijne zonen in het voorvertrek.De Squatter hoorde hunne stappen achter zich.Hij keerde zich driftig om.»Houdt u schuil! verbergt u!” riep hij met eene heesche stem.»Wat gebeurt er dan?” vroeg de monnik nieuwsgierig op hem afkomende.De Squatter gaf hem met de vuist een duw tegen de borst dat hij midden in de kamer stoof.»Hebt gij mij niet verstaan?” riep hij toornig.Hoe woest echter de Squatter hem had teruggewezen, was hij niet gezwind genoeg geweest om den monnik te beletten te zien wie er aankwam.»Ha! ha!” riep hij met een gemaakten lach, »vader Seraphin! Caspita! als onze vriend biechten wil had ik hem immers even goed kunnen helpen? hij behoefde het mij maar even te zeggen, dan had hij dien raaf uit Europa kunnen missen.”De Roode-Ceder keerde zich om alsof hem een adder gebeten had en keek de drie mannen met zulk een woesten blik aan, dat zij onwillekeurig terugdeinsden.»Ellendeling!” riep hij met eene holle stem en vreeselijk gebaar; »als ik mij niet ontzag zou ik u kunnen dooden als een hond! Maar ik waarschuw u, bij het minste woord dat gij tegen dien heiligen man durft zeggen, zal ik u levend villen! Verberg u, zeg ik u nog eens.”Door den dreigenden toon waarop de Squatter sprak tot inkeergebracht, gingen de drie mannen zonder een woord te zeggen de kamer uit.Drie minuten later hield pater Seraphin zijn paard in voor de deur der jacal en steeg af.De Roode-Ceder en zijne dochter kwamen hem met ijver te gemoet.Pater Seraphin trad de hut binnen en veegde zijn zweet af, dat hem van het voorhoofd droppelde.De Roode-Ceder bood hem een butacca (leuningstoel) aan.»Ga zitten, vader,” zeide hij, »gij zijt sterk bezweet; wilt gij niets gebruiken, om u te ververschen?”»Ik dank u,” antwoordde de zendeling; »wij hebben geen oogenblik te verliezen, hoor mij.”»Wat is er gaande, vader? waarom komt gij met zooveel haast hier?”»Helaas!” antwoordde hij, »gij wordt door een groot ongeluk bedreigd.”De Squatter verbleekte.»’t Is waar,” mompelde hij met een somberen blik, »de boete begint.”»Houdt moed, mijne kinderen!” zei de missionaris minzaam; »hoe, weet ik niet, maar uwe vijanden hebben uw schuilhoek ontdekt; morgen, heden wellicht, zijn zij hier; gij moet vluchten, vluchten zoodra mogelijk.”»Waarom zou ik?” mompelde de Squatter; »ik zie Gods vinger in alles, niemand kan zijn lot ontgaan; het is beter dat ik hier blijf.”Vader Seraphin zette een ernstig gezicht en zei met eene strenge stem:»God wil u zonder twijfel beproeven; maar u zelven moedeloos aan uwe doodvijanden over te leveren ware eene lafheid, een zelfmoord, dien de hemel u niet vergeven zou. Ieder die leeft moet zich verdedigen als men hem aanvalt, vlucht daarom, zeg ik, ik beveel het u.”De Squatter antwoordde niet.»Daarbij,” vervolgde pater Seraphin zooveel mogelijk op vroolijken toon, »misschien is het maar een voorbijgaande storm; als uwe vijanden u hier niet vinden, zullen zij zeker hunne vervolging laten varen en kunt gij binnen eenige dagen hier terugkeeren.”»Neen,” zei de Squatter neerslachtig, »’t is hun om mijn dood te doen. Daar gij het zoo verlangt, vader, zal ik u gehoorzamen, maar voor dat ik ga moet ik u om ééne gunst verzoeken.”»Spreek, mijn zoon.”»Ik voor mij,” hernam de Squatter met kwalijk verborgen ontroering, »ik ben een man; ik kan zonder te zwichten de zwaarste vermoeienissen doorstaan en de grootste gevaren trotseeren.…”»Ik begrijp u,” viel de missionaris hem met drift in de rede; »ik had reeds plan om uwe dochter onder mijne bescherming te nemen. Stel u deswege gerust, het zal haar aan niets ontbreken.”»O! ik dank u, ik dank u, vader!” riep de Squatter, op een toont dien men van zulk een man nooit zou verwacht hebben.Ellen had tot dusverre het gesprek stilzwijgend aangehoord; zij trad thans op eens tusschenbeide en zei met edelen ernst:»Ik ben u van ganscher harte dankbaar voor de goede bedoelingen die gij met mij hebt; maar ik kan mijn vader niet verlaten, ik zal hem overal volgen waar hij gaat, om hem te troosten en met christelijk geduld het leed te helpen dragen dat God over hem beschikt.”De beide mannen schenen gereed haar tegen te spreken en tot andere gedachten te willen brengen.»Laat af,” vervolgde zij met geestdrift; »heb ik tot hiertoe mijns vaders gedrag moeten lijden toen het schuldig was, thans, nu het berouw bij hem is ingetreden beklaag ik hem en heb hem des te meer lief; mijn besluit staat onherroepelijk vast.”Pater Seraphin zag haar met bewondering aan.»Goed, mijn kind.” zeide hij, »God zal uwe reine en edele trouw beloonen.”De Squatter sloot zijne dochter in zijne armen, buiten staat om een woord uit te brengen; zijne ziel was overstelpt van blijdschap, nooit had hij zich zoo zacht en zoo innig bewogen gevoeld.De missionaris stond op.»Vaartwel!” zeide hij, »hebt goeden moed; stelt uw vertrouwen op God, hij zal u niet verlaten; ik blijf voor u waken al ben ik afwezig. Vaartwel, mijne kinderen! ik geef u mijnen zegen! Vertrekt, vertrekt zonder uitstel.”Zich thans met geweld aan hunne armen ontrukkende, steeg vader Seraphin te paard, vierde den teugel en reed, na zijne beschermelingen een laatsten groet met de hand te hebben toegeworpen, spoorslags weg.»Ja,” mompelde de Squatter, »dat kon zoo niet lang duren, ik was al te gelukkig.”»Houd moed, vader!” zei Ellen zachtzinnig.Zij traden weêr in de jacal.Fray Ambrosio, Nathan en Sutter stonden hen in de voorkamer te wachten.»Zadelt de paarden,” zei de Squatter, »wij gaan.”»Wel!” fluisterde de monnik Sutter in ’t oor, »wat heb ik u gezegd, òf de duivel ons helpen zou!Canarios!hij kon ons niet vergeten, wij hebben te veel voor hem gedaan.”De toebereidselen om de jacal te verlaten vorderden niet veel tijd, een uurtje later waren de vijf personen reeds op weg.»Waar moeten wij heen?” vroeg de monnik.»Naar de bergen?” antwoordde de Squatter laconiek, terwijl hij een zwaarmoedigen blik terugwierp naar de armzalige hut, waar hij wellicht gehoopt had te sterven en die hij thans gedwongen werd vooraltijd te verlaten. Nauwelijks waren de vluchtelingen, op eenigen afstand, achter eene dichte massa boomen verdwenen, of aan de andere zijde verhief zich een wolk van stof aan den gezichteinder, en weldra verscheen er een troep van vijf ruiters in vollen galop.Die vijf ruiters waren Valentin en zijne vrienden.Het schijnt dat de jager omtrent de ligging der jacal bepaalde aanwijzing van den Zoon des Bloeds had ontvangen, want hij aarzelde geen oogenblik, maar reed er rechtstreeks op af.Don Pablo klopte het hart in den boezem alsof het wilde bersten, ondanks allen schijn van bedaardheid.»Hm!” riep Valentin toen hij de hut tot op tien passen genaderd was, »het is hier alles buitengemeen stil.”»De Squatter is zeker op de jacht,” merkte don Miguel aan, »wij zullen dus niemand vinden dan zijne dochter.”Valentin begon te meesmuilen.»Zoudt gij dat denken!” riep hij; »neen, neen, don Miguel, herinner u de woorden van pater Seraphin.”Generaal Ibanez was het eerst bij de jacal, hij steeg af en opende de deur.»Niemand!” zeide hij verwonderd.»Pardi!” riep Valentin, »ik dacht het wel dat de vogels gevlogen zouden zijn; maar ditmaal zullen zij wel slim moeten wezen als zij ons willen ontsnappen. Op weg! op weg! zij kunnen niet veraf zijn.”Zij reden weder voort.Curumilla alleen bleef een oogenblik achter; hij wierp een brandende fakkel in de hut, die weldra vuur vatte en afbrandde als een takkebos.»Het nest is uitgebrand,” mompelde de Indiaan terwijl hij zijne kameraden nareed.
XX.DE ROODE-CEDER.Nu wij gezien hebben wat er had plaats gehad gedurende de zes maanden tusschen den dood van dona Clara en het onderhoud van Valentin met don Pablo in de Berengrot, na het onweder, hervatten wij ons verhaal van het punt waar wij het aan het slot van ons derde hoofdstuk lieten rusten.Nauwelijks was de zoon van denhacenderoeenige minuten vertrokken of de deur der jacal werd met drift opengestooten en vier mannen traden binnen.Deze vier mannen waren de Roode-Ceder, Fray Ambrosio, Sutter en Nathan.Zij zagen er verdrietig en somber uit; het water liep hen met stralen uit de kleeren alsof zij uit de rivier kwamen.»Hola!” riep de monnik. »Wat is dat hier! geen vuur, geen licht, niets op tafel om ons te ontvangen! gij schijnt weinig om ons te geven, nina.”De Roode-Ceder gaf zijne dochter een kus op het voorhoofd, wierp Fray Ambrosio een zijdelingschen blik toe en zeide met eene ruwe stem.»Gij zijt hier bij mij te gast, vriend; laat ik u dat niet behoeven te herinneren; begin dus met mijne dochter beleefder te bejegenen, zoo gij niet wilt dat ik u op uwe plaats zet.”»Hum!” bromde de monnik, »’t is toch geen heilige monstrans, die jonge vrouw, dat gij terstond opstuift bij het eerste woord dat ik haar toespreek.”»Ik maak mij niet moeielijk,” antwoordde de Squatter barsch terwijl hij met de vuist op de tafel sloeg, »maar uwe manier van doen en spreken staat mij niet aan, en dat zeg ik u: laat ik het u niet behoeven te herhalen.”Fray Ambrosio sprak niet terug; hij begreep dat de Squatter in geen geschikte luim was om te redeneeren en wachtte zich dus voor iedere aanmerking die het verschil in een twist kon veranderen, iets dat hij des te minder verlangde daar de Squatter dien scheen te zoeken.Gedurende deze korte woordenwisseling had Ellen, door hare broeders geholpen een fakkel van kaarshout ontstoken, het vuur zooveel mogelijk opgerakeld en de tafel gedekt met een maal dat zoo al niet weelderig ten minste voldoende was.»Caballeros,” zeide zij met hare zachte stem, »gij zijt gediend.”De vier mannen namen plaats aan de tafel met al de drift van hongerige lieden die een lange vasten gehad hebben.Eer echter de Squatter het eerste stuk aan zijne lippen bracht, wendde hij zich tot zijne dochter.»Ellen!” zeide hij goedhartig.»Vader,” antwoordde zij, terstond bij hem komende, »wat verlangt gij? Ontbreekt er nog iets?”»Dat niet, kindje,” hernam hij, »ons ontbreekt niets, ik denk het ten minste niet.”»Wat is het dan?” vroeg zij min of meer verwonderd.»Waarom gaat gij ook niet zitten, zooals wij?” vroeg hij.»Neem mij niet kwalijk, vader, ik heb geen honger; het zou mij onmogelijk zijn een stukje te eten.”De Squatter zuchtte; maar zei verder niets en begon de gastente bedienen, terwijl Ellen zich in den donkersten hoek der jacal terugtrok.Het maal was treurig; de vier mannen schenen afgetrokken, zij aten schielijk en zwijgend.Toen hun honger verzadigd was staken zij hunne pijpen aan en begonnen te rooken.»Vader,” zei Nathan op eens terwijl de Roode-Ceder zwaarmoedig naar de rookwolkjes keek die uit zijne pijp naar het gewelf der jacal opstegen, »ik heb sporen ontdekt.”»Ik ook,” zei de monnik.»En ik ook,” zei de Squatter, »wat meer?”»Wat meer!” riep Fray Ambrosio; »canarios! Gij neemt het wel vroolijk op; sporen in de woestijn beteekenen altijd een vijand.”»Wat geef ik daarom?” zei de Roode-Ceder de schouders ophalende.»Hoedat, wat geef ik daarom?” riep de monnik terwijl hij bijna opsprong, »nu, die vind ik aardig, als men u hoort zou men zeggen dat gij er niets meê te maken hadt; is uw leven niet evenzeer in gevaar als het onze?”»Wie zegt u, dat ik het niet zou willen verdedigen?” antwoordde de Squatter, hem aanstarende met een blik die hem onwillekeurig de oogen deed neerslaan.»Hum!” riep de monnik na een poosje gezwegen te hebben; »dat gij niet veel om uw leven geeft kan ik begrijpen; gij hebt het lang genoeg op alle manieren gebruikt, om er niet over te treuren, tegen u in vrijheid gezegd; maar gij vergeet iets, vriendje, al wil ik mij zelven er buiten laten, zou ik toch recht hebben u eenige niet ongegronde verwijten te doen.”De Squatter schudde onverschillig de asch uit zijne pijp op de tafel uit, stopte haar op nieuw, stak haar aan en begon weder bedaard te rooken, zonder dat hij in ’t minst op het gezegde van den monnik scheen te letten.Deze fronste de wenkbrauwen en balde de vuisten, maar bedacht zich schier oogenblikkelijk en vervolgde met geveinsde onverschilligheid terwijl hij met zijn mes speelde:»Ja, vriend, gij vergeet eene zaak, daar gij intusschen wel eens om behoordet te denken.”»Wat dan?”»Uwe kinderen,caspita!”De Squatter schoot hem een spotachtigen blik toe.»O,por Dios Santo!” hervatte de monnik, »ik spreek hier niet van uwe zoons, dat zijn mannen, en altijd sterk en dapper genoeg om zich te weren als het noodig is; daar maak ik mij juist zoo ongerust niet over.”»Over wie maakt gij u dan ongerust?” vroeg de Squatter, hem strak aanziende.»Waar ik mij ongerust over maak!” herhaalde de monnik met zekere aarzeling.»Ja.”»Over uwe dochter Ellen, canarios! wat zal daarvan worden als gij dood zijt?” zeide de monnik met de stoutmoedigheid van vreesachtige lieden die dadelijk willen zien of de mijn die zij ontsteken niet verkeerd barsten zal.De Squatter schudde treurig het hoofd.»Dat is waar,” mompelde hij terwijl hij naar zijne dochter omzag.De monnik glimlachte, hij had doel getroffen en vervolgde:»Als gij u zelven prijs geeft, geeft gij haar op; uw onwil zou ook haar dood kunnen veroorzaken, wees dus op uwe hoede!”»Wat moet ik doen?” zei de Roode-Ceder.»Voorzorgen gebruiken, zoo als wij,Voto de Dios! Geloof mij toch, wij worden bespied; als gij nog langer hier blijft, begaat gij eene groote onvoorzichtigheid.”De beide zoons van den Squatter knikten toestemmend.»Dat onze vijanden ons op het spoor zijn, is ontegenzeggelijk,” merkte Sutter aan.»En dat zij ieder oogenblik hier kunnen zijn,” voegde Nathan er bij.»Gij hoort het,” zei de monnik.»Nog eens, wat moet ik doen?” vroeg de Roode-Ceder.»Caspita! verhuizen, zoodra mogelijk.”»Waar zal ik heen in dezen tijd van het jaar? weldra zal het gaan sneeuwen en dan is alle vervoer onmogelijk; de jacal te verlaten, is zooveel als van honger omkomen.”»Ja, als wij in de woestijn bleven,” zei de monnik met eene fleemende stem.»Waar wilt gij dan naar toe?” riep de Squatter.»Hoe weet ik dat? er zijn zeker steden genoeg op de Indiaansche grenzen denk ik, des noods zouden wij samen naar Paso del Norte kunnen terug keeren, daar hebben we althans vrienden en zijn we zeker van goed ontvangen te worden.”De Roode-Ceder keek hem strak aan en zeide ironisch.»Laat uwe gedachte voluit hooren,señorpadre; gij hebt een doel met naar Paso terug te willen; geef het mij te kennen.”»Caspita! gij weet er zooveel van als ik,” riep de monnik, »wat behoeven we zoo fijn te spelen, en elkander om den tuin te leiden.”De Squatter stond onstuimig op en stiet met den voet zijn stoel achteruit.»Gij hebt gelijk,” zeide hij toornig, »spelen wij met open kaart, dat is al wat ik verlang; en om u een voorbeeld te geven van openhartigheid verzoek ik u te luisteren. Gij hebt nooit het doel uit het oog verloren waarmede gij in de woestijn gekomen zijt. Gij hebt maar één oogmerk en ééne begeerte, namelijk de goudmijn, wier aanwezen gij ten koste van een moord hebt leeren kennen; om dat doelte bereiken zijn geen vermoeienissen u te zwaar, geen gevaren te groot; gij geeft het niet op tot welken prijs ook, de hoop om goud in te zamelen verblindt u en maakt u schier gek, is het waar of niet?”»’t Is waar,” antwoordde de monnik, »wat meer?”»Wat meer? dat zult ge hooren. Nu onze bende vernietigd of uiteengeslagen is, hebt gij aldus geredeneerd—op eene wijze, moet ik zeggen, die zoowel voor uwe schranderheid als voor de vastheid van uw karakter pleit,” vervolgde de Squatter met een bitteren glimlach—»ziehier uwe redeneering: De Roode-Ceder weet ten naaste bij waar de goudmijn ligt, ik moet hem zien te noodzaken met mij naar Paso del Norte te gaan, om er eene nieuwe bende te vormen, want laat ik hem alleen in de prairie, dan zal hij zoodra ik vertrokken ben den schat zoeken en den buit inzamelen die mij toebehoort. Heb ik het niet goed geraden? zeg, kameraad?”»Omtrent.” antwoordde de monnik inwendig verwoed dat hij zich zoo ontmaskeren zag.»’t Is immers zoo?” vervolgde de Squatter. »Nu; maar als alle slechte karakters, door merg en been bedorven, zijt gij uw doel voorbij geschoten door aan mij dezelfde lage begeerten toe te schrijven die gij bezit, en hebt gij gemeend dat ik een moordenaar zijnde, ook een dief wezen moest. Weet het wel,” riep hij stampvoetend, »dat al had ik den door u begeerden schat hier onder mijne voeten, ik niet bukken zou om er een stukje van op te rapen. Goud is mij niets waard, ik veracht het; toen ik instemde om u naar de mijn te geleiden hebt gij natuurlijk gemeend dat ik dit uit gierigheid deed, maar gij hebt u bedrogen, ik had toen een veel krachtiger en ten minste edeler doel: de wraak. Houd u dit thans voor gezegd en spreek mij nooit weer van uw vervloekte goudmijn, daar ik zooveel om geef als om eenavellana(een notendop). Hiermede goeden avond, compadre; ik ga slapen, of althans ik zal zien of ik kan slapen en ik raad u hetzelfde te doen.”En zonder het antwoord van den monnik af te wachten keerde de Squatter hem den rug toe en verwijderde zich naar een ander vertrek.Ellen had zich reeds lang ter ruste begeven.Fray Ambrosio bleef dus met de zoons van den Squatter alleen.Er volgden eenige minuten stilte tusschen hen.»Ba ba,” riep de monnik eindelijk onbezorgd, »hij mag weigeren zoo veel hij wil, maar hij zal moeten toegeven.”Sutter schudde twijfelmoedig het hoofd.»Neen,” riep hij, »gij kent den oude nog niet, als hij eens neen zegt, blijft het neen.”»Hm!” zei Nathan, »vader is sedert den laatsten tijd zeer veranderd, hij takelt af, en schijnt van zijn oude karakter alleen de stijfhoofdigheid behouden te hebben; ik vrees dat het u niet gelukken zal,señorpadre.”»Dat zullen wij zien!” zei de monnik luchtig. »Morgen wordt het weer dag; intusschen zullen wij zijn raad opvolgen en gaan slapen.”Tien minuten later was alles in de jacal in slaap of althans scheen te slapen.Het onweder duurde den ganschen nacht voort met onverzwakte woede en deed de wanden der hut kraken. Eerst tegen den morgen kwam de lucht tot bedaren.Met het krieken van den dag stond de Squatter op en trad naar de deur, om te zien welk weer het was.De morgenstond liet zich goed aanzien, de hemel was helder en de Roode-Ceder maakte zich gereed om naar de corral te gaan om zijn paard en die zijner gasten te zadelen.Eer hij de jacal uittrad keek hij naar buiten en liet hij zijn blik rondweiden.Op eens smoorde hij een uitroep van verrassing en deinsde schielijk terug.Hij had in de verte een ruiter bespeurd die met vollen teugel kwam aanrennen.»Vader Seraphin!” mompelde hij verwonderd, »welke gewichtige reden kan die hebben om op zulk een uur hier te komen en daarbij zooveel spoed te maken?”Op dit oogenblik traden de monnik en zijne zonen in het voorvertrek.De Squatter hoorde hunne stappen achter zich.Hij keerde zich driftig om.»Houdt u schuil! verbergt u!” riep hij met eene heesche stem.»Wat gebeurt er dan?” vroeg de monnik nieuwsgierig op hem afkomende.De Squatter gaf hem met de vuist een duw tegen de borst dat hij midden in de kamer stoof.»Hebt gij mij niet verstaan?” riep hij toornig.Hoe woest echter de Squatter hem had teruggewezen, was hij niet gezwind genoeg geweest om den monnik te beletten te zien wie er aankwam.»Ha! ha!” riep hij met een gemaakten lach, »vader Seraphin! Caspita! als onze vriend biechten wil had ik hem immers even goed kunnen helpen? hij behoefde het mij maar even te zeggen, dan had hij dien raaf uit Europa kunnen missen.”De Roode-Ceder keerde zich om alsof hem een adder gebeten had en keek de drie mannen met zulk een woesten blik aan, dat zij onwillekeurig terugdeinsden.»Ellendeling!” riep hij met eene holle stem en vreeselijk gebaar; »als ik mij niet ontzag zou ik u kunnen dooden als een hond! Maar ik waarschuw u, bij het minste woord dat gij tegen dien heiligen man durft zeggen, zal ik u levend villen! Verberg u, zeg ik u nog eens.”Door den dreigenden toon waarop de Squatter sprak tot inkeergebracht, gingen de drie mannen zonder een woord te zeggen de kamer uit.Drie minuten later hield pater Seraphin zijn paard in voor de deur der jacal en steeg af.De Roode-Ceder en zijne dochter kwamen hem met ijver te gemoet.Pater Seraphin trad de hut binnen en veegde zijn zweet af, dat hem van het voorhoofd droppelde.De Roode-Ceder bood hem een butacca (leuningstoel) aan.»Ga zitten, vader,” zeide hij, »gij zijt sterk bezweet; wilt gij niets gebruiken, om u te ververschen?”»Ik dank u,” antwoordde de zendeling; »wij hebben geen oogenblik te verliezen, hoor mij.”»Wat is er gaande, vader? waarom komt gij met zooveel haast hier?”»Helaas!” antwoordde hij, »gij wordt door een groot ongeluk bedreigd.”De Squatter verbleekte.»’t Is waar,” mompelde hij met een somberen blik, »de boete begint.”»Houdt moed, mijne kinderen!” zei de missionaris minzaam; »hoe, weet ik niet, maar uwe vijanden hebben uw schuilhoek ontdekt; morgen, heden wellicht, zijn zij hier; gij moet vluchten, vluchten zoodra mogelijk.”»Waarom zou ik?” mompelde de Squatter; »ik zie Gods vinger in alles, niemand kan zijn lot ontgaan; het is beter dat ik hier blijf.”Vader Seraphin zette een ernstig gezicht en zei met eene strenge stem:»God wil u zonder twijfel beproeven; maar u zelven moedeloos aan uwe doodvijanden over te leveren ware eene lafheid, een zelfmoord, dien de hemel u niet vergeven zou. Ieder die leeft moet zich verdedigen als men hem aanvalt, vlucht daarom, zeg ik, ik beveel het u.”De Squatter antwoordde niet.»Daarbij,” vervolgde pater Seraphin zooveel mogelijk op vroolijken toon, »misschien is het maar een voorbijgaande storm; als uwe vijanden u hier niet vinden, zullen zij zeker hunne vervolging laten varen en kunt gij binnen eenige dagen hier terugkeeren.”»Neen,” zei de Squatter neerslachtig, »’t is hun om mijn dood te doen. Daar gij het zoo verlangt, vader, zal ik u gehoorzamen, maar voor dat ik ga moet ik u om ééne gunst verzoeken.”»Spreek, mijn zoon.”»Ik voor mij,” hernam de Squatter met kwalijk verborgen ontroering, »ik ben een man; ik kan zonder te zwichten de zwaarste vermoeienissen doorstaan en de grootste gevaren trotseeren.…”»Ik begrijp u,” viel de missionaris hem met drift in de rede; »ik had reeds plan om uwe dochter onder mijne bescherming te nemen. Stel u deswege gerust, het zal haar aan niets ontbreken.”»O! ik dank u, ik dank u, vader!” riep de Squatter, op een toont dien men van zulk een man nooit zou verwacht hebben.Ellen had tot dusverre het gesprek stilzwijgend aangehoord; zij trad thans op eens tusschenbeide en zei met edelen ernst:»Ik ben u van ganscher harte dankbaar voor de goede bedoelingen die gij met mij hebt; maar ik kan mijn vader niet verlaten, ik zal hem overal volgen waar hij gaat, om hem te troosten en met christelijk geduld het leed te helpen dragen dat God over hem beschikt.”De beide mannen schenen gereed haar tegen te spreken en tot andere gedachten te willen brengen.»Laat af,” vervolgde zij met geestdrift; »heb ik tot hiertoe mijns vaders gedrag moeten lijden toen het schuldig was, thans, nu het berouw bij hem is ingetreden beklaag ik hem en heb hem des te meer lief; mijn besluit staat onherroepelijk vast.”Pater Seraphin zag haar met bewondering aan.»Goed, mijn kind.” zeide hij, »God zal uwe reine en edele trouw beloonen.”De Squatter sloot zijne dochter in zijne armen, buiten staat om een woord uit te brengen; zijne ziel was overstelpt van blijdschap, nooit had hij zich zoo zacht en zoo innig bewogen gevoeld.De missionaris stond op.»Vaartwel!” zeide hij, »hebt goeden moed; stelt uw vertrouwen op God, hij zal u niet verlaten; ik blijf voor u waken al ben ik afwezig. Vaartwel, mijne kinderen! ik geef u mijnen zegen! Vertrekt, vertrekt zonder uitstel.”Zich thans met geweld aan hunne armen ontrukkende, steeg vader Seraphin te paard, vierde den teugel en reed, na zijne beschermelingen een laatsten groet met de hand te hebben toegeworpen, spoorslags weg.»Ja,” mompelde de Squatter, »dat kon zoo niet lang duren, ik was al te gelukkig.”»Houd moed, vader!” zei Ellen zachtzinnig.Zij traden weêr in de jacal.Fray Ambrosio, Nathan en Sutter stonden hen in de voorkamer te wachten.»Zadelt de paarden,” zei de Squatter, »wij gaan.”»Wel!” fluisterde de monnik Sutter in ’t oor, »wat heb ik u gezegd, òf de duivel ons helpen zou!Canarios!hij kon ons niet vergeten, wij hebben te veel voor hem gedaan.”De toebereidselen om de jacal te verlaten vorderden niet veel tijd, een uurtje later waren de vijf personen reeds op weg.»Waar moeten wij heen?” vroeg de monnik.»Naar de bergen?” antwoordde de Squatter laconiek, terwijl hij een zwaarmoedigen blik terugwierp naar de armzalige hut, waar hij wellicht gehoopt had te sterven en die hij thans gedwongen werd vooraltijd te verlaten. Nauwelijks waren de vluchtelingen, op eenigen afstand, achter eene dichte massa boomen verdwenen, of aan de andere zijde verhief zich een wolk van stof aan den gezichteinder, en weldra verscheen er een troep van vijf ruiters in vollen galop.Die vijf ruiters waren Valentin en zijne vrienden.Het schijnt dat de jager omtrent de ligging der jacal bepaalde aanwijzing van den Zoon des Bloeds had ontvangen, want hij aarzelde geen oogenblik, maar reed er rechtstreeks op af.Don Pablo klopte het hart in den boezem alsof het wilde bersten, ondanks allen schijn van bedaardheid.»Hm!” riep Valentin toen hij de hut tot op tien passen genaderd was, »het is hier alles buitengemeen stil.”»De Squatter is zeker op de jacht,” merkte don Miguel aan, »wij zullen dus niemand vinden dan zijne dochter.”Valentin begon te meesmuilen.»Zoudt gij dat denken!” riep hij; »neen, neen, don Miguel, herinner u de woorden van pater Seraphin.”Generaal Ibanez was het eerst bij de jacal, hij steeg af en opende de deur.»Niemand!” zeide hij verwonderd.»Pardi!” riep Valentin, »ik dacht het wel dat de vogels gevlogen zouden zijn; maar ditmaal zullen zij wel slim moeten wezen als zij ons willen ontsnappen. Op weg! op weg! zij kunnen niet veraf zijn.”Zij reden weder voort.Curumilla alleen bleef een oogenblik achter; hij wierp een brandende fakkel in de hut, die weldra vuur vatte en afbrandde als een takkebos.»Het nest is uitgebrand,” mompelde de Indiaan terwijl hij zijne kameraden nareed.
XX.DE ROODE-CEDER.
Nu wij gezien hebben wat er had plaats gehad gedurende de zes maanden tusschen den dood van dona Clara en het onderhoud van Valentin met don Pablo in de Berengrot, na het onweder, hervatten wij ons verhaal van het punt waar wij het aan het slot van ons derde hoofdstuk lieten rusten.Nauwelijks was de zoon van denhacenderoeenige minuten vertrokken of de deur der jacal werd met drift opengestooten en vier mannen traden binnen.Deze vier mannen waren de Roode-Ceder, Fray Ambrosio, Sutter en Nathan.Zij zagen er verdrietig en somber uit; het water liep hen met stralen uit de kleeren alsof zij uit de rivier kwamen.»Hola!” riep de monnik. »Wat is dat hier! geen vuur, geen licht, niets op tafel om ons te ontvangen! gij schijnt weinig om ons te geven, nina.”De Roode-Ceder gaf zijne dochter een kus op het voorhoofd, wierp Fray Ambrosio een zijdelingschen blik toe en zeide met eene ruwe stem.»Gij zijt hier bij mij te gast, vriend; laat ik u dat niet behoeven te herinneren; begin dus met mijne dochter beleefder te bejegenen, zoo gij niet wilt dat ik u op uwe plaats zet.”»Hum!” bromde de monnik, »’t is toch geen heilige monstrans, die jonge vrouw, dat gij terstond opstuift bij het eerste woord dat ik haar toespreek.”»Ik maak mij niet moeielijk,” antwoordde de Squatter barsch terwijl hij met de vuist op de tafel sloeg, »maar uwe manier van doen en spreken staat mij niet aan, en dat zeg ik u: laat ik het u niet behoeven te herhalen.”Fray Ambrosio sprak niet terug; hij begreep dat de Squatter in geen geschikte luim was om te redeneeren en wachtte zich dus voor iedere aanmerking die het verschil in een twist kon veranderen, iets dat hij des te minder verlangde daar de Squatter dien scheen te zoeken.Gedurende deze korte woordenwisseling had Ellen, door hare broeders geholpen een fakkel van kaarshout ontstoken, het vuur zooveel mogelijk opgerakeld en de tafel gedekt met een maal dat zoo al niet weelderig ten minste voldoende was.»Caballeros,” zeide zij met hare zachte stem, »gij zijt gediend.”De vier mannen namen plaats aan de tafel met al de drift van hongerige lieden die een lange vasten gehad hebben.Eer echter de Squatter het eerste stuk aan zijne lippen bracht, wendde hij zich tot zijne dochter.»Ellen!” zeide hij goedhartig.»Vader,” antwoordde zij, terstond bij hem komende, »wat verlangt gij? Ontbreekt er nog iets?”»Dat niet, kindje,” hernam hij, »ons ontbreekt niets, ik denk het ten minste niet.”»Wat is het dan?” vroeg zij min of meer verwonderd.»Waarom gaat gij ook niet zitten, zooals wij?” vroeg hij.»Neem mij niet kwalijk, vader, ik heb geen honger; het zou mij onmogelijk zijn een stukje te eten.”De Squatter zuchtte; maar zei verder niets en begon de gastente bedienen, terwijl Ellen zich in den donkersten hoek der jacal terugtrok.Het maal was treurig; de vier mannen schenen afgetrokken, zij aten schielijk en zwijgend.Toen hun honger verzadigd was staken zij hunne pijpen aan en begonnen te rooken.»Vader,” zei Nathan op eens terwijl de Roode-Ceder zwaarmoedig naar de rookwolkjes keek die uit zijne pijp naar het gewelf der jacal opstegen, »ik heb sporen ontdekt.”»Ik ook,” zei de monnik.»En ik ook,” zei de Squatter, »wat meer?”»Wat meer!” riep Fray Ambrosio; »canarios! Gij neemt het wel vroolijk op; sporen in de woestijn beteekenen altijd een vijand.”»Wat geef ik daarom?” zei de Roode-Ceder de schouders ophalende.»Hoedat, wat geef ik daarom?” riep de monnik terwijl hij bijna opsprong, »nu, die vind ik aardig, als men u hoort zou men zeggen dat gij er niets meê te maken hadt; is uw leven niet evenzeer in gevaar als het onze?”»Wie zegt u, dat ik het niet zou willen verdedigen?” antwoordde de Squatter, hem aanstarende met een blik die hem onwillekeurig de oogen deed neerslaan.»Hum!” riep de monnik na een poosje gezwegen te hebben; »dat gij niet veel om uw leven geeft kan ik begrijpen; gij hebt het lang genoeg op alle manieren gebruikt, om er niet over te treuren, tegen u in vrijheid gezegd; maar gij vergeet iets, vriendje, al wil ik mij zelven er buiten laten, zou ik toch recht hebben u eenige niet ongegronde verwijten te doen.”De Squatter schudde onverschillig de asch uit zijne pijp op de tafel uit, stopte haar op nieuw, stak haar aan en begon weder bedaard te rooken, zonder dat hij in ’t minst op het gezegde van den monnik scheen te letten.Deze fronste de wenkbrauwen en balde de vuisten, maar bedacht zich schier oogenblikkelijk en vervolgde met geveinsde onverschilligheid terwijl hij met zijn mes speelde:»Ja, vriend, gij vergeet eene zaak, daar gij intusschen wel eens om behoordet te denken.”»Wat dan?”»Uwe kinderen,caspita!”De Squatter schoot hem een spotachtigen blik toe.»O,por Dios Santo!” hervatte de monnik, »ik spreek hier niet van uwe zoons, dat zijn mannen, en altijd sterk en dapper genoeg om zich te weren als het noodig is; daar maak ik mij juist zoo ongerust niet over.”»Over wie maakt gij u dan ongerust?” vroeg de Squatter, hem strak aanziende.»Waar ik mij ongerust over maak!” herhaalde de monnik met zekere aarzeling.»Ja.”»Over uwe dochter Ellen, canarios! wat zal daarvan worden als gij dood zijt?” zeide de monnik met de stoutmoedigheid van vreesachtige lieden die dadelijk willen zien of de mijn die zij ontsteken niet verkeerd barsten zal.De Squatter schudde treurig het hoofd.»Dat is waar,” mompelde hij terwijl hij naar zijne dochter omzag.De monnik glimlachte, hij had doel getroffen en vervolgde:»Als gij u zelven prijs geeft, geeft gij haar op; uw onwil zou ook haar dood kunnen veroorzaken, wees dus op uwe hoede!”»Wat moet ik doen?” zei de Roode-Ceder.»Voorzorgen gebruiken, zoo als wij,Voto de Dios! Geloof mij toch, wij worden bespied; als gij nog langer hier blijft, begaat gij eene groote onvoorzichtigheid.”De beide zoons van den Squatter knikten toestemmend.»Dat onze vijanden ons op het spoor zijn, is ontegenzeggelijk,” merkte Sutter aan.»En dat zij ieder oogenblik hier kunnen zijn,” voegde Nathan er bij.»Gij hoort het,” zei de monnik.»Nog eens, wat moet ik doen?” vroeg de Roode-Ceder.»Caspita! verhuizen, zoodra mogelijk.”»Waar zal ik heen in dezen tijd van het jaar? weldra zal het gaan sneeuwen en dan is alle vervoer onmogelijk; de jacal te verlaten, is zooveel als van honger omkomen.”»Ja, als wij in de woestijn bleven,” zei de monnik met eene fleemende stem.»Waar wilt gij dan naar toe?” riep de Squatter.»Hoe weet ik dat? er zijn zeker steden genoeg op de Indiaansche grenzen denk ik, des noods zouden wij samen naar Paso del Norte kunnen terug keeren, daar hebben we althans vrienden en zijn we zeker van goed ontvangen te worden.”De Roode-Ceder keek hem strak aan en zeide ironisch.»Laat uwe gedachte voluit hooren,señorpadre; gij hebt een doel met naar Paso terug te willen; geef het mij te kennen.”»Caspita! gij weet er zooveel van als ik,” riep de monnik, »wat behoeven we zoo fijn te spelen, en elkander om den tuin te leiden.”De Squatter stond onstuimig op en stiet met den voet zijn stoel achteruit.»Gij hebt gelijk,” zeide hij toornig, »spelen wij met open kaart, dat is al wat ik verlang; en om u een voorbeeld te geven van openhartigheid verzoek ik u te luisteren. Gij hebt nooit het doel uit het oog verloren waarmede gij in de woestijn gekomen zijt. Gij hebt maar één oogmerk en ééne begeerte, namelijk de goudmijn, wier aanwezen gij ten koste van een moord hebt leeren kennen; om dat doelte bereiken zijn geen vermoeienissen u te zwaar, geen gevaren te groot; gij geeft het niet op tot welken prijs ook, de hoop om goud in te zamelen verblindt u en maakt u schier gek, is het waar of niet?”»’t Is waar,” antwoordde de monnik, »wat meer?”»Wat meer? dat zult ge hooren. Nu onze bende vernietigd of uiteengeslagen is, hebt gij aldus geredeneerd—op eene wijze, moet ik zeggen, die zoowel voor uwe schranderheid als voor de vastheid van uw karakter pleit,” vervolgde de Squatter met een bitteren glimlach—»ziehier uwe redeneering: De Roode-Ceder weet ten naaste bij waar de goudmijn ligt, ik moet hem zien te noodzaken met mij naar Paso del Norte te gaan, om er eene nieuwe bende te vormen, want laat ik hem alleen in de prairie, dan zal hij zoodra ik vertrokken ben den schat zoeken en den buit inzamelen die mij toebehoort. Heb ik het niet goed geraden? zeg, kameraad?”»Omtrent.” antwoordde de monnik inwendig verwoed dat hij zich zoo ontmaskeren zag.»’t Is immers zoo?” vervolgde de Squatter. »Nu; maar als alle slechte karakters, door merg en been bedorven, zijt gij uw doel voorbij geschoten door aan mij dezelfde lage begeerten toe te schrijven die gij bezit, en hebt gij gemeend dat ik een moordenaar zijnde, ook een dief wezen moest. Weet het wel,” riep hij stampvoetend, »dat al had ik den door u begeerden schat hier onder mijne voeten, ik niet bukken zou om er een stukje van op te rapen. Goud is mij niets waard, ik veracht het; toen ik instemde om u naar de mijn te geleiden hebt gij natuurlijk gemeend dat ik dit uit gierigheid deed, maar gij hebt u bedrogen, ik had toen een veel krachtiger en ten minste edeler doel: de wraak. Houd u dit thans voor gezegd en spreek mij nooit weer van uw vervloekte goudmijn, daar ik zooveel om geef als om eenavellana(een notendop). Hiermede goeden avond, compadre; ik ga slapen, of althans ik zal zien of ik kan slapen en ik raad u hetzelfde te doen.”En zonder het antwoord van den monnik af te wachten keerde de Squatter hem den rug toe en verwijderde zich naar een ander vertrek.Ellen had zich reeds lang ter ruste begeven.Fray Ambrosio bleef dus met de zoons van den Squatter alleen.Er volgden eenige minuten stilte tusschen hen.»Ba ba,” riep de monnik eindelijk onbezorgd, »hij mag weigeren zoo veel hij wil, maar hij zal moeten toegeven.”Sutter schudde twijfelmoedig het hoofd.»Neen,” riep hij, »gij kent den oude nog niet, als hij eens neen zegt, blijft het neen.”»Hm!” zei Nathan, »vader is sedert den laatsten tijd zeer veranderd, hij takelt af, en schijnt van zijn oude karakter alleen de stijfhoofdigheid behouden te hebben; ik vrees dat het u niet gelukken zal,señorpadre.”»Dat zullen wij zien!” zei de monnik luchtig. »Morgen wordt het weer dag; intusschen zullen wij zijn raad opvolgen en gaan slapen.”Tien minuten later was alles in de jacal in slaap of althans scheen te slapen.Het onweder duurde den ganschen nacht voort met onverzwakte woede en deed de wanden der hut kraken. Eerst tegen den morgen kwam de lucht tot bedaren.Met het krieken van den dag stond de Squatter op en trad naar de deur, om te zien welk weer het was.De morgenstond liet zich goed aanzien, de hemel was helder en de Roode-Ceder maakte zich gereed om naar de corral te gaan om zijn paard en die zijner gasten te zadelen.Eer hij de jacal uittrad keek hij naar buiten en liet hij zijn blik rondweiden.Op eens smoorde hij een uitroep van verrassing en deinsde schielijk terug.Hij had in de verte een ruiter bespeurd die met vollen teugel kwam aanrennen.»Vader Seraphin!” mompelde hij verwonderd, »welke gewichtige reden kan die hebben om op zulk een uur hier te komen en daarbij zooveel spoed te maken?”Op dit oogenblik traden de monnik en zijne zonen in het voorvertrek.De Squatter hoorde hunne stappen achter zich.Hij keerde zich driftig om.»Houdt u schuil! verbergt u!” riep hij met eene heesche stem.»Wat gebeurt er dan?” vroeg de monnik nieuwsgierig op hem afkomende.De Squatter gaf hem met de vuist een duw tegen de borst dat hij midden in de kamer stoof.»Hebt gij mij niet verstaan?” riep hij toornig.Hoe woest echter de Squatter hem had teruggewezen, was hij niet gezwind genoeg geweest om den monnik te beletten te zien wie er aankwam.»Ha! ha!” riep hij met een gemaakten lach, »vader Seraphin! Caspita! als onze vriend biechten wil had ik hem immers even goed kunnen helpen? hij behoefde het mij maar even te zeggen, dan had hij dien raaf uit Europa kunnen missen.”De Roode-Ceder keerde zich om alsof hem een adder gebeten had en keek de drie mannen met zulk een woesten blik aan, dat zij onwillekeurig terugdeinsden.»Ellendeling!” riep hij met eene holle stem en vreeselijk gebaar; »als ik mij niet ontzag zou ik u kunnen dooden als een hond! Maar ik waarschuw u, bij het minste woord dat gij tegen dien heiligen man durft zeggen, zal ik u levend villen! Verberg u, zeg ik u nog eens.”Door den dreigenden toon waarop de Squatter sprak tot inkeergebracht, gingen de drie mannen zonder een woord te zeggen de kamer uit.Drie minuten later hield pater Seraphin zijn paard in voor de deur der jacal en steeg af.De Roode-Ceder en zijne dochter kwamen hem met ijver te gemoet.Pater Seraphin trad de hut binnen en veegde zijn zweet af, dat hem van het voorhoofd droppelde.De Roode-Ceder bood hem een butacca (leuningstoel) aan.»Ga zitten, vader,” zeide hij, »gij zijt sterk bezweet; wilt gij niets gebruiken, om u te ververschen?”»Ik dank u,” antwoordde de zendeling; »wij hebben geen oogenblik te verliezen, hoor mij.”»Wat is er gaande, vader? waarom komt gij met zooveel haast hier?”»Helaas!” antwoordde hij, »gij wordt door een groot ongeluk bedreigd.”De Squatter verbleekte.»’t Is waar,” mompelde hij met een somberen blik, »de boete begint.”»Houdt moed, mijne kinderen!” zei de missionaris minzaam; »hoe, weet ik niet, maar uwe vijanden hebben uw schuilhoek ontdekt; morgen, heden wellicht, zijn zij hier; gij moet vluchten, vluchten zoodra mogelijk.”»Waarom zou ik?” mompelde de Squatter; »ik zie Gods vinger in alles, niemand kan zijn lot ontgaan; het is beter dat ik hier blijf.”Vader Seraphin zette een ernstig gezicht en zei met eene strenge stem:»God wil u zonder twijfel beproeven; maar u zelven moedeloos aan uwe doodvijanden over te leveren ware eene lafheid, een zelfmoord, dien de hemel u niet vergeven zou. Ieder die leeft moet zich verdedigen als men hem aanvalt, vlucht daarom, zeg ik, ik beveel het u.”De Squatter antwoordde niet.»Daarbij,” vervolgde pater Seraphin zooveel mogelijk op vroolijken toon, »misschien is het maar een voorbijgaande storm; als uwe vijanden u hier niet vinden, zullen zij zeker hunne vervolging laten varen en kunt gij binnen eenige dagen hier terugkeeren.”»Neen,” zei de Squatter neerslachtig, »’t is hun om mijn dood te doen. Daar gij het zoo verlangt, vader, zal ik u gehoorzamen, maar voor dat ik ga moet ik u om ééne gunst verzoeken.”»Spreek, mijn zoon.”»Ik voor mij,” hernam de Squatter met kwalijk verborgen ontroering, »ik ben een man; ik kan zonder te zwichten de zwaarste vermoeienissen doorstaan en de grootste gevaren trotseeren.…”»Ik begrijp u,” viel de missionaris hem met drift in de rede; »ik had reeds plan om uwe dochter onder mijne bescherming te nemen. Stel u deswege gerust, het zal haar aan niets ontbreken.”»O! ik dank u, ik dank u, vader!” riep de Squatter, op een toont dien men van zulk een man nooit zou verwacht hebben.Ellen had tot dusverre het gesprek stilzwijgend aangehoord; zij trad thans op eens tusschenbeide en zei met edelen ernst:»Ik ben u van ganscher harte dankbaar voor de goede bedoelingen die gij met mij hebt; maar ik kan mijn vader niet verlaten, ik zal hem overal volgen waar hij gaat, om hem te troosten en met christelijk geduld het leed te helpen dragen dat God over hem beschikt.”De beide mannen schenen gereed haar tegen te spreken en tot andere gedachten te willen brengen.»Laat af,” vervolgde zij met geestdrift; »heb ik tot hiertoe mijns vaders gedrag moeten lijden toen het schuldig was, thans, nu het berouw bij hem is ingetreden beklaag ik hem en heb hem des te meer lief; mijn besluit staat onherroepelijk vast.”Pater Seraphin zag haar met bewondering aan.»Goed, mijn kind.” zeide hij, »God zal uwe reine en edele trouw beloonen.”De Squatter sloot zijne dochter in zijne armen, buiten staat om een woord uit te brengen; zijne ziel was overstelpt van blijdschap, nooit had hij zich zoo zacht en zoo innig bewogen gevoeld.De missionaris stond op.»Vaartwel!” zeide hij, »hebt goeden moed; stelt uw vertrouwen op God, hij zal u niet verlaten; ik blijf voor u waken al ben ik afwezig. Vaartwel, mijne kinderen! ik geef u mijnen zegen! Vertrekt, vertrekt zonder uitstel.”Zich thans met geweld aan hunne armen ontrukkende, steeg vader Seraphin te paard, vierde den teugel en reed, na zijne beschermelingen een laatsten groet met de hand te hebben toegeworpen, spoorslags weg.»Ja,” mompelde de Squatter, »dat kon zoo niet lang duren, ik was al te gelukkig.”»Houd moed, vader!” zei Ellen zachtzinnig.Zij traden weêr in de jacal.Fray Ambrosio, Nathan en Sutter stonden hen in de voorkamer te wachten.»Zadelt de paarden,” zei de Squatter, »wij gaan.”»Wel!” fluisterde de monnik Sutter in ’t oor, »wat heb ik u gezegd, òf de duivel ons helpen zou!Canarios!hij kon ons niet vergeten, wij hebben te veel voor hem gedaan.”De toebereidselen om de jacal te verlaten vorderden niet veel tijd, een uurtje later waren de vijf personen reeds op weg.»Waar moeten wij heen?” vroeg de monnik.»Naar de bergen?” antwoordde de Squatter laconiek, terwijl hij een zwaarmoedigen blik terugwierp naar de armzalige hut, waar hij wellicht gehoopt had te sterven en die hij thans gedwongen werd vooraltijd te verlaten. Nauwelijks waren de vluchtelingen, op eenigen afstand, achter eene dichte massa boomen verdwenen, of aan de andere zijde verhief zich een wolk van stof aan den gezichteinder, en weldra verscheen er een troep van vijf ruiters in vollen galop.Die vijf ruiters waren Valentin en zijne vrienden.Het schijnt dat de jager omtrent de ligging der jacal bepaalde aanwijzing van den Zoon des Bloeds had ontvangen, want hij aarzelde geen oogenblik, maar reed er rechtstreeks op af.Don Pablo klopte het hart in den boezem alsof het wilde bersten, ondanks allen schijn van bedaardheid.»Hm!” riep Valentin toen hij de hut tot op tien passen genaderd was, »het is hier alles buitengemeen stil.”»De Squatter is zeker op de jacht,” merkte don Miguel aan, »wij zullen dus niemand vinden dan zijne dochter.”Valentin begon te meesmuilen.»Zoudt gij dat denken!” riep hij; »neen, neen, don Miguel, herinner u de woorden van pater Seraphin.”Generaal Ibanez was het eerst bij de jacal, hij steeg af en opende de deur.»Niemand!” zeide hij verwonderd.»Pardi!” riep Valentin, »ik dacht het wel dat de vogels gevlogen zouden zijn; maar ditmaal zullen zij wel slim moeten wezen als zij ons willen ontsnappen. Op weg! op weg! zij kunnen niet veraf zijn.”Zij reden weder voort.Curumilla alleen bleef een oogenblik achter; hij wierp een brandende fakkel in de hut, die weldra vuur vatte en afbrandde als een takkebos.»Het nest is uitgebrand,” mompelde de Indiaan terwijl hij zijne kameraden nareed.
Nu wij gezien hebben wat er had plaats gehad gedurende de zes maanden tusschen den dood van dona Clara en het onderhoud van Valentin met don Pablo in de Berengrot, na het onweder, hervatten wij ons verhaal van het punt waar wij het aan het slot van ons derde hoofdstuk lieten rusten.
Nauwelijks was de zoon van denhacenderoeenige minuten vertrokken of de deur der jacal werd met drift opengestooten en vier mannen traden binnen.
Deze vier mannen waren de Roode-Ceder, Fray Ambrosio, Sutter en Nathan.
Zij zagen er verdrietig en somber uit; het water liep hen met stralen uit de kleeren alsof zij uit de rivier kwamen.
»Hola!” riep de monnik. »Wat is dat hier! geen vuur, geen licht, niets op tafel om ons te ontvangen! gij schijnt weinig om ons te geven, nina.”
De Roode-Ceder gaf zijne dochter een kus op het voorhoofd, wierp Fray Ambrosio een zijdelingschen blik toe en zeide met eene ruwe stem.
»Gij zijt hier bij mij te gast, vriend; laat ik u dat niet behoeven te herinneren; begin dus met mijne dochter beleefder te bejegenen, zoo gij niet wilt dat ik u op uwe plaats zet.”
»Hum!” bromde de monnik, »’t is toch geen heilige monstrans, die jonge vrouw, dat gij terstond opstuift bij het eerste woord dat ik haar toespreek.”
»Ik maak mij niet moeielijk,” antwoordde de Squatter barsch terwijl hij met de vuist op de tafel sloeg, »maar uwe manier van doen en spreken staat mij niet aan, en dat zeg ik u: laat ik het u niet behoeven te herhalen.”
Fray Ambrosio sprak niet terug; hij begreep dat de Squatter in geen geschikte luim was om te redeneeren en wachtte zich dus voor iedere aanmerking die het verschil in een twist kon veranderen, iets dat hij des te minder verlangde daar de Squatter dien scheen te zoeken.
Gedurende deze korte woordenwisseling had Ellen, door hare broeders geholpen een fakkel van kaarshout ontstoken, het vuur zooveel mogelijk opgerakeld en de tafel gedekt met een maal dat zoo al niet weelderig ten minste voldoende was.
»Caballeros,” zeide zij met hare zachte stem, »gij zijt gediend.”
De vier mannen namen plaats aan de tafel met al de drift van hongerige lieden die een lange vasten gehad hebben.
Eer echter de Squatter het eerste stuk aan zijne lippen bracht, wendde hij zich tot zijne dochter.
»Ellen!” zeide hij goedhartig.
»Vader,” antwoordde zij, terstond bij hem komende, »wat verlangt gij? Ontbreekt er nog iets?”
»Dat niet, kindje,” hernam hij, »ons ontbreekt niets, ik denk het ten minste niet.”
»Wat is het dan?” vroeg zij min of meer verwonderd.
»Waarom gaat gij ook niet zitten, zooals wij?” vroeg hij.
»Neem mij niet kwalijk, vader, ik heb geen honger; het zou mij onmogelijk zijn een stukje te eten.”
De Squatter zuchtte; maar zei verder niets en begon de gastente bedienen, terwijl Ellen zich in den donkersten hoek der jacal terugtrok.
Het maal was treurig; de vier mannen schenen afgetrokken, zij aten schielijk en zwijgend.
Toen hun honger verzadigd was staken zij hunne pijpen aan en begonnen te rooken.
»Vader,” zei Nathan op eens terwijl de Roode-Ceder zwaarmoedig naar de rookwolkjes keek die uit zijne pijp naar het gewelf der jacal opstegen, »ik heb sporen ontdekt.”
»Ik ook,” zei de monnik.
»En ik ook,” zei de Squatter, »wat meer?”
»Wat meer!” riep Fray Ambrosio; »canarios! Gij neemt het wel vroolijk op; sporen in de woestijn beteekenen altijd een vijand.”
»Wat geef ik daarom?” zei de Roode-Ceder de schouders ophalende.
»Hoedat, wat geef ik daarom?” riep de monnik terwijl hij bijna opsprong, »nu, die vind ik aardig, als men u hoort zou men zeggen dat gij er niets meê te maken hadt; is uw leven niet evenzeer in gevaar als het onze?”
»Wie zegt u, dat ik het niet zou willen verdedigen?” antwoordde de Squatter, hem aanstarende met een blik die hem onwillekeurig de oogen deed neerslaan.
»Hum!” riep de monnik na een poosje gezwegen te hebben; »dat gij niet veel om uw leven geeft kan ik begrijpen; gij hebt het lang genoeg op alle manieren gebruikt, om er niet over te treuren, tegen u in vrijheid gezegd; maar gij vergeet iets, vriendje, al wil ik mij zelven er buiten laten, zou ik toch recht hebben u eenige niet ongegronde verwijten te doen.”
De Squatter schudde onverschillig de asch uit zijne pijp op de tafel uit, stopte haar op nieuw, stak haar aan en begon weder bedaard te rooken, zonder dat hij in ’t minst op het gezegde van den monnik scheen te letten.
Deze fronste de wenkbrauwen en balde de vuisten, maar bedacht zich schier oogenblikkelijk en vervolgde met geveinsde onverschilligheid terwijl hij met zijn mes speelde:
»Ja, vriend, gij vergeet eene zaak, daar gij intusschen wel eens om behoordet te denken.”
»Wat dan?”
»Uwe kinderen,caspita!”
De Squatter schoot hem een spotachtigen blik toe.
»O,por Dios Santo!” hervatte de monnik, »ik spreek hier niet van uwe zoons, dat zijn mannen, en altijd sterk en dapper genoeg om zich te weren als het noodig is; daar maak ik mij juist zoo ongerust niet over.”
»Over wie maakt gij u dan ongerust?” vroeg de Squatter, hem strak aanziende.
»Waar ik mij ongerust over maak!” herhaalde de monnik met zekere aarzeling.
»Ja.”
»Over uwe dochter Ellen, canarios! wat zal daarvan worden als gij dood zijt?” zeide de monnik met de stoutmoedigheid van vreesachtige lieden die dadelijk willen zien of de mijn die zij ontsteken niet verkeerd barsten zal.
De Squatter schudde treurig het hoofd.
»Dat is waar,” mompelde hij terwijl hij naar zijne dochter omzag.
De monnik glimlachte, hij had doel getroffen en vervolgde:
»Als gij u zelven prijs geeft, geeft gij haar op; uw onwil zou ook haar dood kunnen veroorzaken, wees dus op uwe hoede!”
»Wat moet ik doen?” zei de Roode-Ceder.
»Voorzorgen gebruiken, zoo als wij,Voto de Dios! Geloof mij toch, wij worden bespied; als gij nog langer hier blijft, begaat gij eene groote onvoorzichtigheid.”
De beide zoons van den Squatter knikten toestemmend.
»Dat onze vijanden ons op het spoor zijn, is ontegenzeggelijk,” merkte Sutter aan.
»En dat zij ieder oogenblik hier kunnen zijn,” voegde Nathan er bij.
»Gij hoort het,” zei de monnik.
»Nog eens, wat moet ik doen?” vroeg de Roode-Ceder.
»Caspita! verhuizen, zoodra mogelijk.”
»Waar zal ik heen in dezen tijd van het jaar? weldra zal het gaan sneeuwen en dan is alle vervoer onmogelijk; de jacal te verlaten, is zooveel als van honger omkomen.”
»Ja, als wij in de woestijn bleven,” zei de monnik met eene fleemende stem.
»Waar wilt gij dan naar toe?” riep de Squatter.
»Hoe weet ik dat? er zijn zeker steden genoeg op de Indiaansche grenzen denk ik, des noods zouden wij samen naar Paso del Norte kunnen terug keeren, daar hebben we althans vrienden en zijn we zeker van goed ontvangen te worden.”
De Roode-Ceder keek hem strak aan en zeide ironisch.
»Laat uwe gedachte voluit hooren,señorpadre; gij hebt een doel met naar Paso terug te willen; geef het mij te kennen.”
»Caspita! gij weet er zooveel van als ik,” riep de monnik, »wat behoeven we zoo fijn te spelen, en elkander om den tuin te leiden.”
De Squatter stond onstuimig op en stiet met den voet zijn stoel achteruit.
»Gij hebt gelijk,” zeide hij toornig, »spelen wij met open kaart, dat is al wat ik verlang; en om u een voorbeeld te geven van openhartigheid verzoek ik u te luisteren. Gij hebt nooit het doel uit het oog verloren waarmede gij in de woestijn gekomen zijt. Gij hebt maar één oogmerk en ééne begeerte, namelijk de goudmijn, wier aanwezen gij ten koste van een moord hebt leeren kennen; om dat doelte bereiken zijn geen vermoeienissen u te zwaar, geen gevaren te groot; gij geeft het niet op tot welken prijs ook, de hoop om goud in te zamelen verblindt u en maakt u schier gek, is het waar of niet?”
»’t Is waar,” antwoordde de monnik, »wat meer?”
»Wat meer? dat zult ge hooren. Nu onze bende vernietigd of uiteengeslagen is, hebt gij aldus geredeneerd—op eene wijze, moet ik zeggen, die zoowel voor uwe schranderheid als voor de vastheid van uw karakter pleit,” vervolgde de Squatter met een bitteren glimlach—»ziehier uwe redeneering: De Roode-Ceder weet ten naaste bij waar de goudmijn ligt, ik moet hem zien te noodzaken met mij naar Paso del Norte te gaan, om er eene nieuwe bende te vormen, want laat ik hem alleen in de prairie, dan zal hij zoodra ik vertrokken ben den schat zoeken en den buit inzamelen die mij toebehoort. Heb ik het niet goed geraden? zeg, kameraad?”
»Omtrent.” antwoordde de monnik inwendig verwoed dat hij zich zoo ontmaskeren zag.
»’t Is immers zoo?” vervolgde de Squatter. »Nu; maar als alle slechte karakters, door merg en been bedorven, zijt gij uw doel voorbij geschoten door aan mij dezelfde lage begeerten toe te schrijven die gij bezit, en hebt gij gemeend dat ik een moordenaar zijnde, ook een dief wezen moest. Weet het wel,” riep hij stampvoetend, »dat al had ik den door u begeerden schat hier onder mijne voeten, ik niet bukken zou om er een stukje van op te rapen. Goud is mij niets waard, ik veracht het; toen ik instemde om u naar de mijn te geleiden hebt gij natuurlijk gemeend dat ik dit uit gierigheid deed, maar gij hebt u bedrogen, ik had toen een veel krachtiger en ten minste edeler doel: de wraak. Houd u dit thans voor gezegd en spreek mij nooit weer van uw vervloekte goudmijn, daar ik zooveel om geef als om eenavellana(een notendop). Hiermede goeden avond, compadre; ik ga slapen, of althans ik zal zien of ik kan slapen en ik raad u hetzelfde te doen.”
En zonder het antwoord van den monnik af te wachten keerde de Squatter hem den rug toe en verwijderde zich naar een ander vertrek.
Ellen had zich reeds lang ter ruste begeven.
Fray Ambrosio bleef dus met de zoons van den Squatter alleen.
Er volgden eenige minuten stilte tusschen hen.
»Ba ba,” riep de monnik eindelijk onbezorgd, »hij mag weigeren zoo veel hij wil, maar hij zal moeten toegeven.”
Sutter schudde twijfelmoedig het hoofd.
»Neen,” riep hij, »gij kent den oude nog niet, als hij eens neen zegt, blijft het neen.”
»Hm!” zei Nathan, »vader is sedert den laatsten tijd zeer veranderd, hij takelt af, en schijnt van zijn oude karakter alleen de stijfhoofdigheid behouden te hebben; ik vrees dat het u niet gelukken zal,señorpadre.”
»Dat zullen wij zien!” zei de monnik luchtig. »Morgen wordt het weer dag; intusschen zullen wij zijn raad opvolgen en gaan slapen.”
Tien minuten later was alles in de jacal in slaap of althans scheen te slapen.
Het onweder duurde den ganschen nacht voort met onverzwakte woede en deed de wanden der hut kraken. Eerst tegen den morgen kwam de lucht tot bedaren.
Met het krieken van den dag stond de Squatter op en trad naar de deur, om te zien welk weer het was.
De morgenstond liet zich goed aanzien, de hemel was helder en de Roode-Ceder maakte zich gereed om naar de corral te gaan om zijn paard en die zijner gasten te zadelen.
Eer hij de jacal uittrad keek hij naar buiten en liet hij zijn blik rondweiden.
Op eens smoorde hij een uitroep van verrassing en deinsde schielijk terug.
Hij had in de verte een ruiter bespeurd die met vollen teugel kwam aanrennen.
»Vader Seraphin!” mompelde hij verwonderd, »welke gewichtige reden kan die hebben om op zulk een uur hier te komen en daarbij zooveel spoed te maken?”
Op dit oogenblik traden de monnik en zijne zonen in het voorvertrek.
De Squatter hoorde hunne stappen achter zich.
Hij keerde zich driftig om.
»Houdt u schuil! verbergt u!” riep hij met eene heesche stem.
»Wat gebeurt er dan?” vroeg de monnik nieuwsgierig op hem afkomende.
De Squatter gaf hem met de vuist een duw tegen de borst dat hij midden in de kamer stoof.
»Hebt gij mij niet verstaan?” riep hij toornig.
Hoe woest echter de Squatter hem had teruggewezen, was hij niet gezwind genoeg geweest om den monnik te beletten te zien wie er aankwam.
»Ha! ha!” riep hij met een gemaakten lach, »vader Seraphin! Caspita! als onze vriend biechten wil had ik hem immers even goed kunnen helpen? hij behoefde het mij maar even te zeggen, dan had hij dien raaf uit Europa kunnen missen.”
De Roode-Ceder keerde zich om alsof hem een adder gebeten had en keek de drie mannen met zulk een woesten blik aan, dat zij onwillekeurig terugdeinsden.
»Ellendeling!” riep hij met eene holle stem en vreeselijk gebaar; »als ik mij niet ontzag zou ik u kunnen dooden als een hond! Maar ik waarschuw u, bij het minste woord dat gij tegen dien heiligen man durft zeggen, zal ik u levend villen! Verberg u, zeg ik u nog eens.”
Door den dreigenden toon waarop de Squatter sprak tot inkeergebracht, gingen de drie mannen zonder een woord te zeggen de kamer uit.
Drie minuten later hield pater Seraphin zijn paard in voor de deur der jacal en steeg af.
De Roode-Ceder en zijne dochter kwamen hem met ijver te gemoet.
Pater Seraphin trad de hut binnen en veegde zijn zweet af, dat hem van het voorhoofd droppelde.
De Roode-Ceder bood hem een butacca (leuningstoel) aan.
»Ga zitten, vader,” zeide hij, »gij zijt sterk bezweet; wilt gij niets gebruiken, om u te ververschen?”
»Ik dank u,” antwoordde de zendeling; »wij hebben geen oogenblik te verliezen, hoor mij.”
»Wat is er gaande, vader? waarom komt gij met zooveel haast hier?”
»Helaas!” antwoordde hij, »gij wordt door een groot ongeluk bedreigd.”
De Squatter verbleekte.
»’t Is waar,” mompelde hij met een somberen blik, »de boete begint.”
»Houdt moed, mijne kinderen!” zei de missionaris minzaam; »hoe, weet ik niet, maar uwe vijanden hebben uw schuilhoek ontdekt; morgen, heden wellicht, zijn zij hier; gij moet vluchten, vluchten zoodra mogelijk.”
»Waarom zou ik?” mompelde de Squatter; »ik zie Gods vinger in alles, niemand kan zijn lot ontgaan; het is beter dat ik hier blijf.”
Vader Seraphin zette een ernstig gezicht en zei met eene strenge stem:
»God wil u zonder twijfel beproeven; maar u zelven moedeloos aan uwe doodvijanden over te leveren ware eene lafheid, een zelfmoord, dien de hemel u niet vergeven zou. Ieder die leeft moet zich verdedigen als men hem aanvalt, vlucht daarom, zeg ik, ik beveel het u.”
De Squatter antwoordde niet.
»Daarbij,” vervolgde pater Seraphin zooveel mogelijk op vroolijken toon, »misschien is het maar een voorbijgaande storm; als uwe vijanden u hier niet vinden, zullen zij zeker hunne vervolging laten varen en kunt gij binnen eenige dagen hier terugkeeren.”
»Neen,” zei de Squatter neerslachtig, »’t is hun om mijn dood te doen. Daar gij het zoo verlangt, vader, zal ik u gehoorzamen, maar voor dat ik ga moet ik u om ééne gunst verzoeken.”
»Spreek, mijn zoon.”
»Ik voor mij,” hernam de Squatter met kwalijk verborgen ontroering, »ik ben een man; ik kan zonder te zwichten de zwaarste vermoeienissen doorstaan en de grootste gevaren trotseeren.…”
»Ik begrijp u,” viel de missionaris hem met drift in de rede; »ik had reeds plan om uwe dochter onder mijne bescherming te nemen. Stel u deswege gerust, het zal haar aan niets ontbreken.”
»O! ik dank u, ik dank u, vader!” riep de Squatter, op een toont dien men van zulk een man nooit zou verwacht hebben.
Ellen had tot dusverre het gesprek stilzwijgend aangehoord; zij trad thans op eens tusschenbeide en zei met edelen ernst:
»Ik ben u van ganscher harte dankbaar voor de goede bedoelingen die gij met mij hebt; maar ik kan mijn vader niet verlaten, ik zal hem overal volgen waar hij gaat, om hem te troosten en met christelijk geduld het leed te helpen dragen dat God over hem beschikt.”
De beide mannen schenen gereed haar tegen te spreken en tot andere gedachten te willen brengen.
»Laat af,” vervolgde zij met geestdrift; »heb ik tot hiertoe mijns vaders gedrag moeten lijden toen het schuldig was, thans, nu het berouw bij hem is ingetreden beklaag ik hem en heb hem des te meer lief; mijn besluit staat onherroepelijk vast.”
Pater Seraphin zag haar met bewondering aan.
»Goed, mijn kind.” zeide hij, »God zal uwe reine en edele trouw beloonen.”
De Squatter sloot zijne dochter in zijne armen, buiten staat om een woord uit te brengen; zijne ziel was overstelpt van blijdschap, nooit had hij zich zoo zacht en zoo innig bewogen gevoeld.
De missionaris stond op.
»Vaartwel!” zeide hij, »hebt goeden moed; stelt uw vertrouwen op God, hij zal u niet verlaten; ik blijf voor u waken al ben ik afwezig. Vaartwel, mijne kinderen! ik geef u mijnen zegen! Vertrekt, vertrekt zonder uitstel.”
Zich thans met geweld aan hunne armen ontrukkende, steeg vader Seraphin te paard, vierde den teugel en reed, na zijne beschermelingen een laatsten groet met de hand te hebben toegeworpen, spoorslags weg.
»Ja,” mompelde de Squatter, »dat kon zoo niet lang duren, ik was al te gelukkig.”
»Houd moed, vader!” zei Ellen zachtzinnig.
Zij traden weêr in de jacal.
Fray Ambrosio, Nathan en Sutter stonden hen in de voorkamer te wachten.
»Zadelt de paarden,” zei de Squatter, »wij gaan.”
»Wel!” fluisterde de monnik Sutter in ’t oor, »wat heb ik u gezegd, òf de duivel ons helpen zou!Canarios!hij kon ons niet vergeten, wij hebben te veel voor hem gedaan.”
De toebereidselen om de jacal te verlaten vorderden niet veel tijd, een uurtje later waren de vijf personen reeds op weg.
»Waar moeten wij heen?” vroeg de monnik.
»Naar de bergen?” antwoordde de Squatter laconiek, terwijl hij een zwaarmoedigen blik terugwierp naar de armzalige hut, waar hij wellicht gehoopt had te sterven en die hij thans gedwongen werd vooraltijd te verlaten. Nauwelijks waren de vluchtelingen, op eenigen afstand, achter eene dichte massa boomen verdwenen, of aan de andere zijde verhief zich een wolk van stof aan den gezichteinder, en weldra verscheen er een troep van vijf ruiters in vollen galop.
Die vijf ruiters waren Valentin en zijne vrienden.
Het schijnt dat de jager omtrent de ligging der jacal bepaalde aanwijzing van den Zoon des Bloeds had ontvangen, want hij aarzelde geen oogenblik, maar reed er rechtstreeks op af.
Don Pablo klopte het hart in den boezem alsof het wilde bersten, ondanks allen schijn van bedaardheid.
»Hm!” riep Valentin toen hij de hut tot op tien passen genaderd was, »het is hier alles buitengemeen stil.”
»De Squatter is zeker op de jacht,” merkte don Miguel aan, »wij zullen dus niemand vinden dan zijne dochter.”
Valentin begon te meesmuilen.
»Zoudt gij dat denken!” riep hij; »neen, neen, don Miguel, herinner u de woorden van pater Seraphin.”
Generaal Ibanez was het eerst bij de jacal, hij steeg af en opende de deur.
»Niemand!” zeide hij verwonderd.
»Pardi!” riep Valentin, »ik dacht het wel dat de vogels gevlogen zouden zijn; maar ditmaal zullen zij wel slim moeten wezen als zij ons willen ontsnappen. Op weg! op weg! zij kunnen niet veraf zijn.”
Zij reden weder voort.
Curumilla alleen bleef een oogenblik achter; hij wierp een brandende fakkel in de hut, die weldra vuur vatte en afbrandde als een takkebos.
»Het nest is uitgebrand,” mompelde de Indiaan terwijl hij zijne kameraden nareed.