XXII.

XXII.EL MAL PASO.De jagers besteedden weinig meer dan een uur aan de afdaling, terwijl de beklimming hun meer dan acht uren tijds had gekost.Hun kamp lag op de kruin van een steile rots in een onwinbare stelling, die zij eene maand geleden gekozen hadden.Na hun bezoek in de jacal hadden zij het spoor der vluchtelingen spoedig ontdekt en waren zij hen vier dagen lang gevolgd.Dat spoor liep uit in de Sierra de los Comanches en de jagers trokken onverschrokken de woeste en onbegaanbare bergen in; maar op eens waren zij het spoor als door een tooverslag kwijt geraakt en hadden het sedert dien met geene mogelijkheid terug kunnen vinden.Hunne onvermoeide nasporingen hadden geen ander gevolg dan dat zij in de ongebaande bergstreek verdwaald raakten en ondanks al hunne pogingen geen uitweg konden vinden om weder op de vlakte te komen.Zoo brachten zij nog zes dagen beurtelings in hun kamp en met omzwerven tusschen de bergen door, doch sedert de laatste twee dagen, waren hunne levensmiddelen geheel uitgeput en begonnen zij den nijpenden druk des hongers te gevoelen.Hun toestand was niet langer houdbaar, er moest tot iederen prijs een einde aan worden gemaakt.Valentin en zijne kameraden, hadden dus ondanks hun krachtverlies besloten eene laatste poging te wagen en de hooge bergspits te beklimmen, op welks kruin wij hen gezien hebben, ten einde van daar een uitweg te ontdekken.Deze wanhopige poging had nu, in plaats van een, twee goede gevolgen gehad, daar de Franschman niet alleen verklaarde een uitweg gevonden te hebben, maar ook Curumilla er in geslaagd was nieuwen levensvoorraad te verzamelen.Het gelukkige vijftal kwam dus vroolijk in het kamp terug, dat zij met de wanhoop in het hart verlaten hadden.Niemand, of hij moest zich in een dergelijken toestand bevonden hebben, kan zich het gevoel van verademing voorstellen, dat de ziel ondervindt, wanneer zij na volslagen vertwijfeling op eens tot het grootste vertrouwen overgaat.Zoodra zij in het kamp waren maakte Valentin het vuur weder aan, dat zij twee dagen te voren hadden laten uitgaan omdat het hun toch niet langer dienen kon.Evenwel, daar het gezicht van den rook hun verblijf zonder twijfel aan denRoode-Cederzou hebben verraden zoo deze zich, dat licht mogelijk was, ergens in den omtrek mocht bevinden, gebruikten zij de voorzorg om hun gebraad in een kleine grot gereed te maken, die aan de zijde van den heuvel lag waar zij hun kamp hadden opgeslagen.Toen alles gereed was gingen zij aan ’t eten.Niet voordat zij hun eersten honger gestild hadden dachten zij er aan om den behendigen Indiaan te danken voor het overvloedige maal dat hij hun bezorgd had, zoo dringend was inderdaad hun nood.Maar ook toen eerst zagen zij wat zij in de drift om hun onverbiddelijken honger te bevredigen, niet hadden opgemerkt, namelijk dat de Araucaan hun den genoten voorraad niet zonder groot lijfsgevaar had kunnen bezorgen; werkelijk droeg Curumilla hiervan in zijn aangezicht, aan zijne schouders en op zijne borst de duidelijke sporen in vrij ernstige verwondingen, veroorzaakt door de bekken en klauwen der arenden, die hun wettigen buit moedig hadden zoeken te verdedigen.Met zijn gewoon Indiaansch stoïcisme, dat zich nimmer verloochende, zat Curumilla bedaard en stil het bloed te stelpen, dat gedurig uit zijne wonden liep, te fier om zich te beklagen, ja zelfs blijkbaar gehinderd door het medelijden dat zijn kameraden er over aan den dag legden.Toen de maaltijd was afgeloopen slaakte Valentin een veelbeduidend hum, en stopte deftig zijne pijp, die hij vervolgens aanstak; de anderen deden hetzelfde en weldra zaten de jagers om het hardst te dampen, schier onzichtbaar achter een dikke wolk van tabaksrook.»Caballeros,” zeide de jager, »God heeft ons blijkbaar geholpen, zoo als Hij altijd doet als men gelooft aan zijne goede en almachtige trouw. Hij heeft ons de middelen willen verleenen om onze krachten te herstellen, die ons reeds bijna ontzonken waren, laten wij dus niet vreezen noch den moed opgeven; morgen verlaten wij het verwenschte wespennest daar wij ons thans in bevinden; zoodra gij uw pijp hebt uitgerookt moet gij gaan slapen; ik zal u wel wekken als het tijd is; wij moeten zorgen dat wij gereed en bekwaam zijn om een langen en moeielijken tocht te maken. Wij hebben nog vier uren vrijen tijd, laten wij die gebruiken tot ons nut, want ik verzeker u, wij zullen het dezen nacht in alle opzichten zwaar te verantwoorden hebben. Houdt u hiermede voor gewaarschuwd, en volgt mijn raad.”Terstond zijn voorbeeld voegende bij de les, schudde Valentin de asch uit zijne calumet, en stak haar in zijn gordel, strekte zich op den grond uit en sliep bijna onmiddellijk in.De anderen keurden zijn raad zeker goed, want zij volgden dien zonder bedenken.Tien minuten later was het geheele kamp in slaap, behalve Curumilla.Hoe lang zij sliepen zou niemand hunner hebben kunnen zeggen, maar toen de Franschman hen wekte was het diep in den nacht.De hemel, met duizenden sterren bezaaid spande, boven hunne hoofden zijn donkerblauw gewelf; de halve maan neigde reeds ten ondergang. Zij scheen zich te baden in een zee van dampen, en verspreidde over het zwijgende landschap haar weemoedig licht dat aan alle voorwerpen een spookachtig aanzien verleende.»Sta op!” bromde Valentin zacht tegen elk zijner kameraden terwijl hij hen beurtelings op den schouder klopte.»Gaan wij reeds vertrekken?” vroeg generaal Ibanez met een half gesmoorden geeuw, terwijl hij opvloog als een los gelaten springveer.»Ja,” was al wat de jager antwoordde.Weldra waren allen gereed om te vertrekken.»Op marsch!” hervatte Valentin, »maken wij ons de duisternis ten nutte; onze vijanden waken zonder twijfel in het ronde.”»Wij wachten op uwe orders,” antwoordde don Miguel.Met een wenk had de jager zijne vrienden om zich verzameld.»Hoort mij aandachtig,” zeide hij, »want eer wij de stoute onderneming wagen die ik mij heb voorgesteld, wil ik uw volkomen toestemming hebben. Onze positie is wanhopig, langer hier blijven is sterven, sterven van koude, van honger, van dorst, van gebrek en ellende, na ik weet niet hoe vele dagen van ondragelijk lijden, gij zijt allen hiervan overtuigd, niet waar?”»Ja!” antwoordden zij uit éénen mond.»Goed,” hervatte hij; »nog langer te zoeken naar den weg dien wij verloren hebben, zou eene dwaasheid zijn die geen kans op welslagen hebben kan, is het zoo niet?”»Ja,” riepen zij andermaal.De jager vervolgde.»Welnu, het is eene poging, misschien even dwaas, die ik thans beproeven wil, en zoo die poging niet mocht slagen zullen wij ook omkomen, maar dan zullen wij ten minste onze laatste poging gedaan hebben en sterven zonder te lijden, ja bijna zonder doodstrijd; zoo wij echter als door een wonder mochten slagen, want het is schier een wonderwerk dat ik van Gods onuitputtelijke goedheid verwacht, dan zijn wij gered. Denkt hierover na eer gij mij antwoordt. Zegt mij, mijne vrienden, zijt gij vastelijk besloten mij te volgen en te gehoorzamen in alles wat ik u bevelen zal, zonder aarzelen en zonder morren: kortom, zijt gij bereid om voor eenige uren van uw eigen wil geheel afstand te doen om u alleen naar den mijnen te gedragen? Antwoordt mij!”De jagers wisselden een blik.»Beveel mij, vriend,” sprak de hacendero het woord doende voor al zijne kameraden; »wij zweren dat wij u zullen volgen en gehoorzamen wat er ook van komt.”Er volgde een oogenblik stilte, die eindelijk door Valentin verbroken werd.»Het is goed,” zeide hij, »ik heb uwe belofte; het is mijne beurt om de mijne te volbrengen.”En met een gebaar vol stille majesteit, ontblootte de woudlooper het hoofd, sloeg de oogen ten hemel en sprak met een vaste stem: »Heere God, ons leven is in uwe handen, wij verlaten ons op uwe rechtvaardigheid en genade.” Zich toen tot zijne kameraden richtende, zeide hij:»Gaan wij!”Zij maakten zich gereed hun kamp te verlaten. Valentin stelde zich aan het hoofd der kleine schaar.»En nu,” vervolgde hij kortaf, »beveel ik u de diepste stilte!”De jagers begonnen den marsch met den Indiaanschen pas, waarbij de Franschman vooraan ging terwijl Curumilla volgde.Door de nachtelijke duisternis was het geene gemakkelijke taak om vasten koers te houden in dezen verwarden chaos van rotsen, die hier en daar de besneeuwde toppen boven onpeilbare afgronden opstaken, op wier bodem men op onzekere diepte de onzichtbare waterstroomen hoorde murmelen.Een enkele mistred zou doodelijk geweest zijn.Intusschen stapte Valentin voort met de gewisheid van iemand die in den heldersten zonneschijn en langs het effenste pad in de prairie wandelde, nu rechts dan links omslaande, terwijl hij zich van tijd tot tijd langs bijna loodrechte steilten liet afglijden, zonder immer te aarzelen of naar zijne kameraden om te zien, die hij alleen nu en dan met een zachte stem dit enkele woord toeriep:»Houdt moed!”Inderdaad hadden deze vijf mannen een hart van koper en staal noodig om geen blijken van vrees of zwakheid te geven gedurende dezen ruwen tocht door eene streek zoo hoog en onherbergzaam, dat zelfs de arend er zich slechts zelden vertoont.Zoo marcheerden zij bijna twee uren, zonder dat er een woord tusschen hen gewisseld werd.Na eene vrij lange afdaling die hen wel twintigmaal in gevaar bracht van de steile helling neder te storten, gaf Valentin zijne metgezellen een teeken om stil te houden.Zij wierpen een nieuwsgierigen blik in het rond en zagen nu dat zij, om zoo te zeggen, hun evenwicht hadden terug gevonden op een klein bergterras van omtrent tien ellen in ’t vierkant.Rondom dit terras was alles donker.Het grensde aan een afgrond van onpeilbare diepte.De rots, als met het zwaard van Roeland in tweeën gehouwen, gaapte met een kloof van ongeveer twaalf à vijftien ellen breedte.»Hier moeten wij over,” zei Valentin; »ik geef u tien minuten om adem te scheppen en u gereed te maken.”»Hoedat, hier?” vroeg don Miguel verwonderd, »maar ik vind niets dan een steilen afgrond aan alle kanten.”»Welnu,” antwoordde de jager, »dien zullen wij overspannen.”De hacendero schudde moedeloos het hoofd.Valentin glimlachte.»Weet gij wel waar wij hier zijn?” zeide hij.»Neen,” antwoordden de anderen.»Dan zal ik het u zeggen,” hervatte hij: »deze plaats heeft onder de Roodhuiden en jagers eene treurige vermaardheid; misschien zult gij zelf haar wel eens hebben hooren noemen, zonder ooit te vermoedendat gij er eens zoo dicht bij zoudt komen; men noemt haarel mal Paso, of de kwade Pas, wegens de verbazende kloof die hier op eens den berg doorsnijdt en de gemeenschap met den anderen oever bot afbreekt.”»Welnu!” riep don Miguel.»Welnu,” herhaalde Valentin, »eenige uren geleden, toen wij daar boven op die plek waren en ik met de oogen de twee reizigers volgde die wij op den weg naar Santa-Fé zagen rijden, viel mijn blik toevallig op de mal Paso, en begreep ik dat ons nog ééne kans op behoud overbleef, namelijk zoo het ons gelukken mocht de mal Paso over te komen.”»Derhalve,” vroeg don Miguel huiverend, »hebt gij besloten om een dolle proefneming te wagen?”»Dat heb ik.”»Maar dat is God verzoeken!”»Neen, dat is Hem om zijn wonderbaren bijstand te smeeken, anders niet. Geloof mij, vriend. God verlaat niet die vol vertrouwen zich onvoorwaardelijk op Hem verlaten, Hij zal ons helpen.”»Maar.…” riep de hacendero.Valentin viel hem met drift in de rede.»Geen woord,” zeide hij; »gij hebt gezworen mij te zullengehoorzamen, ik heb gezworen u te redden; houdt gij uw eed gelijk ik den mijnen.”Zijne kameraden, tegen wil en dank door Valentin tot zwijgen gebracht, bogen het hoofd en antwoordden niet.»Mijne broeders,” hervatte de jager, »bidden wij God, opdat Hij er ons doorhelpe.”En zelf het voorbeeld gevende knielde hij op de rots neder; zijne kameraden deden hetzelfde.Het was een grootsch en treffend gezicht, die vijf mannen daar vromelijk geknield te zien, op het kleine terras in den schemerenden nacht, te midden eener woeste natuur, boven een peilloozen afgrond die aan hunne voeten bulderde, terwijl hunne oogen ten hemel gericht, bijstand smeekten van Hem die alleen hen kon redden in den bangen strijd dien zij gingen ondernemen.Een oogenblik later stond Valentin op.»Hoopt!” zeide hij.De jager trad naar den uitersten rand van het terras, bukte over den afgrond, de oogen met gespannen opmerkzaamheid voor zich uit richtende.Zijne kameraden volgden al zijne bewegingen zonder er iets van te begrijpen.Na eenige minuten onbeweeglijk te hebben gestaan kwam de jager bij zijne vrienden terug.»Alles gaat goed,” zeide hij.Nu maakte hij de lasso los die aan zijn gordel hing en begon haar bedaard om zijne rechterhand te rollen.Curumilla glimlachte; de Indiaan begreep terstond wat de Franschman van zins was; zonder een woord te zeggen, volgens gewoonte, maakte ook hij zijne lasso los en deed hetzelfde als Valentin.»Goed!” zeide deze met een goedkeurenden wenk, »wij doen samen, hoofdman.”De beide woudloopers zetten het rechterbeen vooruit, strekten het lijf achterwaarts om een vasten stand te bekomen, en begonnen de lasso boven hunne hoofden te zwaaien.Op een afgesproken teeken, vlogen de lasso’s hun van de handen floten door de lucht.Valentin en Curumilla hadden het andere eind van het koord in hunne linkerhand gehouden; zij trokken het beiden terug: de lasso’s hielden vast en spanden zich: ondanks al hun trekken en rukken konden zij ze niet meer tot zich halen.Valentin slaakte een kreet van blijdschap, zijn plan was hem gelukt.Hij vereenigde de beide lasso’s, sloeg ze om een rotspunt, en bond ze stevig vast.Zich toen tot zijne kameraden wendende, zeide hij:»Ziedaar een brug.”»Ach!” riepen de Mexicanen, »nu zijn wij gered.”Deze mannen met hunne verstaalde harten, die geen gevaar vreesden en geen hindernis te groot achtten, konden strikt genomen zoo spreken, al was ook de brug allergevaarlijkst.Valentin en Curumilla hadden hunne lasso’s over een rotspunt geworpen aan de overzijde der kloof; de loopende knoop aan het uiteinde had doel getroffen en had zich gesloten: op deze wijs was het middel van gemeenschap gevestigd; maar deze gemeenschap of deze brug, zooals Valentin het noemde, bestond uit niets meer dan twee van leder gevlochten koorden, van een duim dikte, hier gespannen over een afgrond van onbekende diepte en minstens vijftien ellen breed, die men met de vuist om het koord geklemd, al palmende moest oversteken.Voorzeker, om op deze vreemdsoortige brug zich te vertrouwen was een waagstuk dat stof tot nadenken gaf, eene zaak van overweging zelfs voor den dapperste. Om aldus aan zijne handen te hangen, boven een afgrond, over eene lengte van vijftien meters, was niet uitlokkend in dezen donkeren nacht; als het koord eens brak of losging!De jagers aarzelden.»Wel!” zei Valentin, »zullen wij overgaan?”Niemand gaf antwoord.»Gij hebt gelijk,” riep de jager meesmuilend, »gij zoudt eerst willen weten of de brug sterk genoeg is, is het zoo niet? Geheel tot uw dienst! zoo als gij wilt.”En met denzelfden bedaarden stap als altijd trad hij naar den randder steilte. Bij de lasso komende greep hij die met de beide handen en wendde zich tot zijne kameraden.»Ziedaar,” riep hij, op dien onbezorgden toon die hem altijd was bijgebleven, »het gezicht kost u niets.”Zonder zich in ’t minst te haasten, met al degemakkelijkheidvan een professor in sterke toeren, palmde hij zich in achterwaartsche beweging, greep voor greep, over de bergkloof om zijnen vrienden te wijzen hoe zij het moesten aanleggen.Vervolgens, nadat hij den overkant bereikt had, waar hij zijn geweer achter liet, keerde hij even bedaard naar zijne vrienden terug.Dezen hadden met ongeruste blikken en ingehouden adem al zijne bewegingen gadegeslagen, terwijl zij onwillekeurig huiverden over het gevaar dat de onverschrokken Parijzenaar durfde trotseeren.»Ik hoop,” zeide hij op het terras terugkomende, »dat gij nu ten minste van de soliditeit der lasso’s overtuigd zijt en niet langer zult aarzelen.”Zonder te antwoorden ging Curumilla over de brug.»Dat ’s één!” riep Valentin lachend, »’t is eigenlijk geen haverklap waard. Wiens beurt is het?”»De mijne,” antwoordde don Pablo.Hij ging over.»Nu is het mijne beurt,” riep don Miguel.»Ga,” zei Valentin.De hacendero stond na eenige minuten mede aan den anderen oever.Twee bleven er nog over. Valentin en generaal Ibanez.»Komaan,” riep de jager, »’t is aan u, generaal; ik moet er het laatst overgaan.”De generaal schudde moedeloos het hoofd.»Ik zal niet kunnen,” zeide hij.

XXII.EL MAL PASO.De jagers besteedden weinig meer dan een uur aan de afdaling, terwijl de beklimming hun meer dan acht uren tijds had gekost.Hun kamp lag op de kruin van een steile rots in een onwinbare stelling, die zij eene maand geleden gekozen hadden.Na hun bezoek in de jacal hadden zij het spoor der vluchtelingen spoedig ontdekt en waren zij hen vier dagen lang gevolgd.Dat spoor liep uit in de Sierra de los Comanches en de jagers trokken onverschrokken de woeste en onbegaanbare bergen in; maar op eens waren zij het spoor als door een tooverslag kwijt geraakt en hadden het sedert dien met geene mogelijkheid terug kunnen vinden.Hunne onvermoeide nasporingen hadden geen ander gevolg dan dat zij in de ongebaande bergstreek verdwaald raakten en ondanks al hunne pogingen geen uitweg konden vinden om weder op de vlakte te komen.Zoo brachten zij nog zes dagen beurtelings in hun kamp en met omzwerven tusschen de bergen door, doch sedert de laatste twee dagen, waren hunne levensmiddelen geheel uitgeput en begonnen zij den nijpenden druk des hongers te gevoelen.Hun toestand was niet langer houdbaar, er moest tot iederen prijs een einde aan worden gemaakt.Valentin en zijne kameraden, hadden dus ondanks hun krachtverlies besloten eene laatste poging te wagen en de hooge bergspits te beklimmen, op welks kruin wij hen gezien hebben, ten einde van daar een uitweg te ontdekken.Deze wanhopige poging had nu, in plaats van een, twee goede gevolgen gehad, daar de Franschman niet alleen verklaarde een uitweg gevonden te hebben, maar ook Curumilla er in geslaagd was nieuwen levensvoorraad te verzamelen.Het gelukkige vijftal kwam dus vroolijk in het kamp terug, dat zij met de wanhoop in het hart verlaten hadden.Niemand, of hij moest zich in een dergelijken toestand bevonden hebben, kan zich het gevoel van verademing voorstellen, dat de ziel ondervindt, wanneer zij na volslagen vertwijfeling op eens tot het grootste vertrouwen overgaat.Zoodra zij in het kamp waren maakte Valentin het vuur weder aan, dat zij twee dagen te voren hadden laten uitgaan omdat het hun toch niet langer dienen kon.Evenwel, daar het gezicht van den rook hun verblijf zonder twijfel aan denRoode-Cederzou hebben verraden zoo deze zich, dat licht mogelijk was, ergens in den omtrek mocht bevinden, gebruikten zij de voorzorg om hun gebraad in een kleine grot gereed te maken, die aan de zijde van den heuvel lag waar zij hun kamp hadden opgeslagen.Toen alles gereed was gingen zij aan ’t eten.Niet voordat zij hun eersten honger gestild hadden dachten zij er aan om den behendigen Indiaan te danken voor het overvloedige maal dat hij hun bezorgd had, zoo dringend was inderdaad hun nood.Maar ook toen eerst zagen zij wat zij in de drift om hun onverbiddelijken honger te bevredigen, niet hadden opgemerkt, namelijk dat de Araucaan hun den genoten voorraad niet zonder groot lijfsgevaar had kunnen bezorgen; werkelijk droeg Curumilla hiervan in zijn aangezicht, aan zijne schouders en op zijne borst de duidelijke sporen in vrij ernstige verwondingen, veroorzaakt door de bekken en klauwen der arenden, die hun wettigen buit moedig hadden zoeken te verdedigen.Met zijn gewoon Indiaansch stoïcisme, dat zich nimmer verloochende, zat Curumilla bedaard en stil het bloed te stelpen, dat gedurig uit zijne wonden liep, te fier om zich te beklagen, ja zelfs blijkbaar gehinderd door het medelijden dat zijn kameraden er over aan den dag legden.Toen de maaltijd was afgeloopen slaakte Valentin een veelbeduidend hum, en stopte deftig zijne pijp, die hij vervolgens aanstak; de anderen deden hetzelfde en weldra zaten de jagers om het hardst te dampen, schier onzichtbaar achter een dikke wolk van tabaksrook.»Caballeros,” zeide de jager, »God heeft ons blijkbaar geholpen, zoo als Hij altijd doet als men gelooft aan zijne goede en almachtige trouw. Hij heeft ons de middelen willen verleenen om onze krachten te herstellen, die ons reeds bijna ontzonken waren, laten wij dus niet vreezen noch den moed opgeven; morgen verlaten wij het verwenschte wespennest daar wij ons thans in bevinden; zoodra gij uw pijp hebt uitgerookt moet gij gaan slapen; ik zal u wel wekken als het tijd is; wij moeten zorgen dat wij gereed en bekwaam zijn om een langen en moeielijken tocht te maken. Wij hebben nog vier uren vrijen tijd, laten wij die gebruiken tot ons nut, want ik verzeker u, wij zullen het dezen nacht in alle opzichten zwaar te verantwoorden hebben. Houdt u hiermede voor gewaarschuwd, en volgt mijn raad.”Terstond zijn voorbeeld voegende bij de les, schudde Valentin de asch uit zijne calumet, en stak haar in zijn gordel, strekte zich op den grond uit en sliep bijna onmiddellijk in.De anderen keurden zijn raad zeker goed, want zij volgden dien zonder bedenken.Tien minuten later was het geheele kamp in slaap, behalve Curumilla.Hoe lang zij sliepen zou niemand hunner hebben kunnen zeggen, maar toen de Franschman hen wekte was het diep in den nacht.De hemel, met duizenden sterren bezaaid spande, boven hunne hoofden zijn donkerblauw gewelf; de halve maan neigde reeds ten ondergang. Zij scheen zich te baden in een zee van dampen, en verspreidde over het zwijgende landschap haar weemoedig licht dat aan alle voorwerpen een spookachtig aanzien verleende.»Sta op!” bromde Valentin zacht tegen elk zijner kameraden terwijl hij hen beurtelings op den schouder klopte.»Gaan wij reeds vertrekken?” vroeg generaal Ibanez met een half gesmoorden geeuw, terwijl hij opvloog als een los gelaten springveer.»Ja,” was al wat de jager antwoordde.Weldra waren allen gereed om te vertrekken.»Op marsch!” hervatte Valentin, »maken wij ons de duisternis ten nutte; onze vijanden waken zonder twijfel in het ronde.”»Wij wachten op uwe orders,” antwoordde don Miguel.Met een wenk had de jager zijne vrienden om zich verzameld.»Hoort mij aandachtig,” zeide hij, »want eer wij de stoute onderneming wagen die ik mij heb voorgesteld, wil ik uw volkomen toestemming hebben. Onze positie is wanhopig, langer hier blijven is sterven, sterven van koude, van honger, van dorst, van gebrek en ellende, na ik weet niet hoe vele dagen van ondragelijk lijden, gij zijt allen hiervan overtuigd, niet waar?”»Ja!” antwoordden zij uit éénen mond.»Goed,” hervatte hij; »nog langer te zoeken naar den weg dien wij verloren hebben, zou eene dwaasheid zijn die geen kans op welslagen hebben kan, is het zoo niet?”»Ja,” riepen zij andermaal.De jager vervolgde.»Welnu, het is eene poging, misschien even dwaas, die ik thans beproeven wil, en zoo die poging niet mocht slagen zullen wij ook omkomen, maar dan zullen wij ten minste onze laatste poging gedaan hebben en sterven zonder te lijden, ja bijna zonder doodstrijd; zoo wij echter als door een wonder mochten slagen, want het is schier een wonderwerk dat ik van Gods onuitputtelijke goedheid verwacht, dan zijn wij gered. Denkt hierover na eer gij mij antwoordt. Zegt mij, mijne vrienden, zijt gij vastelijk besloten mij te volgen en te gehoorzamen in alles wat ik u bevelen zal, zonder aarzelen en zonder morren: kortom, zijt gij bereid om voor eenige uren van uw eigen wil geheel afstand te doen om u alleen naar den mijnen te gedragen? Antwoordt mij!”De jagers wisselden een blik.»Beveel mij, vriend,” sprak de hacendero het woord doende voor al zijne kameraden; »wij zweren dat wij u zullen volgen en gehoorzamen wat er ook van komt.”Er volgde een oogenblik stilte, die eindelijk door Valentin verbroken werd.»Het is goed,” zeide hij, »ik heb uwe belofte; het is mijne beurt om de mijne te volbrengen.”En met een gebaar vol stille majesteit, ontblootte de woudlooper het hoofd, sloeg de oogen ten hemel en sprak met een vaste stem: »Heere God, ons leven is in uwe handen, wij verlaten ons op uwe rechtvaardigheid en genade.” Zich toen tot zijne kameraden richtende, zeide hij:»Gaan wij!”Zij maakten zich gereed hun kamp te verlaten. Valentin stelde zich aan het hoofd der kleine schaar.»En nu,” vervolgde hij kortaf, »beveel ik u de diepste stilte!”De jagers begonnen den marsch met den Indiaanschen pas, waarbij de Franschman vooraan ging terwijl Curumilla volgde.Door de nachtelijke duisternis was het geene gemakkelijke taak om vasten koers te houden in dezen verwarden chaos van rotsen, die hier en daar de besneeuwde toppen boven onpeilbare afgronden opstaken, op wier bodem men op onzekere diepte de onzichtbare waterstroomen hoorde murmelen.Een enkele mistred zou doodelijk geweest zijn.Intusschen stapte Valentin voort met de gewisheid van iemand die in den heldersten zonneschijn en langs het effenste pad in de prairie wandelde, nu rechts dan links omslaande, terwijl hij zich van tijd tot tijd langs bijna loodrechte steilten liet afglijden, zonder immer te aarzelen of naar zijne kameraden om te zien, die hij alleen nu en dan met een zachte stem dit enkele woord toeriep:»Houdt moed!”Inderdaad hadden deze vijf mannen een hart van koper en staal noodig om geen blijken van vrees of zwakheid te geven gedurende dezen ruwen tocht door eene streek zoo hoog en onherbergzaam, dat zelfs de arend er zich slechts zelden vertoont.Zoo marcheerden zij bijna twee uren, zonder dat er een woord tusschen hen gewisseld werd.Na eene vrij lange afdaling die hen wel twintigmaal in gevaar bracht van de steile helling neder te storten, gaf Valentin zijne metgezellen een teeken om stil te houden.Zij wierpen een nieuwsgierigen blik in het rond en zagen nu dat zij, om zoo te zeggen, hun evenwicht hadden terug gevonden op een klein bergterras van omtrent tien ellen in ’t vierkant.Rondom dit terras was alles donker.Het grensde aan een afgrond van onpeilbare diepte.De rots, als met het zwaard van Roeland in tweeën gehouwen, gaapte met een kloof van ongeveer twaalf à vijftien ellen breedte.»Hier moeten wij over,” zei Valentin; »ik geef u tien minuten om adem te scheppen en u gereed te maken.”»Hoedat, hier?” vroeg don Miguel verwonderd, »maar ik vind niets dan een steilen afgrond aan alle kanten.”»Welnu,” antwoordde de jager, »dien zullen wij overspannen.”De hacendero schudde moedeloos het hoofd.Valentin glimlachte.»Weet gij wel waar wij hier zijn?” zeide hij.»Neen,” antwoordden de anderen.»Dan zal ik het u zeggen,” hervatte hij: »deze plaats heeft onder de Roodhuiden en jagers eene treurige vermaardheid; misschien zult gij zelf haar wel eens hebben hooren noemen, zonder ooit te vermoedendat gij er eens zoo dicht bij zoudt komen; men noemt haarel mal Paso, of de kwade Pas, wegens de verbazende kloof die hier op eens den berg doorsnijdt en de gemeenschap met den anderen oever bot afbreekt.”»Welnu!” riep don Miguel.»Welnu,” herhaalde Valentin, »eenige uren geleden, toen wij daar boven op die plek waren en ik met de oogen de twee reizigers volgde die wij op den weg naar Santa-Fé zagen rijden, viel mijn blik toevallig op de mal Paso, en begreep ik dat ons nog ééne kans op behoud overbleef, namelijk zoo het ons gelukken mocht de mal Paso over te komen.”»Derhalve,” vroeg don Miguel huiverend, »hebt gij besloten om een dolle proefneming te wagen?”»Dat heb ik.”»Maar dat is God verzoeken!”»Neen, dat is Hem om zijn wonderbaren bijstand te smeeken, anders niet. Geloof mij, vriend. God verlaat niet die vol vertrouwen zich onvoorwaardelijk op Hem verlaten, Hij zal ons helpen.”»Maar.…” riep de hacendero.Valentin viel hem met drift in de rede.»Geen woord,” zeide hij; »gij hebt gezworen mij te zullengehoorzamen, ik heb gezworen u te redden; houdt gij uw eed gelijk ik den mijnen.”Zijne kameraden, tegen wil en dank door Valentin tot zwijgen gebracht, bogen het hoofd en antwoordden niet.»Mijne broeders,” hervatte de jager, »bidden wij God, opdat Hij er ons doorhelpe.”En zelf het voorbeeld gevende knielde hij op de rots neder; zijne kameraden deden hetzelfde.Het was een grootsch en treffend gezicht, die vijf mannen daar vromelijk geknield te zien, op het kleine terras in den schemerenden nacht, te midden eener woeste natuur, boven een peilloozen afgrond die aan hunne voeten bulderde, terwijl hunne oogen ten hemel gericht, bijstand smeekten van Hem die alleen hen kon redden in den bangen strijd dien zij gingen ondernemen.Een oogenblik later stond Valentin op.»Hoopt!” zeide hij.De jager trad naar den uitersten rand van het terras, bukte over den afgrond, de oogen met gespannen opmerkzaamheid voor zich uit richtende.Zijne kameraden volgden al zijne bewegingen zonder er iets van te begrijpen.Na eenige minuten onbeweeglijk te hebben gestaan kwam de jager bij zijne vrienden terug.»Alles gaat goed,” zeide hij.Nu maakte hij de lasso los die aan zijn gordel hing en begon haar bedaard om zijne rechterhand te rollen.Curumilla glimlachte; de Indiaan begreep terstond wat de Franschman van zins was; zonder een woord te zeggen, volgens gewoonte, maakte ook hij zijne lasso los en deed hetzelfde als Valentin.»Goed!” zeide deze met een goedkeurenden wenk, »wij doen samen, hoofdman.”De beide woudloopers zetten het rechterbeen vooruit, strekten het lijf achterwaarts om een vasten stand te bekomen, en begonnen de lasso boven hunne hoofden te zwaaien.Op een afgesproken teeken, vlogen de lasso’s hun van de handen floten door de lucht.Valentin en Curumilla hadden het andere eind van het koord in hunne linkerhand gehouden; zij trokken het beiden terug: de lasso’s hielden vast en spanden zich: ondanks al hun trekken en rukken konden zij ze niet meer tot zich halen.Valentin slaakte een kreet van blijdschap, zijn plan was hem gelukt.Hij vereenigde de beide lasso’s, sloeg ze om een rotspunt, en bond ze stevig vast.Zich toen tot zijne kameraden wendende, zeide hij:»Ziedaar een brug.”»Ach!” riepen de Mexicanen, »nu zijn wij gered.”Deze mannen met hunne verstaalde harten, die geen gevaar vreesden en geen hindernis te groot achtten, konden strikt genomen zoo spreken, al was ook de brug allergevaarlijkst.Valentin en Curumilla hadden hunne lasso’s over een rotspunt geworpen aan de overzijde der kloof; de loopende knoop aan het uiteinde had doel getroffen en had zich gesloten: op deze wijs was het middel van gemeenschap gevestigd; maar deze gemeenschap of deze brug, zooals Valentin het noemde, bestond uit niets meer dan twee van leder gevlochten koorden, van een duim dikte, hier gespannen over een afgrond van onbekende diepte en minstens vijftien ellen breed, die men met de vuist om het koord geklemd, al palmende moest oversteken.Voorzeker, om op deze vreemdsoortige brug zich te vertrouwen was een waagstuk dat stof tot nadenken gaf, eene zaak van overweging zelfs voor den dapperste. Om aldus aan zijne handen te hangen, boven een afgrond, over eene lengte van vijftien meters, was niet uitlokkend in dezen donkeren nacht; als het koord eens brak of losging!De jagers aarzelden.»Wel!” zei Valentin, »zullen wij overgaan?”Niemand gaf antwoord.»Gij hebt gelijk,” riep de jager meesmuilend, »gij zoudt eerst willen weten of de brug sterk genoeg is, is het zoo niet? Geheel tot uw dienst! zoo als gij wilt.”En met denzelfden bedaarden stap als altijd trad hij naar den randder steilte. Bij de lasso komende greep hij die met de beide handen en wendde zich tot zijne kameraden.»Ziedaar,” riep hij, op dien onbezorgden toon die hem altijd was bijgebleven, »het gezicht kost u niets.”Zonder zich in ’t minst te haasten, met al degemakkelijkheidvan een professor in sterke toeren, palmde hij zich in achterwaartsche beweging, greep voor greep, over de bergkloof om zijnen vrienden te wijzen hoe zij het moesten aanleggen.Vervolgens, nadat hij den overkant bereikt had, waar hij zijn geweer achter liet, keerde hij even bedaard naar zijne vrienden terug.Dezen hadden met ongeruste blikken en ingehouden adem al zijne bewegingen gadegeslagen, terwijl zij onwillekeurig huiverden over het gevaar dat de onverschrokken Parijzenaar durfde trotseeren.»Ik hoop,” zeide hij op het terras terugkomende, »dat gij nu ten minste van de soliditeit der lasso’s overtuigd zijt en niet langer zult aarzelen.”Zonder te antwoorden ging Curumilla over de brug.»Dat ’s één!” riep Valentin lachend, »’t is eigenlijk geen haverklap waard. Wiens beurt is het?”»De mijne,” antwoordde don Pablo.Hij ging over.»Nu is het mijne beurt,” riep don Miguel.»Ga,” zei Valentin.De hacendero stond na eenige minuten mede aan den anderen oever.Twee bleven er nog over. Valentin en generaal Ibanez.»Komaan,” riep de jager, »’t is aan u, generaal; ik moet er het laatst overgaan.”De generaal schudde moedeloos het hoofd.»Ik zal niet kunnen,” zeide hij.

XXII.EL MAL PASO.

De jagers besteedden weinig meer dan een uur aan de afdaling, terwijl de beklimming hun meer dan acht uren tijds had gekost.Hun kamp lag op de kruin van een steile rots in een onwinbare stelling, die zij eene maand geleden gekozen hadden.Na hun bezoek in de jacal hadden zij het spoor der vluchtelingen spoedig ontdekt en waren zij hen vier dagen lang gevolgd.Dat spoor liep uit in de Sierra de los Comanches en de jagers trokken onverschrokken de woeste en onbegaanbare bergen in; maar op eens waren zij het spoor als door een tooverslag kwijt geraakt en hadden het sedert dien met geene mogelijkheid terug kunnen vinden.Hunne onvermoeide nasporingen hadden geen ander gevolg dan dat zij in de ongebaande bergstreek verdwaald raakten en ondanks al hunne pogingen geen uitweg konden vinden om weder op de vlakte te komen.Zoo brachten zij nog zes dagen beurtelings in hun kamp en met omzwerven tusschen de bergen door, doch sedert de laatste twee dagen, waren hunne levensmiddelen geheel uitgeput en begonnen zij den nijpenden druk des hongers te gevoelen.Hun toestand was niet langer houdbaar, er moest tot iederen prijs een einde aan worden gemaakt.Valentin en zijne kameraden, hadden dus ondanks hun krachtverlies besloten eene laatste poging te wagen en de hooge bergspits te beklimmen, op welks kruin wij hen gezien hebben, ten einde van daar een uitweg te ontdekken.Deze wanhopige poging had nu, in plaats van een, twee goede gevolgen gehad, daar de Franschman niet alleen verklaarde een uitweg gevonden te hebben, maar ook Curumilla er in geslaagd was nieuwen levensvoorraad te verzamelen.Het gelukkige vijftal kwam dus vroolijk in het kamp terug, dat zij met de wanhoop in het hart verlaten hadden.Niemand, of hij moest zich in een dergelijken toestand bevonden hebben, kan zich het gevoel van verademing voorstellen, dat de ziel ondervindt, wanneer zij na volslagen vertwijfeling op eens tot het grootste vertrouwen overgaat.Zoodra zij in het kamp waren maakte Valentin het vuur weder aan, dat zij twee dagen te voren hadden laten uitgaan omdat het hun toch niet langer dienen kon.Evenwel, daar het gezicht van den rook hun verblijf zonder twijfel aan denRoode-Cederzou hebben verraden zoo deze zich, dat licht mogelijk was, ergens in den omtrek mocht bevinden, gebruikten zij de voorzorg om hun gebraad in een kleine grot gereed te maken, die aan de zijde van den heuvel lag waar zij hun kamp hadden opgeslagen.Toen alles gereed was gingen zij aan ’t eten.Niet voordat zij hun eersten honger gestild hadden dachten zij er aan om den behendigen Indiaan te danken voor het overvloedige maal dat hij hun bezorgd had, zoo dringend was inderdaad hun nood.Maar ook toen eerst zagen zij wat zij in de drift om hun onverbiddelijken honger te bevredigen, niet hadden opgemerkt, namelijk dat de Araucaan hun den genoten voorraad niet zonder groot lijfsgevaar had kunnen bezorgen; werkelijk droeg Curumilla hiervan in zijn aangezicht, aan zijne schouders en op zijne borst de duidelijke sporen in vrij ernstige verwondingen, veroorzaakt door de bekken en klauwen der arenden, die hun wettigen buit moedig hadden zoeken te verdedigen.Met zijn gewoon Indiaansch stoïcisme, dat zich nimmer verloochende, zat Curumilla bedaard en stil het bloed te stelpen, dat gedurig uit zijne wonden liep, te fier om zich te beklagen, ja zelfs blijkbaar gehinderd door het medelijden dat zijn kameraden er over aan den dag legden.Toen de maaltijd was afgeloopen slaakte Valentin een veelbeduidend hum, en stopte deftig zijne pijp, die hij vervolgens aanstak; de anderen deden hetzelfde en weldra zaten de jagers om het hardst te dampen, schier onzichtbaar achter een dikke wolk van tabaksrook.»Caballeros,” zeide de jager, »God heeft ons blijkbaar geholpen, zoo als Hij altijd doet als men gelooft aan zijne goede en almachtige trouw. Hij heeft ons de middelen willen verleenen om onze krachten te herstellen, die ons reeds bijna ontzonken waren, laten wij dus niet vreezen noch den moed opgeven; morgen verlaten wij het verwenschte wespennest daar wij ons thans in bevinden; zoodra gij uw pijp hebt uitgerookt moet gij gaan slapen; ik zal u wel wekken als het tijd is; wij moeten zorgen dat wij gereed en bekwaam zijn om een langen en moeielijken tocht te maken. Wij hebben nog vier uren vrijen tijd, laten wij die gebruiken tot ons nut, want ik verzeker u, wij zullen het dezen nacht in alle opzichten zwaar te verantwoorden hebben. Houdt u hiermede voor gewaarschuwd, en volgt mijn raad.”Terstond zijn voorbeeld voegende bij de les, schudde Valentin de asch uit zijne calumet, en stak haar in zijn gordel, strekte zich op den grond uit en sliep bijna onmiddellijk in.De anderen keurden zijn raad zeker goed, want zij volgden dien zonder bedenken.Tien minuten later was het geheele kamp in slaap, behalve Curumilla.Hoe lang zij sliepen zou niemand hunner hebben kunnen zeggen, maar toen de Franschman hen wekte was het diep in den nacht.De hemel, met duizenden sterren bezaaid spande, boven hunne hoofden zijn donkerblauw gewelf; de halve maan neigde reeds ten ondergang. Zij scheen zich te baden in een zee van dampen, en verspreidde over het zwijgende landschap haar weemoedig licht dat aan alle voorwerpen een spookachtig aanzien verleende.»Sta op!” bromde Valentin zacht tegen elk zijner kameraden terwijl hij hen beurtelings op den schouder klopte.»Gaan wij reeds vertrekken?” vroeg generaal Ibanez met een half gesmoorden geeuw, terwijl hij opvloog als een los gelaten springveer.»Ja,” was al wat de jager antwoordde.Weldra waren allen gereed om te vertrekken.»Op marsch!” hervatte Valentin, »maken wij ons de duisternis ten nutte; onze vijanden waken zonder twijfel in het ronde.”»Wij wachten op uwe orders,” antwoordde don Miguel.Met een wenk had de jager zijne vrienden om zich verzameld.»Hoort mij aandachtig,” zeide hij, »want eer wij de stoute onderneming wagen die ik mij heb voorgesteld, wil ik uw volkomen toestemming hebben. Onze positie is wanhopig, langer hier blijven is sterven, sterven van koude, van honger, van dorst, van gebrek en ellende, na ik weet niet hoe vele dagen van ondragelijk lijden, gij zijt allen hiervan overtuigd, niet waar?”»Ja!” antwoordden zij uit éénen mond.»Goed,” hervatte hij; »nog langer te zoeken naar den weg dien wij verloren hebben, zou eene dwaasheid zijn die geen kans op welslagen hebben kan, is het zoo niet?”»Ja,” riepen zij andermaal.De jager vervolgde.»Welnu, het is eene poging, misschien even dwaas, die ik thans beproeven wil, en zoo die poging niet mocht slagen zullen wij ook omkomen, maar dan zullen wij ten minste onze laatste poging gedaan hebben en sterven zonder te lijden, ja bijna zonder doodstrijd; zoo wij echter als door een wonder mochten slagen, want het is schier een wonderwerk dat ik van Gods onuitputtelijke goedheid verwacht, dan zijn wij gered. Denkt hierover na eer gij mij antwoordt. Zegt mij, mijne vrienden, zijt gij vastelijk besloten mij te volgen en te gehoorzamen in alles wat ik u bevelen zal, zonder aarzelen en zonder morren: kortom, zijt gij bereid om voor eenige uren van uw eigen wil geheel afstand te doen om u alleen naar den mijnen te gedragen? Antwoordt mij!”De jagers wisselden een blik.»Beveel mij, vriend,” sprak de hacendero het woord doende voor al zijne kameraden; »wij zweren dat wij u zullen volgen en gehoorzamen wat er ook van komt.”Er volgde een oogenblik stilte, die eindelijk door Valentin verbroken werd.»Het is goed,” zeide hij, »ik heb uwe belofte; het is mijne beurt om de mijne te volbrengen.”En met een gebaar vol stille majesteit, ontblootte de woudlooper het hoofd, sloeg de oogen ten hemel en sprak met een vaste stem: »Heere God, ons leven is in uwe handen, wij verlaten ons op uwe rechtvaardigheid en genade.” Zich toen tot zijne kameraden richtende, zeide hij:»Gaan wij!”Zij maakten zich gereed hun kamp te verlaten. Valentin stelde zich aan het hoofd der kleine schaar.»En nu,” vervolgde hij kortaf, »beveel ik u de diepste stilte!”De jagers begonnen den marsch met den Indiaanschen pas, waarbij de Franschman vooraan ging terwijl Curumilla volgde.Door de nachtelijke duisternis was het geene gemakkelijke taak om vasten koers te houden in dezen verwarden chaos van rotsen, die hier en daar de besneeuwde toppen boven onpeilbare afgronden opstaken, op wier bodem men op onzekere diepte de onzichtbare waterstroomen hoorde murmelen.Een enkele mistred zou doodelijk geweest zijn.Intusschen stapte Valentin voort met de gewisheid van iemand die in den heldersten zonneschijn en langs het effenste pad in de prairie wandelde, nu rechts dan links omslaande, terwijl hij zich van tijd tot tijd langs bijna loodrechte steilten liet afglijden, zonder immer te aarzelen of naar zijne kameraden om te zien, die hij alleen nu en dan met een zachte stem dit enkele woord toeriep:»Houdt moed!”Inderdaad hadden deze vijf mannen een hart van koper en staal noodig om geen blijken van vrees of zwakheid te geven gedurende dezen ruwen tocht door eene streek zoo hoog en onherbergzaam, dat zelfs de arend er zich slechts zelden vertoont.Zoo marcheerden zij bijna twee uren, zonder dat er een woord tusschen hen gewisseld werd.Na eene vrij lange afdaling die hen wel twintigmaal in gevaar bracht van de steile helling neder te storten, gaf Valentin zijne metgezellen een teeken om stil te houden.Zij wierpen een nieuwsgierigen blik in het rond en zagen nu dat zij, om zoo te zeggen, hun evenwicht hadden terug gevonden op een klein bergterras van omtrent tien ellen in ’t vierkant.Rondom dit terras was alles donker.Het grensde aan een afgrond van onpeilbare diepte.De rots, als met het zwaard van Roeland in tweeën gehouwen, gaapte met een kloof van ongeveer twaalf à vijftien ellen breedte.»Hier moeten wij over,” zei Valentin; »ik geef u tien minuten om adem te scheppen en u gereed te maken.”»Hoedat, hier?” vroeg don Miguel verwonderd, »maar ik vind niets dan een steilen afgrond aan alle kanten.”»Welnu,” antwoordde de jager, »dien zullen wij overspannen.”De hacendero schudde moedeloos het hoofd.Valentin glimlachte.»Weet gij wel waar wij hier zijn?” zeide hij.»Neen,” antwoordden de anderen.»Dan zal ik het u zeggen,” hervatte hij: »deze plaats heeft onder de Roodhuiden en jagers eene treurige vermaardheid; misschien zult gij zelf haar wel eens hebben hooren noemen, zonder ooit te vermoedendat gij er eens zoo dicht bij zoudt komen; men noemt haarel mal Paso, of de kwade Pas, wegens de verbazende kloof die hier op eens den berg doorsnijdt en de gemeenschap met den anderen oever bot afbreekt.”»Welnu!” riep don Miguel.»Welnu,” herhaalde Valentin, »eenige uren geleden, toen wij daar boven op die plek waren en ik met de oogen de twee reizigers volgde die wij op den weg naar Santa-Fé zagen rijden, viel mijn blik toevallig op de mal Paso, en begreep ik dat ons nog ééne kans op behoud overbleef, namelijk zoo het ons gelukken mocht de mal Paso over te komen.”»Derhalve,” vroeg don Miguel huiverend, »hebt gij besloten om een dolle proefneming te wagen?”»Dat heb ik.”»Maar dat is God verzoeken!”»Neen, dat is Hem om zijn wonderbaren bijstand te smeeken, anders niet. Geloof mij, vriend. God verlaat niet die vol vertrouwen zich onvoorwaardelijk op Hem verlaten, Hij zal ons helpen.”»Maar.…” riep de hacendero.Valentin viel hem met drift in de rede.»Geen woord,” zeide hij; »gij hebt gezworen mij te zullengehoorzamen, ik heb gezworen u te redden; houdt gij uw eed gelijk ik den mijnen.”Zijne kameraden, tegen wil en dank door Valentin tot zwijgen gebracht, bogen het hoofd en antwoordden niet.»Mijne broeders,” hervatte de jager, »bidden wij God, opdat Hij er ons doorhelpe.”En zelf het voorbeeld gevende knielde hij op de rots neder; zijne kameraden deden hetzelfde.Het was een grootsch en treffend gezicht, die vijf mannen daar vromelijk geknield te zien, op het kleine terras in den schemerenden nacht, te midden eener woeste natuur, boven een peilloozen afgrond die aan hunne voeten bulderde, terwijl hunne oogen ten hemel gericht, bijstand smeekten van Hem die alleen hen kon redden in den bangen strijd dien zij gingen ondernemen.Een oogenblik later stond Valentin op.»Hoopt!” zeide hij.De jager trad naar den uitersten rand van het terras, bukte over den afgrond, de oogen met gespannen opmerkzaamheid voor zich uit richtende.Zijne kameraden volgden al zijne bewegingen zonder er iets van te begrijpen.Na eenige minuten onbeweeglijk te hebben gestaan kwam de jager bij zijne vrienden terug.»Alles gaat goed,” zeide hij.Nu maakte hij de lasso los die aan zijn gordel hing en begon haar bedaard om zijne rechterhand te rollen.Curumilla glimlachte; de Indiaan begreep terstond wat de Franschman van zins was; zonder een woord te zeggen, volgens gewoonte, maakte ook hij zijne lasso los en deed hetzelfde als Valentin.»Goed!” zeide deze met een goedkeurenden wenk, »wij doen samen, hoofdman.”De beide woudloopers zetten het rechterbeen vooruit, strekten het lijf achterwaarts om een vasten stand te bekomen, en begonnen de lasso boven hunne hoofden te zwaaien.Op een afgesproken teeken, vlogen de lasso’s hun van de handen floten door de lucht.Valentin en Curumilla hadden het andere eind van het koord in hunne linkerhand gehouden; zij trokken het beiden terug: de lasso’s hielden vast en spanden zich: ondanks al hun trekken en rukken konden zij ze niet meer tot zich halen.Valentin slaakte een kreet van blijdschap, zijn plan was hem gelukt.Hij vereenigde de beide lasso’s, sloeg ze om een rotspunt, en bond ze stevig vast.Zich toen tot zijne kameraden wendende, zeide hij:»Ziedaar een brug.”»Ach!” riepen de Mexicanen, »nu zijn wij gered.”Deze mannen met hunne verstaalde harten, die geen gevaar vreesden en geen hindernis te groot achtten, konden strikt genomen zoo spreken, al was ook de brug allergevaarlijkst.Valentin en Curumilla hadden hunne lasso’s over een rotspunt geworpen aan de overzijde der kloof; de loopende knoop aan het uiteinde had doel getroffen en had zich gesloten: op deze wijs was het middel van gemeenschap gevestigd; maar deze gemeenschap of deze brug, zooals Valentin het noemde, bestond uit niets meer dan twee van leder gevlochten koorden, van een duim dikte, hier gespannen over een afgrond van onbekende diepte en minstens vijftien ellen breed, die men met de vuist om het koord geklemd, al palmende moest oversteken.Voorzeker, om op deze vreemdsoortige brug zich te vertrouwen was een waagstuk dat stof tot nadenken gaf, eene zaak van overweging zelfs voor den dapperste. Om aldus aan zijne handen te hangen, boven een afgrond, over eene lengte van vijftien meters, was niet uitlokkend in dezen donkeren nacht; als het koord eens brak of losging!De jagers aarzelden.»Wel!” zei Valentin, »zullen wij overgaan?”Niemand gaf antwoord.»Gij hebt gelijk,” riep de jager meesmuilend, »gij zoudt eerst willen weten of de brug sterk genoeg is, is het zoo niet? Geheel tot uw dienst! zoo als gij wilt.”En met denzelfden bedaarden stap als altijd trad hij naar den randder steilte. Bij de lasso komende greep hij die met de beide handen en wendde zich tot zijne kameraden.»Ziedaar,” riep hij, op dien onbezorgden toon die hem altijd was bijgebleven, »het gezicht kost u niets.”Zonder zich in ’t minst te haasten, met al degemakkelijkheidvan een professor in sterke toeren, palmde hij zich in achterwaartsche beweging, greep voor greep, over de bergkloof om zijnen vrienden te wijzen hoe zij het moesten aanleggen.Vervolgens, nadat hij den overkant bereikt had, waar hij zijn geweer achter liet, keerde hij even bedaard naar zijne vrienden terug.Dezen hadden met ongeruste blikken en ingehouden adem al zijne bewegingen gadegeslagen, terwijl zij onwillekeurig huiverden over het gevaar dat de onverschrokken Parijzenaar durfde trotseeren.»Ik hoop,” zeide hij op het terras terugkomende, »dat gij nu ten minste van de soliditeit der lasso’s overtuigd zijt en niet langer zult aarzelen.”Zonder te antwoorden ging Curumilla over de brug.»Dat ’s één!” riep Valentin lachend, »’t is eigenlijk geen haverklap waard. Wiens beurt is het?”»De mijne,” antwoordde don Pablo.Hij ging over.»Nu is het mijne beurt,” riep don Miguel.»Ga,” zei Valentin.De hacendero stond na eenige minuten mede aan den anderen oever.Twee bleven er nog over. Valentin en generaal Ibanez.»Komaan,” riep de jager, »’t is aan u, generaal; ik moet er het laatst overgaan.”De generaal schudde moedeloos het hoofd.»Ik zal niet kunnen,” zeide hij.

De jagers besteedden weinig meer dan een uur aan de afdaling, terwijl de beklimming hun meer dan acht uren tijds had gekost.

Hun kamp lag op de kruin van een steile rots in een onwinbare stelling, die zij eene maand geleden gekozen hadden.

Na hun bezoek in de jacal hadden zij het spoor der vluchtelingen spoedig ontdekt en waren zij hen vier dagen lang gevolgd.

Dat spoor liep uit in de Sierra de los Comanches en de jagers trokken onverschrokken de woeste en onbegaanbare bergen in; maar op eens waren zij het spoor als door een tooverslag kwijt geraakt en hadden het sedert dien met geene mogelijkheid terug kunnen vinden.

Hunne onvermoeide nasporingen hadden geen ander gevolg dan dat zij in de ongebaande bergstreek verdwaald raakten en ondanks al hunne pogingen geen uitweg konden vinden om weder op de vlakte te komen.

Zoo brachten zij nog zes dagen beurtelings in hun kamp en met omzwerven tusschen de bergen door, doch sedert de laatste twee dagen, waren hunne levensmiddelen geheel uitgeput en begonnen zij den nijpenden druk des hongers te gevoelen.

Hun toestand was niet langer houdbaar, er moest tot iederen prijs een einde aan worden gemaakt.

Valentin en zijne kameraden, hadden dus ondanks hun krachtverlies besloten eene laatste poging te wagen en de hooge bergspits te beklimmen, op welks kruin wij hen gezien hebben, ten einde van daar een uitweg te ontdekken.

Deze wanhopige poging had nu, in plaats van een, twee goede gevolgen gehad, daar de Franschman niet alleen verklaarde een uitweg gevonden te hebben, maar ook Curumilla er in geslaagd was nieuwen levensvoorraad te verzamelen.

Het gelukkige vijftal kwam dus vroolijk in het kamp terug, dat zij met de wanhoop in het hart verlaten hadden.

Niemand, of hij moest zich in een dergelijken toestand bevonden hebben, kan zich het gevoel van verademing voorstellen, dat de ziel ondervindt, wanneer zij na volslagen vertwijfeling op eens tot het grootste vertrouwen overgaat.

Zoodra zij in het kamp waren maakte Valentin het vuur weder aan, dat zij twee dagen te voren hadden laten uitgaan omdat het hun toch niet langer dienen kon.

Evenwel, daar het gezicht van den rook hun verblijf zonder twijfel aan denRoode-Cederzou hebben verraden zoo deze zich, dat licht mogelijk was, ergens in den omtrek mocht bevinden, gebruikten zij de voorzorg om hun gebraad in een kleine grot gereed te maken, die aan de zijde van den heuvel lag waar zij hun kamp hadden opgeslagen.

Toen alles gereed was gingen zij aan ’t eten.

Niet voordat zij hun eersten honger gestild hadden dachten zij er aan om den behendigen Indiaan te danken voor het overvloedige maal dat hij hun bezorgd had, zoo dringend was inderdaad hun nood.

Maar ook toen eerst zagen zij wat zij in de drift om hun onverbiddelijken honger te bevredigen, niet hadden opgemerkt, namelijk dat de Araucaan hun den genoten voorraad niet zonder groot lijfsgevaar had kunnen bezorgen; werkelijk droeg Curumilla hiervan in zijn aangezicht, aan zijne schouders en op zijne borst de duidelijke sporen in vrij ernstige verwondingen, veroorzaakt door de bekken en klauwen der arenden, die hun wettigen buit moedig hadden zoeken te verdedigen.

Met zijn gewoon Indiaansch stoïcisme, dat zich nimmer verloochende, zat Curumilla bedaard en stil het bloed te stelpen, dat gedurig uit zijne wonden liep, te fier om zich te beklagen, ja zelfs blijkbaar gehinderd door het medelijden dat zijn kameraden er over aan den dag legden.

Toen de maaltijd was afgeloopen slaakte Valentin een veelbeduidend hum, en stopte deftig zijne pijp, die hij vervolgens aanstak; de anderen deden hetzelfde en weldra zaten de jagers om het hardst te dampen, schier onzichtbaar achter een dikke wolk van tabaksrook.

»Caballeros,” zeide de jager, »God heeft ons blijkbaar geholpen, zoo als Hij altijd doet als men gelooft aan zijne goede en almachtige trouw. Hij heeft ons de middelen willen verleenen om onze krachten te herstellen, die ons reeds bijna ontzonken waren, laten wij dus niet vreezen noch den moed opgeven; morgen verlaten wij het verwenschte wespennest daar wij ons thans in bevinden; zoodra gij uw pijp hebt uitgerookt moet gij gaan slapen; ik zal u wel wekken als het tijd is; wij moeten zorgen dat wij gereed en bekwaam zijn om een langen en moeielijken tocht te maken. Wij hebben nog vier uren vrijen tijd, laten wij die gebruiken tot ons nut, want ik verzeker u, wij zullen het dezen nacht in alle opzichten zwaar te verantwoorden hebben. Houdt u hiermede voor gewaarschuwd, en volgt mijn raad.”

Terstond zijn voorbeeld voegende bij de les, schudde Valentin de asch uit zijne calumet, en stak haar in zijn gordel, strekte zich op den grond uit en sliep bijna onmiddellijk in.

De anderen keurden zijn raad zeker goed, want zij volgden dien zonder bedenken.

Tien minuten later was het geheele kamp in slaap, behalve Curumilla.

Hoe lang zij sliepen zou niemand hunner hebben kunnen zeggen, maar toen de Franschman hen wekte was het diep in den nacht.

De hemel, met duizenden sterren bezaaid spande, boven hunne hoofden zijn donkerblauw gewelf; de halve maan neigde reeds ten ondergang. Zij scheen zich te baden in een zee van dampen, en verspreidde over het zwijgende landschap haar weemoedig licht dat aan alle voorwerpen een spookachtig aanzien verleende.

»Sta op!” bromde Valentin zacht tegen elk zijner kameraden terwijl hij hen beurtelings op den schouder klopte.

»Gaan wij reeds vertrekken?” vroeg generaal Ibanez met een half gesmoorden geeuw, terwijl hij opvloog als een los gelaten springveer.

»Ja,” was al wat de jager antwoordde.

Weldra waren allen gereed om te vertrekken.

»Op marsch!” hervatte Valentin, »maken wij ons de duisternis ten nutte; onze vijanden waken zonder twijfel in het ronde.”

»Wij wachten op uwe orders,” antwoordde don Miguel.

Met een wenk had de jager zijne vrienden om zich verzameld.

»Hoort mij aandachtig,” zeide hij, »want eer wij de stoute onderneming wagen die ik mij heb voorgesteld, wil ik uw volkomen toestemming hebben. Onze positie is wanhopig, langer hier blijven is sterven, sterven van koude, van honger, van dorst, van gebrek en ellende, na ik weet niet hoe vele dagen van ondragelijk lijden, gij zijt allen hiervan overtuigd, niet waar?”

»Ja!” antwoordden zij uit éénen mond.

»Goed,” hervatte hij; »nog langer te zoeken naar den weg dien wij verloren hebben, zou eene dwaasheid zijn die geen kans op welslagen hebben kan, is het zoo niet?”

»Ja,” riepen zij andermaal.

De jager vervolgde.

»Welnu, het is eene poging, misschien even dwaas, die ik thans beproeven wil, en zoo die poging niet mocht slagen zullen wij ook omkomen, maar dan zullen wij ten minste onze laatste poging gedaan hebben en sterven zonder te lijden, ja bijna zonder doodstrijd; zoo wij echter als door een wonder mochten slagen, want het is schier een wonderwerk dat ik van Gods onuitputtelijke goedheid verwacht, dan zijn wij gered. Denkt hierover na eer gij mij antwoordt. Zegt mij, mijne vrienden, zijt gij vastelijk besloten mij te volgen en te gehoorzamen in alles wat ik u bevelen zal, zonder aarzelen en zonder morren: kortom, zijt gij bereid om voor eenige uren van uw eigen wil geheel afstand te doen om u alleen naar den mijnen te gedragen? Antwoordt mij!”

De jagers wisselden een blik.

»Beveel mij, vriend,” sprak de hacendero het woord doende voor al zijne kameraden; »wij zweren dat wij u zullen volgen en gehoorzamen wat er ook van komt.”

Er volgde een oogenblik stilte, die eindelijk door Valentin verbroken werd.

»Het is goed,” zeide hij, »ik heb uwe belofte; het is mijne beurt om de mijne te volbrengen.”

En met een gebaar vol stille majesteit, ontblootte de woudlooper het hoofd, sloeg de oogen ten hemel en sprak met een vaste stem: »Heere God, ons leven is in uwe handen, wij verlaten ons op uwe rechtvaardigheid en genade.” Zich toen tot zijne kameraden richtende, zeide hij:

»Gaan wij!”

Zij maakten zich gereed hun kamp te verlaten. Valentin stelde zich aan het hoofd der kleine schaar.

»En nu,” vervolgde hij kortaf, »beveel ik u de diepste stilte!”

De jagers begonnen den marsch met den Indiaanschen pas, waarbij de Franschman vooraan ging terwijl Curumilla volgde.

Door de nachtelijke duisternis was het geene gemakkelijke taak om vasten koers te houden in dezen verwarden chaos van rotsen, die hier en daar de besneeuwde toppen boven onpeilbare afgronden opstaken, op wier bodem men op onzekere diepte de onzichtbare waterstroomen hoorde murmelen.

Een enkele mistred zou doodelijk geweest zijn.

Intusschen stapte Valentin voort met de gewisheid van iemand die in den heldersten zonneschijn en langs het effenste pad in de prairie wandelde, nu rechts dan links omslaande, terwijl hij zich van tijd tot tijd langs bijna loodrechte steilten liet afglijden, zonder immer te aarzelen of naar zijne kameraden om te zien, die hij alleen nu en dan met een zachte stem dit enkele woord toeriep:

»Houdt moed!”

Inderdaad hadden deze vijf mannen een hart van koper en staal noodig om geen blijken van vrees of zwakheid te geven gedurende dezen ruwen tocht door eene streek zoo hoog en onherbergzaam, dat zelfs de arend er zich slechts zelden vertoont.

Zoo marcheerden zij bijna twee uren, zonder dat er een woord tusschen hen gewisseld werd.

Na eene vrij lange afdaling die hen wel twintigmaal in gevaar bracht van de steile helling neder te storten, gaf Valentin zijne metgezellen een teeken om stil te houden.

Zij wierpen een nieuwsgierigen blik in het rond en zagen nu dat zij, om zoo te zeggen, hun evenwicht hadden terug gevonden op een klein bergterras van omtrent tien ellen in ’t vierkant.

Rondom dit terras was alles donker.

Het grensde aan een afgrond van onpeilbare diepte.

De rots, als met het zwaard van Roeland in tweeën gehouwen, gaapte met een kloof van ongeveer twaalf à vijftien ellen breedte.

»Hier moeten wij over,” zei Valentin; »ik geef u tien minuten om adem te scheppen en u gereed te maken.”

»Hoedat, hier?” vroeg don Miguel verwonderd, »maar ik vind niets dan een steilen afgrond aan alle kanten.”

»Welnu,” antwoordde de jager, »dien zullen wij overspannen.”

De hacendero schudde moedeloos het hoofd.

Valentin glimlachte.

»Weet gij wel waar wij hier zijn?” zeide hij.

»Neen,” antwoordden de anderen.

»Dan zal ik het u zeggen,” hervatte hij: »deze plaats heeft onder de Roodhuiden en jagers eene treurige vermaardheid; misschien zult gij zelf haar wel eens hebben hooren noemen, zonder ooit te vermoedendat gij er eens zoo dicht bij zoudt komen; men noemt haarel mal Paso, of de kwade Pas, wegens de verbazende kloof die hier op eens den berg doorsnijdt en de gemeenschap met den anderen oever bot afbreekt.”

»Welnu!” riep don Miguel.

»Welnu,” herhaalde Valentin, »eenige uren geleden, toen wij daar boven op die plek waren en ik met de oogen de twee reizigers volgde die wij op den weg naar Santa-Fé zagen rijden, viel mijn blik toevallig op de mal Paso, en begreep ik dat ons nog ééne kans op behoud overbleef, namelijk zoo het ons gelukken mocht de mal Paso over te komen.”

»Derhalve,” vroeg don Miguel huiverend, »hebt gij besloten om een dolle proefneming te wagen?”

»Dat heb ik.”

»Maar dat is God verzoeken!”

»Neen, dat is Hem om zijn wonderbaren bijstand te smeeken, anders niet. Geloof mij, vriend. God verlaat niet die vol vertrouwen zich onvoorwaardelijk op Hem verlaten, Hij zal ons helpen.”

»Maar.…” riep de hacendero.

Valentin viel hem met drift in de rede.

»Geen woord,” zeide hij; »gij hebt gezworen mij te zullengehoorzamen, ik heb gezworen u te redden; houdt gij uw eed gelijk ik den mijnen.”

Zijne kameraden, tegen wil en dank door Valentin tot zwijgen gebracht, bogen het hoofd en antwoordden niet.

»Mijne broeders,” hervatte de jager, »bidden wij God, opdat Hij er ons doorhelpe.”

En zelf het voorbeeld gevende knielde hij op de rots neder; zijne kameraden deden hetzelfde.

Het was een grootsch en treffend gezicht, die vijf mannen daar vromelijk geknield te zien, op het kleine terras in den schemerenden nacht, te midden eener woeste natuur, boven een peilloozen afgrond die aan hunne voeten bulderde, terwijl hunne oogen ten hemel gericht, bijstand smeekten van Hem die alleen hen kon redden in den bangen strijd dien zij gingen ondernemen.

Een oogenblik later stond Valentin op.

»Hoopt!” zeide hij.

De jager trad naar den uitersten rand van het terras, bukte over den afgrond, de oogen met gespannen opmerkzaamheid voor zich uit richtende.

Zijne kameraden volgden al zijne bewegingen zonder er iets van te begrijpen.

Na eenige minuten onbeweeglijk te hebben gestaan kwam de jager bij zijne vrienden terug.

»Alles gaat goed,” zeide hij.

Nu maakte hij de lasso los die aan zijn gordel hing en begon haar bedaard om zijne rechterhand te rollen.

Curumilla glimlachte; de Indiaan begreep terstond wat de Franschman van zins was; zonder een woord te zeggen, volgens gewoonte, maakte ook hij zijne lasso los en deed hetzelfde als Valentin.

»Goed!” zeide deze met een goedkeurenden wenk, »wij doen samen, hoofdman.”

De beide woudloopers zetten het rechterbeen vooruit, strekten het lijf achterwaarts om een vasten stand te bekomen, en begonnen de lasso boven hunne hoofden te zwaaien.

Op een afgesproken teeken, vlogen de lasso’s hun van de handen floten door de lucht.

Valentin en Curumilla hadden het andere eind van het koord in hunne linkerhand gehouden; zij trokken het beiden terug: de lasso’s hielden vast en spanden zich: ondanks al hun trekken en rukken konden zij ze niet meer tot zich halen.

Valentin slaakte een kreet van blijdschap, zijn plan was hem gelukt.

Hij vereenigde de beide lasso’s, sloeg ze om een rotspunt, en bond ze stevig vast.

Zich toen tot zijne kameraden wendende, zeide hij:

»Ziedaar een brug.”

»Ach!” riepen de Mexicanen, »nu zijn wij gered.”

Deze mannen met hunne verstaalde harten, die geen gevaar vreesden en geen hindernis te groot achtten, konden strikt genomen zoo spreken, al was ook de brug allergevaarlijkst.

Valentin en Curumilla hadden hunne lasso’s over een rotspunt geworpen aan de overzijde der kloof; de loopende knoop aan het uiteinde had doel getroffen en had zich gesloten: op deze wijs was het middel van gemeenschap gevestigd; maar deze gemeenschap of deze brug, zooals Valentin het noemde, bestond uit niets meer dan twee van leder gevlochten koorden, van een duim dikte, hier gespannen over een afgrond van onbekende diepte en minstens vijftien ellen breed, die men met de vuist om het koord geklemd, al palmende moest oversteken.

Voorzeker, om op deze vreemdsoortige brug zich te vertrouwen was een waagstuk dat stof tot nadenken gaf, eene zaak van overweging zelfs voor den dapperste. Om aldus aan zijne handen te hangen, boven een afgrond, over eene lengte van vijftien meters, was niet uitlokkend in dezen donkeren nacht; als het koord eens brak of losging!

De jagers aarzelden.

»Wel!” zei Valentin, »zullen wij overgaan?”

Niemand gaf antwoord.

»Gij hebt gelijk,” riep de jager meesmuilend, »gij zoudt eerst willen weten of de brug sterk genoeg is, is het zoo niet? Geheel tot uw dienst! zoo als gij wilt.”

En met denzelfden bedaarden stap als altijd trad hij naar den randder steilte. Bij de lasso komende greep hij die met de beide handen en wendde zich tot zijne kameraden.

»Ziedaar,” riep hij, op dien onbezorgden toon die hem altijd was bijgebleven, »het gezicht kost u niets.”

Zonder zich in ’t minst te haasten, met al degemakkelijkheidvan een professor in sterke toeren, palmde hij zich in achterwaartsche beweging, greep voor greep, over de bergkloof om zijnen vrienden te wijzen hoe zij het moesten aanleggen.

Vervolgens, nadat hij den overkant bereikt had, waar hij zijn geweer achter liet, keerde hij even bedaard naar zijne vrienden terug.

Dezen hadden met ongeruste blikken en ingehouden adem al zijne bewegingen gadegeslagen, terwijl zij onwillekeurig huiverden over het gevaar dat de onverschrokken Parijzenaar durfde trotseeren.

»Ik hoop,” zeide hij op het terras terugkomende, »dat gij nu ten minste van de soliditeit der lasso’s overtuigd zijt en niet langer zult aarzelen.”

Zonder te antwoorden ging Curumilla over de brug.

»Dat ’s één!” riep Valentin lachend, »’t is eigenlijk geen haverklap waard. Wiens beurt is het?”

»De mijne,” antwoordde don Pablo.

Hij ging over.

»Nu is het mijne beurt,” riep don Miguel.

»Ga,” zei Valentin.

De hacendero stond na eenige minuten mede aan den anderen oever.

Twee bleven er nog over. Valentin en generaal Ibanez.

»Komaan,” riep de jager, »’t is aan u, generaal; ik moet er het laatst overgaan.”

De generaal schudde moedeloos het hoofd.

»Ik zal niet kunnen,” zeide hij.


Back to IndexNext