XXXIII.

XXXIII.WIE DE SLIMSTE WAS.Wij zullen thans naar Valentin en zijne vrienden terugkeeren, die wij verlaten hebben toen zij op weg gingen om den Roode-Ceder te vervolgen.De Franschman begon eindelijk in deze zoo lang volgehouden jacht uit eerzucht en eigenliefde belang te stellen, zijn eerzucht kwamhier in ’t spel; het was de eerste maal sedert zijne komst in de prairie, dat hij stond tegenover zulk een moeielijke en fijn geslepen partij als de Roode-Ceder.Zoowel als hij, bezat ook de Squatter eene grondige kennis van het leven in het Verre Westen, alle geluiden, alle paden en schuilhoeken der prairie waren hem bekend en gemeenzaam; even als hij had hij zich bijzonder toegelegd om de listen en bedriegerijen der Indianen te leeren kennen en gebruiken en eindelijk had Valentin in hem, zoo niet zijn meester dan toch zijns gelijke gevonden. Zijne geprikkelde eigenliefde dreef hem dus om de ontknooping dezer intrigue te verhaasten, en hij nam zich stellig voor om deze zaak zoo krachtig door te zetten, dat de Roode-Ceder ondanks al zijne geslepenheid weldra in zijne handen zou vallen.Na dus, zoo als wij gezien hebben, de hoogere streken der Sierra verlaten te hebben, breidden de jagers zich waaiersgewijze uit, om zoo mogelijk door een of ander bewijs het sedert lang verloren spoor terug te vinden, volgens den bij alle woudloopers bekenden stelregel, dat de spoorzoeker die het eene eind van een spoor gevonden heeft, na verloop van eenigen tijd, ook het andere eind onfeilbaar bereiken moet.Ongelukkig echter was er geen teeken van voetstappen hoegenaamd te ontdekken; de Roode-Ceder was er ja geweest, maar zoo als men het noemt, spoorloos verdwenen.Intusschen liet Valentin zich niet ontmoedigen; hij bestudeerde het terrein, onderzocht ieder geknakte struik of grashalm met een geduld dat zich door niets liet afschrikken of vermoeien. Zijne vrienden, minder aan zulke onaangename teleurstellingen gewoon, wierpen hem te vergeefs wanhopige blikken toe; hij bleef steeds voortgaan met gebukte houding, starende naar den grond, zonder op hunne gebaren of woorden acht te slaan.Eindelijk tegen den middag, na omtrent vier uren op deze wijs te zijn voortgegaan,—moeielijke taak voorzeker!—bevonden de jagers zich op eene naakte rots. Te dezer plaats zou het eene dwaasheid geweest zijn afdruksels van voetstappen te willen zoeken, die het harde graniet niet kon opnemen. Don Miguel en zijn zoon wierpen zich op den grond, meer nog uit moedeloosheid dan van vermoeienis.Curumilla begon het hier en daar verstrooide dorre blad te verzamelen om een vuur voor het ontbijt aan te leggen.Valentin stond op zijn geweer geleund, met een gefronst voorhoofd en gespannen aandacht en keek beurtelings naar den grond en om zich heen.De plek waar de jagers hun voorloopig kampement hadden gevestigd, was een kale rots, op welke geen grasspriet groeien kon; een ontzaggelijke lorkenboom overschaduwde haar bijna geheel met zijne dichte takken.De jager bleef gestadig doorkijken en wendde den schranderen blik afwisselend naar omhoog en naar beneden, als had hij een voorgevoel dat hij op deze plaats het lang vermiste spoor zou wedervinden.Op eens humde hij welluidend en diep. Op dit signaal, dat tusschen hem en den Indiaan was afgesproken, hield Curumilla op met blad te verzamelen, richtte zich op en keek hem aan.Valentin liep terstond naar hem toe. De twee Mexicanen stonden ook op en voegden zich bij hem.»Hebt gij iets ontdekt?” vroeg don Miguel nieuwsgierig.»Neen,” antwoordde Valentin, »maar ik zal waarschijnlijk spoedig iets ontdekken.”»Hier?”»Ja hier, juist hier, ik ruik de stappen van het boschzwijn,” riep hij met een geslepen glimlach; »geloof mij, wij zullen ze spoedig zien.”Onder dit zeggen bukte de jager, raapte een handvol bladeren op en begon ze een voor een nauwkeurig te onderzoeken.»Wat zoudt gij aan dat blad kunnen zien?” mompelde don Miguel en haalde de schouders op.»Alles!” antwoordde Valentin forsch, terwijl hij zijn onderzoek voortzette.Curumilla, die op de hurken zat, maakte den grond schoon en bekeek de rots.»Ooah!” riep hij.Allen bukten.De Ulmen wees met den vinger op een kras in de rots, van omtrent tien duimen lang en niet dikker dan een haar.»Hier zijn ze doorgegaan,” hernam Valentin, »dat is voor mij zoo zeker als twee maal twee vier is; alles bewijst het mij: de voetstappen die wij vroeger ontdekt hebben en die in omgekeerden zin liepen met deze plaats, zijn er een ontegenzeggelijk bewijs van.”»Hoe kan dat?” riep don Miguel verwonderd.»Niets is eenvoudiger: de voetstappen, die u misleid hebben kunnen zulk een ouden woudlooper als mij niet bedriegen; de hiel was te diep ingedrukt, het waren ook geen geregelde stappen, maar aarzelend, nu links dan rechts, een bewijs dat zij valsch waren!”»Valsch waren!”»Geheel valsch. Weet gij wat de Roode-Ceder gedaan heeft om de richting te verbergen die hij volgde? Hij is meer dan twee mijlen ver het achterste voren geloopen.”»Zoudt gij dat denken?”»Ik ben er zeker van. De Roode-Ceder, ofschoon reeds op jaren, bezit nog de volle kracht der jeugd; zijn stap is vast en volkomen regelmatig, gelijk die van al de echte woudloopers. Hij marcheert met de noodige voorzorg, dat is hij zet den voorvoet eerst op den grond, zoo als ieder doet die niet zeker is dat hij niet zal moetenterugtreden. In de afdruksels die wij gezien hebben is, zoo als ik u reeds gezegd heb, de hiel het eerst op den grond gezet en dus veel dieper ingedrukt dan de teen; dat is te begrijpen en kan schier onmogelijk anders zijn als men achteruit loopt, inzonderheid wanneer het lang duurt.”»Dat is waar,” antwoordde don Miguel; »wat gij zegt is zoo zeker als twee maal twee vier is.”Valentin glimlachte.»Wij zijn er nog niet,” sprak hij, »laat mij begaan.”»Maar,” opperde don Pablo, »gesteld nu dat de Roode-Ceder tot hiertoe gekomen is, hetgeen ik thans zoo zeker geloof als gij zelf, hoe komt het dan dat wij zijn spoor aan de andere zijde der rots niet hebben teruggevonden? Hoe zorgvuldig hij het moge verborgen hebben, zoo het werkelijk bestaat zouden wij het ontdekken.”»Zonder twijfel; maar het bestaat daar niet en het zou onnoodig tijdverlies zijn om er naar te zoeken. De Roode-Ceder is tot hiertoe gekomen, deze streep bewijst het u. Maar waarom kwam hij hier? zult gij mij vragen. Om een licht te begrijpen reden. Op dit harde graniet namelijk is geen enkel indruksel mogelijk; de Squatter heeft ons willen misleiden, door ons—al waren wij hem te slim—op een punt te brengen, waar wij zijne richting geheel verliezen moeten. Dit is hem in zooverre gelukt; maar hij heeft al te fijn willen spelen en daardoor zijne zaak bedorven; binnen drie minuten zal ik u zijn spoor aanwijzen, zoo duidelijk als had hij het uzelf aangetoond.”»Ik moet u bekennen, vriend, dat ik zeer verwonderd ben over alles wat gij mij zegt,” hervatte don Miguel; »ik heb nooit iets kunnen begrijpen van dat hoogere instinct dat u in de prairie schijnt te besturen en voort te helpen, en waarvan ik met verbazing telkens nieuwe proeven heb gezien, maar ik verklaar u ronduit dat de tegenwoordige proef al de vorigen ver overtreft.”»Mijn hemel!” antwoordde Valentin, »gij maakt mij een kompliment dat ik niet verdien; al wat gij van mij gezien hebt is eene zaak van redeneering en vooral van gewoonte, zoo is het, bij voorbeeld, voor u even ontwijfelbaar als voor mij, dat de Roode-Ceder hier geweest is, niet waar?”»Ja.”»Zeer goed; maar als hij hier geweest is, moet hij ook weder vertrokken zijn,” riep de jager lachend, »want anders zou hij er nog moeten zijn, en dan hadden wij hem reeds.”»Dat is stellig.”»Goed; dus moeten wij nu zoeken op te sporen hoe hij is kunnen wegkomen.”»Dat is het juist en daar zie ik geen kans toe.”»Dat komt omdat gij niet goed ziet, of liever omdat gij u de moeite niet geven wilt.”»O! wat dat betreft, vriend, zweer ik u.…”»Vergeef mij, ik druk mij verkeerd uit; het is omdat gij u geen rekenschap weet te geven van hetgeen gij ziet.”»Hoe zoo! weet ik mij geen rekenschap te geven van hetgeen ik zie!” riep don Miguel min of meer gepikeerd door deze aanmerking.»Zeer zeker,” hernam Valentin bedaard, »en gij zult het mij dadelijk toestemmen.”»Dat is al wat ik verlang.”Ondanks zijn scherpzinnig verstand en andere uitmuntende hoedanigheden, had Valentin het zwak dat aan vele menschen eigen is, namelijk om onder zekere omstandigheden gaarne met zijne verkregen kennis en ervaring te schitteren.Dit gebrek, dat in de prairie zeer dikwijls voorkomt, was hem echter licht te vergeven en deed overigens aan het schoone karakter van Valentin geen schade.»Gij zult het zien,” vervolgde hij met die soort van toegevendheid, waarmede lieden die het wel weten gewoon zijn een of andere zaak aan onkundigen op te helderen; »de Roode-Ceder is hier gekomen en hij is verdwenen; ik kom hier en ik zie het; hij heeft niet kunnen wegvliegen, noch in de aarde kruipen; hij moet dus noodwendig een weg hebben gekozen, welken dan ook, daar een mensch door kan; nu ligt hier op de naakte rots een massa bladeren verspreid: een eerste bewijs.”»Hoedat?”»Pardi! dat spreekt van zelf; wij zijn immers niet in het saizoen, dat de boomen hun blad laten vallen; zij kunnen dus niet van zelf zijn afgevallen.”»Waarom niet?”»Omdat zij dan geel en verdord zouden moeten wezen, terwijl zij daarentegen groen en verlept en sommige zelfs verscheurd zijn: dus is het immers bepaald zeker dat zij met geweld van den boom zijn gerukt.”»Dat is waar,” mompelde don Miguel meer en meer verwonderd.»Laten wij thans zien door welke onbekende kracht zij van detakkenkunnen zijn gerukt.”Onder dit zeggen was Valentin reeds voortgestapt, al bukkende, in de richting waar hij een donkere kras op de rots had gezien.Zijne vrienden volgden hem, en bespiedden even als hij aandachtig den grond.Op eens bukte Valentin en raapte een stuk boomschors op, zoo groot als de palm van eene hand, en liet het aan don Miguel zien.»Thans is mij alles duidelijk,” zeide hij. »Gij ziet wel dat dit stukje boombast verknepen en afgekauwd is alsof het sterk door een touw omkneld was geweest, niet waar?”»Ja.”»Wel! begrijpt gij het nu?”»Waarlijk, niet beter dan te voren.”Valentin haalde de schouders op.»Luister eens goed,” zeide hij, »de Roode-Ceder is hier geweest, met zijn lasso heeft hij het uiteinde van dien dikken tak weten te grijpen, dien gij daar boven ons hoofd ziet uitsteken; geholpen door zijne kameraden, heeft hij dien omgebogen tot op den grond. De zwarte streep die wij gezien hebben, bewijst welk eene inspanning die menschen hebben moeten doen om dit gedaan te krijgen. De tak eenmaal gebogen zijnde, hebben de kameraden van den Squatter dien de een na den ander beklommen; de Roode-Ceder, die het laatst achterbleef, heeft er zich door laten opheffen, en allen zijn zij dus zeventig of tachtig voeten hoog boven den grond gekomen; dat alles, gij zult het moeten toestemmen, was zeer vernuftig uitgedacht; maar ongelukkig hebben de hakken van den Squatter een kras van nauwelijks een haar breed op de rots achtergelaten, en zijn er een massa bladeren van den boom op de rots gevallen: bij het losmaken van zijne lasso is er een stuk van de schors afgebroken, en daar hij te weinig tijd had om weder naar beneden te gaan en de sporen van zijn bedrijf te verwijderen, hebben wij die gevonden en hierdoor weet ik alles wat er gebeurd is zoo goed alsof ik het zelf had bijgewoond.”Op deze even beknopte als duidelijke verklaring van den jager volgde van de zijde zijner vrienden geen verbazing, maar stomme bewondering; zij stonden versteld door zulk een ongehoorde proef van scherpzinnigheid.»Het is mirakuleus!” riep don Miguel uit. »En gij gelooft dus dat de Roode-Ceder over dien boom is weggekomen?”»Ik durf dit wedden om al wat gij wilt,” zei Valentin. »Overigens zult gij het weldra zien, want wij gaan denzelfden weg op.”»Zoo! maar op die wijs zullen wij toch niet veel verder kunnen komen.”»Gij vergist u. In de natuurbosschen van die soort, welke thans voor ons ligt, bestaat bijna geen andere weg dan dien wij nemen zullen. Komaan, nu wij het spoor van den bandiet eindelijk voor goed hebben teruggevonden, hoop ik dat wij met lust zullen ontbijten om hem des te krachtiger te kunnen vervolgen.”De jagers zetten zich vroolijk rondom hun vuur en aten met smaak een bout van den grauwen beer.Maar uit ongeduld namen zij, zooals men gewoonlijk zegt, dubbele brokken, zoodat hun maal in een ommezien geëindigd was en zij weldra gereed waren hunne nasporingen voort te zetten.Valentin, ten einde zijn vrienden de juistheid zijner ophelderingen te kunnen bewijzen, gebruikte om den boom te beklimmen hetzelfde middel daar de Roode-Ceder zich van bediend had.Werkelijk moesten de jagers, toen zij allen op den tak vereenigd waren, de waarheid erkennen van hetgeen Valentin hun gezegd had; de sporen van den Roode-Ceder waren overal duidelijk zichtbaar.Zoo trokken zij een geruimen tijd voort, getrouw de sporen volgendedoor de bandieten nagelaten; hoe verder zij echter kwamen, hoe zeldzamer die sporen werden en eindelijk hielden zij geheel op.Het spoor was voor de tweede maal verloren.Valentin bleef staan, en wenkte zijne vrienden om bij hem te komen.»Laten wij raad houden,” zeide hij.»Ik denk, dat de Roode-Ceder lang genoeg naar zijn zin over de boomen gewandeld had, en dat hij op den grond zal zijn afgedaald,” opperde don Miguel.Valentin schudde het hoofd.»Gij zijt er niet achter, vriend,” zeide hij, »wat gij daar beweert is letterlijk onmogelijk.”»Waarom dat?”»Omdat het spoor, zooals gij ziet, hier juist eindigt boven een meer.”»Dat is zoo.”»Daarbij is het wel boven allen twijfel verheven dat de bandiet het niet al zwemmende zal zijn overgetrokken. Trekken wij dus, het mag gaan zoo het wil voort, ik ben er zeker van dat wij spoedig nieuwe sporen zullen vinden; de tegenwoordige richting is de eenige die de Roode-Ceder kan gekozen hebben, zijn doel is de linie der vijanden door te komen die hem van alle zijden insluiten. Ging hij de bergen in, dan zou hij, gelijk gij weet, en hij weet het even goed als wij, onherroepelijk verloren zijn, hij kon dus niet anders wegkomen dan daar ginds, en het is daar dat wij hem moeten nazetten.”»En blijven wij dan altijd op de boomen?” vroeg don Miguel.»Pardi! Gij moet niet vergeten, mijne vrienden, dat de bandieten een meisje bij zich hebben. Dat arme kind is geenszins, zoo als zij, gewoon aan de moeielijke marschen door de woestijn; zij zou die geen uur lang kunnen volhouden zoo haar vader en hare broeders haar niet langs betrekkelijk minder moeielijke wegen vervoerden. Slaat de oogen eens naar beneden, en gij zult u kunnen overtuigen dat het voor hen onmogelijk zou zijn om met een jong meisje daar door te komen. Hier is dus onze weg,” vervolgde hij nadrukkelijk, »en hier alleen kunnen wij onzen vijand aantreffen.”»Welaan dan, met Gods hulp!” riepen de Mexicanen.Curumilla had, volgens zijne gewoonte, niet gesproken, hij was zelfs niet blijven staan om aan het gesprek deel te nemen, maar was steeds voortgemarcheerd.»Ooah!” riep hij op eens.Zijne vrienden liepen haastig toe.De Ulmen had een stukje gestreept katoen in de hand, niet grooter dan een dollar.»Zoo als gij ziet,” riep Valentin, »wij zijn op den rechten weg, gaan wij er dus niet van af.”Deze ontdekking deed alle redekaveling ophouden.De dag daalde meer en meer, en de roode zonneschijf gloeide reeds van verre tusschen de boomstammen.Na nog twee uren gemarcheerd te hebben was het volkomen duister.»Wat nu gedaan?” vroeg don Miguel; »wij kunnen den nacht toch niet als papegaaien tusschen de takken doorbrengen; laten wij eene geschikte plaats opzoeken om te kampeeren, morgen kunnen wij met het aanbreken van den dag onze jacht hervatten.”»Ja,” antwoordde Valentin lachend, »en als er dan dezen nacht, terwijl wij daar beneden rustig slapen, iets gebeurt dat den Roode-Ceder verplicht om terug te keeren, glipt hij ons door de vingers als een adder, zonder dat wij het eens opmerken. Neen, neen, vriend, gij moet u van nacht getroosten om als een parkiet zoo als gij zegt op een tak te slapen, indien gij de vrucht van al uwe zorgen en vermoeienissen niet wilt zien verloren gaan.”»O, o! als het niet anders wezen kan,” riep don Miguel, »zal ik er mij aan onderwerpen, al moest ik ook acht dagen lang op een boom slapen, dat zou ik liever doen dan dat mij die booswicht ontsnapte.”»Wees maar gerust, hij zal ons zoo lang niet laten loopen; het boschzwijn is in de val, hij zal spoedig zijn man vinden. Hoe uitgestrekt de woestijn ook wezen mag, voor lieden die gewoon zijn haar in alle richtingen te doorkruisen bezit zij geen onbekende schuilhoeken. De Roode-Ceder is inderdaad een buitengewoon man en heeft meer gedaan dan iemand om ons te ontsnappen, maar thans is alles voor hem geëindigd, het is niets meer dan eene vraag van tijd.”»De hemel geve dat gij waarheid spreekt! Ik zou mijn leven willen opofferen om hem te zien straffen.”»Ik verzeker u, weldra is hij in uwe macht.”Op dit oogenblik trok Curumilla Valentin bij de mouw.»Wel, hoofdman, wat hebt gij?” vroeg laatstgenoemde.»Luister eens,” riep de Indiaan.De jagers spitsten de ooren; weldra hoorden zij, op vrij verren afstand, verwarde kreten, die van oogenblik tot oogenblik duidelijker werden, en eindelijk in een ontzettend rumoer overgingen.»Wat zou daar toch gebeuren?” vroeg Valentin peinzend.De kreten namen hand over hand toe, ongewone lichtvlammen verschenen in het bosch, zoodat er duizende vogels, uit hun slaap geschrikt in alle richtingen opvlogen onder angstig en klagend geschreeuw.»Geeft acht!” riep de jager; »laat ons wel toezien wat wij te doen hebben.”Hunne onzekerheid duurde echter niet lang. Valentin verliet op eens den schuilhoek waar hij zich verborgen had en hief een langen en doordringenden kreet aan, die terstond door een vervaarlijk gehuil werd beantwoord.»Wat is er toch?” vroeg don Miguel.»De Eenhoorn!” antwoordde Valentin.

XXXIII.WIE DE SLIMSTE WAS.Wij zullen thans naar Valentin en zijne vrienden terugkeeren, die wij verlaten hebben toen zij op weg gingen om den Roode-Ceder te vervolgen.De Franschman begon eindelijk in deze zoo lang volgehouden jacht uit eerzucht en eigenliefde belang te stellen, zijn eerzucht kwamhier in ’t spel; het was de eerste maal sedert zijne komst in de prairie, dat hij stond tegenover zulk een moeielijke en fijn geslepen partij als de Roode-Ceder.Zoowel als hij, bezat ook de Squatter eene grondige kennis van het leven in het Verre Westen, alle geluiden, alle paden en schuilhoeken der prairie waren hem bekend en gemeenzaam; even als hij had hij zich bijzonder toegelegd om de listen en bedriegerijen der Indianen te leeren kennen en gebruiken en eindelijk had Valentin in hem, zoo niet zijn meester dan toch zijns gelijke gevonden. Zijne geprikkelde eigenliefde dreef hem dus om de ontknooping dezer intrigue te verhaasten, en hij nam zich stellig voor om deze zaak zoo krachtig door te zetten, dat de Roode-Ceder ondanks al zijne geslepenheid weldra in zijne handen zou vallen.Na dus, zoo als wij gezien hebben, de hoogere streken der Sierra verlaten te hebben, breidden de jagers zich waaiersgewijze uit, om zoo mogelijk door een of ander bewijs het sedert lang verloren spoor terug te vinden, volgens den bij alle woudloopers bekenden stelregel, dat de spoorzoeker die het eene eind van een spoor gevonden heeft, na verloop van eenigen tijd, ook het andere eind onfeilbaar bereiken moet.Ongelukkig echter was er geen teeken van voetstappen hoegenaamd te ontdekken; de Roode-Ceder was er ja geweest, maar zoo als men het noemt, spoorloos verdwenen.Intusschen liet Valentin zich niet ontmoedigen; hij bestudeerde het terrein, onderzocht ieder geknakte struik of grashalm met een geduld dat zich door niets liet afschrikken of vermoeien. Zijne vrienden, minder aan zulke onaangename teleurstellingen gewoon, wierpen hem te vergeefs wanhopige blikken toe; hij bleef steeds voortgaan met gebukte houding, starende naar den grond, zonder op hunne gebaren of woorden acht te slaan.Eindelijk tegen den middag, na omtrent vier uren op deze wijs te zijn voortgegaan,—moeielijke taak voorzeker!—bevonden de jagers zich op eene naakte rots. Te dezer plaats zou het eene dwaasheid geweest zijn afdruksels van voetstappen te willen zoeken, die het harde graniet niet kon opnemen. Don Miguel en zijn zoon wierpen zich op den grond, meer nog uit moedeloosheid dan van vermoeienis.Curumilla begon het hier en daar verstrooide dorre blad te verzamelen om een vuur voor het ontbijt aan te leggen.Valentin stond op zijn geweer geleund, met een gefronst voorhoofd en gespannen aandacht en keek beurtelings naar den grond en om zich heen.De plek waar de jagers hun voorloopig kampement hadden gevestigd, was een kale rots, op welke geen grasspriet groeien kon; een ontzaggelijke lorkenboom overschaduwde haar bijna geheel met zijne dichte takken.De jager bleef gestadig doorkijken en wendde den schranderen blik afwisselend naar omhoog en naar beneden, als had hij een voorgevoel dat hij op deze plaats het lang vermiste spoor zou wedervinden.Op eens humde hij welluidend en diep. Op dit signaal, dat tusschen hem en den Indiaan was afgesproken, hield Curumilla op met blad te verzamelen, richtte zich op en keek hem aan.Valentin liep terstond naar hem toe. De twee Mexicanen stonden ook op en voegden zich bij hem.»Hebt gij iets ontdekt?” vroeg don Miguel nieuwsgierig.»Neen,” antwoordde Valentin, »maar ik zal waarschijnlijk spoedig iets ontdekken.”»Hier?”»Ja hier, juist hier, ik ruik de stappen van het boschzwijn,” riep hij met een geslepen glimlach; »geloof mij, wij zullen ze spoedig zien.”Onder dit zeggen bukte de jager, raapte een handvol bladeren op en begon ze een voor een nauwkeurig te onderzoeken.»Wat zoudt gij aan dat blad kunnen zien?” mompelde don Miguel en haalde de schouders op.»Alles!” antwoordde Valentin forsch, terwijl hij zijn onderzoek voortzette.Curumilla, die op de hurken zat, maakte den grond schoon en bekeek de rots.»Ooah!” riep hij.Allen bukten.De Ulmen wees met den vinger op een kras in de rots, van omtrent tien duimen lang en niet dikker dan een haar.»Hier zijn ze doorgegaan,” hernam Valentin, »dat is voor mij zoo zeker als twee maal twee vier is; alles bewijst het mij: de voetstappen die wij vroeger ontdekt hebben en die in omgekeerden zin liepen met deze plaats, zijn er een ontegenzeggelijk bewijs van.”»Hoe kan dat?” riep don Miguel verwonderd.»Niets is eenvoudiger: de voetstappen, die u misleid hebben kunnen zulk een ouden woudlooper als mij niet bedriegen; de hiel was te diep ingedrukt, het waren ook geen geregelde stappen, maar aarzelend, nu links dan rechts, een bewijs dat zij valsch waren!”»Valsch waren!”»Geheel valsch. Weet gij wat de Roode-Ceder gedaan heeft om de richting te verbergen die hij volgde? Hij is meer dan twee mijlen ver het achterste voren geloopen.”»Zoudt gij dat denken?”»Ik ben er zeker van. De Roode-Ceder, ofschoon reeds op jaren, bezit nog de volle kracht der jeugd; zijn stap is vast en volkomen regelmatig, gelijk die van al de echte woudloopers. Hij marcheert met de noodige voorzorg, dat is hij zet den voorvoet eerst op den grond, zoo als ieder doet die niet zeker is dat hij niet zal moetenterugtreden. In de afdruksels die wij gezien hebben is, zoo als ik u reeds gezegd heb, de hiel het eerst op den grond gezet en dus veel dieper ingedrukt dan de teen; dat is te begrijpen en kan schier onmogelijk anders zijn als men achteruit loopt, inzonderheid wanneer het lang duurt.”»Dat is waar,” antwoordde don Miguel; »wat gij zegt is zoo zeker als twee maal twee vier is.”Valentin glimlachte.»Wij zijn er nog niet,” sprak hij, »laat mij begaan.”»Maar,” opperde don Pablo, »gesteld nu dat de Roode-Ceder tot hiertoe gekomen is, hetgeen ik thans zoo zeker geloof als gij zelf, hoe komt het dan dat wij zijn spoor aan de andere zijde der rots niet hebben teruggevonden? Hoe zorgvuldig hij het moge verborgen hebben, zoo het werkelijk bestaat zouden wij het ontdekken.”»Zonder twijfel; maar het bestaat daar niet en het zou onnoodig tijdverlies zijn om er naar te zoeken. De Roode-Ceder is tot hiertoe gekomen, deze streep bewijst het u. Maar waarom kwam hij hier? zult gij mij vragen. Om een licht te begrijpen reden. Op dit harde graniet namelijk is geen enkel indruksel mogelijk; de Squatter heeft ons willen misleiden, door ons—al waren wij hem te slim—op een punt te brengen, waar wij zijne richting geheel verliezen moeten. Dit is hem in zooverre gelukt; maar hij heeft al te fijn willen spelen en daardoor zijne zaak bedorven; binnen drie minuten zal ik u zijn spoor aanwijzen, zoo duidelijk als had hij het uzelf aangetoond.”»Ik moet u bekennen, vriend, dat ik zeer verwonderd ben over alles wat gij mij zegt,” hervatte don Miguel; »ik heb nooit iets kunnen begrijpen van dat hoogere instinct dat u in de prairie schijnt te besturen en voort te helpen, en waarvan ik met verbazing telkens nieuwe proeven heb gezien, maar ik verklaar u ronduit dat de tegenwoordige proef al de vorigen ver overtreft.”»Mijn hemel!” antwoordde Valentin, »gij maakt mij een kompliment dat ik niet verdien; al wat gij van mij gezien hebt is eene zaak van redeneering en vooral van gewoonte, zoo is het, bij voorbeeld, voor u even ontwijfelbaar als voor mij, dat de Roode-Ceder hier geweest is, niet waar?”»Ja.”»Zeer goed; maar als hij hier geweest is, moet hij ook weder vertrokken zijn,” riep de jager lachend, »want anders zou hij er nog moeten zijn, en dan hadden wij hem reeds.”»Dat is stellig.”»Goed; dus moeten wij nu zoeken op te sporen hoe hij is kunnen wegkomen.”»Dat is het juist en daar zie ik geen kans toe.”»Dat komt omdat gij niet goed ziet, of liever omdat gij u de moeite niet geven wilt.”»O! wat dat betreft, vriend, zweer ik u.…”»Vergeef mij, ik druk mij verkeerd uit; het is omdat gij u geen rekenschap weet te geven van hetgeen gij ziet.”»Hoe zoo! weet ik mij geen rekenschap te geven van hetgeen ik zie!” riep don Miguel min of meer gepikeerd door deze aanmerking.»Zeer zeker,” hernam Valentin bedaard, »en gij zult het mij dadelijk toestemmen.”»Dat is al wat ik verlang.”Ondanks zijn scherpzinnig verstand en andere uitmuntende hoedanigheden, had Valentin het zwak dat aan vele menschen eigen is, namelijk om onder zekere omstandigheden gaarne met zijne verkregen kennis en ervaring te schitteren.Dit gebrek, dat in de prairie zeer dikwijls voorkomt, was hem echter licht te vergeven en deed overigens aan het schoone karakter van Valentin geen schade.»Gij zult het zien,” vervolgde hij met die soort van toegevendheid, waarmede lieden die het wel weten gewoon zijn een of andere zaak aan onkundigen op te helderen; »de Roode-Ceder is hier gekomen en hij is verdwenen; ik kom hier en ik zie het; hij heeft niet kunnen wegvliegen, noch in de aarde kruipen; hij moet dus noodwendig een weg hebben gekozen, welken dan ook, daar een mensch door kan; nu ligt hier op de naakte rots een massa bladeren verspreid: een eerste bewijs.”»Hoedat?”»Pardi! dat spreekt van zelf; wij zijn immers niet in het saizoen, dat de boomen hun blad laten vallen; zij kunnen dus niet van zelf zijn afgevallen.”»Waarom niet?”»Omdat zij dan geel en verdord zouden moeten wezen, terwijl zij daarentegen groen en verlept en sommige zelfs verscheurd zijn: dus is het immers bepaald zeker dat zij met geweld van den boom zijn gerukt.”»Dat is waar,” mompelde don Miguel meer en meer verwonderd.»Laten wij thans zien door welke onbekende kracht zij van detakkenkunnen zijn gerukt.”Onder dit zeggen was Valentin reeds voortgestapt, al bukkende, in de richting waar hij een donkere kras op de rots had gezien.Zijne vrienden volgden hem, en bespiedden even als hij aandachtig den grond.Op eens bukte Valentin en raapte een stuk boomschors op, zoo groot als de palm van eene hand, en liet het aan don Miguel zien.»Thans is mij alles duidelijk,” zeide hij. »Gij ziet wel dat dit stukje boombast verknepen en afgekauwd is alsof het sterk door een touw omkneld was geweest, niet waar?”»Ja.”»Wel! begrijpt gij het nu?”»Waarlijk, niet beter dan te voren.”Valentin haalde de schouders op.»Luister eens goed,” zeide hij, »de Roode-Ceder is hier geweest, met zijn lasso heeft hij het uiteinde van dien dikken tak weten te grijpen, dien gij daar boven ons hoofd ziet uitsteken; geholpen door zijne kameraden, heeft hij dien omgebogen tot op den grond. De zwarte streep die wij gezien hebben, bewijst welk eene inspanning die menschen hebben moeten doen om dit gedaan te krijgen. De tak eenmaal gebogen zijnde, hebben de kameraden van den Squatter dien de een na den ander beklommen; de Roode-Ceder, die het laatst achterbleef, heeft er zich door laten opheffen, en allen zijn zij dus zeventig of tachtig voeten hoog boven den grond gekomen; dat alles, gij zult het moeten toestemmen, was zeer vernuftig uitgedacht; maar ongelukkig hebben de hakken van den Squatter een kras van nauwelijks een haar breed op de rots achtergelaten, en zijn er een massa bladeren van den boom op de rots gevallen: bij het losmaken van zijne lasso is er een stuk van de schors afgebroken, en daar hij te weinig tijd had om weder naar beneden te gaan en de sporen van zijn bedrijf te verwijderen, hebben wij die gevonden en hierdoor weet ik alles wat er gebeurd is zoo goed alsof ik het zelf had bijgewoond.”Op deze even beknopte als duidelijke verklaring van den jager volgde van de zijde zijner vrienden geen verbazing, maar stomme bewondering; zij stonden versteld door zulk een ongehoorde proef van scherpzinnigheid.»Het is mirakuleus!” riep don Miguel uit. »En gij gelooft dus dat de Roode-Ceder over dien boom is weggekomen?”»Ik durf dit wedden om al wat gij wilt,” zei Valentin. »Overigens zult gij het weldra zien, want wij gaan denzelfden weg op.”»Zoo! maar op die wijs zullen wij toch niet veel verder kunnen komen.”»Gij vergist u. In de natuurbosschen van die soort, welke thans voor ons ligt, bestaat bijna geen andere weg dan dien wij nemen zullen. Komaan, nu wij het spoor van den bandiet eindelijk voor goed hebben teruggevonden, hoop ik dat wij met lust zullen ontbijten om hem des te krachtiger te kunnen vervolgen.”De jagers zetten zich vroolijk rondom hun vuur en aten met smaak een bout van den grauwen beer.Maar uit ongeduld namen zij, zooals men gewoonlijk zegt, dubbele brokken, zoodat hun maal in een ommezien geëindigd was en zij weldra gereed waren hunne nasporingen voort te zetten.Valentin, ten einde zijn vrienden de juistheid zijner ophelderingen te kunnen bewijzen, gebruikte om den boom te beklimmen hetzelfde middel daar de Roode-Ceder zich van bediend had.Werkelijk moesten de jagers, toen zij allen op den tak vereenigd waren, de waarheid erkennen van hetgeen Valentin hun gezegd had; de sporen van den Roode-Ceder waren overal duidelijk zichtbaar.Zoo trokken zij een geruimen tijd voort, getrouw de sporen volgendedoor de bandieten nagelaten; hoe verder zij echter kwamen, hoe zeldzamer die sporen werden en eindelijk hielden zij geheel op.Het spoor was voor de tweede maal verloren.Valentin bleef staan, en wenkte zijne vrienden om bij hem te komen.»Laten wij raad houden,” zeide hij.»Ik denk, dat de Roode-Ceder lang genoeg naar zijn zin over de boomen gewandeld had, en dat hij op den grond zal zijn afgedaald,” opperde don Miguel.Valentin schudde het hoofd.»Gij zijt er niet achter, vriend,” zeide hij, »wat gij daar beweert is letterlijk onmogelijk.”»Waarom dat?”»Omdat het spoor, zooals gij ziet, hier juist eindigt boven een meer.”»Dat is zoo.”»Daarbij is het wel boven allen twijfel verheven dat de bandiet het niet al zwemmende zal zijn overgetrokken. Trekken wij dus, het mag gaan zoo het wil voort, ik ben er zeker van dat wij spoedig nieuwe sporen zullen vinden; de tegenwoordige richting is de eenige die de Roode-Ceder kan gekozen hebben, zijn doel is de linie der vijanden door te komen die hem van alle zijden insluiten. Ging hij de bergen in, dan zou hij, gelijk gij weet, en hij weet het even goed als wij, onherroepelijk verloren zijn, hij kon dus niet anders wegkomen dan daar ginds, en het is daar dat wij hem moeten nazetten.”»En blijven wij dan altijd op de boomen?” vroeg don Miguel.»Pardi! Gij moet niet vergeten, mijne vrienden, dat de bandieten een meisje bij zich hebben. Dat arme kind is geenszins, zoo als zij, gewoon aan de moeielijke marschen door de woestijn; zij zou die geen uur lang kunnen volhouden zoo haar vader en hare broeders haar niet langs betrekkelijk minder moeielijke wegen vervoerden. Slaat de oogen eens naar beneden, en gij zult u kunnen overtuigen dat het voor hen onmogelijk zou zijn om met een jong meisje daar door te komen. Hier is dus onze weg,” vervolgde hij nadrukkelijk, »en hier alleen kunnen wij onzen vijand aantreffen.”»Welaan dan, met Gods hulp!” riepen de Mexicanen.Curumilla had, volgens zijne gewoonte, niet gesproken, hij was zelfs niet blijven staan om aan het gesprek deel te nemen, maar was steeds voortgemarcheerd.»Ooah!” riep hij op eens.Zijne vrienden liepen haastig toe.De Ulmen had een stukje gestreept katoen in de hand, niet grooter dan een dollar.»Zoo als gij ziet,” riep Valentin, »wij zijn op den rechten weg, gaan wij er dus niet van af.”Deze ontdekking deed alle redekaveling ophouden.De dag daalde meer en meer, en de roode zonneschijf gloeide reeds van verre tusschen de boomstammen.Na nog twee uren gemarcheerd te hebben was het volkomen duister.»Wat nu gedaan?” vroeg don Miguel; »wij kunnen den nacht toch niet als papegaaien tusschen de takken doorbrengen; laten wij eene geschikte plaats opzoeken om te kampeeren, morgen kunnen wij met het aanbreken van den dag onze jacht hervatten.”»Ja,” antwoordde Valentin lachend, »en als er dan dezen nacht, terwijl wij daar beneden rustig slapen, iets gebeurt dat den Roode-Ceder verplicht om terug te keeren, glipt hij ons door de vingers als een adder, zonder dat wij het eens opmerken. Neen, neen, vriend, gij moet u van nacht getroosten om als een parkiet zoo als gij zegt op een tak te slapen, indien gij de vrucht van al uwe zorgen en vermoeienissen niet wilt zien verloren gaan.”»O, o! als het niet anders wezen kan,” riep don Miguel, »zal ik er mij aan onderwerpen, al moest ik ook acht dagen lang op een boom slapen, dat zou ik liever doen dan dat mij die booswicht ontsnapte.”»Wees maar gerust, hij zal ons zoo lang niet laten loopen; het boschzwijn is in de val, hij zal spoedig zijn man vinden. Hoe uitgestrekt de woestijn ook wezen mag, voor lieden die gewoon zijn haar in alle richtingen te doorkruisen bezit zij geen onbekende schuilhoeken. De Roode-Ceder is inderdaad een buitengewoon man en heeft meer gedaan dan iemand om ons te ontsnappen, maar thans is alles voor hem geëindigd, het is niets meer dan eene vraag van tijd.”»De hemel geve dat gij waarheid spreekt! Ik zou mijn leven willen opofferen om hem te zien straffen.”»Ik verzeker u, weldra is hij in uwe macht.”Op dit oogenblik trok Curumilla Valentin bij de mouw.»Wel, hoofdman, wat hebt gij?” vroeg laatstgenoemde.»Luister eens,” riep de Indiaan.De jagers spitsten de ooren; weldra hoorden zij, op vrij verren afstand, verwarde kreten, die van oogenblik tot oogenblik duidelijker werden, en eindelijk in een ontzettend rumoer overgingen.»Wat zou daar toch gebeuren?” vroeg Valentin peinzend.De kreten namen hand over hand toe, ongewone lichtvlammen verschenen in het bosch, zoodat er duizende vogels, uit hun slaap geschrikt in alle richtingen opvlogen onder angstig en klagend geschreeuw.»Geeft acht!” riep de jager; »laat ons wel toezien wat wij te doen hebben.”Hunne onzekerheid duurde echter niet lang. Valentin verliet op eens den schuilhoek waar hij zich verborgen had en hief een langen en doordringenden kreet aan, die terstond door een vervaarlijk gehuil werd beantwoord.»Wat is er toch?” vroeg don Miguel.»De Eenhoorn!” antwoordde Valentin.

XXXIII.WIE DE SLIMSTE WAS.

Wij zullen thans naar Valentin en zijne vrienden terugkeeren, die wij verlaten hebben toen zij op weg gingen om den Roode-Ceder te vervolgen.De Franschman begon eindelijk in deze zoo lang volgehouden jacht uit eerzucht en eigenliefde belang te stellen, zijn eerzucht kwamhier in ’t spel; het was de eerste maal sedert zijne komst in de prairie, dat hij stond tegenover zulk een moeielijke en fijn geslepen partij als de Roode-Ceder.Zoowel als hij, bezat ook de Squatter eene grondige kennis van het leven in het Verre Westen, alle geluiden, alle paden en schuilhoeken der prairie waren hem bekend en gemeenzaam; even als hij had hij zich bijzonder toegelegd om de listen en bedriegerijen der Indianen te leeren kennen en gebruiken en eindelijk had Valentin in hem, zoo niet zijn meester dan toch zijns gelijke gevonden. Zijne geprikkelde eigenliefde dreef hem dus om de ontknooping dezer intrigue te verhaasten, en hij nam zich stellig voor om deze zaak zoo krachtig door te zetten, dat de Roode-Ceder ondanks al zijne geslepenheid weldra in zijne handen zou vallen.Na dus, zoo als wij gezien hebben, de hoogere streken der Sierra verlaten te hebben, breidden de jagers zich waaiersgewijze uit, om zoo mogelijk door een of ander bewijs het sedert lang verloren spoor terug te vinden, volgens den bij alle woudloopers bekenden stelregel, dat de spoorzoeker die het eene eind van een spoor gevonden heeft, na verloop van eenigen tijd, ook het andere eind onfeilbaar bereiken moet.Ongelukkig echter was er geen teeken van voetstappen hoegenaamd te ontdekken; de Roode-Ceder was er ja geweest, maar zoo als men het noemt, spoorloos verdwenen.Intusschen liet Valentin zich niet ontmoedigen; hij bestudeerde het terrein, onderzocht ieder geknakte struik of grashalm met een geduld dat zich door niets liet afschrikken of vermoeien. Zijne vrienden, minder aan zulke onaangename teleurstellingen gewoon, wierpen hem te vergeefs wanhopige blikken toe; hij bleef steeds voortgaan met gebukte houding, starende naar den grond, zonder op hunne gebaren of woorden acht te slaan.Eindelijk tegen den middag, na omtrent vier uren op deze wijs te zijn voortgegaan,—moeielijke taak voorzeker!—bevonden de jagers zich op eene naakte rots. Te dezer plaats zou het eene dwaasheid geweest zijn afdruksels van voetstappen te willen zoeken, die het harde graniet niet kon opnemen. Don Miguel en zijn zoon wierpen zich op den grond, meer nog uit moedeloosheid dan van vermoeienis.Curumilla begon het hier en daar verstrooide dorre blad te verzamelen om een vuur voor het ontbijt aan te leggen.Valentin stond op zijn geweer geleund, met een gefronst voorhoofd en gespannen aandacht en keek beurtelings naar den grond en om zich heen.De plek waar de jagers hun voorloopig kampement hadden gevestigd, was een kale rots, op welke geen grasspriet groeien kon; een ontzaggelijke lorkenboom overschaduwde haar bijna geheel met zijne dichte takken.De jager bleef gestadig doorkijken en wendde den schranderen blik afwisselend naar omhoog en naar beneden, als had hij een voorgevoel dat hij op deze plaats het lang vermiste spoor zou wedervinden.Op eens humde hij welluidend en diep. Op dit signaal, dat tusschen hem en den Indiaan was afgesproken, hield Curumilla op met blad te verzamelen, richtte zich op en keek hem aan.Valentin liep terstond naar hem toe. De twee Mexicanen stonden ook op en voegden zich bij hem.»Hebt gij iets ontdekt?” vroeg don Miguel nieuwsgierig.»Neen,” antwoordde Valentin, »maar ik zal waarschijnlijk spoedig iets ontdekken.”»Hier?”»Ja hier, juist hier, ik ruik de stappen van het boschzwijn,” riep hij met een geslepen glimlach; »geloof mij, wij zullen ze spoedig zien.”Onder dit zeggen bukte de jager, raapte een handvol bladeren op en begon ze een voor een nauwkeurig te onderzoeken.»Wat zoudt gij aan dat blad kunnen zien?” mompelde don Miguel en haalde de schouders op.»Alles!” antwoordde Valentin forsch, terwijl hij zijn onderzoek voortzette.Curumilla, die op de hurken zat, maakte den grond schoon en bekeek de rots.»Ooah!” riep hij.Allen bukten.De Ulmen wees met den vinger op een kras in de rots, van omtrent tien duimen lang en niet dikker dan een haar.»Hier zijn ze doorgegaan,” hernam Valentin, »dat is voor mij zoo zeker als twee maal twee vier is; alles bewijst het mij: de voetstappen die wij vroeger ontdekt hebben en die in omgekeerden zin liepen met deze plaats, zijn er een ontegenzeggelijk bewijs van.”»Hoe kan dat?” riep don Miguel verwonderd.»Niets is eenvoudiger: de voetstappen, die u misleid hebben kunnen zulk een ouden woudlooper als mij niet bedriegen; de hiel was te diep ingedrukt, het waren ook geen geregelde stappen, maar aarzelend, nu links dan rechts, een bewijs dat zij valsch waren!”»Valsch waren!”»Geheel valsch. Weet gij wat de Roode-Ceder gedaan heeft om de richting te verbergen die hij volgde? Hij is meer dan twee mijlen ver het achterste voren geloopen.”»Zoudt gij dat denken?”»Ik ben er zeker van. De Roode-Ceder, ofschoon reeds op jaren, bezit nog de volle kracht der jeugd; zijn stap is vast en volkomen regelmatig, gelijk die van al de echte woudloopers. Hij marcheert met de noodige voorzorg, dat is hij zet den voorvoet eerst op den grond, zoo als ieder doet die niet zeker is dat hij niet zal moetenterugtreden. In de afdruksels die wij gezien hebben is, zoo als ik u reeds gezegd heb, de hiel het eerst op den grond gezet en dus veel dieper ingedrukt dan de teen; dat is te begrijpen en kan schier onmogelijk anders zijn als men achteruit loopt, inzonderheid wanneer het lang duurt.”»Dat is waar,” antwoordde don Miguel; »wat gij zegt is zoo zeker als twee maal twee vier is.”Valentin glimlachte.»Wij zijn er nog niet,” sprak hij, »laat mij begaan.”»Maar,” opperde don Pablo, »gesteld nu dat de Roode-Ceder tot hiertoe gekomen is, hetgeen ik thans zoo zeker geloof als gij zelf, hoe komt het dan dat wij zijn spoor aan de andere zijde der rots niet hebben teruggevonden? Hoe zorgvuldig hij het moge verborgen hebben, zoo het werkelijk bestaat zouden wij het ontdekken.”»Zonder twijfel; maar het bestaat daar niet en het zou onnoodig tijdverlies zijn om er naar te zoeken. De Roode-Ceder is tot hiertoe gekomen, deze streep bewijst het u. Maar waarom kwam hij hier? zult gij mij vragen. Om een licht te begrijpen reden. Op dit harde graniet namelijk is geen enkel indruksel mogelijk; de Squatter heeft ons willen misleiden, door ons—al waren wij hem te slim—op een punt te brengen, waar wij zijne richting geheel verliezen moeten. Dit is hem in zooverre gelukt; maar hij heeft al te fijn willen spelen en daardoor zijne zaak bedorven; binnen drie minuten zal ik u zijn spoor aanwijzen, zoo duidelijk als had hij het uzelf aangetoond.”»Ik moet u bekennen, vriend, dat ik zeer verwonderd ben over alles wat gij mij zegt,” hervatte don Miguel; »ik heb nooit iets kunnen begrijpen van dat hoogere instinct dat u in de prairie schijnt te besturen en voort te helpen, en waarvan ik met verbazing telkens nieuwe proeven heb gezien, maar ik verklaar u ronduit dat de tegenwoordige proef al de vorigen ver overtreft.”»Mijn hemel!” antwoordde Valentin, »gij maakt mij een kompliment dat ik niet verdien; al wat gij van mij gezien hebt is eene zaak van redeneering en vooral van gewoonte, zoo is het, bij voorbeeld, voor u even ontwijfelbaar als voor mij, dat de Roode-Ceder hier geweest is, niet waar?”»Ja.”»Zeer goed; maar als hij hier geweest is, moet hij ook weder vertrokken zijn,” riep de jager lachend, »want anders zou hij er nog moeten zijn, en dan hadden wij hem reeds.”»Dat is stellig.”»Goed; dus moeten wij nu zoeken op te sporen hoe hij is kunnen wegkomen.”»Dat is het juist en daar zie ik geen kans toe.”»Dat komt omdat gij niet goed ziet, of liever omdat gij u de moeite niet geven wilt.”»O! wat dat betreft, vriend, zweer ik u.…”»Vergeef mij, ik druk mij verkeerd uit; het is omdat gij u geen rekenschap weet te geven van hetgeen gij ziet.”»Hoe zoo! weet ik mij geen rekenschap te geven van hetgeen ik zie!” riep don Miguel min of meer gepikeerd door deze aanmerking.»Zeer zeker,” hernam Valentin bedaard, »en gij zult het mij dadelijk toestemmen.”»Dat is al wat ik verlang.”Ondanks zijn scherpzinnig verstand en andere uitmuntende hoedanigheden, had Valentin het zwak dat aan vele menschen eigen is, namelijk om onder zekere omstandigheden gaarne met zijne verkregen kennis en ervaring te schitteren.Dit gebrek, dat in de prairie zeer dikwijls voorkomt, was hem echter licht te vergeven en deed overigens aan het schoone karakter van Valentin geen schade.»Gij zult het zien,” vervolgde hij met die soort van toegevendheid, waarmede lieden die het wel weten gewoon zijn een of andere zaak aan onkundigen op te helderen; »de Roode-Ceder is hier gekomen en hij is verdwenen; ik kom hier en ik zie het; hij heeft niet kunnen wegvliegen, noch in de aarde kruipen; hij moet dus noodwendig een weg hebben gekozen, welken dan ook, daar een mensch door kan; nu ligt hier op de naakte rots een massa bladeren verspreid: een eerste bewijs.”»Hoedat?”»Pardi! dat spreekt van zelf; wij zijn immers niet in het saizoen, dat de boomen hun blad laten vallen; zij kunnen dus niet van zelf zijn afgevallen.”»Waarom niet?”»Omdat zij dan geel en verdord zouden moeten wezen, terwijl zij daarentegen groen en verlept en sommige zelfs verscheurd zijn: dus is het immers bepaald zeker dat zij met geweld van den boom zijn gerukt.”»Dat is waar,” mompelde don Miguel meer en meer verwonderd.»Laten wij thans zien door welke onbekende kracht zij van detakkenkunnen zijn gerukt.”Onder dit zeggen was Valentin reeds voortgestapt, al bukkende, in de richting waar hij een donkere kras op de rots had gezien.Zijne vrienden volgden hem, en bespiedden even als hij aandachtig den grond.Op eens bukte Valentin en raapte een stuk boomschors op, zoo groot als de palm van eene hand, en liet het aan don Miguel zien.»Thans is mij alles duidelijk,” zeide hij. »Gij ziet wel dat dit stukje boombast verknepen en afgekauwd is alsof het sterk door een touw omkneld was geweest, niet waar?”»Ja.”»Wel! begrijpt gij het nu?”»Waarlijk, niet beter dan te voren.”Valentin haalde de schouders op.»Luister eens goed,” zeide hij, »de Roode-Ceder is hier geweest, met zijn lasso heeft hij het uiteinde van dien dikken tak weten te grijpen, dien gij daar boven ons hoofd ziet uitsteken; geholpen door zijne kameraden, heeft hij dien omgebogen tot op den grond. De zwarte streep die wij gezien hebben, bewijst welk eene inspanning die menschen hebben moeten doen om dit gedaan te krijgen. De tak eenmaal gebogen zijnde, hebben de kameraden van den Squatter dien de een na den ander beklommen; de Roode-Ceder, die het laatst achterbleef, heeft er zich door laten opheffen, en allen zijn zij dus zeventig of tachtig voeten hoog boven den grond gekomen; dat alles, gij zult het moeten toestemmen, was zeer vernuftig uitgedacht; maar ongelukkig hebben de hakken van den Squatter een kras van nauwelijks een haar breed op de rots achtergelaten, en zijn er een massa bladeren van den boom op de rots gevallen: bij het losmaken van zijne lasso is er een stuk van de schors afgebroken, en daar hij te weinig tijd had om weder naar beneden te gaan en de sporen van zijn bedrijf te verwijderen, hebben wij die gevonden en hierdoor weet ik alles wat er gebeurd is zoo goed alsof ik het zelf had bijgewoond.”Op deze even beknopte als duidelijke verklaring van den jager volgde van de zijde zijner vrienden geen verbazing, maar stomme bewondering; zij stonden versteld door zulk een ongehoorde proef van scherpzinnigheid.»Het is mirakuleus!” riep don Miguel uit. »En gij gelooft dus dat de Roode-Ceder over dien boom is weggekomen?”»Ik durf dit wedden om al wat gij wilt,” zei Valentin. »Overigens zult gij het weldra zien, want wij gaan denzelfden weg op.”»Zoo! maar op die wijs zullen wij toch niet veel verder kunnen komen.”»Gij vergist u. In de natuurbosschen van die soort, welke thans voor ons ligt, bestaat bijna geen andere weg dan dien wij nemen zullen. Komaan, nu wij het spoor van den bandiet eindelijk voor goed hebben teruggevonden, hoop ik dat wij met lust zullen ontbijten om hem des te krachtiger te kunnen vervolgen.”De jagers zetten zich vroolijk rondom hun vuur en aten met smaak een bout van den grauwen beer.Maar uit ongeduld namen zij, zooals men gewoonlijk zegt, dubbele brokken, zoodat hun maal in een ommezien geëindigd was en zij weldra gereed waren hunne nasporingen voort te zetten.Valentin, ten einde zijn vrienden de juistheid zijner ophelderingen te kunnen bewijzen, gebruikte om den boom te beklimmen hetzelfde middel daar de Roode-Ceder zich van bediend had.Werkelijk moesten de jagers, toen zij allen op den tak vereenigd waren, de waarheid erkennen van hetgeen Valentin hun gezegd had; de sporen van den Roode-Ceder waren overal duidelijk zichtbaar.Zoo trokken zij een geruimen tijd voort, getrouw de sporen volgendedoor de bandieten nagelaten; hoe verder zij echter kwamen, hoe zeldzamer die sporen werden en eindelijk hielden zij geheel op.Het spoor was voor de tweede maal verloren.Valentin bleef staan, en wenkte zijne vrienden om bij hem te komen.»Laten wij raad houden,” zeide hij.»Ik denk, dat de Roode-Ceder lang genoeg naar zijn zin over de boomen gewandeld had, en dat hij op den grond zal zijn afgedaald,” opperde don Miguel.Valentin schudde het hoofd.»Gij zijt er niet achter, vriend,” zeide hij, »wat gij daar beweert is letterlijk onmogelijk.”»Waarom dat?”»Omdat het spoor, zooals gij ziet, hier juist eindigt boven een meer.”»Dat is zoo.”»Daarbij is het wel boven allen twijfel verheven dat de bandiet het niet al zwemmende zal zijn overgetrokken. Trekken wij dus, het mag gaan zoo het wil voort, ik ben er zeker van dat wij spoedig nieuwe sporen zullen vinden; de tegenwoordige richting is de eenige die de Roode-Ceder kan gekozen hebben, zijn doel is de linie der vijanden door te komen die hem van alle zijden insluiten. Ging hij de bergen in, dan zou hij, gelijk gij weet, en hij weet het even goed als wij, onherroepelijk verloren zijn, hij kon dus niet anders wegkomen dan daar ginds, en het is daar dat wij hem moeten nazetten.”»En blijven wij dan altijd op de boomen?” vroeg don Miguel.»Pardi! Gij moet niet vergeten, mijne vrienden, dat de bandieten een meisje bij zich hebben. Dat arme kind is geenszins, zoo als zij, gewoon aan de moeielijke marschen door de woestijn; zij zou die geen uur lang kunnen volhouden zoo haar vader en hare broeders haar niet langs betrekkelijk minder moeielijke wegen vervoerden. Slaat de oogen eens naar beneden, en gij zult u kunnen overtuigen dat het voor hen onmogelijk zou zijn om met een jong meisje daar door te komen. Hier is dus onze weg,” vervolgde hij nadrukkelijk, »en hier alleen kunnen wij onzen vijand aantreffen.”»Welaan dan, met Gods hulp!” riepen de Mexicanen.Curumilla had, volgens zijne gewoonte, niet gesproken, hij was zelfs niet blijven staan om aan het gesprek deel te nemen, maar was steeds voortgemarcheerd.»Ooah!” riep hij op eens.Zijne vrienden liepen haastig toe.De Ulmen had een stukje gestreept katoen in de hand, niet grooter dan een dollar.»Zoo als gij ziet,” riep Valentin, »wij zijn op den rechten weg, gaan wij er dus niet van af.”Deze ontdekking deed alle redekaveling ophouden.De dag daalde meer en meer, en de roode zonneschijf gloeide reeds van verre tusschen de boomstammen.Na nog twee uren gemarcheerd te hebben was het volkomen duister.»Wat nu gedaan?” vroeg don Miguel; »wij kunnen den nacht toch niet als papegaaien tusschen de takken doorbrengen; laten wij eene geschikte plaats opzoeken om te kampeeren, morgen kunnen wij met het aanbreken van den dag onze jacht hervatten.”»Ja,” antwoordde Valentin lachend, »en als er dan dezen nacht, terwijl wij daar beneden rustig slapen, iets gebeurt dat den Roode-Ceder verplicht om terug te keeren, glipt hij ons door de vingers als een adder, zonder dat wij het eens opmerken. Neen, neen, vriend, gij moet u van nacht getroosten om als een parkiet zoo als gij zegt op een tak te slapen, indien gij de vrucht van al uwe zorgen en vermoeienissen niet wilt zien verloren gaan.”»O, o! als het niet anders wezen kan,” riep don Miguel, »zal ik er mij aan onderwerpen, al moest ik ook acht dagen lang op een boom slapen, dat zou ik liever doen dan dat mij die booswicht ontsnapte.”»Wees maar gerust, hij zal ons zoo lang niet laten loopen; het boschzwijn is in de val, hij zal spoedig zijn man vinden. Hoe uitgestrekt de woestijn ook wezen mag, voor lieden die gewoon zijn haar in alle richtingen te doorkruisen bezit zij geen onbekende schuilhoeken. De Roode-Ceder is inderdaad een buitengewoon man en heeft meer gedaan dan iemand om ons te ontsnappen, maar thans is alles voor hem geëindigd, het is niets meer dan eene vraag van tijd.”»De hemel geve dat gij waarheid spreekt! Ik zou mijn leven willen opofferen om hem te zien straffen.”»Ik verzeker u, weldra is hij in uwe macht.”Op dit oogenblik trok Curumilla Valentin bij de mouw.»Wel, hoofdman, wat hebt gij?” vroeg laatstgenoemde.»Luister eens,” riep de Indiaan.De jagers spitsten de ooren; weldra hoorden zij, op vrij verren afstand, verwarde kreten, die van oogenblik tot oogenblik duidelijker werden, en eindelijk in een ontzettend rumoer overgingen.»Wat zou daar toch gebeuren?” vroeg Valentin peinzend.De kreten namen hand over hand toe, ongewone lichtvlammen verschenen in het bosch, zoodat er duizende vogels, uit hun slaap geschrikt in alle richtingen opvlogen onder angstig en klagend geschreeuw.»Geeft acht!” riep de jager; »laat ons wel toezien wat wij te doen hebben.”Hunne onzekerheid duurde echter niet lang. Valentin verliet op eens den schuilhoek waar hij zich verborgen had en hief een langen en doordringenden kreet aan, die terstond door een vervaarlijk gehuil werd beantwoord.»Wat is er toch?” vroeg don Miguel.»De Eenhoorn!” antwoordde Valentin.

Wij zullen thans naar Valentin en zijne vrienden terugkeeren, die wij verlaten hebben toen zij op weg gingen om den Roode-Ceder te vervolgen.

De Franschman begon eindelijk in deze zoo lang volgehouden jacht uit eerzucht en eigenliefde belang te stellen, zijn eerzucht kwamhier in ’t spel; het was de eerste maal sedert zijne komst in de prairie, dat hij stond tegenover zulk een moeielijke en fijn geslepen partij als de Roode-Ceder.

Zoowel als hij, bezat ook de Squatter eene grondige kennis van het leven in het Verre Westen, alle geluiden, alle paden en schuilhoeken der prairie waren hem bekend en gemeenzaam; even als hij had hij zich bijzonder toegelegd om de listen en bedriegerijen der Indianen te leeren kennen en gebruiken en eindelijk had Valentin in hem, zoo niet zijn meester dan toch zijns gelijke gevonden. Zijne geprikkelde eigenliefde dreef hem dus om de ontknooping dezer intrigue te verhaasten, en hij nam zich stellig voor om deze zaak zoo krachtig door te zetten, dat de Roode-Ceder ondanks al zijne geslepenheid weldra in zijne handen zou vallen.

Na dus, zoo als wij gezien hebben, de hoogere streken der Sierra verlaten te hebben, breidden de jagers zich waaiersgewijze uit, om zoo mogelijk door een of ander bewijs het sedert lang verloren spoor terug te vinden, volgens den bij alle woudloopers bekenden stelregel, dat de spoorzoeker die het eene eind van een spoor gevonden heeft, na verloop van eenigen tijd, ook het andere eind onfeilbaar bereiken moet.

Ongelukkig echter was er geen teeken van voetstappen hoegenaamd te ontdekken; de Roode-Ceder was er ja geweest, maar zoo als men het noemt, spoorloos verdwenen.

Intusschen liet Valentin zich niet ontmoedigen; hij bestudeerde het terrein, onderzocht ieder geknakte struik of grashalm met een geduld dat zich door niets liet afschrikken of vermoeien. Zijne vrienden, minder aan zulke onaangename teleurstellingen gewoon, wierpen hem te vergeefs wanhopige blikken toe; hij bleef steeds voortgaan met gebukte houding, starende naar den grond, zonder op hunne gebaren of woorden acht te slaan.

Eindelijk tegen den middag, na omtrent vier uren op deze wijs te zijn voortgegaan,—moeielijke taak voorzeker!—bevonden de jagers zich op eene naakte rots. Te dezer plaats zou het eene dwaasheid geweest zijn afdruksels van voetstappen te willen zoeken, die het harde graniet niet kon opnemen. Don Miguel en zijn zoon wierpen zich op den grond, meer nog uit moedeloosheid dan van vermoeienis.

Curumilla begon het hier en daar verstrooide dorre blad te verzamelen om een vuur voor het ontbijt aan te leggen.

Valentin stond op zijn geweer geleund, met een gefronst voorhoofd en gespannen aandacht en keek beurtelings naar den grond en om zich heen.

De plek waar de jagers hun voorloopig kampement hadden gevestigd, was een kale rots, op welke geen grasspriet groeien kon; een ontzaggelijke lorkenboom overschaduwde haar bijna geheel met zijne dichte takken.

De jager bleef gestadig doorkijken en wendde den schranderen blik afwisselend naar omhoog en naar beneden, als had hij een voorgevoel dat hij op deze plaats het lang vermiste spoor zou wedervinden.

Op eens humde hij welluidend en diep. Op dit signaal, dat tusschen hem en den Indiaan was afgesproken, hield Curumilla op met blad te verzamelen, richtte zich op en keek hem aan.

Valentin liep terstond naar hem toe. De twee Mexicanen stonden ook op en voegden zich bij hem.

»Hebt gij iets ontdekt?” vroeg don Miguel nieuwsgierig.

»Neen,” antwoordde Valentin, »maar ik zal waarschijnlijk spoedig iets ontdekken.”

»Hier?”

»Ja hier, juist hier, ik ruik de stappen van het boschzwijn,” riep hij met een geslepen glimlach; »geloof mij, wij zullen ze spoedig zien.”

Onder dit zeggen bukte de jager, raapte een handvol bladeren op en begon ze een voor een nauwkeurig te onderzoeken.

»Wat zoudt gij aan dat blad kunnen zien?” mompelde don Miguel en haalde de schouders op.

»Alles!” antwoordde Valentin forsch, terwijl hij zijn onderzoek voortzette.

Curumilla, die op de hurken zat, maakte den grond schoon en bekeek de rots.

»Ooah!” riep hij.

Allen bukten.

De Ulmen wees met den vinger op een kras in de rots, van omtrent tien duimen lang en niet dikker dan een haar.

»Hier zijn ze doorgegaan,” hernam Valentin, »dat is voor mij zoo zeker als twee maal twee vier is; alles bewijst het mij: de voetstappen die wij vroeger ontdekt hebben en die in omgekeerden zin liepen met deze plaats, zijn er een ontegenzeggelijk bewijs van.”

»Hoe kan dat?” riep don Miguel verwonderd.

»Niets is eenvoudiger: de voetstappen, die u misleid hebben kunnen zulk een ouden woudlooper als mij niet bedriegen; de hiel was te diep ingedrukt, het waren ook geen geregelde stappen, maar aarzelend, nu links dan rechts, een bewijs dat zij valsch waren!”

»Valsch waren!”

»Geheel valsch. Weet gij wat de Roode-Ceder gedaan heeft om de richting te verbergen die hij volgde? Hij is meer dan twee mijlen ver het achterste voren geloopen.”

»Zoudt gij dat denken?”

»Ik ben er zeker van. De Roode-Ceder, ofschoon reeds op jaren, bezit nog de volle kracht der jeugd; zijn stap is vast en volkomen regelmatig, gelijk die van al de echte woudloopers. Hij marcheert met de noodige voorzorg, dat is hij zet den voorvoet eerst op den grond, zoo als ieder doet die niet zeker is dat hij niet zal moetenterugtreden. In de afdruksels die wij gezien hebben is, zoo als ik u reeds gezegd heb, de hiel het eerst op den grond gezet en dus veel dieper ingedrukt dan de teen; dat is te begrijpen en kan schier onmogelijk anders zijn als men achteruit loopt, inzonderheid wanneer het lang duurt.”

»Dat is waar,” antwoordde don Miguel; »wat gij zegt is zoo zeker als twee maal twee vier is.”

Valentin glimlachte.

»Wij zijn er nog niet,” sprak hij, »laat mij begaan.”

»Maar,” opperde don Pablo, »gesteld nu dat de Roode-Ceder tot hiertoe gekomen is, hetgeen ik thans zoo zeker geloof als gij zelf, hoe komt het dan dat wij zijn spoor aan de andere zijde der rots niet hebben teruggevonden? Hoe zorgvuldig hij het moge verborgen hebben, zoo het werkelijk bestaat zouden wij het ontdekken.”

»Zonder twijfel; maar het bestaat daar niet en het zou onnoodig tijdverlies zijn om er naar te zoeken. De Roode-Ceder is tot hiertoe gekomen, deze streep bewijst het u. Maar waarom kwam hij hier? zult gij mij vragen. Om een licht te begrijpen reden. Op dit harde graniet namelijk is geen enkel indruksel mogelijk; de Squatter heeft ons willen misleiden, door ons—al waren wij hem te slim—op een punt te brengen, waar wij zijne richting geheel verliezen moeten. Dit is hem in zooverre gelukt; maar hij heeft al te fijn willen spelen en daardoor zijne zaak bedorven; binnen drie minuten zal ik u zijn spoor aanwijzen, zoo duidelijk als had hij het uzelf aangetoond.”

»Ik moet u bekennen, vriend, dat ik zeer verwonderd ben over alles wat gij mij zegt,” hervatte don Miguel; »ik heb nooit iets kunnen begrijpen van dat hoogere instinct dat u in de prairie schijnt te besturen en voort te helpen, en waarvan ik met verbazing telkens nieuwe proeven heb gezien, maar ik verklaar u ronduit dat de tegenwoordige proef al de vorigen ver overtreft.”

»Mijn hemel!” antwoordde Valentin, »gij maakt mij een kompliment dat ik niet verdien; al wat gij van mij gezien hebt is eene zaak van redeneering en vooral van gewoonte, zoo is het, bij voorbeeld, voor u even ontwijfelbaar als voor mij, dat de Roode-Ceder hier geweest is, niet waar?”

»Ja.”

»Zeer goed; maar als hij hier geweest is, moet hij ook weder vertrokken zijn,” riep de jager lachend, »want anders zou hij er nog moeten zijn, en dan hadden wij hem reeds.”

»Dat is stellig.”

»Goed; dus moeten wij nu zoeken op te sporen hoe hij is kunnen wegkomen.”

»Dat is het juist en daar zie ik geen kans toe.”

»Dat komt omdat gij niet goed ziet, of liever omdat gij u de moeite niet geven wilt.”

»O! wat dat betreft, vriend, zweer ik u.…”

»Vergeef mij, ik druk mij verkeerd uit; het is omdat gij u geen rekenschap weet te geven van hetgeen gij ziet.”

»Hoe zoo! weet ik mij geen rekenschap te geven van hetgeen ik zie!” riep don Miguel min of meer gepikeerd door deze aanmerking.

»Zeer zeker,” hernam Valentin bedaard, »en gij zult het mij dadelijk toestemmen.”

»Dat is al wat ik verlang.”

Ondanks zijn scherpzinnig verstand en andere uitmuntende hoedanigheden, had Valentin het zwak dat aan vele menschen eigen is, namelijk om onder zekere omstandigheden gaarne met zijne verkregen kennis en ervaring te schitteren.

Dit gebrek, dat in de prairie zeer dikwijls voorkomt, was hem echter licht te vergeven en deed overigens aan het schoone karakter van Valentin geen schade.

»Gij zult het zien,” vervolgde hij met die soort van toegevendheid, waarmede lieden die het wel weten gewoon zijn een of andere zaak aan onkundigen op te helderen; »de Roode-Ceder is hier gekomen en hij is verdwenen; ik kom hier en ik zie het; hij heeft niet kunnen wegvliegen, noch in de aarde kruipen; hij moet dus noodwendig een weg hebben gekozen, welken dan ook, daar een mensch door kan; nu ligt hier op de naakte rots een massa bladeren verspreid: een eerste bewijs.”

»Hoedat?”

»Pardi! dat spreekt van zelf; wij zijn immers niet in het saizoen, dat de boomen hun blad laten vallen; zij kunnen dus niet van zelf zijn afgevallen.”

»Waarom niet?”

»Omdat zij dan geel en verdord zouden moeten wezen, terwijl zij daarentegen groen en verlept en sommige zelfs verscheurd zijn: dus is het immers bepaald zeker dat zij met geweld van den boom zijn gerukt.”

»Dat is waar,” mompelde don Miguel meer en meer verwonderd.

»Laten wij thans zien door welke onbekende kracht zij van detakkenkunnen zijn gerukt.”

Onder dit zeggen was Valentin reeds voortgestapt, al bukkende, in de richting waar hij een donkere kras op de rots had gezien.

Zijne vrienden volgden hem, en bespiedden even als hij aandachtig den grond.

Op eens bukte Valentin en raapte een stuk boomschors op, zoo groot als de palm van eene hand, en liet het aan don Miguel zien.

»Thans is mij alles duidelijk,” zeide hij. »Gij ziet wel dat dit stukje boombast verknepen en afgekauwd is alsof het sterk door een touw omkneld was geweest, niet waar?”

»Ja.”

»Wel! begrijpt gij het nu?”

»Waarlijk, niet beter dan te voren.”

Valentin haalde de schouders op.

»Luister eens goed,” zeide hij, »de Roode-Ceder is hier geweest, met zijn lasso heeft hij het uiteinde van dien dikken tak weten te grijpen, dien gij daar boven ons hoofd ziet uitsteken; geholpen door zijne kameraden, heeft hij dien omgebogen tot op den grond. De zwarte streep die wij gezien hebben, bewijst welk eene inspanning die menschen hebben moeten doen om dit gedaan te krijgen. De tak eenmaal gebogen zijnde, hebben de kameraden van den Squatter dien de een na den ander beklommen; de Roode-Ceder, die het laatst achterbleef, heeft er zich door laten opheffen, en allen zijn zij dus zeventig of tachtig voeten hoog boven den grond gekomen; dat alles, gij zult het moeten toestemmen, was zeer vernuftig uitgedacht; maar ongelukkig hebben de hakken van den Squatter een kras van nauwelijks een haar breed op de rots achtergelaten, en zijn er een massa bladeren van den boom op de rots gevallen: bij het losmaken van zijne lasso is er een stuk van de schors afgebroken, en daar hij te weinig tijd had om weder naar beneden te gaan en de sporen van zijn bedrijf te verwijderen, hebben wij die gevonden en hierdoor weet ik alles wat er gebeurd is zoo goed alsof ik het zelf had bijgewoond.”

Op deze even beknopte als duidelijke verklaring van den jager volgde van de zijde zijner vrienden geen verbazing, maar stomme bewondering; zij stonden versteld door zulk een ongehoorde proef van scherpzinnigheid.

»Het is mirakuleus!” riep don Miguel uit. »En gij gelooft dus dat de Roode-Ceder over dien boom is weggekomen?”

»Ik durf dit wedden om al wat gij wilt,” zei Valentin. »Overigens zult gij het weldra zien, want wij gaan denzelfden weg op.”

»Zoo! maar op die wijs zullen wij toch niet veel verder kunnen komen.”

»Gij vergist u. In de natuurbosschen van die soort, welke thans voor ons ligt, bestaat bijna geen andere weg dan dien wij nemen zullen. Komaan, nu wij het spoor van den bandiet eindelijk voor goed hebben teruggevonden, hoop ik dat wij met lust zullen ontbijten om hem des te krachtiger te kunnen vervolgen.”

De jagers zetten zich vroolijk rondom hun vuur en aten met smaak een bout van den grauwen beer.

Maar uit ongeduld namen zij, zooals men gewoonlijk zegt, dubbele brokken, zoodat hun maal in een ommezien geëindigd was en zij weldra gereed waren hunne nasporingen voort te zetten.

Valentin, ten einde zijn vrienden de juistheid zijner ophelderingen te kunnen bewijzen, gebruikte om den boom te beklimmen hetzelfde middel daar de Roode-Ceder zich van bediend had.

Werkelijk moesten de jagers, toen zij allen op den tak vereenigd waren, de waarheid erkennen van hetgeen Valentin hun gezegd had; de sporen van den Roode-Ceder waren overal duidelijk zichtbaar.

Zoo trokken zij een geruimen tijd voort, getrouw de sporen volgendedoor de bandieten nagelaten; hoe verder zij echter kwamen, hoe zeldzamer die sporen werden en eindelijk hielden zij geheel op.

Het spoor was voor de tweede maal verloren.

Valentin bleef staan, en wenkte zijne vrienden om bij hem te komen.

»Laten wij raad houden,” zeide hij.

»Ik denk, dat de Roode-Ceder lang genoeg naar zijn zin over de boomen gewandeld had, en dat hij op den grond zal zijn afgedaald,” opperde don Miguel.

Valentin schudde het hoofd.

»Gij zijt er niet achter, vriend,” zeide hij, »wat gij daar beweert is letterlijk onmogelijk.”

»Waarom dat?”

»Omdat het spoor, zooals gij ziet, hier juist eindigt boven een meer.”

»Dat is zoo.”

»Daarbij is het wel boven allen twijfel verheven dat de bandiet het niet al zwemmende zal zijn overgetrokken. Trekken wij dus, het mag gaan zoo het wil voort, ik ben er zeker van dat wij spoedig nieuwe sporen zullen vinden; de tegenwoordige richting is de eenige die de Roode-Ceder kan gekozen hebben, zijn doel is de linie der vijanden door te komen die hem van alle zijden insluiten. Ging hij de bergen in, dan zou hij, gelijk gij weet, en hij weet het even goed als wij, onherroepelijk verloren zijn, hij kon dus niet anders wegkomen dan daar ginds, en het is daar dat wij hem moeten nazetten.”

»En blijven wij dan altijd op de boomen?” vroeg don Miguel.

»Pardi! Gij moet niet vergeten, mijne vrienden, dat de bandieten een meisje bij zich hebben. Dat arme kind is geenszins, zoo als zij, gewoon aan de moeielijke marschen door de woestijn; zij zou die geen uur lang kunnen volhouden zoo haar vader en hare broeders haar niet langs betrekkelijk minder moeielijke wegen vervoerden. Slaat de oogen eens naar beneden, en gij zult u kunnen overtuigen dat het voor hen onmogelijk zou zijn om met een jong meisje daar door te komen. Hier is dus onze weg,” vervolgde hij nadrukkelijk, »en hier alleen kunnen wij onzen vijand aantreffen.”

»Welaan dan, met Gods hulp!” riepen de Mexicanen.

Curumilla had, volgens zijne gewoonte, niet gesproken, hij was zelfs niet blijven staan om aan het gesprek deel te nemen, maar was steeds voortgemarcheerd.

»Ooah!” riep hij op eens.

Zijne vrienden liepen haastig toe.

De Ulmen had een stukje gestreept katoen in de hand, niet grooter dan een dollar.

»Zoo als gij ziet,” riep Valentin, »wij zijn op den rechten weg, gaan wij er dus niet van af.”

Deze ontdekking deed alle redekaveling ophouden.

De dag daalde meer en meer, en de roode zonneschijf gloeide reeds van verre tusschen de boomstammen.

Na nog twee uren gemarcheerd te hebben was het volkomen duister.

»Wat nu gedaan?” vroeg don Miguel; »wij kunnen den nacht toch niet als papegaaien tusschen de takken doorbrengen; laten wij eene geschikte plaats opzoeken om te kampeeren, morgen kunnen wij met het aanbreken van den dag onze jacht hervatten.”

»Ja,” antwoordde Valentin lachend, »en als er dan dezen nacht, terwijl wij daar beneden rustig slapen, iets gebeurt dat den Roode-Ceder verplicht om terug te keeren, glipt hij ons door de vingers als een adder, zonder dat wij het eens opmerken. Neen, neen, vriend, gij moet u van nacht getroosten om als een parkiet zoo als gij zegt op een tak te slapen, indien gij de vrucht van al uwe zorgen en vermoeienissen niet wilt zien verloren gaan.”

»O, o! als het niet anders wezen kan,” riep don Miguel, »zal ik er mij aan onderwerpen, al moest ik ook acht dagen lang op een boom slapen, dat zou ik liever doen dan dat mij die booswicht ontsnapte.”

»Wees maar gerust, hij zal ons zoo lang niet laten loopen; het boschzwijn is in de val, hij zal spoedig zijn man vinden. Hoe uitgestrekt de woestijn ook wezen mag, voor lieden die gewoon zijn haar in alle richtingen te doorkruisen bezit zij geen onbekende schuilhoeken. De Roode-Ceder is inderdaad een buitengewoon man en heeft meer gedaan dan iemand om ons te ontsnappen, maar thans is alles voor hem geëindigd, het is niets meer dan eene vraag van tijd.”

»De hemel geve dat gij waarheid spreekt! Ik zou mijn leven willen opofferen om hem te zien straffen.”

»Ik verzeker u, weldra is hij in uwe macht.”

Op dit oogenblik trok Curumilla Valentin bij de mouw.

»Wel, hoofdman, wat hebt gij?” vroeg laatstgenoemde.

»Luister eens,” riep de Indiaan.

De jagers spitsten de ooren; weldra hoorden zij, op vrij verren afstand, verwarde kreten, die van oogenblik tot oogenblik duidelijker werden, en eindelijk in een ontzettend rumoer overgingen.

»Wat zou daar toch gebeuren?” vroeg Valentin peinzend.

De kreten namen hand over hand toe, ongewone lichtvlammen verschenen in het bosch, zoodat er duizende vogels, uit hun slaap geschrikt in alle richtingen opvlogen onder angstig en klagend geschreeuw.

»Geeft acht!” riep de jager; »laat ons wel toezien wat wij te doen hebben.”

Hunne onzekerheid duurde echter niet lang. Valentin verliet op eens den schuilhoek waar hij zich verborgen had en hief een langen en doordringenden kreet aan, die terstond door een vervaarlijk gehuil werd beantwoord.

»Wat is er toch?” vroeg don Miguel.

»De Eenhoorn!” antwoordde Valentin.


Back to IndexNext