XXXVI.

XXXVI.DE LAATSTE SCHUILHOEK.Thans moeten wij naar den Roode-Ceder terugkeeren.Toen de Squatter het geschreeuw der Roodhuiden gehoord en in de verte de fakkels onder het geboomte had zien schitteren, achtte hij zich in het eerste oogenblik verloren, hij bedekte zijn gelaat wanhopig met de beide handen en zou door schrik overstelpt gevallen zijn, zoo Fray Ambrosio hem gelukkig niet in tijds had opgevangen.»Demonios!” riep de monnik. »Pas toch op, compadre, het is gevaarlijk om hier misbaar te maken.”De ontmoediging van den bandiet duurde echter slechts een oogenblik, en bijna dadelijk hersteld, richtte hij zich even fier en onversaagd op als te voren en riep met eene forsche stem:»Ik zal nog ontsnappen!”»Goed, compadre, dat noem ik braaf gesproken,” zeide de monnik, »maar er moet gehandeld worden.”»Voorwaarts!” brulde de Squatter.»Hoe dat, voorwaarts!” riep de monnik met schrik terugdeinzend; »maar voorwaarts, dat is immers naar het kamp der Roodhuiden?”»Voorwaarts! zeg ik u.”»Voorwaarts, en de duivel helpe er ons door!” mompelde Fray Ambrosio.De Squatter, zooals hij gezegd had, marcheerde onversaagd naar het kamp.Weldra kwamen zij weder op dezelfde plaats, waar zij Nathan met de lasso hadden opgehaald en die zij in hun eerste oogenblik van schrik verlaten hadden om den terugtocht aan te nemen.De Squatter schoof de bladeren uit elkander en keek naar omlaag.Het gansche kamp was in rep en roer; de Indianen liepen als dollemannen in alle richtingen.»O!” mompelde de Squatter, »ik had gehoopt dat die duivels ons gezamenlijk zouden gevolgd zijn; het is onmogelijk hier af te dalen.”»Daar valt niet aan te denken,” zei Nathan, »dan waren wij onherroepelijk verloren.”»Wij moeten besluiten tot het een of ander,” pruttelde de monnik.Ellen, die niet meer kon van vermoeienis, was op een tak gaan zitten.Haar vader keek haar aan met een wanhopigen blik.»Arm kind!” prevelde hij half binnensmonds; »dat gij zoo lijden moet!”»Denk niet aan mij, vader,” antwoordde zij, »red u zelven; laat mij hier maar achter.”»U achterlaten!” riep hij woest, »nooit, al moest ik sterven! neen, neen! ik zal u redden!”»Wat heb ik te vreezen van menschen die ik nooit kwaad heb gedaan?” hervatte zij, »zij zullen wel medelijden hebben met mijn toestand.”De Roode-Ceder grinnikte spotachtig.»Vraag aan tijgers of zij medelijden hebben met antilopen,” zeide hij, »gij kent de wilden nog niet, arm kind! Zij zullen u met helsche vreugd martelen en dooden.”Ellen zuchtte en liet het hoofd hangen zonder te antwoorden.»Wij verliezen onzen tijd; laten wij besluiten,” hernam Fray Ambrosio.»Loop naar den duivel!” riep de Squatter barsch, »gij zijt mijn booze geest.”»Wat is de mensch toch een ondankbaar wezen!” riep de monnik, terwijl hij de oogen schijnheilig naar den hemel sloeg, »ik die uw beste vriend ben.”»’t Is genoeg!.…” zei de Roode-Ceder met kracht, »wij kunnen hier niet langer blijven, laat ons terugkeeren.”»Alweêr.”»Weet gij een anderen weg, duivel?”Zij trokken terug.»Waar is Nathan?” vroeg de Squatter op eens; »heeft hij zich laten afzakken?”»Zoo dom niet,” riep de jongman met een lach, »maar ik ben van kostuum veranderd.”Hij stiet de takken uit elkander die hem onzichtbaar maakten; zijne kameraden schreeuwden bijna van verbazing.Nathan had zich in een berenvel gestoken, op den kop na, dien hij in zijne hand hield.»Oho!” riep de Roode-Ceder, »dat is een gelukkige inval! Waar hebt gij dat gestolen, jongen?”»Ik had niets meer te doen dan het van den tak te haken, daar men het aan te drogen had gehangen.”»Dat moet gij met zorg bewaren, misschien zullen wij het spoedig noodig hebben.”»Dat heb ik ook gedacht.”»Kom, laten wij voortmaken.”Nauwelijks hadden zij eenige stappen gedaan of de Squatter stond stil, hief de armen op om zijne kameraden te waarschuwen, en bleef staan luisteren.Na twee of drie minuten wendde hij zich om naar zijne kameraden, en fluisterde met eene nauwelijks hoorbare stem:»De terugtocht is ons afgesneden, men loopt in de boomen, ik heb de takken hooren kraken en de bladeren ritselen.”Allen keken elkander verschrikt aan.»Laten wij niet wanhopen,” hervatte hij met drift, »alles is nog niet verloren; laten wij hooger klimmen en zijwaarts uitwijken, tot zij ons voorbij zijn gegaan, intusschen kan Nathan hen met zijn nieuwe kostuum bezighouden, de Comanchen doen gewoonlijk den beren geen kwaad, die zij zeggen dat van hunne familie zijn.”Niemand had hier iets tegen.Sutter was de eerste die naar boven vloog, de monnik volgde hem kort op de hielen.Ellen keek haar vader bedrukt aan.»Ik kan niet,” zeide zij.»Ik zeg nog eens dat ik u zal redden, kind,” mompelde hij op een toon van teederheid die zich moeielijk laat beschrijven.Hij nam het meisje in zijne sterke armen, en zette haar bedaard op zijn schouder.»Houd u maar goed vast,” mompelde hij zacht, »en vooral vrees voor niets.”Met eene behendigheid en kracht, die de vaderlijke liefde vertienvoudigde, klampte zich de bandiet met de hand aan de takken boven zijn hoofd vast en verdween in het dichte loof, terwijl hij zijn zoon toeriep:»Pas op! Nathan! speel uw rol goed, jongen; ons behoud hangt van u af.”»Wees gerust, oude,” antwoordde de jongman terwijl hij den berenkop over zijne ooren trok; »ik ben niet dommer dan een Indiaan; ze zullen mij wel voor een neef van hen aanzien.”De lezer weet reeds wat er op gevolgd is, en hoe deze krijgslist, die aanvankelijk zoo goed gelukte, door Curumilla verijdeld werd.Toen de Squatter zijn zoon zag vallen, kreeg hij een oogenblik van woede en legde zijn geweer aan om den Araucaan neer te schieten.Gelukkig had de monnik deze beweging tijdig genoeg gemerkt om er zich tegen te verzetten.»Wat doet gij?” riep deze, het geweer opheffende, »wilt gij uwe dochter dooden?”»Gij hebt gelijk,” mompelde de Squatter.Ellen had gelukkig Nathan niet zien vallen en dus niets van het overige begrepen, anders had haars broeders dood haar gewis een smartelijken gil afgeperst, die hen zou hebben verraden.»O!” riep de Roode-Ceder, »alweder die Fransche duivel, met zijn verwenschten Araucaan, zij alleen zouden genoeg zijn om mij te overwinnen.”De vluchtelingen bleven nog meer dan een uur in de vreeselijkste spanning, zonder zich te durven bewegen, uit vrees van ontdekt te worden.Zij waren thans hunnen vervolgers zoo nabij, dat zij hen duidelijk konden hooren praten.Eindelijk echter verwijderden zich de stemmen, gingen de fakkels uit, en keerde alles tot de stilte terug.»Oef!” riep de monnik, »zij zijn vertrokken.”»Niet allen,” antwoordde de Squatter, »hebt gij dan dien verwenschten Valentin niet gehoord?”»Dat is waar, onze aftocht is nog altijd afgesneden.”»Wij behoeven nog niet te wanhopen; vooreerst hebben wij hier niets meer te vreezen; rust een poosje, terwijl ga ik even op verkenning uit.”»Hum!” pruttelde Fray Ambrosio; »waarom gaan wij niet liever samen? dat zou dunkt mij veel voorzichtiger wezen.”De Roode-Ceder lachte bitter.»Hoor eens, compadre,” zeide hij, den monnik bij den arm grijpende, zoodat deze bijna geschreeuwd zou hebben; »gij mistrouwt mij, en gij hebt ongelijk; eens heb ik u willen verlaten, dat beken ik, maar tegenwoordig wil ik het niet meer, wij zullen samen omkomen of samen gered worden.”»Spreekt gij inderdaad oprecht, compadre?” riep de monnik.»Ja, want op de bedriegelijke beloften van een priester had ik besloten mij te beteren, ik was van levenswijs veranderd, ik had een vreedzaam bestaan gevonden en eerlijken arbeid zonder iemand leed of last te veroorzaken; maar de menschen die ik had willen vergeten, hebben zich mijner herdacht om zich op mij te wreken: zonder mijne pogingen en mijn berouw in aanmerking te nemen, hebben zij mijne arme jacal verbrand en mijn zoon gedood, en nu vervolgen zij mij als een wild dier; ik voel den ouden tijger wild in mij ontwaken en de booze zuurdeesem die op den bodem mijner ziel sluimerde begint weder te gisten. Zij hebben mij een oorlog verklaard op dood en verdelging: welnu, ik neem dien aan en zal hem wederkeerig voeren, zonder verdrag of zonder hun om genade te vragen wanneer ik in hunne handen kom, evenmin als ik hun die geven zal wanneer zij in de mijne vallen. Laten zij op hunne hoede zijn, wee hun! want ik ben nog de Roode-Ceder! dien de Indianen den bijnaam van »menschenverslinder” gegeven hebben, en ik zal hun hart verscheuren! Wees dus voor het tegenwoordige gerust,señorpadre, wij verlaten elkander niet, gij zijt zooveel als mijn geweten, wij zijn onafscheidelijk.”De Squatter uitte deze gruwzame gezegden op zulk een toon van woede en haat, dat de monnik aan de waarheid er van niet meer kon twijfelen en begreep dat het slechte beginsel bij hem weder geheel de bovenhand had bekomen.Een afschuwelijke glimlach plooide zich op zijne lippen.»Komaan, compadre,” zeide hij, »ga nu op verkenning uit, wij zullen u hier wachten.”De Squatter verwijderde zich.Gedurende zijne afwezigheid werd er geen woord tusschen de bandieten gewisseld; Sutter sliep, de monnik dacht na, en Ellen zat te schreien.Het arme meisje had met eene mengeling van smart en ontzetting de woeste verklaring haars vaders aangehoord; zij berekendenu de diepte des afgronds in welken zij zich door het besluit van den Roode-Ceder plotseling voelde afstorten, een kloof die haar voor altijd van de maatschappij afzonderde en haar veroordeelde om levenslang in een toestand te verkeeren die haar in een poel van wee en tranen dompelde.Na een uur afwezigheid ongeveer kwam de Roode-Ceder terug.Er lag een glans van genoegen op zijn gelaat.»Wel?” vroeg de monnik nieuwsgierig.»Goed nieuws!” antwoordde hij, »ik heb een schuilplaats ontdekt, waar ik de fijnste speurhonden der prairie trotseer om mij te vinden.”»Nog al ver?”»Geen honderd passen van hier.”»Zoo nabij?”»Dat maakt haar juist zoo veilig: onze vijanden zullen nooit op het denkbeeld komen dat wij ons zoo dicht in hunne nabijheid hebben durven vestigen.”»Dat is waar: wij moeten er dadelijk naar toe.”»Zoodra gij maar wilt.”»Onmiddellijk.”De Roode-Ceder had niet gelogen, werkelijk was door hem een schuilhoek ontdekt die aan alle vereischten van veiligheid voldeed; als wij zelve op onze reistochten in de prairie niet dergelijke zaken gezien hadden, zouden wij aan de mogelijkheid van zulk een toevluchtsoord niet geloofd hebben.Na een afstand van omtrent honderd vijftig ellen doorloopen te hebben, hield de Squatter stil boven een ontzaggelijken, door ouderdom uitgeholden eikenstam.»Hier is het,” zeide hij, met zorg de massa bladeren, takken en lianen uiteenscheurende die de holte geheel voor het oog bedekten.»Hum! moeten wij daarin afdalen?” riep de monnik terwijl hij in de opening keek, die zoo donker was als een oven.»Ja,” antwoordde de Roode-Ceder; »maar stel u gerust, zij is minder diep dan gij denkt.”Ondanks deze verzekering aarzelde de monnik nog.»Gij kunt het nemen of laten,” hervatte de bandiet; »blijft gij anders liever ongedekt?”»Maar wij zullen ons daar binnen niet kunnen verroeren.”»Zie om u heen.”»Ik zie al.”»Merkt gij dan niet op dat de berg, juist op dit punt loodrecht is?”»Ja, werkelijk.”»Goed; wij zijn hier aan den rand der steilte, daar de arme Nathan van sprak.”»Ah!”»Ja; gij ziet wel dat die doode boom om zoo te zeggen in den berg is ingeheid als een paal.”»Dat is waar, ik had het niet dadelijk opgemerkt.”»Welnu, als men in dit gat afklimt, dan komt men op omtrent vijftien voet diepte aan een tweede, dat de schors van den boom doorboort en met eene grot in verband staat.”»O!” riep de monnik verheugd, »hoe hebt gij dit hol ooit kunnen ontdekken.”De Squatter zuchtte.»Dat is al wat tijd geleden,” zeide hij.»Ja maar,” riep Fray Ambrosio, »als gij wist dat het hier was, kunnen anderen het ook weten.”»Neen,” antwoordde hij hoofdschuddend, »slechts één man buiten mij die het wist, en deze kennis heeft hem het leven gekost.”»Dat stelt mij gerust.”»Geen jager noch strikkenzetter komt ooit hier; het is een onbereikbare sterkte; slechts een paar stappen verder in de zelfde richting voortgaande, zullen wij ons boven een afgrond van onpeilbare diepte bevinden, van welken deze berg een der wanden uitmaakt; overigens, om u alle vrees te ontnemen, zal ik het eerst afdalen.”De Roode-Ceder wierp eenige stukken kaarshout in de holte, hing zijn geweer achter zijn rug en liet zich nu aan de handen hangende, op den bodem des hollen booms nedervallen.Sutter en Fray Ambrosio keken met groote belangstelling toe. De Squatter sloeg vuur, stak een der ocote-fakkels aan en hield haar boven zijn hoofd.De monnik erkende nu terstond dat de oude scalpjager hem de waarheid had gezegd.De Roode-Ceder trad de grot binnen, op welker bodem hij zijn fakkel plantte, derwijze, dat de holte in den boomstam verlicht bleef; daarna liet hij zich met de lasso weder bovenhalen bij zijne kameraden.»Welnu,” zeide hij, »wat denkt gij er van?”»Wij zijn daar opperbest,” antwoordde de monnik.Zonder verder te aarzelen liet hij zich in het hol neder en verdween in de grot.Sutter volgde zijn voorbeeld, maar bleef in den hollen stam staan om zijne zuster bij het afklimmen te helpen.Het meisje scheen geen kennis meer te dragen van hetgeen rondom haar gebeurde. Zachtzinnig en volgzaam als altijd, gedroeg zij zich met werktuiglijke juistheid en onverschilligheid, zonder zich rekenschap te geven waarom zij het eene liever zou doen dan het andere; haars vaders gezegden hadden haar zoo diep getroffen, dat alle veerkracht en eigenwil in haar gebroken waren.Nadat haar vader haar in den boom had nedergelaten, volgde zij haar broeder werktuigelijk in de grot.Alleen achtergebleven, wischte de Squatter met de meeste nauwlettendheid ieder spoor of teeken uit, dat aan den scherpen blik hunner vijanden de plaats had kunnen aanwijzen waar zij warendoorgegaan; en na zich ten volle verzekerd te hebben dat niets zijne tegenwoordigheid aan deze plaats verraden kon, liet ook hij zich in de opening afzakken.De eerste zorg der bandieten was nu, hun nieuwe verblijf op te nemen.Het was zeer ruim.Deze spelonk liep tot op aanmerkelijke diepte onder den berg door; zij verdeelde zich in verscheidene takken van verschillende hoogte, de een bijna tot de kruin des bergs opklimmende, terwijl anderen daarentegen diep in den grond afdaalden; een onderaardsch meer, de vergaarbak van een of ander ongenoemde rivier, strekte zich verder uit dan het gezicht reikte, onder een laag gewelf, dat wemelde van vledermuizen.Tevens had de grot meer dan een uitgang, geheel in tegenovergestelde richting; deze uitgangen waren zoo goed verborgen, dat men ze uitwendig onmogelijk kon bespeuren.Een ding slechts bekommerde de avonturiers, namelijk de vraag hoe zij levensmiddelen zouden bekomen; hiervoor echter meende de Roode-Ceder wel te zullen zorgen door strikken te zetten, en zelfs door in den berg te jagen.Ellen was in een loodzwaren slaap geraakt, op het bed van bisonsmantels, dat haar vader in der haast voor haar had gereed gemaakt. Het ongelukkige meisje had zooveel geleden en sedert de laatstvorige dagen zoo zware vermoeienis moeten doorstaan, dat zij zich letterlijk niet meer op de been kon houden.Toen de drie mannen de grot hadden bezichtigd, kwamen zij terug in het vertrek waar Ellen sliep.De Roode-Ceder staarde haar een poos aan met een blik van onbegrensd leedgevoel; hij hield te veel van zijne dochter om haar niet te beklagen en niet met smart te denken aan het vreeselijk lot dat haar in zijne nabijheid te wachten stond, en daar hij geen middel voor wist om het af te wenden.Fray Ambrosio die steeds waakte voor zijne eigene belangen, ontrukte den Squatter, aan zijne tweeledige beschouwing.»Wel! compadre” zeide hij, »wij zijn waarschijnlijk gedoemd om hier een geruimen tijd te blijven?”»Zoolang tot onze vervolgers moede worden ons te zoeken, en eindelijk aftrekken.”»Dat kan misschien nog lang duren; ik zou u dus tot meerdere zekerheid raden een ding te doen.”»Wat?”»Er liggen hier groote blokken steen, die door den tijd van het gewelf zijn gevallen; zoo gij mij gelooven wilt, moesten wij er, eer wij gaan slapen drie of vier van de grootste voor den ingang der grot wentelen daar wij zijn binnengekomen.”»Waarvoor zou dat dienen?” vroeg de Squatter verstrooid.»In onze tegenwoordige omstandigheden kunnen wij niet te veel voorzorgen nemen, de Indianen zijn zoo duivelsch listig dat zij in staat zouden zijn om door den hollen boom naar omlaag te komen.”»De padre heeft gelijk, oude,” bromde Sutter, die reeds half sliep; »het is zoo groote moeite niet om die steenen naar het gat te rollen, dan zijn wij ten minste allen op ons gemak.”»Doe wat gij wilt,” antwoordde de Squatter, die op nieuw zijne dochter aanstaarde.De beide anderen stonden op om hun gemaakte plan dadelijk ten uitvoer te brengen, en een half uur later was de opening der grot zoo kunstig verstopt, dat iemand die het niet wist, nooit zou geloofd hebben dat er eene zoo groote opening bestaan had.»Nu kunnen wij gaan slapen,” zei Fray Ambrosio, »althans kunnen wij gerust zijn.”

XXXVI.DE LAATSTE SCHUILHOEK.Thans moeten wij naar den Roode-Ceder terugkeeren.Toen de Squatter het geschreeuw der Roodhuiden gehoord en in de verte de fakkels onder het geboomte had zien schitteren, achtte hij zich in het eerste oogenblik verloren, hij bedekte zijn gelaat wanhopig met de beide handen en zou door schrik overstelpt gevallen zijn, zoo Fray Ambrosio hem gelukkig niet in tijds had opgevangen.»Demonios!” riep de monnik. »Pas toch op, compadre, het is gevaarlijk om hier misbaar te maken.”De ontmoediging van den bandiet duurde echter slechts een oogenblik, en bijna dadelijk hersteld, richtte hij zich even fier en onversaagd op als te voren en riep met eene forsche stem:»Ik zal nog ontsnappen!”»Goed, compadre, dat noem ik braaf gesproken,” zeide de monnik, »maar er moet gehandeld worden.”»Voorwaarts!” brulde de Squatter.»Hoe dat, voorwaarts!” riep de monnik met schrik terugdeinzend; »maar voorwaarts, dat is immers naar het kamp der Roodhuiden?”»Voorwaarts! zeg ik u.”»Voorwaarts, en de duivel helpe er ons door!” mompelde Fray Ambrosio.De Squatter, zooals hij gezegd had, marcheerde onversaagd naar het kamp.Weldra kwamen zij weder op dezelfde plaats, waar zij Nathan met de lasso hadden opgehaald en die zij in hun eerste oogenblik van schrik verlaten hadden om den terugtocht aan te nemen.De Squatter schoof de bladeren uit elkander en keek naar omlaag.Het gansche kamp was in rep en roer; de Indianen liepen als dollemannen in alle richtingen.»O!” mompelde de Squatter, »ik had gehoopt dat die duivels ons gezamenlijk zouden gevolgd zijn; het is onmogelijk hier af te dalen.”»Daar valt niet aan te denken,” zei Nathan, »dan waren wij onherroepelijk verloren.”»Wij moeten besluiten tot het een of ander,” pruttelde de monnik.Ellen, die niet meer kon van vermoeienis, was op een tak gaan zitten.Haar vader keek haar aan met een wanhopigen blik.»Arm kind!” prevelde hij half binnensmonds; »dat gij zoo lijden moet!”»Denk niet aan mij, vader,” antwoordde zij, »red u zelven; laat mij hier maar achter.”»U achterlaten!” riep hij woest, »nooit, al moest ik sterven! neen, neen! ik zal u redden!”»Wat heb ik te vreezen van menschen die ik nooit kwaad heb gedaan?” hervatte zij, »zij zullen wel medelijden hebben met mijn toestand.”De Roode-Ceder grinnikte spotachtig.»Vraag aan tijgers of zij medelijden hebben met antilopen,” zeide hij, »gij kent de wilden nog niet, arm kind! Zij zullen u met helsche vreugd martelen en dooden.”Ellen zuchtte en liet het hoofd hangen zonder te antwoorden.»Wij verliezen onzen tijd; laten wij besluiten,” hernam Fray Ambrosio.»Loop naar den duivel!” riep de Squatter barsch, »gij zijt mijn booze geest.”»Wat is de mensch toch een ondankbaar wezen!” riep de monnik, terwijl hij de oogen schijnheilig naar den hemel sloeg, »ik die uw beste vriend ben.”»’t Is genoeg!.…” zei de Roode-Ceder met kracht, »wij kunnen hier niet langer blijven, laat ons terugkeeren.”»Alweêr.”»Weet gij een anderen weg, duivel?”Zij trokken terug.»Waar is Nathan?” vroeg de Squatter op eens; »heeft hij zich laten afzakken?”»Zoo dom niet,” riep de jongman met een lach, »maar ik ben van kostuum veranderd.”Hij stiet de takken uit elkander die hem onzichtbaar maakten; zijne kameraden schreeuwden bijna van verbazing.Nathan had zich in een berenvel gestoken, op den kop na, dien hij in zijne hand hield.»Oho!” riep de Roode-Ceder, »dat is een gelukkige inval! Waar hebt gij dat gestolen, jongen?”»Ik had niets meer te doen dan het van den tak te haken, daar men het aan te drogen had gehangen.”»Dat moet gij met zorg bewaren, misschien zullen wij het spoedig noodig hebben.”»Dat heb ik ook gedacht.”»Kom, laten wij voortmaken.”Nauwelijks hadden zij eenige stappen gedaan of de Squatter stond stil, hief de armen op om zijne kameraden te waarschuwen, en bleef staan luisteren.Na twee of drie minuten wendde hij zich om naar zijne kameraden, en fluisterde met eene nauwelijks hoorbare stem:»De terugtocht is ons afgesneden, men loopt in de boomen, ik heb de takken hooren kraken en de bladeren ritselen.”Allen keken elkander verschrikt aan.»Laten wij niet wanhopen,” hervatte hij met drift, »alles is nog niet verloren; laten wij hooger klimmen en zijwaarts uitwijken, tot zij ons voorbij zijn gegaan, intusschen kan Nathan hen met zijn nieuwe kostuum bezighouden, de Comanchen doen gewoonlijk den beren geen kwaad, die zij zeggen dat van hunne familie zijn.”Niemand had hier iets tegen.Sutter was de eerste die naar boven vloog, de monnik volgde hem kort op de hielen.Ellen keek haar vader bedrukt aan.»Ik kan niet,” zeide zij.»Ik zeg nog eens dat ik u zal redden, kind,” mompelde hij op een toon van teederheid die zich moeielijk laat beschrijven.Hij nam het meisje in zijne sterke armen, en zette haar bedaard op zijn schouder.»Houd u maar goed vast,” mompelde hij zacht, »en vooral vrees voor niets.”Met eene behendigheid en kracht, die de vaderlijke liefde vertienvoudigde, klampte zich de bandiet met de hand aan de takken boven zijn hoofd vast en verdween in het dichte loof, terwijl hij zijn zoon toeriep:»Pas op! Nathan! speel uw rol goed, jongen; ons behoud hangt van u af.”»Wees gerust, oude,” antwoordde de jongman terwijl hij den berenkop over zijne ooren trok; »ik ben niet dommer dan een Indiaan; ze zullen mij wel voor een neef van hen aanzien.”De lezer weet reeds wat er op gevolgd is, en hoe deze krijgslist, die aanvankelijk zoo goed gelukte, door Curumilla verijdeld werd.Toen de Squatter zijn zoon zag vallen, kreeg hij een oogenblik van woede en legde zijn geweer aan om den Araucaan neer te schieten.Gelukkig had de monnik deze beweging tijdig genoeg gemerkt om er zich tegen te verzetten.»Wat doet gij?” riep deze, het geweer opheffende, »wilt gij uwe dochter dooden?”»Gij hebt gelijk,” mompelde de Squatter.Ellen had gelukkig Nathan niet zien vallen en dus niets van het overige begrepen, anders had haars broeders dood haar gewis een smartelijken gil afgeperst, die hen zou hebben verraden.»O!” riep de Roode-Ceder, »alweder die Fransche duivel, met zijn verwenschten Araucaan, zij alleen zouden genoeg zijn om mij te overwinnen.”De vluchtelingen bleven nog meer dan een uur in de vreeselijkste spanning, zonder zich te durven bewegen, uit vrees van ontdekt te worden.Zij waren thans hunnen vervolgers zoo nabij, dat zij hen duidelijk konden hooren praten.Eindelijk echter verwijderden zich de stemmen, gingen de fakkels uit, en keerde alles tot de stilte terug.»Oef!” riep de monnik, »zij zijn vertrokken.”»Niet allen,” antwoordde de Squatter, »hebt gij dan dien verwenschten Valentin niet gehoord?”»Dat is waar, onze aftocht is nog altijd afgesneden.”»Wij behoeven nog niet te wanhopen; vooreerst hebben wij hier niets meer te vreezen; rust een poosje, terwijl ga ik even op verkenning uit.”»Hum!” pruttelde Fray Ambrosio; »waarom gaan wij niet liever samen? dat zou dunkt mij veel voorzichtiger wezen.”De Roode-Ceder lachte bitter.»Hoor eens, compadre,” zeide hij, den monnik bij den arm grijpende, zoodat deze bijna geschreeuwd zou hebben; »gij mistrouwt mij, en gij hebt ongelijk; eens heb ik u willen verlaten, dat beken ik, maar tegenwoordig wil ik het niet meer, wij zullen samen omkomen of samen gered worden.”»Spreekt gij inderdaad oprecht, compadre?” riep de monnik.»Ja, want op de bedriegelijke beloften van een priester had ik besloten mij te beteren, ik was van levenswijs veranderd, ik had een vreedzaam bestaan gevonden en eerlijken arbeid zonder iemand leed of last te veroorzaken; maar de menschen die ik had willen vergeten, hebben zich mijner herdacht om zich op mij te wreken: zonder mijne pogingen en mijn berouw in aanmerking te nemen, hebben zij mijne arme jacal verbrand en mijn zoon gedood, en nu vervolgen zij mij als een wild dier; ik voel den ouden tijger wild in mij ontwaken en de booze zuurdeesem die op den bodem mijner ziel sluimerde begint weder te gisten. Zij hebben mij een oorlog verklaard op dood en verdelging: welnu, ik neem dien aan en zal hem wederkeerig voeren, zonder verdrag of zonder hun om genade te vragen wanneer ik in hunne handen kom, evenmin als ik hun die geven zal wanneer zij in de mijne vallen. Laten zij op hunne hoede zijn, wee hun! want ik ben nog de Roode-Ceder! dien de Indianen den bijnaam van »menschenverslinder” gegeven hebben, en ik zal hun hart verscheuren! Wees dus voor het tegenwoordige gerust,señorpadre, wij verlaten elkander niet, gij zijt zooveel als mijn geweten, wij zijn onafscheidelijk.”De Squatter uitte deze gruwzame gezegden op zulk een toon van woede en haat, dat de monnik aan de waarheid er van niet meer kon twijfelen en begreep dat het slechte beginsel bij hem weder geheel de bovenhand had bekomen.Een afschuwelijke glimlach plooide zich op zijne lippen.»Komaan, compadre,” zeide hij, »ga nu op verkenning uit, wij zullen u hier wachten.”De Squatter verwijderde zich.Gedurende zijne afwezigheid werd er geen woord tusschen de bandieten gewisseld; Sutter sliep, de monnik dacht na, en Ellen zat te schreien.Het arme meisje had met eene mengeling van smart en ontzetting de woeste verklaring haars vaders aangehoord; zij berekendenu de diepte des afgronds in welken zij zich door het besluit van den Roode-Ceder plotseling voelde afstorten, een kloof die haar voor altijd van de maatschappij afzonderde en haar veroordeelde om levenslang in een toestand te verkeeren die haar in een poel van wee en tranen dompelde.Na een uur afwezigheid ongeveer kwam de Roode-Ceder terug.Er lag een glans van genoegen op zijn gelaat.»Wel?” vroeg de monnik nieuwsgierig.»Goed nieuws!” antwoordde hij, »ik heb een schuilplaats ontdekt, waar ik de fijnste speurhonden der prairie trotseer om mij te vinden.”»Nog al ver?”»Geen honderd passen van hier.”»Zoo nabij?”»Dat maakt haar juist zoo veilig: onze vijanden zullen nooit op het denkbeeld komen dat wij ons zoo dicht in hunne nabijheid hebben durven vestigen.”»Dat is waar: wij moeten er dadelijk naar toe.”»Zoodra gij maar wilt.”»Onmiddellijk.”De Roode-Ceder had niet gelogen, werkelijk was door hem een schuilhoek ontdekt die aan alle vereischten van veiligheid voldeed; als wij zelve op onze reistochten in de prairie niet dergelijke zaken gezien hadden, zouden wij aan de mogelijkheid van zulk een toevluchtsoord niet geloofd hebben.Na een afstand van omtrent honderd vijftig ellen doorloopen te hebben, hield de Squatter stil boven een ontzaggelijken, door ouderdom uitgeholden eikenstam.»Hier is het,” zeide hij, met zorg de massa bladeren, takken en lianen uiteenscheurende die de holte geheel voor het oog bedekten.»Hum! moeten wij daarin afdalen?” riep de monnik terwijl hij in de opening keek, die zoo donker was als een oven.»Ja,” antwoordde de Roode-Ceder; »maar stel u gerust, zij is minder diep dan gij denkt.”Ondanks deze verzekering aarzelde de monnik nog.»Gij kunt het nemen of laten,” hervatte de bandiet; »blijft gij anders liever ongedekt?”»Maar wij zullen ons daar binnen niet kunnen verroeren.”»Zie om u heen.”»Ik zie al.”»Merkt gij dan niet op dat de berg, juist op dit punt loodrecht is?”»Ja, werkelijk.”»Goed; wij zijn hier aan den rand der steilte, daar de arme Nathan van sprak.”»Ah!”»Ja; gij ziet wel dat die doode boom om zoo te zeggen in den berg is ingeheid als een paal.”»Dat is waar, ik had het niet dadelijk opgemerkt.”»Welnu, als men in dit gat afklimt, dan komt men op omtrent vijftien voet diepte aan een tweede, dat de schors van den boom doorboort en met eene grot in verband staat.”»O!” riep de monnik verheugd, »hoe hebt gij dit hol ooit kunnen ontdekken.”De Squatter zuchtte.»Dat is al wat tijd geleden,” zeide hij.»Ja maar,” riep Fray Ambrosio, »als gij wist dat het hier was, kunnen anderen het ook weten.”»Neen,” antwoordde hij hoofdschuddend, »slechts één man buiten mij die het wist, en deze kennis heeft hem het leven gekost.”»Dat stelt mij gerust.”»Geen jager noch strikkenzetter komt ooit hier; het is een onbereikbare sterkte; slechts een paar stappen verder in de zelfde richting voortgaande, zullen wij ons boven een afgrond van onpeilbare diepte bevinden, van welken deze berg een der wanden uitmaakt; overigens, om u alle vrees te ontnemen, zal ik het eerst afdalen.”De Roode-Ceder wierp eenige stukken kaarshout in de holte, hing zijn geweer achter zijn rug en liet zich nu aan de handen hangende, op den bodem des hollen booms nedervallen.Sutter en Fray Ambrosio keken met groote belangstelling toe. De Squatter sloeg vuur, stak een der ocote-fakkels aan en hield haar boven zijn hoofd.De monnik erkende nu terstond dat de oude scalpjager hem de waarheid had gezegd.De Roode-Ceder trad de grot binnen, op welker bodem hij zijn fakkel plantte, derwijze, dat de holte in den boomstam verlicht bleef; daarna liet hij zich met de lasso weder bovenhalen bij zijne kameraden.»Welnu,” zeide hij, »wat denkt gij er van?”»Wij zijn daar opperbest,” antwoordde de monnik.Zonder verder te aarzelen liet hij zich in het hol neder en verdween in de grot.Sutter volgde zijn voorbeeld, maar bleef in den hollen stam staan om zijne zuster bij het afklimmen te helpen.Het meisje scheen geen kennis meer te dragen van hetgeen rondom haar gebeurde. Zachtzinnig en volgzaam als altijd, gedroeg zij zich met werktuiglijke juistheid en onverschilligheid, zonder zich rekenschap te geven waarom zij het eene liever zou doen dan het andere; haars vaders gezegden hadden haar zoo diep getroffen, dat alle veerkracht en eigenwil in haar gebroken waren.Nadat haar vader haar in den boom had nedergelaten, volgde zij haar broeder werktuigelijk in de grot.Alleen achtergebleven, wischte de Squatter met de meeste nauwlettendheid ieder spoor of teeken uit, dat aan den scherpen blik hunner vijanden de plaats had kunnen aanwijzen waar zij warendoorgegaan; en na zich ten volle verzekerd te hebben dat niets zijne tegenwoordigheid aan deze plaats verraden kon, liet ook hij zich in de opening afzakken.De eerste zorg der bandieten was nu, hun nieuwe verblijf op te nemen.Het was zeer ruim.Deze spelonk liep tot op aanmerkelijke diepte onder den berg door; zij verdeelde zich in verscheidene takken van verschillende hoogte, de een bijna tot de kruin des bergs opklimmende, terwijl anderen daarentegen diep in den grond afdaalden; een onderaardsch meer, de vergaarbak van een of ander ongenoemde rivier, strekte zich verder uit dan het gezicht reikte, onder een laag gewelf, dat wemelde van vledermuizen.Tevens had de grot meer dan een uitgang, geheel in tegenovergestelde richting; deze uitgangen waren zoo goed verborgen, dat men ze uitwendig onmogelijk kon bespeuren.Een ding slechts bekommerde de avonturiers, namelijk de vraag hoe zij levensmiddelen zouden bekomen; hiervoor echter meende de Roode-Ceder wel te zullen zorgen door strikken te zetten, en zelfs door in den berg te jagen.Ellen was in een loodzwaren slaap geraakt, op het bed van bisonsmantels, dat haar vader in der haast voor haar had gereed gemaakt. Het ongelukkige meisje had zooveel geleden en sedert de laatstvorige dagen zoo zware vermoeienis moeten doorstaan, dat zij zich letterlijk niet meer op de been kon houden.Toen de drie mannen de grot hadden bezichtigd, kwamen zij terug in het vertrek waar Ellen sliep.De Roode-Ceder staarde haar een poos aan met een blik van onbegrensd leedgevoel; hij hield te veel van zijne dochter om haar niet te beklagen en niet met smart te denken aan het vreeselijk lot dat haar in zijne nabijheid te wachten stond, en daar hij geen middel voor wist om het af te wenden.Fray Ambrosio die steeds waakte voor zijne eigene belangen, ontrukte den Squatter, aan zijne tweeledige beschouwing.»Wel! compadre” zeide hij, »wij zijn waarschijnlijk gedoemd om hier een geruimen tijd te blijven?”»Zoolang tot onze vervolgers moede worden ons te zoeken, en eindelijk aftrekken.”»Dat kan misschien nog lang duren; ik zou u dus tot meerdere zekerheid raden een ding te doen.”»Wat?”»Er liggen hier groote blokken steen, die door den tijd van het gewelf zijn gevallen; zoo gij mij gelooven wilt, moesten wij er, eer wij gaan slapen drie of vier van de grootste voor den ingang der grot wentelen daar wij zijn binnengekomen.”»Waarvoor zou dat dienen?” vroeg de Squatter verstrooid.»In onze tegenwoordige omstandigheden kunnen wij niet te veel voorzorgen nemen, de Indianen zijn zoo duivelsch listig dat zij in staat zouden zijn om door den hollen boom naar omlaag te komen.”»De padre heeft gelijk, oude,” bromde Sutter, die reeds half sliep; »het is zoo groote moeite niet om die steenen naar het gat te rollen, dan zijn wij ten minste allen op ons gemak.”»Doe wat gij wilt,” antwoordde de Squatter, die op nieuw zijne dochter aanstaarde.De beide anderen stonden op om hun gemaakte plan dadelijk ten uitvoer te brengen, en een half uur later was de opening der grot zoo kunstig verstopt, dat iemand die het niet wist, nooit zou geloofd hebben dat er eene zoo groote opening bestaan had.»Nu kunnen wij gaan slapen,” zei Fray Ambrosio, »althans kunnen wij gerust zijn.”

XXXVI.DE LAATSTE SCHUILHOEK.

Thans moeten wij naar den Roode-Ceder terugkeeren.Toen de Squatter het geschreeuw der Roodhuiden gehoord en in de verte de fakkels onder het geboomte had zien schitteren, achtte hij zich in het eerste oogenblik verloren, hij bedekte zijn gelaat wanhopig met de beide handen en zou door schrik overstelpt gevallen zijn, zoo Fray Ambrosio hem gelukkig niet in tijds had opgevangen.»Demonios!” riep de monnik. »Pas toch op, compadre, het is gevaarlijk om hier misbaar te maken.”De ontmoediging van den bandiet duurde echter slechts een oogenblik, en bijna dadelijk hersteld, richtte hij zich even fier en onversaagd op als te voren en riep met eene forsche stem:»Ik zal nog ontsnappen!”»Goed, compadre, dat noem ik braaf gesproken,” zeide de monnik, »maar er moet gehandeld worden.”»Voorwaarts!” brulde de Squatter.»Hoe dat, voorwaarts!” riep de monnik met schrik terugdeinzend; »maar voorwaarts, dat is immers naar het kamp der Roodhuiden?”»Voorwaarts! zeg ik u.”»Voorwaarts, en de duivel helpe er ons door!” mompelde Fray Ambrosio.De Squatter, zooals hij gezegd had, marcheerde onversaagd naar het kamp.Weldra kwamen zij weder op dezelfde plaats, waar zij Nathan met de lasso hadden opgehaald en die zij in hun eerste oogenblik van schrik verlaten hadden om den terugtocht aan te nemen.De Squatter schoof de bladeren uit elkander en keek naar omlaag.Het gansche kamp was in rep en roer; de Indianen liepen als dollemannen in alle richtingen.»O!” mompelde de Squatter, »ik had gehoopt dat die duivels ons gezamenlijk zouden gevolgd zijn; het is onmogelijk hier af te dalen.”»Daar valt niet aan te denken,” zei Nathan, »dan waren wij onherroepelijk verloren.”»Wij moeten besluiten tot het een of ander,” pruttelde de monnik.Ellen, die niet meer kon van vermoeienis, was op een tak gaan zitten.Haar vader keek haar aan met een wanhopigen blik.»Arm kind!” prevelde hij half binnensmonds; »dat gij zoo lijden moet!”»Denk niet aan mij, vader,” antwoordde zij, »red u zelven; laat mij hier maar achter.”»U achterlaten!” riep hij woest, »nooit, al moest ik sterven! neen, neen! ik zal u redden!”»Wat heb ik te vreezen van menschen die ik nooit kwaad heb gedaan?” hervatte zij, »zij zullen wel medelijden hebben met mijn toestand.”De Roode-Ceder grinnikte spotachtig.»Vraag aan tijgers of zij medelijden hebben met antilopen,” zeide hij, »gij kent de wilden nog niet, arm kind! Zij zullen u met helsche vreugd martelen en dooden.”Ellen zuchtte en liet het hoofd hangen zonder te antwoorden.»Wij verliezen onzen tijd; laten wij besluiten,” hernam Fray Ambrosio.»Loop naar den duivel!” riep de Squatter barsch, »gij zijt mijn booze geest.”»Wat is de mensch toch een ondankbaar wezen!” riep de monnik, terwijl hij de oogen schijnheilig naar den hemel sloeg, »ik die uw beste vriend ben.”»’t Is genoeg!.…” zei de Roode-Ceder met kracht, »wij kunnen hier niet langer blijven, laat ons terugkeeren.”»Alweêr.”»Weet gij een anderen weg, duivel?”Zij trokken terug.»Waar is Nathan?” vroeg de Squatter op eens; »heeft hij zich laten afzakken?”»Zoo dom niet,” riep de jongman met een lach, »maar ik ben van kostuum veranderd.”Hij stiet de takken uit elkander die hem onzichtbaar maakten; zijne kameraden schreeuwden bijna van verbazing.Nathan had zich in een berenvel gestoken, op den kop na, dien hij in zijne hand hield.»Oho!” riep de Roode-Ceder, »dat is een gelukkige inval! Waar hebt gij dat gestolen, jongen?”»Ik had niets meer te doen dan het van den tak te haken, daar men het aan te drogen had gehangen.”»Dat moet gij met zorg bewaren, misschien zullen wij het spoedig noodig hebben.”»Dat heb ik ook gedacht.”»Kom, laten wij voortmaken.”Nauwelijks hadden zij eenige stappen gedaan of de Squatter stond stil, hief de armen op om zijne kameraden te waarschuwen, en bleef staan luisteren.Na twee of drie minuten wendde hij zich om naar zijne kameraden, en fluisterde met eene nauwelijks hoorbare stem:»De terugtocht is ons afgesneden, men loopt in de boomen, ik heb de takken hooren kraken en de bladeren ritselen.”Allen keken elkander verschrikt aan.»Laten wij niet wanhopen,” hervatte hij met drift, »alles is nog niet verloren; laten wij hooger klimmen en zijwaarts uitwijken, tot zij ons voorbij zijn gegaan, intusschen kan Nathan hen met zijn nieuwe kostuum bezighouden, de Comanchen doen gewoonlijk den beren geen kwaad, die zij zeggen dat van hunne familie zijn.”Niemand had hier iets tegen.Sutter was de eerste die naar boven vloog, de monnik volgde hem kort op de hielen.Ellen keek haar vader bedrukt aan.»Ik kan niet,” zeide zij.»Ik zeg nog eens dat ik u zal redden, kind,” mompelde hij op een toon van teederheid die zich moeielijk laat beschrijven.Hij nam het meisje in zijne sterke armen, en zette haar bedaard op zijn schouder.»Houd u maar goed vast,” mompelde hij zacht, »en vooral vrees voor niets.”Met eene behendigheid en kracht, die de vaderlijke liefde vertienvoudigde, klampte zich de bandiet met de hand aan de takken boven zijn hoofd vast en verdween in het dichte loof, terwijl hij zijn zoon toeriep:»Pas op! Nathan! speel uw rol goed, jongen; ons behoud hangt van u af.”»Wees gerust, oude,” antwoordde de jongman terwijl hij den berenkop over zijne ooren trok; »ik ben niet dommer dan een Indiaan; ze zullen mij wel voor een neef van hen aanzien.”De lezer weet reeds wat er op gevolgd is, en hoe deze krijgslist, die aanvankelijk zoo goed gelukte, door Curumilla verijdeld werd.Toen de Squatter zijn zoon zag vallen, kreeg hij een oogenblik van woede en legde zijn geweer aan om den Araucaan neer te schieten.Gelukkig had de monnik deze beweging tijdig genoeg gemerkt om er zich tegen te verzetten.»Wat doet gij?” riep deze, het geweer opheffende, »wilt gij uwe dochter dooden?”»Gij hebt gelijk,” mompelde de Squatter.Ellen had gelukkig Nathan niet zien vallen en dus niets van het overige begrepen, anders had haars broeders dood haar gewis een smartelijken gil afgeperst, die hen zou hebben verraden.»O!” riep de Roode-Ceder, »alweder die Fransche duivel, met zijn verwenschten Araucaan, zij alleen zouden genoeg zijn om mij te overwinnen.”De vluchtelingen bleven nog meer dan een uur in de vreeselijkste spanning, zonder zich te durven bewegen, uit vrees van ontdekt te worden.Zij waren thans hunnen vervolgers zoo nabij, dat zij hen duidelijk konden hooren praten.Eindelijk echter verwijderden zich de stemmen, gingen de fakkels uit, en keerde alles tot de stilte terug.»Oef!” riep de monnik, »zij zijn vertrokken.”»Niet allen,” antwoordde de Squatter, »hebt gij dan dien verwenschten Valentin niet gehoord?”»Dat is waar, onze aftocht is nog altijd afgesneden.”»Wij behoeven nog niet te wanhopen; vooreerst hebben wij hier niets meer te vreezen; rust een poosje, terwijl ga ik even op verkenning uit.”»Hum!” pruttelde Fray Ambrosio; »waarom gaan wij niet liever samen? dat zou dunkt mij veel voorzichtiger wezen.”De Roode-Ceder lachte bitter.»Hoor eens, compadre,” zeide hij, den monnik bij den arm grijpende, zoodat deze bijna geschreeuwd zou hebben; »gij mistrouwt mij, en gij hebt ongelijk; eens heb ik u willen verlaten, dat beken ik, maar tegenwoordig wil ik het niet meer, wij zullen samen omkomen of samen gered worden.”»Spreekt gij inderdaad oprecht, compadre?” riep de monnik.»Ja, want op de bedriegelijke beloften van een priester had ik besloten mij te beteren, ik was van levenswijs veranderd, ik had een vreedzaam bestaan gevonden en eerlijken arbeid zonder iemand leed of last te veroorzaken; maar de menschen die ik had willen vergeten, hebben zich mijner herdacht om zich op mij te wreken: zonder mijne pogingen en mijn berouw in aanmerking te nemen, hebben zij mijne arme jacal verbrand en mijn zoon gedood, en nu vervolgen zij mij als een wild dier; ik voel den ouden tijger wild in mij ontwaken en de booze zuurdeesem die op den bodem mijner ziel sluimerde begint weder te gisten. Zij hebben mij een oorlog verklaard op dood en verdelging: welnu, ik neem dien aan en zal hem wederkeerig voeren, zonder verdrag of zonder hun om genade te vragen wanneer ik in hunne handen kom, evenmin als ik hun die geven zal wanneer zij in de mijne vallen. Laten zij op hunne hoede zijn, wee hun! want ik ben nog de Roode-Ceder! dien de Indianen den bijnaam van »menschenverslinder” gegeven hebben, en ik zal hun hart verscheuren! Wees dus voor het tegenwoordige gerust,señorpadre, wij verlaten elkander niet, gij zijt zooveel als mijn geweten, wij zijn onafscheidelijk.”De Squatter uitte deze gruwzame gezegden op zulk een toon van woede en haat, dat de monnik aan de waarheid er van niet meer kon twijfelen en begreep dat het slechte beginsel bij hem weder geheel de bovenhand had bekomen.Een afschuwelijke glimlach plooide zich op zijne lippen.»Komaan, compadre,” zeide hij, »ga nu op verkenning uit, wij zullen u hier wachten.”De Squatter verwijderde zich.Gedurende zijne afwezigheid werd er geen woord tusschen de bandieten gewisseld; Sutter sliep, de monnik dacht na, en Ellen zat te schreien.Het arme meisje had met eene mengeling van smart en ontzetting de woeste verklaring haars vaders aangehoord; zij berekendenu de diepte des afgronds in welken zij zich door het besluit van den Roode-Ceder plotseling voelde afstorten, een kloof die haar voor altijd van de maatschappij afzonderde en haar veroordeelde om levenslang in een toestand te verkeeren die haar in een poel van wee en tranen dompelde.Na een uur afwezigheid ongeveer kwam de Roode-Ceder terug.Er lag een glans van genoegen op zijn gelaat.»Wel?” vroeg de monnik nieuwsgierig.»Goed nieuws!” antwoordde hij, »ik heb een schuilplaats ontdekt, waar ik de fijnste speurhonden der prairie trotseer om mij te vinden.”»Nog al ver?”»Geen honderd passen van hier.”»Zoo nabij?”»Dat maakt haar juist zoo veilig: onze vijanden zullen nooit op het denkbeeld komen dat wij ons zoo dicht in hunne nabijheid hebben durven vestigen.”»Dat is waar: wij moeten er dadelijk naar toe.”»Zoodra gij maar wilt.”»Onmiddellijk.”De Roode-Ceder had niet gelogen, werkelijk was door hem een schuilhoek ontdekt die aan alle vereischten van veiligheid voldeed; als wij zelve op onze reistochten in de prairie niet dergelijke zaken gezien hadden, zouden wij aan de mogelijkheid van zulk een toevluchtsoord niet geloofd hebben.Na een afstand van omtrent honderd vijftig ellen doorloopen te hebben, hield de Squatter stil boven een ontzaggelijken, door ouderdom uitgeholden eikenstam.»Hier is het,” zeide hij, met zorg de massa bladeren, takken en lianen uiteenscheurende die de holte geheel voor het oog bedekten.»Hum! moeten wij daarin afdalen?” riep de monnik terwijl hij in de opening keek, die zoo donker was als een oven.»Ja,” antwoordde de Roode-Ceder; »maar stel u gerust, zij is minder diep dan gij denkt.”Ondanks deze verzekering aarzelde de monnik nog.»Gij kunt het nemen of laten,” hervatte de bandiet; »blijft gij anders liever ongedekt?”»Maar wij zullen ons daar binnen niet kunnen verroeren.”»Zie om u heen.”»Ik zie al.”»Merkt gij dan niet op dat de berg, juist op dit punt loodrecht is?”»Ja, werkelijk.”»Goed; wij zijn hier aan den rand der steilte, daar de arme Nathan van sprak.”»Ah!”»Ja; gij ziet wel dat die doode boom om zoo te zeggen in den berg is ingeheid als een paal.”»Dat is waar, ik had het niet dadelijk opgemerkt.”»Welnu, als men in dit gat afklimt, dan komt men op omtrent vijftien voet diepte aan een tweede, dat de schors van den boom doorboort en met eene grot in verband staat.”»O!” riep de monnik verheugd, »hoe hebt gij dit hol ooit kunnen ontdekken.”De Squatter zuchtte.»Dat is al wat tijd geleden,” zeide hij.»Ja maar,” riep Fray Ambrosio, »als gij wist dat het hier was, kunnen anderen het ook weten.”»Neen,” antwoordde hij hoofdschuddend, »slechts één man buiten mij die het wist, en deze kennis heeft hem het leven gekost.”»Dat stelt mij gerust.”»Geen jager noch strikkenzetter komt ooit hier; het is een onbereikbare sterkte; slechts een paar stappen verder in de zelfde richting voortgaande, zullen wij ons boven een afgrond van onpeilbare diepte bevinden, van welken deze berg een der wanden uitmaakt; overigens, om u alle vrees te ontnemen, zal ik het eerst afdalen.”De Roode-Ceder wierp eenige stukken kaarshout in de holte, hing zijn geweer achter zijn rug en liet zich nu aan de handen hangende, op den bodem des hollen booms nedervallen.Sutter en Fray Ambrosio keken met groote belangstelling toe. De Squatter sloeg vuur, stak een der ocote-fakkels aan en hield haar boven zijn hoofd.De monnik erkende nu terstond dat de oude scalpjager hem de waarheid had gezegd.De Roode-Ceder trad de grot binnen, op welker bodem hij zijn fakkel plantte, derwijze, dat de holte in den boomstam verlicht bleef; daarna liet hij zich met de lasso weder bovenhalen bij zijne kameraden.»Welnu,” zeide hij, »wat denkt gij er van?”»Wij zijn daar opperbest,” antwoordde de monnik.Zonder verder te aarzelen liet hij zich in het hol neder en verdween in de grot.Sutter volgde zijn voorbeeld, maar bleef in den hollen stam staan om zijne zuster bij het afklimmen te helpen.Het meisje scheen geen kennis meer te dragen van hetgeen rondom haar gebeurde. Zachtzinnig en volgzaam als altijd, gedroeg zij zich met werktuiglijke juistheid en onverschilligheid, zonder zich rekenschap te geven waarom zij het eene liever zou doen dan het andere; haars vaders gezegden hadden haar zoo diep getroffen, dat alle veerkracht en eigenwil in haar gebroken waren.Nadat haar vader haar in den boom had nedergelaten, volgde zij haar broeder werktuigelijk in de grot.Alleen achtergebleven, wischte de Squatter met de meeste nauwlettendheid ieder spoor of teeken uit, dat aan den scherpen blik hunner vijanden de plaats had kunnen aanwijzen waar zij warendoorgegaan; en na zich ten volle verzekerd te hebben dat niets zijne tegenwoordigheid aan deze plaats verraden kon, liet ook hij zich in de opening afzakken.De eerste zorg der bandieten was nu, hun nieuwe verblijf op te nemen.Het was zeer ruim.Deze spelonk liep tot op aanmerkelijke diepte onder den berg door; zij verdeelde zich in verscheidene takken van verschillende hoogte, de een bijna tot de kruin des bergs opklimmende, terwijl anderen daarentegen diep in den grond afdaalden; een onderaardsch meer, de vergaarbak van een of ander ongenoemde rivier, strekte zich verder uit dan het gezicht reikte, onder een laag gewelf, dat wemelde van vledermuizen.Tevens had de grot meer dan een uitgang, geheel in tegenovergestelde richting; deze uitgangen waren zoo goed verborgen, dat men ze uitwendig onmogelijk kon bespeuren.Een ding slechts bekommerde de avonturiers, namelijk de vraag hoe zij levensmiddelen zouden bekomen; hiervoor echter meende de Roode-Ceder wel te zullen zorgen door strikken te zetten, en zelfs door in den berg te jagen.Ellen was in een loodzwaren slaap geraakt, op het bed van bisonsmantels, dat haar vader in der haast voor haar had gereed gemaakt. Het ongelukkige meisje had zooveel geleden en sedert de laatstvorige dagen zoo zware vermoeienis moeten doorstaan, dat zij zich letterlijk niet meer op de been kon houden.Toen de drie mannen de grot hadden bezichtigd, kwamen zij terug in het vertrek waar Ellen sliep.De Roode-Ceder staarde haar een poos aan met een blik van onbegrensd leedgevoel; hij hield te veel van zijne dochter om haar niet te beklagen en niet met smart te denken aan het vreeselijk lot dat haar in zijne nabijheid te wachten stond, en daar hij geen middel voor wist om het af te wenden.Fray Ambrosio die steeds waakte voor zijne eigene belangen, ontrukte den Squatter, aan zijne tweeledige beschouwing.»Wel! compadre” zeide hij, »wij zijn waarschijnlijk gedoemd om hier een geruimen tijd te blijven?”»Zoolang tot onze vervolgers moede worden ons te zoeken, en eindelijk aftrekken.”»Dat kan misschien nog lang duren; ik zou u dus tot meerdere zekerheid raden een ding te doen.”»Wat?”»Er liggen hier groote blokken steen, die door den tijd van het gewelf zijn gevallen; zoo gij mij gelooven wilt, moesten wij er, eer wij gaan slapen drie of vier van de grootste voor den ingang der grot wentelen daar wij zijn binnengekomen.”»Waarvoor zou dat dienen?” vroeg de Squatter verstrooid.»In onze tegenwoordige omstandigheden kunnen wij niet te veel voorzorgen nemen, de Indianen zijn zoo duivelsch listig dat zij in staat zouden zijn om door den hollen boom naar omlaag te komen.”»De padre heeft gelijk, oude,” bromde Sutter, die reeds half sliep; »het is zoo groote moeite niet om die steenen naar het gat te rollen, dan zijn wij ten minste allen op ons gemak.”»Doe wat gij wilt,” antwoordde de Squatter, die op nieuw zijne dochter aanstaarde.De beide anderen stonden op om hun gemaakte plan dadelijk ten uitvoer te brengen, en een half uur later was de opening der grot zoo kunstig verstopt, dat iemand die het niet wist, nooit zou geloofd hebben dat er eene zoo groote opening bestaan had.»Nu kunnen wij gaan slapen,” zei Fray Ambrosio, »althans kunnen wij gerust zijn.”

Thans moeten wij naar den Roode-Ceder terugkeeren.

Toen de Squatter het geschreeuw der Roodhuiden gehoord en in de verte de fakkels onder het geboomte had zien schitteren, achtte hij zich in het eerste oogenblik verloren, hij bedekte zijn gelaat wanhopig met de beide handen en zou door schrik overstelpt gevallen zijn, zoo Fray Ambrosio hem gelukkig niet in tijds had opgevangen.

»Demonios!” riep de monnik. »Pas toch op, compadre, het is gevaarlijk om hier misbaar te maken.”

De ontmoediging van den bandiet duurde echter slechts een oogenblik, en bijna dadelijk hersteld, richtte hij zich even fier en onversaagd op als te voren en riep met eene forsche stem:

»Ik zal nog ontsnappen!”

»Goed, compadre, dat noem ik braaf gesproken,” zeide de monnik, »maar er moet gehandeld worden.”

»Voorwaarts!” brulde de Squatter.

»Hoe dat, voorwaarts!” riep de monnik met schrik terugdeinzend; »maar voorwaarts, dat is immers naar het kamp der Roodhuiden?”

»Voorwaarts! zeg ik u.”

»Voorwaarts, en de duivel helpe er ons door!” mompelde Fray Ambrosio.

De Squatter, zooals hij gezegd had, marcheerde onversaagd naar het kamp.

Weldra kwamen zij weder op dezelfde plaats, waar zij Nathan met de lasso hadden opgehaald en die zij in hun eerste oogenblik van schrik verlaten hadden om den terugtocht aan te nemen.

De Squatter schoof de bladeren uit elkander en keek naar omlaag.

Het gansche kamp was in rep en roer; de Indianen liepen als dollemannen in alle richtingen.

»O!” mompelde de Squatter, »ik had gehoopt dat die duivels ons gezamenlijk zouden gevolgd zijn; het is onmogelijk hier af te dalen.”

»Daar valt niet aan te denken,” zei Nathan, »dan waren wij onherroepelijk verloren.”

»Wij moeten besluiten tot het een of ander,” pruttelde de monnik.

Ellen, die niet meer kon van vermoeienis, was op een tak gaan zitten.

Haar vader keek haar aan met een wanhopigen blik.

»Arm kind!” prevelde hij half binnensmonds; »dat gij zoo lijden moet!”

»Denk niet aan mij, vader,” antwoordde zij, »red u zelven; laat mij hier maar achter.”

»U achterlaten!” riep hij woest, »nooit, al moest ik sterven! neen, neen! ik zal u redden!”

»Wat heb ik te vreezen van menschen die ik nooit kwaad heb gedaan?” hervatte zij, »zij zullen wel medelijden hebben met mijn toestand.”

De Roode-Ceder grinnikte spotachtig.

»Vraag aan tijgers of zij medelijden hebben met antilopen,” zeide hij, »gij kent de wilden nog niet, arm kind! Zij zullen u met helsche vreugd martelen en dooden.”

Ellen zuchtte en liet het hoofd hangen zonder te antwoorden.

»Wij verliezen onzen tijd; laten wij besluiten,” hernam Fray Ambrosio.

»Loop naar den duivel!” riep de Squatter barsch, »gij zijt mijn booze geest.”

»Wat is de mensch toch een ondankbaar wezen!” riep de monnik, terwijl hij de oogen schijnheilig naar den hemel sloeg, »ik die uw beste vriend ben.”

»’t Is genoeg!.…” zei de Roode-Ceder met kracht, »wij kunnen hier niet langer blijven, laat ons terugkeeren.”

»Alweêr.”

»Weet gij een anderen weg, duivel?”

Zij trokken terug.

»Waar is Nathan?” vroeg de Squatter op eens; »heeft hij zich laten afzakken?”

»Zoo dom niet,” riep de jongman met een lach, »maar ik ben van kostuum veranderd.”

Hij stiet de takken uit elkander die hem onzichtbaar maakten; zijne kameraden schreeuwden bijna van verbazing.

Nathan had zich in een berenvel gestoken, op den kop na, dien hij in zijne hand hield.

»Oho!” riep de Roode-Ceder, »dat is een gelukkige inval! Waar hebt gij dat gestolen, jongen?”

»Ik had niets meer te doen dan het van den tak te haken, daar men het aan te drogen had gehangen.”

»Dat moet gij met zorg bewaren, misschien zullen wij het spoedig noodig hebben.”

»Dat heb ik ook gedacht.”

»Kom, laten wij voortmaken.”

Nauwelijks hadden zij eenige stappen gedaan of de Squatter stond stil, hief de armen op om zijne kameraden te waarschuwen, en bleef staan luisteren.

Na twee of drie minuten wendde hij zich om naar zijne kameraden, en fluisterde met eene nauwelijks hoorbare stem:

»De terugtocht is ons afgesneden, men loopt in de boomen, ik heb de takken hooren kraken en de bladeren ritselen.”

Allen keken elkander verschrikt aan.

»Laten wij niet wanhopen,” hervatte hij met drift, »alles is nog niet verloren; laten wij hooger klimmen en zijwaarts uitwijken, tot zij ons voorbij zijn gegaan, intusschen kan Nathan hen met zijn nieuwe kostuum bezighouden, de Comanchen doen gewoonlijk den beren geen kwaad, die zij zeggen dat van hunne familie zijn.”

Niemand had hier iets tegen.

Sutter was de eerste die naar boven vloog, de monnik volgde hem kort op de hielen.

Ellen keek haar vader bedrukt aan.

»Ik kan niet,” zeide zij.

»Ik zeg nog eens dat ik u zal redden, kind,” mompelde hij op een toon van teederheid die zich moeielijk laat beschrijven.

Hij nam het meisje in zijne sterke armen, en zette haar bedaard op zijn schouder.

»Houd u maar goed vast,” mompelde hij zacht, »en vooral vrees voor niets.”

Met eene behendigheid en kracht, die de vaderlijke liefde vertienvoudigde, klampte zich de bandiet met de hand aan de takken boven zijn hoofd vast en verdween in het dichte loof, terwijl hij zijn zoon toeriep:

»Pas op! Nathan! speel uw rol goed, jongen; ons behoud hangt van u af.”

»Wees gerust, oude,” antwoordde de jongman terwijl hij den berenkop over zijne ooren trok; »ik ben niet dommer dan een Indiaan; ze zullen mij wel voor een neef van hen aanzien.”

De lezer weet reeds wat er op gevolgd is, en hoe deze krijgslist, die aanvankelijk zoo goed gelukte, door Curumilla verijdeld werd.

Toen de Squatter zijn zoon zag vallen, kreeg hij een oogenblik van woede en legde zijn geweer aan om den Araucaan neer te schieten.

Gelukkig had de monnik deze beweging tijdig genoeg gemerkt om er zich tegen te verzetten.

»Wat doet gij?” riep deze, het geweer opheffende, »wilt gij uwe dochter dooden?”

»Gij hebt gelijk,” mompelde de Squatter.

Ellen had gelukkig Nathan niet zien vallen en dus niets van het overige begrepen, anders had haars broeders dood haar gewis een smartelijken gil afgeperst, die hen zou hebben verraden.

»O!” riep de Roode-Ceder, »alweder die Fransche duivel, met zijn verwenschten Araucaan, zij alleen zouden genoeg zijn om mij te overwinnen.”

De vluchtelingen bleven nog meer dan een uur in de vreeselijkste spanning, zonder zich te durven bewegen, uit vrees van ontdekt te worden.

Zij waren thans hunnen vervolgers zoo nabij, dat zij hen duidelijk konden hooren praten.

Eindelijk echter verwijderden zich de stemmen, gingen de fakkels uit, en keerde alles tot de stilte terug.

»Oef!” riep de monnik, »zij zijn vertrokken.”

»Niet allen,” antwoordde de Squatter, »hebt gij dan dien verwenschten Valentin niet gehoord?”

»Dat is waar, onze aftocht is nog altijd afgesneden.”

»Wij behoeven nog niet te wanhopen; vooreerst hebben wij hier niets meer te vreezen; rust een poosje, terwijl ga ik even op verkenning uit.”

»Hum!” pruttelde Fray Ambrosio; »waarom gaan wij niet liever samen? dat zou dunkt mij veel voorzichtiger wezen.”

De Roode-Ceder lachte bitter.

»Hoor eens, compadre,” zeide hij, den monnik bij den arm grijpende, zoodat deze bijna geschreeuwd zou hebben; »gij mistrouwt mij, en gij hebt ongelijk; eens heb ik u willen verlaten, dat beken ik, maar tegenwoordig wil ik het niet meer, wij zullen samen omkomen of samen gered worden.”

»Spreekt gij inderdaad oprecht, compadre?” riep de monnik.

»Ja, want op de bedriegelijke beloften van een priester had ik besloten mij te beteren, ik was van levenswijs veranderd, ik had een vreedzaam bestaan gevonden en eerlijken arbeid zonder iemand leed of last te veroorzaken; maar de menschen die ik had willen vergeten, hebben zich mijner herdacht om zich op mij te wreken: zonder mijne pogingen en mijn berouw in aanmerking te nemen, hebben zij mijne arme jacal verbrand en mijn zoon gedood, en nu vervolgen zij mij als een wild dier; ik voel den ouden tijger wild in mij ontwaken en de booze zuurdeesem die op den bodem mijner ziel sluimerde begint weder te gisten. Zij hebben mij een oorlog verklaard op dood en verdelging: welnu, ik neem dien aan en zal hem wederkeerig voeren, zonder verdrag of zonder hun om genade te vragen wanneer ik in hunne handen kom, evenmin als ik hun die geven zal wanneer zij in de mijne vallen. Laten zij op hunne hoede zijn, wee hun! want ik ben nog de Roode-Ceder! dien de Indianen den bijnaam van »menschenverslinder” gegeven hebben, en ik zal hun hart verscheuren! Wees dus voor het tegenwoordige gerust,señorpadre, wij verlaten elkander niet, gij zijt zooveel als mijn geweten, wij zijn onafscheidelijk.”

De Squatter uitte deze gruwzame gezegden op zulk een toon van woede en haat, dat de monnik aan de waarheid er van niet meer kon twijfelen en begreep dat het slechte beginsel bij hem weder geheel de bovenhand had bekomen.

Een afschuwelijke glimlach plooide zich op zijne lippen.

»Komaan, compadre,” zeide hij, »ga nu op verkenning uit, wij zullen u hier wachten.”

De Squatter verwijderde zich.

Gedurende zijne afwezigheid werd er geen woord tusschen de bandieten gewisseld; Sutter sliep, de monnik dacht na, en Ellen zat te schreien.

Het arme meisje had met eene mengeling van smart en ontzetting de woeste verklaring haars vaders aangehoord; zij berekendenu de diepte des afgronds in welken zij zich door het besluit van den Roode-Ceder plotseling voelde afstorten, een kloof die haar voor altijd van de maatschappij afzonderde en haar veroordeelde om levenslang in een toestand te verkeeren die haar in een poel van wee en tranen dompelde.

Na een uur afwezigheid ongeveer kwam de Roode-Ceder terug.

Er lag een glans van genoegen op zijn gelaat.

»Wel?” vroeg de monnik nieuwsgierig.

»Goed nieuws!” antwoordde hij, »ik heb een schuilplaats ontdekt, waar ik de fijnste speurhonden der prairie trotseer om mij te vinden.”

»Nog al ver?”

»Geen honderd passen van hier.”

»Zoo nabij?”

»Dat maakt haar juist zoo veilig: onze vijanden zullen nooit op het denkbeeld komen dat wij ons zoo dicht in hunne nabijheid hebben durven vestigen.”

»Dat is waar: wij moeten er dadelijk naar toe.”

»Zoodra gij maar wilt.”

»Onmiddellijk.”

De Roode-Ceder had niet gelogen, werkelijk was door hem een schuilhoek ontdekt die aan alle vereischten van veiligheid voldeed; als wij zelve op onze reistochten in de prairie niet dergelijke zaken gezien hadden, zouden wij aan de mogelijkheid van zulk een toevluchtsoord niet geloofd hebben.

Na een afstand van omtrent honderd vijftig ellen doorloopen te hebben, hield de Squatter stil boven een ontzaggelijken, door ouderdom uitgeholden eikenstam.

»Hier is het,” zeide hij, met zorg de massa bladeren, takken en lianen uiteenscheurende die de holte geheel voor het oog bedekten.

»Hum! moeten wij daarin afdalen?” riep de monnik terwijl hij in de opening keek, die zoo donker was als een oven.

»Ja,” antwoordde de Roode-Ceder; »maar stel u gerust, zij is minder diep dan gij denkt.”

Ondanks deze verzekering aarzelde de monnik nog.

»Gij kunt het nemen of laten,” hervatte de bandiet; »blijft gij anders liever ongedekt?”

»Maar wij zullen ons daar binnen niet kunnen verroeren.”

»Zie om u heen.”

»Ik zie al.”

»Merkt gij dan niet op dat de berg, juist op dit punt loodrecht is?”

»Ja, werkelijk.”

»Goed; wij zijn hier aan den rand der steilte, daar de arme Nathan van sprak.”

»Ah!”

»Ja; gij ziet wel dat die doode boom om zoo te zeggen in den berg is ingeheid als een paal.”

»Dat is waar, ik had het niet dadelijk opgemerkt.”

»Welnu, als men in dit gat afklimt, dan komt men op omtrent vijftien voet diepte aan een tweede, dat de schors van den boom doorboort en met eene grot in verband staat.”

»O!” riep de monnik verheugd, »hoe hebt gij dit hol ooit kunnen ontdekken.”

De Squatter zuchtte.

»Dat is al wat tijd geleden,” zeide hij.

»Ja maar,” riep Fray Ambrosio, »als gij wist dat het hier was, kunnen anderen het ook weten.”

»Neen,” antwoordde hij hoofdschuddend, »slechts één man buiten mij die het wist, en deze kennis heeft hem het leven gekost.”

»Dat stelt mij gerust.”

»Geen jager noch strikkenzetter komt ooit hier; het is een onbereikbare sterkte; slechts een paar stappen verder in de zelfde richting voortgaande, zullen wij ons boven een afgrond van onpeilbare diepte bevinden, van welken deze berg een der wanden uitmaakt; overigens, om u alle vrees te ontnemen, zal ik het eerst afdalen.”

De Roode-Ceder wierp eenige stukken kaarshout in de holte, hing zijn geweer achter zijn rug en liet zich nu aan de handen hangende, op den bodem des hollen booms nedervallen.

Sutter en Fray Ambrosio keken met groote belangstelling toe. De Squatter sloeg vuur, stak een der ocote-fakkels aan en hield haar boven zijn hoofd.

De monnik erkende nu terstond dat de oude scalpjager hem de waarheid had gezegd.

De Roode-Ceder trad de grot binnen, op welker bodem hij zijn fakkel plantte, derwijze, dat de holte in den boomstam verlicht bleef; daarna liet hij zich met de lasso weder bovenhalen bij zijne kameraden.

»Welnu,” zeide hij, »wat denkt gij er van?”

»Wij zijn daar opperbest,” antwoordde de monnik.

Zonder verder te aarzelen liet hij zich in het hol neder en verdween in de grot.

Sutter volgde zijn voorbeeld, maar bleef in den hollen stam staan om zijne zuster bij het afklimmen te helpen.

Het meisje scheen geen kennis meer te dragen van hetgeen rondom haar gebeurde. Zachtzinnig en volgzaam als altijd, gedroeg zij zich met werktuiglijke juistheid en onverschilligheid, zonder zich rekenschap te geven waarom zij het eene liever zou doen dan het andere; haars vaders gezegden hadden haar zoo diep getroffen, dat alle veerkracht en eigenwil in haar gebroken waren.

Nadat haar vader haar in den boom had nedergelaten, volgde zij haar broeder werktuigelijk in de grot.

Alleen achtergebleven, wischte de Squatter met de meeste nauwlettendheid ieder spoor of teeken uit, dat aan den scherpen blik hunner vijanden de plaats had kunnen aanwijzen waar zij warendoorgegaan; en na zich ten volle verzekerd te hebben dat niets zijne tegenwoordigheid aan deze plaats verraden kon, liet ook hij zich in de opening afzakken.

De eerste zorg der bandieten was nu, hun nieuwe verblijf op te nemen.

Het was zeer ruim.

Deze spelonk liep tot op aanmerkelijke diepte onder den berg door; zij verdeelde zich in verscheidene takken van verschillende hoogte, de een bijna tot de kruin des bergs opklimmende, terwijl anderen daarentegen diep in den grond afdaalden; een onderaardsch meer, de vergaarbak van een of ander ongenoemde rivier, strekte zich verder uit dan het gezicht reikte, onder een laag gewelf, dat wemelde van vledermuizen.

Tevens had de grot meer dan een uitgang, geheel in tegenovergestelde richting; deze uitgangen waren zoo goed verborgen, dat men ze uitwendig onmogelijk kon bespeuren.

Een ding slechts bekommerde de avonturiers, namelijk de vraag hoe zij levensmiddelen zouden bekomen; hiervoor echter meende de Roode-Ceder wel te zullen zorgen door strikken te zetten, en zelfs door in den berg te jagen.

Ellen was in een loodzwaren slaap geraakt, op het bed van bisonsmantels, dat haar vader in der haast voor haar had gereed gemaakt. Het ongelukkige meisje had zooveel geleden en sedert de laatstvorige dagen zoo zware vermoeienis moeten doorstaan, dat zij zich letterlijk niet meer op de been kon houden.

Toen de drie mannen de grot hadden bezichtigd, kwamen zij terug in het vertrek waar Ellen sliep.

De Roode-Ceder staarde haar een poos aan met een blik van onbegrensd leedgevoel; hij hield te veel van zijne dochter om haar niet te beklagen en niet met smart te denken aan het vreeselijk lot dat haar in zijne nabijheid te wachten stond, en daar hij geen middel voor wist om het af te wenden.

Fray Ambrosio die steeds waakte voor zijne eigene belangen, ontrukte den Squatter, aan zijne tweeledige beschouwing.

»Wel! compadre” zeide hij, »wij zijn waarschijnlijk gedoemd om hier een geruimen tijd te blijven?”

»Zoolang tot onze vervolgers moede worden ons te zoeken, en eindelijk aftrekken.”

»Dat kan misschien nog lang duren; ik zou u dus tot meerdere zekerheid raden een ding te doen.”

»Wat?”

»Er liggen hier groote blokken steen, die door den tijd van het gewelf zijn gevallen; zoo gij mij gelooven wilt, moesten wij er, eer wij gaan slapen drie of vier van de grootste voor den ingang der grot wentelen daar wij zijn binnengekomen.”

»Waarvoor zou dat dienen?” vroeg de Squatter verstrooid.

»In onze tegenwoordige omstandigheden kunnen wij niet te veel voorzorgen nemen, de Indianen zijn zoo duivelsch listig dat zij in staat zouden zijn om door den hollen boom naar omlaag te komen.”

»De padre heeft gelijk, oude,” bromde Sutter, die reeds half sliep; »het is zoo groote moeite niet om die steenen naar het gat te rollen, dan zijn wij ten minste allen op ons gemak.”

»Doe wat gij wilt,” antwoordde de Squatter, die op nieuw zijne dochter aanstaarde.

De beide anderen stonden op om hun gemaakte plan dadelijk ten uitvoer te brengen, en een half uur later was de opening der grot zoo kunstig verstopt, dat iemand die het niet wist, nooit zou geloofd hebben dat er eene zoo groote opening bestaan had.

»Nu kunnen wij gaan slapen,” zei Fray Ambrosio, »althans kunnen wij gerust zijn.”


Back to IndexNext