XVI.

XVI.DE MEDEPLICHTIGE.De Roode-Ceder schikte zich veel gemakkelijker in zijn nieuwen toestand dan zijne dochter had durven denken.Overigens was er niets in zijn gewone levenswijze veranderd; de manier waarop hij te werk ging daargelaten, was het steeds dezelfde arbeid, dat wil zeggen: het leven in de wildernis in al zijne heerlijke ongebondenheid, jagen en visschen, terwijl Ellen, die in de hut bleef, zich met de zorg voor het huishouden bezig hield.Alleen des avonds eer zij zich ter ruste begaven las het meisje haren vader eenige hoofdstukken voor uit een bijbel dien de zendeling haar gegeven had.Met den elleboog op de tafel en de pijp in den mond luisterde de Squatter met eene aandacht daar hij zelf zich vaak over verwonderde en die met elken dag toenam.Het was een belangwekkend tooneeltje—in dezen vergeten hoek der groote Amerikaansche woestijn, te midden dier grootsche natuur, in die armelijke zwakke jacal die met iedere windvlaag schudde—dien grijsaard met zijn reuzengestalte en zijne krachtvolleen sombere gelaatstrekken te zien zitten luisteren naar het lezen van dat bleeke, blonde en tengere meisje, welks fijne gelaatstrekken en nevelachtige vormen een geweldig contrast maakten met die van haar toehoorder.Zoo ging het alle dagen voort; de Squatter was gelukkig, of ten minste scheen en meende het te zijn; gelijk alle menschen wier leven eene aaneenschakeling van ruwe tooneelen of noesten arbeid geweest is, hadden de herinneringen weinig vat op hem, hij vergat alles en meende alles vergeten te zijn.Ellen leed intusschen in stilte, zij was ongerust; dit leven zonder bepaald doel en zonder toekomst had voor haar geene bekoorlijkheid, omdat het haar de bron afsloot van alle menschelijke heil op aarde, namelijk de hoop.Intusschen, uit vrees van haar vader te zullen bedroeven besloot zij haar verdriet in haar binnenste, om hem altoos een opgeruimd gezicht te kunnen toonen.De Roode-Ceder liet zich al meer en meer door de zachte genoegens van een leven wegslepen dat hem zeer aangenaam scheen. Wanneer soms de gedachte aan zijne zonen hem in zijne tegenwoordige rust dreigde te storen, was een blik op Ellen hem genoeg en voerde het gezicht van de engel die hij in haar bezat en die zich zoo geheel aan zijn geluk had toegewijd al het andere uit zijne gedachten.Intusschen was vader Seraphin de bewoners der jacal reeds meermalen komen bezoeken; had hij daarbij met genoegen opgemerkt de gelatenheid waarmede de Squatter zich in zijn nieuwen staat schikte, de treurige neerslachtigheid daarentegen die zijne dochter scheen te ondermijnen was zijn blik niet ontgaan. Hij had te veel ondervinding in de wereld, om niet te begrijpen, dat een meisje van Ellens leeftijd hare schoonste jaren niet zoo in de eenzaamheid kon slijten zonder hoop van met de maatschappij in aanraking te komen.Ongelukkigerwijs was het middel daartoe, zoo niet onmogelijk, dan toch zeer moeielijk te vinden. De goede missionaris hield zich maar alsof hij er niets van merkte, daar hij zeer goed begreep dat hij al zijn troost aan het meisje te vergeefs zou verspillen en dat niets in staat zou zijn om de neerslachtigheid te bestrijden in welke zij verzonken was.Zooals het gewoonlijk in dergelijke gevallen gaat, vermoedde de Roode-Ceder van het verdriet zijner dochter volstrekt niets; zij was voor hem altijd even goed, zachtzinnig, opgeruimd en oplettend; hij genoot den voordeeligen kant van alles, was voor zichzelven gelukkig en dacht in zijne eigenliefde verder aan niets.Zoo gingen de dagen voorbij, de een volkomen gelijk aan de ander; intusschen kwam de winter; het wild werd schaarscher en de jagerstochten van den Squatter werden al moeielijker en langduriger.Rondom de hoogste toppen der bergen verzamelden zich grijsachtigewolken, die met iederen dag lager afdaalden en weldra in regen en sneeuw over de prairie losbarstten.De winter is een geduchte tijd in de woestijn van het Verre Westen; alle plagen tegelijk schijnen dan neêr te komen op den ongelukkige dien het lot in deze onherbergzame streken wierp, zonder de noodige middelen om dit vreeselijk klimaat te braveeren, en weldra moet hij als het slachtoffer zijner onvoorzichtigheid, na het doorstaan van onbeschrijfelijke jammeren, van honger en gebrek omkomen.De Roode-Ceder kende de winters van het Verre Westen te lang en te goed om dit jaargetijde niet met een soort van schrik te zien naderen.Daarom zocht hij zich ook op alle mogelijke wijzen van de noodige levensmiddelen en onmisbare dierenvellen te voorzien.Met het krieken van den dag stond hij op, reed in galop de prairie in, doorkruiste haar in alle richtingen en keerde niet naar de jacal terug voordat de nacht hem dwong zijne jacht te staken.Maar, gelijk wij reeds gezegd hebben, werd het wild in de prairie met iederen dag schaarscher en kwam de Squatter iederen avond later van de jacht thuis.Op zekeren morgen dat hij vroeger dan naar gewoonte was opgestaan, en in de grootste stilte de hut uitsloop, om zijne dochter niet noodeloos wakker te maken, trad hij naar de corral, zadelde zijn paard en reed in galop weg.Hij had den avond te voren het spoor van een prachtigen zwarten beer gevonden, dat hij gevolgd was tot op korten afstand van het hol waar het dier zich terugtrok, en nu wilde hij hem daar in zijn leger overvallen.Om dit te volvoeren moest hij zich haasten; de beren zijn niet als andere wilde beesten maar gaan liefst over dag uit om hun aas te zoeken, terwijl zij gemeenlijk reeds in tijds hun schuilhoek verlaten.De Squatter, die met den aard dezer dieren zeer goed bekend was, ging er dus zoo vroeg mogelijk op uit om zijn doel niet te missen.De zon was nog niet op. De hemel nog donkerblauw en vol sterren begon eerst aan den uitersten gezichteinder die bleeke opaaltinten aan te nemen, die vervolgens in rozerood overgaan als aankondigers van den naderenden morgenstond.Alles beloofde een schoonen herfstdag; eene lichte koelte boog nauwelijks de bovenste takken van het dichte geboomte, en rimpelde slechts even de stilvlietende beek aan welker boorden de Squatter voortreed.Een dunne doorzichtige nevel steeg op uit den grond, bezwangerd met de frissche morgengeuren die de borst verkwikken en ruimer doen ademen. De vogels ontwaakten de een na den ander onder het gebladerte, en begonnen zacht hun voorspel voor het welluidendconcert dat zij iederen morgen aanheffen als om de ontwakende natuur te begroeten.Van lieverlede verdwenen de schaduwen van den nacht, de zon steeg luisterrijk uit de kimmen en de dag ging heerlijk op.De Roode-Ceder bereikte den ingang eener smalle bergengte, aan wier uiteinde, te midden van een chaos van rotsklompen, het bewuste berenhol gaapte.Hier bleef hij eenige oogenblikken staan om adem te scheppen en zijne laatste aanstalten te maken.Vooreerst steeg hij af, kluisterde zijn paard, gaf het zijn erwtenvoêr, en na zich verzekerd te hebben dat zijn geweer en jachtmes in goeden staat waren, trad hij de engte binnen.De Squatter liep in bukkende houding, met oog en oor gespitst, als de jager die op zijn prooi afging, toen hij op eens, nauwelijks tien passen van den ingang der bergengte, een zware hand op zijn schouder voelde en een schaterende lach in zijn oor klonk.Hij keek verwonderd op; maar zijne verwondering veranderde bijna in schrik, toen hij den man zag, die met de armen op de borst gekruist en met een spottenden grijns op de lippen voor hem stond.»Fray Ambrosio!” riep de Squatter een stap teruggaande.»Hola! compadre,” antwoordde deze, »gij schijnt wel zeer hardhoorende, dat gij mij tienmaal laat roepen zonder u te verwaardigen mij te antwoorden.Satanas!ik heb u moeten aanstooten om u te doen begrijpen dat men u noodig had.”»Wat wilt gij van mij hebben?” vroeg de Squatter op onvriendelijken toon.»Hoedat! wat ik van u hebben moet, compadre? Dat is een zonderlinge vraag; dat zult gij immers zoo goed weten als ik.”»Ik begrijp u niet,” hernam de Squatter altijd bedaard, »verklaar u dus nader, verzoek ik u.”»Dat wil ik wel doen, vrindje,” antwoordde de monnik met een spottenden lach.»Maar gij moest u een weinig haasten, want ik zeg u dat ik niet veel tijd heb.”»Dat kan wel zijn, maar ik heb tijd genoeg; gij zult dus wel zoolang dienen te wachten tot ik gesproken heb.”De Roode-Ceder werd wrevelig, maar bedwong zich.»Ik zal u zeggen wat er van is,” begon de monnik met nadruk. »Ik heb sinds geruimen tijd naar u gezocht.”»Goed! maar geen lang gezwets! Gij vindt mij nu, verklaar u dus in twee woorden, want ik zeg u nog eens, ik heb geen tijd.”»En ik herzeg u, dat mij dat niet kan schelen. O he! zie mij maar niet zoo donker aan, compadre, gij zult mij toch moeten aanhooren.”De Roode-Ceder stampvoette van ongeduld, hij trad naar den monnik, legde hem de hand op den schouder en keek hem strak in ’t aangezicht.»Het schijnt wel, vrindje,” sprak hij kort en droog, »het schijnt wel dat onze rollen verwisseld zijn en dat gij mij uit de hoogte zoekt te behandelen, maar neem u in acht, ik ben kort van stof, dat weet gij, en zoo gij dat niet in ’t oog houdt zou mijn geduld spoedig op kunnen raken.”»Dat kon wel wezen,” hernam de monnik stoutmoedig; »maar indien onze rollen verwisseld zijn, wiens schuld is dat, als ik u vragen mag, de uwe of de mijne? Uwe zonen hadden gelijk toen ze mij zeiden dat gij een kluizenaar zijt geworden en nergens meer toe deugt.”»Ellendeling!” riep de Squatter in drift opstuivend, maar hij bedwong zich onmiddellijk.»Mooi! scheldwoorden ontbreken nog! Maar geneer u niet; ik zie u liever zoo dan anders, nu ten minste herken ik u weder. Duivels! wat zijt gij veranderd, die Fransche zendelingen zijn inderdaad heksenmeesters; hoe jammer dat de inquisitie sedert den vrijheidsoorlog is afgeschaft.”De Roode-Ceder keek den monnik aan, wiens kattenoogen met duivelschen spotlust op hem gevestigd waren. Hij voelde zich langzamerhand opwinden tot een van die koele razernijen die des te vreeselijker dreigen los te breken naarmate men ze meer tracht te beteugelen. Zijne vuisten begonnen te jeuken om den onverlaat neer te slaan die hem durfde tergen, hij deed vergeefsche pogingen om de gramschap te bedwingen die hem allengs dreigde te overmeesteren.Intusschen was de monnik niet zoo geheel op zijn gemak als hij wel wilde schijnen: hij zag de wenkbrauwen van den Squatter meer en meer samentrekken, zijn gelaat een loodkleur aannemen en een storm opkomen, dien hij niet gaarne tot zijne schade zou zien losbarsten.»Hoor eens,” hervatte hij op meer bevredigenden toon, »waarom zouden oude vrienden elkander kwaad maken,con mil diablos! ik kom hier met de beste oogmerken om u eene dienst te bewijzen.”De Squatter glimlachte met minachting.»Gij wilt mij niet gelooven,” vervolgde de monnik, »maar dat verwondert mij geenszins; het gaat gewoonlijk zoo, goede bedoelingen worden vaak miskend en men gelooft liever zijne vijanden dan zijne vrienden.”»Maak een eind aan uw gezwets!” riep de Squatter, »ik heb reeds veel te lang naar u geluisterd; laat mij door en loop naar den duivel!”»Ik zeg u wel dank voor het schoone voorstel dat gij mij doet,” lachte de monnik, »met uw welnemen zal ik er geen gebruik van maken, althans vooreerst niet. Maar steek er den draak niet langer meê! er zijn hier kort bij twee personen die u dringend verlangen te zien en die gij zeker met pleizier zult ontmoeten.”»Van welke personen spreekt gij? dat zijn zeker kerels van dezelfde soort als gij.”»Wel waarschijnlijk,” riep de monnik; »maar dat moogt gij zelf beoordeelen, compadre.”En zonder het antwoord van den Squatter af te wachten bootste Fray Ambrosio tot driemaal toe het gesis van de koraalslang na.Bij het derde gesis kwam er op korten afstand van de beide sprekers een lichte beweging in de struiken en sprongen er op eens twee mannen in de bergengte.De Roode-Ceder slaakte een kreet van verrassing toen hij hen zag; hij herkende zijne beide zoons Sutter en Nathan.De jongelieden kwamen snel op hun vader af en groetten hem met een mengeling van eerbied en ironie, die den Squatter niet ontging.»He! vader, zijt gij daar, vader!” riep Sutter barsch, terwijl hij zijn geweer met een zwaren slag op den grond nederzette en de beide handen op de tromp liet rusten, »wij hebben vrij lang moeten loopen om u te bereiken.”»Het schijnt dat vader sedert onze laatste scheiding kwaker is geworden; zijn nieuw geloof zal hem waarschijnlijk verbieden om met zulk slecht gezelschap te verkeeren als het onze.”»Zwijg! hondsvotten,” riep de Squatter stampvoetend, »ik doe wat ik wil, en niemand zoo ver ik weet, heeft het recht om daar iets op aan te merken.”»Daarin vergist gij u toch, vader,” hernam Sutter brutaal, »ik bijvoorbeeld, vind uw gedrag onvoegzaam voor een man.”»Ongerekend nog,” voegde de monnik er bij, »dat gij uwe bondgenooten in de verlegenheid brengt; dat is niet eerlijk.”»Dat is eene andere vraag,” zei Nathan; »als vader puritein wil worden, dat is zijne zaak, daar zou ik zooveel kwaad niet in vinden; maar alles op zijn tijd; naar mijne gedachten doet men zoo iets niet wanneer men door vijanden omringd is en als een wild dier vervolgd wordt; dan komt het niet te pas zich in een lammerenvacht te steken en zich als een weerloos mensch aan te stellen.”»Wat wilt gij daarmede zeggen?” riep de Squatter ongeduldig; »hebt gij haast gedaan met uwe raadselachtige gezegden? Verklaar u liever in eens, en maak dat er een eind aan komt.”»Dat zal ik, vader,” hervatte Nathan. »Terwijl gij in eene bedriegelijke rust insluimert waken uwe vijanden en spannen zij strikken, waarin zij u weldra hopen te zullen vangen. Denkt gij dat wij niet sedert lang reeds uw schuilhoek geweten hebben? Wie zou zich ergens in de prairie kunnen verbergen zonder ontdekt te worden? Maar wij hebben uwe rust niet willen storen voordat het geschikte oogenblik gekomen was, en daarom ziet gij ons van daag eerst hier.”»Ja,” riep de monnik; »maar nu is er ook geen tijd te verliezen; terwijl gij u op de schoone woorden van den Franschen missionaris verlaat, die voor u zorgde en u in slaap suste om u des te beterin zijne macht te hebben, maken uwe vijanden zich klaar om u van alle zijden te gelijk aan te vallen en met u af te rekenen.”De Squatter keek verbaasd op, en scheen te twijfelen.»Maar die man heeft mij het leven gered,” zeide hij.De drie anderen schoten in een lach.»Wat doet een mensch toch met ondervinding!” riep de monnik zich tot de jongelieden wendende met een veelbeteekenend schouderophalen. »Zoo spreekt nu uw vader, een man die zijn gansche leven in de woestijn heeft doorgebracht en er op eens de heiligste wet van vergeet, »oog om oog, tand om tand,” en niet begrijpt dat die Franschman, die, zooals hij zegt, hem het leven heeft gered, hem eigenlijk beet heeft, en zijne wonden heeft zoeken te genezen om hem later des te beter te kunnen folteren, en het genoegen te hebben hem het volle leven te benemen in plaats van dat ellendige beetje adem dat hem nog overbleef toen hij hem in het bosch vond liggen.”»O! neen, neen,” riep de Squatter, »gij liegt, dat is onmogelijk.”»Is dat onmogelijk!” herhaalde de monnik medelijdend, »helaas! wat zijn de menschen toch verblind! Zeg eens, compadre; had die priester geen oude rekening met u te vereffenen?”»Ja wel, maar,” mompelde de Roode-Ceder,.… »maar hij heeft het mij vergeven.”»Hij u vergeven! Zoudt gij het hem dan hebben vergeven, zeg? Kom loop! houd u toch niet zoo onnoozel, compadre. Ik zie nu wel dat er met u niets te beginnen is; doe voortaan wat gij wilt, wij laten u aan uw lot over.”»Ja,” riep de Squatter, »laat mij aan mijn lot over, dat is alles wat ik verlang.”De monnik en zijne twee makkers gingen een paar stappen ver en hielden zich alsof zij hem wilden verlaten.Fray Ambrosio keek echter om; de Roode-Ceder stond nog op dezelfde plaats, met gebogen hoofd en gefronste wenkbrauwen, over het gesprokene na te denken.De monnik begreep dat hij den Squatter aan ’t wankelen had gebracht en dat het oogenblik daar was om een beslissenden slag te slaan.Hij keerde op zijne stappen terug.»Compadre!” zeide hij, »nog een laatste woord, of liever eene laatste waarschuwing.”»Nog meer?” bromde de Roode-Ceder met een zenuwachtigen grijns.»Pas maar op Ellen,” zei de monnik scherp.»Wat?” riep de Squatter terwijl hij opsprong als een panter en Fray Ambrosio bij den arm greep, »wat zegt gij daar, monnik?”»Ik zeg u,” hernam de andere met eene vaste en nadrukkelijke stem, »dat uwe vijanden u door Ellen willen straffen, en dat die vervloekte missionaris u om geene andere redenen heeft zoeken te beschermen, dan uit vrees dat het meisje, daar hij het oog op heeft, hem ontsnappen zal.”Bij deze verpletterende woorden had er bij den Roode-Ceder eene geweldige verandering plaats, zijn gelaat werd bleek en eene stuipachtige trilling ging hem door de leden.»O!” riep hij met eene stem als een brullende tijger, »laten zij dan komen! dan tart ik hen!”De monnik keek de anderen zegevierend aan. Zijn toeleg was hem gelukt en hij had zijn prooi weerloos in handen.»Kom,” vervolgde de Roode-Ceder, »kom mede; om Gods wil! verlaat mij niet. Wij zullen dat adderengebroedsel verpletteren! Ha! denken zij mij beet te hebben,” vervolgde hij met een stuipachtigen lach, die hem de keel schier deed bersten, »ik zal hun toonen dat de oude leeuw nog niet overwonnen is! Ik kan immers op u rekenen, mijne kinderen? en op u,Fray Ambrosio?”»Wij zijn uwe eenigste vrienden,” zei de monnik, »dat weet gij wel.”»’t Is waar,” hernam hij. »Vergeeft mij dat ik het een oogenblik vergeten kon. Ha! gij zult zien, gij zult zien!”Twee uren daarna bereikte hij met zijne drie nieuwe gezellen de jacal.Toen Ellen hen zag binnen komen ging haar eene koude huivering door het lijf.Een heimelijk voorgevoel voorspelde haar dat er een nieuw onheil op handen was.

XVI.DE MEDEPLICHTIGE.De Roode-Ceder schikte zich veel gemakkelijker in zijn nieuwen toestand dan zijne dochter had durven denken.Overigens was er niets in zijn gewone levenswijze veranderd; de manier waarop hij te werk ging daargelaten, was het steeds dezelfde arbeid, dat wil zeggen: het leven in de wildernis in al zijne heerlijke ongebondenheid, jagen en visschen, terwijl Ellen, die in de hut bleef, zich met de zorg voor het huishouden bezig hield.Alleen des avonds eer zij zich ter ruste begaven las het meisje haren vader eenige hoofdstukken voor uit een bijbel dien de zendeling haar gegeven had.Met den elleboog op de tafel en de pijp in den mond luisterde de Squatter met eene aandacht daar hij zelf zich vaak over verwonderde en die met elken dag toenam.Het was een belangwekkend tooneeltje—in dezen vergeten hoek der groote Amerikaansche woestijn, te midden dier grootsche natuur, in die armelijke zwakke jacal die met iedere windvlaag schudde—dien grijsaard met zijn reuzengestalte en zijne krachtvolleen sombere gelaatstrekken te zien zitten luisteren naar het lezen van dat bleeke, blonde en tengere meisje, welks fijne gelaatstrekken en nevelachtige vormen een geweldig contrast maakten met die van haar toehoorder.Zoo ging het alle dagen voort; de Squatter was gelukkig, of ten minste scheen en meende het te zijn; gelijk alle menschen wier leven eene aaneenschakeling van ruwe tooneelen of noesten arbeid geweest is, hadden de herinneringen weinig vat op hem, hij vergat alles en meende alles vergeten te zijn.Ellen leed intusschen in stilte, zij was ongerust; dit leven zonder bepaald doel en zonder toekomst had voor haar geene bekoorlijkheid, omdat het haar de bron afsloot van alle menschelijke heil op aarde, namelijk de hoop.Intusschen, uit vrees van haar vader te zullen bedroeven besloot zij haar verdriet in haar binnenste, om hem altoos een opgeruimd gezicht te kunnen toonen.De Roode-Ceder liet zich al meer en meer door de zachte genoegens van een leven wegslepen dat hem zeer aangenaam scheen. Wanneer soms de gedachte aan zijne zonen hem in zijne tegenwoordige rust dreigde te storen, was een blik op Ellen hem genoeg en voerde het gezicht van de engel die hij in haar bezat en die zich zoo geheel aan zijn geluk had toegewijd al het andere uit zijne gedachten.Intusschen was vader Seraphin de bewoners der jacal reeds meermalen komen bezoeken; had hij daarbij met genoegen opgemerkt de gelatenheid waarmede de Squatter zich in zijn nieuwen staat schikte, de treurige neerslachtigheid daarentegen die zijne dochter scheen te ondermijnen was zijn blik niet ontgaan. Hij had te veel ondervinding in de wereld, om niet te begrijpen, dat een meisje van Ellens leeftijd hare schoonste jaren niet zoo in de eenzaamheid kon slijten zonder hoop van met de maatschappij in aanraking te komen.Ongelukkigerwijs was het middel daartoe, zoo niet onmogelijk, dan toch zeer moeielijk te vinden. De goede missionaris hield zich maar alsof hij er niets van merkte, daar hij zeer goed begreep dat hij al zijn troost aan het meisje te vergeefs zou verspillen en dat niets in staat zou zijn om de neerslachtigheid te bestrijden in welke zij verzonken was.Zooals het gewoonlijk in dergelijke gevallen gaat, vermoedde de Roode-Ceder van het verdriet zijner dochter volstrekt niets; zij was voor hem altijd even goed, zachtzinnig, opgeruimd en oplettend; hij genoot den voordeeligen kant van alles, was voor zichzelven gelukkig en dacht in zijne eigenliefde verder aan niets.Zoo gingen de dagen voorbij, de een volkomen gelijk aan de ander; intusschen kwam de winter; het wild werd schaarscher en de jagerstochten van den Squatter werden al moeielijker en langduriger.Rondom de hoogste toppen der bergen verzamelden zich grijsachtigewolken, die met iederen dag lager afdaalden en weldra in regen en sneeuw over de prairie losbarstten.De winter is een geduchte tijd in de woestijn van het Verre Westen; alle plagen tegelijk schijnen dan neêr te komen op den ongelukkige dien het lot in deze onherbergzame streken wierp, zonder de noodige middelen om dit vreeselijk klimaat te braveeren, en weldra moet hij als het slachtoffer zijner onvoorzichtigheid, na het doorstaan van onbeschrijfelijke jammeren, van honger en gebrek omkomen.De Roode-Ceder kende de winters van het Verre Westen te lang en te goed om dit jaargetijde niet met een soort van schrik te zien naderen.Daarom zocht hij zich ook op alle mogelijke wijzen van de noodige levensmiddelen en onmisbare dierenvellen te voorzien.Met het krieken van den dag stond hij op, reed in galop de prairie in, doorkruiste haar in alle richtingen en keerde niet naar de jacal terug voordat de nacht hem dwong zijne jacht te staken.Maar, gelijk wij reeds gezegd hebben, werd het wild in de prairie met iederen dag schaarscher en kwam de Squatter iederen avond later van de jacht thuis.Op zekeren morgen dat hij vroeger dan naar gewoonte was opgestaan, en in de grootste stilte de hut uitsloop, om zijne dochter niet noodeloos wakker te maken, trad hij naar de corral, zadelde zijn paard en reed in galop weg.Hij had den avond te voren het spoor van een prachtigen zwarten beer gevonden, dat hij gevolgd was tot op korten afstand van het hol waar het dier zich terugtrok, en nu wilde hij hem daar in zijn leger overvallen.Om dit te volvoeren moest hij zich haasten; de beren zijn niet als andere wilde beesten maar gaan liefst over dag uit om hun aas te zoeken, terwijl zij gemeenlijk reeds in tijds hun schuilhoek verlaten.De Squatter, die met den aard dezer dieren zeer goed bekend was, ging er dus zoo vroeg mogelijk op uit om zijn doel niet te missen.De zon was nog niet op. De hemel nog donkerblauw en vol sterren begon eerst aan den uitersten gezichteinder die bleeke opaaltinten aan te nemen, die vervolgens in rozerood overgaan als aankondigers van den naderenden morgenstond.Alles beloofde een schoonen herfstdag; eene lichte koelte boog nauwelijks de bovenste takken van het dichte geboomte, en rimpelde slechts even de stilvlietende beek aan welker boorden de Squatter voortreed.Een dunne doorzichtige nevel steeg op uit den grond, bezwangerd met de frissche morgengeuren die de borst verkwikken en ruimer doen ademen. De vogels ontwaakten de een na den ander onder het gebladerte, en begonnen zacht hun voorspel voor het welluidendconcert dat zij iederen morgen aanheffen als om de ontwakende natuur te begroeten.Van lieverlede verdwenen de schaduwen van den nacht, de zon steeg luisterrijk uit de kimmen en de dag ging heerlijk op.De Roode-Ceder bereikte den ingang eener smalle bergengte, aan wier uiteinde, te midden van een chaos van rotsklompen, het bewuste berenhol gaapte.Hier bleef hij eenige oogenblikken staan om adem te scheppen en zijne laatste aanstalten te maken.Vooreerst steeg hij af, kluisterde zijn paard, gaf het zijn erwtenvoêr, en na zich verzekerd te hebben dat zijn geweer en jachtmes in goeden staat waren, trad hij de engte binnen.De Squatter liep in bukkende houding, met oog en oor gespitst, als de jager die op zijn prooi afging, toen hij op eens, nauwelijks tien passen van den ingang der bergengte, een zware hand op zijn schouder voelde en een schaterende lach in zijn oor klonk.Hij keek verwonderd op; maar zijne verwondering veranderde bijna in schrik, toen hij den man zag, die met de armen op de borst gekruist en met een spottenden grijns op de lippen voor hem stond.»Fray Ambrosio!” riep de Squatter een stap teruggaande.»Hola! compadre,” antwoordde deze, »gij schijnt wel zeer hardhoorende, dat gij mij tienmaal laat roepen zonder u te verwaardigen mij te antwoorden.Satanas!ik heb u moeten aanstooten om u te doen begrijpen dat men u noodig had.”»Wat wilt gij van mij hebben?” vroeg de Squatter op onvriendelijken toon.»Hoedat! wat ik van u hebben moet, compadre? Dat is een zonderlinge vraag; dat zult gij immers zoo goed weten als ik.”»Ik begrijp u niet,” hernam de Squatter altijd bedaard, »verklaar u dus nader, verzoek ik u.”»Dat wil ik wel doen, vrindje,” antwoordde de monnik met een spottenden lach.»Maar gij moest u een weinig haasten, want ik zeg u dat ik niet veel tijd heb.”»Dat kan wel zijn, maar ik heb tijd genoeg; gij zult dus wel zoolang dienen te wachten tot ik gesproken heb.”De Roode-Ceder werd wrevelig, maar bedwong zich.»Ik zal u zeggen wat er van is,” begon de monnik met nadruk. »Ik heb sinds geruimen tijd naar u gezocht.”»Goed! maar geen lang gezwets! Gij vindt mij nu, verklaar u dus in twee woorden, want ik zeg u nog eens, ik heb geen tijd.”»En ik herzeg u, dat mij dat niet kan schelen. O he! zie mij maar niet zoo donker aan, compadre, gij zult mij toch moeten aanhooren.”De Roode-Ceder stampvoette van ongeduld, hij trad naar den monnik, legde hem de hand op den schouder en keek hem strak in ’t aangezicht.»Het schijnt wel, vrindje,” sprak hij kort en droog, »het schijnt wel dat onze rollen verwisseld zijn en dat gij mij uit de hoogte zoekt te behandelen, maar neem u in acht, ik ben kort van stof, dat weet gij, en zoo gij dat niet in ’t oog houdt zou mijn geduld spoedig op kunnen raken.”»Dat kon wel wezen,” hernam de monnik stoutmoedig; »maar indien onze rollen verwisseld zijn, wiens schuld is dat, als ik u vragen mag, de uwe of de mijne? Uwe zonen hadden gelijk toen ze mij zeiden dat gij een kluizenaar zijt geworden en nergens meer toe deugt.”»Ellendeling!” riep de Squatter in drift opstuivend, maar hij bedwong zich onmiddellijk.»Mooi! scheldwoorden ontbreken nog! Maar geneer u niet; ik zie u liever zoo dan anders, nu ten minste herken ik u weder. Duivels! wat zijt gij veranderd, die Fransche zendelingen zijn inderdaad heksenmeesters; hoe jammer dat de inquisitie sedert den vrijheidsoorlog is afgeschaft.”De Roode-Ceder keek den monnik aan, wiens kattenoogen met duivelschen spotlust op hem gevestigd waren. Hij voelde zich langzamerhand opwinden tot een van die koele razernijen die des te vreeselijker dreigen los te breken naarmate men ze meer tracht te beteugelen. Zijne vuisten begonnen te jeuken om den onverlaat neer te slaan die hem durfde tergen, hij deed vergeefsche pogingen om de gramschap te bedwingen die hem allengs dreigde te overmeesteren.Intusschen was de monnik niet zoo geheel op zijn gemak als hij wel wilde schijnen: hij zag de wenkbrauwen van den Squatter meer en meer samentrekken, zijn gelaat een loodkleur aannemen en een storm opkomen, dien hij niet gaarne tot zijne schade zou zien losbarsten.»Hoor eens,” hervatte hij op meer bevredigenden toon, »waarom zouden oude vrienden elkander kwaad maken,con mil diablos! ik kom hier met de beste oogmerken om u eene dienst te bewijzen.”De Squatter glimlachte met minachting.»Gij wilt mij niet gelooven,” vervolgde de monnik, »maar dat verwondert mij geenszins; het gaat gewoonlijk zoo, goede bedoelingen worden vaak miskend en men gelooft liever zijne vijanden dan zijne vrienden.”»Maak een eind aan uw gezwets!” riep de Squatter, »ik heb reeds veel te lang naar u geluisterd; laat mij door en loop naar den duivel!”»Ik zeg u wel dank voor het schoone voorstel dat gij mij doet,” lachte de monnik, »met uw welnemen zal ik er geen gebruik van maken, althans vooreerst niet. Maar steek er den draak niet langer meê! er zijn hier kort bij twee personen die u dringend verlangen te zien en die gij zeker met pleizier zult ontmoeten.”»Van welke personen spreekt gij? dat zijn zeker kerels van dezelfde soort als gij.”»Wel waarschijnlijk,” riep de monnik; »maar dat moogt gij zelf beoordeelen, compadre.”En zonder het antwoord van den Squatter af te wachten bootste Fray Ambrosio tot driemaal toe het gesis van de koraalslang na.Bij het derde gesis kwam er op korten afstand van de beide sprekers een lichte beweging in de struiken en sprongen er op eens twee mannen in de bergengte.De Roode-Ceder slaakte een kreet van verrassing toen hij hen zag; hij herkende zijne beide zoons Sutter en Nathan.De jongelieden kwamen snel op hun vader af en groetten hem met een mengeling van eerbied en ironie, die den Squatter niet ontging.»He! vader, zijt gij daar, vader!” riep Sutter barsch, terwijl hij zijn geweer met een zwaren slag op den grond nederzette en de beide handen op de tromp liet rusten, »wij hebben vrij lang moeten loopen om u te bereiken.”»Het schijnt dat vader sedert onze laatste scheiding kwaker is geworden; zijn nieuw geloof zal hem waarschijnlijk verbieden om met zulk slecht gezelschap te verkeeren als het onze.”»Zwijg! hondsvotten,” riep de Squatter stampvoetend, »ik doe wat ik wil, en niemand zoo ver ik weet, heeft het recht om daar iets op aan te merken.”»Daarin vergist gij u toch, vader,” hernam Sutter brutaal, »ik bijvoorbeeld, vind uw gedrag onvoegzaam voor een man.”»Ongerekend nog,” voegde de monnik er bij, »dat gij uwe bondgenooten in de verlegenheid brengt; dat is niet eerlijk.”»Dat is eene andere vraag,” zei Nathan; »als vader puritein wil worden, dat is zijne zaak, daar zou ik zooveel kwaad niet in vinden; maar alles op zijn tijd; naar mijne gedachten doet men zoo iets niet wanneer men door vijanden omringd is en als een wild dier vervolgd wordt; dan komt het niet te pas zich in een lammerenvacht te steken en zich als een weerloos mensch aan te stellen.”»Wat wilt gij daarmede zeggen?” riep de Squatter ongeduldig; »hebt gij haast gedaan met uwe raadselachtige gezegden? Verklaar u liever in eens, en maak dat er een eind aan komt.”»Dat zal ik, vader,” hervatte Nathan. »Terwijl gij in eene bedriegelijke rust insluimert waken uwe vijanden en spannen zij strikken, waarin zij u weldra hopen te zullen vangen. Denkt gij dat wij niet sedert lang reeds uw schuilhoek geweten hebben? Wie zou zich ergens in de prairie kunnen verbergen zonder ontdekt te worden? Maar wij hebben uwe rust niet willen storen voordat het geschikte oogenblik gekomen was, en daarom ziet gij ons van daag eerst hier.”»Ja,” riep de monnik; »maar nu is er ook geen tijd te verliezen; terwijl gij u op de schoone woorden van den Franschen missionaris verlaat, die voor u zorgde en u in slaap suste om u des te beterin zijne macht te hebben, maken uwe vijanden zich klaar om u van alle zijden te gelijk aan te vallen en met u af te rekenen.”De Squatter keek verbaasd op, en scheen te twijfelen.»Maar die man heeft mij het leven gered,” zeide hij.De drie anderen schoten in een lach.»Wat doet een mensch toch met ondervinding!” riep de monnik zich tot de jongelieden wendende met een veelbeteekenend schouderophalen. »Zoo spreekt nu uw vader, een man die zijn gansche leven in de woestijn heeft doorgebracht en er op eens de heiligste wet van vergeet, »oog om oog, tand om tand,” en niet begrijpt dat die Franschman, die, zooals hij zegt, hem het leven heeft gered, hem eigenlijk beet heeft, en zijne wonden heeft zoeken te genezen om hem later des te beter te kunnen folteren, en het genoegen te hebben hem het volle leven te benemen in plaats van dat ellendige beetje adem dat hem nog overbleef toen hij hem in het bosch vond liggen.”»O! neen, neen,” riep de Squatter, »gij liegt, dat is onmogelijk.”»Is dat onmogelijk!” herhaalde de monnik medelijdend, »helaas! wat zijn de menschen toch verblind! Zeg eens, compadre; had die priester geen oude rekening met u te vereffenen?”»Ja wel, maar,” mompelde de Roode-Ceder,.… »maar hij heeft het mij vergeven.”»Hij u vergeven! Zoudt gij het hem dan hebben vergeven, zeg? Kom loop! houd u toch niet zoo onnoozel, compadre. Ik zie nu wel dat er met u niets te beginnen is; doe voortaan wat gij wilt, wij laten u aan uw lot over.”»Ja,” riep de Squatter, »laat mij aan mijn lot over, dat is alles wat ik verlang.”De monnik en zijne twee makkers gingen een paar stappen ver en hielden zich alsof zij hem wilden verlaten.Fray Ambrosio keek echter om; de Roode-Ceder stond nog op dezelfde plaats, met gebogen hoofd en gefronste wenkbrauwen, over het gesprokene na te denken.De monnik begreep dat hij den Squatter aan ’t wankelen had gebracht en dat het oogenblik daar was om een beslissenden slag te slaan.Hij keerde op zijne stappen terug.»Compadre!” zeide hij, »nog een laatste woord, of liever eene laatste waarschuwing.”»Nog meer?” bromde de Roode-Ceder met een zenuwachtigen grijns.»Pas maar op Ellen,” zei de monnik scherp.»Wat?” riep de Squatter terwijl hij opsprong als een panter en Fray Ambrosio bij den arm greep, »wat zegt gij daar, monnik?”»Ik zeg u,” hernam de andere met eene vaste en nadrukkelijke stem, »dat uwe vijanden u door Ellen willen straffen, en dat die vervloekte missionaris u om geene andere redenen heeft zoeken te beschermen, dan uit vrees dat het meisje, daar hij het oog op heeft, hem ontsnappen zal.”Bij deze verpletterende woorden had er bij den Roode-Ceder eene geweldige verandering plaats, zijn gelaat werd bleek en eene stuipachtige trilling ging hem door de leden.»O!” riep hij met eene stem als een brullende tijger, »laten zij dan komen! dan tart ik hen!”De monnik keek de anderen zegevierend aan. Zijn toeleg was hem gelukt en hij had zijn prooi weerloos in handen.»Kom,” vervolgde de Roode-Ceder, »kom mede; om Gods wil! verlaat mij niet. Wij zullen dat adderengebroedsel verpletteren! Ha! denken zij mij beet te hebben,” vervolgde hij met een stuipachtigen lach, die hem de keel schier deed bersten, »ik zal hun toonen dat de oude leeuw nog niet overwonnen is! Ik kan immers op u rekenen, mijne kinderen? en op u,Fray Ambrosio?”»Wij zijn uwe eenigste vrienden,” zei de monnik, »dat weet gij wel.”»’t Is waar,” hernam hij. »Vergeeft mij dat ik het een oogenblik vergeten kon. Ha! gij zult zien, gij zult zien!”Twee uren daarna bereikte hij met zijne drie nieuwe gezellen de jacal.Toen Ellen hen zag binnen komen ging haar eene koude huivering door het lijf.Een heimelijk voorgevoel voorspelde haar dat er een nieuw onheil op handen was.

XVI.DE MEDEPLICHTIGE.

De Roode-Ceder schikte zich veel gemakkelijker in zijn nieuwen toestand dan zijne dochter had durven denken.Overigens was er niets in zijn gewone levenswijze veranderd; de manier waarop hij te werk ging daargelaten, was het steeds dezelfde arbeid, dat wil zeggen: het leven in de wildernis in al zijne heerlijke ongebondenheid, jagen en visschen, terwijl Ellen, die in de hut bleef, zich met de zorg voor het huishouden bezig hield.Alleen des avonds eer zij zich ter ruste begaven las het meisje haren vader eenige hoofdstukken voor uit een bijbel dien de zendeling haar gegeven had.Met den elleboog op de tafel en de pijp in den mond luisterde de Squatter met eene aandacht daar hij zelf zich vaak over verwonderde en die met elken dag toenam.Het was een belangwekkend tooneeltje—in dezen vergeten hoek der groote Amerikaansche woestijn, te midden dier grootsche natuur, in die armelijke zwakke jacal die met iedere windvlaag schudde—dien grijsaard met zijn reuzengestalte en zijne krachtvolleen sombere gelaatstrekken te zien zitten luisteren naar het lezen van dat bleeke, blonde en tengere meisje, welks fijne gelaatstrekken en nevelachtige vormen een geweldig contrast maakten met die van haar toehoorder.Zoo ging het alle dagen voort; de Squatter was gelukkig, of ten minste scheen en meende het te zijn; gelijk alle menschen wier leven eene aaneenschakeling van ruwe tooneelen of noesten arbeid geweest is, hadden de herinneringen weinig vat op hem, hij vergat alles en meende alles vergeten te zijn.Ellen leed intusschen in stilte, zij was ongerust; dit leven zonder bepaald doel en zonder toekomst had voor haar geene bekoorlijkheid, omdat het haar de bron afsloot van alle menschelijke heil op aarde, namelijk de hoop.Intusschen, uit vrees van haar vader te zullen bedroeven besloot zij haar verdriet in haar binnenste, om hem altoos een opgeruimd gezicht te kunnen toonen.De Roode-Ceder liet zich al meer en meer door de zachte genoegens van een leven wegslepen dat hem zeer aangenaam scheen. Wanneer soms de gedachte aan zijne zonen hem in zijne tegenwoordige rust dreigde te storen, was een blik op Ellen hem genoeg en voerde het gezicht van de engel die hij in haar bezat en die zich zoo geheel aan zijn geluk had toegewijd al het andere uit zijne gedachten.Intusschen was vader Seraphin de bewoners der jacal reeds meermalen komen bezoeken; had hij daarbij met genoegen opgemerkt de gelatenheid waarmede de Squatter zich in zijn nieuwen staat schikte, de treurige neerslachtigheid daarentegen die zijne dochter scheen te ondermijnen was zijn blik niet ontgaan. Hij had te veel ondervinding in de wereld, om niet te begrijpen, dat een meisje van Ellens leeftijd hare schoonste jaren niet zoo in de eenzaamheid kon slijten zonder hoop van met de maatschappij in aanraking te komen.Ongelukkigerwijs was het middel daartoe, zoo niet onmogelijk, dan toch zeer moeielijk te vinden. De goede missionaris hield zich maar alsof hij er niets van merkte, daar hij zeer goed begreep dat hij al zijn troost aan het meisje te vergeefs zou verspillen en dat niets in staat zou zijn om de neerslachtigheid te bestrijden in welke zij verzonken was.Zooals het gewoonlijk in dergelijke gevallen gaat, vermoedde de Roode-Ceder van het verdriet zijner dochter volstrekt niets; zij was voor hem altijd even goed, zachtzinnig, opgeruimd en oplettend; hij genoot den voordeeligen kant van alles, was voor zichzelven gelukkig en dacht in zijne eigenliefde verder aan niets.Zoo gingen de dagen voorbij, de een volkomen gelijk aan de ander; intusschen kwam de winter; het wild werd schaarscher en de jagerstochten van den Squatter werden al moeielijker en langduriger.Rondom de hoogste toppen der bergen verzamelden zich grijsachtigewolken, die met iederen dag lager afdaalden en weldra in regen en sneeuw over de prairie losbarstten.De winter is een geduchte tijd in de woestijn van het Verre Westen; alle plagen tegelijk schijnen dan neêr te komen op den ongelukkige dien het lot in deze onherbergzame streken wierp, zonder de noodige middelen om dit vreeselijk klimaat te braveeren, en weldra moet hij als het slachtoffer zijner onvoorzichtigheid, na het doorstaan van onbeschrijfelijke jammeren, van honger en gebrek omkomen.De Roode-Ceder kende de winters van het Verre Westen te lang en te goed om dit jaargetijde niet met een soort van schrik te zien naderen.Daarom zocht hij zich ook op alle mogelijke wijzen van de noodige levensmiddelen en onmisbare dierenvellen te voorzien.Met het krieken van den dag stond hij op, reed in galop de prairie in, doorkruiste haar in alle richtingen en keerde niet naar de jacal terug voordat de nacht hem dwong zijne jacht te staken.Maar, gelijk wij reeds gezegd hebben, werd het wild in de prairie met iederen dag schaarscher en kwam de Squatter iederen avond later van de jacht thuis.Op zekeren morgen dat hij vroeger dan naar gewoonte was opgestaan, en in de grootste stilte de hut uitsloop, om zijne dochter niet noodeloos wakker te maken, trad hij naar de corral, zadelde zijn paard en reed in galop weg.Hij had den avond te voren het spoor van een prachtigen zwarten beer gevonden, dat hij gevolgd was tot op korten afstand van het hol waar het dier zich terugtrok, en nu wilde hij hem daar in zijn leger overvallen.Om dit te volvoeren moest hij zich haasten; de beren zijn niet als andere wilde beesten maar gaan liefst over dag uit om hun aas te zoeken, terwijl zij gemeenlijk reeds in tijds hun schuilhoek verlaten.De Squatter, die met den aard dezer dieren zeer goed bekend was, ging er dus zoo vroeg mogelijk op uit om zijn doel niet te missen.De zon was nog niet op. De hemel nog donkerblauw en vol sterren begon eerst aan den uitersten gezichteinder die bleeke opaaltinten aan te nemen, die vervolgens in rozerood overgaan als aankondigers van den naderenden morgenstond.Alles beloofde een schoonen herfstdag; eene lichte koelte boog nauwelijks de bovenste takken van het dichte geboomte, en rimpelde slechts even de stilvlietende beek aan welker boorden de Squatter voortreed.Een dunne doorzichtige nevel steeg op uit den grond, bezwangerd met de frissche morgengeuren die de borst verkwikken en ruimer doen ademen. De vogels ontwaakten de een na den ander onder het gebladerte, en begonnen zacht hun voorspel voor het welluidendconcert dat zij iederen morgen aanheffen als om de ontwakende natuur te begroeten.Van lieverlede verdwenen de schaduwen van den nacht, de zon steeg luisterrijk uit de kimmen en de dag ging heerlijk op.De Roode-Ceder bereikte den ingang eener smalle bergengte, aan wier uiteinde, te midden van een chaos van rotsklompen, het bewuste berenhol gaapte.Hier bleef hij eenige oogenblikken staan om adem te scheppen en zijne laatste aanstalten te maken.Vooreerst steeg hij af, kluisterde zijn paard, gaf het zijn erwtenvoêr, en na zich verzekerd te hebben dat zijn geweer en jachtmes in goeden staat waren, trad hij de engte binnen.De Squatter liep in bukkende houding, met oog en oor gespitst, als de jager die op zijn prooi afging, toen hij op eens, nauwelijks tien passen van den ingang der bergengte, een zware hand op zijn schouder voelde en een schaterende lach in zijn oor klonk.Hij keek verwonderd op; maar zijne verwondering veranderde bijna in schrik, toen hij den man zag, die met de armen op de borst gekruist en met een spottenden grijns op de lippen voor hem stond.»Fray Ambrosio!” riep de Squatter een stap teruggaande.»Hola! compadre,” antwoordde deze, »gij schijnt wel zeer hardhoorende, dat gij mij tienmaal laat roepen zonder u te verwaardigen mij te antwoorden.Satanas!ik heb u moeten aanstooten om u te doen begrijpen dat men u noodig had.”»Wat wilt gij van mij hebben?” vroeg de Squatter op onvriendelijken toon.»Hoedat! wat ik van u hebben moet, compadre? Dat is een zonderlinge vraag; dat zult gij immers zoo goed weten als ik.”»Ik begrijp u niet,” hernam de Squatter altijd bedaard, »verklaar u dus nader, verzoek ik u.”»Dat wil ik wel doen, vrindje,” antwoordde de monnik met een spottenden lach.»Maar gij moest u een weinig haasten, want ik zeg u dat ik niet veel tijd heb.”»Dat kan wel zijn, maar ik heb tijd genoeg; gij zult dus wel zoolang dienen te wachten tot ik gesproken heb.”De Roode-Ceder werd wrevelig, maar bedwong zich.»Ik zal u zeggen wat er van is,” begon de monnik met nadruk. »Ik heb sinds geruimen tijd naar u gezocht.”»Goed! maar geen lang gezwets! Gij vindt mij nu, verklaar u dus in twee woorden, want ik zeg u nog eens, ik heb geen tijd.”»En ik herzeg u, dat mij dat niet kan schelen. O he! zie mij maar niet zoo donker aan, compadre, gij zult mij toch moeten aanhooren.”De Roode-Ceder stampvoette van ongeduld, hij trad naar den monnik, legde hem de hand op den schouder en keek hem strak in ’t aangezicht.»Het schijnt wel, vrindje,” sprak hij kort en droog, »het schijnt wel dat onze rollen verwisseld zijn en dat gij mij uit de hoogte zoekt te behandelen, maar neem u in acht, ik ben kort van stof, dat weet gij, en zoo gij dat niet in ’t oog houdt zou mijn geduld spoedig op kunnen raken.”»Dat kon wel wezen,” hernam de monnik stoutmoedig; »maar indien onze rollen verwisseld zijn, wiens schuld is dat, als ik u vragen mag, de uwe of de mijne? Uwe zonen hadden gelijk toen ze mij zeiden dat gij een kluizenaar zijt geworden en nergens meer toe deugt.”»Ellendeling!” riep de Squatter in drift opstuivend, maar hij bedwong zich onmiddellijk.»Mooi! scheldwoorden ontbreken nog! Maar geneer u niet; ik zie u liever zoo dan anders, nu ten minste herken ik u weder. Duivels! wat zijt gij veranderd, die Fransche zendelingen zijn inderdaad heksenmeesters; hoe jammer dat de inquisitie sedert den vrijheidsoorlog is afgeschaft.”De Roode-Ceder keek den monnik aan, wiens kattenoogen met duivelschen spotlust op hem gevestigd waren. Hij voelde zich langzamerhand opwinden tot een van die koele razernijen die des te vreeselijker dreigen los te breken naarmate men ze meer tracht te beteugelen. Zijne vuisten begonnen te jeuken om den onverlaat neer te slaan die hem durfde tergen, hij deed vergeefsche pogingen om de gramschap te bedwingen die hem allengs dreigde te overmeesteren.Intusschen was de monnik niet zoo geheel op zijn gemak als hij wel wilde schijnen: hij zag de wenkbrauwen van den Squatter meer en meer samentrekken, zijn gelaat een loodkleur aannemen en een storm opkomen, dien hij niet gaarne tot zijne schade zou zien losbarsten.»Hoor eens,” hervatte hij op meer bevredigenden toon, »waarom zouden oude vrienden elkander kwaad maken,con mil diablos! ik kom hier met de beste oogmerken om u eene dienst te bewijzen.”De Squatter glimlachte met minachting.»Gij wilt mij niet gelooven,” vervolgde de monnik, »maar dat verwondert mij geenszins; het gaat gewoonlijk zoo, goede bedoelingen worden vaak miskend en men gelooft liever zijne vijanden dan zijne vrienden.”»Maak een eind aan uw gezwets!” riep de Squatter, »ik heb reeds veel te lang naar u geluisterd; laat mij door en loop naar den duivel!”»Ik zeg u wel dank voor het schoone voorstel dat gij mij doet,” lachte de monnik, »met uw welnemen zal ik er geen gebruik van maken, althans vooreerst niet. Maar steek er den draak niet langer meê! er zijn hier kort bij twee personen die u dringend verlangen te zien en die gij zeker met pleizier zult ontmoeten.”»Van welke personen spreekt gij? dat zijn zeker kerels van dezelfde soort als gij.”»Wel waarschijnlijk,” riep de monnik; »maar dat moogt gij zelf beoordeelen, compadre.”En zonder het antwoord van den Squatter af te wachten bootste Fray Ambrosio tot driemaal toe het gesis van de koraalslang na.Bij het derde gesis kwam er op korten afstand van de beide sprekers een lichte beweging in de struiken en sprongen er op eens twee mannen in de bergengte.De Roode-Ceder slaakte een kreet van verrassing toen hij hen zag; hij herkende zijne beide zoons Sutter en Nathan.De jongelieden kwamen snel op hun vader af en groetten hem met een mengeling van eerbied en ironie, die den Squatter niet ontging.»He! vader, zijt gij daar, vader!” riep Sutter barsch, terwijl hij zijn geweer met een zwaren slag op den grond nederzette en de beide handen op de tromp liet rusten, »wij hebben vrij lang moeten loopen om u te bereiken.”»Het schijnt dat vader sedert onze laatste scheiding kwaker is geworden; zijn nieuw geloof zal hem waarschijnlijk verbieden om met zulk slecht gezelschap te verkeeren als het onze.”»Zwijg! hondsvotten,” riep de Squatter stampvoetend, »ik doe wat ik wil, en niemand zoo ver ik weet, heeft het recht om daar iets op aan te merken.”»Daarin vergist gij u toch, vader,” hernam Sutter brutaal, »ik bijvoorbeeld, vind uw gedrag onvoegzaam voor een man.”»Ongerekend nog,” voegde de monnik er bij, »dat gij uwe bondgenooten in de verlegenheid brengt; dat is niet eerlijk.”»Dat is eene andere vraag,” zei Nathan; »als vader puritein wil worden, dat is zijne zaak, daar zou ik zooveel kwaad niet in vinden; maar alles op zijn tijd; naar mijne gedachten doet men zoo iets niet wanneer men door vijanden omringd is en als een wild dier vervolgd wordt; dan komt het niet te pas zich in een lammerenvacht te steken en zich als een weerloos mensch aan te stellen.”»Wat wilt gij daarmede zeggen?” riep de Squatter ongeduldig; »hebt gij haast gedaan met uwe raadselachtige gezegden? Verklaar u liever in eens, en maak dat er een eind aan komt.”»Dat zal ik, vader,” hervatte Nathan. »Terwijl gij in eene bedriegelijke rust insluimert waken uwe vijanden en spannen zij strikken, waarin zij u weldra hopen te zullen vangen. Denkt gij dat wij niet sedert lang reeds uw schuilhoek geweten hebben? Wie zou zich ergens in de prairie kunnen verbergen zonder ontdekt te worden? Maar wij hebben uwe rust niet willen storen voordat het geschikte oogenblik gekomen was, en daarom ziet gij ons van daag eerst hier.”»Ja,” riep de monnik; »maar nu is er ook geen tijd te verliezen; terwijl gij u op de schoone woorden van den Franschen missionaris verlaat, die voor u zorgde en u in slaap suste om u des te beterin zijne macht te hebben, maken uwe vijanden zich klaar om u van alle zijden te gelijk aan te vallen en met u af te rekenen.”De Squatter keek verbaasd op, en scheen te twijfelen.»Maar die man heeft mij het leven gered,” zeide hij.De drie anderen schoten in een lach.»Wat doet een mensch toch met ondervinding!” riep de monnik zich tot de jongelieden wendende met een veelbeteekenend schouderophalen. »Zoo spreekt nu uw vader, een man die zijn gansche leven in de woestijn heeft doorgebracht en er op eens de heiligste wet van vergeet, »oog om oog, tand om tand,” en niet begrijpt dat die Franschman, die, zooals hij zegt, hem het leven heeft gered, hem eigenlijk beet heeft, en zijne wonden heeft zoeken te genezen om hem later des te beter te kunnen folteren, en het genoegen te hebben hem het volle leven te benemen in plaats van dat ellendige beetje adem dat hem nog overbleef toen hij hem in het bosch vond liggen.”»O! neen, neen,” riep de Squatter, »gij liegt, dat is onmogelijk.”»Is dat onmogelijk!” herhaalde de monnik medelijdend, »helaas! wat zijn de menschen toch verblind! Zeg eens, compadre; had die priester geen oude rekening met u te vereffenen?”»Ja wel, maar,” mompelde de Roode-Ceder,.… »maar hij heeft het mij vergeven.”»Hij u vergeven! Zoudt gij het hem dan hebben vergeven, zeg? Kom loop! houd u toch niet zoo onnoozel, compadre. Ik zie nu wel dat er met u niets te beginnen is; doe voortaan wat gij wilt, wij laten u aan uw lot over.”»Ja,” riep de Squatter, »laat mij aan mijn lot over, dat is alles wat ik verlang.”De monnik en zijne twee makkers gingen een paar stappen ver en hielden zich alsof zij hem wilden verlaten.Fray Ambrosio keek echter om; de Roode-Ceder stond nog op dezelfde plaats, met gebogen hoofd en gefronste wenkbrauwen, over het gesprokene na te denken.De monnik begreep dat hij den Squatter aan ’t wankelen had gebracht en dat het oogenblik daar was om een beslissenden slag te slaan.Hij keerde op zijne stappen terug.»Compadre!” zeide hij, »nog een laatste woord, of liever eene laatste waarschuwing.”»Nog meer?” bromde de Roode-Ceder met een zenuwachtigen grijns.»Pas maar op Ellen,” zei de monnik scherp.»Wat?” riep de Squatter terwijl hij opsprong als een panter en Fray Ambrosio bij den arm greep, »wat zegt gij daar, monnik?”»Ik zeg u,” hernam de andere met eene vaste en nadrukkelijke stem, »dat uwe vijanden u door Ellen willen straffen, en dat die vervloekte missionaris u om geene andere redenen heeft zoeken te beschermen, dan uit vrees dat het meisje, daar hij het oog op heeft, hem ontsnappen zal.”Bij deze verpletterende woorden had er bij den Roode-Ceder eene geweldige verandering plaats, zijn gelaat werd bleek en eene stuipachtige trilling ging hem door de leden.»O!” riep hij met eene stem als een brullende tijger, »laten zij dan komen! dan tart ik hen!”De monnik keek de anderen zegevierend aan. Zijn toeleg was hem gelukt en hij had zijn prooi weerloos in handen.»Kom,” vervolgde de Roode-Ceder, »kom mede; om Gods wil! verlaat mij niet. Wij zullen dat adderengebroedsel verpletteren! Ha! denken zij mij beet te hebben,” vervolgde hij met een stuipachtigen lach, die hem de keel schier deed bersten, »ik zal hun toonen dat de oude leeuw nog niet overwonnen is! Ik kan immers op u rekenen, mijne kinderen? en op u,Fray Ambrosio?”»Wij zijn uwe eenigste vrienden,” zei de monnik, »dat weet gij wel.”»’t Is waar,” hernam hij. »Vergeeft mij dat ik het een oogenblik vergeten kon. Ha! gij zult zien, gij zult zien!”Twee uren daarna bereikte hij met zijne drie nieuwe gezellen de jacal.Toen Ellen hen zag binnen komen ging haar eene koude huivering door het lijf.Een heimelijk voorgevoel voorspelde haar dat er een nieuw onheil op handen was.

De Roode-Ceder schikte zich veel gemakkelijker in zijn nieuwen toestand dan zijne dochter had durven denken.

Overigens was er niets in zijn gewone levenswijze veranderd; de manier waarop hij te werk ging daargelaten, was het steeds dezelfde arbeid, dat wil zeggen: het leven in de wildernis in al zijne heerlijke ongebondenheid, jagen en visschen, terwijl Ellen, die in de hut bleef, zich met de zorg voor het huishouden bezig hield.

Alleen des avonds eer zij zich ter ruste begaven las het meisje haren vader eenige hoofdstukken voor uit een bijbel dien de zendeling haar gegeven had.

Met den elleboog op de tafel en de pijp in den mond luisterde de Squatter met eene aandacht daar hij zelf zich vaak over verwonderde en die met elken dag toenam.

Het was een belangwekkend tooneeltje—in dezen vergeten hoek der groote Amerikaansche woestijn, te midden dier grootsche natuur, in die armelijke zwakke jacal die met iedere windvlaag schudde—dien grijsaard met zijn reuzengestalte en zijne krachtvolleen sombere gelaatstrekken te zien zitten luisteren naar het lezen van dat bleeke, blonde en tengere meisje, welks fijne gelaatstrekken en nevelachtige vormen een geweldig contrast maakten met die van haar toehoorder.

Zoo ging het alle dagen voort; de Squatter was gelukkig, of ten minste scheen en meende het te zijn; gelijk alle menschen wier leven eene aaneenschakeling van ruwe tooneelen of noesten arbeid geweest is, hadden de herinneringen weinig vat op hem, hij vergat alles en meende alles vergeten te zijn.

Ellen leed intusschen in stilte, zij was ongerust; dit leven zonder bepaald doel en zonder toekomst had voor haar geene bekoorlijkheid, omdat het haar de bron afsloot van alle menschelijke heil op aarde, namelijk de hoop.

Intusschen, uit vrees van haar vader te zullen bedroeven besloot zij haar verdriet in haar binnenste, om hem altoos een opgeruimd gezicht te kunnen toonen.

De Roode-Ceder liet zich al meer en meer door de zachte genoegens van een leven wegslepen dat hem zeer aangenaam scheen. Wanneer soms de gedachte aan zijne zonen hem in zijne tegenwoordige rust dreigde te storen, was een blik op Ellen hem genoeg en voerde het gezicht van de engel die hij in haar bezat en die zich zoo geheel aan zijn geluk had toegewijd al het andere uit zijne gedachten.

Intusschen was vader Seraphin de bewoners der jacal reeds meermalen komen bezoeken; had hij daarbij met genoegen opgemerkt de gelatenheid waarmede de Squatter zich in zijn nieuwen staat schikte, de treurige neerslachtigheid daarentegen die zijne dochter scheen te ondermijnen was zijn blik niet ontgaan. Hij had te veel ondervinding in de wereld, om niet te begrijpen, dat een meisje van Ellens leeftijd hare schoonste jaren niet zoo in de eenzaamheid kon slijten zonder hoop van met de maatschappij in aanraking te komen.

Ongelukkigerwijs was het middel daartoe, zoo niet onmogelijk, dan toch zeer moeielijk te vinden. De goede missionaris hield zich maar alsof hij er niets van merkte, daar hij zeer goed begreep dat hij al zijn troost aan het meisje te vergeefs zou verspillen en dat niets in staat zou zijn om de neerslachtigheid te bestrijden in welke zij verzonken was.

Zooals het gewoonlijk in dergelijke gevallen gaat, vermoedde de Roode-Ceder van het verdriet zijner dochter volstrekt niets; zij was voor hem altijd even goed, zachtzinnig, opgeruimd en oplettend; hij genoot den voordeeligen kant van alles, was voor zichzelven gelukkig en dacht in zijne eigenliefde verder aan niets.

Zoo gingen de dagen voorbij, de een volkomen gelijk aan de ander; intusschen kwam de winter; het wild werd schaarscher en de jagerstochten van den Squatter werden al moeielijker en langduriger.

Rondom de hoogste toppen der bergen verzamelden zich grijsachtigewolken, die met iederen dag lager afdaalden en weldra in regen en sneeuw over de prairie losbarstten.

De winter is een geduchte tijd in de woestijn van het Verre Westen; alle plagen tegelijk schijnen dan neêr te komen op den ongelukkige dien het lot in deze onherbergzame streken wierp, zonder de noodige middelen om dit vreeselijk klimaat te braveeren, en weldra moet hij als het slachtoffer zijner onvoorzichtigheid, na het doorstaan van onbeschrijfelijke jammeren, van honger en gebrek omkomen.

De Roode-Ceder kende de winters van het Verre Westen te lang en te goed om dit jaargetijde niet met een soort van schrik te zien naderen.

Daarom zocht hij zich ook op alle mogelijke wijzen van de noodige levensmiddelen en onmisbare dierenvellen te voorzien.

Met het krieken van den dag stond hij op, reed in galop de prairie in, doorkruiste haar in alle richtingen en keerde niet naar de jacal terug voordat de nacht hem dwong zijne jacht te staken.

Maar, gelijk wij reeds gezegd hebben, werd het wild in de prairie met iederen dag schaarscher en kwam de Squatter iederen avond later van de jacht thuis.

Op zekeren morgen dat hij vroeger dan naar gewoonte was opgestaan, en in de grootste stilte de hut uitsloop, om zijne dochter niet noodeloos wakker te maken, trad hij naar de corral, zadelde zijn paard en reed in galop weg.

Hij had den avond te voren het spoor van een prachtigen zwarten beer gevonden, dat hij gevolgd was tot op korten afstand van het hol waar het dier zich terugtrok, en nu wilde hij hem daar in zijn leger overvallen.

Om dit te volvoeren moest hij zich haasten; de beren zijn niet als andere wilde beesten maar gaan liefst over dag uit om hun aas te zoeken, terwijl zij gemeenlijk reeds in tijds hun schuilhoek verlaten.

De Squatter, die met den aard dezer dieren zeer goed bekend was, ging er dus zoo vroeg mogelijk op uit om zijn doel niet te missen.

De zon was nog niet op. De hemel nog donkerblauw en vol sterren begon eerst aan den uitersten gezichteinder die bleeke opaaltinten aan te nemen, die vervolgens in rozerood overgaan als aankondigers van den naderenden morgenstond.

Alles beloofde een schoonen herfstdag; eene lichte koelte boog nauwelijks de bovenste takken van het dichte geboomte, en rimpelde slechts even de stilvlietende beek aan welker boorden de Squatter voortreed.

Een dunne doorzichtige nevel steeg op uit den grond, bezwangerd met de frissche morgengeuren die de borst verkwikken en ruimer doen ademen. De vogels ontwaakten de een na den ander onder het gebladerte, en begonnen zacht hun voorspel voor het welluidendconcert dat zij iederen morgen aanheffen als om de ontwakende natuur te begroeten.

Van lieverlede verdwenen de schaduwen van den nacht, de zon steeg luisterrijk uit de kimmen en de dag ging heerlijk op.

De Roode-Ceder bereikte den ingang eener smalle bergengte, aan wier uiteinde, te midden van een chaos van rotsklompen, het bewuste berenhol gaapte.

Hier bleef hij eenige oogenblikken staan om adem te scheppen en zijne laatste aanstalten te maken.

Vooreerst steeg hij af, kluisterde zijn paard, gaf het zijn erwtenvoêr, en na zich verzekerd te hebben dat zijn geweer en jachtmes in goeden staat waren, trad hij de engte binnen.

De Squatter liep in bukkende houding, met oog en oor gespitst, als de jager die op zijn prooi afging, toen hij op eens, nauwelijks tien passen van den ingang der bergengte, een zware hand op zijn schouder voelde en een schaterende lach in zijn oor klonk.

Hij keek verwonderd op; maar zijne verwondering veranderde bijna in schrik, toen hij den man zag, die met de armen op de borst gekruist en met een spottenden grijns op de lippen voor hem stond.

»Fray Ambrosio!” riep de Squatter een stap teruggaande.

»Hola! compadre,” antwoordde deze, »gij schijnt wel zeer hardhoorende, dat gij mij tienmaal laat roepen zonder u te verwaardigen mij te antwoorden.Satanas!ik heb u moeten aanstooten om u te doen begrijpen dat men u noodig had.”

»Wat wilt gij van mij hebben?” vroeg de Squatter op onvriendelijken toon.

»Hoedat! wat ik van u hebben moet, compadre? Dat is een zonderlinge vraag; dat zult gij immers zoo goed weten als ik.”

»Ik begrijp u niet,” hernam de Squatter altijd bedaard, »verklaar u dus nader, verzoek ik u.”

»Dat wil ik wel doen, vrindje,” antwoordde de monnik met een spottenden lach.

»Maar gij moest u een weinig haasten, want ik zeg u dat ik niet veel tijd heb.”

»Dat kan wel zijn, maar ik heb tijd genoeg; gij zult dus wel zoolang dienen te wachten tot ik gesproken heb.”

De Roode-Ceder werd wrevelig, maar bedwong zich.

»Ik zal u zeggen wat er van is,” begon de monnik met nadruk. »Ik heb sinds geruimen tijd naar u gezocht.”

»Goed! maar geen lang gezwets! Gij vindt mij nu, verklaar u dus in twee woorden, want ik zeg u nog eens, ik heb geen tijd.”

»En ik herzeg u, dat mij dat niet kan schelen. O he! zie mij maar niet zoo donker aan, compadre, gij zult mij toch moeten aanhooren.”

De Roode-Ceder stampvoette van ongeduld, hij trad naar den monnik, legde hem de hand op den schouder en keek hem strak in ’t aangezicht.

»Het schijnt wel, vrindje,” sprak hij kort en droog, »het schijnt wel dat onze rollen verwisseld zijn en dat gij mij uit de hoogte zoekt te behandelen, maar neem u in acht, ik ben kort van stof, dat weet gij, en zoo gij dat niet in ’t oog houdt zou mijn geduld spoedig op kunnen raken.”

»Dat kon wel wezen,” hernam de monnik stoutmoedig; »maar indien onze rollen verwisseld zijn, wiens schuld is dat, als ik u vragen mag, de uwe of de mijne? Uwe zonen hadden gelijk toen ze mij zeiden dat gij een kluizenaar zijt geworden en nergens meer toe deugt.”

»Ellendeling!” riep de Squatter in drift opstuivend, maar hij bedwong zich onmiddellijk.

»Mooi! scheldwoorden ontbreken nog! Maar geneer u niet; ik zie u liever zoo dan anders, nu ten minste herken ik u weder. Duivels! wat zijt gij veranderd, die Fransche zendelingen zijn inderdaad heksenmeesters; hoe jammer dat de inquisitie sedert den vrijheidsoorlog is afgeschaft.”

De Roode-Ceder keek den monnik aan, wiens kattenoogen met duivelschen spotlust op hem gevestigd waren. Hij voelde zich langzamerhand opwinden tot een van die koele razernijen die des te vreeselijker dreigen los te breken naarmate men ze meer tracht te beteugelen. Zijne vuisten begonnen te jeuken om den onverlaat neer te slaan die hem durfde tergen, hij deed vergeefsche pogingen om de gramschap te bedwingen die hem allengs dreigde te overmeesteren.

Intusschen was de monnik niet zoo geheel op zijn gemak als hij wel wilde schijnen: hij zag de wenkbrauwen van den Squatter meer en meer samentrekken, zijn gelaat een loodkleur aannemen en een storm opkomen, dien hij niet gaarne tot zijne schade zou zien losbarsten.

»Hoor eens,” hervatte hij op meer bevredigenden toon, »waarom zouden oude vrienden elkander kwaad maken,con mil diablos! ik kom hier met de beste oogmerken om u eene dienst te bewijzen.”

De Squatter glimlachte met minachting.

»Gij wilt mij niet gelooven,” vervolgde de monnik, »maar dat verwondert mij geenszins; het gaat gewoonlijk zoo, goede bedoelingen worden vaak miskend en men gelooft liever zijne vijanden dan zijne vrienden.”

»Maak een eind aan uw gezwets!” riep de Squatter, »ik heb reeds veel te lang naar u geluisterd; laat mij door en loop naar den duivel!”

»Ik zeg u wel dank voor het schoone voorstel dat gij mij doet,” lachte de monnik, »met uw welnemen zal ik er geen gebruik van maken, althans vooreerst niet. Maar steek er den draak niet langer meê! er zijn hier kort bij twee personen die u dringend verlangen te zien en die gij zeker met pleizier zult ontmoeten.”

»Van welke personen spreekt gij? dat zijn zeker kerels van dezelfde soort als gij.”

»Wel waarschijnlijk,” riep de monnik; »maar dat moogt gij zelf beoordeelen, compadre.”

En zonder het antwoord van den Squatter af te wachten bootste Fray Ambrosio tot driemaal toe het gesis van de koraalslang na.

Bij het derde gesis kwam er op korten afstand van de beide sprekers een lichte beweging in de struiken en sprongen er op eens twee mannen in de bergengte.

De Roode-Ceder slaakte een kreet van verrassing toen hij hen zag; hij herkende zijne beide zoons Sutter en Nathan.

De jongelieden kwamen snel op hun vader af en groetten hem met een mengeling van eerbied en ironie, die den Squatter niet ontging.

»He! vader, zijt gij daar, vader!” riep Sutter barsch, terwijl hij zijn geweer met een zwaren slag op den grond nederzette en de beide handen op de tromp liet rusten, »wij hebben vrij lang moeten loopen om u te bereiken.”

»Het schijnt dat vader sedert onze laatste scheiding kwaker is geworden; zijn nieuw geloof zal hem waarschijnlijk verbieden om met zulk slecht gezelschap te verkeeren als het onze.”

»Zwijg! hondsvotten,” riep de Squatter stampvoetend, »ik doe wat ik wil, en niemand zoo ver ik weet, heeft het recht om daar iets op aan te merken.”

»Daarin vergist gij u toch, vader,” hernam Sutter brutaal, »ik bijvoorbeeld, vind uw gedrag onvoegzaam voor een man.”

»Ongerekend nog,” voegde de monnik er bij, »dat gij uwe bondgenooten in de verlegenheid brengt; dat is niet eerlijk.”

»Dat is eene andere vraag,” zei Nathan; »als vader puritein wil worden, dat is zijne zaak, daar zou ik zooveel kwaad niet in vinden; maar alles op zijn tijd; naar mijne gedachten doet men zoo iets niet wanneer men door vijanden omringd is en als een wild dier vervolgd wordt; dan komt het niet te pas zich in een lammerenvacht te steken en zich als een weerloos mensch aan te stellen.”

»Wat wilt gij daarmede zeggen?” riep de Squatter ongeduldig; »hebt gij haast gedaan met uwe raadselachtige gezegden? Verklaar u liever in eens, en maak dat er een eind aan komt.”

»Dat zal ik, vader,” hervatte Nathan. »Terwijl gij in eene bedriegelijke rust insluimert waken uwe vijanden en spannen zij strikken, waarin zij u weldra hopen te zullen vangen. Denkt gij dat wij niet sedert lang reeds uw schuilhoek geweten hebben? Wie zou zich ergens in de prairie kunnen verbergen zonder ontdekt te worden? Maar wij hebben uwe rust niet willen storen voordat het geschikte oogenblik gekomen was, en daarom ziet gij ons van daag eerst hier.”

»Ja,” riep de monnik; »maar nu is er ook geen tijd te verliezen; terwijl gij u op de schoone woorden van den Franschen missionaris verlaat, die voor u zorgde en u in slaap suste om u des te beterin zijne macht te hebben, maken uwe vijanden zich klaar om u van alle zijden te gelijk aan te vallen en met u af te rekenen.”

De Squatter keek verbaasd op, en scheen te twijfelen.

»Maar die man heeft mij het leven gered,” zeide hij.

De drie anderen schoten in een lach.

»Wat doet een mensch toch met ondervinding!” riep de monnik zich tot de jongelieden wendende met een veelbeteekenend schouderophalen. »Zoo spreekt nu uw vader, een man die zijn gansche leven in de woestijn heeft doorgebracht en er op eens de heiligste wet van vergeet, »oog om oog, tand om tand,” en niet begrijpt dat die Franschman, die, zooals hij zegt, hem het leven heeft gered, hem eigenlijk beet heeft, en zijne wonden heeft zoeken te genezen om hem later des te beter te kunnen folteren, en het genoegen te hebben hem het volle leven te benemen in plaats van dat ellendige beetje adem dat hem nog overbleef toen hij hem in het bosch vond liggen.”

»O! neen, neen,” riep de Squatter, »gij liegt, dat is onmogelijk.”

»Is dat onmogelijk!” herhaalde de monnik medelijdend, »helaas! wat zijn de menschen toch verblind! Zeg eens, compadre; had die priester geen oude rekening met u te vereffenen?”

»Ja wel, maar,” mompelde de Roode-Ceder,.… »maar hij heeft het mij vergeven.”

»Hij u vergeven! Zoudt gij het hem dan hebben vergeven, zeg? Kom loop! houd u toch niet zoo onnoozel, compadre. Ik zie nu wel dat er met u niets te beginnen is; doe voortaan wat gij wilt, wij laten u aan uw lot over.”

»Ja,” riep de Squatter, »laat mij aan mijn lot over, dat is alles wat ik verlang.”

De monnik en zijne twee makkers gingen een paar stappen ver en hielden zich alsof zij hem wilden verlaten.

Fray Ambrosio keek echter om; de Roode-Ceder stond nog op dezelfde plaats, met gebogen hoofd en gefronste wenkbrauwen, over het gesprokene na te denken.

De monnik begreep dat hij den Squatter aan ’t wankelen had gebracht en dat het oogenblik daar was om een beslissenden slag te slaan.

Hij keerde op zijne stappen terug.

»Compadre!” zeide hij, »nog een laatste woord, of liever eene laatste waarschuwing.”

»Nog meer?” bromde de Roode-Ceder met een zenuwachtigen grijns.

»Pas maar op Ellen,” zei de monnik scherp.

»Wat?” riep de Squatter terwijl hij opsprong als een panter en Fray Ambrosio bij den arm greep, »wat zegt gij daar, monnik?”

»Ik zeg u,” hernam de andere met eene vaste en nadrukkelijke stem, »dat uwe vijanden u door Ellen willen straffen, en dat die vervloekte missionaris u om geene andere redenen heeft zoeken te beschermen, dan uit vrees dat het meisje, daar hij het oog op heeft, hem ontsnappen zal.”

Bij deze verpletterende woorden had er bij den Roode-Ceder eene geweldige verandering plaats, zijn gelaat werd bleek en eene stuipachtige trilling ging hem door de leden.

»O!” riep hij met eene stem als een brullende tijger, »laten zij dan komen! dan tart ik hen!”

De monnik keek de anderen zegevierend aan. Zijn toeleg was hem gelukt en hij had zijn prooi weerloos in handen.

»Kom,” vervolgde de Roode-Ceder, »kom mede; om Gods wil! verlaat mij niet. Wij zullen dat adderengebroedsel verpletteren! Ha! denken zij mij beet te hebben,” vervolgde hij met een stuipachtigen lach, die hem de keel schier deed bersten, »ik zal hun toonen dat de oude leeuw nog niet overwonnen is! Ik kan immers op u rekenen, mijne kinderen? en op u,Fray Ambrosio?”

»Wij zijn uwe eenigste vrienden,” zei de monnik, »dat weet gij wel.”

»’t Is waar,” hernam hij. »Vergeeft mij dat ik het een oogenblik vergeten kon. Ha! gij zult zien, gij zult zien!”

Twee uren daarna bereikte hij met zijne drie nieuwe gezellen de jacal.

Toen Ellen hen zag binnen komen ging haar eene koude huivering door het lijf.

Een heimelijk voorgevoel voorspelde haar dat er een nieuw onheil op handen was.


Back to IndexNext