XL.DE LYNCH-WET.Eer wij verder gaan moeten wij in weinige woorden verklaren wat eigenlijk de Lynch-wet is, daar wij in den loop van dit verhaal reeds meermalen van gesproken hebben en die in de prairiën van Noord-Amerika niet alleen, maar ook in sommige gedeelten der Vereenigde Staten nog zulk eene groote rol speelt.Hoezeer wij Europeanen ons altijd met reden verwonderen dat in een zedelijke maatschappij zulk een monsterachtige wet als de zoogenaamde Lynch-wet bestaan kan, moeten wij om den Amerikanen recht te laten wedervaren erkennen dat deze wet in haar beginsel een uitvloeisel was van gebiedende omstandigheden, al kunnen wij ook het tegenwoordige stelsel niet goedkeuren dat zij op hare oorspronkelijke instellingen hebben gebouwd. De Lynch-wet was in den eersten tijd der vader-kolonisten op het land van Plymouth, niets anders dan de kastijding of straf, door eene geheel wettelooze maatschappij opgelegd, die geen ander middel had om gepleegde misdaden te straffen.Thans daarentegen is deze wet in de grootere Staten der Unie niets anders dan een onwettige machtsoefening der meerderheid, in strijd met de wetten des lands die zij trotseert zoowel als de straffen door deze wetten opgelegd.In de nieuwe nederzettingen waar de bevolking schaars is, zijn de kolonisten, zoolang het volgens de staatsregeling der Unie gevorderde aantal inwoners om een district te vormen ontbreekt, genoodzaakt hun toevlucht te nemen tot de Lynch-wet, daar zij geen rechtsbedeeling bezitten noch wettige bescherming kunnen inroepen, tegen de dieven en moordenaars van allerlei soort die de kolonie onveilig maken.In de Prairiën van het Verre Westen is deze wet ongeveer gelijk aan de wet der wedervergelding der oude Hebreeuwen en andere oosterlingen: »oog om oog, tand om tand.”Wij zullen hier niet verder uitweiden over de Lynch-wet, zoo duister in haren oorsprong, dat zelfs haar naam een onoplosbaar raadsel is, ofschoon sommigen beweren dat zekere Lynch, een pachter of landbouwer, haar het eerst heeft toegepast; het eenige bezwaar dat ik tegen deze naamsafleiding heb, is dat de Lynch-wet in Amerika heeft bestaan van den eersten tijd af dat de Europeanen er zich vestigden. Het blijkt echter dat deze wet in de beschaafde staten der Unie niet is uitgeoefend vóór de laatste jaren der vorige eeuw, toen men met de volgens hare rechtspraak veroordeelden zoo kort en zakelijk te werk ging, dat men den eersten lantarenpaal den besten te baat nam om er het slachtoffer aan op te hangen. Vandaar zouden wij geneigd zijn te veronderstellen dat het woordLynchmisschien een verbastering is vanlight(licht).Hervatten wij den draad van ons verhaal, dat nu spoedig ten einde loopt.Vier dagen na de in het vorige hoofdstuk vermelde gebeurtenissen bood het legerkamp van den Eenhoorn een zonderling schouwspel. Niet alleen dat er Indiaansche krijgslieden van al de bondgenooten der Comanchen vereenigd waren, maar tevens een groot aantal jagers en strikkenzetters, zoo kleurlingen als blanken, die uit alle hoeken der prairie waren samengevloeid om de rechtspleging der sedert eenige dagen gevangen gemaakte bandieten bij te wonen en de strengheid der Lynch-wet op hen te helpen toepassen, zoo als men die in de Prairie begrijpt.Pater Seraphin, die zich op dat oogenblik mede in het kamp bevond, om zijne zorgen en vertroostingen aan Mme. Guillois te besteden die thans tot haar uiterste genaderd was en weldra zachtjes zou afsterven, had al het mogelijke beproefd om zich tegen de rechtspleging der gevangenen te verzetten.Te vergeefs echter stelde hij aan de blanken zoowel als aan de Indianen voor, dat er in de Vereenigde Staten onpartijdige rechters genoeg te vinden waren die naar ambt en plicht billijk recht spreken en deschuldigen doen straffen; al zijne pogingen bleven echter zonder gevolg en hij was tot zijn innige smart genoodzaakt het op te geven.Toen hij zag dat hij de gevangenen niet kon redden, had hij hen behoorlijk voor den dood willen bereiden, maar ook hierin leed de zendeling schipbreuk; de booswichten waren zoo verstokt van ziel en in de ondeugd verhard dat zij hem niet wilden aanhooren en hem zelfs met schimp terug wezen. Zonderling genoeg hadden de drie bandieten, sedert zij in handen hunner vijanden waren geraakt, geen woord samen gewisseld; ieder in een hoek der hut nedergehurkt die hun tot gevangenis strekte, norsch en stil als wilde dieren, schenen zij elkander nog te ontwijken zooveel de banden die hen knelden hun toelieten.Alleen Ellen was in hun midden als een vertroostende engel, die hun heilzame woorden toesprak en bovenal de laatste dagen van haar vader poogde te verzachten.De Roode-Ceder leefde dan ook alleen door en voor zijne dochter; elke glimlach van het arme kind, dat hare tranen voor hem verborg, deed op zijn door booze hartstocht verwoest en verwilderd gelaat wederkeerig een glimlach verschijnen; zoo hij nog had kunnen leven en op den goeden weg had kunnen terugkeeren, zou zijne vaderlijke liefde wellicht dit wonder hebben uitgewerkt, maar het was nu te laat; alles was als verstorven in dat hart, waar de vaderlijke liefde zelfs niet veel meer was dan het instinct van tijgers of panters.»Zal het van daag eindelijk gebeuren, mijn kind?” vroeg hij aan zijne dochter.»Ik weet het niet, vader,” antwoordde zij bedeesd.»Ik begrijp u, mijne arme lieveling, gij vreest mij verdriet te doen door mij de waarheid te zeggen; maar misleid u zelve niet langer, wanneer een man zoo diep gezonken is als ik, is het eenigste wat hij begeert de dood, en ziedaar, ik krijg reeds dadelijk antwoord: de Lynch-wet begint hare taak. Zij zal van daag een ruimen oogst inzamelen,” liet hij er grinnekend op volgen.Op dit oogenblik hoorde men in het kamp een geweldig rumoer.Drie galgen waren dien morgen opgericht en rondom dezelve was een talrijke volkshoop druk in de weer met het verkiezen der rechters die het publieke recht zouden moeten handhaven.De verkozen rechters waren ten getale van zeven, met name als volgt:Valentin, Curumilla, de Eenhoorn, de Zwarte-Kat, de Spinnekop en twee andere jagers der Comanchen.Men had zorg gedragen geene namen op de lijst te plaatsen van personen die zelven beschuldigingen tegen de gevangenen hadden in te brengen.Des middags ten twaalf ure werd het in de vergadering op eens dood stil.Een kleine troep, uit krijgslieden en jagers bestaande, was de misdadigersuit de gevangenis gaan halen om hen voor de rechters te brengen, die zich tegenover de galgen vereenigd hadden.Ofschoon pater Seraphin in zijne pogingen om hen tot betere gedachten op te wekken niet was geslaagd, had hij hen toch willen vergezellen om hen tot het laatste oogenblik te vermanen.Hij ging met den Roode-Ceder aan zijne rechter en Ellen aan zijne linkerzijde.Toen de gevangenen voor de rechtbank kwamen, riep Valentin, die zeer tegen zijn zin tot voorzitter benoemd was, de beschuldigers op.Deze traden onmiddellijk te voorschijn.Zij waren ten getale van vijf, namelijk don Miguel de Zarate, don Pablo de Zarate, Andres Garote, de Witte-Gazelle en de Zoon des Bloeds.Valentin nam het woord en sprak met eene luide en vaste stem:»Roode-Ceder, gij staat hier voor de rechtbank der Lynch-wet, om de misdaden te hooren waarvan men u beschuldigt, gij hebt volkomen vrijheid om u te verdedigen.”De Squatter haalde de schouders op.»Uwe Lynch-wet is eene domme wet,” zeide hij op schamperen toon, »zij doodt zonder lang pijn te veroorzaken; in plaats van deze onnoozele wraakneming moest gij mij liever aan den folterpaal binden en een ganschen dag pijnigen, dan kondt gij uw hart ophalen van genot, want dan zoudt gij zien hoe een krijgsman den dood in ’t aangezicht durft zien, en de smart weet door te staan.”»Gij vergist u in onze bedoelingen,” zei de voorzitter, »wij wreken ons niet, maar wij straffen u, de folterpaal is voor de dappere en onberispelijke krijgslieden bestemd, de misdadigers verdienen niets anders dan de galg.”»Zooals u behaagt,” antwoordde hij onverschillig, »wat ik u gezegd heb, was alleen om voor uw genoegen te zorgen.”»Welke personen zijn hier aanwezig om tegen den Roode-Ceder beschuldigingen in te brengen?” hervatte Valentin.»Ik, don Miguel de Zarate.”»Ik, don Pablo de Zarate.”»Ik, dien men de Zoon des Bloeds heeft genoemd, maar die zijn waren naam zal noemen, zoodra de Roode-Ceder dit verlangt.”»Het is onnoodig,” bromde hij met eene doffe stem.»Ik, de Witte-Gazelle.”»Formuleert uwe beschuldigingen,” sprak de voorzitter.»Ik beschuldig dezen man, dat hij mijne dochter geschaakt en daarna laaghartig vermoord heeft,” zei don Miguel.»Ik beschuldig hem bovendien, van mijnen vriend den generaal Ibanez den dood te hebben berokkend.”»Beschuldigde, wat hebt gij hierop te antwoorden?”»Niets.”»Wat zegt het volk?” hervatte Valentin.»Wij hechten ons zegel aan de beschuldiging,” riepen allen met eenparige stem.»Ik beschuldig dezen man, van dezelfde misdaden,” zeide don Pablo, »hij heeft mijne zuster opgelicht en gedood.”»Ik beschuldig dezen man, dat hij het huis van mijne ouders verbrand, mijn vader en moeder vermoord en mij aan de bandieten heeft overgeleverd om mij in de misdaad te doen opvoeden,” zei de Witte-Gazelle.»Ik,” sprak de Zoon des Bloeds, »beschuldig hem van dezelfde misdaden, de vader van dit meisje was mijn broeder.”Een huivering van afgrijzen doorliep de vergadering.Valentin, na in stilte de overige rechters te hebben geraadpleegd, sprak:»De Roode-Ceder, met algemeene stemmen schuldig verklaard, wordt veroordeeld om gescalpeerd en daarna gehangen te worden.”Sutter werd alleen veroordeeld om gehangen te worden, daar de rechters hem, uit aanmerking zijner jeugd en het slechte voorbeeld dat hij steeds voor oogen had gehad, wilden verschoonen.Thans was de monnik aan de beurt.»Een oogenblik!” riep de Zoon des Bloeds, voorwaarts tredende, »deze man is niets meer dan een ellendige avonturier, die het recht niet heeft om het kleed te dragen dat hij reeds zoo lang onteerde; ik verzoek dat men den onverlaat, alvorens hem te beschuldigen, daarvan ontdoe.”»Waartoe zoudt gij uw tijd verkwisten met mij te beschuldigen en al die rechtsvormelijke fratsen?” antwoordde Fray Ambrosio schamper. »Gij allen die ons hier te recht stelt zijt even misdadig als wij; gij zijt moordenaars, daar gij u wederrechtelijk eene macht aanmatigt die u niet toekomt. Voor dezen keer ja, slaat gij juist, maar in duizend andere gevallen laat gij u door het u omringende gepeupel beheerschen, en veroordeelt gij onschuldigen. Gij verlangt mijne misdaden te kennen, ik zelf zal ze u zeggen.»Deze man heeft gelijk, ik ben geen monnik, en ik ben het nooit geweest; ik ben begonnen als een losbandige, ik eindig als een misdadiger. Als medeplichtige van den Roode-Ceder heb ik landhoeven verbrand of er de bewoners van vermoord om ze te berooven en te bestelen. Met denzelfden Roode-Ceder was ik een scalpenjager; ik hielp hem het meisje stelen dat daar voor u staat. Wat meer? Om hem het geheim van een goudmijn te ontrooven, heb ik den vader van dezen gambusino gedood. Wat wilt gij meer? Bedenk vrij de gruwzaamste en verfoeielijkste misdrijven, ik heb ze gepleegd. Spreekt nu uw vonnis en legt het ten uitvoer, maar gij zult geen woord meer van mij hooren, ik veracht u, gij zijt lafhartigen!”Na deze hatelijke taal met honende ergernis te hebben gesproken, wierp hij een uitdagenden blik op de vergadering.»Fray Ambrosio,” zei Valentin na de stemmen te hebben opgenomen,»gij zijt veroordeeld om gescalpeerd, onder de oksels opgehangen, met honig bestreken te worden en aldus te blijven hangen, tot de vogels des hemels u verslonden hebben.”Onder het aanhooren van dit vonnis kon de bandiet zijn schrik niet verbergen, terwijl de verzamelde menigte het strenge recht met uitbundig gejuich beantwoordde.»De vonnissen zullen onmiddellijk worden voltrokken,” zei Valentin.»Wacht een oogenblik,” riep de Eenhoorn, plotseling opstaande en zich voor de rechters plaatsende.»Wat den Roode-Ceder betreft is de eisch der wet niet gevolgd; zegt zij niet: oog om oog, tand om tand!”»Ja! ja!” schreeuwden de Indianen en jagers.Door een onbeschrijfelijk voorgevoel getroffen, sidderde de Roode-Ceder en kromp hem het hart ineen.»Ja!” sprak de Zoon des Bloeds met eene koele stem, »de Roode-Ceder heeft dona Clara, de dochter van don Miguel de Zarate, gedood, ook zijne dochter Ellen moet sterven.”De rechters zelven deinsden verschrikt terug.De Roode-Ceder stiet een vreeselijk gebrul uit.Alleen Ellen bleef kalm.»Ik ben bereid te sterven,” zeide zij met eene zachte gelatene stem. »Helaas! die arme dona Clara! God weet met hoeveel vreugde ik mijn leven had willen geven om het hare te redden.”»Mijne dochter!” riep de Roode-Ceder wanhopig.»Dat riep don Miguel ook, toen gij zijn kind laaghartig hebt vermoord,” antwoordde de Zoon des Bloeds onbarmhartig; »oog om oog, tand om tand.”»O! het is gruwzaam wat gij daar doet, mijne broeders,” riep pater Seraphin. »Gij gaat onschuldig bloed vergieten, het zal terugkomen op uw hoofd, God zal er u voor straffen; om Zijner barmhartigheids wille, doodt dat onschuldige meisje niet!”Op een wenk van den Eenhoorn maakten vier Indianen zich van den zendeling meester, namen hem in weerwil van zijn verzet, ofschoon altoos met de meeste voorzichtigheid op en brachten hem naar de hut van het opperhoofd, waar hij zoolang onder toezicht bleef tot de rechtspleging was afgeloopen.Valentin en Curumilla wendden vergeefsche pogingen aan om zich tegen dit barbaarsch bedrijf te verzetten; de Indianen en jagers, door den Zoon des Bloeds opgeruid, eischten met groot gedruisch de toepassing der wet en dreigden anders zichzelven recht te zullen verschaffen.Vruchteloos smeekten don Miguel en zijn zoon den Eenhoorn en den Zoon des Bloeds, zij konden niets bij hen uitrichten.Eindelijk, door de gebeden van den jongman getergd, nam de Eenhoorn Ellen bij de haren, stiet haar zijn mes in de borst en wierp haar don Pablo in de armen, met den uitroep:»Haar vader heeft uwe zuster vermoord, en gij bidt om haar leven! Gij zijt een laag mensch!”Haar vader heeft uwe Zuster vermoord. bladz. 286.Haar vader heeft uwe Zuster vermoord. bladz. 286.Bij deze onverantwoordelijke daad verborg Valentin zijn aangezicht met beide handen en vluchtte heen.De volksmenigte integendeel juichte haar uitbundig toe.De Roode-Ceder wrong zich schuimbekkend in de banden die hem kluisterden; toen hij Ellen had zien vallen veranderde hij als een blad van een boom; hij brulde alleen dit eene woord:»Mijne dochter! mijne dochter!”De Zoon des Bloeds en de Witte-Gazelle waren onverbiddelijk, zij woonden roerloos de strafoefening bij die aan de veroordeelden voltrokken werd.De Roode-Ceder en zijn zoon leden niet lang, ofschoon de eerste vooraf gescalpeerd was; hij werd waanzinnig en scheen ongevoelig voor alles.Wie het meeste leed was Ambrosio; de rampzalige onderging zijne straf en kromp gedurende vierentwintig uren onder de vreeselijkste smarten eer de dood er een einde aan maakte.Zoodra de schuldigen hun vonnis hadden ondergaan, stegen de Zoon des Bloeds en de Witte-Gazelle te paard en verwijderden zich in galop.Na dien tijd heeft men niet weder van hen hooren spreken en niemand weet wat er van hen geworden is.…* * *Ziedaar den afloop van het verschrikkelijke drama van roof en moord, vervolging en wraak dat onze lezers in dit en eenige vorige verhalen, zoo wij hopen niet te lang en tevens niet geheel onnut zal hebben bezig gehouden. De toepassing der Lynch-wet, die door de wreedste straffen aan de bloedige veete een einde maakte, is een verschijnsel dat alleen in de half beschaafde streken der Nieuwe Wereld mogelijk is, zij behoort tot de donkere zijde der Amerikaansche toestanden; als overlevering uit vroegere eeuwen van barbaarschheid en bloedwraak begint zij echter meer en meer zeldzaam te worden, en kan men met grond verwachten dat zij bij de uitbreiding der beschaving en de vestiging eener ordelijke maatschappij, ook in de onmetelijke velden van het Verre Westen eerlang geheel zal verdwijnen.Wij bevinden ons in het kamp van den Eenhoorn, dat nog altijd op dezelfde plaats was opgericht. Het is acht dagen na de boven door ons beschreven toepassing der Lynch-wet, en tegen den avond, even voor zonsondergang.Alle sporen der strafoefening zijn verdwenen. De Sachem had bepaald dat zijn stam voorloopig zou blijven waar hij was, uit hoofde der ziekte van Mme. Guillois, wier hopelooze toestand volkomen rust vorderde.De arme vrouw gevoelde dat zij ging sterven en werd van dag tot dag zwakker, ofschoon zij in het genot van al hare zielsvermogens, met al de helderheid die God soms den stervenden verleent, den dood met een glimlach zag naderen en alleen haar zoon zooveel mogelijk over haar verlies zocht te troosten.Maar Valentin, die na eene afwezigheid van zoovele jaren zijne moeder niet had wedergezien dan om op nieuw en voor altijd van haar te zullen scheiden, was ontroostbaar.Van den omgang met don Miguel en zijn zoon verstoken, die onmiddellijk naar Paso del Norte waren teruggekeerd, het lijk der ongelukkige Ellen met zich voerende, zat de jager weenend bij Curumilla die tot allen troost niets anders wist te doen dan met hem te weenen.»De Groote Geest roept de moeder mijns broeders tot zich, omdat Hij haar lief heeft!” zeide hij.Een gezegde vrij lang voor den woordkarigen Araucaan, en wel een bewijs van zijne innige deelneming in de smart zijns vriends.Dien dag waarop wij ons verhaal hervatten lag Mme. Guillois op een hangmat voor hare hut met het aangezicht gekeerd naar de ondergaande zon.Valentin stond aan hare rechterzijde, vader Seraphin aan hare linker, en Curumilla naast zijn vriend.Op het gelaat der kranke lag een glans van inwendige rust en genoegen, uit hare oogen blonk een levendige gloed terwijl een zweem van licht rood hare wangen kleurde; zij scheen gelukkig.De krijgslieden, in het leed van hun aangenomen broeder deelende, zaten in groepjes stilzwijgend nedergehurkt rondom de hut.Het was een heerlijke avond; de lichte koelte, die zich langzaam verhief, deed op hare golvende beweging de bladeren nu en dan zacht ritselen; de zon daalde ter kimme in een zee van dampen door duizend afwisselende kleuren geschakeerd.De kranke sprak van tijd tot tijd eenige afgebroken woorden, die haar zoon zorgvuldig beluisterde.Op het oogenblik dat de zon achter de besneeuwde toppen der verre bergen verdween, richtte de zieke zich op als door een onwederstaanbare macht gesteund, zij wierp een kalmen en helderen blik in het rond, legde de beide handen op het hoofd van den jager en sprak met zekeren nadruk en op zonderling welluidenden toon:»Vaarwel, Valentin!”Daarop zonk zij achterover.Zij was dood.Als bij onderlinge afspraak knielden al de aanwezigen rondom haar leger.Valentin boog zich over zijne moeder, wier gelaat de aureool der hemelsche schoonheid droeg, welke sommige dooden tooit; hij sloot haar de oogen, kuste haar en nam hare rechterhand, die van de sponde afhing in de zijne.Valentin boog zich over zijne moeder. bladz. 287.Valentin boog zich over zijne moeder. bladz. 287.Zoo ongeveer ging die gansche nacht voorbij, zonder dat iemand zijne plaats verliet.Met het krieken van den dag deed pater Seraphin, geholpen door Curumilla, die hem tot sacristaan diende, de lijkdienst, daarop werd het lijk ter aarde besteld; al de Indiaansche krijgslieden woonden deze plechtigheid bij.Toen al de anderen waren heengegaan, knielde Valentin neder bij het graf, en hoe ook de missionaris en de Araucaan er op aandrongen dat hij zich zou verwijderen, wilde hij ook dien nacht nog bij zijne doode moeder blijven waken.Toen zijne vrienden met het aanbreken van den volgenden morgen bij hem kwamen, vonden zij hem geknield en biddende, hij was doodsbleek en zag er afgemat uit, zijne haren, den vorigen dag nog zoo zwart, waren met witte vlokken doormengd.Wat was er gedurende dien langen nacht tusschen hem en de doode omgegaan, welke geheimen had de doode aan den levende ontsluierd?Vader Seraphin trachtte hem nieuwen moed in te boezemen. De jager schudde bij zijne toespraak treurig het hoofd en zuchtte:»Wat baat het mij?”»O! Valentin,” zei de zendeling ten slotte, »gij die altijd zoo kloek waart, wordt gij nu zoo zwak als een kind; de droefheid slaat u neder zonder strijd, gij weigert dien strijd, en gij vergeet dat gij u zelven niet toebehoort; kom, laat u raden.”»Ik,” riep hij; »helaas! wat blijft mij nu nog over?”»God blijft u over!” zei de zendeling op strengen toon, terwijl hij hem naar den hemel wees.»En de wildernis,” zei Curumilla, terwijl hij den arm uitstrekte naar de opkomende zon.In het oog van den jager schitterde een heldere straal, hij schudde meer dan eens het hoofd, wierp een teederlievenden blik op het graf zijner moeder en zei met een geschokte stem:»Tot wederziens, moeder!”Zich daarop tot den Indiaan wendende, zeide hij vastberaden:»Laat ons gaan!”Valentin zou eene nieuwe periode van zijn leven beginnen1.EINDE VAN DE LYNCH-WET.1Ziede graaf de Lhorailles.↑
XL.DE LYNCH-WET.Eer wij verder gaan moeten wij in weinige woorden verklaren wat eigenlijk de Lynch-wet is, daar wij in den loop van dit verhaal reeds meermalen van gesproken hebben en die in de prairiën van Noord-Amerika niet alleen, maar ook in sommige gedeelten der Vereenigde Staten nog zulk eene groote rol speelt.Hoezeer wij Europeanen ons altijd met reden verwonderen dat in een zedelijke maatschappij zulk een monsterachtige wet als de zoogenaamde Lynch-wet bestaan kan, moeten wij om den Amerikanen recht te laten wedervaren erkennen dat deze wet in haar beginsel een uitvloeisel was van gebiedende omstandigheden, al kunnen wij ook het tegenwoordige stelsel niet goedkeuren dat zij op hare oorspronkelijke instellingen hebben gebouwd. De Lynch-wet was in den eersten tijd der vader-kolonisten op het land van Plymouth, niets anders dan de kastijding of straf, door eene geheel wettelooze maatschappij opgelegd, die geen ander middel had om gepleegde misdaden te straffen.Thans daarentegen is deze wet in de grootere Staten der Unie niets anders dan een onwettige machtsoefening der meerderheid, in strijd met de wetten des lands die zij trotseert zoowel als de straffen door deze wetten opgelegd.In de nieuwe nederzettingen waar de bevolking schaars is, zijn de kolonisten, zoolang het volgens de staatsregeling der Unie gevorderde aantal inwoners om een district te vormen ontbreekt, genoodzaakt hun toevlucht te nemen tot de Lynch-wet, daar zij geen rechtsbedeeling bezitten noch wettige bescherming kunnen inroepen, tegen de dieven en moordenaars van allerlei soort die de kolonie onveilig maken.In de Prairiën van het Verre Westen is deze wet ongeveer gelijk aan de wet der wedervergelding der oude Hebreeuwen en andere oosterlingen: »oog om oog, tand om tand.”Wij zullen hier niet verder uitweiden over de Lynch-wet, zoo duister in haren oorsprong, dat zelfs haar naam een onoplosbaar raadsel is, ofschoon sommigen beweren dat zekere Lynch, een pachter of landbouwer, haar het eerst heeft toegepast; het eenige bezwaar dat ik tegen deze naamsafleiding heb, is dat de Lynch-wet in Amerika heeft bestaan van den eersten tijd af dat de Europeanen er zich vestigden. Het blijkt echter dat deze wet in de beschaafde staten der Unie niet is uitgeoefend vóór de laatste jaren der vorige eeuw, toen men met de volgens hare rechtspraak veroordeelden zoo kort en zakelijk te werk ging, dat men den eersten lantarenpaal den besten te baat nam om er het slachtoffer aan op te hangen. Vandaar zouden wij geneigd zijn te veronderstellen dat het woordLynchmisschien een verbastering is vanlight(licht).Hervatten wij den draad van ons verhaal, dat nu spoedig ten einde loopt.Vier dagen na de in het vorige hoofdstuk vermelde gebeurtenissen bood het legerkamp van den Eenhoorn een zonderling schouwspel. Niet alleen dat er Indiaansche krijgslieden van al de bondgenooten der Comanchen vereenigd waren, maar tevens een groot aantal jagers en strikkenzetters, zoo kleurlingen als blanken, die uit alle hoeken der prairie waren samengevloeid om de rechtspleging der sedert eenige dagen gevangen gemaakte bandieten bij te wonen en de strengheid der Lynch-wet op hen te helpen toepassen, zoo als men die in de Prairie begrijpt.Pater Seraphin, die zich op dat oogenblik mede in het kamp bevond, om zijne zorgen en vertroostingen aan Mme. Guillois te besteden die thans tot haar uiterste genaderd was en weldra zachtjes zou afsterven, had al het mogelijke beproefd om zich tegen de rechtspleging der gevangenen te verzetten.Te vergeefs echter stelde hij aan de blanken zoowel als aan de Indianen voor, dat er in de Vereenigde Staten onpartijdige rechters genoeg te vinden waren die naar ambt en plicht billijk recht spreken en deschuldigen doen straffen; al zijne pogingen bleven echter zonder gevolg en hij was tot zijn innige smart genoodzaakt het op te geven.Toen hij zag dat hij de gevangenen niet kon redden, had hij hen behoorlijk voor den dood willen bereiden, maar ook hierin leed de zendeling schipbreuk; de booswichten waren zoo verstokt van ziel en in de ondeugd verhard dat zij hem niet wilden aanhooren en hem zelfs met schimp terug wezen. Zonderling genoeg hadden de drie bandieten, sedert zij in handen hunner vijanden waren geraakt, geen woord samen gewisseld; ieder in een hoek der hut nedergehurkt die hun tot gevangenis strekte, norsch en stil als wilde dieren, schenen zij elkander nog te ontwijken zooveel de banden die hen knelden hun toelieten.Alleen Ellen was in hun midden als een vertroostende engel, die hun heilzame woorden toesprak en bovenal de laatste dagen van haar vader poogde te verzachten.De Roode-Ceder leefde dan ook alleen door en voor zijne dochter; elke glimlach van het arme kind, dat hare tranen voor hem verborg, deed op zijn door booze hartstocht verwoest en verwilderd gelaat wederkeerig een glimlach verschijnen; zoo hij nog had kunnen leven en op den goeden weg had kunnen terugkeeren, zou zijne vaderlijke liefde wellicht dit wonder hebben uitgewerkt, maar het was nu te laat; alles was als verstorven in dat hart, waar de vaderlijke liefde zelfs niet veel meer was dan het instinct van tijgers of panters.»Zal het van daag eindelijk gebeuren, mijn kind?” vroeg hij aan zijne dochter.»Ik weet het niet, vader,” antwoordde zij bedeesd.»Ik begrijp u, mijne arme lieveling, gij vreest mij verdriet te doen door mij de waarheid te zeggen; maar misleid u zelve niet langer, wanneer een man zoo diep gezonken is als ik, is het eenigste wat hij begeert de dood, en ziedaar, ik krijg reeds dadelijk antwoord: de Lynch-wet begint hare taak. Zij zal van daag een ruimen oogst inzamelen,” liet hij er grinnekend op volgen.Op dit oogenblik hoorde men in het kamp een geweldig rumoer.Drie galgen waren dien morgen opgericht en rondom dezelve was een talrijke volkshoop druk in de weer met het verkiezen der rechters die het publieke recht zouden moeten handhaven.De verkozen rechters waren ten getale van zeven, met name als volgt:Valentin, Curumilla, de Eenhoorn, de Zwarte-Kat, de Spinnekop en twee andere jagers der Comanchen.Men had zorg gedragen geene namen op de lijst te plaatsen van personen die zelven beschuldigingen tegen de gevangenen hadden in te brengen.Des middags ten twaalf ure werd het in de vergadering op eens dood stil.Een kleine troep, uit krijgslieden en jagers bestaande, was de misdadigersuit de gevangenis gaan halen om hen voor de rechters te brengen, die zich tegenover de galgen vereenigd hadden.Ofschoon pater Seraphin in zijne pogingen om hen tot betere gedachten op te wekken niet was geslaagd, had hij hen toch willen vergezellen om hen tot het laatste oogenblik te vermanen.Hij ging met den Roode-Ceder aan zijne rechter en Ellen aan zijne linkerzijde.Toen de gevangenen voor de rechtbank kwamen, riep Valentin, die zeer tegen zijn zin tot voorzitter benoemd was, de beschuldigers op.Deze traden onmiddellijk te voorschijn.Zij waren ten getale van vijf, namelijk don Miguel de Zarate, don Pablo de Zarate, Andres Garote, de Witte-Gazelle en de Zoon des Bloeds.Valentin nam het woord en sprak met eene luide en vaste stem:»Roode-Ceder, gij staat hier voor de rechtbank der Lynch-wet, om de misdaden te hooren waarvan men u beschuldigt, gij hebt volkomen vrijheid om u te verdedigen.”De Squatter haalde de schouders op.»Uwe Lynch-wet is eene domme wet,” zeide hij op schamperen toon, »zij doodt zonder lang pijn te veroorzaken; in plaats van deze onnoozele wraakneming moest gij mij liever aan den folterpaal binden en een ganschen dag pijnigen, dan kondt gij uw hart ophalen van genot, want dan zoudt gij zien hoe een krijgsman den dood in ’t aangezicht durft zien, en de smart weet door te staan.”»Gij vergist u in onze bedoelingen,” zei de voorzitter, »wij wreken ons niet, maar wij straffen u, de folterpaal is voor de dappere en onberispelijke krijgslieden bestemd, de misdadigers verdienen niets anders dan de galg.”»Zooals u behaagt,” antwoordde hij onverschillig, »wat ik u gezegd heb, was alleen om voor uw genoegen te zorgen.”»Welke personen zijn hier aanwezig om tegen den Roode-Ceder beschuldigingen in te brengen?” hervatte Valentin.»Ik, don Miguel de Zarate.”»Ik, don Pablo de Zarate.”»Ik, dien men de Zoon des Bloeds heeft genoemd, maar die zijn waren naam zal noemen, zoodra de Roode-Ceder dit verlangt.”»Het is onnoodig,” bromde hij met eene doffe stem.»Ik, de Witte-Gazelle.”»Formuleert uwe beschuldigingen,” sprak de voorzitter.»Ik beschuldig dezen man, dat hij mijne dochter geschaakt en daarna laaghartig vermoord heeft,” zei don Miguel.»Ik beschuldig hem bovendien, van mijnen vriend den generaal Ibanez den dood te hebben berokkend.”»Beschuldigde, wat hebt gij hierop te antwoorden?”»Niets.”»Wat zegt het volk?” hervatte Valentin.»Wij hechten ons zegel aan de beschuldiging,” riepen allen met eenparige stem.»Ik beschuldig dezen man, van dezelfde misdaden,” zeide don Pablo, »hij heeft mijne zuster opgelicht en gedood.”»Ik beschuldig dezen man, dat hij het huis van mijne ouders verbrand, mijn vader en moeder vermoord en mij aan de bandieten heeft overgeleverd om mij in de misdaad te doen opvoeden,” zei de Witte-Gazelle.»Ik,” sprak de Zoon des Bloeds, »beschuldig hem van dezelfde misdaden, de vader van dit meisje was mijn broeder.”Een huivering van afgrijzen doorliep de vergadering.Valentin, na in stilte de overige rechters te hebben geraadpleegd, sprak:»De Roode-Ceder, met algemeene stemmen schuldig verklaard, wordt veroordeeld om gescalpeerd en daarna gehangen te worden.”Sutter werd alleen veroordeeld om gehangen te worden, daar de rechters hem, uit aanmerking zijner jeugd en het slechte voorbeeld dat hij steeds voor oogen had gehad, wilden verschoonen.Thans was de monnik aan de beurt.»Een oogenblik!” riep de Zoon des Bloeds, voorwaarts tredende, »deze man is niets meer dan een ellendige avonturier, die het recht niet heeft om het kleed te dragen dat hij reeds zoo lang onteerde; ik verzoek dat men den onverlaat, alvorens hem te beschuldigen, daarvan ontdoe.”»Waartoe zoudt gij uw tijd verkwisten met mij te beschuldigen en al die rechtsvormelijke fratsen?” antwoordde Fray Ambrosio schamper. »Gij allen die ons hier te recht stelt zijt even misdadig als wij; gij zijt moordenaars, daar gij u wederrechtelijk eene macht aanmatigt die u niet toekomt. Voor dezen keer ja, slaat gij juist, maar in duizend andere gevallen laat gij u door het u omringende gepeupel beheerschen, en veroordeelt gij onschuldigen. Gij verlangt mijne misdaden te kennen, ik zelf zal ze u zeggen.»Deze man heeft gelijk, ik ben geen monnik, en ik ben het nooit geweest; ik ben begonnen als een losbandige, ik eindig als een misdadiger. Als medeplichtige van den Roode-Ceder heb ik landhoeven verbrand of er de bewoners van vermoord om ze te berooven en te bestelen. Met denzelfden Roode-Ceder was ik een scalpenjager; ik hielp hem het meisje stelen dat daar voor u staat. Wat meer? Om hem het geheim van een goudmijn te ontrooven, heb ik den vader van dezen gambusino gedood. Wat wilt gij meer? Bedenk vrij de gruwzaamste en verfoeielijkste misdrijven, ik heb ze gepleegd. Spreekt nu uw vonnis en legt het ten uitvoer, maar gij zult geen woord meer van mij hooren, ik veracht u, gij zijt lafhartigen!”Na deze hatelijke taal met honende ergernis te hebben gesproken, wierp hij een uitdagenden blik op de vergadering.»Fray Ambrosio,” zei Valentin na de stemmen te hebben opgenomen,»gij zijt veroordeeld om gescalpeerd, onder de oksels opgehangen, met honig bestreken te worden en aldus te blijven hangen, tot de vogels des hemels u verslonden hebben.”Onder het aanhooren van dit vonnis kon de bandiet zijn schrik niet verbergen, terwijl de verzamelde menigte het strenge recht met uitbundig gejuich beantwoordde.»De vonnissen zullen onmiddellijk worden voltrokken,” zei Valentin.»Wacht een oogenblik,” riep de Eenhoorn, plotseling opstaande en zich voor de rechters plaatsende.»Wat den Roode-Ceder betreft is de eisch der wet niet gevolgd; zegt zij niet: oog om oog, tand om tand!”»Ja! ja!” schreeuwden de Indianen en jagers.Door een onbeschrijfelijk voorgevoel getroffen, sidderde de Roode-Ceder en kromp hem het hart ineen.»Ja!” sprak de Zoon des Bloeds met eene koele stem, »de Roode-Ceder heeft dona Clara, de dochter van don Miguel de Zarate, gedood, ook zijne dochter Ellen moet sterven.”De rechters zelven deinsden verschrikt terug.De Roode-Ceder stiet een vreeselijk gebrul uit.Alleen Ellen bleef kalm.»Ik ben bereid te sterven,” zeide zij met eene zachte gelatene stem. »Helaas! die arme dona Clara! God weet met hoeveel vreugde ik mijn leven had willen geven om het hare te redden.”»Mijne dochter!” riep de Roode-Ceder wanhopig.»Dat riep don Miguel ook, toen gij zijn kind laaghartig hebt vermoord,” antwoordde de Zoon des Bloeds onbarmhartig; »oog om oog, tand om tand.”»O! het is gruwzaam wat gij daar doet, mijne broeders,” riep pater Seraphin. »Gij gaat onschuldig bloed vergieten, het zal terugkomen op uw hoofd, God zal er u voor straffen; om Zijner barmhartigheids wille, doodt dat onschuldige meisje niet!”Op een wenk van den Eenhoorn maakten vier Indianen zich van den zendeling meester, namen hem in weerwil van zijn verzet, ofschoon altoos met de meeste voorzichtigheid op en brachten hem naar de hut van het opperhoofd, waar hij zoolang onder toezicht bleef tot de rechtspleging was afgeloopen.Valentin en Curumilla wendden vergeefsche pogingen aan om zich tegen dit barbaarsch bedrijf te verzetten; de Indianen en jagers, door den Zoon des Bloeds opgeruid, eischten met groot gedruisch de toepassing der wet en dreigden anders zichzelven recht te zullen verschaffen.Vruchteloos smeekten don Miguel en zijn zoon den Eenhoorn en den Zoon des Bloeds, zij konden niets bij hen uitrichten.Eindelijk, door de gebeden van den jongman getergd, nam de Eenhoorn Ellen bij de haren, stiet haar zijn mes in de borst en wierp haar don Pablo in de armen, met den uitroep:»Haar vader heeft uwe zuster vermoord, en gij bidt om haar leven! Gij zijt een laag mensch!”Haar vader heeft uwe Zuster vermoord. bladz. 286.Haar vader heeft uwe Zuster vermoord. bladz. 286.Bij deze onverantwoordelijke daad verborg Valentin zijn aangezicht met beide handen en vluchtte heen.De volksmenigte integendeel juichte haar uitbundig toe.De Roode-Ceder wrong zich schuimbekkend in de banden die hem kluisterden; toen hij Ellen had zien vallen veranderde hij als een blad van een boom; hij brulde alleen dit eene woord:»Mijne dochter! mijne dochter!”De Zoon des Bloeds en de Witte-Gazelle waren onverbiddelijk, zij woonden roerloos de strafoefening bij die aan de veroordeelden voltrokken werd.De Roode-Ceder en zijn zoon leden niet lang, ofschoon de eerste vooraf gescalpeerd was; hij werd waanzinnig en scheen ongevoelig voor alles.Wie het meeste leed was Ambrosio; de rampzalige onderging zijne straf en kromp gedurende vierentwintig uren onder de vreeselijkste smarten eer de dood er een einde aan maakte.Zoodra de schuldigen hun vonnis hadden ondergaan, stegen de Zoon des Bloeds en de Witte-Gazelle te paard en verwijderden zich in galop.Na dien tijd heeft men niet weder van hen hooren spreken en niemand weet wat er van hen geworden is.…* * *Ziedaar den afloop van het verschrikkelijke drama van roof en moord, vervolging en wraak dat onze lezers in dit en eenige vorige verhalen, zoo wij hopen niet te lang en tevens niet geheel onnut zal hebben bezig gehouden. De toepassing der Lynch-wet, die door de wreedste straffen aan de bloedige veete een einde maakte, is een verschijnsel dat alleen in de half beschaafde streken der Nieuwe Wereld mogelijk is, zij behoort tot de donkere zijde der Amerikaansche toestanden; als overlevering uit vroegere eeuwen van barbaarschheid en bloedwraak begint zij echter meer en meer zeldzaam te worden, en kan men met grond verwachten dat zij bij de uitbreiding der beschaving en de vestiging eener ordelijke maatschappij, ook in de onmetelijke velden van het Verre Westen eerlang geheel zal verdwijnen.Wij bevinden ons in het kamp van den Eenhoorn, dat nog altijd op dezelfde plaats was opgericht. Het is acht dagen na de boven door ons beschreven toepassing der Lynch-wet, en tegen den avond, even voor zonsondergang.Alle sporen der strafoefening zijn verdwenen. De Sachem had bepaald dat zijn stam voorloopig zou blijven waar hij was, uit hoofde der ziekte van Mme. Guillois, wier hopelooze toestand volkomen rust vorderde.De arme vrouw gevoelde dat zij ging sterven en werd van dag tot dag zwakker, ofschoon zij in het genot van al hare zielsvermogens, met al de helderheid die God soms den stervenden verleent, den dood met een glimlach zag naderen en alleen haar zoon zooveel mogelijk over haar verlies zocht te troosten.Maar Valentin, die na eene afwezigheid van zoovele jaren zijne moeder niet had wedergezien dan om op nieuw en voor altijd van haar te zullen scheiden, was ontroostbaar.Van den omgang met don Miguel en zijn zoon verstoken, die onmiddellijk naar Paso del Norte waren teruggekeerd, het lijk der ongelukkige Ellen met zich voerende, zat de jager weenend bij Curumilla die tot allen troost niets anders wist te doen dan met hem te weenen.»De Groote Geest roept de moeder mijns broeders tot zich, omdat Hij haar lief heeft!” zeide hij.Een gezegde vrij lang voor den woordkarigen Araucaan, en wel een bewijs van zijne innige deelneming in de smart zijns vriends.Dien dag waarop wij ons verhaal hervatten lag Mme. Guillois op een hangmat voor hare hut met het aangezicht gekeerd naar de ondergaande zon.Valentin stond aan hare rechterzijde, vader Seraphin aan hare linker, en Curumilla naast zijn vriend.Op het gelaat der kranke lag een glans van inwendige rust en genoegen, uit hare oogen blonk een levendige gloed terwijl een zweem van licht rood hare wangen kleurde; zij scheen gelukkig.De krijgslieden, in het leed van hun aangenomen broeder deelende, zaten in groepjes stilzwijgend nedergehurkt rondom de hut.Het was een heerlijke avond; de lichte koelte, die zich langzaam verhief, deed op hare golvende beweging de bladeren nu en dan zacht ritselen; de zon daalde ter kimme in een zee van dampen door duizend afwisselende kleuren geschakeerd.De kranke sprak van tijd tot tijd eenige afgebroken woorden, die haar zoon zorgvuldig beluisterde.Op het oogenblik dat de zon achter de besneeuwde toppen der verre bergen verdween, richtte de zieke zich op als door een onwederstaanbare macht gesteund, zij wierp een kalmen en helderen blik in het rond, legde de beide handen op het hoofd van den jager en sprak met zekeren nadruk en op zonderling welluidenden toon:»Vaarwel, Valentin!”Daarop zonk zij achterover.Zij was dood.Als bij onderlinge afspraak knielden al de aanwezigen rondom haar leger.Valentin boog zich over zijne moeder, wier gelaat de aureool der hemelsche schoonheid droeg, welke sommige dooden tooit; hij sloot haar de oogen, kuste haar en nam hare rechterhand, die van de sponde afhing in de zijne.Valentin boog zich over zijne moeder. bladz. 287.Valentin boog zich over zijne moeder. bladz. 287.Zoo ongeveer ging die gansche nacht voorbij, zonder dat iemand zijne plaats verliet.Met het krieken van den dag deed pater Seraphin, geholpen door Curumilla, die hem tot sacristaan diende, de lijkdienst, daarop werd het lijk ter aarde besteld; al de Indiaansche krijgslieden woonden deze plechtigheid bij.Toen al de anderen waren heengegaan, knielde Valentin neder bij het graf, en hoe ook de missionaris en de Araucaan er op aandrongen dat hij zich zou verwijderen, wilde hij ook dien nacht nog bij zijne doode moeder blijven waken.Toen zijne vrienden met het aanbreken van den volgenden morgen bij hem kwamen, vonden zij hem geknield en biddende, hij was doodsbleek en zag er afgemat uit, zijne haren, den vorigen dag nog zoo zwart, waren met witte vlokken doormengd.Wat was er gedurende dien langen nacht tusschen hem en de doode omgegaan, welke geheimen had de doode aan den levende ontsluierd?Vader Seraphin trachtte hem nieuwen moed in te boezemen. De jager schudde bij zijne toespraak treurig het hoofd en zuchtte:»Wat baat het mij?”»O! Valentin,” zei de zendeling ten slotte, »gij die altijd zoo kloek waart, wordt gij nu zoo zwak als een kind; de droefheid slaat u neder zonder strijd, gij weigert dien strijd, en gij vergeet dat gij u zelven niet toebehoort; kom, laat u raden.”»Ik,” riep hij; »helaas! wat blijft mij nu nog over?”»God blijft u over!” zei de zendeling op strengen toon, terwijl hij hem naar den hemel wees.»En de wildernis,” zei Curumilla, terwijl hij den arm uitstrekte naar de opkomende zon.In het oog van den jager schitterde een heldere straal, hij schudde meer dan eens het hoofd, wierp een teederlievenden blik op het graf zijner moeder en zei met een geschokte stem:»Tot wederziens, moeder!”Zich daarop tot den Indiaan wendende, zeide hij vastberaden:»Laat ons gaan!”Valentin zou eene nieuwe periode van zijn leven beginnen1.EINDE VAN DE LYNCH-WET.1Ziede graaf de Lhorailles.↑
XL.DE LYNCH-WET.
Eer wij verder gaan moeten wij in weinige woorden verklaren wat eigenlijk de Lynch-wet is, daar wij in den loop van dit verhaal reeds meermalen van gesproken hebben en die in de prairiën van Noord-Amerika niet alleen, maar ook in sommige gedeelten der Vereenigde Staten nog zulk eene groote rol speelt.Hoezeer wij Europeanen ons altijd met reden verwonderen dat in een zedelijke maatschappij zulk een monsterachtige wet als de zoogenaamde Lynch-wet bestaan kan, moeten wij om den Amerikanen recht te laten wedervaren erkennen dat deze wet in haar beginsel een uitvloeisel was van gebiedende omstandigheden, al kunnen wij ook het tegenwoordige stelsel niet goedkeuren dat zij op hare oorspronkelijke instellingen hebben gebouwd. De Lynch-wet was in den eersten tijd der vader-kolonisten op het land van Plymouth, niets anders dan de kastijding of straf, door eene geheel wettelooze maatschappij opgelegd, die geen ander middel had om gepleegde misdaden te straffen.Thans daarentegen is deze wet in de grootere Staten der Unie niets anders dan een onwettige machtsoefening der meerderheid, in strijd met de wetten des lands die zij trotseert zoowel als de straffen door deze wetten opgelegd.In de nieuwe nederzettingen waar de bevolking schaars is, zijn de kolonisten, zoolang het volgens de staatsregeling der Unie gevorderde aantal inwoners om een district te vormen ontbreekt, genoodzaakt hun toevlucht te nemen tot de Lynch-wet, daar zij geen rechtsbedeeling bezitten noch wettige bescherming kunnen inroepen, tegen de dieven en moordenaars van allerlei soort die de kolonie onveilig maken.In de Prairiën van het Verre Westen is deze wet ongeveer gelijk aan de wet der wedervergelding der oude Hebreeuwen en andere oosterlingen: »oog om oog, tand om tand.”Wij zullen hier niet verder uitweiden over de Lynch-wet, zoo duister in haren oorsprong, dat zelfs haar naam een onoplosbaar raadsel is, ofschoon sommigen beweren dat zekere Lynch, een pachter of landbouwer, haar het eerst heeft toegepast; het eenige bezwaar dat ik tegen deze naamsafleiding heb, is dat de Lynch-wet in Amerika heeft bestaan van den eersten tijd af dat de Europeanen er zich vestigden. Het blijkt echter dat deze wet in de beschaafde staten der Unie niet is uitgeoefend vóór de laatste jaren der vorige eeuw, toen men met de volgens hare rechtspraak veroordeelden zoo kort en zakelijk te werk ging, dat men den eersten lantarenpaal den besten te baat nam om er het slachtoffer aan op te hangen. Vandaar zouden wij geneigd zijn te veronderstellen dat het woordLynchmisschien een verbastering is vanlight(licht).Hervatten wij den draad van ons verhaal, dat nu spoedig ten einde loopt.Vier dagen na de in het vorige hoofdstuk vermelde gebeurtenissen bood het legerkamp van den Eenhoorn een zonderling schouwspel. Niet alleen dat er Indiaansche krijgslieden van al de bondgenooten der Comanchen vereenigd waren, maar tevens een groot aantal jagers en strikkenzetters, zoo kleurlingen als blanken, die uit alle hoeken der prairie waren samengevloeid om de rechtspleging der sedert eenige dagen gevangen gemaakte bandieten bij te wonen en de strengheid der Lynch-wet op hen te helpen toepassen, zoo als men die in de Prairie begrijpt.Pater Seraphin, die zich op dat oogenblik mede in het kamp bevond, om zijne zorgen en vertroostingen aan Mme. Guillois te besteden die thans tot haar uiterste genaderd was en weldra zachtjes zou afsterven, had al het mogelijke beproefd om zich tegen de rechtspleging der gevangenen te verzetten.Te vergeefs echter stelde hij aan de blanken zoowel als aan de Indianen voor, dat er in de Vereenigde Staten onpartijdige rechters genoeg te vinden waren die naar ambt en plicht billijk recht spreken en deschuldigen doen straffen; al zijne pogingen bleven echter zonder gevolg en hij was tot zijn innige smart genoodzaakt het op te geven.Toen hij zag dat hij de gevangenen niet kon redden, had hij hen behoorlijk voor den dood willen bereiden, maar ook hierin leed de zendeling schipbreuk; de booswichten waren zoo verstokt van ziel en in de ondeugd verhard dat zij hem niet wilden aanhooren en hem zelfs met schimp terug wezen. Zonderling genoeg hadden de drie bandieten, sedert zij in handen hunner vijanden waren geraakt, geen woord samen gewisseld; ieder in een hoek der hut nedergehurkt die hun tot gevangenis strekte, norsch en stil als wilde dieren, schenen zij elkander nog te ontwijken zooveel de banden die hen knelden hun toelieten.Alleen Ellen was in hun midden als een vertroostende engel, die hun heilzame woorden toesprak en bovenal de laatste dagen van haar vader poogde te verzachten.De Roode-Ceder leefde dan ook alleen door en voor zijne dochter; elke glimlach van het arme kind, dat hare tranen voor hem verborg, deed op zijn door booze hartstocht verwoest en verwilderd gelaat wederkeerig een glimlach verschijnen; zoo hij nog had kunnen leven en op den goeden weg had kunnen terugkeeren, zou zijne vaderlijke liefde wellicht dit wonder hebben uitgewerkt, maar het was nu te laat; alles was als verstorven in dat hart, waar de vaderlijke liefde zelfs niet veel meer was dan het instinct van tijgers of panters.»Zal het van daag eindelijk gebeuren, mijn kind?” vroeg hij aan zijne dochter.»Ik weet het niet, vader,” antwoordde zij bedeesd.»Ik begrijp u, mijne arme lieveling, gij vreest mij verdriet te doen door mij de waarheid te zeggen; maar misleid u zelve niet langer, wanneer een man zoo diep gezonken is als ik, is het eenigste wat hij begeert de dood, en ziedaar, ik krijg reeds dadelijk antwoord: de Lynch-wet begint hare taak. Zij zal van daag een ruimen oogst inzamelen,” liet hij er grinnekend op volgen.Op dit oogenblik hoorde men in het kamp een geweldig rumoer.Drie galgen waren dien morgen opgericht en rondom dezelve was een talrijke volkshoop druk in de weer met het verkiezen der rechters die het publieke recht zouden moeten handhaven.De verkozen rechters waren ten getale van zeven, met name als volgt:Valentin, Curumilla, de Eenhoorn, de Zwarte-Kat, de Spinnekop en twee andere jagers der Comanchen.Men had zorg gedragen geene namen op de lijst te plaatsen van personen die zelven beschuldigingen tegen de gevangenen hadden in te brengen.Des middags ten twaalf ure werd het in de vergadering op eens dood stil.Een kleine troep, uit krijgslieden en jagers bestaande, was de misdadigersuit de gevangenis gaan halen om hen voor de rechters te brengen, die zich tegenover de galgen vereenigd hadden.Ofschoon pater Seraphin in zijne pogingen om hen tot betere gedachten op te wekken niet was geslaagd, had hij hen toch willen vergezellen om hen tot het laatste oogenblik te vermanen.Hij ging met den Roode-Ceder aan zijne rechter en Ellen aan zijne linkerzijde.Toen de gevangenen voor de rechtbank kwamen, riep Valentin, die zeer tegen zijn zin tot voorzitter benoemd was, de beschuldigers op.Deze traden onmiddellijk te voorschijn.Zij waren ten getale van vijf, namelijk don Miguel de Zarate, don Pablo de Zarate, Andres Garote, de Witte-Gazelle en de Zoon des Bloeds.Valentin nam het woord en sprak met eene luide en vaste stem:»Roode-Ceder, gij staat hier voor de rechtbank der Lynch-wet, om de misdaden te hooren waarvan men u beschuldigt, gij hebt volkomen vrijheid om u te verdedigen.”De Squatter haalde de schouders op.»Uwe Lynch-wet is eene domme wet,” zeide hij op schamperen toon, »zij doodt zonder lang pijn te veroorzaken; in plaats van deze onnoozele wraakneming moest gij mij liever aan den folterpaal binden en een ganschen dag pijnigen, dan kondt gij uw hart ophalen van genot, want dan zoudt gij zien hoe een krijgsman den dood in ’t aangezicht durft zien, en de smart weet door te staan.”»Gij vergist u in onze bedoelingen,” zei de voorzitter, »wij wreken ons niet, maar wij straffen u, de folterpaal is voor de dappere en onberispelijke krijgslieden bestemd, de misdadigers verdienen niets anders dan de galg.”»Zooals u behaagt,” antwoordde hij onverschillig, »wat ik u gezegd heb, was alleen om voor uw genoegen te zorgen.”»Welke personen zijn hier aanwezig om tegen den Roode-Ceder beschuldigingen in te brengen?” hervatte Valentin.»Ik, don Miguel de Zarate.”»Ik, don Pablo de Zarate.”»Ik, dien men de Zoon des Bloeds heeft genoemd, maar die zijn waren naam zal noemen, zoodra de Roode-Ceder dit verlangt.”»Het is onnoodig,” bromde hij met eene doffe stem.»Ik, de Witte-Gazelle.”»Formuleert uwe beschuldigingen,” sprak de voorzitter.»Ik beschuldig dezen man, dat hij mijne dochter geschaakt en daarna laaghartig vermoord heeft,” zei don Miguel.»Ik beschuldig hem bovendien, van mijnen vriend den generaal Ibanez den dood te hebben berokkend.”»Beschuldigde, wat hebt gij hierop te antwoorden?”»Niets.”»Wat zegt het volk?” hervatte Valentin.»Wij hechten ons zegel aan de beschuldiging,” riepen allen met eenparige stem.»Ik beschuldig dezen man, van dezelfde misdaden,” zeide don Pablo, »hij heeft mijne zuster opgelicht en gedood.”»Ik beschuldig dezen man, dat hij het huis van mijne ouders verbrand, mijn vader en moeder vermoord en mij aan de bandieten heeft overgeleverd om mij in de misdaad te doen opvoeden,” zei de Witte-Gazelle.»Ik,” sprak de Zoon des Bloeds, »beschuldig hem van dezelfde misdaden, de vader van dit meisje was mijn broeder.”Een huivering van afgrijzen doorliep de vergadering.Valentin, na in stilte de overige rechters te hebben geraadpleegd, sprak:»De Roode-Ceder, met algemeene stemmen schuldig verklaard, wordt veroordeeld om gescalpeerd en daarna gehangen te worden.”Sutter werd alleen veroordeeld om gehangen te worden, daar de rechters hem, uit aanmerking zijner jeugd en het slechte voorbeeld dat hij steeds voor oogen had gehad, wilden verschoonen.Thans was de monnik aan de beurt.»Een oogenblik!” riep de Zoon des Bloeds, voorwaarts tredende, »deze man is niets meer dan een ellendige avonturier, die het recht niet heeft om het kleed te dragen dat hij reeds zoo lang onteerde; ik verzoek dat men den onverlaat, alvorens hem te beschuldigen, daarvan ontdoe.”»Waartoe zoudt gij uw tijd verkwisten met mij te beschuldigen en al die rechtsvormelijke fratsen?” antwoordde Fray Ambrosio schamper. »Gij allen die ons hier te recht stelt zijt even misdadig als wij; gij zijt moordenaars, daar gij u wederrechtelijk eene macht aanmatigt die u niet toekomt. Voor dezen keer ja, slaat gij juist, maar in duizend andere gevallen laat gij u door het u omringende gepeupel beheerschen, en veroordeelt gij onschuldigen. Gij verlangt mijne misdaden te kennen, ik zelf zal ze u zeggen.»Deze man heeft gelijk, ik ben geen monnik, en ik ben het nooit geweest; ik ben begonnen als een losbandige, ik eindig als een misdadiger. Als medeplichtige van den Roode-Ceder heb ik landhoeven verbrand of er de bewoners van vermoord om ze te berooven en te bestelen. Met denzelfden Roode-Ceder was ik een scalpenjager; ik hielp hem het meisje stelen dat daar voor u staat. Wat meer? Om hem het geheim van een goudmijn te ontrooven, heb ik den vader van dezen gambusino gedood. Wat wilt gij meer? Bedenk vrij de gruwzaamste en verfoeielijkste misdrijven, ik heb ze gepleegd. Spreekt nu uw vonnis en legt het ten uitvoer, maar gij zult geen woord meer van mij hooren, ik veracht u, gij zijt lafhartigen!”Na deze hatelijke taal met honende ergernis te hebben gesproken, wierp hij een uitdagenden blik op de vergadering.»Fray Ambrosio,” zei Valentin na de stemmen te hebben opgenomen,»gij zijt veroordeeld om gescalpeerd, onder de oksels opgehangen, met honig bestreken te worden en aldus te blijven hangen, tot de vogels des hemels u verslonden hebben.”Onder het aanhooren van dit vonnis kon de bandiet zijn schrik niet verbergen, terwijl de verzamelde menigte het strenge recht met uitbundig gejuich beantwoordde.»De vonnissen zullen onmiddellijk worden voltrokken,” zei Valentin.»Wacht een oogenblik,” riep de Eenhoorn, plotseling opstaande en zich voor de rechters plaatsende.»Wat den Roode-Ceder betreft is de eisch der wet niet gevolgd; zegt zij niet: oog om oog, tand om tand!”»Ja! ja!” schreeuwden de Indianen en jagers.Door een onbeschrijfelijk voorgevoel getroffen, sidderde de Roode-Ceder en kromp hem het hart ineen.»Ja!” sprak de Zoon des Bloeds met eene koele stem, »de Roode-Ceder heeft dona Clara, de dochter van don Miguel de Zarate, gedood, ook zijne dochter Ellen moet sterven.”De rechters zelven deinsden verschrikt terug.De Roode-Ceder stiet een vreeselijk gebrul uit.Alleen Ellen bleef kalm.»Ik ben bereid te sterven,” zeide zij met eene zachte gelatene stem. »Helaas! die arme dona Clara! God weet met hoeveel vreugde ik mijn leven had willen geven om het hare te redden.”»Mijne dochter!” riep de Roode-Ceder wanhopig.»Dat riep don Miguel ook, toen gij zijn kind laaghartig hebt vermoord,” antwoordde de Zoon des Bloeds onbarmhartig; »oog om oog, tand om tand.”»O! het is gruwzaam wat gij daar doet, mijne broeders,” riep pater Seraphin. »Gij gaat onschuldig bloed vergieten, het zal terugkomen op uw hoofd, God zal er u voor straffen; om Zijner barmhartigheids wille, doodt dat onschuldige meisje niet!”Op een wenk van den Eenhoorn maakten vier Indianen zich van den zendeling meester, namen hem in weerwil van zijn verzet, ofschoon altoos met de meeste voorzichtigheid op en brachten hem naar de hut van het opperhoofd, waar hij zoolang onder toezicht bleef tot de rechtspleging was afgeloopen.Valentin en Curumilla wendden vergeefsche pogingen aan om zich tegen dit barbaarsch bedrijf te verzetten; de Indianen en jagers, door den Zoon des Bloeds opgeruid, eischten met groot gedruisch de toepassing der wet en dreigden anders zichzelven recht te zullen verschaffen.Vruchteloos smeekten don Miguel en zijn zoon den Eenhoorn en den Zoon des Bloeds, zij konden niets bij hen uitrichten.Eindelijk, door de gebeden van den jongman getergd, nam de Eenhoorn Ellen bij de haren, stiet haar zijn mes in de borst en wierp haar don Pablo in de armen, met den uitroep:»Haar vader heeft uwe zuster vermoord, en gij bidt om haar leven! Gij zijt een laag mensch!”Haar vader heeft uwe Zuster vermoord. bladz. 286.Haar vader heeft uwe Zuster vermoord. bladz. 286.Bij deze onverantwoordelijke daad verborg Valentin zijn aangezicht met beide handen en vluchtte heen.De volksmenigte integendeel juichte haar uitbundig toe.De Roode-Ceder wrong zich schuimbekkend in de banden die hem kluisterden; toen hij Ellen had zien vallen veranderde hij als een blad van een boom; hij brulde alleen dit eene woord:»Mijne dochter! mijne dochter!”De Zoon des Bloeds en de Witte-Gazelle waren onverbiddelijk, zij woonden roerloos de strafoefening bij die aan de veroordeelden voltrokken werd.De Roode-Ceder en zijn zoon leden niet lang, ofschoon de eerste vooraf gescalpeerd was; hij werd waanzinnig en scheen ongevoelig voor alles.Wie het meeste leed was Ambrosio; de rampzalige onderging zijne straf en kromp gedurende vierentwintig uren onder de vreeselijkste smarten eer de dood er een einde aan maakte.Zoodra de schuldigen hun vonnis hadden ondergaan, stegen de Zoon des Bloeds en de Witte-Gazelle te paard en verwijderden zich in galop.Na dien tijd heeft men niet weder van hen hooren spreken en niemand weet wat er van hen geworden is.…* * *Ziedaar den afloop van het verschrikkelijke drama van roof en moord, vervolging en wraak dat onze lezers in dit en eenige vorige verhalen, zoo wij hopen niet te lang en tevens niet geheel onnut zal hebben bezig gehouden. De toepassing der Lynch-wet, die door de wreedste straffen aan de bloedige veete een einde maakte, is een verschijnsel dat alleen in de half beschaafde streken der Nieuwe Wereld mogelijk is, zij behoort tot de donkere zijde der Amerikaansche toestanden; als overlevering uit vroegere eeuwen van barbaarschheid en bloedwraak begint zij echter meer en meer zeldzaam te worden, en kan men met grond verwachten dat zij bij de uitbreiding der beschaving en de vestiging eener ordelijke maatschappij, ook in de onmetelijke velden van het Verre Westen eerlang geheel zal verdwijnen.Wij bevinden ons in het kamp van den Eenhoorn, dat nog altijd op dezelfde plaats was opgericht. Het is acht dagen na de boven door ons beschreven toepassing der Lynch-wet, en tegen den avond, even voor zonsondergang.Alle sporen der strafoefening zijn verdwenen. De Sachem had bepaald dat zijn stam voorloopig zou blijven waar hij was, uit hoofde der ziekte van Mme. Guillois, wier hopelooze toestand volkomen rust vorderde.De arme vrouw gevoelde dat zij ging sterven en werd van dag tot dag zwakker, ofschoon zij in het genot van al hare zielsvermogens, met al de helderheid die God soms den stervenden verleent, den dood met een glimlach zag naderen en alleen haar zoon zooveel mogelijk over haar verlies zocht te troosten.Maar Valentin, die na eene afwezigheid van zoovele jaren zijne moeder niet had wedergezien dan om op nieuw en voor altijd van haar te zullen scheiden, was ontroostbaar.Van den omgang met don Miguel en zijn zoon verstoken, die onmiddellijk naar Paso del Norte waren teruggekeerd, het lijk der ongelukkige Ellen met zich voerende, zat de jager weenend bij Curumilla die tot allen troost niets anders wist te doen dan met hem te weenen.»De Groote Geest roept de moeder mijns broeders tot zich, omdat Hij haar lief heeft!” zeide hij.Een gezegde vrij lang voor den woordkarigen Araucaan, en wel een bewijs van zijne innige deelneming in de smart zijns vriends.Dien dag waarop wij ons verhaal hervatten lag Mme. Guillois op een hangmat voor hare hut met het aangezicht gekeerd naar de ondergaande zon.Valentin stond aan hare rechterzijde, vader Seraphin aan hare linker, en Curumilla naast zijn vriend.Op het gelaat der kranke lag een glans van inwendige rust en genoegen, uit hare oogen blonk een levendige gloed terwijl een zweem van licht rood hare wangen kleurde; zij scheen gelukkig.De krijgslieden, in het leed van hun aangenomen broeder deelende, zaten in groepjes stilzwijgend nedergehurkt rondom de hut.Het was een heerlijke avond; de lichte koelte, die zich langzaam verhief, deed op hare golvende beweging de bladeren nu en dan zacht ritselen; de zon daalde ter kimme in een zee van dampen door duizend afwisselende kleuren geschakeerd.De kranke sprak van tijd tot tijd eenige afgebroken woorden, die haar zoon zorgvuldig beluisterde.Op het oogenblik dat de zon achter de besneeuwde toppen der verre bergen verdween, richtte de zieke zich op als door een onwederstaanbare macht gesteund, zij wierp een kalmen en helderen blik in het rond, legde de beide handen op het hoofd van den jager en sprak met zekeren nadruk en op zonderling welluidenden toon:»Vaarwel, Valentin!”Daarop zonk zij achterover.Zij was dood.Als bij onderlinge afspraak knielden al de aanwezigen rondom haar leger.Valentin boog zich over zijne moeder, wier gelaat de aureool der hemelsche schoonheid droeg, welke sommige dooden tooit; hij sloot haar de oogen, kuste haar en nam hare rechterhand, die van de sponde afhing in de zijne.Valentin boog zich over zijne moeder. bladz. 287.Valentin boog zich over zijne moeder. bladz. 287.Zoo ongeveer ging die gansche nacht voorbij, zonder dat iemand zijne plaats verliet.Met het krieken van den dag deed pater Seraphin, geholpen door Curumilla, die hem tot sacristaan diende, de lijkdienst, daarop werd het lijk ter aarde besteld; al de Indiaansche krijgslieden woonden deze plechtigheid bij.Toen al de anderen waren heengegaan, knielde Valentin neder bij het graf, en hoe ook de missionaris en de Araucaan er op aandrongen dat hij zich zou verwijderen, wilde hij ook dien nacht nog bij zijne doode moeder blijven waken.Toen zijne vrienden met het aanbreken van den volgenden morgen bij hem kwamen, vonden zij hem geknield en biddende, hij was doodsbleek en zag er afgemat uit, zijne haren, den vorigen dag nog zoo zwart, waren met witte vlokken doormengd.Wat was er gedurende dien langen nacht tusschen hem en de doode omgegaan, welke geheimen had de doode aan den levende ontsluierd?Vader Seraphin trachtte hem nieuwen moed in te boezemen. De jager schudde bij zijne toespraak treurig het hoofd en zuchtte:»Wat baat het mij?”»O! Valentin,” zei de zendeling ten slotte, »gij die altijd zoo kloek waart, wordt gij nu zoo zwak als een kind; de droefheid slaat u neder zonder strijd, gij weigert dien strijd, en gij vergeet dat gij u zelven niet toebehoort; kom, laat u raden.”»Ik,” riep hij; »helaas! wat blijft mij nu nog over?”»God blijft u over!” zei de zendeling op strengen toon, terwijl hij hem naar den hemel wees.»En de wildernis,” zei Curumilla, terwijl hij den arm uitstrekte naar de opkomende zon.In het oog van den jager schitterde een heldere straal, hij schudde meer dan eens het hoofd, wierp een teederlievenden blik op het graf zijner moeder en zei met een geschokte stem:»Tot wederziens, moeder!”Zich daarop tot den Indiaan wendende, zeide hij vastberaden:»Laat ons gaan!”Valentin zou eene nieuwe periode van zijn leven beginnen1.EINDE VAN DE LYNCH-WET.
Eer wij verder gaan moeten wij in weinige woorden verklaren wat eigenlijk de Lynch-wet is, daar wij in den loop van dit verhaal reeds meermalen van gesproken hebben en die in de prairiën van Noord-Amerika niet alleen, maar ook in sommige gedeelten der Vereenigde Staten nog zulk eene groote rol speelt.
Hoezeer wij Europeanen ons altijd met reden verwonderen dat in een zedelijke maatschappij zulk een monsterachtige wet als de zoogenaamde Lynch-wet bestaan kan, moeten wij om den Amerikanen recht te laten wedervaren erkennen dat deze wet in haar beginsel een uitvloeisel was van gebiedende omstandigheden, al kunnen wij ook het tegenwoordige stelsel niet goedkeuren dat zij op hare oorspronkelijke instellingen hebben gebouwd. De Lynch-wet was in den eersten tijd der vader-kolonisten op het land van Plymouth, niets anders dan de kastijding of straf, door eene geheel wettelooze maatschappij opgelegd, die geen ander middel had om gepleegde misdaden te straffen.
Thans daarentegen is deze wet in de grootere Staten der Unie niets anders dan een onwettige machtsoefening der meerderheid, in strijd met de wetten des lands die zij trotseert zoowel als de straffen door deze wetten opgelegd.
In de nieuwe nederzettingen waar de bevolking schaars is, zijn de kolonisten, zoolang het volgens de staatsregeling der Unie gevorderde aantal inwoners om een district te vormen ontbreekt, genoodzaakt hun toevlucht te nemen tot de Lynch-wet, daar zij geen rechtsbedeeling bezitten noch wettige bescherming kunnen inroepen, tegen de dieven en moordenaars van allerlei soort die de kolonie onveilig maken.
In de Prairiën van het Verre Westen is deze wet ongeveer gelijk aan de wet der wedervergelding der oude Hebreeuwen en andere oosterlingen: »oog om oog, tand om tand.”
Wij zullen hier niet verder uitweiden over de Lynch-wet, zoo duister in haren oorsprong, dat zelfs haar naam een onoplosbaar raadsel is, ofschoon sommigen beweren dat zekere Lynch, een pachter of landbouwer, haar het eerst heeft toegepast; het eenige bezwaar dat ik tegen deze naamsafleiding heb, is dat de Lynch-wet in Amerika heeft bestaan van den eersten tijd af dat de Europeanen er zich vestigden. Het blijkt echter dat deze wet in de beschaafde staten der Unie niet is uitgeoefend vóór de laatste jaren der vorige eeuw, toen men met de volgens hare rechtspraak veroordeelden zoo kort en zakelijk te werk ging, dat men den eersten lantarenpaal den besten te baat nam om er het slachtoffer aan op te hangen. Vandaar zouden wij geneigd zijn te veronderstellen dat het woordLynchmisschien een verbastering is vanlight(licht).
Hervatten wij den draad van ons verhaal, dat nu spoedig ten einde loopt.
Vier dagen na de in het vorige hoofdstuk vermelde gebeurtenissen bood het legerkamp van den Eenhoorn een zonderling schouwspel. Niet alleen dat er Indiaansche krijgslieden van al de bondgenooten der Comanchen vereenigd waren, maar tevens een groot aantal jagers en strikkenzetters, zoo kleurlingen als blanken, die uit alle hoeken der prairie waren samengevloeid om de rechtspleging der sedert eenige dagen gevangen gemaakte bandieten bij te wonen en de strengheid der Lynch-wet op hen te helpen toepassen, zoo als men die in de Prairie begrijpt.
Pater Seraphin, die zich op dat oogenblik mede in het kamp bevond, om zijne zorgen en vertroostingen aan Mme. Guillois te besteden die thans tot haar uiterste genaderd was en weldra zachtjes zou afsterven, had al het mogelijke beproefd om zich tegen de rechtspleging der gevangenen te verzetten.
Te vergeefs echter stelde hij aan de blanken zoowel als aan de Indianen voor, dat er in de Vereenigde Staten onpartijdige rechters genoeg te vinden waren die naar ambt en plicht billijk recht spreken en deschuldigen doen straffen; al zijne pogingen bleven echter zonder gevolg en hij was tot zijn innige smart genoodzaakt het op te geven.
Toen hij zag dat hij de gevangenen niet kon redden, had hij hen behoorlijk voor den dood willen bereiden, maar ook hierin leed de zendeling schipbreuk; de booswichten waren zoo verstokt van ziel en in de ondeugd verhard dat zij hem niet wilden aanhooren en hem zelfs met schimp terug wezen. Zonderling genoeg hadden de drie bandieten, sedert zij in handen hunner vijanden waren geraakt, geen woord samen gewisseld; ieder in een hoek der hut nedergehurkt die hun tot gevangenis strekte, norsch en stil als wilde dieren, schenen zij elkander nog te ontwijken zooveel de banden die hen knelden hun toelieten.
Alleen Ellen was in hun midden als een vertroostende engel, die hun heilzame woorden toesprak en bovenal de laatste dagen van haar vader poogde te verzachten.
De Roode-Ceder leefde dan ook alleen door en voor zijne dochter; elke glimlach van het arme kind, dat hare tranen voor hem verborg, deed op zijn door booze hartstocht verwoest en verwilderd gelaat wederkeerig een glimlach verschijnen; zoo hij nog had kunnen leven en op den goeden weg had kunnen terugkeeren, zou zijne vaderlijke liefde wellicht dit wonder hebben uitgewerkt, maar het was nu te laat; alles was als verstorven in dat hart, waar de vaderlijke liefde zelfs niet veel meer was dan het instinct van tijgers of panters.
»Zal het van daag eindelijk gebeuren, mijn kind?” vroeg hij aan zijne dochter.
»Ik weet het niet, vader,” antwoordde zij bedeesd.
»Ik begrijp u, mijne arme lieveling, gij vreest mij verdriet te doen door mij de waarheid te zeggen; maar misleid u zelve niet langer, wanneer een man zoo diep gezonken is als ik, is het eenigste wat hij begeert de dood, en ziedaar, ik krijg reeds dadelijk antwoord: de Lynch-wet begint hare taak. Zij zal van daag een ruimen oogst inzamelen,” liet hij er grinnekend op volgen.
Op dit oogenblik hoorde men in het kamp een geweldig rumoer.
Drie galgen waren dien morgen opgericht en rondom dezelve was een talrijke volkshoop druk in de weer met het verkiezen der rechters die het publieke recht zouden moeten handhaven.
De verkozen rechters waren ten getale van zeven, met name als volgt:
Valentin, Curumilla, de Eenhoorn, de Zwarte-Kat, de Spinnekop en twee andere jagers der Comanchen.
Men had zorg gedragen geene namen op de lijst te plaatsen van personen die zelven beschuldigingen tegen de gevangenen hadden in te brengen.
Des middags ten twaalf ure werd het in de vergadering op eens dood stil.
Een kleine troep, uit krijgslieden en jagers bestaande, was de misdadigersuit de gevangenis gaan halen om hen voor de rechters te brengen, die zich tegenover de galgen vereenigd hadden.
Ofschoon pater Seraphin in zijne pogingen om hen tot betere gedachten op te wekken niet was geslaagd, had hij hen toch willen vergezellen om hen tot het laatste oogenblik te vermanen.
Hij ging met den Roode-Ceder aan zijne rechter en Ellen aan zijne linkerzijde.
Toen de gevangenen voor de rechtbank kwamen, riep Valentin, die zeer tegen zijn zin tot voorzitter benoemd was, de beschuldigers op.
Deze traden onmiddellijk te voorschijn.
Zij waren ten getale van vijf, namelijk don Miguel de Zarate, don Pablo de Zarate, Andres Garote, de Witte-Gazelle en de Zoon des Bloeds.
Valentin nam het woord en sprak met eene luide en vaste stem:
»Roode-Ceder, gij staat hier voor de rechtbank der Lynch-wet, om de misdaden te hooren waarvan men u beschuldigt, gij hebt volkomen vrijheid om u te verdedigen.”
De Squatter haalde de schouders op.
»Uwe Lynch-wet is eene domme wet,” zeide hij op schamperen toon, »zij doodt zonder lang pijn te veroorzaken; in plaats van deze onnoozele wraakneming moest gij mij liever aan den folterpaal binden en een ganschen dag pijnigen, dan kondt gij uw hart ophalen van genot, want dan zoudt gij zien hoe een krijgsman den dood in ’t aangezicht durft zien, en de smart weet door te staan.”
»Gij vergist u in onze bedoelingen,” zei de voorzitter, »wij wreken ons niet, maar wij straffen u, de folterpaal is voor de dappere en onberispelijke krijgslieden bestemd, de misdadigers verdienen niets anders dan de galg.”
»Zooals u behaagt,” antwoordde hij onverschillig, »wat ik u gezegd heb, was alleen om voor uw genoegen te zorgen.”
»Welke personen zijn hier aanwezig om tegen den Roode-Ceder beschuldigingen in te brengen?” hervatte Valentin.
»Ik, don Miguel de Zarate.”
»Ik, don Pablo de Zarate.”
»Ik, dien men de Zoon des Bloeds heeft genoemd, maar die zijn waren naam zal noemen, zoodra de Roode-Ceder dit verlangt.”
»Het is onnoodig,” bromde hij met eene doffe stem.
»Ik, de Witte-Gazelle.”
»Formuleert uwe beschuldigingen,” sprak de voorzitter.
»Ik beschuldig dezen man, dat hij mijne dochter geschaakt en daarna laaghartig vermoord heeft,” zei don Miguel.
»Ik beschuldig hem bovendien, van mijnen vriend den generaal Ibanez den dood te hebben berokkend.”
»Beschuldigde, wat hebt gij hierop te antwoorden?”
»Niets.”
»Wat zegt het volk?” hervatte Valentin.
»Wij hechten ons zegel aan de beschuldiging,” riepen allen met eenparige stem.
»Ik beschuldig dezen man, van dezelfde misdaden,” zeide don Pablo, »hij heeft mijne zuster opgelicht en gedood.”
»Ik beschuldig dezen man, dat hij het huis van mijne ouders verbrand, mijn vader en moeder vermoord en mij aan de bandieten heeft overgeleverd om mij in de misdaad te doen opvoeden,” zei de Witte-Gazelle.
»Ik,” sprak de Zoon des Bloeds, »beschuldig hem van dezelfde misdaden, de vader van dit meisje was mijn broeder.”
Een huivering van afgrijzen doorliep de vergadering.
Valentin, na in stilte de overige rechters te hebben geraadpleegd, sprak:
»De Roode-Ceder, met algemeene stemmen schuldig verklaard, wordt veroordeeld om gescalpeerd en daarna gehangen te worden.”
Sutter werd alleen veroordeeld om gehangen te worden, daar de rechters hem, uit aanmerking zijner jeugd en het slechte voorbeeld dat hij steeds voor oogen had gehad, wilden verschoonen.
Thans was de monnik aan de beurt.
»Een oogenblik!” riep de Zoon des Bloeds, voorwaarts tredende, »deze man is niets meer dan een ellendige avonturier, die het recht niet heeft om het kleed te dragen dat hij reeds zoo lang onteerde; ik verzoek dat men den onverlaat, alvorens hem te beschuldigen, daarvan ontdoe.”
»Waartoe zoudt gij uw tijd verkwisten met mij te beschuldigen en al die rechtsvormelijke fratsen?” antwoordde Fray Ambrosio schamper. »Gij allen die ons hier te recht stelt zijt even misdadig als wij; gij zijt moordenaars, daar gij u wederrechtelijk eene macht aanmatigt die u niet toekomt. Voor dezen keer ja, slaat gij juist, maar in duizend andere gevallen laat gij u door het u omringende gepeupel beheerschen, en veroordeelt gij onschuldigen. Gij verlangt mijne misdaden te kennen, ik zelf zal ze u zeggen.
»Deze man heeft gelijk, ik ben geen monnik, en ik ben het nooit geweest; ik ben begonnen als een losbandige, ik eindig als een misdadiger. Als medeplichtige van den Roode-Ceder heb ik landhoeven verbrand of er de bewoners van vermoord om ze te berooven en te bestelen. Met denzelfden Roode-Ceder was ik een scalpenjager; ik hielp hem het meisje stelen dat daar voor u staat. Wat meer? Om hem het geheim van een goudmijn te ontrooven, heb ik den vader van dezen gambusino gedood. Wat wilt gij meer? Bedenk vrij de gruwzaamste en verfoeielijkste misdrijven, ik heb ze gepleegd. Spreekt nu uw vonnis en legt het ten uitvoer, maar gij zult geen woord meer van mij hooren, ik veracht u, gij zijt lafhartigen!”
Na deze hatelijke taal met honende ergernis te hebben gesproken, wierp hij een uitdagenden blik op de vergadering.
»Fray Ambrosio,” zei Valentin na de stemmen te hebben opgenomen,»gij zijt veroordeeld om gescalpeerd, onder de oksels opgehangen, met honig bestreken te worden en aldus te blijven hangen, tot de vogels des hemels u verslonden hebben.”
Onder het aanhooren van dit vonnis kon de bandiet zijn schrik niet verbergen, terwijl de verzamelde menigte het strenge recht met uitbundig gejuich beantwoordde.
»De vonnissen zullen onmiddellijk worden voltrokken,” zei Valentin.
»Wacht een oogenblik,” riep de Eenhoorn, plotseling opstaande en zich voor de rechters plaatsende.
»Wat den Roode-Ceder betreft is de eisch der wet niet gevolgd; zegt zij niet: oog om oog, tand om tand!”
»Ja! ja!” schreeuwden de Indianen en jagers.
Door een onbeschrijfelijk voorgevoel getroffen, sidderde de Roode-Ceder en kromp hem het hart ineen.
»Ja!” sprak de Zoon des Bloeds met eene koele stem, »de Roode-Ceder heeft dona Clara, de dochter van don Miguel de Zarate, gedood, ook zijne dochter Ellen moet sterven.”
De rechters zelven deinsden verschrikt terug.
De Roode-Ceder stiet een vreeselijk gebrul uit.
Alleen Ellen bleef kalm.
»Ik ben bereid te sterven,” zeide zij met eene zachte gelatene stem. »Helaas! die arme dona Clara! God weet met hoeveel vreugde ik mijn leven had willen geven om het hare te redden.”
»Mijne dochter!” riep de Roode-Ceder wanhopig.
»Dat riep don Miguel ook, toen gij zijn kind laaghartig hebt vermoord,” antwoordde de Zoon des Bloeds onbarmhartig; »oog om oog, tand om tand.”
»O! het is gruwzaam wat gij daar doet, mijne broeders,” riep pater Seraphin. »Gij gaat onschuldig bloed vergieten, het zal terugkomen op uw hoofd, God zal er u voor straffen; om Zijner barmhartigheids wille, doodt dat onschuldige meisje niet!”
Op een wenk van den Eenhoorn maakten vier Indianen zich van den zendeling meester, namen hem in weerwil van zijn verzet, ofschoon altoos met de meeste voorzichtigheid op en brachten hem naar de hut van het opperhoofd, waar hij zoolang onder toezicht bleef tot de rechtspleging was afgeloopen.
Valentin en Curumilla wendden vergeefsche pogingen aan om zich tegen dit barbaarsch bedrijf te verzetten; de Indianen en jagers, door den Zoon des Bloeds opgeruid, eischten met groot gedruisch de toepassing der wet en dreigden anders zichzelven recht te zullen verschaffen.
Vruchteloos smeekten don Miguel en zijn zoon den Eenhoorn en den Zoon des Bloeds, zij konden niets bij hen uitrichten.
Eindelijk, door de gebeden van den jongman getergd, nam de Eenhoorn Ellen bij de haren, stiet haar zijn mes in de borst en wierp haar don Pablo in de armen, met den uitroep:
»Haar vader heeft uwe zuster vermoord, en gij bidt om haar leven! Gij zijt een laag mensch!”
Haar vader heeft uwe Zuster vermoord. bladz. 286.Haar vader heeft uwe Zuster vermoord. bladz. 286.
Haar vader heeft uwe Zuster vermoord. bladz. 286.
Bij deze onverantwoordelijke daad verborg Valentin zijn aangezicht met beide handen en vluchtte heen.
De volksmenigte integendeel juichte haar uitbundig toe.
De Roode-Ceder wrong zich schuimbekkend in de banden die hem kluisterden; toen hij Ellen had zien vallen veranderde hij als een blad van een boom; hij brulde alleen dit eene woord:
»Mijne dochter! mijne dochter!”
De Zoon des Bloeds en de Witte-Gazelle waren onverbiddelijk, zij woonden roerloos de strafoefening bij die aan de veroordeelden voltrokken werd.
De Roode-Ceder en zijn zoon leden niet lang, ofschoon de eerste vooraf gescalpeerd was; hij werd waanzinnig en scheen ongevoelig voor alles.
Wie het meeste leed was Ambrosio; de rampzalige onderging zijne straf en kromp gedurende vierentwintig uren onder de vreeselijkste smarten eer de dood er een einde aan maakte.
Zoodra de schuldigen hun vonnis hadden ondergaan, stegen de Zoon des Bloeds en de Witte-Gazelle te paard en verwijderden zich in galop.
Na dien tijd heeft men niet weder van hen hooren spreken en niemand weet wat er van hen geworden is.…
* * *
Ziedaar den afloop van het verschrikkelijke drama van roof en moord, vervolging en wraak dat onze lezers in dit en eenige vorige verhalen, zoo wij hopen niet te lang en tevens niet geheel onnut zal hebben bezig gehouden. De toepassing der Lynch-wet, die door de wreedste straffen aan de bloedige veete een einde maakte, is een verschijnsel dat alleen in de half beschaafde streken der Nieuwe Wereld mogelijk is, zij behoort tot de donkere zijde der Amerikaansche toestanden; als overlevering uit vroegere eeuwen van barbaarschheid en bloedwraak begint zij echter meer en meer zeldzaam te worden, en kan men met grond verwachten dat zij bij de uitbreiding der beschaving en de vestiging eener ordelijke maatschappij, ook in de onmetelijke velden van het Verre Westen eerlang geheel zal verdwijnen.
Wij bevinden ons in het kamp van den Eenhoorn, dat nog altijd op dezelfde plaats was opgericht. Het is acht dagen na de boven door ons beschreven toepassing der Lynch-wet, en tegen den avond, even voor zonsondergang.
Alle sporen der strafoefening zijn verdwenen. De Sachem had bepaald dat zijn stam voorloopig zou blijven waar hij was, uit hoofde der ziekte van Mme. Guillois, wier hopelooze toestand volkomen rust vorderde.
De arme vrouw gevoelde dat zij ging sterven en werd van dag tot dag zwakker, ofschoon zij in het genot van al hare zielsvermogens, met al de helderheid die God soms den stervenden verleent, den dood met een glimlach zag naderen en alleen haar zoon zooveel mogelijk over haar verlies zocht te troosten.
Maar Valentin, die na eene afwezigheid van zoovele jaren zijne moeder niet had wedergezien dan om op nieuw en voor altijd van haar te zullen scheiden, was ontroostbaar.
Van den omgang met don Miguel en zijn zoon verstoken, die onmiddellijk naar Paso del Norte waren teruggekeerd, het lijk der ongelukkige Ellen met zich voerende, zat de jager weenend bij Curumilla die tot allen troost niets anders wist te doen dan met hem te weenen.
»De Groote Geest roept de moeder mijns broeders tot zich, omdat Hij haar lief heeft!” zeide hij.
Een gezegde vrij lang voor den woordkarigen Araucaan, en wel een bewijs van zijne innige deelneming in de smart zijns vriends.
Dien dag waarop wij ons verhaal hervatten lag Mme. Guillois op een hangmat voor hare hut met het aangezicht gekeerd naar de ondergaande zon.
Valentin stond aan hare rechterzijde, vader Seraphin aan hare linker, en Curumilla naast zijn vriend.
Op het gelaat der kranke lag een glans van inwendige rust en genoegen, uit hare oogen blonk een levendige gloed terwijl een zweem van licht rood hare wangen kleurde; zij scheen gelukkig.
De krijgslieden, in het leed van hun aangenomen broeder deelende, zaten in groepjes stilzwijgend nedergehurkt rondom de hut.
Het was een heerlijke avond; de lichte koelte, die zich langzaam verhief, deed op hare golvende beweging de bladeren nu en dan zacht ritselen; de zon daalde ter kimme in een zee van dampen door duizend afwisselende kleuren geschakeerd.
De kranke sprak van tijd tot tijd eenige afgebroken woorden, die haar zoon zorgvuldig beluisterde.
Op het oogenblik dat de zon achter de besneeuwde toppen der verre bergen verdween, richtte de zieke zich op als door een onwederstaanbare macht gesteund, zij wierp een kalmen en helderen blik in het rond, legde de beide handen op het hoofd van den jager en sprak met zekeren nadruk en op zonderling welluidenden toon:
»Vaarwel, Valentin!”
Daarop zonk zij achterover.
Zij was dood.
Als bij onderlinge afspraak knielden al de aanwezigen rondom haar leger.
Valentin boog zich over zijne moeder, wier gelaat de aureool der hemelsche schoonheid droeg, welke sommige dooden tooit; hij sloot haar de oogen, kuste haar en nam hare rechterhand, die van de sponde afhing in de zijne.
Valentin boog zich over zijne moeder. bladz. 287.Valentin boog zich over zijne moeder. bladz. 287.
Valentin boog zich over zijne moeder. bladz. 287.
Zoo ongeveer ging die gansche nacht voorbij, zonder dat iemand zijne plaats verliet.
Met het krieken van den dag deed pater Seraphin, geholpen door Curumilla, die hem tot sacristaan diende, de lijkdienst, daarop werd het lijk ter aarde besteld; al de Indiaansche krijgslieden woonden deze plechtigheid bij.
Toen al de anderen waren heengegaan, knielde Valentin neder bij het graf, en hoe ook de missionaris en de Araucaan er op aandrongen dat hij zich zou verwijderen, wilde hij ook dien nacht nog bij zijne doode moeder blijven waken.
Toen zijne vrienden met het aanbreken van den volgenden morgen bij hem kwamen, vonden zij hem geknield en biddende, hij was doodsbleek en zag er afgemat uit, zijne haren, den vorigen dag nog zoo zwart, waren met witte vlokken doormengd.
Wat was er gedurende dien langen nacht tusschen hem en de doode omgegaan, welke geheimen had de doode aan den levende ontsluierd?
Vader Seraphin trachtte hem nieuwen moed in te boezemen. De jager schudde bij zijne toespraak treurig het hoofd en zuchtte:
»Wat baat het mij?”
»O! Valentin,” zei de zendeling ten slotte, »gij die altijd zoo kloek waart, wordt gij nu zoo zwak als een kind; de droefheid slaat u neder zonder strijd, gij weigert dien strijd, en gij vergeet dat gij u zelven niet toebehoort; kom, laat u raden.”
»Ik,” riep hij; »helaas! wat blijft mij nu nog over?”
»God blijft u over!” zei de zendeling op strengen toon, terwijl hij hem naar den hemel wees.
»En de wildernis,” zei Curumilla, terwijl hij den arm uitstrekte naar de opkomende zon.
In het oog van den jager schitterde een heldere straal, hij schudde meer dan eens het hoofd, wierp een teederlievenden blik op het graf zijner moeder en zei met een geschokte stem:
»Tot wederziens, moeder!”
Zich daarop tot den Indiaan wendende, zeide hij vastberaden:
»Laat ons gaan!”
Valentin zou eene nieuwe periode van zijn leven beginnen1.
EINDE VAN DE LYNCH-WET.
1Ziede graaf de Lhorailles.↑
1Ziede graaf de Lhorailles.↑
1Ziede graaf de Lhorailles.↑