XVII.

XVII.MOEDER EN ZOON.Zoodra Pater Seraphin den Roode-Ceder en Ellen in de jacal gevestigd en zich verzekerd had dat het nieuwe bestaan hun door hem bezorgd, hun zoo al niet behaagde ten minste dragelijk scheen, was hij er op bedacht om zijne belofte aan de moeder van Valentin te vervullen.Ondanks al haar moed en geduld gevoelde de goede vrouw hare krachten van dag tot dag minder worden; zij zeide wel niets en beklaagde zich niet, maar de bewustheid dat zij zoo dicht bij haar zoon was, zonder hem te kunnen zien en te omhelzen na zulk eene lange scheiding, en na zoo vele doorgestane proeven van afwisselende hoop en teleurstelling, dompelde haar in eene sombere zwaarmoedigheid daar zij geen raad voor wist; zij gevoelde dat zij langzamerhand wegstierf en kwam eindelijk tot de verschrikkelijke overtuiging dat zij hem nooit weer zien zou, dat hij misschien dood was en dat de zendeling uit vrees van haar een doodelijken slag te zullen toebrengen haar bleef wiegen met eene ijdele hoop die zich nimmer zou verwezenlijken.De moederlijke liefde redeneert niet.Alles wat pater Seraphin haar gezegd had om haar geduld te leeren oefenen, had hare droefheid alleen in slaap gesust, om haar vervolgens tot verdubbelde vrees en met dubbele kracht te doen ontwaken.Wat zij sedert hare ontscheping in Amerika had gezien en had hooren vertellen, gaf slechts nieuw voedsel aan haar angst, door haar te doen gevoelen dat in dit wonderlijke land het menschelijk leven vaak hing aan een brozen draad. Toen dus de zendeling haar eindelijk aankondigde dat zij binnen acht dagen haar zoon zou omhelzen, was hare blijdschap zoo groot, dat zij op het punt was van te bezwijmen en dacht te zullen sterven.In ’t eerst kon zij aan dit geluk niet gelooven.Door al de ondervonden teleurstelling was zij in zulk eenen graad wantrouwend geworden, dat zij niet anders dacht of de goede priester had dit maar zoo gezegd om haar op nieuw een tijdlang tot geduld te stemmen, evenals men aan onherstelbare kranken soms dingen belooft die toch nooit waar kunnen wezen.Intusschen was pater Seraphin, ofschoon hij zeker wist dat Valentin zich op dit oogenblik in de prairie bevond, niet bekend met de juiste plaats waar hij hem zoeken moest.Dien zelfden avond in de grot terugkomende die hij tijdelijk betrokken had, zond hij vier zijner Indianen af, in vier verschillende richtingen om op kondschap uit te gaan en stelliger berichten omtrent den jager in te winnen.De moeder van Valentin was er bij tegenwoordig toen de missionaris zijne koeriers uitzond; zij hoorde de bevelen die hij hun gaf, zag hen vertrekken en begon toen de minuten te tellen tegen wanneer zij terug konden zijn; in stilte berekenende hoeveel tijd zij zouden behoeven om haar zoon te bereiken, hoeveel tijd om naar de grot terug te komen, de toevallige omstandigheden die hen op weg konden ophouden, kortom duizend onderstellingen en vermoedens waarmede gevoelige zielen zich bezig houden wanneer zij met ongeduld wachten op iets waar zij reikhalzend naar verlangen.Er verliepen twee dagen zonder dat een der boden terugkwam.De arme moeder zat op een stuk rots, met de oogen onafgewend naar de vlakte gericht, altoos te wachten, onbewegelijk en onvermoeid.Tegen den avond van den derden dag bespeurde zij op een grooten afstand eene zwarte stip, die gedurig merkbaarder werd en snel de plek scheen te naderen waar zij zat.Van lieverlede werd het donkere voorwerp grooter en duidelijker; weldra ontwaarde zij een ruiter die in vollen galop den ingang der vallei naderde.Het moederhart klopte alsof het in hare borst wilde barsten.Die ruiter was blijkbaar een der koeriers door den missionaris uitgezonden; maar welke tijding zou hij brengen?Eindelijk reed de Indiaan de vallei binnen, steeg van zijn paard en begon den berg te beklimmen.’t Was of de oude de beenen uit hare jeugd terug had bekomen, zoo snel als zij naar hem toe vloog en in weinig oogenblikken had zij de ruimte doorloopen die haar van hem scheidde.Maar nauwlijks stonden zij tegenover elkander, of er deed zich eene nieuwe zwarigheid voor.De Roodhuid sprak of verstond geen woord Fransch en zij op hare beurt kende geen syllabe Indiaansch.Moeders nochtans hebben eene taal op haar eigen hand, die men de vrijmetselarij van het hart zou kunnen noemen en die zich in ieder land verstaanbaar maakt.Toen de flinke Comanch voor haar staan bleef, de armen op de borst kruiste en haar met een gullen glimlach begroette, sprak hij slechts dit ééne woord: »Koutonepi.”De oude vrouw wist wel dat dit de naam was waarmede de Indianen gewoon waren haar zoon te noemen.Zij voelde zich op eens gerust gesteld door den glimlach van dien man en door den toon waarop hij den naam van haar zoon had uitgesproken.Den krijgsman dadelijk bij den arm nemende, trok zij hem naar de grot, waar zij wist dat pater Seraphin bezig was met zijn getijdeboek te lezen.»Wel!” vroeg deze zoodra hij haar zag, »wat is er voor nieuws?”»Die man heeft mij niets kunnen zeggen, ik versta zijne taal niet, maar het ligt mij zoo bij dat hij goede tijding brengt.”»Met uw verlof zal ik hem ondervragen.”»Doe, o doe dat; ik wil zoo spoedig mogelijk weten hoe het er mede staat.”De zendeling wendde zich nu tot den Roodhuid, die op eenigen afstand onbewegelijk was blijven staan en de korte redewisseling had aangehoord.»Mijn broeder de Spinnekopgutsthet zweet van het voorhoofd,” zeide hij, »hij zette zich naast mij neder, hij heeft een verren tocht gemaakt.”De Indiaan glimlachte ernstig en maakte voor den missionaris eene deftige buiging.»De Spinnekop is een opperhoofd in zijn stam,” begon hij met zijn gewonen schellen en welluidenden keelklank; »hij kan springen als de jaguar en kruipen als de slang; er is niets dat hem vermoeit.”»Ik weet dat mijn broeder een groot krijgsman is,” antwoordde de missionaris; »zijne wapenfeiten zijn talloos, de Apachen vluchten waar hij zich vertoont. Heeft mijn broeder de jongelingen van zijn stam ontmoet?”»De Spinnekop heeft hen ontmoet: zij jagen aan de boorden der Rio-Gila.”»Was hun hoofd, de Eenhoorn, met hen?”»De Eenhoorn was er met zijne krijgslieden.”»Goed! mijn broeder heeft de oogen van een tijgerkat, niets ontgaat hem. Heeft hij den grooten blanken jager ontmoet?”»De Spinnekop heeft met Koutonepi en verscheidene andere vrienden van den bleeken jager, rondom zijn haard vereenigd, de calumet gerookt.”»Heeft mijn broeder met Koutonepi gesproken?” hervatte de missionaris.»Ja, Koutonepi wenscht zich geluk dat de vader der gebeden is teruggekeerd, dien hij vreesde niet weder te zullen zien. Zoodra de walkon tweemaal zingt zal Koutonepi met zijne gezellen bij mijn vader komen.”»Mijn broeder is een slim en vaardig krijgsman; ik bedank hem voor de wijs waarop hij den hem toevertrouwden last heeft uitgevoerd; geen ander krijgsman had dien zoo kloek en zoo gezwind kunnen volbrengen.”Bij dit welverdiend en vleiend kompliment plooide zich een glimlach van genoegen en trots om de lippen van den Indiaan, die na een eerbiedigen kus op de hand van den missionaris terstond heenging.Vader Seraphin wendde zich toen tot Mme. Guillois, die met brandende nieuwsgierigheid den uitslag van het gesprek afwachtte en in de blikken van den priester zocht te lezen, of zij hopen dan wel vreezen moest; hij drukte haar zacht de hand en sprak op dien liefderijken toon die hem zoo bijzonder eigen was:»Uw zoon komt, weldra zult gij hem zien; hij zal nog dezen nacht hier zijn, binnen twee uren op zijn langst.”»O!” riep zij op een toon die zich niet laat beschrijven, »mijn God! gij zijt geloofd!”Zij wierp zich op de knieën, deed een lang gebed en smolt in hare tranen als weg.Pater Seraphin zag dit niet zonder ongerustheid en hield haar in het oog, gereed om haar dadelijk hulp te verleenen zoo zij in hare aandoening mocht bezwijmen.Na eenige minuten stond zij op, glimlachte door hare tranen en hernam hare plaats naast den zendeling.»Houd moed!” zeide hij, »gij hebt u zoo sterk getoond in uwe droefheid, zoudt gij zwak worden in de vreugde?”»Och!” riep zij innig aangedaan, »het is mijn zoon, mijn eenigst kind dat ik heb gekweekt en gevoed, dien ik thans zal wederzien, na tienjarige scheiding. Helaas! in geen tien jaar heb ik zijn voorhoofd mogen kussen! Mijn God! dat kan niemand begrijpen wat ik gevoel, dat is niet uit te spreken, voor eene moeder is haar kind alles.”»Laat u toch niet zoo door uwe aandoeningen wegslepen,” suste haar pater Seraphin.»En komt hij dan waarlijk?” vroeg zij dringend.»Binnen twee uren op zijn langst.”»Wat is dat nog lang, twee uren!” zuchtte zij.»O! wat zijn de menschen toch wonderlijke schepselen!” riep de zendeling. »Gij, die nu zoovele jaren hebt gewacht zonder te klagen, kunt gij twee uren te lang vinden.…”»Maar het is mijn zoon, mijn geliefd kind, dat ik wacht, hem kan ik nooit vroeg genoeg wederzien.”»Kom, blijf bedaard; ik geloof gij hebt koorts.”»O! wees niet ongerust over mij, vader; de vreugde zal mij niet dooden! Als ik mijn zoon maar wederzie word ik dadelijk gezond, daar ben ik zeker van.”»Arme moeder!” prevelde pater Seraphin onwillekeurig.»Niet waar?” riep zij. »Ach! als gij eens wist hoe verschrikkelijk het is in zoo eindelooze spanning te zijn; maar één zoon te hebben, die al ons geluk op aarde uitmaakt en dan niet te weten waar hij is, wat hij doet, hoe hij het heeft, of hij dood of levend is! Voor een moeder bestaat er geen grooter marteling dan die eeuwige onzekerheid, die onophoudelijke afwisseling van hoop en vrees, van bemoediging en teleurstelling. Dat begrijpt gij niet, gij mannen, gij kunt het niet begrijpen en dat komt omdat gij er geen zin voor hebt, en omdat wij moeders alleen onze kinderen zoo liefhebben …”Zij zweeg eenige minuten en begon op nieuw.»Mijn God! wat gaat die tijd langzaam voorbij? Zou de zon niet haast ondergaan? Van welken kant denkt gij dat mijn zoon komen zal, vader? Ik moet hem volstrekt zien aankomen. Ik ben zeker dat ik hem dadelijk herken, al heb ik hem in zoo lang niet gezien; eene moeder bedriegt zich niet; want zij ziet haar kind niet met de oogen, maar voelt het met haar hart!…”De missionaris bracht haar naar den ingang der grot, zette haar op een bemosten steen, ging naast haar zitten en zeide, haar met de hand naar het zuidwesten wijzende:»Kijk! daar, van dien kant moet hij komen.”»Ik dank u!” antwoordde zij geroerd. »O! gij bezit evenveel oplettendheid als deugd. Gij zijt zoo vroom en zoo goed, vader, God zal er u voor beloonen, ik kan u niet meer dan dankzeggen!”De missionaris glimlachte bewogen.»Ik ben gelukkig als ik u gelukkig zie,” zeide hij goedhartig.Zij staarden over de vlakte.De zon daalde snel ter kimmen: van lieverlede overstelpte de duisternis het aardrijk; de voorwerpen verdwenen het eene na het andere; weldra werd het onmogelijk om iets, zelfs op korten afstand, te onderscheiden.»Laten wij naar binnen gaan,” zei pater Seraphin, »de koele nachtlucht zou u kunnen schaden.”»Ba!” riep zij hoofdschuddend, »ik gevoel er niets van.”»Daarbij is de duisternis zoo dik, dat gij toch niets zoudt kunnen zien.”»Dat is waar,” antwoordde zij met gevoel, »maar ik zal hem toch hooren.”Hiertegen viel niets te zeggen. Pater Seraphin begreep het, hij boog het hoofd en hernam zijne plaats naast Mme. Guillois.»Vergeef het mij, vader,” zeide zij, »maar de blijdschap maakt mij dwaas!”»Gij hebt genoeg geleden, moedertje,” antwoordde de zendeling meewarig, »om heden ten minste eens onvermengde vreugde te genieten. Doe dus wat gij wilt en vrees niet mij te mishagen.”Zoo verliep er een uur zonder dat er een woord tusschen hen gewisseld werd. Zij zaten te luisteren.Inmiddels werd de nacht steeds donkerder en donkerder, en het geheimzinnige geruisch der wildernis sterker.De avondwind was opgestoken en huilde door de rotskloven met langgerekt en zwaarmoedig gefluit.Op eens vloog Mme. Guillois overeind, haar oog fonkelde, zij greep den missionaris krachtig bij den arm.»Daar is hij!” riep zij met eene heesche stem.Pater Seraphin stak het hoofd op.»Ik hoor niets,” zeide hij.»Ach neen! ik bedrieg mij niet,” riep zij op hartroerenden toon, »ik kan mij niet bedriegen, hij is het; luister, luister toch.”Pater Seraphin spitste de ooren en luisterde scherp.Werkelijk hoorde hij op verren afstand in de prairie een geluid, nauwelijks merkbaar, maar dat eenigszins geleek naar het onophoudelijk gerommel van verre donderslagen.»O!” riep zij weêr, »hij is het, hij komt; luister!”Het gedruisch werd sterker en sterker, en het leed niet lang of men kon duidelijk den galop onderscheiden van een aantal paarden die in vollen aantocht schenen te zijn.»Wel!”, riep zij op nieuw, »is het nu wel inbeelding? Neen, neen, een moederhart laat zich zoo niet misleiden.”»Gij hebt gelijk, mevrouw, binnen weinige minuten zal hij bij u zijn.”»Ja, ja!”, hijgde zij met bevende stem.Dat was al wat zij zeggen kon. Zij stikte bijna van blijdschap.»In ’s hemels naam! blijf toch bedaard,” riep de zendeling ongerust, »wees niet zoo hartstochtelijk, dat is te sterk voor u; het zou u kunnen dooden.”Zij schudde van neen met een onbeschrijfelijk gevoel van onbezorgde moedervreugd.»O! al was dat zoo,” riep zij, »laat mij begaan, want ik ben zoo gelukkig, o zoo onuitsprekelijk gelukkig op dit oogenblik.”De ruiters reden de vallei in en de galop der paarden weergalmde tusschen de rotswanden.»Afstijgen, mijne heeren!” riep eene krachtige stem, »afstijgen, wij zijn er.”»Dat is hij! dat is hij!” riep zij, »dat heeft hij gezegd, ik herken zijne stem!”En meteen wilde zij voorwaarts ijlen, maar de zendeling ving haar op in zijne armen en hield haar terug.»Wat woudt gij doen?” riep hij, »wilt gij een ongeluk krijgen?”»Vergeving, vader, vergeving; toen ik hem hoorde spreken werd het mij zoo wee om het hart, ik weet niet wat er in mij omging, maar ik was mij zelve niet meester en wou hem te gemoet vliegen.”»Heb nu toch een beetje geduld; ziedaar, hij klimt reeds naar boven; binnen drie minuten is hij zeker in uwe armen.”Zij deinsde ijlings terug.»Neen,” riep zij, »neen, zoo moet het niet, het wederzien zou te schielijk zijn, laat ik mijn geluk liever van stukje tot beetje genieten, ik wil eens zien of hij mij ook raden zal gelijk ik hem geraden heb!”Zij liep zoo snel zij maar kon naar de grot terug en trok pater Seraphin met zich mede.»Dat denkbeeld heeft God u ingegeven,” zeide hij; »ja gewis het wederzien zou te schielijk zijn, ge zoudt het beiden kunnen besterven.”»Niet waar?” riep zij vroolijk, »niet waar, vader, heb ik geen gelijk? O! gij zult zien, gij zult zien, verberg mij in een hoekje daar ik alles zien en alles hooren kan, zonder gezien te worden; haast u, haast u toch; daar is hij.”In de grot, zooals wij vroeger reeds gezegd hebben, waren een aantal vertrekken of afdeelingen, die allen met elkaâr in verband stonden, en vader Seraphin verborg Mme. Guillois in een der vertrekken welker wanden, op de wonderlijkste wijs door druipsteen gevormd, haar ruimschoots gelegenheid gaven om alles te bespieden en af te luisteren wat er in het naaste vertrek voorviel, zonder dat zij gevaar liep zelve gezien te worden.Nadat de ruiters hunne paarden gekluisterd hadden klommen zij den berg op. Onder het opstijgen kon men hen duidelijk hooren praten, en vingen de grotbewoners gretig woord voor woord op, dat er tusschen hen gesproken werd.»Die goede pater Seraphin,” hoorde men Valentin zeggen, »ik weet niet of het u gaat als mij, caballeros, maar ik zal gelukkig zijn als ik hem wederzie; ik vreesde zeer dat hij ons voor altijd verlaten had.”»Het is voor mij althans een groote troost in mijn verdriet,” antwoordde don Miguel, »nu ik weet dat hij zoo dicht bij ons is; die man is een ware apostel.”»Wat scheelt u toch, Valentin?” riep op eens generaal Ibanez, »waarom blijft gij staan?”»Ik weet het niet,” antwoordde deze met eene wankelmoedige stem, »ik ben zoo wonderlijk te moede dat ik het niet zeggen kan. Dezen morgen, toen de Spinnekop mij kwam vertellen dat de pater weêr terug was, gevoelde ik in mijn binnenste eene onuitsprekelijke gewaarwording; en nu krijg ik hetzelfde weêr; waarom, zou ik niet kunnen zeggen.”»Vriend, het is van blijdschap dat gij pater Seraphin zult wederzien,” zei Ibanez, »dat woelt u door het hart, anders niet.”De jager schudde het hoofd.»Neen,” zeide hij, »dat is het niet, er moet iets anders zijn; wat ik gevoel is gansch ongewoon, mijn hart is beklemd, ik meen te stikken. Goede God! wat overkomt mij.”Zijne vrienden drongen zich ongerust om hem heen.»Laat mij toch voortgaan,” zeide hij vastberaden, »als ik kwaad nieuws moet hooren, is het maar beter dat ik het hoe eer hoe liever weet.”En ondanks de vermaningen zijner vrienden, die alles behalve gerust waren, begon hij weder te klimmen, maar nu zooveel te sneller.Weldra was hij op het terras voor de grot; daar bleef hij een oogenblik staan om adem te scheppen.»Komaan!” zeide hij.En hij trad stoutmoedig in de grot, onmiddellijk door zijne vrienden gevolgd.Nauwelijks had hij zijn voet op den drempel der spelonk, of hij hoorde zich bij zijn naam roepen.Op het geluid dier stem beefde de jager, hij verbleekte, het koude zweet droppelde langs zijn gezicht.»O,” murmelde hij, »wie roept mij daar zoo?”»Valentin! Valentin!” klonk de stem op nieuw, maar zachter en vleiender dan te voren.De jager aarzelde, boog voorover, zijn aangezicht helderde op en bekwam eene uitdrukking van onbeschrijfelijk geluk.»Nog eens!… nog eens!” prevelde hij nauwelijks hoorbaar, met de hand op het hart om het kloppen te stillen.»Valentin!” riep de stem nog eens.Ditmaal deed de Franschman een sprong voorwaarts als een leeuw en slaakte een vreeselijken kreet.»Mijne moeder!” riep hij met eene klaterende stem; »moeder, hier ben ik!”»Ach! ik wist wel dat hij mij herkennen zou,” gilde zij en stortte zich in zijne armen.De jager sloot haar met koortsachtige drift aan zijne borst.De arme oude vrouw wist niet hoe zij hem kussen of troetelen zou, zij lachte en schreide tegelijk en was half gek van blijdschap en schrik, dat zij hem in zulk een toestand wederzag.Zij had er bijna berouw van dat zij zich aan deze proef had blootgesteld.Hij kuste haar gerimpeld gelaat, haar grijze haren en was niet in staat een woord uit te brengen.Eindelijk klonk er een geluid in zijne borst, hij haalde met kracht adem, een snik barstte hem uit de keel, hij smolt in tranen weg en riep op een toon van onbeschrijfelijke teederheid:»Moeder! moeder! o mijne moeder!”Deze woorden waren al wat hij zeggen kon.Ook Valentin lachte en weende tegelijk, hij ging op een stuk rots zitten, met zijne moeder op de eene knie, omhelsde haar met uitzinnige vreugd, kon zich niet verzadigen haar aan te zien, hare bleeke wangen en witte haren te kussen, en hare verflauwde oogen, die zoo lang om hem geschreid hadden.De toekijkers bij dit tooneel, bewogen door deze echte en eenvoudige liefdebetooning, konden zich niet bedwingen en weenden in stilte met moeder en zoon.Curumilla, die in een hoek der grot op de hurken zat, staarde den jager onbeweeglijk aan terwijl er twee tranen langs zijne olijfbruine wangen biggelden.Toen de eerste aandoening een weinig bedaard was, deed pater Seraphin, die zich tot dusver, om den stillen afloop dezer teedere ontmoeting niet te storen, op een eerbiedigen afstand had gehouden, eenige stappen vooruit en plaatste zich tusschen de aanwezigen.»Mijne kinderen,” zeide hij op een zacht gebiedenden toon, terwijl hij een eenvoudig kruisbeeld ophief, dat hij in de rechterhand hield, »laten wij den Heer danken voor zijne oneindige barmhartigheid.”Allen knielden neder en aanbaden.

XVII.MOEDER EN ZOON.Zoodra Pater Seraphin den Roode-Ceder en Ellen in de jacal gevestigd en zich verzekerd had dat het nieuwe bestaan hun door hem bezorgd, hun zoo al niet behaagde ten minste dragelijk scheen, was hij er op bedacht om zijne belofte aan de moeder van Valentin te vervullen.Ondanks al haar moed en geduld gevoelde de goede vrouw hare krachten van dag tot dag minder worden; zij zeide wel niets en beklaagde zich niet, maar de bewustheid dat zij zoo dicht bij haar zoon was, zonder hem te kunnen zien en te omhelzen na zulk eene lange scheiding, en na zoo vele doorgestane proeven van afwisselende hoop en teleurstelling, dompelde haar in eene sombere zwaarmoedigheid daar zij geen raad voor wist; zij gevoelde dat zij langzamerhand wegstierf en kwam eindelijk tot de verschrikkelijke overtuiging dat zij hem nooit weer zien zou, dat hij misschien dood was en dat de zendeling uit vrees van haar een doodelijken slag te zullen toebrengen haar bleef wiegen met eene ijdele hoop die zich nimmer zou verwezenlijken.De moederlijke liefde redeneert niet.Alles wat pater Seraphin haar gezegd had om haar geduld te leeren oefenen, had hare droefheid alleen in slaap gesust, om haar vervolgens tot verdubbelde vrees en met dubbele kracht te doen ontwaken.Wat zij sedert hare ontscheping in Amerika had gezien en had hooren vertellen, gaf slechts nieuw voedsel aan haar angst, door haar te doen gevoelen dat in dit wonderlijke land het menschelijk leven vaak hing aan een brozen draad. Toen dus de zendeling haar eindelijk aankondigde dat zij binnen acht dagen haar zoon zou omhelzen, was hare blijdschap zoo groot, dat zij op het punt was van te bezwijmen en dacht te zullen sterven.In ’t eerst kon zij aan dit geluk niet gelooven.Door al de ondervonden teleurstelling was zij in zulk eenen graad wantrouwend geworden, dat zij niet anders dacht of de goede priester had dit maar zoo gezegd om haar op nieuw een tijdlang tot geduld te stemmen, evenals men aan onherstelbare kranken soms dingen belooft die toch nooit waar kunnen wezen.Intusschen was pater Seraphin, ofschoon hij zeker wist dat Valentin zich op dit oogenblik in de prairie bevond, niet bekend met de juiste plaats waar hij hem zoeken moest.Dien zelfden avond in de grot terugkomende die hij tijdelijk betrokken had, zond hij vier zijner Indianen af, in vier verschillende richtingen om op kondschap uit te gaan en stelliger berichten omtrent den jager in te winnen.De moeder van Valentin was er bij tegenwoordig toen de missionaris zijne koeriers uitzond; zij hoorde de bevelen die hij hun gaf, zag hen vertrekken en begon toen de minuten te tellen tegen wanneer zij terug konden zijn; in stilte berekenende hoeveel tijd zij zouden behoeven om haar zoon te bereiken, hoeveel tijd om naar de grot terug te komen, de toevallige omstandigheden die hen op weg konden ophouden, kortom duizend onderstellingen en vermoedens waarmede gevoelige zielen zich bezig houden wanneer zij met ongeduld wachten op iets waar zij reikhalzend naar verlangen.Er verliepen twee dagen zonder dat een der boden terugkwam.De arme moeder zat op een stuk rots, met de oogen onafgewend naar de vlakte gericht, altoos te wachten, onbewegelijk en onvermoeid.Tegen den avond van den derden dag bespeurde zij op een grooten afstand eene zwarte stip, die gedurig merkbaarder werd en snel de plek scheen te naderen waar zij zat.Van lieverlede werd het donkere voorwerp grooter en duidelijker; weldra ontwaarde zij een ruiter die in vollen galop den ingang der vallei naderde.Het moederhart klopte alsof het in hare borst wilde barsten.Die ruiter was blijkbaar een der koeriers door den missionaris uitgezonden; maar welke tijding zou hij brengen?Eindelijk reed de Indiaan de vallei binnen, steeg van zijn paard en begon den berg te beklimmen.’t Was of de oude de beenen uit hare jeugd terug had bekomen, zoo snel als zij naar hem toe vloog en in weinig oogenblikken had zij de ruimte doorloopen die haar van hem scheidde.Maar nauwlijks stonden zij tegenover elkander, of er deed zich eene nieuwe zwarigheid voor.De Roodhuid sprak of verstond geen woord Fransch en zij op hare beurt kende geen syllabe Indiaansch.Moeders nochtans hebben eene taal op haar eigen hand, die men de vrijmetselarij van het hart zou kunnen noemen en die zich in ieder land verstaanbaar maakt.Toen de flinke Comanch voor haar staan bleef, de armen op de borst kruiste en haar met een gullen glimlach begroette, sprak hij slechts dit ééne woord: »Koutonepi.”De oude vrouw wist wel dat dit de naam was waarmede de Indianen gewoon waren haar zoon te noemen.Zij voelde zich op eens gerust gesteld door den glimlach van dien man en door den toon waarop hij den naam van haar zoon had uitgesproken.Den krijgsman dadelijk bij den arm nemende, trok zij hem naar de grot, waar zij wist dat pater Seraphin bezig was met zijn getijdeboek te lezen.»Wel!” vroeg deze zoodra hij haar zag, »wat is er voor nieuws?”»Die man heeft mij niets kunnen zeggen, ik versta zijne taal niet, maar het ligt mij zoo bij dat hij goede tijding brengt.”»Met uw verlof zal ik hem ondervragen.”»Doe, o doe dat; ik wil zoo spoedig mogelijk weten hoe het er mede staat.”De zendeling wendde zich nu tot den Roodhuid, die op eenigen afstand onbewegelijk was blijven staan en de korte redewisseling had aangehoord.»Mijn broeder de Spinnekopgutsthet zweet van het voorhoofd,” zeide hij, »hij zette zich naast mij neder, hij heeft een verren tocht gemaakt.”De Indiaan glimlachte ernstig en maakte voor den missionaris eene deftige buiging.»De Spinnekop is een opperhoofd in zijn stam,” begon hij met zijn gewonen schellen en welluidenden keelklank; »hij kan springen als de jaguar en kruipen als de slang; er is niets dat hem vermoeit.”»Ik weet dat mijn broeder een groot krijgsman is,” antwoordde de missionaris; »zijne wapenfeiten zijn talloos, de Apachen vluchten waar hij zich vertoont. Heeft mijn broeder de jongelingen van zijn stam ontmoet?”»De Spinnekop heeft hen ontmoet: zij jagen aan de boorden der Rio-Gila.”»Was hun hoofd, de Eenhoorn, met hen?”»De Eenhoorn was er met zijne krijgslieden.”»Goed! mijn broeder heeft de oogen van een tijgerkat, niets ontgaat hem. Heeft hij den grooten blanken jager ontmoet?”»De Spinnekop heeft met Koutonepi en verscheidene andere vrienden van den bleeken jager, rondom zijn haard vereenigd, de calumet gerookt.”»Heeft mijn broeder met Koutonepi gesproken?” hervatte de missionaris.»Ja, Koutonepi wenscht zich geluk dat de vader der gebeden is teruggekeerd, dien hij vreesde niet weder te zullen zien. Zoodra de walkon tweemaal zingt zal Koutonepi met zijne gezellen bij mijn vader komen.”»Mijn broeder is een slim en vaardig krijgsman; ik bedank hem voor de wijs waarop hij den hem toevertrouwden last heeft uitgevoerd; geen ander krijgsman had dien zoo kloek en zoo gezwind kunnen volbrengen.”Bij dit welverdiend en vleiend kompliment plooide zich een glimlach van genoegen en trots om de lippen van den Indiaan, die na een eerbiedigen kus op de hand van den missionaris terstond heenging.Vader Seraphin wendde zich toen tot Mme. Guillois, die met brandende nieuwsgierigheid den uitslag van het gesprek afwachtte en in de blikken van den priester zocht te lezen, of zij hopen dan wel vreezen moest; hij drukte haar zacht de hand en sprak op dien liefderijken toon die hem zoo bijzonder eigen was:»Uw zoon komt, weldra zult gij hem zien; hij zal nog dezen nacht hier zijn, binnen twee uren op zijn langst.”»O!” riep zij op een toon die zich niet laat beschrijven, »mijn God! gij zijt geloofd!”Zij wierp zich op de knieën, deed een lang gebed en smolt in hare tranen als weg.Pater Seraphin zag dit niet zonder ongerustheid en hield haar in het oog, gereed om haar dadelijk hulp te verleenen zoo zij in hare aandoening mocht bezwijmen.Na eenige minuten stond zij op, glimlachte door hare tranen en hernam hare plaats naast den zendeling.»Houd moed!” zeide hij, »gij hebt u zoo sterk getoond in uwe droefheid, zoudt gij zwak worden in de vreugde?”»Och!” riep zij innig aangedaan, »het is mijn zoon, mijn eenigst kind dat ik heb gekweekt en gevoed, dien ik thans zal wederzien, na tienjarige scheiding. Helaas! in geen tien jaar heb ik zijn voorhoofd mogen kussen! Mijn God! dat kan niemand begrijpen wat ik gevoel, dat is niet uit te spreken, voor eene moeder is haar kind alles.”»Laat u toch niet zoo door uwe aandoeningen wegslepen,” suste haar pater Seraphin.»En komt hij dan waarlijk?” vroeg zij dringend.»Binnen twee uren op zijn langst.”»Wat is dat nog lang, twee uren!” zuchtte zij.»O! wat zijn de menschen toch wonderlijke schepselen!” riep de zendeling. »Gij, die nu zoovele jaren hebt gewacht zonder te klagen, kunt gij twee uren te lang vinden.…”»Maar het is mijn zoon, mijn geliefd kind, dat ik wacht, hem kan ik nooit vroeg genoeg wederzien.”»Kom, blijf bedaard; ik geloof gij hebt koorts.”»O! wees niet ongerust over mij, vader; de vreugde zal mij niet dooden! Als ik mijn zoon maar wederzie word ik dadelijk gezond, daar ben ik zeker van.”»Arme moeder!” prevelde pater Seraphin onwillekeurig.»Niet waar?” riep zij. »Ach! als gij eens wist hoe verschrikkelijk het is in zoo eindelooze spanning te zijn; maar één zoon te hebben, die al ons geluk op aarde uitmaakt en dan niet te weten waar hij is, wat hij doet, hoe hij het heeft, of hij dood of levend is! Voor een moeder bestaat er geen grooter marteling dan die eeuwige onzekerheid, die onophoudelijke afwisseling van hoop en vrees, van bemoediging en teleurstelling. Dat begrijpt gij niet, gij mannen, gij kunt het niet begrijpen en dat komt omdat gij er geen zin voor hebt, en omdat wij moeders alleen onze kinderen zoo liefhebben …”Zij zweeg eenige minuten en begon op nieuw.»Mijn God! wat gaat die tijd langzaam voorbij? Zou de zon niet haast ondergaan? Van welken kant denkt gij dat mijn zoon komen zal, vader? Ik moet hem volstrekt zien aankomen. Ik ben zeker dat ik hem dadelijk herken, al heb ik hem in zoo lang niet gezien; eene moeder bedriegt zich niet; want zij ziet haar kind niet met de oogen, maar voelt het met haar hart!…”De missionaris bracht haar naar den ingang der grot, zette haar op een bemosten steen, ging naast haar zitten en zeide, haar met de hand naar het zuidwesten wijzende:»Kijk! daar, van dien kant moet hij komen.”»Ik dank u!” antwoordde zij geroerd. »O! gij bezit evenveel oplettendheid als deugd. Gij zijt zoo vroom en zoo goed, vader, God zal er u voor beloonen, ik kan u niet meer dan dankzeggen!”De missionaris glimlachte bewogen.»Ik ben gelukkig als ik u gelukkig zie,” zeide hij goedhartig.Zij staarden over de vlakte.De zon daalde snel ter kimmen: van lieverlede overstelpte de duisternis het aardrijk; de voorwerpen verdwenen het eene na het andere; weldra werd het onmogelijk om iets, zelfs op korten afstand, te onderscheiden.»Laten wij naar binnen gaan,” zei pater Seraphin, »de koele nachtlucht zou u kunnen schaden.”»Ba!” riep zij hoofdschuddend, »ik gevoel er niets van.”»Daarbij is de duisternis zoo dik, dat gij toch niets zoudt kunnen zien.”»Dat is waar,” antwoordde zij met gevoel, »maar ik zal hem toch hooren.”Hiertegen viel niets te zeggen. Pater Seraphin begreep het, hij boog het hoofd en hernam zijne plaats naast Mme. Guillois.»Vergeef het mij, vader,” zeide zij, »maar de blijdschap maakt mij dwaas!”»Gij hebt genoeg geleden, moedertje,” antwoordde de zendeling meewarig, »om heden ten minste eens onvermengde vreugde te genieten. Doe dus wat gij wilt en vrees niet mij te mishagen.”Zoo verliep er een uur zonder dat er een woord tusschen hen gewisseld werd. Zij zaten te luisteren.Inmiddels werd de nacht steeds donkerder en donkerder, en het geheimzinnige geruisch der wildernis sterker.De avondwind was opgestoken en huilde door de rotskloven met langgerekt en zwaarmoedig gefluit.Op eens vloog Mme. Guillois overeind, haar oog fonkelde, zij greep den missionaris krachtig bij den arm.»Daar is hij!” riep zij met eene heesche stem.Pater Seraphin stak het hoofd op.»Ik hoor niets,” zeide hij.»Ach neen! ik bedrieg mij niet,” riep zij op hartroerenden toon, »ik kan mij niet bedriegen, hij is het; luister, luister toch.”Pater Seraphin spitste de ooren en luisterde scherp.Werkelijk hoorde hij op verren afstand in de prairie een geluid, nauwelijks merkbaar, maar dat eenigszins geleek naar het onophoudelijk gerommel van verre donderslagen.»O!” riep zij weêr, »hij is het, hij komt; luister!”Het gedruisch werd sterker en sterker, en het leed niet lang of men kon duidelijk den galop onderscheiden van een aantal paarden die in vollen aantocht schenen te zijn.»Wel!”, riep zij op nieuw, »is het nu wel inbeelding? Neen, neen, een moederhart laat zich zoo niet misleiden.”»Gij hebt gelijk, mevrouw, binnen weinige minuten zal hij bij u zijn.”»Ja, ja!”, hijgde zij met bevende stem.Dat was al wat zij zeggen kon. Zij stikte bijna van blijdschap.»In ’s hemels naam! blijf toch bedaard,” riep de zendeling ongerust, »wees niet zoo hartstochtelijk, dat is te sterk voor u; het zou u kunnen dooden.”Zij schudde van neen met een onbeschrijfelijk gevoel van onbezorgde moedervreugd.»O! al was dat zoo,” riep zij, »laat mij begaan, want ik ben zoo gelukkig, o zoo onuitsprekelijk gelukkig op dit oogenblik.”De ruiters reden de vallei in en de galop der paarden weergalmde tusschen de rotswanden.»Afstijgen, mijne heeren!” riep eene krachtige stem, »afstijgen, wij zijn er.”»Dat is hij! dat is hij!” riep zij, »dat heeft hij gezegd, ik herken zijne stem!”En meteen wilde zij voorwaarts ijlen, maar de zendeling ving haar op in zijne armen en hield haar terug.»Wat woudt gij doen?” riep hij, »wilt gij een ongeluk krijgen?”»Vergeving, vader, vergeving; toen ik hem hoorde spreken werd het mij zoo wee om het hart, ik weet niet wat er in mij omging, maar ik was mij zelve niet meester en wou hem te gemoet vliegen.”»Heb nu toch een beetje geduld; ziedaar, hij klimt reeds naar boven; binnen drie minuten is hij zeker in uwe armen.”Zij deinsde ijlings terug.»Neen,” riep zij, »neen, zoo moet het niet, het wederzien zou te schielijk zijn, laat ik mijn geluk liever van stukje tot beetje genieten, ik wil eens zien of hij mij ook raden zal gelijk ik hem geraden heb!”Zij liep zoo snel zij maar kon naar de grot terug en trok pater Seraphin met zich mede.»Dat denkbeeld heeft God u ingegeven,” zeide hij; »ja gewis het wederzien zou te schielijk zijn, ge zoudt het beiden kunnen besterven.”»Niet waar?” riep zij vroolijk, »niet waar, vader, heb ik geen gelijk? O! gij zult zien, gij zult zien, verberg mij in een hoekje daar ik alles zien en alles hooren kan, zonder gezien te worden; haast u, haast u toch; daar is hij.”In de grot, zooals wij vroeger reeds gezegd hebben, waren een aantal vertrekken of afdeelingen, die allen met elkaâr in verband stonden, en vader Seraphin verborg Mme. Guillois in een der vertrekken welker wanden, op de wonderlijkste wijs door druipsteen gevormd, haar ruimschoots gelegenheid gaven om alles te bespieden en af te luisteren wat er in het naaste vertrek voorviel, zonder dat zij gevaar liep zelve gezien te worden.Nadat de ruiters hunne paarden gekluisterd hadden klommen zij den berg op. Onder het opstijgen kon men hen duidelijk hooren praten, en vingen de grotbewoners gretig woord voor woord op, dat er tusschen hen gesproken werd.»Die goede pater Seraphin,” hoorde men Valentin zeggen, »ik weet niet of het u gaat als mij, caballeros, maar ik zal gelukkig zijn als ik hem wederzie; ik vreesde zeer dat hij ons voor altijd verlaten had.”»Het is voor mij althans een groote troost in mijn verdriet,” antwoordde don Miguel, »nu ik weet dat hij zoo dicht bij ons is; die man is een ware apostel.”»Wat scheelt u toch, Valentin?” riep op eens generaal Ibanez, »waarom blijft gij staan?”»Ik weet het niet,” antwoordde deze met eene wankelmoedige stem, »ik ben zoo wonderlijk te moede dat ik het niet zeggen kan. Dezen morgen, toen de Spinnekop mij kwam vertellen dat de pater weêr terug was, gevoelde ik in mijn binnenste eene onuitsprekelijke gewaarwording; en nu krijg ik hetzelfde weêr; waarom, zou ik niet kunnen zeggen.”»Vriend, het is van blijdschap dat gij pater Seraphin zult wederzien,” zei Ibanez, »dat woelt u door het hart, anders niet.”De jager schudde het hoofd.»Neen,” zeide hij, »dat is het niet, er moet iets anders zijn; wat ik gevoel is gansch ongewoon, mijn hart is beklemd, ik meen te stikken. Goede God! wat overkomt mij.”Zijne vrienden drongen zich ongerust om hem heen.»Laat mij toch voortgaan,” zeide hij vastberaden, »als ik kwaad nieuws moet hooren, is het maar beter dat ik het hoe eer hoe liever weet.”En ondanks de vermaningen zijner vrienden, die alles behalve gerust waren, begon hij weder te klimmen, maar nu zooveel te sneller.Weldra was hij op het terras voor de grot; daar bleef hij een oogenblik staan om adem te scheppen.»Komaan!” zeide hij.En hij trad stoutmoedig in de grot, onmiddellijk door zijne vrienden gevolgd.Nauwelijks had hij zijn voet op den drempel der spelonk, of hij hoorde zich bij zijn naam roepen.Op het geluid dier stem beefde de jager, hij verbleekte, het koude zweet droppelde langs zijn gezicht.»O,” murmelde hij, »wie roept mij daar zoo?”»Valentin! Valentin!” klonk de stem op nieuw, maar zachter en vleiender dan te voren.De jager aarzelde, boog voorover, zijn aangezicht helderde op en bekwam eene uitdrukking van onbeschrijfelijk geluk.»Nog eens!… nog eens!” prevelde hij nauwelijks hoorbaar, met de hand op het hart om het kloppen te stillen.»Valentin!” riep de stem nog eens.Ditmaal deed de Franschman een sprong voorwaarts als een leeuw en slaakte een vreeselijken kreet.»Mijne moeder!” riep hij met eene klaterende stem; »moeder, hier ben ik!”»Ach! ik wist wel dat hij mij herkennen zou,” gilde zij en stortte zich in zijne armen.De jager sloot haar met koortsachtige drift aan zijne borst.De arme oude vrouw wist niet hoe zij hem kussen of troetelen zou, zij lachte en schreide tegelijk en was half gek van blijdschap en schrik, dat zij hem in zulk een toestand wederzag.Zij had er bijna berouw van dat zij zich aan deze proef had blootgesteld.Hij kuste haar gerimpeld gelaat, haar grijze haren en was niet in staat een woord uit te brengen.Eindelijk klonk er een geluid in zijne borst, hij haalde met kracht adem, een snik barstte hem uit de keel, hij smolt in tranen weg en riep op een toon van onbeschrijfelijke teederheid:»Moeder! moeder! o mijne moeder!”Deze woorden waren al wat hij zeggen kon.Ook Valentin lachte en weende tegelijk, hij ging op een stuk rots zitten, met zijne moeder op de eene knie, omhelsde haar met uitzinnige vreugd, kon zich niet verzadigen haar aan te zien, hare bleeke wangen en witte haren te kussen, en hare verflauwde oogen, die zoo lang om hem geschreid hadden.De toekijkers bij dit tooneel, bewogen door deze echte en eenvoudige liefdebetooning, konden zich niet bedwingen en weenden in stilte met moeder en zoon.Curumilla, die in een hoek der grot op de hurken zat, staarde den jager onbeweeglijk aan terwijl er twee tranen langs zijne olijfbruine wangen biggelden.Toen de eerste aandoening een weinig bedaard was, deed pater Seraphin, die zich tot dusver, om den stillen afloop dezer teedere ontmoeting niet te storen, op een eerbiedigen afstand had gehouden, eenige stappen vooruit en plaatste zich tusschen de aanwezigen.»Mijne kinderen,” zeide hij op een zacht gebiedenden toon, terwijl hij een eenvoudig kruisbeeld ophief, dat hij in de rechterhand hield, »laten wij den Heer danken voor zijne oneindige barmhartigheid.”Allen knielden neder en aanbaden.

XVII.MOEDER EN ZOON.

Zoodra Pater Seraphin den Roode-Ceder en Ellen in de jacal gevestigd en zich verzekerd had dat het nieuwe bestaan hun door hem bezorgd, hun zoo al niet behaagde ten minste dragelijk scheen, was hij er op bedacht om zijne belofte aan de moeder van Valentin te vervullen.Ondanks al haar moed en geduld gevoelde de goede vrouw hare krachten van dag tot dag minder worden; zij zeide wel niets en beklaagde zich niet, maar de bewustheid dat zij zoo dicht bij haar zoon was, zonder hem te kunnen zien en te omhelzen na zulk eene lange scheiding, en na zoo vele doorgestane proeven van afwisselende hoop en teleurstelling, dompelde haar in eene sombere zwaarmoedigheid daar zij geen raad voor wist; zij gevoelde dat zij langzamerhand wegstierf en kwam eindelijk tot de verschrikkelijke overtuiging dat zij hem nooit weer zien zou, dat hij misschien dood was en dat de zendeling uit vrees van haar een doodelijken slag te zullen toebrengen haar bleef wiegen met eene ijdele hoop die zich nimmer zou verwezenlijken.De moederlijke liefde redeneert niet.Alles wat pater Seraphin haar gezegd had om haar geduld te leeren oefenen, had hare droefheid alleen in slaap gesust, om haar vervolgens tot verdubbelde vrees en met dubbele kracht te doen ontwaken.Wat zij sedert hare ontscheping in Amerika had gezien en had hooren vertellen, gaf slechts nieuw voedsel aan haar angst, door haar te doen gevoelen dat in dit wonderlijke land het menschelijk leven vaak hing aan een brozen draad. Toen dus de zendeling haar eindelijk aankondigde dat zij binnen acht dagen haar zoon zou omhelzen, was hare blijdschap zoo groot, dat zij op het punt was van te bezwijmen en dacht te zullen sterven.In ’t eerst kon zij aan dit geluk niet gelooven.Door al de ondervonden teleurstelling was zij in zulk eenen graad wantrouwend geworden, dat zij niet anders dacht of de goede priester had dit maar zoo gezegd om haar op nieuw een tijdlang tot geduld te stemmen, evenals men aan onherstelbare kranken soms dingen belooft die toch nooit waar kunnen wezen.Intusschen was pater Seraphin, ofschoon hij zeker wist dat Valentin zich op dit oogenblik in de prairie bevond, niet bekend met de juiste plaats waar hij hem zoeken moest.Dien zelfden avond in de grot terugkomende die hij tijdelijk betrokken had, zond hij vier zijner Indianen af, in vier verschillende richtingen om op kondschap uit te gaan en stelliger berichten omtrent den jager in te winnen.De moeder van Valentin was er bij tegenwoordig toen de missionaris zijne koeriers uitzond; zij hoorde de bevelen die hij hun gaf, zag hen vertrekken en begon toen de minuten te tellen tegen wanneer zij terug konden zijn; in stilte berekenende hoeveel tijd zij zouden behoeven om haar zoon te bereiken, hoeveel tijd om naar de grot terug te komen, de toevallige omstandigheden die hen op weg konden ophouden, kortom duizend onderstellingen en vermoedens waarmede gevoelige zielen zich bezig houden wanneer zij met ongeduld wachten op iets waar zij reikhalzend naar verlangen.Er verliepen twee dagen zonder dat een der boden terugkwam.De arme moeder zat op een stuk rots, met de oogen onafgewend naar de vlakte gericht, altoos te wachten, onbewegelijk en onvermoeid.Tegen den avond van den derden dag bespeurde zij op een grooten afstand eene zwarte stip, die gedurig merkbaarder werd en snel de plek scheen te naderen waar zij zat.Van lieverlede werd het donkere voorwerp grooter en duidelijker; weldra ontwaarde zij een ruiter die in vollen galop den ingang der vallei naderde.Het moederhart klopte alsof het in hare borst wilde barsten.Die ruiter was blijkbaar een der koeriers door den missionaris uitgezonden; maar welke tijding zou hij brengen?Eindelijk reed de Indiaan de vallei binnen, steeg van zijn paard en begon den berg te beklimmen.’t Was of de oude de beenen uit hare jeugd terug had bekomen, zoo snel als zij naar hem toe vloog en in weinig oogenblikken had zij de ruimte doorloopen die haar van hem scheidde.Maar nauwlijks stonden zij tegenover elkander, of er deed zich eene nieuwe zwarigheid voor.De Roodhuid sprak of verstond geen woord Fransch en zij op hare beurt kende geen syllabe Indiaansch.Moeders nochtans hebben eene taal op haar eigen hand, die men de vrijmetselarij van het hart zou kunnen noemen en die zich in ieder land verstaanbaar maakt.Toen de flinke Comanch voor haar staan bleef, de armen op de borst kruiste en haar met een gullen glimlach begroette, sprak hij slechts dit ééne woord: »Koutonepi.”De oude vrouw wist wel dat dit de naam was waarmede de Indianen gewoon waren haar zoon te noemen.Zij voelde zich op eens gerust gesteld door den glimlach van dien man en door den toon waarop hij den naam van haar zoon had uitgesproken.Den krijgsman dadelijk bij den arm nemende, trok zij hem naar de grot, waar zij wist dat pater Seraphin bezig was met zijn getijdeboek te lezen.»Wel!” vroeg deze zoodra hij haar zag, »wat is er voor nieuws?”»Die man heeft mij niets kunnen zeggen, ik versta zijne taal niet, maar het ligt mij zoo bij dat hij goede tijding brengt.”»Met uw verlof zal ik hem ondervragen.”»Doe, o doe dat; ik wil zoo spoedig mogelijk weten hoe het er mede staat.”De zendeling wendde zich nu tot den Roodhuid, die op eenigen afstand onbewegelijk was blijven staan en de korte redewisseling had aangehoord.»Mijn broeder de Spinnekopgutsthet zweet van het voorhoofd,” zeide hij, »hij zette zich naast mij neder, hij heeft een verren tocht gemaakt.”De Indiaan glimlachte ernstig en maakte voor den missionaris eene deftige buiging.»De Spinnekop is een opperhoofd in zijn stam,” begon hij met zijn gewonen schellen en welluidenden keelklank; »hij kan springen als de jaguar en kruipen als de slang; er is niets dat hem vermoeit.”»Ik weet dat mijn broeder een groot krijgsman is,” antwoordde de missionaris; »zijne wapenfeiten zijn talloos, de Apachen vluchten waar hij zich vertoont. Heeft mijn broeder de jongelingen van zijn stam ontmoet?”»De Spinnekop heeft hen ontmoet: zij jagen aan de boorden der Rio-Gila.”»Was hun hoofd, de Eenhoorn, met hen?”»De Eenhoorn was er met zijne krijgslieden.”»Goed! mijn broeder heeft de oogen van een tijgerkat, niets ontgaat hem. Heeft hij den grooten blanken jager ontmoet?”»De Spinnekop heeft met Koutonepi en verscheidene andere vrienden van den bleeken jager, rondom zijn haard vereenigd, de calumet gerookt.”»Heeft mijn broeder met Koutonepi gesproken?” hervatte de missionaris.»Ja, Koutonepi wenscht zich geluk dat de vader der gebeden is teruggekeerd, dien hij vreesde niet weder te zullen zien. Zoodra de walkon tweemaal zingt zal Koutonepi met zijne gezellen bij mijn vader komen.”»Mijn broeder is een slim en vaardig krijgsman; ik bedank hem voor de wijs waarop hij den hem toevertrouwden last heeft uitgevoerd; geen ander krijgsman had dien zoo kloek en zoo gezwind kunnen volbrengen.”Bij dit welverdiend en vleiend kompliment plooide zich een glimlach van genoegen en trots om de lippen van den Indiaan, die na een eerbiedigen kus op de hand van den missionaris terstond heenging.Vader Seraphin wendde zich toen tot Mme. Guillois, die met brandende nieuwsgierigheid den uitslag van het gesprek afwachtte en in de blikken van den priester zocht te lezen, of zij hopen dan wel vreezen moest; hij drukte haar zacht de hand en sprak op dien liefderijken toon die hem zoo bijzonder eigen was:»Uw zoon komt, weldra zult gij hem zien; hij zal nog dezen nacht hier zijn, binnen twee uren op zijn langst.”»O!” riep zij op een toon die zich niet laat beschrijven, »mijn God! gij zijt geloofd!”Zij wierp zich op de knieën, deed een lang gebed en smolt in hare tranen als weg.Pater Seraphin zag dit niet zonder ongerustheid en hield haar in het oog, gereed om haar dadelijk hulp te verleenen zoo zij in hare aandoening mocht bezwijmen.Na eenige minuten stond zij op, glimlachte door hare tranen en hernam hare plaats naast den zendeling.»Houd moed!” zeide hij, »gij hebt u zoo sterk getoond in uwe droefheid, zoudt gij zwak worden in de vreugde?”»Och!” riep zij innig aangedaan, »het is mijn zoon, mijn eenigst kind dat ik heb gekweekt en gevoed, dien ik thans zal wederzien, na tienjarige scheiding. Helaas! in geen tien jaar heb ik zijn voorhoofd mogen kussen! Mijn God! dat kan niemand begrijpen wat ik gevoel, dat is niet uit te spreken, voor eene moeder is haar kind alles.”»Laat u toch niet zoo door uwe aandoeningen wegslepen,” suste haar pater Seraphin.»En komt hij dan waarlijk?” vroeg zij dringend.»Binnen twee uren op zijn langst.”»Wat is dat nog lang, twee uren!” zuchtte zij.»O! wat zijn de menschen toch wonderlijke schepselen!” riep de zendeling. »Gij, die nu zoovele jaren hebt gewacht zonder te klagen, kunt gij twee uren te lang vinden.…”»Maar het is mijn zoon, mijn geliefd kind, dat ik wacht, hem kan ik nooit vroeg genoeg wederzien.”»Kom, blijf bedaard; ik geloof gij hebt koorts.”»O! wees niet ongerust over mij, vader; de vreugde zal mij niet dooden! Als ik mijn zoon maar wederzie word ik dadelijk gezond, daar ben ik zeker van.”»Arme moeder!” prevelde pater Seraphin onwillekeurig.»Niet waar?” riep zij. »Ach! als gij eens wist hoe verschrikkelijk het is in zoo eindelooze spanning te zijn; maar één zoon te hebben, die al ons geluk op aarde uitmaakt en dan niet te weten waar hij is, wat hij doet, hoe hij het heeft, of hij dood of levend is! Voor een moeder bestaat er geen grooter marteling dan die eeuwige onzekerheid, die onophoudelijke afwisseling van hoop en vrees, van bemoediging en teleurstelling. Dat begrijpt gij niet, gij mannen, gij kunt het niet begrijpen en dat komt omdat gij er geen zin voor hebt, en omdat wij moeders alleen onze kinderen zoo liefhebben …”Zij zweeg eenige minuten en begon op nieuw.»Mijn God! wat gaat die tijd langzaam voorbij? Zou de zon niet haast ondergaan? Van welken kant denkt gij dat mijn zoon komen zal, vader? Ik moet hem volstrekt zien aankomen. Ik ben zeker dat ik hem dadelijk herken, al heb ik hem in zoo lang niet gezien; eene moeder bedriegt zich niet; want zij ziet haar kind niet met de oogen, maar voelt het met haar hart!…”De missionaris bracht haar naar den ingang der grot, zette haar op een bemosten steen, ging naast haar zitten en zeide, haar met de hand naar het zuidwesten wijzende:»Kijk! daar, van dien kant moet hij komen.”»Ik dank u!” antwoordde zij geroerd. »O! gij bezit evenveel oplettendheid als deugd. Gij zijt zoo vroom en zoo goed, vader, God zal er u voor beloonen, ik kan u niet meer dan dankzeggen!”De missionaris glimlachte bewogen.»Ik ben gelukkig als ik u gelukkig zie,” zeide hij goedhartig.Zij staarden over de vlakte.De zon daalde snel ter kimmen: van lieverlede overstelpte de duisternis het aardrijk; de voorwerpen verdwenen het eene na het andere; weldra werd het onmogelijk om iets, zelfs op korten afstand, te onderscheiden.»Laten wij naar binnen gaan,” zei pater Seraphin, »de koele nachtlucht zou u kunnen schaden.”»Ba!” riep zij hoofdschuddend, »ik gevoel er niets van.”»Daarbij is de duisternis zoo dik, dat gij toch niets zoudt kunnen zien.”»Dat is waar,” antwoordde zij met gevoel, »maar ik zal hem toch hooren.”Hiertegen viel niets te zeggen. Pater Seraphin begreep het, hij boog het hoofd en hernam zijne plaats naast Mme. Guillois.»Vergeef het mij, vader,” zeide zij, »maar de blijdschap maakt mij dwaas!”»Gij hebt genoeg geleden, moedertje,” antwoordde de zendeling meewarig, »om heden ten minste eens onvermengde vreugde te genieten. Doe dus wat gij wilt en vrees niet mij te mishagen.”Zoo verliep er een uur zonder dat er een woord tusschen hen gewisseld werd. Zij zaten te luisteren.Inmiddels werd de nacht steeds donkerder en donkerder, en het geheimzinnige geruisch der wildernis sterker.De avondwind was opgestoken en huilde door de rotskloven met langgerekt en zwaarmoedig gefluit.Op eens vloog Mme. Guillois overeind, haar oog fonkelde, zij greep den missionaris krachtig bij den arm.»Daar is hij!” riep zij met eene heesche stem.Pater Seraphin stak het hoofd op.»Ik hoor niets,” zeide hij.»Ach neen! ik bedrieg mij niet,” riep zij op hartroerenden toon, »ik kan mij niet bedriegen, hij is het; luister, luister toch.”Pater Seraphin spitste de ooren en luisterde scherp.Werkelijk hoorde hij op verren afstand in de prairie een geluid, nauwelijks merkbaar, maar dat eenigszins geleek naar het onophoudelijk gerommel van verre donderslagen.»O!” riep zij weêr, »hij is het, hij komt; luister!”Het gedruisch werd sterker en sterker, en het leed niet lang of men kon duidelijk den galop onderscheiden van een aantal paarden die in vollen aantocht schenen te zijn.»Wel!”, riep zij op nieuw, »is het nu wel inbeelding? Neen, neen, een moederhart laat zich zoo niet misleiden.”»Gij hebt gelijk, mevrouw, binnen weinige minuten zal hij bij u zijn.”»Ja, ja!”, hijgde zij met bevende stem.Dat was al wat zij zeggen kon. Zij stikte bijna van blijdschap.»In ’s hemels naam! blijf toch bedaard,” riep de zendeling ongerust, »wees niet zoo hartstochtelijk, dat is te sterk voor u; het zou u kunnen dooden.”Zij schudde van neen met een onbeschrijfelijk gevoel van onbezorgde moedervreugd.»O! al was dat zoo,” riep zij, »laat mij begaan, want ik ben zoo gelukkig, o zoo onuitsprekelijk gelukkig op dit oogenblik.”De ruiters reden de vallei in en de galop der paarden weergalmde tusschen de rotswanden.»Afstijgen, mijne heeren!” riep eene krachtige stem, »afstijgen, wij zijn er.”»Dat is hij! dat is hij!” riep zij, »dat heeft hij gezegd, ik herken zijne stem!”En meteen wilde zij voorwaarts ijlen, maar de zendeling ving haar op in zijne armen en hield haar terug.»Wat woudt gij doen?” riep hij, »wilt gij een ongeluk krijgen?”»Vergeving, vader, vergeving; toen ik hem hoorde spreken werd het mij zoo wee om het hart, ik weet niet wat er in mij omging, maar ik was mij zelve niet meester en wou hem te gemoet vliegen.”»Heb nu toch een beetje geduld; ziedaar, hij klimt reeds naar boven; binnen drie minuten is hij zeker in uwe armen.”Zij deinsde ijlings terug.»Neen,” riep zij, »neen, zoo moet het niet, het wederzien zou te schielijk zijn, laat ik mijn geluk liever van stukje tot beetje genieten, ik wil eens zien of hij mij ook raden zal gelijk ik hem geraden heb!”Zij liep zoo snel zij maar kon naar de grot terug en trok pater Seraphin met zich mede.»Dat denkbeeld heeft God u ingegeven,” zeide hij; »ja gewis het wederzien zou te schielijk zijn, ge zoudt het beiden kunnen besterven.”»Niet waar?” riep zij vroolijk, »niet waar, vader, heb ik geen gelijk? O! gij zult zien, gij zult zien, verberg mij in een hoekje daar ik alles zien en alles hooren kan, zonder gezien te worden; haast u, haast u toch; daar is hij.”In de grot, zooals wij vroeger reeds gezegd hebben, waren een aantal vertrekken of afdeelingen, die allen met elkaâr in verband stonden, en vader Seraphin verborg Mme. Guillois in een der vertrekken welker wanden, op de wonderlijkste wijs door druipsteen gevormd, haar ruimschoots gelegenheid gaven om alles te bespieden en af te luisteren wat er in het naaste vertrek voorviel, zonder dat zij gevaar liep zelve gezien te worden.Nadat de ruiters hunne paarden gekluisterd hadden klommen zij den berg op. Onder het opstijgen kon men hen duidelijk hooren praten, en vingen de grotbewoners gretig woord voor woord op, dat er tusschen hen gesproken werd.»Die goede pater Seraphin,” hoorde men Valentin zeggen, »ik weet niet of het u gaat als mij, caballeros, maar ik zal gelukkig zijn als ik hem wederzie; ik vreesde zeer dat hij ons voor altijd verlaten had.”»Het is voor mij althans een groote troost in mijn verdriet,” antwoordde don Miguel, »nu ik weet dat hij zoo dicht bij ons is; die man is een ware apostel.”»Wat scheelt u toch, Valentin?” riep op eens generaal Ibanez, »waarom blijft gij staan?”»Ik weet het niet,” antwoordde deze met eene wankelmoedige stem, »ik ben zoo wonderlijk te moede dat ik het niet zeggen kan. Dezen morgen, toen de Spinnekop mij kwam vertellen dat de pater weêr terug was, gevoelde ik in mijn binnenste eene onuitsprekelijke gewaarwording; en nu krijg ik hetzelfde weêr; waarom, zou ik niet kunnen zeggen.”»Vriend, het is van blijdschap dat gij pater Seraphin zult wederzien,” zei Ibanez, »dat woelt u door het hart, anders niet.”De jager schudde het hoofd.»Neen,” zeide hij, »dat is het niet, er moet iets anders zijn; wat ik gevoel is gansch ongewoon, mijn hart is beklemd, ik meen te stikken. Goede God! wat overkomt mij.”Zijne vrienden drongen zich ongerust om hem heen.»Laat mij toch voortgaan,” zeide hij vastberaden, »als ik kwaad nieuws moet hooren, is het maar beter dat ik het hoe eer hoe liever weet.”En ondanks de vermaningen zijner vrienden, die alles behalve gerust waren, begon hij weder te klimmen, maar nu zooveel te sneller.Weldra was hij op het terras voor de grot; daar bleef hij een oogenblik staan om adem te scheppen.»Komaan!” zeide hij.En hij trad stoutmoedig in de grot, onmiddellijk door zijne vrienden gevolgd.Nauwelijks had hij zijn voet op den drempel der spelonk, of hij hoorde zich bij zijn naam roepen.Op het geluid dier stem beefde de jager, hij verbleekte, het koude zweet droppelde langs zijn gezicht.»O,” murmelde hij, »wie roept mij daar zoo?”»Valentin! Valentin!” klonk de stem op nieuw, maar zachter en vleiender dan te voren.De jager aarzelde, boog voorover, zijn aangezicht helderde op en bekwam eene uitdrukking van onbeschrijfelijk geluk.»Nog eens!… nog eens!” prevelde hij nauwelijks hoorbaar, met de hand op het hart om het kloppen te stillen.»Valentin!” riep de stem nog eens.Ditmaal deed de Franschman een sprong voorwaarts als een leeuw en slaakte een vreeselijken kreet.»Mijne moeder!” riep hij met eene klaterende stem; »moeder, hier ben ik!”»Ach! ik wist wel dat hij mij herkennen zou,” gilde zij en stortte zich in zijne armen.De jager sloot haar met koortsachtige drift aan zijne borst.De arme oude vrouw wist niet hoe zij hem kussen of troetelen zou, zij lachte en schreide tegelijk en was half gek van blijdschap en schrik, dat zij hem in zulk een toestand wederzag.Zij had er bijna berouw van dat zij zich aan deze proef had blootgesteld.Hij kuste haar gerimpeld gelaat, haar grijze haren en was niet in staat een woord uit te brengen.Eindelijk klonk er een geluid in zijne borst, hij haalde met kracht adem, een snik barstte hem uit de keel, hij smolt in tranen weg en riep op een toon van onbeschrijfelijke teederheid:»Moeder! moeder! o mijne moeder!”Deze woorden waren al wat hij zeggen kon.Ook Valentin lachte en weende tegelijk, hij ging op een stuk rots zitten, met zijne moeder op de eene knie, omhelsde haar met uitzinnige vreugd, kon zich niet verzadigen haar aan te zien, hare bleeke wangen en witte haren te kussen, en hare verflauwde oogen, die zoo lang om hem geschreid hadden.De toekijkers bij dit tooneel, bewogen door deze echte en eenvoudige liefdebetooning, konden zich niet bedwingen en weenden in stilte met moeder en zoon.Curumilla, die in een hoek der grot op de hurken zat, staarde den jager onbeweeglijk aan terwijl er twee tranen langs zijne olijfbruine wangen biggelden.Toen de eerste aandoening een weinig bedaard was, deed pater Seraphin, die zich tot dusver, om den stillen afloop dezer teedere ontmoeting niet te storen, op een eerbiedigen afstand had gehouden, eenige stappen vooruit en plaatste zich tusschen de aanwezigen.»Mijne kinderen,” zeide hij op een zacht gebiedenden toon, terwijl hij een eenvoudig kruisbeeld ophief, dat hij in de rechterhand hield, »laten wij den Heer danken voor zijne oneindige barmhartigheid.”Allen knielden neder en aanbaden.

Zoodra Pater Seraphin den Roode-Ceder en Ellen in de jacal gevestigd en zich verzekerd had dat het nieuwe bestaan hun door hem bezorgd, hun zoo al niet behaagde ten minste dragelijk scheen, was hij er op bedacht om zijne belofte aan de moeder van Valentin te vervullen.

Ondanks al haar moed en geduld gevoelde de goede vrouw hare krachten van dag tot dag minder worden; zij zeide wel niets en beklaagde zich niet, maar de bewustheid dat zij zoo dicht bij haar zoon was, zonder hem te kunnen zien en te omhelzen na zulk eene lange scheiding, en na zoo vele doorgestane proeven van afwisselende hoop en teleurstelling, dompelde haar in eene sombere zwaarmoedigheid daar zij geen raad voor wist; zij gevoelde dat zij langzamerhand wegstierf en kwam eindelijk tot de verschrikkelijke overtuiging dat zij hem nooit weer zien zou, dat hij misschien dood was en dat de zendeling uit vrees van haar een doodelijken slag te zullen toebrengen haar bleef wiegen met eene ijdele hoop die zich nimmer zou verwezenlijken.

De moederlijke liefde redeneert niet.

Alles wat pater Seraphin haar gezegd had om haar geduld te leeren oefenen, had hare droefheid alleen in slaap gesust, om haar vervolgens tot verdubbelde vrees en met dubbele kracht te doen ontwaken.

Wat zij sedert hare ontscheping in Amerika had gezien en had hooren vertellen, gaf slechts nieuw voedsel aan haar angst, door haar te doen gevoelen dat in dit wonderlijke land het menschelijk leven vaak hing aan een brozen draad. Toen dus de zendeling haar eindelijk aankondigde dat zij binnen acht dagen haar zoon zou omhelzen, was hare blijdschap zoo groot, dat zij op het punt was van te bezwijmen en dacht te zullen sterven.

In ’t eerst kon zij aan dit geluk niet gelooven.

Door al de ondervonden teleurstelling was zij in zulk eenen graad wantrouwend geworden, dat zij niet anders dacht of de goede priester had dit maar zoo gezegd om haar op nieuw een tijdlang tot geduld te stemmen, evenals men aan onherstelbare kranken soms dingen belooft die toch nooit waar kunnen wezen.

Intusschen was pater Seraphin, ofschoon hij zeker wist dat Valentin zich op dit oogenblik in de prairie bevond, niet bekend met de juiste plaats waar hij hem zoeken moest.

Dien zelfden avond in de grot terugkomende die hij tijdelijk betrokken had, zond hij vier zijner Indianen af, in vier verschillende richtingen om op kondschap uit te gaan en stelliger berichten omtrent den jager in te winnen.

De moeder van Valentin was er bij tegenwoordig toen de missionaris zijne koeriers uitzond; zij hoorde de bevelen die hij hun gaf, zag hen vertrekken en begon toen de minuten te tellen tegen wanneer zij terug konden zijn; in stilte berekenende hoeveel tijd zij zouden behoeven om haar zoon te bereiken, hoeveel tijd om naar de grot terug te komen, de toevallige omstandigheden die hen op weg konden ophouden, kortom duizend onderstellingen en vermoedens waarmede gevoelige zielen zich bezig houden wanneer zij met ongeduld wachten op iets waar zij reikhalzend naar verlangen.

Er verliepen twee dagen zonder dat een der boden terugkwam.

De arme moeder zat op een stuk rots, met de oogen onafgewend naar de vlakte gericht, altoos te wachten, onbewegelijk en onvermoeid.

Tegen den avond van den derden dag bespeurde zij op een grooten afstand eene zwarte stip, die gedurig merkbaarder werd en snel de plek scheen te naderen waar zij zat.

Van lieverlede werd het donkere voorwerp grooter en duidelijker; weldra ontwaarde zij een ruiter die in vollen galop den ingang der vallei naderde.

Het moederhart klopte alsof het in hare borst wilde barsten.

Die ruiter was blijkbaar een der koeriers door den missionaris uitgezonden; maar welke tijding zou hij brengen?

Eindelijk reed de Indiaan de vallei binnen, steeg van zijn paard en begon den berg te beklimmen.

’t Was of de oude de beenen uit hare jeugd terug had bekomen, zoo snel als zij naar hem toe vloog en in weinig oogenblikken had zij de ruimte doorloopen die haar van hem scheidde.

Maar nauwlijks stonden zij tegenover elkander, of er deed zich eene nieuwe zwarigheid voor.

De Roodhuid sprak of verstond geen woord Fransch en zij op hare beurt kende geen syllabe Indiaansch.

Moeders nochtans hebben eene taal op haar eigen hand, die men de vrijmetselarij van het hart zou kunnen noemen en die zich in ieder land verstaanbaar maakt.

Toen de flinke Comanch voor haar staan bleef, de armen op de borst kruiste en haar met een gullen glimlach begroette, sprak hij slechts dit ééne woord: »Koutonepi.”

De oude vrouw wist wel dat dit de naam was waarmede de Indianen gewoon waren haar zoon te noemen.

Zij voelde zich op eens gerust gesteld door den glimlach van dien man en door den toon waarop hij den naam van haar zoon had uitgesproken.

Den krijgsman dadelijk bij den arm nemende, trok zij hem naar de grot, waar zij wist dat pater Seraphin bezig was met zijn getijdeboek te lezen.

»Wel!” vroeg deze zoodra hij haar zag, »wat is er voor nieuws?”

»Die man heeft mij niets kunnen zeggen, ik versta zijne taal niet, maar het ligt mij zoo bij dat hij goede tijding brengt.”

»Met uw verlof zal ik hem ondervragen.”

»Doe, o doe dat; ik wil zoo spoedig mogelijk weten hoe het er mede staat.”

De zendeling wendde zich nu tot den Roodhuid, die op eenigen afstand onbewegelijk was blijven staan en de korte redewisseling had aangehoord.

»Mijn broeder de Spinnekopgutsthet zweet van het voorhoofd,” zeide hij, »hij zette zich naast mij neder, hij heeft een verren tocht gemaakt.”

De Indiaan glimlachte ernstig en maakte voor den missionaris eene deftige buiging.

»De Spinnekop is een opperhoofd in zijn stam,” begon hij met zijn gewonen schellen en welluidenden keelklank; »hij kan springen als de jaguar en kruipen als de slang; er is niets dat hem vermoeit.”

»Ik weet dat mijn broeder een groot krijgsman is,” antwoordde de missionaris; »zijne wapenfeiten zijn talloos, de Apachen vluchten waar hij zich vertoont. Heeft mijn broeder de jongelingen van zijn stam ontmoet?”

»De Spinnekop heeft hen ontmoet: zij jagen aan de boorden der Rio-Gila.”

»Was hun hoofd, de Eenhoorn, met hen?”

»De Eenhoorn was er met zijne krijgslieden.”

»Goed! mijn broeder heeft de oogen van een tijgerkat, niets ontgaat hem. Heeft hij den grooten blanken jager ontmoet?”

»De Spinnekop heeft met Koutonepi en verscheidene andere vrienden van den bleeken jager, rondom zijn haard vereenigd, de calumet gerookt.”

»Heeft mijn broeder met Koutonepi gesproken?” hervatte de missionaris.

»Ja, Koutonepi wenscht zich geluk dat de vader der gebeden is teruggekeerd, dien hij vreesde niet weder te zullen zien. Zoodra de walkon tweemaal zingt zal Koutonepi met zijne gezellen bij mijn vader komen.”

»Mijn broeder is een slim en vaardig krijgsman; ik bedank hem voor de wijs waarop hij den hem toevertrouwden last heeft uitgevoerd; geen ander krijgsman had dien zoo kloek en zoo gezwind kunnen volbrengen.”

Bij dit welverdiend en vleiend kompliment plooide zich een glimlach van genoegen en trots om de lippen van den Indiaan, die na een eerbiedigen kus op de hand van den missionaris terstond heenging.

Vader Seraphin wendde zich toen tot Mme. Guillois, die met brandende nieuwsgierigheid den uitslag van het gesprek afwachtte en in de blikken van den priester zocht te lezen, of zij hopen dan wel vreezen moest; hij drukte haar zacht de hand en sprak op dien liefderijken toon die hem zoo bijzonder eigen was:

»Uw zoon komt, weldra zult gij hem zien; hij zal nog dezen nacht hier zijn, binnen twee uren op zijn langst.”

»O!” riep zij op een toon die zich niet laat beschrijven, »mijn God! gij zijt geloofd!”

Zij wierp zich op de knieën, deed een lang gebed en smolt in hare tranen als weg.

Pater Seraphin zag dit niet zonder ongerustheid en hield haar in het oog, gereed om haar dadelijk hulp te verleenen zoo zij in hare aandoening mocht bezwijmen.

Na eenige minuten stond zij op, glimlachte door hare tranen en hernam hare plaats naast den zendeling.

»Houd moed!” zeide hij, »gij hebt u zoo sterk getoond in uwe droefheid, zoudt gij zwak worden in de vreugde?”

»Och!” riep zij innig aangedaan, »het is mijn zoon, mijn eenigst kind dat ik heb gekweekt en gevoed, dien ik thans zal wederzien, na tienjarige scheiding. Helaas! in geen tien jaar heb ik zijn voorhoofd mogen kussen! Mijn God! dat kan niemand begrijpen wat ik gevoel, dat is niet uit te spreken, voor eene moeder is haar kind alles.”

»Laat u toch niet zoo door uwe aandoeningen wegslepen,” suste haar pater Seraphin.

»En komt hij dan waarlijk?” vroeg zij dringend.

»Binnen twee uren op zijn langst.”

»Wat is dat nog lang, twee uren!” zuchtte zij.

»O! wat zijn de menschen toch wonderlijke schepselen!” riep de zendeling. »Gij, die nu zoovele jaren hebt gewacht zonder te klagen, kunt gij twee uren te lang vinden.…”

»Maar het is mijn zoon, mijn geliefd kind, dat ik wacht, hem kan ik nooit vroeg genoeg wederzien.”

»Kom, blijf bedaard; ik geloof gij hebt koorts.”

»O! wees niet ongerust over mij, vader; de vreugde zal mij niet dooden! Als ik mijn zoon maar wederzie word ik dadelijk gezond, daar ben ik zeker van.”

»Arme moeder!” prevelde pater Seraphin onwillekeurig.

»Niet waar?” riep zij. »Ach! als gij eens wist hoe verschrikkelijk het is in zoo eindelooze spanning te zijn; maar één zoon te hebben, die al ons geluk op aarde uitmaakt en dan niet te weten waar hij is, wat hij doet, hoe hij het heeft, of hij dood of levend is! Voor een moeder bestaat er geen grooter marteling dan die eeuwige onzekerheid, die onophoudelijke afwisseling van hoop en vrees, van bemoediging en teleurstelling. Dat begrijpt gij niet, gij mannen, gij kunt het niet begrijpen en dat komt omdat gij er geen zin voor hebt, en omdat wij moeders alleen onze kinderen zoo liefhebben …”

Zij zweeg eenige minuten en begon op nieuw.

»Mijn God! wat gaat die tijd langzaam voorbij? Zou de zon niet haast ondergaan? Van welken kant denkt gij dat mijn zoon komen zal, vader? Ik moet hem volstrekt zien aankomen. Ik ben zeker dat ik hem dadelijk herken, al heb ik hem in zoo lang niet gezien; eene moeder bedriegt zich niet; want zij ziet haar kind niet met de oogen, maar voelt het met haar hart!…”

De missionaris bracht haar naar den ingang der grot, zette haar op een bemosten steen, ging naast haar zitten en zeide, haar met de hand naar het zuidwesten wijzende:

»Kijk! daar, van dien kant moet hij komen.”

»Ik dank u!” antwoordde zij geroerd. »O! gij bezit evenveel oplettendheid als deugd. Gij zijt zoo vroom en zoo goed, vader, God zal er u voor beloonen, ik kan u niet meer dan dankzeggen!”

De missionaris glimlachte bewogen.

»Ik ben gelukkig als ik u gelukkig zie,” zeide hij goedhartig.

Zij staarden over de vlakte.

De zon daalde snel ter kimmen: van lieverlede overstelpte de duisternis het aardrijk; de voorwerpen verdwenen het eene na het andere; weldra werd het onmogelijk om iets, zelfs op korten afstand, te onderscheiden.

»Laten wij naar binnen gaan,” zei pater Seraphin, »de koele nachtlucht zou u kunnen schaden.”

»Ba!” riep zij hoofdschuddend, »ik gevoel er niets van.”

»Daarbij is de duisternis zoo dik, dat gij toch niets zoudt kunnen zien.”

»Dat is waar,” antwoordde zij met gevoel, »maar ik zal hem toch hooren.”

Hiertegen viel niets te zeggen. Pater Seraphin begreep het, hij boog het hoofd en hernam zijne plaats naast Mme. Guillois.

»Vergeef het mij, vader,” zeide zij, »maar de blijdschap maakt mij dwaas!”

»Gij hebt genoeg geleden, moedertje,” antwoordde de zendeling meewarig, »om heden ten minste eens onvermengde vreugde te genieten. Doe dus wat gij wilt en vrees niet mij te mishagen.”

Zoo verliep er een uur zonder dat er een woord tusschen hen gewisseld werd. Zij zaten te luisteren.

Inmiddels werd de nacht steeds donkerder en donkerder, en het geheimzinnige geruisch der wildernis sterker.

De avondwind was opgestoken en huilde door de rotskloven met langgerekt en zwaarmoedig gefluit.

Op eens vloog Mme. Guillois overeind, haar oog fonkelde, zij greep den missionaris krachtig bij den arm.

»Daar is hij!” riep zij met eene heesche stem.

Pater Seraphin stak het hoofd op.

»Ik hoor niets,” zeide hij.

»Ach neen! ik bedrieg mij niet,” riep zij op hartroerenden toon, »ik kan mij niet bedriegen, hij is het; luister, luister toch.”

Pater Seraphin spitste de ooren en luisterde scherp.

Werkelijk hoorde hij op verren afstand in de prairie een geluid, nauwelijks merkbaar, maar dat eenigszins geleek naar het onophoudelijk gerommel van verre donderslagen.

»O!” riep zij weêr, »hij is het, hij komt; luister!”

Het gedruisch werd sterker en sterker, en het leed niet lang of men kon duidelijk den galop onderscheiden van een aantal paarden die in vollen aantocht schenen te zijn.

»Wel!”, riep zij op nieuw, »is het nu wel inbeelding? Neen, neen, een moederhart laat zich zoo niet misleiden.”

»Gij hebt gelijk, mevrouw, binnen weinige minuten zal hij bij u zijn.”

»Ja, ja!”, hijgde zij met bevende stem.

Dat was al wat zij zeggen kon. Zij stikte bijna van blijdschap.

»In ’s hemels naam! blijf toch bedaard,” riep de zendeling ongerust, »wees niet zoo hartstochtelijk, dat is te sterk voor u; het zou u kunnen dooden.”

Zij schudde van neen met een onbeschrijfelijk gevoel van onbezorgde moedervreugd.

»O! al was dat zoo,” riep zij, »laat mij begaan, want ik ben zoo gelukkig, o zoo onuitsprekelijk gelukkig op dit oogenblik.”

De ruiters reden de vallei in en de galop der paarden weergalmde tusschen de rotswanden.

»Afstijgen, mijne heeren!” riep eene krachtige stem, »afstijgen, wij zijn er.”

»Dat is hij! dat is hij!” riep zij, »dat heeft hij gezegd, ik herken zijne stem!”

En meteen wilde zij voorwaarts ijlen, maar de zendeling ving haar op in zijne armen en hield haar terug.

»Wat woudt gij doen?” riep hij, »wilt gij een ongeluk krijgen?”

»Vergeving, vader, vergeving; toen ik hem hoorde spreken werd het mij zoo wee om het hart, ik weet niet wat er in mij omging, maar ik was mij zelve niet meester en wou hem te gemoet vliegen.”

»Heb nu toch een beetje geduld; ziedaar, hij klimt reeds naar boven; binnen drie minuten is hij zeker in uwe armen.”

Zij deinsde ijlings terug.

»Neen,” riep zij, »neen, zoo moet het niet, het wederzien zou te schielijk zijn, laat ik mijn geluk liever van stukje tot beetje genieten, ik wil eens zien of hij mij ook raden zal gelijk ik hem geraden heb!”

Zij liep zoo snel zij maar kon naar de grot terug en trok pater Seraphin met zich mede.

»Dat denkbeeld heeft God u ingegeven,” zeide hij; »ja gewis het wederzien zou te schielijk zijn, ge zoudt het beiden kunnen besterven.”

»Niet waar?” riep zij vroolijk, »niet waar, vader, heb ik geen gelijk? O! gij zult zien, gij zult zien, verberg mij in een hoekje daar ik alles zien en alles hooren kan, zonder gezien te worden; haast u, haast u toch; daar is hij.”

In de grot, zooals wij vroeger reeds gezegd hebben, waren een aantal vertrekken of afdeelingen, die allen met elkaâr in verband stonden, en vader Seraphin verborg Mme. Guillois in een der vertrekken welker wanden, op de wonderlijkste wijs door druipsteen gevormd, haar ruimschoots gelegenheid gaven om alles te bespieden en af te luisteren wat er in het naaste vertrek voorviel, zonder dat zij gevaar liep zelve gezien te worden.

Nadat de ruiters hunne paarden gekluisterd hadden klommen zij den berg op. Onder het opstijgen kon men hen duidelijk hooren praten, en vingen de grotbewoners gretig woord voor woord op, dat er tusschen hen gesproken werd.

»Die goede pater Seraphin,” hoorde men Valentin zeggen, »ik weet niet of het u gaat als mij, caballeros, maar ik zal gelukkig zijn als ik hem wederzie; ik vreesde zeer dat hij ons voor altijd verlaten had.”

»Het is voor mij althans een groote troost in mijn verdriet,” antwoordde don Miguel, »nu ik weet dat hij zoo dicht bij ons is; die man is een ware apostel.”

»Wat scheelt u toch, Valentin?” riep op eens generaal Ibanez, »waarom blijft gij staan?”

»Ik weet het niet,” antwoordde deze met eene wankelmoedige stem, »ik ben zoo wonderlijk te moede dat ik het niet zeggen kan. Dezen morgen, toen de Spinnekop mij kwam vertellen dat de pater weêr terug was, gevoelde ik in mijn binnenste eene onuitsprekelijke gewaarwording; en nu krijg ik hetzelfde weêr; waarom, zou ik niet kunnen zeggen.”

»Vriend, het is van blijdschap dat gij pater Seraphin zult wederzien,” zei Ibanez, »dat woelt u door het hart, anders niet.”

De jager schudde het hoofd.

»Neen,” zeide hij, »dat is het niet, er moet iets anders zijn; wat ik gevoel is gansch ongewoon, mijn hart is beklemd, ik meen te stikken. Goede God! wat overkomt mij.”

Zijne vrienden drongen zich ongerust om hem heen.

»Laat mij toch voortgaan,” zeide hij vastberaden, »als ik kwaad nieuws moet hooren, is het maar beter dat ik het hoe eer hoe liever weet.”

En ondanks de vermaningen zijner vrienden, die alles behalve gerust waren, begon hij weder te klimmen, maar nu zooveel te sneller.

Weldra was hij op het terras voor de grot; daar bleef hij een oogenblik staan om adem te scheppen.

»Komaan!” zeide hij.

En hij trad stoutmoedig in de grot, onmiddellijk door zijne vrienden gevolgd.

Nauwelijks had hij zijn voet op den drempel der spelonk, of hij hoorde zich bij zijn naam roepen.

Op het geluid dier stem beefde de jager, hij verbleekte, het koude zweet droppelde langs zijn gezicht.

»O,” murmelde hij, »wie roept mij daar zoo?”

»Valentin! Valentin!” klonk de stem op nieuw, maar zachter en vleiender dan te voren.

De jager aarzelde, boog voorover, zijn aangezicht helderde op en bekwam eene uitdrukking van onbeschrijfelijk geluk.

»Nog eens!… nog eens!” prevelde hij nauwelijks hoorbaar, met de hand op het hart om het kloppen te stillen.

»Valentin!” riep de stem nog eens.

Ditmaal deed de Franschman een sprong voorwaarts als een leeuw en slaakte een vreeselijken kreet.

»Mijne moeder!” riep hij met eene klaterende stem; »moeder, hier ben ik!”

»Ach! ik wist wel dat hij mij herkennen zou,” gilde zij en stortte zich in zijne armen.

De jager sloot haar met koortsachtige drift aan zijne borst.

De arme oude vrouw wist niet hoe zij hem kussen of troetelen zou, zij lachte en schreide tegelijk en was half gek van blijdschap en schrik, dat zij hem in zulk een toestand wederzag.

Zij had er bijna berouw van dat zij zich aan deze proef had blootgesteld.

Hij kuste haar gerimpeld gelaat, haar grijze haren en was niet in staat een woord uit te brengen.

Eindelijk klonk er een geluid in zijne borst, hij haalde met kracht adem, een snik barstte hem uit de keel, hij smolt in tranen weg en riep op een toon van onbeschrijfelijke teederheid:

»Moeder! moeder! o mijne moeder!”

Deze woorden waren al wat hij zeggen kon.

Ook Valentin lachte en weende tegelijk, hij ging op een stuk rots zitten, met zijne moeder op de eene knie, omhelsde haar met uitzinnige vreugd, kon zich niet verzadigen haar aan te zien, hare bleeke wangen en witte haren te kussen, en hare verflauwde oogen, die zoo lang om hem geschreid hadden.

De toekijkers bij dit tooneel, bewogen door deze echte en eenvoudige liefdebetooning, konden zich niet bedwingen en weenden in stilte met moeder en zoon.

Curumilla, die in een hoek der grot op de hurken zat, staarde den jager onbeweeglijk aan terwijl er twee tranen langs zijne olijfbruine wangen biggelden.

Toen de eerste aandoening een weinig bedaard was, deed pater Seraphin, die zich tot dusver, om den stillen afloop dezer teedere ontmoeting niet te storen, op een eerbiedigen afstand had gehouden, eenige stappen vooruit en plaatste zich tusschen de aanwezigen.

»Mijne kinderen,” zeide hij op een zacht gebiedenden toon, terwijl hij een eenvoudig kruisbeeld ophief, dat hij in de rechterhand hield, »laten wij den Heer danken voor zijne oneindige barmhartigheid.”

Allen knielden neder en aanbaden.


Back to IndexNext