XXXVII.

XXXVII.DE CASSETTE.In weerwil dat de Witte-Gazelle hem een goed eind vooruit was, had don Pablo haar in minder dan twee mijlen ingehaald.Zoodra het meisje den galop van een paard achter zich hoorde had zij omgekeken.Een enkele blik was haar genoeg om den Mexicaan te herkennen.Toen zij hem zag kleurde een koortsachtig rood hare wangen, en deed eene stuipachtige beweging al hare leden trillen, kortom zij ontroerde zoo hevig, dat zij genoodzaakt was stil te houden.Uit schaamte evenwel en te fier om den man dien zij zonder hoop beminde, te laten blijken welk een indruk zijne verschijning op haar maakte, vermande zij zich en gelukte het haar een onverschillig gelaat te toonen, terwijl het onderdrukte gevoel voortwoelde in haar binnenste.»Wat doet hij dezen kant uit? en waar gaat hij heen?” vroeg zij zich zelve. »Wij zullen zien,” vervolgde zij een oogenblik later.Zij wachtte hem af.Don Pablo had haar weldra achterhaald. Het meisje was in haar gejaagden zenuwtoestand al zeer weinig geschikt voor diplomatische onderhandelingen.Toen de Mexicaan haar bereikte groette hij haar, en reed zonder het woord tot haar te richten spoorslags voorbij.De Gazelle schudde het hoofd.»Ik zal hem wel aan ’t spreken krijgen,” zeide zij.Hiermede gaf zij haar paard de sporen, zweepte het met dechicoteen voegde zich weldra in vollen galop aan de zijde van don Pablo.De beide ruiters reden aldus een geruimen tijd naast elkander, zonder een woord te wisselen.Elk van hen scheen bevreesd het gesprek te beginnen, wel bewust dat het terstond op een heet terrein zou worden gevoerd.Altoos naast elkander voortgaloppeerende, kwamen zij aan een plaats waar het pad dat zij bereden zich vaneenscheidde en twee verschillende richtingen volgde.De Witte-Gazelle hield haar paard in, en wees met de hand naar het noorden.»Daar moet ik heen,” zeide zij.»En ik ook,” antwoordde don Pablo zonder aarzelen.Het meisje keek hem aan met een blik van verwondering die al te natuurlijk scheen om niet geveinsd te wezen.»Waar moet gij dan heen?” hervatte zij.»Waar gij heen moet,” antwoordde hij.»Maar ik moet naar het kamp van den Zoon des Bloeds.”»Welnu, ik insgelijks; vindt gij daar zooveel wonders in?”»Ik; niets; wat gaat het mij aan,” riep zij meesmuilend.»Gij zult mij dus wel toestaan, nina, u tot zoo ver gezelschap te houden?”»Ik kan noch wil u dat beletten, caballero, de weg is vrij,” hernam zij droog.Zij zwegen als bij onderlinge afspraak; ieder redeneerde met zich zelven en verdiepte zich in zijn eigene gedachten.Nu en dan wierp de Gazelle haar nevenman een van die helderziende blikken toe waarmede de vrouwen in iemands hart kunnen lezen; er trilde een glimlach op hare lippen, en zij schudde moedwillig het hoofd. Welke zonderlinge gedachten woelden er wellicht in dat zeventienjarig brein?Altoos in denzelfden galop doorrijdende kwamen zij tegen twee uren na den middag aan het veer eener kleine rivier, aan welks anderen oever men omtrent twee mijlen verder, tegen het hangen van den berg, de tenten in het kamp van den Zoon des Bloeds zag schemeren. De Witte-Gazelle bleef staan en op het oogenblik dat don Pablo met zijn paard in het rivierbed wilde afdalen legde zij haar kleine hand aan den teugel en sprak, hem terughoudend, met eene zachte maar vaste stem:»Eer wij verder gaan, caballero, zou ik gaarne een woord met u spreken.”Don Pablo zag haar verwonderd aan, maar deed geen enkele poging om zich aan haar vriendelijken maar lastigen drang te onttrekken.»Ik hoor u,señorita,” antwoordde hij met eene buiging.»Ik weet waarom gij naar het kamp van den Zoon des Bloeds gaat,” hervatte zij.»Daar twijfel ik aan,” riep hij hoofdschuddend.»Onnoozele! toen ik dezen morgen met Valentin sprak, laagt gij te slapen aan onze voeten.”»Dat is zoo.”»Al waren uwe oogen gesloten, uwe ooren waren geopend.”»Waarmede gij zeggen wilt?”»Dat gij ons gesprek hebt afgeluisterd.”»En als dat zoo eens was, wat zoudt gij daaruit besluiten?”»Dit: gij gaat naar het kamp om mijne plannen te dwarsboomen, ja zelfs in duigen te werpen, zoo dat mogelijk was.”»Ik!”»Gij.”De jongman sidderde. Hij was zichtbaar teleurgesteld dat men hem zoo volkomen had kunnen doorgronden.»Señorita,” begon hij aarzelend.…»Ontken het maar niet,” riep zij goedwillig, »het zou u niets baten; ik weet alles.”»Alles!”»Ja, en veel meer nog dan gij zelf er van weet.”De Mexicaan was verslagen.»Laten wij met open kaart spelen,” vervolgde zij.»Met alle genoegen,” antwoordde hij, zonder te weten wat hij zeide.»Gij zijt verliefd op de Squattersdochter,” zeide zij ronduit.»Ja,” antwoordde hij.»Gij wilt haar redden?”»Ja.”»Ik zal u helpen.”»Gij?”»Ik.”Er volgde een poosje stilte.Deze weinige woorden waren tusschen de beide sprekers met zenuwachtige snelheid gewisseld.»Gij bedriegt mij immers niet?” vroeg don Pablo een oogenblik later beschroomd.»Neen,” antwoordde zij oprecht, »waarom zou ik? Gij hebt haar eenmaal uw hart gegeven, men verlieft niet voor de tweede maal, ik zal u helpen, zeg ik u.”De jongman staarde haar aan met gemengde verwondering en schrik.Hij wist dat de Witte-Gazelle nauwlijks vijf of zes maanden geleden Ellen’s onverzoenlijke vijandin was, hij vreesde dus een strik.Zij begreep dit onmiddellijk, een treurige glimlach vloog over hare lippen.»Liefde is mij niet meer gegund,” zeide zij, »mijn hart is niet eens groot genoeg voor den haat die mij verteert, ik behoor alleen aan de wraak. Geloof mij, don Pablo, ik zal u trouw dienen. Als gij eindelijk gelukkig zijt, zult gij misschien voor mij een weinig vriendschap en dankbaarheid gevoelen. Dat is helaas, het eenigewat ik nog begeer. Ik ben een van die ongelukkige wezens die als op een hellend vlak schijnen te staan en zich in hun val niet kunnen ophouden. Beklaag mij, don Pablo, maar vrees niet dat ik u verraden zal, ik herhaal u, gij zult nooit trouwer vriendin gehad hebben dan mij.”Het meisje sprak deze woorden op zulk een toon van oprechtheid, en men kon zoo duidelijk zien dat zij haar hart zonder voorbehoud ten offer bracht, dat don Pablo er tegen wil en dank door bewogen werd, en haar met jeugdige gulheid zijne hand toestak.Zij drukte die met warmte, wischte een traan weg en nu alle aandoeningen ter zijde stellende, zeide zij:»Nu verder geen woord meer, wij verstaan elkander, niet waar?”»O, ja!” antwoordde hij.»Gaan wij over de rivier,” riep zij glimlachend, »binnen tien minuten zijn wij in het kamp; niemand behoeft te weten wat er tusschen ons gesproken is.”Tien minuten later kwamen zij werkelijk in het kamp van den Zoon des Bloeds, waar zij met vroolijke juichkreten en welkomstgroeten ontvangen werden.Zij reden het kamp door in galop en hielden eerst stil voor de tent van den partijganger.Deze, door het gejuich bij hunne komst verrast, was naar buiten gekomen om hen op te wachten.De ontvangst was hartelijk. Na de eerste plichtplegingen deed de Witte-Gazelle haar oom verslag van haar wedervaren en van het gebeurde in het kamp van den Eenhoorn tijdens haar oponthoud aldaar.»De Roode-Ceder is een ware duivel,” antwoordde hij; »ik alleen heb de middelen in handen om hem meester te worden.”»Op welke wijs?” vroeg don Pablo.»Dat zal ik u laten zien,” zeide hij.Zonder zich nader te verklaren, bracht hij een zilveren fluitje aan zijne lippen en blies er een langen helderen toon uit.Op ditappèlwerd het bisonsvellen gordijn voor den ingang der hut opgeheven en verscheen er een man.Don Pablo herkende Andres Garote. De gambusino boog met die vleiende en slaafsche beleefdheid, die den Mexicanen bijzonder eigen is, en wachtte terwijl hij met zijne kleine grijze en verstandige oogen den Zoon des Bloeds strak aankeek.»Meester Garote,” zeide de partijganger zoodra hij hem zag, »ik heb u geroepen omdat ik u over ernstige zaken spreken moet.”»Ik ben tot uwe geëerde orders,” antwoordde hij.»Gij herinnert u zeker het contract dat tusschen ons gesloten is toen ik u in mijn quadrilla heb aangenomen?”Andres Garote boog toestemmend.»Ik herinner het mij,” zeide hij.»Zeer goed. Hebt gij nog altijd een wrok tegen den Roode-Ceder?”»Niet bepaald tegen den Roode-Ceder,señor, persoonlijk heeft hij mij nooit leed gedaan.”»Dat is zoo; maar ik geloof dat gij u wilt wreken aan Fray Ambrosio.”In het oog van den gambusino fonkelde een blik van haat, die bij den partijganger niet onopgemerkt bleef.»Ik zou mijn leven willen geven om het zijne te hebben.”»Goed! zulke lieden bevallen mij; als gij wilt zal aan uw verlangen spoedig voldaan worden.”»Als ik wil!señor, als ik wil!” riep de ranchero met vuur. »Canarios! zeg mij maar wat ik daarvoor doen moet en het zal spoedig gedaan zijn. Ik zweer u dat ik niet zal aarzelen.”De Zoon des Bloeds kon zijn genoegen nauwelijks ontveinzen.»Welnu,” zeide hij; »de Roode-Ceder, Fray Ambrosio en de anderen zijn slechts weinige mijlen van hier in de bergen verscholen; gij zult u daarheen begeven.”»Dat zal ik.”»Let wel, dat gij, onverschillig door welke middelen, maar dat gij u bij hen indringt, en hun vertrouwen weet te winnen, en als gij dat verworven hebt en de noodige inlichtingen hebt opgedaan, komt gij weder hier om ons in staat te stellen dat adderengebroedsel uit den weg te ruimen.”De gambusino dacht een oogenblik na, zoodat de Zoon des Bloeds meende dat hij begon te dralen.»Aarzelt gij?” vroeg de andere.»Ik aarzelen!” riep de ranchero met een zonderlingen grijnslach, »neen,señor, integendeel, maar ik ging met mij zelven te rade.”»Waarover?”»Dat zal ik u zeggen: de last dien gij mij opdraagt is eene taak op leven of dood. Als ik faal is mijne rekening spoedig opgemaakt, dan slaat de Roode-Ceder mij dood als een hond.”»Wel waarschijnlijk.”»Hij heeft er het recht toe, ik kan er hem geen verwijt van maken; maar al ben ik dood, zou ik toch niet willen dat de schelm er goed afkomt.”»Gij kunt op mijn woord staat maken.”Op het magere gezicht van den gambusino kwam een trek van onbeschrijfelijke sluwheid en list.»Daar maak ik ook staat op,señor, maar gij hebt zulke gewichtige zaken om handen, die al uw tijd vorderen, dat gij mij, zonder het te willen, misschien vergeten zult.”»Wees daar maar niet bang voor.”»Men kan voor niets instaan,señor, er kunnen in het leven zulke wonderlijke omstandigheden voorkomen, dat.…”»Waar wilt gij heen? Kom, verklaar u ronduit.”Andres Garote sloeg zijn zarape op, haalde een klein stalen kistje te voorschijn en zette het op de tafel, waar de partijganger aan gezeten was.»Daar,señor,” zeide hij op dien zoetsappigen toon dien hij zelden varen liet, »neem dat kistje, en als ik vertrokken ben, breek dan het slot open; ik ben zeker dat gij er eenige papieren in vindt die u belang zullen inboezemen.”»Wat moet dat nu beteekenen?” riep de Zoon des Bloeds ten hoogste verwonderd.»Dat zult gij wel zien,” antwoordde de gambusino altijd bedaard, »nu ben ik zeker dat, al mocht gij mij vergeten, gij u zelven niet vergeten zult, en dat ik van uwe wraak partij zal trekken.”»Kent gij dan die papieren?”»Wat denkt gij,señor, dat ik dat koffertje gedurende zes maanden in mijn bezit zou hebben gehad zonder mij te verzekeren van hetgeen er in is? Neen,señor, ik weet gaarne wat ik heb, of bezit. Gij zult zien, dat het voor u zeer groote waarde heeft.”»Maar als dat zoo is, waarom hebt gij mij dan die papieren niet eerder ter hand gesteld?”»Omdat de geschikte tijd daartoe niet gekomen was; ik wachtte slechts op de gelegenheid die mij van daag te stade komt. Wie zich wreken wil moet geduld leeren hebben, gij kent het spreekwoord wel,señor, de wraak is een vrucht die niet gegeten kan worden voordat hij rijp is.”Zoolang de gambusino sprak, hield de partijganger de oogen onafgewend op de cassette gericht, met vurigen blik en de handen krampachtig samengevouwen; en toen hij zweeg, vroeg hij hem:»Gaat gij nu vertrekken?”»Dadelijkseñor; alleen zou ik, zoo gij er niets tegen hebt, aan de bepalingen die gij mij hebt voorgeschreven gaarne nog iets veranderen.”»Wat dan?”»Ik geloof dat het beter zou zijn als ik niet verplicht was om hier terug te komen; dat zal maar kostbaar oponthoud geven met heen en weer loopen, daar de Roode-Ceder, wiens vermoedens niet sluimeren zullen, gewis gebruik van zal maken om zich te verplaatsen.”»Dat is zoo, maar hoe zullen wij dan doen?”»O! dat is eenvoudig genoeg; weet gij wat,señor, als het oogenblik daar is om onze netten uit te zetten, ontsteek ik een vuur op de bergen, tot een teeken dat gij u op weg moet begeven, alleen zou het niet kwaad zijn dat er iemand met mij medeging om zich ergens, in de nabijheid van de plaats waar ik ben, schuil te houden.”»Aan dat verlangen zal voldaan worden,” antwoordde de Witte-Gazelle, »en niet slechts één, maar twee personen zullen u vergezellen.”»Hoezoo dat?”»Don Pablo de Zarate en ik hebben het voornemen u te volgen,”hernam zij met een blik naar den jongman, die haar dadelijk begreep.»Dan zijn wij in eens klaar,” riep de gambusino, »en dan kunnen wij vertrekken zoodra gij maar wilt.”»Oogenblikkelijk, oogenblikkelijk!” riepen de beide jongelieden.»Onze paarden zijn niet te zeer vermoeid, zij kunnen van daag dat toertje nog gemakkelijk doen,” liet don Pablo er op volgen.»Haast u dan, want de oogenblikken zijn kostbaar,” zei de partijganger, die als op heete kolen stond om alleen te zijn.»Ik vraag slechts eenige minuten om mijn paard te zadelen.”»Ga dan, wij wachten u hier.”De gambusino ging heen.De drie personen spraken niet verder, maar schenen alle drie even vol belangstelling in het kistje, daar de Zoon des Bloeds zijne hand op hield, als vreesde hij dat men het hem ontstelen zou.Drie minuten later hoorde men daarbuiten een paard in galop; en weldra stak Garote zijn hoofd door de deur terwijl hij het gordijn half ophief.»Hier ben ik,” riep hij.De Witte-Gazelle en don Pablo stonden op.»Vertrekken wij,” zeiden zij onmiddellijk de deur uitgaande.»Goede reis!” riep de partijganger hun na.»Señorita, denk aan de cassette,” grinnikte de gambusino, »gij zult verrukt zijn over den inhoud.”Het gordijn der tent viel; de paarden vertrokken in vliegenden galop.Nauwelijks bevond de partijganger zich alleen of hij stond op, versperde zorgvuldig den ingang zijner hut, om niet gestoord te worden in het onderzoek dat hij zich voorstelde; ging toen weder zitten, na uit een zakje van antilopenvel eenige sleutels van verschillenden vorm te hebben gekregen.Hij nam de cassette en bekeek haar aandachtig aan alle kanten. Er was niets bijzonders aan te zien; zooals wij reeds elders gezegd hebben, was het een licht koffertje van geciseleerd staal, met uitnemend veel smaak bewerkt, kortom, een kunstjuweeltje op zich zelve.Ondanks zijn verlangen om te weten wat er in was, aarzelde hij toch het te openen; het kleine aanvallige meubeltje baarde hem eene ontroering daar hij zich geen rekenschap van wist te geven; hij meende het reeds vroeger gezien te hebben, maar zocht te vergeefs in zijne geheugenis op te delven onder welke omstandigheden.»O!” mompelde hij binnensmonds als tegen zich zelven, »als ik eindelijk de voltooiing mocht bereiken van het werk waaraan ik mijn gansche leven heb toegewijd!”Hij verviel in eene diepe mijmering en zat een geruimen tijd voor zich te kijken, zonder iets te zien en scheen geheel overstelpt door de bittere herinneringen die zijne borst beklemden.Eindelijk hief hij de oogen op, schudde met ongeduldige drift zijnezware haarlokken en streek zich met de hand over het voorhoofd.»Niet langer geaarzeld,” zeide hij met eene holle stem, »laten wij zien waaraan wij ons te houden hebben. Er spreekt in mij eene stem, die mij zegt dat mijne nasporingen met goed gevolg zullen bekroond worden.”Nu greep hij met krampachtige handen een der loopers en stak dien in het slot, maar zijne ontroering was zoo sterk, dat hij met het werktuig onmogelijk iets kon uitrichten; hij wierp het toornig ter zijde.»Ben ik dan een kind?” riep hij, »laat ik toch bedaard blijven.”Hij vatte den looper met vaste hand. Het kistje sprong open.De partijganger keek gretig naar binnen.Er was niets anders in dan een paar brieven, door den tijd verkleurd en verschrompeld.Zoodra hij ze zag werd zijn gelaat doodelijk bleek: ongetwijfeld had hij met den eersten oogopslag het handschrift herkend. Hij brulde schier van vreugde, en greep de beide brieven onder het uiten van een vervaarlijken kreet.»Daar heb ik dan nu de bewijzen die ik meende dat vernietigd waren!”Hij opende de brieven met de meeste zorg, uit vrees dat zij in de vouwen scheuren mochten, en begon te lezen. Weldra ontsnapte een zucht van zelfvoldoening aan zijne beklemde borst.»Ach!” murmelde hij, »levert de Hemel mij eindelijk mijne vijanden in handen; nu zullen wij onze rekening sluiten!”Hij legde de brieven weder in de cassette, sloot het zorgvuldig dicht en stak het bij zich.

XXXVII.DE CASSETTE.In weerwil dat de Witte-Gazelle hem een goed eind vooruit was, had don Pablo haar in minder dan twee mijlen ingehaald.Zoodra het meisje den galop van een paard achter zich hoorde had zij omgekeken.Een enkele blik was haar genoeg om den Mexicaan te herkennen.Toen zij hem zag kleurde een koortsachtig rood hare wangen, en deed eene stuipachtige beweging al hare leden trillen, kortom zij ontroerde zoo hevig, dat zij genoodzaakt was stil te houden.Uit schaamte evenwel en te fier om den man dien zij zonder hoop beminde, te laten blijken welk een indruk zijne verschijning op haar maakte, vermande zij zich en gelukte het haar een onverschillig gelaat te toonen, terwijl het onderdrukte gevoel voortwoelde in haar binnenste.»Wat doet hij dezen kant uit? en waar gaat hij heen?” vroeg zij zich zelve. »Wij zullen zien,” vervolgde zij een oogenblik later.Zij wachtte hem af.Don Pablo had haar weldra achterhaald. Het meisje was in haar gejaagden zenuwtoestand al zeer weinig geschikt voor diplomatische onderhandelingen.Toen de Mexicaan haar bereikte groette hij haar, en reed zonder het woord tot haar te richten spoorslags voorbij.De Gazelle schudde het hoofd.»Ik zal hem wel aan ’t spreken krijgen,” zeide zij.Hiermede gaf zij haar paard de sporen, zweepte het met dechicoteen voegde zich weldra in vollen galop aan de zijde van don Pablo.De beide ruiters reden aldus een geruimen tijd naast elkander, zonder een woord te wisselen.Elk van hen scheen bevreesd het gesprek te beginnen, wel bewust dat het terstond op een heet terrein zou worden gevoerd.Altoos naast elkander voortgaloppeerende, kwamen zij aan een plaats waar het pad dat zij bereden zich vaneenscheidde en twee verschillende richtingen volgde.De Witte-Gazelle hield haar paard in, en wees met de hand naar het noorden.»Daar moet ik heen,” zeide zij.»En ik ook,” antwoordde don Pablo zonder aarzelen.Het meisje keek hem aan met een blik van verwondering die al te natuurlijk scheen om niet geveinsd te wezen.»Waar moet gij dan heen?” hervatte zij.»Waar gij heen moet,” antwoordde hij.»Maar ik moet naar het kamp van den Zoon des Bloeds.”»Welnu, ik insgelijks; vindt gij daar zooveel wonders in?”»Ik; niets; wat gaat het mij aan,” riep zij meesmuilend.»Gij zult mij dus wel toestaan, nina, u tot zoo ver gezelschap te houden?”»Ik kan noch wil u dat beletten, caballero, de weg is vrij,” hernam zij droog.Zij zwegen als bij onderlinge afspraak; ieder redeneerde met zich zelven en verdiepte zich in zijn eigene gedachten.Nu en dan wierp de Gazelle haar nevenman een van die helderziende blikken toe waarmede de vrouwen in iemands hart kunnen lezen; er trilde een glimlach op hare lippen, en zij schudde moedwillig het hoofd. Welke zonderlinge gedachten woelden er wellicht in dat zeventienjarig brein?Altoos in denzelfden galop doorrijdende kwamen zij tegen twee uren na den middag aan het veer eener kleine rivier, aan welks anderen oever men omtrent twee mijlen verder, tegen het hangen van den berg, de tenten in het kamp van den Zoon des Bloeds zag schemeren. De Witte-Gazelle bleef staan en op het oogenblik dat don Pablo met zijn paard in het rivierbed wilde afdalen legde zij haar kleine hand aan den teugel en sprak, hem terughoudend, met eene zachte maar vaste stem:»Eer wij verder gaan, caballero, zou ik gaarne een woord met u spreken.”Don Pablo zag haar verwonderd aan, maar deed geen enkele poging om zich aan haar vriendelijken maar lastigen drang te onttrekken.»Ik hoor u,señorita,” antwoordde hij met eene buiging.»Ik weet waarom gij naar het kamp van den Zoon des Bloeds gaat,” hervatte zij.»Daar twijfel ik aan,” riep hij hoofdschuddend.»Onnoozele! toen ik dezen morgen met Valentin sprak, laagt gij te slapen aan onze voeten.”»Dat is zoo.”»Al waren uwe oogen gesloten, uwe ooren waren geopend.”»Waarmede gij zeggen wilt?”»Dat gij ons gesprek hebt afgeluisterd.”»En als dat zoo eens was, wat zoudt gij daaruit besluiten?”»Dit: gij gaat naar het kamp om mijne plannen te dwarsboomen, ja zelfs in duigen te werpen, zoo dat mogelijk was.”»Ik!”»Gij.”De jongman sidderde. Hij was zichtbaar teleurgesteld dat men hem zoo volkomen had kunnen doorgronden.»Señorita,” begon hij aarzelend.…»Ontken het maar niet,” riep zij goedwillig, »het zou u niets baten; ik weet alles.”»Alles!”»Ja, en veel meer nog dan gij zelf er van weet.”De Mexicaan was verslagen.»Laten wij met open kaart spelen,” vervolgde zij.»Met alle genoegen,” antwoordde hij, zonder te weten wat hij zeide.»Gij zijt verliefd op de Squattersdochter,” zeide zij ronduit.»Ja,” antwoordde hij.»Gij wilt haar redden?”»Ja.”»Ik zal u helpen.”»Gij?”»Ik.”Er volgde een poosje stilte.Deze weinige woorden waren tusschen de beide sprekers met zenuwachtige snelheid gewisseld.»Gij bedriegt mij immers niet?” vroeg don Pablo een oogenblik later beschroomd.»Neen,” antwoordde zij oprecht, »waarom zou ik? Gij hebt haar eenmaal uw hart gegeven, men verlieft niet voor de tweede maal, ik zal u helpen, zeg ik u.”De jongman staarde haar aan met gemengde verwondering en schrik.Hij wist dat de Witte-Gazelle nauwlijks vijf of zes maanden geleden Ellen’s onverzoenlijke vijandin was, hij vreesde dus een strik.Zij begreep dit onmiddellijk, een treurige glimlach vloog over hare lippen.»Liefde is mij niet meer gegund,” zeide zij, »mijn hart is niet eens groot genoeg voor den haat die mij verteert, ik behoor alleen aan de wraak. Geloof mij, don Pablo, ik zal u trouw dienen. Als gij eindelijk gelukkig zijt, zult gij misschien voor mij een weinig vriendschap en dankbaarheid gevoelen. Dat is helaas, het eenigewat ik nog begeer. Ik ben een van die ongelukkige wezens die als op een hellend vlak schijnen te staan en zich in hun val niet kunnen ophouden. Beklaag mij, don Pablo, maar vrees niet dat ik u verraden zal, ik herhaal u, gij zult nooit trouwer vriendin gehad hebben dan mij.”Het meisje sprak deze woorden op zulk een toon van oprechtheid, en men kon zoo duidelijk zien dat zij haar hart zonder voorbehoud ten offer bracht, dat don Pablo er tegen wil en dank door bewogen werd, en haar met jeugdige gulheid zijne hand toestak.Zij drukte die met warmte, wischte een traan weg en nu alle aandoeningen ter zijde stellende, zeide zij:»Nu verder geen woord meer, wij verstaan elkander, niet waar?”»O, ja!” antwoordde hij.»Gaan wij over de rivier,” riep zij glimlachend, »binnen tien minuten zijn wij in het kamp; niemand behoeft te weten wat er tusschen ons gesproken is.”Tien minuten later kwamen zij werkelijk in het kamp van den Zoon des Bloeds, waar zij met vroolijke juichkreten en welkomstgroeten ontvangen werden.Zij reden het kamp door in galop en hielden eerst stil voor de tent van den partijganger.Deze, door het gejuich bij hunne komst verrast, was naar buiten gekomen om hen op te wachten.De ontvangst was hartelijk. Na de eerste plichtplegingen deed de Witte-Gazelle haar oom verslag van haar wedervaren en van het gebeurde in het kamp van den Eenhoorn tijdens haar oponthoud aldaar.»De Roode-Ceder is een ware duivel,” antwoordde hij; »ik alleen heb de middelen in handen om hem meester te worden.”»Op welke wijs?” vroeg don Pablo.»Dat zal ik u laten zien,” zeide hij.Zonder zich nader te verklaren, bracht hij een zilveren fluitje aan zijne lippen en blies er een langen helderen toon uit.Op ditappèlwerd het bisonsvellen gordijn voor den ingang der hut opgeheven en verscheen er een man.Don Pablo herkende Andres Garote. De gambusino boog met die vleiende en slaafsche beleefdheid, die den Mexicanen bijzonder eigen is, en wachtte terwijl hij met zijne kleine grijze en verstandige oogen den Zoon des Bloeds strak aankeek.»Meester Garote,” zeide de partijganger zoodra hij hem zag, »ik heb u geroepen omdat ik u over ernstige zaken spreken moet.”»Ik ben tot uwe geëerde orders,” antwoordde hij.»Gij herinnert u zeker het contract dat tusschen ons gesloten is toen ik u in mijn quadrilla heb aangenomen?”Andres Garote boog toestemmend.»Ik herinner het mij,” zeide hij.»Zeer goed. Hebt gij nog altijd een wrok tegen den Roode-Ceder?”»Niet bepaald tegen den Roode-Ceder,señor, persoonlijk heeft hij mij nooit leed gedaan.”»Dat is zoo; maar ik geloof dat gij u wilt wreken aan Fray Ambrosio.”In het oog van den gambusino fonkelde een blik van haat, die bij den partijganger niet onopgemerkt bleef.»Ik zou mijn leven willen geven om het zijne te hebben.”»Goed! zulke lieden bevallen mij; als gij wilt zal aan uw verlangen spoedig voldaan worden.”»Als ik wil!señor, als ik wil!” riep de ranchero met vuur. »Canarios! zeg mij maar wat ik daarvoor doen moet en het zal spoedig gedaan zijn. Ik zweer u dat ik niet zal aarzelen.”De Zoon des Bloeds kon zijn genoegen nauwelijks ontveinzen.»Welnu,” zeide hij; »de Roode-Ceder, Fray Ambrosio en de anderen zijn slechts weinige mijlen van hier in de bergen verscholen; gij zult u daarheen begeven.”»Dat zal ik.”»Let wel, dat gij, onverschillig door welke middelen, maar dat gij u bij hen indringt, en hun vertrouwen weet te winnen, en als gij dat verworven hebt en de noodige inlichtingen hebt opgedaan, komt gij weder hier om ons in staat te stellen dat adderengebroedsel uit den weg te ruimen.”De gambusino dacht een oogenblik na, zoodat de Zoon des Bloeds meende dat hij begon te dralen.»Aarzelt gij?” vroeg de andere.»Ik aarzelen!” riep de ranchero met een zonderlingen grijnslach, »neen,señor, integendeel, maar ik ging met mij zelven te rade.”»Waarover?”»Dat zal ik u zeggen: de last dien gij mij opdraagt is eene taak op leven of dood. Als ik faal is mijne rekening spoedig opgemaakt, dan slaat de Roode-Ceder mij dood als een hond.”»Wel waarschijnlijk.”»Hij heeft er het recht toe, ik kan er hem geen verwijt van maken; maar al ben ik dood, zou ik toch niet willen dat de schelm er goed afkomt.”»Gij kunt op mijn woord staat maken.”Op het magere gezicht van den gambusino kwam een trek van onbeschrijfelijke sluwheid en list.»Daar maak ik ook staat op,señor, maar gij hebt zulke gewichtige zaken om handen, die al uw tijd vorderen, dat gij mij, zonder het te willen, misschien vergeten zult.”»Wees daar maar niet bang voor.”»Men kan voor niets instaan,señor, er kunnen in het leven zulke wonderlijke omstandigheden voorkomen, dat.…”»Waar wilt gij heen? Kom, verklaar u ronduit.”Andres Garote sloeg zijn zarape op, haalde een klein stalen kistje te voorschijn en zette het op de tafel, waar de partijganger aan gezeten was.»Daar,señor,” zeide hij op dien zoetsappigen toon dien hij zelden varen liet, »neem dat kistje, en als ik vertrokken ben, breek dan het slot open; ik ben zeker dat gij er eenige papieren in vindt die u belang zullen inboezemen.”»Wat moet dat nu beteekenen?” riep de Zoon des Bloeds ten hoogste verwonderd.»Dat zult gij wel zien,” antwoordde de gambusino altijd bedaard, »nu ben ik zeker dat, al mocht gij mij vergeten, gij u zelven niet vergeten zult, en dat ik van uwe wraak partij zal trekken.”»Kent gij dan die papieren?”»Wat denkt gij,señor, dat ik dat koffertje gedurende zes maanden in mijn bezit zou hebben gehad zonder mij te verzekeren van hetgeen er in is? Neen,señor, ik weet gaarne wat ik heb, of bezit. Gij zult zien, dat het voor u zeer groote waarde heeft.”»Maar als dat zoo is, waarom hebt gij mij dan die papieren niet eerder ter hand gesteld?”»Omdat de geschikte tijd daartoe niet gekomen was; ik wachtte slechts op de gelegenheid die mij van daag te stade komt. Wie zich wreken wil moet geduld leeren hebben, gij kent het spreekwoord wel,señor, de wraak is een vrucht die niet gegeten kan worden voordat hij rijp is.”Zoolang de gambusino sprak, hield de partijganger de oogen onafgewend op de cassette gericht, met vurigen blik en de handen krampachtig samengevouwen; en toen hij zweeg, vroeg hij hem:»Gaat gij nu vertrekken?”»Dadelijkseñor; alleen zou ik, zoo gij er niets tegen hebt, aan de bepalingen die gij mij hebt voorgeschreven gaarne nog iets veranderen.”»Wat dan?”»Ik geloof dat het beter zou zijn als ik niet verplicht was om hier terug te komen; dat zal maar kostbaar oponthoud geven met heen en weer loopen, daar de Roode-Ceder, wiens vermoedens niet sluimeren zullen, gewis gebruik van zal maken om zich te verplaatsen.”»Dat is zoo, maar hoe zullen wij dan doen?”»O! dat is eenvoudig genoeg; weet gij wat,señor, als het oogenblik daar is om onze netten uit te zetten, ontsteek ik een vuur op de bergen, tot een teeken dat gij u op weg moet begeven, alleen zou het niet kwaad zijn dat er iemand met mij medeging om zich ergens, in de nabijheid van de plaats waar ik ben, schuil te houden.”»Aan dat verlangen zal voldaan worden,” antwoordde de Witte-Gazelle, »en niet slechts één, maar twee personen zullen u vergezellen.”»Hoezoo dat?”»Don Pablo de Zarate en ik hebben het voornemen u te volgen,”hernam zij met een blik naar den jongman, die haar dadelijk begreep.»Dan zijn wij in eens klaar,” riep de gambusino, »en dan kunnen wij vertrekken zoodra gij maar wilt.”»Oogenblikkelijk, oogenblikkelijk!” riepen de beide jongelieden.»Onze paarden zijn niet te zeer vermoeid, zij kunnen van daag dat toertje nog gemakkelijk doen,” liet don Pablo er op volgen.»Haast u dan, want de oogenblikken zijn kostbaar,” zei de partijganger, die als op heete kolen stond om alleen te zijn.»Ik vraag slechts eenige minuten om mijn paard te zadelen.”»Ga dan, wij wachten u hier.”De gambusino ging heen.De drie personen spraken niet verder, maar schenen alle drie even vol belangstelling in het kistje, daar de Zoon des Bloeds zijne hand op hield, als vreesde hij dat men het hem ontstelen zou.Drie minuten later hoorde men daarbuiten een paard in galop; en weldra stak Garote zijn hoofd door de deur terwijl hij het gordijn half ophief.»Hier ben ik,” riep hij.De Witte-Gazelle en don Pablo stonden op.»Vertrekken wij,” zeiden zij onmiddellijk de deur uitgaande.»Goede reis!” riep de partijganger hun na.»Señorita, denk aan de cassette,” grinnikte de gambusino, »gij zult verrukt zijn over den inhoud.”Het gordijn der tent viel; de paarden vertrokken in vliegenden galop.Nauwelijks bevond de partijganger zich alleen of hij stond op, versperde zorgvuldig den ingang zijner hut, om niet gestoord te worden in het onderzoek dat hij zich voorstelde; ging toen weder zitten, na uit een zakje van antilopenvel eenige sleutels van verschillenden vorm te hebben gekregen.Hij nam de cassette en bekeek haar aandachtig aan alle kanten. Er was niets bijzonders aan te zien; zooals wij reeds elders gezegd hebben, was het een licht koffertje van geciseleerd staal, met uitnemend veel smaak bewerkt, kortom, een kunstjuweeltje op zich zelve.Ondanks zijn verlangen om te weten wat er in was, aarzelde hij toch het te openen; het kleine aanvallige meubeltje baarde hem eene ontroering daar hij zich geen rekenschap van wist te geven; hij meende het reeds vroeger gezien te hebben, maar zocht te vergeefs in zijne geheugenis op te delven onder welke omstandigheden.»O!” mompelde hij binnensmonds als tegen zich zelven, »als ik eindelijk de voltooiing mocht bereiken van het werk waaraan ik mijn gansche leven heb toegewijd!”Hij verviel in eene diepe mijmering en zat een geruimen tijd voor zich te kijken, zonder iets te zien en scheen geheel overstelpt door de bittere herinneringen die zijne borst beklemden.Eindelijk hief hij de oogen op, schudde met ongeduldige drift zijnezware haarlokken en streek zich met de hand over het voorhoofd.»Niet langer geaarzeld,” zeide hij met eene holle stem, »laten wij zien waaraan wij ons te houden hebben. Er spreekt in mij eene stem, die mij zegt dat mijne nasporingen met goed gevolg zullen bekroond worden.”Nu greep hij met krampachtige handen een der loopers en stak dien in het slot, maar zijne ontroering was zoo sterk, dat hij met het werktuig onmogelijk iets kon uitrichten; hij wierp het toornig ter zijde.»Ben ik dan een kind?” riep hij, »laat ik toch bedaard blijven.”Hij vatte den looper met vaste hand. Het kistje sprong open.De partijganger keek gretig naar binnen.Er was niets anders in dan een paar brieven, door den tijd verkleurd en verschrompeld.Zoodra hij ze zag werd zijn gelaat doodelijk bleek: ongetwijfeld had hij met den eersten oogopslag het handschrift herkend. Hij brulde schier van vreugde, en greep de beide brieven onder het uiten van een vervaarlijken kreet.»Daar heb ik dan nu de bewijzen die ik meende dat vernietigd waren!”Hij opende de brieven met de meeste zorg, uit vrees dat zij in de vouwen scheuren mochten, en begon te lezen. Weldra ontsnapte een zucht van zelfvoldoening aan zijne beklemde borst.»Ach!” murmelde hij, »levert de Hemel mij eindelijk mijne vijanden in handen; nu zullen wij onze rekening sluiten!”Hij legde de brieven weder in de cassette, sloot het zorgvuldig dicht en stak het bij zich.

XXXVII.DE CASSETTE.

In weerwil dat de Witte-Gazelle hem een goed eind vooruit was, had don Pablo haar in minder dan twee mijlen ingehaald.Zoodra het meisje den galop van een paard achter zich hoorde had zij omgekeken.Een enkele blik was haar genoeg om den Mexicaan te herkennen.Toen zij hem zag kleurde een koortsachtig rood hare wangen, en deed eene stuipachtige beweging al hare leden trillen, kortom zij ontroerde zoo hevig, dat zij genoodzaakt was stil te houden.Uit schaamte evenwel en te fier om den man dien zij zonder hoop beminde, te laten blijken welk een indruk zijne verschijning op haar maakte, vermande zij zich en gelukte het haar een onverschillig gelaat te toonen, terwijl het onderdrukte gevoel voortwoelde in haar binnenste.»Wat doet hij dezen kant uit? en waar gaat hij heen?” vroeg zij zich zelve. »Wij zullen zien,” vervolgde zij een oogenblik later.Zij wachtte hem af.Don Pablo had haar weldra achterhaald. Het meisje was in haar gejaagden zenuwtoestand al zeer weinig geschikt voor diplomatische onderhandelingen.Toen de Mexicaan haar bereikte groette hij haar, en reed zonder het woord tot haar te richten spoorslags voorbij.De Gazelle schudde het hoofd.»Ik zal hem wel aan ’t spreken krijgen,” zeide zij.Hiermede gaf zij haar paard de sporen, zweepte het met dechicoteen voegde zich weldra in vollen galop aan de zijde van don Pablo.De beide ruiters reden aldus een geruimen tijd naast elkander, zonder een woord te wisselen.Elk van hen scheen bevreesd het gesprek te beginnen, wel bewust dat het terstond op een heet terrein zou worden gevoerd.Altoos naast elkander voortgaloppeerende, kwamen zij aan een plaats waar het pad dat zij bereden zich vaneenscheidde en twee verschillende richtingen volgde.De Witte-Gazelle hield haar paard in, en wees met de hand naar het noorden.»Daar moet ik heen,” zeide zij.»En ik ook,” antwoordde don Pablo zonder aarzelen.Het meisje keek hem aan met een blik van verwondering die al te natuurlijk scheen om niet geveinsd te wezen.»Waar moet gij dan heen?” hervatte zij.»Waar gij heen moet,” antwoordde hij.»Maar ik moet naar het kamp van den Zoon des Bloeds.”»Welnu, ik insgelijks; vindt gij daar zooveel wonders in?”»Ik; niets; wat gaat het mij aan,” riep zij meesmuilend.»Gij zult mij dus wel toestaan, nina, u tot zoo ver gezelschap te houden?”»Ik kan noch wil u dat beletten, caballero, de weg is vrij,” hernam zij droog.Zij zwegen als bij onderlinge afspraak; ieder redeneerde met zich zelven en verdiepte zich in zijn eigene gedachten.Nu en dan wierp de Gazelle haar nevenman een van die helderziende blikken toe waarmede de vrouwen in iemands hart kunnen lezen; er trilde een glimlach op hare lippen, en zij schudde moedwillig het hoofd. Welke zonderlinge gedachten woelden er wellicht in dat zeventienjarig brein?Altoos in denzelfden galop doorrijdende kwamen zij tegen twee uren na den middag aan het veer eener kleine rivier, aan welks anderen oever men omtrent twee mijlen verder, tegen het hangen van den berg, de tenten in het kamp van den Zoon des Bloeds zag schemeren. De Witte-Gazelle bleef staan en op het oogenblik dat don Pablo met zijn paard in het rivierbed wilde afdalen legde zij haar kleine hand aan den teugel en sprak, hem terughoudend, met eene zachte maar vaste stem:»Eer wij verder gaan, caballero, zou ik gaarne een woord met u spreken.”Don Pablo zag haar verwonderd aan, maar deed geen enkele poging om zich aan haar vriendelijken maar lastigen drang te onttrekken.»Ik hoor u,señorita,” antwoordde hij met eene buiging.»Ik weet waarom gij naar het kamp van den Zoon des Bloeds gaat,” hervatte zij.»Daar twijfel ik aan,” riep hij hoofdschuddend.»Onnoozele! toen ik dezen morgen met Valentin sprak, laagt gij te slapen aan onze voeten.”»Dat is zoo.”»Al waren uwe oogen gesloten, uwe ooren waren geopend.”»Waarmede gij zeggen wilt?”»Dat gij ons gesprek hebt afgeluisterd.”»En als dat zoo eens was, wat zoudt gij daaruit besluiten?”»Dit: gij gaat naar het kamp om mijne plannen te dwarsboomen, ja zelfs in duigen te werpen, zoo dat mogelijk was.”»Ik!”»Gij.”De jongman sidderde. Hij was zichtbaar teleurgesteld dat men hem zoo volkomen had kunnen doorgronden.»Señorita,” begon hij aarzelend.…»Ontken het maar niet,” riep zij goedwillig, »het zou u niets baten; ik weet alles.”»Alles!”»Ja, en veel meer nog dan gij zelf er van weet.”De Mexicaan was verslagen.»Laten wij met open kaart spelen,” vervolgde zij.»Met alle genoegen,” antwoordde hij, zonder te weten wat hij zeide.»Gij zijt verliefd op de Squattersdochter,” zeide zij ronduit.»Ja,” antwoordde hij.»Gij wilt haar redden?”»Ja.”»Ik zal u helpen.”»Gij?”»Ik.”Er volgde een poosje stilte.Deze weinige woorden waren tusschen de beide sprekers met zenuwachtige snelheid gewisseld.»Gij bedriegt mij immers niet?” vroeg don Pablo een oogenblik later beschroomd.»Neen,” antwoordde zij oprecht, »waarom zou ik? Gij hebt haar eenmaal uw hart gegeven, men verlieft niet voor de tweede maal, ik zal u helpen, zeg ik u.”De jongman staarde haar aan met gemengde verwondering en schrik.Hij wist dat de Witte-Gazelle nauwlijks vijf of zes maanden geleden Ellen’s onverzoenlijke vijandin was, hij vreesde dus een strik.Zij begreep dit onmiddellijk, een treurige glimlach vloog over hare lippen.»Liefde is mij niet meer gegund,” zeide zij, »mijn hart is niet eens groot genoeg voor den haat die mij verteert, ik behoor alleen aan de wraak. Geloof mij, don Pablo, ik zal u trouw dienen. Als gij eindelijk gelukkig zijt, zult gij misschien voor mij een weinig vriendschap en dankbaarheid gevoelen. Dat is helaas, het eenigewat ik nog begeer. Ik ben een van die ongelukkige wezens die als op een hellend vlak schijnen te staan en zich in hun val niet kunnen ophouden. Beklaag mij, don Pablo, maar vrees niet dat ik u verraden zal, ik herhaal u, gij zult nooit trouwer vriendin gehad hebben dan mij.”Het meisje sprak deze woorden op zulk een toon van oprechtheid, en men kon zoo duidelijk zien dat zij haar hart zonder voorbehoud ten offer bracht, dat don Pablo er tegen wil en dank door bewogen werd, en haar met jeugdige gulheid zijne hand toestak.Zij drukte die met warmte, wischte een traan weg en nu alle aandoeningen ter zijde stellende, zeide zij:»Nu verder geen woord meer, wij verstaan elkander, niet waar?”»O, ja!” antwoordde hij.»Gaan wij over de rivier,” riep zij glimlachend, »binnen tien minuten zijn wij in het kamp; niemand behoeft te weten wat er tusschen ons gesproken is.”Tien minuten later kwamen zij werkelijk in het kamp van den Zoon des Bloeds, waar zij met vroolijke juichkreten en welkomstgroeten ontvangen werden.Zij reden het kamp door in galop en hielden eerst stil voor de tent van den partijganger.Deze, door het gejuich bij hunne komst verrast, was naar buiten gekomen om hen op te wachten.De ontvangst was hartelijk. Na de eerste plichtplegingen deed de Witte-Gazelle haar oom verslag van haar wedervaren en van het gebeurde in het kamp van den Eenhoorn tijdens haar oponthoud aldaar.»De Roode-Ceder is een ware duivel,” antwoordde hij; »ik alleen heb de middelen in handen om hem meester te worden.”»Op welke wijs?” vroeg don Pablo.»Dat zal ik u laten zien,” zeide hij.Zonder zich nader te verklaren, bracht hij een zilveren fluitje aan zijne lippen en blies er een langen helderen toon uit.Op ditappèlwerd het bisonsvellen gordijn voor den ingang der hut opgeheven en verscheen er een man.Don Pablo herkende Andres Garote. De gambusino boog met die vleiende en slaafsche beleefdheid, die den Mexicanen bijzonder eigen is, en wachtte terwijl hij met zijne kleine grijze en verstandige oogen den Zoon des Bloeds strak aankeek.»Meester Garote,” zeide de partijganger zoodra hij hem zag, »ik heb u geroepen omdat ik u over ernstige zaken spreken moet.”»Ik ben tot uwe geëerde orders,” antwoordde hij.»Gij herinnert u zeker het contract dat tusschen ons gesloten is toen ik u in mijn quadrilla heb aangenomen?”Andres Garote boog toestemmend.»Ik herinner het mij,” zeide hij.»Zeer goed. Hebt gij nog altijd een wrok tegen den Roode-Ceder?”»Niet bepaald tegen den Roode-Ceder,señor, persoonlijk heeft hij mij nooit leed gedaan.”»Dat is zoo; maar ik geloof dat gij u wilt wreken aan Fray Ambrosio.”In het oog van den gambusino fonkelde een blik van haat, die bij den partijganger niet onopgemerkt bleef.»Ik zou mijn leven willen geven om het zijne te hebben.”»Goed! zulke lieden bevallen mij; als gij wilt zal aan uw verlangen spoedig voldaan worden.”»Als ik wil!señor, als ik wil!” riep de ranchero met vuur. »Canarios! zeg mij maar wat ik daarvoor doen moet en het zal spoedig gedaan zijn. Ik zweer u dat ik niet zal aarzelen.”De Zoon des Bloeds kon zijn genoegen nauwelijks ontveinzen.»Welnu,” zeide hij; »de Roode-Ceder, Fray Ambrosio en de anderen zijn slechts weinige mijlen van hier in de bergen verscholen; gij zult u daarheen begeven.”»Dat zal ik.”»Let wel, dat gij, onverschillig door welke middelen, maar dat gij u bij hen indringt, en hun vertrouwen weet te winnen, en als gij dat verworven hebt en de noodige inlichtingen hebt opgedaan, komt gij weder hier om ons in staat te stellen dat adderengebroedsel uit den weg te ruimen.”De gambusino dacht een oogenblik na, zoodat de Zoon des Bloeds meende dat hij begon te dralen.»Aarzelt gij?” vroeg de andere.»Ik aarzelen!” riep de ranchero met een zonderlingen grijnslach, »neen,señor, integendeel, maar ik ging met mij zelven te rade.”»Waarover?”»Dat zal ik u zeggen: de last dien gij mij opdraagt is eene taak op leven of dood. Als ik faal is mijne rekening spoedig opgemaakt, dan slaat de Roode-Ceder mij dood als een hond.”»Wel waarschijnlijk.”»Hij heeft er het recht toe, ik kan er hem geen verwijt van maken; maar al ben ik dood, zou ik toch niet willen dat de schelm er goed afkomt.”»Gij kunt op mijn woord staat maken.”Op het magere gezicht van den gambusino kwam een trek van onbeschrijfelijke sluwheid en list.»Daar maak ik ook staat op,señor, maar gij hebt zulke gewichtige zaken om handen, die al uw tijd vorderen, dat gij mij, zonder het te willen, misschien vergeten zult.”»Wees daar maar niet bang voor.”»Men kan voor niets instaan,señor, er kunnen in het leven zulke wonderlijke omstandigheden voorkomen, dat.…”»Waar wilt gij heen? Kom, verklaar u ronduit.”Andres Garote sloeg zijn zarape op, haalde een klein stalen kistje te voorschijn en zette het op de tafel, waar de partijganger aan gezeten was.»Daar,señor,” zeide hij op dien zoetsappigen toon dien hij zelden varen liet, »neem dat kistje, en als ik vertrokken ben, breek dan het slot open; ik ben zeker dat gij er eenige papieren in vindt die u belang zullen inboezemen.”»Wat moet dat nu beteekenen?” riep de Zoon des Bloeds ten hoogste verwonderd.»Dat zult gij wel zien,” antwoordde de gambusino altijd bedaard, »nu ben ik zeker dat, al mocht gij mij vergeten, gij u zelven niet vergeten zult, en dat ik van uwe wraak partij zal trekken.”»Kent gij dan die papieren?”»Wat denkt gij,señor, dat ik dat koffertje gedurende zes maanden in mijn bezit zou hebben gehad zonder mij te verzekeren van hetgeen er in is? Neen,señor, ik weet gaarne wat ik heb, of bezit. Gij zult zien, dat het voor u zeer groote waarde heeft.”»Maar als dat zoo is, waarom hebt gij mij dan die papieren niet eerder ter hand gesteld?”»Omdat de geschikte tijd daartoe niet gekomen was; ik wachtte slechts op de gelegenheid die mij van daag te stade komt. Wie zich wreken wil moet geduld leeren hebben, gij kent het spreekwoord wel,señor, de wraak is een vrucht die niet gegeten kan worden voordat hij rijp is.”Zoolang de gambusino sprak, hield de partijganger de oogen onafgewend op de cassette gericht, met vurigen blik en de handen krampachtig samengevouwen; en toen hij zweeg, vroeg hij hem:»Gaat gij nu vertrekken?”»Dadelijkseñor; alleen zou ik, zoo gij er niets tegen hebt, aan de bepalingen die gij mij hebt voorgeschreven gaarne nog iets veranderen.”»Wat dan?”»Ik geloof dat het beter zou zijn als ik niet verplicht was om hier terug te komen; dat zal maar kostbaar oponthoud geven met heen en weer loopen, daar de Roode-Ceder, wiens vermoedens niet sluimeren zullen, gewis gebruik van zal maken om zich te verplaatsen.”»Dat is zoo, maar hoe zullen wij dan doen?”»O! dat is eenvoudig genoeg; weet gij wat,señor, als het oogenblik daar is om onze netten uit te zetten, ontsteek ik een vuur op de bergen, tot een teeken dat gij u op weg moet begeven, alleen zou het niet kwaad zijn dat er iemand met mij medeging om zich ergens, in de nabijheid van de plaats waar ik ben, schuil te houden.”»Aan dat verlangen zal voldaan worden,” antwoordde de Witte-Gazelle, »en niet slechts één, maar twee personen zullen u vergezellen.”»Hoezoo dat?”»Don Pablo de Zarate en ik hebben het voornemen u te volgen,”hernam zij met een blik naar den jongman, die haar dadelijk begreep.»Dan zijn wij in eens klaar,” riep de gambusino, »en dan kunnen wij vertrekken zoodra gij maar wilt.”»Oogenblikkelijk, oogenblikkelijk!” riepen de beide jongelieden.»Onze paarden zijn niet te zeer vermoeid, zij kunnen van daag dat toertje nog gemakkelijk doen,” liet don Pablo er op volgen.»Haast u dan, want de oogenblikken zijn kostbaar,” zei de partijganger, die als op heete kolen stond om alleen te zijn.»Ik vraag slechts eenige minuten om mijn paard te zadelen.”»Ga dan, wij wachten u hier.”De gambusino ging heen.De drie personen spraken niet verder, maar schenen alle drie even vol belangstelling in het kistje, daar de Zoon des Bloeds zijne hand op hield, als vreesde hij dat men het hem ontstelen zou.Drie minuten later hoorde men daarbuiten een paard in galop; en weldra stak Garote zijn hoofd door de deur terwijl hij het gordijn half ophief.»Hier ben ik,” riep hij.De Witte-Gazelle en don Pablo stonden op.»Vertrekken wij,” zeiden zij onmiddellijk de deur uitgaande.»Goede reis!” riep de partijganger hun na.»Señorita, denk aan de cassette,” grinnikte de gambusino, »gij zult verrukt zijn over den inhoud.”Het gordijn der tent viel; de paarden vertrokken in vliegenden galop.Nauwelijks bevond de partijganger zich alleen of hij stond op, versperde zorgvuldig den ingang zijner hut, om niet gestoord te worden in het onderzoek dat hij zich voorstelde; ging toen weder zitten, na uit een zakje van antilopenvel eenige sleutels van verschillenden vorm te hebben gekregen.Hij nam de cassette en bekeek haar aandachtig aan alle kanten. Er was niets bijzonders aan te zien; zooals wij reeds elders gezegd hebben, was het een licht koffertje van geciseleerd staal, met uitnemend veel smaak bewerkt, kortom, een kunstjuweeltje op zich zelve.Ondanks zijn verlangen om te weten wat er in was, aarzelde hij toch het te openen; het kleine aanvallige meubeltje baarde hem eene ontroering daar hij zich geen rekenschap van wist te geven; hij meende het reeds vroeger gezien te hebben, maar zocht te vergeefs in zijne geheugenis op te delven onder welke omstandigheden.»O!” mompelde hij binnensmonds als tegen zich zelven, »als ik eindelijk de voltooiing mocht bereiken van het werk waaraan ik mijn gansche leven heb toegewijd!”Hij verviel in eene diepe mijmering en zat een geruimen tijd voor zich te kijken, zonder iets te zien en scheen geheel overstelpt door de bittere herinneringen die zijne borst beklemden.Eindelijk hief hij de oogen op, schudde met ongeduldige drift zijnezware haarlokken en streek zich met de hand over het voorhoofd.»Niet langer geaarzeld,” zeide hij met eene holle stem, »laten wij zien waaraan wij ons te houden hebben. Er spreekt in mij eene stem, die mij zegt dat mijne nasporingen met goed gevolg zullen bekroond worden.”Nu greep hij met krampachtige handen een der loopers en stak dien in het slot, maar zijne ontroering was zoo sterk, dat hij met het werktuig onmogelijk iets kon uitrichten; hij wierp het toornig ter zijde.»Ben ik dan een kind?” riep hij, »laat ik toch bedaard blijven.”Hij vatte den looper met vaste hand. Het kistje sprong open.De partijganger keek gretig naar binnen.Er was niets anders in dan een paar brieven, door den tijd verkleurd en verschrompeld.Zoodra hij ze zag werd zijn gelaat doodelijk bleek: ongetwijfeld had hij met den eersten oogopslag het handschrift herkend. Hij brulde schier van vreugde, en greep de beide brieven onder het uiten van een vervaarlijken kreet.»Daar heb ik dan nu de bewijzen die ik meende dat vernietigd waren!”Hij opende de brieven met de meeste zorg, uit vrees dat zij in de vouwen scheuren mochten, en begon te lezen. Weldra ontsnapte een zucht van zelfvoldoening aan zijne beklemde borst.»Ach!” murmelde hij, »levert de Hemel mij eindelijk mijne vijanden in handen; nu zullen wij onze rekening sluiten!”Hij legde de brieven weder in de cassette, sloot het zorgvuldig dicht en stak het bij zich.

In weerwil dat de Witte-Gazelle hem een goed eind vooruit was, had don Pablo haar in minder dan twee mijlen ingehaald.

Zoodra het meisje den galop van een paard achter zich hoorde had zij omgekeken.

Een enkele blik was haar genoeg om den Mexicaan te herkennen.

Toen zij hem zag kleurde een koortsachtig rood hare wangen, en deed eene stuipachtige beweging al hare leden trillen, kortom zij ontroerde zoo hevig, dat zij genoodzaakt was stil te houden.

Uit schaamte evenwel en te fier om den man dien zij zonder hoop beminde, te laten blijken welk een indruk zijne verschijning op haar maakte, vermande zij zich en gelukte het haar een onverschillig gelaat te toonen, terwijl het onderdrukte gevoel voortwoelde in haar binnenste.

»Wat doet hij dezen kant uit? en waar gaat hij heen?” vroeg zij zich zelve. »Wij zullen zien,” vervolgde zij een oogenblik later.

Zij wachtte hem af.

Don Pablo had haar weldra achterhaald. Het meisje was in haar gejaagden zenuwtoestand al zeer weinig geschikt voor diplomatische onderhandelingen.

Toen de Mexicaan haar bereikte groette hij haar, en reed zonder het woord tot haar te richten spoorslags voorbij.

De Gazelle schudde het hoofd.

»Ik zal hem wel aan ’t spreken krijgen,” zeide zij.

Hiermede gaf zij haar paard de sporen, zweepte het met dechicoteen voegde zich weldra in vollen galop aan de zijde van don Pablo.

De beide ruiters reden aldus een geruimen tijd naast elkander, zonder een woord te wisselen.

Elk van hen scheen bevreesd het gesprek te beginnen, wel bewust dat het terstond op een heet terrein zou worden gevoerd.

Altoos naast elkander voortgaloppeerende, kwamen zij aan een plaats waar het pad dat zij bereden zich vaneenscheidde en twee verschillende richtingen volgde.

De Witte-Gazelle hield haar paard in, en wees met de hand naar het noorden.

»Daar moet ik heen,” zeide zij.

»En ik ook,” antwoordde don Pablo zonder aarzelen.

Het meisje keek hem aan met een blik van verwondering die al te natuurlijk scheen om niet geveinsd te wezen.

»Waar moet gij dan heen?” hervatte zij.

»Waar gij heen moet,” antwoordde hij.

»Maar ik moet naar het kamp van den Zoon des Bloeds.”

»Welnu, ik insgelijks; vindt gij daar zooveel wonders in?”

»Ik; niets; wat gaat het mij aan,” riep zij meesmuilend.

»Gij zult mij dus wel toestaan, nina, u tot zoo ver gezelschap te houden?”

»Ik kan noch wil u dat beletten, caballero, de weg is vrij,” hernam zij droog.

Zij zwegen als bij onderlinge afspraak; ieder redeneerde met zich zelven en verdiepte zich in zijn eigene gedachten.

Nu en dan wierp de Gazelle haar nevenman een van die helderziende blikken toe waarmede de vrouwen in iemands hart kunnen lezen; er trilde een glimlach op hare lippen, en zij schudde moedwillig het hoofd. Welke zonderlinge gedachten woelden er wellicht in dat zeventienjarig brein?

Altoos in denzelfden galop doorrijdende kwamen zij tegen twee uren na den middag aan het veer eener kleine rivier, aan welks anderen oever men omtrent twee mijlen verder, tegen het hangen van den berg, de tenten in het kamp van den Zoon des Bloeds zag schemeren. De Witte-Gazelle bleef staan en op het oogenblik dat don Pablo met zijn paard in het rivierbed wilde afdalen legde zij haar kleine hand aan den teugel en sprak, hem terughoudend, met eene zachte maar vaste stem:

»Eer wij verder gaan, caballero, zou ik gaarne een woord met u spreken.”

Don Pablo zag haar verwonderd aan, maar deed geen enkele poging om zich aan haar vriendelijken maar lastigen drang te onttrekken.

»Ik hoor u,señorita,” antwoordde hij met eene buiging.

»Ik weet waarom gij naar het kamp van den Zoon des Bloeds gaat,” hervatte zij.

»Daar twijfel ik aan,” riep hij hoofdschuddend.

»Onnoozele! toen ik dezen morgen met Valentin sprak, laagt gij te slapen aan onze voeten.”

»Dat is zoo.”

»Al waren uwe oogen gesloten, uwe ooren waren geopend.”

»Waarmede gij zeggen wilt?”

»Dat gij ons gesprek hebt afgeluisterd.”

»En als dat zoo eens was, wat zoudt gij daaruit besluiten?”

»Dit: gij gaat naar het kamp om mijne plannen te dwarsboomen, ja zelfs in duigen te werpen, zoo dat mogelijk was.”

»Ik!”

»Gij.”

De jongman sidderde. Hij was zichtbaar teleurgesteld dat men hem zoo volkomen had kunnen doorgronden.

»Señorita,” begon hij aarzelend.…

»Ontken het maar niet,” riep zij goedwillig, »het zou u niets baten; ik weet alles.”

»Alles!”

»Ja, en veel meer nog dan gij zelf er van weet.”

De Mexicaan was verslagen.

»Laten wij met open kaart spelen,” vervolgde zij.

»Met alle genoegen,” antwoordde hij, zonder te weten wat hij zeide.

»Gij zijt verliefd op de Squattersdochter,” zeide zij ronduit.

»Ja,” antwoordde hij.

»Gij wilt haar redden?”

»Ja.”

»Ik zal u helpen.”

»Gij?”

»Ik.”

Er volgde een poosje stilte.

Deze weinige woorden waren tusschen de beide sprekers met zenuwachtige snelheid gewisseld.

»Gij bedriegt mij immers niet?” vroeg don Pablo een oogenblik later beschroomd.

»Neen,” antwoordde zij oprecht, »waarom zou ik? Gij hebt haar eenmaal uw hart gegeven, men verlieft niet voor de tweede maal, ik zal u helpen, zeg ik u.”

De jongman staarde haar aan met gemengde verwondering en schrik.

Hij wist dat de Witte-Gazelle nauwlijks vijf of zes maanden geleden Ellen’s onverzoenlijke vijandin was, hij vreesde dus een strik.

Zij begreep dit onmiddellijk, een treurige glimlach vloog over hare lippen.

»Liefde is mij niet meer gegund,” zeide zij, »mijn hart is niet eens groot genoeg voor den haat die mij verteert, ik behoor alleen aan de wraak. Geloof mij, don Pablo, ik zal u trouw dienen. Als gij eindelijk gelukkig zijt, zult gij misschien voor mij een weinig vriendschap en dankbaarheid gevoelen. Dat is helaas, het eenigewat ik nog begeer. Ik ben een van die ongelukkige wezens die als op een hellend vlak schijnen te staan en zich in hun val niet kunnen ophouden. Beklaag mij, don Pablo, maar vrees niet dat ik u verraden zal, ik herhaal u, gij zult nooit trouwer vriendin gehad hebben dan mij.”

Het meisje sprak deze woorden op zulk een toon van oprechtheid, en men kon zoo duidelijk zien dat zij haar hart zonder voorbehoud ten offer bracht, dat don Pablo er tegen wil en dank door bewogen werd, en haar met jeugdige gulheid zijne hand toestak.

Zij drukte die met warmte, wischte een traan weg en nu alle aandoeningen ter zijde stellende, zeide zij:

»Nu verder geen woord meer, wij verstaan elkander, niet waar?”

»O, ja!” antwoordde hij.

»Gaan wij over de rivier,” riep zij glimlachend, »binnen tien minuten zijn wij in het kamp; niemand behoeft te weten wat er tusschen ons gesproken is.”

Tien minuten later kwamen zij werkelijk in het kamp van den Zoon des Bloeds, waar zij met vroolijke juichkreten en welkomstgroeten ontvangen werden.

Zij reden het kamp door in galop en hielden eerst stil voor de tent van den partijganger.

Deze, door het gejuich bij hunne komst verrast, was naar buiten gekomen om hen op te wachten.

De ontvangst was hartelijk. Na de eerste plichtplegingen deed de Witte-Gazelle haar oom verslag van haar wedervaren en van het gebeurde in het kamp van den Eenhoorn tijdens haar oponthoud aldaar.

»De Roode-Ceder is een ware duivel,” antwoordde hij; »ik alleen heb de middelen in handen om hem meester te worden.”

»Op welke wijs?” vroeg don Pablo.

»Dat zal ik u laten zien,” zeide hij.

Zonder zich nader te verklaren, bracht hij een zilveren fluitje aan zijne lippen en blies er een langen helderen toon uit.

Op ditappèlwerd het bisonsvellen gordijn voor den ingang der hut opgeheven en verscheen er een man.

Don Pablo herkende Andres Garote. De gambusino boog met die vleiende en slaafsche beleefdheid, die den Mexicanen bijzonder eigen is, en wachtte terwijl hij met zijne kleine grijze en verstandige oogen den Zoon des Bloeds strak aankeek.

»Meester Garote,” zeide de partijganger zoodra hij hem zag, »ik heb u geroepen omdat ik u over ernstige zaken spreken moet.”

»Ik ben tot uwe geëerde orders,” antwoordde hij.

»Gij herinnert u zeker het contract dat tusschen ons gesloten is toen ik u in mijn quadrilla heb aangenomen?”

Andres Garote boog toestemmend.

»Ik herinner het mij,” zeide hij.

»Zeer goed. Hebt gij nog altijd een wrok tegen den Roode-Ceder?”

»Niet bepaald tegen den Roode-Ceder,señor, persoonlijk heeft hij mij nooit leed gedaan.”

»Dat is zoo; maar ik geloof dat gij u wilt wreken aan Fray Ambrosio.”

In het oog van den gambusino fonkelde een blik van haat, die bij den partijganger niet onopgemerkt bleef.

»Ik zou mijn leven willen geven om het zijne te hebben.”

»Goed! zulke lieden bevallen mij; als gij wilt zal aan uw verlangen spoedig voldaan worden.”

»Als ik wil!señor, als ik wil!” riep de ranchero met vuur. »Canarios! zeg mij maar wat ik daarvoor doen moet en het zal spoedig gedaan zijn. Ik zweer u dat ik niet zal aarzelen.”

De Zoon des Bloeds kon zijn genoegen nauwelijks ontveinzen.

»Welnu,” zeide hij; »de Roode-Ceder, Fray Ambrosio en de anderen zijn slechts weinige mijlen van hier in de bergen verscholen; gij zult u daarheen begeven.”

»Dat zal ik.”

»Let wel, dat gij, onverschillig door welke middelen, maar dat gij u bij hen indringt, en hun vertrouwen weet te winnen, en als gij dat verworven hebt en de noodige inlichtingen hebt opgedaan, komt gij weder hier om ons in staat te stellen dat adderengebroedsel uit den weg te ruimen.”

De gambusino dacht een oogenblik na, zoodat de Zoon des Bloeds meende dat hij begon te dralen.

»Aarzelt gij?” vroeg de andere.

»Ik aarzelen!” riep de ranchero met een zonderlingen grijnslach, »neen,señor, integendeel, maar ik ging met mij zelven te rade.”

»Waarover?”

»Dat zal ik u zeggen: de last dien gij mij opdraagt is eene taak op leven of dood. Als ik faal is mijne rekening spoedig opgemaakt, dan slaat de Roode-Ceder mij dood als een hond.”

»Wel waarschijnlijk.”

»Hij heeft er het recht toe, ik kan er hem geen verwijt van maken; maar al ben ik dood, zou ik toch niet willen dat de schelm er goed afkomt.”

»Gij kunt op mijn woord staat maken.”

Op het magere gezicht van den gambusino kwam een trek van onbeschrijfelijke sluwheid en list.

»Daar maak ik ook staat op,señor, maar gij hebt zulke gewichtige zaken om handen, die al uw tijd vorderen, dat gij mij, zonder het te willen, misschien vergeten zult.”

»Wees daar maar niet bang voor.”

»Men kan voor niets instaan,señor, er kunnen in het leven zulke wonderlijke omstandigheden voorkomen, dat.…”

»Waar wilt gij heen? Kom, verklaar u ronduit.”

Andres Garote sloeg zijn zarape op, haalde een klein stalen kistje te voorschijn en zette het op de tafel, waar de partijganger aan gezeten was.

»Daar,señor,” zeide hij op dien zoetsappigen toon dien hij zelden varen liet, »neem dat kistje, en als ik vertrokken ben, breek dan het slot open; ik ben zeker dat gij er eenige papieren in vindt die u belang zullen inboezemen.”

»Wat moet dat nu beteekenen?” riep de Zoon des Bloeds ten hoogste verwonderd.

»Dat zult gij wel zien,” antwoordde de gambusino altijd bedaard, »nu ben ik zeker dat, al mocht gij mij vergeten, gij u zelven niet vergeten zult, en dat ik van uwe wraak partij zal trekken.”

»Kent gij dan die papieren?”

»Wat denkt gij,señor, dat ik dat koffertje gedurende zes maanden in mijn bezit zou hebben gehad zonder mij te verzekeren van hetgeen er in is? Neen,señor, ik weet gaarne wat ik heb, of bezit. Gij zult zien, dat het voor u zeer groote waarde heeft.”

»Maar als dat zoo is, waarom hebt gij mij dan die papieren niet eerder ter hand gesteld?”

»Omdat de geschikte tijd daartoe niet gekomen was; ik wachtte slechts op de gelegenheid die mij van daag te stade komt. Wie zich wreken wil moet geduld leeren hebben, gij kent het spreekwoord wel,señor, de wraak is een vrucht die niet gegeten kan worden voordat hij rijp is.”

Zoolang de gambusino sprak, hield de partijganger de oogen onafgewend op de cassette gericht, met vurigen blik en de handen krampachtig samengevouwen; en toen hij zweeg, vroeg hij hem:

»Gaat gij nu vertrekken?”

»Dadelijkseñor; alleen zou ik, zoo gij er niets tegen hebt, aan de bepalingen die gij mij hebt voorgeschreven gaarne nog iets veranderen.”

»Wat dan?”

»Ik geloof dat het beter zou zijn als ik niet verplicht was om hier terug te komen; dat zal maar kostbaar oponthoud geven met heen en weer loopen, daar de Roode-Ceder, wiens vermoedens niet sluimeren zullen, gewis gebruik van zal maken om zich te verplaatsen.”

»Dat is zoo, maar hoe zullen wij dan doen?”

»O! dat is eenvoudig genoeg; weet gij wat,señor, als het oogenblik daar is om onze netten uit te zetten, ontsteek ik een vuur op de bergen, tot een teeken dat gij u op weg moet begeven, alleen zou het niet kwaad zijn dat er iemand met mij medeging om zich ergens, in de nabijheid van de plaats waar ik ben, schuil te houden.”

»Aan dat verlangen zal voldaan worden,” antwoordde de Witte-Gazelle, »en niet slechts één, maar twee personen zullen u vergezellen.”

»Hoezoo dat?”

»Don Pablo de Zarate en ik hebben het voornemen u te volgen,”hernam zij met een blik naar den jongman, die haar dadelijk begreep.

»Dan zijn wij in eens klaar,” riep de gambusino, »en dan kunnen wij vertrekken zoodra gij maar wilt.”

»Oogenblikkelijk, oogenblikkelijk!” riepen de beide jongelieden.

»Onze paarden zijn niet te zeer vermoeid, zij kunnen van daag dat toertje nog gemakkelijk doen,” liet don Pablo er op volgen.

»Haast u dan, want de oogenblikken zijn kostbaar,” zei de partijganger, die als op heete kolen stond om alleen te zijn.

»Ik vraag slechts eenige minuten om mijn paard te zadelen.”

»Ga dan, wij wachten u hier.”

De gambusino ging heen.

De drie personen spraken niet verder, maar schenen alle drie even vol belangstelling in het kistje, daar de Zoon des Bloeds zijne hand op hield, als vreesde hij dat men het hem ontstelen zou.

Drie minuten later hoorde men daarbuiten een paard in galop; en weldra stak Garote zijn hoofd door de deur terwijl hij het gordijn half ophief.

»Hier ben ik,” riep hij.

De Witte-Gazelle en don Pablo stonden op.

»Vertrekken wij,” zeiden zij onmiddellijk de deur uitgaande.

»Goede reis!” riep de partijganger hun na.

»Señorita, denk aan de cassette,” grinnikte de gambusino, »gij zult verrukt zijn over den inhoud.”

Het gordijn der tent viel; de paarden vertrokken in vliegenden galop.

Nauwelijks bevond de partijganger zich alleen of hij stond op, versperde zorgvuldig den ingang zijner hut, om niet gestoord te worden in het onderzoek dat hij zich voorstelde; ging toen weder zitten, na uit een zakje van antilopenvel eenige sleutels van verschillenden vorm te hebben gekregen.

Hij nam de cassette en bekeek haar aandachtig aan alle kanten. Er was niets bijzonders aan te zien; zooals wij reeds elders gezegd hebben, was het een licht koffertje van geciseleerd staal, met uitnemend veel smaak bewerkt, kortom, een kunstjuweeltje op zich zelve.

Ondanks zijn verlangen om te weten wat er in was, aarzelde hij toch het te openen; het kleine aanvallige meubeltje baarde hem eene ontroering daar hij zich geen rekenschap van wist te geven; hij meende het reeds vroeger gezien te hebben, maar zocht te vergeefs in zijne geheugenis op te delven onder welke omstandigheden.

»O!” mompelde hij binnensmonds als tegen zich zelven, »als ik eindelijk de voltooiing mocht bereiken van het werk waaraan ik mijn gansche leven heb toegewijd!”

Hij verviel in eene diepe mijmering en zat een geruimen tijd voor zich te kijken, zonder iets te zien en scheen geheel overstelpt door de bittere herinneringen die zijne borst beklemden.

Eindelijk hief hij de oogen op, schudde met ongeduldige drift zijnezware haarlokken en streek zich met de hand over het voorhoofd.

»Niet langer geaarzeld,” zeide hij met eene holle stem, »laten wij zien waaraan wij ons te houden hebben. Er spreekt in mij eene stem, die mij zegt dat mijne nasporingen met goed gevolg zullen bekroond worden.”

Nu greep hij met krampachtige handen een der loopers en stak dien in het slot, maar zijne ontroering was zoo sterk, dat hij met het werktuig onmogelijk iets kon uitrichten; hij wierp het toornig ter zijde.

»Ben ik dan een kind?” riep hij, »laat ik toch bedaard blijven.”

Hij vatte den looper met vaste hand. Het kistje sprong open.

De partijganger keek gretig naar binnen.

Er was niets anders in dan een paar brieven, door den tijd verkleurd en verschrompeld.

Zoodra hij ze zag werd zijn gelaat doodelijk bleek: ongetwijfeld had hij met den eersten oogopslag het handschrift herkend. Hij brulde schier van vreugde, en greep de beide brieven onder het uiten van een vervaarlijken kreet.

»Daar heb ik dan nu de bewijzen die ik meende dat vernietigd waren!”

Hij opende de brieven met de meeste zorg, uit vrees dat zij in de vouwen scheuren mochten, en begon te lezen. Weldra ontsnapte een zucht van zelfvoldoening aan zijne beklemde borst.

»Ach!” murmelde hij, »levert de Hemel mij eindelijk mijne vijanden in handen; nu zullen wij onze rekening sluiten!”

Hij legde de brieven weder in de cassette, sloot het zorgvuldig dicht en stak het bij zich.


Back to IndexNext