XXI.CURUMILLA.Eene maand ongeveer na de in ons vorig hoofdstuk verhaalde gebeurtenissen, gedurende de eerste dagen van December, die de Indianen in hun welluidende en bloemrijke taalah-escia kioeska-oni, dat is de maand waarin het hert zijne hoornen afwerpt, noemen, slechts even voor het opgaan der zon, beklauterde een kleine troep bestaande uit vier mannen, aan hunne kleeding gemakkelijk als woudloopers van het Verre Westen te herkennen, een der hoogste toppen der Sierra de los Comanches, eene oostelijke vertakking der Rotsbergen, die zich tot aan Texas uitstrekt en eindigt met den berg Guadalupe.Het was vriezend koud, een dikke laag sneeuw bedekte de zijdender bergen. Het pad door de stoutmoedige avonturiers gevolgd was zoo kantelig en steil, dat zij, ofschoon aan het reizen in deze streken gewoon, meermalen genoodzaakt waren hunne geweren op den rug te werpen en op handen en voeten voort te kruipen.Doch geen moeielijkheid schrikte hen af, geene hindernis was sterk genoeg om hun tot terugkeeren te nopen.Slechts nu en dan, door vermoeienis uitgeput en dampend van zweet, bleven zij staan om adem te scheppen, of strekten zich op de sneeuw uit, grepen er eenige handvollen van om er hun dorst mede te lesschen, en dan, als zij een weinig uitgerust waren, hervatten zij vol moed hun tocht en beklauterden op nieuw de eeuwige ijsvelden wier reusachtige massa’s met iederen stap scherper en meer afgebrokkeld werden.Waren deze lieden wellicht aan het opsporen van een bruikbaren weg in dezen woesten en schier ontoegankelijken doolhof van bergen, die de spitsen rondom hen onmetelijk hoog in het bevrozen luchtgewest opstaken?Of wilden zij misschien om andere, hun alleen bekende, redenen een zeker punt bereiken, dat hun een gewenscht vergezicht over het omliggende land zou aanbieden?Zoo dit laatste werkelijk hun doel was, zagen zij zich niet bedrogen. Toen zij na duizende moeielijkheden eindelijk den top van de bergspits bereikten, hadden zij op eens een landschap voor oogen, dat hen met verbazing vervulde door zijne ontzaggelijke uitgestrektheid.Naar welken kant zij ook hunne blikken lieten weiden, werden zij overstelpt door de grootschheid van het panorama dat zich voor hunne voeten ontrolde.Inderdaad de Rotsbergen zijn zonderlinge bergen, zij zijn eenig op de wereld en gelijken in niets naar de Pyreneën, de Alpen, de Apennijnen en ieder andere bergketen, die van afstand tot afstand het oude halfrond onteffenen en wier besneeuwde kruinen in naam huns makers met het hoogmoedige menschdom schijnen te spotten.De jagers overzweefden, om zoo te zeggen, met hun blik de lager gelegen aarde.Boven hen verhief zich echter nog de Sierra de los Comanches, een eenige ontzaggelijk hooge berg, in verscheidene besneeuwde kegels verdeeld, met tallooze kantelige spitsen, dreigende klippen, diepe en schrikwekkende steilten, sombere afgronden en rotskloven, schitterende meren en schuimende watervallen, die met donderend geraas van rots tot rots in de diepte afstortten. Verderop, aan gene zijde van deze woeste gevaarten, verloor het oog der jagers zich in een landschap zonder grenzen, dat zich in alle richtingen, tot aan den benevelden horizon uitbreidde, als een onafzienbare zee bij windstilte.Dank zij de klare doorzichtigheid des dampkrings, konden de avonturiersde kleinste voorwerpen tot op verbazenden afstand onderscheiden.Met dat al hadden zij naar alle waarschijnlijkheid, hunne gevaarvolle beklimming niet uit louter nieuwsgierigheid ondernomen. De wijze waarop zij het landschap bespiedden en de bijzonderheden van het onmetelijk panorama aan hunnen voet opnamen, bewees integendeel dat er voor hen zeer gewichtige redenen moesten bestaan hebben, om zoovele schier onoverkomelijke moeielijkheden te trotseeren, als zij tot hiertoe overwonnen hadden alvorens hun tegenwoordig standpunt te bereiken.De groep gevormd door deze mannen, met hunne verweerde gezichten, krachtvolle trekken en schilderachtige kostumen, terwijl zij daar stonden te leunen op hunne wapenen, het voorhoofd gefronst en de oogen naar de onafzienbare ruimte gericht, had iets groots en om zoo te zeggen iets veegs op deze onmetelijke hooge, eenzame bergspits, eene met eeuwige sneeuw bedekte klip, wier steile massa hun tot voetstuk diende, te midden der woeste, van duizend eeuwen getuigende omkeeringen en beroeringen der natuur, die hen van alle zijden omgaf.Een geruimen tijd stonden zij dus zwijgend en met starenden blik, en zochten in de kronkelingen der gletschers en in de bochtige rotskammen iedere oneffenheid van het terrein te bespieden, zonder te hooren naar het donderend geklater der stortvloeden die aan hunne voeten neerstortten of naar het somber gebots der sneeuwvallen, die langs de steilten afgleden om in lagere valleien neer te tuimelen, boomen en rotsklompen in hun val medeslepend.Een geruimen tijd stonden zij dus zwijgend en met starenden blik. bladz. 147.Een geruimen tijd stonden zij dus zwijgend en met starenden blik.bladz. 147.Eindelijk streek één van hen, die het hoofd van den troep scheen te zijn, zich eenige malen met den rug van zijne rechterhand over het klamme voorhoofd, dat ondanks de felle koude in deze bevrozen luchtstreek, dampte van het zweet en wendde zich tot zijne kameraden.»Vrienden,” zeide hij, »wij zijn hier meer dan twintig duizend voet boven het waterpas der vlakte, met andere woorden, wij staan hier eindelijk op de hoogte, waar de Indiaan zich verbeeldt, na zijnen dood, voor het eerst het land der zielen en de jachtvelden der gezaligden te zullen aanschouwen, het heerlijke verblijf der rechtvaardige, vrije en heldenmoedige krijgslieden! Alleen de arenden zouden zich hooger kunnen verheffen dan wij!”»Ja,” antwoordde een zijner kameraden, onvoldaan het hoofd schuddende, »maar hoe langer ik hier aan alle zijden uitkijk, hoe minder mogelijkheid ik voor ons zie om te ontsnappen.”»Hum! generaal,” hervatte de eerste spreker, »wat durft gij zeggen, God behoede ons! Als men u hoorde, zou men haast denken dat gij gaat wanhopen.”»Nu ja,” riep deze, die niemand anders was dan de generaal Ibanez, »dat is eene veronderstelling die niet ver van de waarheid is;hoor eens, moedige vriend, het is nu bijna tien dagen dat wij ons hier in die verwenschte bergen verliezen, te midden van sneeuw en ijs, zonder een stukje wild te vinden om ons te verkwikken, en dat enkel met het doel om het verblijf te ontdekken van dien ouden schurk den Roode-Ceder; ik moet u ronduit bekennen, niet dat ik begin te wanhopen, maar toch dat ik begin te twijfelen of wij ooit zonder een wonderwerk uit den eindeloozen chaos zullen komen, binnen welken wij hier zijn opgesloten.”Valentin schudde eenige malen het hoofd. Onze vijf bergenbeklimmers waren inderdaad de Gids der Prairiën en zijne vrienden.»Laat het zijn zoo het wil,” hervatte generaal Ibanez, »maar gij zult moeten toestemmen dat onze positie, in plaats van te verbeteren, met ieder oogenblik moeielijker wordt.”»Sedert twee dagen zijn onze levensmiddelen geheel opgeteerd, en ik zie niet hoe wij in dit bevrozen geweest andere zullen krijgen.De Roode-Ceder heeft ons gefopt met zijne duivelsche sluwheid die hem nog nooit in den steek liet; hij heeft ons een strik gespannen daar wij niet weder uit kunnen komen en naar ’t schijnt den dood zullen vinden.”Er volgde eene akelige stilte.Het was een hartbrekend schouwspel, zulke verstaalde gemoederen tot wanhoop te zien gebracht, te midden der stiefmoederlijke natuur die hen allerwege insloot, terwijl zij in koelen bloede berekenden hoe weinige levensuren hun nog overschoten.Zich nauwelijks kunnende staande houden, geleken zij meer naar lijken dan naar levende menschen; met hunne verbleekte gelaatstrekken, koortsachtig roode oogen, ten prooi aan den snerpendsten honger, stonden zij daar kalm en gelaten, en zagen aan hunne voeten de prachtige velden zich ontrollen, waar duizende dieren vroolijk rond huppelden en aan alle zijden welig geboomte groeide, welks verkwikkende vruchten hen in weinig minuten hadden kunnen verzadigen.Maar tusschen die velden en hen zelven verhief zich een onoverkomelijke scheidsmuur door geen menschelijke kracht of list omver te werpen; alles wat menschen vermochten om zich te redden hadden zij sinds tien dagen vruchteloos beproefd. Al hunne plannen waren mislukt door eene noodlottige onvermijdelijkheid, die hen gedurig als in een kring had doen rondloopen te midden dezer woeste bergstreken, waar al hunne pogingen tot behoud telkens werden te leur gesteld.»Vergeef het mij, mijne vrienden,” zeide don Miguel de Zarate op een toon van innige droefheid, »vergeef het mij! ik ben de eenige oorzaak van uw dood.”»Spreek niet alzoo! caballero,” riep Valentin schielijk; »alles is nog niet verloren.”Een treurige glimlach plooide zich om de lippen van denhacendero.»Gij zijt altijd dezelfde, don Valentin,” zeide hij, »altijd goed en edelmoedig, u zelven opofferende voor uwe vrienden.”»Helaas! als wij uw raad hadden gevolgd, zouden wij er niet toe gebracht zijn om in deze doodsche bergen van honger en gebrek om te komen.”»Goed, goed!” bromde de jager met eene gesmoorde stem, »wat voorbij is, is voorbij; misschien ware het beter geweest zoo gij een paar dagen geleden mijn raad hadt gevolgd, dat beken ik; doch waartoe verwijtingen? Zoeken wij liever naar middelen om weg te komen.”»Helaas! dat is onmogelijk,” antwoordde don Miguel moedeloos, terwijl hij met het hoofd op de beide handen gesteund, verzonk in somber nadenken.»Caraï!” riep de jager met een nationalen bluf, »onmogelijk, is een woord dat wij Franschen in ons woordenboek hebben doorgeschrapt.Vive Dios!zoo lang het hart nog klopt in de borst, is er hoop. Al ware de Roode-Ceder nog listiger en doortrapter dan hij is, hetgeen moeielijk gaan zou, zweer ik u dat wij hem zullen vinden en van hier weg komen.”»Maar hoe dan?” vroeg don Pablo met drift.»Dat weet ik niet; maar ik ben zeker dat wij ontsnappen zullen.”»Ja, als wij maar eerst waren waar die twee ruiters zich bevinden,” zuchtte de generaal, »dan waren we gered.”»Van welke ruiters spreekt gij, generaal? waar ziet gij hen? zeg!” riep de jager.De generaal wees met de hand in de richting van het noordoosten.»Daar,” zeide hij, »daar ginds, bij dat boschje steeneiken.… Ziet gij ze niet?”»Ja,” antwoordde Valentin, »zij gaan rustig voort, als lieden die weten dat zij op den rechten weg zijn en niets te vreezen hebben.”»Zij zijn wel gelukkig!” mompelde de generaal.»Bah! wie weet wat hen wacht, als de weg een keer neemt, dien zij thans zoo ongestoord volgen; niemand is gewaarborgd tegen de volgende minuut; zij zijn op den weg van Independencia naar Santa Fé.”»Hm! ik woû dat ik er ook op was,” prevelde de generaal binnensmonds.Valentin, die de twee reizigers in ’t eerst nauwelijks een blik waardig keurde, volgde hen thans met de meeste belangstelling, ja schier met bezorgdheid; doch weldra verdwenen zij in een bocht van den weg.Intusschen hield de jager nog altijd de oogen op het punt gericht waar hij hen het laatst gezien had; allengs trokken zijne wenkbrauwen zich donker samen, een diepe groef rimpelde zijn voorhoofd en hij bleef onbewegelijk en zwijgend op zijn jagersbuks geleund staan, maar blijkbaar was hij aan de levendigste ontroering ten prooi.Onwillekeurig staarden zijne kameraden met klimmende belangstelling naar de peinzende houding van den jager en lazen om zoo te zeggen den gang zijner gedachten op zijn breede voorhoofd.Hij bleef nog een geruime poos in zich zelven gekeerd staan.Eindelijk richtte hij het hoofd op en wierp een helderen stoutmoedigen blik om zich heen.»Mijne vrienden,” zeide hij met eene vroolijke stem terwijl hij met de kolf van zijn geweer op de ijskorst stampte, »schept nieuwen moed, ik geloof dat ik voor ditmaal het middel heb gevonden om uit de klem te geraken waarin wij ons hier geknepen zien.”Zijne kameraden slaakten een zucht van verademing, bijna van blijdschap.Zij kenden den jager, en wisten bij ondervinding hoe vruchtbaar het vernuft van dien onverschrokken en trouwhartigen man was in het uitdenken van hulpmiddelen in den nood, en stelden dus in hem het volste vertrouwen.Valentin had hun gezegd dat hij hen zou redden, zij geloofden het.Welke middelen hij daartoe zou gebruiken konden zij niet gissen, maar dat was zijne zaak, niet de hunne. Thans waren zij weder gerust want zij hadden zijn woord, dat woord dat de Franschman nog nooit gebroken had; zij hadden niet meer te doen dan geduldig het uur hunner bevrijding af te wachten.»Baba!” antwoordde de generaal luchthartig, »ik dacht wel dat gij ons uit den brand zoudt helpen, beste vriend.”»Wanneer vertrekken wij?” vroeg don Pablo.»Zoodra de nacht gedaald is,” antwoordde Valentin, »maar waar is Curumilla?”»Dat weet ik waarachtig niet,” zei de generaal. »Ik zag een half uur geleden dat hij zich van den berg af liet glijden alsof hij ineens gek was geworden; sedert dien tijd heb ik hem niet meer gezien.”»Curumilla doet nooit iets zonder reden,” riep de jager hoofdschuddend, »gij zult hem spoedig zien terug komen.”Werkelijk had de Franschman nauwelijks uitgesproken, of de Indiaan stak zijn hoofd boven den rand van het bergterras, vervolgens zijn halve lijf en met een sprong was hij het volgende oogenblik weder bij zijne vrienden.Zijn zarape, aan de vier hoeken opgenomen en tot een zak geknoopt, hing achter op zijn rug.»Wat brengt gij ons daar toch, hoofdman?” vroeg Valentin glimlachend, »zijn dat misschien levensmiddelen?”»Cuerpo de Christo!” riep de generaal, »die zouden ons welkom zijn, want ik berst van den honger.”»Hoe zou men hier leeftocht kunnen vinden, in deze verfoeielijke streek?” riep don Pablo somber.»Laat mijne broeders maar eens zien!” antwoordde de Indiaan eenvoudig.Hij wierp zijn mantel op de sneeuw, Valentin maakte de knoopen los.De jagers slaakten een kreet van blijde verrassing.In de zarape was een haas, en jonge pecari en verscheidene vogels.Deze voorraad kwam zoo juist van pas, daar de jagers reeds tweemaal vier en twintig uren hadden moeten vasten, dat het schier tooverij geleek.Om de blijdschap der jagers bij het zien dezer zoo begeerde levensmiddelen goed te beseffen, moet men zelf in dergelijk gevaar zijn geweest en het gruwzame van een hopeloozen hongersnood hebben doorgestaan.Het was een uitgelatenheid die bijna grensde aan razernij.Toen de eerste indruk een weinig bedaard was, wendde Valentin zich tot Curumilla en drukte hem dankbaar de hand, terwijl er een traan in zijn oogen blonk.»Is mijn broeder soms eenmachi(toovenaar)?” riep hij.De Ulmen begon te lachen en wees met den arm naar een arend, die op korten afstand van de plaats waar de jagers stonden opvloog en zich hoog in de lucht verhief.»Wij hebben samen gedeeld,” zeide hij.De Franschman slaakte een kreet van verrassing. Alles was hem op eens duidelijk geworden.Curumilla, aan wiens scherpen blik niets ontging, had straks den vogel gezien en dadelijk vermoed dat hij jongen moest hebben, daarop was hij in stilte weggeslopen om het nest op te sporen en er een gedeelte van den voorraad te stelen, terwijl zijne kameraden op de kruin van den berg zich bijna aan de wanhoop prijs gaven.»O!” riep Valentin verheugd, »nu zijn wij wel degelijk gered, daar wij op nieuw krachten zullen bekomen, die wij zoo hoog noodig hebben om het plan dat ik beraamd heb uit te voeren. Volgt mij, vrienden, wij keeren naar ons kamp terug om vroolijk samen te eten, dank zij de goede dienst van den Ulmen; de arenden zullen de kosten betalen en dezen avond gaan wij weder op weg.”Door deze troostvolle woorden versterkt, volgden de jagers hem onmiddellijk en daalde de kleine troep goedsmoeds den berg af, dien zij des morgens met zooveel moeite en met de wanhoop in het hart beklommen hadden.
XXI.CURUMILLA.Eene maand ongeveer na de in ons vorig hoofdstuk verhaalde gebeurtenissen, gedurende de eerste dagen van December, die de Indianen in hun welluidende en bloemrijke taalah-escia kioeska-oni, dat is de maand waarin het hert zijne hoornen afwerpt, noemen, slechts even voor het opgaan der zon, beklauterde een kleine troep bestaande uit vier mannen, aan hunne kleeding gemakkelijk als woudloopers van het Verre Westen te herkennen, een der hoogste toppen der Sierra de los Comanches, eene oostelijke vertakking der Rotsbergen, die zich tot aan Texas uitstrekt en eindigt met den berg Guadalupe.Het was vriezend koud, een dikke laag sneeuw bedekte de zijdender bergen. Het pad door de stoutmoedige avonturiers gevolgd was zoo kantelig en steil, dat zij, ofschoon aan het reizen in deze streken gewoon, meermalen genoodzaakt waren hunne geweren op den rug te werpen en op handen en voeten voort te kruipen.Doch geen moeielijkheid schrikte hen af, geene hindernis was sterk genoeg om hun tot terugkeeren te nopen.Slechts nu en dan, door vermoeienis uitgeput en dampend van zweet, bleven zij staan om adem te scheppen, of strekten zich op de sneeuw uit, grepen er eenige handvollen van om er hun dorst mede te lesschen, en dan, als zij een weinig uitgerust waren, hervatten zij vol moed hun tocht en beklauterden op nieuw de eeuwige ijsvelden wier reusachtige massa’s met iederen stap scherper en meer afgebrokkeld werden.Waren deze lieden wellicht aan het opsporen van een bruikbaren weg in dezen woesten en schier ontoegankelijken doolhof van bergen, die de spitsen rondom hen onmetelijk hoog in het bevrozen luchtgewest opstaken?Of wilden zij misschien om andere, hun alleen bekende, redenen een zeker punt bereiken, dat hun een gewenscht vergezicht over het omliggende land zou aanbieden?Zoo dit laatste werkelijk hun doel was, zagen zij zich niet bedrogen. Toen zij na duizende moeielijkheden eindelijk den top van de bergspits bereikten, hadden zij op eens een landschap voor oogen, dat hen met verbazing vervulde door zijne ontzaggelijke uitgestrektheid.Naar welken kant zij ook hunne blikken lieten weiden, werden zij overstelpt door de grootschheid van het panorama dat zich voor hunne voeten ontrolde.Inderdaad de Rotsbergen zijn zonderlinge bergen, zij zijn eenig op de wereld en gelijken in niets naar de Pyreneën, de Alpen, de Apennijnen en ieder andere bergketen, die van afstand tot afstand het oude halfrond onteffenen en wier besneeuwde kruinen in naam huns makers met het hoogmoedige menschdom schijnen te spotten.De jagers overzweefden, om zoo te zeggen, met hun blik de lager gelegen aarde.Boven hen verhief zich echter nog de Sierra de los Comanches, een eenige ontzaggelijk hooge berg, in verscheidene besneeuwde kegels verdeeld, met tallooze kantelige spitsen, dreigende klippen, diepe en schrikwekkende steilten, sombere afgronden en rotskloven, schitterende meren en schuimende watervallen, die met donderend geraas van rots tot rots in de diepte afstortten. Verderop, aan gene zijde van deze woeste gevaarten, verloor het oog der jagers zich in een landschap zonder grenzen, dat zich in alle richtingen, tot aan den benevelden horizon uitbreidde, als een onafzienbare zee bij windstilte.Dank zij de klare doorzichtigheid des dampkrings, konden de avonturiersde kleinste voorwerpen tot op verbazenden afstand onderscheiden.Met dat al hadden zij naar alle waarschijnlijkheid, hunne gevaarvolle beklimming niet uit louter nieuwsgierigheid ondernomen. De wijze waarop zij het landschap bespiedden en de bijzonderheden van het onmetelijk panorama aan hunnen voet opnamen, bewees integendeel dat er voor hen zeer gewichtige redenen moesten bestaan hebben, om zoovele schier onoverkomelijke moeielijkheden te trotseeren, als zij tot hiertoe overwonnen hadden alvorens hun tegenwoordig standpunt te bereiken.De groep gevormd door deze mannen, met hunne verweerde gezichten, krachtvolle trekken en schilderachtige kostumen, terwijl zij daar stonden te leunen op hunne wapenen, het voorhoofd gefronst en de oogen naar de onafzienbare ruimte gericht, had iets groots en om zoo te zeggen iets veegs op deze onmetelijke hooge, eenzame bergspits, eene met eeuwige sneeuw bedekte klip, wier steile massa hun tot voetstuk diende, te midden der woeste, van duizend eeuwen getuigende omkeeringen en beroeringen der natuur, die hen van alle zijden omgaf.Een geruimen tijd stonden zij dus zwijgend en met starenden blik, en zochten in de kronkelingen der gletschers en in de bochtige rotskammen iedere oneffenheid van het terrein te bespieden, zonder te hooren naar het donderend geklater der stortvloeden die aan hunne voeten neerstortten of naar het somber gebots der sneeuwvallen, die langs de steilten afgleden om in lagere valleien neer te tuimelen, boomen en rotsklompen in hun val medeslepend.Een geruimen tijd stonden zij dus zwijgend en met starenden blik. bladz. 147.Een geruimen tijd stonden zij dus zwijgend en met starenden blik.bladz. 147.Eindelijk streek één van hen, die het hoofd van den troep scheen te zijn, zich eenige malen met den rug van zijne rechterhand over het klamme voorhoofd, dat ondanks de felle koude in deze bevrozen luchtstreek, dampte van het zweet en wendde zich tot zijne kameraden.»Vrienden,” zeide hij, »wij zijn hier meer dan twintig duizend voet boven het waterpas der vlakte, met andere woorden, wij staan hier eindelijk op de hoogte, waar de Indiaan zich verbeeldt, na zijnen dood, voor het eerst het land der zielen en de jachtvelden der gezaligden te zullen aanschouwen, het heerlijke verblijf der rechtvaardige, vrije en heldenmoedige krijgslieden! Alleen de arenden zouden zich hooger kunnen verheffen dan wij!”»Ja,” antwoordde een zijner kameraden, onvoldaan het hoofd schuddende, »maar hoe langer ik hier aan alle zijden uitkijk, hoe minder mogelijkheid ik voor ons zie om te ontsnappen.”»Hum! generaal,” hervatte de eerste spreker, »wat durft gij zeggen, God behoede ons! Als men u hoorde, zou men haast denken dat gij gaat wanhopen.”»Nu ja,” riep deze, die niemand anders was dan de generaal Ibanez, »dat is eene veronderstelling die niet ver van de waarheid is;hoor eens, moedige vriend, het is nu bijna tien dagen dat wij ons hier in die verwenschte bergen verliezen, te midden van sneeuw en ijs, zonder een stukje wild te vinden om ons te verkwikken, en dat enkel met het doel om het verblijf te ontdekken van dien ouden schurk den Roode-Ceder; ik moet u ronduit bekennen, niet dat ik begin te wanhopen, maar toch dat ik begin te twijfelen of wij ooit zonder een wonderwerk uit den eindeloozen chaos zullen komen, binnen welken wij hier zijn opgesloten.”Valentin schudde eenige malen het hoofd. Onze vijf bergenbeklimmers waren inderdaad de Gids der Prairiën en zijne vrienden.»Laat het zijn zoo het wil,” hervatte generaal Ibanez, »maar gij zult moeten toestemmen dat onze positie, in plaats van te verbeteren, met ieder oogenblik moeielijker wordt.”»Sedert twee dagen zijn onze levensmiddelen geheel opgeteerd, en ik zie niet hoe wij in dit bevrozen geweest andere zullen krijgen.De Roode-Ceder heeft ons gefopt met zijne duivelsche sluwheid die hem nog nooit in den steek liet; hij heeft ons een strik gespannen daar wij niet weder uit kunnen komen en naar ’t schijnt den dood zullen vinden.”Er volgde eene akelige stilte.Het was een hartbrekend schouwspel, zulke verstaalde gemoederen tot wanhoop te zien gebracht, te midden der stiefmoederlijke natuur die hen allerwege insloot, terwijl zij in koelen bloede berekenden hoe weinige levensuren hun nog overschoten.Zich nauwelijks kunnende staande houden, geleken zij meer naar lijken dan naar levende menschen; met hunne verbleekte gelaatstrekken, koortsachtig roode oogen, ten prooi aan den snerpendsten honger, stonden zij daar kalm en gelaten, en zagen aan hunne voeten de prachtige velden zich ontrollen, waar duizende dieren vroolijk rond huppelden en aan alle zijden welig geboomte groeide, welks verkwikkende vruchten hen in weinig minuten hadden kunnen verzadigen.Maar tusschen die velden en hen zelven verhief zich een onoverkomelijke scheidsmuur door geen menschelijke kracht of list omver te werpen; alles wat menschen vermochten om zich te redden hadden zij sinds tien dagen vruchteloos beproefd. Al hunne plannen waren mislukt door eene noodlottige onvermijdelijkheid, die hen gedurig als in een kring had doen rondloopen te midden dezer woeste bergstreken, waar al hunne pogingen tot behoud telkens werden te leur gesteld.»Vergeef het mij, mijne vrienden,” zeide don Miguel de Zarate op een toon van innige droefheid, »vergeef het mij! ik ben de eenige oorzaak van uw dood.”»Spreek niet alzoo! caballero,” riep Valentin schielijk; »alles is nog niet verloren.”Een treurige glimlach plooide zich om de lippen van denhacendero.»Gij zijt altijd dezelfde, don Valentin,” zeide hij, »altijd goed en edelmoedig, u zelven opofferende voor uwe vrienden.”»Helaas! als wij uw raad hadden gevolgd, zouden wij er niet toe gebracht zijn om in deze doodsche bergen van honger en gebrek om te komen.”»Goed, goed!” bromde de jager met eene gesmoorde stem, »wat voorbij is, is voorbij; misschien ware het beter geweest zoo gij een paar dagen geleden mijn raad hadt gevolgd, dat beken ik; doch waartoe verwijtingen? Zoeken wij liever naar middelen om weg te komen.”»Helaas! dat is onmogelijk,” antwoordde don Miguel moedeloos, terwijl hij met het hoofd op de beide handen gesteund, verzonk in somber nadenken.»Caraï!” riep de jager met een nationalen bluf, »onmogelijk, is een woord dat wij Franschen in ons woordenboek hebben doorgeschrapt.Vive Dios!zoo lang het hart nog klopt in de borst, is er hoop. Al ware de Roode-Ceder nog listiger en doortrapter dan hij is, hetgeen moeielijk gaan zou, zweer ik u dat wij hem zullen vinden en van hier weg komen.”»Maar hoe dan?” vroeg don Pablo met drift.»Dat weet ik niet; maar ik ben zeker dat wij ontsnappen zullen.”»Ja, als wij maar eerst waren waar die twee ruiters zich bevinden,” zuchtte de generaal, »dan waren we gered.”»Van welke ruiters spreekt gij, generaal? waar ziet gij hen? zeg!” riep de jager.De generaal wees met de hand in de richting van het noordoosten.»Daar,” zeide hij, »daar ginds, bij dat boschje steeneiken.… Ziet gij ze niet?”»Ja,” antwoordde Valentin, »zij gaan rustig voort, als lieden die weten dat zij op den rechten weg zijn en niets te vreezen hebben.”»Zij zijn wel gelukkig!” mompelde de generaal.»Bah! wie weet wat hen wacht, als de weg een keer neemt, dien zij thans zoo ongestoord volgen; niemand is gewaarborgd tegen de volgende minuut; zij zijn op den weg van Independencia naar Santa Fé.”»Hm! ik woû dat ik er ook op was,” prevelde de generaal binnensmonds.Valentin, die de twee reizigers in ’t eerst nauwelijks een blik waardig keurde, volgde hen thans met de meeste belangstelling, ja schier met bezorgdheid; doch weldra verdwenen zij in een bocht van den weg.Intusschen hield de jager nog altijd de oogen op het punt gericht waar hij hen het laatst gezien had; allengs trokken zijne wenkbrauwen zich donker samen, een diepe groef rimpelde zijn voorhoofd en hij bleef onbewegelijk en zwijgend op zijn jagersbuks geleund staan, maar blijkbaar was hij aan de levendigste ontroering ten prooi.Onwillekeurig staarden zijne kameraden met klimmende belangstelling naar de peinzende houding van den jager en lazen om zoo te zeggen den gang zijner gedachten op zijn breede voorhoofd.Hij bleef nog een geruime poos in zich zelven gekeerd staan.Eindelijk richtte hij het hoofd op en wierp een helderen stoutmoedigen blik om zich heen.»Mijne vrienden,” zeide hij met eene vroolijke stem terwijl hij met de kolf van zijn geweer op de ijskorst stampte, »schept nieuwen moed, ik geloof dat ik voor ditmaal het middel heb gevonden om uit de klem te geraken waarin wij ons hier geknepen zien.”Zijne kameraden slaakten een zucht van verademing, bijna van blijdschap.Zij kenden den jager, en wisten bij ondervinding hoe vruchtbaar het vernuft van dien onverschrokken en trouwhartigen man was in het uitdenken van hulpmiddelen in den nood, en stelden dus in hem het volste vertrouwen.Valentin had hun gezegd dat hij hen zou redden, zij geloofden het.Welke middelen hij daartoe zou gebruiken konden zij niet gissen, maar dat was zijne zaak, niet de hunne. Thans waren zij weder gerust want zij hadden zijn woord, dat woord dat de Franschman nog nooit gebroken had; zij hadden niet meer te doen dan geduldig het uur hunner bevrijding af te wachten.»Baba!” antwoordde de generaal luchthartig, »ik dacht wel dat gij ons uit den brand zoudt helpen, beste vriend.”»Wanneer vertrekken wij?” vroeg don Pablo.»Zoodra de nacht gedaald is,” antwoordde Valentin, »maar waar is Curumilla?”»Dat weet ik waarachtig niet,” zei de generaal. »Ik zag een half uur geleden dat hij zich van den berg af liet glijden alsof hij ineens gek was geworden; sedert dien tijd heb ik hem niet meer gezien.”»Curumilla doet nooit iets zonder reden,” riep de jager hoofdschuddend, »gij zult hem spoedig zien terug komen.”Werkelijk had de Franschman nauwelijks uitgesproken, of de Indiaan stak zijn hoofd boven den rand van het bergterras, vervolgens zijn halve lijf en met een sprong was hij het volgende oogenblik weder bij zijne vrienden.Zijn zarape, aan de vier hoeken opgenomen en tot een zak geknoopt, hing achter op zijn rug.»Wat brengt gij ons daar toch, hoofdman?” vroeg Valentin glimlachend, »zijn dat misschien levensmiddelen?”»Cuerpo de Christo!” riep de generaal, »die zouden ons welkom zijn, want ik berst van den honger.”»Hoe zou men hier leeftocht kunnen vinden, in deze verfoeielijke streek?” riep don Pablo somber.»Laat mijne broeders maar eens zien!” antwoordde de Indiaan eenvoudig.Hij wierp zijn mantel op de sneeuw, Valentin maakte de knoopen los.De jagers slaakten een kreet van blijde verrassing.In de zarape was een haas, en jonge pecari en verscheidene vogels.Deze voorraad kwam zoo juist van pas, daar de jagers reeds tweemaal vier en twintig uren hadden moeten vasten, dat het schier tooverij geleek.Om de blijdschap der jagers bij het zien dezer zoo begeerde levensmiddelen goed te beseffen, moet men zelf in dergelijk gevaar zijn geweest en het gruwzame van een hopeloozen hongersnood hebben doorgestaan.Het was een uitgelatenheid die bijna grensde aan razernij.Toen de eerste indruk een weinig bedaard was, wendde Valentin zich tot Curumilla en drukte hem dankbaar de hand, terwijl er een traan in zijn oogen blonk.»Is mijn broeder soms eenmachi(toovenaar)?” riep hij.De Ulmen begon te lachen en wees met den arm naar een arend, die op korten afstand van de plaats waar de jagers stonden opvloog en zich hoog in de lucht verhief.»Wij hebben samen gedeeld,” zeide hij.De Franschman slaakte een kreet van verrassing. Alles was hem op eens duidelijk geworden.Curumilla, aan wiens scherpen blik niets ontging, had straks den vogel gezien en dadelijk vermoed dat hij jongen moest hebben, daarop was hij in stilte weggeslopen om het nest op te sporen en er een gedeelte van den voorraad te stelen, terwijl zijne kameraden op de kruin van den berg zich bijna aan de wanhoop prijs gaven.»O!” riep Valentin verheugd, »nu zijn wij wel degelijk gered, daar wij op nieuw krachten zullen bekomen, die wij zoo hoog noodig hebben om het plan dat ik beraamd heb uit te voeren. Volgt mij, vrienden, wij keeren naar ons kamp terug om vroolijk samen te eten, dank zij de goede dienst van den Ulmen; de arenden zullen de kosten betalen en dezen avond gaan wij weder op weg.”Door deze troostvolle woorden versterkt, volgden de jagers hem onmiddellijk en daalde de kleine troep goedsmoeds den berg af, dien zij des morgens met zooveel moeite en met de wanhoop in het hart beklommen hadden.
XXI.CURUMILLA.
Eene maand ongeveer na de in ons vorig hoofdstuk verhaalde gebeurtenissen, gedurende de eerste dagen van December, die de Indianen in hun welluidende en bloemrijke taalah-escia kioeska-oni, dat is de maand waarin het hert zijne hoornen afwerpt, noemen, slechts even voor het opgaan der zon, beklauterde een kleine troep bestaande uit vier mannen, aan hunne kleeding gemakkelijk als woudloopers van het Verre Westen te herkennen, een der hoogste toppen der Sierra de los Comanches, eene oostelijke vertakking der Rotsbergen, die zich tot aan Texas uitstrekt en eindigt met den berg Guadalupe.Het was vriezend koud, een dikke laag sneeuw bedekte de zijdender bergen. Het pad door de stoutmoedige avonturiers gevolgd was zoo kantelig en steil, dat zij, ofschoon aan het reizen in deze streken gewoon, meermalen genoodzaakt waren hunne geweren op den rug te werpen en op handen en voeten voort te kruipen.Doch geen moeielijkheid schrikte hen af, geene hindernis was sterk genoeg om hun tot terugkeeren te nopen.Slechts nu en dan, door vermoeienis uitgeput en dampend van zweet, bleven zij staan om adem te scheppen, of strekten zich op de sneeuw uit, grepen er eenige handvollen van om er hun dorst mede te lesschen, en dan, als zij een weinig uitgerust waren, hervatten zij vol moed hun tocht en beklauterden op nieuw de eeuwige ijsvelden wier reusachtige massa’s met iederen stap scherper en meer afgebrokkeld werden.Waren deze lieden wellicht aan het opsporen van een bruikbaren weg in dezen woesten en schier ontoegankelijken doolhof van bergen, die de spitsen rondom hen onmetelijk hoog in het bevrozen luchtgewest opstaken?Of wilden zij misschien om andere, hun alleen bekende, redenen een zeker punt bereiken, dat hun een gewenscht vergezicht over het omliggende land zou aanbieden?Zoo dit laatste werkelijk hun doel was, zagen zij zich niet bedrogen. Toen zij na duizende moeielijkheden eindelijk den top van de bergspits bereikten, hadden zij op eens een landschap voor oogen, dat hen met verbazing vervulde door zijne ontzaggelijke uitgestrektheid.Naar welken kant zij ook hunne blikken lieten weiden, werden zij overstelpt door de grootschheid van het panorama dat zich voor hunne voeten ontrolde.Inderdaad de Rotsbergen zijn zonderlinge bergen, zij zijn eenig op de wereld en gelijken in niets naar de Pyreneën, de Alpen, de Apennijnen en ieder andere bergketen, die van afstand tot afstand het oude halfrond onteffenen en wier besneeuwde kruinen in naam huns makers met het hoogmoedige menschdom schijnen te spotten.De jagers overzweefden, om zoo te zeggen, met hun blik de lager gelegen aarde.Boven hen verhief zich echter nog de Sierra de los Comanches, een eenige ontzaggelijk hooge berg, in verscheidene besneeuwde kegels verdeeld, met tallooze kantelige spitsen, dreigende klippen, diepe en schrikwekkende steilten, sombere afgronden en rotskloven, schitterende meren en schuimende watervallen, die met donderend geraas van rots tot rots in de diepte afstortten. Verderop, aan gene zijde van deze woeste gevaarten, verloor het oog der jagers zich in een landschap zonder grenzen, dat zich in alle richtingen, tot aan den benevelden horizon uitbreidde, als een onafzienbare zee bij windstilte.Dank zij de klare doorzichtigheid des dampkrings, konden de avonturiersde kleinste voorwerpen tot op verbazenden afstand onderscheiden.Met dat al hadden zij naar alle waarschijnlijkheid, hunne gevaarvolle beklimming niet uit louter nieuwsgierigheid ondernomen. De wijze waarop zij het landschap bespiedden en de bijzonderheden van het onmetelijk panorama aan hunnen voet opnamen, bewees integendeel dat er voor hen zeer gewichtige redenen moesten bestaan hebben, om zoovele schier onoverkomelijke moeielijkheden te trotseeren, als zij tot hiertoe overwonnen hadden alvorens hun tegenwoordig standpunt te bereiken.De groep gevormd door deze mannen, met hunne verweerde gezichten, krachtvolle trekken en schilderachtige kostumen, terwijl zij daar stonden te leunen op hunne wapenen, het voorhoofd gefronst en de oogen naar de onafzienbare ruimte gericht, had iets groots en om zoo te zeggen iets veegs op deze onmetelijke hooge, eenzame bergspits, eene met eeuwige sneeuw bedekte klip, wier steile massa hun tot voetstuk diende, te midden der woeste, van duizend eeuwen getuigende omkeeringen en beroeringen der natuur, die hen van alle zijden omgaf.Een geruimen tijd stonden zij dus zwijgend en met starenden blik, en zochten in de kronkelingen der gletschers en in de bochtige rotskammen iedere oneffenheid van het terrein te bespieden, zonder te hooren naar het donderend geklater der stortvloeden die aan hunne voeten neerstortten of naar het somber gebots der sneeuwvallen, die langs de steilten afgleden om in lagere valleien neer te tuimelen, boomen en rotsklompen in hun val medeslepend.Een geruimen tijd stonden zij dus zwijgend en met starenden blik. bladz. 147.Een geruimen tijd stonden zij dus zwijgend en met starenden blik.bladz. 147.Eindelijk streek één van hen, die het hoofd van den troep scheen te zijn, zich eenige malen met den rug van zijne rechterhand over het klamme voorhoofd, dat ondanks de felle koude in deze bevrozen luchtstreek, dampte van het zweet en wendde zich tot zijne kameraden.»Vrienden,” zeide hij, »wij zijn hier meer dan twintig duizend voet boven het waterpas der vlakte, met andere woorden, wij staan hier eindelijk op de hoogte, waar de Indiaan zich verbeeldt, na zijnen dood, voor het eerst het land der zielen en de jachtvelden der gezaligden te zullen aanschouwen, het heerlijke verblijf der rechtvaardige, vrije en heldenmoedige krijgslieden! Alleen de arenden zouden zich hooger kunnen verheffen dan wij!”»Ja,” antwoordde een zijner kameraden, onvoldaan het hoofd schuddende, »maar hoe langer ik hier aan alle zijden uitkijk, hoe minder mogelijkheid ik voor ons zie om te ontsnappen.”»Hum! generaal,” hervatte de eerste spreker, »wat durft gij zeggen, God behoede ons! Als men u hoorde, zou men haast denken dat gij gaat wanhopen.”»Nu ja,” riep deze, die niemand anders was dan de generaal Ibanez, »dat is eene veronderstelling die niet ver van de waarheid is;hoor eens, moedige vriend, het is nu bijna tien dagen dat wij ons hier in die verwenschte bergen verliezen, te midden van sneeuw en ijs, zonder een stukje wild te vinden om ons te verkwikken, en dat enkel met het doel om het verblijf te ontdekken van dien ouden schurk den Roode-Ceder; ik moet u ronduit bekennen, niet dat ik begin te wanhopen, maar toch dat ik begin te twijfelen of wij ooit zonder een wonderwerk uit den eindeloozen chaos zullen komen, binnen welken wij hier zijn opgesloten.”Valentin schudde eenige malen het hoofd. Onze vijf bergenbeklimmers waren inderdaad de Gids der Prairiën en zijne vrienden.»Laat het zijn zoo het wil,” hervatte generaal Ibanez, »maar gij zult moeten toestemmen dat onze positie, in plaats van te verbeteren, met ieder oogenblik moeielijker wordt.”»Sedert twee dagen zijn onze levensmiddelen geheel opgeteerd, en ik zie niet hoe wij in dit bevrozen geweest andere zullen krijgen.De Roode-Ceder heeft ons gefopt met zijne duivelsche sluwheid die hem nog nooit in den steek liet; hij heeft ons een strik gespannen daar wij niet weder uit kunnen komen en naar ’t schijnt den dood zullen vinden.”Er volgde eene akelige stilte.Het was een hartbrekend schouwspel, zulke verstaalde gemoederen tot wanhoop te zien gebracht, te midden der stiefmoederlijke natuur die hen allerwege insloot, terwijl zij in koelen bloede berekenden hoe weinige levensuren hun nog overschoten.Zich nauwelijks kunnende staande houden, geleken zij meer naar lijken dan naar levende menschen; met hunne verbleekte gelaatstrekken, koortsachtig roode oogen, ten prooi aan den snerpendsten honger, stonden zij daar kalm en gelaten, en zagen aan hunne voeten de prachtige velden zich ontrollen, waar duizende dieren vroolijk rond huppelden en aan alle zijden welig geboomte groeide, welks verkwikkende vruchten hen in weinig minuten hadden kunnen verzadigen.Maar tusschen die velden en hen zelven verhief zich een onoverkomelijke scheidsmuur door geen menschelijke kracht of list omver te werpen; alles wat menschen vermochten om zich te redden hadden zij sinds tien dagen vruchteloos beproefd. Al hunne plannen waren mislukt door eene noodlottige onvermijdelijkheid, die hen gedurig als in een kring had doen rondloopen te midden dezer woeste bergstreken, waar al hunne pogingen tot behoud telkens werden te leur gesteld.»Vergeef het mij, mijne vrienden,” zeide don Miguel de Zarate op een toon van innige droefheid, »vergeef het mij! ik ben de eenige oorzaak van uw dood.”»Spreek niet alzoo! caballero,” riep Valentin schielijk; »alles is nog niet verloren.”Een treurige glimlach plooide zich om de lippen van denhacendero.»Gij zijt altijd dezelfde, don Valentin,” zeide hij, »altijd goed en edelmoedig, u zelven opofferende voor uwe vrienden.”»Helaas! als wij uw raad hadden gevolgd, zouden wij er niet toe gebracht zijn om in deze doodsche bergen van honger en gebrek om te komen.”»Goed, goed!” bromde de jager met eene gesmoorde stem, »wat voorbij is, is voorbij; misschien ware het beter geweest zoo gij een paar dagen geleden mijn raad hadt gevolgd, dat beken ik; doch waartoe verwijtingen? Zoeken wij liever naar middelen om weg te komen.”»Helaas! dat is onmogelijk,” antwoordde don Miguel moedeloos, terwijl hij met het hoofd op de beide handen gesteund, verzonk in somber nadenken.»Caraï!” riep de jager met een nationalen bluf, »onmogelijk, is een woord dat wij Franschen in ons woordenboek hebben doorgeschrapt.Vive Dios!zoo lang het hart nog klopt in de borst, is er hoop. Al ware de Roode-Ceder nog listiger en doortrapter dan hij is, hetgeen moeielijk gaan zou, zweer ik u dat wij hem zullen vinden en van hier weg komen.”»Maar hoe dan?” vroeg don Pablo met drift.»Dat weet ik niet; maar ik ben zeker dat wij ontsnappen zullen.”»Ja, als wij maar eerst waren waar die twee ruiters zich bevinden,” zuchtte de generaal, »dan waren we gered.”»Van welke ruiters spreekt gij, generaal? waar ziet gij hen? zeg!” riep de jager.De generaal wees met de hand in de richting van het noordoosten.»Daar,” zeide hij, »daar ginds, bij dat boschje steeneiken.… Ziet gij ze niet?”»Ja,” antwoordde Valentin, »zij gaan rustig voort, als lieden die weten dat zij op den rechten weg zijn en niets te vreezen hebben.”»Zij zijn wel gelukkig!” mompelde de generaal.»Bah! wie weet wat hen wacht, als de weg een keer neemt, dien zij thans zoo ongestoord volgen; niemand is gewaarborgd tegen de volgende minuut; zij zijn op den weg van Independencia naar Santa Fé.”»Hm! ik woû dat ik er ook op was,” prevelde de generaal binnensmonds.Valentin, die de twee reizigers in ’t eerst nauwelijks een blik waardig keurde, volgde hen thans met de meeste belangstelling, ja schier met bezorgdheid; doch weldra verdwenen zij in een bocht van den weg.Intusschen hield de jager nog altijd de oogen op het punt gericht waar hij hen het laatst gezien had; allengs trokken zijne wenkbrauwen zich donker samen, een diepe groef rimpelde zijn voorhoofd en hij bleef onbewegelijk en zwijgend op zijn jagersbuks geleund staan, maar blijkbaar was hij aan de levendigste ontroering ten prooi.Onwillekeurig staarden zijne kameraden met klimmende belangstelling naar de peinzende houding van den jager en lazen om zoo te zeggen den gang zijner gedachten op zijn breede voorhoofd.Hij bleef nog een geruime poos in zich zelven gekeerd staan.Eindelijk richtte hij het hoofd op en wierp een helderen stoutmoedigen blik om zich heen.»Mijne vrienden,” zeide hij met eene vroolijke stem terwijl hij met de kolf van zijn geweer op de ijskorst stampte, »schept nieuwen moed, ik geloof dat ik voor ditmaal het middel heb gevonden om uit de klem te geraken waarin wij ons hier geknepen zien.”Zijne kameraden slaakten een zucht van verademing, bijna van blijdschap.Zij kenden den jager, en wisten bij ondervinding hoe vruchtbaar het vernuft van dien onverschrokken en trouwhartigen man was in het uitdenken van hulpmiddelen in den nood, en stelden dus in hem het volste vertrouwen.Valentin had hun gezegd dat hij hen zou redden, zij geloofden het.Welke middelen hij daartoe zou gebruiken konden zij niet gissen, maar dat was zijne zaak, niet de hunne. Thans waren zij weder gerust want zij hadden zijn woord, dat woord dat de Franschman nog nooit gebroken had; zij hadden niet meer te doen dan geduldig het uur hunner bevrijding af te wachten.»Baba!” antwoordde de generaal luchthartig, »ik dacht wel dat gij ons uit den brand zoudt helpen, beste vriend.”»Wanneer vertrekken wij?” vroeg don Pablo.»Zoodra de nacht gedaald is,” antwoordde Valentin, »maar waar is Curumilla?”»Dat weet ik waarachtig niet,” zei de generaal. »Ik zag een half uur geleden dat hij zich van den berg af liet glijden alsof hij ineens gek was geworden; sedert dien tijd heb ik hem niet meer gezien.”»Curumilla doet nooit iets zonder reden,” riep de jager hoofdschuddend, »gij zult hem spoedig zien terug komen.”Werkelijk had de Franschman nauwelijks uitgesproken, of de Indiaan stak zijn hoofd boven den rand van het bergterras, vervolgens zijn halve lijf en met een sprong was hij het volgende oogenblik weder bij zijne vrienden.Zijn zarape, aan de vier hoeken opgenomen en tot een zak geknoopt, hing achter op zijn rug.»Wat brengt gij ons daar toch, hoofdman?” vroeg Valentin glimlachend, »zijn dat misschien levensmiddelen?”»Cuerpo de Christo!” riep de generaal, »die zouden ons welkom zijn, want ik berst van den honger.”»Hoe zou men hier leeftocht kunnen vinden, in deze verfoeielijke streek?” riep don Pablo somber.»Laat mijne broeders maar eens zien!” antwoordde de Indiaan eenvoudig.Hij wierp zijn mantel op de sneeuw, Valentin maakte de knoopen los.De jagers slaakten een kreet van blijde verrassing.In de zarape was een haas, en jonge pecari en verscheidene vogels.Deze voorraad kwam zoo juist van pas, daar de jagers reeds tweemaal vier en twintig uren hadden moeten vasten, dat het schier tooverij geleek.Om de blijdschap der jagers bij het zien dezer zoo begeerde levensmiddelen goed te beseffen, moet men zelf in dergelijk gevaar zijn geweest en het gruwzame van een hopeloozen hongersnood hebben doorgestaan.Het was een uitgelatenheid die bijna grensde aan razernij.Toen de eerste indruk een weinig bedaard was, wendde Valentin zich tot Curumilla en drukte hem dankbaar de hand, terwijl er een traan in zijn oogen blonk.»Is mijn broeder soms eenmachi(toovenaar)?” riep hij.De Ulmen begon te lachen en wees met den arm naar een arend, die op korten afstand van de plaats waar de jagers stonden opvloog en zich hoog in de lucht verhief.»Wij hebben samen gedeeld,” zeide hij.De Franschman slaakte een kreet van verrassing. Alles was hem op eens duidelijk geworden.Curumilla, aan wiens scherpen blik niets ontging, had straks den vogel gezien en dadelijk vermoed dat hij jongen moest hebben, daarop was hij in stilte weggeslopen om het nest op te sporen en er een gedeelte van den voorraad te stelen, terwijl zijne kameraden op de kruin van den berg zich bijna aan de wanhoop prijs gaven.»O!” riep Valentin verheugd, »nu zijn wij wel degelijk gered, daar wij op nieuw krachten zullen bekomen, die wij zoo hoog noodig hebben om het plan dat ik beraamd heb uit te voeren. Volgt mij, vrienden, wij keeren naar ons kamp terug om vroolijk samen te eten, dank zij de goede dienst van den Ulmen; de arenden zullen de kosten betalen en dezen avond gaan wij weder op weg.”Door deze troostvolle woorden versterkt, volgden de jagers hem onmiddellijk en daalde de kleine troep goedsmoeds den berg af, dien zij des morgens met zooveel moeite en met de wanhoop in het hart beklommen hadden.
Eene maand ongeveer na de in ons vorig hoofdstuk verhaalde gebeurtenissen, gedurende de eerste dagen van December, die de Indianen in hun welluidende en bloemrijke taalah-escia kioeska-oni, dat is de maand waarin het hert zijne hoornen afwerpt, noemen, slechts even voor het opgaan der zon, beklauterde een kleine troep bestaande uit vier mannen, aan hunne kleeding gemakkelijk als woudloopers van het Verre Westen te herkennen, een der hoogste toppen der Sierra de los Comanches, eene oostelijke vertakking der Rotsbergen, die zich tot aan Texas uitstrekt en eindigt met den berg Guadalupe.
Het was vriezend koud, een dikke laag sneeuw bedekte de zijdender bergen. Het pad door de stoutmoedige avonturiers gevolgd was zoo kantelig en steil, dat zij, ofschoon aan het reizen in deze streken gewoon, meermalen genoodzaakt waren hunne geweren op den rug te werpen en op handen en voeten voort te kruipen.
Doch geen moeielijkheid schrikte hen af, geene hindernis was sterk genoeg om hun tot terugkeeren te nopen.
Slechts nu en dan, door vermoeienis uitgeput en dampend van zweet, bleven zij staan om adem te scheppen, of strekten zich op de sneeuw uit, grepen er eenige handvollen van om er hun dorst mede te lesschen, en dan, als zij een weinig uitgerust waren, hervatten zij vol moed hun tocht en beklauterden op nieuw de eeuwige ijsvelden wier reusachtige massa’s met iederen stap scherper en meer afgebrokkeld werden.
Waren deze lieden wellicht aan het opsporen van een bruikbaren weg in dezen woesten en schier ontoegankelijken doolhof van bergen, die de spitsen rondom hen onmetelijk hoog in het bevrozen luchtgewest opstaken?
Of wilden zij misschien om andere, hun alleen bekende, redenen een zeker punt bereiken, dat hun een gewenscht vergezicht over het omliggende land zou aanbieden?
Zoo dit laatste werkelijk hun doel was, zagen zij zich niet bedrogen. Toen zij na duizende moeielijkheden eindelijk den top van de bergspits bereikten, hadden zij op eens een landschap voor oogen, dat hen met verbazing vervulde door zijne ontzaggelijke uitgestrektheid.
Naar welken kant zij ook hunne blikken lieten weiden, werden zij overstelpt door de grootschheid van het panorama dat zich voor hunne voeten ontrolde.
Inderdaad de Rotsbergen zijn zonderlinge bergen, zij zijn eenig op de wereld en gelijken in niets naar de Pyreneën, de Alpen, de Apennijnen en ieder andere bergketen, die van afstand tot afstand het oude halfrond onteffenen en wier besneeuwde kruinen in naam huns makers met het hoogmoedige menschdom schijnen te spotten.
De jagers overzweefden, om zoo te zeggen, met hun blik de lager gelegen aarde.
Boven hen verhief zich echter nog de Sierra de los Comanches, een eenige ontzaggelijk hooge berg, in verscheidene besneeuwde kegels verdeeld, met tallooze kantelige spitsen, dreigende klippen, diepe en schrikwekkende steilten, sombere afgronden en rotskloven, schitterende meren en schuimende watervallen, die met donderend geraas van rots tot rots in de diepte afstortten. Verderop, aan gene zijde van deze woeste gevaarten, verloor het oog der jagers zich in een landschap zonder grenzen, dat zich in alle richtingen, tot aan den benevelden horizon uitbreidde, als een onafzienbare zee bij windstilte.
Dank zij de klare doorzichtigheid des dampkrings, konden de avonturiersde kleinste voorwerpen tot op verbazenden afstand onderscheiden.
Met dat al hadden zij naar alle waarschijnlijkheid, hunne gevaarvolle beklimming niet uit louter nieuwsgierigheid ondernomen. De wijze waarop zij het landschap bespiedden en de bijzonderheden van het onmetelijk panorama aan hunnen voet opnamen, bewees integendeel dat er voor hen zeer gewichtige redenen moesten bestaan hebben, om zoovele schier onoverkomelijke moeielijkheden te trotseeren, als zij tot hiertoe overwonnen hadden alvorens hun tegenwoordig standpunt te bereiken.
De groep gevormd door deze mannen, met hunne verweerde gezichten, krachtvolle trekken en schilderachtige kostumen, terwijl zij daar stonden te leunen op hunne wapenen, het voorhoofd gefronst en de oogen naar de onafzienbare ruimte gericht, had iets groots en om zoo te zeggen iets veegs op deze onmetelijke hooge, eenzame bergspits, eene met eeuwige sneeuw bedekte klip, wier steile massa hun tot voetstuk diende, te midden der woeste, van duizend eeuwen getuigende omkeeringen en beroeringen der natuur, die hen van alle zijden omgaf.
Een geruimen tijd stonden zij dus zwijgend en met starenden blik, en zochten in de kronkelingen der gletschers en in de bochtige rotskammen iedere oneffenheid van het terrein te bespieden, zonder te hooren naar het donderend geklater der stortvloeden die aan hunne voeten neerstortten of naar het somber gebots der sneeuwvallen, die langs de steilten afgleden om in lagere valleien neer te tuimelen, boomen en rotsklompen in hun val medeslepend.
Een geruimen tijd stonden zij dus zwijgend en met starenden blik. bladz. 147.Een geruimen tijd stonden zij dus zwijgend en met starenden blik.bladz. 147.
Een geruimen tijd stonden zij dus zwijgend en met starenden blik.bladz. 147.
Eindelijk streek één van hen, die het hoofd van den troep scheen te zijn, zich eenige malen met den rug van zijne rechterhand over het klamme voorhoofd, dat ondanks de felle koude in deze bevrozen luchtstreek, dampte van het zweet en wendde zich tot zijne kameraden.
»Vrienden,” zeide hij, »wij zijn hier meer dan twintig duizend voet boven het waterpas der vlakte, met andere woorden, wij staan hier eindelijk op de hoogte, waar de Indiaan zich verbeeldt, na zijnen dood, voor het eerst het land der zielen en de jachtvelden der gezaligden te zullen aanschouwen, het heerlijke verblijf der rechtvaardige, vrije en heldenmoedige krijgslieden! Alleen de arenden zouden zich hooger kunnen verheffen dan wij!”
»Ja,” antwoordde een zijner kameraden, onvoldaan het hoofd schuddende, »maar hoe langer ik hier aan alle zijden uitkijk, hoe minder mogelijkheid ik voor ons zie om te ontsnappen.”
»Hum! generaal,” hervatte de eerste spreker, »wat durft gij zeggen, God behoede ons! Als men u hoorde, zou men haast denken dat gij gaat wanhopen.”
»Nu ja,” riep deze, die niemand anders was dan de generaal Ibanez, »dat is eene veronderstelling die niet ver van de waarheid is;hoor eens, moedige vriend, het is nu bijna tien dagen dat wij ons hier in die verwenschte bergen verliezen, te midden van sneeuw en ijs, zonder een stukje wild te vinden om ons te verkwikken, en dat enkel met het doel om het verblijf te ontdekken van dien ouden schurk den Roode-Ceder; ik moet u ronduit bekennen, niet dat ik begin te wanhopen, maar toch dat ik begin te twijfelen of wij ooit zonder een wonderwerk uit den eindeloozen chaos zullen komen, binnen welken wij hier zijn opgesloten.”
Valentin schudde eenige malen het hoofd. Onze vijf bergenbeklimmers waren inderdaad de Gids der Prairiën en zijne vrienden.
»Laat het zijn zoo het wil,” hervatte generaal Ibanez, »maar gij zult moeten toestemmen dat onze positie, in plaats van te verbeteren, met ieder oogenblik moeielijker wordt.”
»Sedert twee dagen zijn onze levensmiddelen geheel opgeteerd, en ik zie niet hoe wij in dit bevrozen geweest andere zullen krijgen.De Roode-Ceder heeft ons gefopt met zijne duivelsche sluwheid die hem nog nooit in den steek liet; hij heeft ons een strik gespannen daar wij niet weder uit kunnen komen en naar ’t schijnt den dood zullen vinden.”
Er volgde eene akelige stilte.
Het was een hartbrekend schouwspel, zulke verstaalde gemoederen tot wanhoop te zien gebracht, te midden der stiefmoederlijke natuur die hen allerwege insloot, terwijl zij in koelen bloede berekenden hoe weinige levensuren hun nog overschoten.
Zich nauwelijks kunnende staande houden, geleken zij meer naar lijken dan naar levende menschen; met hunne verbleekte gelaatstrekken, koortsachtig roode oogen, ten prooi aan den snerpendsten honger, stonden zij daar kalm en gelaten, en zagen aan hunne voeten de prachtige velden zich ontrollen, waar duizende dieren vroolijk rond huppelden en aan alle zijden welig geboomte groeide, welks verkwikkende vruchten hen in weinig minuten hadden kunnen verzadigen.
Maar tusschen die velden en hen zelven verhief zich een onoverkomelijke scheidsmuur door geen menschelijke kracht of list omver te werpen; alles wat menschen vermochten om zich te redden hadden zij sinds tien dagen vruchteloos beproefd. Al hunne plannen waren mislukt door eene noodlottige onvermijdelijkheid, die hen gedurig als in een kring had doen rondloopen te midden dezer woeste bergstreken, waar al hunne pogingen tot behoud telkens werden te leur gesteld.
»Vergeef het mij, mijne vrienden,” zeide don Miguel de Zarate op een toon van innige droefheid, »vergeef het mij! ik ben de eenige oorzaak van uw dood.”
»Spreek niet alzoo! caballero,” riep Valentin schielijk; »alles is nog niet verloren.”
Een treurige glimlach plooide zich om de lippen van denhacendero.
»Gij zijt altijd dezelfde, don Valentin,” zeide hij, »altijd goed en edelmoedig, u zelven opofferende voor uwe vrienden.”
»Helaas! als wij uw raad hadden gevolgd, zouden wij er niet toe gebracht zijn om in deze doodsche bergen van honger en gebrek om te komen.”
»Goed, goed!” bromde de jager met eene gesmoorde stem, »wat voorbij is, is voorbij; misschien ware het beter geweest zoo gij een paar dagen geleden mijn raad hadt gevolgd, dat beken ik; doch waartoe verwijtingen? Zoeken wij liever naar middelen om weg te komen.”
»Helaas! dat is onmogelijk,” antwoordde don Miguel moedeloos, terwijl hij met het hoofd op de beide handen gesteund, verzonk in somber nadenken.
»Caraï!” riep de jager met een nationalen bluf, »onmogelijk, is een woord dat wij Franschen in ons woordenboek hebben doorgeschrapt.Vive Dios!zoo lang het hart nog klopt in de borst, is er hoop. Al ware de Roode-Ceder nog listiger en doortrapter dan hij is, hetgeen moeielijk gaan zou, zweer ik u dat wij hem zullen vinden en van hier weg komen.”
»Maar hoe dan?” vroeg don Pablo met drift.
»Dat weet ik niet; maar ik ben zeker dat wij ontsnappen zullen.”
»Ja, als wij maar eerst waren waar die twee ruiters zich bevinden,” zuchtte de generaal, »dan waren we gered.”
»Van welke ruiters spreekt gij, generaal? waar ziet gij hen? zeg!” riep de jager.
De generaal wees met de hand in de richting van het noordoosten.
»Daar,” zeide hij, »daar ginds, bij dat boschje steeneiken.… Ziet gij ze niet?”
»Ja,” antwoordde Valentin, »zij gaan rustig voort, als lieden die weten dat zij op den rechten weg zijn en niets te vreezen hebben.”
»Zij zijn wel gelukkig!” mompelde de generaal.
»Bah! wie weet wat hen wacht, als de weg een keer neemt, dien zij thans zoo ongestoord volgen; niemand is gewaarborgd tegen de volgende minuut; zij zijn op den weg van Independencia naar Santa Fé.”
»Hm! ik woû dat ik er ook op was,” prevelde de generaal binnensmonds.
Valentin, die de twee reizigers in ’t eerst nauwelijks een blik waardig keurde, volgde hen thans met de meeste belangstelling, ja schier met bezorgdheid; doch weldra verdwenen zij in een bocht van den weg.
Intusschen hield de jager nog altijd de oogen op het punt gericht waar hij hen het laatst gezien had; allengs trokken zijne wenkbrauwen zich donker samen, een diepe groef rimpelde zijn voorhoofd en hij bleef onbewegelijk en zwijgend op zijn jagersbuks geleund staan, maar blijkbaar was hij aan de levendigste ontroering ten prooi.
Onwillekeurig staarden zijne kameraden met klimmende belangstelling naar de peinzende houding van den jager en lazen om zoo te zeggen den gang zijner gedachten op zijn breede voorhoofd.
Hij bleef nog een geruime poos in zich zelven gekeerd staan.
Eindelijk richtte hij het hoofd op en wierp een helderen stoutmoedigen blik om zich heen.
»Mijne vrienden,” zeide hij met eene vroolijke stem terwijl hij met de kolf van zijn geweer op de ijskorst stampte, »schept nieuwen moed, ik geloof dat ik voor ditmaal het middel heb gevonden om uit de klem te geraken waarin wij ons hier geknepen zien.”
Zijne kameraden slaakten een zucht van verademing, bijna van blijdschap.
Zij kenden den jager, en wisten bij ondervinding hoe vruchtbaar het vernuft van dien onverschrokken en trouwhartigen man was in het uitdenken van hulpmiddelen in den nood, en stelden dus in hem het volste vertrouwen.
Valentin had hun gezegd dat hij hen zou redden, zij geloofden het.
Welke middelen hij daartoe zou gebruiken konden zij niet gissen, maar dat was zijne zaak, niet de hunne. Thans waren zij weder gerust want zij hadden zijn woord, dat woord dat de Franschman nog nooit gebroken had; zij hadden niet meer te doen dan geduldig het uur hunner bevrijding af te wachten.
»Baba!” antwoordde de generaal luchthartig, »ik dacht wel dat gij ons uit den brand zoudt helpen, beste vriend.”
»Wanneer vertrekken wij?” vroeg don Pablo.
»Zoodra de nacht gedaald is,” antwoordde Valentin, »maar waar is Curumilla?”
»Dat weet ik waarachtig niet,” zei de generaal. »Ik zag een half uur geleden dat hij zich van den berg af liet glijden alsof hij ineens gek was geworden; sedert dien tijd heb ik hem niet meer gezien.”
»Curumilla doet nooit iets zonder reden,” riep de jager hoofdschuddend, »gij zult hem spoedig zien terug komen.”
Werkelijk had de Franschman nauwelijks uitgesproken, of de Indiaan stak zijn hoofd boven den rand van het bergterras, vervolgens zijn halve lijf en met een sprong was hij het volgende oogenblik weder bij zijne vrienden.
Zijn zarape, aan de vier hoeken opgenomen en tot een zak geknoopt, hing achter op zijn rug.
»Wat brengt gij ons daar toch, hoofdman?” vroeg Valentin glimlachend, »zijn dat misschien levensmiddelen?”
»Cuerpo de Christo!” riep de generaal, »die zouden ons welkom zijn, want ik berst van den honger.”
»Hoe zou men hier leeftocht kunnen vinden, in deze verfoeielijke streek?” riep don Pablo somber.
»Laat mijne broeders maar eens zien!” antwoordde de Indiaan eenvoudig.
Hij wierp zijn mantel op de sneeuw, Valentin maakte de knoopen los.
De jagers slaakten een kreet van blijde verrassing.
In de zarape was een haas, en jonge pecari en verscheidene vogels.
Deze voorraad kwam zoo juist van pas, daar de jagers reeds tweemaal vier en twintig uren hadden moeten vasten, dat het schier tooverij geleek.
Om de blijdschap der jagers bij het zien dezer zoo begeerde levensmiddelen goed te beseffen, moet men zelf in dergelijk gevaar zijn geweest en het gruwzame van een hopeloozen hongersnood hebben doorgestaan.
Het was een uitgelatenheid die bijna grensde aan razernij.
Toen de eerste indruk een weinig bedaard was, wendde Valentin zich tot Curumilla en drukte hem dankbaar de hand, terwijl er een traan in zijn oogen blonk.
»Is mijn broeder soms eenmachi(toovenaar)?” riep hij.
De Ulmen begon te lachen en wees met den arm naar een arend, die op korten afstand van de plaats waar de jagers stonden opvloog en zich hoog in de lucht verhief.
»Wij hebben samen gedeeld,” zeide hij.
De Franschman slaakte een kreet van verrassing. Alles was hem op eens duidelijk geworden.
Curumilla, aan wiens scherpen blik niets ontging, had straks den vogel gezien en dadelijk vermoed dat hij jongen moest hebben, daarop was hij in stilte weggeslopen om het nest op te sporen en er een gedeelte van den voorraad te stelen, terwijl zijne kameraden op de kruin van den berg zich bijna aan de wanhoop prijs gaven.
»O!” riep Valentin verheugd, »nu zijn wij wel degelijk gered, daar wij op nieuw krachten zullen bekomen, die wij zoo hoog noodig hebben om het plan dat ik beraamd heb uit te voeren. Volgt mij, vrienden, wij keeren naar ons kamp terug om vroolijk samen te eten, dank zij de goede dienst van den Ulmen; de arenden zullen de kosten betalen en dezen avond gaan wij weder op weg.”
Door deze troostvolle woorden versterkt, volgden de jagers hem onmiddellijk en daalde de kleine troep goedsmoeds den berg af, dien zij des morgens met zooveel moeite en met de wanhoop in het hart beklommen hadden.