XXVI.HOE NATHAN ZICH KWEET.Nauwelijks was Nathan zijnen kameraden uit het gezicht, of hij bleef staan.Hij was noch zoo onverschillig noch zoo gerust als hij zich wel had willen voordoen.Zoodra hij zich dus alleen bevond, ver van de blikken die hem zouden kunnen bespotten, liet hij zijn kwade luim den vrijen loop en verwenschte het lot, dat hem zulk eene zorgelijke en gevaarvolle taak had opgedragen.Nathan, wij meenen dit reeds elders gezegd te hebben, was een reus in gestalte, een soort van Hercules, begaafd met buitengewone kracht en wildemansdrift. Sedert zijne eerste kindsheid gewoon om in de woestijn te leven en bloedige tooneelen van jacht en oorlog bij te wonen, was hij de man niet om zich zoo licht te laten ontmoedigen of wanhopig te worden; even hardvochtig jegens zich zelven als omtrent anderen, nam hij gereedelijk de gevolgen van zijn toestand zooals zij waren voor zijne rekening, en besloot dus ook dezen keer, daar het toch niet anders wezen kon, het uiterste te wagen om zijn haar te behouden en te kampen tot den laatsten snik.Op dit oogenblik echter was het niet zoozeer zijne positie die hem ongerust maakte. Honderden malen bij zijne omzwervingen door de prairie, had hij zich in even groot gevaar bevonden, maar tot dusver, als hij zijn leven moest wagen, had hij dat altijd gedaan met een bepaald doel, hem volkomen bekend, in het vooruitzicht, hetzij ver of nabij, van een of ander voordeel; en voor ditmaal zou hij een wil gehoorzamen die de zijne niet was, daar hij het doel niet van begreep en die ten voordeele strekte van anderen.Hij verwenschte zijn vader, Fray Ambrosio en zich zelven, dat hij zich in zulk een wespennest had gestoken, daar hij geen kans zag om er goed uit te komen.Om de waarschuwing van zijn vader bekreunde hij zich weinig; zelfs diens laatste aanbeveling werd door hem niet in acht genomen. Nathan had volstrekt geen lust om zijn spoor te laten ontdekken, hij bedacht al wat mogelijk was om het voor den scherpzinnigsten en meestgeoefenden blik te verbergen en deed geen voetstap eer hij zich verzekerd had dat de vorige volkomen verdwenen was.Na rijpe overweging had hij zijne gedachten aldus samengetrokken:»Wat duivel, wat geef ik om hen? ieder voor zich! Als ik mijn haar verlies, zullen zij het mij niet teruggeven. Ik zal mij dus zoo goed mogelijk verdedigen; zij moeten zelf maar zien hoe zij het maken; wat mij betreft, ik zal mij uit den brand zoeken te redden zooveel ik kan.”Bij deze korte alleenspraak, met luider stem, zooals alle lieden die gewoon zijn alleen te leven, voegde Nathan de nauwelijks merkbare schouderbeweging die in alle talen beteekent: »Laat er van komen wat wil!” En na met zorg zijn geweer te hebben bekeken om te zien of alles in orde was trok hij weder op weg.De Europeanen, gewoon aan de beperkte gezichteinders der oude wereld, aan bestrate of gemacadamiseerde wegen vol lachende landhuizen en drukke passage, kunnen zich moeielijk zelfs in de verte een juist denkbeeld maken van den toestand des eenzamen reizigers in dien oceaan van groen, in de wildernissen van het Verre-Westen, waar men bij iederen voetstap door den loerenden blik van onzichtbare vijanden bespied of door verscheurende dieren vervolgd kan worden.Een man, hoe moedig hij ook wezen mag en hoe gewoon aan het avontuurlijke leven der woestijn, vreest onwillekeurig en gevoelt zijne zwakheid, wanneer hij den blik om zich heen slaat en zijne kleinheid ziet tegenover de onmetelijke wildernis die hem omringt.Als men in de prairie naar het noorden wil, moet men eerst zuidwaarts trekken, wel toeziende het gras niet te pletteren waar men op loopt, of de takken niet te breken die den doortocht versperren en vooral het zand en de keien niet te doen kraken onder zijne voeten.Ieder geluid in de woestijn wordt door de Roodhuiden onderscheiden en verklaard; de Indiaan behoeft slechts een paar sekonden te luisteren en zal u dadelijk zeggen of het dier, dat hij in de verte hoort springen, een paard, een beer, een bison, een eland of een antilope is.Een steen, die van de berghelling in de diepte rolt, is voldoende om hem een zwervenden landlooper aan te kondigen.Kleine plasjes water of hier en daar weggespatte droppels aan den oever van een veer, bewijzen hem dat er één of meer reizigers over de rivier zijn gegaan.Aan eene ongewone beweging in de golvende grashalmen der prairie, bemerkt hij den spion die hem bespiedt.In een woord, van den vertrapten grasspriet tot den loggen bison die onder het grazen eensklaps de ooren spitst, of de asshata die zonder blijkbare oorzaak opspringt, alles in de woestijn dient den Indiaan als een boek waarin hij leest of hem een vriend of vijand is voorafgegaan, en hij volgt hun spoor al waren zij hem honderd mijlen vooruit.In deze oorden, waar het stoffelijke leven bijna alles is, bereiken de zintuigen bij den mensch een verbazenden trap van volkomenheid, het gezicht en gehoor vooral zijn bij hem in hooge mate ontwikkeld, en hiermede paren zich eene vlugheid, ontembare moed en weergalooze kracht van zenuwen en spieren, die hem op het oorlogspad bijzonder geducht maakt en te stade komt.Behalve de bovengenoemde eigenschappen, zijn list en verraad de twee groote hulpmiddelen waarmede de Indiaan zijn vijand weet te verschalken, dien hij zelden in open kamp maar liefst bij verrassing zal aanvallen.De noodzakelijkheid is voor den wilden Roodhuid de hoogste wet; gelijk alle onbeschaafde of onzedelijk ontwikkelde naturen waardeert hij alleen physieke kracht en maakt weinig of geen werk van maatschappelijke deugden, die hij ook niet noodig heeft en die hem in zijn wilden levensstaat veeleer schade dan voordeel zouden aanbrengen.Nathan zelf was bijna een Roodhuid, slechts bij lange tusschenpoozen had hij zich nu en dan een enkelen dag in de steden der Unie opgehouden. Hij kende dus niets van het leven, dan hetgeen hij inde wildernis had geleerd; zulk eene opvoeding heeft soms hare waarde, wanneer zij gepaard gaat met aangeboren goedheid en rechtschapenheid en zuiver zedelijke begrippen, waardoor de mensch in staat is zijne zinnen te beheerschen en onder zijne gewaarwordingen het edele en goede boven het onedele en slechte te kiezen.Ongelukkig had Nathan geen anderen zedemeester gehad dan zijn vader en zich reeds vroeg gewend om de zaken uit hetzelfde oogpunt te bezien als de Squatter, zoodat het bijna niet erger kon; en bij het toenemen in jaren hadden de ontvangen lessen bij hem zoo rijkelijk vruchten gedragen, dat hij voor de type kon doorgaan van een beschaafd man die in den wilden natuurstaat was teruggezonken: de ergste soort van verbastering die zich denken laat. Nathan bezat geen liefde, geen geloof, geen eerbied; slechts één wezen op de wereld had op hem zekeren invloed, namelijk zijne zuster Ellen, en die was op dit oogenblik niet bij hem.De jongman wandelde vrij lang voort, zonder iets te bemerken dat bij hem eenig vermoeden van naderend gevaar kon verwekken.Intusschen deed deze gewaande veiligheid hem zijne voorzorgen niet veronachtzamen, integendeel; steeds voortgaande met geveld geweer, het lijf gebukt en het oor gespitst op het minste gerucht, terwijl zijn jakhalzenblik al de struiken en boschjes bespiedde, raakte hij meer en meer in gedachten verdiept, die hoe verder hij ging des te somberder werden.De reden hiervan was duidelijk: hij wist dat hij door onverzoenlijke vijanden omgeven, door talrijke en sluwe spionnen bespied werd, en toch, geen ritselend blad of krakende grashalm vertoonde zich in de prairie. Alles scheen in den normalen toestand; het was hem niet mogelijk om de minste verdachte beweging in het gras of in de struiken op te merken.De stilte was al te diep om natuurlijk te zijn. Nathan liet zich dus door deze gekunstelde rust niet in slaap wiegen.»Hm!” mompelde hij in zich zelven, »wij zullen hier spoedig aan den slag komen, daar is niet aan te twijfelen; de duivel hale die verwenschte Roodhuiden! zouden zij dan nooit teekenen van leven geven? Ik marcheer hier in den blinde zonder te weten waarheen, ik ben zeker dat ik ergens in een strik zal vallen dien dat vee mij gespannen heeft en daar ik mij onmogelijk uit zal kunnen ontwarren.”Nathan vervolgde zijn marsch tot omtrent tien ure des morgens.Op dit oogenblik, terwijl hij honger kreeg en zijne beenen moede werden, besloot hij om het kostte wat het wilde een poosje halt te houden, een stuk te eten en een weinig rust te nemen.Werktuigelijk keek hij rond om voor zijn bivak een gemakkelijke plek te zoeken.Plotseling maakte hij eenen schrikachtigen zijsprong en verborg zich haastig achter een grooten lorkenboom.Nauwelijks vijftig passen van de plaats, waar hij zich bevond,had hij een Indiaan in achtelooze houding op den grond zien liggen, bezig met op zijn gemak een weinigpemmican(gedroogd en tot poeder gestampt vleesch) te gebruiken.Nadat zijne eerste verrassing voorbij was, sloeg Nathan den Indiaan opmerkzaam gade.Het was een man van ongeveer dertig jaren; hij droeg niet de gewone kleeding der krijgslieden; maar de twee groote uilenveêren die boven zijn rechter oor in zijn dikken haarbos prijkten, deden hem als een Doorboorde-Neus-Indiaan kennen.Nathan beschouwde hem vrij lang, zonder te weten welke partij hij kiezen moest; eindelijk nam hij zijn geweer op schouder, kwam uit zijne hinderlaag en stapte naar den Indiaan.Deze had hem waarschijnlijk reeds gezien, ofschoon hij zich volstrekt niet om hem bekommerde, daar hij rustig voortging met eten.Den Roodhuid tot op tien passen genaderd zijnde, bleef Nathan staan.»Ik groet mijn broeder,” zeide hij met eene luide stem, terwijl hij zijn zarape uitspreidde, ten teeken van vrede; »de Wacondah geve hem eene goede jacht!”»Ik dank mijn bleeken broeder,” antwoordde de Doorboorde-Neus-Indiaan, opkijkende, »hij is welkom; ik heb nog twee handvollen pemmican, en er is plaats voor hem aan mijn haard.”Nathan trad naderbij, en hurkte zonder verdere plichtpleging neder bij zijn nieuwen vriend, die zoo broederlijk zijn voorraad met hem deelde, maar sprak verder geen woord.De Roodhuiden achten het, gelijk wij meermalen gezegd hebben, eene groote onbeleefdheid hunnen gasten iets te vragen of hen tot spreken uit te lokken, wanneer deze er zich niet toe geneigd toonen.Na gegeten te hebben stak de Doorboorde-Neus een Indiaansche pijp aan, welke handeling onmiddellijk door den Amerikaan gevolgd werd.Zoo bleven de beide mannen zitten rooken, stil als een paar blokken, zonder ander onderhoud, dan dat zij elkander telkens een dikke wolk blauwen tabaksdamp toebliezen. Toen de Doorboorde-Neus zijn calumet had uitgerookt, klopte hij de asch op zijn duim uit en stak de pijp in zijn gordel; vervolgens zette hij de ellebogen op zijne twee knieën, liet het hoofd op de beide handpalmen rusten en nu de oogen luikende, verzonk hij in dien staat van aardsche zaligheid, dien de Italianendolce far niente, de Turkenkiefnoemen, en daar de Franschen, hoe vlug anders om namen te verzinnen, nog geen evenwaardigen term voor hebben gevonden.Nathan vulde zijne pijp voor de tweede maal, stak haar aan en wendde zich tot zijn gezel.»Is mijn broeder een opperhoofd?” vroeg hij.De Indiaan hief het hoofd op.»Neen,” antwoordde hij met een trotschen glimlach, »ik ben een der meesters van de groote medicijn.”Nathan maakte eene eerbiedige buiging.»Dat begrijp ik,” zeide hij, »dus is mijn broeder een der wijze mannen die de Roodhuiden eenahcum(dokter) noemen.”»Ik ben bovendien eenbalam(toovenaar),” hernam de Doorboorde-Neus.»Ah zoo!” riep de Amerikaan; »ei! ei! is mijn broeder een der dienaars van den Nim-coe (groote schildpad)?”»Ja,” antwoordde hij, »wij geven bevelen aan deahbop(Kaziken) en aan deahlabal(krijgslieden), zij doen niets zonder ons.”»Dat weet ik; mijn vader heeft veel kennis, zijne machtreikt overde gansche aarde.”De Doorboorde-Neus glimlachte welgevallig over deze lofspraak, en liet hem een stokje met schitterende veeren en kralen versierd zien, dat hij in de rechterhand had.»Dezemulbacheis geduchter wapen dan de donder der bleekgezichten; het verschaft mij allerwege vrees en ontzag.”Een veelbeteekenende glimlach plooide zich andermaal om de lippen van Nathan.»Mijn broeder keert zeker naar zijn volk terug?” vroeg hij.»Neen,” riep de Indiaan hoofdschuddend, »men wacht mij in hettinamit(dorp) der Bisons-Apachen, die mijn raad en medicijn noodig hebben, om op hoop van goeden uitslag eene groote onderneming te wagen die zij in deze oogenblikken voornemens zijn uit te voeren. Mijn broeder houde mij dus ten goede dat ik hem verlaat, daar ik nog heden avond het doel van mijn tocht bereiken moet.”»Ik verlaat mijn rooden broeder niet,” antwoordde Nathan, »als hij er niets tegen heeft, zal ik zijne voetstappen drukken, mijne reis is in dezelfde richting als die mijns broeders.”»Ik neem mijns broeders voorstel met genoegen aan, wij zullen samen reizen. Vertrekken wij dan.”»Vertrekken wij,” riep de bandiet.De toovenaar stond op, en na zijne kleeding in orde te hebben gebracht, bukte hij om een klein pak op te rapen, dat waarschijnlijk zijn geringen reisvoorraad bevatte.Nathan maakte van dit oogenblik gebruik, met een bliksemsnelle greep trok hij zijn mes en stak het den Indiaan tot aan het hecht tusschen de schouders.De ongelukkige gaf een gesmoorden schreeuw, strekte de armen uit en viel morsdood neêr.De bandiet trok koelbloedig zijn mes uit de vreeselijke wond, wischte het af aan het gras en stak het weêr in zijn gordel.»Hm!” riep hij meesmuilend, »dat is ook een armzalige toovenaar, die er niet veel van wist! wij zullen eens zien of ik niet knapper ben dan hij.”Terwijl hij met den Roodhuid sprak, dien hij aanvankelijk volstrekt geen plan had om te dooden, maar alleen tot zijn beschermer hadwillen maken, was hij in eens op een ander denkbeeld gekomen.Dit idee, dat den lezer op het eerste gezicht vreemd zal schijnen, had den bandiet terstond toegelachen, wegens de vermetele stoutheid die het vereischte om dadelijk te worden uitgevoerd, en bovenal wegens de kans van goed te slagen die het aanbood.Het bestond eenvoudig daarin, dat hij de kleederen van den toovenaar wilde aantrekken om zich in zijne plaats aan de Roodhuiden te kunnen voorstellen.Sedert lang met al de gewoonten der Indianen volkomen bekend, twijfelde Nathan geen oogenblik of hij zou deze rol met de noodige juistheid kunnen spelen, om er zelfs den blik der scherpzinnigste Indianen door te misleiden.Na zich verzekerd te hebben dat zijn slachtoffer geene teekenen van leven meer gaf, begon Nathan hem zijne kleederen uit te trekken, die hij van lieverlede met de zijne verwisselde.Toen deze eerste verandering gedaan was, tastte hij in den reiszak van den toovenaar, haalde er een spiegeltje uit te voorschijn en een paar blazen, de eene gevuld met vermiljoen en de andere met eene zwarte verf, en nu begon hij de kleuren te mengen, gaf zijn gelaat eerst de juiste tint der Roodhuiden en teekende er toen met een stokje dezelfde groteske figuren op als op dat van den toovenaar; deze nabootsing gelukte volkomen; vervolgens beschilderde hij eenige andere deelen van zijn lichaam op gelijke wijs, bond het haar op de kruin van zijn hoofd samen en stak er de twee straks genoemde uilenveeren in.Meermalen, wanneer hij met zijn vader op de haarschedeljacht ging, had Nathan zich als een Indiaan vermomd; ook ditmaal was zijne gedaanteverwisseling binnen weinige oogenblikken voltooid.»Het zou niet goed zijn als men dit kreng hier vond,” zeide hij.Hiermede nam hij het lijk op zijn rug, droeg het een eind verder en liet het in een ontoegankelijken afgrond rollen.»Zie zoo! dat is al weder gedaan,” zeide hij lachend, »als de Apachen nu nog niet voldaan zijn over den heksenmeester die hen bezoekt, zijn zij wel zeer ongemakkelijk.”Daar hij ongaarne zijne eigene kleederen wilde missen, borg hij die in den reiszak van den Indiaan, hing het pak over den loop van zijn snaphaan, naast het stokje van den armen toovenaar en ging vroolijk op marsch, lustig denmulbachezwaaiende, terwijl hij half overluid met een koddig gezicht mompelde:»Wij zullen zien of deze mulbache inderdaad de toovermacht bezit die de domkop er aan toeschreef.”
XXVI.HOE NATHAN ZICH KWEET.Nauwelijks was Nathan zijnen kameraden uit het gezicht, of hij bleef staan.Hij was noch zoo onverschillig noch zoo gerust als hij zich wel had willen voordoen.Zoodra hij zich dus alleen bevond, ver van de blikken die hem zouden kunnen bespotten, liet hij zijn kwade luim den vrijen loop en verwenschte het lot, dat hem zulk eene zorgelijke en gevaarvolle taak had opgedragen.Nathan, wij meenen dit reeds elders gezegd te hebben, was een reus in gestalte, een soort van Hercules, begaafd met buitengewone kracht en wildemansdrift. Sedert zijne eerste kindsheid gewoon om in de woestijn te leven en bloedige tooneelen van jacht en oorlog bij te wonen, was hij de man niet om zich zoo licht te laten ontmoedigen of wanhopig te worden; even hardvochtig jegens zich zelven als omtrent anderen, nam hij gereedelijk de gevolgen van zijn toestand zooals zij waren voor zijne rekening, en besloot dus ook dezen keer, daar het toch niet anders wezen kon, het uiterste te wagen om zijn haar te behouden en te kampen tot den laatsten snik.Op dit oogenblik echter was het niet zoozeer zijne positie die hem ongerust maakte. Honderden malen bij zijne omzwervingen door de prairie, had hij zich in even groot gevaar bevonden, maar tot dusver, als hij zijn leven moest wagen, had hij dat altijd gedaan met een bepaald doel, hem volkomen bekend, in het vooruitzicht, hetzij ver of nabij, van een of ander voordeel; en voor ditmaal zou hij een wil gehoorzamen die de zijne niet was, daar hij het doel niet van begreep en die ten voordeele strekte van anderen.Hij verwenschte zijn vader, Fray Ambrosio en zich zelven, dat hij zich in zulk een wespennest had gestoken, daar hij geen kans zag om er goed uit te komen.Om de waarschuwing van zijn vader bekreunde hij zich weinig; zelfs diens laatste aanbeveling werd door hem niet in acht genomen. Nathan had volstrekt geen lust om zijn spoor te laten ontdekken, hij bedacht al wat mogelijk was om het voor den scherpzinnigsten en meestgeoefenden blik te verbergen en deed geen voetstap eer hij zich verzekerd had dat de vorige volkomen verdwenen was.Na rijpe overweging had hij zijne gedachten aldus samengetrokken:»Wat duivel, wat geef ik om hen? ieder voor zich! Als ik mijn haar verlies, zullen zij het mij niet teruggeven. Ik zal mij dus zoo goed mogelijk verdedigen; zij moeten zelf maar zien hoe zij het maken; wat mij betreft, ik zal mij uit den brand zoeken te redden zooveel ik kan.”Bij deze korte alleenspraak, met luider stem, zooals alle lieden die gewoon zijn alleen te leven, voegde Nathan de nauwelijks merkbare schouderbeweging die in alle talen beteekent: »Laat er van komen wat wil!” En na met zorg zijn geweer te hebben bekeken om te zien of alles in orde was trok hij weder op weg.De Europeanen, gewoon aan de beperkte gezichteinders der oude wereld, aan bestrate of gemacadamiseerde wegen vol lachende landhuizen en drukke passage, kunnen zich moeielijk zelfs in de verte een juist denkbeeld maken van den toestand des eenzamen reizigers in dien oceaan van groen, in de wildernissen van het Verre-Westen, waar men bij iederen voetstap door den loerenden blik van onzichtbare vijanden bespied of door verscheurende dieren vervolgd kan worden.Een man, hoe moedig hij ook wezen mag en hoe gewoon aan het avontuurlijke leven der woestijn, vreest onwillekeurig en gevoelt zijne zwakheid, wanneer hij den blik om zich heen slaat en zijne kleinheid ziet tegenover de onmetelijke wildernis die hem omringt.Als men in de prairie naar het noorden wil, moet men eerst zuidwaarts trekken, wel toeziende het gras niet te pletteren waar men op loopt, of de takken niet te breken die den doortocht versperren en vooral het zand en de keien niet te doen kraken onder zijne voeten.Ieder geluid in de woestijn wordt door de Roodhuiden onderscheiden en verklaard; de Indiaan behoeft slechts een paar sekonden te luisteren en zal u dadelijk zeggen of het dier, dat hij in de verte hoort springen, een paard, een beer, een bison, een eland of een antilope is.Een steen, die van de berghelling in de diepte rolt, is voldoende om hem een zwervenden landlooper aan te kondigen.Kleine plasjes water of hier en daar weggespatte droppels aan den oever van een veer, bewijzen hem dat er één of meer reizigers over de rivier zijn gegaan.Aan eene ongewone beweging in de golvende grashalmen der prairie, bemerkt hij den spion die hem bespiedt.In een woord, van den vertrapten grasspriet tot den loggen bison die onder het grazen eensklaps de ooren spitst, of de asshata die zonder blijkbare oorzaak opspringt, alles in de woestijn dient den Indiaan als een boek waarin hij leest of hem een vriend of vijand is voorafgegaan, en hij volgt hun spoor al waren zij hem honderd mijlen vooruit.In deze oorden, waar het stoffelijke leven bijna alles is, bereiken de zintuigen bij den mensch een verbazenden trap van volkomenheid, het gezicht en gehoor vooral zijn bij hem in hooge mate ontwikkeld, en hiermede paren zich eene vlugheid, ontembare moed en weergalooze kracht van zenuwen en spieren, die hem op het oorlogspad bijzonder geducht maakt en te stade komt.Behalve de bovengenoemde eigenschappen, zijn list en verraad de twee groote hulpmiddelen waarmede de Indiaan zijn vijand weet te verschalken, dien hij zelden in open kamp maar liefst bij verrassing zal aanvallen.De noodzakelijkheid is voor den wilden Roodhuid de hoogste wet; gelijk alle onbeschaafde of onzedelijk ontwikkelde naturen waardeert hij alleen physieke kracht en maakt weinig of geen werk van maatschappelijke deugden, die hij ook niet noodig heeft en die hem in zijn wilden levensstaat veeleer schade dan voordeel zouden aanbrengen.Nathan zelf was bijna een Roodhuid, slechts bij lange tusschenpoozen had hij zich nu en dan een enkelen dag in de steden der Unie opgehouden. Hij kende dus niets van het leven, dan hetgeen hij inde wildernis had geleerd; zulk eene opvoeding heeft soms hare waarde, wanneer zij gepaard gaat met aangeboren goedheid en rechtschapenheid en zuiver zedelijke begrippen, waardoor de mensch in staat is zijne zinnen te beheerschen en onder zijne gewaarwordingen het edele en goede boven het onedele en slechte te kiezen.Ongelukkig had Nathan geen anderen zedemeester gehad dan zijn vader en zich reeds vroeg gewend om de zaken uit hetzelfde oogpunt te bezien als de Squatter, zoodat het bijna niet erger kon; en bij het toenemen in jaren hadden de ontvangen lessen bij hem zoo rijkelijk vruchten gedragen, dat hij voor de type kon doorgaan van een beschaafd man die in den wilden natuurstaat was teruggezonken: de ergste soort van verbastering die zich denken laat. Nathan bezat geen liefde, geen geloof, geen eerbied; slechts één wezen op de wereld had op hem zekeren invloed, namelijk zijne zuster Ellen, en die was op dit oogenblik niet bij hem.De jongman wandelde vrij lang voort, zonder iets te bemerken dat bij hem eenig vermoeden van naderend gevaar kon verwekken.Intusschen deed deze gewaande veiligheid hem zijne voorzorgen niet veronachtzamen, integendeel; steeds voortgaande met geveld geweer, het lijf gebukt en het oor gespitst op het minste gerucht, terwijl zijn jakhalzenblik al de struiken en boschjes bespiedde, raakte hij meer en meer in gedachten verdiept, die hoe verder hij ging des te somberder werden.De reden hiervan was duidelijk: hij wist dat hij door onverzoenlijke vijanden omgeven, door talrijke en sluwe spionnen bespied werd, en toch, geen ritselend blad of krakende grashalm vertoonde zich in de prairie. Alles scheen in den normalen toestand; het was hem niet mogelijk om de minste verdachte beweging in het gras of in de struiken op te merken.De stilte was al te diep om natuurlijk te zijn. Nathan liet zich dus door deze gekunstelde rust niet in slaap wiegen.»Hm!” mompelde hij in zich zelven, »wij zullen hier spoedig aan den slag komen, daar is niet aan te twijfelen; de duivel hale die verwenschte Roodhuiden! zouden zij dan nooit teekenen van leven geven? Ik marcheer hier in den blinde zonder te weten waarheen, ik ben zeker dat ik ergens in een strik zal vallen dien dat vee mij gespannen heeft en daar ik mij onmogelijk uit zal kunnen ontwarren.”Nathan vervolgde zijn marsch tot omtrent tien ure des morgens.Op dit oogenblik, terwijl hij honger kreeg en zijne beenen moede werden, besloot hij om het kostte wat het wilde een poosje halt te houden, een stuk te eten en een weinig rust te nemen.Werktuigelijk keek hij rond om voor zijn bivak een gemakkelijke plek te zoeken.Plotseling maakte hij eenen schrikachtigen zijsprong en verborg zich haastig achter een grooten lorkenboom.Nauwelijks vijftig passen van de plaats, waar hij zich bevond,had hij een Indiaan in achtelooze houding op den grond zien liggen, bezig met op zijn gemak een weinigpemmican(gedroogd en tot poeder gestampt vleesch) te gebruiken.Nadat zijne eerste verrassing voorbij was, sloeg Nathan den Indiaan opmerkzaam gade.Het was een man van ongeveer dertig jaren; hij droeg niet de gewone kleeding der krijgslieden; maar de twee groote uilenveêren die boven zijn rechter oor in zijn dikken haarbos prijkten, deden hem als een Doorboorde-Neus-Indiaan kennen.Nathan beschouwde hem vrij lang, zonder te weten welke partij hij kiezen moest; eindelijk nam hij zijn geweer op schouder, kwam uit zijne hinderlaag en stapte naar den Indiaan.Deze had hem waarschijnlijk reeds gezien, ofschoon hij zich volstrekt niet om hem bekommerde, daar hij rustig voortging met eten.Den Roodhuid tot op tien passen genaderd zijnde, bleef Nathan staan.»Ik groet mijn broeder,” zeide hij met eene luide stem, terwijl hij zijn zarape uitspreidde, ten teeken van vrede; »de Wacondah geve hem eene goede jacht!”»Ik dank mijn bleeken broeder,” antwoordde de Doorboorde-Neus-Indiaan, opkijkende, »hij is welkom; ik heb nog twee handvollen pemmican, en er is plaats voor hem aan mijn haard.”Nathan trad naderbij, en hurkte zonder verdere plichtpleging neder bij zijn nieuwen vriend, die zoo broederlijk zijn voorraad met hem deelde, maar sprak verder geen woord.De Roodhuiden achten het, gelijk wij meermalen gezegd hebben, eene groote onbeleefdheid hunnen gasten iets te vragen of hen tot spreken uit te lokken, wanneer deze er zich niet toe geneigd toonen.Na gegeten te hebben stak de Doorboorde-Neus een Indiaansche pijp aan, welke handeling onmiddellijk door den Amerikaan gevolgd werd.Zoo bleven de beide mannen zitten rooken, stil als een paar blokken, zonder ander onderhoud, dan dat zij elkander telkens een dikke wolk blauwen tabaksdamp toebliezen. Toen de Doorboorde-Neus zijn calumet had uitgerookt, klopte hij de asch op zijn duim uit en stak de pijp in zijn gordel; vervolgens zette hij de ellebogen op zijne twee knieën, liet het hoofd op de beide handpalmen rusten en nu de oogen luikende, verzonk hij in dien staat van aardsche zaligheid, dien de Italianendolce far niente, de Turkenkiefnoemen, en daar de Franschen, hoe vlug anders om namen te verzinnen, nog geen evenwaardigen term voor hebben gevonden.Nathan vulde zijne pijp voor de tweede maal, stak haar aan en wendde zich tot zijn gezel.»Is mijn broeder een opperhoofd?” vroeg hij.De Indiaan hief het hoofd op.»Neen,” antwoordde hij met een trotschen glimlach, »ik ben een der meesters van de groote medicijn.”Nathan maakte eene eerbiedige buiging.»Dat begrijp ik,” zeide hij, »dus is mijn broeder een der wijze mannen die de Roodhuiden eenahcum(dokter) noemen.”»Ik ben bovendien eenbalam(toovenaar),” hernam de Doorboorde-Neus.»Ah zoo!” riep de Amerikaan; »ei! ei! is mijn broeder een der dienaars van den Nim-coe (groote schildpad)?”»Ja,” antwoordde hij, »wij geven bevelen aan deahbop(Kaziken) en aan deahlabal(krijgslieden), zij doen niets zonder ons.”»Dat weet ik; mijn vader heeft veel kennis, zijne machtreikt overde gansche aarde.”De Doorboorde-Neus glimlachte welgevallig over deze lofspraak, en liet hem een stokje met schitterende veeren en kralen versierd zien, dat hij in de rechterhand had.»Dezemulbacheis geduchter wapen dan de donder der bleekgezichten; het verschaft mij allerwege vrees en ontzag.”Een veelbeteekenende glimlach plooide zich andermaal om de lippen van Nathan.»Mijn broeder keert zeker naar zijn volk terug?” vroeg hij.»Neen,” riep de Indiaan hoofdschuddend, »men wacht mij in hettinamit(dorp) der Bisons-Apachen, die mijn raad en medicijn noodig hebben, om op hoop van goeden uitslag eene groote onderneming te wagen die zij in deze oogenblikken voornemens zijn uit te voeren. Mijn broeder houde mij dus ten goede dat ik hem verlaat, daar ik nog heden avond het doel van mijn tocht bereiken moet.”»Ik verlaat mijn rooden broeder niet,” antwoordde Nathan, »als hij er niets tegen heeft, zal ik zijne voetstappen drukken, mijne reis is in dezelfde richting als die mijns broeders.”»Ik neem mijns broeders voorstel met genoegen aan, wij zullen samen reizen. Vertrekken wij dan.”»Vertrekken wij,” riep de bandiet.De toovenaar stond op, en na zijne kleeding in orde te hebben gebracht, bukte hij om een klein pak op te rapen, dat waarschijnlijk zijn geringen reisvoorraad bevatte.Nathan maakte van dit oogenblik gebruik, met een bliksemsnelle greep trok hij zijn mes en stak het den Indiaan tot aan het hecht tusschen de schouders.De ongelukkige gaf een gesmoorden schreeuw, strekte de armen uit en viel morsdood neêr.De bandiet trok koelbloedig zijn mes uit de vreeselijke wond, wischte het af aan het gras en stak het weêr in zijn gordel.»Hm!” riep hij meesmuilend, »dat is ook een armzalige toovenaar, die er niet veel van wist! wij zullen eens zien of ik niet knapper ben dan hij.”Terwijl hij met den Roodhuid sprak, dien hij aanvankelijk volstrekt geen plan had om te dooden, maar alleen tot zijn beschermer hadwillen maken, was hij in eens op een ander denkbeeld gekomen.Dit idee, dat den lezer op het eerste gezicht vreemd zal schijnen, had den bandiet terstond toegelachen, wegens de vermetele stoutheid die het vereischte om dadelijk te worden uitgevoerd, en bovenal wegens de kans van goed te slagen die het aanbood.Het bestond eenvoudig daarin, dat hij de kleederen van den toovenaar wilde aantrekken om zich in zijne plaats aan de Roodhuiden te kunnen voorstellen.Sedert lang met al de gewoonten der Indianen volkomen bekend, twijfelde Nathan geen oogenblik of hij zou deze rol met de noodige juistheid kunnen spelen, om er zelfs den blik der scherpzinnigste Indianen door te misleiden.Na zich verzekerd te hebben dat zijn slachtoffer geene teekenen van leven meer gaf, begon Nathan hem zijne kleederen uit te trekken, die hij van lieverlede met de zijne verwisselde.Toen deze eerste verandering gedaan was, tastte hij in den reiszak van den toovenaar, haalde er een spiegeltje uit te voorschijn en een paar blazen, de eene gevuld met vermiljoen en de andere met eene zwarte verf, en nu begon hij de kleuren te mengen, gaf zijn gelaat eerst de juiste tint der Roodhuiden en teekende er toen met een stokje dezelfde groteske figuren op als op dat van den toovenaar; deze nabootsing gelukte volkomen; vervolgens beschilderde hij eenige andere deelen van zijn lichaam op gelijke wijs, bond het haar op de kruin van zijn hoofd samen en stak er de twee straks genoemde uilenveeren in.Meermalen, wanneer hij met zijn vader op de haarschedeljacht ging, had Nathan zich als een Indiaan vermomd; ook ditmaal was zijne gedaanteverwisseling binnen weinige oogenblikken voltooid.»Het zou niet goed zijn als men dit kreng hier vond,” zeide hij.Hiermede nam hij het lijk op zijn rug, droeg het een eind verder en liet het in een ontoegankelijken afgrond rollen.»Zie zoo! dat is al weder gedaan,” zeide hij lachend, »als de Apachen nu nog niet voldaan zijn over den heksenmeester die hen bezoekt, zijn zij wel zeer ongemakkelijk.”Daar hij ongaarne zijne eigene kleederen wilde missen, borg hij die in den reiszak van den Indiaan, hing het pak over den loop van zijn snaphaan, naast het stokje van den armen toovenaar en ging vroolijk op marsch, lustig denmulbachezwaaiende, terwijl hij half overluid met een koddig gezicht mompelde:»Wij zullen zien of deze mulbache inderdaad de toovermacht bezit die de domkop er aan toeschreef.”
XXVI.HOE NATHAN ZICH KWEET.
Nauwelijks was Nathan zijnen kameraden uit het gezicht, of hij bleef staan.Hij was noch zoo onverschillig noch zoo gerust als hij zich wel had willen voordoen.Zoodra hij zich dus alleen bevond, ver van de blikken die hem zouden kunnen bespotten, liet hij zijn kwade luim den vrijen loop en verwenschte het lot, dat hem zulk eene zorgelijke en gevaarvolle taak had opgedragen.Nathan, wij meenen dit reeds elders gezegd te hebben, was een reus in gestalte, een soort van Hercules, begaafd met buitengewone kracht en wildemansdrift. Sedert zijne eerste kindsheid gewoon om in de woestijn te leven en bloedige tooneelen van jacht en oorlog bij te wonen, was hij de man niet om zich zoo licht te laten ontmoedigen of wanhopig te worden; even hardvochtig jegens zich zelven als omtrent anderen, nam hij gereedelijk de gevolgen van zijn toestand zooals zij waren voor zijne rekening, en besloot dus ook dezen keer, daar het toch niet anders wezen kon, het uiterste te wagen om zijn haar te behouden en te kampen tot den laatsten snik.Op dit oogenblik echter was het niet zoozeer zijne positie die hem ongerust maakte. Honderden malen bij zijne omzwervingen door de prairie, had hij zich in even groot gevaar bevonden, maar tot dusver, als hij zijn leven moest wagen, had hij dat altijd gedaan met een bepaald doel, hem volkomen bekend, in het vooruitzicht, hetzij ver of nabij, van een of ander voordeel; en voor ditmaal zou hij een wil gehoorzamen die de zijne niet was, daar hij het doel niet van begreep en die ten voordeele strekte van anderen.Hij verwenschte zijn vader, Fray Ambrosio en zich zelven, dat hij zich in zulk een wespennest had gestoken, daar hij geen kans zag om er goed uit te komen.Om de waarschuwing van zijn vader bekreunde hij zich weinig; zelfs diens laatste aanbeveling werd door hem niet in acht genomen. Nathan had volstrekt geen lust om zijn spoor te laten ontdekken, hij bedacht al wat mogelijk was om het voor den scherpzinnigsten en meestgeoefenden blik te verbergen en deed geen voetstap eer hij zich verzekerd had dat de vorige volkomen verdwenen was.Na rijpe overweging had hij zijne gedachten aldus samengetrokken:»Wat duivel, wat geef ik om hen? ieder voor zich! Als ik mijn haar verlies, zullen zij het mij niet teruggeven. Ik zal mij dus zoo goed mogelijk verdedigen; zij moeten zelf maar zien hoe zij het maken; wat mij betreft, ik zal mij uit den brand zoeken te redden zooveel ik kan.”Bij deze korte alleenspraak, met luider stem, zooals alle lieden die gewoon zijn alleen te leven, voegde Nathan de nauwelijks merkbare schouderbeweging die in alle talen beteekent: »Laat er van komen wat wil!” En na met zorg zijn geweer te hebben bekeken om te zien of alles in orde was trok hij weder op weg.De Europeanen, gewoon aan de beperkte gezichteinders der oude wereld, aan bestrate of gemacadamiseerde wegen vol lachende landhuizen en drukke passage, kunnen zich moeielijk zelfs in de verte een juist denkbeeld maken van den toestand des eenzamen reizigers in dien oceaan van groen, in de wildernissen van het Verre-Westen, waar men bij iederen voetstap door den loerenden blik van onzichtbare vijanden bespied of door verscheurende dieren vervolgd kan worden.Een man, hoe moedig hij ook wezen mag en hoe gewoon aan het avontuurlijke leven der woestijn, vreest onwillekeurig en gevoelt zijne zwakheid, wanneer hij den blik om zich heen slaat en zijne kleinheid ziet tegenover de onmetelijke wildernis die hem omringt.Als men in de prairie naar het noorden wil, moet men eerst zuidwaarts trekken, wel toeziende het gras niet te pletteren waar men op loopt, of de takken niet te breken die den doortocht versperren en vooral het zand en de keien niet te doen kraken onder zijne voeten.Ieder geluid in de woestijn wordt door de Roodhuiden onderscheiden en verklaard; de Indiaan behoeft slechts een paar sekonden te luisteren en zal u dadelijk zeggen of het dier, dat hij in de verte hoort springen, een paard, een beer, een bison, een eland of een antilope is.Een steen, die van de berghelling in de diepte rolt, is voldoende om hem een zwervenden landlooper aan te kondigen.Kleine plasjes water of hier en daar weggespatte droppels aan den oever van een veer, bewijzen hem dat er één of meer reizigers over de rivier zijn gegaan.Aan eene ongewone beweging in de golvende grashalmen der prairie, bemerkt hij den spion die hem bespiedt.In een woord, van den vertrapten grasspriet tot den loggen bison die onder het grazen eensklaps de ooren spitst, of de asshata die zonder blijkbare oorzaak opspringt, alles in de woestijn dient den Indiaan als een boek waarin hij leest of hem een vriend of vijand is voorafgegaan, en hij volgt hun spoor al waren zij hem honderd mijlen vooruit.In deze oorden, waar het stoffelijke leven bijna alles is, bereiken de zintuigen bij den mensch een verbazenden trap van volkomenheid, het gezicht en gehoor vooral zijn bij hem in hooge mate ontwikkeld, en hiermede paren zich eene vlugheid, ontembare moed en weergalooze kracht van zenuwen en spieren, die hem op het oorlogspad bijzonder geducht maakt en te stade komt.Behalve de bovengenoemde eigenschappen, zijn list en verraad de twee groote hulpmiddelen waarmede de Indiaan zijn vijand weet te verschalken, dien hij zelden in open kamp maar liefst bij verrassing zal aanvallen.De noodzakelijkheid is voor den wilden Roodhuid de hoogste wet; gelijk alle onbeschaafde of onzedelijk ontwikkelde naturen waardeert hij alleen physieke kracht en maakt weinig of geen werk van maatschappelijke deugden, die hij ook niet noodig heeft en die hem in zijn wilden levensstaat veeleer schade dan voordeel zouden aanbrengen.Nathan zelf was bijna een Roodhuid, slechts bij lange tusschenpoozen had hij zich nu en dan een enkelen dag in de steden der Unie opgehouden. Hij kende dus niets van het leven, dan hetgeen hij inde wildernis had geleerd; zulk eene opvoeding heeft soms hare waarde, wanneer zij gepaard gaat met aangeboren goedheid en rechtschapenheid en zuiver zedelijke begrippen, waardoor de mensch in staat is zijne zinnen te beheerschen en onder zijne gewaarwordingen het edele en goede boven het onedele en slechte te kiezen.Ongelukkig had Nathan geen anderen zedemeester gehad dan zijn vader en zich reeds vroeg gewend om de zaken uit hetzelfde oogpunt te bezien als de Squatter, zoodat het bijna niet erger kon; en bij het toenemen in jaren hadden de ontvangen lessen bij hem zoo rijkelijk vruchten gedragen, dat hij voor de type kon doorgaan van een beschaafd man die in den wilden natuurstaat was teruggezonken: de ergste soort van verbastering die zich denken laat. Nathan bezat geen liefde, geen geloof, geen eerbied; slechts één wezen op de wereld had op hem zekeren invloed, namelijk zijne zuster Ellen, en die was op dit oogenblik niet bij hem.De jongman wandelde vrij lang voort, zonder iets te bemerken dat bij hem eenig vermoeden van naderend gevaar kon verwekken.Intusschen deed deze gewaande veiligheid hem zijne voorzorgen niet veronachtzamen, integendeel; steeds voortgaande met geveld geweer, het lijf gebukt en het oor gespitst op het minste gerucht, terwijl zijn jakhalzenblik al de struiken en boschjes bespiedde, raakte hij meer en meer in gedachten verdiept, die hoe verder hij ging des te somberder werden.De reden hiervan was duidelijk: hij wist dat hij door onverzoenlijke vijanden omgeven, door talrijke en sluwe spionnen bespied werd, en toch, geen ritselend blad of krakende grashalm vertoonde zich in de prairie. Alles scheen in den normalen toestand; het was hem niet mogelijk om de minste verdachte beweging in het gras of in de struiken op te merken.De stilte was al te diep om natuurlijk te zijn. Nathan liet zich dus door deze gekunstelde rust niet in slaap wiegen.»Hm!” mompelde hij in zich zelven, »wij zullen hier spoedig aan den slag komen, daar is niet aan te twijfelen; de duivel hale die verwenschte Roodhuiden! zouden zij dan nooit teekenen van leven geven? Ik marcheer hier in den blinde zonder te weten waarheen, ik ben zeker dat ik ergens in een strik zal vallen dien dat vee mij gespannen heeft en daar ik mij onmogelijk uit zal kunnen ontwarren.”Nathan vervolgde zijn marsch tot omtrent tien ure des morgens.Op dit oogenblik, terwijl hij honger kreeg en zijne beenen moede werden, besloot hij om het kostte wat het wilde een poosje halt te houden, een stuk te eten en een weinig rust te nemen.Werktuigelijk keek hij rond om voor zijn bivak een gemakkelijke plek te zoeken.Plotseling maakte hij eenen schrikachtigen zijsprong en verborg zich haastig achter een grooten lorkenboom.Nauwelijks vijftig passen van de plaats, waar hij zich bevond,had hij een Indiaan in achtelooze houding op den grond zien liggen, bezig met op zijn gemak een weinigpemmican(gedroogd en tot poeder gestampt vleesch) te gebruiken.Nadat zijne eerste verrassing voorbij was, sloeg Nathan den Indiaan opmerkzaam gade.Het was een man van ongeveer dertig jaren; hij droeg niet de gewone kleeding der krijgslieden; maar de twee groote uilenveêren die boven zijn rechter oor in zijn dikken haarbos prijkten, deden hem als een Doorboorde-Neus-Indiaan kennen.Nathan beschouwde hem vrij lang, zonder te weten welke partij hij kiezen moest; eindelijk nam hij zijn geweer op schouder, kwam uit zijne hinderlaag en stapte naar den Indiaan.Deze had hem waarschijnlijk reeds gezien, ofschoon hij zich volstrekt niet om hem bekommerde, daar hij rustig voortging met eten.Den Roodhuid tot op tien passen genaderd zijnde, bleef Nathan staan.»Ik groet mijn broeder,” zeide hij met eene luide stem, terwijl hij zijn zarape uitspreidde, ten teeken van vrede; »de Wacondah geve hem eene goede jacht!”»Ik dank mijn bleeken broeder,” antwoordde de Doorboorde-Neus-Indiaan, opkijkende, »hij is welkom; ik heb nog twee handvollen pemmican, en er is plaats voor hem aan mijn haard.”Nathan trad naderbij, en hurkte zonder verdere plichtpleging neder bij zijn nieuwen vriend, die zoo broederlijk zijn voorraad met hem deelde, maar sprak verder geen woord.De Roodhuiden achten het, gelijk wij meermalen gezegd hebben, eene groote onbeleefdheid hunnen gasten iets te vragen of hen tot spreken uit te lokken, wanneer deze er zich niet toe geneigd toonen.Na gegeten te hebben stak de Doorboorde-Neus een Indiaansche pijp aan, welke handeling onmiddellijk door den Amerikaan gevolgd werd.Zoo bleven de beide mannen zitten rooken, stil als een paar blokken, zonder ander onderhoud, dan dat zij elkander telkens een dikke wolk blauwen tabaksdamp toebliezen. Toen de Doorboorde-Neus zijn calumet had uitgerookt, klopte hij de asch op zijn duim uit en stak de pijp in zijn gordel; vervolgens zette hij de ellebogen op zijne twee knieën, liet het hoofd op de beide handpalmen rusten en nu de oogen luikende, verzonk hij in dien staat van aardsche zaligheid, dien de Italianendolce far niente, de Turkenkiefnoemen, en daar de Franschen, hoe vlug anders om namen te verzinnen, nog geen evenwaardigen term voor hebben gevonden.Nathan vulde zijne pijp voor de tweede maal, stak haar aan en wendde zich tot zijn gezel.»Is mijn broeder een opperhoofd?” vroeg hij.De Indiaan hief het hoofd op.»Neen,” antwoordde hij met een trotschen glimlach, »ik ben een der meesters van de groote medicijn.”Nathan maakte eene eerbiedige buiging.»Dat begrijp ik,” zeide hij, »dus is mijn broeder een der wijze mannen die de Roodhuiden eenahcum(dokter) noemen.”»Ik ben bovendien eenbalam(toovenaar),” hernam de Doorboorde-Neus.»Ah zoo!” riep de Amerikaan; »ei! ei! is mijn broeder een der dienaars van den Nim-coe (groote schildpad)?”»Ja,” antwoordde hij, »wij geven bevelen aan deahbop(Kaziken) en aan deahlabal(krijgslieden), zij doen niets zonder ons.”»Dat weet ik; mijn vader heeft veel kennis, zijne machtreikt overde gansche aarde.”De Doorboorde-Neus glimlachte welgevallig over deze lofspraak, en liet hem een stokje met schitterende veeren en kralen versierd zien, dat hij in de rechterhand had.»Dezemulbacheis geduchter wapen dan de donder der bleekgezichten; het verschaft mij allerwege vrees en ontzag.”Een veelbeteekenende glimlach plooide zich andermaal om de lippen van Nathan.»Mijn broeder keert zeker naar zijn volk terug?” vroeg hij.»Neen,” riep de Indiaan hoofdschuddend, »men wacht mij in hettinamit(dorp) der Bisons-Apachen, die mijn raad en medicijn noodig hebben, om op hoop van goeden uitslag eene groote onderneming te wagen die zij in deze oogenblikken voornemens zijn uit te voeren. Mijn broeder houde mij dus ten goede dat ik hem verlaat, daar ik nog heden avond het doel van mijn tocht bereiken moet.”»Ik verlaat mijn rooden broeder niet,” antwoordde Nathan, »als hij er niets tegen heeft, zal ik zijne voetstappen drukken, mijne reis is in dezelfde richting als die mijns broeders.”»Ik neem mijns broeders voorstel met genoegen aan, wij zullen samen reizen. Vertrekken wij dan.”»Vertrekken wij,” riep de bandiet.De toovenaar stond op, en na zijne kleeding in orde te hebben gebracht, bukte hij om een klein pak op te rapen, dat waarschijnlijk zijn geringen reisvoorraad bevatte.Nathan maakte van dit oogenblik gebruik, met een bliksemsnelle greep trok hij zijn mes en stak het den Indiaan tot aan het hecht tusschen de schouders.De ongelukkige gaf een gesmoorden schreeuw, strekte de armen uit en viel morsdood neêr.De bandiet trok koelbloedig zijn mes uit de vreeselijke wond, wischte het af aan het gras en stak het weêr in zijn gordel.»Hm!” riep hij meesmuilend, »dat is ook een armzalige toovenaar, die er niet veel van wist! wij zullen eens zien of ik niet knapper ben dan hij.”Terwijl hij met den Roodhuid sprak, dien hij aanvankelijk volstrekt geen plan had om te dooden, maar alleen tot zijn beschermer hadwillen maken, was hij in eens op een ander denkbeeld gekomen.Dit idee, dat den lezer op het eerste gezicht vreemd zal schijnen, had den bandiet terstond toegelachen, wegens de vermetele stoutheid die het vereischte om dadelijk te worden uitgevoerd, en bovenal wegens de kans van goed te slagen die het aanbood.Het bestond eenvoudig daarin, dat hij de kleederen van den toovenaar wilde aantrekken om zich in zijne plaats aan de Roodhuiden te kunnen voorstellen.Sedert lang met al de gewoonten der Indianen volkomen bekend, twijfelde Nathan geen oogenblik of hij zou deze rol met de noodige juistheid kunnen spelen, om er zelfs den blik der scherpzinnigste Indianen door te misleiden.Na zich verzekerd te hebben dat zijn slachtoffer geene teekenen van leven meer gaf, begon Nathan hem zijne kleederen uit te trekken, die hij van lieverlede met de zijne verwisselde.Toen deze eerste verandering gedaan was, tastte hij in den reiszak van den toovenaar, haalde er een spiegeltje uit te voorschijn en een paar blazen, de eene gevuld met vermiljoen en de andere met eene zwarte verf, en nu begon hij de kleuren te mengen, gaf zijn gelaat eerst de juiste tint der Roodhuiden en teekende er toen met een stokje dezelfde groteske figuren op als op dat van den toovenaar; deze nabootsing gelukte volkomen; vervolgens beschilderde hij eenige andere deelen van zijn lichaam op gelijke wijs, bond het haar op de kruin van zijn hoofd samen en stak er de twee straks genoemde uilenveeren in.Meermalen, wanneer hij met zijn vader op de haarschedeljacht ging, had Nathan zich als een Indiaan vermomd; ook ditmaal was zijne gedaanteverwisseling binnen weinige oogenblikken voltooid.»Het zou niet goed zijn als men dit kreng hier vond,” zeide hij.Hiermede nam hij het lijk op zijn rug, droeg het een eind verder en liet het in een ontoegankelijken afgrond rollen.»Zie zoo! dat is al weder gedaan,” zeide hij lachend, »als de Apachen nu nog niet voldaan zijn over den heksenmeester die hen bezoekt, zijn zij wel zeer ongemakkelijk.”Daar hij ongaarne zijne eigene kleederen wilde missen, borg hij die in den reiszak van den Indiaan, hing het pak over den loop van zijn snaphaan, naast het stokje van den armen toovenaar en ging vroolijk op marsch, lustig denmulbachezwaaiende, terwijl hij half overluid met een koddig gezicht mompelde:»Wij zullen zien of deze mulbache inderdaad de toovermacht bezit die de domkop er aan toeschreef.”
Nauwelijks was Nathan zijnen kameraden uit het gezicht, of hij bleef staan.
Hij was noch zoo onverschillig noch zoo gerust als hij zich wel had willen voordoen.
Zoodra hij zich dus alleen bevond, ver van de blikken die hem zouden kunnen bespotten, liet hij zijn kwade luim den vrijen loop en verwenschte het lot, dat hem zulk eene zorgelijke en gevaarvolle taak had opgedragen.
Nathan, wij meenen dit reeds elders gezegd te hebben, was een reus in gestalte, een soort van Hercules, begaafd met buitengewone kracht en wildemansdrift. Sedert zijne eerste kindsheid gewoon om in de woestijn te leven en bloedige tooneelen van jacht en oorlog bij te wonen, was hij de man niet om zich zoo licht te laten ontmoedigen of wanhopig te worden; even hardvochtig jegens zich zelven als omtrent anderen, nam hij gereedelijk de gevolgen van zijn toestand zooals zij waren voor zijne rekening, en besloot dus ook dezen keer, daar het toch niet anders wezen kon, het uiterste te wagen om zijn haar te behouden en te kampen tot den laatsten snik.
Op dit oogenblik echter was het niet zoozeer zijne positie die hem ongerust maakte. Honderden malen bij zijne omzwervingen door de prairie, had hij zich in even groot gevaar bevonden, maar tot dusver, als hij zijn leven moest wagen, had hij dat altijd gedaan met een bepaald doel, hem volkomen bekend, in het vooruitzicht, hetzij ver of nabij, van een of ander voordeel; en voor ditmaal zou hij een wil gehoorzamen die de zijne niet was, daar hij het doel niet van begreep en die ten voordeele strekte van anderen.
Hij verwenschte zijn vader, Fray Ambrosio en zich zelven, dat hij zich in zulk een wespennest had gestoken, daar hij geen kans zag om er goed uit te komen.
Om de waarschuwing van zijn vader bekreunde hij zich weinig; zelfs diens laatste aanbeveling werd door hem niet in acht genomen. Nathan had volstrekt geen lust om zijn spoor te laten ontdekken, hij bedacht al wat mogelijk was om het voor den scherpzinnigsten en meestgeoefenden blik te verbergen en deed geen voetstap eer hij zich verzekerd had dat de vorige volkomen verdwenen was.
Na rijpe overweging had hij zijne gedachten aldus samengetrokken:
»Wat duivel, wat geef ik om hen? ieder voor zich! Als ik mijn haar verlies, zullen zij het mij niet teruggeven. Ik zal mij dus zoo goed mogelijk verdedigen; zij moeten zelf maar zien hoe zij het maken; wat mij betreft, ik zal mij uit den brand zoeken te redden zooveel ik kan.”
Bij deze korte alleenspraak, met luider stem, zooals alle lieden die gewoon zijn alleen te leven, voegde Nathan de nauwelijks merkbare schouderbeweging die in alle talen beteekent: »Laat er van komen wat wil!” En na met zorg zijn geweer te hebben bekeken om te zien of alles in orde was trok hij weder op weg.
De Europeanen, gewoon aan de beperkte gezichteinders der oude wereld, aan bestrate of gemacadamiseerde wegen vol lachende landhuizen en drukke passage, kunnen zich moeielijk zelfs in de verte een juist denkbeeld maken van den toestand des eenzamen reizigers in dien oceaan van groen, in de wildernissen van het Verre-Westen, waar men bij iederen voetstap door den loerenden blik van onzichtbare vijanden bespied of door verscheurende dieren vervolgd kan worden.
Een man, hoe moedig hij ook wezen mag en hoe gewoon aan het avontuurlijke leven der woestijn, vreest onwillekeurig en gevoelt zijne zwakheid, wanneer hij den blik om zich heen slaat en zijne kleinheid ziet tegenover de onmetelijke wildernis die hem omringt.
Als men in de prairie naar het noorden wil, moet men eerst zuidwaarts trekken, wel toeziende het gras niet te pletteren waar men op loopt, of de takken niet te breken die den doortocht versperren en vooral het zand en de keien niet te doen kraken onder zijne voeten.
Ieder geluid in de woestijn wordt door de Roodhuiden onderscheiden en verklaard; de Indiaan behoeft slechts een paar sekonden te luisteren en zal u dadelijk zeggen of het dier, dat hij in de verte hoort springen, een paard, een beer, een bison, een eland of een antilope is.
Een steen, die van de berghelling in de diepte rolt, is voldoende om hem een zwervenden landlooper aan te kondigen.
Kleine plasjes water of hier en daar weggespatte droppels aan den oever van een veer, bewijzen hem dat er één of meer reizigers over de rivier zijn gegaan.
Aan eene ongewone beweging in de golvende grashalmen der prairie, bemerkt hij den spion die hem bespiedt.
In een woord, van den vertrapten grasspriet tot den loggen bison die onder het grazen eensklaps de ooren spitst, of de asshata die zonder blijkbare oorzaak opspringt, alles in de woestijn dient den Indiaan als een boek waarin hij leest of hem een vriend of vijand is voorafgegaan, en hij volgt hun spoor al waren zij hem honderd mijlen vooruit.
In deze oorden, waar het stoffelijke leven bijna alles is, bereiken de zintuigen bij den mensch een verbazenden trap van volkomenheid, het gezicht en gehoor vooral zijn bij hem in hooge mate ontwikkeld, en hiermede paren zich eene vlugheid, ontembare moed en weergalooze kracht van zenuwen en spieren, die hem op het oorlogspad bijzonder geducht maakt en te stade komt.
Behalve de bovengenoemde eigenschappen, zijn list en verraad de twee groote hulpmiddelen waarmede de Indiaan zijn vijand weet te verschalken, dien hij zelden in open kamp maar liefst bij verrassing zal aanvallen.
De noodzakelijkheid is voor den wilden Roodhuid de hoogste wet; gelijk alle onbeschaafde of onzedelijk ontwikkelde naturen waardeert hij alleen physieke kracht en maakt weinig of geen werk van maatschappelijke deugden, die hij ook niet noodig heeft en die hem in zijn wilden levensstaat veeleer schade dan voordeel zouden aanbrengen.
Nathan zelf was bijna een Roodhuid, slechts bij lange tusschenpoozen had hij zich nu en dan een enkelen dag in de steden der Unie opgehouden. Hij kende dus niets van het leven, dan hetgeen hij inde wildernis had geleerd; zulk eene opvoeding heeft soms hare waarde, wanneer zij gepaard gaat met aangeboren goedheid en rechtschapenheid en zuiver zedelijke begrippen, waardoor de mensch in staat is zijne zinnen te beheerschen en onder zijne gewaarwordingen het edele en goede boven het onedele en slechte te kiezen.
Ongelukkig had Nathan geen anderen zedemeester gehad dan zijn vader en zich reeds vroeg gewend om de zaken uit hetzelfde oogpunt te bezien als de Squatter, zoodat het bijna niet erger kon; en bij het toenemen in jaren hadden de ontvangen lessen bij hem zoo rijkelijk vruchten gedragen, dat hij voor de type kon doorgaan van een beschaafd man die in den wilden natuurstaat was teruggezonken: de ergste soort van verbastering die zich denken laat. Nathan bezat geen liefde, geen geloof, geen eerbied; slechts één wezen op de wereld had op hem zekeren invloed, namelijk zijne zuster Ellen, en die was op dit oogenblik niet bij hem.
De jongman wandelde vrij lang voort, zonder iets te bemerken dat bij hem eenig vermoeden van naderend gevaar kon verwekken.
Intusschen deed deze gewaande veiligheid hem zijne voorzorgen niet veronachtzamen, integendeel; steeds voortgaande met geveld geweer, het lijf gebukt en het oor gespitst op het minste gerucht, terwijl zijn jakhalzenblik al de struiken en boschjes bespiedde, raakte hij meer en meer in gedachten verdiept, die hoe verder hij ging des te somberder werden.
De reden hiervan was duidelijk: hij wist dat hij door onverzoenlijke vijanden omgeven, door talrijke en sluwe spionnen bespied werd, en toch, geen ritselend blad of krakende grashalm vertoonde zich in de prairie. Alles scheen in den normalen toestand; het was hem niet mogelijk om de minste verdachte beweging in het gras of in de struiken op te merken.
De stilte was al te diep om natuurlijk te zijn. Nathan liet zich dus door deze gekunstelde rust niet in slaap wiegen.
»Hm!” mompelde hij in zich zelven, »wij zullen hier spoedig aan den slag komen, daar is niet aan te twijfelen; de duivel hale die verwenschte Roodhuiden! zouden zij dan nooit teekenen van leven geven? Ik marcheer hier in den blinde zonder te weten waarheen, ik ben zeker dat ik ergens in een strik zal vallen dien dat vee mij gespannen heeft en daar ik mij onmogelijk uit zal kunnen ontwarren.”
Nathan vervolgde zijn marsch tot omtrent tien ure des morgens.
Op dit oogenblik, terwijl hij honger kreeg en zijne beenen moede werden, besloot hij om het kostte wat het wilde een poosje halt te houden, een stuk te eten en een weinig rust te nemen.
Werktuigelijk keek hij rond om voor zijn bivak een gemakkelijke plek te zoeken.
Plotseling maakte hij eenen schrikachtigen zijsprong en verborg zich haastig achter een grooten lorkenboom.
Nauwelijks vijftig passen van de plaats, waar hij zich bevond,had hij een Indiaan in achtelooze houding op den grond zien liggen, bezig met op zijn gemak een weinigpemmican(gedroogd en tot poeder gestampt vleesch) te gebruiken.
Nadat zijne eerste verrassing voorbij was, sloeg Nathan den Indiaan opmerkzaam gade.
Het was een man van ongeveer dertig jaren; hij droeg niet de gewone kleeding der krijgslieden; maar de twee groote uilenveêren die boven zijn rechter oor in zijn dikken haarbos prijkten, deden hem als een Doorboorde-Neus-Indiaan kennen.
Nathan beschouwde hem vrij lang, zonder te weten welke partij hij kiezen moest; eindelijk nam hij zijn geweer op schouder, kwam uit zijne hinderlaag en stapte naar den Indiaan.
Deze had hem waarschijnlijk reeds gezien, ofschoon hij zich volstrekt niet om hem bekommerde, daar hij rustig voortging met eten.
Den Roodhuid tot op tien passen genaderd zijnde, bleef Nathan staan.
»Ik groet mijn broeder,” zeide hij met eene luide stem, terwijl hij zijn zarape uitspreidde, ten teeken van vrede; »de Wacondah geve hem eene goede jacht!”
»Ik dank mijn bleeken broeder,” antwoordde de Doorboorde-Neus-Indiaan, opkijkende, »hij is welkom; ik heb nog twee handvollen pemmican, en er is plaats voor hem aan mijn haard.”
Nathan trad naderbij, en hurkte zonder verdere plichtpleging neder bij zijn nieuwen vriend, die zoo broederlijk zijn voorraad met hem deelde, maar sprak verder geen woord.
De Roodhuiden achten het, gelijk wij meermalen gezegd hebben, eene groote onbeleefdheid hunnen gasten iets te vragen of hen tot spreken uit te lokken, wanneer deze er zich niet toe geneigd toonen.
Na gegeten te hebben stak de Doorboorde-Neus een Indiaansche pijp aan, welke handeling onmiddellijk door den Amerikaan gevolgd werd.
Zoo bleven de beide mannen zitten rooken, stil als een paar blokken, zonder ander onderhoud, dan dat zij elkander telkens een dikke wolk blauwen tabaksdamp toebliezen. Toen de Doorboorde-Neus zijn calumet had uitgerookt, klopte hij de asch op zijn duim uit en stak de pijp in zijn gordel; vervolgens zette hij de ellebogen op zijne twee knieën, liet het hoofd op de beide handpalmen rusten en nu de oogen luikende, verzonk hij in dien staat van aardsche zaligheid, dien de Italianendolce far niente, de Turkenkiefnoemen, en daar de Franschen, hoe vlug anders om namen te verzinnen, nog geen evenwaardigen term voor hebben gevonden.
Nathan vulde zijne pijp voor de tweede maal, stak haar aan en wendde zich tot zijn gezel.
»Is mijn broeder een opperhoofd?” vroeg hij.
De Indiaan hief het hoofd op.
»Neen,” antwoordde hij met een trotschen glimlach, »ik ben een der meesters van de groote medicijn.”
Nathan maakte eene eerbiedige buiging.
»Dat begrijp ik,” zeide hij, »dus is mijn broeder een der wijze mannen die de Roodhuiden eenahcum(dokter) noemen.”
»Ik ben bovendien eenbalam(toovenaar),” hernam de Doorboorde-Neus.
»Ah zoo!” riep de Amerikaan; »ei! ei! is mijn broeder een der dienaars van den Nim-coe (groote schildpad)?”
»Ja,” antwoordde hij, »wij geven bevelen aan deahbop(Kaziken) en aan deahlabal(krijgslieden), zij doen niets zonder ons.”
»Dat weet ik; mijn vader heeft veel kennis, zijne machtreikt overde gansche aarde.”
De Doorboorde-Neus glimlachte welgevallig over deze lofspraak, en liet hem een stokje met schitterende veeren en kralen versierd zien, dat hij in de rechterhand had.
»Dezemulbacheis geduchter wapen dan de donder der bleekgezichten; het verschaft mij allerwege vrees en ontzag.”
Een veelbeteekenende glimlach plooide zich andermaal om de lippen van Nathan.
»Mijn broeder keert zeker naar zijn volk terug?” vroeg hij.
»Neen,” riep de Indiaan hoofdschuddend, »men wacht mij in hettinamit(dorp) der Bisons-Apachen, die mijn raad en medicijn noodig hebben, om op hoop van goeden uitslag eene groote onderneming te wagen die zij in deze oogenblikken voornemens zijn uit te voeren. Mijn broeder houde mij dus ten goede dat ik hem verlaat, daar ik nog heden avond het doel van mijn tocht bereiken moet.”
»Ik verlaat mijn rooden broeder niet,” antwoordde Nathan, »als hij er niets tegen heeft, zal ik zijne voetstappen drukken, mijne reis is in dezelfde richting als die mijns broeders.”
»Ik neem mijns broeders voorstel met genoegen aan, wij zullen samen reizen. Vertrekken wij dan.”
»Vertrekken wij,” riep de bandiet.
De toovenaar stond op, en na zijne kleeding in orde te hebben gebracht, bukte hij om een klein pak op te rapen, dat waarschijnlijk zijn geringen reisvoorraad bevatte.
Nathan maakte van dit oogenblik gebruik, met een bliksemsnelle greep trok hij zijn mes en stak het den Indiaan tot aan het hecht tusschen de schouders.
De ongelukkige gaf een gesmoorden schreeuw, strekte de armen uit en viel morsdood neêr.
De bandiet trok koelbloedig zijn mes uit de vreeselijke wond, wischte het af aan het gras en stak het weêr in zijn gordel.
»Hm!” riep hij meesmuilend, »dat is ook een armzalige toovenaar, die er niet veel van wist! wij zullen eens zien of ik niet knapper ben dan hij.”
Terwijl hij met den Roodhuid sprak, dien hij aanvankelijk volstrekt geen plan had om te dooden, maar alleen tot zijn beschermer hadwillen maken, was hij in eens op een ander denkbeeld gekomen.
Dit idee, dat den lezer op het eerste gezicht vreemd zal schijnen, had den bandiet terstond toegelachen, wegens de vermetele stoutheid die het vereischte om dadelijk te worden uitgevoerd, en bovenal wegens de kans van goed te slagen die het aanbood.
Het bestond eenvoudig daarin, dat hij de kleederen van den toovenaar wilde aantrekken om zich in zijne plaats aan de Roodhuiden te kunnen voorstellen.
Sedert lang met al de gewoonten der Indianen volkomen bekend, twijfelde Nathan geen oogenblik of hij zou deze rol met de noodige juistheid kunnen spelen, om er zelfs den blik der scherpzinnigste Indianen door te misleiden.
Na zich verzekerd te hebben dat zijn slachtoffer geene teekenen van leven meer gaf, begon Nathan hem zijne kleederen uit te trekken, die hij van lieverlede met de zijne verwisselde.
Toen deze eerste verandering gedaan was, tastte hij in den reiszak van den toovenaar, haalde er een spiegeltje uit te voorschijn en een paar blazen, de eene gevuld met vermiljoen en de andere met eene zwarte verf, en nu begon hij de kleuren te mengen, gaf zijn gelaat eerst de juiste tint der Roodhuiden en teekende er toen met een stokje dezelfde groteske figuren op als op dat van den toovenaar; deze nabootsing gelukte volkomen; vervolgens beschilderde hij eenige andere deelen van zijn lichaam op gelijke wijs, bond het haar op de kruin van zijn hoofd samen en stak er de twee straks genoemde uilenveeren in.
Meermalen, wanneer hij met zijn vader op de haarschedeljacht ging, had Nathan zich als een Indiaan vermomd; ook ditmaal was zijne gedaanteverwisseling binnen weinige oogenblikken voltooid.
»Het zou niet goed zijn als men dit kreng hier vond,” zeide hij.
Hiermede nam hij het lijk op zijn rug, droeg het een eind verder en liet het in een ontoegankelijken afgrond rollen.
»Zie zoo! dat is al weder gedaan,” zeide hij lachend, »als de Apachen nu nog niet voldaan zijn over den heksenmeester die hen bezoekt, zijn zij wel zeer ongemakkelijk.”
Daar hij ongaarne zijne eigene kleederen wilde missen, borg hij die in den reiszak van den Indiaan, hing het pak over den loop van zijn snaphaan, naast het stokje van den armen toovenaar en ging vroolijk op marsch, lustig denmulbachezwaaiende, terwijl hij half overluid met een koddig gezicht mompelde:
»Wij zullen zien of deze mulbache inderdaad de toovermacht bezit die de domkop er aan toeschreef.”