XXXI.

XXXI.DE WITTE-GAZELLE.De nacht ging rustig voorbij. Zoodra de zon in het oosten verscheen, kwam in het kamp alles in beweging om zich voor de afreis gereed te maken.De paarden werden gezadeld, de gelederen geformeerd, de twee vrouwen plaatsten zich in het midden van den troep en men wachtte alleen het bevel om op weg te gaan.Nathan, die zich in alles naar zijn rol als toovenaar gedragen moest, nam een kalebas, vulde haar met water, doopte er een alsemtak in, sprengde daarmede in de vier hemelstreken onder het murmelen van eenige geheimzinnige woorden, om den geest des kwaads te verdrijven; vervolgens goot hij de kalebas ledig voor de zon, met luider stem tot driemaal toe uitroepende:»O zon! ontvang deze offerande; zie met een gunstig oog op ons neder, wij zijn uwe kinderen.”Na den afloop dezer ceremonie gingen de Indianen vroolijk op weg.De aanroeping van den gewaanden toovenaar had hun veel genoegen gedaan, te meer daar op het oogenblik van hun vertrek aan hunne rechterhand vier groote arenden met kale koppen, de breedevleugels ontplooid hadden en statig ten hemel waren gestegen tot eene verbazende hoogte, waar zij eindelijk verdwenen.De voorteekenen waren dus allergunstigst, en de heksenmeester was in de oogen der bijgeloovige Comanchen op eens een man van groot gewicht geworden.Intusschen waren er twee personen die van hem een onverwinnelijken afkeer bleven gevoelen, namelijk de Zonnestraal, en de moeder van Valentin.Onwillekeurig richtten zij telkens hare blikken op den toovenaar, die als bij instinct gevoelende dat men hem bespiedde, zich op een eerbiedigen afstand hield en aan het hoofd der karavaan naast den Spinnekop reed, met wien hij gedurig zoo zacht en zoo druk mogelijk bleef redeneeren, om hem aan de praat te houden en te verhinderen dat hij zich naar de twee vrouwen begaf, die hem natuurlijk hare vermoedens allicht hadden kunnen mededeelen.De troep reisde in den draf, te midden eener heerlijk schoone en grasrijke streek; hier en daar lagen in de vlakte groote kegelvormige rotsblokken verspreid, wier hoogte soms twee, vier, ja zelfs vijfhonderd voeten bedroeg.In het oosten verhieven zich de laatste toppen der Sierra de los Comanches, tusschen welke de reizigers thans weldra doorreden. De naakte bergspitsen, die met hunne besneeuwde kruinen den hemel schenen te trotseeren, strekten zich zeer ver noordwaarts uit, tot zij aan den gezichteinder zich vertoonden als lichte dampen, die een ongeoefend oog voor wolken zou hebben aangezien, maar door de Comanchen dadelijk werden herkend als tot de keten der Rotsbergen te behooren.Links van de karavaan en bijna loodrecht onder hare voeten, ontrolde zich tot op onmetelijken afstand de woestijn, aan den uitersten horizont door een nauwelijks zichtbare lijn van witte wolken begrensd, die aldaar de voortzetting der Rotsbergen aanwees.De Indianen stegen onophoudelijk, langs schier onbeklimbare paden, doch waar hunne paarden even stoutmoedig, vlug en vast voortgingen alsof zij klauwen aan de voeten hadden.Naarmate de troep dieper de bergen indrong, werd de lucht kouder; eindelijk, des morgens ten negen ure, na een engen bergpas tusschen twee hooge rotsen te zijn doorgereden, die met hare steile wanden de zonnestralen koesterend terugkaatsten, kwam men in een bekoorlijk dal ongeveer een mijl lang en breed, in welks midden de tenten stonden en de kampvuren van den Eenhoorn rookten.Nauwelijks hadden de op post staande ruiters de aankomst van den Spinnekop en zijn detachement geseind, of een zestigtal krijgslieden stegen te paard en reden al huppelend en springend onder het afschieten hunner geweren en aanheffen van welkomstkreten den nieuw aankomenden te gemoet, die van hun kant hunne paarden lietenmanoeuvreeren, allerlei rijkunsten vertoonden en met luide hoerahsof met scherpe en langgerekte tonen op hunne oorlogsfluiten antwoordden.Zoo trokken zij het kamp binnen en reden tot aan de tent van den Eenhoorn.Bereids van de komst der verwachte versterking onderricht, stond het opperhoofd met de armen op de borst gekruist voor zijne hut, tusschen het totem en de groote calumet.De Eenhoorn had met een snellen blik de krijgslieden reeds gadegeslagen en zoowel de twee vrouwen als den toovenaar opgemerkt die zij met zich brachten; intusschen deed hij alsof hij ze niet zag, en bleef zijn gelaat even strak als te voren. Hij wachtte bedaard af tot de Spinnekop hem van zijne zending verslag zou geven.De dappere Comanch steeg van zijn paard, wierp de teugels aan een zijner kameraden toe, kruiste de armen op de borst, en boog bij iederen stap dien hij voorwaarts trad, tot hij op korten afstand van den Sachem komende voor de laatste maal boog, zeggende:»De Spinnekop heeft zijne zending volbracht, hij heeft de voeten der gazelle gebruikt om des te sneller terug te kunnen komen.”»De Spinnekop is een beproefd krijgsman, in wien ik volkomen vertrouwen stel. Brengt hij mij het aantal jongelingen daar ik om gevraagd heb?” antwoordde de Eenhoorn.»De oudsten hebben zich rondom het raadsvuur vereenigd, en leenden het oor aan de woorden van den Spinnekop, de twintig jongelingen zijn daar, brandende van moed en strijdlust en fier dat zij zulk een beroemd hoofd als mijn vader op het oorlogspad mogen volgen.”De Eenhoorn glimlachte trotsch bij dit vleiende kompliment, maar bijna onmiddellijk de strenge uitdrukking hernemende die tot de gewone trekken van zijn gelaat behoorde, zeide hij:»Ik heb den nachtegaal hooren zingen en mijn oor is getroffen door de welluidende tonen van zijne stem. Bedrieg ik mij, of heeft hij zijn nest gebouwd onder het dichte loof der eiken of in de lorken dezer vallei.”»Mijn vader vergist zich; het is geenszins de nachtegaal dien hij hoorde zingen, het is de stem van de vriendin zijns harten die hem in ’t oor drong en hem tot in zijn binnenste deed beven,” murmelde de Zonnestraal zacht, terwijl zij bedeesd naderde.De Sachem zag zijne vrouw aan met eene mengeling van liefde en gestrengheid.»Adem mijns levens,” sprak hij, »waarom hebt gij het dorp verlaten? Is uwe plaats hier onder de krijgslieden? Mag de vrouw van een opperhoofd zich zonder verlof op het oorlogspad begeven?”De jeugdige vrouw sloeg de oogen neêr, twee vochtige parelen biggelden aan den rand harer lange wimpers.»De Eenhoorn is te streng voor zijne vrouw,” antwoordde zij droevig; »de winter nadert met rassche schreden; de hooge boomen zijnvan hunne bladeren beroofd; de sneeuw valt met dichte vlokken op de bergen: de Zonnestraal werd ongerust in hare eenzame hut, sedert vele manen reeds heeft het opperhoofd zijne vrouw verlaten, en zich van haar verwijderd; zij heeft verlangd weder te zien dien zij lief heeft.”»De Zonnestraal is de vrouw van het opperhoofd, haar hart is sterk; meermalen reeds was zij van den Eenhoorn gescheiden en altoos wachtte zij zijne wederkomst af zonder te klagen: waarom was haar gedrag heden zoo gansch anders?”De jonge vrouw greep de hand van Mme. Guillois.»De moeder van Koutonepi heeft verlangd haar zoon weder te zien,” antwoordde zij eenvoudig.Het gelaat van den Eenhoorn helderde op, zijne stem klonk zachter.»De moeder mijns broeders is welkom in het kamp van den Eenhoorn,” zeide hij met eene beleefde buiging voor de oude vrouw.»Is mijn zoon niet bij u, hoofdman?” vroeg zij nieuwsgierig.»Neen, maar mijne moeder make zich niet ongerust; zoo zij het verlangt kan zij hem voor de tweede zon wederzien.”»Dank u, hoofdman.”»Ik zal een krijgsman afzenden, om Koutonepi te waarschuwen dat zijne moeder in ons midden is.”»Ik zal zelf gaan,” riep de Spinnekop.»Goed; dat is u toegestaan. Breng mijne moeder naar mijne hut om haar de noodige rust te laten nemen.”De twee vrouwen verwijderden zich.Een enkel persoon stond nog voor den Eenhoorn, die persoon was de vermeende toovenaar.De twee mannen beschouwden elkander aandachtig.»O!” riep de Sachem, »welk gelukkig toeval voert mijn vader in mijn kamp?”»De gezanten van Wacondah gaan waar hij hun beveelt te gaan, en denken niet na over hetgeen hij wil,” antwoordde Nathan droogjes.»Dat is zoo,” hernam de Sachem; »wat verlangt mijn vader?”»Gastvrijheid voor een nacht.”»Gastvrijheid verleent men zelfs aan een vijand in de wildernis; is mijn vader zoo onbekend met de gebruiken der prairie, dat hij mij dit vraagt?” sprak de Eenhoorn met een argwanenden blik.Nathan verbeet zich.»Mijn vader heeft mijne woorden kwalijk begrepen,” zeide hij.»Het maakt weinig uit,” viel de Eenhoorn hem gebiedend in de rede, »de groote geneesheer zal den nacht in het kamp doorbrengen; een gast is den Comanchen heilig, alleen de verraders, als zij ontmaskerd zijn, worden naar verdiensten gestraft. Mijn vader kan zich verwijderen.”Nathan huiverde inwendig bij deze woorden, die hem schenen tebewijzen dat het opperhoofd hem verdacht hield en dat zijn incognito niet zoo veilig was als hij wel wenschte. Intusschen verborg hij zijne vrees in zijn hart en bewaarde zooveel mogelijk den goeden schijn.»Ik dank u,” zeide hij met eene buiging.De Eenhoorn boog insgelijks en keerde hem toen den rug toe.»Hm!” mompelde de Amerikaan in zich zelven: »ik geloof dat ik dwaas gedaan heb met mij te midden dezer duivels te begeven, het basiliscusoog van dien verwenschten hoofdman scheen mijne geheimen op mijn gelaat te lezen. Laten wij ons in acht nemen!”Onder deze beschouwingen verwijderde zich Nathan met langzamen tred, opgeheven hoofd en met al den schijn alsof hij over den uitslag van zijn onderhoud met den Eenhoorn zeer tevreden was.Juist op dit oogenblik reed een ruiter met lossen teugel de vallei binnen. Deze ruiter passeerde geen twee schreden van den Amerikaan en wisselde met hem een doordringenden blik.Nathan sidderde.»Als zij mij herkend heeft, ben ik verloren,” zeide hij.Die ruiter was de Witte-Gazelle. De Comanchen bogen voor haar toen zij hen voorbij reed; zij nam haar richting rechtstreeks naar de hut van den Eenhoorn.»Ik ben in den muil van den wolf,” mompelde Nathan, »mijne verwaandheid zal mijn ongeluk zijn. Er is één ding dat de mensch niet kan ontveinzen, en dat eene ding is zijn blik, de Gazelle kent mij te goed om zich te vergissen; laten wij zien weg te komen zoo er nog tijd voor is.”Nathan was een te wel beraden man om te wanhopen; hij liet dus geen enkel oogenblik in vruchteloos zelfbeklag verloren gaan; integendeel, met al de helderheid van geest die het gevaar aan den moedige schenkt, berekende hij in weinige sekonden de kansen op behoud die hem nog overbleven en bereidde zich voor op een wanhopigen strijd. Hij wist maar al te goed welk een gruwzame straf hem te wachten stond, om zijn leven en zijne vrijheid niet tot het uiterste te verdedigen.Zonder zich ergens op te houden, zonder zijn stap of houding te veranderen, wandelde hij voort in dezelfde richting, groette in ’t voorbijgaan de krijgslieden die hij tegenkwam, en zoo bereikte hij zonder eenige stoornis de grens van het kamp. Hij durfde niet omkijken om te zien wat er achter hem gebeurde; maar zijn geoefend oor luisterde scherp naar ieder verdacht geluid.Er scheen echter niets te gebeuren dat zijne vrees kon rechtvaardigen, het kamp bleef steeds even rustig en kalm.»Ik heb mij vergist,” mompelde hij, »zij heeft mij niet herkend: mijne vermomming is zoo goed dat ik te spoedig begon te vreezen, het zou misschien beter zijn om te blijven. Maar toch, neen, neen,” vervolgde hij een oogenblik later, »stellig ben ik hier niet veilig.”Hij ging eenige stappen verder en was gereed om het bosch in tegaan, toen hem op eens een zware hand op den schouder werd gelegd.Hij bleef staan en keek om.De Spinnekop stond naast hem.»Waar gaat mijn vader heen?” vroeg hem de krijgsman op een spotachtigen toon, die wel geschikt was om den Amerikaan het ergste te doen duchten; »hij heeft zich zeker vergist?”»Hoedat vergist?” antwoordde Nathan, die zich inspande om koel te blijven.»Mijn vader is bezig om het kamp uit te gaan.”»Welnu, en wat zou dat?”»Heeft mijn vader den Sachem dan niet om gastvrijheid gevraagd?”»Wel zeker.”»En waarom gaat hij dan heen?”»Wie zegt u dat ik heen ga, krijgsman?”»Maar mij dunkt dat gij al mooi op weg zijt naar het bosch.”»Dat weet ik wel, want ik ga werkelijk naar het bosch om eenige tooverkruiden te zoeken, ter bereiding van een groot geneesmiddel, dat ik den Sachem zal aanbieden om hem onkwetsbaar te maken.”»Ooah!” riep de Indiaan een paar groote oogen opzettende; »als gij hem dat eens zelf wilt gaan zeggen, twijfel ik niet of hij zal u overal vrij laten rondloopen.”»Zoo! ben ik dan uw krijgsgevangene?”»Geenszins, maar het is stellig verboden om iemand uit het kamp te laten, zonder voorafgaand verlof, en daar gij er niet aan gedacht hebt om deze gunst te verzoeken, ben ik tot mijn leedwezen genoodzaakt u te waarschuwen.”»Zeer goed! dan blijf ik; maar ik zal onthouden hoe de Comanchen de gastvrijheid verstaan.”»Mijn vader doet kwalijk dat hij dit zegt; de eer van ons volk vordert dat deze zaak onverwijld worde toegelicht. Mijn vader gelieve mij dus te volgen naar den Sachem; ik ben zeker dat dit misverstand met een paar woorden zal zijn uit den weg geruimd.”Nathan voelde dat hij in den strik was; de vleiende wijze waarop de Spinnekop de zaak behandelde stelde hem maar half gerust. Wat hij hem had voorgeslagen was alles behalve naar zijn smaak, doch daar hij begreep de zwakste te zijn en geen kans zag om op eenige wijs weg te komen, onderwierp hij zich aan de omstandigheden en besloot, ofschoon zeer tegen zijn zin, om met den Spinnekop naar de hut van den Eenhoorn terug te keeren.»Gaan wij,” zeide hij tegen den Indiaan.Nathan volgde zwijgend achter den Spinnekop.De Eenhoorn zat voor zijne hut omringd door de voornaamste opperhoofden; naast hem stond de Witte-Gazelle met de hand op haar karabijn leunende die met de kolf op den grond rustte.Toen de gewaande toovenaar aankwam, gaven de Indianen nochdoor hunne blikken noch door hunne gebaren eenig bewijs dat zij hem als zoodanig erkenden.De Amerikaan sloeg de oogen ter sluik in ’t rond.»Ik ben ingerekend!” prevelde hij binnensmonds, »zij zijn al te bedaard.”Met dat al trad hij voor hen, kruiste de armen op de borst en wachtte.De Witte-Gazelle keek op en zag hem aan met een onverbiddelijken blik.»Nathan,” sprak zij op een toon die hem schier het bloed in de aderen deed stollen, »de opperhoofden verlangen van u een van die mirakelen waarmede de toovenaars van hun stam gewoon zijn bewijs te geven van hunne geheimzinnige macht.”Aller oogen waren thans op den Amerikaan gericht en ieder wachtte met belangstelling zijn antwoord, om te zien of hij een moedig man dan wel een lafaard was. Nathan begreep dit, hij haalde verachtelijk de schouders op en antwoordde glimlachend en op laatdunkenden toon:»De Comanchen zijn honden en oude vrouwen, de jagers van mijn volk zullen hen met de zweep wegjagen. Zij die altijd zoo geslepen willen zijn hebben zich door een blanke laten bedriegen, en zonder u, nina, mag de duivel mij halen als ze mij ooit herkend zouden hebben.”»Gij erkent dus dat gij geen Indiaansch toovenaar zijt?”»Ja, zeker! Die Indiaansche buffelhuid die ik mij heb omgehangen stinkt te veel, zij weegt mij als lood op de schouders; ik werp haar af om mijn vorige kleed weder aan te nemen, dat ik nooit had moeten afleggen.”De Witte-Gazelle wendde zich om naar den Eenhoorn.»Gij ziet het, hoofdman,” zeide zij.»Ik zie het,” antwoordde hij; en vervolgde toen tegen den Amerikaan: »Is mijn broeder een krijgsman onder zijn volk?”Nathan grinnikte.»Ik,” antwoordde hij onverschrokken, »ik ben de zoon van den Roode-Ceder, den onverzoenlijken vijand van uw vervloekte ras; mijn naam is Nathan. Doet met mij wat gij verkiest, honden, maar gij zult geen klacht aan mijne lippen, geen traan aan mijne oogen, geen zucht aan mijn borst ontlokken.”Deze hooghartige woorden deden in de rijen der opperhoofden een gemompel van goedkeuring opgaan.»Ah zoo!” sprak de Eenhoorn aan wien de Gazelle iets in het oor had gezegd. »Wat kwam de zoon van den Roode-Ceder dan in het kamp der Comanchen doen?”»Ik zie geen kans om u dat te zeggen, hoofdman,” antwoordde de jongman vrijmoedig. »U kwam ik er niet zoeken,ik heb alleen door uwe liniën willen komen om te ontsnappen, anders niet.”Een ongeloovige glimlach teekende zich op de lippen der Witte-Gazelle.»Denkt Nathan dat wij kinderen zijn die zich door zulke praatjes laten misleiden?” zeide zij.»Denk er van wat gij wilt, het is mij onverschillig; ik heb u de waarheid gezegd.”»Gij zult toch niet willen ontkennen dat gij met voordacht als een toovenaar vermomd, onder uwe vijanden gekomen zijt?”»Bij den hemel! dat zegt gij met recht, nina; maar het eene is even natuurlijk als het andere, denk ik. Overigens herhaal ik u, alles is louter toeval.”»Ei! dat is zeer onwaarschijnlijk; uw vader en uwe broeders bevinden zich zeker altoos door dat zelfde toeval hier in den omtrek, niet waar?”»Wat hen betreft mag ik lijden dat de duivel mij den hals breekt, als ik weet waar zij op dit oogenblik zijn.”»Dat antwoord heb ik juist van u verwacht; ongelukkig zijn er in alle richtingen krijgslieden uitgezonden, die hen spoedig zullen weten te vinden.”»Dat denk ik niet. Overigens geef ik er niet om; kunnen zij ontsnappen des te beter voor hen, en vallen zij in uwe handen, des te erger!”»Ik behoef u zeker niet te zeggen welk lot gij te wachten hebt.”»Dat is mij sinds lang bekend: de brave Roodhuiden zullen zich waarschijnlijk amuseeren met mij levend te villen, voor een klein vuur te braden, of een of andere dergelijke vriendschappelijke bejegening. Het mag hun wel bekomen!”»En als men u eens het leven schonk, zoudt gij dan genegen zijn om te zeggen waar uw vader en uwe broeders, alsmede uw waarde vriend Fray Ambrosio zich bevinden?”»Op mijn woord van eer, neen! Ik heet wel een bandiet zonder eer of wet, dat geef ik u toe, nina, maar ik ben noch verrader noch verklikker. Regelt u daarnaar, en zoo gij benieuwd zijt om een man van mijne soort te zien sterven, noodig ik u uit mijne strafoefening bij te wonen.”»Wel?” vroeg de Eenhoorn aan de Gazelle.»Hij wil niet spreken,” antwoordde zij. »Maar al verzekert hij van neen en al toont hij groote standvastigheid, zoo zullen misschien de martelingen die gij hem wilt laten ondergaan, zijn moed aan het wankelen brengen en hem doen klappen.”»Derhalve,” hervatte het opperhoofd, »zou mijne zuster mij raden om.…”»Ik raad u,” viel zij hem met drift in de rede, »hem even onbarmhartig te behandelen als hij het anderen gedaan heeft.”»Goed.”De Eenhoorn wenkte zijne krijgslieden en zei, met vingerwijzing op den Amerikaan:»Brengt den gevangene weg, en maakt alles voor de pijniging gereed.”»Dank u!” zeide Nathan, »gij zult mij ten minste niet hooren klagen, dat is één troost.”»Wacht met uwe vroolijkheid tot gij de eerste proef hebt doorgestaan,” voegde de Gazelle hem spotachtig toe.Nathan antwoordde niet en verwijderde zich tusschen de tanden fluitende, terwijl twee krijgslieden hem weg brachten.Deze bonden hem stevig vast aan een lorkenstam en lieten hem alleen, na zich verzekerd te hebben dat hij zich niet bewegen kon en dus iedere poging tot vlucht onmogelijk was.De jongman zag hen na en liet zich op den grond vallen, onbezorgd in zich zelven prevelende:»De vermomming was toch goed, zonder dat verduivelde vrouwspersoon zou ik zeker geslaagd zijn.”

XXXI.DE WITTE-GAZELLE.De nacht ging rustig voorbij. Zoodra de zon in het oosten verscheen, kwam in het kamp alles in beweging om zich voor de afreis gereed te maken.De paarden werden gezadeld, de gelederen geformeerd, de twee vrouwen plaatsten zich in het midden van den troep en men wachtte alleen het bevel om op weg te gaan.Nathan, die zich in alles naar zijn rol als toovenaar gedragen moest, nam een kalebas, vulde haar met water, doopte er een alsemtak in, sprengde daarmede in de vier hemelstreken onder het murmelen van eenige geheimzinnige woorden, om den geest des kwaads te verdrijven; vervolgens goot hij de kalebas ledig voor de zon, met luider stem tot driemaal toe uitroepende:»O zon! ontvang deze offerande; zie met een gunstig oog op ons neder, wij zijn uwe kinderen.”Na den afloop dezer ceremonie gingen de Indianen vroolijk op weg.De aanroeping van den gewaanden toovenaar had hun veel genoegen gedaan, te meer daar op het oogenblik van hun vertrek aan hunne rechterhand vier groote arenden met kale koppen, de breedevleugels ontplooid hadden en statig ten hemel waren gestegen tot eene verbazende hoogte, waar zij eindelijk verdwenen.De voorteekenen waren dus allergunstigst, en de heksenmeester was in de oogen der bijgeloovige Comanchen op eens een man van groot gewicht geworden.Intusschen waren er twee personen die van hem een onverwinnelijken afkeer bleven gevoelen, namelijk de Zonnestraal, en de moeder van Valentin.Onwillekeurig richtten zij telkens hare blikken op den toovenaar, die als bij instinct gevoelende dat men hem bespiedde, zich op een eerbiedigen afstand hield en aan het hoofd der karavaan naast den Spinnekop reed, met wien hij gedurig zoo zacht en zoo druk mogelijk bleef redeneeren, om hem aan de praat te houden en te verhinderen dat hij zich naar de twee vrouwen begaf, die hem natuurlijk hare vermoedens allicht hadden kunnen mededeelen.De troep reisde in den draf, te midden eener heerlijk schoone en grasrijke streek; hier en daar lagen in de vlakte groote kegelvormige rotsblokken verspreid, wier hoogte soms twee, vier, ja zelfs vijfhonderd voeten bedroeg.In het oosten verhieven zich de laatste toppen der Sierra de los Comanches, tusschen welke de reizigers thans weldra doorreden. De naakte bergspitsen, die met hunne besneeuwde kruinen den hemel schenen te trotseeren, strekten zich zeer ver noordwaarts uit, tot zij aan den gezichteinder zich vertoonden als lichte dampen, die een ongeoefend oog voor wolken zou hebben aangezien, maar door de Comanchen dadelijk werden herkend als tot de keten der Rotsbergen te behooren.Links van de karavaan en bijna loodrecht onder hare voeten, ontrolde zich tot op onmetelijken afstand de woestijn, aan den uitersten horizont door een nauwelijks zichtbare lijn van witte wolken begrensd, die aldaar de voortzetting der Rotsbergen aanwees.De Indianen stegen onophoudelijk, langs schier onbeklimbare paden, doch waar hunne paarden even stoutmoedig, vlug en vast voortgingen alsof zij klauwen aan de voeten hadden.Naarmate de troep dieper de bergen indrong, werd de lucht kouder; eindelijk, des morgens ten negen ure, na een engen bergpas tusschen twee hooge rotsen te zijn doorgereden, die met hare steile wanden de zonnestralen koesterend terugkaatsten, kwam men in een bekoorlijk dal ongeveer een mijl lang en breed, in welks midden de tenten stonden en de kampvuren van den Eenhoorn rookten.Nauwelijks hadden de op post staande ruiters de aankomst van den Spinnekop en zijn detachement geseind, of een zestigtal krijgslieden stegen te paard en reden al huppelend en springend onder het afschieten hunner geweren en aanheffen van welkomstkreten den nieuw aankomenden te gemoet, die van hun kant hunne paarden lietenmanoeuvreeren, allerlei rijkunsten vertoonden en met luide hoerahsof met scherpe en langgerekte tonen op hunne oorlogsfluiten antwoordden.Zoo trokken zij het kamp binnen en reden tot aan de tent van den Eenhoorn.Bereids van de komst der verwachte versterking onderricht, stond het opperhoofd met de armen op de borst gekruist voor zijne hut, tusschen het totem en de groote calumet.De Eenhoorn had met een snellen blik de krijgslieden reeds gadegeslagen en zoowel de twee vrouwen als den toovenaar opgemerkt die zij met zich brachten; intusschen deed hij alsof hij ze niet zag, en bleef zijn gelaat even strak als te voren. Hij wachtte bedaard af tot de Spinnekop hem van zijne zending verslag zou geven.De dappere Comanch steeg van zijn paard, wierp de teugels aan een zijner kameraden toe, kruiste de armen op de borst, en boog bij iederen stap dien hij voorwaarts trad, tot hij op korten afstand van den Sachem komende voor de laatste maal boog, zeggende:»De Spinnekop heeft zijne zending volbracht, hij heeft de voeten der gazelle gebruikt om des te sneller terug te kunnen komen.”»De Spinnekop is een beproefd krijgsman, in wien ik volkomen vertrouwen stel. Brengt hij mij het aantal jongelingen daar ik om gevraagd heb?” antwoordde de Eenhoorn.»De oudsten hebben zich rondom het raadsvuur vereenigd, en leenden het oor aan de woorden van den Spinnekop, de twintig jongelingen zijn daar, brandende van moed en strijdlust en fier dat zij zulk een beroemd hoofd als mijn vader op het oorlogspad mogen volgen.”De Eenhoorn glimlachte trotsch bij dit vleiende kompliment, maar bijna onmiddellijk de strenge uitdrukking hernemende die tot de gewone trekken van zijn gelaat behoorde, zeide hij:»Ik heb den nachtegaal hooren zingen en mijn oor is getroffen door de welluidende tonen van zijne stem. Bedrieg ik mij, of heeft hij zijn nest gebouwd onder het dichte loof der eiken of in de lorken dezer vallei.”»Mijn vader vergist zich; het is geenszins de nachtegaal dien hij hoorde zingen, het is de stem van de vriendin zijns harten die hem in ’t oor drong en hem tot in zijn binnenste deed beven,” murmelde de Zonnestraal zacht, terwijl zij bedeesd naderde.De Sachem zag zijne vrouw aan met eene mengeling van liefde en gestrengheid.»Adem mijns levens,” sprak hij, »waarom hebt gij het dorp verlaten? Is uwe plaats hier onder de krijgslieden? Mag de vrouw van een opperhoofd zich zonder verlof op het oorlogspad begeven?”De jeugdige vrouw sloeg de oogen neêr, twee vochtige parelen biggelden aan den rand harer lange wimpers.»De Eenhoorn is te streng voor zijne vrouw,” antwoordde zij droevig; »de winter nadert met rassche schreden; de hooge boomen zijnvan hunne bladeren beroofd; de sneeuw valt met dichte vlokken op de bergen: de Zonnestraal werd ongerust in hare eenzame hut, sedert vele manen reeds heeft het opperhoofd zijne vrouw verlaten, en zich van haar verwijderd; zij heeft verlangd weder te zien dien zij lief heeft.”»De Zonnestraal is de vrouw van het opperhoofd, haar hart is sterk; meermalen reeds was zij van den Eenhoorn gescheiden en altoos wachtte zij zijne wederkomst af zonder te klagen: waarom was haar gedrag heden zoo gansch anders?”De jonge vrouw greep de hand van Mme. Guillois.»De moeder van Koutonepi heeft verlangd haar zoon weder te zien,” antwoordde zij eenvoudig.Het gelaat van den Eenhoorn helderde op, zijne stem klonk zachter.»De moeder mijns broeders is welkom in het kamp van den Eenhoorn,” zeide hij met eene beleefde buiging voor de oude vrouw.»Is mijn zoon niet bij u, hoofdman?” vroeg zij nieuwsgierig.»Neen, maar mijne moeder make zich niet ongerust; zoo zij het verlangt kan zij hem voor de tweede zon wederzien.”»Dank u, hoofdman.”»Ik zal een krijgsman afzenden, om Koutonepi te waarschuwen dat zijne moeder in ons midden is.”»Ik zal zelf gaan,” riep de Spinnekop.»Goed; dat is u toegestaan. Breng mijne moeder naar mijne hut om haar de noodige rust te laten nemen.”De twee vrouwen verwijderden zich.Een enkel persoon stond nog voor den Eenhoorn, die persoon was de vermeende toovenaar.De twee mannen beschouwden elkander aandachtig.»O!” riep de Sachem, »welk gelukkig toeval voert mijn vader in mijn kamp?”»De gezanten van Wacondah gaan waar hij hun beveelt te gaan, en denken niet na over hetgeen hij wil,” antwoordde Nathan droogjes.»Dat is zoo,” hernam de Sachem; »wat verlangt mijn vader?”»Gastvrijheid voor een nacht.”»Gastvrijheid verleent men zelfs aan een vijand in de wildernis; is mijn vader zoo onbekend met de gebruiken der prairie, dat hij mij dit vraagt?” sprak de Eenhoorn met een argwanenden blik.Nathan verbeet zich.»Mijn vader heeft mijne woorden kwalijk begrepen,” zeide hij.»Het maakt weinig uit,” viel de Eenhoorn hem gebiedend in de rede, »de groote geneesheer zal den nacht in het kamp doorbrengen; een gast is den Comanchen heilig, alleen de verraders, als zij ontmaskerd zijn, worden naar verdiensten gestraft. Mijn vader kan zich verwijderen.”Nathan huiverde inwendig bij deze woorden, die hem schenen tebewijzen dat het opperhoofd hem verdacht hield en dat zijn incognito niet zoo veilig was als hij wel wenschte. Intusschen verborg hij zijne vrees in zijn hart en bewaarde zooveel mogelijk den goeden schijn.»Ik dank u,” zeide hij met eene buiging.De Eenhoorn boog insgelijks en keerde hem toen den rug toe.»Hm!” mompelde de Amerikaan in zich zelven: »ik geloof dat ik dwaas gedaan heb met mij te midden dezer duivels te begeven, het basiliscusoog van dien verwenschten hoofdman scheen mijne geheimen op mijn gelaat te lezen. Laten wij ons in acht nemen!”Onder deze beschouwingen verwijderde zich Nathan met langzamen tred, opgeheven hoofd en met al den schijn alsof hij over den uitslag van zijn onderhoud met den Eenhoorn zeer tevreden was.Juist op dit oogenblik reed een ruiter met lossen teugel de vallei binnen. Deze ruiter passeerde geen twee schreden van den Amerikaan en wisselde met hem een doordringenden blik.Nathan sidderde.»Als zij mij herkend heeft, ben ik verloren,” zeide hij.Die ruiter was de Witte-Gazelle. De Comanchen bogen voor haar toen zij hen voorbij reed; zij nam haar richting rechtstreeks naar de hut van den Eenhoorn.»Ik ben in den muil van den wolf,” mompelde Nathan, »mijne verwaandheid zal mijn ongeluk zijn. Er is één ding dat de mensch niet kan ontveinzen, en dat eene ding is zijn blik, de Gazelle kent mij te goed om zich te vergissen; laten wij zien weg te komen zoo er nog tijd voor is.”Nathan was een te wel beraden man om te wanhopen; hij liet dus geen enkel oogenblik in vruchteloos zelfbeklag verloren gaan; integendeel, met al de helderheid van geest die het gevaar aan den moedige schenkt, berekende hij in weinige sekonden de kansen op behoud die hem nog overbleven en bereidde zich voor op een wanhopigen strijd. Hij wist maar al te goed welk een gruwzame straf hem te wachten stond, om zijn leven en zijne vrijheid niet tot het uiterste te verdedigen.Zonder zich ergens op te houden, zonder zijn stap of houding te veranderen, wandelde hij voort in dezelfde richting, groette in ’t voorbijgaan de krijgslieden die hij tegenkwam, en zoo bereikte hij zonder eenige stoornis de grens van het kamp. Hij durfde niet omkijken om te zien wat er achter hem gebeurde; maar zijn geoefend oor luisterde scherp naar ieder verdacht geluid.Er scheen echter niets te gebeuren dat zijne vrees kon rechtvaardigen, het kamp bleef steeds even rustig en kalm.»Ik heb mij vergist,” mompelde hij, »zij heeft mij niet herkend: mijne vermomming is zoo goed dat ik te spoedig begon te vreezen, het zou misschien beter zijn om te blijven. Maar toch, neen, neen,” vervolgde hij een oogenblik later, »stellig ben ik hier niet veilig.”Hij ging eenige stappen verder en was gereed om het bosch in tegaan, toen hem op eens een zware hand op den schouder werd gelegd.Hij bleef staan en keek om.De Spinnekop stond naast hem.»Waar gaat mijn vader heen?” vroeg hem de krijgsman op een spotachtigen toon, die wel geschikt was om den Amerikaan het ergste te doen duchten; »hij heeft zich zeker vergist?”»Hoedat vergist?” antwoordde Nathan, die zich inspande om koel te blijven.»Mijn vader is bezig om het kamp uit te gaan.”»Welnu, en wat zou dat?”»Heeft mijn vader den Sachem dan niet om gastvrijheid gevraagd?”»Wel zeker.”»En waarom gaat hij dan heen?”»Wie zegt u dat ik heen ga, krijgsman?”»Maar mij dunkt dat gij al mooi op weg zijt naar het bosch.”»Dat weet ik wel, want ik ga werkelijk naar het bosch om eenige tooverkruiden te zoeken, ter bereiding van een groot geneesmiddel, dat ik den Sachem zal aanbieden om hem onkwetsbaar te maken.”»Ooah!” riep de Indiaan een paar groote oogen opzettende; »als gij hem dat eens zelf wilt gaan zeggen, twijfel ik niet of hij zal u overal vrij laten rondloopen.”»Zoo! ben ik dan uw krijgsgevangene?”»Geenszins, maar het is stellig verboden om iemand uit het kamp te laten, zonder voorafgaand verlof, en daar gij er niet aan gedacht hebt om deze gunst te verzoeken, ben ik tot mijn leedwezen genoodzaakt u te waarschuwen.”»Zeer goed! dan blijf ik; maar ik zal onthouden hoe de Comanchen de gastvrijheid verstaan.”»Mijn vader doet kwalijk dat hij dit zegt; de eer van ons volk vordert dat deze zaak onverwijld worde toegelicht. Mijn vader gelieve mij dus te volgen naar den Sachem; ik ben zeker dat dit misverstand met een paar woorden zal zijn uit den weg geruimd.”Nathan voelde dat hij in den strik was; de vleiende wijze waarop de Spinnekop de zaak behandelde stelde hem maar half gerust. Wat hij hem had voorgeslagen was alles behalve naar zijn smaak, doch daar hij begreep de zwakste te zijn en geen kans zag om op eenige wijs weg te komen, onderwierp hij zich aan de omstandigheden en besloot, ofschoon zeer tegen zijn zin, om met den Spinnekop naar de hut van den Eenhoorn terug te keeren.»Gaan wij,” zeide hij tegen den Indiaan.Nathan volgde zwijgend achter den Spinnekop.De Eenhoorn zat voor zijne hut omringd door de voornaamste opperhoofden; naast hem stond de Witte-Gazelle met de hand op haar karabijn leunende die met de kolf op den grond rustte.Toen de gewaande toovenaar aankwam, gaven de Indianen nochdoor hunne blikken noch door hunne gebaren eenig bewijs dat zij hem als zoodanig erkenden.De Amerikaan sloeg de oogen ter sluik in ’t rond.»Ik ben ingerekend!” prevelde hij binnensmonds, »zij zijn al te bedaard.”Met dat al trad hij voor hen, kruiste de armen op de borst en wachtte.De Witte-Gazelle keek op en zag hem aan met een onverbiddelijken blik.»Nathan,” sprak zij op een toon die hem schier het bloed in de aderen deed stollen, »de opperhoofden verlangen van u een van die mirakelen waarmede de toovenaars van hun stam gewoon zijn bewijs te geven van hunne geheimzinnige macht.”Aller oogen waren thans op den Amerikaan gericht en ieder wachtte met belangstelling zijn antwoord, om te zien of hij een moedig man dan wel een lafaard was. Nathan begreep dit, hij haalde verachtelijk de schouders op en antwoordde glimlachend en op laatdunkenden toon:»De Comanchen zijn honden en oude vrouwen, de jagers van mijn volk zullen hen met de zweep wegjagen. Zij die altijd zoo geslepen willen zijn hebben zich door een blanke laten bedriegen, en zonder u, nina, mag de duivel mij halen als ze mij ooit herkend zouden hebben.”»Gij erkent dus dat gij geen Indiaansch toovenaar zijt?”»Ja, zeker! Die Indiaansche buffelhuid die ik mij heb omgehangen stinkt te veel, zij weegt mij als lood op de schouders; ik werp haar af om mijn vorige kleed weder aan te nemen, dat ik nooit had moeten afleggen.”De Witte-Gazelle wendde zich om naar den Eenhoorn.»Gij ziet het, hoofdman,” zeide zij.»Ik zie het,” antwoordde hij; en vervolgde toen tegen den Amerikaan: »Is mijn broeder een krijgsman onder zijn volk?”Nathan grinnikte.»Ik,” antwoordde hij onverschrokken, »ik ben de zoon van den Roode-Ceder, den onverzoenlijken vijand van uw vervloekte ras; mijn naam is Nathan. Doet met mij wat gij verkiest, honden, maar gij zult geen klacht aan mijne lippen, geen traan aan mijne oogen, geen zucht aan mijn borst ontlokken.”Deze hooghartige woorden deden in de rijen der opperhoofden een gemompel van goedkeuring opgaan.»Ah zoo!” sprak de Eenhoorn aan wien de Gazelle iets in het oor had gezegd. »Wat kwam de zoon van den Roode-Ceder dan in het kamp der Comanchen doen?”»Ik zie geen kans om u dat te zeggen, hoofdman,” antwoordde de jongman vrijmoedig. »U kwam ik er niet zoeken,ik heb alleen door uwe liniën willen komen om te ontsnappen, anders niet.”Een ongeloovige glimlach teekende zich op de lippen der Witte-Gazelle.»Denkt Nathan dat wij kinderen zijn die zich door zulke praatjes laten misleiden?” zeide zij.»Denk er van wat gij wilt, het is mij onverschillig; ik heb u de waarheid gezegd.”»Gij zult toch niet willen ontkennen dat gij met voordacht als een toovenaar vermomd, onder uwe vijanden gekomen zijt?”»Bij den hemel! dat zegt gij met recht, nina; maar het eene is even natuurlijk als het andere, denk ik. Overigens herhaal ik u, alles is louter toeval.”»Ei! dat is zeer onwaarschijnlijk; uw vader en uwe broeders bevinden zich zeker altoos door dat zelfde toeval hier in den omtrek, niet waar?”»Wat hen betreft mag ik lijden dat de duivel mij den hals breekt, als ik weet waar zij op dit oogenblik zijn.”»Dat antwoord heb ik juist van u verwacht; ongelukkig zijn er in alle richtingen krijgslieden uitgezonden, die hen spoedig zullen weten te vinden.”»Dat denk ik niet. Overigens geef ik er niet om; kunnen zij ontsnappen des te beter voor hen, en vallen zij in uwe handen, des te erger!”»Ik behoef u zeker niet te zeggen welk lot gij te wachten hebt.”»Dat is mij sinds lang bekend: de brave Roodhuiden zullen zich waarschijnlijk amuseeren met mij levend te villen, voor een klein vuur te braden, of een of andere dergelijke vriendschappelijke bejegening. Het mag hun wel bekomen!”»En als men u eens het leven schonk, zoudt gij dan genegen zijn om te zeggen waar uw vader en uwe broeders, alsmede uw waarde vriend Fray Ambrosio zich bevinden?”»Op mijn woord van eer, neen! Ik heet wel een bandiet zonder eer of wet, dat geef ik u toe, nina, maar ik ben noch verrader noch verklikker. Regelt u daarnaar, en zoo gij benieuwd zijt om een man van mijne soort te zien sterven, noodig ik u uit mijne strafoefening bij te wonen.”»Wel?” vroeg de Eenhoorn aan de Gazelle.»Hij wil niet spreken,” antwoordde zij. »Maar al verzekert hij van neen en al toont hij groote standvastigheid, zoo zullen misschien de martelingen die gij hem wilt laten ondergaan, zijn moed aan het wankelen brengen en hem doen klappen.”»Derhalve,” hervatte het opperhoofd, »zou mijne zuster mij raden om.…”»Ik raad u,” viel zij hem met drift in de rede, »hem even onbarmhartig te behandelen als hij het anderen gedaan heeft.”»Goed.”De Eenhoorn wenkte zijne krijgslieden en zei, met vingerwijzing op den Amerikaan:»Brengt den gevangene weg, en maakt alles voor de pijniging gereed.”»Dank u!” zeide Nathan, »gij zult mij ten minste niet hooren klagen, dat is één troost.”»Wacht met uwe vroolijkheid tot gij de eerste proef hebt doorgestaan,” voegde de Gazelle hem spotachtig toe.Nathan antwoordde niet en verwijderde zich tusschen de tanden fluitende, terwijl twee krijgslieden hem weg brachten.Deze bonden hem stevig vast aan een lorkenstam en lieten hem alleen, na zich verzekerd te hebben dat hij zich niet bewegen kon en dus iedere poging tot vlucht onmogelijk was.De jongman zag hen na en liet zich op den grond vallen, onbezorgd in zich zelven prevelende:»De vermomming was toch goed, zonder dat verduivelde vrouwspersoon zou ik zeker geslaagd zijn.”

XXXI.DE WITTE-GAZELLE.

De nacht ging rustig voorbij. Zoodra de zon in het oosten verscheen, kwam in het kamp alles in beweging om zich voor de afreis gereed te maken.De paarden werden gezadeld, de gelederen geformeerd, de twee vrouwen plaatsten zich in het midden van den troep en men wachtte alleen het bevel om op weg te gaan.Nathan, die zich in alles naar zijn rol als toovenaar gedragen moest, nam een kalebas, vulde haar met water, doopte er een alsemtak in, sprengde daarmede in de vier hemelstreken onder het murmelen van eenige geheimzinnige woorden, om den geest des kwaads te verdrijven; vervolgens goot hij de kalebas ledig voor de zon, met luider stem tot driemaal toe uitroepende:»O zon! ontvang deze offerande; zie met een gunstig oog op ons neder, wij zijn uwe kinderen.”Na den afloop dezer ceremonie gingen de Indianen vroolijk op weg.De aanroeping van den gewaanden toovenaar had hun veel genoegen gedaan, te meer daar op het oogenblik van hun vertrek aan hunne rechterhand vier groote arenden met kale koppen, de breedevleugels ontplooid hadden en statig ten hemel waren gestegen tot eene verbazende hoogte, waar zij eindelijk verdwenen.De voorteekenen waren dus allergunstigst, en de heksenmeester was in de oogen der bijgeloovige Comanchen op eens een man van groot gewicht geworden.Intusschen waren er twee personen die van hem een onverwinnelijken afkeer bleven gevoelen, namelijk de Zonnestraal, en de moeder van Valentin.Onwillekeurig richtten zij telkens hare blikken op den toovenaar, die als bij instinct gevoelende dat men hem bespiedde, zich op een eerbiedigen afstand hield en aan het hoofd der karavaan naast den Spinnekop reed, met wien hij gedurig zoo zacht en zoo druk mogelijk bleef redeneeren, om hem aan de praat te houden en te verhinderen dat hij zich naar de twee vrouwen begaf, die hem natuurlijk hare vermoedens allicht hadden kunnen mededeelen.De troep reisde in den draf, te midden eener heerlijk schoone en grasrijke streek; hier en daar lagen in de vlakte groote kegelvormige rotsblokken verspreid, wier hoogte soms twee, vier, ja zelfs vijfhonderd voeten bedroeg.In het oosten verhieven zich de laatste toppen der Sierra de los Comanches, tusschen welke de reizigers thans weldra doorreden. De naakte bergspitsen, die met hunne besneeuwde kruinen den hemel schenen te trotseeren, strekten zich zeer ver noordwaarts uit, tot zij aan den gezichteinder zich vertoonden als lichte dampen, die een ongeoefend oog voor wolken zou hebben aangezien, maar door de Comanchen dadelijk werden herkend als tot de keten der Rotsbergen te behooren.Links van de karavaan en bijna loodrecht onder hare voeten, ontrolde zich tot op onmetelijken afstand de woestijn, aan den uitersten horizont door een nauwelijks zichtbare lijn van witte wolken begrensd, die aldaar de voortzetting der Rotsbergen aanwees.De Indianen stegen onophoudelijk, langs schier onbeklimbare paden, doch waar hunne paarden even stoutmoedig, vlug en vast voortgingen alsof zij klauwen aan de voeten hadden.Naarmate de troep dieper de bergen indrong, werd de lucht kouder; eindelijk, des morgens ten negen ure, na een engen bergpas tusschen twee hooge rotsen te zijn doorgereden, die met hare steile wanden de zonnestralen koesterend terugkaatsten, kwam men in een bekoorlijk dal ongeveer een mijl lang en breed, in welks midden de tenten stonden en de kampvuren van den Eenhoorn rookten.Nauwelijks hadden de op post staande ruiters de aankomst van den Spinnekop en zijn detachement geseind, of een zestigtal krijgslieden stegen te paard en reden al huppelend en springend onder het afschieten hunner geweren en aanheffen van welkomstkreten den nieuw aankomenden te gemoet, die van hun kant hunne paarden lietenmanoeuvreeren, allerlei rijkunsten vertoonden en met luide hoerahsof met scherpe en langgerekte tonen op hunne oorlogsfluiten antwoordden.Zoo trokken zij het kamp binnen en reden tot aan de tent van den Eenhoorn.Bereids van de komst der verwachte versterking onderricht, stond het opperhoofd met de armen op de borst gekruist voor zijne hut, tusschen het totem en de groote calumet.De Eenhoorn had met een snellen blik de krijgslieden reeds gadegeslagen en zoowel de twee vrouwen als den toovenaar opgemerkt die zij met zich brachten; intusschen deed hij alsof hij ze niet zag, en bleef zijn gelaat even strak als te voren. Hij wachtte bedaard af tot de Spinnekop hem van zijne zending verslag zou geven.De dappere Comanch steeg van zijn paard, wierp de teugels aan een zijner kameraden toe, kruiste de armen op de borst, en boog bij iederen stap dien hij voorwaarts trad, tot hij op korten afstand van den Sachem komende voor de laatste maal boog, zeggende:»De Spinnekop heeft zijne zending volbracht, hij heeft de voeten der gazelle gebruikt om des te sneller terug te kunnen komen.”»De Spinnekop is een beproefd krijgsman, in wien ik volkomen vertrouwen stel. Brengt hij mij het aantal jongelingen daar ik om gevraagd heb?” antwoordde de Eenhoorn.»De oudsten hebben zich rondom het raadsvuur vereenigd, en leenden het oor aan de woorden van den Spinnekop, de twintig jongelingen zijn daar, brandende van moed en strijdlust en fier dat zij zulk een beroemd hoofd als mijn vader op het oorlogspad mogen volgen.”De Eenhoorn glimlachte trotsch bij dit vleiende kompliment, maar bijna onmiddellijk de strenge uitdrukking hernemende die tot de gewone trekken van zijn gelaat behoorde, zeide hij:»Ik heb den nachtegaal hooren zingen en mijn oor is getroffen door de welluidende tonen van zijne stem. Bedrieg ik mij, of heeft hij zijn nest gebouwd onder het dichte loof der eiken of in de lorken dezer vallei.”»Mijn vader vergist zich; het is geenszins de nachtegaal dien hij hoorde zingen, het is de stem van de vriendin zijns harten die hem in ’t oor drong en hem tot in zijn binnenste deed beven,” murmelde de Zonnestraal zacht, terwijl zij bedeesd naderde.De Sachem zag zijne vrouw aan met eene mengeling van liefde en gestrengheid.»Adem mijns levens,” sprak hij, »waarom hebt gij het dorp verlaten? Is uwe plaats hier onder de krijgslieden? Mag de vrouw van een opperhoofd zich zonder verlof op het oorlogspad begeven?”De jeugdige vrouw sloeg de oogen neêr, twee vochtige parelen biggelden aan den rand harer lange wimpers.»De Eenhoorn is te streng voor zijne vrouw,” antwoordde zij droevig; »de winter nadert met rassche schreden; de hooge boomen zijnvan hunne bladeren beroofd; de sneeuw valt met dichte vlokken op de bergen: de Zonnestraal werd ongerust in hare eenzame hut, sedert vele manen reeds heeft het opperhoofd zijne vrouw verlaten, en zich van haar verwijderd; zij heeft verlangd weder te zien dien zij lief heeft.”»De Zonnestraal is de vrouw van het opperhoofd, haar hart is sterk; meermalen reeds was zij van den Eenhoorn gescheiden en altoos wachtte zij zijne wederkomst af zonder te klagen: waarom was haar gedrag heden zoo gansch anders?”De jonge vrouw greep de hand van Mme. Guillois.»De moeder van Koutonepi heeft verlangd haar zoon weder te zien,” antwoordde zij eenvoudig.Het gelaat van den Eenhoorn helderde op, zijne stem klonk zachter.»De moeder mijns broeders is welkom in het kamp van den Eenhoorn,” zeide hij met eene beleefde buiging voor de oude vrouw.»Is mijn zoon niet bij u, hoofdman?” vroeg zij nieuwsgierig.»Neen, maar mijne moeder make zich niet ongerust; zoo zij het verlangt kan zij hem voor de tweede zon wederzien.”»Dank u, hoofdman.”»Ik zal een krijgsman afzenden, om Koutonepi te waarschuwen dat zijne moeder in ons midden is.”»Ik zal zelf gaan,” riep de Spinnekop.»Goed; dat is u toegestaan. Breng mijne moeder naar mijne hut om haar de noodige rust te laten nemen.”De twee vrouwen verwijderden zich.Een enkel persoon stond nog voor den Eenhoorn, die persoon was de vermeende toovenaar.De twee mannen beschouwden elkander aandachtig.»O!” riep de Sachem, »welk gelukkig toeval voert mijn vader in mijn kamp?”»De gezanten van Wacondah gaan waar hij hun beveelt te gaan, en denken niet na over hetgeen hij wil,” antwoordde Nathan droogjes.»Dat is zoo,” hernam de Sachem; »wat verlangt mijn vader?”»Gastvrijheid voor een nacht.”»Gastvrijheid verleent men zelfs aan een vijand in de wildernis; is mijn vader zoo onbekend met de gebruiken der prairie, dat hij mij dit vraagt?” sprak de Eenhoorn met een argwanenden blik.Nathan verbeet zich.»Mijn vader heeft mijne woorden kwalijk begrepen,” zeide hij.»Het maakt weinig uit,” viel de Eenhoorn hem gebiedend in de rede, »de groote geneesheer zal den nacht in het kamp doorbrengen; een gast is den Comanchen heilig, alleen de verraders, als zij ontmaskerd zijn, worden naar verdiensten gestraft. Mijn vader kan zich verwijderen.”Nathan huiverde inwendig bij deze woorden, die hem schenen tebewijzen dat het opperhoofd hem verdacht hield en dat zijn incognito niet zoo veilig was als hij wel wenschte. Intusschen verborg hij zijne vrees in zijn hart en bewaarde zooveel mogelijk den goeden schijn.»Ik dank u,” zeide hij met eene buiging.De Eenhoorn boog insgelijks en keerde hem toen den rug toe.»Hm!” mompelde de Amerikaan in zich zelven: »ik geloof dat ik dwaas gedaan heb met mij te midden dezer duivels te begeven, het basiliscusoog van dien verwenschten hoofdman scheen mijne geheimen op mijn gelaat te lezen. Laten wij ons in acht nemen!”Onder deze beschouwingen verwijderde zich Nathan met langzamen tred, opgeheven hoofd en met al den schijn alsof hij over den uitslag van zijn onderhoud met den Eenhoorn zeer tevreden was.Juist op dit oogenblik reed een ruiter met lossen teugel de vallei binnen. Deze ruiter passeerde geen twee schreden van den Amerikaan en wisselde met hem een doordringenden blik.Nathan sidderde.»Als zij mij herkend heeft, ben ik verloren,” zeide hij.Die ruiter was de Witte-Gazelle. De Comanchen bogen voor haar toen zij hen voorbij reed; zij nam haar richting rechtstreeks naar de hut van den Eenhoorn.»Ik ben in den muil van den wolf,” mompelde Nathan, »mijne verwaandheid zal mijn ongeluk zijn. Er is één ding dat de mensch niet kan ontveinzen, en dat eene ding is zijn blik, de Gazelle kent mij te goed om zich te vergissen; laten wij zien weg te komen zoo er nog tijd voor is.”Nathan was een te wel beraden man om te wanhopen; hij liet dus geen enkel oogenblik in vruchteloos zelfbeklag verloren gaan; integendeel, met al de helderheid van geest die het gevaar aan den moedige schenkt, berekende hij in weinige sekonden de kansen op behoud die hem nog overbleven en bereidde zich voor op een wanhopigen strijd. Hij wist maar al te goed welk een gruwzame straf hem te wachten stond, om zijn leven en zijne vrijheid niet tot het uiterste te verdedigen.Zonder zich ergens op te houden, zonder zijn stap of houding te veranderen, wandelde hij voort in dezelfde richting, groette in ’t voorbijgaan de krijgslieden die hij tegenkwam, en zoo bereikte hij zonder eenige stoornis de grens van het kamp. Hij durfde niet omkijken om te zien wat er achter hem gebeurde; maar zijn geoefend oor luisterde scherp naar ieder verdacht geluid.Er scheen echter niets te gebeuren dat zijne vrees kon rechtvaardigen, het kamp bleef steeds even rustig en kalm.»Ik heb mij vergist,” mompelde hij, »zij heeft mij niet herkend: mijne vermomming is zoo goed dat ik te spoedig begon te vreezen, het zou misschien beter zijn om te blijven. Maar toch, neen, neen,” vervolgde hij een oogenblik later, »stellig ben ik hier niet veilig.”Hij ging eenige stappen verder en was gereed om het bosch in tegaan, toen hem op eens een zware hand op den schouder werd gelegd.Hij bleef staan en keek om.De Spinnekop stond naast hem.»Waar gaat mijn vader heen?” vroeg hem de krijgsman op een spotachtigen toon, die wel geschikt was om den Amerikaan het ergste te doen duchten; »hij heeft zich zeker vergist?”»Hoedat vergist?” antwoordde Nathan, die zich inspande om koel te blijven.»Mijn vader is bezig om het kamp uit te gaan.”»Welnu, en wat zou dat?”»Heeft mijn vader den Sachem dan niet om gastvrijheid gevraagd?”»Wel zeker.”»En waarom gaat hij dan heen?”»Wie zegt u dat ik heen ga, krijgsman?”»Maar mij dunkt dat gij al mooi op weg zijt naar het bosch.”»Dat weet ik wel, want ik ga werkelijk naar het bosch om eenige tooverkruiden te zoeken, ter bereiding van een groot geneesmiddel, dat ik den Sachem zal aanbieden om hem onkwetsbaar te maken.”»Ooah!” riep de Indiaan een paar groote oogen opzettende; »als gij hem dat eens zelf wilt gaan zeggen, twijfel ik niet of hij zal u overal vrij laten rondloopen.”»Zoo! ben ik dan uw krijgsgevangene?”»Geenszins, maar het is stellig verboden om iemand uit het kamp te laten, zonder voorafgaand verlof, en daar gij er niet aan gedacht hebt om deze gunst te verzoeken, ben ik tot mijn leedwezen genoodzaakt u te waarschuwen.”»Zeer goed! dan blijf ik; maar ik zal onthouden hoe de Comanchen de gastvrijheid verstaan.”»Mijn vader doet kwalijk dat hij dit zegt; de eer van ons volk vordert dat deze zaak onverwijld worde toegelicht. Mijn vader gelieve mij dus te volgen naar den Sachem; ik ben zeker dat dit misverstand met een paar woorden zal zijn uit den weg geruimd.”Nathan voelde dat hij in den strik was; de vleiende wijze waarop de Spinnekop de zaak behandelde stelde hem maar half gerust. Wat hij hem had voorgeslagen was alles behalve naar zijn smaak, doch daar hij begreep de zwakste te zijn en geen kans zag om op eenige wijs weg te komen, onderwierp hij zich aan de omstandigheden en besloot, ofschoon zeer tegen zijn zin, om met den Spinnekop naar de hut van den Eenhoorn terug te keeren.»Gaan wij,” zeide hij tegen den Indiaan.Nathan volgde zwijgend achter den Spinnekop.De Eenhoorn zat voor zijne hut omringd door de voornaamste opperhoofden; naast hem stond de Witte-Gazelle met de hand op haar karabijn leunende die met de kolf op den grond rustte.Toen de gewaande toovenaar aankwam, gaven de Indianen nochdoor hunne blikken noch door hunne gebaren eenig bewijs dat zij hem als zoodanig erkenden.De Amerikaan sloeg de oogen ter sluik in ’t rond.»Ik ben ingerekend!” prevelde hij binnensmonds, »zij zijn al te bedaard.”Met dat al trad hij voor hen, kruiste de armen op de borst en wachtte.De Witte-Gazelle keek op en zag hem aan met een onverbiddelijken blik.»Nathan,” sprak zij op een toon die hem schier het bloed in de aderen deed stollen, »de opperhoofden verlangen van u een van die mirakelen waarmede de toovenaars van hun stam gewoon zijn bewijs te geven van hunne geheimzinnige macht.”Aller oogen waren thans op den Amerikaan gericht en ieder wachtte met belangstelling zijn antwoord, om te zien of hij een moedig man dan wel een lafaard was. Nathan begreep dit, hij haalde verachtelijk de schouders op en antwoordde glimlachend en op laatdunkenden toon:»De Comanchen zijn honden en oude vrouwen, de jagers van mijn volk zullen hen met de zweep wegjagen. Zij die altijd zoo geslepen willen zijn hebben zich door een blanke laten bedriegen, en zonder u, nina, mag de duivel mij halen als ze mij ooit herkend zouden hebben.”»Gij erkent dus dat gij geen Indiaansch toovenaar zijt?”»Ja, zeker! Die Indiaansche buffelhuid die ik mij heb omgehangen stinkt te veel, zij weegt mij als lood op de schouders; ik werp haar af om mijn vorige kleed weder aan te nemen, dat ik nooit had moeten afleggen.”De Witte-Gazelle wendde zich om naar den Eenhoorn.»Gij ziet het, hoofdman,” zeide zij.»Ik zie het,” antwoordde hij; en vervolgde toen tegen den Amerikaan: »Is mijn broeder een krijgsman onder zijn volk?”Nathan grinnikte.»Ik,” antwoordde hij onverschrokken, »ik ben de zoon van den Roode-Ceder, den onverzoenlijken vijand van uw vervloekte ras; mijn naam is Nathan. Doet met mij wat gij verkiest, honden, maar gij zult geen klacht aan mijne lippen, geen traan aan mijne oogen, geen zucht aan mijn borst ontlokken.”Deze hooghartige woorden deden in de rijen der opperhoofden een gemompel van goedkeuring opgaan.»Ah zoo!” sprak de Eenhoorn aan wien de Gazelle iets in het oor had gezegd. »Wat kwam de zoon van den Roode-Ceder dan in het kamp der Comanchen doen?”»Ik zie geen kans om u dat te zeggen, hoofdman,” antwoordde de jongman vrijmoedig. »U kwam ik er niet zoeken,ik heb alleen door uwe liniën willen komen om te ontsnappen, anders niet.”Een ongeloovige glimlach teekende zich op de lippen der Witte-Gazelle.»Denkt Nathan dat wij kinderen zijn die zich door zulke praatjes laten misleiden?” zeide zij.»Denk er van wat gij wilt, het is mij onverschillig; ik heb u de waarheid gezegd.”»Gij zult toch niet willen ontkennen dat gij met voordacht als een toovenaar vermomd, onder uwe vijanden gekomen zijt?”»Bij den hemel! dat zegt gij met recht, nina; maar het eene is even natuurlijk als het andere, denk ik. Overigens herhaal ik u, alles is louter toeval.”»Ei! dat is zeer onwaarschijnlijk; uw vader en uwe broeders bevinden zich zeker altoos door dat zelfde toeval hier in den omtrek, niet waar?”»Wat hen betreft mag ik lijden dat de duivel mij den hals breekt, als ik weet waar zij op dit oogenblik zijn.”»Dat antwoord heb ik juist van u verwacht; ongelukkig zijn er in alle richtingen krijgslieden uitgezonden, die hen spoedig zullen weten te vinden.”»Dat denk ik niet. Overigens geef ik er niet om; kunnen zij ontsnappen des te beter voor hen, en vallen zij in uwe handen, des te erger!”»Ik behoef u zeker niet te zeggen welk lot gij te wachten hebt.”»Dat is mij sinds lang bekend: de brave Roodhuiden zullen zich waarschijnlijk amuseeren met mij levend te villen, voor een klein vuur te braden, of een of andere dergelijke vriendschappelijke bejegening. Het mag hun wel bekomen!”»En als men u eens het leven schonk, zoudt gij dan genegen zijn om te zeggen waar uw vader en uwe broeders, alsmede uw waarde vriend Fray Ambrosio zich bevinden?”»Op mijn woord van eer, neen! Ik heet wel een bandiet zonder eer of wet, dat geef ik u toe, nina, maar ik ben noch verrader noch verklikker. Regelt u daarnaar, en zoo gij benieuwd zijt om een man van mijne soort te zien sterven, noodig ik u uit mijne strafoefening bij te wonen.”»Wel?” vroeg de Eenhoorn aan de Gazelle.»Hij wil niet spreken,” antwoordde zij. »Maar al verzekert hij van neen en al toont hij groote standvastigheid, zoo zullen misschien de martelingen die gij hem wilt laten ondergaan, zijn moed aan het wankelen brengen en hem doen klappen.”»Derhalve,” hervatte het opperhoofd, »zou mijne zuster mij raden om.…”»Ik raad u,” viel zij hem met drift in de rede, »hem even onbarmhartig te behandelen als hij het anderen gedaan heeft.”»Goed.”De Eenhoorn wenkte zijne krijgslieden en zei, met vingerwijzing op den Amerikaan:»Brengt den gevangene weg, en maakt alles voor de pijniging gereed.”»Dank u!” zeide Nathan, »gij zult mij ten minste niet hooren klagen, dat is één troost.”»Wacht met uwe vroolijkheid tot gij de eerste proef hebt doorgestaan,” voegde de Gazelle hem spotachtig toe.Nathan antwoordde niet en verwijderde zich tusschen de tanden fluitende, terwijl twee krijgslieden hem weg brachten.Deze bonden hem stevig vast aan een lorkenstam en lieten hem alleen, na zich verzekerd te hebben dat hij zich niet bewegen kon en dus iedere poging tot vlucht onmogelijk was.De jongman zag hen na en liet zich op den grond vallen, onbezorgd in zich zelven prevelende:»De vermomming was toch goed, zonder dat verduivelde vrouwspersoon zou ik zeker geslaagd zijn.”

De nacht ging rustig voorbij. Zoodra de zon in het oosten verscheen, kwam in het kamp alles in beweging om zich voor de afreis gereed te maken.

De paarden werden gezadeld, de gelederen geformeerd, de twee vrouwen plaatsten zich in het midden van den troep en men wachtte alleen het bevel om op weg te gaan.

Nathan, die zich in alles naar zijn rol als toovenaar gedragen moest, nam een kalebas, vulde haar met water, doopte er een alsemtak in, sprengde daarmede in de vier hemelstreken onder het murmelen van eenige geheimzinnige woorden, om den geest des kwaads te verdrijven; vervolgens goot hij de kalebas ledig voor de zon, met luider stem tot driemaal toe uitroepende:

»O zon! ontvang deze offerande; zie met een gunstig oog op ons neder, wij zijn uwe kinderen.”

Na den afloop dezer ceremonie gingen de Indianen vroolijk op weg.

De aanroeping van den gewaanden toovenaar had hun veel genoegen gedaan, te meer daar op het oogenblik van hun vertrek aan hunne rechterhand vier groote arenden met kale koppen, de breedevleugels ontplooid hadden en statig ten hemel waren gestegen tot eene verbazende hoogte, waar zij eindelijk verdwenen.

De voorteekenen waren dus allergunstigst, en de heksenmeester was in de oogen der bijgeloovige Comanchen op eens een man van groot gewicht geworden.

Intusschen waren er twee personen die van hem een onverwinnelijken afkeer bleven gevoelen, namelijk de Zonnestraal, en de moeder van Valentin.

Onwillekeurig richtten zij telkens hare blikken op den toovenaar, die als bij instinct gevoelende dat men hem bespiedde, zich op een eerbiedigen afstand hield en aan het hoofd der karavaan naast den Spinnekop reed, met wien hij gedurig zoo zacht en zoo druk mogelijk bleef redeneeren, om hem aan de praat te houden en te verhinderen dat hij zich naar de twee vrouwen begaf, die hem natuurlijk hare vermoedens allicht hadden kunnen mededeelen.

De troep reisde in den draf, te midden eener heerlijk schoone en grasrijke streek; hier en daar lagen in de vlakte groote kegelvormige rotsblokken verspreid, wier hoogte soms twee, vier, ja zelfs vijfhonderd voeten bedroeg.

In het oosten verhieven zich de laatste toppen der Sierra de los Comanches, tusschen welke de reizigers thans weldra doorreden. De naakte bergspitsen, die met hunne besneeuwde kruinen den hemel schenen te trotseeren, strekten zich zeer ver noordwaarts uit, tot zij aan den gezichteinder zich vertoonden als lichte dampen, die een ongeoefend oog voor wolken zou hebben aangezien, maar door de Comanchen dadelijk werden herkend als tot de keten der Rotsbergen te behooren.

Links van de karavaan en bijna loodrecht onder hare voeten, ontrolde zich tot op onmetelijken afstand de woestijn, aan den uitersten horizont door een nauwelijks zichtbare lijn van witte wolken begrensd, die aldaar de voortzetting der Rotsbergen aanwees.

De Indianen stegen onophoudelijk, langs schier onbeklimbare paden, doch waar hunne paarden even stoutmoedig, vlug en vast voortgingen alsof zij klauwen aan de voeten hadden.

Naarmate de troep dieper de bergen indrong, werd de lucht kouder; eindelijk, des morgens ten negen ure, na een engen bergpas tusschen twee hooge rotsen te zijn doorgereden, die met hare steile wanden de zonnestralen koesterend terugkaatsten, kwam men in een bekoorlijk dal ongeveer een mijl lang en breed, in welks midden de tenten stonden en de kampvuren van den Eenhoorn rookten.

Nauwelijks hadden de op post staande ruiters de aankomst van den Spinnekop en zijn detachement geseind, of een zestigtal krijgslieden stegen te paard en reden al huppelend en springend onder het afschieten hunner geweren en aanheffen van welkomstkreten den nieuw aankomenden te gemoet, die van hun kant hunne paarden lietenmanoeuvreeren, allerlei rijkunsten vertoonden en met luide hoerahsof met scherpe en langgerekte tonen op hunne oorlogsfluiten antwoordden.

Zoo trokken zij het kamp binnen en reden tot aan de tent van den Eenhoorn.

Bereids van de komst der verwachte versterking onderricht, stond het opperhoofd met de armen op de borst gekruist voor zijne hut, tusschen het totem en de groote calumet.

De Eenhoorn had met een snellen blik de krijgslieden reeds gadegeslagen en zoowel de twee vrouwen als den toovenaar opgemerkt die zij met zich brachten; intusschen deed hij alsof hij ze niet zag, en bleef zijn gelaat even strak als te voren. Hij wachtte bedaard af tot de Spinnekop hem van zijne zending verslag zou geven.

De dappere Comanch steeg van zijn paard, wierp de teugels aan een zijner kameraden toe, kruiste de armen op de borst, en boog bij iederen stap dien hij voorwaarts trad, tot hij op korten afstand van den Sachem komende voor de laatste maal boog, zeggende:

»De Spinnekop heeft zijne zending volbracht, hij heeft de voeten der gazelle gebruikt om des te sneller terug te kunnen komen.”

»De Spinnekop is een beproefd krijgsman, in wien ik volkomen vertrouwen stel. Brengt hij mij het aantal jongelingen daar ik om gevraagd heb?” antwoordde de Eenhoorn.

»De oudsten hebben zich rondom het raadsvuur vereenigd, en leenden het oor aan de woorden van den Spinnekop, de twintig jongelingen zijn daar, brandende van moed en strijdlust en fier dat zij zulk een beroemd hoofd als mijn vader op het oorlogspad mogen volgen.”

De Eenhoorn glimlachte trotsch bij dit vleiende kompliment, maar bijna onmiddellijk de strenge uitdrukking hernemende die tot de gewone trekken van zijn gelaat behoorde, zeide hij:

»Ik heb den nachtegaal hooren zingen en mijn oor is getroffen door de welluidende tonen van zijne stem. Bedrieg ik mij, of heeft hij zijn nest gebouwd onder het dichte loof der eiken of in de lorken dezer vallei.”

»Mijn vader vergist zich; het is geenszins de nachtegaal dien hij hoorde zingen, het is de stem van de vriendin zijns harten die hem in ’t oor drong en hem tot in zijn binnenste deed beven,” murmelde de Zonnestraal zacht, terwijl zij bedeesd naderde.

De Sachem zag zijne vrouw aan met eene mengeling van liefde en gestrengheid.

»Adem mijns levens,” sprak hij, »waarom hebt gij het dorp verlaten? Is uwe plaats hier onder de krijgslieden? Mag de vrouw van een opperhoofd zich zonder verlof op het oorlogspad begeven?”

De jeugdige vrouw sloeg de oogen neêr, twee vochtige parelen biggelden aan den rand harer lange wimpers.

»De Eenhoorn is te streng voor zijne vrouw,” antwoordde zij droevig; »de winter nadert met rassche schreden; de hooge boomen zijnvan hunne bladeren beroofd; de sneeuw valt met dichte vlokken op de bergen: de Zonnestraal werd ongerust in hare eenzame hut, sedert vele manen reeds heeft het opperhoofd zijne vrouw verlaten, en zich van haar verwijderd; zij heeft verlangd weder te zien dien zij lief heeft.”

»De Zonnestraal is de vrouw van het opperhoofd, haar hart is sterk; meermalen reeds was zij van den Eenhoorn gescheiden en altoos wachtte zij zijne wederkomst af zonder te klagen: waarom was haar gedrag heden zoo gansch anders?”

De jonge vrouw greep de hand van Mme. Guillois.

»De moeder van Koutonepi heeft verlangd haar zoon weder te zien,” antwoordde zij eenvoudig.

Het gelaat van den Eenhoorn helderde op, zijne stem klonk zachter.

»De moeder mijns broeders is welkom in het kamp van den Eenhoorn,” zeide hij met eene beleefde buiging voor de oude vrouw.

»Is mijn zoon niet bij u, hoofdman?” vroeg zij nieuwsgierig.

»Neen, maar mijne moeder make zich niet ongerust; zoo zij het verlangt kan zij hem voor de tweede zon wederzien.”

»Dank u, hoofdman.”

»Ik zal een krijgsman afzenden, om Koutonepi te waarschuwen dat zijne moeder in ons midden is.”

»Ik zal zelf gaan,” riep de Spinnekop.

»Goed; dat is u toegestaan. Breng mijne moeder naar mijne hut om haar de noodige rust te laten nemen.”

De twee vrouwen verwijderden zich.

Een enkel persoon stond nog voor den Eenhoorn, die persoon was de vermeende toovenaar.

De twee mannen beschouwden elkander aandachtig.

»O!” riep de Sachem, »welk gelukkig toeval voert mijn vader in mijn kamp?”

»De gezanten van Wacondah gaan waar hij hun beveelt te gaan, en denken niet na over hetgeen hij wil,” antwoordde Nathan droogjes.

»Dat is zoo,” hernam de Sachem; »wat verlangt mijn vader?”

»Gastvrijheid voor een nacht.”

»Gastvrijheid verleent men zelfs aan een vijand in de wildernis; is mijn vader zoo onbekend met de gebruiken der prairie, dat hij mij dit vraagt?” sprak de Eenhoorn met een argwanenden blik.

Nathan verbeet zich.

»Mijn vader heeft mijne woorden kwalijk begrepen,” zeide hij.

»Het maakt weinig uit,” viel de Eenhoorn hem gebiedend in de rede, »de groote geneesheer zal den nacht in het kamp doorbrengen; een gast is den Comanchen heilig, alleen de verraders, als zij ontmaskerd zijn, worden naar verdiensten gestraft. Mijn vader kan zich verwijderen.”

Nathan huiverde inwendig bij deze woorden, die hem schenen tebewijzen dat het opperhoofd hem verdacht hield en dat zijn incognito niet zoo veilig was als hij wel wenschte. Intusschen verborg hij zijne vrees in zijn hart en bewaarde zooveel mogelijk den goeden schijn.

»Ik dank u,” zeide hij met eene buiging.

De Eenhoorn boog insgelijks en keerde hem toen den rug toe.

»Hm!” mompelde de Amerikaan in zich zelven: »ik geloof dat ik dwaas gedaan heb met mij te midden dezer duivels te begeven, het basiliscusoog van dien verwenschten hoofdman scheen mijne geheimen op mijn gelaat te lezen. Laten wij ons in acht nemen!”

Onder deze beschouwingen verwijderde zich Nathan met langzamen tred, opgeheven hoofd en met al den schijn alsof hij over den uitslag van zijn onderhoud met den Eenhoorn zeer tevreden was.

Juist op dit oogenblik reed een ruiter met lossen teugel de vallei binnen. Deze ruiter passeerde geen twee schreden van den Amerikaan en wisselde met hem een doordringenden blik.

Nathan sidderde.

»Als zij mij herkend heeft, ben ik verloren,” zeide hij.

Die ruiter was de Witte-Gazelle. De Comanchen bogen voor haar toen zij hen voorbij reed; zij nam haar richting rechtstreeks naar de hut van den Eenhoorn.

»Ik ben in den muil van den wolf,” mompelde Nathan, »mijne verwaandheid zal mijn ongeluk zijn. Er is één ding dat de mensch niet kan ontveinzen, en dat eene ding is zijn blik, de Gazelle kent mij te goed om zich te vergissen; laten wij zien weg te komen zoo er nog tijd voor is.”

Nathan was een te wel beraden man om te wanhopen; hij liet dus geen enkel oogenblik in vruchteloos zelfbeklag verloren gaan; integendeel, met al de helderheid van geest die het gevaar aan den moedige schenkt, berekende hij in weinige sekonden de kansen op behoud die hem nog overbleven en bereidde zich voor op een wanhopigen strijd. Hij wist maar al te goed welk een gruwzame straf hem te wachten stond, om zijn leven en zijne vrijheid niet tot het uiterste te verdedigen.

Zonder zich ergens op te houden, zonder zijn stap of houding te veranderen, wandelde hij voort in dezelfde richting, groette in ’t voorbijgaan de krijgslieden die hij tegenkwam, en zoo bereikte hij zonder eenige stoornis de grens van het kamp. Hij durfde niet omkijken om te zien wat er achter hem gebeurde; maar zijn geoefend oor luisterde scherp naar ieder verdacht geluid.

Er scheen echter niets te gebeuren dat zijne vrees kon rechtvaardigen, het kamp bleef steeds even rustig en kalm.

»Ik heb mij vergist,” mompelde hij, »zij heeft mij niet herkend: mijne vermomming is zoo goed dat ik te spoedig begon te vreezen, het zou misschien beter zijn om te blijven. Maar toch, neen, neen,” vervolgde hij een oogenblik later, »stellig ben ik hier niet veilig.”

Hij ging eenige stappen verder en was gereed om het bosch in tegaan, toen hem op eens een zware hand op den schouder werd gelegd.

Hij bleef staan en keek om.

De Spinnekop stond naast hem.

»Waar gaat mijn vader heen?” vroeg hem de krijgsman op een spotachtigen toon, die wel geschikt was om den Amerikaan het ergste te doen duchten; »hij heeft zich zeker vergist?”

»Hoedat vergist?” antwoordde Nathan, die zich inspande om koel te blijven.

»Mijn vader is bezig om het kamp uit te gaan.”

»Welnu, en wat zou dat?”

»Heeft mijn vader den Sachem dan niet om gastvrijheid gevraagd?”

»Wel zeker.”

»En waarom gaat hij dan heen?”

»Wie zegt u dat ik heen ga, krijgsman?”

»Maar mij dunkt dat gij al mooi op weg zijt naar het bosch.”

»Dat weet ik wel, want ik ga werkelijk naar het bosch om eenige tooverkruiden te zoeken, ter bereiding van een groot geneesmiddel, dat ik den Sachem zal aanbieden om hem onkwetsbaar te maken.”

»Ooah!” riep de Indiaan een paar groote oogen opzettende; »als gij hem dat eens zelf wilt gaan zeggen, twijfel ik niet of hij zal u overal vrij laten rondloopen.”

»Zoo! ben ik dan uw krijgsgevangene?”

»Geenszins, maar het is stellig verboden om iemand uit het kamp te laten, zonder voorafgaand verlof, en daar gij er niet aan gedacht hebt om deze gunst te verzoeken, ben ik tot mijn leedwezen genoodzaakt u te waarschuwen.”

»Zeer goed! dan blijf ik; maar ik zal onthouden hoe de Comanchen de gastvrijheid verstaan.”

»Mijn vader doet kwalijk dat hij dit zegt; de eer van ons volk vordert dat deze zaak onverwijld worde toegelicht. Mijn vader gelieve mij dus te volgen naar den Sachem; ik ben zeker dat dit misverstand met een paar woorden zal zijn uit den weg geruimd.”

Nathan voelde dat hij in den strik was; de vleiende wijze waarop de Spinnekop de zaak behandelde stelde hem maar half gerust. Wat hij hem had voorgeslagen was alles behalve naar zijn smaak, doch daar hij begreep de zwakste te zijn en geen kans zag om op eenige wijs weg te komen, onderwierp hij zich aan de omstandigheden en besloot, ofschoon zeer tegen zijn zin, om met den Spinnekop naar de hut van den Eenhoorn terug te keeren.

»Gaan wij,” zeide hij tegen den Indiaan.

Nathan volgde zwijgend achter den Spinnekop.

De Eenhoorn zat voor zijne hut omringd door de voornaamste opperhoofden; naast hem stond de Witte-Gazelle met de hand op haar karabijn leunende die met de kolf op den grond rustte.

Toen de gewaande toovenaar aankwam, gaven de Indianen nochdoor hunne blikken noch door hunne gebaren eenig bewijs dat zij hem als zoodanig erkenden.

De Amerikaan sloeg de oogen ter sluik in ’t rond.

»Ik ben ingerekend!” prevelde hij binnensmonds, »zij zijn al te bedaard.”

Met dat al trad hij voor hen, kruiste de armen op de borst en wachtte.

De Witte-Gazelle keek op en zag hem aan met een onverbiddelijken blik.

»Nathan,” sprak zij op een toon die hem schier het bloed in de aderen deed stollen, »de opperhoofden verlangen van u een van die mirakelen waarmede de toovenaars van hun stam gewoon zijn bewijs te geven van hunne geheimzinnige macht.”

Aller oogen waren thans op den Amerikaan gericht en ieder wachtte met belangstelling zijn antwoord, om te zien of hij een moedig man dan wel een lafaard was. Nathan begreep dit, hij haalde verachtelijk de schouders op en antwoordde glimlachend en op laatdunkenden toon:

»De Comanchen zijn honden en oude vrouwen, de jagers van mijn volk zullen hen met de zweep wegjagen. Zij die altijd zoo geslepen willen zijn hebben zich door een blanke laten bedriegen, en zonder u, nina, mag de duivel mij halen als ze mij ooit herkend zouden hebben.”

»Gij erkent dus dat gij geen Indiaansch toovenaar zijt?”

»Ja, zeker! Die Indiaansche buffelhuid die ik mij heb omgehangen stinkt te veel, zij weegt mij als lood op de schouders; ik werp haar af om mijn vorige kleed weder aan te nemen, dat ik nooit had moeten afleggen.”

De Witte-Gazelle wendde zich om naar den Eenhoorn.

»Gij ziet het, hoofdman,” zeide zij.

»Ik zie het,” antwoordde hij; en vervolgde toen tegen den Amerikaan: »Is mijn broeder een krijgsman onder zijn volk?”

Nathan grinnikte.

»Ik,” antwoordde hij onverschrokken, »ik ben de zoon van den Roode-Ceder, den onverzoenlijken vijand van uw vervloekte ras; mijn naam is Nathan. Doet met mij wat gij verkiest, honden, maar gij zult geen klacht aan mijne lippen, geen traan aan mijne oogen, geen zucht aan mijn borst ontlokken.”

Deze hooghartige woorden deden in de rijen der opperhoofden een gemompel van goedkeuring opgaan.

»Ah zoo!” sprak de Eenhoorn aan wien de Gazelle iets in het oor had gezegd. »Wat kwam de zoon van den Roode-Ceder dan in het kamp der Comanchen doen?”

»Ik zie geen kans om u dat te zeggen, hoofdman,” antwoordde de jongman vrijmoedig. »U kwam ik er niet zoeken,ik heb alleen door uwe liniën willen komen om te ontsnappen, anders niet.”

Een ongeloovige glimlach teekende zich op de lippen der Witte-Gazelle.

»Denkt Nathan dat wij kinderen zijn die zich door zulke praatjes laten misleiden?” zeide zij.

»Denk er van wat gij wilt, het is mij onverschillig; ik heb u de waarheid gezegd.”

»Gij zult toch niet willen ontkennen dat gij met voordacht als een toovenaar vermomd, onder uwe vijanden gekomen zijt?”

»Bij den hemel! dat zegt gij met recht, nina; maar het eene is even natuurlijk als het andere, denk ik. Overigens herhaal ik u, alles is louter toeval.”

»Ei! dat is zeer onwaarschijnlijk; uw vader en uwe broeders bevinden zich zeker altoos door dat zelfde toeval hier in den omtrek, niet waar?”

»Wat hen betreft mag ik lijden dat de duivel mij den hals breekt, als ik weet waar zij op dit oogenblik zijn.”

»Dat antwoord heb ik juist van u verwacht; ongelukkig zijn er in alle richtingen krijgslieden uitgezonden, die hen spoedig zullen weten te vinden.”

»Dat denk ik niet. Overigens geef ik er niet om; kunnen zij ontsnappen des te beter voor hen, en vallen zij in uwe handen, des te erger!”

»Ik behoef u zeker niet te zeggen welk lot gij te wachten hebt.”

»Dat is mij sinds lang bekend: de brave Roodhuiden zullen zich waarschijnlijk amuseeren met mij levend te villen, voor een klein vuur te braden, of een of andere dergelijke vriendschappelijke bejegening. Het mag hun wel bekomen!”

»En als men u eens het leven schonk, zoudt gij dan genegen zijn om te zeggen waar uw vader en uwe broeders, alsmede uw waarde vriend Fray Ambrosio zich bevinden?”

»Op mijn woord van eer, neen! Ik heet wel een bandiet zonder eer of wet, dat geef ik u toe, nina, maar ik ben noch verrader noch verklikker. Regelt u daarnaar, en zoo gij benieuwd zijt om een man van mijne soort te zien sterven, noodig ik u uit mijne strafoefening bij te wonen.”

»Wel?” vroeg de Eenhoorn aan de Gazelle.

»Hij wil niet spreken,” antwoordde zij. »Maar al verzekert hij van neen en al toont hij groote standvastigheid, zoo zullen misschien de martelingen die gij hem wilt laten ondergaan, zijn moed aan het wankelen brengen en hem doen klappen.”

»Derhalve,” hervatte het opperhoofd, »zou mijne zuster mij raden om.…”

»Ik raad u,” viel zij hem met drift in de rede, »hem even onbarmhartig te behandelen als hij het anderen gedaan heeft.”

»Goed.”

De Eenhoorn wenkte zijne krijgslieden en zei, met vingerwijzing op den Amerikaan:

»Brengt den gevangene weg, en maakt alles voor de pijniging gereed.”

»Dank u!” zeide Nathan, »gij zult mij ten minste niet hooren klagen, dat is één troost.”

»Wacht met uwe vroolijkheid tot gij de eerste proef hebt doorgestaan,” voegde de Gazelle hem spotachtig toe.

Nathan antwoordde niet en verwijderde zich tusschen de tanden fluitende, terwijl twee krijgslieden hem weg brachten.

Deze bonden hem stevig vast aan een lorkenstam en lieten hem alleen, na zich verzekerd te hebben dat hij zich niet bewegen kon en dus iedere poging tot vlucht onmogelijk was.

De jongman zag hen na en liet zich op den grond vallen, onbezorgd in zich zelven prevelende:

»De vermomming was toch goed, zonder dat verduivelde vrouwspersoon zou ik zeker geslaagd zijn.”


Back to IndexNext