XXXII.

XXXII.HOE NATHAN ZICH VERDER GEDRAAGT.Van zijn hooge standpunt boven de boomen had de Roode-Ceder gezien dat men zijn zoon aan den lorkenstam bond.Dit gezicht had hem plotseling doen stilhouden, hij bevond zich juist boven het kamp der Comanchen, eene uiterst gevaarlijke stelling, daar de geringste misstap of verkeerde beweging, door zijne tegenwoordigheid te verraden, genoeg was om zijnen ondergang te veroorzaken.Op zijn wenk kwamen Sutter en Fray Ambrosio beurtelings bij hem om de bladeren uiteen te schuiven en Nathan te zien, die zeker nergens minder aan dacht dan dat zijne kameraden, die hij den vorigen dag verlaten had, zoo dicht bij hem waren.Intusschen nam de duisternis in het boschkamp hand over hand toe en weldra waren de voorwerpen daar beneden moeielijk te onderscheiden, te meer nog door het valsche en onzekere schijnsel der vuren die van afstand tot afstand ontstoken werden.De Squatter hield niet van zijn zoon, zulk een man als hij was niet in staat om meer dan één bemind voorwerp in zijn hart op te nemen; al zijne genegenheid bepaalde zich uitsluitend tot Ellen. Het leven of de dood van Nathan ging hem als vader weinig aan; in den benarden toestand echter waarin hij zich thans geplaatst zag, betreurde hij zijn zoon als een goed kameraad, een dapper en manmoedig helper in den nood, een bekwaam schutter, kortom een persoon waarop men in een gevecht rekenen kon.Wij behoeven hier het vastberaden en besluitvaardig karakter vanden Roode-Ceder niet verder aan te wijzen, het is den lezer bekend.In de tegenwoordige omstandigheden kwam hem een denkbeeld in ’t hoofd; en ook nu zoo als altijd, wanneer hij eens zijn besluit genomen had, liet hij zich door niets terug houden en trotseerde hij ieder gevaar om het ten uitvoer te brengen.De Roode-Ceder had besloten zijn zoon te redden, niet, wij herhalen dit, uit vaderlijke liefde, maar om een knap scherpschutter te meer aan zijne zijde te tellen wanneer hij, zooals zich wel liet aanzien, genoodzaakt zou zijn te strijden.Het was echter geene gemakkelijke zaak om Nathan te redden. De jongman zelf, die niets dan den dood voor oogen had, wist allerminst dat zijn vader op zoo korten afstand zich gereed maakte om hem te helpen ontvluchten. Deze onwetendheid kon den stouten aanslag dien de Squatter in den zin had allicht doen mislukken.Laatstgenoemde, alvorens iets te beginnen, riep zijne twee kameraden tot zich en deelde hun zijn plan mede.Sutter, even waagziek en stout als zijn vader, juichte het plan volmondig toe; hij zag in dit waagstuk niets anders dan een nieuwen meesterlijken trek aan zijne vijanden de Roodhuiden gespeeld, en verheugde zich niet zoo zeer daarover dat hij zijn broeder uit hunne handen zou verlossen, als wel over het zotte figuur dat zij zouden maken, wanneer zij, op het bepaalde uur der straf hun slachtoffer komende zoeken om het aan den folterpaal te klinken hem nergens meer vinden zouden.Fray Ambrosio daarentegen bezag de zaak uit een geheel ander oogpunt: hunne stelling, zeide hij, was reeds gevaarlijk genoeg om haar, zoo te zeggen voor de aardigheid, niet nog hachelijker te maken, door een verloren man te willen redden, die als de proef mocht komen te mislukken, bovendien hun aller ondergang zou kosten, daar hunne luchtwandeling dan voor de Roodhuiden niet langer verborgen kon blijven.De debatten tusschen de drie avonturiers duurden lang en waren levendig genoeg, elk hield zijn gevoelen hardnekkig vol en zij konden het ten slotte niet eens worden, tot de Roode-Ceder, die dit wel zag, er op eens een eind aan maakte door te verklaren dat hij zich stellig had voorgenomen zijn zoon te redden, en dat hij hem zou redden, al wilden ook al de Roodhuiden van het Verre Westen er zich tegen verzetten.Tegenover zulk een beslissende uitspraak was niets anders te doen dan te zwijgen en te zwichten, hetgeen de monnik dan ook deed.De Squatter maakte nu dadelijk aanstalten om zijn plan ten uitvoer te brengen.Wij hebben reeds gezegd dat de nacht gedaald was, en weldra had dikke duisternis de gansche prairie als in een lijkkleed gehuld; de maan, die haar laatste kwartier reeds door was, zou eerst tegen twee uren na middernacht opkomen, en het was nu omstreeks acht ure;de Roode-Ceder had dus nog zes geschikte uren voor zich, die hij besloot met woeker zich ten nutte te maken.Onder zulke dringende omstandigheden, als die waarin de avonturiers zich bevonden, weegt en telt men de oogenblikken als een gierigaard zijne goudstukken, iedere verspilde minuut was in hun oog een onherstelbaar verlies.De nacht werd inmiddels nog donkerder; dikke, zwarte met onweder bezwangerde wolken dreven zwaarmoedig door het uitspansel en bedekten het schemerende sterrelicht; de lichte avondkoelte was na zonsondergang van lieverlede sterker geworden en blies thans klagend door de hooge takken van het honderdjarig geboomte.Behalve de hier en daar rondom het kamp verspreide schildwachts lagen af de Indianen rondom hunne smeulende vuren, in hunne bisonsmantels gewikkeld en gaven zich over aan diepe rust.Ook Nathan, ofschoon stevig gebonden, sliep of scheen te slapen; twee krijgslieden in zijne nabijheid geplaatst om hem te bewaken, hadden toen zij zagen dat hun gevangene zich zoo gelaten aan zijn lot onderwierp zich almede ter ruste gelegd en waren onbekommerd ingeslapen.Plotseling deed zich een licht geblaas hooren, als het geschuifel eener lint-slang, boven in den top van den boom aan welks voet de jongman nederlag. Deze opende dadelijk de oogen en wierp een zoekenden blik in het rond, zonder zich echter te verroeren uit vrees van zijne bewakers wakker te maken.Een tweede geblaas, maar langer van duur dan het eerste liet zich hooren, en bijna onmiddellijk gevolgd door een derde.Nathan hief voorzichtig het hoofd op en keek naar den top van den boom, maar het was er zoo pikdonker dat hij niets onderscheiden kon. Op hetzelfde oogenblik gleed er een koud voorwerp, daar hij echter den vorm niet van kon gissen, langs zijn voorhoofd, het bewoog zich slingerend heen en weer en sloeg eenige keeren tegen zijn aangezichtHet ding, wat het ook wezen mocht, daalde langzamerhand en viel eindelijk op de knieën van den jongman.Hij bukte voorover en bekeek het aandachtig.Het was een mes!Nathan had bijna geschreeuwd van blijdschap. Hij was dus niet door allen verlaten! Onbekende vrienden stelden belang in zijn lot en zochten hem middelen te verschaffen om zich te redden.De hoop keerde in zijn hart terug als bij den kampvechter die een oogenblik door een ontvangen slag bedwelmd, weder bijkomt en zijne krachten verzamelt om den strijd te hervatten.Zoo onverschillig is niemand, hoe onversaagd hij ook wezen mag, al heeft hij na dapperen strijd tegen het onmogelijke zijn leven voor goed en onvoorwaardelijk prijs gegeven, of, wanneer hem op weg naar de strafplaats een onverwachte straal van hoop tegenblinkt,herstelt hij zich onmiddellijk, het beeld des doods wijkt uit zijne ziel, hij richt zich op en strijdt op nieuw met wanhopigen moed om het leven te herwinnen dat hij reeds verloren waande.Zoo ging het ook met Nathan: hij richtte zich langzamerhand overeind, met den blik onafgewend naar zijne steeds onbeweeglijke wachters gericht.Men vergeve ons de wellicht al te uitvoerige beschrijving van deze bijzonderheden, maar zij zijn te waar om hier onvermeld te blijven. Op het oogenblik toen het eerste gefluit zich hooren liet, lag Nathan te snorken ofschoon hij klaar wakker was; en ook nu snorkte hij steeds voort, om door dit eentonige geluid zijne ingedommelde bewakers des te vaster in slaap te wiegen.Er was iets zonderling treffends in het voorkomen van den jongman, die met de oogen wijd open, de wenkbrauwen gefronst en een gelaat vertrokken door hoop en vrees, de koorden doorzaagde waarmede zijne ellebogen aan den boomstam gehecht waren, terwijl hij onder dit alles zoo bedaard bleef snorken alsof hij den meest gerusten slaap genoot.Met ongehoorde moeite en inspanning was het hem eindelijk gelukt het touw dat zijne beide polsen samenknelde door te snijden; thans zat hij met hetzelfde geduld dat van zijne ellebogen door te zagen.Weldra was ook dit los; het overige was niets meer, nu hij zijne handen en armen eenmaal vrij had.Binnen weinige sekonden was hij van al zijne banden ontdaan en bergde hij het mes in zijn gordel.Het koord waarmede men het mes had nedergelaten werd weder opgehaald.Nathan wachtte met onbeschrijfelijken angst.Hij zat of lag weder in zijne eerste houding en snorkte voort.Op eens ontwaakt een zijner wachters, wendt zich naar hem om rekt de door slaap verstijfde beenen, staat op, komt naar hem toe en bukt geeuwend over hem heen.Nathan bespiedde met half gesloten oogen zorgvuldig al zijne bewegingen. Toen hij zag dat het aangezicht van den Roodhuid geen twee duim ver van het zijne af was, greep de jongman hem sneller dan eene gedachte met beide handen bij de keel, en dat zoo woest, dat de Comanch dus onverhoeds aangepakt geen tijd had om te schreeuwen.De Amerikaan was met herculische spierkracht begaafd, die door de hoop op uitkomst in dit oogenblik nog verdubbeld werd. Hij klemde den hals van den Indiaan zoo vast als een bankschroef, deze worstelde als een leeuw om zich aan den doodelijken greep te ontwringen: maar te vergeefs; de ijzeren vuisten van den bandiet lieten, niet los en verstikten hem meer en meer met een langzame, welberekende, onverbiddelijke omklemming.Met uitpuilende oogen en vreeselijk verwrongen gelaatstrekken sloeg de Roodhuid eindelijk twee of driemaal werktuigelijk met de armen in de lucht, zonk in een laatsten stuip en bleef toen onbeweeglijk liggen.Hij was dood.Nathan hield hem nog eenige minuten vast om zich te verzekeren dat alles met hem gedaan was, en legde toen den krijgsman naast zich neder in eene houding alsof hij nog altoos gerust sliep.Daarop streek hij zich met de hand over het voorhoofd om er het koude zweet af te wisschen, en sloeg de oogen op naar de kruin van den boom; maar hij zag niets.Een vreeselijke gedachte schoot den jongman door het brein: zouden zijne vrienden wanhopen hem te redden, zouden zij hem aan zijn lot hebben overgelaten? Hij hijgde van angst.Evenwel, hij had immers zoo duidelijk het signaal van zijn vader gehoord; het geblaas van de lintslang was sedert lang het afgesproken sein tusschen hen om in gevaarlijke omstandigheden elkander te beroepen.Zijn vader was de man niet om een door hem begonnen werk half afgedaan te laten steken, wat er ook van komen mocht.Maar toch, de minuten verliepen en niets verkondigde den in nood zijnde dat men aan zijne bevrijding medewerkte; alles bleef doodstil.Zoo verstreek er bijna een half uur, Nathan verkeerde in eene koorts van onbeschrijfelijk ongeduld en angst.Tot op dit oogenblik was er wel is waar niemand in het kamp die de ongewone bewegingen had opgemerkt waaraan hij zich hoe gering dan ook had moeten wagen, maar het minste noodlottige toeval kon ieder oogenblik zijn ontvluchtingsplan aan het licht brengen, er behoefde slechts een enkele Indiaan, door de scherpe nachtkoude ontwaakt, op te staan en bij eene wandeling door het kamp om warm te worden hem voorbij te komen.Daar dus zijne vrienden hem schenen te vergeten, besloot de jongman zich alleen uit den nood te helpen.Vooreerst moest hij daartoe zijn tweeden bewaker zien uit den weg te ruimen. Hij legde zich plat op den grond neer, en zich steeds houdende alsof hij in diepen slaap was, kroop hij zachtjes naar den Roodhuid toe.Hij naderde hem om zoo te zeggen duim voor duim, en streep voor streep, van lieverlede, onmerkbaar, maar altijd welberekend!Eindelijk was hij geen twee passen meer van den krijgsman af, die echter zoo gerust sliep dat hij hem zonder vrees kon naderen.Nathan bedacht zich een oogenblik, vatte al zijne kracht en vlugheid te zamen, en met een sprong als een jaguar zat hij op den Indiaan met de knie op zijne borst, terwijl hij hem met de linkerhand bij de keel greep.De Comanch, oogenblikkelijk wakker wordende, spartelde geweldigom zich van den noodlottigen aangreep te ontdoen en sloeg de oogen met schrik rond.Zonder een woord te spreken, trok Nathan zijn mes en stiet het den Roodhuid diep in het hart, terwijl hij hem steeds bleef vasthouden.De krijgsman viel achterover als van den bliksem getroffen en was ontzield zonder een schreeuw of zelfs een zucht te slaken.»Zie zoo,” prevelde de bandiet zijn mes afwisschende; »dat is een goed wapen. Nu mag het gaan zoo het wil, maar ongewroken zal ik niet sterven.”Reeds den vorigen avond had Nathan, zoodra hij zag dat zijne vermomming hem niet meer dienen kon, verzocht zijne eigene kleederen weder aan te trekken, hetgeen hem was toegestaan.Het toeval wilde, dat de Indiaan, dien hij doorstoken had in het bezit was van zijn weitasch en zijne buks, de jongman nam ze nu beiden terug en slaakte een zucht van zelfvoldoening, dat hij deze voor hem zoo onwaardeerbare voorwerpen had wedergevonden en daarmede zijn woudlooperskostuum kompleet was.De tijd drong, hij moest tot iederen prijs zien weg te komen, de schildwachten verschalken en het kamp verlaten. Wat had hij te vreezen? den dood? Als hij bleef wist hij bepaald welk lot hem verbeidde: voor hem was er geen twijfelachtige keus, het was toch duizendmaal beter zijn leven in een ongelijken strijd te verliezen, dan het uur der strafoefening af te wachten.Nathan wierp een wilden blik in het rond, boog zich voorover, luisterde en laadde in stilte zijn geweer.De diepste rust bleef in het kamp heerschen.»Kom,” prevelde de jongman, »er valt hier niet te weifelen, ik moet vertrekken.”Op dit oogenblik klonk het geblaas van de lintslang op nieuw.Nathan ontroerde.»O!” riep hij, »het blijkt nu dat men mij niet verlaten heeft, zooals ik dacht.”Hij ging op den buik liggen en kroop naar den boom terug daar hij aan vastgemaakt was geweest.Er hing eene lasso tot op den grond, aan het einde dier lasso waren twee dubbele knoopen gemaakt, die de matrozen een stoel noemen, van welke de eene helft onder de heupen door gaat, terwijl de andere de borst ondersteunt.»Caramba!” mompelde hij, »zoo iets weet de oude alleen te verzinnen. Nu zullen wij die honden van Roodhuiden nooit schooner trek hebben gespeeld! Hebben ze mij niet voor een toovenaar willen houden, nu zullen ze wel moeten, want ik daag hen uit om mijn spoor te vinden!”Onder het houden van deze alleenspraak, had de Amerikaan zich reeds op het stoeltje geplaatst.De lasso, door een krachtige hand opgehaald, begon snel te stijgenen Nathan verdween weldra tusschen het dichte loof van den lorkenboom.Toen hij de eerste takken voorbij was, omtrent dertig voet boven den grond, ontdeed de jongman zich van de lasso; werkte zich met behulp van handen en voeten naar boven, en was binnen weinig minuten veilig bij zijne kameraden.»Oef!” bromde hij twee- of driemaal met kracht adem halende, terwijl hij het zweet afwischte dat hem van het aangezichtgutste. »Nu kan ik ten minste zeggen dat ik op een voorbeeldelooze wijze den dans ben ontsnapt. Ik dank er u allen voor, want bij mijne ziel! zonder u was ik dood geweest.”»Al komplimenten genoeg,” antwoordde de oude Squatter, »wij hebben geen tijd voor saletpraatjes. Hm! gij zult hier toch niet lang willen blijven.”»Te duivel, dat zou ik denken; ik ben tot uwe orders, welken kant moeten wij uit?”»Dien kant,” zei de Roode-Ceder den arm uitstrekkende in de richting van het kamp.»Wat duivel!” riep Nathan met drift, »zijt gij waanzinnig, of hebt gij mij alleen willen redden om mij des te schooner aan onze vijanden over te leveren?”»Wat meent gij daarmede?”»Iets dat gij zelf zoo goed zoudt zien als ik, wanneer het dag was: namelijk dat het bosch aan dien kant geen honderd passen verder, plotseling eindigt aan den rand van een onpeilbare quebrada.”»O wee!” zei de Squatter, terwijl zijn voorhoofd zich donker samentrok, »wat dan gedaan?”»Teruggekeerd, omtrent een half uur ver en dan linksaf gaan. Ik heb sedert ik u verliet genoeg van het land gezien om mij ten minste in ’t ruwe het beloop der bergen te herinneren; maar, zooals gij zegt, het eerste wat wij op het oogenblik te doen hebben is ons van hier te verwijderen.”»Te meer daar de maan terstond zal opkomen,” merkte Sutter aan, »en als dan de Roodhuiden bij ongeluk merkten dat Nathan gevlucht is kregen zij ons dadelijk in den neus.”»Knap gezegd,” riep Nathan; »op weg!”»Op weg!” herhaalden de anderen.De Roode-Ceder stelde zich weder vooraan en begon den terugtocht.Dit ging met onbeschrijfelijk veel moeite gepaard in den donkeren nacht; iedere stap moest op den tast worden gedaan en men kon geen voet verzetten alvorens van zijn steunpunt zeker te zijn, anders liep men gevaar van tak tot tak naar beneden te storten en misschien zeventig of tachtig voet diep verpletterd op den grond neer te komen.Nauwelijks hadden zij aldus drie honderd stappen gedaan, of eenwoest geschreeuw ging achter hen op; een groot licht scheen in het bosch en dwars door de bladeren zagen de vluchtelingen de zwarte gestalten der Indianen die als dollemannen in alle richtingen liepen onder dreigend getier en misbaar.»Ei!” riep de Roode-Ceder, »de Comanchen schijnen bemerkt te hebben dat gij hen verlaten hebt.”»Dat komt mij ook zoo voor,” antwoordde Nathan, »die arme lieden kunnen zich niet troosten over mijn verlies.”»Des te meer omdat gij hen waarschijnlijk vóór uw vertrek wel eene kleine herinnering zult hebben achtergelaten.”»Wat gij zegt, vader,” riep de andere terwijl hij onder zijn jachtkiel twee bloedige haarschedels liet zien die aan zijn gordel hingen, »ik dacht aan de premie, men moet nooit verzuimen zaken te doen.”De woesteling had eer hij zich aan de lasso liet ophalen in koelen bloede zijn twee slachtoffers gescalpeerd.»Ah zoo; zijn zij daarom zoo woedend,” zei Fray Ambrosio; »gij weet wel dat de Comanchen nooit iets vergeven. Hoe hebt gij zulk een laaghartige daad kunnen begaan?”»Bemoei u met uw eigen zaken,señorpadre,” zei Nathan forsch; »en laat mij doen wat ik wil, of ik zend u met een kolfstoot als mijn plaatsvervanger naar beneden.”De monnik beet zich de lippen.»Wild beest!” bromde hij.»Kom, houd nu stil voor den duivel!” zei de Roode-Ceder; »laten wij liever denken om weg te komen.”»Wel ja,” voegde Sutter er bij, »als wij weder veilig zijn kunt gij elkander voldoening geven als echte caballeros. Maar in deze oogenblikken hebben wij wel wat anders te doen dan te kijven als oude vrouwen.”De twee mannen wisselden een blik van haat, maar hielden zich stil.De troep trok verder, onder geleide van den Roode-Ceder en vervolgd door het geschreeuw der Comanchen, die al meer en meer naderden.»Zouden zij waarlijk ons spoor ontdekt hebben?” mompelde de Squatter en schudde treurig het hoofd.

XXXII.HOE NATHAN ZICH VERDER GEDRAAGT.Van zijn hooge standpunt boven de boomen had de Roode-Ceder gezien dat men zijn zoon aan den lorkenstam bond.Dit gezicht had hem plotseling doen stilhouden, hij bevond zich juist boven het kamp der Comanchen, eene uiterst gevaarlijke stelling, daar de geringste misstap of verkeerde beweging, door zijne tegenwoordigheid te verraden, genoeg was om zijnen ondergang te veroorzaken.Op zijn wenk kwamen Sutter en Fray Ambrosio beurtelings bij hem om de bladeren uiteen te schuiven en Nathan te zien, die zeker nergens minder aan dacht dan dat zijne kameraden, die hij den vorigen dag verlaten had, zoo dicht bij hem waren.Intusschen nam de duisternis in het boschkamp hand over hand toe en weldra waren de voorwerpen daar beneden moeielijk te onderscheiden, te meer nog door het valsche en onzekere schijnsel der vuren die van afstand tot afstand ontstoken werden.De Squatter hield niet van zijn zoon, zulk een man als hij was niet in staat om meer dan één bemind voorwerp in zijn hart op te nemen; al zijne genegenheid bepaalde zich uitsluitend tot Ellen. Het leven of de dood van Nathan ging hem als vader weinig aan; in den benarden toestand echter waarin hij zich thans geplaatst zag, betreurde hij zijn zoon als een goed kameraad, een dapper en manmoedig helper in den nood, een bekwaam schutter, kortom een persoon waarop men in een gevecht rekenen kon.Wij behoeven hier het vastberaden en besluitvaardig karakter vanden Roode-Ceder niet verder aan te wijzen, het is den lezer bekend.In de tegenwoordige omstandigheden kwam hem een denkbeeld in ’t hoofd; en ook nu zoo als altijd, wanneer hij eens zijn besluit genomen had, liet hij zich door niets terug houden en trotseerde hij ieder gevaar om het ten uitvoer te brengen.De Roode-Ceder had besloten zijn zoon te redden, niet, wij herhalen dit, uit vaderlijke liefde, maar om een knap scherpschutter te meer aan zijne zijde te tellen wanneer hij, zooals zich wel liet aanzien, genoodzaakt zou zijn te strijden.Het was echter geene gemakkelijke zaak om Nathan te redden. De jongman zelf, die niets dan den dood voor oogen had, wist allerminst dat zijn vader op zoo korten afstand zich gereed maakte om hem te helpen ontvluchten. Deze onwetendheid kon den stouten aanslag dien de Squatter in den zin had allicht doen mislukken.Laatstgenoemde, alvorens iets te beginnen, riep zijne twee kameraden tot zich en deelde hun zijn plan mede.Sutter, even waagziek en stout als zijn vader, juichte het plan volmondig toe; hij zag in dit waagstuk niets anders dan een nieuwen meesterlijken trek aan zijne vijanden de Roodhuiden gespeeld, en verheugde zich niet zoo zeer daarover dat hij zijn broeder uit hunne handen zou verlossen, als wel over het zotte figuur dat zij zouden maken, wanneer zij, op het bepaalde uur der straf hun slachtoffer komende zoeken om het aan den folterpaal te klinken hem nergens meer vinden zouden.Fray Ambrosio daarentegen bezag de zaak uit een geheel ander oogpunt: hunne stelling, zeide hij, was reeds gevaarlijk genoeg om haar, zoo te zeggen voor de aardigheid, niet nog hachelijker te maken, door een verloren man te willen redden, die als de proef mocht komen te mislukken, bovendien hun aller ondergang zou kosten, daar hunne luchtwandeling dan voor de Roodhuiden niet langer verborgen kon blijven.De debatten tusschen de drie avonturiers duurden lang en waren levendig genoeg, elk hield zijn gevoelen hardnekkig vol en zij konden het ten slotte niet eens worden, tot de Roode-Ceder, die dit wel zag, er op eens een eind aan maakte door te verklaren dat hij zich stellig had voorgenomen zijn zoon te redden, en dat hij hem zou redden, al wilden ook al de Roodhuiden van het Verre Westen er zich tegen verzetten.Tegenover zulk een beslissende uitspraak was niets anders te doen dan te zwijgen en te zwichten, hetgeen de monnik dan ook deed.De Squatter maakte nu dadelijk aanstalten om zijn plan ten uitvoer te brengen.Wij hebben reeds gezegd dat de nacht gedaald was, en weldra had dikke duisternis de gansche prairie als in een lijkkleed gehuld; de maan, die haar laatste kwartier reeds door was, zou eerst tegen twee uren na middernacht opkomen, en het was nu omstreeks acht ure;de Roode-Ceder had dus nog zes geschikte uren voor zich, die hij besloot met woeker zich ten nutte te maken.Onder zulke dringende omstandigheden, als die waarin de avonturiers zich bevonden, weegt en telt men de oogenblikken als een gierigaard zijne goudstukken, iedere verspilde minuut was in hun oog een onherstelbaar verlies.De nacht werd inmiddels nog donkerder; dikke, zwarte met onweder bezwangerde wolken dreven zwaarmoedig door het uitspansel en bedekten het schemerende sterrelicht; de lichte avondkoelte was na zonsondergang van lieverlede sterker geworden en blies thans klagend door de hooge takken van het honderdjarig geboomte.Behalve de hier en daar rondom het kamp verspreide schildwachts lagen af de Indianen rondom hunne smeulende vuren, in hunne bisonsmantels gewikkeld en gaven zich over aan diepe rust.Ook Nathan, ofschoon stevig gebonden, sliep of scheen te slapen; twee krijgslieden in zijne nabijheid geplaatst om hem te bewaken, hadden toen zij zagen dat hun gevangene zich zoo gelaten aan zijn lot onderwierp zich almede ter ruste gelegd en waren onbekommerd ingeslapen.Plotseling deed zich een licht geblaas hooren, als het geschuifel eener lint-slang, boven in den top van den boom aan welks voet de jongman nederlag. Deze opende dadelijk de oogen en wierp een zoekenden blik in het rond, zonder zich echter te verroeren uit vrees van zijne bewakers wakker te maken.Een tweede geblaas, maar langer van duur dan het eerste liet zich hooren, en bijna onmiddellijk gevolgd door een derde.Nathan hief voorzichtig het hoofd op en keek naar den top van den boom, maar het was er zoo pikdonker dat hij niets onderscheiden kon. Op hetzelfde oogenblik gleed er een koud voorwerp, daar hij echter den vorm niet van kon gissen, langs zijn voorhoofd, het bewoog zich slingerend heen en weer en sloeg eenige keeren tegen zijn aangezichtHet ding, wat het ook wezen mocht, daalde langzamerhand en viel eindelijk op de knieën van den jongman.Hij bukte voorover en bekeek het aandachtig.Het was een mes!Nathan had bijna geschreeuwd van blijdschap. Hij was dus niet door allen verlaten! Onbekende vrienden stelden belang in zijn lot en zochten hem middelen te verschaffen om zich te redden.De hoop keerde in zijn hart terug als bij den kampvechter die een oogenblik door een ontvangen slag bedwelmd, weder bijkomt en zijne krachten verzamelt om den strijd te hervatten.Zoo onverschillig is niemand, hoe onversaagd hij ook wezen mag, al heeft hij na dapperen strijd tegen het onmogelijke zijn leven voor goed en onvoorwaardelijk prijs gegeven, of, wanneer hem op weg naar de strafplaats een onverwachte straal van hoop tegenblinkt,herstelt hij zich onmiddellijk, het beeld des doods wijkt uit zijne ziel, hij richt zich op en strijdt op nieuw met wanhopigen moed om het leven te herwinnen dat hij reeds verloren waande.Zoo ging het ook met Nathan: hij richtte zich langzamerhand overeind, met den blik onafgewend naar zijne steeds onbeweeglijke wachters gericht.Men vergeve ons de wellicht al te uitvoerige beschrijving van deze bijzonderheden, maar zij zijn te waar om hier onvermeld te blijven. Op het oogenblik toen het eerste gefluit zich hooren liet, lag Nathan te snorken ofschoon hij klaar wakker was; en ook nu snorkte hij steeds voort, om door dit eentonige geluid zijne ingedommelde bewakers des te vaster in slaap te wiegen.Er was iets zonderling treffends in het voorkomen van den jongman, die met de oogen wijd open, de wenkbrauwen gefronst en een gelaat vertrokken door hoop en vrees, de koorden doorzaagde waarmede zijne ellebogen aan den boomstam gehecht waren, terwijl hij onder dit alles zoo bedaard bleef snorken alsof hij den meest gerusten slaap genoot.Met ongehoorde moeite en inspanning was het hem eindelijk gelukt het touw dat zijne beide polsen samenknelde door te snijden; thans zat hij met hetzelfde geduld dat van zijne ellebogen door te zagen.Weldra was ook dit los; het overige was niets meer, nu hij zijne handen en armen eenmaal vrij had.Binnen weinige sekonden was hij van al zijne banden ontdaan en bergde hij het mes in zijn gordel.Het koord waarmede men het mes had nedergelaten werd weder opgehaald.Nathan wachtte met onbeschrijfelijken angst.Hij zat of lag weder in zijne eerste houding en snorkte voort.Op eens ontwaakt een zijner wachters, wendt zich naar hem om rekt de door slaap verstijfde beenen, staat op, komt naar hem toe en bukt geeuwend over hem heen.Nathan bespiedde met half gesloten oogen zorgvuldig al zijne bewegingen. Toen hij zag dat het aangezicht van den Roodhuid geen twee duim ver van het zijne af was, greep de jongman hem sneller dan eene gedachte met beide handen bij de keel, en dat zoo woest, dat de Comanch dus onverhoeds aangepakt geen tijd had om te schreeuwen.De Amerikaan was met herculische spierkracht begaafd, die door de hoop op uitkomst in dit oogenblik nog verdubbeld werd. Hij klemde den hals van den Indiaan zoo vast als een bankschroef, deze worstelde als een leeuw om zich aan den doodelijken greep te ontwringen: maar te vergeefs; de ijzeren vuisten van den bandiet lieten, niet los en verstikten hem meer en meer met een langzame, welberekende, onverbiddelijke omklemming.Met uitpuilende oogen en vreeselijk verwrongen gelaatstrekken sloeg de Roodhuid eindelijk twee of driemaal werktuigelijk met de armen in de lucht, zonk in een laatsten stuip en bleef toen onbeweeglijk liggen.Hij was dood.Nathan hield hem nog eenige minuten vast om zich te verzekeren dat alles met hem gedaan was, en legde toen den krijgsman naast zich neder in eene houding alsof hij nog altoos gerust sliep.Daarop streek hij zich met de hand over het voorhoofd om er het koude zweet af te wisschen, en sloeg de oogen op naar de kruin van den boom; maar hij zag niets.Een vreeselijke gedachte schoot den jongman door het brein: zouden zijne vrienden wanhopen hem te redden, zouden zij hem aan zijn lot hebben overgelaten? Hij hijgde van angst.Evenwel, hij had immers zoo duidelijk het signaal van zijn vader gehoord; het geblaas van de lintslang was sedert lang het afgesproken sein tusschen hen om in gevaarlijke omstandigheden elkander te beroepen.Zijn vader was de man niet om een door hem begonnen werk half afgedaan te laten steken, wat er ook van komen mocht.Maar toch, de minuten verliepen en niets verkondigde den in nood zijnde dat men aan zijne bevrijding medewerkte; alles bleef doodstil.Zoo verstreek er bijna een half uur, Nathan verkeerde in eene koorts van onbeschrijfelijk ongeduld en angst.Tot op dit oogenblik was er wel is waar niemand in het kamp die de ongewone bewegingen had opgemerkt waaraan hij zich hoe gering dan ook had moeten wagen, maar het minste noodlottige toeval kon ieder oogenblik zijn ontvluchtingsplan aan het licht brengen, er behoefde slechts een enkele Indiaan, door de scherpe nachtkoude ontwaakt, op te staan en bij eene wandeling door het kamp om warm te worden hem voorbij te komen.Daar dus zijne vrienden hem schenen te vergeten, besloot de jongman zich alleen uit den nood te helpen.Vooreerst moest hij daartoe zijn tweeden bewaker zien uit den weg te ruimen. Hij legde zich plat op den grond neer, en zich steeds houdende alsof hij in diepen slaap was, kroop hij zachtjes naar den Roodhuid toe.Hij naderde hem om zoo te zeggen duim voor duim, en streep voor streep, van lieverlede, onmerkbaar, maar altijd welberekend!Eindelijk was hij geen twee passen meer van den krijgsman af, die echter zoo gerust sliep dat hij hem zonder vrees kon naderen.Nathan bedacht zich een oogenblik, vatte al zijne kracht en vlugheid te zamen, en met een sprong als een jaguar zat hij op den Indiaan met de knie op zijne borst, terwijl hij hem met de linkerhand bij de keel greep.De Comanch, oogenblikkelijk wakker wordende, spartelde geweldigom zich van den noodlottigen aangreep te ontdoen en sloeg de oogen met schrik rond.Zonder een woord te spreken, trok Nathan zijn mes en stiet het den Roodhuid diep in het hart, terwijl hij hem steeds bleef vasthouden.De krijgsman viel achterover als van den bliksem getroffen en was ontzield zonder een schreeuw of zelfs een zucht te slaken.»Zie zoo,” prevelde de bandiet zijn mes afwisschende; »dat is een goed wapen. Nu mag het gaan zoo het wil, maar ongewroken zal ik niet sterven.”Reeds den vorigen avond had Nathan, zoodra hij zag dat zijne vermomming hem niet meer dienen kon, verzocht zijne eigene kleederen weder aan te trekken, hetgeen hem was toegestaan.Het toeval wilde, dat de Indiaan, dien hij doorstoken had in het bezit was van zijn weitasch en zijne buks, de jongman nam ze nu beiden terug en slaakte een zucht van zelfvoldoening, dat hij deze voor hem zoo onwaardeerbare voorwerpen had wedergevonden en daarmede zijn woudlooperskostuum kompleet was.De tijd drong, hij moest tot iederen prijs zien weg te komen, de schildwachten verschalken en het kamp verlaten. Wat had hij te vreezen? den dood? Als hij bleef wist hij bepaald welk lot hem verbeidde: voor hem was er geen twijfelachtige keus, het was toch duizendmaal beter zijn leven in een ongelijken strijd te verliezen, dan het uur der strafoefening af te wachten.Nathan wierp een wilden blik in het rond, boog zich voorover, luisterde en laadde in stilte zijn geweer.De diepste rust bleef in het kamp heerschen.»Kom,” prevelde de jongman, »er valt hier niet te weifelen, ik moet vertrekken.”Op dit oogenblik klonk het geblaas van de lintslang op nieuw.Nathan ontroerde.»O!” riep hij, »het blijkt nu dat men mij niet verlaten heeft, zooals ik dacht.”Hij ging op den buik liggen en kroop naar den boom terug daar hij aan vastgemaakt was geweest.Er hing eene lasso tot op den grond, aan het einde dier lasso waren twee dubbele knoopen gemaakt, die de matrozen een stoel noemen, van welke de eene helft onder de heupen door gaat, terwijl de andere de borst ondersteunt.»Caramba!” mompelde hij, »zoo iets weet de oude alleen te verzinnen. Nu zullen wij die honden van Roodhuiden nooit schooner trek hebben gespeeld! Hebben ze mij niet voor een toovenaar willen houden, nu zullen ze wel moeten, want ik daag hen uit om mijn spoor te vinden!”Onder het houden van deze alleenspraak, had de Amerikaan zich reeds op het stoeltje geplaatst.De lasso, door een krachtige hand opgehaald, begon snel te stijgenen Nathan verdween weldra tusschen het dichte loof van den lorkenboom.Toen hij de eerste takken voorbij was, omtrent dertig voet boven den grond, ontdeed de jongman zich van de lasso; werkte zich met behulp van handen en voeten naar boven, en was binnen weinig minuten veilig bij zijne kameraden.»Oef!” bromde hij twee- of driemaal met kracht adem halende, terwijl hij het zweet afwischte dat hem van het aangezichtgutste. »Nu kan ik ten minste zeggen dat ik op een voorbeeldelooze wijze den dans ben ontsnapt. Ik dank er u allen voor, want bij mijne ziel! zonder u was ik dood geweest.”»Al komplimenten genoeg,” antwoordde de oude Squatter, »wij hebben geen tijd voor saletpraatjes. Hm! gij zult hier toch niet lang willen blijven.”»Te duivel, dat zou ik denken; ik ben tot uwe orders, welken kant moeten wij uit?”»Dien kant,” zei de Roode-Ceder den arm uitstrekkende in de richting van het kamp.»Wat duivel!” riep Nathan met drift, »zijt gij waanzinnig, of hebt gij mij alleen willen redden om mij des te schooner aan onze vijanden over te leveren?”»Wat meent gij daarmede?”»Iets dat gij zelf zoo goed zoudt zien als ik, wanneer het dag was: namelijk dat het bosch aan dien kant geen honderd passen verder, plotseling eindigt aan den rand van een onpeilbare quebrada.”»O wee!” zei de Squatter, terwijl zijn voorhoofd zich donker samentrok, »wat dan gedaan?”»Teruggekeerd, omtrent een half uur ver en dan linksaf gaan. Ik heb sedert ik u verliet genoeg van het land gezien om mij ten minste in ’t ruwe het beloop der bergen te herinneren; maar, zooals gij zegt, het eerste wat wij op het oogenblik te doen hebben is ons van hier te verwijderen.”»Te meer daar de maan terstond zal opkomen,” merkte Sutter aan, »en als dan de Roodhuiden bij ongeluk merkten dat Nathan gevlucht is kregen zij ons dadelijk in den neus.”»Knap gezegd,” riep Nathan; »op weg!”»Op weg!” herhaalden de anderen.De Roode-Ceder stelde zich weder vooraan en begon den terugtocht.Dit ging met onbeschrijfelijk veel moeite gepaard in den donkeren nacht; iedere stap moest op den tast worden gedaan en men kon geen voet verzetten alvorens van zijn steunpunt zeker te zijn, anders liep men gevaar van tak tot tak naar beneden te storten en misschien zeventig of tachtig voet diep verpletterd op den grond neer te komen.Nauwelijks hadden zij aldus drie honderd stappen gedaan, of eenwoest geschreeuw ging achter hen op; een groot licht scheen in het bosch en dwars door de bladeren zagen de vluchtelingen de zwarte gestalten der Indianen die als dollemannen in alle richtingen liepen onder dreigend getier en misbaar.»Ei!” riep de Roode-Ceder, »de Comanchen schijnen bemerkt te hebben dat gij hen verlaten hebt.”»Dat komt mij ook zoo voor,” antwoordde Nathan, »die arme lieden kunnen zich niet troosten over mijn verlies.”»Des te meer omdat gij hen waarschijnlijk vóór uw vertrek wel eene kleine herinnering zult hebben achtergelaten.”»Wat gij zegt, vader,” riep de andere terwijl hij onder zijn jachtkiel twee bloedige haarschedels liet zien die aan zijn gordel hingen, »ik dacht aan de premie, men moet nooit verzuimen zaken te doen.”De woesteling had eer hij zich aan de lasso liet ophalen in koelen bloede zijn twee slachtoffers gescalpeerd.»Ah zoo; zijn zij daarom zoo woedend,” zei Fray Ambrosio; »gij weet wel dat de Comanchen nooit iets vergeven. Hoe hebt gij zulk een laaghartige daad kunnen begaan?”»Bemoei u met uw eigen zaken,señorpadre,” zei Nathan forsch; »en laat mij doen wat ik wil, of ik zend u met een kolfstoot als mijn plaatsvervanger naar beneden.”De monnik beet zich de lippen.»Wild beest!” bromde hij.»Kom, houd nu stil voor den duivel!” zei de Roode-Ceder; »laten wij liever denken om weg te komen.”»Wel ja,” voegde Sutter er bij, »als wij weder veilig zijn kunt gij elkander voldoening geven als echte caballeros. Maar in deze oogenblikken hebben wij wel wat anders te doen dan te kijven als oude vrouwen.”De twee mannen wisselden een blik van haat, maar hielden zich stil.De troep trok verder, onder geleide van den Roode-Ceder en vervolgd door het geschreeuw der Comanchen, die al meer en meer naderden.»Zouden zij waarlijk ons spoor ontdekt hebben?” mompelde de Squatter en schudde treurig het hoofd.

XXXII.HOE NATHAN ZICH VERDER GEDRAAGT.

Van zijn hooge standpunt boven de boomen had de Roode-Ceder gezien dat men zijn zoon aan den lorkenstam bond.Dit gezicht had hem plotseling doen stilhouden, hij bevond zich juist boven het kamp der Comanchen, eene uiterst gevaarlijke stelling, daar de geringste misstap of verkeerde beweging, door zijne tegenwoordigheid te verraden, genoeg was om zijnen ondergang te veroorzaken.Op zijn wenk kwamen Sutter en Fray Ambrosio beurtelings bij hem om de bladeren uiteen te schuiven en Nathan te zien, die zeker nergens minder aan dacht dan dat zijne kameraden, die hij den vorigen dag verlaten had, zoo dicht bij hem waren.Intusschen nam de duisternis in het boschkamp hand over hand toe en weldra waren de voorwerpen daar beneden moeielijk te onderscheiden, te meer nog door het valsche en onzekere schijnsel der vuren die van afstand tot afstand ontstoken werden.De Squatter hield niet van zijn zoon, zulk een man als hij was niet in staat om meer dan één bemind voorwerp in zijn hart op te nemen; al zijne genegenheid bepaalde zich uitsluitend tot Ellen. Het leven of de dood van Nathan ging hem als vader weinig aan; in den benarden toestand echter waarin hij zich thans geplaatst zag, betreurde hij zijn zoon als een goed kameraad, een dapper en manmoedig helper in den nood, een bekwaam schutter, kortom een persoon waarop men in een gevecht rekenen kon.Wij behoeven hier het vastberaden en besluitvaardig karakter vanden Roode-Ceder niet verder aan te wijzen, het is den lezer bekend.In de tegenwoordige omstandigheden kwam hem een denkbeeld in ’t hoofd; en ook nu zoo als altijd, wanneer hij eens zijn besluit genomen had, liet hij zich door niets terug houden en trotseerde hij ieder gevaar om het ten uitvoer te brengen.De Roode-Ceder had besloten zijn zoon te redden, niet, wij herhalen dit, uit vaderlijke liefde, maar om een knap scherpschutter te meer aan zijne zijde te tellen wanneer hij, zooals zich wel liet aanzien, genoodzaakt zou zijn te strijden.Het was echter geene gemakkelijke zaak om Nathan te redden. De jongman zelf, die niets dan den dood voor oogen had, wist allerminst dat zijn vader op zoo korten afstand zich gereed maakte om hem te helpen ontvluchten. Deze onwetendheid kon den stouten aanslag dien de Squatter in den zin had allicht doen mislukken.Laatstgenoemde, alvorens iets te beginnen, riep zijne twee kameraden tot zich en deelde hun zijn plan mede.Sutter, even waagziek en stout als zijn vader, juichte het plan volmondig toe; hij zag in dit waagstuk niets anders dan een nieuwen meesterlijken trek aan zijne vijanden de Roodhuiden gespeeld, en verheugde zich niet zoo zeer daarover dat hij zijn broeder uit hunne handen zou verlossen, als wel over het zotte figuur dat zij zouden maken, wanneer zij, op het bepaalde uur der straf hun slachtoffer komende zoeken om het aan den folterpaal te klinken hem nergens meer vinden zouden.Fray Ambrosio daarentegen bezag de zaak uit een geheel ander oogpunt: hunne stelling, zeide hij, was reeds gevaarlijk genoeg om haar, zoo te zeggen voor de aardigheid, niet nog hachelijker te maken, door een verloren man te willen redden, die als de proef mocht komen te mislukken, bovendien hun aller ondergang zou kosten, daar hunne luchtwandeling dan voor de Roodhuiden niet langer verborgen kon blijven.De debatten tusschen de drie avonturiers duurden lang en waren levendig genoeg, elk hield zijn gevoelen hardnekkig vol en zij konden het ten slotte niet eens worden, tot de Roode-Ceder, die dit wel zag, er op eens een eind aan maakte door te verklaren dat hij zich stellig had voorgenomen zijn zoon te redden, en dat hij hem zou redden, al wilden ook al de Roodhuiden van het Verre Westen er zich tegen verzetten.Tegenover zulk een beslissende uitspraak was niets anders te doen dan te zwijgen en te zwichten, hetgeen de monnik dan ook deed.De Squatter maakte nu dadelijk aanstalten om zijn plan ten uitvoer te brengen.Wij hebben reeds gezegd dat de nacht gedaald was, en weldra had dikke duisternis de gansche prairie als in een lijkkleed gehuld; de maan, die haar laatste kwartier reeds door was, zou eerst tegen twee uren na middernacht opkomen, en het was nu omstreeks acht ure;de Roode-Ceder had dus nog zes geschikte uren voor zich, die hij besloot met woeker zich ten nutte te maken.Onder zulke dringende omstandigheden, als die waarin de avonturiers zich bevonden, weegt en telt men de oogenblikken als een gierigaard zijne goudstukken, iedere verspilde minuut was in hun oog een onherstelbaar verlies.De nacht werd inmiddels nog donkerder; dikke, zwarte met onweder bezwangerde wolken dreven zwaarmoedig door het uitspansel en bedekten het schemerende sterrelicht; de lichte avondkoelte was na zonsondergang van lieverlede sterker geworden en blies thans klagend door de hooge takken van het honderdjarig geboomte.Behalve de hier en daar rondom het kamp verspreide schildwachts lagen af de Indianen rondom hunne smeulende vuren, in hunne bisonsmantels gewikkeld en gaven zich over aan diepe rust.Ook Nathan, ofschoon stevig gebonden, sliep of scheen te slapen; twee krijgslieden in zijne nabijheid geplaatst om hem te bewaken, hadden toen zij zagen dat hun gevangene zich zoo gelaten aan zijn lot onderwierp zich almede ter ruste gelegd en waren onbekommerd ingeslapen.Plotseling deed zich een licht geblaas hooren, als het geschuifel eener lint-slang, boven in den top van den boom aan welks voet de jongman nederlag. Deze opende dadelijk de oogen en wierp een zoekenden blik in het rond, zonder zich echter te verroeren uit vrees van zijne bewakers wakker te maken.Een tweede geblaas, maar langer van duur dan het eerste liet zich hooren, en bijna onmiddellijk gevolgd door een derde.Nathan hief voorzichtig het hoofd op en keek naar den top van den boom, maar het was er zoo pikdonker dat hij niets onderscheiden kon. Op hetzelfde oogenblik gleed er een koud voorwerp, daar hij echter den vorm niet van kon gissen, langs zijn voorhoofd, het bewoog zich slingerend heen en weer en sloeg eenige keeren tegen zijn aangezichtHet ding, wat het ook wezen mocht, daalde langzamerhand en viel eindelijk op de knieën van den jongman.Hij bukte voorover en bekeek het aandachtig.Het was een mes!Nathan had bijna geschreeuwd van blijdschap. Hij was dus niet door allen verlaten! Onbekende vrienden stelden belang in zijn lot en zochten hem middelen te verschaffen om zich te redden.De hoop keerde in zijn hart terug als bij den kampvechter die een oogenblik door een ontvangen slag bedwelmd, weder bijkomt en zijne krachten verzamelt om den strijd te hervatten.Zoo onverschillig is niemand, hoe onversaagd hij ook wezen mag, al heeft hij na dapperen strijd tegen het onmogelijke zijn leven voor goed en onvoorwaardelijk prijs gegeven, of, wanneer hem op weg naar de strafplaats een onverwachte straal van hoop tegenblinkt,herstelt hij zich onmiddellijk, het beeld des doods wijkt uit zijne ziel, hij richt zich op en strijdt op nieuw met wanhopigen moed om het leven te herwinnen dat hij reeds verloren waande.Zoo ging het ook met Nathan: hij richtte zich langzamerhand overeind, met den blik onafgewend naar zijne steeds onbeweeglijke wachters gericht.Men vergeve ons de wellicht al te uitvoerige beschrijving van deze bijzonderheden, maar zij zijn te waar om hier onvermeld te blijven. Op het oogenblik toen het eerste gefluit zich hooren liet, lag Nathan te snorken ofschoon hij klaar wakker was; en ook nu snorkte hij steeds voort, om door dit eentonige geluid zijne ingedommelde bewakers des te vaster in slaap te wiegen.Er was iets zonderling treffends in het voorkomen van den jongman, die met de oogen wijd open, de wenkbrauwen gefronst en een gelaat vertrokken door hoop en vrees, de koorden doorzaagde waarmede zijne ellebogen aan den boomstam gehecht waren, terwijl hij onder dit alles zoo bedaard bleef snorken alsof hij den meest gerusten slaap genoot.Met ongehoorde moeite en inspanning was het hem eindelijk gelukt het touw dat zijne beide polsen samenknelde door te snijden; thans zat hij met hetzelfde geduld dat van zijne ellebogen door te zagen.Weldra was ook dit los; het overige was niets meer, nu hij zijne handen en armen eenmaal vrij had.Binnen weinige sekonden was hij van al zijne banden ontdaan en bergde hij het mes in zijn gordel.Het koord waarmede men het mes had nedergelaten werd weder opgehaald.Nathan wachtte met onbeschrijfelijken angst.Hij zat of lag weder in zijne eerste houding en snorkte voort.Op eens ontwaakt een zijner wachters, wendt zich naar hem om rekt de door slaap verstijfde beenen, staat op, komt naar hem toe en bukt geeuwend over hem heen.Nathan bespiedde met half gesloten oogen zorgvuldig al zijne bewegingen. Toen hij zag dat het aangezicht van den Roodhuid geen twee duim ver van het zijne af was, greep de jongman hem sneller dan eene gedachte met beide handen bij de keel, en dat zoo woest, dat de Comanch dus onverhoeds aangepakt geen tijd had om te schreeuwen.De Amerikaan was met herculische spierkracht begaafd, die door de hoop op uitkomst in dit oogenblik nog verdubbeld werd. Hij klemde den hals van den Indiaan zoo vast als een bankschroef, deze worstelde als een leeuw om zich aan den doodelijken greep te ontwringen: maar te vergeefs; de ijzeren vuisten van den bandiet lieten, niet los en verstikten hem meer en meer met een langzame, welberekende, onverbiddelijke omklemming.Met uitpuilende oogen en vreeselijk verwrongen gelaatstrekken sloeg de Roodhuid eindelijk twee of driemaal werktuigelijk met de armen in de lucht, zonk in een laatsten stuip en bleef toen onbeweeglijk liggen.Hij was dood.Nathan hield hem nog eenige minuten vast om zich te verzekeren dat alles met hem gedaan was, en legde toen den krijgsman naast zich neder in eene houding alsof hij nog altoos gerust sliep.Daarop streek hij zich met de hand over het voorhoofd om er het koude zweet af te wisschen, en sloeg de oogen op naar de kruin van den boom; maar hij zag niets.Een vreeselijke gedachte schoot den jongman door het brein: zouden zijne vrienden wanhopen hem te redden, zouden zij hem aan zijn lot hebben overgelaten? Hij hijgde van angst.Evenwel, hij had immers zoo duidelijk het signaal van zijn vader gehoord; het geblaas van de lintslang was sedert lang het afgesproken sein tusschen hen om in gevaarlijke omstandigheden elkander te beroepen.Zijn vader was de man niet om een door hem begonnen werk half afgedaan te laten steken, wat er ook van komen mocht.Maar toch, de minuten verliepen en niets verkondigde den in nood zijnde dat men aan zijne bevrijding medewerkte; alles bleef doodstil.Zoo verstreek er bijna een half uur, Nathan verkeerde in eene koorts van onbeschrijfelijk ongeduld en angst.Tot op dit oogenblik was er wel is waar niemand in het kamp die de ongewone bewegingen had opgemerkt waaraan hij zich hoe gering dan ook had moeten wagen, maar het minste noodlottige toeval kon ieder oogenblik zijn ontvluchtingsplan aan het licht brengen, er behoefde slechts een enkele Indiaan, door de scherpe nachtkoude ontwaakt, op te staan en bij eene wandeling door het kamp om warm te worden hem voorbij te komen.Daar dus zijne vrienden hem schenen te vergeten, besloot de jongman zich alleen uit den nood te helpen.Vooreerst moest hij daartoe zijn tweeden bewaker zien uit den weg te ruimen. Hij legde zich plat op den grond neer, en zich steeds houdende alsof hij in diepen slaap was, kroop hij zachtjes naar den Roodhuid toe.Hij naderde hem om zoo te zeggen duim voor duim, en streep voor streep, van lieverlede, onmerkbaar, maar altijd welberekend!Eindelijk was hij geen twee passen meer van den krijgsman af, die echter zoo gerust sliep dat hij hem zonder vrees kon naderen.Nathan bedacht zich een oogenblik, vatte al zijne kracht en vlugheid te zamen, en met een sprong als een jaguar zat hij op den Indiaan met de knie op zijne borst, terwijl hij hem met de linkerhand bij de keel greep.De Comanch, oogenblikkelijk wakker wordende, spartelde geweldigom zich van den noodlottigen aangreep te ontdoen en sloeg de oogen met schrik rond.Zonder een woord te spreken, trok Nathan zijn mes en stiet het den Roodhuid diep in het hart, terwijl hij hem steeds bleef vasthouden.De krijgsman viel achterover als van den bliksem getroffen en was ontzield zonder een schreeuw of zelfs een zucht te slaken.»Zie zoo,” prevelde de bandiet zijn mes afwisschende; »dat is een goed wapen. Nu mag het gaan zoo het wil, maar ongewroken zal ik niet sterven.”Reeds den vorigen avond had Nathan, zoodra hij zag dat zijne vermomming hem niet meer dienen kon, verzocht zijne eigene kleederen weder aan te trekken, hetgeen hem was toegestaan.Het toeval wilde, dat de Indiaan, dien hij doorstoken had in het bezit was van zijn weitasch en zijne buks, de jongman nam ze nu beiden terug en slaakte een zucht van zelfvoldoening, dat hij deze voor hem zoo onwaardeerbare voorwerpen had wedergevonden en daarmede zijn woudlooperskostuum kompleet was.De tijd drong, hij moest tot iederen prijs zien weg te komen, de schildwachten verschalken en het kamp verlaten. Wat had hij te vreezen? den dood? Als hij bleef wist hij bepaald welk lot hem verbeidde: voor hem was er geen twijfelachtige keus, het was toch duizendmaal beter zijn leven in een ongelijken strijd te verliezen, dan het uur der strafoefening af te wachten.Nathan wierp een wilden blik in het rond, boog zich voorover, luisterde en laadde in stilte zijn geweer.De diepste rust bleef in het kamp heerschen.»Kom,” prevelde de jongman, »er valt hier niet te weifelen, ik moet vertrekken.”Op dit oogenblik klonk het geblaas van de lintslang op nieuw.Nathan ontroerde.»O!” riep hij, »het blijkt nu dat men mij niet verlaten heeft, zooals ik dacht.”Hij ging op den buik liggen en kroop naar den boom terug daar hij aan vastgemaakt was geweest.Er hing eene lasso tot op den grond, aan het einde dier lasso waren twee dubbele knoopen gemaakt, die de matrozen een stoel noemen, van welke de eene helft onder de heupen door gaat, terwijl de andere de borst ondersteunt.»Caramba!” mompelde hij, »zoo iets weet de oude alleen te verzinnen. Nu zullen wij die honden van Roodhuiden nooit schooner trek hebben gespeeld! Hebben ze mij niet voor een toovenaar willen houden, nu zullen ze wel moeten, want ik daag hen uit om mijn spoor te vinden!”Onder het houden van deze alleenspraak, had de Amerikaan zich reeds op het stoeltje geplaatst.De lasso, door een krachtige hand opgehaald, begon snel te stijgenen Nathan verdween weldra tusschen het dichte loof van den lorkenboom.Toen hij de eerste takken voorbij was, omtrent dertig voet boven den grond, ontdeed de jongman zich van de lasso; werkte zich met behulp van handen en voeten naar boven, en was binnen weinig minuten veilig bij zijne kameraden.»Oef!” bromde hij twee- of driemaal met kracht adem halende, terwijl hij het zweet afwischte dat hem van het aangezichtgutste. »Nu kan ik ten minste zeggen dat ik op een voorbeeldelooze wijze den dans ben ontsnapt. Ik dank er u allen voor, want bij mijne ziel! zonder u was ik dood geweest.”»Al komplimenten genoeg,” antwoordde de oude Squatter, »wij hebben geen tijd voor saletpraatjes. Hm! gij zult hier toch niet lang willen blijven.”»Te duivel, dat zou ik denken; ik ben tot uwe orders, welken kant moeten wij uit?”»Dien kant,” zei de Roode-Ceder den arm uitstrekkende in de richting van het kamp.»Wat duivel!” riep Nathan met drift, »zijt gij waanzinnig, of hebt gij mij alleen willen redden om mij des te schooner aan onze vijanden over te leveren?”»Wat meent gij daarmede?”»Iets dat gij zelf zoo goed zoudt zien als ik, wanneer het dag was: namelijk dat het bosch aan dien kant geen honderd passen verder, plotseling eindigt aan den rand van een onpeilbare quebrada.”»O wee!” zei de Squatter, terwijl zijn voorhoofd zich donker samentrok, »wat dan gedaan?”»Teruggekeerd, omtrent een half uur ver en dan linksaf gaan. Ik heb sedert ik u verliet genoeg van het land gezien om mij ten minste in ’t ruwe het beloop der bergen te herinneren; maar, zooals gij zegt, het eerste wat wij op het oogenblik te doen hebben is ons van hier te verwijderen.”»Te meer daar de maan terstond zal opkomen,” merkte Sutter aan, »en als dan de Roodhuiden bij ongeluk merkten dat Nathan gevlucht is kregen zij ons dadelijk in den neus.”»Knap gezegd,” riep Nathan; »op weg!”»Op weg!” herhaalden de anderen.De Roode-Ceder stelde zich weder vooraan en begon den terugtocht.Dit ging met onbeschrijfelijk veel moeite gepaard in den donkeren nacht; iedere stap moest op den tast worden gedaan en men kon geen voet verzetten alvorens van zijn steunpunt zeker te zijn, anders liep men gevaar van tak tot tak naar beneden te storten en misschien zeventig of tachtig voet diep verpletterd op den grond neer te komen.Nauwelijks hadden zij aldus drie honderd stappen gedaan, of eenwoest geschreeuw ging achter hen op; een groot licht scheen in het bosch en dwars door de bladeren zagen de vluchtelingen de zwarte gestalten der Indianen die als dollemannen in alle richtingen liepen onder dreigend getier en misbaar.»Ei!” riep de Roode-Ceder, »de Comanchen schijnen bemerkt te hebben dat gij hen verlaten hebt.”»Dat komt mij ook zoo voor,” antwoordde Nathan, »die arme lieden kunnen zich niet troosten over mijn verlies.”»Des te meer omdat gij hen waarschijnlijk vóór uw vertrek wel eene kleine herinnering zult hebben achtergelaten.”»Wat gij zegt, vader,” riep de andere terwijl hij onder zijn jachtkiel twee bloedige haarschedels liet zien die aan zijn gordel hingen, »ik dacht aan de premie, men moet nooit verzuimen zaken te doen.”De woesteling had eer hij zich aan de lasso liet ophalen in koelen bloede zijn twee slachtoffers gescalpeerd.»Ah zoo; zijn zij daarom zoo woedend,” zei Fray Ambrosio; »gij weet wel dat de Comanchen nooit iets vergeven. Hoe hebt gij zulk een laaghartige daad kunnen begaan?”»Bemoei u met uw eigen zaken,señorpadre,” zei Nathan forsch; »en laat mij doen wat ik wil, of ik zend u met een kolfstoot als mijn plaatsvervanger naar beneden.”De monnik beet zich de lippen.»Wild beest!” bromde hij.»Kom, houd nu stil voor den duivel!” zei de Roode-Ceder; »laten wij liever denken om weg te komen.”»Wel ja,” voegde Sutter er bij, »als wij weder veilig zijn kunt gij elkander voldoening geven als echte caballeros. Maar in deze oogenblikken hebben wij wel wat anders te doen dan te kijven als oude vrouwen.”De twee mannen wisselden een blik van haat, maar hielden zich stil.De troep trok verder, onder geleide van den Roode-Ceder en vervolgd door het geschreeuw der Comanchen, die al meer en meer naderden.»Zouden zij waarlijk ons spoor ontdekt hebben?” mompelde de Squatter en schudde treurig het hoofd.

Van zijn hooge standpunt boven de boomen had de Roode-Ceder gezien dat men zijn zoon aan den lorkenstam bond.

Dit gezicht had hem plotseling doen stilhouden, hij bevond zich juist boven het kamp der Comanchen, eene uiterst gevaarlijke stelling, daar de geringste misstap of verkeerde beweging, door zijne tegenwoordigheid te verraden, genoeg was om zijnen ondergang te veroorzaken.

Op zijn wenk kwamen Sutter en Fray Ambrosio beurtelings bij hem om de bladeren uiteen te schuiven en Nathan te zien, die zeker nergens minder aan dacht dan dat zijne kameraden, die hij den vorigen dag verlaten had, zoo dicht bij hem waren.

Intusschen nam de duisternis in het boschkamp hand over hand toe en weldra waren de voorwerpen daar beneden moeielijk te onderscheiden, te meer nog door het valsche en onzekere schijnsel der vuren die van afstand tot afstand ontstoken werden.

De Squatter hield niet van zijn zoon, zulk een man als hij was niet in staat om meer dan één bemind voorwerp in zijn hart op te nemen; al zijne genegenheid bepaalde zich uitsluitend tot Ellen. Het leven of de dood van Nathan ging hem als vader weinig aan; in den benarden toestand echter waarin hij zich thans geplaatst zag, betreurde hij zijn zoon als een goed kameraad, een dapper en manmoedig helper in den nood, een bekwaam schutter, kortom een persoon waarop men in een gevecht rekenen kon.

Wij behoeven hier het vastberaden en besluitvaardig karakter vanden Roode-Ceder niet verder aan te wijzen, het is den lezer bekend.

In de tegenwoordige omstandigheden kwam hem een denkbeeld in ’t hoofd; en ook nu zoo als altijd, wanneer hij eens zijn besluit genomen had, liet hij zich door niets terug houden en trotseerde hij ieder gevaar om het ten uitvoer te brengen.

De Roode-Ceder had besloten zijn zoon te redden, niet, wij herhalen dit, uit vaderlijke liefde, maar om een knap scherpschutter te meer aan zijne zijde te tellen wanneer hij, zooals zich wel liet aanzien, genoodzaakt zou zijn te strijden.

Het was echter geene gemakkelijke zaak om Nathan te redden. De jongman zelf, die niets dan den dood voor oogen had, wist allerminst dat zijn vader op zoo korten afstand zich gereed maakte om hem te helpen ontvluchten. Deze onwetendheid kon den stouten aanslag dien de Squatter in den zin had allicht doen mislukken.

Laatstgenoemde, alvorens iets te beginnen, riep zijne twee kameraden tot zich en deelde hun zijn plan mede.

Sutter, even waagziek en stout als zijn vader, juichte het plan volmondig toe; hij zag in dit waagstuk niets anders dan een nieuwen meesterlijken trek aan zijne vijanden de Roodhuiden gespeeld, en verheugde zich niet zoo zeer daarover dat hij zijn broeder uit hunne handen zou verlossen, als wel over het zotte figuur dat zij zouden maken, wanneer zij, op het bepaalde uur der straf hun slachtoffer komende zoeken om het aan den folterpaal te klinken hem nergens meer vinden zouden.

Fray Ambrosio daarentegen bezag de zaak uit een geheel ander oogpunt: hunne stelling, zeide hij, was reeds gevaarlijk genoeg om haar, zoo te zeggen voor de aardigheid, niet nog hachelijker te maken, door een verloren man te willen redden, die als de proef mocht komen te mislukken, bovendien hun aller ondergang zou kosten, daar hunne luchtwandeling dan voor de Roodhuiden niet langer verborgen kon blijven.

De debatten tusschen de drie avonturiers duurden lang en waren levendig genoeg, elk hield zijn gevoelen hardnekkig vol en zij konden het ten slotte niet eens worden, tot de Roode-Ceder, die dit wel zag, er op eens een eind aan maakte door te verklaren dat hij zich stellig had voorgenomen zijn zoon te redden, en dat hij hem zou redden, al wilden ook al de Roodhuiden van het Verre Westen er zich tegen verzetten.

Tegenover zulk een beslissende uitspraak was niets anders te doen dan te zwijgen en te zwichten, hetgeen de monnik dan ook deed.

De Squatter maakte nu dadelijk aanstalten om zijn plan ten uitvoer te brengen.

Wij hebben reeds gezegd dat de nacht gedaald was, en weldra had dikke duisternis de gansche prairie als in een lijkkleed gehuld; de maan, die haar laatste kwartier reeds door was, zou eerst tegen twee uren na middernacht opkomen, en het was nu omstreeks acht ure;de Roode-Ceder had dus nog zes geschikte uren voor zich, die hij besloot met woeker zich ten nutte te maken.

Onder zulke dringende omstandigheden, als die waarin de avonturiers zich bevonden, weegt en telt men de oogenblikken als een gierigaard zijne goudstukken, iedere verspilde minuut was in hun oog een onherstelbaar verlies.

De nacht werd inmiddels nog donkerder; dikke, zwarte met onweder bezwangerde wolken dreven zwaarmoedig door het uitspansel en bedekten het schemerende sterrelicht; de lichte avondkoelte was na zonsondergang van lieverlede sterker geworden en blies thans klagend door de hooge takken van het honderdjarig geboomte.

Behalve de hier en daar rondom het kamp verspreide schildwachts lagen af de Indianen rondom hunne smeulende vuren, in hunne bisonsmantels gewikkeld en gaven zich over aan diepe rust.

Ook Nathan, ofschoon stevig gebonden, sliep of scheen te slapen; twee krijgslieden in zijne nabijheid geplaatst om hem te bewaken, hadden toen zij zagen dat hun gevangene zich zoo gelaten aan zijn lot onderwierp zich almede ter ruste gelegd en waren onbekommerd ingeslapen.

Plotseling deed zich een licht geblaas hooren, als het geschuifel eener lint-slang, boven in den top van den boom aan welks voet de jongman nederlag. Deze opende dadelijk de oogen en wierp een zoekenden blik in het rond, zonder zich echter te verroeren uit vrees van zijne bewakers wakker te maken.

Een tweede geblaas, maar langer van duur dan het eerste liet zich hooren, en bijna onmiddellijk gevolgd door een derde.

Nathan hief voorzichtig het hoofd op en keek naar den top van den boom, maar het was er zoo pikdonker dat hij niets onderscheiden kon. Op hetzelfde oogenblik gleed er een koud voorwerp, daar hij echter den vorm niet van kon gissen, langs zijn voorhoofd, het bewoog zich slingerend heen en weer en sloeg eenige keeren tegen zijn aangezicht

Het ding, wat het ook wezen mocht, daalde langzamerhand en viel eindelijk op de knieën van den jongman.

Hij bukte voorover en bekeek het aandachtig.

Het was een mes!

Nathan had bijna geschreeuwd van blijdschap. Hij was dus niet door allen verlaten! Onbekende vrienden stelden belang in zijn lot en zochten hem middelen te verschaffen om zich te redden.

De hoop keerde in zijn hart terug als bij den kampvechter die een oogenblik door een ontvangen slag bedwelmd, weder bijkomt en zijne krachten verzamelt om den strijd te hervatten.

Zoo onverschillig is niemand, hoe onversaagd hij ook wezen mag, al heeft hij na dapperen strijd tegen het onmogelijke zijn leven voor goed en onvoorwaardelijk prijs gegeven, of, wanneer hem op weg naar de strafplaats een onverwachte straal van hoop tegenblinkt,herstelt hij zich onmiddellijk, het beeld des doods wijkt uit zijne ziel, hij richt zich op en strijdt op nieuw met wanhopigen moed om het leven te herwinnen dat hij reeds verloren waande.

Zoo ging het ook met Nathan: hij richtte zich langzamerhand overeind, met den blik onafgewend naar zijne steeds onbeweeglijke wachters gericht.

Men vergeve ons de wellicht al te uitvoerige beschrijving van deze bijzonderheden, maar zij zijn te waar om hier onvermeld te blijven. Op het oogenblik toen het eerste gefluit zich hooren liet, lag Nathan te snorken ofschoon hij klaar wakker was; en ook nu snorkte hij steeds voort, om door dit eentonige geluid zijne ingedommelde bewakers des te vaster in slaap te wiegen.

Er was iets zonderling treffends in het voorkomen van den jongman, die met de oogen wijd open, de wenkbrauwen gefronst en een gelaat vertrokken door hoop en vrees, de koorden doorzaagde waarmede zijne ellebogen aan den boomstam gehecht waren, terwijl hij onder dit alles zoo bedaard bleef snorken alsof hij den meest gerusten slaap genoot.

Met ongehoorde moeite en inspanning was het hem eindelijk gelukt het touw dat zijne beide polsen samenknelde door te snijden; thans zat hij met hetzelfde geduld dat van zijne ellebogen door te zagen.

Weldra was ook dit los; het overige was niets meer, nu hij zijne handen en armen eenmaal vrij had.

Binnen weinige sekonden was hij van al zijne banden ontdaan en bergde hij het mes in zijn gordel.

Het koord waarmede men het mes had nedergelaten werd weder opgehaald.

Nathan wachtte met onbeschrijfelijken angst.

Hij zat of lag weder in zijne eerste houding en snorkte voort.

Op eens ontwaakt een zijner wachters, wendt zich naar hem om rekt de door slaap verstijfde beenen, staat op, komt naar hem toe en bukt geeuwend over hem heen.

Nathan bespiedde met half gesloten oogen zorgvuldig al zijne bewegingen. Toen hij zag dat het aangezicht van den Roodhuid geen twee duim ver van het zijne af was, greep de jongman hem sneller dan eene gedachte met beide handen bij de keel, en dat zoo woest, dat de Comanch dus onverhoeds aangepakt geen tijd had om te schreeuwen.

De Amerikaan was met herculische spierkracht begaafd, die door de hoop op uitkomst in dit oogenblik nog verdubbeld werd. Hij klemde den hals van den Indiaan zoo vast als een bankschroef, deze worstelde als een leeuw om zich aan den doodelijken greep te ontwringen: maar te vergeefs; de ijzeren vuisten van den bandiet lieten, niet los en verstikten hem meer en meer met een langzame, welberekende, onverbiddelijke omklemming.

Met uitpuilende oogen en vreeselijk verwrongen gelaatstrekken sloeg de Roodhuid eindelijk twee of driemaal werktuigelijk met de armen in de lucht, zonk in een laatsten stuip en bleef toen onbeweeglijk liggen.

Hij was dood.

Nathan hield hem nog eenige minuten vast om zich te verzekeren dat alles met hem gedaan was, en legde toen den krijgsman naast zich neder in eene houding alsof hij nog altoos gerust sliep.

Daarop streek hij zich met de hand over het voorhoofd om er het koude zweet af te wisschen, en sloeg de oogen op naar de kruin van den boom; maar hij zag niets.

Een vreeselijke gedachte schoot den jongman door het brein: zouden zijne vrienden wanhopen hem te redden, zouden zij hem aan zijn lot hebben overgelaten? Hij hijgde van angst.

Evenwel, hij had immers zoo duidelijk het signaal van zijn vader gehoord; het geblaas van de lintslang was sedert lang het afgesproken sein tusschen hen om in gevaarlijke omstandigheden elkander te beroepen.

Zijn vader was de man niet om een door hem begonnen werk half afgedaan te laten steken, wat er ook van komen mocht.

Maar toch, de minuten verliepen en niets verkondigde den in nood zijnde dat men aan zijne bevrijding medewerkte; alles bleef doodstil.

Zoo verstreek er bijna een half uur, Nathan verkeerde in eene koorts van onbeschrijfelijk ongeduld en angst.

Tot op dit oogenblik was er wel is waar niemand in het kamp die de ongewone bewegingen had opgemerkt waaraan hij zich hoe gering dan ook had moeten wagen, maar het minste noodlottige toeval kon ieder oogenblik zijn ontvluchtingsplan aan het licht brengen, er behoefde slechts een enkele Indiaan, door de scherpe nachtkoude ontwaakt, op te staan en bij eene wandeling door het kamp om warm te worden hem voorbij te komen.

Daar dus zijne vrienden hem schenen te vergeten, besloot de jongman zich alleen uit den nood te helpen.

Vooreerst moest hij daartoe zijn tweeden bewaker zien uit den weg te ruimen. Hij legde zich plat op den grond neer, en zich steeds houdende alsof hij in diepen slaap was, kroop hij zachtjes naar den Roodhuid toe.

Hij naderde hem om zoo te zeggen duim voor duim, en streep voor streep, van lieverlede, onmerkbaar, maar altijd welberekend!

Eindelijk was hij geen twee passen meer van den krijgsman af, die echter zoo gerust sliep dat hij hem zonder vrees kon naderen.

Nathan bedacht zich een oogenblik, vatte al zijne kracht en vlugheid te zamen, en met een sprong als een jaguar zat hij op den Indiaan met de knie op zijne borst, terwijl hij hem met de linkerhand bij de keel greep.

De Comanch, oogenblikkelijk wakker wordende, spartelde geweldigom zich van den noodlottigen aangreep te ontdoen en sloeg de oogen met schrik rond.

Zonder een woord te spreken, trok Nathan zijn mes en stiet het den Roodhuid diep in het hart, terwijl hij hem steeds bleef vasthouden.

De krijgsman viel achterover als van den bliksem getroffen en was ontzield zonder een schreeuw of zelfs een zucht te slaken.

»Zie zoo,” prevelde de bandiet zijn mes afwisschende; »dat is een goed wapen. Nu mag het gaan zoo het wil, maar ongewroken zal ik niet sterven.”

Reeds den vorigen avond had Nathan, zoodra hij zag dat zijne vermomming hem niet meer dienen kon, verzocht zijne eigene kleederen weder aan te trekken, hetgeen hem was toegestaan.

Het toeval wilde, dat de Indiaan, dien hij doorstoken had in het bezit was van zijn weitasch en zijne buks, de jongman nam ze nu beiden terug en slaakte een zucht van zelfvoldoening, dat hij deze voor hem zoo onwaardeerbare voorwerpen had wedergevonden en daarmede zijn woudlooperskostuum kompleet was.

De tijd drong, hij moest tot iederen prijs zien weg te komen, de schildwachten verschalken en het kamp verlaten. Wat had hij te vreezen? den dood? Als hij bleef wist hij bepaald welk lot hem verbeidde: voor hem was er geen twijfelachtige keus, het was toch duizendmaal beter zijn leven in een ongelijken strijd te verliezen, dan het uur der strafoefening af te wachten.

Nathan wierp een wilden blik in het rond, boog zich voorover, luisterde en laadde in stilte zijn geweer.

De diepste rust bleef in het kamp heerschen.

»Kom,” prevelde de jongman, »er valt hier niet te weifelen, ik moet vertrekken.”

Op dit oogenblik klonk het geblaas van de lintslang op nieuw.

Nathan ontroerde.

»O!” riep hij, »het blijkt nu dat men mij niet verlaten heeft, zooals ik dacht.”

Hij ging op den buik liggen en kroop naar den boom terug daar hij aan vastgemaakt was geweest.

Er hing eene lasso tot op den grond, aan het einde dier lasso waren twee dubbele knoopen gemaakt, die de matrozen een stoel noemen, van welke de eene helft onder de heupen door gaat, terwijl de andere de borst ondersteunt.

»Caramba!” mompelde hij, »zoo iets weet de oude alleen te verzinnen. Nu zullen wij die honden van Roodhuiden nooit schooner trek hebben gespeeld! Hebben ze mij niet voor een toovenaar willen houden, nu zullen ze wel moeten, want ik daag hen uit om mijn spoor te vinden!”

Onder het houden van deze alleenspraak, had de Amerikaan zich reeds op het stoeltje geplaatst.

De lasso, door een krachtige hand opgehaald, begon snel te stijgenen Nathan verdween weldra tusschen het dichte loof van den lorkenboom.

Toen hij de eerste takken voorbij was, omtrent dertig voet boven den grond, ontdeed de jongman zich van de lasso; werkte zich met behulp van handen en voeten naar boven, en was binnen weinig minuten veilig bij zijne kameraden.

»Oef!” bromde hij twee- of driemaal met kracht adem halende, terwijl hij het zweet afwischte dat hem van het aangezichtgutste. »Nu kan ik ten minste zeggen dat ik op een voorbeeldelooze wijze den dans ben ontsnapt. Ik dank er u allen voor, want bij mijne ziel! zonder u was ik dood geweest.”

»Al komplimenten genoeg,” antwoordde de oude Squatter, »wij hebben geen tijd voor saletpraatjes. Hm! gij zult hier toch niet lang willen blijven.”

»Te duivel, dat zou ik denken; ik ben tot uwe orders, welken kant moeten wij uit?”

»Dien kant,” zei de Roode-Ceder den arm uitstrekkende in de richting van het kamp.

»Wat duivel!” riep Nathan met drift, »zijt gij waanzinnig, of hebt gij mij alleen willen redden om mij des te schooner aan onze vijanden over te leveren?”

»Wat meent gij daarmede?”

»Iets dat gij zelf zoo goed zoudt zien als ik, wanneer het dag was: namelijk dat het bosch aan dien kant geen honderd passen verder, plotseling eindigt aan den rand van een onpeilbare quebrada.”

»O wee!” zei de Squatter, terwijl zijn voorhoofd zich donker samentrok, »wat dan gedaan?”

»Teruggekeerd, omtrent een half uur ver en dan linksaf gaan. Ik heb sedert ik u verliet genoeg van het land gezien om mij ten minste in ’t ruwe het beloop der bergen te herinneren; maar, zooals gij zegt, het eerste wat wij op het oogenblik te doen hebben is ons van hier te verwijderen.”

»Te meer daar de maan terstond zal opkomen,” merkte Sutter aan, »en als dan de Roodhuiden bij ongeluk merkten dat Nathan gevlucht is kregen zij ons dadelijk in den neus.”

»Knap gezegd,” riep Nathan; »op weg!”

»Op weg!” herhaalden de anderen.

De Roode-Ceder stelde zich weder vooraan en begon den terugtocht.

Dit ging met onbeschrijfelijk veel moeite gepaard in den donkeren nacht; iedere stap moest op den tast worden gedaan en men kon geen voet verzetten alvorens van zijn steunpunt zeker te zijn, anders liep men gevaar van tak tot tak naar beneden te storten en misschien zeventig of tachtig voet diep verpletterd op den grond neer te komen.

Nauwelijks hadden zij aldus drie honderd stappen gedaan, of eenwoest geschreeuw ging achter hen op; een groot licht scheen in het bosch en dwars door de bladeren zagen de vluchtelingen de zwarte gestalten der Indianen die als dollemannen in alle richtingen liepen onder dreigend getier en misbaar.

»Ei!” riep de Roode-Ceder, »de Comanchen schijnen bemerkt te hebben dat gij hen verlaten hebt.”

»Dat komt mij ook zoo voor,” antwoordde Nathan, »die arme lieden kunnen zich niet troosten over mijn verlies.”

»Des te meer omdat gij hen waarschijnlijk vóór uw vertrek wel eene kleine herinnering zult hebben achtergelaten.”

»Wat gij zegt, vader,” riep de andere terwijl hij onder zijn jachtkiel twee bloedige haarschedels liet zien die aan zijn gordel hingen, »ik dacht aan de premie, men moet nooit verzuimen zaken te doen.”

De woesteling had eer hij zich aan de lasso liet ophalen in koelen bloede zijn twee slachtoffers gescalpeerd.

»Ah zoo; zijn zij daarom zoo woedend,” zei Fray Ambrosio; »gij weet wel dat de Comanchen nooit iets vergeven. Hoe hebt gij zulk een laaghartige daad kunnen begaan?”

»Bemoei u met uw eigen zaken,señorpadre,” zei Nathan forsch; »en laat mij doen wat ik wil, of ik zend u met een kolfstoot als mijn plaatsvervanger naar beneden.”

De monnik beet zich de lippen.

»Wild beest!” bromde hij.

»Kom, houd nu stil voor den duivel!” zei de Roode-Ceder; »laten wij liever denken om weg te komen.”

»Wel ja,” voegde Sutter er bij, »als wij weder veilig zijn kunt gij elkander voldoening geven als echte caballeros. Maar in deze oogenblikken hebben wij wel wat anders te doen dan te kijven als oude vrouwen.”

De twee mannen wisselden een blik van haat, maar hielden zich stil.

De troep trok verder, onder geleide van den Roode-Ceder en vervolgd door het geschreeuw der Comanchen, die al meer en meer naderden.

»Zouden zij waarlijk ons spoor ontdekt hebben?” mompelde de Squatter en schudde treurig het hoofd.


Back to IndexNext