XVIII.DE BERAADSLAGING.Men moet zelf lange jaren in den vreemde hebben geleefd, verwijderd van geliefde vrienden en betrekkingen, door onmetelijke afstanden van hen gescheiden en zonder hoop van hen ooit weêr te zien, om de zoete en tegelijk smartelijke gewaarwordingen te begrijpen, die Valentin ondervond toen hij zijne moeder wederzag.Wij, die een zeer groot en misschien het beste deel van ons leven in de wildernissen der nieuwe wereld hebben doorgebracht, te midden van de woeste horden die er rondzwerven, talen sprekende geheel buiten eenige gelijkenis met de onze, overgegeven aan zeden en gewoonten die geheel van de onze verschillen, wij herinneren ons levendig welk eene aandoening zich van ons meester maakte, wanneer somtijds een verdoold reiziger ons ontmoette en ons den voor ons hart altoos dierbaren en heiligen naam van Frankrijk deed hooren.Die naam herinnert ons alles: de familie, de vriendschap, het geluk, drie woorden die het gansche menschelijk bestaan insluiten.O! dan schijnt de ballingschap erger dan de dood.Het is eene altijd opene, altijd bloedende wond, die de tijd in plaats van te verminderen en te verzachten steeds doet toenemen, met ieder uurja met iedere minuut, en eindelijk verandert in zulk eene onweerstaanbare behoefte, om al was het maar voor een uur de geboortelucht weder in te ademen, dat daaruit vaak de verschrikkelijke en ongeneeslijke kwaal ontstaat, die de doctors het heimwee noemen.Dan komt het oogenblik, waarop de mensch buiten zijn vaderland omdolende een onverwinnelijk verlangen gevoelt om het weder te zien, en zijne moedertaal te hooren spreken; geen fortuin, geluk of eer kunnen tegen dat verlangen opwegen.De Franschman is wellicht meer dan eenig ander aan zijn vaderland gehecht en dit gevoel is bij hem zoo levendig, dat hij nauwlijks eenige jaren uit Frankrijk verwijderd is of hij verlaat alles om er terug te keeren, al waren zijne omstandigheden in den vreemde ook nog zoo voordeelig.Valentin althans had gedurende de vele jaren die hij in de woestijn had doorgebracht de herinnering aan zijn geboorteland levendig bewaard.Menigmaal, terwijl hij met pater Seraphin uren lang zat te keuvelen, sprak hij hem van zijne moeder, als van die goede vrome vrouw, die hij nu helaas! niet meer hopen dorst weder te zien, daar hij zijnen hartelijken wensch om naar Frankrijk terug te keeren sedert lang aan de noodzakelijkheid had ten offer gebracht; zijn hartstochtelijk leven in de wildernis bekoorde hem dermate dat iedere overweging er voor moest wijken, inzonderheid na de ongelukken zijner eerste jeugd en de teleurstelling zijner eenige liefde.Toen hij dus zijne moeder onverwachts terugvond en begreep dat zij nu niet meer van hem zou scheiden, gevoelde hij zich onuitsprekelijk gelukkig en had hij kunnen juichen van vreugd.De man die zoo langen tijd verplicht was geweest zijne gewaarwordingen van vreugd en verdriet in zijn binnenste te begraven, haalde op eens ruimer adem, nu hij het eenigste wezen had wedergevonden daar hij ongeveinsd en zonder terughouding zijn overkropt gemoed aan kon uitstorten.De behoefte aan mededeeling is een van de dringendste behoeften der menschelijke natuur.De gansche nacht ging voorbij in teedere gesprekken en scheen hem niets meer dan een aangename en vluchtige droom.De jagers, die rondom het vuur zaten, luisterden opgetogen naar het gesprek dat tusschen moeder en zoon gevoerd werd in dien toon die uit het hart komt en zoo liefelijk klinkt, terwijl zij elkander de verschillende lotgevallen van hun afwisselend leven vertelden na zulk eene lange scheiding.Eenige oogenblikken voor zonsopgang echter maakte Valentin er een einde aan en dwong hij zijne moeder om een weinig rust te nemen, daar hij met reden vreesde dat op haar gevorderden leeftijd en na de aandoeningen van dien dag en nacht een al te lang waken voor hare gezondheid schadelijk zou zijn.Mme. Guillois was er moeielijk toe te bewegen; doch voor de herhaalde vermaningen van haar zoon moest zij zwichten en trok zij zich naar hare kamer in de grot terug.Zoodra Valentin dacht dat zijne moeder zou zijn gaan slapen, wenkte hij zijne vrienden om naast hem te komen zitten.Dezen, wel vermoedende dat hij hun gewichtige zaken had mede te deelen; gehoorzaamden in stilte en wachtten met ongeduld tot hij zou spreken.Valentin stond op en stapte eene poos het vertrek op en neder met de handen op den rug en de wenkbrauwen samengetrokken.»Caballeros,” sprak hij eindelijk op gestrengen toon, »de dag komt spoedig aan, het is de moeite niet meer waard voor u om aan slapen te denken, weest dus zoo goed mij met uw goeden raad te helpen.”»Spreek slechts, vriend,” zei pater Seraphin, »gij weet wel dat wij u allen van harte zijn toegedaan.”»Dat weet ik, en gij meer dan iemand, vader,” antwoordde Valentin, »ik zal u eeuwig dankbaar zijn voor de groote dienst die gij mij bewezen hebt; gij weet wel dat ik nooit iets vergeet; als het oogenblik komen zal waarop ik u mijne schuld kan afdoen, moogt gij zeker zijn dat ik die zal betalen.”»Laat dat buiten aanmerking, vriend,” zei de missionaris, »ik wist hoeveel gij van uwe moeder hieldt en hoe vurig gij verlangdet haar weder te zien, ik deed dus niet meer dan ieder weldenkende in mijn plaats zou gedaan hebben; laten wij er niet verder van spreken bid ik u, ik verg geene andere belooning dan dat ik weet dat gij gelukkig zijt.”»Dat ben ik, beste vriend,” riep de jager in vervoering, »meer dan ik u zeggen kan; maar het is juist mijn geluk dat mij in angst brengt. Mijne moeder is wel is waar bij mij, maar helaas! gij weet aan welke bezwaren ons leven in de woestijn bloot staat, alles is hier onrust en strijd; in deze oogenblikken vooral zijn wij op het spoor van een onverzoenlijke wraak. Is het voegzaam om van deze gevaren en bezwaren mijne moeder deelgenoot te maken, eene vrouw van gevorderden leeftijd, en daarbij wankelende gezondheid? Kunnen wij zonder wreed te zijn haar verplichten ons te volgen bij het nazetten van den booswicht dien wij zoeken? Neen, immers? Niemand uwer, daar ben ik zeker van, zal mij dit aanraden; maar wat dan gedaan? Mijne moeder kan evenmin alleen in deze grot blijven, verlaten, verstoken van alle hulp en aan allerlei ontbering ten prooi; daar wij niet weten waartoe de plicht dien wij met eede bezworen hebben ons morgen heen zal roepen. Aan den anderen kant, zal mijne moeder, die zoo blijde is met onze vereeniging, zoo gereedelijk bewilligen in eene al was het slechts voorloopige scheiding, die intusschen naar gelang der omstandigheden een onbepaalden tijd duren kan? Ik verzoek u dus, mijne eenige en ware vrienden, geeft mijallen uw raad, want ik kom er rond voor uit, ik weet niet welke partij ik kiezen zal; spreekt, mijne vrienden, zegt mij wat ik doen moet.”Er volgde van de zijde der jagers eene langdurige stilte.Ieder begreep de verlegenheid van Valentin; maar om hem te helpen was het middel zeer moeielijk te vinden, daar allen evenzeer bezield waren met de gedachte om den Roode-Ceder geen rust te laten, maar hem tot het uiterste te vervolgen tot hij de billijke straf voor zijne wandaden ontvangen had.Zoo als gewoonlijk, kreeg ook in deze omstandigheden de eigenbaat en het partijbelang de overhand boven de vriendschap. Alleen vader Seraphin, die zich de zaak minder persoonlijk aantrok beschouwde haar uit het rechte oogpunt; ook was hij de eerste die het woord opnam.»Mijn vriend,” antwoordde hij, »alles wat gij ons gezegd hebt is maar al te waar, ik neem op mij om uwe moeder tot rede te brengen: zij zal en moet zoo ik vertrouw begrijpen, hoe noodig het is dat zij naar de bewoonde wereld terugkeert, vooral in een getijde des jaars als waarin wij ons thans bevinden; alleen moeten wij zien hare gevoeligheid niet te kwetsen en haar met een zacht lijntje naar Mexico trachten over te brengen, zonder van de scheiding te spreken, die zij nog meer ducht dan gij zelf. Gedurende de reis van hier naar de grenzen der beschaving zullen wij trachten haar langzamerhand op de zaak voor te bereiden, zoodat de slag haar minder zwaar treffen zal wanneer het oogenblik van scheiden werkelijk komt. Dit is zoo ik meen het eenige wat gij in de gegeven omstandigheden doen kunt en doen moet. Denk hierover eens ernstig na, vindt gij een beter plan dan het mijne, ik zal de eerste zijn om er mij naar te schikken.”»Uw raad is inderdaad de beste dien men mij geven kan,” zei Valentin met warmte, »en ik haast mij dien aan te nemen. Gij zijt alzoo gereed, vader, ons tot aan de grenzen te vergezellen?”»Zonder twijfel, vriend; en verder zelfs, als het wezen moest. Maak u dus deswege niet ongerust; het is nu maar de vraag naar welk punt wij ons begeven zullen.”»Dat is waar!” riep Valentin; »maar dat is juist moeielijk genoeg. Ik zou mijne moeder liefst willen logeeren op eene plantage die niet te ver afgelegen was, zoodat ik haar dikwijls zou kunnen gaan zien, maar toch ver genoeg verwijderd van de wildernis om gedekt te zijn tegen alle gevaar.”»Maar,” zei don Miguel, »goede vriend, als wij dan eens naar mijne hacienda trokken in den omtrek van Paso del Norte, mij dunkt die is er uitmuntend geschikt toe, te meer daar zij uwe moeder al de waarborgen van gemak en veiligheid aanbiedt die gij voor haar verlangen kunt.”»Inderdaad,” riep Valentin, »mijne moeder zou zich nergens beterbevinden dan in uwe hacienda, ik zeg u hartelijk dank voor uw aanbod, maar ongelukkigerwijs kan ik het niet aannemen.”»Waarom niet?”»Wel, mijn hemel! die reden is zoo klaar als de dag, het is dat uwe hacienda te ver van ons af is.”»Denkt gij dat?” vroeg don Miguel.Valentin moest tegen wil en dank glimlachen om deze vraag van denhacendero.»Vriend,” zeide hij zachtzinnig, »sedert onze intrede in de woestijn hebben wij, door de omstandigheden gedrongen, zoo vele omwegen moeten maken, dat gij alle besef en berekening van afstand verloren hebt en volstrekt niet meer schijnt te weten hoe vele mijlen wij hier van Paso del Norte verwijderd zijn.”»Op mijn eer! dat moet ik bekennen,” zei don Miguel verwonderd; »met dat al geloof ik niet dat wij er zoo heel ver af zijn.”»Hoe ver denkt gij?”»Wel! honderd vijftig mijlen op zijn verst.”»Mijn goede vriend,” riep Valentin hoofdschuddend, »gij zijt de rekening ver mis: wij zijn hier meer dan zeven honderd mijlen ver van Paso del Norte, en dat is de naaste grens der beschaafde wereld.”»Te duivel!” riep dehacendero, »dat zou ik nooit hebben gedacht.”»En dan nog,” vervolgde Valentin, »van de stad Paso del Norte tot naar uwe hacienda bedraagt ongeveer vijftig mijlen, niet waar?”»Ja, ongeveer.”»Gij ziet dus, vriend, dat ik tot mijn groote spijt uw edelmoedig aanbod onmogelijk kan aannemen.”»Wat dan gedaan?” zei generaal Ibanez.»Dat is netelig genoeg,” antwoordde Valentin, »wij hebben zoo weinig tijd.”»En wat uwe moeder betreft, die kan niet hier blijven, dat is volslagen onmogelijk,” zei don Miguel.Volgens zijne gewoonte, had Curumilla het gehouden gesprek in stilte gevolgd zonder een woord in het midden te brengen.Toen hij evenwel zag dat de jagers het niet eens konden worden, wendde hij zich tot Valentin.»Een vriend verlangt te spreken,” zeide hij. Allen keken hem aan.De jagers wisten dat Curumilla nooit het woord nam dan om een raad te geven, die bijna altijd gevolgd werd.Valentin knikte dus toestemmend.»Onze ooren zijn geopend, hoofdman,” zeide hij.Curumilla stond op.»Koutonepi vergeet iets,” zeide hij.»Wat vergeet ik?” vroeg de jager.»Koutonepi is de broeder van den Eenhoorn, den grooten Sachem der Comanchen.”De Franschman klopte zich met de vuist voor het hoofd van blijdschap.»’t Is waar ook,” riep hij, »dat ik daaraan niet gedacht heb! Waarlijk hoofdman, gij zijt een man dien de Voorzienigheid ons toezendt, niets ontgaat uw aandacht.”»Is mijn broeder voldaan?” vroeg Curumilla.Valentin drukte hem hartelijk de handen.»Hoofdman,” riep hij, »gij zijt de uitmuntendste man dien ik ken, ik dank u uit grond van mijn hart; overigens hebben wij elkander volkomen begrepen en bij gevolg niets meer te zeggen, nietwaar?”De Araucaansche Ulmen beantwoordde den handdruk van zijn vriend met de meeste hartelijkheid, ging weder zitten, en trok al zijne besluiten en gewaarwordingen samen in dit eene woord:»Goed!”Intusschen hadden de overige personen deze onderhandeling bijgewoond zonder te weten wat zij beteekenen moest. Ofschoon zij reeds lang genoeg met den Araucaan hadden samengeleefd, waren zij nog niet op de hoogte om zijne achterhoudendheid te doorgronden of liever zijn laconisme te begrijpen; zij wachtten dus vol nieuwsgierigheid op de nadere verklaring die Valentin van de weinige woorden tusschen hem en den Ulmen gewisseld, geven zou.»Onze vriend Curumilla heeft op eens den uitweg gevonden daar wij ons zoo stomp op hebben gedacht,” riep Valentin met drift.»Hoedat? verklaar u, vriend,” zei don Miguel.»Begrijpt gij dat niet?” vroeg Valentin.»Op mijn woord niet.”»Het is toch dood eenvoudig,” hernam de jager, »ik ben sinds lang door de Comanchen aangenomen; ik ben een lid van den stam van den Eenhoorn; dat opperhoofd zal gewis niet weigeren mijne moeder te huisvesten en te beschermen. De Roodhuiden houden veel van mij, de Eenhoorn is mij onbepaald toegedaan, ik ben zeker dat de Indianen mijne moeder zullen verzorgen en koesteren alsof ik het zelf deed, en buiten dat zal ik haar nu zoo dikwijls kunnen gaan bezoeken als ik verkies of de omstandigheden mij gedoogen.”»Canarios!” riep generaal Ibanez, »’t is op mijn woord waar. Hoofdman,” vervolgde hij terwijl hij den Araucaan vroolijk op den schouder klopte, »ik moet ronduit bekennen, wij allen zijn niets dan domkoppen en gij hebt meer verstand in uw pink, dan wij in ons geheele lijf.”De beraadslaging had lang genoeg geduurd, de zon was reeds een uur op eer zij geëindigd was.Mme. Guillois, na een kort maar verkwikkelijk slaapje geheel bekomen van de aandoeningen van den vorigen nacht, verscheen in de grot en omhelsde Valentin met een hartelijken kus.Toen het ontbijt was afgeloopen werden de paarden gezadelden gingmen op weg.»Waar voert gij mij heen, kind?” vroeg Mme. Guillois aan haar zoon. »Gij weet wel dat ik u voortaan geheel toebehoor en dat het alleen uw plicht is voor mij te zorgen.”»Wees niet ongerust, moeder,” antwoordde hij, »al zijn wij in de woestijn, ik heb voor u eene schuilplaats gevonden, waar het mij mogelijk zal zijn u ten minste eenmaal ’s weeks te komen zien.”Gelijk alle mannen met een vast en welberaden karakter begaafd, had Valentin, in plaats van het bezwaar te vermijden het liever fiks onder de oogen willen zien, wel overtuigd dat hoe stouter hij het aantastte, hoe korter het ook duren en hoe spoediger het hem gelukken zou de gevolgen er van af te wenden.Onwillekeurig deed de oude vrouw haar paard stilstaan en zag haar zoon aan met de oogen vol tranen.»Wat zegt ge daar toch, Valentin?” vroeg zij met eene bevende stem, »gaat gij mij verlaten?”»Gij begrijpt mij verkeerd, moeder,” antwoordde hij, »na eene zoo lange scheiding zou ik zeker nooit kunnen besluiten om mij van u te verwijderen.”»Helaas!” zuchtte zij.»Hoor eens, moeder,” vervolgde hij bedaard, »een ding moet gij steeds in het oog houden, namelijk dat men in de woestijn geheel anders leeft dan in de beschaafde wereld.”»Dat weet ik reeds!” zuchtte zij op nieuw.»Goed dan,” hernam hij; »het leven hier heeft zijne eischen die te veel zouden zijn om u thans uit te leggen, maar die onophoudelijk heen en weder trekken noodzakelijk maken; nu eens zijn wij hier, dan weder daar, zonder blijkbare reden, levende van den eenen dag op den anderen en daarbij altoos te paard.”»Wat ik u bidden mag, mijn beste, laat mij toch niet langer lijden, maar zeg mij in eens waar gij op doelt.”»Hierop moeder, dat dit leven, vol onrust, vermoeienis en gevaren, zijne eigenaardige bekoorlijkheden kan hebben voor een jong mensch als ik, met mijn ijzeren temperament sinds lang tegen allerlei ongemakken gehard, maar dat het stoffelijk onmogelijk is voor eene vrouw op uwe jaren, zoo zwak en ziekelijk als gij zijt; daarbij zijt gij mijn eenigst goed, mijn dierbaarste schat, moeder lief! ik heb u als door een wonder teruggevonden en ik zou u gaarne zoo lang mogelijk behouden; daarom wil en mag ik u niet langer uit zwakke toegevendheid blootstellen aan vermoeienissen en ontberingen die gij geen acht dagen zoudt kunnen volhouden.”»En wat dan?” vroeg de moeder schroomvallig, terwijl zij zich tegen wil en dank overwonnen gevoelde door de nadrukkelijke wijs waarop de jongman gesproken had.»Ik zal u zeggen waar ik toe besloten heb,” hervatte hij opvleienden toon: »daar ik niet wil dat gij langer ongemak lijdt heb iktevens gezorgd dat wij, zoo al niet gedurig, dan ten minste zoo dicht mogelijk bij elkander zullen zijn.”»Och ja!” riep zij, »u te zien, mijn jongen, u altijd te zien, meer verlang ik niet; wat geef ik om al het andere als ik u maar bij mij heb, om u te troosten als gij treurig zijt en om te deelen in uw geluk als gij blijde zijt.”»Moeder,” vervolgde de jager, »ik geloof dat ik de zaken zoo goed mogelijk heb overlegd; vader Seraphin zal u wel nader bewijzen dat elke andere schikking eene dwaasheid zou geweest zijn.”»Als het niet anders wezen kan,” mompelde zij.»Ik breng u thans naar een dorp der Comanchen in wier stam ik als zoon ben aangenomen, hun opperhoofd bemint mij als een broeder; dat dorp ligt nauwelijks eenige mijlen van hier; daar zijt gij onder goede vrienden die u achten, eerbiedigen en liefhebben en u met weldaden overladen zullen,”»Maar gij dan, mijn jongen?”»Ik; moeder, ik kom u zoo dikwijls bezoeken als ik kan en ik verzeker u dat er maar weinig dagen voorbij zullen gaan dat ik u niet zie.”»Helaas, en gij, mijn arme jongen, waarom wilt gij toch zoo volstrekt dat leven vol gevaar en vermoeienis voortzetten? Wij zouden samen zoo gelukkig kunnen zijn, als gij maar wildet, en stil kunnen leven in een klein dorp in ons vaderland; zijt gij Frankrijk reeds vergeten, mijn jongen?”Valentin zuchtte.»Neen, moeder,” zeide hij zwaarmoedig, »sedert ik u weder zag zijn al de herinneringen mijner jeugd ik weet niet hoe sterk in mij herleefd, en is het oude verlangen om Frankrijk nog eens weder te zien, dat verlangen dat ik reeds dood waande, in mij ontwaakt; u te zien heeft mij doen begrijpen dat men niet van goeder harte en ongestraft de genoegens van den vaderlandschen haard kan verloochenen, die men niet eer leert waardeeren voor dat men ze niet meer genieten kan. Ook bestaat bij mij het vaste voornemen om met u weldra dit eenzame land te verlaten en naar Frankrijk terug te keeren.”»Helaas!” riep zij op een zacht verwijtenden toon, »wij zouden daar zoo gelukkig zijn; waarom gaan we er dan niet dadelijk naar terug?”»Omdat dit onmogelijk kan, moedertje; ik heb hier een heiligen plicht te volbrengen; maar ik geef u mijn woord van eer, als ik dien plicht heb volbracht en weder vrij ben blijven wij geen uur langer hier. Heb dus geduld, moeder; misschien vertrekken wij reeds over twee maanden naar Frankrijk.”»God geve het! mijn zoon,” zei de oude vrouw treurig. »Enfin, het moet dan maar gaan zoo als gij zegt, ik zal geduld hebben.”»Ik zeg u dank, moeder, uwe toegevendheid maakt mij gelukkiger dan ik u zeggen kan.”De oude vrouw zuchtte, maar sprak niet verder.De kleine karavaan vervolgde in stilte haar tocht in de richting van het dorp der Comanchen, daar zij tegen drie ure in den namiddag aankwam.»Moeder,” riep Valentin, »gij weet nog niets van de leefwijze der Indianen; maak u dus niet ongerust over hetgeen gij hier hooren zult.”»Ik ben immers bij u?” riep zij, »waar zou ik bang voor zijn?”»O!” riep hij vergenoegd, »gij zijt de moedige vrouw naar het Evangelie.”»Helaas! neen,” antwoordde zij met een gesmoorden zucht, »gij bedriegt u al te zeer, mijn jongen; ik ben maar eene arme oude vrouw die haar zoon lief heeft, niet meer.…”
XVIII.DE BERAADSLAGING.Men moet zelf lange jaren in den vreemde hebben geleefd, verwijderd van geliefde vrienden en betrekkingen, door onmetelijke afstanden van hen gescheiden en zonder hoop van hen ooit weêr te zien, om de zoete en tegelijk smartelijke gewaarwordingen te begrijpen, die Valentin ondervond toen hij zijne moeder wederzag.Wij, die een zeer groot en misschien het beste deel van ons leven in de wildernissen der nieuwe wereld hebben doorgebracht, te midden van de woeste horden die er rondzwerven, talen sprekende geheel buiten eenige gelijkenis met de onze, overgegeven aan zeden en gewoonten die geheel van de onze verschillen, wij herinneren ons levendig welk eene aandoening zich van ons meester maakte, wanneer somtijds een verdoold reiziger ons ontmoette en ons den voor ons hart altoos dierbaren en heiligen naam van Frankrijk deed hooren.Die naam herinnert ons alles: de familie, de vriendschap, het geluk, drie woorden die het gansche menschelijk bestaan insluiten.O! dan schijnt de ballingschap erger dan de dood.Het is eene altijd opene, altijd bloedende wond, die de tijd in plaats van te verminderen en te verzachten steeds doet toenemen, met ieder uurja met iedere minuut, en eindelijk verandert in zulk eene onweerstaanbare behoefte, om al was het maar voor een uur de geboortelucht weder in te ademen, dat daaruit vaak de verschrikkelijke en ongeneeslijke kwaal ontstaat, die de doctors het heimwee noemen.Dan komt het oogenblik, waarop de mensch buiten zijn vaderland omdolende een onverwinnelijk verlangen gevoelt om het weder te zien, en zijne moedertaal te hooren spreken; geen fortuin, geluk of eer kunnen tegen dat verlangen opwegen.De Franschman is wellicht meer dan eenig ander aan zijn vaderland gehecht en dit gevoel is bij hem zoo levendig, dat hij nauwlijks eenige jaren uit Frankrijk verwijderd is of hij verlaat alles om er terug te keeren, al waren zijne omstandigheden in den vreemde ook nog zoo voordeelig.Valentin althans had gedurende de vele jaren die hij in de woestijn had doorgebracht de herinnering aan zijn geboorteland levendig bewaard.Menigmaal, terwijl hij met pater Seraphin uren lang zat te keuvelen, sprak hij hem van zijne moeder, als van die goede vrome vrouw, die hij nu helaas! niet meer hopen dorst weder te zien, daar hij zijnen hartelijken wensch om naar Frankrijk terug te keeren sedert lang aan de noodzakelijkheid had ten offer gebracht; zijn hartstochtelijk leven in de wildernis bekoorde hem dermate dat iedere overweging er voor moest wijken, inzonderheid na de ongelukken zijner eerste jeugd en de teleurstelling zijner eenige liefde.Toen hij dus zijne moeder onverwachts terugvond en begreep dat zij nu niet meer van hem zou scheiden, gevoelde hij zich onuitsprekelijk gelukkig en had hij kunnen juichen van vreugd.De man die zoo langen tijd verplicht was geweest zijne gewaarwordingen van vreugd en verdriet in zijn binnenste te begraven, haalde op eens ruimer adem, nu hij het eenigste wezen had wedergevonden daar hij ongeveinsd en zonder terughouding zijn overkropt gemoed aan kon uitstorten.De behoefte aan mededeeling is een van de dringendste behoeften der menschelijke natuur.De gansche nacht ging voorbij in teedere gesprekken en scheen hem niets meer dan een aangename en vluchtige droom.De jagers, die rondom het vuur zaten, luisterden opgetogen naar het gesprek dat tusschen moeder en zoon gevoerd werd in dien toon die uit het hart komt en zoo liefelijk klinkt, terwijl zij elkander de verschillende lotgevallen van hun afwisselend leven vertelden na zulk eene lange scheiding.Eenige oogenblikken voor zonsopgang echter maakte Valentin er een einde aan en dwong hij zijne moeder om een weinig rust te nemen, daar hij met reden vreesde dat op haar gevorderden leeftijd en na de aandoeningen van dien dag en nacht een al te lang waken voor hare gezondheid schadelijk zou zijn.Mme. Guillois was er moeielijk toe te bewegen; doch voor de herhaalde vermaningen van haar zoon moest zij zwichten en trok zij zich naar hare kamer in de grot terug.Zoodra Valentin dacht dat zijne moeder zou zijn gaan slapen, wenkte hij zijne vrienden om naast hem te komen zitten.Dezen, wel vermoedende dat hij hun gewichtige zaken had mede te deelen; gehoorzaamden in stilte en wachtten met ongeduld tot hij zou spreken.Valentin stond op en stapte eene poos het vertrek op en neder met de handen op den rug en de wenkbrauwen samengetrokken.»Caballeros,” sprak hij eindelijk op gestrengen toon, »de dag komt spoedig aan, het is de moeite niet meer waard voor u om aan slapen te denken, weest dus zoo goed mij met uw goeden raad te helpen.”»Spreek slechts, vriend,” zei pater Seraphin, »gij weet wel dat wij u allen van harte zijn toegedaan.”»Dat weet ik, en gij meer dan iemand, vader,” antwoordde Valentin, »ik zal u eeuwig dankbaar zijn voor de groote dienst die gij mij bewezen hebt; gij weet wel dat ik nooit iets vergeet; als het oogenblik komen zal waarop ik u mijne schuld kan afdoen, moogt gij zeker zijn dat ik die zal betalen.”»Laat dat buiten aanmerking, vriend,” zei de missionaris, »ik wist hoeveel gij van uwe moeder hieldt en hoe vurig gij verlangdet haar weder te zien, ik deed dus niet meer dan ieder weldenkende in mijn plaats zou gedaan hebben; laten wij er niet verder van spreken bid ik u, ik verg geene andere belooning dan dat ik weet dat gij gelukkig zijt.”»Dat ben ik, beste vriend,” riep de jager in vervoering, »meer dan ik u zeggen kan; maar het is juist mijn geluk dat mij in angst brengt. Mijne moeder is wel is waar bij mij, maar helaas! gij weet aan welke bezwaren ons leven in de woestijn bloot staat, alles is hier onrust en strijd; in deze oogenblikken vooral zijn wij op het spoor van een onverzoenlijke wraak. Is het voegzaam om van deze gevaren en bezwaren mijne moeder deelgenoot te maken, eene vrouw van gevorderden leeftijd, en daarbij wankelende gezondheid? Kunnen wij zonder wreed te zijn haar verplichten ons te volgen bij het nazetten van den booswicht dien wij zoeken? Neen, immers? Niemand uwer, daar ben ik zeker van, zal mij dit aanraden; maar wat dan gedaan? Mijne moeder kan evenmin alleen in deze grot blijven, verlaten, verstoken van alle hulp en aan allerlei ontbering ten prooi; daar wij niet weten waartoe de plicht dien wij met eede bezworen hebben ons morgen heen zal roepen. Aan den anderen kant, zal mijne moeder, die zoo blijde is met onze vereeniging, zoo gereedelijk bewilligen in eene al was het slechts voorloopige scheiding, die intusschen naar gelang der omstandigheden een onbepaalden tijd duren kan? Ik verzoek u dus, mijne eenige en ware vrienden, geeft mijallen uw raad, want ik kom er rond voor uit, ik weet niet welke partij ik kiezen zal; spreekt, mijne vrienden, zegt mij wat ik doen moet.”Er volgde van de zijde der jagers eene langdurige stilte.Ieder begreep de verlegenheid van Valentin; maar om hem te helpen was het middel zeer moeielijk te vinden, daar allen evenzeer bezield waren met de gedachte om den Roode-Ceder geen rust te laten, maar hem tot het uiterste te vervolgen tot hij de billijke straf voor zijne wandaden ontvangen had.Zoo als gewoonlijk, kreeg ook in deze omstandigheden de eigenbaat en het partijbelang de overhand boven de vriendschap. Alleen vader Seraphin, die zich de zaak minder persoonlijk aantrok beschouwde haar uit het rechte oogpunt; ook was hij de eerste die het woord opnam.»Mijn vriend,” antwoordde hij, »alles wat gij ons gezegd hebt is maar al te waar, ik neem op mij om uwe moeder tot rede te brengen: zij zal en moet zoo ik vertrouw begrijpen, hoe noodig het is dat zij naar de bewoonde wereld terugkeert, vooral in een getijde des jaars als waarin wij ons thans bevinden; alleen moeten wij zien hare gevoeligheid niet te kwetsen en haar met een zacht lijntje naar Mexico trachten over te brengen, zonder van de scheiding te spreken, die zij nog meer ducht dan gij zelf. Gedurende de reis van hier naar de grenzen der beschaving zullen wij trachten haar langzamerhand op de zaak voor te bereiden, zoodat de slag haar minder zwaar treffen zal wanneer het oogenblik van scheiden werkelijk komt. Dit is zoo ik meen het eenige wat gij in de gegeven omstandigheden doen kunt en doen moet. Denk hierover eens ernstig na, vindt gij een beter plan dan het mijne, ik zal de eerste zijn om er mij naar te schikken.”»Uw raad is inderdaad de beste dien men mij geven kan,” zei Valentin met warmte, »en ik haast mij dien aan te nemen. Gij zijt alzoo gereed, vader, ons tot aan de grenzen te vergezellen?”»Zonder twijfel, vriend; en verder zelfs, als het wezen moest. Maak u dus deswege niet ongerust; het is nu maar de vraag naar welk punt wij ons begeven zullen.”»Dat is waar!” riep Valentin; »maar dat is juist moeielijk genoeg. Ik zou mijne moeder liefst willen logeeren op eene plantage die niet te ver afgelegen was, zoodat ik haar dikwijls zou kunnen gaan zien, maar toch ver genoeg verwijderd van de wildernis om gedekt te zijn tegen alle gevaar.”»Maar,” zei don Miguel, »goede vriend, als wij dan eens naar mijne hacienda trokken in den omtrek van Paso del Norte, mij dunkt die is er uitmuntend geschikt toe, te meer daar zij uwe moeder al de waarborgen van gemak en veiligheid aanbiedt die gij voor haar verlangen kunt.”»Inderdaad,” riep Valentin, »mijne moeder zou zich nergens beterbevinden dan in uwe hacienda, ik zeg u hartelijk dank voor uw aanbod, maar ongelukkigerwijs kan ik het niet aannemen.”»Waarom niet?”»Wel, mijn hemel! die reden is zoo klaar als de dag, het is dat uwe hacienda te ver van ons af is.”»Denkt gij dat?” vroeg don Miguel.Valentin moest tegen wil en dank glimlachen om deze vraag van denhacendero.»Vriend,” zeide hij zachtzinnig, »sedert onze intrede in de woestijn hebben wij, door de omstandigheden gedrongen, zoo vele omwegen moeten maken, dat gij alle besef en berekening van afstand verloren hebt en volstrekt niet meer schijnt te weten hoe vele mijlen wij hier van Paso del Norte verwijderd zijn.”»Op mijn eer! dat moet ik bekennen,” zei don Miguel verwonderd; »met dat al geloof ik niet dat wij er zoo heel ver af zijn.”»Hoe ver denkt gij?”»Wel! honderd vijftig mijlen op zijn verst.”»Mijn goede vriend,” riep Valentin hoofdschuddend, »gij zijt de rekening ver mis: wij zijn hier meer dan zeven honderd mijlen ver van Paso del Norte, en dat is de naaste grens der beschaafde wereld.”»Te duivel!” riep dehacendero, »dat zou ik nooit hebben gedacht.”»En dan nog,” vervolgde Valentin, »van de stad Paso del Norte tot naar uwe hacienda bedraagt ongeveer vijftig mijlen, niet waar?”»Ja, ongeveer.”»Gij ziet dus, vriend, dat ik tot mijn groote spijt uw edelmoedig aanbod onmogelijk kan aannemen.”»Wat dan gedaan?” zei generaal Ibanez.»Dat is netelig genoeg,” antwoordde Valentin, »wij hebben zoo weinig tijd.”»En wat uwe moeder betreft, die kan niet hier blijven, dat is volslagen onmogelijk,” zei don Miguel.Volgens zijne gewoonte, had Curumilla het gehouden gesprek in stilte gevolgd zonder een woord in het midden te brengen.Toen hij evenwel zag dat de jagers het niet eens konden worden, wendde hij zich tot Valentin.»Een vriend verlangt te spreken,” zeide hij. Allen keken hem aan.De jagers wisten dat Curumilla nooit het woord nam dan om een raad te geven, die bijna altijd gevolgd werd.Valentin knikte dus toestemmend.»Onze ooren zijn geopend, hoofdman,” zeide hij.Curumilla stond op.»Koutonepi vergeet iets,” zeide hij.»Wat vergeet ik?” vroeg de jager.»Koutonepi is de broeder van den Eenhoorn, den grooten Sachem der Comanchen.”De Franschman klopte zich met de vuist voor het hoofd van blijdschap.»’t Is waar ook,” riep hij, »dat ik daaraan niet gedacht heb! Waarlijk hoofdman, gij zijt een man dien de Voorzienigheid ons toezendt, niets ontgaat uw aandacht.”»Is mijn broeder voldaan?” vroeg Curumilla.Valentin drukte hem hartelijk de handen.»Hoofdman,” riep hij, »gij zijt de uitmuntendste man dien ik ken, ik dank u uit grond van mijn hart; overigens hebben wij elkander volkomen begrepen en bij gevolg niets meer te zeggen, nietwaar?”De Araucaansche Ulmen beantwoordde den handdruk van zijn vriend met de meeste hartelijkheid, ging weder zitten, en trok al zijne besluiten en gewaarwordingen samen in dit eene woord:»Goed!”Intusschen hadden de overige personen deze onderhandeling bijgewoond zonder te weten wat zij beteekenen moest. Ofschoon zij reeds lang genoeg met den Araucaan hadden samengeleefd, waren zij nog niet op de hoogte om zijne achterhoudendheid te doorgronden of liever zijn laconisme te begrijpen; zij wachtten dus vol nieuwsgierigheid op de nadere verklaring die Valentin van de weinige woorden tusschen hem en den Ulmen gewisseld, geven zou.»Onze vriend Curumilla heeft op eens den uitweg gevonden daar wij ons zoo stomp op hebben gedacht,” riep Valentin met drift.»Hoedat? verklaar u, vriend,” zei don Miguel.»Begrijpt gij dat niet?” vroeg Valentin.»Op mijn woord niet.”»Het is toch dood eenvoudig,” hernam de jager, »ik ben sinds lang door de Comanchen aangenomen; ik ben een lid van den stam van den Eenhoorn; dat opperhoofd zal gewis niet weigeren mijne moeder te huisvesten en te beschermen. De Roodhuiden houden veel van mij, de Eenhoorn is mij onbepaald toegedaan, ik ben zeker dat de Indianen mijne moeder zullen verzorgen en koesteren alsof ik het zelf deed, en buiten dat zal ik haar nu zoo dikwijls kunnen gaan bezoeken als ik verkies of de omstandigheden mij gedoogen.”»Canarios!” riep generaal Ibanez, »’t is op mijn woord waar. Hoofdman,” vervolgde hij terwijl hij den Araucaan vroolijk op den schouder klopte, »ik moet ronduit bekennen, wij allen zijn niets dan domkoppen en gij hebt meer verstand in uw pink, dan wij in ons geheele lijf.”De beraadslaging had lang genoeg geduurd, de zon was reeds een uur op eer zij geëindigd was.Mme. Guillois, na een kort maar verkwikkelijk slaapje geheel bekomen van de aandoeningen van den vorigen nacht, verscheen in de grot en omhelsde Valentin met een hartelijken kus.Toen het ontbijt was afgeloopen werden de paarden gezadelden gingmen op weg.»Waar voert gij mij heen, kind?” vroeg Mme. Guillois aan haar zoon. »Gij weet wel dat ik u voortaan geheel toebehoor en dat het alleen uw plicht is voor mij te zorgen.”»Wees niet ongerust, moeder,” antwoordde hij, »al zijn wij in de woestijn, ik heb voor u eene schuilplaats gevonden, waar het mij mogelijk zal zijn u ten minste eenmaal ’s weeks te komen zien.”Gelijk alle mannen met een vast en welberaden karakter begaafd, had Valentin, in plaats van het bezwaar te vermijden het liever fiks onder de oogen willen zien, wel overtuigd dat hoe stouter hij het aantastte, hoe korter het ook duren en hoe spoediger het hem gelukken zou de gevolgen er van af te wenden.Onwillekeurig deed de oude vrouw haar paard stilstaan en zag haar zoon aan met de oogen vol tranen.»Wat zegt ge daar toch, Valentin?” vroeg zij met eene bevende stem, »gaat gij mij verlaten?”»Gij begrijpt mij verkeerd, moeder,” antwoordde hij, »na eene zoo lange scheiding zou ik zeker nooit kunnen besluiten om mij van u te verwijderen.”»Helaas!” zuchtte zij.»Hoor eens, moeder,” vervolgde hij bedaard, »een ding moet gij steeds in het oog houden, namelijk dat men in de woestijn geheel anders leeft dan in de beschaafde wereld.”»Dat weet ik reeds!” zuchtte zij op nieuw.»Goed dan,” hernam hij; »het leven hier heeft zijne eischen die te veel zouden zijn om u thans uit te leggen, maar die onophoudelijk heen en weder trekken noodzakelijk maken; nu eens zijn wij hier, dan weder daar, zonder blijkbare reden, levende van den eenen dag op den anderen en daarbij altoos te paard.”»Wat ik u bidden mag, mijn beste, laat mij toch niet langer lijden, maar zeg mij in eens waar gij op doelt.”»Hierop moeder, dat dit leven, vol onrust, vermoeienis en gevaren, zijne eigenaardige bekoorlijkheden kan hebben voor een jong mensch als ik, met mijn ijzeren temperament sinds lang tegen allerlei ongemakken gehard, maar dat het stoffelijk onmogelijk is voor eene vrouw op uwe jaren, zoo zwak en ziekelijk als gij zijt; daarbij zijt gij mijn eenigst goed, mijn dierbaarste schat, moeder lief! ik heb u als door een wonder teruggevonden en ik zou u gaarne zoo lang mogelijk behouden; daarom wil en mag ik u niet langer uit zwakke toegevendheid blootstellen aan vermoeienissen en ontberingen die gij geen acht dagen zoudt kunnen volhouden.”»En wat dan?” vroeg de moeder schroomvallig, terwijl zij zich tegen wil en dank overwonnen gevoelde door de nadrukkelijke wijs waarop de jongman gesproken had.»Ik zal u zeggen waar ik toe besloten heb,” hervatte hij opvleienden toon: »daar ik niet wil dat gij langer ongemak lijdt heb iktevens gezorgd dat wij, zoo al niet gedurig, dan ten minste zoo dicht mogelijk bij elkander zullen zijn.”»Och ja!” riep zij, »u te zien, mijn jongen, u altijd te zien, meer verlang ik niet; wat geef ik om al het andere als ik u maar bij mij heb, om u te troosten als gij treurig zijt en om te deelen in uw geluk als gij blijde zijt.”»Moeder,” vervolgde de jager, »ik geloof dat ik de zaken zoo goed mogelijk heb overlegd; vader Seraphin zal u wel nader bewijzen dat elke andere schikking eene dwaasheid zou geweest zijn.”»Als het niet anders wezen kan,” mompelde zij.»Ik breng u thans naar een dorp der Comanchen in wier stam ik als zoon ben aangenomen, hun opperhoofd bemint mij als een broeder; dat dorp ligt nauwelijks eenige mijlen van hier; daar zijt gij onder goede vrienden die u achten, eerbiedigen en liefhebben en u met weldaden overladen zullen,”»Maar gij dan, mijn jongen?”»Ik; moeder, ik kom u zoo dikwijls bezoeken als ik kan en ik verzeker u dat er maar weinig dagen voorbij zullen gaan dat ik u niet zie.”»Helaas, en gij, mijn arme jongen, waarom wilt gij toch zoo volstrekt dat leven vol gevaar en vermoeienis voortzetten? Wij zouden samen zoo gelukkig kunnen zijn, als gij maar wildet, en stil kunnen leven in een klein dorp in ons vaderland; zijt gij Frankrijk reeds vergeten, mijn jongen?”Valentin zuchtte.»Neen, moeder,” zeide hij zwaarmoedig, »sedert ik u weder zag zijn al de herinneringen mijner jeugd ik weet niet hoe sterk in mij herleefd, en is het oude verlangen om Frankrijk nog eens weder te zien, dat verlangen dat ik reeds dood waande, in mij ontwaakt; u te zien heeft mij doen begrijpen dat men niet van goeder harte en ongestraft de genoegens van den vaderlandschen haard kan verloochenen, die men niet eer leert waardeeren voor dat men ze niet meer genieten kan. Ook bestaat bij mij het vaste voornemen om met u weldra dit eenzame land te verlaten en naar Frankrijk terug te keeren.”»Helaas!” riep zij op een zacht verwijtenden toon, »wij zouden daar zoo gelukkig zijn; waarom gaan we er dan niet dadelijk naar terug?”»Omdat dit onmogelijk kan, moedertje; ik heb hier een heiligen plicht te volbrengen; maar ik geef u mijn woord van eer, als ik dien plicht heb volbracht en weder vrij ben blijven wij geen uur langer hier. Heb dus geduld, moeder; misschien vertrekken wij reeds over twee maanden naar Frankrijk.”»God geve het! mijn zoon,” zei de oude vrouw treurig. »Enfin, het moet dan maar gaan zoo als gij zegt, ik zal geduld hebben.”»Ik zeg u dank, moeder, uwe toegevendheid maakt mij gelukkiger dan ik u zeggen kan.”De oude vrouw zuchtte, maar sprak niet verder.De kleine karavaan vervolgde in stilte haar tocht in de richting van het dorp der Comanchen, daar zij tegen drie ure in den namiddag aankwam.»Moeder,” riep Valentin, »gij weet nog niets van de leefwijze der Indianen; maak u dus niet ongerust over hetgeen gij hier hooren zult.”»Ik ben immers bij u?” riep zij, »waar zou ik bang voor zijn?”»O!” riep hij vergenoegd, »gij zijt de moedige vrouw naar het Evangelie.”»Helaas! neen,” antwoordde zij met een gesmoorden zucht, »gij bedriegt u al te zeer, mijn jongen; ik ben maar eene arme oude vrouw die haar zoon lief heeft, niet meer.…”
XVIII.DE BERAADSLAGING.
Men moet zelf lange jaren in den vreemde hebben geleefd, verwijderd van geliefde vrienden en betrekkingen, door onmetelijke afstanden van hen gescheiden en zonder hoop van hen ooit weêr te zien, om de zoete en tegelijk smartelijke gewaarwordingen te begrijpen, die Valentin ondervond toen hij zijne moeder wederzag.Wij, die een zeer groot en misschien het beste deel van ons leven in de wildernissen der nieuwe wereld hebben doorgebracht, te midden van de woeste horden die er rondzwerven, talen sprekende geheel buiten eenige gelijkenis met de onze, overgegeven aan zeden en gewoonten die geheel van de onze verschillen, wij herinneren ons levendig welk eene aandoening zich van ons meester maakte, wanneer somtijds een verdoold reiziger ons ontmoette en ons den voor ons hart altoos dierbaren en heiligen naam van Frankrijk deed hooren.Die naam herinnert ons alles: de familie, de vriendschap, het geluk, drie woorden die het gansche menschelijk bestaan insluiten.O! dan schijnt de ballingschap erger dan de dood.Het is eene altijd opene, altijd bloedende wond, die de tijd in plaats van te verminderen en te verzachten steeds doet toenemen, met ieder uurja met iedere minuut, en eindelijk verandert in zulk eene onweerstaanbare behoefte, om al was het maar voor een uur de geboortelucht weder in te ademen, dat daaruit vaak de verschrikkelijke en ongeneeslijke kwaal ontstaat, die de doctors het heimwee noemen.Dan komt het oogenblik, waarop de mensch buiten zijn vaderland omdolende een onverwinnelijk verlangen gevoelt om het weder te zien, en zijne moedertaal te hooren spreken; geen fortuin, geluk of eer kunnen tegen dat verlangen opwegen.De Franschman is wellicht meer dan eenig ander aan zijn vaderland gehecht en dit gevoel is bij hem zoo levendig, dat hij nauwlijks eenige jaren uit Frankrijk verwijderd is of hij verlaat alles om er terug te keeren, al waren zijne omstandigheden in den vreemde ook nog zoo voordeelig.Valentin althans had gedurende de vele jaren die hij in de woestijn had doorgebracht de herinnering aan zijn geboorteland levendig bewaard.Menigmaal, terwijl hij met pater Seraphin uren lang zat te keuvelen, sprak hij hem van zijne moeder, als van die goede vrome vrouw, die hij nu helaas! niet meer hopen dorst weder te zien, daar hij zijnen hartelijken wensch om naar Frankrijk terug te keeren sedert lang aan de noodzakelijkheid had ten offer gebracht; zijn hartstochtelijk leven in de wildernis bekoorde hem dermate dat iedere overweging er voor moest wijken, inzonderheid na de ongelukken zijner eerste jeugd en de teleurstelling zijner eenige liefde.Toen hij dus zijne moeder onverwachts terugvond en begreep dat zij nu niet meer van hem zou scheiden, gevoelde hij zich onuitsprekelijk gelukkig en had hij kunnen juichen van vreugd.De man die zoo langen tijd verplicht was geweest zijne gewaarwordingen van vreugd en verdriet in zijn binnenste te begraven, haalde op eens ruimer adem, nu hij het eenigste wezen had wedergevonden daar hij ongeveinsd en zonder terughouding zijn overkropt gemoed aan kon uitstorten.De behoefte aan mededeeling is een van de dringendste behoeften der menschelijke natuur.De gansche nacht ging voorbij in teedere gesprekken en scheen hem niets meer dan een aangename en vluchtige droom.De jagers, die rondom het vuur zaten, luisterden opgetogen naar het gesprek dat tusschen moeder en zoon gevoerd werd in dien toon die uit het hart komt en zoo liefelijk klinkt, terwijl zij elkander de verschillende lotgevallen van hun afwisselend leven vertelden na zulk eene lange scheiding.Eenige oogenblikken voor zonsopgang echter maakte Valentin er een einde aan en dwong hij zijne moeder om een weinig rust te nemen, daar hij met reden vreesde dat op haar gevorderden leeftijd en na de aandoeningen van dien dag en nacht een al te lang waken voor hare gezondheid schadelijk zou zijn.Mme. Guillois was er moeielijk toe te bewegen; doch voor de herhaalde vermaningen van haar zoon moest zij zwichten en trok zij zich naar hare kamer in de grot terug.Zoodra Valentin dacht dat zijne moeder zou zijn gaan slapen, wenkte hij zijne vrienden om naast hem te komen zitten.Dezen, wel vermoedende dat hij hun gewichtige zaken had mede te deelen; gehoorzaamden in stilte en wachtten met ongeduld tot hij zou spreken.Valentin stond op en stapte eene poos het vertrek op en neder met de handen op den rug en de wenkbrauwen samengetrokken.»Caballeros,” sprak hij eindelijk op gestrengen toon, »de dag komt spoedig aan, het is de moeite niet meer waard voor u om aan slapen te denken, weest dus zoo goed mij met uw goeden raad te helpen.”»Spreek slechts, vriend,” zei pater Seraphin, »gij weet wel dat wij u allen van harte zijn toegedaan.”»Dat weet ik, en gij meer dan iemand, vader,” antwoordde Valentin, »ik zal u eeuwig dankbaar zijn voor de groote dienst die gij mij bewezen hebt; gij weet wel dat ik nooit iets vergeet; als het oogenblik komen zal waarop ik u mijne schuld kan afdoen, moogt gij zeker zijn dat ik die zal betalen.”»Laat dat buiten aanmerking, vriend,” zei de missionaris, »ik wist hoeveel gij van uwe moeder hieldt en hoe vurig gij verlangdet haar weder te zien, ik deed dus niet meer dan ieder weldenkende in mijn plaats zou gedaan hebben; laten wij er niet verder van spreken bid ik u, ik verg geene andere belooning dan dat ik weet dat gij gelukkig zijt.”»Dat ben ik, beste vriend,” riep de jager in vervoering, »meer dan ik u zeggen kan; maar het is juist mijn geluk dat mij in angst brengt. Mijne moeder is wel is waar bij mij, maar helaas! gij weet aan welke bezwaren ons leven in de woestijn bloot staat, alles is hier onrust en strijd; in deze oogenblikken vooral zijn wij op het spoor van een onverzoenlijke wraak. Is het voegzaam om van deze gevaren en bezwaren mijne moeder deelgenoot te maken, eene vrouw van gevorderden leeftijd, en daarbij wankelende gezondheid? Kunnen wij zonder wreed te zijn haar verplichten ons te volgen bij het nazetten van den booswicht dien wij zoeken? Neen, immers? Niemand uwer, daar ben ik zeker van, zal mij dit aanraden; maar wat dan gedaan? Mijne moeder kan evenmin alleen in deze grot blijven, verlaten, verstoken van alle hulp en aan allerlei ontbering ten prooi; daar wij niet weten waartoe de plicht dien wij met eede bezworen hebben ons morgen heen zal roepen. Aan den anderen kant, zal mijne moeder, die zoo blijde is met onze vereeniging, zoo gereedelijk bewilligen in eene al was het slechts voorloopige scheiding, die intusschen naar gelang der omstandigheden een onbepaalden tijd duren kan? Ik verzoek u dus, mijne eenige en ware vrienden, geeft mijallen uw raad, want ik kom er rond voor uit, ik weet niet welke partij ik kiezen zal; spreekt, mijne vrienden, zegt mij wat ik doen moet.”Er volgde van de zijde der jagers eene langdurige stilte.Ieder begreep de verlegenheid van Valentin; maar om hem te helpen was het middel zeer moeielijk te vinden, daar allen evenzeer bezield waren met de gedachte om den Roode-Ceder geen rust te laten, maar hem tot het uiterste te vervolgen tot hij de billijke straf voor zijne wandaden ontvangen had.Zoo als gewoonlijk, kreeg ook in deze omstandigheden de eigenbaat en het partijbelang de overhand boven de vriendschap. Alleen vader Seraphin, die zich de zaak minder persoonlijk aantrok beschouwde haar uit het rechte oogpunt; ook was hij de eerste die het woord opnam.»Mijn vriend,” antwoordde hij, »alles wat gij ons gezegd hebt is maar al te waar, ik neem op mij om uwe moeder tot rede te brengen: zij zal en moet zoo ik vertrouw begrijpen, hoe noodig het is dat zij naar de bewoonde wereld terugkeert, vooral in een getijde des jaars als waarin wij ons thans bevinden; alleen moeten wij zien hare gevoeligheid niet te kwetsen en haar met een zacht lijntje naar Mexico trachten over te brengen, zonder van de scheiding te spreken, die zij nog meer ducht dan gij zelf. Gedurende de reis van hier naar de grenzen der beschaving zullen wij trachten haar langzamerhand op de zaak voor te bereiden, zoodat de slag haar minder zwaar treffen zal wanneer het oogenblik van scheiden werkelijk komt. Dit is zoo ik meen het eenige wat gij in de gegeven omstandigheden doen kunt en doen moet. Denk hierover eens ernstig na, vindt gij een beter plan dan het mijne, ik zal de eerste zijn om er mij naar te schikken.”»Uw raad is inderdaad de beste dien men mij geven kan,” zei Valentin met warmte, »en ik haast mij dien aan te nemen. Gij zijt alzoo gereed, vader, ons tot aan de grenzen te vergezellen?”»Zonder twijfel, vriend; en verder zelfs, als het wezen moest. Maak u dus deswege niet ongerust; het is nu maar de vraag naar welk punt wij ons begeven zullen.”»Dat is waar!” riep Valentin; »maar dat is juist moeielijk genoeg. Ik zou mijne moeder liefst willen logeeren op eene plantage die niet te ver afgelegen was, zoodat ik haar dikwijls zou kunnen gaan zien, maar toch ver genoeg verwijderd van de wildernis om gedekt te zijn tegen alle gevaar.”»Maar,” zei don Miguel, »goede vriend, als wij dan eens naar mijne hacienda trokken in den omtrek van Paso del Norte, mij dunkt die is er uitmuntend geschikt toe, te meer daar zij uwe moeder al de waarborgen van gemak en veiligheid aanbiedt die gij voor haar verlangen kunt.”»Inderdaad,” riep Valentin, »mijne moeder zou zich nergens beterbevinden dan in uwe hacienda, ik zeg u hartelijk dank voor uw aanbod, maar ongelukkigerwijs kan ik het niet aannemen.”»Waarom niet?”»Wel, mijn hemel! die reden is zoo klaar als de dag, het is dat uwe hacienda te ver van ons af is.”»Denkt gij dat?” vroeg don Miguel.Valentin moest tegen wil en dank glimlachen om deze vraag van denhacendero.»Vriend,” zeide hij zachtzinnig, »sedert onze intrede in de woestijn hebben wij, door de omstandigheden gedrongen, zoo vele omwegen moeten maken, dat gij alle besef en berekening van afstand verloren hebt en volstrekt niet meer schijnt te weten hoe vele mijlen wij hier van Paso del Norte verwijderd zijn.”»Op mijn eer! dat moet ik bekennen,” zei don Miguel verwonderd; »met dat al geloof ik niet dat wij er zoo heel ver af zijn.”»Hoe ver denkt gij?”»Wel! honderd vijftig mijlen op zijn verst.”»Mijn goede vriend,” riep Valentin hoofdschuddend, »gij zijt de rekening ver mis: wij zijn hier meer dan zeven honderd mijlen ver van Paso del Norte, en dat is de naaste grens der beschaafde wereld.”»Te duivel!” riep dehacendero, »dat zou ik nooit hebben gedacht.”»En dan nog,” vervolgde Valentin, »van de stad Paso del Norte tot naar uwe hacienda bedraagt ongeveer vijftig mijlen, niet waar?”»Ja, ongeveer.”»Gij ziet dus, vriend, dat ik tot mijn groote spijt uw edelmoedig aanbod onmogelijk kan aannemen.”»Wat dan gedaan?” zei generaal Ibanez.»Dat is netelig genoeg,” antwoordde Valentin, »wij hebben zoo weinig tijd.”»En wat uwe moeder betreft, die kan niet hier blijven, dat is volslagen onmogelijk,” zei don Miguel.Volgens zijne gewoonte, had Curumilla het gehouden gesprek in stilte gevolgd zonder een woord in het midden te brengen.Toen hij evenwel zag dat de jagers het niet eens konden worden, wendde hij zich tot Valentin.»Een vriend verlangt te spreken,” zeide hij. Allen keken hem aan.De jagers wisten dat Curumilla nooit het woord nam dan om een raad te geven, die bijna altijd gevolgd werd.Valentin knikte dus toestemmend.»Onze ooren zijn geopend, hoofdman,” zeide hij.Curumilla stond op.»Koutonepi vergeet iets,” zeide hij.»Wat vergeet ik?” vroeg de jager.»Koutonepi is de broeder van den Eenhoorn, den grooten Sachem der Comanchen.”De Franschman klopte zich met de vuist voor het hoofd van blijdschap.»’t Is waar ook,” riep hij, »dat ik daaraan niet gedacht heb! Waarlijk hoofdman, gij zijt een man dien de Voorzienigheid ons toezendt, niets ontgaat uw aandacht.”»Is mijn broeder voldaan?” vroeg Curumilla.Valentin drukte hem hartelijk de handen.»Hoofdman,” riep hij, »gij zijt de uitmuntendste man dien ik ken, ik dank u uit grond van mijn hart; overigens hebben wij elkander volkomen begrepen en bij gevolg niets meer te zeggen, nietwaar?”De Araucaansche Ulmen beantwoordde den handdruk van zijn vriend met de meeste hartelijkheid, ging weder zitten, en trok al zijne besluiten en gewaarwordingen samen in dit eene woord:»Goed!”Intusschen hadden de overige personen deze onderhandeling bijgewoond zonder te weten wat zij beteekenen moest. Ofschoon zij reeds lang genoeg met den Araucaan hadden samengeleefd, waren zij nog niet op de hoogte om zijne achterhoudendheid te doorgronden of liever zijn laconisme te begrijpen; zij wachtten dus vol nieuwsgierigheid op de nadere verklaring die Valentin van de weinige woorden tusschen hem en den Ulmen gewisseld, geven zou.»Onze vriend Curumilla heeft op eens den uitweg gevonden daar wij ons zoo stomp op hebben gedacht,” riep Valentin met drift.»Hoedat? verklaar u, vriend,” zei don Miguel.»Begrijpt gij dat niet?” vroeg Valentin.»Op mijn woord niet.”»Het is toch dood eenvoudig,” hernam de jager, »ik ben sinds lang door de Comanchen aangenomen; ik ben een lid van den stam van den Eenhoorn; dat opperhoofd zal gewis niet weigeren mijne moeder te huisvesten en te beschermen. De Roodhuiden houden veel van mij, de Eenhoorn is mij onbepaald toegedaan, ik ben zeker dat de Indianen mijne moeder zullen verzorgen en koesteren alsof ik het zelf deed, en buiten dat zal ik haar nu zoo dikwijls kunnen gaan bezoeken als ik verkies of de omstandigheden mij gedoogen.”»Canarios!” riep generaal Ibanez, »’t is op mijn woord waar. Hoofdman,” vervolgde hij terwijl hij den Araucaan vroolijk op den schouder klopte, »ik moet ronduit bekennen, wij allen zijn niets dan domkoppen en gij hebt meer verstand in uw pink, dan wij in ons geheele lijf.”De beraadslaging had lang genoeg geduurd, de zon was reeds een uur op eer zij geëindigd was.Mme. Guillois, na een kort maar verkwikkelijk slaapje geheel bekomen van de aandoeningen van den vorigen nacht, verscheen in de grot en omhelsde Valentin met een hartelijken kus.Toen het ontbijt was afgeloopen werden de paarden gezadelden gingmen op weg.»Waar voert gij mij heen, kind?” vroeg Mme. Guillois aan haar zoon. »Gij weet wel dat ik u voortaan geheel toebehoor en dat het alleen uw plicht is voor mij te zorgen.”»Wees niet ongerust, moeder,” antwoordde hij, »al zijn wij in de woestijn, ik heb voor u eene schuilplaats gevonden, waar het mij mogelijk zal zijn u ten minste eenmaal ’s weeks te komen zien.”Gelijk alle mannen met een vast en welberaden karakter begaafd, had Valentin, in plaats van het bezwaar te vermijden het liever fiks onder de oogen willen zien, wel overtuigd dat hoe stouter hij het aantastte, hoe korter het ook duren en hoe spoediger het hem gelukken zou de gevolgen er van af te wenden.Onwillekeurig deed de oude vrouw haar paard stilstaan en zag haar zoon aan met de oogen vol tranen.»Wat zegt ge daar toch, Valentin?” vroeg zij met eene bevende stem, »gaat gij mij verlaten?”»Gij begrijpt mij verkeerd, moeder,” antwoordde hij, »na eene zoo lange scheiding zou ik zeker nooit kunnen besluiten om mij van u te verwijderen.”»Helaas!” zuchtte zij.»Hoor eens, moeder,” vervolgde hij bedaard, »een ding moet gij steeds in het oog houden, namelijk dat men in de woestijn geheel anders leeft dan in de beschaafde wereld.”»Dat weet ik reeds!” zuchtte zij op nieuw.»Goed dan,” hernam hij; »het leven hier heeft zijne eischen die te veel zouden zijn om u thans uit te leggen, maar die onophoudelijk heen en weder trekken noodzakelijk maken; nu eens zijn wij hier, dan weder daar, zonder blijkbare reden, levende van den eenen dag op den anderen en daarbij altoos te paard.”»Wat ik u bidden mag, mijn beste, laat mij toch niet langer lijden, maar zeg mij in eens waar gij op doelt.”»Hierop moeder, dat dit leven, vol onrust, vermoeienis en gevaren, zijne eigenaardige bekoorlijkheden kan hebben voor een jong mensch als ik, met mijn ijzeren temperament sinds lang tegen allerlei ongemakken gehard, maar dat het stoffelijk onmogelijk is voor eene vrouw op uwe jaren, zoo zwak en ziekelijk als gij zijt; daarbij zijt gij mijn eenigst goed, mijn dierbaarste schat, moeder lief! ik heb u als door een wonder teruggevonden en ik zou u gaarne zoo lang mogelijk behouden; daarom wil en mag ik u niet langer uit zwakke toegevendheid blootstellen aan vermoeienissen en ontberingen die gij geen acht dagen zoudt kunnen volhouden.”»En wat dan?” vroeg de moeder schroomvallig, terwijl zij zich tegen wil en dank overwonnen gevoelde door de nadrukkelijke wijs waarop de jongman gesproken had.»Ik zal u zeggen waar ik toe besloten heb,” hervatte hij opvleienden toon: »daar ik niet wil dat gij langer ongemak lijdt heb iktevens gezorgd dat wij, zoo al niet gedurig, dan ten minste zoo dicht mogelijk bij elkander zullen zijn.”»Och ja!” riep zij, »u te zien, mijn jongen, u altijd te zien, meer verlang ik niet; wat geef ik om al het andere als ik u maar bij mij heb, om u te troosten als gij treurig zijt en om te deelen in uw geluk als gij blijde zijt.”»Moeder,” vervolgde de jager, »ik geloof dat ik de zaken zoo goed mogelijk heb overlegd; vader Seraphin zal u wel nader bewijzen dat elke andere schikking eene dwaasheid zou geweest zijn.”»Als het niet anders wezen kan,” mompelde zij.»Ik breng u thans naar een dorp der Comanchen in wier stam ik als zoon ben aangenomen, hun opperhoofd bemint mij als een broeder; dat dorp ligt nauwelijks eenige mijlen van hier; daar zijt gij onder goede vrienden die u achten, eerbiedigen en liefhebben en u met weldaden overladen zullen,”»Maar gij dan, mijn jongen?”»Ik; moeder, ik kom u zoo dikwijls bezoeken als ik kan en ik verzeker u dat er maar weinig dagen voorbij zullen gaan dat ik u niet zie.”»Helaas, en gij, mijn arme jongen, waarom wilt gij toch zoo volstrekt dat leven vol gevaar en vermoeienis voortzetten? Wij zouden samen zoo gelukkig kunnen zijn, als gij maar wildet, en stil kunnen leven in een klein dorp in ons vaderland; zijt gij Frankrijk reeds vergeten, mijn jongen?”Valentin zuchtte.»Neen, moeder,” zeide hij zwaarmoedig, »sedert ik u weder zag zijn al de herinneringen mijner jeugd ik weet niet hoe sterk in mij herleefd, en is het oude verlangen om Frankrijk nog eens weder te zien, dat verlangen dat ik reeds dood waande, in mij ontwaakt; u te zien heeft mij doen begrijpen dat men niet van goeder harte en ongestraft de genoegens van den vaderlandschen haard kan verloochenen, die men niet eer leert waardeeren voor dat men ze niet meer genieten kan. Ook bestaat bij mij het vaste voornemen om met u weldra dit eenzame land te verlaten en naar Frankrijk terug te keeren.”»Helaas!” riep zij op een zacht verwijtenden toon, »wij zouden daar zoo gelukkig zijn; waarom gaan we er dan niet dadelijk naar terug?”»Omdat dit onmogelijk kan, moedertje; ik heb hier een heiligen plicht te volbrengen; maar ik geef u mijn woord van eer, als ik dien plicht heb volbracht en weder vrij ben blijven wij geen uur langer hier. Heb dus geduld, moeder; misschien vertrekken wij reeds over twee maanden naar Frankrijk.”»God geve het! mijn zoon,” zei de oude vrouw treurig. »Enfin, het moet dan maar gaan zoo als gij zegt, ik zal geduld hebben.”»Ik zeg u dank, moeder, uwe toegevendheid maakt mij gelukkiger dan ik u zeggen kan.”De oude vrouw zuchtte, maar sprak niet verder.De kleine karavaan vervolgde in stilte haar tocht in de richting van het dorp der Comanchen, daar zij tegen drie ure in den namiddag aankwam.»Moeder,” riep Valentin, »gij weet nog niets van de leefwijze der Indianen; maak u dus niet ongerust over hetgeen gij hier hooren zult.”»Ik ben immers bij u?” riep zij, »waar zou ik bang voor zijn?”»O!” riep hij vergenoegd, »gij zijt de moedige vrouw naar het Evangelie.”»Helaas! neen,” antwoordde zij met een gesmoorden zucht, »gij bedriegt u al te zeer, mijn jongen; ik ben maar eene arme oude vrouw die haar zoon lief heeft, niet meer.…”
Men moet zelf lange jaren in den vreemde hebben geleefd, verwijderd van geliefde vrienden en betrekkingen, door onmetelijke afstanden van hen gescheiden en zonder hoop van hen ooit weêr te zien, om de zoete en tegelijk smartelijke gewaarwordingen te begrijpen, die Valentin ondervond toen hij zijne moeder wederzag.
Wij, die een zeer groot en misschien het beste deel van ons leven in de wildernissen der nieuwe wereld hebben doorgebracht, te midden van de woeste horden die er rondzwerven, talen sprekende geheel buiten eenige gelijkenis met de onze, overgegeven aan zeden en gewoonten die geheel van de onze verschillen, wij herinneren ons levendig welk eene aandoening zich van ons meester maakte, wanneer somtijds een verdoold reiziger ons ontmoette en ons den voor ons hart altoos dierbaren en heiligen naam van Frankrijk deed hooren.
Die naam herinnert ons alles: de familie, de vriendschap, het geluk, drie woorden die het gansche menschelijk bestaan insluiten.
O! dan schijnt de ballingschap erger dan de dood.
Het is eene altijd opene, altijd bloedende wond, die de tijd in plaats van te verminderen en te verzachten steeds doet toenemen, met ieder uurja met iedere minuut, en eindelijk verandert in zulk eene onweerstaanbare behoefte, om al was het maar voor een uur de geboortelucht weder in te ademen, dat daaruit vaak de verschrikkelijke en ongeneeslijke kwaal ontstaat, die de doctors het heimwee noemen.
Dan komt het oogenblik, waarop de mensch buiten zijn vaderland omdolende een onverwinnelijk verlangen gevoelt om het weder te zien, en zijne moedertaal te hooren spreken; geen fortuin, geluk of eer kunnen tegen dat verlangen opwegen.
De Franschman is wellicht meer dan eenig ander aan zijn vaderland gehecht en dit gevoel is bij hem zoo levendig, dat hij nauwlijks eenige jaren uit Frankrijk verwijderd is of hij verlaat alles om er terug te keeren, al waren zijne omstandigheden in den vreemde ook nog zoo voordeelig.
Valentin althans had gedurende de vele jaren die hij in de woestijn had doorgebracht de herinnering aan zijn geboorteland levendig bewaard.
Menigmaal, terwijl hij met pater Seraphin uren lang zat te keuvelen, sprak hij hem van zijne moeder, als van die goede vrome vrouw, die hij nu helaas! niet meer hopen dorst weder te zien, daar hij zijnen hartelijken wensch om naar Frankrijk terug te keeren sedert lang aan de noodzakelijkheid had ten offer gebracht; zijn hartstochtelijk leven in de wildernis bekoorde hem dermate dat iedere overweging er voor moest wijken, inzonderheid na de ongelukken zijner eerste jeugd en de teleurstelling zijner eenige liefde.
Toen hij dus zijne moeder onverwachts terugvond en begreep dat zij nu niet meer van hem zou scheiden, gevoelde hij zich onuitsprekelijk gelukkig en had hij kunnen juichen van vreugd.
De man die zoo langen tijd verplicht was geweest zijne gewaarwordingen van vreugd en verdriet in zijn binnenste te begraven, haalde op eens ruimer adem, nu hij het eenigste wezen had wedergevonden daar hij ongeveinsd en zonder terughouding zijn overkropt gemoed aan kon uitstorten.
De behoefte aan mededeeling is een van de dringendste behoeften der menschelijke natuur.
De gansche nacht ging voorbij in teedere gesprekken en scheen hem niets meer dan een aangename en vluchtige droom.
De jagers, die rondom het vuur zaten, luisterden opgetogen naar het gesprek dat tusschen moeder en zoon gevoerd werd in dien toon die uit het hart komt en zoo liefelijk klinkt, terwijl zij elkander de verschillende lotgevallen van hun afwisselend leven vertelden na zulk eene lange scheiding.
Eenige oogenblikken voor zonsopgang echter maakte Valentin er een einde aan en dwong hij zijne moeder om een weinig rust te nemen, daar hij met reden vreesde dat op haar gevorderden leeftijd en na de aandoeningen van dien dag en nacht een al te lang waken voor hare gezondheid schadelijk zou zijn.
Mme. Guillois was er moeielijk toe te bewegen; doch voor de herhaalde vermaningen van haar zoon moest zij zwichten en trok zij zich naar hare kamer in de grot terug.
Zoodra Valentin dacht dat zijne moeder zou zijn gaan slapen, wenkte hij zijne vrienden om naast hem te komen zitten.
Dezen, wel vermoedende dat hij hun gewichtige zaken had mede te deelen; gehoorzaamden in stilte en wachtten met ongeduld tot hij zou spreken.
Valentin stond op en stapte eene poos het vertrek op en neder met de handen op den rug en de wenkbrauwen samengetrokken.
»Caballeros,” sprak hij eindelijk op gestrengen toon, »de dag komt spoedig aan, het is de moeite niet meer waard voor u om aan slapen te denken, weest dus zoo goed mij met uw goeden raad te helpen.”
»Spreek slechts, vriend,” zei pater Seraphin, »gij weet wel dat wij u allen van harte zijn toegedaan.”
»Dat weet ik, en gij meer dan iemand, vader,” antwoordde Valentin, »ik zal u eeuwig dankbaar zijn voor de groote dienst die gij mij bewezen hebt; gij weet wel dat ik nooit iets vergeet; als het oogenblik komen zal waarop ik u mijne schuld kan afdoen, moogt gij zeker zijn dat ik die zal betalen.”
»Laat dat buiten aanmerking, vriend,” zei de missionaris, »ik wist hoeveel gij van uwe moeder hieldt en hoe vurig gij verlangdet haar weder te zien, ik deed dus niet meer dan ieder weldenkende in mijn plaats zou gedaan hebben; laten wij er niet verder van spreken bid ik u, ik verg geene andere belooning dan dat ik weet dat gij gelukkig zijt.”
»Dat ben ik, beste vriend,” riep de jager in vervoering, »meer dan ik u zeggen kan; maar het is juist mijn geluk dat mij in angst brengt. Mijne moeder is wel is waar bij mij, maar helaas! gij weet aan welke bezwaren ons leven in de woestijn bloot staat, alles is hier onrust en strijd; in deze oogenblikken vooral zijn wij op het spoor van een onverzoenlijke wraak. Is het voegzaam om van deze gevaren en bezwaren mijne moeder deelgenoot te maken, eene vrouw van gevorderden leeftijd, en daarbij wankelende gezondheid? Kunnen wij zonder wreed te zijn haar verplichten ons te volgen bij het nazetten van den booswicht dien wij zoeken? Neen, immers? Niemand uwer, daar ben ik zeker van, zal mij dit aanraden; maar wat dan gedaan? Mijne moeder kan evenmin alleen in deze grot blijven, verlaten, verstoken van alle hulp en aan allerlei ontbering ten prooi; daar wij niet weten waartoe de plicht dien wij met eede bezworen hebben ons morgen heen zal roepen. Aan den anderen kant, zal mijne moeder, die zoo blijde is met onze vereeniging, zoo gereedelijk bewilligen in eene al was het slechts voorloopige scheiding, die intusschen naar gelang der omstandigheden een onbepaalden tijd duren kan? Ik verzoek u dus, mijne eenige en ware vrienden, geeft mijallen uw raad, want ik kom er rond voor uit, ik weet niet welke partij ik kiezen zal; spreekt, mijne vrienden, zegt mij wat ik doen moet.”
Er volgde van de zijde der jagers eene langdurige stilte.
Ieder begreep de verlegenheid van Valentin; maar om hem te helpen was het middel zeer moeielijk te vinden, daar allen evenzeer bezield waren met de gedachte om den Roode-Ceder geen rust te laten, maar hem tot het uiterste te vervolgen tot hij de billijke straf voor zijne wandaden ontvangen had.
Zoo als gewoonlijk, kreeg ook in deze omstandigheden de eigenbaat en het partijbelang de overhand boven de vriendschap. Alleen vader Seraphin, die zich de zaak minder persoonlijk aantrok beschouwde haar uit het rechte oogpunt; ook was hij de eerste die het woord opnam.
»Mijn vriend,” antwoordde hij, »alles wat gij ons gezegd hebt is maar al te waar, ik neem op mij om uwe moeder tot rede te brengen: zij zal en moet zoo ik vertrouw begrijpen, hoe noodig het is dat zij naar de bewoonde wereld terugkeert, vooral in een getijde des jaars als waarin wij ons thans bevinden; alleen moeten wij zien hare gevoeligheid niet te kwetsen en haar met een zacht lijntje naar Mexico trachten over te brengen, zonder van de scheiding te spreken, die zij nog meer ducht dan gij zelf. Gedurende de reis van hier naar de grenzen der beschaving zullen wij trachten haar langzamerhand op de zaak voor te bereiden, zoodat de slag haar minder zwaar treffen zal wanneer het oogenblik van scheiden werkelijk komt. Dit is zoo ik meen het eenige wat gij in de gegeven omstandigheden doen kunt en doen moet. Denk hierover eens ernstig na, vindt gij een beter plan dan het mijne, ik zal de eerste zijn om er mij naar te schikken.”
»Uw raad is inderdaad de beste dien men mij geven kan,” zei Valentin met warmte, »en ik haast mij dien aan te nemen. Gij zijt alzoo gereed, vader, ons tot aan de grenzen te vergezellen?”
»Zonder twijfel, vriend; en verder zelfs, als het wezen moest. Maak u dus deswege niet ongerust; het is nu maar de vraag naar welk punt wij ons begeven zullen.”
»Dat is waar!” riep Valentin; »maar dat is juist moeielijk genoeg. Ik zou mijne moeder liefst willen logeeren op eene plantage die niet te ver afgelegen was, zoodat ik haar dikwijls zou kunnen gaan zien, maar toch ver genoeg verwijderd van de wildernis om gedekt te zijn tegen alle gevaar.”
»Maar,” zei don Miguel, »goede vriend, als wij dan eens naar mijne hacienda trokken in den omtrek van Paso del Norte, mij dunkt die is er uitmuntend geschikt toe, te meer daar zij uwe moeder al de waarborgen van gemak en veiligheid aanbiedt die gij voor haar verlangen kunt.”
»Inderdaad,” riep Valentin, »mijne moeder zou zich nergens beterbevinden dan in uwe hacienda, ik zeg u hartelijk dank voor uw aanbod, maar ongelukkigerwijs kan ik het niet aannemen.”
»Waarom niet?”
»Wel, mijn hemel! die reden is zoo klaar als de dag, het is dat uwe hacienda te ver van ons af is.”
»Denkt gij dat?” vroeg don Miguel.
Valentin moest tegen wil en dank glimlachen om deze vraag van denhacendero.
»Vriend,” zeide hij zachtzinnig, »sedert onze intrede in de woestijn hebben wij, door de omstandigheden gedrongen, zoo vele omwegen moeten maken, dat gij alle besef en berekening van afstand verloren hebt en volstrekt niet meer schijnt te weten hoe vele mijlen wij hier van Paso del Norte verwijderd zijn.”
»Op mijn eer! dat moet ik bekennen,” zei don Miguel verwonderd; »met dat al geloof ik niet dat wij er zoo heel ver af zijn.”
»Hoe ver denkt gij?”
»Wel! honderd vijftig mijlen op zijn verst.”
»Mijn goede vriend,” riep Valentin hoofdschuddend, »gij zijt de rekening ver mis: wij zijn hier meer dan zeven honderd mijlen ver van Paso del Norte, en dat is de naaste grens der beschaafde wereld.”
»Te duivel!” riep dehacendero, »dat zou ik nooit hebben gedacht.”
»En dan nog,” vervolgde Valentin, »van de stad Paso del Norte tot naar uwe hacienda bedraagt ongeveer vijftig mijlen, niet waar?”
»Ja, ongeveer.”
»Gij ziet dus, vriend, dat ik tot mijn groote spijt uw edelmoedig aanbod onmogelijk kan aannemen.”
»Wat dan gedaan?” zei generaal Ibanez.
»Dat is netelig genoeg,” antwoordde Valentin, »wij hebben zoo weinig tijd.”
»En wat uwe moeder betreft, die kan niet hier blijven, dat is volslagen onmogelijk,” zei don Miguel.
Volgens zijne gewoonte, had Curumilla het gehouden gesprek in stilte gevolgd zonder een woord in het midden te brengen.
Toen hij evenwel zag dat de jagers het niet eens konden worden, wendde hij zich tot Valentin.
»Een vriend verlangt te spreken,” zeide hij. Allen keken hem aan.
De jagers wisten dat Curumilla nooit het woord nam dan om een raad te geven, die bijna altijd gevolgd werd.
Valentin knikte dus toestemmend.
»Onze ooren zijn geopend, hoofdman,” zeide hij.
Curumilla stond op.
»Koutonepi vergeet iets,” zeide hij.
»Wat vergeet ik?” vroeg de jager.
»Koutonepi is de broeder van den Eenhoorn, den grooten Sachem der Comanchen.”
De Franschman klopte zich met de vuist voor het hoofd van blijdschap.
»’t Is waar ook,” riep hij, »dat ik daaraan niet gedacht heb! Waarlijk hoofdman, gij zijt een man dien de Voorzienigheid ons toezendt, niets ontgaat uw aandacht.”
»Is mijn broeder voldaan?” vroeg Curumilla.
Valentin drukte hem hartelijk de handen.
»Hoofdman,” riep hij, »gij zijt de uitmuntendste man dien ik ken, ik dank u uit grond van mijn hart; overigens hebben wij elkander volkomen begrepen en bij gevolg niets meer te zeggen, nietwaar?”
De Araucaansche Ulmen beantwoordde den handdruk van zijn vriend met de meeste hartelijkheid, ging weder zitten, en trok al zijne besluiten en gewaarwordingen samen in dit eene woord:
»Goed!”
Intusschen hadden de overige personen deze onderhandeling bijgewoond zonder te weten wat zij beteekenen moest. Ofschoon zij reeds lang genoeg met den Araucaan hadden samengeleefd, waren zij nog niet op de hoogte om zijne achterhoudendheid te doorgronden of liever zijn laconisme te begrijpen; zij wachtten dus vol nieuwsgierigheid op de nadere verklaring die Valentin van de weinige woorden tusschen hem en den Ulmen gewisseld, geven zou.
»Onze vriend Curumilla heeft op eens den uitweg gevonden daar wij ons zoo stomp op hebben gedacht,” riep Valentin met drift.
»Hoedat? verklaar u, vriend,” zei don Miguel.
»Begrijpt gij dat niet?” vroeg Valentin.
»Op mijn woord niet.”
»Het is toch dood eenvoudig,” hernam de jager, »ik ben sinds lang door de Comanchen aangenomen; ik ben een lid van den stam van den Eenhoorn; dat opperhoofd zal gewis niet weigeren mijne moeder te huisvesten en te beschermen. De Roodhuiden houden veel van mij, de Eenhoorn is mij onbepaald toegedaan, ik ben zeker dat de Indianen mijne moeder zullen verzorgen en koesteren alsof ik het zelf deed, en buiten dat zal ik haar nu zoo dikwijls kunnen gaan bezoeken als ik verkies of de omstandigheden mij gedoogen.”
»Canarios!” riep generaal Ibanez, »’t is op mijn woord waar. Hoofdman,” vervolgde hij terwijl hij den Araucaan vroolijk op den schouder klopte, »ik moet ronduit bekennen, wij allen zijn niets dan domkoppen en gij hebt meer verstand in uw pink, dan wij in ons geheele lijf.”
De beraadslaging had lang genoeg geduurd, de zon was reeds een uur op eer zij geëindigd was.
Mme. Guillois, na een kort maar verkwikkelijk slaapje geheel bekomen van de aandoeningen van den vorigen nacht, verscheen in de grot en omhelsde Valentin met een hartelijken kus.
Toen het ontbijt was afgeloopen werden de paarden gezadelden gingmen op weg.
»Waar voert gij mij heen, kind?” vroeg Mme. Guillois aan haar zoon. »Gij weet wel dat ik u voortaan geheel toebehoor en dat het alleen uw plicht is voor mij te zorgen.”
»Wees niet ongerust, moeder,” antwoordde hij, »al zijn wij in de woestijn, ik heb voor u eene schuilplaats gevonden, waar het mij mogelijk zal zijn u ten minste eenmaal ’s weeks te komen zien.”
Gelijk alle mannen met een vast en welberaden karakter begaafd, had Valentin, in plaats van het bezwaar te vermijden het liever fiks onder de oogen willen zien, wel overtuigd dat hoe stouter hij het aantastte, hoe korter het ook duren en hoe spoediger het hem gelukken zou de gevolgen er van af te wenden.
Onwillekeurig deed de oude vrouw haar paard stilstaan en zag haar zoon aan met de oogen vol tranen.
»Wat zegt ge daar toch, Valentin?” vroeg zij met eene bevende stem, »gaat gij mij verlaten?”
»Gij begrijpt mij verkeerd, moeder,” antwoordde hij, »na eene zoo lange scheiding zou ik zeker nooit kunnen besluiten om mij van u te verwijderen.”
»Helaas!” zuchtte zij.
»Hoor eens, moeder,” vervolgde hij bedaard, »een ding moet gij steeds in het oog houden, namelijk dat men in de woestijn geheel anders leeft dan in de beschaafde wereld.”
»Dat weet ik reeds!” zuchtte zij op nieuw.
»Goed dan,” hernam hij; »het leven hier heeft zijne eischen die te veel zouden zijn om u thans uit te leggen, maar die onophoudelijk heen en weder trekken noodzakelijk maken; nu eens zijn wij hier, dan weder daar, zonder blijkbare reden, levende van den eenen dag op den anderen en daarbij altoos te paard.”
»Wat ik u bidden mag, mijn beste, laat mij toch niet langer lijden, maar zeg mij in eens waar gij op doelt.”
»Hierop moeder, dat dit leven, vol onrust, vermoeienis en gevaren, zijne eigenaardige bekoorlijkheden kan hebben voor een jong mensch als ik, met mijn ijzeren temperament sinds lang tegen allerlei ongemakken gehard, maar dat het stoffelijk onmogelijk is voor eene vrouw op uwe jaren, zoo zwak en ziekelijk als gij zijt; daarbij zijt gij mijn eenigst goed, mijn dierbaarste schat, moeder lief! ik heb u als door een wonder teruggevonden en ik zou u gaarne zoo lang mogelijk behouden; daarom wil en mag ik u niet langer uit zwakke toegevendheid blootstellen aan vermoeienissen en ontberingen die gij geen acht dagen zoudt kunnen volhouden.”
»En wat dan?” vroeg de moeder schroomvallig, terwijl zij zich tegen wil en dank overwonnen gevoelde door de nadrukkelijke wijs waarop de jongman gesproken had.
»Ik zal u zeggen waar ik toe besloten heb,” hervatte hij opvleienden toon: »daar ik niet wil dat gij langer ongemak lijdt heb iktevens gezorgd dat wij, zoo al niet gedurig, dan ten minste zoo dicht mogelijk bij elkander zullen zijn.”
»Och ja!” riep zij, »u te zien, mijn jongen, u altijd te zien, meer verlang ik niet; wat geef ik om al het andere als ik u maar bij mij heb, om u te troosten als gij treurig zijt en om te deelen in uw geluk als gij blijde zijt.”
»Moeder,” vervolgde de jager, »ik geloof dat ik de zaken zoo goed mogelijk heb overlegd; vader Seraphin zal u wel nader bewijzen dat elke andere schikking eene dwaasheid zou geweest zijn.”
»Als het niet anders wezen kan,” mompelde zij.
»Ik breng u thans naar een dorp der Comanchen in wier stam ik als zoon ben aangenomen, hun opperhoofd bemint mij als een broeder; dat dorp ligt nauwelijks eenige mijlen van hier; daar zijt gij onder goede vrienden die u achten, eerbiedigen en liefhebben en u met weldaden overladen zullen,”
»Maar gij dan, mijn jongen?”
»Ik; moeder, ik kom u zoo dikwijls bezoeken als ik kan en ik verzeker u dat er maar weinig dagen voorbij zullen gaan dat ik u niet zie.”
»Helaas, en gij, mijn arme jongen, waarom wilt gij toch zoo volstrekt dat leven vol gevaar en vermoeienis voortzetten? Wij zouden samen zoo gelukkig kunnen zijn, als gij maar wildet, en stil kunnen leven in een klein dorp in ons vaderland; zijt gij Frankrijk reeds vergeten, mijn jongen?”
Valentin zuchtte.
»Neen, moeder,” zeide hij zwaarmoedig, »sedert ik u weder zag zijn al de herinneringen mijner jeugd ik weet niet hoe sterk in mij herleefd, en is het oude verlangen om Frankrijk nog eens weder te zien, dat verlangen dat ik reeds dood waande, in mij ontwaakt; u te zien heeft mij doen begrijpen dat men niet van goeder harte en ongestraft de genoegens van den vaderlandschen haard kan verloochenen, die men niet eer leert waardeeren voor dat men ze niet meer genieten kan. Ook bestaat bij mij het vaste voornemen om met u weldra dit eenzame land te verlaten en naar Frankrijk terug te keeren.”
»Helaas!” riep zij op een zacht verwijtenden toon, »wij zouden daar zoo gelukkig zijn; waarom gaan we er dan niet dadelijk naar terug?”
»Omdat dit onmogelijk kan, moedertje; ik heb hier een heiligen plicht te volbrengen; maar ik geef u mijn woord van eer, als ik dien plicht heb volbracht en weder vrij ben blijven wij geen uur langer hier. Heb dus geduld, moeder; misschien vertrekken wij reeds over twee maanden naar Frankrijk.”
»God geve het! mijn zoon,” zei de oude vrouw treurig. »Enfin, het moet dan maar gaan zoo als gij zegt, ik zal geduld hebben.”
»Ik zeg u dank, moeder, uwe toegevendheid maakt mij gelukkiger dan ik u zeggen kan.”
De oude vrouw zuchtte, maar sprak niet verder.
De kleine karavaan vervolgde in stilte haar tocht in de richting van het dorp der Comanchen, daar zij tegen drie ure in den namiddag aankwam.
»Moeder,” riep Valentin, »gij weet nog niets van de leefwijze der Indianen; maak u dus niet ongerust over hetgeen gij hier hooren zult.”
»Ik ben immers bij u?” riep zij, »waar zou ik bang voor zijn?”
»O!” riep hij vergenoegd, »gij zijt de moedige vrouw naar het Evangelie.”
»Helaas! neen,” antwoordde zij met een gesmoorden zucht, »gij bedriegt u al te zeer, mijn jongen; ik ben maar eene arme oude vrouw die haar zoon lief heeft, niet meer.…”