XXIII.

XXIII.EL RASTREADOR.Valentin dacht dat hij hem niet goed verstaan had.»Wat zegt gij?” riep hij met zijn oor naar den generaal.»Ik zal daar nooit over kunnen,” herhaalde deze.De jager keek hem bevreemd aan. Hij kende den generaal sinds lang en had hem in te veel veege omstandigheden gezien om aan zijn moed te twijfelen.»Waarom niet?” vroeg hij.De generaal stond op, greep hem bij den arm en met den mond bijna op het oor van den jager, wierp hij een schuwen blik in het rond en fluisterde met een half gesmoorde stem:»Omdat ik niet durf.”Bij deze ongedachte bekentenis, deed Valentin een sprong achteruit, keek zijn vriend met de meeste opmerkzaamheid aan, want wat hij gehoord had kwam hem uit den mond van zoo iemand inderdaad monsterachtig voor.»Gij steekt er den draak immers mede?” riep hij.De generaal schudde het hoofd.»Inderdaad,” zeide hij, »ik ben bang. Ja, ik begrijp wel,” vervolgde hij een oogenblik later met een zucht, »het komt u vreemd voor, niet waar, dit te moeten hooren van mij, dien gij zoo dikwijls de grootste gevaren met een lachend gezicht zaagt braveeren, en dien gij nooit verbaasd of versaagd hebt gekend? Maar wat zal ik u zeggen, vriend, het is niet anders, ik ben bang; ik weet niet waarom, maar het idee van dien afgrond over te moeten met de vuisten om het touw geklemd, dat zoo licht kan breken onder mijn gewicht, baart mij een belachelijke maar onoverwinnelijke vrees daar ik mij zelf geen rekenschap van kan geven en die mij onwillekeurig doet beven van angst; zulk een dood komt mij al te ijselijk voor, ik zou er mij niet aan kunnen wagen.”Zoolang de generaal aan het woord was staarde Valentin hem met de grootste opmerkzaamheid aan.Generaal Ibanez scheen dezelfde man niet meer, zijn gelaat was bleek, op zijn voorhoofd parelde het koude zweet, een stuipachtig beven deed al zijne leden schudden, zijne stem was dof en zijne woorden stotterend.»Ba ba!” riep Valentin met een gedwongen glimlach, »het is inderdaad niets, met een beetje wil zult gij die vrees gemakkelijk meester worden, het is niet anders dan een voorbijgaande duizeling.”»Ik weet niet wat het is, ik zou het niet kunnen zeggen, maar ik verklaar u, dat ik reeds alles heb gedaan wat menschelijk mogelijk is, om dat gevoel te onderdrukken dat mij beheerscht en overmeestert.”»En nu?”»Er is niets aan te doen, integendeel, ik geloof dat mijne vrees toeneemt naarmate ik mij inspan om haar te overwinnen.”»Wat! zoo’n dapper man als gij!”»Goede vriend,” antwoordde de generaal met een treurigen lach, »moed is veelal een zaak van de zenuwen; ’t is even onmogelijk voor den een om altijd dapper als voor den ander om altijd lafhartig te zijn; op den eenen dag beheerscht de stof het verstand veel meer dan op den anderen. Op zulke dagen moet de zedelijke mensch voor den zenuw-mensch zwichten en leert zelfs de stoutmoedigste vreezen; heden is het voor mij een van die dagen, nu weet gij alles.”»Kom vriend,” hernam Valentin, »denk er maar eens goed op door; wat duivel! gij kunt immers hier toch niet blijven, terugkeerenis even onmogelijk; maak dus van den nood eene deugd.”»Alles wat gij mij daar zegt,” viel de generaal hem in de rede, »heb ik mij zelven reeds gezegd; en ik zeg u nogmaals eer ik mij aan dat touw zou wagen schiet ik mij liever voor den kop.”»Maar dat is immers eene dwaasheid!” riep de jager, »dat is eigenlijk gekkenpraat, ronduit!”»Zeg er van al wat gij wilt; ik begrijp even goed als gij dat ik mij bespottelijk aanstel, maar ik kan er niets tegen doen.”Valentin stampvoette van ongeduld, keek om naar zijne kameraden, die aan de andere zijde der barranca verzameld stonden en niet wisten waar zij dit onbegrijpelijk oponthoud aan toe moesten schrijven.»Hoor eens, generaal,” hervatte hij een oogenblik daarna, »ik zal u zoo niet verlaten, het moge gaan zoo ’t wil; wij zijn door te goede banden aan elkander gehecht om u hier op die rots van honger te laten sterven; als men in de wildernis bijna een jaar met iemand samen geleefd, allerlei gevaren getrotseerd, koude en hitte, honger en dorst geleden heeft, gaat men zoo niet van elkander af. Indien het u inderdaad onmogelijk is om de kloof over te gaan, zoo als onze makkers gedaan hebben, zal ik er een ander middel op vinden.”»Ik dank u, vriend,” antwoordde de generaal neerslachtig hem de hand drukkende; »maar geloof mij, als ik u raden mag laat mij dan hier blijven; het zal met mij gaan zoo als het God behaagt; onze kameraden wachten u met ongeduld, de tijd dringt u,vertrek, gij moet.”»Ik vertrek niet,” riep de jager vastberaden, »ik bezweer u dat gij met mij mede gaat.”»Neen, zeg ik u, ik kan niet.”»Probeer het.”»’t Is vruchteloos, ik gevoel dat het hart er mij toe ontbreekt, vaarwel, vriend.”Valentin antwoordde niet, hij bezon zich.Reeds het volgend oogenblik hief hij het hoofd met een glans van blijdschap op.»Pardi!” riep hij vroolijk, »ik dacht wel dat ik er een middel op zou vinden. Laat mij eens begaan, ik sta borg voor alles. Ik breng u over als in een rijtuig; gij zult het zien.”De generaal glimlachte.»Dappere ziel!” murmelde hij.»Blijf hier,” antwoordde Valentin; »binnen een paar minuten ben ik terug, meer tijd behoef ik niet om het noodige gereed te maken.”De jager greep het touw en ging over.Nauwelijks zag de generaal hem aan den overkant, of hij knoopte de lasso los die om de rots zat en slingerde haar naar de overzijde.»Wat doet gij! Houd op!” schreeuwden de jagers bijna verbijsterd van schrik.De generaal boog zich over den afgrond, zich met de linkerhand aan de rots houdende.»De Roode-Ceder mag uw spoor niet vinden,” antwoordde hij, »daarom heb ik de lasso losgeknoopt, vaartwel mijne broeders, houdt goeden moed, de Almachtige helpe u.”Er viel een geweerschot, dat door de verre echo’s der bergen werd teruggekaatst, en het lijk van den generaal tuimelde met dof gedruisch langs de steile wanden in den afgrond.Generaal Ibanez had zich een kogel door het hoofd gejaagd1.Bij deze onverwachte ontknooping van dit buitengewone tooneel stonden de jagers als verplet.Zij begrepen niet waarom de generaal uit vrees van den dood in het overtrekken der kloof te zullen vinden, zich een kogel door het hoofd had gejaagd.De dood van den generaal was echter op zich zelf verklaarbaar genoeg; het was niet dat hij vreesde te sterven, maar de wijze waarop dit zou gebeuren schrikte hem af, en daar hij voor bewezen aannam dat hij zijne kameraden onmogelijk over de brug zou kunnen volgen, verkoos hij er hoe eer zoo beter een eind aan te maken.Overigens had de ongelukkige generaal hun in zijn dood een onberekenbare dienst bewezen; hierdoor toch was hun spoor van overtocht zoo geheel verdwenen, dat de Roode-Ceder het onmogelijk zou kunnen terug vinden, althans zoo er te zijnen gevalle, om zoo te zeggen geen mirakel gebeurde.De jagers, ofschoon het hun, dank zij het vernuftig waagstuk van Valentin, gelukt was uit den noodlottigen kring te ontkomen, binnen welken de bandiet hen had opgesloten, bevonden zich nog altijd in een hoogst gevaarlijken toestand en moesten zoo spoedig mogelijk naar de vlakte afdalen om een gebaand pad hoedanig dan ook te vinden; bij gevolg, gelijk het onder zulke omstandigheden in de woestijn altoos gaat, moest ieder ander gevoel bij hen wijken voor de noodzakelijkheid die haar ijzeren hand deed gevoelen; het gemeenschappelijk gevaar wekte bij hen op eens het instinct van zelfbehoud, dat bij den mensch in geen geval sterft, al schijnt het voor een wijl in te dommelen.Valentin was de eerste die zijne droefheid over het verlies van hun kameraad meester werd en de zelfbeheersching hernam die hem nimmer in gebreke liet.Sedert zijne komst in de wildernis had de jager zoo vele wonderbare tooneelen bijgewoond en in zoo menig somber treurspel eene werkdadige hoofdrol gespeeld, dat bij hem moeten wij zeggen de teederder gevoelens aanmerkelijk waren verstompt, zoodat de droevigstegebeurtenissen hem niet dan bezwaarlijk van zijn stuk konden brengen.Met dat al droeg Valentin den generaal eene oprechte en hartelijke vriendschap toe, wiens edelaardig en inderdaad groot karakter hij in menige omstandigheid had leeren kennen en waardeeren; toen dus de noodlottige ramp hem trof die zoo plotseling alle banden tusschen hem en den generaal verscheurde, was hij er diep door geschokt.»Komaan!” riep hij eindelijk het hoofd schuddend als om er de treurige gedachten uit te verdrijven die er zich wilden nestelen, »cora que no tiene remedio olvidarla e lo mejor!2Onze vriend heeft ons verlaten voor een andere wereld, misschien is het goed dat het zoo is: wat God doet is welgedaan, met treuren kunnen wij den generaal toch niet weder in ’t leven terug roepen; denken wij dus aan ons zelven, mijne vrienden, wij liggen nog niet op rozen en als wij ons niet haasten loopen wij gevaar den generaal spoedig te volgen. Kom, toonen wij dat wij mannen zijn.”Don Miguel de Zarate zag hem aan met een droevigen blik.»Gij hebt misschien gelijk,” zeide hij, »de man is thans uit zijn lijden, zorgen wij dus voor ons zelven. Spreek, don Valentin, wat moet er gedaan worden? wij zijn bereid u te gehoorzamen.”»Goed,” zeide Valentin; »het wordt tijd dat onze moed herleeft, want het ergste deel onzer taak is nog niet voorbij; het zou ons weinig baten dat wij de barranca over zijn, zoo men ons hier ontdekte, dit is het vooral wat ik vermijden wil.”»Hm,” kwam don Pablo, »dat is zeer moeielijk, zoo niet onmogelijk.”»Niets is onmogelijk met kracht, moed en behendigheid; luistert aandachtig naar hetgeen ik u zeggen zal.”»Wij luisteren.”»De barranca is aan dezen kant niet zoo steil als aan de overzijde die wij verlaten hebben, merkt gij het wel?”»Dat is waar,” riep don Miguel.»Ziet gij dat kleine terras, omtrent twintig ellen beneden ons? daar begint een ondoordringbaar warbosch, dat tot op den bodem der kloof afdaalt, namelijk tot aan den voet van den berg.”»Ja.”»Daar moeten wij heen.”»Moeten wij daar heen, vriend!” riep don Miguel verbaasd, »maar hoe komen wij dan op dat terras daar gij van spreekt?”»Op de eenvoudigste manier,” zei Valentin, »door middel van mijn lasso laat ik er u in af.”»Dat zou kunnen; inderdaad, dat is voor ons zeer gemakkelijk, maar gij, hoe komt gij dan weer bij ons?”»Maakt u daar maar niet ongerust over.”»Zeer goed,” hernam don Miguel; »vergun mij echter eene aanmerking te maken.”»Ga uw gang.”»Daar voor u, goede vriend, is een gebaand spoor,” hernam de hacendero terwijl hij er met de hand naar wees, »mij dunkt zelfs dat het zeer geschikt en zonder moeite te bereiken is.”»Inderdaad,” antwoordde Valentin bedaard, »daar hebt gij volkomen gelijk in; maar twee redenen beletten mij dat spoor te kiezen, zoo als gij het noemt.”»En die twee redenen?”»Zal ik u dadelijk zeggen; vooreerst, dat spoor is zoo gemakkelijk te volgen dat de Roode-Ceder terstond vermoeden zal dat wij het gekozen hebben, als de duivel hem bij geval hier heen stuurt.”»En de tweede?” viel don Miguel hem in de rede.»De tweede is deze,” hervatte Valentin, »behalve de onbetwistbare voordeelen die de door mij voorgeslagen afdaling ons geeft, wil ik niet,—en ik ben zeker dat gij er eveneens over denkt, mijne vrienden,—wil ik niet, zeg ik, dat het lijk van onzen armen kameraad, die daar op den bodem der barranca getuimeld is, onbegraven blijft en door de wilde beesten verslonden wordt; ziedaar mijn tweede reden, don Miguel, wat denkt gij er van?”Bij deze edele taal voelde de hacendero zijn hart opengaan, hij beefde van ontroering; twee groote tranen liepen hem ongemerkt langs de wangen.Hij greep de hand van den jager en drukte die met kracht.»Valentin,” zeide hij met eene haperende stem, »gij zijt beter dan wij allen; uw edele hart is een brandpunt van alle groote en voortreffelijke gevoelens; ik zeg u dank voor uwe goede gedachte, mijn vriend.”De geestvervoering zijner vrienden bracht echter op het gelaat van Valentin geen verandering, geen blos of glimlach te weeg; wat hij gezegd had was zoo zeer de eenvoudige uitdrukking van zijne natuurlijke geaardheid, dat hij meende niets buitengewoons gedaan te hebben en niet begreep hoe men hem voor zoo iets nog bedanken kon.»Dat is dus afgesproken,” zeide hij, »gaan wij dan?”»Zoodra gij maar wilt.”»Goed; maar daar de nacht donker en de weg gevaarlijk is, zal Curumilla, die van ouds met deze dingen gewoon is, het eerst afdalen om u te wijzen hoe het gaat. Kom, hoofdman, zijt gij gereed?”De Ulmen boog toestemmend; Valentin zette zich pal tegen de rots, sloeg de lasso tweemaal om zijn lijf en liet het andere einde in de kloof vallen, daarop wenkte hij Curumilla om af te dalen.Deze liet zich geen tweemaal uitnoodigen; hij pakte het koord met de beide handen ferm aan en, naarmate hij afdaalde met de voeten van iedere oneffenheid in den rotswand gebruik makende, klomhij allengs naar beneden en stond na verloop van een paar minuten zonder ongeval op het bedoelde terras.De hacendero en zijn zoon volgden met gespannen aandacht de bewegingen van den Indiaan. Toen zij hem veilig en wel op de rots zagen staan, slaakten zij een kreet van verademing en maakten zich op hunne beurt gereed tot de afdaling, die zij de een na den ander zonder ongeluk volvoerden.Valentin bleef alleen boven; natuurlijk kon niemand nu de lasso houden en hem dezelfde dienst doen die hij zijnen kameraden bewezen had; maar de jager was een man van overleg, en zulk eene beuzeling kon hem niet in verlegenheid brengen. Hij stond juist met zijn rug tegen dezelfde rots die hem vroeger gediend had om er de lasso’s aan vast te maken. Hij trok nu het touw op, sloeg het om de rots, zoodat de twee einden even lang waren en de lasso dubbel afhing; daarop greep hij de twee touwen met de volle hand, kruiste er de beenen om heen en liet zich langzaam naar beneden glijden, zoodat hij op zijne beurt behouden bij zijne kameraden te land kwam. Toen liet hij het eene koord los, trok de lasso naar zich toe, rolde haar op en hechtte haar weder aan zijn gordel.Vervolgens wendde hij zich naar zijne kameraden, die niet weinig verwonderd waren over zooveel moed en tegenwoordigheid van geest.»Als wij zoo voortgaan,” zeide hij glimlachend, »dan geloof ik dat de Roode-Ceder nog al moeite zal hebben om ons spoor te ontdekken, en wij daarentegen het zijne gemakkelijk zullen terugvinden. Laten wij nu ons terrein in oogenschouw nemen en zien waar wij zoo wat zijn.”Hierop begon hij onmiddellijk het terras rond te loopen. Het was veel grooter dan het vorige dat zij straks verlaten hadden. Aan het eene einde nam het kreupelbosch een aanvang, dat met eene vrij flauwe helling tot op den bodem der barranca afliep.Nadat Valentin den toegang tot het bosch had waargenomen, keerde hij naar zijne kameraden terug en schudde bedenkelijk het hoofd.»Hoe is het?” vroeg don Pablo, »hebt gij iets verontrustends ontdekt?”»Hm!” antwoordde Valentin, »ik weet het niet zeker, maar als ik mij niet bedrieg zijn wij hier het hol nabij van een wild dier!”»Het hol van een wild dier!” herhaalde don Miguel, »en dat op deze hoogte!”»Ja, en daarom ben ik te minder gerust; de sporen zijn groot en diep. Zie zelf maar eens, Curumilla,” vervolgde hij tegen den Indiaan, hem de plaats wijzende waar heen hij gaan moest.Zonder te antwoorden, bukte de Ulmen op den grond en bekeek aandachtig de afgedrukte sporen.»Met welk soort van dier denkt gij dat wij te doen hebben?” vroeg don Miguel.»Met een grauwen beer,” antwoordde Valentin.De grauwe beer is het gevaarlijkste en meest gevreesde dier van Amerika. De Mexicanen konden hun schrik niet verbergen toen zij den naam van dien geduchten vijand hoorden noemen.»Maar,” vervolgde Valentin, »daar komt de Ulmen terug, die zal alle onzekerheid wel oplossen. Wel, hoofdman, wat dunkt u van die sporen?”»Een grauwe beer,” antwoordde Curumilla laconiek.»Dat dacht ik wel,” riep Valentin, »en wat erger is, het is er een van de grootste soort.”»Van de allergrootste, de sporen zijn acht duim breed.”»O! o!” zei don Miguel, »dan krijgen wij hier met een gevaarlijken gast te doen. Maar hoe is het met de afdruksels, hoofdman, zijn ze oud?”»Kersversch; het dier moet hier geen uur geleden nog geweest zijn.”»Pardi,” riep Valentin op eens, »daar is zijn hol.”Hij wees hun een groot gat in den bergwand.Allen deinsden verschrikt terug.»Mijne heeren,” hervatte Valentin, »gij zijt zeker evenmin belust als ik om den grauwen beer te bevechten, niet waar?”»Te weerga neen!” riepen de Mexicanen.»Welnu, dan zullen wij, als ik u raden mag, maar niet langer hier blijven; het dier is zeker naar beneden gegaan om te drinken en zal spoedig terugkeeren; laten wij daar niet op wachten, maar ons zijne afwezigheid ten nutte maken om ongehinderd te vertrekken.”De drie anderen juichten dit voorstel van ganscher harte toe; want ofschoon het hun niet aan moed ontbrak, kwam hun de strijd al te ongelijk voor met zulk een gevaarlijken gast, zoodat zij niet gaarne tegenover hem wilden staan.»Vertrekken! vertrekken!” riepen allen met aandrang.Op eens ontstond er een gekraak in de takken van het kreupelbosch en stoorde een ontzagwekkend gebrom de stilte van den nacht.»Het is te laat!” zeide Valentin, »daar is de vijand!”»Nu mogen wij wel zeggen op Gods genade! want de strijd zal heet zijn.”De jagers sloten zich dicht te zamen en stelden zich met den rug tegen den rotswand.Na verloop van eenige minuten zagen zij den afschuwelijken kop van een grauwen beer tusschen de boomen opsteken ongeveer gelijk met de hoogte van het terras.»Wij zijn verloren,” prevelde don Miguel terwijl hij den haan van zijn geweer spande, »want op deze rots is aan geen vluchten of ontkomen te denken.”»Wie weet?” antwoordde Valentin, »de goede God heeft tot hiertoe zooveel voor ons gedaan, dat wij zeer ondankbaar zouden moeten zijn om te veronderstellen dat Hij ons in dit nieuwe gevaar verlaten zal.”1Deze episode, hoe ongelooflijk zij schijnen mag, is zuiver historisch.(G. Aimard.)↑2Wat men niet kan verhelpen, moet men liefst vergeten.↑

XXIII.EL RASTREADOR.Valentin dacht dat hij hem niet goed verstaan had.»Wat zegt gij?” riep hij met zijn oor naar den generaal.»Ik zal daar nooit over kunnen,” herhaalde deze.De jager keek hem bevreemd aan. Hij kende den generaal sinds lang en had hem in te veel veege omstandigheden gezien om aan zijn moed te twijfelen.»Waarom niet?” vroeg hij.De generaal stond op, greep hem bij den arm en met den mond bijna op het oor van den jager, wierp hij een schuwen blik in het rond en fluisterde met een half gesmoorde stem:»Omdat ik niet durf.”Bij deze ongedachte bekentenis, deed Valentin een sprong achteruit, keek zijn vriend met de meeste opmerkzaamheid aan, want wat hij gehoord had kwam hem uit den mond van zoo iemand inderdaad monsterachtig voor.»Gij steekt er den draak immers mede?” riep hij.De generaal schudde het hoofd.»Inderdaad,” zeide hij, »ik ben bang. Ja, ik begrijp wel,” vervolgde hij een oogenblik later met een zucht, »het komt u vreemd voor, niet waar, dit te moeten hooren van mij, dien gij zoo dikwijls de grootste gevaren met een lachend gezicht zaagt braveeren, en dien gij nooit verbaasd of versaagd hebt gekend? Maar wat zal ik u zeggen, vriend, het is niet anders, ik ben bang; ik weet niet waarom, maar het idee van dien afgrond over te moeten met de vuisten om het touw geklemd, dat zoo licht kan breken onder mijn gewicht, baart mij een belachelijke maar onoverwinnelijke vrees daar ik mij zelf geen rekenschap van kan geven en die mij onwillekeurig doet beven van angst; zulk een dood komt mij al te ijselijk voor, ik zou er mij niet aan kunnen wagen.”Zoolang de generaal aan het woord was staarde Valentin hem met de grootste opmerkzaamheid aan.Generaal Ibanez scheen dezelfde man niet meer, zijn gelaat was bleek, op zijn voorhoofd parelde het koude zweet, een stuipachtig beven deed al zijne leden schudden, zijne stem was dof en zijne woorden stotterend.»Ba ba!” riep Valentin met een gedwongen glimlach, »het is inderdaad niets, met een beetje wil zult gij die vrees gemakkelijk meester worden, het is niet anders dan een voorbijgaande duizeling.”»Ik weet niet wat het is, ik zou het niet kunnen zeggen, maar ik verklaar u, dat ik reeds alles heb gedaan wat menschelijk mogelijk is, om dat gevoel te onderdrukken dat mij beheerscht en overmeestert.”»En nu?”»Er is niets aan te doen, integendeel, ik geloof dat mijne vrees toeneemt naarmate ik mij inspan om haar te overwinnen.”»Wat! zoo’n dapper man als gij!”»Goede vriend,” antwoordde de generaal met een treurigen lach, »moed is veelal een zaak van de zenuwen; ’t is even onmogelijk voor den een om altijd dapper als voor den ander om altijd lafhartig te zijn; op den eenen dag beheerscht de stof het verstand veel meer dan op den anderen. Op zulke dagen moet de zedelijke mensch voor den zenuw-mensch zwichten en leert zelfs de stoutmoedigste vreezen; heden is het voor mij een van die dagen, nu weet gij alles.”»Kom vriend,” hernam Valentin, »denk er maar eens goed op door; wat duivel! gij kunt immers hier toch niet blijven, terugkeerenis even onmogelijk; maak dus van den nood eene deugd.”»Alles wat gij mij daar zegt,” viel de generaal hem in de rede, »heb ik mij zelven reeds gezegd; en ik zeg u nogmaals eer ik mij aan dat touw zou wagen schiet ik mij liever voor den kop.”»Maar dat is immers eene dwaasheid!” riep de jager, »dat is eigenlijk gekkenpraat, ronduit!”»Zeg er van al wat gij wilt; ik begrijp even goed als gij dat ik mij bespottelijk aanstel, maar ik kan er niets tegen doen.”Valentin stampvoette van ongeduld, keek om naar zijne kameraden, die aan de andere zijde der barranca verzameld stonden en niet wisten waar zij dit onbegrijpelijk oponthoud aan toe moesten schrijven.»Hoor eens, generaal,” hervatte hij een oogenblik daarna, »ik zal u zoo niet verlaten, het moge gaan zoo ’t wil; wij zijn door te goede banden aan elkander gehecht om u hier op die rots van honger te laten sterven; als men in de wildernis bijna een jaar met iemand samen geleefd, allerlei gevaren getrotseerd, koude en hitte, honger en dorst geleden heeft, gaat men zoo niet van elkander af. Indien het u inderdaad onmogelijk is om de kloof over te gaan, zoo als onze makkers gedaan hebben, zal ik er een ander middel op vinden.”»Ik dank u, vriend,” antwoordde de generaal neerslachtig hem de hand drukkende; »maar geloof mij, als ik u raden mag laat mij dan hier blijven; het zal met mij gaan zoo als het God behaagt; onze kameraden wachten u met ongeduld, de tijd dringt u,vertrek, gij moet.”»Ik vertrek niet,” riep de jager vastberaden, »ik bezweer u dat gij met mij mede gaat.”»Neen, zeg ik u, ik kan niet.”»Probeer het.”»’t Is vruchteloos, ik gevoel dat het hart er mij toe ontbreekt, vaarwel, vriend.”Valentin antwoordde niet, hij bezon zich.Reeds het volgend oogenblik hief hij het hoofd met een glans van blijdschap op.»Pardi!” riep hij vroolijk, »ik dacht wel dat ik er een middel op zou vinden. Laat mij eens begaan, ik sta borg voor alles. Ik breng u over als in een rijtuig; gij zult het zien.”De generaal glimlachte.»Dappere ziel!” murmelde hij.»Blijf hier,” antwoordde Valentin; »binnen een paar minuten ben ik terug, meer tijd behoef ik niet om het noodige gereed te maken.”De jager greep het touw en ging over.Nauwelijks zag de generaal hem aan den overkant, of hij knoopte de lasso los die om de rots zat en slingerde haar naar de overzijde.»Wat doet gij! Houd op!” schreeuwden de jagers bijna verbijsterd van schrik.De generaal boog zich over den afgrond, zich met de linkerhand aan de rots houdende.»De Roode-Ceder mag uw spoor niet vinden,” antwoordde hij, »daarom heb ik de lasso losgeknoopt, vaartwel mijne broeders, houdt goeden moed, de Almachtige helpe u.”Er viel een geweerschot, dat door de verre echo’s der bergen werd teruggekaatst, en het lijk van den generaal tuimelde met dof gedruisch langs de steile wanden in den afgrond.Generaal Ibanez had zich een kogel door het hoofd gejaagd1.Bij deze onverwachte ontknooping van dit buitengewone tooneel stonden de jagers als verplet.Zij begrepen niet waarom de generaal uit vrees van den dood in het overtrekken der kloof te zullen vinden, zich een kogel door het hoofd had gejaagd.De dood van den generaal was echter op zich zelf verklaarbaar genoeg; het was niet dat hij vreesde te sterven, maar de wijze waarop dit zou gebeuren schrikte hem af, en daar hij voor bewezen aannam dat hij zijne kameraden onmogelijk over de brug zou kunnen volgen, verkoos hij er hoe eer zoo beter een eind aan te maken.Overigens had de ongelukkige generaal hun in zijn dood een onberekenbare dienst bewezen; hierdoor toch was hun spoor van overtocht zoo geheel verdwenen, dat de Roode-Ceder het onmogelijk zou kunnen terug vinden, althans zoo er te zijnen gevalle, om zoo te zeggen geen mirakel gebeurde.De jagers, ofschoon het hun, dank zij het vernuftig waagstuk van Valentin, gelukt was uit den noodlottigen kring te ontkomen, binnen welken de bandiet hen had opgesloten, bevonden zich nog altijd in een hoogst gevaarlijken toestand en moesten zoo spoedig mogelijk naar de vlakte afdalen om een gebaand pad hoedanig dan ook te vinden; bij gevolg, gelijk het onder zulke omstandigheden in de woestijn altoos gaat, moest ieder ander gevoel bij hen wijken voor de noodzakelijkheid die haar ijzeren hand deed gevoelen; het gemeenschappelijk gevaar wekte bij hen op eens het instinct van zelfbehoud, dat bij den mensch in geen geval sterft, al schijnt het voor een wijl in te dommelen.Valentin was de eerste die zijne droefheid over het verlies van hun kameraad meester werd en de zelfbeheersching hernam die hem nimmer in gebreke liet.Sedert zijne komst in de wildernis had de jager zoo vele wonderbare tooneelen bijgewoond en in zoo menig somber treurspel eene werkdadige hoofdrol gespeeld, dat bij hem moeten wij zeggen de teederder gevoelens aanmerkelijk waren verstompt, zoodat de droevigstegebeurtenissen hem niet dan bezwaarlijk van zijn stuk konden brengen.Met dat al droeg Valentin den generaal eene oprechte en hartelijke vriendschap toe, wiens edelaardig en inderdaad groot karakter hij in menige omstandigheid had leeren kennen en waardeeren; toen dus de noodlottige ramp hem trof die zoo plotseling alle banden tusschen hem en den generaal verscheurde, was hij er diep door geschokt.»Komaan!” riep hij eindelijk het hoofd schuddend als om er de treurige gedachten uit te verdrijven die er zich wilden nestelen, »cora que no tiene remedio olvidarla e lo mejor!2Onze vriend heeft ons verlaten voor een andere wereld, misschien is het goed dat het zoo is: wat God doet is welgedaan, met treuren kunnen wij den generaal toch niet weder in ’t leven terug roepen; denken wij dus aan ons zelven, mijne vrienden, wij liggen nog niet op rozen en als wij ons niet haasten loopen wij gevaar den generaal spoedig te volgen. Kom, toonen wij dat wij mannen zijn.”Don Miguel de Zarate zag hem aan met een droevigen blik.»Gij hebt misschien gelijk,” zeide hij, »de man is thans uit zijn lijden, zorgen wij dus voor ons zelven. Spreek, don Valentin, wat moet er gedaan worden? wij zijn bereid u te gehoorzamen.”»Goed,” zeide Valentin; »het wordt tijd dat onze moed herleeft, want het ergste deel onzer taak is nog niet voorbij; het zou ons weinig baten dat wij de barranca over zijn, zoo men ons hier ontdekte, dit is het vooral wat ik vermijden wil.”»Hm,” kwam don Pablo, »dat is zeer moeielijk, zoo niet onmogelijk.”»Niets is onmogelijk met kracht, moed en behendigheid; luistert aandachtig naar hetgeen ik u zeggen zal.”»Wij luisteren.”»De barranca is aan dezen kant niet zoo steil als aan de overzijde die wij verlaten hebben, merkt gij het wel?”»Dat is waar,” riep don Miguel.»Ziet gij dat kleine terras, omtrent twintig ellen beneden ons? daar begint een ondoordringbaar warbosch, dat tot op den bodem der kloof afdaalt, namelijk tot aan den voet van den berg.”»Ja.”»Daar moeten wij heen.”»Moeten wij daar heen, vriend!” riep don Miguel verbaasd, »maar hoe komen wij dan op dat terras daar gij van spreekt?”»Op de eenvoudigste manier,” zei Valentin, »door middel van mijn lasso laat ik er u in af.”»Dat zou kunnen; inderdaad, dat is voor ons zeer gemakkelijk, maar gij, hoe komt gij dan weer bij ons?”»Maakt u daar maar niet ongerust over.”»Zeer goed,” hernam don Miguel; »vergun mij echter eene aanmerking te maken.”»Ga uw gang.”»Daar voor u, goede vriend, is een gebaand spoor,” hernam de hacendero terwijl hij er met de hand naar wees, »mij dunkt zelfs dat het zeer geschikt en zonder moeite te bereiken is.”»Inderdaad,” antwoordde Valentin bedaard, »daar hebt gij volkomen gelijk in; maar twee redenen beletten mij dat spoor te kiezen, zoo als gij het noemt.”»En die twee redenen?”»Zal ik u dadelijk zeggen; vooreerst, dat spoor is zoo gemakkelijk te volgen dat de Roode-Ceder terstond vermoeden zal dat wij het gekozen hebben, als de duivel hem bij geval hier heen stuurt.”»En de tweede?” viel don Miguel hem in de rede.»De tweede is deze,” hervatte Valentin, »behalve de onbetwistbare voordeelen die de door mij voorgeslagen afdaling ons geeft, wil ik niet,—en ik ben zeker dat gij er eveneens over denkt, mijne vrienden,—wil ik niet, zeg ik, dat het lijk van onzen armen kameraad, die daar op den bodem der barranca getuimeld is, onbegraven blijft en door de wilde beesten verslonden wordt; ziedaar mijn tweede reden, don Miguel, wat denkt gij er van?”Bij deze edele taal voelde de hacendero zijn hart opengaan, hij beefde van ontroering; twee groote tranen liepen hem ongemerkt langs de wangen.Hij greep de hand van den jager en drukte die met kracht.»Valentin,” zeide hij met eene haperende stem, »gij zijt beter dan wij allen; uw edele hart is een brandpunt van alle groote en voortreffelijke gevoelens; ik zeg u dank voor uwe goede gedachte, mijn vriend.”De geestvervoering zijner vrienden bracht echter op het gelaat van Valentin geen verandering, geen blos of glimlach te weeg; wat hij gezegd had was zoo zeer de eenvoudige uitdrukking van zijne natuurlijke geaardheid, dat hij meende niets buitengewoons gedaan te hebben en niet begreep hoe men hem voor zoo iets nog bedanken kon.»Dat is dus afgesproken,” zeide hij, »gaan wij dan?”»Zoodra gij maar wilt.”»Goed; maar daar de nacht donker en de weg gevaarlijk is, zal Curumilla, die van ouds met deze dingen gewoon is, het eerst afdalen om u te wijzen hoe het gaat. Kom, hoofdman, zijt gij gereed?”De Ulmen boog toestemmend; Valentin zette zich pal tegen de rots, sloeg de lasso tweemaal om zijn lijf en liet het andere einde in de kloof vallen, daarop wenkte hij Curumilla om af te dalen.Deze liet zich geen tweemaal uitnoodigen; hij pakte het koord met de beide handen ferm aan en, naarmate hij afdaalde met de voeten van iedere oneffenheid in den rotswand gebruik makende, klomhij allengs naar beneden en stond na verloop van een paar minuten zonder ongeval op het bedoelde terras.De hacendero en zijn zoon volgden met gespannen aandacht de bewegingen van den Indiaan. Toen zij hem veilig en wel op de rots zagen staan, slaakten zij een kreet van verademing en maakten zich op hunne beurt gereed tot de afdaling, die zij de een na den ander zonder ongeluk volvoerden.Valentin bleef alleen boven; natuurlijk kon niemand nu de lasso houden en hem dezelfde dienst doen die hij zijnen kameraden bewezen had; maar de jager was een man van overleg, en zulk eene beuzeling kon hem niet in verlegenheid brengen. Hij stond juist met zijn rug tegen dezelfde rots die hem vroeger gediend had om er de lasso’s aan vast te maken. Hij trok nu het touw op, sloeg het om de rots, zoodat de twee einden even lang waren en de lasso dubbel afhing; daarop greep hij de twee touwen met de volle hand, kruiste er de beenen om heen en liet zich langzaam naar beneden glijden, zoodat hij op zijne beurt behouden bij zijne kameraden te land kwam. Toen liet hij het eene koord los, trok de lasso naar zich toe, rolde haar op en hechtte haar weder aan zijn gordel.Vervolgens wendde hij zich naar zijne kameraden, die niet weinig verwonderd waren over zooveel moed en tegenwoordigheid van geest.»Als wij zoo voortgaan,” zeide hij glimlachend, »dan geloof ik dat de Roode-Ceder nog al moeite zal hebben om ons spoor te ontdekken, en wij daarentegen het zijne gemakkelijk zullen terugvinden. Laten wij nu ons terrein in oogenschouw nemen en zien waar wij zoo wat zijn.”Hierop begon hij onmiddellijk het terras rond te loopen. Het was veel grooter dan het vorige dat zij straks verlaten hadden. Aan het eene einde nam het kreupelbosch een aanvang, dat met eene vrij flauwe helling tot op den bodem der barranca afliep.Nadat Valentin den toegang tot het bosch had waargenomen, keerde hij naar zijne kameraden terug en schudde bedenkelijk het hoofd.»Hoe is het?” vroeg don Pablo, »hebt gij iets verontrustends ontdekt?”»Hm!” antwoordde Valentin, »ik weet het niet zeker, maar als ik mij niet bedrieg zijn wij hier het hol nabij van een wild dier!”»Het hol van een wild dier!” herhaalde don Miguel, »en dat op deze hoogte!”»Ja, en daarom ben ik te minder gerust; de sporen zijn groot en diep. Zie zelf maar eens, Curumilla,” vervolgde hij tegen den Indiaan, hem de plaats wijzende waar heen hij gaan moest.Zonder te antwoorden, bukte de Ulmen op den grond en bekeek aandachtig de afgedrukte sporen.»Met welk soort van dier denkt gij dat wij te doen hebben?” vroeg don Miguel.»Met een grauwen beer,” antwoordde Valentin.De grauwe beer is het gevaarlijkste en meest gevreesde dier van Amerika. De Mexicanen konden hun schrik niet verbergen toen zij den naam van dien geduchten vijand hoorden noemen.»Maar,” vervolgde Valentin, »daar komt de Ulmen terug, die zal alle onzekerheid wel oplossen. Wel, hoofdman, wat dunkt u van die sporen?”»Een grauwe beer,” antwoordde Curumilla laconiek.»Dat dacht ik wel,” riep Valentin, »en wat erger is, het is er een van de grootste soort.”»Van de allergrootste, de sporen zijn acht duim breed.”»O! o!” zei don Miguel, »dan krijgen wij hier met een gevaarlijken gast te doen. Maar hoe is het met de afdruksels, hoofdman, zijn ze oud?”»Kersversch; het dier moet hier geen uur geleden nog geweest zijn.”»Pardi,” riep Valentin op eens, »daar is zijn hol.”Hij wees hun een groot gat in den bergwand.Allen deinsden verschrikt terug.»Mijne heeren,” hervatte Valentin, »gij zijt zeker evenmin belust als ik om den grauwen beer te bevechten, niet waar?”»Te weerga neen!” riepen de Mexicanen.»Welnu, dan zullen wij, als ik u raden mag, maar niet langer hier blijven; het dier is zeker naar beneden gegaan om te drinken en zal spoedig terugkeeren; laten wij daar niet op wachten, maar ons zijne afwezigheid ten nutte maken om ongehinderd te vertrekken.”De drie anderen juichten dit voorstel van ganscher harte toe; want ofschoon het hun niet aan moed ontbrak, kwam hun de strijd al te ongelijk voor met zulk een gevaarlijken gast, zoodat zij niet gaarne tegenover hem wilden staan.»Vertrekken! vertrekken!” riepen allen met aandrang.Op eens ontstond er een gekraak in de takken van het kreupelbosch en stoorde een ontzagwekkend gebrom de stilte van den nacht.»Het is te laat!” zeide Valentin, »daar is de vijand!”»Nu mogen wij wel zeggen op Gods genade! want de strijd zal heet zijn.”De jagers sloten zich dicht te zamen en stelden zich met den rug tegen den rotswand.Na verloop van eenige minuten zagen zij den afschuwelijken kop van een grauwen beer tusschen de boomen opsteken ongeveer gelijk met de hoogte van het terras.»Wij zijn verloren,” prevelde don Miguel terwijl hij den haan van zijn geweer spande, »want op deze rots is aan geen vluchten of ontkomen te denken.”»Wie weet?” antwoordde Valentin, »de goede God heeft tot hiertoe zooveel voor ons gedaan, dat wij zeer ondankbaar zouden moeten zijn om te veronderstellen dat Hij ons in dit nieuwe gevaar verlaten zal.”1Deze episode, hoe ongelooflijk zij schijnen mag, is zuiver historisch.(G. Aimard.)↑2Wat men niet kan verhelpen, moet men liefst vergeten.↑

XXIII.EL RASTREADOR.

Valentin dacht dat hij hem niet goed verstaan had.»Wat zegt gij?” riep hij met zijn oor naar den generaal.»Ik zal daar nooit over kunnen,” herhaalde deze.De jager keek hem bevreemd aan. Hij kende den generaal sinds lang en had hem in te veel veege omstandigheden gezien om aan zijn moed te twijfelen.»Waarom niet?” vroeg hij.De generaal stond op, greep hem bij den arm en met den mond bijna op het oor van den jager, wierp hij een schuwen blik in het rond en fluisterde met een half gesmoorde stem:»Omdat ik niet durf.”Bij deze ongedachte bekentenis, deed Valentin een sprong achteruit, keek zijn vriend met de meeste opmerkzaamheid aan, want wat hij gehoord had kwam hem uit den mond van zoo iemand inderdaad monsterachtig voor.»Gij steekt er den draak immers mede?” riep hij.De generaal schudde het hoofd.»Inderdaad,” zeide hij, »ik ben bang. Ja, ik begrijp wel,” vervolgde hij een oogenblik later met een zucht, »het komt u vreemd voor, niet waar, dit te moeten hooren van mij, dien gij zoo dikwijls de grootste gevaren met een lachend gezicht zaagt braveeren, en dien gij nooit verbaasd of versaagd hebt gekend? Maar wat zal ik u zeggen, vriend, het is niet anders, ik ben bang; ik weet niet waarom, maar het idee van dien afgrond over te moeten met de vuisten om het touw geklemd, dat zoo licht kan breken onder mijn gewicht, baart mij een belachelijke maar onoverwinnelijke vrees daar ik mij zelf geen rekenschap van kan geven en die mij onwillekeurig doet beven van angst; zulk een dood komt mij al te ijselijk voor, ik zou er mij niet aan kunnen wagen.”Zoolang de generaal aan het woord was staarde Valentin hem met de grootste opmerkzaamheid aan.Generaal Ibanez scheen dezelfde man niet meer, zijn gelaat was bleek, op zijn voorhoofd parelde het koude zweet, een stuipachtig beven deed al zijne leden schudden, zijne stem was dof en zijne woorden stotterend.»Ba ba!” riep Valentin met een gedwongen glimlach, »het is inderdaad niets, met een beetje wil zult gij die vrees gemakkelijk meester worden, het is niet anders dan een voorbijgaande duizeling.”»Ik weet niet wat het is, ik zou het niet kunnen zeggen, maar ik verklaar u, dat ik reeds alles heb gedaan wat menschelijk mogelijk is, om dat gevoel te onderdrukken dat mij beheerscht en overmeestert.”»En nu?”»Er is niets aan te doen, integendeel, ik geloof dat mijne vrees toeneemt naarmate ik mij inspan om haar te overwinnen.”»Wat! zoo’n dapper man als gij!”»Goede vriend,” antwoordde de generaal met een treurigen lach, »moed is veelal een zaak van de zenuwen; ’t is even onmogelijk voor den een om altijd dapper als voor den ander om altijd lafhartig te zijn; op den eenen dag beheerscht de stof het verstand veel meer dan op den anderen. Op zulke dagen moet de zedelijke mensch voor den zenuw-mensch zwichten en leert zelfs de stoutmoedigste vreezen; heden is het voor mij een van die dagen, nu weet gij alles.”»Kom vriend,” hernam Valentin, »denk er maar eens goed op door; wat duivel! gij kunt immers hier toch niet blijven, terugkeerenis even onmogelijk; maak dus van den nood eene deugd.”»Alles wat gij mij daar zegt,” viel de generaal hem in de rede, »heb ik mij zelven reeds gezegd; en ik zeg u nogmaals eer ik mij aan dat touw zou wagen schiet ik mij liever voor den kop.”»Maar dat is immers eene dwaasheid!” riep de jager, »dat is eigenlijk gekkenpraat, ronduit!”»Zeg er van al wat gij wilt; ik begrijp even goed als gij dat ik mij bespottelijk aanstel, maar ik kan er niets tegen doen.”Valentin stampvoette van ongeduld, keek om naar zijne kameraden, die aan de andere zijde der barranca verzameld stonden en niet wisten waar zij dit onbegrijpelijk oponthoud aan toe moesten schrijven.»Hoor eens, generaal,” hervatte hij een oogenblik daarna, »ik zal u zoo niet verlaten, het moge gaan zoo ’t wil; wij zijn door te goede banden aan elkander gehecht om u hier op die rots van honger te laten sterven; als men in de wildernis bijna een jaar met iemand samen geleefd, allerlei gevaren getrotseerd, koude en hitte, honger en dorst geleden heeft, gaat men zoo niet van elkander af. Indien het u inderdaad onmogelijk is om de kloof over te gaan, zoo als onze makkers gedaan hebben, zal ik er een ander middel op vinden.”»Ik dank u, vriend,” antwoordde de generaal neerslachtig hem de hand drukkende; »maar geloof mij, als ik u raden mag laat mij dan hier blijven; het zal met mij gaan zoo als het God behaagt; onze kameraden wachten u met ongeduld, de tijd dringt u,vertrek, gij moet.”»Ik vertrek niet,” riep de jager vastberaden, »ik bezweer u dat gij met mij mede gaat.”»Neen, zeg ik u, ik kan niet.”»Probeer het.”»’t Is vruchteloos, ik gevoel dat het hart er mij toe ontbreekt, vaarwel, vriend.”Valentin antwoordde niet, hij bezon zich.Reeds het volgend oogenblik hief hij het hoofd met een glans van blijdschap op.»Pardi!” riep hij vroolijk, »ik dacht wel dat ik er een middel op zou vinden. Laat mij eens begaan, ik sta borg voor alles. Ik breng u over als in een rijtuig; gij zult het zien.”De generaal glimlachte.»Dappere ziel!” murmelde hij.»Blijf hier,” antwoordde Valentin; »binnen een paar minuten ben ik terug, meer tijd behoef ik niet om het noodige gereed te maken.”De jager greep het touw en ging over.Nauwelijks zag de generaal hem aan den overkant, of hij knoopte de lasso los die om de rots zat en slingerde haar naar de overzijde.»Wat doet gij! Houd op!” schreeuwden de jagers bijna verbijsterd van schrik.De generaal boog zich over den afgrond, zich met de linkerhand aan de rots houdende.»De Roode-Ceder mag uw spoor niet vinden,” antwoordde hij, »daarom heb ik de lasso losgeknoopt, vaartwel mijne broeders, houdt goeden moed, de Almachtige helpe u.”Er viel een geweerschot, dat door de verre echo’s der bergen werd teruggekaatst, en het lijk van den generaal tuimelde met dof gedruisch langs de steile wanden in den afgrond.Generaal Ibanez had zich een kogel door het hoofd gejaagd1.Bij deze onverwachte ontknooping van dit buitengewone tooneel stonden de jagers als verplet.Zij begrepen niet waarom de generaal uit vrees van den dood in het overtrekken der kloof te zullen vinden, zich een kogel door het hoofd had gejaagd.De dood van den generaal was echter op zich zelf verklaarbaar genoeg; het was niet dat hij vreesde te sterven, maar de wijze waarop dit zou gebeuren schrikte hem af, en daar hij voor bewezen aannam dat hij zijne kameraden onmogelijk over de brug zou kunnen volgen, verkoos hij er hoe eer zoo beter een eind aan te maken.Overigens had de ongelukkige generaal hun in zijn dood een onberekenbare dienst bewezen; hierdoor toch was hun spoor van overtocht zoo geheel verdwenen, dat de Roode-Ceder het onmogelijk zou kunnen terug vinden, althans zoo er te zijnen gevalle, om zoo te zeggen geen mirakel gebeurde.De jagers, ofschoon het hun, dank zij het vernuftig waagstuk van Valentin, gelukt was uit den noodlottigen kring te ontkomen, binnen welken de bandiet hen had opgesloten, bevonden zich nog altijd in een hoogst gevaarlijken toestand en moesten zoo spoedig mogelijk naar de vlakte afdalen om een gebaand pad hoedanig dan ook te vinden; bij gevolg, gelijk het onder zulke omstandigheden in de woestijn altoos gaat, moest ieder ander gevoel bij hen wijken voor de noodzakelijkheid die haar ijzeren hand deed gevoelen; het gemeenschappelijk gevaar wekte bij hen op eens het instinct van zelfbehoud, dat bij den mensch in geen geval sterft, al schijnt het voor een wijl in te dommelen.Valentin was de eerste die zijne droefheid over het verlies van hun kameraad meester werd en de zelfbeheersching hernam die hem nimmer in gebreke liet.Sedert zijne komst in de wildernis had de jager zoo vele wonderbare tooneelen bijgewoond en in zoo menig somber treurspel eene werkdadige hoofdrol gespeeld, dat bij hem moeten wij zeggen de teederder gevoelens aanmerkelijk waren verstompt, zoodat de droevigstegebeurtenissen hem niet dan bezwaarlijk van zijn stuk konden brengen.Met dat al droeg Valentin den generaal eene oprechte en hartelijke vriendschap toe, wiens edelaardig en inderdaad groot karakter hij in menige omstandigheid had leeren kennen en waardeeren; toen dus de noodlottige ramp hem trof die zoo plotseling alle banden tusschen hem en den generaal verscheurde, was hij er diep door geschokt.»Komaan!” riep hij eindelijk het hoofd schuddend als om er de treurige gedachten uit te verdrijven die er zich wilden nestelen, »cora que no tiene remedio olvidarla e lo mejor!2Onze vriend heeft ons verlaten voor een andere wereld, misschien is het goed dat het zoo is: wat God doet is welgedaan, met treuren kunnen wij den generaal toch niet weder in ’t leven terug roepen; denken wij dus aan ons zelven, mijne vrienden, wij liggen nog niet op rozen en als wij ons niet haasten loopen wij gevaar den generaal spoedig te volgen. Kom, toonen wij dat wij mannen zijn.”Don Miguel de Zarate zag hem aan met een droevigen blik.»Gij hebt misschien gelijk,” zeide hij, »de man is thans uit zijn lijden, zorgen wij dus voor ons zelven. Spreek, don Valentin, wat moet er gedaan worden? wij zijn bereid u te gehoorzamen.”»Goed,” zeide Valentin; »het wordt tijd dat onze moed herleeft, want het ergste deel onzer taak is nog niet voorbij; het zou ons weinig baten dat wij de barranca over zijn, zoo men ons hier ontdekte, dit is het vooral wat ik vermijden wil.”»Hm,” kwam don Pablo, »dat is zeer moeielijk, zoo niet onmogelijk.”»Niets is onmogelijk met kracht, moed en behendigheid; luistert aandachtig naar hetgeen ik u zeggen zal.”»Wij luisteren.”»De barranca is aan dezen kant niet zoo steil als aan de overzijde die wij verlaten hebben, merkt gij het wel?”»Dat is waar,” riep don Miguel.»Ziet gij dat kleine terras, omtrent twintig ellen beneden ons? daar begint een ondoordringbaar warbosch, dat tot op den bodem der kloof afdaalt, namelijk tot aan den voet van den berg.”»Ja.”»Daar moeten wij heen.”»Moeten wij daar heen, vriend!” riep don Miguel verbaasd, »maar hoe komen wij dan op dat terras daar gij van spreekt?”»Op de eenvoudigste manier,” zei Valentin, »door middel van mijn lasso laat ik er u in af.”»Dat zou kunnen; inderdaad, dat is voor ons zeer gemakkelijk, maar gij, hoe komt gij dan weer bij ons?”»Maakt u daar maar niet ongerust over.”»Zeer goed,” hernam don Miguel; »vergun mij echter eene aanmerking te maken.”»Ga uw gang.”»Daar voor u, goede vriend, is een gebaand spoor,” hernam de hacendero terwijl hij er met de hand naar wees, »mij dunkt zelfs dat het zeer geschikt en zonder moeite te bereiken is.”»Inderdaad,” antwoordde Valentin bedaard, »daar hebt gij volkomen gelijk in; maar twee redenen beletten mij dat spoor te kiezen, zoo als gij het noemt.”»En die twee redenen?”»Zal ik u dadelijk zeggen; vooreerst, dat spoor is zoo gemakkelijk te volgen dat de Roode-Ceder terstond vermoeden zal dat wij het gekozen hebben, als de duivel hem bij geval hier heen stuurt.”»En de tweede?” viel don Miguel hem in de rede.»De tweede is deze,” hervatte Valentin, »behalve de onbetwistbare voordeelen die de door mij voorgeslagen afdaling ons geeft, wil ik niet,—en ik ben zeker dat gij er eveneens over denkt, mijne vrienden,—wil ik niet, zeg ik, dat het lijk van onzen armen kameraad, die daar op den bodem der barranca getuimeld is, onbegraven blijft en door de wilde beesten verslonden wordt; ziedaar mijn tweede reden, don Miguel, wat denkt gij er van?”Bij deze edele taal voelde de hacendero zijn hart opengaan, hij beefde van ontroering; twee groote tranen liepen hem ongemerkt langs de wangen.Hij greep de hand van den jager en drukte die met kracht.»Valentin,” zeide hij met eene haperende stem, »gij zijt beter dan wij allen; uw edele hart is een brandpunt van alle groote en voortreffelijke gevoelens; ik zeg u dank voor uwe goede gedachte, mijn vriend.”De geestvervoering zijner vrienden bracht echter op het gelaat van Valentin geen verandering, geen blos of glimlach te weeg; wat hij gezegd had was zoo zeer de eenvoudige uitdrukking van zijne natuurlijke geaardheid, dat hij meende niets buitengewoons gedaan te hebben en niet begreep hoe men hem voor zoo iets nog bedanken kon.»Dat is dus afgesproken,” zeide hij, »gaan wij dan?”»Zoodra gij maar wilt.”»Goed; maar daar de nacht donker en de weg gevaarlijk is, zal Curumilla, die van ouds met deze dingen gewoon is, het eerst afdalen om u te wijzen hoe het gaat. Kom, hoofdman, zijt gij gereed?”De Ulmen boog toestemmend; Valentin zette zich pal tegen de rots, sloeg de lasso tweemaal om zijn lijf en liet het andere einde in de kloof vallen, daarop wenkte hij Curumilla om af te dalen.Deze liet zich geen tweemaal uitnoodigen; hij pakte het koord met de beide handen ferm aan en, naarmate hij afdaalde met de voeten van iedere oneffenheid in den rotswand gebruik makende, klomhij allengs naar beneden en stond na verloop van een paar minuten zonder ongeval op het bedoelde terras.De hacendero en zijn zoon volgden met gespannen aandacht de bewegingen van den Indiaan. Toen zij hem veilig en wel op de rots zagen staan, slaakten zij een kreet van verademing en maakten zich op hunne beurt gereed tot de afdaling, die zij de een na den ander zonder ongeluk volvoerden.Valentin bleef alleen boven; natuurlijk kon niemand nu de lasso houden en hem dezelfde dienst doen die hij zijnen kameraden bewezen had; maar de jager was een man van overleg, en zulk eene beuzeling kon hem niet in verlegenheid brengen. Hij stond juist met zijn rug tegen dezelfde rots die hem vroeger gediend had om er de lasso’s aan vast te maken. Hij trok nu het touw op, sloeg het om de rots, zoodat de twee einden even lang waren en de lasso dubbel afhing; daarop greep hij de twee touwen met de volle hand, kruiste er de beenen om heen en liet zich langzaam naar beneden glijden, zoodat hij op zijne beurt behouden bij zijne kameraden te land kwam. Toen liet hij het eene koord los, trok de lasso naar zich toe, rolde haar op en hechtte haar weder aan zijn gordel.Vervolgens wendde hij zich naar zijne kameraden, die niet weinig verwonderd waren over zooveel moed en tegenwoordigheid van geest.»Als wij zoo voortgaan,” zeide hij glimlachend, »dan geloof ik dat de Roode-Ceder nog al moeite zal hebben om ons spoor te ontdekken, en wij daarentegen het zijne gemakkelijk zullen terugvinden. Laten wij nu ons terrein in oogenschouw nemen en zien waar wij zoo wat zijn.”Hierop begon hij onmiddellijk het terras rond te loopen. Het was veel grooter dan het vorige dat zij straks verlaten hadden. Aan het eene einde nam het kreupelbosch een aanvang, dat met eene vrij flauwe helling tot op den bodem der barranca afliep.Nadat Valentin den toegang tot het bosch had waargenomen, keerde hij naar zijne kameraden terug en schudde bedenkelijk het hoofd.»Hoe is het?” vroeg don Pablo, »hebt gij iets verontrustends ontdekt?”»Hm!” antwoordde Valentin, »ik weet het niet zeker, maar als ik mij niet bedrieg zijn wij hier het hol nabij van een wild dier!”»Het hol van een wild dier!” herhaalde don Miguel, »en dat op deze hoogte!”»Ja, en daarom ben ik te minder gerust; de sporen zijn groot en diep. Zie zelf maar eens, Curumilla,” vervolgde hij tegen den Indiaan, hem de plaats wijzende waar heen hij gaan moest.Zonder te antwoorden, bukte de Ulmen op den grond en bekeek aandachtig de afgedrukte sporen.»Met welk soort van dier denkt gij dat wij te doen hebben?” vroeg don Miguel.»Met een grauwen beer,” antwoordde Valentin.De grauwe beer is het gevaarlijkste en meest gevreesde dier van Amerika. De Mexicanen konden hun schrik niet verbergen toen zij den naam van dien geduchten vijand hoorden noemen.»Maar,” vervolgde Valentin, »daar komt de Ulmen terug, die zal alle onzekerheid wel oplossen. Wel, hoofdman, wat dunkt u van die sporen?”»Een grauwe beer,” antwoordde Curumilla laconiek.»Dat dacht ik wel,” riep Valentin, »en wat erger is, het is er een van de grootste soort.”»Van de allergrootste, de sporen zijn acht duim breed.”»O! o!” zei don Miguel, »dan krijgen wij hier met een gevaarlijken gast te doen. Maar hoe is het met de afdruksels, hoofdman, zijn ze oud?”»Kersversch; het dier moet hier geen uur geleden nog geweest zijn.”»Pardi,” riep Valentin op eens, »daar is zijn hol.”Hij wees hun een groot gat in den bergwand.Allen deinsden verschrikt terug.»Mijne heeren,” hervatte Valentin, »gij zijt zeker evenmin belust als ik om den grauwen beer te bevechten, niet waar?”»Te weerga neen!” riepen de Mexicanen.»Welnu, dan zullen wij, als ik u raden mag, maar niet langer hier blijven; het dier is zeker naar beneden gegaan om te drinken en zal spoedig terugkeeren; laten wij daar niet op wachten, maar ons zijne afwezigheid ten nutte maken om ongehinderd te vertrekken.”De drie anderen juichten dit voorstel van ganscher harte toe; want ofschoon het hun niet aan moed ontbrak, kwam hun de strijd al te ongelijk voor met zulk een gevaarlijken gast, zoodat zij niet gaarne tegenover hem wilden staan.»Vertrekken! vertrekken!” riepen allen met aandrang.Op eens ontstond er een gekraak in de takken van het kreupelbosch en stoorde een ontzagwekkend gebrom de stilte van den nacht.»Het is te laat!” zeide Valentin, »daar is de vijand!”»Nu mogen wij wel zeggen op Gods genade! want de strijd zal heet zijn.”De jagers sloten zich dicht te zamen en stelden zich met den rug tegen den rotswand.Na verloop van eenige minuten zagen zij den afschuwelijken kop van een grauwen beer tusschen de boomen opsteken ongeveer gelijk met de hoogte van het terras.»Wij zijn verloren,” prevelde don Miguel terwijl hij den haan van zijn geweer spande, »want op deze rots is aan geen vluchten of ontkomen te denken.”»Wie weet?” antwoordde Valentin, »de goede God heeft tot hiertoe zooveel voor ons gedaan, dat wij zeer ondankbaar zouden moeten zijn om te veronderstellen dat Hij ons in dit nieuwe gevaar verlaten zal.”

Valentin dacht dat hij hem niet goed verstaan had.

»Wat zegt gij?” riep hij met zijn oor naar den generaal.

»Ik zal daar nooit over kunnen,” herhaalde deze.

De jager keek hem bevreemd aan. Hij kende den generaal sinds lang en had hem in te veel veege omstandigheden gezien om aan zijn moed te twijfelen.

»Waarom niet?” vroeg hij.

De generaal stond op, greep hem bij den arm en met den mond bijna op het oor van den jager, wierp hij een schuwen blik in het rond en fluisterde met een half gesmoorde stem:

»Omdat ik niet durf.”

Bij deze ongedachte bekentenis, deed Valentin een sprong achteruit, keek zijn vriend met de meeste opmerkzaamheid aan, want wat hij gehoord had kwam hem uit den mond van zoo iemand inderdaad monsterachtig voor.

»Gij steekt er den draak immers mede?” riep hij.

De generaal schudde het hoofd.

»Inderdaad,” zeide hij, »ik ben bang. Ja, ik begrijp wel,” vervolgde hij een oogenblik later met een zucht, »het komt u vreemd voor, niet waar, dit te moeten hooren van mij, dien gij zoo dikwijls de grootste gevaren met een lachend gezicht zaagt braveeren, en dien gij nooit verbaasd of versaagd hebt gekend? Maar wat zal ik u zeggen, vriend, het is niet anders, ik ben bang; ik weet niet waarom, maar het idee van dien afgrond over te moeten met de vuisten om het touw geklemd, dat zoo licht kan breken onder mijn gewicht, baart mij een belachelijke maar onoverwinnelijke vrees daar ik mij zelf geen rekenschap van kan geven en die mij onwillekeurig doet beven van angst; zulk een dood komt mij al te ijselijk voor, ik zou er mij niet aan kunnen wagen.”

Zoolang de generaal aan het woord was staarde Valentin hem met de grootste opmerkzaamheid aan.

Generaal Ibanez scheen dezelfde man niet meer, zijn gelaat was bleek, op zijn voorhoofd parelde het koude zweet, een stuipachtig beven deed al zijne leden schudden, zijne stem was dof en zijne woorden stotterend.

»Ba ba!” riep Valentin met een gedwongen glimlach, »het is inderdaad niets, met een beetje wil zult gij die vrees gemakkelijk meester worden, het is niet anders dan een voorbijgaande duizeling.”

»Ik weet niet wat het is, ik zou het niet kunnen zeggen, maar ik verklaar u, dat ik reeds alles heb gedaan wat menschelijk mogelijk is, om dat gevoel te onderdrukken dat mij beheerscht en overmeestert.”

»En nu?”

»Er is niets aan te doen, integendeel, ik geloof dat mijne vrees toeneemt naarmate ik mij inspan om haar te overwinnen.”

»Wat! zoo’n dapper man als gij!”

»Goede vriend,” antwoordde de generaal met een treurigen lach, »moed is veelal een zaak van de zenuwen; ’t is even onmogelijk voor den een om altijd dapper als voor den ander om altijd lafhartig te zijn; op den eenen dag beheerscht de stof het verstand veel meer dan op den anderen. Op zulke dagen moet de zedelijke mensch voor den zenuw-mensch zwichten en leert zelfs de stoutmoedigste vreezen; heden is het voor mij een van die dagen, nu weet gij alles.”

»Kom vriend,” hernam Valentin, »denk er maar eens goed op door; wat duivel! gij kunt immers hier toch niet blijven, terugkeerenis even onmogelijk; maak dus van den nood eene deugd.”

»Alles wat gij mij daar zegt,” viel de generaal hem in de rede, »heb ik mij zelven reeds gezegd; en ik zeg u nogmaals eer ik mij aan dat touw zou wagen schiet ik mij liever voor den kop.”

»Maar dat is immers eene dwaasheid!” riep de jager, »dat is eigenlijk gekkenpraat, ronduit!”

»Zeg er van al wat gij wilt; ik begrijp even goed als gij dat ik mij bespottelijk aanstel, maar ik kan er niets tegen doen.”

Valentin stampvoette van ongeduld, keek om naar zijne kameraden, die aan de andere zijde der barranca verzameld stonden en niet wisten waar zij dit onbegrijpelijk oponthoud aan toe moesten schrijven.

»Hoor eens, generaal,” hervatte hij een oogenblik daarna, »ik zal u zoo niet verlaten, het moge gaan zoo ’t wil; wij zijn door te goede banden aan elkander gehecht om u hier op die rots van honger te laten sterven; als men in de wildernis bijna een jaar met iemand samen geleefd, allerlei gevaren getrotseerd, koude en hitte, honger en dorst geleden heeft, gaat men zoo niet van elkander af. Indien het u inderdaad onmogelijk is om de kloof over te gaan, zoo als onze makkers gedaan hebben, zal ik er een ander middel op vinden.”

»Ik dank u, vriend,” antwoordde de generaal neerslachtig hem de hand drukkende; »maar geloof mij, als ik u raden mag laat mij dan hier blijven; het zal met mij gaan zoo als het God behaagt; onze kameraden wachten u met ongeduld, de tijd dringt u,vertrek, gij moet.”

»Ik vertrek niet,” riep de jager vastberaden, »ik bezweer u dat gij met mij mede gaat.”

»Neen, zeg ik u, ik kan niet.”

»Probeer het.”

»’t Is vruchteloos, ik gevoel dat het hart er mij toe ontbreekt, vaarwel, vriend.”

Valentin antwoordde niet, hij bezon zich.

Reeds het volgend oogenblik hief hij het hoofd met een glans van blijdschap op.

»Pardi!” riep hij vroolijk, »ik dacht wel dat ik er een middel op zou vinden. Laat mij eens begaan, ik sta borg voor alles. Ik breng u over als in een rijtuig; gij zult het zien.”

De generaal glimlachte.

»Dappere ziel!” murmelde hij.

»Blijf hier,” antwoordde Valentin; »binnen een paar minuten ben ik terug, meer tijd behoef ik niet om het noodige gereed te maken.”

De jager greep het touw en ging over.

Nauwelijks zag de generaal hem aan den overkant, of hij knoopte de lasso los die om de rots zat en slingerde haar naar de overzijde.

»Wat doet gij! Houd op!” schreeuwden de jagers bijna verbijsterd van schrik.

De generaal boog zich over den afgrond, zich met de linkerhand aan de rots houdende.

»De Roode-Ceder mag uw spoor niet vinden,” antwoordde hij, »daarom heb ik de lasso losgeknoopt, vaartwel mijne broeders, houdt goeden moed, de Almachtige helpe u.”

Er viel een geweerschot, dat door de verre echo’s der bergen werd teruggekaatst, en het lijk van den generaal tuimelde met dof gedruisch langs de steile wanden in den afgrond.

Generaal Ibanez had zich een kogel door het hoofd gejaagd1.

Bij deze onverwachte ontknooping van dit buitengewone tooneel stonden de jagers als verplet.

Zij begrepen niet waarom de generaal uit vrees van den dood in het overtrekken der kloof te zullen vinden, zich een kogel door het hoofd had gejaagd.

De dood van den generaal was echter op zich zelf verklaarbaar genoeg; het was niet dat hij vreesde te sterven, maar de wijze waarop dit zou gebeuren schrikte hem af, en daar hij voor bewezen aannam dat hij zijne kameraden onmogelijk over de brug zou kunnen volgen, verkoos hij er hoe eer zoo beter een eind aan te maken.

Overigens had de ongelukkige generaal hun in zijn dood een onberekenbare dienst bewezen; hierdoor toch was hun spoor van overtocht zoo geheel verdwenen, dat de Roode-Ceder het onmogelijk zou kunnen terug vinden, althans zoo er te zijnen gevalle, om zoo te zeggen geen mirakel gebeurde.

De jagers, ofschoon het hun, dank zij het vernuftig waagstuk van Valentin, gelukt was uit den noodlottigen kring te ontkomen, binnen welken de bandiet hen had opgesloten, bevonden zich nog altijd in een hoogst gevaarlijken toestand en moesten zoo spoedig mogelijk naar de vlakte afdalen om een gebaand pad hoedanig dan ook te vinden; bij gevolg, gelijk het onder zulke omstandigheden in de woestijn altoos gaat, moest ieder ander gevoel bij hen wijken voor de noodzakelijkheid die haar ijzeren hand deed gevoelen; het gemeenschappelijk gevaar wekte bij hen op eens het instinct van zelfbehoud, dat bij den mensch in geen geval sterft, al schijnt het voor een wijl in te dommelen.

Valentin was de eerste die zijne droefheid over het verlies van hun kameraad meester werd en de zelfbeheersching hernam die hem nimmer in gebreke liet.

Sedert zijne komst in de wildernis had de jager zoo vele wonderbare tooneelen bijgewoond en in zoo menig somber treurspel eene werkdadige hoofdrol gespeeld, dat bij hem moeten wij zeggen de teederder gevoelens aanmerkelijk waren verstompt, zoodat de droevigstegebeurtenissen hem niet dan bezwaarlijk van zijn stuk konden brengen.

Met dat al droeg Valentin den generaal eene oprechte en hartelijke vriendschap toe, wiens edelaardig en inderdaad groot karakter hij in menige omstandigheid had leeren kennen en waardeeren; toen dus de noodlottige ramp hem trof die zoo plotseling alle banden tusschen hem en den generaal verscheurde, was hij er diep door geschokt.

»Komaan!” riep hij eindelijk het hoofd schuddend als om er de treurige gedachten uit te verdrijven die er zich wilden nestelen, »cora que no tiene remedio olvidarla e lo mejor!2Onze vriend heeft ons verlaten voor een andere wereld, misschien is het goed dat het zoo is: wat God doet is welgedaan, met treuren kunnen wij den generaal toch niet weder in ’t leven terug roepen; denken wij dus aan ons zelven, mijne vrienden, wij liggen nog niet op rozen en als wij ons niet haasten loopen wij gevaar den generaal spoedig te volgen. Kom, toonen wij dat wij mannen zijn.”

Don Miguel de Zarate zag hem aan met een droevigen blik.

»Gij hebt misschien gelijk,” zeide hij, »de man is thans uit zijn lijden, zorgen wij dus voor ons zelven. Spreek, don Valentin, wat moet er gedaan worden? wij zijn bereid u te gehoorzamen.”

»Goed,” zeide Valentin; »het wordt tijd dat onze moed herleeft, want het ergste deel onzer taak is nog niet voorbij; het zou ons weinig baten dat wij de barranca over zijn, zoo men ons hier ontdekte, dit is het vooral wat ik vermijden wil.”

»Hm,” kwam don Pablo, »dat is zeer moeielijk, zoo niet onmogelijk.”

»Niets is onmogelijk met kracht, moed en behendigheid; luistert aandachtig naar hetgeen ik u zeggen zal.”

»Wij luisteren.”

»De barranca is aan dezen kant niet zoo steil als aan de overzijde die wij verlaten hebben, merkt gij het wel?”

»Dat is waar,” riep don Miguel.

»Ziet gij dat kleine terras, omtrent twintig ellen beneden ons? daar begint een ondoordringbaar warbosch, dat tot op den bodem der kloof afdaalt, namelijk tot aan den voet van den berg.”

»Ja.”

»Daar moeten wij heen.”

»Moeten wij daar heen, vriend!” riep don Miguel verbaasd, »maar hoe komen wij dan op dat terras daar gij van spreekt?”

»Op de eenvoudigste manier,” zei Valentin, »door middel van mijn lasso laat ik er u in af.”

»Dat zou kunnen; inderdaad, dat is voor ons zeer gemakkelijk, maar gij, hoe komt gij dan weer bij ons?”

»Maakt u daar maar niet ongerust over.”

»Zeer goed,” hernam don Miguel; »vergun mij echter eene aanmerking te maken.”

»Ga uw gang.”

»Daar voor u, goede vriend, is een gebaand spoor,” hernam de hacendero terwijl hij er met de hand naar wees, »mij dunkt zelfs dat het zeer geschikt en zonder moeite te bereiken is.”

»Inderdaad,” antwoordde Valentin bedaard, »daar hebt gij volkomen gelijk in; maar twee redenen beletten mij dat spoor te kiezen, zoo als gij het noemt.”

»En die twee redenen?”

»Zal ik u dadelijk zeggen; vooreerst, dat spoor is zoo gemakkelijk te volgen dat de Roode-Ceder terstond vermoeden zal dat wij het gekozen hebben, als de duivel hem bij geval hier heen stuurt.”

»En de tweede?” viel don Miguel hem in de rede.

»De tweede is deze,” hervatte Valentin, »behalve de onbetwistbare voordeelen die de door mij voorgeslagen afdaling ons geeft, wil ik niet,—en ik ben zeker dat gij er eveneens over denkt, mijne vrienden,—wil ik niet, zeg ik, dat het lijk van onzen armen kameraad, die daar op den bodem der barranca getuimeld is, onbegraven blijft en door de wilde beesten verslonden wordt; ziedaar mijn tweede reden, don Miguel, wat denkt gij er van?”

Bij deze edele taal voelde de hacendero zijn hart opengaan, hij beefde van ontroering; twee groote tranen liepen hem ongemerkt langs de wangen.

Hij greep de hand van den jager en drukte die met kracht.

»Valentin,” zeide hij met eene haperende stem, »gij zijt beter dan wij allen; uw edele hart is een brandpunt van alle groote en voortreffelijke gevoelens; ik zeg u dank voor uwe goede gedachte, mijn vriend.”

De geestvervoering zijner vrienden bracht echter op het gelaat van Valentin geen verandering, geen blos of glimlach te weeg; wat hij gezegd had was zoo zeer de eenvoudige uitdrukking van zijne natuurlijke geaardheid, dat hij meende niets buitengewoons gedaan te hebben en niet begreep hoe men hem voor zoo iets nog bedanken kon.

»Dat is dus afgesproken,” zeide hij, »gaan wij dan?”

»Zoodra gij maar wilt.”

»Goed; maar daar de nacht donker en de weg gevaarlijk is, zal Curumilla, die van ouds met deze dingen gewoon is, het eerst afdalen om u te wijzen hoe het gaat. Kom, hoofdman, zijt gij gereed?”

De Ulmen boog toestemmend; Valentin zette zich pal tegen de rots, sloeg de lasso tweemaal om zijn lijf en liet het andere einde in de kloof vallen, daarop wenkte hij Curumilla om af te dalen.

Deze liet zich geen tweemaal uitnoodigen; hij pakte het koord met de beide handen ferm aan en, naarmate hij afdaalde met de voeten van iedere oneffenheid in den rotswand gebruik makende, klomhij allengs naar beneden en stond na verloop van een paar minuten zonder ongeval op het bedoelde terras.

De hacendero en zijn zoon volgden met gespannen aandacht de bewegingen van den Indiaan. Toen zij hem veilig en wel op de rots zagen staan, slaakten zij een kreet van verademing en maakten zich op hunne beurt gereed tot de afdaling, die zij de een na den ander zonder ongeluk volvoerden.

Valentin bleef alleen boven; natuurlijk kon niemand nu de lasso houden en hem dezelfde dienst doen die hij zijnen kameraden bewezen had; maar de jager was een man van overleg, en zulk eene beuzeling kon hem niet in verlegenheid brengen. Hij stond juist met zijn rug tegen dezelfde rots die hem vroeger gediend had om er de lasso’s aan vast te maken. Hij trok nu het touw op, sloeg het om de rots, zoodat de twee einden even lang waren en de lasso dubbel afhing; daarop greep hij de twee touwen met de volle hand, kruiste er de beenen om heen en liet zich langzaam naar beneden glijden, zoodat hij op zijne beurt behouden bij zijne kameraden te land kwam. Toen liet hij het eene koord los, trok de lasso naar zich toe, rolde haar op en hechtte haar weder aan zijn gordel.

Vervolgens wendde hij zich naar zijne kameraden, die niet weinig verwonderd waren over zooveel moed en tegenwoordigheid van geest.

»Als wij zoo voortgaan,” zeide hij glimlachend, »dan geloof ik dat de Roode-Ceder nog al moeite zal hebben om ons spoor te ontdekken, en wij daarentegen het zijne gemakkelijk zullen terugvinden. Laten wij nu ons terrein in oogenschouw nemen en zien waar wij zoo wat zijn.”

Hierop begon hij onmiddellijk het terras rond te loopen. Het was veel grooter dan het vorige dat zij straks verlaten hadden. Aan het eene einde nam het kreupelbosch een aanvang, dat met eene vrij flauwe helling tot op den bodem der barranca afliep.

Nadat Valentin den toegang tot het bosch had waargenomen, keerde hij naar zijne kameraden terug en schudde bedenkelijk het hoofd.

»Hoe is het?” vroeg don Pablo, »hebt gij iets verontrustends ontdekt?”

»Hm!” antwoordde Valentin, »ik weet het niet zeker, maar als ik mij niet bedrieg zijn wij hier het hol nabij van een wild dier!”

»Het hol van een wild dier!” herhaalde don Miguel, »en dat op deze hoogte!”

»Ja, en daarom ben ik te minder gerust; de sporen zijn groot en diep. Zie zelf maar eens, Curumilla,” vervolgde hij tegen den Indiaan, hem de plaats wijzende waar heen hij gaan moest.

Zonder te antwoorden, bukte de Ulmen op den grond en bekeek aandachtig de afgedrukte sporen.

»Met welk soort van dier denkt gij dat wij te doen hebben?” vroeg don Miguel.

»Met een grauwen beer,” antwoordde Valentin.

De grauwe beer is het gevaarlijkste en meest gevreesde dier van Amerika. De Mexicanen konden hun schrik niet verbergen toen zij den naam van dien geduchten vijand hoorden noemen.

»Maar,” vervolgde Valentin, »daar komt de Ulmen terug, die zal alle onzekerheid wel oplossen. Wel, hoofdman, wat dunkt u van die sporen?”

»Een grauwe beer,” antwoordde Curumilla laconiek.

»Dat dacht ik wel,” riep Valentin, »en wat erger is, het is er een van de grootste soort.”

»Van de allergrootste, de sporen zijn acht duim breed.”

»O! o!” zei don Miguel, »dan krijgen wij hier met een gevaarlijken gast te doen. Maar hoe is het met de afdruksels, hoofdman, zijn ze oud?”

»Kersversch; het dier moet hier geen uur geleden nog geweest zijn.”

»Pardi,” riep Valentin op eens, »daar is zijn hol.”

Hij wees hun een groot gat in den bergwand.

Allen deinsden verschrikt terug.

»Mijne heeren,” hervatte Valentin, »gij zijt zeker evenmin belust als ik om den grauwen beer te bevechten, niet waar?”

»Te weerga neen!” riepen de Mexicanen.

»Welnu, dan zullen wij, als ik u raden mag, maar niet langer hier blijven; het dier is zeker naar beneden gegaan om te drinken en zal spoedig terugkeeren; laten wij daar niet op wachten, maar ons zijne afwezigheid ten nutte maken om ongehinderd te vertrekken.”

De drie anderen juichten dit voorstel van ganscher harte toe; want ofschoon het hun niet aan moed ontbrak, kwam hun de strijd al te ongelijk voor met zulk een gevaarlijken gast, zoodat zij niet gaarne tegenover hem wilden staan.

»Vertrekken! vertrekken!” riepen allen met aandrang.

Op eens ontstond er een gekraak in de takken van het kreupelbosch en stoorde een ontzagwekkend gebrom de stilte van den nacht.

»Het is te laat!” zeide Valentin, »daar is de vijand!”

»Nu mogen wij wel zeggen op Gods genade! want de strijd zal heet zijn.”

De jagers sloten zich dicht te zamen en stelden zich met den rug tegen den rotswand.

Na verloop van eenige minuten zagen zij den afschuwelijken kop van een grauwen beer tusschen de boomen opsteken ongeveer gelijk met de hoogte van het terras.

»Wij zijn verloren,” prevelde don Miguel terwijl hij den haan van zijn geweer spande, »want op deze rots is aan geen vluchten of ontkomen te denken.”

»Wie weet?” antwoordde Valentin, »de goede God heeft tot hiertoe zooveel voor ons gedaan, dat wij zeer ondankbaar zouden moeten zijn om te veronderstellen dat Hij ons in dit nieuwe gevaar verlaten zal.”

1Deze episode, hoe ongelooflijk zij schijnen mag, is zuiver historisch.(G. Aimard.)↑2Wat men niet kan verhelpen, moet men liefst vergeten.↑

1Deze episode, hoe ongelooflijk zij schijnen mag, is zuiver historisch.(G. Aimard.)↑2Wat men niet kan verhelpen, moet men liefst vergeten.↑

1Deze episode, hoe ongelooflijk zij schijnen mag, is zuiver historisch.

(G. Aimard.)↑

2Wat men niet kan verhelpen, moet men liefst vergeten.↑


Back to IndexNext