XXX.HOE NATHAN VOOR TOOVENAAR SPEELT.De Spinnekop, ofschoon Comanch en krijgsman van den echten stempel, dat wil zeggen, vermetel, arglistig, brutaal en wreed, was daarom niet geheel onbekend met de wetten der beleefdheid ook jegens vrouwen; hij had dus het verzoek van de Zonnestraal, om de moeder van den grooten bleeken jager naar den Eenhoorn te geleiden, met genoegen aangenomen.De Indiaan, die als de meesten zijner stamgenooten zich zeer aan Valentin verplicht rekende, nam met vreugde deze gelegenheid te baat om zijn weldoener eene dienst te bewijzen.Zoo de Indiaan alleen met zijne twintig makkers rustig op weg ware getogen, zou hij, om hier eene uitdrukking der Comanchen te bezigen, den afstand tusschen het dorp en den Eenhoorn binnen twee zonnen hebben afgerend; maar nu hij twee vrouwen onder zijn geleide had, waarvan de eene niet alleen hoog bejaard, maar bovendien eene Europeaansche was, met andere woorden geheel ongewoon met het leven der wildernis, nu begreep hij toch wel, zonder dat iemand er hem iets van zei—want Mme. Guillois zou eer gestorven zijn dan zich te beklagen, en zij alleen had het hem kunnen zeggen—nu begreep hij wel, zeg ik, dat hij zijne manier van reizen een weinig wijzigen moest. Hij deed het dan ook.De beide vrouwen, elk op een stevig paard gezeten, Mme. Guillois bovendien op een zacht kussen van zes of acht pantervellen, werden dus uit vrees voor ongelukken midden in den troep geplaatst, die omdat zij sterk genoeg in getal waren, niet in den gewonen Indiaanschen pas,d.i.als de ganzen achter elkander, maar in vier of vijf gelederen reed.Zoo marcheerde men, om zoo te zeggen, in een sukkeldraf op den geheelen eersten dag. Tegen zonsondergang liet de Spinnekop afzitten en gaf hij order om te kampeeren.Hij zelf was een der eersten die afsteeg, en met behulp van zijn mes had hij in een ommezien een aantal takken gekapt, waaruit hij als met een tooverslag, eene hut deed verrijzen, om de twee vrouwen behoorlijk in te huisvesten, beschut tegen den nachtelijken dauw of koude.De vuren werden ontstoken, het souper klaar gemaakt, en terstond na den maaltijd begaven allen zich ter rust, uitgenomen de schildwacht.Maar ook Mme. Guillois sliep niet; door koorts en ongeduldig verlangen wakker gehouden, zat zij den ganschen nacht in een hoekje der hut in diep nadenken verzonken.Met het opgaan der zon werd de tocht hervat; doch daar men de bergen naderde, werd de wind zeer koud en lag er een dikke mist over de dalen verspreid. Ieder wikkelde zich zorgvuldig in mantel en pels tot omstreeks tien ure des voormiddags, toen de zonnestralen kracht genoeg kregen om deze voorzorg onnoodig te maken.In zekere streken van Amerika heeft het klimaat de minder aangename bijzonderheid, dat het des morgens, zoo als men zegt, steen en been vriest, terwijl het op den middag smoorheet wordt en des avonds daarentegen de thermometer op nieuw onder nul daalt.De tweede dag ging zonder meldenswaardig voorval voorbij. Tegen den avond echter, een uur voordat men halt zou maken, ontdekte de Spinnekop, die eenige paardlengten voor den troep uitreed om den weg te verkennen, voetsporen. De voetsporen waren geheel versch, zeer duidelijk, gelijkmatig en diep en schenen van een jong, krachtvol man te zijn die het reizen gewoon was.De Spinnekop keerde naar zijn troep terug, zonder zijne ontdekking noch de gevolgen die hij er uit afleidde aan iemand mede te deelen.De Zonnestraal, die op dat oogenblik het dichtst bij hem was, klopte hem op den schouder om zijne aandacht te trekken.»Zie eens, krijgsman,” sprak zij met de hand een weinig links vooruit wijzende, »zoudt gij niet denken dat daar ginds iemand loopt?”De Indiaan bleef staan, hield de hand boven de oogen om de gezichtstralen beter in een punt te kunnen samentrekken, en tuurdelangen tijd aandachtig naar de donkere stip die de jonge vrouw hem aanwees. Eindelijk reed hij weder voort en schudde herhaalde malen het hoofd.»Wel! wat denkt mijn broeder er van?” vroeg de Zonnestraal.»Het is een man,” antwoordde hij, »van hier gezien schijnt het een Indiaan, en toch, weet ik niet recht of ik wel of kwalijk gezien heb.”»Hoedat?”»Hoor eens, gij zijt de vrouw van het eerste opperhoofd van den stam, ik kan het u dus gerust zeggen: er steekt hier iets vreemds achter; ik heb zoo even te voren voetstappen ontdekt. Naar de richting gerekend, zijn zij blijkbaar van dien man daar, te meer nog daar zij nog zeer versch en slechts voor weinige oogenblikken gemaakt zijn.”»Welnu?”»Welnu, die voetstappen zijn geen sporen van een Roodhuid, maar van een blanke.”»Dat is inderdaad zonderling,” mompelde de jonge vrouw ernstig wordende; »maar zijt gij wel zeker van hetgeen gij zegt?”De Indiaan glimlachte verontwaardigd.»De Spinnekop is een krijgsman,” sprak hij, »een kind van acht jaar had het even goed kunnen zien als ik, de voeten staan buitenwaarts gekeerd; de Indianen daarentegen zetten die binnenwaarts; bovendien is de groote teen dicht bij de anderen aangesloten, terwijl bij ons Roodhuiden de groote teen sterk afwijkt; nu vraag ik mijne zuster, of het mogelijk is, zich na zulke kenteekenen te vergissen?”»’t Is waar,” riep zij, »dat kan niet!”»En ziedaar,” hervatte hij, »let eens op de houding van dien man, nu wij hem een weinig meer nabij komen; het blijkt duidelijk dat hij zich zoekt te verbergen, hij denkt dat wij hem nog niet gezien hebben, en gaat diensvolgens te werk. Kijk, daar bukt hij achter dien mastikboom; daar komt hij weder te voorschijn. Nu houdt hij stil en staat in beraad, hij vreest zeker dat wij hem gezien hebben en dat zijn gang ons verdacht is voorgekomen. Ziet gij wel, hij gaat zitten om ons af te wachten.”»Laten wij oppassen,” zeide de Zonnestraal.»Ik heb hem in ’t oog,” antwoordde de Spinnekop met een grimmigen blik.Intusschen was al hetgeen de Spinnekop gezegd had letterlijk waar. De onbekende, na herhaalde pogingen om zich achter de struiken te verbergen of tusschen de heuvels onzichtbaar te maken, begreep weldra, dat, zoo hij den schijn aannam van te vluchten, zijne vervolgers hem des te scherper zouden in ’t oog houden en, daar zij te paard waren, hem spoedig zouden achterhalen. Hij schikte zich dus moedig in zijn lot en keerde naar de vlakte terug, waar hij op den grond ging zitten, met den rug tegen een tamarindeboom, en bedaardbegon te rooken, in afwachting van den troep ruiters, die snel naderden.Hoe dichter echter de Comanchen bij hem kwamen, hoe meer zij hem voor een Indiaan begonnen te houden. Eindelijk waren zij geen twintig passen van hem af, en nu hield alle twijfel op. De man was, of scheen althans een dier zwervende toovenaars te zijn, die in menigte in het Verre-Westen van volksstam tot volksstam trekken, om de zieken te genezen of om hunne wonderkuren te verrichten.Werkelijk was deze toovenaar niemand anders dan Nathan, de Squatterszoon, dien de lezer zonder twijfel reeds lang zal hebben herkend.Na volgens zijne loffelijke gewoonte, met een koelbloedigen moord den armen toovenaar, wiens kennis helaas niet ver genoeg reikte om dit afschuwelijk verraad te voorzien, voor zijn gewichtige dienst te hebben betaald, was Nathan haastig opgemarcheerd, vast besloten om de liniën zijner vijanden door te trekken, terwijl hij zich bijna zeker hield van goed te zullen slagen, dank zij de vermomming in welke hij zich had gestoken, eene vermomming, die hij, wij moeten het zeggen, meesterlijk wist uit te voeren.Zoodra hij dus de ruiters in de verte zag naderen, had hij de oude les te baat genomen, »die goede beenen heeft behoeft het gevaar niet af te wachten,” en het op een loopen gezet. Ongelukkig echter was hij te voet, en reeds tamelijk vermoeid van den verren tocht dien hij had gemaakt; bovendien zag hij op zulk een open en weinig boschrijk terrein, als het tegenwoordige, geen kans om zich te verbergen en vreesde veeleer argwaan te zullen wekken bij lieden, die, daar zij hem niet kenden, hem anders licht zonder nader onderzoek zouden nemen voor hetgeen zijne kleeren aanduidden. Daarbij rekende hij op den bijgeloovigen aard der Indianen en op de ruime mate van onbeschaamdheid die hij bezat om hen te bedriegen.Al deze beschouwingen maakte Nathan met de snelheid van iemand die gewoon was te kiezen en te handelen. Zijn besluit stond in een paar minuten vast en zich aan den voet van een boom nedervlijende, stopte hij bedaard zijne calumet en wachtte al rookende de komst der reizigers af.Overigens moeten wij zeggen dat Nathan een man was van vermetele waagzucht en ontembare stoutmoedigheid; geen stelling hoe netelig en onverwacht ook kon hem verschrikken, maar behaagde hem veelmeer, en zelfs de koortsachtige spanning waarin zij hem bracht had voor iemand van zijn karakter iets bekoorlijks.Als een echt avonturier, was zijn vaste grondregel om van iedere omstandigheid partij te trekken, en zijn voordeel te doen zoo vaak de gelegenheid zich aanbood; dus stelde hij haar ook thans op woeker, en nauwelijks hielden de Indianen bij hem stil of hij richtte tot hen dadelijk het woord.»Ik heet mijne zonen welkom in mijn kampement,” zeide hij met dien sterk geteekenden keelklank, die het roode menschenras eigen is en door de blanken zoo moeielijk wordt nagebootst; »de Wacondah heeft hen tot mij geleid, ik zal mij beijveren zijn wil te eerbiedigen door hen zoo goed te ontvangen als mij mogelijk is.”»Dank u,” antwoordde de Spinnekop, hem met een uitvorschenden blik aankijkend, »wij nemen het aanbod van onzen broeder even gul aan als hij het ons doet; mijne jonge lieden zullen met hem kampeeren.”Hierop gaf hij zijne bevelen, die terstond werden uitgevoerd. Even als den vorigen dag bouwde de Spinnekop met eigen hand voor de vrouwen eene calli, waarin deze zich onverwijld terugtrokken. De toovenaar had haar aangezien met een blik die haar een huivering door de leden joeg.Na den avondmaaltijd stak de Spinnekop zijne Indiaansche pijp aan en nam naast den toovenaar plaats; hij verlangde met hem te praten en tot opheldering te komen, niet zoozeer omtrent kwade vermoedens, maar omtrent zekere twijfelingen, die er bij hem bestonden.Onwillekeurig gevoelde de Indiaan voor den onbekende een onverwinnelijken afkeer, daar hij zich geen rekenschap van wist te geven.Nathan van zijn kant, terwijl hij met al den ernst van een Roodhuid zat te rooken en zich in dikke wolken van tabaksdamp hulde, die hij gestadig uit neus en mond blies, volgde in stilte iedere beweging van den Indiaan, zonder zich den schijn te geven alsof hij op hem lette.»Is mijn vader op reis?” vroeg de Spinnekop.»Ja,” antwoordde de vermeende toovenaar kortaf.»Sedert lang?”»Sedert acht manen.”»Ooah!” riep de Indiaan verbaasd, »waar komt mijn vader dan van daan?”Nathan nam de pijp uit zijn mond, trok een geheimzinnig gezicht en sprak op ernstigen en terughoudenden toon:»De Wacondah is almachtig, zij tot wie de Meester des levens spreekt, bewaren zijne woorden in hun binnenste.”»Dat is waar,” antwoordde de Spinnekop met eene buiging, al begreep hij er niets van.»Is mijn zoon geen krijgsman van de geduchte koningin derprairiën, is hij geen zoon van de dappere Comanchen?” hervatte de gewaande toovenaar.»Ik ben inderdaad een krijgsman der Comanchen.”»Is mijn zoon misschien uitgegaan om te jagen?”»Neen, ik ben op dit oogenblik op het oorlogspad.”»Ooah!denkt mijn zoon nu een grooten toovenaar te bedriegen, dat hij zulke woorden tegen mij durft spreken?”»Mijne woorden zijn waar, mijn bloed vloeit helder als water inmijne aderen, geen leugen heeft mijne lippen bezoedeld, mijn hart blaast mijne borst niets dan waarheid in,” antwoordde de Spinnekop, blijkbaar gramstorig, daar hij zich door het verwijt van den toovenaar, gekrenkt gevoelde.»Goed, ik wil dat wel gelooven,” zei deze, »maar sedert wanneer voeren de Comanchen hunne vrouwen mede op het oorlogspad?”»De Comanchen zijn meester om te doen wat zij goed vinden; niemand heeft het recht hen tot verantwoording te roepen.”Nathan begreep dat hij op een verkeerden weg was en dat, wanneer hij het gesprek op dit terrein wilde voortzetten, hij den man dien hij zoo veel reden had te ontzien, tegen zich zou krijgen. Hij veranderde dus van taktiek.»Minder dan iemand,” zeide hij zachtzinnig, »matig ik mij het recht aan om van de daden der krijgslieden rekenschap te vorderen, ik ben een man van den vrede.”De Spinnekop glimlachte minachtend.»Inderdaad,” zeide hij op zekeren toon van gebelgdheid, »de groote geneesheeren daar mijn vader er een van is, zijn als de vrouwen, zij leven zeer lang; de Wacondah beschermt hen.”De gewaande toovenaar wachtte zich wel den bitteren spot, die in dit gezegde lag opgesloten, nader te doen uitkomen en hield zich alsof hij dien niet opmerkte.»Gaat mijn zoon naar zijn dorp terug?” vroeg hij.»Neen,” hernam de andere, »integendeel, ik ga met mijne beroemdste krijgslieden naar het groote opperhoofd van mijn stam, die op eene onderneming uit is.”»Tot welken stam behoort mijn zoon dan?”»Tot dien van den Eenhoorn.”Nathan ontroerde inwendig, ofschoon hij er niets van liet blijken.»Ooah!” riep hij, »de Eenhoorn is een groot opperhoofd, zijn roem strekt zich uit over de gansche aarde. Waar is de krijgsman die zich met hem in de prairie zou durven meten?”»Kent mijn vader hem?”»Die eer heb ik niet, al heb ik er dikwijls naar verlangd; tot op dezen dag heb ik den vermaarden Sachem nog nooit kunnen ontmoeten.”»Laat u dat niet langer verdrieten; als mijn vader het verlangt, zal ik hem met den Eenhoorn in kennis brengen.”»Dat zou voor mij een geluk zijn, doch de zending die de Wacondah mij heeft toevertrouwd, vordert elders mijne tegenwoordigheid. Ik heb weinig tijd, en kan dus, hoe zeer ik het ook zou willen, mijn reisplan niet veranderen.”»Goed! de Eenhoorn is anders nauwelijks drie uren rijdens van hier; morgen ochtend vroeg bereiken wij in tijds zijn kamp.”»Maar hoe komt het dat mijn zoon, die zulk een wijs krijgsman schijnt te zijn, zich hier heeft opgehouden, daar hij toch zoo dicht bij zijn opperhoofd was?”Alle vermoedens waren thans bij den Indiaan geweken, hij zette dus alle wantrouwen ter zijde en antwoordde ditmaal ronduit zonder de waarheid te willen verbergen:»Mijn vader heeft gelijk, ik zou zonder twijfel zijn voortgereden tot het kamp van den Sachem en het reeds dezen avond voor het schreeuwen van den nachtuil hebben bereikt, maar ik heb twee vrouwen bij mij, die mijn tocht vertraagd en mij genoopt hebben om hier te blijven.”»Mijn zoon is jong,” hernam Nathan met een schalkschen glimlach.»Mijn vader vergist zich,” hernam de Spinnekop, »die vrouwen zijn mij toevertrouwd, ik bemin en eerbiedig haar: de eene is de vrouw van den Eenhoorn, die naar haar man gaat, de andere is een bleekgezicht, hare lokken zijn wit als de wolken, die daar boven ons hoofd drijven, gezweept door den avondwind, haar lichaam is gebogen onder den last des winters; zij is de moeder van den grooten jager der bleekgezichten, den aangenomen zoon der Comanchen, wiens naam zeker bij mijn vader bekend zal zijn.”»Hoe heet die jager?”»Koutonepi.”Bij dezen naam, dien hij echter wel half kon verwachten, deed Nathan onwillekeurig zulk een sprong achteruit, dat de Spinnekop vreemd opkeek.»Is Koutonepi mijns vaders vijand?” vroeg hij.»Integendeel,” hernam Nathan gevat, »de lieden die de Wacondah beschermt, hebben geene vijanden, dat weet mijn zoon wel; het is de vreugde bij het hooren van zijn naam die mij deed opspringen.”»Mijn vader moet dan duchtige redenen hebben om zich zoo verrast te toonen.”»Die heb ik ook, inderdaad zeer sterke,” antwoordde de vermeende toovenaar met geveinsde opgewondenheid. »Koutonepi heeft eens mijne moeder het leven gered.”Deze leugen sprak hij zoo triomfant uit en met zoo diepe en wel gespeelde overtuiging, dat de Indiaan haar terstond voor waarheid aannam en eerbiedig voor den toovenaar boog.»Is dat het geval,” zeide hij, »nu, dan ben ik zeker dat mijn vader geen oogenblik aarzelen zal zijn reisplan een weinig te veranderen, om dien man te zien aan wien hij met zulke hechte banden van dankbaarheid verbonden is; want waarschijnlijk ontmoeten wij Koutonepi in het kamp van den Eenhoorn.”Nathan meesmuilde. Gelijk het gewoonlijk met onoprechten gaat, die om kwade vermoedens te verdrijven vaak te veel willen bewijzen, voelde hij er in te zijn geloopen en begreep wel dat hij nu, om niet op nieuw verdacht te worden, de gevolgen van zijn eerste leugen moedig volhouden en tot iederen prijs met den Sachem mede moest.De Amerikaan aarzelde niet, hij vertrouwde op zijn goed gesternteom uit den strik te komen dien hij zich zelven gespannen had. De Fortuin is vooral de godin der bandieten, op haar rekenen zij, en wij moeten tegen wil en dank bekennen dat zij hen niet zelden uit den brand helpt.»Ik ga met mijn zoon naar het kamp van den Eenhoorn,” zeide hij.Het gesprek werd nog een poos tusschen de twee mannen voortgezet.Eindelijk, toen het geheel nacht was geworden, nam de Spinnekop afscheid en legde zich, zooals hij van het begin der reis gewoon was, neêr voor den ingang der calli waar de twee vrouwen rustten, en sliep zelf weldra in.Bij het vuur alleen gebleven, wierp Nathan een bespiedenden blik in het rond.De schildwachten stonden als bronzen standbeelden, onbewegelijk op hun post en leunend op hunne wapenen, te waken.Aan vluchten viel niet te denken.De Amerikaan slaakte een zucht van spijt, wikkelde zich in zijn bisonsmantel en vlijde zich op den grond neer, zacht mompelend:»Bah! morgen zullen wij zien. Is het mij heden gelukt dezen te bedriegen, waarom zou ik minder gelukkig zijn met anderen?”En hij sliep in.
XXX.HOE NATHAN VOOR TOOVENAAR SPEELT.De Spinnekop, ofschoon Comanch en krijgsman van den echten stempel, dat wil zeggen, vermetel, arglistig, brutaal en wreed, was daarom niet geheel onbekend met de wetten der beleefdheid ook jegens vrouwen; hij had dus het verzoek van de Zonnestraal, om de moeder van den grooten bleeken jager naar den Eenhoorn te geleiden, met genoegen aangenomen.De Indiaan, die als de meesten zijner stamgenooten zich zeer aan Valentin verplicht rekende, nam met vreugde deze gelegenheid te baat om zijn weldoener eene dienst te bewijzen.Zoo de Indiaan alleen met zijne twintig makkers rustig op weg ware getogen, zou hij, om hier eene uitdrukking der Comanchen te bezigen, den afstand tusschen het dorp en den Eenhoorn binnen twee zonnen hebben afgerend; maar nu hij twee vrouwen onder zijn geleide had, waarvan de eene niet alleen hoog bejaard, maar bovendien eene Europeaansche was, met andere woorden geheel ongewoon met het leven der wildernis, nu begreep hij toch wel, zonder dat iemand er hem iets van zei—want Mme. Guillois zou eer gestorven zijn dan zich te beklagen, en zij alleen had het hem kunnen zeggen—nu begreep hij wel, zeg ik, dat hij zijne manier van reizen een weinig wijzigen moest. Hij deed het dan ook.De beide vrouwen, elk op een stevig paard gezeten, Mme. Guillois bovendien op een zacht kussen van zes of acht pantervellen, werden dus uit vrees voor ongelukken midden in den troep geplaatst, die omdat zij sterk genoeg in getal waren, niet in den gewonen Indiaanschen pas,d.i.als de ganzen achter elkander, maar in vier of vijf gelederen reed.Zoo marcheerde men, om zoo te zeggen, in een sukkeldraf op den geheelen eersten dag. Tegen zonsondergang liet de Spinnekop afzitten en gaf hij order om te kampeeren.Hij zelf was een der eersten die afsteeg, en met behulp van zijn mes had hij in een ommezien een aantal takken gekapt, waaruit hij als met een tooverslag, eene hut deed verrijzen, om de twee vrouwen behoorlijk in te huisvesten, beschut tegen den nachtelijken dauw of koude.De vuren werden ontstoken, het souper klaar gemaakt, en terstond na den maaltijd begaven allen zich ter rust, uitgenomen de schildwacht.Maar ook Mme. Guillois sliep niet; door koorts en ongeduldig verlangen wakker gehouden, zat zij den ganschen nacht in een hoekje der hut in diep nadenken verzonken.Met het opgaan der zon werd de tocht hervat; doch daar men de bergen naderde, werd de wind zeer koud en lag er een dikke mist over de dalen verspreid. Ieder wikkelde zich zorgvuldig in mantel en pels tot omstreeks tien ure des voormiddags, toen de zonnestralen kracht genoeg kregen om deze voorzorg onnoodig te maken.In zekere streken van Amerika heeft het klimaat de minder aangename bijzonderheid, dat het des morgens, zoo als men zegt, steen en been vriest, terwijl het op den middag smoorheet wordt en des avonds daarentegen de thermometer op nieuw onder nul daalt.De tweede dag ging zonder meldenswaardig voorval voorbij. Tegen den avond echter, een uur voordat men halt zou maken, ontdekte de Spinnekop, die eenige paardlengten voor den troep uitreed om den weg te verkennen, voetsporen. De voetsporen waren geheel versch, zeer duidelijk, gelijkmatig en diep en schenen van een jong, krachtvol man te zijn die het reizen gewoon was.De Spinnekop keerde naar zijn troep terug, zonder zijne ontdekking noch de gevolgen die hij er uit afleidde aan iemand mede te deelen.De Zonnestraal, die op dat oogenblik het dichtst bij hem was, klopte hem op den schouder om zijne aandacht te trekken.»Zie eens, krijgsman,” sprak zij met de hand een weinig links vooruit wijzende, »zoudt gij niet denken dat daar ginds iemand loopt?”De Indiaan bleef staan, hield de hand boven de oogen om de gezichtstralen beter in een punt te kunnen samentrekken, en tuurdelangen tijd aandachtig naar de donkere stip die de jonge vrouw hem aanwees. Eindelijk reed hij weder voort en schudde herhaalde malen het hoofd.»Wel! wat denkt mijn broeder er van?” vroeg de Zonnestraal.»Het is een man,” antwoordde hij, »van hier gezien schijnt het een Indiaan, en toch, weet ik niet recht of ik wel of kwalijk gezien heb.”»Hoedat?”»Hoor eens, gij zijt de vrouw van het eerste opperhoofd van den stam, ik kan het u dus gerust zeggen: er steekt hier iets vreemds achter; ik heb zoo even te voren voetstappen ontdekt. Naar de richting gerekend, zijn zij blijkbaar van dien man daar, te meer nog daar zij nog zeer versch en slechts voor weinige oogenblikken gemaakt zijn.”»Welnu?”»Welnu, die voetstappen zijn geen sporen van een Roodhuid, maar van een blanke.”»Dat is inderdaad zonderling,” mompelde de jonge vrouw ernstig wordende; »maar zijt gij wel zeker van hetgeen gij zegt?”De Indiaan glimlachte verontwaardigd.»De Spinnekop is een krijgsman,” sprak hij, »een kind van acht jaar had het even goed kunnen zien als ik, de voeten staan buitenwaarts gekeerd; de Indianen daarentegen zetten die binnenwaarts; bovendien is de groote teen dicht bij de anderen aangesloten, terwijl bij ons Roodhuiden de groote teen sterk afwijkt; nu vraag ik mijne zuster, of het mogelijk is, zich na zulke kenteekenen te vergissen?”»’t Is waar,” riep zij, »dat kan niet!”»En ziedaar,” hervatte hij, »let eens op de houding van dien man, nu wij hem een weinig meer nabij komen; het blijkt duidelijk dat hij zich zoekt te verbergen, hij denkt dat wij hem nog niet gezien hebben, en gaat diensvolgens te werk. Kijk, daar bukt hij achter dien mastikboom; daar komt hij weder te voorschijn. Nu houdt hij stil en staat in beraad, hij vreest zeker dat wij hem gezien hebben en dat zijn gang ons verdacht is voorgekomen. Ziet gij wel, hij gaat zitten om ons af te wachten.”»Laten wij oppassen,” zeide de Zonnestraal.»Ik heb hem in ’t oog,” antwoordde de Spinnekop met een grimmigen blik.Intusschen was al hetgeen de Spinnekop gezegd had letterlijk waar. De onbekende, na herhaalde pogingen om zich achter de struiken te verbergen of tusschen de heuvels onzichtbaar te maken, begreep weldra, dat, zoo hij den schijn aannam van te vluchten, zijne vervolgers hem des te scherper zouden in ’t oog houden en, daar zij te paard waren, hem spoedig zouden achterhalen. Hij schikte zich dus moedig in zijn lot en keerde naar de vlakte terug, waar hij op den grond ging zitten, met den rug tegen een tamarindeboom, en bedaardbegon te rooken, in afwachting van den troep ruiters, die snel naderden.Hoe dichter echter de Comanchen bij hem kwamen, hoe meer zij hem voor een Indiaan begonnen te houden. Eindelijk waren zij geen twintig passen van hem af, en nu hield alle twijfel op. De man was, of scheen althans een dier zwervende toovenaars te zijn, die in menigte in het Verre-Westen van volksstam tot volksstam trekken, om de zieken te genezen of om hunne wonderkuren te verrichten.Werkelijk was deze toovenaar niemand anders dan Nathan, de Squatterszoon, dien de lezer zonder twijfel reeds lang zal hebben herkend.Na volgens zijne loffelijke gewoonte, met een koelbloedigen moord den armen toovenaar, wiens kennis helaas niet ver genoeg reikte om dit afschuwelijk verraad te voorzien, voor zijn gewichtige dienst te hebben betaald, was Nathan haastig opgemarcheerd, vast besloten om de liniën zijner vijanden door te trekken, terwijl hij zich bijna zeker hield van goed te zullen slagen, dank zij de vermomming in welke hij zich had gestoken, eene vermomming, die hij, wij moeten het zeggen, meesterlijk wist uit te voeren.Zoodra hij dus de ruiters in de verte zag naderen, had hij de oude les te baat genomen, »die goede beenen heeft behoeft het gevaar niet af te wachten,” en het op een loopen gezet. Ongelukkig echter was hij te voet, en reeds tamelijk vermoeid van den verren tocht dien hij had gemaakt; bovendien zag hij op zulk een open en weinig boschrijk terrein, als het tegenwoordige, geen kans om zich te verbergen en vreesde veeleer argwaan te zullen wekken bij lieden, die, daar zij hem niet kenden, hem anders licht zonder nader onderzoek zouden nemen voor hetgeen zijne kleeren aanduidden. Daarbij rekende hij op den bijgeloovigen aard der Indianen en op de ruime mate van onbeschaamdheid die hij bezat om hen te bedriegen.Al deze beschouwingen maakte Nathan met de snelheid van iemand die gewoon was te kiezen en te handelen. Zijn besluit stond in een paar minuten vast en zich aan den voet van een boom nedervlijende, stopte hij bedaard zijne calumet en wachtte al rookende de komst der reizigers af.Overigens moeten wij zeggen dat Nathan een man was van vermetele waagzucht en ontembare stoutmoedigheid; geen stelling hoe netelig en onverwacht ook kon hem verschrikken, maar behaagde hem veelmeer, en zelfs de koortsachtige spanning waarin zij hem bracht had voor iemand van zijn karakter iets bekoorlijks.Als een echt avonturier, was zijn vaste grondregel om van iedere omstandigheid partij te trekken, en zijn voordeel te doen zoo vaak de gelegenheid zich aanbood; dus stelde hij haar ook thans op woeker, en nauwelijks hielden de Indianen bij hem stil of hij richtte tot hen dadelijk het woord.»Ik heet mijne zonen welkom in mijn kampement,” zeide hij met dien sterk geteekenden keelklank, die het roode menschenras eigen is en door de blanken zoo moeielijk wordt nagebootst; »de Wacondah heeft hen tot mij geleid, ik zal mij beijveren zijn wil te eerbiedigen door hen zoo goed te ontvangen als mij mogelijk is.”»Dank u,” antwoordde de Spinnekop, hem met een uitvorschenden blik aankijkend, »wij nemen het aanbod van onzen broeder even gul aan als hij het ons doet; mijne jonge lieden zullen met hem kampeeren.”Hierop gaf hij zijne bevelen, die terstond werden uitgevoerd. Even als den vorigen dag bouwde de Spinnekop met eigen hand voor de vrouwen eene calli, waarin deze zich onverwijld terugtrokken. De toovenaar had haar aangezien met een blik die haar een huivering door de leden joeg.Na den avondmaaltijd stak de Spinnekop zijne Indiaansche pijp aan en nam naast den toovenaar plaats; hij verlangde met hem te praten en tot opheldering te komen, niet zoozeer omtrent kwade vermoedens, maar omtrent zekere twijfelingen, die er bij hem bestonden.Onwillekeurig gevoelde de Indiaan voor den onbekende een onverwinnelijken afkeer, daar hij zich geen rekenschap van wist te geven.Nathan van zijn kant, terwijl hij met al den ernst van een Roodhuid zat te rooken en zich in dikke wolken van tabaksdamp hulde, die hij gestadig uit neus en mond blies, volgde in stilte iedere beweging van den Indiaan, zonder zich den schijn te geven alsof hij op hem lette.»Is mijn vader op reis?” vroeg de Spinnekop.»Ja,” antwoordde de vermeende toovenaar kortaf.»Sedert lang?”»Sedert acht manen.”»Ooah!” riep de Indiaan verbaasd, »waar komt mijn vader dan van daan?”Nathan nam de pijp uit zijn mond, trok een geheimzinnig gezicht en sprak op ernstigen en terughoudenden toon:»De Wacondah is almachtig, zij tot wie de Meester des levens spreekt, bewaren zijne woorden in hun binnenste.”»Dat is waar,” antwoordde de Spinnekop met eene buiging, al begreep hij er niets van.»Is mijn zoon geen krijgsman van de geduchte koningin derprairiën, is hij geen zoon van de dappere Comanchen?” hervatte de gewaande toovenaar.»Ik ben inderdaad een krijgsman der Comanchen.”»Is mijn zoon misschien uitgegaan om te jagen?”»Neen, ik ben op dit oogenblik op het oorlogspad.”»Ooah!denkt mijn zoon nu een grooten toovenaar te bedriegen, dat hij zulke woorden tegen mij durft spreken?”»Mijne woorden zijn waar, mijn bloed vloeit helder als water inmijne aderen, geen leugen heeft mijne lippen bezoedeld, mijn hart blaast mijne borst niets dan waarheid in,” antwoordde de Spinnekop, blijkbaar gramstorig, daar hij zich door het verwijt van den toovenaar, gekrenkt gevoelde.»Goed, ik wil dat wel gelooven,” zei deze, »maar sedert wanneer voeren de Comanchen hunne vrouwen mede op het oorlogspad?”»De Comanchen zijn meester om te doen wat zij goed vinden; niemand heeft het recht hen tot verantwoording te roepen.”Nathan begreep dat hij op een verkeerden weg was en dat, wanneer hij het gesprek op dit terrein wilde voortzetten, hij den man dien hij zoo veel reden had te ontzien, tegen zich zou krijgen. Hij veranderde dus van taktiek.»Minder dan iemand,” zeide hij zachtzinnig, »matig ik mij het recht aan om van de daden der krijgslieden rekenschap te vorderen, ik ben een man van den vrede.”De Spinnekop glimlachte minachtend.»Inderdaad,” zeide hij op zekeren toon van gebelgdheid, »de groote geneesheeren daar mijn vader er een van is, zijn als de vrouwen, zij leven zeer lang; de Wacondah beschermt hen.”De gewaande toovenaar wachtte zich wel den bitteren spot, die in dit gezegde lag opgesloten, nader te doen uitkomen en hield zich alsof hij dien niet opmerkte.»Gaat mijn zoon naar zijn dorp terug?” vroeg hij.»Neen,” hernam de andere, »integendeel, ik ga met mijne beroemdste krijgslieden naar het groote opperhoofd van mijn stam, die op eene onderneming uit is.”»Tot welken stam behoort mijn zoon dan?”»Tot dien van den Eenhoorn.”Nathan ontroerde inwendig, ofschoon hij er niets van liet blijken.»Ooah!” riep hij, »de Eenhoorn is een groot opperhoofd, zijn roem strekt zich uit over de gansche aarde. Waar is de krijgsman die zich met hem in de prairie zou durven meten?”»Kent mijn vader hem?”»Die eer heb ik niet, al heb ik er dikwijls naar verlangd; tot op dezen dag heb ik den vermaarden Sachem nog nooit kunnen ontmoeten.”»Laat u dat niet langer verdrieten; als mijn vader het verlangt, zal ik hem met den Eenhoorn in kennis brengen.”»Dat zou voor mij een geluk zijn, doch de zending die de Wacondah mij heeft toevertrouwd, vordert elders mijne tegenwoordigheid. Ik heb weinig tijd, en kan dus, hoe zeer ik het ook zou willen, mijn reisplan niet veranderen.”»Goed! de Eenhoorn is anders nauwelijks drie uren rijdens van hier; morgen ochtend vroeg bereiken wij in tijds zijn kamp.”»Maar hoe komt het dat mijn zoon, die zulk een wijs krijgsman schijnt te zijn, zich hier heeft opgehouden, daar hij toch zoo dicht bij zijn opperhoofd was?”Alle vermoedens waren thans bij den Indiaan geweken, hij zette dus alle wantrouwen ter zijde en antwoordde ditmaal ronduit zonder de waarheid te willen verbergen:»Mijn vader heeft gelijk, ik zou zonder twijfel zijn voortgereden tot het kamp van den Sachem en het reeds dezen avond voor het schreeuwen van den nachtuil hebben bereikt, maar ik heb twee vrouwen bij mij, die mijn tocht vertraagd en mij genoopt hebben om hier te blijven.”»Mijn zoon is jong,” hernam Nathan met een schalkschen glimlach.»Mijn vader vergist zich,” hernam de Spinnekop, »die vrouwen zijn mij toevertrouwd, ik bemin en eerbiedig haar: de eene is de vrouw van den Eenhoorn, die naar haar man gaat, de andere is een bleekgezicht, hare lokken zijn wit als de wolken, die daar boven ons hoofd drijven, gezweept door den avondwind, haar lichaam is gebogen onder den last des winters; zij is de moeder van den grooten jager der bleekgezichten, den aangenomen zoon der Comanchen, wiens naam zeker bij mijn vader bekend zal zijn.”»Hoe heet die jager?”»Koutonepi.”Bij dezen naam, dien hij echter wel half kon verwachten, deed Nathan onwillekeurig zulk een sprong achteruit, dat de Spinnekop vreemd opkeek.»Is Koutonepi mijns vaders vijand?” vroeg hij.»Integendeel,” hernam Nathan gevat, »de lieden die de Wacondah beschermt, hebben geene vijanden, dat weet mijn zoon wel; het is de vreugde bij het hooren van zijn naam die mij deed opspringen.”»Mijn vader moet dan duchtige redenen hebben om zich zoo verrast te toonen.”»Die heb ik ook, inderdaad zeer sterke,” antwoordde de vermeende toovenaar met geveinsde opgewondenheid. »Koutonepi heeft eens mijne moeder het leven gered.”Deze leugen sprak hij zoo triomfant uit en met zoo diepe en wel gespeelde overtuiging, dat de Indiaan haar terstond voor waarheid aannam en eerbiedig voor den toovenaar boog.»Is dat het geval,” zeide hij, »nu, dan ben ik zeker dat mijn vader geen oogenblik aarzelen zal zijn reisplan een weinig te veranderen, om dien man te zien aan wien hij met zulke hechte banden van dankbaarheid verbonden is; want waarschijnlijk ontmoeten wij Koutonepi in het kamp van den Eenhoorn.”Nathan meesmuilde. Gelijk het gewoonlijk met onoprechten gaat, die om kwade vermoedens te verdrijven vaak te veel willen bewijzen, voelde hij er in te zijn geloopen en begreep wel dat hij nu, om niet op nieuw verdacht te worden, de gevolgen van zijn eerste leugen moedig volhouden en tot iederen prijs met den Sachem mede moest.De Amerikaan aarzelde niet, hij vertrouwde op zijn goed gesternteom uit den strik te komen dien hij zich zelven gespannen had. De Fortuin is vooral de godin der bandieten, op haar rekenen zij, en wij moeten tegen wil en dank bekennen dat zij hen niet zelden uit den brand helpt.»Ik ga met mijn zoon naar het kamp van den Eenhoorn,” zeide hij.Het gesprek werd nog een poos tusschen de twee mannen voortgezet.Eindelijk, toen het geheel nacht was geworden, nam de Spinnekop afscheid en legde zich, zooals hij van het begin der reis gewoon was, neêr voor den ingang der calli waar de twee vrouwen rustten, en sliep zelf weldra in.Bij het vuur alleen gebleven, wierp Nathan een bespiedenden blik in het rond.De schildwachten stonden als bronzen standbeelden, onbewegelijk op hun post en leunend op hunne wapenen, te waken.Aan vluchten viel niet te denken.De Amerikaan slaakte een zucht van spijt, wikkelde zich in zijn bisonsmantel en vlijde zich op den grond neer, zacht mompelend:»Bah! morgen zullen wij zien. Is het mij heden gelukt dezen te bedriegen, waarom zou ik minder gelukkig zijn met anderen?”En hij sliep in.
XXX.HOE NATHAN VOOR TOOVENAAR SPEELT.
De Spinnekop, ofschoon Comanch en krijgsman van den echten stempel, dat wil zeggen, vermetel, arglistig, brutaal en wreed, was daarom niet geheel onbekend met de wetten der beleefdheid ook jegens vrouwen; hij had dus het verzoek van de Zonnestraal, om de moeder van den grooten bleeken jager naar den Eenhoorn te geleiden, met genoegen aangenomen.De Indiaan, die als de meesten zijner stamgenooten zich zeer aan Valentin verplicht rekende, nam met vreugde deze gelegenheid te baat om zijn weldoener eene dienst te bewijzen.Zoo de Indiaan alleen met zijne twintig makkers rustig op weg ware getogen, zou hij, om hier eene uitdrukking der Comanchen te bezigen, den afstand tusschen het dorp en den Eenhoorn binnen twee zonnen hebben afgerend; maar nu hij twee vrouwen onder zijn geleide had, waarvan de eene niet alleen hoog bejaard, maar bovendien eene Europeaansche was, met andere woorden geheel ongewoon met het leven der wildernis, nu begreep hij toch wel, zonder dat iemand er hem iets van zei—want Mme. Guillois zou eer gestorven zijn dan zich te beklagen, en zij alleen had het hem kunnen zeggen—nu begreep hij wel, zeg ik, dat hij zijne manier van reizen een weinig wijzigen moest. Hij deed het dan ook.De beide vrouwen, elk op een stevig paard gezeten, Mme. Guillois bovendien op een zacht kussen van zes of acht pantervellen, werden dus uit vrees voor ongelukken midden in den troep geplaatst, die omdat zij sterk genoeg in getal waren, niet in den gewonen Indiaanschen pas,d.i.als de ganzen achter elkander, maar in vier of vijf gelederen reed.Zoo marcheerde men, om zoo te zeggen, in een sukkeldraf op den geheelen eersten dag. Tegen zonsondergang liet de Spinnekop afzitten en gaf hij order om te kampeeren.Hij zelf was een der eersten die afsteeg, en met behulp van zijn mes had hij in een ommezien een aantal takken gekapt, waaruit hij als met een tooverslag, eene hut deed verrijzen, om de twee vrouwen behoorlijk in te huisvesten, beschut tegen den nachtelijken dauw of koude.De vuren werden ontstoken, het souper klaar gemaakt, en terstond na den maaltijd begaven allen zich ter rust, uitgenomen de schildwacht.Maar ook Mme. Guillois sliep niet; door koorts en ongeduldig verlangen wakker gehouden, zat zij den ganschen nacht in een hoekje der hut in diep nadenken verzonken.Met het opgaan der zon werd de tocht hervat; doch daar men de bergen naderde, werd de wind zeer koud en lag er een dikke mist over de dalen verspreid. Ieder wikkelde zich zorgvuldig in mantel en pels tot omstreeks tien ure des voormiddags, toen de zonnestralen kracht genoeg kregen om deze voorzorg onnoodig te maken.In zekere streken van Amerika heeft het klimaat de minder aangename bijzonderheid, dat het des morgens, zoo als men zegt, steen en been vriest, terwijl het op den middag smoorheet wordt en des avonds daarentegen de thermometer op nieuw onder nul daalt.De tweede dag ging zonder meldenswaardig voorval voorbij. Tegen den avond echter, een uur voordat men halt zou maken, ontdekte de Spinnekop, die eenige paardlengten voor den troep uitreed om den weg te verkennen, voetsporen. De voetsporen waren geheel versch, zeer duidelijk, gelijkmatig en diep en schenen van een jong, krachtvol man te zijn die het reizen gewoon was.De Spinnekop keerde naar zijn troep terug, zonder zijne ontdekking noch de gevolgen die hij er uit afleidde aan iemand mede te deelen.De Zonnestraal, die op dat oogenblik het dichtst bij hem was, klopte hem op den schouder om zijne aandacht te trekken.»Zie eens, krijgsman,” sprak zij met de hand een weinig links vooruit wijzende, »zoudt gij niet denken dat daar ginds iemand loopt?”De Indiaan bleef staan, hield de hand boven de oogen om de gezichtstralen beter in een punt te kunnen samentrekken, en tuurdelangen tijd aandachtig naar de donkere stip die de jonge vrouw hem aanwees. Eindelijk reed hij weder voort en schudde herhaalde malen het hoofd.»Wel! wat denkt mijn broeder er van?” vroeg de Zonnestraal.»Het is een man,” antwoordde hij, »van hier gezien schijnt het een Indiaan, en toch, weet ik niet recht of ik wel of kwalijk gezien heb.”»Hoedat?”»Hoor eens, gij zijt de vrouw van het eerste opperhoofd van den stam, ik kan het u dus gerust zeggen: er steekt hier iets vreemds achter; ik heb zoo even te voren voetstappen ontdekt. Naar de richting gerekend, zijn zij blijkbaar van dien man daar, te meer nog daar zij nog zeer versch en slechts voor weinige oogenblikken gemaakt zijn.”»Welnu?”»Welnu, die voetstappen zijn geen sporen van een Roodhuid, maar van een blanke.”»Dat is inderdaad zonderling,” mompelde de jonge vrouw ernstig wordende; »maar zijt gij wel zeker van hetgeen gij zegt?”De Indiaan glimlachte verontwaardigd.»De Spinnekop is een krijgsman,” sprak hij, »een kind van acht jaar had het even goed kunnen zien als ik, de voeten staan buitenwaarts gekeerd; de Indianen daarentegen zetten die binnenwaarts; bovendien is de groote teen dicht bij de anderen aangesloten, terwijl bij ons Roodhuiden de groote teen sterk afwijkt; nu vraag ik mijne zuster, of het mogelijk is, zich na zulke kenteekenen te vergissen?”»’t Is waar,” riep zij, »dat kan niet!”»En ziedaar,” hervatte hij, »let eens op de houding van dien man, nu wij hem een weinig meer nabij komen; het blijkt duidelijk dat hij zich zoekt te verbergen, hij denkt dat wij hem nog niet gezien hebben, en gaat diensvolgens te werk. Kijk, daar bukt hij achter dien mastikboom; daar komt hij weder te voorschijn. Nu houdt hij stil en staat in beraad, hij vreest zeker dat wij hem gezien hebben en dat zijn gang ons verdacht is voorgekomen. Ziet gij wel, hij gaat zitten om ons af te wachten.”»Laten wij oppassen,” zeide de Zonnestraal.»Ik heb hem in ’t oog,” antwoordde de Spinnekop met een grimmigen blik.Intusschen was al hetgeen de Spinnekop gezegd had letterlijk waar. De onbekende, na herhaalde pogingen om zich achter de struiken te verbergen of tusschen de heuvels onzichtbaar te maken, begreep weldra, dat, zoo hij den schijn aannam van te vluchten, zijne vervolgers hem des te scherper zouden in ’t oog houden en, daar zij te paard waren, hem spoedig zouden achterhalen. Hij schikte zich dus moedig in zijn lot en keerde naar de vlakte terug, waar hij op den grond ging zitten, met den rug tegen een tamarindeboom, en bedaardbegon te rooken, in afwachting van den troep ruiters, die snel naderden.Hoe dichter echter de Comanchen bij hem kwamen, hoe meer zij hem voor een Indiaan begonnen te houden. Eindelijk waren zij geen twintig passen van hem af, en nu hield alle twijfel op. De man was, of scheen althans een dier zwervende toovenaars te zijn, die in menigte in het Verre-Westen van volksstam tot volksstam trekken, om de zieken te genezen of om hunne wonderkuren te verrichten.Werkelijk was deze toovenaar niemand anders dan Nathan, de Squatterszoon, dien de lezer zonder twijfel reeds lang zal hebben herkend.Na volgens zijne loffelijke gewoonte, met een koelbloedigen moord den armen toovenaar, wiens kennis helaas niet ver genoeg reikte om dit afschuwelijk verraad te voorzien, voor zijn gewichtige dienst te hebben betaald, was Nathan haastig opgemarcheerd, vast besloten om de liniën zijner vijanden door te trekken, terwijl hij zich bijna zeker hield van goed te zullen slagen, dank zij de vermomming in welke hij zich had gestoken, eene vermomming, die hij, wij moeten het zeggen, meesterlijk wist uit te voeren.Zoodra hij dus de ruiters in de verte zag naderen, had hij de oude les te baat genomen, »die goede beenen heeft behoeft het gevaar niet af te wachten,” en het op een loopen gezet. Ongelukkig echter was hij te voet, en reeds tamelijk vermoeid van den verren tocht dien hij had gemaakt; bovendien zag hij op zulk een open en weinig boschrijk terrein, als het tegenwoordige, geen kans om zich te verbergen en vreesde veeleer argwaan te zullen wekken bij lieden, die, daar zij hem niet kenden, hem anders licht zonder nader onderzoek zouden nemen voor hetgeen zijne kleeren aanduidden. Daarbij rekende hij op den bijgeloovigen aard der Indianen en op de ruime mate van onbeschaamdheid die hij bezat om hen te bedriegen.Al deze beschouwingen maakte Nathan met de snelheid van iemand die gewoon was te kiezen en te handelen. Zijn besluit stond in een paar minuten vast en zich aan den voet van een boom nedervlijende, stopte hij bedaard zijne calumet en wachtte al rookende de komst der reizigers af.Overigens moeten wij zeggen dat Nathan een man was van vermetele waagzucht en ontembare stoutmoedigheid; geen stelling hoe netelig en onverwacht ook kon hem verschrikken, maar behaagde hem veelmeer, en zelfs de koortsachtige spanning waarin zij hem bracht had voor iemand van zijn karakter iets bekoorlijks.Als een echt avonturier, was zijn vaste grondregel om van iedere omstandigheid partij te trekken, en zijn voordeel te doen zoo vaak de gelegenheid zich aanbood; dus stelde hij haar ook thans op woeker, en nauwelijks hielden de Indianen bij hem stil of hij richtte tot hen dadelijk het woord.»Ik heet mijne zonen welkom in mijn kampement,” zeide hij met dien sterk geteekenden keelklank, die het roode menschenras eigen is en door de blanken zoo moeielijk wordt nagebootst; »de Wacondah heeft hen tot mij geleid, ik zal mij beijveren zijn wil te eerbiedigen door hen zoo goed te ontvangen als mij mogelijk is.”»Dank u,” antwoordde de Spinnekop, hem met een uitvorschenden blik aankijkend, »wij nemen het aanbod van onzen broeder even gul aan als hij het ons doet; mijne jonge lieden zullen met hem kampeeren.”Hierop gaf hij zijne bevelen, die terstond werden uitgevoerd. Even als den vorigen dag bouwde de Spinnekop met eigen hand voor de vrouwen eene calli, waarin deze zich onverwijld terugtrokken. De toovenaar had haar aangezien met een blik die haar een huivering door de leden joeg.Na den avondmaaltijd stak de Spinnekop zijne Indiaansche pijp aan en nam naast den toovenaar plaats; hij verlangde met hem te praten en tot opheldering te komen, niet zoozeer omtrent kwade vermoedens, maar omtrent zekere twijfelingen, die er bij hem bestonden.Onwillekeurig gevoelde de Indiaan voor den onbekende een onverwinnelijken afkeer, daar hij zich geen rekenschap van wist te geven.Nathan van zijn kant, terwijl hij met al den ernst van een Roodhuid zat te rooken en zich in dikke wolken van tabaksdamp hulde, die hij gestadig uit neus en mond blies, volgde in stilte iedere beweging van den Indiaan, zonder zich den schijn te geven alsof hij op hem lette.»Is mijn vader op reis?” vroeg de Spinnekop.»Ja,” antwoordde de vermeende toovenaar kortaf.»Sedert lang?”»Sedert acht manen.”»Ooah!” riep de Indiaan verbaasd, »waar komt mijn vader dan van daan?”Nathan nam de pijp uit zijn mond, trok een geheimzinnig gezicht en sprak op ernstigen en terughoudenden toon:»De Wacondah is almachtig, zij tot wie de Meester des levens spreekt, bewaren zijne woorden in hun binnenste.”»Dat is waar,” antwoordde de Spinnekop met eene buiging, al begreep hij er niets van.»Is mijn zoon geen krijgsman van de geduchte koningin derprairiën, is hij geen zoon van de dappere Comanchen?” hervatte de gewaande toovenaar.»Ik ben inderdaad een krijgsman der Comanchen.”»Is mijn zoon misschien uitgegaan om te jagen?”»Neen, ik ben op dit oogenblik op het oorlogspad.”»Ooah!denkt mijn zoon nu een grooten toovenaar te bedriegen, dat hij zulke woorden tegen mij durft spreken?”»Mijne woorden zijn waar, mijn bloed vloeit helder als water inmijne aderen, geen leugen heeft mijne lippen bezoedeld, mijn hart blaast mijne borst niets dan waarheid in,” antwoordde de Spinnekop, blijkbaar gramstorig, daar hij zich door het verwijt van den toovenaar, gekrenkt gevoelde.»Goed, ik wil dat wel gelooven,” zei deze, »maar sedert wanneer voeren de Comanchen hunne vrouwen mede op het oorlogspad?”»De Comanchen zijn meester om te doen wat zij goed vinden; niemand heeft het recht hen tot verantwoording te roepen.”Nathan begreep dat hij op een verkeerden weg was en dat, wanneer hij het gesprek op dit terrein wilde voortzetten, hij den man dien hij zoo veel reden had te ontzien, tegen zich zou krijgen. Hij veranderde dus van taktiek.»Minder dan iemand,” zeide hij zachtzinnig, »matig ik mij het recht aan om van de daden der krijgslieden rekenschap te vorderen, ik ben een man van den vrede.”De Spinnekop glimlachte minachtend.»Inderdaad,” zeide hij op zekeren toon van gebelgdheid, »de groote geneesheeren daar mijn vader er een van is, zijn als de vrouwen, zij leven zeer lang; de Wacondah beschermt hen.”De gewaande toovenaar wachtte zich wel den bitteren spot, die in dit gezegde lag opgesloten, nader te doen uitkomen en hield zich alsof hij dien niet opmerkte.»Gaat mijn zoon naar zijn dorp terug?” vroeg hij.»Neen,” hernam de andere, »integendeel, ik ga met mijne beroemdste krijgslieden naar het groote opperhoofd van mijn stam, die op eene onderneming uit is.”»Tot welken stam behoort mijn zoon dan?”»Tot dien van den Eenhoorn.”Nathan ontroerde inwendig, ofschoon hij er niets van liet blijken.»Ooah!” riep hij, »de Eenhoorn is een groot opperhoofd, zijn roem strekt zich uit over de gansche aarde. Waar is de krijgsman die zich met hem in de prairie zou durven meten?”»Kent mijn vader hem?”»Die eer heb ik niet, al heb ik er dikwijls naar verlangd; tot op dezen dag heb ik den vermaarden Sachem nog nooit kunnen ontmoeten.”»Laat u dat niet langer verdrieten; als mijn vader het verlangt, zal ik hem met den Eenhoorn in kennis brengen.”»Dat zou voor mij een geluk zijn, doch de zending die de Wacondah mij heeft toevertrouwd, vordert elders mijne tegenwoordigheid. Ik heb weinig tijd, en kan dus, hoe zeer ik het ook zou willen, mijn reisplan niet veranderen.”»Goed! de Eenhoorn is anders nauwelijks drie uren rijdens van hier; morgen ochtend vroeg bereiken wij in tijds zijn kamp.”»Maar hoe komt het dat mijn zoon, die zulk een wijs krijgsman schijnt te zijn, zich hier heeft opgehouden, daar hij toch zoo dicht bij zijn opperhoofd was?”Alle vermoedens waren thans bij den Indiaan geweken, hij zette dus alle wantrouwen ter zijde en antwoordde ditmaal ronduit zonder de waarheid te willen verbergen:»Mijn vader heeft gelijk, ik zou zonder twijfel zijn voortgereden tot het kamp van den Sachem en het reeds dezen avond voor het schreeuwen van den nachtuil hebben bereikt, maar ik heb twee vrouwen bij mij, die mijn tocht vertraagd en mij genoopt hebben om hier te blijven.”»Mijn zoon is jong,” hernam Nathan met een schalkschen glimlach.»Mijn vader vergist zich,” hernam de Spinnekop, »die vrouwen zijn mij toevertrouwd, ik bemin en eerbiedig haar: de eene is de vrouw van den Eenhoorn, die naar haar man gaat, de andere is een bleekgezicht, hare lokken zijn wit als de wolken, die daar boven ons hoofd drijven, gezweept door den avondwind, haar lichaam is gebogen onder den last des winters; zij is de moeder van den grooten jager der bleekgezichten, den aangenomen zoon der Comanchen, wiens naam zeker bij mijn vader bekend zal zijn.”»Hoe heet die jager?”»Koutonepi.”Bij dezen naam, dien hij echter wel half kon verwachten, deed Nathan onwillekeurig zulk een sprong achteruit, dat de Spinnekop vreemd opkeek.»Is Koutonepi mijns vaders vijand?” vroeg hij.»Integendeel,” hernam Nathan gevat, »de lieden die de Wacondah beschermt, hebben geene vijanden, dat weet mijn zoon wel; het is de vreugde bij het hooren van zijn naam die mij deed opspringen.”»Mijn vader moet dan duchtige redenen hebben om zich zoo verrast te toonen.”»Die heb ik ook, inderdaad zeer sterke,” antwoordde de vermeende toovenaar met geveinsde opgewondenheid. »Koutonepi heeft eens mijne moeder het leven gered.”Deze leugen sprak hij zoo triomfant uit en met zoo diepe en wel gespeelde overtuiging, dat de Indiaan haar terstond voor waarheid aannam en eerbiedig voor den toovenaar boog.»Is dat het geval,” zeide hij, »nu, dan ben ik zeker dat mijn vader geen oogenblik aarzelen zal zijn reisplan een weinig te veranderen, om dien man te zien aan wien hij met zulke hechte banden van dankbaarheid verbonden is; want waarschijnlijk ontmoeten wij Koutonepi in het kamp van den Eenhoorn.”Nathan meesmuilde. Gelijk het gewoonlijk met onoprechten gaat, die om kwade vermoedens te verdrijven vaak te veel willen bewijzen, voelde hij er in te zijn geloopen en begreep wel dat hij nu, om niet op nieuw verdacht te worden, de gevolgen van zijn eerste leugen moedig volhouden en tot iederen prijs met den Sachem mede moest.De Amerikaan aarzelde niet, hij vertrouwde op zijn goed gesternteom uit den strik te komen dien hij zich zelven gespannen had. De Fortuin is vooral de godin der bandieten, op haar rekenen zij, en wij moeten tegen wil en dank bekennen dat zij hen niet zelden uit den brand helpt.»Ik ga met mijn zoon naar het kamp van den Eenhoorn,” zeide hij.Het gesprek werd nog een poos tusschen de twee mannen voortgezet.Eindelijk, toen het geheel nacht was geworden, nam de Spinnekop afscheid en legde zich, zooals hij van het begin der reis gewoon was, neêr voor den ingang der calli waar de twee vrouwen rustten, en sliep zelf weldra in.Bij het vuur alleen gebleven, wierp Nathan een bespiedenden blik in het rond.De schildwachten stonden als bronzen standbeelden, onbewegelijk op hun post en leunend op hunne wapenen, te waken.Aan vluchten viel niet te denken.De Amerikaan slaakte een zucht van spijt, wikkelde zich in zijn bisonsmantel en vlijde zich op den grond neer, zacht mompelend:»Bah! morgen zullen wij zien. Is het mij heden gelukt dezen te bedriegen, waarom zou ik minder gelukkig zijn met anderen?”En hij sliep in.
De Spinnekop, ofschoon Comanch en krijgsman van den echten stempel, dat wil zeggen, vermetel, arglistig, brutaal en wreed, was daarom niet geheel onbekend met de wetten der beleefdheid ook jegens vrouwen; hij had dus het verzoek van de Zonnestraal, om de moeder van den grooten bleeken jager naar den Eenhoorn te geleiden, met genoegen aangenomen.
De Indiaan, die als de meesten zijner stamgenooten zich zeer aan Valentin verplicht rekende, nam met vreugde deze gelegenheid te baat om zijn weldoener eene dienst te bewijzen.
Zoo de Indiaan alleen met zijne twintig makkers rustig op weg ware getogen, zou hij, om hier eene uitdrukking der Comanchen te bezigen, den afstand tusschen het dorp en den Eenhoorn binnen twee zonnen hebben afgerend; maar nu hij twee vrouwen onder zijn geleide had, waarvan de eene niet alleen hoog bejaard, maar bovendien eene Europeaansche was, met andere woorden geheel ongewoon met het leven der wildernis, nu begreep hij toch wel, zonder dat iemand er hem iets van zei—want Mme. Guillois zou eer gestorven zijn dan zich te beklagen, en zij alleen had het hem kunnen zeggen—nu begreep hij wel, zeg ik, dat hij zijne manier van reizen een weinig wijzigen moest. Hij deed het dan ook.
De beide vrouwen, elk op een stevig paard gezeten, Mme. Guillois bovendien op een zacht kussen van zes of acht pantervellen, werden dus uit vrees voor ongelukken midden in den troep geplaatst, die omdat zij sterk genoeg in getal waren, niet in den gewonen Indiaanschen pas,d.i.als de ganzen achter elkander, maar in vier of vijf gelederen reed.
Zoo marcheerde men, om zoo te zeggen, in een sukkeldraf op den geheelen eersten dag. Tegen zonsondergang liet de Spinnekop afzitten en gaf hij order om te kampeeren.
Hij zelf was een der eersten die afsteeg, en met behulp van zijn mes had hij in een ommezien een aantal takken gekapt, waaruit hij als met een tooverslag, eene hut deed verrijzen, om de twee vrouwen behoorlijk in te huisvesten, beschut tegen den nachtelijken dauw of koude.
De vuren werden ontstoken, het souper klaar gemaakt, en terstond na den maaltijd begaven allen zich ter rust, uitgenomen de schildwacht.
Maar ook Mme. Guillois sliep niet; door koorts en ongeduldig verlangen wakker gehouden, zat zij den ganschen nacht in een hoekje der hut in diep nadenken verzonken.
Met het opgaan der zon werd de tocht hervat; doch daar men de bergen naderde, werd de wind zeer koud en lag er een dikke mist over de dalen verspreid. Ieder wikkelde zich zorgvuldig in mantel en pels tot omstreeks tien ure des voormiddags, toen de zonnestralen kracht genoeg kregen om deze voorzorg onnoodig te maken.
In zekere streken van Amerika heeft het klimaat de minder aangename bijzonderheid, dat het des morgens, zoo als men zegt, steen en been vriest, terwijl het op den middag smoorheet wordt en des avonds daarentegen de thermometer op nieuw onder nul daalt.
De tweede dag ging zonder meldenswaardig voorval voorbij. Tegen den avond echter, een uur voordat men halt zou maken, ontdekte de Spinnekop, die eenige paardlengten voor den troep uitreed om den weg te verkennen, voetsporen. De voetsporen waren geheel versch, zeer duidelijk, gelijkmatig en diep en schenen van een jong, krachtvol man te zijn die het reizen gewoon was.
De Spinnekop keerde naar zijn troep terug, zonder zijne ontdekking noch de gevolgen die hij er uit afleidde aan iemand mede te deelen.
De Zonnestraal, die op dat oogenblik het dichtst bij hem was, klopte hem op den schouder om zijne aandacht te trekken.
»Zie eens, krijgsman,” sprak zij met de hand een weinig links vooruit wijzende, »zoudt gij niet denken dat daar ginds iemand loopt?”
De Indiaan bleef staan, hield de hand boven de oogen om de gezichtstralen beter in een punt te kunnen samentrekken, en tuurdelangen tijd aandachtig naar de donkere stip die de jonge vrouw hem aanwees. Eindelijk reed hij weder voort en schudde herhaalde malen het hoofd.
»Wel! wat denkt mijn broeder er van?” vroeg de Zonnestraal.
»Het is een man,” antwoordde hij, »van hier gezien schijnt het een Indiaan, en toch, weet ik niet recht of ik wel of kwalijk gezien heb.”
»Hoedat?”
»Hoor eens, gij zijt de vrouw van het eerste opperhoofd van den stam, ik kan het u dus gerust zeggen: er steekt hier iets vreemds achter; ik heb zoo even te voren voetstappen ontdekt. Naar de richting gerekend, zijn zij blijkbaar van dien man daar, te meer nog daar zij nog zeer versch en slechts voor weinige oogenblikken gemaakt zijn.”
»Welnu?”
»Welnu, die voetstappen zijn geen sporen van een Roodhuid, maar van een blanke.”
»Dat is inderdaad zonderling,” mompelde de jonge vrouw ernstig wordende; »maar zijt gij wel zeker van hetgeen gij zegt?”
De Indiaan glimlachte verontwaardigd.
»De Spinnekop is een krijgsman,” sprak hij, »een kind van acht jaar had het even goed kunnen zien als ik, de voeten staan buitenwaarts gekeerd; de Indianen daarentegen zetten die binnenwaarts; bovendien is de groote teen dicht bij de anderen aangesloten, terwijl bij ons Roodhuiden de groote teen sterk afwijkt; nu vraag ik mijne zuster, of het mogelijk is, zich na zulke kenteekenen te vergissen?”
»’t Is waar,” riep zij, »dat kan niet!”
»En ziedaar,” hervatte hij, »let eens op de houding van dien man, nu wij hem een weinig meer nabij komen; het blijkt duidelijk dat hij zich zoekt te verbergen, hij denkt dat wij hem nog niet gezien hebben, en gaat diensvolgens te werk. Kijk, daar bukt hij achter dien mastikboom; daar komt hij weder te voorschijn. Nu houdt hij stil en staat in beraad, hij vreest zeker dat wij hem gezien hebben en dat zijn gang ons verdacht is voorgekomen. Ziet gij wel, hij gaat zitten om ons af te wachten.”
»Laten wij oppassen,” zeide de Zonnestraal.
»Ik heb hem in ’t oog,” antwoordde de Spinnekop met een grimmigen blik.
Intusschen was al hetgeen de Spinnekop gezegd had letterlijk waar. De onbekende, na herhaalde pogingen om zich achter de struiken te verbergen of tusschen de heuvels onzichtbaar te maken, begreep weldra, dat, zoo hij den schijn aannam van te vluchten, zijne vervolgers hem des te scherper zouden in ’t oog houden en, daar zij te paard waren, hem spoedig zouden achterhalen. Hij schikte zich dus moedig in zijn lot en keerde naar de vlakte terug, waar hij op den grond ging zitten, met den rug tegen een tamarindeboom, en bedaardbegon te rooken, in afwachting van den troep ruiters, die snel naderden.
Hoe dichter echter de Comanchen bij hem kwamen, hoe meer zij hem voor een Indiaan begonnen te houden. Eindelijk waren zij geen twintig passen van hem af, en nu hield alle twijfel op. De man was, of scheen althans een dier zwervende toovenaars te zijn, die in menigte in het Verre-Westen van volksstam tot volksstam trekken, om de zieken te genezen of om hunne wonderkuren te verrichten.
Werkelijk was deze toovenaar niemand anders dan Nathan, de Squatterszoon, dien de lezer zonder twijfel reeds lang zal hebben herkend.
Na volgens zijne loffelijke gewoonte, met een koelbloedigen moord den armen toovenaar, wiens kennis helaas niet ver genoeg reikte om dit afschuwelijk verraad te voorzien, voor zijn gewichtige dienst te hebben betaald, was Nathan haastig opgemarcheerd, vast besloten om de liniën zijner vijanden door te trekken, terwijl hij zich bijna zeker hield van goed te zullen slagen, dank zij de vermomming in welke hij zich had gestoken, eene vermomming, die hij, wij moeten het zeggen, meesterlijk wist uit te voeren.
Zoodra hij dus de ruiters in de verte zag naderen, had hij de oude les te baat genomen, »die goede beenen heeft behoeft het gevaar niet af te wachten,” en het op een loopen gezet. Ongelukkig echter was hij te voet, en reeds tamelijk vermoeid van den verren tocht dien hij had gemaakt; bovendien zag hij op zulk een open en weinig boschrijk terrein, als het tegenwoordige, geen kans om zich te verbergen en vreesde veeleer argwaan te zullen wekken bij lieden, die, daar zij hem niet kenden, hem anders licht zonder nader onderzoek zouden nemen voor hetgeen zijne kleeren aanduidden. Daarbij rekende hij op den bijgeloovigen aard der Indianen en op de ruime mate van onbeschaamdheid die hij bezat om hen te bedriegen.
Al deze beschouwingen maakte Nathan met de snelheid van iemand die gewoon was te kiezen en te handelen. Zijn besluit stond in een paar minuten vast en zich aan den voet van een boom nedervlijende, stopte hij bedaard zijne calumet en wachtte al rookende de komst der reizigers af.
Overigens moeten wij zeggen dat Nathan een man was van vermetele waagzucht en ontembare stoutmoedigheid; geen stelling hoe netelig en onverwacht ook kon hem verschrikken, maar behaagde hem veelmeer, en zelfs de koortsachtige spanning waarin zij hem bracht had voor iemand van zijn karakter iets bekoorlijks.
Als een echt avonturier, was zijn vaste grondregel om van iedere omstandigheid partij te trekken, en zijn voordeel te doen zoo vaak de gelegenheid zich aanbood; dus stelde hij haar ook thans op woeker, en nauwelijks hielden de Indianen bij hem stil of hij richtte tot hen dadelijk het woord.
»Ik heet mijne zonen welkom in mijn kampement,” zeide hij met dien sterk geteekenden keelklank, die het roode menschenras eigen is en door de blanken zoo moeielijk wordt nagebootst; »de Wacondah heeft hen tot mij geleid, ik zal mij beijveren zijn wil te eerbiedigen door hen zoo goed te ontvangen als mij mogelijk is.”
»Dank u,” antwoordde de Spinnekop, hem met een uitvorschenden blik aankijkend, »wij nemen het aanbod van onzen broeder even gul aan als hij het ons doet; mijne jonge lieden zullen met hem kampeeren.”
Hierop gaf hij zijne bevelen, die terstond werden uitgevoerd. Even als den vorigen dag bouwde de Spinnekop met eigen hand voor de vrouwen eene calli, waarin deze zich onverwijld terugtrokken. De toovenaar had haar aangezien met een blik die haar een huivering door de leden joeg.
Na den avondmaaltijd stak de Spinnekop zijne Indiaansche pijp aan en nam naast den toovenaar plaats; hij verlangde met hem te praten en tot opheldering te komen, niet zoozeer omtrent kwade vermoedens, maar omtrent zekere twijfelingen, die er bij hem bestonden.
Onwillekeurig gevoelde de Indiaan voor den onbekende een onverwinnelijken afkeer, daar hij zich geen rekenschap van wist te geven.
Nathan van zijn kant, terwijl hij met al den ernst van een Roodhuid zat te rooken en zich in dikke wolken van tabaksdamp hulde, die hij gestadig uit neus en mond blies, volgde in stilte iedere beweging van den Indiaan, zonder zich den schijn te geven alsof hij op hem lette.
»Is mijn vader op reis?” vroeg de Spinnekop.
»Ja,” antwoordde de vermeende toovenaar kortaf.
»Sedert lang?”
»Sedert acht manen.”
»Ooah!” riep de Indiaan verbaasd, »waar komt mijn vader dan van daan?”
Nathan nam de pijp uit zijn mond, trok een geheimzinnig gezicht en sprak op ernstigen en terughoudenden toon:
»De Wacondah is almachtig, zij tot wie de Meester des levens spreekt, bewaren zijne woorden in hun binnenste.”
»Dat is waar,” antwoordde de Spinnekop met eene buiging, al begreep hij er niets van.
»Is mijn zoon geen krijgsman van de geduchte koningin derprairiën, is hij geen zoon van de dappere Comanchen?” hervatte de gewaande toovenaar.
»Ik ben inderdaad een krijgsman der Comanchen.”
»Is mijn zoon misschien uitgegaan om te jagen?”
»Neen, ik ben op dit oogenblik op het oorlogspad.”
»Ooah!denkt mijn zoon nu een grooten toovenaar te bedriegen, dat hij zulke woorden tegen mij durft spreken?”
»Mijne woorden zijn waar, mijn bloed vloeit helder als water inmijne aderen, geen leugen heeft mijne lippen bezoedeld, mijn hart blaast mijne borst niets dan waarheid in,” antwoordde de Spinnekop, blijkbaar gramstorig, daar hij zich door het verwijt van den toovenaar, gekrenkt gevoelde.
»Goed, ik wil dat wel gelooven,” zei deze, »maar sedert wanneer voeren de Comanchen hunne vrouwen mede op het oorlogspad?”
»De Comanchen zijn meester om te doen wat zij goed vinden; niemand heeft het recht hen tot verantwoording te roepen.”
Nathan begreep dat hij op een verkeerden weg was en dat, wanneer hij het gesprek op dit terrein wilde voortzetten, hij den man dien hij zoo veel reden had te ontzien, tegen zich zou krijgen. Hij veranderde dus van taktiek.
»Minder dan iemand,” zeide hij zachtzinnig, »matig ik mij het recht aan om van de daden der krijgslieden rekenschap te vorderen, ik ben een man van den vrede.”
De Spinnekop glimlachte minachtend.
»Inderdaad,” zeide hij op zekeren toon van gebelgdheid, »de groote geneesheeren daar mijn vader er een van is, zijn als de vrouwen, zij leven zeer lang; de Wacondah beschermt hen.”
De gewaande toovenaar wachtte zich wel den bitteren spot, die in dit gezegde lag opgesloten, nader te doen uitkomen en hield zich alsof hij dien niet opmerkte.
»Gaat mijn zoon naar zijn dorp terug?” vroeg hij.
»Neen,” hernam de andere, »integendeel, ik ga met mijne beroemdste krijgslieden naar het groote opperhoofd van mijn stam, die op eene onderneming uit is.”
»Tot welken stam behoort mijn zoon dan?”
»Tot dien van den Eenhoorn.”
Nathan ontroerde inwendig, ofschoon hij er niets van liet blijken.
»Ooah!” riep hij, »de Eenhoorn is een groot opperhoofd, zijn roem strekt zich uit over de gansche aarde. Waar is de krijgsman die zich met hem in de prairie zou durven meten?”
»Kent mijn vader hem?”
»Die eer heb ik niet, al heb ik er dikwijls naar verlangd; tot op dezen dag heb ik den vermaarden Sachem nog nooit kunnen ontmoeten.”
»Laat u dat niet langer verdrieten; als mijn vader het verlangt, zal ik hem met den Eenhoorn in kennis brengen.”
»Dat zou voor mij een geluk zijn, doch de zending die de Wacondah mij heeft toevertrouwd, vordert elders mijne tegenwoordigheid. Ik heb weinig tijd, en kan dus, hoe zeer ik het ook zou willen, mijn reisplan niet veranderen.”
»Goed! de Eenhoorn is anders nauwelijks drie uren rijdens van hier; morgen ochtend vroeg bereiken wij in tijds zijn kamp.”
»Maar hoe komt het dat mijn zoon, die zulk een wijs krijgsman schijnt te zijn, zich hier heeft opgehouden, daar hij toch zoo dicht bij zijn opperhoofd was?”
Alle vermoedens waren thans bij den Indiaan geweken, hij zette dus alle wantrouwen ter zijde en antwoordde ditmaal ronduit zonder de waarheid te willen verbergen:
»Mijn vader heeft gelijk, ik zou zonder twijfel zijn voortgereden tot het kamp van den Sachem en het reeds dezen avond voor het schreeuwen van den nachtuil hebben bereikt, maar ik heb twee vrouwen bij mij, die mijn tocht vertraagd en mij genoopt hebben om hier te blijven.”
»Mijn zoon is jong,” hernam Nathan met een schalkschen glimlach.
»Mijn vader vergist zich,” hernam de Spinnekop, »die vrouwen zijn mij toevertrouwd, ik bemin en eerbiedig haar: de eene is de vrouw van den Eenhoorn, die naar haar man gaat, de andere is een bleekgezicht, hare lokken zijn wit als de wolken, die daar boven ons hoofd drijven, gezweept door den avondwind, haar lichaam is gebogen onder den last des winters; zij is de moeder van den grooten jager der bleekgezichten, den aangenomen zoon der Comanchen, wiens naam zeker bij mijn vader bekend zal zijn.”
»Hoe heet die jager?”
»Koutonepi.”
Bij dezen naam, dien hij echter wel half kon verwachten, deed Nathan onwillekeurig zulk een sprong achteruit, dat de Spinnekop vreemd opkeek.
»Is Koutonepi mijns vaders vijand?” vroeg hij.
»Integendeel,” hernam Nathan gevat, »de lieden die de Wacondah beschermt, hebben geene vijanden, dat weet mijn zoon wel; het is de vreugde bij het hooren van zijn naam die mij deed opspringen.”
»Mijn vader moet dan duchtige redenen hebben om zich zoo verrast te toonen.”
»Die heb ik ook, inderdaad zeer sterke,” antwoordde de vermeende toovenaar met geveinsde opgewondenheid. »Koutonepi heeft eens mijne moeder het leven gered.”
Deze leugen sprak hij zoo triomfant uit en met zoo diepe en wel gespeelde overtuiging, dat de Indiaan haar terstond voor waarheid aannam en eerbiedig voor den toovenaar boog.
»Is dat het geval,” zeide hij, »nu, dan ben ik zeker dat mijn vader geen oogenblik aarzelen zal zijn reisplan een weinig te veranderen, om dien man te zien aan wien hij met zulke hechte banden van dankbaarheid verbonden is; want waarschijnlijk ontmoeten wij Koutonepi in het kamp van den Eenhoorn.”
Nathan meesmuilde. Gelijk het gewoonlijk met onoprechten gaat, die om kwade vermoedens te verdrijven vaak te veel willen bewijzen, voelde hij er in te zijn geloopen en begreep wel dat hij nu, om niet op nieuw verdacht te worden, de gevolgen van zijn eerste leugen moedig volhouden en tot iederen prijs met den Sachem mede moest.
De Amerikaan aarzelde niet, hij vertrouwde op zijn goed gesternteom uit den strik te komen dien hij zich zelven gespannen had. De Fortuin is vooral de godin der bandieten, op haar rekenen zij, en wij moeten tegen wil en dank bekennen dat zij hen niet zelden uit den brand helpt.
»Ik ga met mijn zoon naar het kamp van den Eenhoorn,” zeide hij.
Het gesprek werd nog een poos tusschen de twee mannen voortgezet.
Eindelijk, toen het geheel nacht was geworden, nam de Spinnekop afscheid en legde zich, zooals hij van het begin der reis gewoon was, neêr voor den ingang der calli waar de twee vrouwen rustten, en sliep zelf weldra in.
Bij het vuur alleen gebleven, wierp Nathan een bespiedenden blik in het rond.
De schildwachten stonden als bronzen standbeelden, onbewegelijk op hun post en leunend op hunne wapenen, te waken.
Aan vluchten viel niet te denken.
De Amerikaan slaakte een zucht van spijt, wikkelde zich in zijn bisonsmantel en vlijde zich op den grond neer, zacht mompelend:
»Bah! morgen zullen wij zien. Is het mij heden gelukt dezen te bedriegen, waarom zou ik minder gelukkig zijn met anderen?”
En hij sliep in.