XXXIX.

XXXIX.HET WILDE ZWIJN IN ZIJN LAATSTE VERSCHANSING.Don Pablo liep ijlings de grot uit en keerde dadelijk naar Andres Garote terug.De gambusino sliep nog, en het kostte den jongman vrij veel moeite om hem wakker te krijgen. Eindelijk opende hij de oogen, ging overeind zitten, rekte zich een geruime poos, eindelijk toen hij de sterren boven zich zag glinsteren, riep hij op gebelgden toon:»Steken u de moskieten dat gij mij wakker maakt, laat mij toch slapen, ik heb nauwelijks een dutje gedaan; het is nog in lang geen dag.”»Dat weet ik beter dan gij, daar ik niet geslapen heb,” antwoordde don Pablo.»Dat is uw eigen dwaasheid,” geeuwde de andere zijne kaken bijna te bersten, »geloof mij toch, ga slapen, goeden nacht!”En hij dacht dadelijk weer te gaan liggen, doch de jongman liet er hem den tijd niet toe.»’t Is wel een tijd om te slapen,” zeide hij, hem de zarape afrukkende, daar de andere zich te vergeefs in wilde wikkelen.»Wordt gij dan razend dat gij mij zoo plaagt?” riep de gambusino kwaad, »of is er wat nieuws gebeurd, zeg?”Don Pablo vertelde hem wat hij gedaan had.De gambusino hoorde hem met de meeste oplettendheid aan; toen het verhaal uit was krabde hij zich achter de ooren en antwoordde:»Demonios!dat ziet er ernstig uit! ’t is in één woord fataal! Verliefde menschen zijn gekke menschen. Gij hebt onze geheele onderneming in de war geholpen.”»Denkt gij dat?”»Canelo!ik weet het zeker; de Roode-Ceder is een oude vos en zoo kwaadaardig als een oppossum; nu hij er eenmaal de lucht van heeft zie ik geen kans om hem te verschalken.”Don Pablo staarde hem aan met een verlegen gezicht.»Wat zullen wij doen?” zeide hij.»Verkassen, dat is de veiligste weg. Gij begrijpt wel dat de andere thans op zijne hoede is.”Er volgde tusschen de beide sprekers eene lange pauze.»Canarios!” riep de gambusino op eens, »ik wil mij niet laten uit het veld slaan, ik zal den ouden duivel een trek spelen op mijne manier.”»Wat is uw plan?”»Dat is mijne zaak; zoo gij meer vertrouwen in mij gesteld hadt zou het gansch anders met mij gegaan zijn, en zouden wij de zakentot algemeen genoegen hebben kunnen regelen. Enfin! wat gedaan is blijft gedaan, ik zal uwe onhandigheid zien te herstellen. Wat u aangaat gij moet weg.”»Moet ik weg, waarheen dan?”»Naar beneden den berg af; en dat wel om niet weder boven te komen voordat uwe kameraden er zijn, die gij tot geleider zult dienen om hen herwaarts te brengen.”»Maar gij dan?”»Ik? Breek uw hoofd niet met mij. Vaarwel.”»Als het niet anders wezen kan,” zei de jongman, »doe dan wat u goeddunkt, ik geef u volkomen vrijheid.”»Gij hadt dit besluit vroeger moeten nemen. Maar, à propos! mag ik uw hoed hebben, zeg?”»Van ganscher harte, maar gij hebt er immers zelf een!”»Ja, maar ik zal er waarschijnlijk nog een noodig hebben. Wacht! nog een woord.”»Spreek.”»Als gij soms onder het afklimmen hoort schieten of zoo, maak u dan niet ongerust, en kom vooral niet naar boven.”»Goed, dat is afgesproken, vaarwel!”»Vaarwel!”Na den gambusino zijn hoed te hebben toegeworpen, nam de jongman zijn geweer op schouder en begon hij den berg af te klimmen, zoodat hij weldra in de tallooze wendingen van het pad verdwenen was.Zoodra Andres Garote zich alleen bevond, nam hij den hoed van don Pablo en keilde hem in den afgrond waar hij hem met de oogen volgde om te zien waar hij bleef.Na eenige keeren op den tochtwind te hebben gezweefd, raakte de hoed een uitstekende rotspunt, kaatste terug en bleef eindelijk op aanmerkelijke diepte aan den steilen kant van de bergkloof hangen.»Mooi!” zei de gambusino wel voldaan, »daar ligt hij juist goed; nu iets anders.”Andres Garote ging op den grond zitten, nam zijn geweer en schoot het in de lucht af; onmiddellijk daarna greep hij een der pistolen uit zijn gordel, zette het met den tromp op de dikke spier van zijn linker voorarm en schoot het af, de kogel ging er door en door en maakte eene vleeschwond.»Caramba!” riep hij terwijl hij dadelijk op den grond zonk, »dit doet meer pijn dan ik dacht! maar dat is hetzelfde, het voornaamste is hier dat ik mijn doel bereik; dat zullen wij nu moeten afwachten.”Er verliep bijna een kwartieruurs zonder dat de stilte der woestijn door iets gestoord werd.Andres lag al dien tijd te steunen en te kermen, dat hij de steenen zou vermurwd hebben. Eindelijk hoorde hij op korten afstand een licht gedruisch.»Ei!” prevelde de gambusino die in stilte alles opmerkte wat er omging, »ik geloof dat ik beet heb en de visch aan den haak is.”»Wie duivel hebben wij hier?” riep een ruwe stem, »kijk eens, Sutter.”Andres Garote sloeg de oogen op en herkende den Roode-Ceder en zijn zoon.»Ach!” riep hij op klagenden toon, »zijt gij dat, oude Squatter. Waar drommel komt gij vandaan? Als ik ooit iemand verwachtte, u allerminst, al ben ik recht blijde u te zien.”»Ik ken die stem,” zei de Roode-Ceder.»’t Is Andres Garote, de ranchero,” antwoordde Sutter.»Ja, ik ben het, goede Sutter,” zei de Mexicaan, »o wee! wat heb ik een pijn!”»Zoo! wat scheelt u dan, en hoe komt gij hier?”»Dat moogt gij wel zeggen,” hernam de andere bitter. »Cuerpo de Dios!alles is met mij van kwaad tot erger gegaan sedert ik mijne rancho verlaten heb om in die verwenschte prairie te gaan.”»Wilt gij mij antwoorden, ja of neen?” riep de Roode-Ceder terwijl hij met de kolf van zijn geweer op den grond stampte en hem een argwanenden blik toewierp.»Wel! ik ben gekwetst zoo als gij trouwens wel zien kunt, ik heb een kogel door den arm gekregen en mijn lijf is erg gekneusd. Santa Maria! wat ik niet lijd! Maar dat is minder, de bandiet die mij zoo heeft toegetakeld zal niemand meer kwaad doen.”»Hebt gij hem gedood?” vroeg de Squatter met drift.»Zoo min of meer! kijk maar eens in de bergkloof, dan zult gij zijn lijk zien.”Sutter keek naar beneden.»Ik zie een hoed,” riep hij het volgend oogenblik, »het lijk zal niet ver af zijn.”»Als het ten minste niet op den bodem der barranca ligt,” zei Andres.»Dat is wel waarschijnlijk,” zei Sutter, »want de rots is bijna loodrecht.”»O!demonios! nuestraSeñora!wat lijd ik een pijn,” kermde de gambusino.De Squatter was op zijn beurt over de steilte neergebogen. Hij had den hoed van don Pablo herkend; en slaakte een zucht van genoegen toen hij naar Andres terugkeerde.»Hoor eens,” zeide hij op zachter toon, »wij kunnen hier niet blijven, kunt gij nog loopen?”»Ik weet het niet, ik zal het probeeren.”»Probeer het dan, voor den duivel!”De gambusino stond met veel moeite op, deed een paar stappen, maar viel weder op den grond.»Ik kan niet,” zeide hij ontmoedigd.»Bah!” riep Sutter, »ik zal hem op mijn rug nemen, hij is zoo zwaar niet.”»Haast u dan en maak er een eind aan.”De jongman bukte, nam den gambusino op, en zette hem op zijne schouders met zooveel gemak alsof het een kind was.Tien minuten later lag Andres Garote in de grot bij het vuur, terwijl Fray Ambrosio bezig was hem den arm te verbinden.»Ik moet zeggen, kameraad,” zei de monnik, »dat gij zeer behendig gewond zijt.”»Hoe dat?” vroeg de Mexicaan niet op zijn gemak.»Te duivel, ja; een wond in den linker arm zou u in geval van nood niet beletten om met ons nog een goed schot te doen.”»Dat doe ik, wees daarvan verzekerd,” antwoordde hij op zonderlingen toon.»Maar behalve dat, gij hebt mij nog niet gezegd hoe gij zoo toevallig in de bergen zijt gekomen,” zei nu de Roode-Ceder.»Dat toeval is zeer eenvoudig, sedert de nederlaag en verstrooiing van onze arme quadrille heb ik in de woestijn rond gezworven als een hond die zijn baas kwijt is, door de Indianen nagejaagd om gescalpeerd en door de blanken vervolgd om gehangen te worden, daar ik in de bende van den Roode-Ceder gediend had, wist ik geen raad waar heen? Nu drie dagen geleden kwam ik bij toeval in deze sierra; en heden nacht nadat ik zoo even pas een mond vol gegeten had en gereed was om een weinig te slapen, ben ik door een onbekend persoon in de duisternis onverwachts aangevallen; het overige weet gij, maar dat is hetzelfde, ik heb behoorlijk met hem afgerekend.”»Goed, goed,” viel de Roode-Ceder hem in de rede, »houd dat maar voor u zelven; voor het tegenwoordige wil ik u groeten, gij zult wel rust noodig hebben, zie een beetje te slapen zoo gij kunt.”De krijgslist van den gambusino was te eenvoudig en tevens te fijn overlegd om niet te gelukken.Niemand kon veronderstellen dat iemand zoo dwaas zou zijn geweest om zich voor de aardigheid zulk een ernstige wond toe te brengen; wat nog meer had bijgedragen om de vermoedens van den Roode-Ceder te doen verdwijnen, was dat hij den hoed van don Pablo had gezien.Hij kon zich niet voorstellen, dat twee personen van zoo verschillenden rang en vooral van zoo ver uiteenloopend karakter samen een verbond zouden hebben gemaakt.Dit viel niet in zijne berekening, alles was te gelooven maar dat niet.Derhalve hadden de bandieten, die Andres Garote als een der hunnen beschouwden, in hem geen het minste wantrouwen.De gelukkige ranchero, tevreden dat hij zich in het hol van den leeuw bevond en bijna zeker van het welslagen zijner plannen, was te veel aan wonden gewoon om zich erg over de vleeschwond te bekommeren die hij zich met lofwaardige moed en behendigheid hadtoegebracht, zoodat hij zich onbezorgd ter ruste legde en spoedig insliep.Toen hij wakker werd, zat Fray Ambrosio bij hem en stond zijn ontbijt gereed.»Wel!” vroeg hem de monnik, »hoe bevindt gij u thans?”»Veel beter dan ik verwacht had,” antwoordde hij, »dat slaapje, hoe kort ook van duur, heeft mij goed gedaan.”»Laat ik uwe wonde eens bezien, compadre.”Andres hield hem zijn arm voor, dien de monnik op nieuw verbond.De beide mannen praatten nog een poosje samen, als oude kennissen die blijde waren elkander na lange afwezigheid weder te zien.Plotseling kwam de Roode-Ceder aanloopen, met zijn geweer in de hand.»Op! op!” schreeuwde hij, »daar is de vijand!”»De vijand!” riep de gambusino. »Canelo!waar is mijn buks? Als ik niet staan kan zal ik zittende schieten; men moet niet kunnen zeggen dat ik mijne vrienden niet geholpen heb toen zij in nood waren.”Terstond kwam Sutter van de andere zijde aanloopen al schreeuwende:»Op! op!”De zonderlinge samenloop eener dubbele overrompeling van twee kanten tegelijk, bracht den Roode-Ceder tot nadenken.»Wij zijn verraden!” riep hij.»Door wie?” vroeg de gambusino onbeschaamd.»Door wie, door u misschien!” antwoordde de Roode-Ceder toornig.Andres begon te lachen.»Gij lijkt wel gek, Roode-Ceder,” zeide hij, »brengt het gevaar uw hoofd in de war, gij weet immers dat ik hier niet van daan ben geweest.”De schijn moest hier wel voor bewijs gelden.»En toch zou ik durven zweren dat wij door een der onzen verraden zijn,” hervatte de Squatter woedend.»In plaats van de schuld, zoo als gij doet, aan de omstandigheden te wijten,” zeide Andres op een toon van meesterlijk gespeelde verontwaardiging, »zoudt gij beter doen te vluchten. Gij zijt een te geslepen vos om geen uitgang uit uw hol te weten, alle toegangen kunnen niet bezet zijn. Wat duivel! terwijl gij ziet te ontsnappen, zal ik, die toch niet voort kan, hier uw aftocht dekken, dan zult gij eens zien of ik u verraden heb.”»Zoudt gij dat willen doen?”»Ik doe het, zeker!”»Mijn God! dan zijt gij een man, en ik geef u mijne hoogachting.”Op dit oogenblik klonk de snerpende oorlogskreet der Comanch enaan een der uitgangen van de spelonk, terwijl men van eene tegenovergestelde hoorde roepen:»De Zoon des Bloeds! de Zoon des Bloeds!”»Haast u! haast u!” schreeuwde de gambusino terwijl hij met drift zijn geweer greep, dat naast hem lag.»O! ze hebben mij nog niet!” antwoordde de Roode-Ceder terwijl hij met zijne forsche gespierde armen Ellen opnam, die op het eerste alarm was toegeschoten en zich bevend aan haar vader vastklemde.De drie bandieten trokken zich terug en verdwenen in de diepte der onderaardsche gangen.Andres nam onmiddellijk zijne kans waar, sprong op de beenen en snelde hen na, gevolgd door een twintigtal Comanchen en Apachen die zich onmiddellijk bij hem aansloten onder aanvoering van den Eenhoorn, den Zwarte-Kat en den Spinnekop.Weldra hoorde men in de gewelven der grot het gedonder der echoos, veroorzaakt door het knallen der losbrandingen uit klein geweer.De strijd was begonnen.De Roode-Ceder had zich aan de andere zijde der spelonk gekeerd gezien door Valentin en diens gezellen, toen hij wilde vluchten door een uitweg dien hij meende dat nog onbezet was.Hij snelde dus dadelijk terug, maar werd tot zijn ongeluk opgemerkt en het schieten had onmiddellijk een aanvang genomen.Het was een schrikbarend gevecht dat hier onder de sombere gewelven der onmetelijke grot zou geleverd worden. De onverzoenbare vijanden stonden eindelijk tegenover elkander en hadden geen van beiden kwartier te geven noch te verwachten.Intusschen liet de Roode-Ceder zich door de overmacht zijner vijanden niet ontmoedigen, hij beantwoordde het vuur zijner tegenstanders terstond met den meesten nadruk, daarbij langzaam terug wijkende en telkens om zich heen ziende of hij een nieuwen uitweg kon ontdekken.De volslagen duisternis die in de grot heerschte was zeer in het voordeel der bandieten, die met de plaatselijke gelegenheid volkomen bekend en bovendien door hun geringe getalsterkte, zich achter iederen uitstekenden rotswand konden verschuilen om de vijandelijke kogels te ontwijken, terwijl hunne eigene schoten op de talrijke, dicht opeengedrongen aanvallers, eene vernielende uitwerking deden.Op eens slaakte de Squatter een zegevierenden kreet, en gevolgd door zijne medestanders, verdween hij als met een tooverslag.De Indianen en partijgangers verstrooiden zich nu in alle richtingen om de bandieten op te sporen.Maar deze waren spoorloos verdwenen.»Op die wijze zullen wij hem nooit vinden,” riep Valentin, »wij loopen gevaar van op elkander te schieten. Laat eenige krijgslieden zich verwijderen om ocote-fakkels te gaan snijden, intusschen zullen wij de uitgangen bewaken.”»’t Is overbodig,” zeide Curumilla, die reeds met eene vracht kaarshout aankwam.Binnen weinige oogenblikken was de grot helder verlicht.Nu vertoonde zich aan de blikken der verwonderde Comanchen dadelijk de nevengalerij door welke de Roode-Ceder verdwenen was, en die zij wel twintigmaal waren voorbijgeloopen zonder haar te zien.Zij stormden haar thans in met een huilenden oorlogskreet, maar deinsden oogenblikkelijk terug, daar zij met levendig geweervuur werden ontvangen en drie van hen doodelijk getroffen ter aarde stortten.De genoemde galerij was laag en smal en liep opwaarts, met een soort van natuurlijken trap. In één woord, het was eene geducht sterke stelling. Slechts vier man in ’t gelid konden er met moeite binnendringen.Tienmaal hernieuwden de Comanchen den aanval, en tienmaal waren zij genoodzaakt te wijken.De dooden en gewonden hoopten zich aan den ingang op, zoodat zij dien bijna versperden.De toestand der aanvallers werd hachelijk.»Houdt op!” riep Valentin.Allen bleven staan.Daarop hielden don Miguel, don Pablo, de Eenhoorn, de Witte-Gazelle, de Zwarte-Kat, de Zoon des Bloeds en eenige Indiaansche hoofden te zamen raad over hetgeen er verder moest gedaan worden.Curumillawasmet een twaalftal krijgslieden, die hij wenkte hem te volgen, de grot uitgegaan.Zooals gewoonlijk in dergelijke gevaarvolle omstandigheden waren de gevoelens uiterst verdeeld, zoodat men het onmogelijk eens kon worden.Op dit oogenblik keerde Curumilla terug, gevolgd door zijne krijgslieden, allen beladen met droog hout en dorre bladeren, zooveel zij dragen konden.»Geeft wel acht!” zei Valentin, naar het opperhoofd wijzende »het is al weder Curumilla die ons met zijn goed overleg helpen zal,”De anderen begrepen er nog niets van.»Komt, mijne kinderen!” riep de jager, »een laatsten aanval!”De Comanchen stormden de galerij binnen, maar een nieuwe losbranding noodzaakte hen andermaal af te houden.»Het is genoeg!” kommandeerde de Franschman; »dit is al wat ik weten wilde.”Men gehoorzaamde.Valentin wendde zich toen tot de hem vergezellende hoofden.»Het blijkt thans duidelijk dat de galerij geen uitgang heeft. Dat schijnt de Roode-Ceder toen hij er de wijk in nam niet geweten te hebben, anders zou hij er zeker niet ingegaan zijn; en bovendien, als er een uitweg was, zouden de bandieten in plaats van in hun schuilhoek te blijven, gewis van het eerste oogenblik tijd datwij hun verschaften gebruik hebben gemaakt om weg te komen.”»Dat is waar,” antwoordden de hoofden.»Wat ik u daar even heb gezegd had Curumilla reeds begrepen, het bewijs daarvan is, dat hij het eenige middel heeft gevonden om den vijand te dwingen zich over te geven, namelijk om hem door rook te verdrijven.”Deze verklaring werd met luide toejuiching ontvangen.»Krijgslieden!” hervatte Valentin, »werp in dat hol zooveel hout en dor blad als gij kunt, en zoodra de hoop groot genoeg is steken wij dien in brand.”Ieder haastte zich om het zeerst hem te gehoorzamen.De Roode-Ceder en zijne kameraden, terstond begrijpende wat hunne vijanden voornemens waren te doen, poogden het te verhinderen door op den duur een levendig geweervuur te onderhouden, doch de Indianen door de ondervinding geleerd wisten zich zoodanig te plaatsen of op een afstand te blijven dat de kogels niemand raakten.Weldra was de ingang der galerij bijna geheel met brandbare stoffen van allerlei aard gevuld.Valentin nam een brandende fakkel, maar eer hij den hoop in brand stak, wenkte hij met de hand om stilte te gebieden, en richtte het woord tot de belegerden.»Roode-Ceder!” riep hij, »men zal u berooken, wilt gij u overgeven?”»Loop naar den duivel! vervloekte Franschman,” antwoordde de Squatter.En op deze krachtige rede volgden onmiddellijk drie geweerschoten.»Wees nu op uwe hoede!” zeide Valentin tot de zijnen, »want als zij nu voelen dat zij verstikken moeten, zullen ze een wanhopigen uitval wagen.”Hij bukte en wierp de fakkel inde brandstoffen; zij vatten terstond vuur, en binnen weinige minuten steeg er een dikke rook omhoog, die den ingang der galerij bedekte als met een gordijn.Inmiddels hield elk zich gereed om den verwachten uitval der belegerden af te slaan.De Indianen wisten dat de schok hevig zou zijn.Zij behoefden niet lang te wachten. Plotseling zagen zij dwars door de vlammen drie duivels springen, die hals over kop op hen instormden.Toen volgde er in deze engbeperkte ruimte eene vreeselijke verwarring, die eenige minuten aanhield.Don Pablo had den Roode-Ceder nauwelijks bemerkt, of hij wierp zich op hem; ondanks den weerstand van den bandiet maakte hij zich meester van Ellen en droeg haar in zijne armen weg.De Squatter brulde als een tijger, sloeg alles neder wat om of nabij hem durfde komen; van hunnen kant streden Sutter en Fray Ambrosio met den moed en de onversaagdheid van mannen die wisten dat het om hun leven te doen was.Maar deze wanhopige strijd van drie tegen eenige honderden kon niet lang duren.Ondanks hunne heftige pogingen werden de drie bandieten eindelijk met de lasso gevangen en buiten de mogelijkheid gebracht om verder een lid te verroeren.»Doodt mij, ellendelingen!” brulde de Roode-Ceder vertwijfeld.De Zoon des Bloeds naderde hem en bracht de hand aan zijn schouder.»Roode-Ceder,” zeide hij, »gij zult veroordeeld worden volgens de Lynch-wet.”Toen hij den partijganger zag, deed de Squatter eene geweldige poging om zijne banden te verbreken en hem aan te vallen, maar hij voelde zijn onmacht en viel schuimbekkend op den grond terug.Zoodra de strijd geëindigd was, haastte Valentin zich om buiten de grot te komen en een weinig versche lucht te scheppen. Daarbuiten stond de Zonnestraal hem op te wachten.»Koutonepi,” zeide zij, »de vader der gebeden, Seraphin, zendt mij tot u. Uwe moeder gaat sterven.”»Mijne moeder!” riep de jager radeloos. »Mijn God, hoe zal ik het maken om bij haar te komen?”»Curumilla heeft reeds voor u gezorgd,” antwoordde zij, »hij wacht u onder aan den berg met twee paarden.”De jager stormde naar beneden en liep ijlings het pad af.

XXXIX.HET WILDE ZWIJN IN ZIJN LAATSTE VERSCHANSING.Don Pablo liep ijlings de grot uit en keerde dadelijk naar Andres Garote terug.De gambusino sliep nog, en het kostte den jongman vrij veel moeite om hem wakker te krijgen. Eindelijk opende hij de oogen, ging overeind zitten, rekte zich een geruime poos, eindelijk toen hij de sterren boven zich zag glinsteren, riep hij op gebelgden toon:»Steken u de moskieten dat gij mij wakker maakt, laat mij toch slapen, ik heb nauwelijks een dutje gedaan; het is nog in lang geen dag.”»Dat weet ik beter dan gij, daar ik niet geslapen heb,” antwoordde don Pablo.»Dat is uw eigen dwaasheid,” geeuwde de andere zijne kaken bijna te bersten, »geloof mij toch, ga slapen, goeden nacht!”En hij dacht dadelijk weer te gaan liggen, doch de jongman liet er hem den tijd niet toe.»’t Is wel een tijd om te slapen,” zeide hij, hem de zarape afrukkende, daar de andere zich te vergeefs in wilde wikkelen.»Wordt gij dan razend dat gij mij zoo plaagt?” riep de gambusino kwaad, »of is er wat nieuws gebeurd, zeg?”Don Pablo vertelde hem wat hij gedaan had.De gambusino hoorde hem met de meeste oplettendheid aan; toen het verhaal uit was krabde hij zich achter de ooren en antwoordde:»Demonios!dat ziet er ernstig uit! ’t is in één woord fataal! Verliefde menschen zijn gekke menschen. Gij hebt onze geheele onderneming in de war geholpen.”»Denkt gij dat?”»Canelo!ik weet het zeker; de Roode-Ceder is een oude vos en zoo kwaadaardig als een oppossum; nu hij er eenmaal de lucht van heeft zie ik geen kans om hem te verschalken.”Don Pablo staarde hem aan met een verlegen gezicht.»Wat zullen wij doen?” zeide hij.»Verkassen, dat is de veiligste weg. Gij begrijpt wel dat de andere thans op zijne hoede is.”Er volgde tusschen de beide sprekers eene lange pauze.»Canarios!” riep de gambusino op eens, »ik wil mij niet laten uit het veld slaan, ik zal den ouden duivel een trek spelen op mijne manier.”»Wat is uw plan?”»Dat is mijne zaak; zoo gij meer vertrouwen in mij gesteld hadt zou het gansch anders met mij gegaan zijn, en zouden wij de zakentot algemeen genoegen hebben kunnen regelen. Enfin! wat gedaan is blijft gedaan, ik zal uwe onhandigheid zien te herstellen. Wat u aangaat gij moet weg.”»Moet ik weg, waarheen dan?”»Naar beneden den berg af; en dat wel om niet weder boven te komen voordat uwe kameraden er zijn, die gij tot geleider zult dienen om hen herwaarts te brengen.”»Maar gij dan?”»Ik? Breek uw hoofd niet met mij. Vaarwel.”»Als het niet anders wezen kan,” zei de jongman, »doe dan wat u goeddunkt, ik geef u volkomen vrijheid.”»Gij hadt dit besluit vroeger moeten nemen. Maar, à propos! mag ik uw hoed hebben, zeg?”»Van ganscher harte, maar gij hebt er immers zelf een!”»Ja, maar ik zal er waarschijnlijk nog een noodig hebben. Wacht! nog een woord.”»Spreek.”»Als gij soms onder het afklimmen hoort schieten of zoo, maak u dan niet ongerust, en kom vooral niet naar boven.”»Goed, dat is afgesproken, vaarwel!”»Vaarwel!”Na den gambusino zijn hoed te hebben toegeworpen, nam de jongman zijn geweer op schouder en begon hij den berg af te klimmen, zoodat hij weldra in de tallooze wendingen van het pad verdwenen was.Zoodra Andres Garote zich alleen bevond, nam hij den hoed van don Pablo en keilde hem in den afgrond waar hij hem met de oogen volgde om te zien waar hij bleef.Na eenige keeren op den tochtwind te hebben gezweefd, raakte de hoed een uitstekende rotspunt, kaatste terug en bleef eindelijk op aanmerkelijke diepte aan den steilen kant van de bergkloof hangen.»Mooi!” zei de gambusino wel voldaan, »daar ligt hij juist goed; nu iets anders.”Andres Garote ging op den grond zitten, nam zijn geweer en schoot het in de lucht af; onmiddellijk daarna greep hij een der pistolen uit zijn gordel, zette het met den tromp op de dikke spier van zijn linker voorarm en schoot het af, de kogel ging er door en door en maakte eene vleeschwond.»Caramba!” riep hij terwijl hij dadelijk op den grond zonk, »dit doet meer pijn dan ik dacht! maar dat is hetzelfde, het voornaamste is hier dat ik mijn doel bereik; dat zullen wij nu moeten afwachten.”Er verliep bijna een kwartieruurs zonder dat de stilte der woestijn door iets gestoord werd.Andres lag al dien tijd te steunen en te kermen, dat hij de steenen zou vermurwd hebben. Eindelijk hoorde hij op korten afstand een licht gedruisch.»Ei!” prevelde de gambusino die in stilte alles opmerkte wat er omging, »ik geloof dat ik beet heb en de visch aan den haak is.”»Wie duivel hebben wij hier?” riep een ruwe stem, »kijk eens, Sutter.”Andres Garote sloeg de oogen op en herkende den Roode-Ceder en zijn zoon.»Ach!” riep hij op klagenden toon, »zijt gij dat, oude Squatter. Waar drommel komt gij vandaan? Als ik ooit iemand verwachtte, u allerminst, al ben ik recht blijde u te zien.”»Ik ken die stem,” zei de Roode-Ceder.»’t Is Andres Garote, de ranchero,” antwoordde Sutter.»Ja, ik ben het, goede Sutter,” zei de Mexicaan, »o wee! wat heb ik een pijn!”»Zoo! wat scheelt u dan, en hoe komt gij hier?”»Dat moogt gij wel zeggen,” hernam de andere bitter. »Cuerpo de Dios!alles is met mij van kwaad tot erger gegaan sedert ik mijne rancho verlaten heb om in die verwenschte prairie te gaan.”»Wilt gij mij antwoorden, ja of neen?” riep de Roode-Ceder terwijl hij met de kolf van zijn geweer op den grond stampte en hem een argwanenden blik toewierp.»Wel! ik ben gekwetst zoo als gij trouwens wel zien kunt, ik heb een kogel door den arm gekregen en mijn lijf is erg gekneusd. Santa Maria! wat ik niet lijd! Maar dat is minder, de bandiet die mij zoo heeft toegetakeld zal niemand meer kwaad doen.”»Hebt gij hem gedood?” vroeg de Squatter met drift.»Zoo min of meer! kijk maar eens in de bergkloof, dan zult gij zijn lijk zien.”Sutter keek naar beneden.»Ik zie een hoed,” riep hij het volgend oogenblik, »het lijk zal niet ver af zijn.”»Als het ten minste niet op den bodem der barranca ligt,” zei Andres.»Dat is wel waarschijnlijk,” zei Sutter, »want de rots is bijna loodrecht.”»O!demonios! nuestraSeñora!wat lijd ik een pijn,” kermde de gambusino.De Squatter was op zijn beurt over de steilte neergebogen. Hij had den hoed van don Pablo herkend; en slaakte een zucht van genoegen toen hij naar Andres terugkeerde.»Hoor eens,” zeide hij op zachter toon, »wij kunnen hier niet blijven, kunt gij nog loopen?”»Ik weet het niet, ik zal het probeeren.”»Probeer het dan, voor den duivel!”De gambusino stond met veel moeite op, deed een paar stappen, maar viel weder op den grond.»Ik kan niet,” zeide hij ontmoedigd.»Bah!” riep Sutter, »ik zal hem op mijn rug nemen, hij is zoo zwaar niet.”»Haast u dan en maak er een eind aan.”De jongman bukte, nam den gambusino op, en zette hem op zijne schouders met zooveel gemak alsof het een kind was.Tien minuten later lag Andres Garote in de grot bij het vuur, terwijl Fray Ambrosio bezig was hem den arm te verbinden.»Ik moet zeggen, kameraad,” zei de monnik, »dat gij zeer behendig gewond zijt.”»Hoe dat?” vroeg de Mexicaan niet op zijn gemak.»Te duivel, ja; een wond in den linker arm zou u in geval van nood niet beletten om met ons nog een goed schot te doen.”»Dat doe ik, wees daarvan verzekerd,” antwoordde hij op zonderlingen toon.»Maar behalve dat, gij hebt mij nog niet gezegd hoe gij zoo toevallig in de bergen zijt gekomen,” zei nu de Roode-Ceder.»Dat toeval is zeer eenvoudig, sedert de nederlaag en verstrooiing van onze arme quadrille heb ik in de woestijn rond gezworven als een hond die zijn baas kwijt is, door de Indianen nagejaagd om gescalpeerd en door de blanken vervolgd om gehangen te worden, daar ik in de bende van den Roode-Ceder gediend had, wist ik geen raad waar heen? Nu drie dagen geleden kwam ik bij toeval in deze sierra; en heden nacht nadat ik zoo even pas een mond vol gegeten had en gereed was om een weinig te slapen, ben ik door een onbekend persoon in de duisternis onverwachts aangevallen; het overige weet gij, maar dat is hetzelfde, ik heb behoorlijk met hem afgerekend.”»Goed, goed,” viel de Roode-Ceder hem in de rede, »houd dat maar voor u zelven; voor het tegenwoordige wil ik u groeten, gij zult wel rust noodig hebben, zie een beetje te slapen zoo gij kunt.”De krijgslist van den gambusino was te eenvoudig en tevens te fijn overlegd om niet te gelukken.Niemand kon veronderstellen dat iemand zoo dwaas zou zijn geweest om zich voor de aardigheid zulk een ernstige wond toe te brengen; wat nog meer had bijgedragen om de vermoedens van den Roode-Ceder te doen verdwijnen, was dat hij den hoed van don Pablo had gezien.Hij kon zich niet voorstellen, dat twee personen van zoo verschillenden rang en vooral van zoo ver uiteenloopend karakter samen een verbond zouden hebben gemaakt.Dit viel niet in zijne berekening, alles was te gelooven maar dat niet.Derhalve hadden de bandieten, die Andres Garote als een der hunnen beschouwden, in hem geen het minste wantrouwen.De gelukkige ranchero, tevreden dat hij zich in het hol van den leeuw bevond en bijna zeker van het welslagen zijner plannen, was te veel aan wonden gewoon om zich erg over de vleeschwond te bekommeren die hij zich met lofwaardige moed en behendigheid hadtoegebracht, zoodat hij zich onbezorgd ter ruste legde en spoedig insliep.Toen hij wakker werd, zat Fray Ambrosio bij hem en stond zijn ontbijt gereed.»Wel!” vroeg hem de monnik, »hoe bevindt gij u thans?”»Veel beter dan ik verwacht had,” antwoordde hij, »dat slaapje, hoe kort ook van duur, heeft mij goed gedaan.”»Laat ik uwe wonde eens bezien, compadre.”Andres hield hem zijn arm voor, dien de monnik op nieuw verbond.De beide mannen praatten nog een poosje samen, als oude kennissen die blijde waren elkander na lange afwezigheid weder te zien.Plotseling kwam de Roode-Ceder aanloopen, met zijn geweer in de hand.»Op! op!” schreeuwde hij, »daar is de vijand!”»De vijand!” riep de gambusino. »Canelo!waar is mijn buks? Als ik niet staan kan zal ik zittende schieten; men moet niet kunnen zeggen dat ik mijne vrienden niet geholpen heb toen zij in nood waren.”Terstond kwam Sutter van de andere zijde aanloopen al schreeuwende:»Op! op!”De zonderlinge samenloop eener dubbele overrompeling van twee kanten tegelijk, bracht den Roode-Ceder tot nadenken.»Wij zijn verraden!” riep hij.»Door wie?” vroeg de gambusino onbeschaamd.»Door wie, door u misschien!” antwoordde de Roode-Ceder toornig.Andres begon te lachen.»Gij lijkt wel gek, Roode-Ceder,” zeide hij, »brengt het gevaar uw hoofd in de war, gij weet immers dat ik hier niet van daan ben geweest.”De schijn moest hier wel voor bewijs gelden.»En toch zou ik durven zweren dat wij door een der onzen verraden zijn,” hervatte de Squatter woedend.»In plaats van de schuld, zoo als gij doet, aan de omstandigheden te wijten,” zeide Andres op een toon van meesterlijk gespeelde verontwaardiging, »zoudt gij beter doen te vluchten. Gij zijt een te geslepen vos om geen uitgang uit uw hol te weten, alle toegangen kunnen niet bezet zijn. Wat duivel! terwijl gij ziet te ontsnappen, zal ik, die toch niet voort kan, hier uw aftocht dekken, dan zult gij eens zien of ik u verraden heb.”»Zoudt gij dat willen doen?”»Ik doe het, zeker!”»Mijn God! dan zijt gij een man, en ik geef u mijne hoogachting.”Op dit oogenblik klonk de snerpende oorlogskreet der Comanch enaan een der uitgangen van de spelonk, terwijl men van eene tegenovergestelde hoorde roepen:»De Zoon des Bloeds! de Zoon des Bloeds!”»Haast u! haast u!” schreeuwde de gambusino terwijl hij met drift zijn geweer greep, dat naast hem lag.»O! ze hebben mij nog niet!” antwoordde de Roode-Ceder terwijl hij met zijne forsche gespierde armen Ellen opnam, die op het eerste alarm was toegeschoten en zich bevend aan haar vader vastklemde.De drie bandieten trokken zich terug en verdwenen in de diepte der onderaardsche gangen.Andres nam onmiddellijk zijne kans waar, sprong op de beenen en snelde hen na, gevolgd door een twintigtal Comanchen en Apachen die zich onmiddellijk bij hem aansloten onder aanvoering van den Eenhoorn, den Zwarte-Kat en den Spinnekop.Weldra hoorde men in de gewelven der grot het gedonder der echoos, veroorzaakt door het knallen der losbrandingen uit klein geweer.De strijd was begonnen.De Roode-Ceder had zich aan de andere zijde der spelonk gekeerd gezien door Valentin en diens gezellen, toen hij wilde vluchten door een uitweg dien hij meende dat nog onbezet was.Hij snelde dus dadelijk terug, maar werd tot zijn ongeluk opgemerkt en het schieten had onmiddellijk een aanvang genomen.Het was een schrikbarend gevecht dat hier onder de sombere gewelven der onmetelijke grot zou geleverd worden. De onverzoenbare vijanden stonden eindelijk tegenover elkander en hadden geen van beiden kwartier te geven noch te verwachten.Intusschen liet de Roode-Ceder zich door de overmacht zijner vijanden niet ontmoedigen, hij beantwoordde het vuur zijner tegenstanders terstond met den meesten nadruk, daarbij langzaam terug wijkende en telkens om zich heen ziende of hij een nieuwen uitweg kon ontdekken.De volslagen duisternis die in de grot heerschte was zeer in het voordeel der bandieten, die met de plaatselijke gelegenheid volkomen bekend en bovendien door hun geringe getalsterkte, zich achter iederen uitstekenden rotswand konden verschuilen om de vijandelijke kogels te ontwijken, terwijl hunne eigene schoten op de talrijke, dicht opeengedrongen aanvallers, eene vernielende uitwerking deden.Op eens slaakte de Squatter een zegevierenden kreet, en gevolgd door zijne medestanders, verdween hij als met een tooverslag.De Indianen en partijgangers verstrooiden zich nu in alle richtingen om de bandieten op te sporen.Maar deze waren spoorloos verdwenen.»Op die wijze zullen wij hem nooit vinden,” riep Valentin, »wij loopen gevaar van op elkander te schieten. Laat eenige krijgslieden zich verwijderen om ocote-fakkels te gaan snijden, intusschen zullen wij de uitgangen bewaken.”»’t Is overbodig,” zeide Curumilla, die reeds met eene vracht kaarshout aankwam.Binnen weinige oogenblikken was de grot helder verlicht.Nu vertoonde zich aan de blikken der verwonderde Comanchen dadelijk de nevengalerij door welke de Roode-Ceder verdwenen was, en die zij wel twintigmaal waren voorbijgeloopen zonder haar te zien.Zij stormden haar thans in met een huilenden oorlogskreet, maar deinsden oogenblikkelijk terug, daar zij met levendig geweervuur werden ontvangen en drie van hen doodelijk getroffen ter aarde stortten.De genoemde galerij was laag en smal en liep opwaarts, met een soort van natuurlijken trap. In één woord, het was eene geducht sterke stelling. Slechts vier man in ’t gelid konden er met moeite binnendringen.Tienmaal hernieuwden de Comanchen den aanval, en tienmaal waren zij genoodzaakt te wijken.De dooden en gewonden hoopten zich aan den ingang op, zoodat zij dien bijna versperden.De toestand der aanvallers werd hachelijk.»Houdt op!” riep Valentin.Allen bleven staan.Daarop hielden don Miguel, don Pablo, de Eenhoorn, de Witte-Gazelle, de Zwarte-Kat, de Zoon des Bloeds en eenige Indiaansche hoofden te zamen raad over hetgeen er verder moest gedaan worden.Curumillawasmet een twaalftal krijgslieden, die hij wenkte hem te volgen, de grot uitgegaan.Zooals gewoonlijk in dergelijke gevaarvolle omstandigheden waren de gevoelens uiterst verdeeld, zoodat men het onmogelijk eens kon worden.Op dit oogenblik keerde Curumilla terug, gevolgd door zijne krijgslieden, allen beladen met droog hout en dorre bladeren, zooveel zij dragen konden.»Geeft wel acht!” zei Valentin, naar het opperhoofd wijzende »het is al weder Curumilla die ons met zijn goed overleg helpen zal,”De anderen begrepen er nog niets van.»Komt, mijne kinderen!” riep de jager, »een laatsten aanval!”De Comanchen stormden de galerij binnen, maar een nieuwe losbranding noodzaakte hen andermaal af te houden.»Het is genoeg!” kommandeerde de Franschman; »dit is al wat ik weten wilde.”Men gehoorzaamde.Valentin wendde zich toen tot de hem vergezellende hoofden.»Het blijkt thans duidelijk dat de galerij geen uitgang heeft. Dat schijnt de Roode-Ceder toen hij er de wijk in nam niet geweten te hebben, anders zou hij er zeker niet ingegaan zijn; en bovendien, als er een uitweg was, zouden de bandieten in plaats van in hun schuilhoek te blijven, gewis van het eerste oogenblik tijd datwij hun verschaften gebruik hebben gemaakt om weg te komen.”»Dat is waar,” antwoordden de hoofden.»Wat ik u daar even heb gezegd had Curumilla reeds begrepen, het bewijs daarvan is, dat hij het eenige middel heeft gevonden om den vijand te dwingen zich over te geven, namelijk om hem door rook te verdrijven.”Deze verklaring werd met luide toejuiching ontvangen.»Krijgslieden!” hervatte Valentin, »werp in dat hol zooveel hout en dor blad als gij kunt, en zoodra de hoop groot genoeg is steken wij dien in brand.”Ieder haastte zich om het zeerst hem te gehoorzamen.De Roode-Ceder en zijne kameraden, terstond begrijpende wat hunne vijanden voornemens waren te doen, poogden het te verhinderen door op den duur een levendig geweervuur te onderhouden, doch de Indianen door de ondervinding geleerd wisten zich zoodanig te plaatsen of op een afstand te blijven dat de kogels niemand raakten.Weldra was de ingang der galerij bijna geheel met brandbare stoffen van allerlei aard gevuld.Valentin nam een brandende fakkel, maar eer hij den hoop in brand stak, wenkte hij met de hand om stilte te gebieden, en richtte het woord tot de belegerden.»Roode-Ceder!” riep hij, »men zal u berooken, wilt gij u overgeven?”»Loop naar den duivel! vervloekte Franschman,” antwoordde de Squatter.En op deze krachtige rede volgden onmiddellijk drie geweerschoten.»Wees nu op uwe hoede!” zeide Valentin tot de zijnen, »want als zij nu voelen dat zij verstikken moeten, zullen ze een wanhopigen uitval wagen.”Hij bukte en wierp de fakkel inde brandstoffen; zij vatten terstond vuur, en binnen weinige minuten steeg er een dikke rook omhoog, die den ingang der galerij bedekte als met een gordijn.Inmiddels hield elk zich gereed om den verwachten uitval der belegerden af te slaan.De Indianen wisten dat de schok hevig zou zijn.Zij behoefden niet lang te wachten. Plotseling zagen zij dwars door de vlammen drie duivels springen, die hals over kop op hen instormden.Toen volgde er in deze engbeperkte ruimte eene vreeselijke verwarring, die eenige minuten aanhield.Don Pablo had den Roode-Ceder nauwelijks bemerkt, of hij wierp zich op hem; ondanks den weerstand van den bandiet maakte hij zich meester van Ellen en droeg haar in zijne armen weg.De Squatter brulde als een tijger, sloeg alles neder wat om of nabij hem durfde komen; van hunnen kant streden Sutter en Fray Ambrosio met den moed en de onversaagdheid van mannen die wisten dat het om hun leven te doen was.Maar deze wanhopige strijd van drie tegen eenige honderden kon niet lang duren.Ondanks hunne heftige pogingen werden de drie bandieten eindelijk met de lasso gevangen en buiten de mogelijkheid gebracht om verder een lid te verroeren.»Doodt mij, ellendelingen!” brulde de Roode-Ceder vertwijfeld.De Zoon des Bloeds naderde hem en bracht de hand aan zijn schouder.»Roode-Ceder,” zeide hij, »gij zult veroordeeld worden volgens de Lynch-wet.”Toen hij den partijganger zag, deed de Squatter eene geweldige poging om zijne banden te verbreken en hem aan te vallen, maar hij voelde zijn onmacht en viel schuimbekkend op den grond terug.Zoodra de strijd geëindigd was, haastte Valentin zich om buiten de grot te komen en een weinig versche lucht te scheppen. Daarbuiten stond de Zonnestraal hem op te wachten.»Koutonepi,” zeide zij, »de vader der gebeden, Seraphin, zendt mij tot u. Uwe moeder gaat sterven.”»Mijne moeder!” riep de jager radeloos. »Mijn God, hoe zal ik het maken om bij haar te komen?”»Curumilla heeft reeds voor u gezorgd,” antwoordde zij, »hij wacht u onder aan den berg met twee paarden.”De jager stormde naar beneden en liep ijlings het pad af.

XXXIX.HET WILDE ZWIJN IN ZIJN LAATSTE VERSCHANSING.

Don Pablo liep ijlings de grot uit en keerde dadelijk naar Andres Garote terug.De gambusino sliep nog, en het kostte den jongman vrij veel moeite om hem wakker te krijgen. Eindelijk opende hij de oogen, ging overeind zitten, rekte zich een geruime poos, eindelijk toen hij de sterren boven zich zag glinsteren, riep hij op gebelgden toon:»Steken u de moskieten dat gij mij wakker maakt, laat mij toch slapen, ik heb nauwelijks een dutje gedaan; het is nog in lang geen dag.”»Dat weet ik beter dan gij, daar ik niet geslapen heb,” antwoordde don Pablo.»Dat is uw eigen dwaasheid,” geeuwde de andere zijne kaken bijna te bersten, »geloof mij toch, ga slapen, goeden nacht!”En hij dacht dadelijk weer te gaan liggen, doch de jongman liet er hem den tijd niet toe.»’t Is wel een tijd om te slapen,” zeide hij, hem de zarape afrukkende, daar de andere zich te vergeefs in wilde wikkelen.»Wordt gij dan razend dat gij mij zoo plaagt?” riep de gambusino kwaad, »of is er wat nieuws gebeurd, zeg?”Don Pablo vertelde hem wat hij gedaan had.De gambusino hoorde hem met de meeste oplettendheid aan; toen het verhaal uit was krabde hij zich achter de ooren en antwoordde:»Demonios!dat ziet er ernstig uit! ’t is in één woord fataal! Verliefde menschen zijn gekke menschen. Gij hebt onze geheele onderneming in de war geholpen.”»Denkt gij dat?”»Canelo!ik weet het zeker; de Roode-Ceder is een oude vos en zoo kwaadaardig als een oppossum; nu hij er eenmaal de lucht van heeft zie ik geen kans om hem te verschalken.”Don Pablo staarde hem aan met een verlegen gezicht.»Wat zullen wij doen?” zeide hij.»Verkassen, dat is de veiligste weg. Gij begrijpt wel dat de andere thans op zijne hoede is.”Er volgde tusschen de beide sprekers eene lange pauze.»Canarios!” riep de gambusino op eens, »ik wil mij niet laten uit het veld slaan, ik zal den ouden duivel een trek spelen op mijne manier.”»Wat is uw plan?”»Dat is mijne zaak; zoo gij meer vertrouwen in mij gesteld hadt zou het gansch anders met mij gegaan zijn, en zouden wij de zakentot algemeen genoegen hebben kunnen regelen. Enfin! wat gedaan is blijft gedaan, ik zal uwe onhandigheid zien te herstellen. Wat u aangaat gij moet weg.”»Moet ik weg, waarheen dan?”»Naar beneden den berg af; en dat wel om niet weder boven te komen voordat uwe kameraden er zijn, die gij tot geleider zult dienen om hen herwaarts te brengen.”»Maar gij dan?”»Ik? Breek uw hoofd niet met mij. Vaarwel.”»Als het niet anders wezen kan,” zei de jongman, »doe dan wat u goeddunkt, ik geef u volkomen vrijheid.”»Gij hadt dit besluit vroeger moeten nemen. Maar, à propos! mag ik uw hoed hebben, zeg?”»Van ganscher harte, maar gij hebt er immers zelf een!”»Ja, maar ik zal er waarschijnlijk nog een noodig hebben. Wacht! nog een woord.”»Spreek.”»Als gij soms onder het afklimmen hoort schieten of zoo, maak u dan niet ongerust, en kom vooral niet naar boven.”»Goed, dat is afgesproken, vaarwel!”»Vaarwel!”Na den gambusino zijn hoed te hebben toegeworpen, nam de jongman zijn geweer op schouder en begon hij den berg af te klimmen, zoodat hij weldra in de tallooze wendingen van het pad verdwenen was.Zoodra Andres Garote zich alleen bevond, nam hij den hoed van don Pablo en keilde hem in den afgrond waar hij hem met de oogen volgde om te zien waar hij bleef.Na eenige keeren op den tochtwind te hebben gezweefd, raakte de hoed een uitstekende rotspunt, kaatste terug en bleef eindelijk op aanmerkelijke diepte aan den steilen kant van de bergkloof hangen.»Mooi!” zei de gambusino wel voldaan, »daar ligt hij juist goed; nu iets anders.”Andres Garote ging op den grond zitten, nam zijn geweer en schoot het in de lucht af; onmiddellijk daarna greep hij een der pistolen uit zijn gordel, zette het met den tromp op de dikke spier van zijn linker voorarm en schoot het af, de kogel ging er door en door en maakte eene vleeschwond.»Caramba!” riep hij terwijl hij dadelijk op den grond zonk, »dit doet meer pijn dan ik dacht! maar dat is hetzelfde, het voornaamste is hier dat ik mijn doel bereik; dat zullen wij nu moeten afwachten.”Er verliep bijna een kwartieruurs zonder dat de stilte der woestijn door iets gestoord werd.Andres lag al dien tijd te steunen en te kermen, dat hij de steenen zou vermurwd hebben. Eindelijk hoorde hij op korten afstand een licht gedruisch.»Ei!” prevelde de gambusino die in stilte alles opmerkte wat er omging, »ik geloof dat ik beet heb en de visch aan den haak is.”»Wie duivel hebben wij hier?” riep een ruwe stem, »kijk eens, Sutter.”Andres Garote sloeg de oogen op en herkende den Roode-Ceder en zijn zoon.»Ach!” riep hij op klagenden toon, »zijt gij dat, oude Squatter. Waar drommel komt gij vandaan? Als ik ooit iemand verwachtte, u allerminst, al ben ik recht blijde u te zien.”»Ik ken die stem,” zei de Roode-Ceder.»’t Is Andres Garote, de ranchero,” antwoordde Sutter.»Ja, ik ben het, goede Sutter,” zei de Mexicaan, »o wee! wat heb ik een pijn!”»Zoo! wat scheelt u dan, en hoe komt gij hier?”»Dat moogt gij wel zeggen,” hernam de andere bitter. »Cuerpo de Dios!alles is met mij van kwaad tot erger gegaan sedert ik mijne rancho verlaten heb om in die verwenschte prairie te gaan.”»Wilt gij mij antwoorden, ja of neen?” riep de Roode-Ceder terwijl hij met de kolf van zijn geweer op den grond stampte en hem een argwanenden blik toewierp.»Wel! ik ben gekwetst zoo als gij trouwens wel zien kunt, ik heb een kogel door den arm gekregen en mijn lijf is erg gekneusd. Santa Maria! wat ik niet lijd! Maar dat is minder, de bandiet die mij zoo heeft toegetakeld zal niemand meer kwaad doen.”»Hebt gij hem gedood?” vroeg de Squatter met drift.»Zoo min of meer! kijk maar eens in de bergkloof, dan zult gij zijn lijk zien.”Sutter keek naar beneden.»Ik zie een hoed,” riep hij het volgend oogenblik, »het lijk zal niet ver af zijn.”»Als het ten minste niet op den bodem der barranca ligt,” zei Andres.»Dat is wel waarschijnlijk,” zei Sutter, »want de rots is bijna loodrecht.”»O!demonios! nuestraSeñora!wat lijd ik een pijn,” kermde de gambusino.De Squatter was op zijn beurt over de steilte neergebogen. Hij had den hoed van don Pablo herkend; en slaakte een zucht van genoegen toen hij naar Andres terugkeerde.»Hoor eens,” zeide hij op zachter toon, »wij kunnen hier niet blijven, kunt gij nog loopen?”»Ik weet het niet, ik zal het probeeren.”»Probeer het dan, voor den duivel!”De gambusino stond met veel moeite op, deed een paar stappen, maar viel weder op den grond.»Ik kan niet,” zeide hij ontmoedigd.»Bah!” riep Sutter, »ik zal hem op mijn rug nemen, hij is zoo zwaar niet.”»Haast u dan en maak er een eind aan.”De jongman bukte, nam den gambusino op, en zette hem op zijne schouders met zooveel gemak alsof het een kind was.Tien minuten later lag Andres Garote in de grot bij het vuur, terwijl Fray Ambrosio bezig was hem den arm te verbinden.»Ik moet zeggen, kameraad,” zei de monnik, »dat gij zeer behendig gewond zijt.”»Hoe dat?” vroeg de Mexicaan niet op zijn gemak.»Te duivel, ja; een wond in den linker arm zou u in geval van nood niet beletten om met ons nog een goed schot te doen.”»Dat doe ik, wees daarvan verzekerd,” antwoordde hij op zonderlingen toon.»Maar behalve dat, gij hebt mij nog niet gezegd hoe gij zoo toevallig in de bergen zijt gekomen,” zei nu de Roode-Ceder.»Dat toeval is zeer eenvoudig, sedert de nederlaag en verstrooiing van onze arme quadrille heb ik in de woestijn rond gezworven als een hond die zijn baas kwijt is, door de Indianen nagejaagd om gescalpeerd en door de blanken vervolgd om gehangen te worden, daar ik in de bende van den Roode-Ceder gediend had, wist ik geen raad waar heen? Nu drie dagen geleden kwam ik bij toeval in deze sierra; en heden nacht nadat ik zoo even pas een mond vol gegeten had en gereed was om een weinig te slapen, ben ik door een onbekend persoon in de duisternis onverwachts aangevallen; het overige weet gij, maar dat is hetzelfde, ik heb behoorlijk met hem afgerekend.”»Goed, goed,” viel de Roode-Ceder hem in de rede, »houd dat maar voor u zelven; voor het tegenwoordige wil ik u groeten, gij zult wel rust noodig hebben, zie een beetje te slapen zoo gij kunt.”De krijgslist van den gambusino was te eenvoudig en tevens te fijn overlegd om niet te gelukken.Niemand kon veronderstellen dat iemand zoo dwaas zou zijn geweest om zich voor de aardigheid zulk een ernstige wond toe te brengen; wat nog meer had bijgedragen om de vermoedens van den Roode-Ceder te doen verdwijnen, was dat hij den hoed van don Pablo had gezien.Hij kon zich niet voorstellen, dat twee personen van zoo verschillenden rang en vooral van zoo ver uiteenloopend karakter samen een verbond zouden hebben gemaakt.Dit viel niet in zijne berekening, alles was te gelooven maar dat niet.Derhalve hadden de bandieten, die Andres Garote als een der hunnen beschouwden, in hem geen het minste wantrouwen.De gelukkige ranchero, tevreden dat hij zich in het hol van den leeuw bevond en bijna zeker van het welslagen zijner plannen, was te veel aan wonden gewoon om zich erg over de vleeschwond te bekommeren die hij zich met lofwaardige moed en behendigheid hadtoegebracht, zoodat hij zich onbezorgd ter ruste legde en spoedig insliep.Toen hij wakker werd, zat Fray Ambrosio bij hem en stond zijn ontbijt gereed.»Wel!” vroeg hem de monnik, »hoe bevindt gij u thans?”»Veel beter dan ik verwacht had,” antwoordde hij, »dat slaapje, hoe kort ook van duur, heeft mij goed gedaan.”»Laat ik uwe wonde eens bezien, compadre.”Andres hield hem zijn arm voor, dien de monnik op nieuw verbond.De beide mannen praatten nog een poosje samen, als oude kennissen die blijde waren elkander na lange afwezigheid weder te zien.Plotseling kwam de Roode-Ceder aanloopen, met zijn geweer in de hand.»Op! op!” schreeuwde hij, »daar is de vijand!”»De vijand!” riep de gambusino. »Canelo!waar is mijn buks? Als ik niet staan kan zal ik zittende schieten; men moet niet kunnen zeggen dat ik mijne vrienden niet geholpen heb toen zij in nood waren.”Terstond kwam Sutter van de andere zijde aanloopen al schreeuwende:»Op! op!”De zonderlinge samenloop eener dubbele overrompeling van twee kanten tegelijk, bracht den Roode-Ceder tot nadenken.»Wij zijn verraden!” riep hij.»Door wie?” vroeg de gambusino onbeschaamd.»Door wie, door u misschien!” antwoordde de Roode-Ceder toornig.Andres begon te lachen.»Gij lijkt wel gek, Roode-Ceder,” zeide hij, »brengt het gevaar uw hoofd in de war, gij weet immers dat ik hier niet van daan ben geweest.”De schijn moest hier wel voor bewijs gelden.»En toch zou ik durven zweren dat wij door een der onzen verraden zijn,” hervatte de Squatter woedend.»In plaats van de schuld, zoo als gij doet, aan de omstandigheden te wijten,” zeide Andres op een toon van meesterlijk gespeelde verontwaardiging, »zoudt gij beter doen te vluchten. Gij zijt een te geslepen vos om geen uitgang uit uw hol te weten, alle toegangen kunnen niet bezet zijn. Wat duivel! terwijl gij ziet te ontsnappen, zal ik, die toch niet voort kan, hier uw aftocht dekken, dan zult gij eens zien of ik u verraden heb.”»Zoudt gij dat willen doen?”»Ik doe het, zeker!”»Mijn God! dan zijt gij een man, en ik geef u mijne hoogachting.”Op dit oogenblik klonk de snerpende oorlogskreet der Comanch enaan een der uitgangen van de spelonk, terwijl men van eene tegenovergestelde hoorde roepen:»De Zoon des Bloeds! de Zoon des Bloeds!”»Haast u! haast u!” schreeuwde de gambusino terwijl hij met drift zijn geweer greep, dat naast hem lag.»O! ze hebben mij nog niet!” antwoordde de Roode-Ceder terwijl hij met zijne forsche gespierde armen Ellen opnam, die op het eerste alarm was toegeschoten en zich bevend aan haar vader vastklemde.De drie bandieten trokken zich terug en verdwenen in de diepte der onderaardsche gangen.Andres nam onmiddellijk zijne kans waar, sprong op de beenen en snelde hen na, gevolgd door een twintigtal Comanchen en Apachen die zich onmiddellijk bij hem aansloten onder aanvoering van den Eenhoorn, den Zwarte-Kat en den Spinnekop.Weldra hoorde men in de gewelven der grot het gedonder der echoos, veroorzaakt door het knallen der losbrandingen uit klein geweer.De strijd was begonnen.De Roode-Ceder had zich aan de andere zijde der spelonk gekeerd gezien door Valentin en diens gezellen, toen hij wilde vluchten door een uitweg dien hij meende dat nog onbezet was.Hij snelde dus dadelijk terug, maar werd tot zijn ongeluk opgemerkt en het schieten had onmiddellijk een aanvang genomen.Het was een schrikbarend gevecht dat hier onder de sombere gewelven der onmetelijke grot zou geleverd worden. De onverzoenbare vijanden stonden eindelijk tegenover elkander en hadden geen van beiden kwartier te geven noch te verwachten.Intusschen liet de Roode-Ceder zich door de overmacht zijner vijanden niet ontmoedigen, hij beantwoordde het vuur zijner tegenstanders terstond met den meesten nadruk, daarbij langzaam terug wijkende en telkens om zich heen ziende of hij een nieuwen uitweg kon ontdekken.De volslagen duisternis die in de grot heerschte was zeer in het voordeel der bandieten, die met de plaatselijke gelegenheid volkomen bekend en bovendien door hun geringe getalsterkte, zich achter iederen uitstekenden rotswand konden verschuilen om de vijandelijke kogels te ontwijken, terwijl hunne eigene schoten op de talrijke, dicht opeengedrongen aanvallers, eene vernielende uitwerking deden.Op eens slaakte de Squatter een zegevierenden kreet, en gevolgd door zijne medestanders, verdween hij als met een tooverslag.De Indianen en partijgangers verstrooiden zich nu in alle richtingen om de bandieten op te sporen.Maar deze waren spoorloos verdwenen.»Op die wijze zullen wij hem nooit vinden,” riep Valentin, »wij loopen gevaar van op elkander te schieten. Laat eenige krijgslieden zich verwijderen om ocote-fakkels te gaan snijden, intusschen zullen wij de uitgangen bewaken.”»’t Is overbodig,” zeide Curumilla, die reeds met eene vracht kaarshout aankwam.Binnen weinige oogenblikken was de grot helder verlicht.Nu vertoonde zich aan de blikken der verwonderde Comanchen dadelijk de nevengalerij door welke de Roode-Ceder verdwenen was, en die zij wel twintigmaal waren voorbijgeloopen zonder haar te zien.Zij stormden haar thans in met een huilenden oorlogskreet, maar deinsden oogenblikkelijk terug, daar zij met levendig geweervuur werden ontvangen en drie van hen doodelijk getroffen ter aarde stortten.De genoemde galerij was laag en smal en liep opwaarts, met een soort van natuurlijken trap. In één woord, het was eene geducht sterke stelling. Slechts vier man in ’t gelid konden er met moeite binnendringen.Tienmaal hernieuwden de Comanchen den aanval, en tienmaal waren zij genoodzaakt te wijken.De dooden en gewonden hoopten zich aan den ingang op, zoodat zij dien bijna versperden.De toestand der aanvallers werd hachelijk.»Houdt op!” riep Valentin.Allen bleven staan.Daarop hielden don Miguel, don Pablo, de Eenhoorn, de Witte-Gazelle, de Zwarte-Kat, de Zoon des Bloeds en eenige Indiaansche hoofden te zamen raad over hetgeen er verder moest gedaan worden.Curumillawasmet een twaalftal krijgslieden, die hij wenkte hem te volgen, de grot uitgegaan.Zooals gewoonlijk in dergelijke gevaarvolle omstandigheden waren de gevoelens uiterst verdeeld, zoodat men het onmogelijk eens kon worden.Op dit oogenblik keerde Curumilla terug, gevolgd door zijne krijgslieden, allen beladen met droog hout en dorre bladeren, zooveel zij dragen konden.»Geeft wel acht!” zei Valentin, naar het opperhoofd wijzende »het is al weder Curumilla die ons met zijn goed overleg helpen zal,”De anderen begrepen er nog niets van.»Komt, mijne kinderen!” riep de jager, »een laatsten aanval!”De Comanchen stormden de galerij binnen, maar een nieuwe losbranding noodzaakte hen andermaal af te houden.»Het is genoeg!” kommandeerde de Franschman; »dit is al wat ik weten wilde.”Men gehoorzaamde.Valentin wendde zich toen tot de hem vergezellende hoofden.»Het blijkt thans duidelijk dat de galerij geen uitgang heeft. Dat schijnt de Roode-Ceder toen hij er de wijk in nam niet geweten te hebben, anders zou hij er zeker niet ingegaan zijn; en bovendien, als er een uitweg was, zouden de bandieten in plaats van in hun schuilhoek te blijven, gewis van het eerste oogenblik tijd datwij hun verschaften gebruik hebben gemaakt om weg te komen.”»Dat is waar,” antwoordden de hoofden.»Wat ik u daar even heb gezegd had Curumilla reeds begrepen, het bewijs daarvan is, dat hij het eenige middel heeft gevonden om den vijand te dwingen zich over te geven, namelijk om hem door rook te verdrijven.”Deze verklaring werd met luide toejuiching ontvangen.»Krijgslieden!” hervatte Valentin, »werp in dat hol zooveel hout en dor blad als gij kunt, en zoodra de hoop groot genoeg is steken wij dien in brand.”Ieder haastte zich om het zeerst hem te gehoorzamen.De Roode-Ceder en zijne kameraden, terstond begrijpende wat hunne vijanden voornemens waren te doen, poogden het te verhinderen door op den duur een levendig geweervuur te onderhouden, doch de Indianen door de ondervinding geleerd wisten zich zoodanig te plaatsen of op een afstand te blijven dat de kogels niemand raakten.Weldra was de ingang der galerij bijna geheel met brandbare stoffen van allerlei aard gevuld.Valentin nam een brandende fakkel, maar eer hij den hoop in brand stak, wenkte hij met de hand om stilte te gebieden, en richtte het woord tot de belegerden.»Roode-Ceder!” riep hij, »men zal u berooken, wilt gij u overgeven?”»Loop naar den duivel! vervloekte Franschman,” antwoordde de Squatter.En op deze krachtige rede volgden onmiddellijk drie geweerschoten.»Wees nu op uwe hoede!” zeide Valentin tot de zijnen, »want als zij nu voelen dat zij verstikken moeten, zullen ze een wanhopigen uitval wagen.”Hij bukte en wierp de fakkel inde brandstoffen; zij vatten terstond vuur, en binnen weinige minuten steeg er een dikke rook omhoog, die den ingang der galerij bedekte als met een gordijn.Inmiddels hield elk zich gereed om den verwachten uitval der belegerden af te slaan.De Indianen wisten dat de schok hevig zou zijn.Zij behoefden niet lang te wachten. Plotseling zagen zij dwars door de vlammen drie duivels springen, die hals over kop op hen instormden.Toen volgde er in deze engbeperkte ruimte eene vreeselijke verwarring, die eenige minuten aanhield.Don Pablo had den Roode-Ceder nauwelijks bemerkt, of hij wierp zich op hem; ondanks den weerstand van den bandiet maakte hij zich meester van Ellen en droeg haar in zijne armen weg.De Squatter brulde als een tijger, sloeg alles neder wat om of nabij hem durfde komen; van hunnen kant streden Sutter en Fray Ambrosio met den moed en de onversaagdheid van mannen die wisten dat het om hun leven te doen was.Maar deze wanhopige strijd van drie tegen eenige honderden kon niet lang duren.Ondanks hunne heftige pogingen werden de drie bandieten eindelijk met de lasso gevangen en buiten de mogelijkheid gebracht om verder een lid te verroeren.»Doodt mij, ellendelingen!” brulde de Roode-Ceder vertwijfeld.De Zoon des Bloeds naderde hem en bracht de hand aan zijn schouder.»Roode-Ceder,” zeide hij, »gij zult veroordeeld worden volgens de Lynch-wet.”Toen hij den partijganger zag, deed de Squatter eene geweldige poging om zijne banden te verbreken en hem aan te vallen, maar hij voelde zijn onmacht en viel schuimbekkend op den grond terug.Zoodra de strijd geëindigd was, haastte Valentin zich om buiten de grot te komen en een weinig versche lucht te scheppen. Daarbuiten stond de Zonnestraal hem op te wachten.»Koutonepi,” zeide zij, »de vader der gebeden, Seraphin, zendt mij tot u. Uwe moeder gaat sterven.”»Mijne moeder!” riep de jager radeloos. »Mijn God, hoe zal ik het maken om bij haar te komen?”»Curumilla heeft reeds voor u gezorgd,” antwoordde zij, »hij wacht u onder aan den berg met twee paarden.”De jager stormde naar beneden en liep ijlings het pad af.

Don Pablo liep ijlings de grot uit en keerde dadelijk naar Andres Garote terug.

De gambusino sliep nog, en het kostte den jongman vrij veel moeite om hem wakker te krijgen. Eindelijk opende hij de oogen, ging overeind zitten, rekte zich een geruime poos, eindelijk toen hij de sterren boven zich zag glinsteren, riep hij op gebelgden toon:

»Steken u de moskieten dat gij mij wakker maakt, laat mij toch slapen, ik heb nauwelijks een dutje gedaan; het is nog in lang geen dag.”

»Dat weet ik beter dan gij, daar ik niet geslapen heb,” antwoordde don Pablo.

»Dat is uw eigen dwaasheid,” geeuwde de andere zijne kaken bijna te bersten, »geloof mij toch, ga slapen, goeden nacht!”

En hij dacht dadelijk weer te gaan liggen, doch de jongman liet er hem den tijd niet toe.

»’t Is wel een tijd om te slapen,” zeide hij, hem de zarape afrukkende, daar de andere zich te vergeefs in wilde wikkelen.

»Wordt gij dan razend dat gij mij zoo plaagt?” riep de gambusino kwaad, »of is er wat nieuws gebeurd, zeg?”

Don Pablo vertelde hem wat hij gedaan had.

De gambusino hoorde hem met de meeste oplettendheid aan; toen het verhaal uit was krabde hij zich achter de ooren en antwoordde:

»Demonios!dat ziet er ernstig uit! ’t is in één woord fataal! Verliefde menschen zijn gekke menschen. Gij hebt onze geheele onderneming in de war geholpen.”

»Denkt gij dat?”

»Canelo!ik weet het zeker; de Roode-Ceder is een oude vos en zoo kwaadaardig als een oppossum; nu hij er eenmaal de lucht van heeft zie ik geen kans om hem te verschalken.”

Don Pablo staarde hem aan met een verlegen gezicht.

»Wat zullen wij doen?” zeide hij.

»Verkassen, dat is de veiligste weg. Gij begrijpt wel dat de andere thans op zijne hoede is.”

Er volgde tusschen de beide sprekers eene lange pauze.

»Canarios!” riep de gambusino op eens, »ik wil mij niet laten uit het veld slaan, ik zal den ouden duivel een trek spelen op mijne manier.”

»Wat is uw plan?”

»Dat is mijne zaak; zoo gij meer vertrouwen in mij gesteld hadt zou het gansch anders met mij gegaan zijn, en zouden wij de zakentot algemeen genoegen hebben kunnen regelen. Enfin! wat gedaan is blijft gedaan, ik zal uwe onhandigheid zien te herstellen. Wat u aangaat gij moet weg.”

»Moet ik weg, waarheen dan?”

»Naar beneden den berg af; en dat wel om niet weder boven te komen voordat uwe kameraden er zijn, die gij tot geleider zult dienen om hen herwaarts te brengen.”

»Maar gij dan?”

»Ik? Breek uw hoofd niet met mij. Vaarwel.”

»Als het niet anders wezen kan,” zei de jongman, »doe dan wat u goeddunkt, ik geef u volkomen vrijheid.”

»Gij hadt dit besluit vroeger moeten nemen. Maar, à propos! mag ik uw hoed hebben, zeg?”

»Van ganscher harte, maar gij hebt er immers zelf een!”

»Ja, maar ik zal er waarschijnlijk nog een noodig hebben. Wacht! nog een woord.”

»Spreek.”

»Als gij soms onder het afklimmen hoort schieten of zoo, maak u dan niet ongerust, en kom vooral niet naar boven.”

»Goed, dat is afgesproken, vaarwel!”

»Vaarwel!”

Na den gambusino zijn hoed te hebben toegeworpen, nam de jongman zijn geweer op schouder en begon hij den berg af te klimmen, zoodat hij weldra in de tallooze wendingen van het pad verdwenen was.

Zoodra Andres Garote zich alleen bevond, nam hij den hoed van don Pablo en keilde hem in den afgrond waar hij hem met de oogen volgde om te zien waar hij bleef.

Na eenige keeren op den tochtwind te hebben gezweefd, raakte de hoed een uitstekende rotspunt, kaatste terug en bleef eindelijk op aanmerkelijke diepte aan den steilen kant van de bergkloof hangen.

»Mooi!” zei de gambusino wel voldaan, »daar ligt hij juist goed; nu iets anders.”

Andres Garote ging op den grond zitten, nam zijn geweer en schoot het in de lucht af; onmiddellijk daarna greep hij een der pistolen uit zijn gordel, zette het met den tromp op de dikke spier van zijn linker voorarm en schoot het af, de kogel ging er door en door en maakte eene vleeschwond.

»Caramba!” riep hij terwijl hij dadelijk op den grond zonk, »dit doet meer pijn dan ik dacht! maar dat is hetzelfde, het voornaamste is hier dat ik mijn doel bereik; dat zullen wij nu moeten afwachten.”

Er verliep bijna een kwartieruurs zonder dat de stilte der woestijn door iets gestoord werd.

Andres lag al dien tijd te steunen en te kermen, dat hij de steenen zou vermurwd hebben. Eindelijk hoorde hij op korten afstand een licht gedruisch.

»Ei!” prevelde de gambusino die in stilte alles opmerkte wat er omging, »ik geloof dat ik beet heb en de visch aan den haak is.”

»Wie duivel hebben wij hier?” riep een ruwe stem, »kijk eens, Sutter.”

Andres Garote sloeg de oogen op en herkende den Roode-Ceder en zijn zoon.

»Ach!” riep hij op klagenden toon, »zijt gij dat, oude Squatter. Waar drommel komt gij vandaan? Als ik ooit iemand verwachtte, u allerminst, al ben ik recht blijde u te zien.”

»Ik ken die stem,” zei de Roode-Ceder.

»’t Is Andres Garote, de ranchero,” antwoordde Sutter.

»Ja, ik ben het, goede Sutter,” zei de Mexicaan, »o wee! wat heb ik een pijn!”

»Zoo! wat scheelt u dan, en hoe komt gij hier?”

»Dat moogt gij wel zeggen,” hernam de andere bitter. »Cuerpo de Dios!alles is met mij van kwaad tot erger gegaan sedert ik mijne rancho verlaten heb om in die verwenschte prairie te gaan.”

»Wilt gij mij antwoorden, ja of neen?” riep de Roode-Ceder terwijl hij met de kolf van zijn geweer op den grond stampte en hem een argwanenden blik toewierp.

»Wel! ik ben gekwetst zoo als gij trouwens wel zien kunt, ik heb een kogel door den arm gekregen en mijn lijf is erg gekneusd. Santa Maria! wat ik niet lijd! Maar dat is minder, de bandiet die mij zoo heeft toegetakeld zal niemand meer kwaad doen.”

»Hebt gij hem gedood?” vroeg de Squatter met drift.

»Zoo min of meer! kijk maar eens in de bergkloof, dan zult gij zijn lijk zien.”

Sutter keek naar beneden.

»Ik zie een hoed,” riep hij het volgend oogenblik, »het lijk zal niet ver af zijn.”

»Als het ten minste niet op den bodem der barranca ligt,” zei Andres.

»Dat is wel waarschijnlijk,” zei Sutter, »want de rots is bijna loodrecht.”

»O!demonios! nuestraSeñora!wat lijd ik een pijn,” kermde de gambusino.

De Squatter was op zijn beurt over de steilte neergebogen. Hij had den hoed van don Pablo herkend; en slaakte een zucht van genoegen toen hij naar Andres terugkeerde.

»Hoor eens,” zeide hij op zachter toon, »wij kunnen hier niet blijven, kunt gij nog loopen?”

»Ik weet het niet, ik zal het probeeren.”

»Probeer het dan, voor den duivel!”

De gambusino stond met veel moeite op, deed een paar stappen, maar viel weder op den grond.

»Ik kan niet,” zeide hij ontmoedigd.

»Bah!” riep Sutter, »ik zal hem op mijn rug nemen, hij is zoo zwaar niet.”

»Haast u dan en maak er een eind aan.”

De jongman bukte, nam den gambusino op, en zette hem op zijne schouders met zooveel gemak alsof het een kind was.

Tien minuten later lag Andres Garote in de grot bij het vuur, terwijl Fray Ambrosio bezig was hem den arm te verbinden.

»Ik moet zeggen, kameraad,” zei de monnik, »dat gij zeer behendig gewond zijt.”

»Hoe dat?” vroeg de Mexicaan niet op zijn gemak.

»Te duivel, ja; een wond in den linker arm zou u in geval van nood niet beletten om met ons nog een goed schot te doen.”

»Dat doe ik, wees daarvan verzekerd,” antwoordde hij op zonderlingen toon.

»Maar behalve dat, gij hebt mij nog niet gezegd hoe gij zoo toevallig in de bergen zijt gekomen,” zei nu de Roode-Ceder.

»Dat toeval is zeer eenvoudig, sedert de nederlaag en verstrooiing van onze arme quadrille heb ik in de woestijn rond gezworven als een hond die zijn baas kwijt is, door de Indianen nagejaagd om gescalpeerd en door de blanken vervolgd om gehangen te worden, daar ik in de bende van den Roode-Ceder gediend had, wist ik geen raad waar heen? Nu drie dagen geleden kwam ik bij toeval in deze sierra; en heden nacht nadat ik zoo even pas een mond vol gegeten had en gereed was om een weinig te slapen, ben ik door een onbekend persoon in de duisternis onverwachts aangevallen; het overige weet gij, maar dat is hetzelfde, ik heb behoorlijk met hem afgerekend.”

»Goed, goed,” viel de Roode-Ceder hem in de rede, »houd dat maar voor u zelven; voor het tegenwoordige wil ik u groeten, gij zult wel rust noodig hebben, zie een beetje te slapen zoo gij kunt.”

De krijgslist van den gambusino was te eenvoudig en tevens te fijn overlegd om niet te gelukken.

Niemand kon veronderstellen dat iemand zoo dwaas zou zijn geweest om zich voor de aardigheid zulk een ernstige wond toe te brengen; wat nog meer had bijgedragen om de vermoedens van den Roode-Ceder te doen verdwijnen, was dat hij den hoed van don Pablo had gezien.

Hij kon zich niet voorstellen, dat twee personen van zoo verschillenden rang en vooral van zoo ver uiteenloopend karakter samen een verbond zouden hebben gemaakt.

Dit viel niet in zijne berekening, alles was te gelooven maar dat niet.

Derhalve hadden de bandieten, die Andres Garote als een der hunnen beschouwden, in hem geen het minste wantrouwen.

De gelukkige ranchero, tevreden dat hij zich in het hol van den leeuw bevond en bijna zeker van het welslagen zijner plannen, was te veel aan wonden gewoon om zich erg over de vleeschwond te bekommeren die hij zich met lofwaardige moed en behendigheid hadtoegebracht, zoodat hij zich onbezorgd ter ruste legde en spoedig insliep.

Toen hij wakker werd, zat Fray Ambrosio bij hem en stond zijn ontbijt gereed.

»Wel!” vroeg hem de monnik, »hoe bevindt gij u thans?”

»Veel beter dan ik verwacht had,” antwoordde hij, »dat slaapje, hoe kort ook van duur, heeft mij goed gedaan.”

»Laat ik uwe wonde eens bezien, compadre.”

Andres hield hem zijn arm voor, dien de monnik op nieuw verbond.

De beide mannen praatten nog een poosje samen, als oude kennissen die blijde waren elkander na lange afwezigheid weder te zien.

Plotseling kwam de Roode-Ceder aanloopen, met zijn geweer in de hand.

»Op! op!” schreeuwde hij, »daar is de vijand!”

»De vijand!” riep de gambusino. »Canelo!waar is mijn buks? Als ik niet staan kan zal ik zittende schieten; men moet niet kunnen zeggen dat ik mijne vrienden niet geholpen heb toen zij in nood waren.”

Terstond kwam Sutter van de andere zijde aanloopen al schreeuwende:

»Op! op!”

De zonderlinge samenloop eener dubbele overrompeling van twee kanten tegelijk, bracht den Roode-Ceder tot nadenken.

»Wij zijn verraden!” riep hij.

»Door wie?” vroeg de gambusino onbeschaamd.

»Door wie, door u misschien!” antwoordde de Roode-Ceder toornig.

Andres begon te lachen.

»Gij lijkt wel gek, Roode-Ceder,” zeide hij, »brengt het gevaar uw hoofd in de war, gij weet immers dat ik hier niet van daan ben geweest.”

De schijn moest hier wel voor bewijs gelden.

»En toch zou ik durven zweren dat wij door een der onzen verraden zijn,” hervatte de Squatter woedend.

»In plaats van de schuld, zoo als gij doet, aan de omstandigheden te wijten,” zeide Andres op een toon van meesterlijk gespeelde verontwaardiging, »zoudt gij beter doen te vluchten. Gij zijt een te geslepen vos om geen uitgang uit uw hol te weten, alle toegangen kunnen niet bezet zijn. Wat duivel! terwijl gij ziet te ontsnappen, zal ik, die toch niet voort kan, hier uw aftocht dekken, dan zult gij eens zien of ik u verraden heb.”

»Zoudt gij dat willen doen?”

»Ik doe het, zeker!”

»Mijn God! dan zijt gij een man, en ik geef u mijne hoogachting.”

Op dit oogenblik klonk de snerpende oorlogskreet der Comanch enaan een der uitgangen van de spelonk, terwijl men van eene tegenovergestelde hoorde roepen:

»De Zoon des Bloeds! de Zoon des Bloeds!”

»Haast u! haast u!” schreeuwde de gambusino terwijl hij met drift zijn geweer greep, dat naast hem lag.

»O! ze hebben mij nog niet!” antwoordde de Roode-Ceder terwijl hij met zijne forsche gespierde armen Ellen opnam, die op het eerste alarm was toegeschoten en zich bevend aan haar vader vastklemde.

De drie bandieten trokken zich terug en verdwenen in de diepte der onderaardsche gangen.

Andres nam onmiddellijk zijne kans waar, sprong op de beenen en snelde hen na, gevolgd door een twintigtal Comanchen en Apachen die zich onmiddellijk bij hem aansloten onder aanvoering van den Eenhoorn, den Zwarte-Kat en den Spinnekop.

Weldra hoorde men in de gewelven der grot het gedonder der echoos, veroorzaakt door het knallen der losbrandingen uit klein geweer.

De strijd was begonnen.

De Roode-Ceder had zich aan de andere zijde der spelonk gekeerd gezien door Valentin en diens gezellen, toen hij wilde vluchten door een uitweg dien hij meende dat nog onbezet was.

Hij snelde dus dadelijk terug, maar werd tot zijn ongeluk opgemerkt en het schieten had onmiddellijk een aanvang genomen.

Het was een schrikbarend gevecht dat hier onder de sombere gewelven der onmetelijke grot zou geleverd worden. De onverzoenbare vijanden stonden eindelijk tegenover elkander en hadden geen van beiden kwartier te geven noch te verwachten.

Intusschen liet de Roode-Ceder zich door de overmacht zijner vijanden niet ontmoedigen, hij beantwoordde het vuur zijner tegenstanders terstond met den meesten nadruk, daarbij langzaam terug wijkende en telkens om zich heen ziende of hij een nieuwen uitweg kon ontdekken.

De volslagen duisternis die in de grot heerschte was zeer in het voordeel der bandieten, die met de plaatselijke gelegenheid volkomen bekend en bovendien door hun geringe getalsterkte, zich achter iederen uitstekenden rotswand konden verschuilen om de vijandelijke kogels te ontwijken, terwijl hunne eigene schoten op de talrijke, dicht opeengedrongen aanvallers, eene vernielende uitwerking deden.

Op eens slaakte de Squatter een zegevierenden kreet, en gevolgd door zijne medestanders, verdween hij als met een tooverslag.

De Indianen en partijgangers verstrooiden zich nu in alle richtingen om de bandieten op te sporen.

Maar deze waren spoorloos verdwenen.

»Op die wijze zullen wij hem nooit vinden,” riep Valentin, »wij loopen gevaar van op elkander te schieten. Laat eenige krijgslieden zich verwijderen om ocote-fakkels te gaan snijden, intusschen zullen wij de uitgangen bewaken.”

»’t Is overbodig,” zeide Curumilla, die reeds met eene vracht kaarshout aankwam.

Binnen weinige oogenblikken was de grot helder verlicht.

Nu vertoonde zich aan de blikken der verwonderde Comanchen dadelijk de nevengalerij door welke de Roode-Ceder verdwenen was, en die zij wel twintigmaal waren voorbijgeloopen zonder haar te zien.

Zij stormden haar thans in met een huilenden oorlogskreet, maar deinsden oogenblikkelijk terug, daar zij met levendig geweervuur werden ontvangen en drie van hen doodelijk getroffen ter aarde stortten.

De genoemde galerij was laag en smal en liep opwaarts, met een soort van natuurlijken trap. In één woord, het was eene geducht sterke stelling. Slechts vier man in ’t gelid konden er met moeite binnendringen.

Tienmaal hernieuwden de Comanchen den aanval, en tienmaal waren zij genoodzaakt te wijken.

De dooden en gewonden hoopten zich aan den ingang op, zoodat zij dien bijna versperden.

De toestand der aanvallers werd hachelijk.

»Houdt op!” riep Valentin.

Allen bleven staan.

Daarop hielden don Miguel, don Pablo, de Eenhoorn, de Witte-Gazelle, de Zwarte-Kat, de Zoon des Bloeds en eenige Indiaansche hoofden te zamen raad over hetgeen er verder moest gedaan worden.

Curumillawasmet een twaalftal krijgslieden, die hij wenkte hem te volgen, de grot uitgegaan.

Zooals gewoonlijk in dergelijke gevaarvolle omstandigheden waren de gevoelens uiterst verdeeld, zoodat men het onmogelijk eens kon worden.

Op dit oogenblik keerde Curumilla terug, gevolgd door zijne krijgslieden, allen beladen met droog hout en dorre bladeren, zooveel zij dragen konden.

»Geeft wel acht!” zei Valentin, naar het opperhoofd wijzende »het is al weder Curumilla die ons met zijn goed overleg helpen zal,”

De anderen begrepen er nog niets van.

»Komt, mijne kinderen!” riep de jager, »een laatsten aanval!”

De Comanchen stormden de galerij binnen, maar een nieuwe losbranding noodzaakte hen andermaal af te houden.

»Het is genoeg!” kommandeerde de Franschman; »dit is al wat ik weten wilde.”

Men gehoorzaamde.

Valentin wendde zich toen tot de hem vergezellende hoofden.

»Het blijkt thans duidelijk dat de galerij geen uitgang heeft. Dat schijnt de Roode-Ceder toen hij er de wijk in nam niet geweten te hebben, anders zou hij er zeker niet ingegaan zijn; en bovendien, als er een uitweg was, zouden de bandieten in plaats van in hun schuilhoek te blijven, gewis van het eerste oogenblik tijd datwij hun verschaften gebruik hebben gemaakt om weg te komen.”

»Dat is waar,” antwoordden de hoofden.

»Wat ik u daar even heb gezegd had Curumilla reeds begrepen, het bewijs daarvan is, dat hij het eenige middel heeft gevonden om den vijand te dwingen zich over te geven, namelijk om hem door rook te verdrijven.”

Deze verklaring werd met luide toejuiching ontvangen.

»Krijgslieden!” hervatte Valentin, »werp in dat hol zooveel hout en dor blad als gij kunt, en zoodra de hoop groot genoeg is steken wij dien in brand.”

Ieder haastte zich om het zeerst hem te gehoorzamen.

De Roode-Ceder en zijne kameraden, terstond begrijpende wat hunne vijanden voornemens waren te doen, poogden het te verhinderen door op den duur een levendig geweervuur te onderhouden, doch de Indianen door de ondervinding geleerd wisten zich zoodanig te plaatsen of op een afstand te blijven dat de kogels niemand raakten.

Weldra was de ingang der galerij bijna geheel met brandbare stoffen van allerlei aard gevuld.

Valentin nam een brandende fakkel, maar eer hij den hoop in brand stak, wenkte hij met de hand om stilte te gebieden, en richtte het woord tot de belegerden.

»Roode-Ceder!” riep hij, »men zal u berooken, wilt gij u overgeven?”

»Loop naar den duivel! vervloekte Franschman,” antwoordde de Squatter.

En op deze krachtige rede volgden onmiddellijk drie geweerschoten.

»Wees nu op uwe hoede!” zeide Valentin tot de zijnen, »want als zij nu voelen dat zij verstikken moeten, zullen ze een wanhopigen uitval wagen.”

Hij bukte en wierp de fakkel inde brandstoffen; zij vatten terstond vuur, en binnen weinige minuten steeg er een dikke rook omhoog, die den ingang der galerij bedekte als met een gordijn.

Inmiddels hield elk zich gereed om den verwachten uitval der belegerden af te slaan.

De Indianen wisten dat de schok hevig zou zijn.

Zij behoefden niet lang te wachten. Plotseling zagen zij dwars door de vlammen drie duivels springen, die hals over kop op hen instormden.

Toen volgde er in deze engbeperkte ruimte eene vreeselijke verwarring, die eenige minuten aanhield.

Don Pablo had den Roode-Ceder nauwelijks bemerkt, of hij wierp zich op hem; ondanks den weerstand van den bandiet maakte hij zich meester van Ellen en droeg haar in zijne armen weg.

De Squatter brulde als een tijger, sloeg alles neder wat om of nabij hem durfde komen; van hunnen kant streden Sutter en Fray Ambrosio met den moed en de onversaagdheid van mannen die wisten dat het om hun leven te doen was.

Maar deze wanhopige strijd van drie tegen eenige honderden kon niet lang duren.

Ondanks hunne heftige pogingen werden de drie bandieten eindelijk met de lasso gevangen en buiten de mogelijkheid gebracht om verder een lid te verroeren.

»Doodt mij, ellendelingen!” brulde de Roode-Ceder vertwijfeld.

De Zoon des Bloeds naderde hem en bracht de hand aan zijn schouder.

»Roode-Ceder,” zeide hij, »gij zult veroordeeld worden volgens de Lynch-wet.”

Toen hij den partijganger zag, deed de Squatter eene geweldige poging om zijne banden te verbreken en hem aan te vallen, maar hij voelde zijn onmacht en viel schuimbekkend op den grond terug.

Zoodra de strijd geëindigd was, haastte Valentin zich om buiten de grot te komen en een weinig versche lucht te scheppen. Daarbuiten stond de Zonnestraal hem op te wachten.

»Koutonepi,” zeide zij, »de vader der gebeden, Seraphin, zendt mij tot u. Uwe moeder gaat sterven.”

»Mijne moeder!” riep de jager radeloos. »Mijn God, hoe zal ik het maken om bij haar te komen?”

»Curumilla heeft reeds voor u gezorgd,” antwoordde zij, »hij wacht u onder aan den berg met twee paarden.”

De jager stormde naar beneden en liep ijlings het pad af.


Back to IndexNext