XXXVIII.

XXXVIII.EEN ROOKZUIL IN DE BERGEN.De drie avonturiers die het kamp van den partijganger zoo snel uitgereden waren, hadden den weg naar de bergen gekozen. Zij galoppeerden onophoudelijk en zwijgend voort.De ontknooping van het vreeselijke drama, dat zoo lang had geduurd, begon te naderen, dat voelden zij, en toch waren zij treurig gestemd.Zoo is de mensch, geen gevoel dat hem sterker overmeestert dan de droefheid; het menschelijk gestel is als geboren om te strijden, vreugde is een abnormale toestand; gevormd om op harde proeven te worden gesteld, is de sterkste soms de eerste die bezwijken zal in voorspoed; ja de beide aandoeningen, hoe verschillend in hare soort, zijn in hare uitwerksels zoo aan elkander gelijk, dat groote blijdschap de zielskracht evenzeer vernietigt als groote droefenis.Dit bleek weder aan de drie boven genoemde personen. Op het oogenblik dat zij hunne lang gekoesterde hoop verwezenlijkt zagen, gevoelden zij zich gedrukt en neerslachtig, zonder eigenlijk te weten waarom.De beslissende slag zou thans worden geslagen. Sedert maanden voerden zij een harden strijd tegen een geducht kampioen, die list tegen list en sluwheid tegenover sluwheid wist te stellen en ten slotte ofschoon zwaar gewond nog altijd overwinnaar was gebleven.Ditmaal echter was de kans verkeerd; de zegepraal scheen te zullen verblijven aan de zijde van het goed recht; terwijl de bandiet, tot in zijn laatste wijkplaats teruggedrongen, met ieder uur verwachten kon te worden ten ondergebracht.Intusschen ontveinsden zij zichgeenszinsde moeielijkheden van dezen beslissenden strijd, in welken de bandiet, zoo het hem al niet gelukte hen door nieuwe list andermaal te bedriegen, misschien door een eervollen dood in de laatste verschansing ontsnappen kon aan de straf die hem was toegedacht.In hunne tegenwoordige stemming laat zich licht begrijpen dat er tusschen de drie avonturiers niet gesproken werd, tot zij eindelijk de eerste bergen bereikten.Daar hielden zij stil.»Caballeros!” zeide de gambusino, »eer wij verder gaan, zal het dunkt mij niet kwaad zijn eenige hoognoodige beschikkingen te maken.”»Welke beschikkingen bedoelt gij?” vroeg don Pablo.»Wij komen hier in eene streek,” antwoordde Andres Garote, »waar wij van onze paarden meer last dan nut hebben; in de bergen kan een voetganger overal voort en een ruiter schier nergens.”»Dat is zoo; laten wij dus onze paarden hier; de edele dieren zullen zich niet verder verwijderen dan noodig is om voedsel te vinden. Als wij ze later weder gebruiken moeten, zullen wij ze na weinig zoekens wel terugvinden.”»Is deseñoritavan dezelfde meening?” vroeg de gambusino beleefd.»Volkomen,” antwoordde zij.»Stijgen wij dan af; ontzadelen wij de paarden en laten wij hen aan hun lot over.”Alle drie stegen af, ontnamen den paarden het hinderlijke tuig en stuurden hen met een klap op het kruis de wildernis in.De edele dieren, aan deze behandeling gewoon, verwijderden zich nauwelijks eenige stappen en begonnen vreedzaam te weiden van het harde prairiegras.»Ziezoo, dat is gedaan,” zeide de gambusino; »denken wij nu aan ons zelven.”»Maar de tuigen,” merkte de Gazelle aan; »als het oogenblik daar is, zullen wij ze gaarne onder ons bereik nebben.”»Zeer juist geredeneerd,” hernam Andres; »wij zullen ze daaromop eene veilige plaats bergen; kijk, daar in dien hollen boomstam is een hoekje dat er bijzonder toe dienen kan.”»Caramba! dat is een uitmuntend idee,” zei don Pablo, »daar moeten wij gebruik van maken.”De drie zadels en hoofdstellen werden in den hollen boom gestopt en door den gambusino zoo dicht met dood blad bedekt, dat er niets van te zien of te vermoeden was.»Laten wij thans voor ons eigen nachtverblijf zorgen,” zei de Witte-Gazelle; »de nachten zijn koud in dit seizoen, vooral in de bergen, de avond daalt reeds snel, weldra omringt ons de duisternis.”Onze drie veldontdekkers waren laat uit het kamp gereden en terwijl zij zich met het afnemen en verbergen der tuigen bezighielden, was de zon al lager en lager naar de kimmen gezakt en eindelijk ondergegaan. Op dit oogenblik bevonden zij zich juist in de schemering tusschen dag en nacht, die in de prairie zoo kortstondig is en gedurende welke het wegstervende daglicht, met de aardsche duisternis om de heerschappij kampende, het landschap doopt in een soort van halflicht dat de voorwerpen vertoont als door een prisma gezien.Dit oogenblik moesten zij zich ten nutte maken om zich te orienteeren, ten einde voort te kunnen gaan zonder vrees van te zullen verdwalen, wanneer de duisternis geheel de overhand zou hebben bekomen.Zoo gedacht zoo gedaan, en na met een welberekenden blik de richting der verschillende bergspitsen te hebben opgenomen, hervatten zij stoutmoedig hun tocht.Zij marcheerden omtrent een uur lang op een hellend vlak, dat al steiler en steiler werd en eindigde in een terras van geringe breedte, waar zij een poosje halt maakten, vooreerst om adem te scheppen, ten tweede om samen te overleggen wat zij verder doen zouden.»Als wij hier nachtverblijf hielden,” zei de Witte-Gazelle. »De steile rots achter ons beschermt ons uitmuntend tegen den wind, en gewikkeld in onze zarapes en bisonsmantels meen ik zeker dat wij goed slapen zullen.”»Niet te voortvarend, nina,” zei de gambusino hoogwijs, »er is op dit oogenblik aan geen slapen te denken.”»Waar dan aan?” hervatte zij met drift, »wat mij betreft, verzeker ik u dat ik zeer goed slapen zal.”»Dat kan wel waar zijn, nina,” hernam Andres, »maar wij hebben wel iets anders te doen.”»Wat dan?”»Zien waar wij zijn.”»Zien waar wij zijn. Wordt gij nu dwaas, vriend? Het is stikdonker. De drommel zelf, gewend aan de duisternis als hij is, zou hier op zijn eigen staart trappen.”»Juist om die reden, nina; wij moeten ons de weinige oogenblikken eer de maan opkomt ten nutte maken om den omtrek te doorzoeken.”»Ik begrijp er niets van.”»Ziet gij dan niet hoe doorschijnend de lucht is; het zwakke schemerlicht der sterren is voldoende om de voorwerpen zelfs op verren afstand te onderscheiden, zoo de lieden die wij vervolgen nog eten, hebben zij waarschijnlijk dit uur uitgekozen om hunne spijzen te koken.”»Nu, maar wat zou dit?” riep don Pablo nieuwsgierig.»Als gij mijne redeneering maar even wilt nagaan: de Roode-Ceder verwacht zijne vijanden alleen van de zijde der vlakte, niet waar?”»Ja.”»Hij heeft dus zijne voorzorgen aan die zijde genomen, en niet aan deze; hij zal nooit vermoeden dat wij hem zoo nabij zijn en in den waan dat niemand hem hier bespiedt, durft hij den rook van zijn vuur veilig aan den nacht toe te vertrouwen; wel overtuigd dat niemand het zien zal, hetgeen ook letterlijk waar zou zijn als wij tot zijn ongeluk niet hier waren; begrijpt gij nu de reden waarom ik er op aandrong om nog in dat late uur de bergen in te gaan?”De Witte-Gazelle zoowel als don Pablo waren verrast over de juistheid dezer redeneering en zij begonnen bij dit blijk van bekendheid met de woestijn, die hun gids aan den dag legde, een hooger dunk van hem op te vatten en hem stilzwijgend de meerderheid toe te kennen, die ieder mensch van ondervinding op een gegeven oogenblik altijd ten deel valt.»Handel naar goedvinden,” zei don Pablo.»Wij schikken ons geheel naar uw raad,” voegde de Gazelle er bij.De gambusino liet zich door dezen bijval noch door hoogmoed noch door te groot zelfvertrouwen vervoeren; hij vergenoegde zich met zijne twee gezellen aan te bevelen op de plaats te blijven tot hij terug kwam, en verwijderde zich toen.Zoodra hij alleen was ging de gambusino, in plaats van te loopen, zooals hij tot hiertoe gedaan had, plat op den grond liggen en kroop hij op handen en knieën langzaam langs de rotsen, van tijd tot tijd stil houdende om het hoofd op te heffen en rond te kijken, terwijl hij tevens de ooren gespitst hield op het minste geluid.Hij bleef lang weg. Don Pablo en de Gazelle wandelden ongeduldig het terras op en neder, om zich onder het wachten warm te houden.Eindelijk, na verloop van bijna twee uren, kwam hij terug.»Wel!” vroeg don Pablo.»Kom eens mede,” zei de gambusino laconiek.Zij volgden hem.Hij geleidde hen een pad af, zoo steil dat zij op handen en knieën moesten voortkruipen om niet in den afgrond te storten.Na een vrij lange afklimming met ongehoorde moeite volbracht te hebben, richtte de gambusino zich op en wenkte zijne kameraden hetzelfde te doen.Deze lieten het zich geen tweemaal zeggen, want zij konden bijna niet langer.Zij bevonden zich nu weder op een terras, van dezelfde soort als het vorige; ook dit terras was even als het andere begrensd door een steile rots, doch midden in die rots was een opening, als de mond van een oven, en, wat meer is, in die opening zag men zeer in de verte een licht glinsteren, omtrent als eene ster.»Zie eens,” zei de gambusino.»O! wat is dat?” mompelde don Pablo verwonderd.»Zouden wij reeds gevonden hebben wat wij zoeken,” riep de Witte-Gazelle.»St!” riep Andres Garote haar de hand op den mond leggende; en met eene nauwelijks hoorbare stem fluisterde hij: »Wij zijn hier aan den ingang eener grot; die onderaardsche gewelven planten het geluid zoo wonderbaar voort, en de Roode-Ceder is zoo scherp van gehoor; hoe ver hij ook op dit oogenblik van ons verwijderd is, zou hij ons licht kunnen hooren.”Zij staarden eene poos naar het bevende licht, dat als een ondeelbaar punt in de duisternis blonk en er uitzag als het oog der spelonk. Somwijlen kwam er eene donkere schaduw voor deze ster, en bleef zij eenige minuten lang onzichtbaar.Toen de gambusino dacht dat hunne nieuwsgierigheid genoeg voldaan was, trok hij hen even aan den arm en voerde hen zachtjes terug.»Komt,” zeide hij.Zij begonnen weder te klimmen. Omtrent een half uur later deed hij hen op nieuw stil staan en strekte den arm uit in een bepaalde richting.»Ziet eens nauwlettend,” zeide hij hun.»O!” riep don Pablo terstond, »dat is rook.”Werkelijk scheen er een fijne kolom witte rook als een dunne doorschijnende straal uit de aarde ten hemel te stijgen.»Er is geen rook zonder vuur,” grinnikte de gambusino; »eerst heb ik u het vuur laten zien en nu ziet gij den rook. Zijt gij overtuigd? hebben wij het hol van den tijger gevonden?”»Ja,” riepen beiden tegelijk.»Dat is beter dan slapen, niet waar?” hervatte hij min of meer op een toon van triomf.»En wat moeten wij nu doen!” viel de Witte-Gazelle hem met drift in de rede.»Canarios! dat is eenvoudig genoeg,” antwoordde Andres; »een van u moet onmiddellijk naar het kamp terugkeeren om onze ontdekking aan te kondigen, dan zal de meester wel doen wat hij noodig acht.”»Goed!” zei het meisje, »dan ga ik.”»En gij?” vroeg de gambusino zich tot don Pablo richtende.»Ik blijf hier.”Garote had hier tegen niets aan te merken.De Witte-Gazelle ijlde met koortsachtige drift de berghelling af.De gambusino strekte zijn bisonsmantel op den grond uit, wikkelde zich in zijn zarape en ging liggen.»Wat gaat gij doen?” vroeg don Pablo»Dat ziet gij,” was zijn antwoord, »ik maak mij gereed om te slapen; wij hebben voor het oogenblik niets meer te doen en zullen moeten wachten tot morgen; ik zou u raden mijn voorbeeld te volgen.”»’t Is waar,” zei de jongman, »gij hebt gelijk,” en zich in zijn zarape wikkelende ging hij almede op den grond liggen. Zoo verliep er een uur; de beide mannen sliepen of schenen ten minste te slapen.Plotseling richtte don Pablo zich op den elleboog, bukte voorzichtig over zijn kameraad en bekeek hem met aandacht.Andres Garote sliep inderdaad zoo gerust als mogelijk was.Na zich hiervan verzekerd te hebben stond de jongman op, bekeek zijne wapenen, wierp een laatsten blik op den slapende, en klom den berg af.De maan was opgekomen, hare bleeke stralen verspreidden nauwlijks licht genoeg om voort te gaan zonder vrees van in den afgrond te storten.Toen de jongman het lagere terras bereikte, waar in de straks genoemde grot het bewuste bevende licht nog altijd brandde, bleef hij een oogenblik staan, prevelde in stilte een gebed terwijl hij de oogen ten hemel opsloeg die met duizend sterren boven zijn hoofd schitterde, en na nog eens zijne wapens bekeken te hebben om zich te verzekeren dat zij in orde waren sloeg hij een kruis en waagde zich onversaagd in de grot.Er behoorde vrij wat moed toe om aldus een gevaar te gaan braveeren des te geduchter naarmate het minder bekend was.Met het oog op het licht gevestigd dat hem tot poolster diende liep don Pablo voorzichtig met de armen vooruit, het lijf gebukt en het oor gespitst, nu en dan staan blijvende om de naamlooze geluiden te verkennen die gewoonlijk in onderaardsche gewelven weerklinken, en gereed om zich tegen de onzichtbare vijanden te verweren die hij in de schaduw meende te zien.Zoo stapte hij een geruimen tijd voort zonder dat het licht in de verte merkelijk grooter scheen te worden, toen de wand van graniet, waar hij zich onder het voortgaan met de linkerhand aan vasthield, op eens eindigde, en hij in den achtergrond eener kleine door een fakkel van kaarshout flauw verlichte kamer, of rotsholte, Ellen zag liggen, op de naakte rots geknield, in vurigen gebede.De jongman bleef staan door bewondering getroffen bij dit onverwachte schouwspel.Ellen lag met losgereten haren, die haar wild over de schouders hingen; met haar verbleekt gelaat, badende in tranen, scheen zij ten prooi aan de grievendste zielesmart.Afgebroken snikken en diepe zuchten ontsnapten aan hare beklemde borst.Afgebroken snikken en diepe zuchten ontsnapten aan hare beklemde borst. bladz. 270.Afgebroken snikken en diepe zuchten ontsnapten aan hare beklemde borst. bladz. 270.Don Pablo kon bij dit hartbrekend gezicht zijne ontroering niet langer meester blijven. Onbedachtzaam alle voorzichtigheid ter zijde stellende, ijlde hij met open armen naar het meisje toe en riep op een toon van hartstochtelijke liefde:»Ellen! Ellen! wat deert u?”Op deze stem, die zoo onverwachts haar gehoor trof, stond het meisje op en zeide met een gebiedenden wenk vol majesteit:»Vlucht, ongelukkige, vlucht of gij zijt verloren!”»Ellen,” hervatte hij, haar te voet vallende en de handen smeekend naar haar opheffende, »wat ik u bidden mag, hoor mij!”»Wat komt gij hier doen?” riep zij.»Ik kom u redden of sterven.”»Mij redden,” herhaalde zij op droevigen toon; »neen, don Pablo, mijn lot is voor altijd besloten, laat mij met vrede; vlucht als ik u bidden mag.”»Neen, zeg ik u, er zweeft een vreeselijk gevaar over uws vaders hoofd, hij is reddeloos verloren; kom en vlucht, nu het nog tijd is. O! Ellen, ik bid u in naam onzer liefde, zoo rein en oprecht, volg mij!”Het meisje schudde onwillig het hoofd met eene beweging die hare lange blonde tressen deed golven.»Ik ben ten doode gedoemd, don Pablo, u langer hier te houden is uw verderf te zoeken. Gij bemint mij zegt gij, welnu, op mijne beurt zeg ik u, uit naam van uwe liefde en uit dien van de mijne zoo gij het wilt, bid ik u mij te verlaten, voor altijd te verlaten! O! geloof mij toch, don Pablo. Zoo gij mij aanraakt, zijt gij dood, ik ben een vervloekt schepsel.”De jongman kruiste de armen op de borst en richtte fier het hoofd op.»Neen!” zeide hij vastberaden, »ik zal niet vertrekken, de belanglooze trouw mag uw deel alleen niet zijn; wat zegt mijn leven, als ik u niet meer zien mag? Ellen! wij zullen samen sterven.”»Mijn God! wat heeft hij mij lief,” riep zij wanhopig. »Heer! Heer! zal ik nog meer moeten lijden, of is de maat eindelijk vol? O, geef mij de kracht om mijne zelfopoffering ten einde toe vol te houden! Hoor eens, don Pablo,” riep zij, hem met kracht bij den arm grijpende, »mijn vader is een banneling, door de gansche wereld uitgeworpen; hij heeft maar eene vreugd, een geluk in zijn onmetelijk ongeluk, namelijk zijne dochter! Ik kan, ik wil hem niet verlaten. Hoe hartgrondig ik u ook lief heb, don Pablo, nooitzal ik mijn vader verlaten. Nu heb ik u alles gezegd wat er tusschen ons te zeggen is, mijn vriend; door langer hier te vertoeven trotseert gij nutteloos een groot en onvermijdelijk gevaar. Vertrek, don Pablo, vertrek, ik gebied het u.”»Bedenk,” zei de jongman met tranen in de oogen, »bedenk, Ellen, dat dit gesprek ons laatste zal zijn.”»Ik weet het.”»Wilt gij dan volstrekt dat ik zal gaan?”»Ik gebied het.”»Ja, maar ik wil het niet!” riep op eens eene ruwe stem.Zij keken verschrikt om, en zagen den Roode-Ceder, die met de handen op zijn geweer gekruist op eenigen afstand hen grinnikend aanstaarde. Ellen wierp haar vader zulk een gebiedenden blik toe dat de oude Squatter onwillekeurig de oogen neersloeg.Zonder te antwoorden wendde zij zich tot don Pablo en nam hem bij de hand.»Kom,” zeide zij en trad stout naar haar vader, die steeds onbeweeglijk stond.»Laat ons door,” zeide zij vastberaden.»Neen,” antwoordde de Squatter.»Let wel op hetgeen ik u zeg, vader,” hernam zij, »ik heb u mijn leven, mijn geluk en al mijne wenschen op deze wereld ten offer gebracht, maar op eene voorwaarde, namelijk dat zijn leven u heilig zal zijn; laat hem dus gaan, ik wil het zoo.”»Neen,” riep hij nog eens, »hij moet sterven.”Zij schoot in een stuipachtigen lach, welks scherpe toon de beide mannen deed huiveren; met een lichtsnellen greep rukte zij den Squatter een zijner pistolen uit den gordel, spande den haan, en zette het zich voor het hoofd.»Laat hem door!” herhaalde zij.De Roode-Ceder brulde van schrik.»Houd op,” riep hij haar aangrijpende.»Nog eens, laat door of ik dood mij.”»O!” riep de bandiet op een toon van onbeschrijfelijke woede, »ga dan, duivel; maar ik zal u wel wedervinden!”»Vaarwel, mijn geliefde,” riep Ellen hartstochtelijk, »voor de laatste maal, vaarwel!”»Ellen,” antwoordde de jongman, »tot wederziens, ik zal u redden in weerwil van u zelve!”En hij verdween in de galerij.»Nu, vader,” zei het meisje haar pistool wegwerpende, toen het geluid der voetstappen van haar geliefde in de verte was weggestorven, »nu kunt gij met mij doen wat gij wilt.”»U vergeef ik het, kind,” antwoordde de Roode-Ceder tandknersend, »maar hem zal ik dooden!”

XXXVIII.EEN ROOKZUIL IN DE BERGEN.De drie avonturiers die het kamp van den partijganger zoo snel uitgereden waren, hadden den weg naar de bergen gekozen. Zij galoppeerden onophoudelijk en zwijgend voort.De ontknooping van het vreeselijke drama, dat zoo lang had geduurd, begon te naderen, dat voelden zij, en toch waren zij treurig gestemd.Zoo is de mensch, geen gevoel dat hem sterker overmeestert dan de droefheid; het menschelijk gestel is als geboren om te strijden, vreugde is een abnormale toestand; gevormd om op harde proeven te worden gesteld, is de sterkste soms de eerste die bezwijken zal in voorspoed; ja de beide aandoeningen, hoe verschillend in hare soort, zijn in hare uitwerksels zoo aan elkander gelijk, dat groote blijdschap de zielskracht evenzeer vernietigt als groote droefenis.Dit bleek weder aan de drie boven genoemde personen. Op het oogenblik dat zij hunne lang gekoesterde hoop verwezenlijkt zagen, gevoelden zij zich gedrukt en neerslachtig, zonder eigenlijk te weten waarom.De beslissende slag zou thans worden geslagen. Sedert maanden voerden zij een harden strijd tegen een geducht kampioen, die list tegen list en sluwheid tegenover sluwheid wist te stellen en ten slotte ofschoon zwaar gewond nog altijd overwinnaar was gebleven.Ditmaal echter was de kans verkeerd; de zegepraal scheen te zullen verblijven aan de zijde van het goed recht; terwijl de bandiet, tot in zijn laatste wijkplaats teruggedrongen, met ieder uur verwachten kon te worden ten ondergebracht.Intusschen ontveinsden zij zichgeenszinsde moeielijkheden van dezen beslissenden strijd, in welken de bandiet, zoo het hem al niet gelukte hen door nieuwe list andermaal te bedriegen, misschien door een eervollen dood in de laatste verschansing ontsnappen kon aan de straf die hem was toegedacht.In hunne tegenwoordige stemming laat zich licht begrijpen dat er tusschen de drie avonturiers niet gesproken werd, tot zij eindelijk de eerste bergen bereikten.Daar hielden zij stil.»Caballeros!” zeide de gambusino, »eer wij verder gaan, zal het dunkt mij niet kwaad zijn eenige hoognoodige beschikkingen te maken.”»Welke beschikkingen bedoelt gij?” vroeg don Pablo.»Wij komen hier in eene streek,” antwoordde Andres Garote, »waar wij van onze paarden meer last dan nut hebben; in de bergen kan een voetganger overal voort en een ruiter schier nergens.”»Dat is zoo; laten wij dus onze paarden hier; de edele dieren zullen zich niet verder verwijderen dan noodig is om voedsel te vinden. Als wij ze later weder gebruiken moeten, zullen wij ze na weinig zoekens wel terugvinden.”»Is deseñoritavan dezelfde meening?” vroeg de gambusino beleefd.»Volkomen,” antwoordde zij.»Stijgen wij dan af; ontzadelen wij de paarden en laten wij hen aan hun lot over.”Alle drie stegen af, ontnamen den paarden het hinderlijke tuig en stuurden hen met een klap op het kruis de wildernis in.De edele dieren, aan deze behandeling gewoon, verwijderden zich nauwelijks eenige stappen en begonnen vreedzaam te weiden van het harde prairiegras.»Ziezoo, dat is gedaan,” zeide de gambusino; »denken wij nu aan ons zelven.”»Maar de tuigen,” merkte de Gazelle aan; »als het oogenblik daar is, zullen wij ze gaarne onder ons bereik nebben.”»Zeer juist geredeneerd,” hernam Andres; »wij zullen ze daaromop eene veilige plaats bergen; kijk, daar in dien hollen boomstam is een hoekje dat er bijzonder toe dienen kan.”»Caramba! dat is een uitmuntend idee,” zei don Pablo, »daar moeten wij gebruik van maken.”De drie zadels en hoofdstellen werden in den hollen boom gestopt en door den gambusino zoo dicht met dood blad bedekt, dat er niets van te zien of te vermoeden was.»Laten wij thans voor ons eigen nachtverblijf zorgen,” zei de Witte-Gazelle; »de nachten zijn koud in dit seizoen, vooral in de bergen, de avond daalt reeds snel, weldra omringt ons de duisternis.”Onze drie veldontdekkers waren laat uit het kamp gereden en terwijl zij zich met het afnemen en verbergen der tuigen bezighielden, was de zon al lager en lager naar de kimmen gezakt en eindelijk ondergegaan. Op dit oogenblik bevonden zij zich juist in de schemering tusschen dag en nacht, die in de prairie zoo kortstondig is en gedurende welke het wegstervende daglicht, met de aardsche duisternis om de heerschappij kampende, het landschap doopt in een soort van halflicht dat de voorwerpen vertoont als door een prisma gezien.Dit oogenblik moesten zij zich ten nutte maken om zich te orienteeren, ten einde voort te kunnen gaan zonder vrees van te zullen verdwalen, wanneer de duisternis geheel de overhand zou hebben bekomen.Zoo gedacht zoo gedaan, en na met een welberekenden blik de richting der verschillende bergspitsen te hebben opgenomen, hervatten zij stoutmoedig hun tocht.Zij marcheerden omtrent een uur lang op een hellend vlak, dat al steiler en steiler werd en eindigde in een terras van geringe breedte, waar zij een poosje halt maakten, vooreerst om adem te scheppen, ten tweede om samen te overleggen wat zij verder doen zouden.»Als wij hier nachtverblijf hielden,” zei de Witte-Gazelle. »De steile rots achter ons beschermt ons uitmuntend tegen den wind, en gewikkeld in onze zarapes en bisonsmantels meen ik zeker dat wij goed slapen zullen.”»Niet te voortvarend, nina,” zei de gambusino hoogwijs, »er is op dit oogenblik aan geen slapen te denken.”»Waar dan aan?” hervatte zij met drift, »wat mij betreft, verzeker ik u dat ik zeer goed slapen zal.”»Dat kan wel waar zijn, nina,” hernam Andres, »maar wij hebben wel iets anders te doen.”»Wat dan?”»Zien waar wij zijn.”»Zien waar wij zijn. Wordt gij nu dwaas, vriend? Het is stikdonker. De drommel zelf, gewend aan de duisternis als hij is, zou hier op zijn eigen staart trappen.”»Juist om die reden, nina; wij moeten ons de weinige oogenblikken eer de maan opkomt ten nutte maken om den omtrek te doorzoeken.”»Ik begrijp er niets van.”»Ziet gij dan niet hoe doorschijnend de lucht is; het zwakke schemerlicht der sterren is voldoende om de voorwerpen zelfs op verren afstand te onderscheiden, zoo de lieden die wij vervolgen nog eten, hebben zij waarschijnlijk dit uur uitgekozen om hunne spijzen te koken.”»Nu, maar wat zou dit?” riep don Pablo nieuwsgierig.»Als gij mijne redeneering maar even wilt nagaan: de Roode-Ceder verwacht zijne vijanden alleen van de zijde der vlakte, niet waar?”»Ja.”»Hij heeft dus zijne voorzorgen aan die zijde genomen, en niet aan deze; hij zal nooit vermoeden dat wij hem zoo nabij zijn en in den waan dat niemand hem hier bespiedt, durft hij den rook van zijn vuur veilig aan den nacht toe te vertrouwen; wel overtuigd dat niemand het zien zal, hetgeen ook letterlijk waar zou zijn als wij tot zijn ongeluk niet hier waren; begrijpt gij nu de reden waarom ik er op aandrong om nog in dat late uur de bergen in te gaan?”De Witte-Gazelle zoowel als don Pablo waren verrast over de juistheid dezer redeneering en zij begonnen bij dit blijk van bekendheid met de woestijn, die hun gids aan den dag legde, een hooger dunk van hem op te vatten en hem stilzwijgend de meerderheid toe te kennen, die ieder mensch van ondervinding op een gegeven oogenblik altijd ten deel valt.»Handel naar goedvinden,” zei don Pablo.»Wij schikken ons geheel naar uw raad,” voegde de Gazelle er bij.De gambusino liet zich door dezen bijval noch door hoogmoed noch door te groot zelfvertrouwen vervoeren; hij vergenoegde zich met zijne twee gezellen aan te bevelen op de plaats te blijven tot hij terug kwam, en verwijderde zich toen.Zoodra hij alleen was ging de gambusino, in plaats van te loopen, zooals hij tot hiertoe gedaan had, plat op den grond liggen en kroop hij op handen en knieën langzaam langs de rotsen, van tijd tot tijd stil houdende om het hoofd op te heffen en rond te kijken, terwijl hij tevens de ooren gespitst hield op het minste geluid.Hij bleef lang weg. Don Pablo en de Gazelle wandelden ongeduldig het terras op en neder, om zich onder het wachten warm te houden.Eindelijk, na verloop van bijna twee uren, kwam hij terug.»Wel!” vroeg don Pablo.»Kom eens mede,” zei de gambusino laconiek.Zij volgden hem.Hij geleidde hen een pad af, zoo steil dat zij op handen en knieën moesten voortkruipen om niet in den afgrond te storten.Na een vrij lange afklimming met ongehoorde moeite volbracht te hebben, richtte de gambusino zich op en wenkte zijne kameraden hetzelfde te doen.Deze lieten het zich geen tweemaal zeggen, want zij konden bijna niet langer.Zij bevonden zich nu weder op een terras, van dezelfde soort als het vorige; ook dit terras was even als het andere begrensd door een steile rots, doch midden in die rots was een opening, als de mond van een oven, en, wat meer is, in die opening zag men zeer in de verte een licht glinsteren, omtrent als eene ster.»Zie eens,” zei de gambusino.»O! wat is dat?” mompelde don Pablo verwonderd.»Zouden wij reeds gevonden hebben wat wij zoeken,” riep de Witte-Gazelle.»St!” riep Andres Garote haar de hand op den mond leggende; en met eene nauwelijks hoorbare stem fluisterde hij: »Wij zijn hier aan den ingang eener grot; die onderaardsche gewelven planten het geluid zoo wonderbaar voort, en de Roode-Ceder is zoo scherp van gehoor; hoe ver hij ook op dit oogenblik van ons verwijderd is, zou hij ons licht kunnen hooren.”Zij staarden eene poos naar het bevende licht, dat als een ondeelbaar punt in de duisternis blonk en er uitzag als het oog der spelonk. Somwijlen kwam er eene donkere schaduw voor deze ster, en bleef zij eenige minuten lang onzichtbaar.Toen de gambusino dacht dat hunne nieuwsgierigheid genoeg voldaan was, trok hij hen even aan den arm en voerde hen zachtjes terug.»Komt,” zeide hij.Zij begonnen weder te klimmen. Omtrent een half uur later deed hij hen op nieuw stil staan en strekte den arm uit in een bepaalde richting.»Ziet eens nauwlettend,” zeide hij hun.»O!” riep don Pablo terstond, »dat is rook.”Werkelijk scheen er een fijne kolom witte rook als een dunne doorschijnende straal uit de aarde ten hemel te stijgen.»Er is geen rook zonder vuur,” grinnikte de gambusino; »eerst heb ik u het vuur laten zien en nu ziet gij den rook. Zijt gij overtuigd? hebben wij het hol van den tijger gevonden?”»Ja,” riepen beiden tegelijk.»Dat is beter dan slapen, niet waar?” hervatte hij min of meer op een toon van triomf.»En wat moeten wij nu doen!” viel de Witte-Gazelle hem met drift in de rede.»Canarios! dat is eenvoudig genoeg,” antwoordde Andres; »een van u moet onmiddellijk naar het kamp terugkeeren om onze ontdekking aan te kondigen, dan zal de meester wel doen wat hij noodig acht.”»Goed!” zei het meisje, »dan ga ik.”»En gij?” vroeg de gambusino zich tot don Pablo richtende.»Ik blijf hier.”Garote had hier tegen niets aan te merken.De Witte-Gazelle ijlde met koortsachtige drift de berghelling af.De gambusino strekte zijn bisonsmantel op den grond uit, wikkelde zich in zijn zarape en ging liggen.»Wat gaat gij doen?” vroeg don Pablo»Dat ziet gij,” was zijn antwoord, »ik maak mij gereed om te slapen; wij hebben voor het oogenblik niets meer te doen en zullen moeten wachten tot morgen; ik zou u raden mijn voorbeeld te volgen.”»’t Is waar,” zei de jongman, »gij hebt gelijk,” en zich in zijn zarape wikkelende ging hij almede op den grond liggen. Zoo verliep er een uur; de beide mannen sliepen of schenen ten minste te slapen.Plotseling richtte don Pablo zich op den elleboog, bukte voorzichtig over zijn kameraad en bekeek hem met aandacht.Andres Garote sliep inderdaad zoo gerust als mogelijk was.Na zich hiervan verzekerd te hebben stond de jongman op, bekeek zijne wapenen, wierp een laatsten blik op den slapende, en klom den berg af.De maan was opgekomen, hare bleeke stralen verspreidden nauwlijks licht genoeg om voort te gaan zonder vrees van in den afgrond te storten.Toen de jongman het lagere terras bereikte, waar in de straks genoemde grot het bewuste bevende licht nog altijd brandde, bleef hij een oogenblik staan, prevelde in stilte een gebed terwijl hij de oogen ten hemel opsloeg die met duizend sterren boven zijn hoofd schitterde, en na nog eens zijne wapens bekeken te hebben om zich te verzekeren dat zij in orde waren sloeg hij een kruis en waagde zich onversaagd in de grot.Er behoorde vrij wat moed toe om aldus een gevaar te gaan braveeren des te geduchter naarmate het minder bekend was.Met het oog op het licht gevestigd dat hem tot poolster diende liep don Pablo voorzichtig met de armen vooruit, het lijf gebukt en het oor gespitst, nu en dan staan blijvende om de naamlooze geluiden te verkennen die gewoonlijk in onderaardsche gewelven weerklinken, en gereed om zich tegen de onzichtbare vijanden te verweren die hij in de schaduw meende te zien.Zoo stapte hij een geruimen tijd voort zonder dat het licht in de verte merkelijk grooter scheen te worden, toen de wand van graniet, waar hij zich onder het voortgaan met de linkerhand aan vasthield, op eens eindigde, en hij in den achtergrond eener kleine door een fakkel van kaarshout flauw verlichte kamer, of rotsholte, Ellen zag liggen, op de naakte rots geknield, in vurigen gebede.De jongman bleef staan door bewondering getroffen bij dit onverwachte schouwspel.Ellen lag met losgereten haren, die haar wild over de schouders hingen; met haar verbleekt gelaat, badende in tranen, scheen zij ten prooi aan de grievendste zielesmart.Afgebroken snikken en diepe zuchten ontsnapten aan hare beklemde borst.Afgebroken snikken en diepe zuchten ontsnapten aan hare beklemde borst. bladz. 270.Afgebroken snikken en diepe zuchten ontsnapten aan hare beklemde borst. bladz. 270.Don Pablo kon bij dit hartbrekend gezicht zijne ontroering niet langer meester blijven. Onbedachtzaam alle voorzichtigheid ter zijde stellende, ijlde hij met open armen naar het meisje toe en riep op een toon van hartstochtelijke liefde:»Ellen! Ellen! wat deert u?”Op deze stem, die zoo onverwachts haar gehoor trof, stond het meisje op en zeide met een gebiedenden wenk vol majesteit:»Vlucht, ongelukkige, vlucht of gij zijt verloren!”»Ellen,” hervatte hij, haar te voet vallende en de handen smeekend naar haar opheffende, »wat ik u bidden mag, hoor mij!”»Wat komt gij hier doen?” riep zij.»Ik kom u redden of sterven.”»Mij redden,” herhaalde zij op droevigen toon; »neen, don Pablo, mijn lot is voor altijd besloten, laat mij met vrede; vlucht als ik u bidden mag.”»Neen, zeg ik u, er zweeft een vreeselijk gevaar over uws vaders hoofd, hij is reddeloos verloren; kom en vlucht, nu het nog tijd is. O! Ellen, ik bid u in naam onzer liefde, zoo rein en oprecht, volg mij!”Het meisje schudde onwillig het hoofd met eene beweging die hare lange blonde tressen deed golven.»Ik ben ten doode gedoemd, don Pablo, u langer hier te houden is uw verderf te zoeken. Gij bemint mij zegt gij, welnu, op mijne beurt zeg ik u, uit naam van uwe liefde en uit dien van de mijne zoo gij het wilt, bid ik u mij te verlaten, voor altijd te verlaten! O! geloof mij toch, don Pablo. Zoo gij mij aanraakt, zijt gij dood, ik ben een vervloekt schepsel.”De jongman kruiste de armen op de borst en richtte fier het hoofd op.»Neen!” zeide hij vastberaden, »ik zal niet vertrekken, de belanglooze trouw mag uw deel alleen niet zijn; wat zegt mijn leven, als ik u niet meer zien mag? Ellen! wij zullen samen sterven.”»Mijn God! wat heeft hij mij lief,” riep zij wanhopig. »Heer! Heer! zal ik nog meer moeten lijden, of is de maat eindelijk vol? O, geef mij de kracht om mijne zelfopoffering ten einde toe vol te houden! Hoor eens, don Pablo,” riep zij, hem met kracht bij den arm grijpende, »mijn vader is een banneling, door de gansche wereld uitgeworpen; hij heeft maar eene vreugd, een geluk in zijn onmetelijk ongeluk, namelijk zijne dochter! Ik kan, ik wil hem niet verlaten. Hoe hartgrondig ik u ook lief heb, don Pablo, nooitzal ik mijn vader verlaten. Nu heb ik u alles gezegd wat er tusschen ons te zeggen is, mijn vriend; door langer hier te vertoeven trotseert gij nutteloos een groot en onvermijdelijk gevaar. Vertrek, don Pablo, vertrek, ik gebied het u.”»Bedenk,” zei de jongman met tranen in de oogen, »bedenk, Ellen, dat dit gesprek ons laatste zal zijn.”»Ik weet het.”»Wilt gij dan volstrekt dat ik zal gaan?”»Ik gebied het.”»Ja, maar ik wil het niet!” riep op eens eene ruwe stem.Zij keken verschrikt om, en zagen den Roode-Ceder, die met de handen op zijn geweer gekruist op eenigen afstand hen grinnikend aanstaarde. Ellen wierp haar vader zulk een gebiedenden blik toe dat de oude Squatter onwillekeurig de oogen neersloeg.Zonder te antwoorden wendde zij zich tot don Pablo en nam hem bij de hand.»Kom,” zeide zij en trad stout naar haar vader, die steeds onbeweeglijk stond.»Laat ons door,” zeide zij vastberaden.»Neen,” antwoordde de Squatter.»Let wel op hetgeen ik u zeg, vader,” hernam zij, »ik heb u mijn leven, mijn geluk en al mijne wenschen op deze wereld ten offer gebracht, maar op eene voorwaarde, namelijk dat zijn leven u heilig zal zijn; laat hem dus gaan, ik wil het zoo.”»Neen,” riep hij nog eens, »hij moet sterven.”Zij schoot in een stuipachtigen lach, welks scherpe toon de beide mannen deed huiveren; met een lichtsnellen greep rukte zij den Squatter een zijner pistolen uit den gordel, spande den haan, en zette het zich voor het hoofd.»Laat hem door!” herhaalde zij.De Roode-Ceder brulde van schrik.»Houd op,” riep hij haar aangrijpende.»Nog eens, laat door of ik dood mij.”»O!” riep de bandiet op een toon van onbeschrijfelijke woede, »ga dan, duivel; maar ik zal u wel wedervinden!”»Vaarwel, mijn geliefde,” riep Ellen hartstochtelijk, »voor de laatste maal, vaarwel!”»Ellen,” antwoordde de jongman, »tot wederziens, ik zal u redden in weerwil van u zelve!”En hij verdween in de galerij.»Nu, vader,” zei het meisje haar pistool wegwerpende, toen het geluid der voetstappen van haar geliefde in de verte was weggestorven, »nu kunt gij met mij doen wat gij wilt.”»U vergeef ik het, kind,” antwoordde de Roode-Ceder tandknersend, »maar hem zal ik dooden!”

XXXVIII.EEN ROOKZUIL IN DE BERGEN.

De drie avonturiers die het kamp van den partijganger zoo snel uitgereden waren, hadden den weg naar de bergen gekozen. Zij galoppeerden onophoudelijk en zwijgend voort.De ontknooping van het vreeselijke drama, dat zoo lang had geduurd, begon te naderen, dat voelden zij, en toch waren zij treurig gestemd.Zoo is de mensch, geen gevoel dat hem sterker overmeestert dan de droefheid; het menschelijk gestel is als geboren om te strijden, vreugde is een abnormale toestand; gevormd om op harde proeven te worden gesteld, is de sterkste soms de eerste die bezwijken zal in voorspoed; ja de beide aandoeningen, hoe verschillend in hare soort, zijn in hare uitwerksels zoo aan elkander gelijk, dat groote blijdschap de zielskracht evenzeer vernietigt als groote droefenis.Dit bleek weder aan de drie boven genoemde personen. Op het oogenblik dat zij hunne lang gekoesterde hoop verwezenlijkt zagen, gevoelden zij zich gedrukt en neerslachtig, zonder eigenlijk te weten waarom.De beslissende slag zou thans worden geslagen. Sedert maanden voerden zij een harden strijd tegen een geducht kampioen, die list tegen list en sluwheid tegenover sluwheid wist te stellen en ten slotte ofschoon zwaar gewond nog altijd overwinnaar was gebleven.Ditmaal echter was de kans verkeerd; de zegepraal scheen te zullen verblijven aan de zijde van het goed recht; terwijl de bandiet, tot in zijn laatste wijkplaats teruggedrongen, met ieder uur verwachten kon te worden ten ondergebracht.Intusschen ontveinsden zij zichgeenszinsde moeielijkheden van dezen beslissenden strijd, in welken de bandiet, zoo het hem al niet gelukte hen door nieuwe list andermaal te bedriegen, misschien door een eervollen dood in de laatste verschansing ontsnappen kon aan de straf die hem was toegedacht.In hunne tegenwoordige stemming laat zich licht begrijpen dat er tusschen de drie avonturiers niet gesproken werd, tot zij eindelijk de eerste bergen bereikten.Daar hielden zij stil.»Caballeros!” zeide de gambusino, »eer wij verder gaan, zal het dunkt mij niet kwaad zijn eenige hoognoodige beschikkingen te maken.”»Welke beschikkingen bedoelt gij?” vroeg don Pablo.»Wij komen hier in eene streek,” antwoordde Andres Garote, »waar wij van onze paarden meer last dan nut hebben; in de bergen kan een voetganger overal voort en een ruiter schier nergens.”»Dat is zoo; laten wij dus onze paarden hier; de edele dieren zullen zich niet verder verwijderen dan noodig is om voedsel te vinden. Als wij ze later weder gebruiken moeten, zullen wij ze na weinig zoekens wel terugvinden.”»Is deseñoritavan dezelfde meening?” vroeg de gambusino beleefd.»Volkomen,” antwoordde zij.»Stijgen wij dan af; ontzadelen wij de paarden en laten wij hen aan hun lot over.”Alle drie stegen af, ontnamen den paarden het hinderlijke tuig en stuurden hen met een klap op het kruis de wildernis in.De edele dieren, aan deze behandeling gewoon, verwijderden zich nauwelijks eenige stappen en begonnen vreedzaam te weiden van het harde prairiegras.»Ziezoo, dat is gedaan,” zeide de gambusino; »denken wij nu aan ons zelven.”»Maar de tuigen,” merkte de Gazelle aan; »als het oogenblik daar is, zullen wij ze gaarne onder ons bereik nebben.”»Zeer juist geredeneerd,” hernam Andres; »wij zullen ze daaromop eene veilige plaats bergen; kijk, daar in dien hollen boomstam is een hoekje dat er bijzonder toe dienen kan.”»Caramba! dat is een uitmuntend idee,” zei don Pablo, »daar moeten wij gebruik van maken.”De drie zadels en hoofdstellen werden in den hollen boom gestopt en door den gambusino zoo dicht met dood blad bedekt, dat er niets van te zien of te vermoeden was.»Laten wij thans voor ons eigen nachtverblijf zorgen,” zei de Witte-Gazelle; »de nachten zijn koud in dit seizoen, vooral in de bergen, de avond daalt reeds snel, weldra omringt ons de duisternis.”Onze drie veldontdekkers waren laat uit het kamp gereden en terwijl zij zich met het afnemen en verbergen der tuigen bezighielden, was de zon al lager en lager naar de kimmen gezakt en eindelijk ondergegaan. Op dit oogenblik bevonden zij zich juist in de schemering tusschen dag en nacht, die in de prairie zoo kortstondig is en gedurende welke het wegstervende daglicht, met de aardsche duisternis om de heerschappij kampende, het landschap doopt in een soort van halflicht dat de voorwerpen vertoont als door een prisma gezien.Dit oogenblik moesten zij zich ten nutte maken om zich te orienteeren, ten einde voort te kunnen gaan zonder vrees van te zullen verdwalen, wanneer de duisternis geheel de overhand zou hebben bekomen.Zoo gedacht zoo gedaan, en na met een welberekenden blik de richting der verschillende bergspitsen te hebben opgenomen, hervatten zij stoutmoedig hun tocht.Zij marcheerden omtrent een uur lang op een hellend vlak, dat al steiler en steiler werd en eindigde in een terras van geringe breedte, waar zij een poosje halt maakten, vooreerst om adem te scheppen, ten tweede om samen te overleggen wat zij verder doen zouden.»Als wij hier nachtverblijf hielden,” zei de Witte-Gazelle. »De steile rots achter ons beschermt ons uitmuntend tegen den wind, en gewikkeld in onze zarapes en bisonsmantels meen ik zeker dat wij goed slapen zullen.”»Niet te voortvarend, nina,” zei de gambusino hoogwijs, »er is op dit oogenblik aan geen slapen te denken.”»Waar dan aan?” hervatte zij met drift, »wat mij betreft, verzeker ik u dat ik zeer goed slapen zal.”»Dat kan wel waar zijn, nina,” hernam Andres, »maar wij hebben wel iets anders te doen.”»Wat dan?”»Zien waar wij zijn.”»Zien waar wij zijn. Wordt gij nu dwaas, vriend? Het is stikdonker. De drommel zelf, gewend aan de duisternis als hij is, zou hier op zijn eigen staart trappen.”»Juist om die reden, nina; wij moeten ons de weinige oogenblikken eer de maan opkomt ten nutte maken om den omtrek te doorzoeken.”»Ik begrijp er niets van.”»Ziet gij dan niet hoe doorschijnend de lucht is; het zwakke schemerlicht der sterren is voldoende om de voorwerpen zelfs op verren afstand te onderscheiden, zoo de lieden die wij vervolgen nog eten, hebben zij waarschijnlijk dit uur uitgekozen om hunne spijzen te koken.”»Nu, maar wat zou dit?” riep don Pablo nieuwsgierig.»Als gij mijne redeneering maar even wilt nagaan: de Roode-Ceder verwacht zijne vijanden alleen van de zijde der vlakte, niet waar?”»Ja.”»Hij heeft dus zijne voorzorgen aan die zijde genomen, en niet aan deze; hij zal nooit vermoeden dat wij hem zoo nabij zijn en in den waan dat niemand hem hier bespiedt, durft hij den rook van zijn vuur veilig aan den nacht toe te vertrouwen; wel overtuigd dat niemand het zien zal, hetgeen ook letterlijk waar zou zijn als wij tot zijn ongeluk niet hier waren; begrijpt gij nu de reden waarom ik er op aandrong om nog in dat late uur de bergen in te gaan?”De Witte-Gazelle zoowel als don Pablo waren verrast over de juistheid dezer redeneering en zij begonnen bij dit blijk van bekendheid met de woestijn, die hun gids aan den dag legde, een hooger dunk van hem op te vatten en hem stilzwijgend de meerderheid toe te kennen, die ieder mensch van ondervinding op een gegeven oogenblik altijd ten deel valt.»Handel naar goedvinden,” zei don Pablo.»Wij schikken ons geheel naar uw raad,” voegde de Gazelle er bij.De gambusino liet zich door dezen bijval noch door hoogmoed noch door te groot zelfvertrouwen vervoeren; hij vergenoegde zich met zijne twee gezellen aan te bevelen op de plaats te blijven tot hij terug kwam, en verwijderde zich toen.Zoodra hij alleen was ging de gambusino, in plaats van te loopen, zooals hij tot hiertoe gedaan had, plat op den grond liggen en kroop hij op handen en knieën langzaam langs de rotsen, van tijd tot tijd stil houdende om het hoofd op te heffen en rond te kijken, terwijl hij tevens de ooren gespitst hield op het minste geluid.Hij bleef lang weg. Don Pablo en de Gazelle wandelden ongeduldig het terras op en neder, om zich onder het wachten warm te houden.Eindelijk, na verloop van bijna twee uren, kwam hij terug.»Wel!” vroeg don Pablo.»Kom eens mede,” zei de gambusino laconiek.Zij volgden hem.Hij geleidde hen een pad af, zoo steil dat zij op handen en knieën moesten voortkruipen om niet in den afgrond te storten.Na een vrij lange afklimming met ongehoorde moeite volbracht te hebben, richtte de gambusino zich op en wenkte zijne kameraden hetzelfde te doen.Deze lieten het zich geen tweemaal zeggen, want zij konden bijna niet langer.Zij bevonden zich nu weder op een terras, van dezelfde soort als het vorige; ook dit terras was even als het andere begrensd door een steile rots, doch midden in die rots was een opening, als de mond van een oven, en, wat meer is, in die opening zag men zeer in de verte een licht glinsteren, omtrent als eene ster.»Zie eens,” zei de gambusino.»O! wat is dat?” mompelde don Pablo verwonderd.»Zouden wij reeds gevonden hebben wat wij zoeken,” riep de Witte-Gazelle.»St!” riep Andres Garote haar de hand op den mond leggende; en met eene nauwelijks hoorbare stem fluisterde hij: »Wij zijn hier aan den ingang eener grot; die onderaardsche gewelven planten het geluid zoo wonderbaar voort, en de Roode-Ceder is zoo scherp van gehoor; hoe ver hij ook op dit oogenblik van ons verwijderd is, zou hij ons licht kunnen hooren.”Zij staarden eene poos naar het bevende licht, dat als een ondeelbaar punt in de duisternis blonk en er uitzag als het oog der spelonk. Somwijlen kwam er eene donkere schaduw voor deze ster, en bleef zij eenige minuten lang onzichtbaar.Toen de gambusino dacht dat hunne nieuwsgierigheid genoeg voldaan was, trok hij hen even aan den arm en voerde hen zachtjes terug.»Komt,” zeide hij.Zij begonnen weder te klimmen. Omtrent een half uur later deed hij hen op nieuw stil staan en strekte den arm uit in een bepaalde richting.»Ziet eens nauwlettend,” zeide hij hun.»O!” riep don Pablo terstond, »dat is rook.”Werkelijk scheen er een fijne kolom witte rook als een dunne doorschijnende straal uit de aarde ten hemel te stijgen.»Er is geen rook zonder vuur,” grinnikte de gambusino; »eerst heb ik u het vuur laten zien en nu ziet gij den rook. Zijt gij overtuigd? hebben wij het hol van den tijger gevonden?”»Ja,” riepen beiden tegelijk.»Dat is beter dan slapen, niet waar?” hervatte hij min of meer op een toon van triomf.»En wat moeten wij nu doen!” viel de Witte-Gazelle hem met drift in de rede.»Canarios! dat is eenvoudig genoeg,” antwoordde Andres; »een van u moet onmiddellijk naar het kamp terugkeeren om onze ontdekking aan te kondigen, dan zal de meester wel doen wat hij noodig acht.”»Goed!” zei het meisje, »dan ga ik.”»En gij?” vroeg de gambusino zich tot don Pablo richtende.»Ik blijf hier.”Garote had hier tegen niets aan te merken.De Witte-Gazelle ijlde met koortsachtige drift de berghelling af.De gambusino strekte zijn bisonsmantel op den grond uit, wikkelde zich in zijn zarape en ging liggen.»Wat gaat gij doen?” vroeg don Pablo»Dat ziet gij,” was zijn antwoord, »ik maak mij gereed om te slapen; wij hebben voor het oogenblik niets meer te doen en zullen moeten wachten tot morgen; ik zou u raden mijn voorbeeld te volgen.”»’t Is waar,” zei de jongman, »gij hebt gelijk,” en zich in zijn zarape wikkelende ging hij almede op den grond liggen. Zoo verliep er een uur; de beide mannen sliepen of schenen ten minste te slapen.Plotseling richtte don Pablo zich op den elleboog, bukte voorzichtig over zijn kameraad en bekeek hem met aandacht.Andres Garote sliep inderdaad zoo gerust als mogelijk was.Na zich hiervan verzekerd te hebben stond de jongman op, bekeek zijne wapenen, wierp een laatsten blik op den slapende, en klom den berg af.De maan was opgekomen, hare bleeke stralen verspreidden nauwlijks licht genoeg om voort te gaan zonder vrees van in den afgrond te storten.Toen de jongman het lagere terras bereikte, waar in de straks genoemde grot het bewuste bevende licht nog altijd brandde, bleef hij een oogenblik staan, prevelde in stilte een gebed terwijl hij de oogen ten hemel opsloeg die met duizend sterren boven zijn hoofd schitterde, en na nog eens zijne wapens bekeken te hebben om zich te verzekeren dat zij in orde waren sloeg hij een kruis en waagde zich onversaagd in de grot.Er behoorde vrij wat moed toe om aldus een gevaar te gaan braveeren des te geduchter naarmate het minder bekend was.Met het oog op het licht gevestigd dat hem tot poolster diende liep don Pablo voorzichtig met de armen vooruit, het lijf gebukt en het oor gespitst, nu en dan staan blijvende om de naamlooze geluiden te verkennen die gewoonlijk in onderaardsche gewelven weerklinken, en gereed om zich tegen de onzichtbare vijanden te verweren die hij in de schaduw meende te zien.Zoo stapte hij een geruimen tijd voort zonder dat het licht in de verte merkelijk grooter scheen te worden, toen de wand van graniet, waar hij zich onder het voortgaan met de linkerhand aan vasthield, op eens eindigde, en hij in den achtergrond eener kleine door een fakkel van kaarshout flauw verlichte kamer, of rotsholte, Ellen zag liggen, op de naakte rots geknield, in vurigen gebede.De jongman bleef staan door bewondering getroffen bij dit onverwachte schouwspel.Ellen lag met losgereten haren, die haar wild over de schouders hingen; met haar verbleekt gelaat, badende in tranen, scheen zij ten prooi aan de grievendste zielesmart.Afgebroken snikken en diepe zuchten ontsnapten aan hare beklemde borst.Afgebroken snikken en diepe zuchten ontsnapten aan hare beklemde borst. bladz. 270.Afgebroken snikken en diepe zuchten ontsnapten aan hare beklemde borst. bladz. 270.Don Pablo kon bij dit hartbrekend gezicht zijne ontroering niet langer meester blijven. Onbedachtzaam alle voorzichtigheid ter zijde stellende, ijlde hij met open armen naar het meisje toe en riep op een toon van hartstochtelijke liefde:»Ellen! Ellen! wat deert u?”Op deze stem, die zoo onverwachts haar gehoor trof, stond het meisje op en zeide met een gebiedenden wenk vol majesteit:»Vlucht, ongelukkige, vlucht of gij zijt verloren!”»Ellen,” hervatte hij, haar te voet vallende en de handen smeekend naar haar opheffende, »wat ik u bidden mag, hoor mij!”»Wat komt gij hier doen?” riep zij.»Ik kom u redden of sterven.”»Mij redden,” herhaalde zij op droevigen toon; »neen, don Pablo, mijn lot is voor altijd besloten, laat mij met vrede; vlucht als ik u bidden mag.”»Neen, zeg ik u, er zweeft een vreeselijk gevaar over uws vaders hoofd, hij is reddeloos verloren; kom en vlucht, nu het nog tijd is. O! Ellen, ik bid u in naam onzer liefde, zoo rein en oprecht, volg mij!”Het meisje schudde onwillig het hoofd met eene beweging die hare lange blonde tressen deed golven.»Ik ben ten doode gedoemd, don Pablo, u langer hier te houden is uw verderf te zoeken. Gij bemint mij zegt gij, welnu, op mijne beurt zeg ik u, uit naam van uwe liefde en uit dien van de mijne zoo gij het wilt, bid ik u mij te verlaten, voor altijd te verlaten! O! geloof mij toch, don Pablo. Zoo gij mij aanraakt, zijt gij dood, ik ben een vervloekt schepsel.”De jongman kruiste de armen op de borst en richtte fier het hoofd op.»Neen!” zeide hij vastberaden, »ik zal niet vertrekken, de belanglooze trouw mag uw deel alleen niet zijn; wat zegt mijn leven, als ik u niet meer zien mag? Ellen! wij zullen samen sterven.”»Mijn God! wat heeft hij mij lief,” riep zij wanhopig. »Heer! Heer! zal ik nog meer moeten lijden, of is de maat eindelijk vol? O, geef mij de kracht om mijne zelfopoffering ten einde toe vol te houden! Hoor eens, don Pablo,” riep zij, hem met kracht bij den arm grijpende, »mijn vader is een banneling, door de gansche wereld uitgeworpen; hij heeft maar eene vreugd, een geluk in zijn onmetelijk ongeluk, namelijk zijne dochter! Ik kan, ik wil hem niet verlaten. Hoe hartgrondig ik u ook lief heb, don Pablo, nooitzal ik mijn vader verlaten. Nu heb ik u alles gezegd wat er tusschen ons te zeggen is, mijn vriend; door langer hier te vertoeven trotseert gij nutteloos een groot en onvermijdelijk gevaar. Vertrek, don Pablo, vertrek, ik gebied het u.”»Bedenk,” zei de jongman met tranen in de oogen, »bedenk, Ellen, dat dit gesprek ons laatste zal zijn.”»Ik weet het.”»Wilt gij dan volstrekt dat ik zal gaan?”»Ik gebied het.”»Ja, maar ik wil het niet!” riep op eens eene ruwe stem.Zij keken verschrikt om, en zagen den Roode-Ceder, die met de handen op zijn geweer gekruist op eenigen afstand hen grinnikend aanstaarde. Ellen wierp haar vader zulk een gebiedenden blik toe dat de oude Squatter onwillekeurig de oogen neersloeg.Zonder te antwoorden wendde zij zich tot don Pablo en nam hem bij de hand.»Kom,” zeide zij en trad stout naar haar vader, die steeds onbeweeglijk stond.»Laat ons door,” zeide zij vastberaden.»Neen,” antwoordde de Squatter.»Let wel op hetgeen ik u zeg, vader,” hernam zij, »ik heb u mijn leven, mijn geluk en al mijne wenschen op deze wereld ten offer gebracht, maar op eene voorwaarde, namelijk dat zijn leven u heilig zal zijn; laat hem dus gaan, ik wil het zoo.”»Neen,” riep hij nog eens, »hij moet sterven.”Zij schoot in een stuipachtigen lach, welks scherpe toon de beide mannen deed huiveren; met een lichtsnellen greep rukte zij den Squatter een zijner pistolen uit den gordel, spande den haan, en zette het zich voor het hoofd.»Laat hem door!” herhaalde zij.De Roode-Ceder brulde van schrik.»Houd op,” riep hij haar aangrijpende.»Nog eens, laat door of ik dood mij.”»O!” riep de bandiet op een toon van onbeschrijfelijke woede, »ga dan, duivel; maar ik zal u wel wedervinden!”»Vaarwel, mijn geliefde,” riep Ellen hartstochtelijk, »voor de laatste maal, vaarwel!”»Ellen,” antwoordde de jongman, »tot wederziens, ik zal u redden in weerwil van u zelve!”En hij verdween in de galerij.»Nu, vader,” zei het meisje haar pistool wegwerpende, toen het geluid der voetstappen van haar geliefde in de verte was weggestorven, »nu kunt gij met mij doen wat gij wilt.”»U vergeef ik het, kind,” antwoordde de Roode-Ceder tandknersend, »maar hem zal ik dooden!”

De drie avonturiers die het kamp van den partijganger zoo snel uitgereden waren, hadden den weg naar de bergen gekozen. Zij galoppeerden onophoudelijk en zwijgend voort.

De ontknooping van het vreeselijke drama, dat zoo lang had geduurd, begon te naderen, dat voelden zij, en toch waren zij treurig gestemd.

Zoo is de mensch, geen gevoel dat hem sterker overmeestert dan de droefheid; het menschelijk gestel is als geboren om te strijden, vreugde is een abnormale toestand; gevormd om op harde proeven te worden gesteld, is de sterkste soms de eerste die bezwijken zal in voorspoed; ja de beide aandoeningen, hoe verschillend in hare soort, zijn in hare uitwerksels zoo aan elkander gelijk, dat groote blijdschap de zielskracht evenzeer vernietigt als groote droefenis.

Dit bleek weder aan de drie boven genoemde personen. Op het oogenblik dat zij hunne lang gekoesterde hoop verwezenlijkt zagen, gevoelden zij zich gedrukt en neerslachtig, zonder eigenlijk te weten waarom.

De beslissende slag zou thans worden geslagen. Sedert maanden voerden zij een harden strijd tegen een geducht kampioen, die list tegen list en sluwheid tegenover sluwheid wist te stellen en ten slotte ofschoon zwaar gewond nog altijd overwinnaar was gebleven.

Ditmaal echter was de kans verkeerd; de zegepraal scheen te zullen verblijven aan de zijde van het goed recht; terwijl de bandiet, tot in zijn laatste wijkplaats teruggedrongen, met ieder uur verwachten kon te worden ten ondergebracht.

Intusschen ontveinsden zij zichgeenszinsde moeielijkheden van dezen beslissenden strijd, in welken de bandiet, zoo het hem al niet gelukte hen door nieuwe list andermaal te bedriegen, misschien door een eervollen dood in de laatste verschansing ontsnappen kon aan de straf die hem was toegedacht.

In hunne tegenwoordige stemming laat zich licht begrijpen dat er tusschen de drie avonturiers niet gesproken werd, tot zij eindelijk de eerste bergen bereikten.

Daar hielden zij stil.

»Caballeros!” zeide de gambusino, »eer wij verder gaan, zal het dunkt mij niet kwaad zijn eenige hoognoodige beschikkingen te maken.”

»Welke beschikkingen bedoelt gij?” vroeg don Pablo.

»Wij komen hier in eene streek,” antwoordde Andres Garote, »waar wij van onze paarden meer last dan nut hebben; in de bergen kan een voetganger overal voort en een ruiter schier nergens.”

»Dat is zoo; laten wij dus onze paarden hier; de edele dieren zullen zich niet verder verwijderen dan noodig is om voedsel te vinden. Als wij ze later weder gebruiken moeten, zullen wij ze na weinig zoekens wel terugvinden.”

»Is deseñoritavan dezelfde meening?” vroeg de gambusino beleefd.

»Volkomen,” antwoordde zij.

»Stijgen wij dan af; ontzadelen wij de paarden en laten wij hen aan hun lot over.”

Alle drie stegen af, ontnamen den paarden het hinderlijke tuig en stuurden hen met een klap op het kruis de wildernis in.

De edele dieren, aan deze behandeling gewoon, verwijderden zich nauwelijks eenige stappen en begonnen vreedzaam te weiden van het harde prairiegras.

»Ziezoo, dat is gedaan,” zeide de gambusino; »denken wij nu aan ons zelven.”

»Maar de tuigen,” merkte de Gazelle aan; »als het oogenblik daar is, zullen wij ze gaarne onder ons bereik nebben.”

»Zeer juist geredeneerd,” hernam Andres; »wij zullen ze daaromop eene veilige plaats bergen; kijk, daar in dien hollen boomstam is een hoekje dat er bijzonder toe dienen kan.”

»Caramba! dat is een uitmuntend idee,” zei don Pablo, »daar moeten wij gebruik van maken.”

De drie zadels en hoofdstellen werden in den hollen boom gestopt en door den gambusino zoo dicht met dood blad bedekt, dat er niets van te zien of te vermoeden was.

»Laten wij thans voor ons eigen nachtverblijf zorgen,” zei de Witte-Gazelle; »de nachten zijn koud in dit seizoen, vooral in de bergen, de avond daalt reeds snel, weldra omringt ons de duisternis.”

Onze drie veldontdekkers waren laat uit het kamp gereden en terwijl zij zich met het afnemen en verbergen der tuigen bezighielden, was de zon al lager en lager naar de kimmen gezakt en eindelijk ondergegaan. Op dit oogenblik bevonden zij zich juist in de schemering tusschen dag en nacht, die in de prairie zoo kortstondig is en gedurende welke het wegstervende daglicht, met de aardsche duisternis om de heerschappij kampende, het landschap doopt in een soort van halflicht dat de voorwerpen vertoont als door een prisma gezien.

Dit oogenblik moesten zij zich ten nutte maken om zich te orienteeren, ten einde voort te kunnen gaan zonder vrees van te zullen verdwalen, wanneer de duisternis geheel de overhand zou hebben bekomen.

Zoo gedacht zoo gedaan, en na met een welberekenden blik de richting der verschillende bergspitsen te hebben opgenomen, hervatten zij stoutmoedig hun tocht.

Zij marcheerden omtrent een uur lang op een hellend vlak, dat al steiler en steiler werd en eindigde in een terras van geringe breedte, waar zij een poosje halt maakten, vooreerst om adem te scheppen, ten tweede om samen te overleggen wat zij verder doen zouden.

»Als wij hier nachtverblijf hielden,” zei de Witte-Gazelle. »De steile rots achter ons beschermt ons uitmuntend tegen den wind, en gewikkeld in onze zarapes en bisonsmantels meen ik zeker dat wij goed slapen zullen.”

»Niet te voortvarend, nina,” zei de gambusino hoogwijs, »er is op dit oogenblik aan geen slapen te denken.”

»Waar dan aan?” hervatte zij met drift, »wat mij betreft, verzeker ik u dat ik zeer goed slapen zal.”

»Dat kan wel waar zijn, nina,” hernam Andres, »maar wij hebben wel iets anders te doen.”

»Wat dan?”

»Zien waar wij zijn.”

»Zien waar wij zijn. Wordt gij nu dwaas, vriend? Het is stikdonker. De drommel zelf, gewend aan de duisternis als hij is, zou hier op zijn eigen staart trappen.”

»Juist om die reden, nina; wij moeten ons de weinige oogenblikken eer de maan opkomt ten nutte maken om den omtrek te doorzoeken.”

»Ik begrijp er niets van.”

»Ziet gij dan niet hoe doorschijnend de lucht is; het zwakke schemerlicht der sterren is voldoende om de voorwerpen zelfs op verren afstand te onderscheiden, zoo de lieden die wij vervolgen nog eten, hebben zij waarschijnlijk dit uur uitgekozen om hunne spijzen te koken.”

»Nu, maar wat zou dit?” riep don Pablo nieuwsgierig.

»Als gij mijne redeneering maar even wilt nagaan: de Roode-Ceder verwacht zijne vijanden alleen van de zijde der vlakte, niet waar?”

»Ja.”

»Hij heeft dus zijne voorzorgen aan die zijde genomen, en niet aan deze; hij zal nooit vermoeden dat wij hem zoo nabij zijn en in den waan dat niemand hem hier bespiedt, durft hij den rook van zijn vuur veilig aan den nacht toe te vertrouwen; wel overtuigd dat niemand het zien zal, hetgeen ook letterlijk waar zou zijn als wij tot zijn ongeluk niet hier waren; begrijpt gij nu de reden waarom ik er op aandrong om nog in dat late uur de bergen in te gaan?”

De Witte-Gazelle zoowel als don Pablo waren verrast over de juistheid dezer redeneering en zij begonnen bij dit blijk van bekendheid met de woestijn, die hun gids aan den dag legde, een hooger dunk van hem op te vatten en hem stilzwijgend de meerderheid toe te kennen, die ieder mensch van ondervinding op een gegeven oogenblik altijd ten deel valt.

»Handel naar goedvinden,” zei don Pablo.

»Wij schikken ons geheel naar uw raad,” voegde de Gazelle er bij.

De gambusino liet zich door dezen bijval noch door hoogmoed noch door te groot zelfvertrouwen vervoeren; hij vergenoegde zich met zijne twee gezellen aan te bevelen op de plaats te blijven tot hij terug kwam, en verwijderde zich toen.

Zoodra hij alleen was ging de gambusino, in plaats van te loopen, zooals hij tot hiertoe gedaan had, plat op den grond liggen en kroop hij op handen en knieën langzaam langs de rotsen, van tijd tot tijd stil houdende om het hoofd op te heffen en rond te kijken, terwijl hij tevens de ooren gespitst hield op het minste geluid.

Hij bleef lang weg. Don Pablo en de Gazelle wandelden ongeduldig het terras op en neder, om zich onder het wachten warm te houden.

Eindelijk, na verloop van bijna twee uren, kwam hij terug.

»Wel!” vroeg don Pablo.

»Kom eens mede,” zei de gambusino laconiek.

Zij volgden hem.

Hij geleidde hen een pad af, zoo steil dat zij op handen en knieën moesten voortkruipen om niet in den afgrond te storten.

Na een vrij lange afklimming met ongehoorde moeite volbracht te hebben, richtte de gambusino zich op en wenkte zijne kameraden hetzelfde te doen.

Deze lieten het zich geen tweemaal zeggen, want zij konden bijna niet langer.

Zij bevonden zich nu weder op een terras, van dezelfde soort als het vorige; ook dit terras was even als het andere begrensd door een steile rots, doch midden in die rots was een opening, als de mond van een oven, en, wat meer is, in die opening zag men zeer in de verte een licht glinsteren, omtrent als eene ster.

»Zie eens,” zei de gambusino.

»O! wat is dat?” mompelde don Pablo verwonderd.

»Zouden wij reeds gevonden hebben wat wij zoeken,” riep de Witte-Gazelle.

»St!” riep Andres Garote haar de hand op den mond leggende; en met eene nauwelijks hoorbare stem fluisterde hij: »Wij zijn hier aan den ingang eener grot; die onderaardsche gewelven planten het geluid zoo wonderbaar voort, en de Roode-Ceder is zoo scherp van gehoor; hoe ver hij ook op dit oogenblik van ons verwijderd is, zou hij ons licht kunnen hooren.”

Zij staarden eene poos naar het bevende licht, dat als een ondeelbaar punt in de duisternis blonk en er uitzag als het oog der spelonk. Somwijlen kwam er eene donkere schaduw voor deze ster, en bleef zij eenige minuten lang onzichtbaar.

Toen de gambusino dacht dat hunne nieuwsgierigheid genoeg voldaan was, trok hij hen even aan den arm en voerde hen zachtjes terug.

»Komt,” zeide hij.

Zij begonnen weder te klimmen. Omtrent een half uur later deed hij hen op nieuw stil staan en strekte den arm uit in een bepaalde richting.

»Ziet eens nauwlettend,” zeide hij hun.

»O!” riep don Pablo terstond, »dat is rook.”

Werkelijk scheen er een fijne kolom witte rook als een dunne doorschijnende straal uit de aarde ten hemel te stijgen.

»Er is geen rook zonder vuur,” grinnikte de gambusino; »eerst heb ik u het vuur laten zien en nu ziet gij den rook. Zijt gij overtuigd? hebben wij het hol van den tijger gevonden?”

»Ja,” riepen beiden tegelijk.

»Dat is beter dan slapen, niet waar?” hervatte hij min of meer op een toon van triomf.

»En wat moeten wij nu doen!” viel de Witte-Gazelle hem met drift in de rede.

»Canarios! dat is eenvoudig genoeg,” antwoordde Andres; »een van u moet onmiddellijk naar het kamp terugkeeren om onze ontdekking aan te kondigen, dan zal de meester wel doen wat hij noodig acht.”

»Goed!” zei het meisje, »dan ga ik.”

»En gij?” vroeg de gambusino zich tot don Pablo richtende.

»Ik blijf hier.”

Garote had hier tegen niets aan te merken.

De Witte-Gazelle ijlde met koortsachtige drift de berghelling af.

De gambusino strekte zijn bisonsmantel op den grond uit, wikkelde zich in zijn zarape en ging liggen.

»Wat gaat gij doen?” vroeg don Pablo

»Dat ziet gij,” was zijn antwoord, »ik maak mij gereed om te slapen; wij hebben voor het oogenblik niets meer te doen en zullen moeten wachten tot morgen; ik zou u raden mijn voorbeeld te volgen.”

»’t Is waar,” zei de jongman, »gij hebt gelijk,” en zich in zijn zarape wikkelende ging hij almede op den grond liggen. Zoo verliep er een uur; de beide mannen sliepen of schenen ten minste te slapen.

Plotseling richtte don Pablo zich op den elleboog, bukte voorzichtig over zijn kameraad en bekeek hem met aandacht.

Andres Garote sliep inderdaad zoo gerust als mogelijk was.

Na zich hiervan verzekerd te hebben stond de jongman op, bekeek zijne wapenen, wierp een laatsten blik op den slapende, en klom den berg af.

De maan was opgekomen, hare bleeke stralen verspreidden nauwlijks licht genoeg om voort te gaan zonder vrees van in den afgrond te storten.

Toen de jongman het lagere terras bereikte, waar in de straks genoemde grot het bewuste bevende licht nog altijd brandde, bleef hij een oogenblik staan, prevelde in stilte een gebed terwijl hij de oogen ten hemel opsloeg die met duizend sterren boven zijn hoofd schitterde, en na nog eens zijne wapens bekeken te hebben om zich te verzekeren dat zij in orde waren sloeg hij een kruis en waagde zich onversaagd in de grot.

Er behoorde vrij wat moed toe om aldus een gevaar te gaan braveeren des te geduchter naarmate het minder bekend was.

Met het oog op het licht gevestigd dat hem tot poolster diende liep don Pablo voorzichtig met de armen vooruit, het lijf gebukt en het oor gespitst, nu en dan staan blijvende om de naamlooze geluiden te verkennen die gewoonlijk in onderaardsche gewelven weerklinken, en gereed om zich tegen de onzichtbare vijanden te verweren die hij in de schaduw meende te zien.

Zoo stapte hij een geruimen tijd voort zonder dat het licht in de verte merkelijk grooter scheen te worden, toen de wand van graniet, waar hij zich onder het voortgaan met de linkerhand aan vasthield, op eens eindigde, en hij in den achtergrond eener kleine door een fakkel van kaarshout flauw verlichte kamer, of rotsholte, Ellen zag liggen, op de naakte rots geknield, in vurigen gebede.

De jongman bleef staan door bewondering getroffen bij dit onverwachte schouwspel.

Ellen lag met losgereten haren, die haar wild over de schouders hingen; met haar verbleekt gelaat, badende in tranen, scheen zij ten prooi aan de grievendste zielesmart.

Afgebroken snikken en diepe zuchten ontsnapten aan hare beklemde borst.

Afgebroken snikken en diepe zuchten ontsnapten aan hare beklemde borst. bladz. 270.Afgebroken snikken en diepe zuchten ontsnapten aan hare beklemde borst. bladz. 270.

Afgebroken snikken en diepe zuchten ontsnapten aan hare beklemde borst. bladz. 270.

Don Pablo kon bij dit hartbrekend gezicht zijne ontroering niet langer meester blijven. Onbedachtzaam alle voorzichtigheid ter zijde stellende, ijlde hij met open armen naar het meisje toe en riep op een toon van hartstochtelijke liefde:

»Ellen! Ellen! wat deert u?”

Op deze stem, die zoo onverwachts haar gehoor trof, stond het meisje op en zeide met een gebiedenden wenk vol majesteit:

»Vlucht, ongelukkige, vlucht of gij zijt verloren!”

»Ellen,” hervatte hij, haar te voet vallende en de handen smeekend naar haar opheffende, »wat ik u bidden mag, hoor mij!”

»Wat komt gij hier doen?” riep zij.

»Ik kom u redden of sterven.”

»Mij redden,” herhaalde zij op droevigen toon; »neen, don Pablo, mijn lot is voor altijd besloten, laat mij met vrede; vlucht als ik u bidden mag.”

»Neen, zeg ik u, er zweeft een vreeselijk gevaar over uws vaders hoofd, hij is reddeloos verloren; kom en vlucht, nu het nog tijd is. O! Ellen, ik bid u in naam onzer liefde, zoo rein en oprecht, volg mij!”

Het meisje schudde onwillig het hoofd met eene beweging die hare lange blonde tressen deed golven.

»Ik ben ten doode gedoemd, don Pablo, u langer hier te houden is uw verderf te zoeken. Gij bemint mij zegt gij, welnu, op mijne beurt zeg ik u, uit naam van uwe liefde en uit dien van de mijne zoo gij het wilt, bid ik u mij te verlaten, voor altijd te verlaten! O! geloof mij toch, don Pablo. Zoo gij mij aanraakt, zijt gij dood, ik ben een vervloekt schepsel.”

De jongman kruiste de armen op de borst en richtte fier het hoofd op.

»Neen!” zeide hij vastberaden, »ik zal niet vertrekken, de belanglooze trouw mag uw deel alleen niet zijn; wat zegt mijn leven, als ik u niet meer zien mag? Ellen! wij zullen samen sterven.”

»Mijn God! wat heeft hij mij lief,” riep zij wanhopig. »Heer! Heer! zal ik nog meer moeten lijden, of is de maat eindelijk vol? O, geef mij de kracht om mijne zelfopoffering ten einde toe vol te houden! Hoor eens, don Pablo,” riep zij, hem met kracht bij den arm grijpende, »mijn vader is een banneling, door de gansche wereld uitgeworpen; hij heeft maar eene vreugd, een geluk in zijn onmetelijk ongeluk, namelijk zijne dochter! Ik kan, ik wil hem niet verlaten. Hoe hartgrondig ik u ook lief heb, don Pablo, nooitzal ik mijn vader verlaten. Nu heb ik u alles gezegd wat er tusschen ons te zeggen is, mijn vriend; door langer hier te vertoeven trotseert gij nutteloos een groot en onvermijdelijk gevaar. Vertrek, don Pablo, vertrek, ik gebied het u.”

»Bedenk,” zei de jongman met tranen in de oogen, »bedenk, Ellen, dat dit gesprek ons laatste zal zijn.”

»Ik weet het.”

»Wilt gij dan volstrekt dat ik zal gaan?”

»Ik gebied het.”

»Ja, maar ik wil het niet!” riep op eens eene ruwe stem.

Zij keken verschrikt om, en zagen den Roode-Ceder, die met de handen op zijn geweer gekruist op eenigen afstand hen grinnikend aanstaarde. Ellen wierp haar vader zulk een gebiedenden blik toe dat de oude Squatter onwillekeurig de oogen neersloeg.

Zonder te antwoorden wendde zij zich tot don Pablo en nam hem bij de hand.

»Kom,” zeide zij en trad stout naar haar vader, die steeds onbeweeglijk stond.

»Laat ons door,” zeide zij vastberaden.

»Neen,” antwoordde de Squatter.

»Let wel op hetgeen ik u zeg, vader,” hernam zij, »ik heb u mijn leven, mijn geluk en al mijne wenschen op deze wereld ten offer gebracht, maar op eene voorwaarde, namelijk dat zijn leven u heilig zal zijn; laat hem dus gaan, ik wil het zoo.”

»Neen,” riep hij nog eens, »hij moet sterven.”

Zij schoot in een stuipachtigen lach, welks scherpe toon de beide mannen deed huiveren; met een lichtsnellen greep rukte zij den Squatter een zijner pistolen uit den gordel, spande den haan, en zette het zich voor het hoofd.

»Laat hem door!” herhaalde zij.

De Roode-Ceder brulde van schrik.

»Houd op,” riep hij haar aangrijpende.

»Nog eens, laat door of ik dood mij.”

»O!” riep de bandiet op een toon van onbeschrijfelijke woede, »ga dan, duivel; maar ik zal u wel wedervinden!”

»Vaarwel, mijn geliefde,” riep Ellen hartstochtelijk, »voor de laatste maal, vaarwel!”

»Ellen,” antwoordde de jongman, »tot wederziens, ik zal u redden in weerwil van u zelve!”

En hij verdween in de galerij.

»Nu, vader,” zei het meisje haar pistool wegwerpende, toen het geluid der voetstappen van haar geliefde in de verte was weggestorven, »nu kunt gij met mij doen wat gij wilt.”

»U vergeef ik het, kind,” antwoordde de Roode-Ceder tandknersend, »maar hem zal ik dooden!”


Back to IndexNext