XXIX.

XXIX.HERKENNING.Zooals wij reeds gezegd hebben, was Madame Guillois door haar zoon in het winterdorp der Comanchen geïnstalleerd, en de Indianen hadden haar met vreugd ontvangen als de moeder van hun aangenomen zoon; zij hadden de gemakkelijkste calli onmiddellijk voor haar ingeruimd en haar met alle blijken van teederheid en kieschheid verzorgd.De Roodhuiden bezitten boven de blanken een onbetwistbare meerderheid in alles wat gastvrijheid betreft. Een gast is bij hen eene heilige zaak, dermate dat zij hun eene slaafsche dienstbaarheid betoonen door het inachtnemen van al zijne begeerten, zelfs zijne minste grillen.Pater Seraphin, na den Roode-Ceder gewaarschuwd te hebben op zijne hoede te zijn, was naar Mme. Guillois teruggekeerd, ten einde haar des te beter te kunnen bewaken.De eerwaarde missionaris was een oude kennis en vriend van de Comanchen, dien hij in vele gevallen goede diensten had bewezen en die hem niet vereerden als geestelijke, want daarvan begrepen zij te weinig, maar als een goed en edelaardig mensch die steeds geneigd en gereed was zich voor zijn naasten op te offeren.Zoo verliepen er eenige weken, zonder dat er in het lot der oude vrouw eenige merkbare verandering kwam.De Zonnestraal, die zich op eigen gezag als bediende van Madame Guillois had aangeworven, beijverde zich om haar die duizend kleine diensten te bewijzen, die in het innerlijk leven der vrouw zulk een groote plaats beslaan; zij hield haar met haar gebroken Indiaansch-Fransch-Spaansch gebabbel in eene opgeruimde stemming en zorgde voor haar als een liefhebbende dochter voor hare oude moeder, door haar op alle mogelijke wijze den tijd te korten, of liever, zooals de Spanjaarden het met eene eigenaardige uitdrukking noemen, »dentijd te verschalken” (enganar), dat in allen geval beter is dan het Franschetuer le temps, want zoo het ons al eens gelukt den tijd te verschalken, eindigt de onverbiddelijke toch altoos met ons te dooden, in plaats van wij hem.Zoolang pater Seraphin bij Mme. Guillois bleef verdroeg zij de afwezigheid van haar zoon tamelijk geduldig. De zachte en vaderlijke vermaningen van den missionaris deden haar deze wreede scheiding wel niet vergeten, want eene moeder vergeet zoo iets niet, maar in een gunstiger licht beschouwen.Ongelukkig had vader Seraphin ernstiger plichten te vervullen, die hij niet langer mocht verzuimen; tot haar leedwezen moest hij den loop van zijn zwervend leven hervatten, en zijne roeping volgen zoo vol zelfverloochening en lijden, om het licht des Evangelies en den troost der Christelijke godsdienst aan de verste Indianenstammen te brengen.Vader Seraphin was voor Mme. Guillois een belangrijke schakel in de keten die haar aan haar zoon verbond; met den zendeling kon zij gerust en vertrouwelijk over haar lieveling praten, daar hij de geheimste gedachten van haar hart kende en ook met een enkel woord hare bezwaren wist op te heffen of haar nieuwen moed in te boezemen. Toen hij echter vertrok, en zij voor het eerst sedert hare komst in Amerika zich weder alleen bevond, had zij om zoo te zeggen haar zoon voor de tweede maal verloren.De scheiding was ook inderdaad hard, zij had al hare christelijke gelatenheid en hare lange gewoonheid aan het lijden noodig om den nieuwen slag die haar trof door te staan.Het leven onder Indianen is zeer treurig en eentonig, vooral gedurende den winter, in het diepste der bosschen, in eene slecht gebouwde hut, aan alle zijden toegankelijk voor den wind, wanneer de boomen van hunne bladeren beroofd, met rijm en ijzel bedekt en de dorpen half onder de sneeuw begraven zijn; de hemel een ijzergrauwe kleur heeft en loodzwaar nederhangt, en gedurende de lange winternachten de stormwinden huilen en de regen soms dagen achtereen bij stroomen nedervalt.Alleen, beroofd van een vriend aan wien zij haar volle hart uitstorten en hare bekommeringen kon toevertrouwen, verviel Mme. Guillois allengs in eene sombere zwaarmoedigheid, daar niemand haar aan ontrukken kon.Eene vrouw op den leeftijd als de moeder van Valentin breekt niet ongestraft met al hare oude gebruiken, om eene reis te ondernemen als zij, in het hart der Amerikaansche wildernissen.Hoe eenvoudig en sober ook de levenswijze van zekere klasse in de Europeesche maatschappij wezen mag, geniet zij toch betrekkelijk veel grooter gemakken dan die men in een Indiaansch dorp kan verwachten, waar zelfs de meeste voorwerpen van eerste noodzakelijkheid ontbreken en het leven zich binnen zijne eenvoudigste vormen terugtrekt.Zoo zal bijv. de vrouw, die gewoon was des avonds te arbeiden in een gemakkelijken armstoel, in het hoekje van den haard, in een goed gesloten kamer en bij het licht eener lamp, zich wat zij ook doet in geen geval kunnen t’huis vinden in eene armzalige hut, waar zij op den vastgeklopten kleibodem moet zitten, neergehurkt bij een vuur welks rook haar de oogen verblindt, in een vertrek zonder venster, alleen verlicht door het onzekere schijnsel eener walmende houtfakkel.Toen Mme. Guillois Havre verliet had zij slechts één doel, een verlangen, namelijk haar zoon; elke andere vraag moest daarbij achterstaan, en zij offerde met genoegen de rust op, die zij tot hiertoe genoot om den geliefden Valentin terug te vinden dien zij meende verloren te hebben en die haar gansche hart innam.Intusschen, ondanks haar sterk gestel en mannelijk vast karakter, na eene lastige reis van drie maanden over zee en de niet minder vermoeiende van eenige weken door ongebaande bosschen en prairiën, altoos te paard te hebben volbracht, terwijl zij zich alleen met wildbraad voeden en onder den blooten hemel slapen moest, was hare gezondheid langzamerhand bedorven en namen hare krachten zoowel moreel als physiek af, zoodat zij het eindelijk moest gewonnen geven en erkennen dat zij niet in staat was om zulk een strijd langer vol te houden.Zij vermagerde en verzwakte zichtbaar; hare wangen werden hol, hare oogen zonken in de oogholten, haar neus werd spitser, haar aangezicht was bleek en haar blik dof; kortom, alle verschijnselen gaven duidelijk te kennen dat deze vrouw, die tot dusver haar leed zoo dapper weerstand had geboden, snel verminderde en door eene kwaal ondermijnd werd, die haar sedert lang inwendig verteerde en eindelijk met geweld uitbrak.Mme. Guillois stelde zich dan ook van haar toestand weinig goeds voor, zij berekende koelzinnig en met juistheid alle waarschijnlijke omstandigheden, volgde voet voor voet de verschijnselen van hare kwaal en toen de Zonnestraal met eenige bezorgdheid vroeg wat haar toch schortte en of zij ziek was, antwoordde zij met den bedaarden blik van een ter dood verwezen martelares die niets meer te hopen heeft, en een treurigen glimlach die meer zegt dan tranen:»Het is niets, mijn kind, ik ga sterven.”Deze woorden werden op zulk een toon van weemoed en gelatenheid uitgesproken, dat de jonge Indiaansche de tranen in de oogen drongen.Op zekeren morgen dat het dorp zich baadde in den schitterenden zonneschijn, bij een helderblauwen hemel en zoele lucht, zat Mme. Guillois voor hare calli, haar verkleumde leden koesterend in dezen laatsten herfstlach en volgde zij werktuigelijk en met slaperigen blik, de dorrende bladeren, die door eene lichte morgenkoelte voortgedreven, op den kalen grond voor de hut ronddwarrelden.Niet ver van haar af speelde een troep kinderen die elkander naliepen en vervolgden met vroolijk gejuich en geschater.De vrouw van den Eenhoorn kwam naast haar zitten, vatte hare hand en zag haar belangstellend aan.»Voelt mijne moeder zich iets beter?” vroeg zij met eene stem zoo zuiver als die van den Mexicaanschen nachtegaal.»Dank u, lieve kind,” antwoordde de oude minzaam, »ik ben redelijk wel.”»Dat is goed,” lispelde de Zonnestraal met een bevalligen glimlach, »want ik heb mijne moeder goede tijding mede te deelen.”»Goede tijding!” riep zij schielijk en met een doordringenden blik; »zou mijn zoon hier zijn gekomen.”»Dan zou mijne moeder hem wel reeds gezien hebben,” zei de jonge vrouw op een toon van zacht verwijt.»Dat ’s waar,” prevelde zij zacht, »arme Valentin!”En zij liet het hoofd op de borst zinken.De Zonnestraal staarde haar een poosje medelijdend aan.»Zou mijne moeder het nieuws niet willen hooren dat ik haar breng?” vroeg zij.Mme. Guillois zuchtte.»Spreek, mijn kind,” zeide zij.»Een der machtige krijgslieden van onzen stam is in het dorp gekomen,” vervolgde de jonge vrouw, »de Spinnekop heeft den Sachem sedert twee dagen verlaten.”»Ha!” riep de oude vrouw onwillekeurig toen zij zag dat de Zonnestraal ophield; »en, waar is de Sachem op dit oogenblik?”»De Spinnekop zegt dat de Eenhoorn in de bergen is bij zijne krijg lieden; hij heeft Koutonepi gezien.”»Heeft hij mijn zoon gezien!” riep Mme. Guillois, die reeds wist dat de Comanchen Valentin zoo noemden.»Hij heeft hem gezien,” herhaalde de Zonnestraal; »de jager en zijne vrienden vervolgen den Roode-Ceder.”»En.… is hij niet gekwetst?” vroeg zij angstig.De jeugdige Indiaansche zette een alleraardigst mondje van de welsprekendste soort.»De Roode-Ceder is een hond,” riep zij, »en een lafhartig oud wijf, zijn arm is veel te zwak en zijn oog te onzeker om den grooten bleeken jager te kwetsen. Koutonepi is een geducht krijgsman, hij spot met het gehuil der coyoten.”Madame Guillois had reeds lang genoeg onder de Indianen gewoond om met hunne beeldrijke taal vertrouwd te worden; zij drukte de jonge vrouw dankbaar de hand.»Heeft de groote krijgsman mijn zoon gezien?” vroeg zij belangstellend.»Ja,” antwoordde de Zonnestraal met drift, »de Spinnekop heeft den bleeken jager gezien. Koutonepi heeft hem eencolliervoor mijne moeder medegegeven.”»Eene collier?” riep zij verwonderd, niet begrijpende wat de Indiaansche bedoelde, »wat zal ik daarmede doen?”De Zonnestraal zette een min of meer ernstig gezicht.»De blanken zijn groote toovenaars,” zeide zij. »Zij kunnen krachtige medicijnen maken; met figuren in berken bast te trekken deelen zij elkander hunne gedachten mede op verren afstand; voor hen bestaat geen ruimte of afstand. Wil mijne moeder de collier niet ontvangen die haar zoon haar zendt?”»Geef, geef mij die, kindlief!” riep zij schielijk; »alles wat van hem komt is voor mij van groote waarde.”De jonge vrouw haalde uit haar kleedje een vierkant stuk boombast te voorschijn, zoo groot als eene hand, en overhandigde het haar.Mme. Guillois nam het gretig aan. Daar zij niet begreep wat dit geschenk beteekende, draaide zij het in hare hand om en om, terwijl de Zonnestraal haar oplettend aankeek. Op eens helderden de trekken der oude vrouw op en slaakte zij een kreet van blijde verrassing, daar zij aan de binnenzijde der schors eenige woorden zag, die er met de punt van een dolk op geschreven waren.»Is mijne moeder tevreden?” vroeg de Zonnestraal.»Ja! ja!” riep zij.En zij begon met ijver te lezen.Het briefje was kort; het behelsde slechts weinige woorden, die echter voldoende waren om de arme moeder gelukkig te maken, daar zij zekere tijding behelsden van haar zoon.Ziehier wat Valentin schreef:»Moeder, heb goeden moed, ik ben in blakenden welstand.”»Tot spoedig,Uw liefhebbende zoonValentin.”Lakonischer brief kon hij onmogelijk geschreven hebben. Maar in de woestijn, waar de gemeenschap zoo moeielijk is moet men voor lief nemen wanneer een zoon bericht van zich geeft, al was het ook met een enkel woord.Mme. Guillois was er van verrukt. Toen zij de weinige regels van haar zoon gelezen en herlezen had, wendde zij zich tot de jonge vrouw.»Is de Spinnekop een opperhoofd?” vroeg zij.»De Spinnekop is een der grootste krijgslieden van onzen stam,” antwoordde de Zonnestraal trotsch; »de Eenhoorn stelt in hem groot vertrouwen.”»Goed! dat kan ik wel denken; hij komt zeker hier met eene bijzondere zending?”»De Eenhoorn heeft zijn vriend verzocht om twintig uitgelezen krijgslieden van den stam te kiezen en ze hem toe te voeren.”Terstond kwam Mme. Guillois op eene gedachte.»Heeft de Zonnestraal mij lief?” vroeg zij.»Ik heb mijne moeder zeer lief,” antwoordde zij met gevoel; »haar zoon heeft mij het leven gered.”»Verveelt mijne dochter zich niet nu haar man afwezig is?” hernam de oude.»De Eenhoorn is een groot opperhoofd; als hij gebiedt buigt de Zonnestraal en gehoorzaamt; de krijgsman is de sterke en moedige arend, de vrouw is de bedeesde en vreesachtige duif.”Er volgde een vrij lange poos stilte, die de Zonnestraal eindelijk afbrak door met een fijn lachje te zeggen:»Heeft mijne moeder mij iets te verzoeken?”»Waartoe zou ik, kindlief,” antwoordde zij, »gij zoudt mijn verzoek toch nooit toestaan.”»Dat denkt mijne moeder wel, maar zij is er niet zeker van,” riep zij spitsvondig.De oude vrouw glimlachte.»Hebt gij dan geraden wat ik u wilde vragen?”»Wellicht! Mijne moeder verklare zich, dan zal ik zien of ik mij bedrogen heb.”»Neen, het zou niet baten; ik weet dat mijne dochter het zal weigeren.”De Zonnestraal schoot in een vroolijken schaterlach en klapte in de handen als een kind.»Dat weet mijne moeder wel beter,” zeide zij. »Waarom vertrouwt mijne moeder mij niet? heeft zij misschien ondervonden dat ik ondeugend was?”»Nooit; integendeel, gij waart altijd even voorkomend, gedienstig en goed voor mij, om mijne verdrietelijkheden te sussen en mijne bezorgdheid te verdrijven.”»Dat mijne moeder dan vrij spreke, nu de ooren eener vriendin voor haar geopend zijn,” zeide de Zonnestraal zacht.»Inderdaad,” hernam de oude dame nadenkend, »wat ik verlang is rechtmatig. Is de Zonnestraal moeder?” vroeg zij met inzicht.»Ja,” antwoordde de Zonnestraal levendig.»Houdt mijne dochter veel van haar kind?”De Indiaansche keek haar verwonderd aan.»Zijn er dan op het groote eiland der blanken moeders die niet veel van hare kinderen houden?” riep zij. »Mijn kind is mij zelf; het is immers mijn eigen vleesch en been? wat is er liever en schooner voor eene moeder dan haar kind?”»Niets, dat is zoo,” zuchtte Mme. Guillois. »Als nu mijne dochter eens van haar kind gescheiden was, wat zou zij dan doen?”»Wat ik doen zou?” riep de Indiaansche terwijl hare zwarte oogen vlamden als vuur, »ik ging er naar toe, ongevraagd waar het ook was of hoe ik er kwam.”»Goed,” riep de oude verheugd, »ik houd ook veel van mijn kind, mijne dochter weet het wel; en nu zou ik bij hem willen zijn, daarmijn hart treurt bij de gedachte dat ik nog langer van hem gescheiden moet blijven.”»Dat wist ik wel, dat ligt in den aard der zaak, daar kan men zich niet tegen verzetten; de bloem verwelkt van haar steel gerukt, zoo kwijnt eene moeder gescheiden van den zoon dien zij met hare melk heeft gevoed. Wat wenscht mijne moeder te doen?”»Ach! ik wil zoo spoedig mogelijk vertrekken om mijn zoon nog eens te omhelzen.”»Dat is recht, ik help mijne moeder.”»Hoe zullen wij het aanleggen?”»Daar zal ik voor zorgen; de Spinnekop laat den raad bijeenroepen om zijne boodschap te zeggen en zijn plan aan de hoofden voor te stellen; de meeste onzer jonge mannen zijn in het bosch verspreid en bezig met strikken te zetten en elanden te schieten, om hunne gezinnen te voeden; er zullen meer dan twee dagen noodig zijn om de twintig dappere krijgslieden te verzamelen die hij voor den Eenhoorn moet medenemen; hij vertrekt zeker niet voor de derde zon. Mijne moeder make zich dus niet ongerust, ik zal met den Spinnekop spreken; over drie dagen vertrekken wij.”Zij kuste de oude vrouw, die haar met eene teedere omhelzing beantwoordde; daarna stond zij op en verwijderde zich met een laatsten bemoedigenden wenk.Mme. Guillois ging weder in hare calli; een zware last was haar van het hart gewenteld; in lang had zij zich niet zoo gelukkig gevoeld. Al haar leed in de pijnen der kwaal die haar bedreigden waren vergeten, zij dacht alleen aan het oogenblik waarop zij haar zoon weder zou zien en omhelzen.Alles gebeurde zoo als de Zonnestraal voorspeld had.Een uur later riep de hachesto met luid geschreeuw de opperhoofden te zamen in de groote medicijnhut.De raad duurde lang en ging niet uiteen voordat de zon reeds begon te dalen.Het verzoek van den Spinnekop werd toegestaan en twintig uitgelezen krijgslieden gekozen, om onder zijn geleide zich bij het opperhoofd van den stam te gaan voegen.Maar, zooals de Zonnestraal wel vermoed had, waren de beste krijgslieden meerendeels afwezig, zoodat men op hunne terugkomst moest wachten.Gedurende de twee volgende dagen hield de Zonnestraal drukke gesprekken met den Spinnekop, met Mme. Guillois daarentegen wisselde zij geen enkel woord; slechts wanneer de oude vrouw haar al te vragend aankeek, bepaalde zij zich met haar vriendelijk toe te lachen en den vinger op de lippen te houden als om haar het zwijgen aan te bevelen.De arme moeder, alleen door kunstmatige opwinding gesterkt en door brandende koorts staande gehouden, telde met ongeduld detraag verloopende uren en deed in stilte de vurigste geloften voor het welslagen van haar voornemen.Eindelijk, op den avond van den tweeden dag, kwam de Zonnestraal, die de oude vrouw tot hiertoe opzettelijk scheen te ontwijken, met een opgeruimd gelaat naar haar toe.»Wel?” vroeg de moeder.»Wij gaan vertrekken.”»Wanneer?”»Morgen metenditha(zonsopgang).”»Heeft de Spinnekop aan mijne dochter zijn woord gegeven?”»Ja, hij heeft het mij gezegd; mijne moeder make zich dus gereed om te vertrekken.”»Ik ben al gereed.”De Indiaansche glimlachte.»Tot morgen!” zeide zij.»Tot morgen!”Met het aanbreken van den dag, zooals den vorigen avond was afgesproken, trokken Mme. Guillois en de Zonnestraal op weg onder geleide van den Spinnekop en zijne twintig krijgslieden om zich naar den Eenhoorn te begeven.

XXIX.HERKENNING.Zooals wij reeds gezegd hebben, was Madame Guillois door haar zoon in het winterdorp der Comanchen geïnstalleerd, en de Indianen hadden haar met vreugd ontvangen als de moeder van hun aangenomen zoon; zij hadden de gemakkelijkste calli onmiddellijk voor haar ingeruimd en haar met alle blijken van teederheid en kieschheid verzorgd.De Roodhuiden bezitten boven de blanken een onbetwistbare meerderheid in alles wat gastvrijheid betreft. Een gast is bij hen eene heilige zaak, dermate dat zij hun eene slaafsche dienstbaarheid betoonen door het inachtnemen van al zijne begeerten, zelfs zijne minste grillen.Pater Seraphin, na den Roode-Ceder gewaarschuwd te hebben op zijne hoede te zijn, was naar Mme. Guillois teruggekeerd, ten einde haar des te beter te kunnen bewaken.De eerwaarde missionaris was een oude kennis en vriend van de Comanchen, dien hij in vele gevallen goede diensten had bewezen en die hem niet vereerden als geestelijke, want daarvan begrepen zij te weinig, maar als een goed en edelaardig mensch die steeds geneigd en gereed was zich voor zijn naasten op te offeren.Zoo verliepen er eenige weken, zonder dat er in het lot der oude vrouw eenige merkbare verandering kwam.De Zonnestraal, die zich op eigen gezag als bediende van Madame Guillois had aangeworven, beijverde zich om haar die duizend kleine diensten te bewijzen, die in het innerlijk leven der vrouw zulk een groote plaats beslaan; zij hield haar met haar gebroken Indiaansch-Fransch-Spaansch gebabbel in eene opgeruimde stemming en zorgde voor haar als een liefhebbende dochter voor hare oude moeder, door haar op alle mogelijke wijze den tijd te korten, of liever, zooals de Spanjaarden het met eene eigenaardige uitdrukking noemen, »dentijd te verschalken” (enganar), dat in allen geval beter is dan het Franschetuer le temps, want zoo het ons al eens gelukt den tijd te verschalken, eindigt de onverbiddelijke toch altoos met ons te dooden, in plaats van wij hem.Zoolang pater Seraphin bij Mme. Guillois bleef verdroeg zij de afwezigheid van haar zoon tamelijk geduldig. De zachte en vaderlijke vermaningen van den missionaris deden haar deze wreede scheiding wel niet vergeten, want eene moeder vergeet zoo iets niet, maar in een gunstiger licht beschouwen.Ongelukkig had vader Seraphin ernstiger plichten te vervullen, die hij niet langer mocht verzuimen; tot haar leedwezen moest hij den loop van zijn zwervend leven hervatten, en zijne roeping volgen zoo vol zelfverloochening en lijden, om het licht des Evangelies en den troost der Christelijke godsdienst aan de verste Indianenstammen te brengen.Vader Seraphin was voor Mme. Guillois een belangrijke schakel in de keten die haar aan haar zoon verbond; met den zendeling kon zij gerust en vertrouwelijk over haar lieveling praten, daar hij de geheimste gedachten van haar hart kende en ook met een enkel woord hare bezwaren wist op te heffen of haar nieuwen moed in te boezemen. Toen hij echter vertrok, en zij voor het eerst sedert hare komst in Amerika zich weder alleen bevond, had zij om zoo te zeggen haar zoon voor de tweede maal verloren.De scheiding was ook inderdaad hard, zij had al hare christelijke gelatenheid en hare lange gewoonheid aan het lijden noodig om den nieuwen slag die haar trof door te staan.Het leven onder Indianen is zeer treurig en eentonig, vooral gedurende den winter, in het diepste der bosschen, in eene slecht gebouwde hut, aan alle zijden toegankelijk voor den wind, wanneer de boomen van hunne bladeren beroofd, met rijm en ijzel bedekt en de dorpen half onder de sneeuw begraven zijn; de hemel een ijzergrauwe kleur heeft en loodzwaar nederhangt, en gedurende de lange winternachten de stormwinden huilen en de regen soms dagen achtereen bij stroomen nedervalt.Alleen, beroofd van een vriend aan wien zij haar volle hart uitstorten en hare bekommeringen kon toevertrouwen, verviel Mme. Guillois allengs in eene sombere zwaarmoedigheid, daar niemand haar aan ontrukken kon.Eene vrouw op den leeftijd als de moeder van Valentin breekt niet ongestraft met al hare oude gebruiken, om eene reis te ondernemen als zij, in het hart der Amerikaansche wildernissen.Hoe eenvoudig en sober ook de levenswijze van zekere klasse in de Europeesche maatschappij wezen mag, geniet zij toch betrekkelijk veel grooter gemakken dan die men in een Indiaansch dorp kan verwachten, waar zelfs de meeste voorwerpen van eerste noodzakelijkheid ontbreken en het leven zich binnen zijne eenvoudigste vormen terugtrekt.Zoo zal bijv. de vrouw, die gewoon was des avonds te arbeiden in een gemakkelijken armstoel, in het hoekje van den haard, in een goed gesloten kamer en bij het licht eener lamp, zich wat zij ook doet in geen geval kunnen t’huis vinden in eene armzalige hut, waar zij op den vastgeklopten kleibodem moet zitten, neergehurkt bij een vuur welks rook haar de oogen verblindt, in een vertrek zonder venster, alleen verlicht door het onzekere schijnsel eener walmende houtfakkel.Toen Mme. Guillois Havre verliet had zij slechts één doel, een verlangen, namelijk haar zoon; elke andere vraag moest daarbij achterstaan, en zij offerde met genoegen de rust op, die zij tot hiertoe genoot om den geliefden Valentin terug te vinden dien zij meende verloren te hebben en die haar gansche hart innam.Intusschen, ondanks haar sterk gestel en mannelijk vast karakter, na eene lastige reis van drie maanden over zee en de niet minder vermoeiende van eenige weken door ongebaande bosschen en prairiën, altoos te paard te hebben volbracht, terwijl zij zich alleen met wildbraad voeden en onder den blooten hemel slapen moest, was hare gezondheid langzamerhand bedorven en namen hare krachten zoowel moreel als physiek af, zoodat zij het eindelijk moest gewonnen geven en erkennen dat zij niet in staat was om zulk een strijd langer vol te houden.Zij vermagerde en verzwakte zichtbaar; hare wangen werden hol, hare oogen zonken in de oogholten, haar neus werd spitser, haar aangezicht was bleek en haar blik dof; kortom, alle verschijnselen gaven duidelijk te kennen dat deze vrouw, die tot dusver haar leed zoo dapper weerstand had geboden, snel verminderde en door eene kwaal ondermijnd werd, die haar sedert lang inwendig verteerde en eindelijk met geweld uitbrak.Mme. Guillois stelde zich dan ook van haar toestand weinig goeds voor, zij berekende koelzinnig en met juistheid alle waarschijnlijke omstandigheden, volgde voet voor voet de verschijnselen van hare kwaal en toen de Zonnestraal met eenige bezorgdheid vroeg wat haar toch schortte en of zij ziek was, antwoordde zij met den bedaarden blik van een ter dood verwezen martelares die niets meer te hopen heeft, en een treurigen glimlach die meer zegt dan tranen:»Het is niets, mijn kind, ik ga sterven.”Deze woorden werden op zulk een toon van weemoed en gelatenheid uitgesproken, dat de jonge Indiaansche de tranen in de oogen drongen.Op zekeren morgen dat het dorp zich baadde in den schitterenden zonneschijn, bij een helderblauwen hemel en zoele lucht, zat Mme. Guillois voor hare calli, haar verkleumde leden koesterend in dezen laatsten herfstlach en volgde zij werktuigelijk en met slaperigen blik, de dorrende bladeren, die door eene lichte morgenkoelte voortgedreven, op den kalen grond voor de hut ronddwarrelden.Niet ver van haar af speelde een troep kinderen die elkander naliepen en vervolgden met vroolijk gejuich en geschater.De vrouw van den Eenhoorn kwam naast haar zitten, vatte hare hand en zag haar belangstellend aan.»Voelt mijne moeder zich iets beter?” vroeg zij met eene stem zoo zuiver als die van den Mexicaanschen nachtegaal.»Dank u, lieve kind,” antwoordde de oude minzaam, »ik ben redelijk wel.”»Dat is goed,” lispelde de Zonnestraal met een bevalligen glimlach, »want ik heb mijne moeder goede tijding mede te deelen.”»Goede tijding!” riep zij schielijk en met een doordringenden blik; »zou mijn zoon hier zijn gekomen.”»Dan zou mijne moeder hem wel reeds gezien hebben,” zei de jonge vrouw op een toon van zacht verwijt.»Dat ’s waar,” prevelde zij zacht, »arme Valentin!”En zij liet het hoofd op de borst zinken.De Zonnestraal staarde haar een poosje medelijdend aan.»Zou mijne moeder het nieuws niet willen hooren dat ik haar breng?” vroeg zij.Mme. Guillois zuchtte.»Spreek, mijn kind,” zeide zij.»Een der machtige krijgslieden van onzen stam is in het dorp gekomen,” vervolgde de jonge vrouw, »de Spinnekop heeft den Sachem sedert twee dagen verlaten.”»Ha!” riep de oude vrouw onwillekeurig toen zij zag dat de Zonnestraal ophield; »en, waar is de Sachem op dit oogenblik?”»De Spinnekop zegt dat de Eenhoorn in de bergen is bij zijne krijg lieden; hij heeft Koutonepi gezien.”»Heeft hij mijn zoon gezien!” riep Mme. Guillois, die reeds wist dat de Comanchen Valentin zoo noemden.»Hij heeft hem gezien,” herhaalde de Zonnestraal; »de jager en zijne vrienden vervolgen den Roode-Ceder.”»En.… is hij niet gekwetst?” vroeg zij angstig.De jeugdige Indiaansche zette een alleraardigst mondje van de welsprekendste soort.»De Roode-Ceder is een hond,” riep zij, »en een lafhartig oud wijf, zijn arm is veel te zwak en zijn oog te onzeker om den grooten bleeken jager te kwetsen. Koutonepi is een geducht krijgsman, hij spot met het gehuil der coyoten.”Madame Guillois had reeds lang genoeg onder de Indianen gewoond om met hunne beeldrijke taal vertrouwd te worden; zij drukte de jonge vrouw dankbaar de hand.»Heeft de groote krijgsman mijn zoon gezien?” vroeg zij belangstellend.»Ja,” antwoordde de Zonnestraal met drift, »de Spinnekop heeft den bleeken jager gezien. Koutonepi heeft hem eencolliervoor mijne moeder medegegeven.”»Eene collier?” riep zij verwonderd, niet begrijpende wat de Indiaansche bedoelde, »wat zal ik daarmede doen?”De Zonnestraal zette een min of meer ernstig gezicht.»De blanken zijn groote toovenaars,” zeide zij. »Zij kunnen krachtige medicijnen maken; met figuren in berken bast te trekken deelen zij elkander hunne gedachten mede op verren afstand; voor hen bestaat geen ruimte of afstand. Wil mijne moeder de collier niet ontvangen die haar zoon haar zendt?”»Geef, geef mij die, kindlief!” riep zij schielijk; »alles wat van hem komt is voor mij van groote waarde.”De jonge vrouw haalde uit haar kleedje een vierkant stuk boombast te voorschijn, zoo groot als eene hand, en overhandigde het haar.Mme. Guillois nam het gretig aan. Daar zij niet begreep wat dit geschenk beteekende, draaide zij het in hare hand om en om, terwijl de Zonnestraal haar oplettend aankeek. Op eens helderden de trekken der oude vrouw op en slaakte zij een kreet van blijde verrassing, daar zij aan de binnenzijde der schors eenige woorden zag, die er met de punt van een dolk op geschreven waren.»Is mijne moeder tevreden?” vroeg de Zonnestraal.»Ja! ja!” riep zij.En zij begon met ijver te lezen.Het briefje was kort; het behelsde slechts weinige woorden, die echter voldoende waren om de arme moeder gelukkig te maken, daar zij zekere tijding behelsden van haar zoon.Ziehier wat Valentin schreef:»Moeder, heb goeden moed, ik ben in blakenden welstand.”»Tot spoedig,Uw liefhebbende zoonValentin.”Lakonischer brief kon hij onmogelijk geschreven hebben. Maar in de woestijn, waar de gemeenschap zoo moeielijk is moet men voor lief nemen wanneer een zoon bericht van zich geeft, al was het ook met een enkel woord.Mme. Guillois was er van verrukt. Toen zij de weinige regels van haar zoon gelezen en herlezen had, wendde zij zich tot de jonge vrouw.»Is de Spinnekop een opperhoofd?” vroeg zij.»De Spinnekop is een der grootste krijgslieden van onzen stam,” antwoordde de Zonnestraal trotsch; »de Eenhoorn stelt in hem groot vertrouwen.”»Goed! dat kan ik wel denken; hij komt zeker hier met eene bijzondere zending?”»De Eenhoorn heeft zijn vriend verzocht om twintig uitgelezen krijgslieden van den stam te kiezen en ze hem toe te voeren.”Terstond kwam Mme. Guillois op eene gedachte.»Heeft de Zonnestraal mij lief?” vroeg zij.»Ik heb mijne moeder zeer lief,” antwoordde zij met gevoel; »haar zoon heeft mij het leven gered.”»Verveelt mijne dochter zich niet nu haar man afwezig is?” hernam de oude.»De Eenhoorn is een groot opperhoofd; als hij gebiedt buigt de Zonnestraal en gehoorzaamt; de krijgsman is de sterke en moedige arend, de vrouw is de bedeesde en vreesachtige duif.”Er volgde een vrij lange poos stilte, die de Zonnestraal eindelijk afbrak door met een fijn lachje te zeggen:»Heeft mijne moeder mij iets te verzoeken?”»Waartoe zou ik, kindlief,” antwoordde zij, »gij zoudt mijn verzoek toch nooit toestaan.”»Dat denkt mijne moeder wel, maar zij is er niet zeker van,” riep zij spitsvondig.De oude vrouw glimlachte.»Hebt gij dan geraden wat ik u wilde vragen?”»Wellicht! Mijne moeder verklare zich, dan zal ik zien of ik mij bedrogen heb.”»Neen, het zou niet baten; ik weet dat mijne dochter het zal weigeren.”De Zonnestraal schoot in een vroolijken schaterlach en klapte in de handen als een kind.»Dat weet mijne moeder wel beter,” zeide zij. »Waarom vertrouwt mijne moeder mij niet? heeft zij misschien ondervonden dat ik ondeugend was?”»Nooit; integendeel, gij waart altijd even voorkomend, gedienstig en goed voor mij, om mijne verdrietelijkheden te sussen en mijne bezorgdheid te verdrijven.”»Dat mijne moeder dan vrij spreke, nu de ooren eener vriendin voor haar geopend zijn,” zeide de Zonnestraal zacht.»Inderdaad,” hernam de oude dame nadenkend, »wat ik verlang is rechtmatig. Is de Zonnestraal moeder?” vroeg zij met inzicht.»Ja,” antwoordde de Zonnestraal levendig.»Houdt mijne dochter veel van haar kind?”De Indiaansche keek haar verwonderd aan.»Zijn er dan op het groote eiland der blanken moeders die niet veel van hare kinderen houden?” riep zij. »Mijn kind is mij zelf; het is immers mijn eigen vleesch en been? wat is er liever en schooner voor eene moeder dan haar kind?”»Niets, dat is zoo,” zuchtte Mme. Guillois. »Als nu mijne dochter eens van haar kind gescheiden was, wat zou zij dan doen?”»Wat ik doen zou?” riep de Indiaansche terwijl hare zwarte oogen vlamden als vuur, »ik ging er naar toe, ongevraagd waar het ook was of hoe ik er kwam.”»Goed,” riep de oude verheugd, »ik houd ook veel van mijn kind, mijne dochter weet het wel; en nu zou ik bij hem willen zijn, daarmijn hart treurt bij de gedachte dat ik nog langer van hem gescheiden moet blijven.”»Dat wist ik wel, dat ligt in den aard der zaak, daar kan men zich niet tegen verzetten; de bloem verwelkt van haar steel gerukt, zoo kwijnt eene moeder gescheiden van den zoon dien zij met hare melk heeft gevoed. Wat wenscht mijne moeder te doen?”»Ach! ik wil zoo spoedig mogelijk vertrekken om mijn zoon nog eens te omhelzen.”»Dat is recht, ik help mijne moeder.”»Hoe zullen wij het aanleggen?”»Daar zal ik voor zorgen; de Spinnekop laat den raad bijeenroepen om zijne boodschap te zeggen en zijn plan aan de hoofden voor te stellen; de meeste onzer jonge mannen zijn in het bosch verspreid en bezig met strikken te zetten en elanden te schieten, om hunne gezinnen te voeden; er zullen meer dan twee dagen noodig zijn om de twintig dappere krijgslieden te verzamelen die hij voor den Eenhoorn moet medenemen; hij vertrekt zeker niet voor de derde zon. Mijne moeder make zich dus niet ongerust, ik zal met den Spinnekop spreken; over drie dagen vertrekken wij.”Zij kuste de oude vrouw, die haar met eene teedere omhelzing beantwoordde; daarna stond zij op en verwijderde zich met een laatsten bemoedigenden wenk.Mme. Guillois ging weder in hare calli; een zware last was haar van het hart gewenteld; in lang had zij zich niet zoo gelukkig gevoeld. Al haar leed in de pijnen der kwaal die haar bedreigden waren vergeten, zij dacht alleen aan het oogenblik waarop zij haar zoon weder zou zien en omhelzen.Alles gebeurde zoo als de Zonnestraal voorspeld had.Een uur later riep de hachesto met luid geschreeuw de opperhoofden te zamen in de groote medicijnhut.De raad duurde lang en ging niet uiteen voordat de zon reeds begon te dalen.Het verzoek van den Spinnekop werd toegestaan en twintig uitgelezen krijgslieden gekozen, om onder zijn geleide zich bij het opperhoofd van den stam te gaan voegen.Maar, zooals de Zonnestraal wel vermoed had, waren de beste krijgslieden meerendeels afwezig, zoodat men op hunne terugkomst moest wachten.Gedurende de twee volgende dagen hield de Zonnestraal drukke gesprekken met den Spinnekop, met Mme. Guillois daarentegen wisselde zij geen enkel woord; slechts wanneer de oude vrouw haar al te vragend aankeek, bepaalde zij zich met haar vriendelijk toe te lachen en den vinger op de lippen te houden als om haar het zwijgen aan te bevelen.De arme moeder, alleen door kunstmatige opwinding gesterkt en door brandende koorts staande gehouden, telde met ongeduld detraag verloopende uren en deed in stilte de vurigste geloften voor het welslagen van haar voornemen.Eindelijk, op den avond van den tweeden dag, kwam de Zonnestraal, die de oude vrouw tot hiertoe opzettelijk scheen te ontwijken, met een opgeruimd gelaat naar haar toe.»Wel?” vroeg de moeder.»Wij gaan vertrekken.”»Wanneer?”»Morgen metenditha(zonsopgang).”»Heeft de Spinnekop aan mijne dochter zijn woord gegeven?”»Ja, hij heeft het mij gezegd; mijne moeder make zich dus gereed om te vertrekken.”»Ik ben al gereed.”De Indiaansche glimlachte.»Tot morgen!” zeide zij.»Tot morgen!”Met het aanbreken van den dag, zooals den vorigen avond was afgesproken, trokken Mme. Guillois en de Zonnestraal op weg onder geleide van den Spinnekop en zijne twintig krijgslieden om zich naar den Eenhoorn te begeven.

XXIX.HERKENNING.

Zooals wij reeds gezegd hebben, was Madame Guillois door haar zoon in het winterdorp der Comanchen geïnstalleerd, en de Indianen hadden haar met vreugd ontvangen als de moeder van hun aangenomen zoon; zij hadden de gemakkelijkste calli onmiddellijk voor haar ingeruimd en haar met alle blijken van teederheid en kieschheid verzorgd.De Roodhuiden bezitten boven de blanken een onbetwistbare meerderheid in alles wat gastvrijheid betreft. Een gast is bij hen eene heilige zaak, dermate dat zij hun eene slaafsche dienstbaarheid betoonen door het inachtnemen van al zijne begeerten, zelfs zijne minste grillen.Pater Seraphin, na den Roode-Ceder gewaarschuwd te hebben op zijne hoede te zijn, was naar Mme. Guillois teruggekeerd, ten einde haar des te beter te kunnen bewaken.De eerwaarde missionaris was een oude kennis en vriend van de Comanchen, dien hij in vele gevallen goede diensten had bewezen en die hem niet vereerden als geestelijke, want daarvan begrepen zij te weinig, maar als een goed en edelaardig mensch die steeds geneigd en gereed was zich voor zijn naasten op te offeren.Zoo verliepen er eenige weken, zonder dat er in het lot der oude vrouw eenige merkbare verandering kwam.De Zonnestraal, die zich op eigen gezag als bediende van Madame Guillois had aangeworven, beijverde zich om haar die duizend kleine diensten te bewijzen, die in het innerlijk leven der vrouw zulk een groote plaats beslaan; zij hield haar met haar gebroken Indiaansch-Fransch-Spaansch gebabbel in eene opgeruimde stemming en zorgde voor haar als een liefhebbende dochter voor hare oude moeder, door haar op alle mogelijke wijze den tijd te korten, of liever, zooals de Spanjaarden het met eene eigenaardige uitdrukking noemen, »dentijd te verschalken” (enganar), dat in allen geval beter is dan het Franschetuer le temps, want zoo het ons al eens gelukt den tijd te verschalken, eindigt de onverbiddelijke toch altoos met ons te dooden, in plaats van wij hem.Zoolang pater Seraphin bij Mme. Guillois bleef verdroeg zij de afwezigheid van haar zoon tamelijk geduldig. De zachte en vaderlijke vermaningen van den missionaris deden haar deze wreede scheiding wel niet vergeten, want eene moeder vergeet zoo iets niet, maar in een gunstiger licht beschouwen.Ongelukkig had vader Seraphin ernstiger plichten te vervullen, die hij niet langer mocht verzuimen; tot haar leedwezen moest hij den loop van zijn zwervend leven hervatten, en zijne roeping volgen zoo vol zelfverloochening en lijden, om het licht des Evangelies en den troost der Christelijke godsdienst aan de verste Indianenstammen te brengen.Vader Seraphin was voor Mme. Guillois een belangrijke schakel in de keten die haar aan haar zoon verbond; met den zendeling kon zij gerust en vertrouwelijk over haar lieveling praten, daar hij de geheimste gedachten van haar hart kende en ook met een enkel woord hare bezwaren wist op te heffen of haar nieuwen moed in te boezemen. Toen hij echter vertrok, en zij voor het eerst sedert hare komst in Amerika zich weder alleen bevond, had zij om zoo te zeggen haar zoon voor de tweede maal verloren.De scheiding was ook inderdaad hard, zij had al hare christelijke gelatenheid en hare lange gewoonheid aan het lijden noodig om den nieuwen slag die haar trof door te staan.Het leven onder Indianen is zeer treurig en eentonig, vooral gedurende den winter, in het diepste der bosschen, in eene slecht gebouwde hut, aan alle zijden toegankelijk voor den wind, wanneer de boomen van hunne bladeren beroofd, met rijm en ijzel bedekt en de dorpen half onder de sneeuw begraven zijn; de hemel een ijzergrauwe kleur heeft en loodzwaar nederhangt, en gedurende de lange winternachten de stormwinden huilen en de regen soms dagen achtereen bij stroomen nedervalt.Alleen, beroofd van een vriend aan wien zij haar volle hart uitstorten en hare bekommeringen kon toevertrouwen, verviel Mme. Guillois allengs in eene sombere zwaarmoedigheid, daar niemand haar aan ontrukken kon.Eene vrouw op den leeftijd als de moeder van Valentin breekt niet ongestraft met al hare oude gebruiken, om eene reis te ondernemen als zij, in het hart der Amerikaansche wildernissen.Hoe eenvoudig en sober ook de levenswijze van zekere klasse in de Europeesche maatschappij wezen mag, geniet zij toch betrekkelijk veel grooter gemakken dan die men in een Indiaansch dorp kan verwachten, waar zelfs de meeste voorwerpen van eerste noodzakelijkheid ontbreken en het leven zich binnen zijne eenvoudigste vormen terugtrekt.Zoo zal bijv. de vrouw, die gewoon was des avonds te arbeiden in een gemakkelijken armstoel, in het hoekje van den haard, in een goed gesloten kamer en bij het licht eener lamp, zich wat zij ook doet in geen geval kunnen t’huis vinden in eene armzalige hut, waar zij op den vastgeklopten kleibodem moet zitten, neergehurkt bij een vuur welks rook haar de oogen verblindt, in een vertrek zonder venster, alleen verlicht door het onzekere schijnsel eener walmende houtfakkel.Toen Mme. Guillois Havre verliet had zij slechts één doel, een verlangen, namelijk haar zoon; elke andere vraag moest daarbij achterstaan, en zij offerde met genoegen de rust op, die zij tot hiertoe genoot om den geliefden Valentin terug te vinden dien zij meende verloren te hebben en die haar gansche hart innam.Intusschen, ondanks haar sterk gestel en mannelijk vast karakter, na eene lastige reis van drie maanden over zee en de niet minder vermoeiende van eenige weken door ongebaande bosschen en prairiën, altoos te paard te hebben volbracht, terwijl zij zich alleen met wildbraad voeden en onder den blooten hemel slapen moest, was hare gezondheid langzamerhand bedorven en namen hare krachten zoowel moreel als physiek af, zoodat zij het eindelijk moest gewonnen geven en erkennen dat zij niet in staat was om zulk een strijd langer vol te houden.Zij vermagerde en verzwakte zichtbaar; hare wangen werden hol, hare oogen zonken in de oogholten, haar neus werd spitser, haar aangezicht was bleek en haar blik dof; kortom, alle verschijnselen gaven duidelijk te kennen dat deze vrouw, die tot dusver haar leed zoo dapper weerstand had geboden, snel verminderde en door eene kwaal ondermijnd werd, die haar sedert lang inwendig verteerde en eindelijk met geweld uitbrak.Mme. Guillois stelde zich dan ook van haar toestand weinig goeds voor, zij berekende koelzinnig en met juistheid alle waarschijnlijke omstandigheden, volgde voet voor voet de verschijnselen van hare kwaal en toen de Zonnestraal met eenige bezorgdheid vroeg wat haar toch schortte en of zij ziek was, antwoordde zij met den bedaarden blik van een ter dood verwezen martelares die niets meer te hopen heeft, en een treurigen glimlach die meer zegt dan tranen:»Het is niets, mijn kind, ik ga sterven.”Deze woorden werden op zulk een toon van weemoed en gelatenheid uitgesproken, dat de jonge Indiaansche de tranen in de oogen drongen.Op zekeren morgen dat het dorp zich baadde in den schitterenden zonneschijn, bij een helderblauwen hemel en zoele lucht, zat Mme. Guillois voor hare calli, haar verkleumde leden koesterend in dezen laatsten herfstlach en volgde zij werktuigelijk en met slaperigen blik, de dorrende bladeren, die door eene lichte morgenkoelte voortgedreven, op den kalen grond voor de hut ronddwarrelden.Niet ver van haar af speelde een troep kinderen die elkander naliepen en vervolgden met vroolijk gejuich en geschater.De vrouw van den Eenhoorn kwam naast haar zitten, vatte hare hand en zag haar belangstellend aan.»Voelt mijne moeder zich iets beter?” vroeg zij met eene stem zoo zuiver als die van den Mexicaanschen nachtegaal.»Dank u, lieve kind,” antwoordde de oude minzaam, »ik ben redelijk wel.”»Dat is goed,” lispelde de Zonnestraal met een bevalligen glimlach, »want ik heb mijne moeder goede tijding mede te deelen.”»Goede tijding!” riep zij schielijk en met een doordringenden blik; »zou mijn zoon hier zijn gekomen.”»Dan zou mijne moeder hem wel reeds gezien hebben,” zei de jonge vrouw op een toon van zacht verwijt.»Dat ’s waar,” prevelde zij zacht, »arme Valentin!”En zij liet het hoofd op de borst zinken.De Zonnestraal staarde haar een poosje medelijdend aan.»Zou mijne moeder het nieuws niet willen hooren dat ik haar breng?” vroeg zij.Mme. Guillois zuchtte.»Spreek, mijn kind,” zeide zij.»Een der machtige krijgslieden van onzen stam is in het dorp gekomen,” vervolgde de jonge vrouw, »de Spinnekop heeft den Sachem sedert twee dagen verlaten.”»Ha!” riep de oude vrouw onwillekeurig toen zij zag dat de Zonnestraal ophield; »en, waar is de Sachem op dit oogenblik?”»De Spinnekop zegt dat de Eenhoorn in de bergen is bij zijne krijg lieden; hij heeft Koutonepi gezien.”»Heeft hij mijn zoon gezien!” riep Mme. Guillois, die reeds wist dat de Comanchen Valentin zoo noemden.»Hij heeft hem gezien,” herhaalde de Zonnestraal; »de jager en zijne vrienden vervolgen den Roode-Ceder.”»En.… is hij niet gekwetst?” vroeg zij angstig.De jeugdige Indiaansche zette een alleraardigst mondje van de welsprekendste soort.»De Roode-Ceder is een hond,” riep zij, »en een lafhartig oud wijf, zijn arm is veel te zwak en zijn oog te onzeker om den grooten bleeken jager te kwetsen. Koutonepi is een geducht krijgsman, hij spot met het gehuil der coyoten.”Madame Guillois had reeds lang genoeg onder de Indianen gewoond om met hunne beeldrijke taal vertrouwd te worden; zij drukte de jonge vrouw dankbaar de hand.»Heeft de groote krijgsman mijn zoon gezien?” vroeg zij belangstellend.»Ja,” antwoordde de Zonnestraal met drift, »de Spinnekop heeft den bleeken jager gezien. Koutonepi heeft hem eencolliervoor mijne moeder medegegeven.”»Eene collier?” riep zij verwonderd, niet begrijpende wat de Indiaansche bedoelde, »wat zal ik daarmede doen?”De Zonnestraal zette een min of meer ernstig gezicht.»De blanken zijn groote toovenaars,” zeide zij. »Zij kunnen krachtige medicijnen maken; met figuren in berken bast te trekken deelen zij elkander hunne gedachten mede op verren afstand; voor hen bestaat geen ruimte of afstand. Wil mijne moeder de collier niet ontvangen die haar zoon haar zendt?”»Geef, geef mij die, kindlief!” riep zij schielijk; »alles wat van hem komt is voor mij van groote waarde.”De jonge vrouw haalde uit haar kleedje een vierkant stuk boombast te voorschijn, zoo groot als eene hand, en overhandigde het haar.Mme. Guillois nam het gretig aan. Daar zij niet begreep wat dit geschenk beteekende, draaide zij het in hare hand om en om, terwijl de Zonnestraal haar oplettend aankeek. Op eens helderden de trekken der oude vrouw op en slaakte zij een kreet van blijde verrassing, daar zij aan de binnenzijde der schors eenige woorden zag, die er met de punt van een dolk op geschreven waren.»Is mijne moeder tevreden?” vroeg de Zonnestraal.»Ja! ja!” riep zij.En zij begon met ijver te lezen.Het briefje was kort; het behelsde slechts weinige woorden, die echter voldoende waren om de arme moeder gelukkig te maken, daar zij zekere tijding behelsden van haar zoon.Ziehier wat Valentin schreef:»Moeder, heb goeden moed, ik ben in blakenden welstand.”»Tot spoedig,Uw liefhebbende zoonValentin.”Lakonischer brief kon hij onmogelijk geschreven hebben. Maar in de woestijn, waar de gemeenschap zoo moeielijk is moet men voor lief nemen wanneer een zoon bericht van zich geeft, al was het ook met een enkel woord.Mme. Guillois was er van verrukt. Toen zij de weinige regels van haar zoon gelezen en herlezen had, wendde zij zich tot de jonge vrouw.»Is de Spinnekop een opperhoofd?” vroeg zij.»De Spinnekop is een der grootste krijgslieden van onzen stam,” antwoordde de Zonnestraal trotsch; »de Eenhoorn stelt in hem groot vertrouwen.”»Goed! dat kan ik wel denken; hij komt zeker hier met eene bijzondere zending?”»De Eenhoorn heeft zijn vriend verzocht om twintig uitgelezen krijgslieden van den stam te kiezen en ze hem toe te voeren.”Terstond kwam Mme. Guillois op eene gedachte.»Heeft de Zonnestraal mij lief?” vroeg zij.»Ik heb mijne moeder zeer lief,” antwoordde zij met gevoel; »haar zoon heeft mij het leven gered.”»Verveelt mijne dochter zich niet nu haar man afwezig is?” hernam de oude.»De Eenhoorn is een groot opperhoofd; als hij gebiedt buigt de Zonnestraal en gehoorzaamt; de krijgsman is de sterke en moedige arend, de vrouw is de bedeesde en vreesachtige duif.”Er volgde een vrij lange poos stilte, die de Zonnestraal eindelijk afbrak door met een fijn lachje te zeggen:»Heeft mijne moeder mij iets te verzoeken?”»Waartoe zou ik, kindlief,” antwoordde zij, »gij zoudt mijn verzoek toch nooit toestaan.”»Dat denkt mijne moeder wel, maar zij is er niet zeker van,” riep zij spitsvondig.De oude vrouw glimlachte.»Hebt gij dan geraden wat ik u wilde vragen?”»Wellicht! Mijne moeder verklare zich, dan zal ik zien of ik mij bedrogen heb.”»Neen, het zou niet baten; ik weet dat mijne dochter het zal weigeren.”De Zonnestraal schoot in een vroolijken schaterlach en klapte in de handen als een kind.»Dat weet mijne moeder wel beter,” zeide zij. »Waarom vertrouwt mijne moeder mij niet? heeft zij misschien ondervonden dat ik ondeugend was?”»Nooit; integendeel, gij waart altijd even voorkomend, gedienstig en goed voor mij, om mijne verdrietelijkheden te sussen en mijne bezorgdheid te verdrijven.”»Dat mijne moeder dan vrij spreke, nu de ooren eener vriendin voor haar geopend zijn,” zeide de Zonnestraal zacht.»Inderdaad,” hernam de oude dame nadenkend, »wat ik verlang is rechtmatig. Is de Zonnestraal moeder?” vroeg zij met inzicht.»Ja,” antwoordde de Zonnestraal levendig.»Houdt mijne dochter veel van haar kind?”De Indiaansche keek haar verwonderd aan.»Zijn er dan op het groote eiland der blanken moeders die niet veel van hare kinderen houden?” riep zij. »Mijn kind is mij zelf; het is immers mijn eigen vleesch en been? wat is er liever en schooner voor eene moeder dan haar kind?”»Niets, dat is zoo,” zuchtte Mme. Guillois. »Als nu mijne dochter eens van haar kind gescheiden was, wat zou zij dan doen?”»Wat ik doen zou?” riep de Indiaansche terwijl hare zwarte oogen vlamden als vuur, »ik ging er naar toe, ongevraagd waar het ook was of hoe ik er kwam.”»Goed,” riep de oude verheugd, »ik houd ook veel van mijn kind, mijne dochter weet het wel; en nu zou ik bij hem willen zijn, daarmijn hart treurt bij de gedachte dat ik nog langer van hem gescheiden moet blijven.”»Dat wist ik wel, dat ligt in den aard der zaak, daar kan men zich niet tegen verzetten; de bloem verwelkt van haar steel gerukt, zoo kwijnt eene moeder gescheiden van den zoon dien zij met hare melk heeft gevoed. Wat wenscht mijne moeder te doen?”»Ach! ik wil zoo spoedig mogelijk vertrekken om mijn zoon nog eens te omhelzen.”»Dat is recht, ik help mijne moeder.”»Hoe zullen wij het aanleggen?”»Daar zal ik voor zorgen; de Spinnekop laat den raad bijeenroepen om zijne boodschap te zeggen en zijn plan aan de hoofden voor te stellen; de meeste onzer jonge mannen zijn in het bosch verspreid en bezig met strikken te zetten en elanden te schieten, om hunne gezinnen te voeden; er zullen meer dan twee dagen noodig zijn om de twintig dappere krijgslieden te verzamelen die hij voor den Eenhoorn moet medenemen; hij vertrekt zeker niet voor de derde zon. Mijne moeder make zich dus niet ongerust, ik zal met den Spinnekop spreken; over drie dagen vertrekken wij.”Zij kuste de oude vrouw, die haar met eene teedere omhelzing beantwoordde; daarna stond zij op en verwijderde zich met een laatsten bemoedigenden wenk.Mme. Guillois ging weder in hare calli; een zware last was haar van het hart gewenteld; in lang had zij zich niet zoo gelukkig gevoeld. Al haar leed in de pijnen der kwaal die haar bedreigden waren vergeten, zij dacht alleen aan het oogenblik waarop zij haar zoon weder zou zien en omhelzen.Alles gebeurde zoo als de Zonnestraal voorspeld had.Een uur later riep de hachesto met luid geschreeuw de opperhoofden te zamen in de groote medicijnhut.De raad duurde lang en ging niet uiteen voordat de zon reeds begon te dalen.Het verzoek van den Spinnekop werd toegestaan en twintig uitgelezen krijgslieden gekozen, om onder zijn geleide zich bij het opperhoofd van den stam te gaan voegen.Maar, zooals de Zonnestraal wel vermoed had, waren de beste krijgslieden meerendeels afwezig, zoodat men op hunne terugkomst moest wachten.Gedurende de twee volgende dagen hield de Zonnestraal drukke gesprekken met den Spinnekop, met Mme. Guillois daarentegen wisselde zij geen enkel woord; slechts wanneer de oude vrouw haar al te vragend aankeek, bepaalde zij zich met haar vriendelijk toe te lachen en den vinger op de lippen te houden als om haar het zwijgen aan te bevelen.De arme moeder, alleen door kunstmatige opwinding gesterkt en door brandende koorts staande gehouden, telde met ongeduld detraag verloopende uren en deed in stilte de vurigste geloften voor het welslagen van haar voornemen.Eindelijk, op den avond van den tweeden dag, kwam de Zonnestraal, die de oude vrouw tot hiertoe opzettelijk scheen te ontwijken, met een opgeruimd gelaat naar haar toe.»Wel?” vroeg de moeder.»Wij gaan vertrekken.”»Wanneer?”»Morgen metenditha(zonsopgang).”»Heeft de Spinnekop aan mijne dochter zijn woord gegeven?”»Ja, hij heeft het mij gezegd; mijne moeder make zich dus gereed om te vertrekken.”»Ik ben al gereed.”De Indiaansche glimlachte.»Tot morgen!” zeide zij.»Tot morgen!”Met het aanbreken van den dag, zooals den vorigen avond was afgesproken, trokken Mme. Guillois en de Zonnestraal op weg onder geleide van den Spinnekop en zijne twintig krijgslieden om zich naar den Eenhoorn te begeven.

Zooals wij reeds gezegd hebben, was Madame Guillois door haar zoon in het winterdorp der Comanchen geïnstalleerd, en de Indianen hadden haar met vreugd ontvangen als de moeder van hun aangenomen zoon; zij hadden de gemakkelijkste calli onmiddellijk voor haar ingeruimd en haar met alle blijken van teederheid en kieschheid verzorgd.

De Roodhuiden bezitten boven de blanken een onbetwistbare meerderheid in alles wat gastvrijheid betreft. Een gast is bij hen eene heilige zaak, dermate dat zij hun eene slaafsche dienstbaarheid betoonen door het inachtnemen van al zijne begeerten, zelfs zijne minste grillen.

Pater Seraphin, na den Roode-Ceder gewaarschuwd te hebben op zijne hoede te zijn, was naar Mme. Guillois teruggekeerd, ten einde haar des te beter te kunnen bewaken.

De eerwaarde missionaris was een oude kennis en vriend van de Comanchen, dien hij in vele gevallen goede diensten had bewezen en die hem niet vereerden als geestelijke, want daarvan begrepen zij te weinig, maar als een goed en edelaardig mensch die steeds geneigd en gereed was zich voor zijn naasten op te offeren.

Zoo verliepen er eenige weken, zonder dat er in het lot der oude vrouw eenige merkbare verandering kwam.

De Zonnestraal, die zich op eigen gezag als bediende van Madame Guillois had aangeworven, beijverde zich om haar die duizend kleine diensten te bewijzen, die in het innerlijk leven der vrouw zulk een groote plaats beslaan; zij hield haar met haar gebroken Indiaansch-Fransch-Spaansch gebabbel in eene opgeruimde stemming en zorgde voor haar als een liefhebbende dochter voor hare oude moeder, door haar op alle mogelijke wijze den tijd te korten, of liever, zooals de Spanjaarden het met eene eigenaardige uitdrukking noemen, »dentijd te verschalken” (enganar), dat in allen geval beter is dan het Franschetuer le temps, want zoo het ons al eens gelukt den tijd te verschalken, eindigt de onverbiddelijke toch altoos met ons te dooden, in plaats van wij hem.

Zoolang pater Seraphin bij Mme. Guillois bleef verdroeg zij de afwezigheid van haar zoon tamelijk geduldig. De zachte en vaderlijke vermaningen van den missionaris deden haar deze wreede scheiding wel niet vergeten, want eene moeder vergeet zoo iets niet, maar in een gunstiger licht beschouwen.

Ongelukkig had vader Seraphin ernstiger plichten te vervullen, die hij niet langer mocht verzuimen; tot haar leedwezen moest hij den loop van zijn zwervend leven hervatten, en zijne roeping volgen zoo vol zelfverloochening en lijden, om het licht des Evangelies en den troost der Christelijke godsdienst aan de verste Indianenstammen te brengen.

Vader Seraphin was voor Mme. Guillois een belangrijke schakel in de keten die haar aan haar zoon verbond; met den zendeling kon zij gerust en vertrouwelijk over haar lieveling praten, daar hij de geheimste gedachten van haar hart kende en ook met een enkel woord hare bezwaren wist op te heffen of haar nieuwen moed in te boezemen. Toen hij echter vertrok, en zij voor het eerst sedert hare komst in Amerika zich weder alleen bevond, had zij om zoo te zeggen haar zoon voor de tweede maal verloren.

De scheiding was ook inderdaad hard, zij had al hare christelijke gelatenheid en hare lange gewoonheid aan het lijden noodig om den nieuwen slag die haar trof door te staan.

Het leven onder Indianen is zeer treurig en eentonig, vooral gedurende den winter, in het diepste der bosschen, in eene slecht gebouwde hut, aan alle zijden toegankelijk voor den wind, wanneer de boomen van hunne bladeren beroofd, met rijm en ijzel bedekt en de dorpen half onder de sneeuw begraven zijn; de hemel een ijzergrauwe kleur heeft en loodzwaar nederhangt, en gedurende de lange winternachten de stormwinden huilen en de regen soms dagen achtereen bij stroomen nedervalt.

Alleen, beroofd van een vriend aan wien zij haar volle hart uitstorten en hare bekommeringen kon toevertrouwen, verviel Mme. Guillois allengs in eene sombere zwaarmoedigheid, daar niemand haar aan ontrukken kon.

Eene vrouw op den leeftijd als de moeder van Valentin breekt niet ongestraft met al hare oude gebruiken, om eene reis te ondernemen als zij, in het hart der Amerikaansche wildernissen.

Hoe eenvoudig en sober ook de levenswijze van zekere klasse in de Europeesche maatschappij wezen mag, geniet zij toch betrekkelijk veel grooter gemakken dan die men in een Indiaansch dorp kan verwachten, waar zelfs de meeste voorwerpen van eerste noodzakelijkheid ontbreken en het leven zich binnen zijne eenvoudigste vormen terugtrekt.

Zoo zal bijv. de vrouw, die gewoon was des avonds te arbeiden in een gemakkelijken armstoel, in het hoekje van den haard, in een goed gesloten kamer en bij het licht eener lamp, zich wat zij ook doet in geen geval kunnen t’huis vinden in eene armzalige hut, waar zij op den vastgeklopten kleibodem moet zitten, neergehurkt bij een vuur welks rook haar de oogen verblindt, in een vertrek zonder venster, alleen verlicht door het onzekere schijnsel eener walmende houtfakkel.

Toen Mme. Guillois Havre verliet had zij slechts één doel, een verlangen, namelijk haar zoon; elke andere vraag moest daarbij achterstaan, en zij offerde met genoegen de rust op, die zij tot hiertoe genoot om den geliefden Valentin terug te vinden dien zij meende verloren te hebben en die haar gansche hart innam.

Intusschen, ondanks haar sterk gestel en mannelijk vast karakter, na eene lastige reis van drie maanden over zee en de niet minder vermoeiende van eenige weken door ongebaande bosschen en prairiën, altoos te paard te hebben volbracht, terwijl zij zich alleen met wildbraad voeden en onder den blooten hemel slapen moest, was hare gezondheid langzamerhand bedorven en namen hare krachten zoowel moreel als physiek af, zoodat zij het eindelijk moest gewonnen geven en erkennen dat zij niet in staat was om zulk een strijd langer vol te houden.

Zij vermagerde en verzwakte zichtbaar; hare wangen werden hol, hare oogen zonken in de oogholten, haar neus werd spitser, haar aangezicht was bleek en haar blik dof; kortom, alle verschijnselen gaven duidelijk te kennen dat deze vrouw, die tot dusver haar leed zoo dapper weerstand had geboden, snel verminderde en door eene kwaal ondermijnd werd, die haar sedert lang inwendig verteerde en eindelijk met geweld uitbrak.

Mme. Guillois stelde zich dan ook van haar toestand weinig goeds voor, zij berekende koelzinnig en met juistheid alle waarschijnlijke omstandigheden, volgde voet voor voet de verschijnselen van hare kwaal en toen de Zonnestraal met eenige bezorgdheid vroeg wat haar toch schortte en of zij ziek was, antwoordde zij met den bedaarden blik van een ter dood verwezen martelares die niets meer te hopen heeft, en een treurigen glimlach die meer zegt dan tranen:

»Het is niets, mijn kind, ik ga sterven.”

Deze woorden werden op zulk een toon van weemoed en gelatenheid uitgesproken, dat de jonge Indiaansche de tranen in de oogen drongen.

Op zekeren morgen dat het dorp zich baadde in den schitterenden zonneschijn, bij een helderblauwen hemel en zoele lucht, zat Mme. Guillois voor hare calli, haar verkleumde leden koesterend in dezen laatsten herfstlach en volgde zij werktuigelijk en met slaperigen blik, de dorrende bladeren, die door eene lichte morgenkoelte voortgedreven, op den kalen grond voor de hut ronddwarrelden.

Niet ver van haar af speelde een troep kinderen die elkander naliepen en vervolgden met vroolijk gejuich en geschater.

De vrouw van den Eenhoorn kwam naast haar zitten, vatte hare hand en zag haar belangstellend aan.

»Voelt mijne moeder zich iets beter?” vroeg zij met eene stem zoo zuiver als die van den Mexicaanschen nachtegaal.

»Dank u, lieve kind,” antwoordde de oude minzaam, »ik ben redelijk wel.”

»Dat is goed,” lispelde de Zonnestraal met een bevalligen glimlach, »want ik heb mijne moeder goede tijding mede te deelen.”

»Goede tijding!” riep zij schielijk en met een doordringenden blik; »zou mijn zoon hier zijn gekomen.”

»Dan zou mijne moeder hem wel reeds gezien hebben,” zei de jonge vrouw op een toon van zacht verwijt.

»Dat ’s waar,” prevelde zij zacht, »arme Valentin!”

En zij liet het hoofd op de borst zinken.

De Zonnestraal staarde haar een poosje medelijdend aan.

»Zou mijne moeder het nieuws niet willen hooren dat ik haar breng?” vroeg zij.

Mme. Guillois zuchtte.

»Spreek, mijn kind,” zeide zij.

»Een der machtige krijgslieden van onzen stam is in het dorp gekomen,” vervolgde de jonge vrouw, »de Spinnekop heeft den Sachem sedert twee dagen verlaten.”

»Ha!” riep de oude vrouw onwillekeurig toen zij zag dat de Zonnestraal ophield; »en, waar is de Sachem op dit oogenblik?”

»De Spinnekop zegt dat de Eenhoorn in de bergen is bij zijne krijg lieden; hij heeft Koutonepi gezien.”

»Heeft hij mijn zoon gezien!” riep Mme. Guillois, die reeds wist dat de Comanchen Valentin zoo noemden.

»Hij heeft hem gezien,” herhaalde de Zonnestraal; »de jager en zijne vrienden vervolgen den Roode-Ceder.”

»En.… is hij niet gekwetst?” vroeg zij angstig.

De jeugdige Indiaansche zette een alleraardigst mondje van de welsprekendste soort.

»De Roode-Ceder is een hond,” riep zij, »en een lafhartig oud wijf, zijn arm is veel te zwak en zijn oog te onzeker om den grooten bleeken jager te kwetsen. Koutonepi is een geducht krijgsman, hij spot met het gehuil der coyoten.”

Madame Guillois had reeds lang genoeg onder de Indianen gewoond om met hunne beeldrijke taal vertrouwd te worden; zij drukte de jonge vrouw dankbaar de hand.

»Heeft de groote krijgsman mijn zoon gezien?” vroeg zij belangstellend.

»Ja,” antwoordde de Zonnestraal met drift, »de Spinnekop heeft den bleeken jager gezien. Koutonepi heeft hem eencolliervoor mijne moeder medegegeven.”

»Eene collier?” riep zij verwonderd, niet begrijpende wat de Indiaansche bedoelde, »wat zal ik daarmede doen?”

De Zonnestraal zette een min of meer ernstig gezicht.

»De blanken zijn groote toovenaars,” zeide zij. »Zij kunnen krachtige medicijnen maken; met figuren in berken bast te trekken deelen zij elkander hunne gedachten mede op verren afstand; voor hen bestaat geen ruimte of afstand. Wil mijne moeder de collier niet ontvangen die haar zoon haar zendt?”

»Geef, geef mij die, kindlief!” riep zij schielijk; »alles wat van hem komt is voor mij van groote waarde.”

De jonge vrouw haalde uit haar kleedje een vierkant stuk boombast te voorschijn, zoo groot als eene hand, en overhandigde het haar.

Mme. Guillois nam het gretig aan. Daar zij niet begreep wat dit geschenk beteekende, draaide zij het in hare hand om en om, terwijl de Zonnestraal haar oplettend aankeek. Op eens helderden de trekken der oude vrouw op en slaakte zij een kreet van blijde verrassing, daar zij aan de binnenzijde der schors eenige woorden zag, die er met de punt van een dolk op geschreven waren.

»Is mijne moeder tevreden?” vroeg de Zonnestraal.

»Ja! ja!” riep zij.

En zij begon met ijver te lezen.

Het briefje was kort; het behelsde slechts weinige woorden, die echter voldoende waren om de arme moeder gelukkig te maken, daar zij zekere tijding behelsden van haar zoon.

Ziehier wat Valentin schreef:

»Moeder, heb goeden moed, ik ben in blakenden welstand.”»Tot spoedig,Uw liefhebbende zoonValentin.”

»Moeder, heb goeden moed, ik ben in blakenden welstand.”

»Tot spoedig,

Uw liefhebbende zoonValentin.”

Lakonischer brief kon hij onmogelijk geschreven hebben. Maar in de woestijn, waar de gemeenschap zoo moeielijk is moet men voor lief nemen wanneer een zoon bericht van zich geeft, al was het ook met een enkel woord.

Mme. Guillois was er van verrukt. Toen zij de weinige regels van haar zoon gelezen en herlezen had, wendde zij zich tot de jonge vrouw.

»Is de Spinnekop een opperhoofd?” vroeg zij.

»De Spinnekop is een der grootste krijgslieden van onzen stam,” antwoordde de Zonnestraal trotsch; »de Eenhoorn stelt in hem groot vertrouwen.”

»Goed! dat kan ik wel denken; hij komt zeker hier met eene bijzondere zending?”

»De Eenhoorn heeft zijn vriend verzocht om twintig uitgelezen krijgslieden van den stam te kiezen en ze hem toe te voeren.”

Terstond kwam Mme. Guillois op eene gedachte.

»Heeft de Zonnestraal mij lief?” vroeg zij.

»Ik heb mijne moeder zeer lief,” antwoordde zij met gevoel; »haar zoon heeft mij het leven gered.”

»Verveelt mijne dochter zich niet nu haar man afwezig is?” hernam de oude.

»De Eenhoorn is een groot opperhoofd; als hij gebiedt buigt de Zonnestraal en gehoorzaamt; de krijgsman is de sterke en moedige arend, de vrouw is de bedeesde en vreesachtige duif.”

Er volgde een vrij lange poos stilte, die de Zonnestraal eindelijk afbrak door met een fijn lachje te zeggen:

»Heeft mijne moeder mij iets te verzoeken?”

»Waartoe zou ik, kindlief,” antwoordde zij, »gij zoudt mijn verzoek toch nooit toestaan.”

»Dat denkt mijne moeder wel, maar zij is er niet zeker van,” riep zij spitsvondig.

De oude vrouw glimlachte.

»Hebt gij dan geraden wat ik u wilde vragen?”

»Wellicht! Mijne moeder verklare zich, dan zal ik zien of ik mij bedrogen heb.”

»Neen, het zou niet baten; ik weet dat mijne dochter het zal weigeren.”

De Zonnestraal schoot in een vroolijken schaterlach en klapte in de handen als een kind.

»Dat weet mijne moeder wel beter,” zeide zij. »Waarom vertrouwt mijne moeder mij niet? heeft zij misschien ondervonden dat ik ondeugend was?”

»Nooit; integendeel, gij waart altijd even voorkomend, gedienstig en goed voor mij, om mijne verdrietelijkheden te sussen en mijne bezorgdheid te verdrijven.”

»Dat mijne moeder dan vrij spreke, nu de ooren eener vriendin voor haar geopend zijn,” zeide de Zonnestraal zacht.

»Inderdaad,” hernam de oude dame nadenkend, »wat ik verlang is rechtmatig. Is de Zonnestraal moeder?” vroeg zij met inzicht.

»Ja,” antwoordde de Zonnestraal levendig.

»Houdt mijne dochter veel van haar kind?”

De Indiaansche keek haar verwonderd aan.

»Zijn er dan op het groote eiland der blanken moeders die niet veel van hare kinderen houden?” riep zij. »Mijn kind is mij zelf; het is immers mijn eigen vleesch en been? wat is er liever en schooner voor eene moeder dan haar kind?”

»Niets, dat is zoo,” zuchtte Mme. Guillois. »Als nu mijne dochter eens van haar kind gescheiden was, wat zou zij dan doen?”

»Wat ik doen zou?” riep de Indiaansche terwijl hare zwarte oogen vlamden als vuur, »ik ging er naar toe, ongevraagd waar het ook was of hoe ik er kwam.”

»Goed,” riep de oude verheugd, »ik houd ook veel van mijn kind, mijne dochter weet het wel; en nu zou ik bij hem willen zijn, daarmijn hart treurt bij de gedachte dat ik nog langer van hem gescheiden moet blijven.”

»Dat wist ik wel, dat ligt in den aard der zaak, daar kan men zich niet tegen verzetten; de bloem verwelkt van haar steel gerukt, zoo kwijnt eene moeder gescheiden van den zoon dien zij met hare melk heeft gevoed. Wat wenscht mijne moeder te doen?”

»Ach! ik wil zoo spoedig mogelijk vertrekken om mijn zoon nog eens te omhelzen.”

»Dat is recht, ik help mijne moeder.”

»Hoe zullen wij het aanleggen?”

»Daar zal ik voor zorgen; de Spinnekop laat den raad bijeenroepen om zijne boodschap te zeggen en zijn plan aan de hoofden voor te stellen; de meeste onzer jonge mannen zijn in het bosch verspreid en bezig met strikken te zetten en elanden te schieten, om hunne gezinnen te voeden; er zullen meer dan twee dagen noodig zijn om de twintig dappere krijgslieden te verzamelen die hij voor den Eenhoorn moet medenemen; hij vertrekt zeker niet voor de derde zon. Mijne moeder make zich dus niet ongerust, ik zal met den Spinnekop spreken; over drie dagen vertrekken wij.”

Zij kuste de oude vrouw, die haar met eene teedere omhelzing beantwoordde; daarna stond zij op en verwijderde zich met een laatsten bemoedigenden wenk.

Mme. Guillois ging weder in hare calli; een zware last was haar van het hart gewenteld; in lang had zij zich niet zoo gelukkig gevoeld. Al haar leed in de pijnen der kwaal die haar bedreigden waren vergeten, zij dacht alleen aan het oogenblik waarop zij haar zoon weder zou zien en omhelzen.

Alles gebeurde zoo als de Zonnestraal voorspeld had.

Een uur later riep de hachesto met luid geschreeuw de opperhoofden te zamen in de groote medicijnhut.

De raad duurde lang en ging niet uiteen voordat de zon reeds begon te dalen.

Het verzoek van den Spinnekop werd toegestaan en twintig uitgelezen krijgslieden gekozen, om onder zijn geleide zich bij het opperhoofd van den stam te gaan voegen.

Maar, zooals de Zonnestraal wel vermoed had, waren de beste krijgslieden meerendeels afwezig, zoodat men op hunne terugkomst moest wachten.

Gedurende de twee volgende dagen hield de Zonnestraal drukke gesprekken met den Spinnekop, met Mme. Guillois daarentegen wisselde zij geen enkel woord; slechts wanneer de oude vrouw haar al te vragend aankeek, bepaalde zij zich met haar vriendelijk toe te lachen en den vinger op de lippen te houden als om haar het zwijgen aan te bevelen.

De arme moeder, alleen door kunstmatige opwinding gesterkt en door brandende koorts staande gehouden, telde met ongeduld detraag verloopende uren en deed in stilte de vurigste geloften voor het welslagen van haar voornemen.

Eindelijk, op den avond van den tweeden dag, kwam de Zonnestraal, die de oude vrouw tot hiertoe opzettelijk scheen te ontwijken, met een opgeruimd gelaat naar haar toe.

»Wel?” vroeg de moeder.

»Wij gaan vertrekken.”

»Wanneer?”

»Morgen metenditha(zonsopgang).”

»Heeft de Spinnekop aan mijne dochter zijn woord gegeven?”

»Ja, hij heeft het mij gezegd; mijne moeder make zich dus gereed om te vertrekken.”

»Ik ben al gereed.”

De Indiaansche glimlachte.

»Tot morgen!” zeide zij.

»Tot morgen!”

Met het aanbreken van den dag, zooals den vorigen avond was afgesproken, trokken Mme. Guillois en de Zonnestraal op weg onder geleide van den Spinnekop en zijne twintig krijgslieden om zich naar den Eenhoorn te begeven.


Back to IndexNext