[Illustratie: ALBERT VERWEY Jeugdportret]
[Illustratie: ALBERT VERWEY]
Noordwijk-aan-Zee.
Dit is nu eens een man, die niet zoo heel gemakkelijk vertelt. Toen ik—het schemerde, en ik had een langen, vermoeienden tocht achter den rug—tegenover hem zat, dacht ik al aanstonds: "Die laat zich niet gauw vangen". Ik had een echten, degelijken Hollander voor me, die zich instinctmatig een beetje op een afstand houdt, en er niet toe te brengen is, met een vreemde te spreken over de ideeen, die hij nu al zooveel jaren in zich omdraagt en steeds rijper voelt worden. Bovendien: "Ik ben overtuigd, meneer, dat er maar een vorm is, waarin men zich kan uiten, en dat is de vorm, die "het doet". Ik spreek niet graag over personen of boeken, over dingen, die nog niet als afgedaan worden beschouwd. Alles wat ik te zeggen heb, vindt u in mijn tijdschrift, in den besten vorm, dien ik er voor kon vinden. Mijn woorden zijn op een goudschaaltje gewogen, en zooals het daar staat, precies zoo bedoel ik het. Maar ga ik nu spreken, dan kan ik licht iets vergeten, iets anders te veel betonen … en werkelijk, daar zou ik later veel spijt van hebben…."
Ik werd al bang, dat het mij niet gelukken zou, iets interessants mede te deelen omtrent dezen dichter. Ik voelde een soort gene, kon er niet zoo gemakkelijk toe overgaan, hem te vragen naar byzonderheden uit zijn leven, naar datgene, dat men zoo graag leest. Zijn langdurige, eenzame overpeinzingen wennen er dezen man aan, zich in zijn spreken al heel spoedig boven den beganen grond te verheffen, te gaan uitweiden over principes, over wijsbegeerte, over de grenzen van zijn kunst, over het algemeene, waarvoor men zoo heel moeilijk woorden, zeer trage woorden vindt. Als men zoover is gekomen, worden de gedachten zoo licht en zoo ijl, dat men ze bijna ontheiligt door ze te zeggen.
Wat hij mij uit zijn vroeger leven mededeelde, was in zeer eenvoudige bewoordingen vervat. En gij vindt niet veel spannende avonturen in zijn verhaal:
"Hoe ga je schrijven? Omdat 't je invalt. Er is eigenlijk geen andere reden. Ik kan niet zeggen, dat er bij mij een bepaalde aanleiding aanwezig was. Liefhebberij, dat is de eenige oorzaak. Er waren te Amsterdam een paar jongelui, die een eigen tijdschrift noodig hadden, omdat ze, ja, voor het meerendeel wel medewerkten in de "Amsterdammer", maar daar sommige personen niet mochten aanvallen. In het algemeen moet u dit in aanmerking nemen: dat aan die wording van "De Nieuwe Gids" tegenwoordig wel veel waarde wordt gehecht,—het is nu eenmaal geschiedenis geworden, en ook is de invloed van ons eerste werk bij vele schrijvers en bij het groote publiek duidelijk te onderkennen,—maar ik verhoud mij daar wel wat anders tegen."
Voor mij vertegenwoordigt die "Nieuwe Gids"-beweging maar een jaar of wat uit mijn jeugd, en niet meer. Zij vormt maar een heel klein stukje van mijn ontwikkeling, en daarna komt een groot aantal jaren, die voor mij veel belangrijker zijn. Natuurlijk! aan den invloed, dien wij zouden oefenen, werd door ons niet getwijfeld. Alle schrijvers van beteekenis in die dagen waren oud, en wij wisten vrij zeker, dat binnen enkele jaren hun onmiddellijke invloed een eind zou nemen. En was het een klein verschil, dat ons van de andere letterkundigen scheidde, dan hadden wij gedacht: het publiek zal ons een zelfstandige plaats toekennen en daarmee uit. Maar ons optreden wekte van begin af een groote animositeit. Alle letterkundigen van naam waren ons van begin af vijandig. Behalve Vosmaer! Beets, b.v., die toen al een oud man was, gaf in zijn latere bundels telkens kleine gedichtjes, die duidelijk steken op de opkomende jonge dichters bevatten.
Maar een ander oud man, een die trachtte ons verder te ontwikkelen, was dr. Doorenbos. Een hoogst eigenaardig man, geen eigenlijk docent. De meeste jongelui hadden geen oog voor hem. Maar des te meer voelden wij, die een anderen kant uit wilden, ons tot hem aangetrokken. Hij kwam voor al zijn meeningen uit, ook tegenover jongelui, en juist zijn onafhankelijkheidsgevoel maakte, dat hij op ons een invloed had, die te vergelijken is met den lateren invloed van Multatuli. Van der Goes, Kloos en ik, we waren zijn leerlingen op de H.B.S. met 5-jarigen cursus te Amsterdam, en als ik mij niet vergis, dan had Perk privaatlessen bij hem. Ook na de school bleven Kloos en Van der Goes in relatie met hem, en op deze wijze werd het langzamerhand gewoonte, op Zondagavond bij hem te komen, en daar onze afwijkende meeningen te bespreken. Bovendien was hij een tijdlang redacteur van het letterkundig gedeelte van de "Amsterdammer", en zoodoende kregen wij er veel in geplaatst. Maar toen onze "Nieuwe Gids" werd opgericht, toen werd de band toch losser, want hij, op zijn leeftijd, kon zich met onze uitsprekelijkheid niet geheel vereenigen. Toch heeft hij van uit Brussel nog een bijdrage gezonden.
Mijn medewerking aan dat tijdschrift heeft ook maar een jaar of drie geduurd, tot ongeveer '89. En in die periode waren de critische denkbeelden van de opkomende partij in hoofdzaak gezegd. Daarna kwamen tot breeder ontplooiing eenerzijds de boekbesprekingen van Van Deyssel en anderzijds het werk van Frederik van Eeden. Omstreeks 1890 werd, met een artikel van Alfons Diepenbrock, een andere strooming duidelijk.
De "Nieuwe Gids" nl. bracht in hoofdzaak een kunst van gevoelsopwelling en indruk, evenwijdig loopend met het impressionisme in de schilderkunst. Er begon echter verlangen te komen naar een zekere bezonkenheid, naar meer innerlijk leven. Dat heeft Diepenbrock van Katholiek standpunt uit belicht.
Samen met Van Deyssel kwam ik toen tot de oprichting van het "Tweemaandelijksch Tijdschrift". Het doel was: te zoeken naar een kunst van meerdere bezonkenheid, maar waaraan poezie en naturalistische waarneming gelijkelijk deel hadden.
Ons tijdschrift werkte dan ook een poos in die richting, en daardoor werd het bij uitstek geschikt, om de meest verschillende elementen bij elkaar te krijgen. Aan de eene zijde de dichters, en aan den anderen kant de naturalistische auteurs, die evenwel, bij voortduring, sterk in aantal toenamen. Na dien tijd heeft de richting in onze literatuur-ontwikkeling, die naar de bezonkenheid voerde, en naar het innerlijk leven, zich voortgezet. Maar dat het naturalisme zich onder de romanschrijvers nog steeds meer aanhang verwierf, dat had ten gevolge, dat door den aandrang van hun vaak minderwaardige bijdragen, de poezie, die voornamelijk innerlijk leven zou uitdrukken, als het ware in een hoek werd gedrongen. Daardoor werd het voor mij wenschelijk, een tijdschrift te hebben, waarin het streven naar innerlijke poezie op den duur de bovenhand zou kunnen krijgen.
Dat werd "De Beweging". Mijn tijdschrift richt zich volstrekt niet tegen het naturalisme op zich zelf,—dat houd ik voor iets, dat altijd terug moet komen, en er ook altijd is, voor zoover geen enkele kunst kan leven zonder natuurbeschouwing. Maar op het sensitivistische in de romankunst wilde ik laten volgen een poging, om het innerlijke sterker tot uiting te brengen.
Ook in het naar voren dringen van het constructieve element in de architectuur, en hier heb ik het werk van Berlage op het oog, zie ik een dergelijk verschijnsel. Ook in de latere schilderijen van Verster. Daar wordt niet meer weergegeven de aandoening, die de schilder kreeg van de werkelijkheid, ook niet meer de gevoelsontroering, die hij ervan kreeg, maar hij maakt van het voorwerp, dat hij buiten zich zag: een innerlijk bezit, in een licht van zich zelf gezet, en waar hij zijn geest in uitdrukt. Dat tot uiting komen van het georganiseerde innerlijk lijkt mij het kenmerkende van de laatste jaren en daarmede houdt, volgens mijn opvatting, ook het meer geaccentueerde optreden van professor Bolland verband.
—Die ontwikkeling kan dan natuurlijk ook in de geschiedenis van uw werk worden nagewezen?
—Dat spreekt. Wat wij om ons heen zien gebeuren, is een projectie van wat in ons zelf gebeurt. In mijn eerste werk zit datgene, wat ons in den "Nieuwe Gids"-tijd bezig hield, ik wil zeggen: bewondering voor de natuur, hartstocht en gevoelsopwelling. In '90 trouwde ik, en op mijn huwelijk volgt een tijd van afgezonderd leven; en dat bracht mee: een soort van inkeer, een gedachteleven, dat natuurlijk wel in den tijd lag, maar toch ook niet minder in mij zelf. De uiting van de bezonkenheid, die er toen over mij kwam, kunt u vinden in vijf bundels gedichten: "Aarde", "De nieuwe tuin", "Het brandende braam-bosch", "Dagen en daden", "De kristaltwijg". Die vijf vullen voor mij het tijdperk van teruggetrokkenheid. Na die periode voelde ik, dat er zoowel buiten als in mij zelf een andere wind waaide. Ik kwam uit mijn afzondering te voorschijn, ik voelde behoefte, om de wereld om mij heen op zekere wijze samen te vatten, te uiten wat ik over de wereld dacht. Het kenmerkende van onzen tijd, in allerlei kringen, in allerlei groepen, is een poging tot organisatie, dat wil zeggen: het aanwenden van geesteskracht op de massa. De "Beweging" is ook niet alleen een letterkundig tijdschrift. Juist het geestelijk zich organiseeren van alles wat op maatschappelijk gebied gebeurt, dat noem ik het mooie doel, waarvoor ik gaarne verschillende krachten zou bijeenbrengen. Vooral nu ik twee mede-redacteuren heb gekregen, De Boer voor wijsbegeerte en geschiedenis en De Vooys voor sociale zaken, hoop ik daarin te slagen. De pogingen tot organisatie zijn overal te vinden, maar de centra zijn door onderlinge geschillen voortdurend zwak. Die moeten aangesterkt worden. Zie, ik zal u vertellen wat ik onder organisatie versta:
De natuur geeft een zekere stof, en de geest heeft er behoefte aan, op die stof kristalliseerend te werken, begeeft zich in die stof, en doet daardoor ontstaan een vorm, die niet een gril van den geest is, maar wel de wijze, waarop de natuur zich met dien geest verstaat. Nu begrijpt u meteen wat ik versta onder geestelijke kunst: zoolang de literatuur zich beweegt in indrukken, of in het gevoel, is het niet noodzakelijk, dat de schrijver vormen voortbrengt, die het voorkomen hebben van den noodzakelijken vorm, dien de stof moet aannemen.
Je hebt hier dat duinlandschap, je krijgt daar een indruk van, en het is mogelijk met dien indruk een gedicht samen te stellen.
Nu kijk je opnieuw, je voelt een aandoening, en die kun je uitdrukken, zonder veel van het landschap in je werk op te nemen.
Maar nu kijk je voor de derde maal, en nu is je blik zoo doordringend geworden, je geheele wezen neemt in zulk een mate deel aan de waarneming, dat de uitdrukking ervan geeft het wezen van je geest, en het wezen van het landschap tevens. Dan ontstaat wat ik geestelijke kunst noem. Daaraan neemt de natuur wel degelijk deel, want je ziet de duinen; alleen: niet op de wijze van gewone waarneming zie je de natuur, maar als een een-wording met den geest. Dit nu brengt Berlage in de bouwkunst en Verster in de schilderkunst, en hoewel ik met deze mannen niet zoo zou praten over natuur en geest, zou ik gerust durven beweren: wij verstaan elkaar toch wel!
Er is in iedere uiting een onzegbaarheid, en die geven wij weer in den toon der verzen. Daarin zeggen wij eigenlijk, wat wij in de zinnen niet kunnen zeggen. Als de dichter dus een gedicht schrijft, dan staat zijn innerlijk in mogelijkheid voor je. Want natuurlijk: als het niet weer in je wordt opgewekt, dan is het dood.
Ieder gedicht geeft natuurlijk het innerlijk van den auteur weer. Daarzonder zou het geen waarde hebben. Nu zijn er menschen, die een voorbijgaanden indruk, een snelle opwelling geven, en dat mag dan hun innerlijk leven van het oogenblik zijn, het is toch maar heel weinig van wat het innerlijk wezen van een mensch zijn kan. Vindt u dienzelfden dichter op rijperen leeftijd terug, dan zult gij zien, dat hij dezelfde gevoelens weer in zich ontmoet heeft, maar nu zoo, dat ze niet meer vastzitten aan voorbijgaande indrukken. Gaat hij diezelfde hartstochten nu weergeven, diezelfde ontroeringen, overtuigingen, dan wordt dat een innerlijk leven van veel grooter beteekenis, iets, dat eigenlijk veel meer recht heeft op dien naam. In die richting nu heb ik gezocht, en in die richting zie ik ook het streven van onzen tijd gaan.
—"Wat is dan voor u heteigenlijkein het streven van onzen tijd?"
"Wij gaan meer en meer naar het religieuse, niet 't kerkelijk religieuse, maar naar een diep besef van wat blijvend is in de levensverhoudingen. En dat vind ik een essentieel ding. Daar komt men langs den weg van de waarneming nooit toe. De gevoelens zijn in een mensch, of ze zijn er niet; maar ze komen er nooit door nauwlettend kijken."
—"Stelt U u voor, dat een dichter invloed moet oefenen op zijn medemenschen?"
—"Zeker. In iederen dichter steekt niets anders dan een nieuwe mensch. Ik geloof niet, dat een dichter zich op den duur zou uiten, indien hij niet voelde, dat hij een menschentype vertegenwoordigde, dat desnoods voor hem zelf geen belichaming behoeft, maar dat hem toch bestemd lijkt, om ook door anderen te worden gezien. De geheele wereld wil een nieuwen mensch, en als iemand dat moet laten voelen, dan is het toch wel de dichter! Het is ook zoo'n verd … valsche opvatting, dat kunst er enkel is, om den mensch aangenaam aan te doen. Het tegendeel is waar: kunst moet den mensch het uiterlijk-aangename ook wel eens ontnemen, en hem in zich zelf opmerkzaam maken op iets, dat beter is dan aangenaam!"
—"Er zijn toch wel dichters, die meenen, dat zij ook zouden werken als er geen menschen waren, en die aan het publiek maling hebben."
—"U weet: bij dergelijke gevoelens heb ik heel dicht gestaan, maar ik geloof, dat ik toen mij zelf nog niet kende. Want ga ik mijn latere ervaring na, dan wil ik u dit verklaren: als er een ding in staat is geweest, mij tot voortwerken te prikkelen, dan is het wel de sympathie van anderen, dan is het wel het idee, dat ik iets was voor mijn lezers. Een dichter, zooals ik mij er een droom, kan alleen in den omgang met anderen kracht vinden zijn taak te vervullen. Natuurlijk moet u dit niet verkeerd uitleggen: Als je schrijft, dan geef je je innerlijke wereld, zooals zij in je leeft, en dat zonder eenige bijgedachte. Maar hetgeen je te vertellen hebt zou niet bestaan zonder de menschen om je heen, zonder sympathie met andere menschen. Ik zou mij datgene, wat het leven beteekent, heel moeilijk kunnen voorstellen, zonder de menschheid er mede in verband te brengen. En dat zeg je voortdurend in je verzen: De beteekenis van het leven, en wat het leven voor je is…."
Verwey ging bij zijn venster staan en keek afgetrokken naar buiten. Wind gierde om zijn eenzaam huis, een regenvlaag striemde de glazen. Beneden door de vochtige duinen kroop langzaam een groepje mannen, blauwig-zwart.
De dichter zweeg. Zijn gezond, snugger gelaat was strak, werd stil-aan vroolijker. Hij lachte genoeglijk voor zich uit. Ik zag zijn heldere oogen leven. Hij kwam, handen in zijn zakken, voor mij staan, trok eens aan zijn sigaar, en vroeg:
—Denkt u, dat het publiek het verschil begrijpt tusschen proza en verzen? Want dat zijn twee heel verschillende dingen, net zoo goed als hout iets anders is dan steen. U weet: er is altijd streven, om het te doen voorkomen, alsof het verschil tusschen die twee eigenlijk iets bijkomstigs is. Daar ben ik het heelemaal niet mee eens. Zie, als je loopt, dan maak je passen in een door de nuttigheid voorgeschreven richting en orde, maar als je danst, dan wordt de richting je voorgeschreven door de schoonheid, dan ga je werken met maten. En daarvan maakt in de taal de dichter zijn werk. Ik merk zoo goed, hoezeer mijn gedichten zich onderscheiden van mijn proza. Er is natuurlijk ook wel proza, dat de enkele bedoeling van duidelijkheid zoozeer verlaat, dat het op verzen gaat lijken, maar dat is een tusschensoort en het is eigenlijk niet wat proza behoort te zijn, nl., een klare, lucide verstandsuiting in de eerste plaats. Hetzelfde verschil bestaat er tusschen zingen en zeggen: Als ik u iets vertel, dan houd ik rekening met mijn gedachten, dan overdenk ik telkens de dingen, die ik heb voor te dragen. Maar als ik zing, dan is het voldoende, dat ik kreten slaak, ook al hebben die geen gedachte-samenhang. Jacques Perk heeft zich in dit opzicht eens zoo teekenend uitgelaten: "Het kost mij geen moeite, voor mijn rijmen gedachten te vinden," heeft hij ergens gezegd. En dat is de heele zaak. Mijn woorden volgen een door de schoonheid voorgeschreven richting; ik laat mijn heele leven lang mijn woorden dansen in de maat, en dat is eigenlijk het mooiste wat ik weet.
—"Maar u moet toch ook wat te vertellen hebben."
"Neen, dat hoeft niet. Ik heb mij meer dan eens tot schrijven gezet, zonder dat ik wist wat er komen zou. Ik zou u er voorbeelden van kunnen geven, dat ik enkel een zekere behoef te voelde aan klanken, aan een woorden-dans…."
—Wilt gij mij misschien dan eens zoo'n voorbeeld geven?
—Ik spreek niet graag over mijn eigen werk in byzonderheden.
—En ik zou u toch zoo dankbaar zijn, als u mij nu eens een gedicht wilde aanwijzen, dat u bent gaan schrijven om de klanken enkel en alleen….
—Nu, als u het dan genoegen doet, dan zal ik er even een voor u opzoeken. Hier:
De dichter.
Waar is de flonk'ring, waar 't geklater,Waarmee mijn straal de zon beklom?Het diepst en reinst is 't donk're water,Dat slaapt in ondergrondsche kom.
Deze klanken brachten mij op het Alhambra, waar ik geweest ben, en mijn herinnering daarvan. U hebt daar een leeuwenfontein, en de oppasser had mij verteld, dat die alleen spuit als er vorstelijke bezoekers komen. En ik ging verder:
De hooge gasten zijn verdwenen,De schaduw is aan 't overlenen,En in de hooge en blanke zaalGaat door de smalle en marm'ren gotenHet laatste water weggevloten,In stroompjes, kronkelend en schraal….
Zoo ga ik dan nog een heel stuk door. Het eigenaardige van dit gedicht is, dat het niet is gepremediteerd, dat ik het phantaseerde onder 't schrijven. Maar het publiek begrijpt in het algemeen niet, dat het in de eerste plaats om zang te doen is, en dat daarom de maten zoo belangrijk zijn. Evenals het spelen op een viool, brengen die onze fantasie in beweging, en daarom is de maat ook het wezenlijke voor den dichter, waaruit hem blijkt, hoe eigenlijk zijn innerlijk leven is.
—U sprak zooeven over den invloed, dien de dichter oefent op de maatschappij. Denkt u, omgekeerd, niet, dat maatschappelijke omstandigheden ook weer den dichter beinvloeden?
—Ik geloof, dat maatschappelijke omstandigheden tegenover het feit van het ontstaan van een talent niet zooveel beteekenen als de menschen wel eens denken. In groote gezinnen, waar de kinderen onder dezelfde condities leven, ziet men soms, dat een er van zich byzonder onderscheidt, en daar hebben de maatschappelijke omstandigheden dus al byzonder weinig te zeggen gehad. Natuurlijk, ze spelen hun rol en er gaat niets verloren; en ik geloof zeker, dat, is het talent er eenmaal, de maatschappelijke omstandigheden op zijn uitingen invloed hebben. Is hij sterk, de geniale man, dan zal hij van zijn uitingen niet afzien; is hij zwak, dan gaat hij ten onder of wordt gewijzigd. Als ik gedichten lees, dan merk ik ook altijd, dat de dichter heeft een bepaalden stijl, waarvan hij kan zeggen: dit is van mij; maar hij toont dien stijl nooit, zonder iets van buiten, en wat dat "iets" zal zijn, dat is toch maar toeval. Met de bundels, waarvan ik zooeven sprak, de verzen, die ik heb geschreven toen ik tot bezonkenheid kwam, was dit ook zoo; daar zat een heele reeks denkbeelden in, een plan, een soort van levensbeschouwing, en door alle ondervindingen, die ik opdeed, kon ik toch dat schema van mijn gedachten bijeen houden. In al die jaren veranderde dat bijna niet. En toch zijn al die gedichten mij zoozeer door het toeval ingegeven, dat ik ze bijna gelegenheidsgedichten zou kunnen noemen.
Maar de stijl, die is natuurlijk van mij zelf, en over dien stijl zou ik graag nog wat willen zeggen. Dat is eigenlijk een ander woord voor wat ik straks "ons binnenste" noemde, het geestelijke in de kunst. Het zit ook al in het woord: het stellige beteekent 't. Het Nederlandsche geestesleven wordt langzamerhand gestuwd naar een allerstelligsten vorm van uiting. Dat is ook zoo met de poezie, met de schilderkunst, met de architectuur, en ook met de politieke organisatie. Het is bv. heelemaal niet toevallig, dat wij tegenwoordig een scherp afgescheiden arbeiderspartij hebben, terwijl er vroeger allerlei anarchistische stroomingen waren.
Het is nu de tijd van de stijlgeving, zou ik kunnen zeggen, en in de laatste jaren zoek ik naar een stijl voor de poezie. De Nieuwe-Gids-kunst had wel een aantal mooie uitingen, maar geen eigen stijl. U weet wel, onze poezie was toentertijd grootendeels ontleend aan Engelsche voorbeelden, en daar was in andere landen ook iets dergelijks. Maar wij zien bv. in Frankrijk, dat de Regnier in zijn laatste werk is geworden de meest Fransche van zijn landgenooten, stijl heeft gekregen: een nationaal-Franschen stijl. In Duitschland zien wij ook zoo iets gebeuren. Daar werkte Stefan George onder den invloed van Baudelaire en Malarme, en in zijn laatste werk is hij typisch-Duitsch geworden.
En nu wordt tegenwoordig niet voldoende begrepen, dat de kunstenaar als zoodanig zijn beteekenis heeft voor de maatschappij. Als een periode achter den rug is, en zij heeft geen eigen stijl gehad, dan wordt daar een verwijt van gemaakt. Dan zegt men: dat was wel een gevoelige tijd, maar een eigen stijl hadden de menschen toen niet. En nu kom ik weer tot Berlage en Verster, die zoeken in hun kunst kracht in een eigen stijl. Zoo zoek ik in de poezie. Hier is geen sprake van wat men persoonlijken stijl zou kunnen noemen. Die bezit ieder, die goed schrijft. Het komt er hier op aan iets eigenaardigs in zijn werk vast te leggen, dat in staat is een tijd te kenmerken in tegenstelling tot vroegere en latere tijdperken. Dit heeft met maatschappelijke invloeden in zooverre te maken, dat allerlei gevoelens slechts gezegd kunnen worden, als de maatschappij ze deelt, en dat is in een verbrokkelden tijd als de onze dikwijls erg moeilijk. Vooral voor de architectuur is dat waar. Wil die kunst tot uiting komen, dan is een samen-werking van allerlei uiteenloopende maatschappelijke machten noodzakelijk.
Zoo wordt de vorm van ons werk dikwijls door niet-kunstenaars bepaald: Wij kunnen niet werken zooals wij willen, als de maatschappij ons niet verstaat. Daarom verschijnen er ook zoo weinig drama's. Er is geen eenheid in ons maatschappelijk leven. Nu kan ik er wel aan toevoegen, dat dit mij eerder heeft geprikkeld dan teruggehouden. Maar wat er van zou zijn geworden, van mijn werk, als ik minder ruimte tot rustige overpeinzing en een zwakkere gezondheid had gehad, ik zou het niet durven zeggen…. En nu bedien ik mij nog wel hoofdzakelijk van een vorm, die zich wendt tot den enkeling. Een vers wordt door een lezer alleen ook genoten. Maar tot drama-schrijven zijn wij geen van allen ruim gekomen. Doe ik het een enkelen keer, dan weet ik toch wel, dat het niet voor de menigte is. En als u nu nog overweegt, dat een gedicht in een bundel eigenlijk pas zijn waarde krijgt door de plaats, die het inneemt in het geheele werk, dan zult u wel begrijpen, dat, al laat de maatschappij mij toe te spreken, ik toch nog verre moet staan van een groot deel van mijn lezers.
* * * * *
Vrienden, laat den dichter nu rustig achter in zijn eenzame kamer. Zooals hij mij zijn gedachten vertelde, heeft hij ze nog nooit neergeschreven … zoo in vogelvlucht.
En laat mij nu, zonder mij meer te vragen, door regen en wind langs de duinen naar huis keeren: Ik heb zooveel te denken….
[Illustratie: FREDERIK VAN EEDEN Jeugdportret]
[Illustratie: FREDERIK VAN EEDEN Portret uit den Walden-tijd]
—"Ik heb daarnet een zoon gekregen, en overmorgen vertrek ik naarAmerika".
Met deze woorden trad hij in het zonnige logeer-vertrek, waar ik een kwartiertje had gezeten, in hoop en vreeze. Hij leek heel slank, heel vlug, en—ondanks zijn baardigen profete-kop met de zware denkvoren over 't voorhoofd en naast de oogen—heel jeugdig. Met zijn eigenaardigen, half-sarcastischen lach ging hij bij 't laai-lichte venster zitten; en waarschuwde mij, dat hij maar heel weinig tijd had, ieder oogenblik kon worden weggeroepen; bovendien niet de minste neiging tot vertellen voelde, maar zijn best wilde doen, mijn vragen duidelijk te beantwoorden. Ook moest ik hem beloven: goed te doen uitkomen, dat ik ons gesprek leidde, dat de onderwerpen die hij zou aanroeren, waren onderwerpen van mijn keuze.
Ik meende goed te doen, hem niet te vragen naar biographische byzonderheden; en, om aan te sturen op dieper liggende dingen, verzocht ik hem, uiteen te zetten, wat hem wezenlijk scheidde van de Nieuwe-Gids-dichters bij wie hij zich toch oorspronkelijk had aangesloten.
—"'t Was heel merkwaardig," dus begon hij, "dat de mannen van '80 zich zoo nauw verwant voelden aan Shelley. Maar zij vergaten, toen zij enkele goede dingen van hem overnamen, wat bij Shelley hoofdzaak is geweest, nl. zijn ethische beteekenis. Hij is de leidsman geworden van Kloos en Verwey, doordat hij was een groot dichter. Maar Shelley was voornamelijk een groot en goed mensch, een die direct opkwam voor het verdrukte volk van Ierland, en in het begin van de negentiende eeuw de anarchistische ideeen in den goeden zin het sterkst vertegenwoordigde. Hij was door-en-door een maatschappijmensch in zijn streven."
—"U oordeelde dus dat het streven van de Nieuwe-Gids-dichters anti-maatschappelijk was?"
—"Ja: zij waren in hun smaak zeer precieus, en de consequentie daar van werd, dat zij zich trotsch stelden tegenover de maatschappij. Kloos was eigenlijk de persoon dien ik bestreed, omdat hij, naast zijn goed begrip van het literaire dichterschap, verdedigde een slecht begrip van het maatschappelijke dichterschap. Hij was vijandig aan de maatschappij, en al laat dit zich heel goed verklaren door zijn positie in het algemeen, het bleef mij antipathiek. De band die ons bond was zuiver literair. Hij was de man, die mooie dingen schreef, die goede verzen kon onderscheiden van slechte. Maar een gemeenschappelijken band van maatschappelijk idealisme, een band, zooals de groote Duitschers in hun bloeitijd hadden, dien hadden wij niet."
—"Maar brengt de aard van de nieuwere poezie niet mee, dat de dichter individualistisch moet zijn?"
—"Ik geef toe: een individu met de eigenschappen van Kloos moet zoo staan tegenover de buitenwereld. Maar de invloed van dat individu heeft de groep gemaakt. Als Perk had blijven leven, die meer was een idealistisch man in Schiller's zin, dan waren de gebeurtenissen misschien heel anders geloopen. Dat karakter van te zijn zeer kieskeurig, eclectisch, van zich zelf te beschouwen als uitverkoren, van zich zelve te stellen als een kleine groep begenadigden tegenover de groote domme bende, van te gelooven, dat men de schoonheid in pacht had, dat ging uit van Kloos."
Het ligt in onzen tijd, zich zoo te gedragen als Nietzsche heeft gedaan, maar een man als Multatuli dee' 't toch volstrekt niet. Al heeft die later het publiek veracht, zijn streven richtte zich op de maatschappij, en van het literaire dichterschap wou hij niets weten. Ik geef toe ook, dat Multatuli daarin fout ging, in zijn afkeer van het literaire dichterschap, maar van zijn maatschappelijk idealisme had Kloos wel een beetje kunnen gebruiken.
Ik voor mij wilde dus vereenigen: het menschelijk idealisme met het streven naar literaire volmaaktheid, en dat juist heeft Shelley voor mij gewild…. O, het is zoo dwaas te spreken van tendenz-kunst. Dat moet U eens goed navertellen, dat is nuttig voor de menschen van onzen tijd, en ik zal probeeren het ten duidelijkste te zeggen: Men hoort bijvoorbeeld door menschen, die op het oogenblik behooren tot het kliekje van Kloos,—ik zal geen namen noemen,—hoort men praten van tendenz-literatuur, die heelemaal verkeerd zou zijn, en daarmede bedoelen zij, alle literatuur die een zeker menschelijk idealisme vertegenwoordigt.
Welnu, het zou goed zijn als die eens overdachten, wat hun groote meester Shelley daarover heeft geschreven. Want die maakte tendenz-kunst in hun zin. Hij verheerlijkt zonder ophouden "the noble", "the beautiful", "the honest", alle goeie menschelijke eigenschappen. Zij zeggen: moraal in de kunst is nonsens. Maar Shelley, die de grootste lyricus geweest is, is voortdurend vervuld van ethisch idealisme. En ik, ik ging volkomen mee met de voorkeur, die zij geven aan het mooie vers boven het leelijke. Maar nooit kon ik meegaan met de negatie van al wat men moraal noemt, door hun beweging voorgestaan.
—"Noemt U het toevallig, dat menschen met sterk idealisme ook beschikten over veel taalvermogen?"
"Dat berust op diepe gronden. Ik heb daar een duidelijk uitgesproken meening over, waarom een heel diep en algemeen-menschelijk streven meestal samengaat met een groot taalvermogen. Ik zal die meening schriftelijk uiteen zetten. Laat ik U hier alleen zeggen: neen, ik geloof niet, dat we hier staan voor een toevalligheid. Maar hierbij moeten wij ook in het oog houden, dat die twee niet altijd in dezelfde mate samengaan. Schiller bv. was een man van voornamelijk ethische kracht, een, die niet bezat het groote lyrische vermogen van Shelley. Maar hij bezat volkomen wat ook Shelley bezat, de groote, nobele menschelijkheid, en daardoor alleen werd er een dichter uit hem. Dat hadden zij, de mannen van '80, in Schiller volkomen genegeerd. En zoodra ik vol ging houden, dat dit algemeen-menschelijke niet mocht worden losgelaten, vond ik Kloos tegenover me. Mijn eerste verzet tegen Kloos begon: toen hij de expressie "een goed mensch" uit de taal wou schrappen."
—"Nu komt er een onnoozele vraag: Wilt u dan alle tendenz-literatuur als kunst laten gelden?"
—"Neen, er is verkeerde tendenz-literatuur, die, waarbij een zekere moraal wordt gepredikt. Dat is de tendenz, die bv. Schiller niet wilde. Ik zou u citaten kunnen geven, waaruit blijkt, dat hij valsch noemt: werk, dat den lezer of den aanschouwer wil meesleepen in deze of gene richting. Wat is dan het verschil, zult u vragen. Dit:—dat de kunstenaar, die een zuiver kunstwerk maakt, daarbij wordt bewogen door de schoonheid van zijn idealen, ook al zijn dit ethische idealen. De mensch, die onzuiver werk maakt, denkt om den invloed, dien hij op anderen zal hebben, tracht zijn lezers over te halen tot zijn overtuiging. Dit nu kan een echt kunstenaar als zoodanig niets schelen. Die let alleen op de schoonheid van hetgeen hij voor zich ziet. Let u op een van de hoofdwerken van Shelley, dan voelt u, dat hij in grenzelooze bewondering is voor hoog-menschelijke eigenschappen. Maar u merkt niet in hem de kleinste poging om iemand te bekeeren tot zijn opvattingen. Als die bekeering komt, dan moet ze komen door de schoonheid van wat hij te aanschouwen geeft. Maar wat hij u laat zien, dat zijn ethische dingen, menschelijke, moreele schoonheid. Daartegenover stel nu eens de boeken van Mevrouw Goedkoop-Van Beek en Donk, of Barthold Meryan van Cornelie Huygens. Daar komen goede gedeelten in, maar als geheel staan zij onder den invloed van wat de auteur wilde verrichten onder de menschen."
—"In hoeverre houdt deze opvatting van u verband met uw bekend artikel, waarin men zoo vreemd heeft gevonden de vergelijking tusschen de gedichten van Helene Swarth en … "snert?""
—"U moet niet vergelijken artikelen en kunstwerk. Artikelen willen wel degelijk overtuigen. Artikelen zijn werkingen van minder rang,—zooals ik altijd heb gezegd,—die voor mij de beteekenis hebben van vrijmaking. Ik geef toe, dat ik wat ruw ben geweest in 't veroordeelen van 't zwakke werk van Helene Swarth. Maar het is voor mij heilzaam geweest, dat ik die artikelen, waarop u doelt, heb geschreven. Ze maakten me los, ze maakten me vrij. Ik heb mij vrijgevochten van mijn verbond met menschen, die ik niet als kameraad kon beschouwen….
"Ja, mijn oogen zijn eerst langzamerhand opengegaan voor de verschillen tusschen hen en mij. Ik wil graag toegeven, dat ik blind ben geweest voor veel slechts in hen. Ik heb ze altijd edelmoediger behandeld dan zij mij. Maar het is van begin af mijn fout geweest, dat ik eerst het goede zag in de menschen, en eerst veel later het kwade. Nu ik mijn leven overdenk, begrijp ik niet, hoe ik het zoo lang heb kunnen stellen met ze. Intusschen, als kunstenaar ben ik altijd van hen onafhankelijk gebleven. Wij ondergingen gelijke invloeden, maar ik ging mijn eigen weg. Kloos zelf is veel sterker onder invloed van Perk en de Engelsche lyrici geweest dan ik onder dien van Kloos of anderen. Het eerste deel van de "De Kleine Johannes" bracht mij tot ze. Ik herinner mij nog goed, dat ze bij mij kwamen, om dat werk in "De Nieuwe Gids" opgenomen te krijgen. En de stukken, die ik er later bij heb gemaakt, die sluiten er nauwkeurig bij aan, die heb ik zonder moeite in dezelfde richting gehouden. In mijn kunstrichting is dan ook geenerlei verandering gekomen. Wat zich wel heeft gewijzigd, dat is de verhouding in mijn werk tusschen het episch-lyrische element en het dramatische."
"Waarschijnlijk zou ik meer dramatisch werk hebben geleverd, als de theater-directeuren mij beter tegemoet waren gekomen. Maar toen die te geringe waardeering toonden voor mijn werk, ben ik mij meer gaan bewegen in epische en lyrische richting. Pas in den laatsten tijd heb ik getracht dat in te halen. En ik wil daarmee voortgaan."
—"Acht u het dan verdedigbaar, u door uiterlijke omstandigheden zoo te laten leiden?"
—"Ik heb mij niet laten leiden. Integendeel. Nadat "Don Torribio" geweigerd was,—een goed stuk, dat toen gespeeld had moeten worden,—nadat het net zoo was gegaan met "Het Poortje"; ging ik werk maken als "De Broeders" en "Lioba". Dat voldeed meer aan mijn verlangen. Een schrander directeur had mij moeten zeggen: Kijk, daarvan is iets te maken voor het tooneel. In Duitschland is men mij beter tegemoet gekomen. "De Broeders" heb ik nu omgewerkt voor tooneel, en "Lioba" ga ik omwerken. Dat mag u gebrek aan doorzettingsvermogen tegenover de theater-directeuren noemen, ik heb op deze wijze toegegeven aan mijn hoogsten smaak. Wat ik toen gemaakt heb, vond ik beter, dan wat ik anders gemaakt zou hebben. Ik erken nu, dat het goed is, iets te maken, dat tevens speelbaar is. Iets dat zoo mooi is als het beste dat wij in ons hoofd hebben, maar dat toch door de massa wordt gewaardeerd, dat is mijn grootste zoeken.—"
—"Denkt u dus, dat de massa zoo hooge uitingen kan waardeeren?"
—"Ik acht het mogelijk, dat een groot dichter iets maakt, dat zoo speelbaar is als het werk van Ibsen, en lyrisch en dramatisch zoo hoog staat als 't werk van Shelley. Shakespeare is daarvan het beste voorbeeld. Literair mooi, en toch altijd pakkend. Ik vind Ibsen als literair dichter niet hoog staan, absoluut niet, maar zijn groote verdienste is, dat hij een manier heeft gevonden, om het publiek iets te zeggen van af het tooneel. Menschen als Verwey en Van Deyssel mogen op Ibsen neerzien … maar ondertusschen! ze mochten willen, dat ze zijn bekwaamheid hadden om het publiek te treffen. Een dichter die niet kan spreken tot het groote volk, die … die is niets!"
—"Ik moet nog eens terug komen op mijn vraag: Denkt u, dat het mooie, diepe in Ibsen kan begrepen worden door de groote massa? Als een heele zaal, zooals ik ergens beschreven heb, "klok-klok" roept, op het oogenblik, dat Oswald in "Spoken" zijn moeder om champagne smeekt,… en dat is nog niet eens het grootste moment van het drama … dan kan men toch moeilijk zeggen…."
—"Ja, de engelebak."
… Als ik de engelebak bedoelde, dan zou ik aan die vraag niet zooveel beteekenis hechten. Neen, ik bedoel in dit geval, en in honderd andere gevallen: het grootste deel van het gewone publiek.
—"Dat doet er niets toe. Het zal dikwijls gebeuren, dat de aanschouwers van het stuk niets terecht brengen. Wij kunnen aannemen, dat van de menschen, die Ibsen zien, niet een derde de diepere waarde van de stukken snapt."
Maar zijn prestige is gevestigd. Er is geen mensch, die op hem durft neerzien. Als hij werkelijk iets beters te zeggen hadd' gehad, dan was hij een kracht geworden in de samenleving. Hij is een naam. En als hij iets te verkondigen hadd' gehad, dat het groote publiek gelukkig hadd' gemaakt, dan was die naam enorm geworden, en had enorm ook kunnen werken. Dat is niet gebeurd, omdat hij een zwakke levensbeschouwing verkondigde: het pessimisme. Maar zijn dramatisch vermogen had van buitengewoon groote beteekenis kunnen worden…. Wat geeft 't of driekwart van de menschen, die er bij zitten hem niet begrijpt! Zij weten, dat is die-of-die, een groot man, en we mogen er niet om lachen…. Denkt u, dat iemand bij een Wagner-voorstelling durft lachen? Ik heb het nooit gezien, hoewel er honderden zijn, die het wel zouden willen.
—"Ik moet u wel slecht begrepen hebben. Zooals ik u nu begrijp wordt het prestige van den dichter een soort waarschuwing, die de menschen in bedwang houdt."
—"Nee, dat werkt dieper door. Ik kan de meerderheid van de menschen niet anders beschouwen dan als kinderen, die geleid moeten worden. Ze kunnen alleen geleid worden door de opinie van anderen, en dat is heel noodig. De invloed van Schiller in Duitschland bv. is zeer groot, en werkt zegenrijk. Dat heb ik kunnen merken. En dat komt alleen, doordat de menschen, die hem toch niet kunnen waardeeren, zijn meening niet durven aantasten. Zijn geweldige naam houdt ze in bedwang."
—"M.a.w.: zijn meening wordt gesuggereerd aan…."
—"Aan die menschen, die geen eigen meening kunnen hebben, maar die zoodoende langzamerhand een eigen meening krijgen. Dit is de groote winst van mijn laatste levensjaren: dat ik langzamerhand ben gaan begrijpen, dat de menschen nog niet mondig zijn. Dit is geen reden om op ze neer te zien. Maar men moet er toch rekening mee houden, en er zijn handelingen, zijn tactiek naar inrichten, als men het goed met ze meent. Men moet hun eigenaardigheden trachten te begrijpen, en naar die eigenaardigheden moet men ze beoordeelen. De bitterheid van Multatuli vindt zijn oorzaak daarin, dat hij de menschen niet kende en niet begreep. Als hij ze beter begrepen had, dan was hij ze nooit zoo bitter te lijf gegaan…. Als ze niet naar mij luisteren, dan is het mijn schuld. Dan begrijp ik ze niet. Dan stel ik ze te hoog. Mijn meening daaromtrent heb ik o.a. neergelegd in een "Gids"-artikel, dat het laatste hoofdstuk is geworden van de Duitsche uitgave van "De Blijde Wereld". Daarin geef ik de inzichten waartoe ik gekomen ben door mijn sociologische ervaringen, die hoogst noodig zijn geweest, en waarvan ik alle ellende en al de verliezen niet betreur. Want zij hebben alle bitterheid van mijn leven weggenomen."
Verbittering is altijd een bewijs van slecht begrip. Nietzsche en Multatuli beiden waren verbitterd doordat zij de massa niet goed begrepen…. Mijn stuk in "De Gids" is zoo bespottelijk slecht uitgelegd als ooit een stuk van mij is uitgelegd. Niemand heeft er een verstandig woord over gesproken. In een paar woorden gezegd, komt de inhoud hierop neer: Het juiste begrip van de massaal-psychologie en van de waarde van het kudde-instinct. Dat klinkt helaas niet mooi in onze taal, en "Herdeninstinkt" en "the voice of the herd" klinkt fraaier. Zeg dan liever "Groeps-instinct".
—"Wilt u nu weer aanknoopen bij wat u vertelde over uw afscheiding van"De Nieuwe-Gids"-groep?"
—"Goed. Ik ben van die menschen weggegaan, zoodra ik voelde, dat de ethische schoonheid meer moest worden gehandhaafd, en ik mijn leven met deze overtuiging meer wilde doen harmonieeren. U zult zeggen: Van der Goes heeft hetzelfde gedaan. Maar die is onder de hand in de dogmatiek verzeild geraakt. En daar is hij voor goed opgeborgen. Als geest is hij nu verloren. Ik daarentegen ben een verklaard vijand van alle dogmatiek, omdat hij den geest versteent, en daardoor het leven onmogelijk maakt. In iemand als Van der Goes is zoo'n overgang te begrijpen. Hij is altijd een droog intellect geweest, zonder krachtige eigen persoonlijkheid. Maar van Gorter is het meer te bejammeren. Bij hem ligt de fout in een gebrek aan intelligentie. Hij heeft fijn-gevoelige dingen, hij was een goed dichter, al is hij spoedig decadent geworden. Maar hij wist zich nooit recht te houden, hij heeft nooit een helderen kop gehad…. Dus, bij de mannen, die zich aan de sociaal-democratie verslingerd hebben kon ik mij al evenmin aansluiten. Mijn vrijheid is mij te lief. Ik ben dankbaar, dat ik dat toen direct begrepen heb. Want hoe meer ervaring ik opdeed, hoe stelliger ik overtuigd werd, dat ik de goede richting zoek en wat ik heb leeren inzien, wordt nu ook in andere landen begrepen, langzaam aan."
—"Ziet u een bepaald verband tusschen de leer van Marx en de ideeen van de Nieuwe-Gids-groep, zooals Van der Goes en Gorter ze vroeger beleden?"
—"Neen. Zij hadden iets noodig om zich aan vast te klampen. Zij hadden een leer noodig, en die hebben ze nu. Dat ze Marxist zijn geworden is toevallig. In vroeger eeuwen waren ze Calvinist geworden. Want ze zijn geen oorspronkelijke menschen, ze kunnen niet op zich zelf staan, ze hebben een dogma noodig. Ze moesten zich vasthouden aan een groote persoonlijkheid, en honderd jaar vroeger waren ze aanhangers geworden van Rousseau."
—"Voelt u niets voor hun meening, dat het schoon is, je persoonlijke idealen prijs te geven, om te werken voor de gemeenschap?"
—"Persoonlijkheid … persoonlijkheid is een dubbelzinnig woord. Je persoonlijkheid handhaven, dat is goed, wanneer het beteekent: het oorspronkelijke in je. Maar stel je voorbijgaande eigenschappen op den voorgrond, dan is het verkeerd. Die twee dingen worden verward. Ik vind het soms heel loffelijk je individualiteit weg te redeneeren, je op te offeren voor grootere belangen. Maar ik moet tevens erkennen, dat in je individueel Zijn wordt gevonden de eenige bron voor wijsheid, voor de regeneratie van de menschheid. Alle mannen, die voor de wereld iets beteekenden, konden dat slechts door hun individualiteit. Uit hun innerlijke zielswezen putten zij de kracht en de wijsheid om de wereld te regenereeren. Alle dogmatisme is afdwalen van de innerlijke wijsheid. Dat is een vertrouwen op woorden, termen en uitspraken, zonder na te gaan hoe de zaken er in werkelijkheid uitzien. Alleen het individu dat de werkelijkheid nabij blijft en voelt kan verbetering brengen. Goethe heeft 't gezegd: "… da bleibt nur die Persoenlichkeit", als alle gaven niets meer beteekenen, dan blijft de oorspronkelijke, niet napratende persoonlijkheid nog van waarde."
"De persoonlijkheid is het tegendeel van conventie. Wat beteekent het, dat men steeds zoekt naar de portretten van groote mannen? dat ze in Amerika bv. altijd willen hebben: de persoon, de persoon! Het bewijst, dat men zoekt naar iemand, die bij de bron zit van het Weten. Men voelt dat vandaar de vernieuwing moet komen. Aan den eenen kant is het dus waar, dat men zijn persoonlijkheid moet opofferen, maar aan den anderen kant is het even waar, dat uit de persoonlijkheid alleen het nieuwe leven komen kan."
Gedurende het laatste deel van ons onderhoud werd de persoonlijkheid, die ik trachtte te begrijpen inderdaad al te zeer "gezocht". In vijf minuten riep men hem minstens driemaal aan de spreekbuis, en de zinnen kwamen bij stukjes en brokjes uit hem. Nu zat er al weer iemand beneden op hem te wachten, Hij had waarlijk geen tijd meer voor me.
Nog een vraag mocht ik hem stellen.—Als ik hem nu breng op de geruchten, die ze in den laatsten tijd verspreiden over de "bevrijdingsplannen", die hij in Amerika denkt uit te voeren, zoo dacht ik, dan weet ik meteen in hoeverre zijn inzichten zich in de pas verloopen jaren hebben gewijzigd. Wie kunstuiting en maatschappelijk ideaal wil doen harmonieeren, kan mij over het eene niet inlichten, zonder het andere mede te bedoelen.
—"Wel," zei van Eeden, "over mijn plannen behoeven wij niet lang te praten. Verleden jaar ben ik vijf weken in Amerika geweest. Ik ben begonnen met een redevoering, die algemeen bekend is, en ook in het Hollandsch werd vertaald. En, nadat ik vijf weken lang had geconfereerd met Amerikanen, heb ik deze redevoering-hier uitgesproken in de "Economic Club" te New York, den dag voor mijn vertrek. In die rede vindt U uitgewerkt de plannen, die ik nu wil trachten te verwezenlijken. Ik ga nu heen, met het uitgesproken doel, te onderzoeken in hoeverre dat mogelijk is. Het niet-politieke socialisme, daarvoor werk ik, en langzamerhand zie ik, dat in alle landen, tot zelfs in Duitschland en in Amerika, meer en meer begrepen wordt, wat ik hier zooveel jaren heb gepredikt. De verbetering moet komen door economische middelen, niet door politieke. Die komen pas in de tweede plaats. Eerst moeten de economische grondslagen gelegd. Natuurlijk heb ik door mijn ervaringen hier in Holland geleerd: Als het eerste luchtschip verbrandt maakt men het tweede beter."
—"Wat is dan het groote verschil tusschen uw eerste "luchtschip" en uw tweede?"
—"Dat ik nu heb ingezien, dat de machines geen macht hebben, maar dat de machinist de macht uitmaakt. De cooeperaties moeten worden geleid door schrandere, ervaren mannen-van-zaken, door commercieele of industrieele genieen of talenten, kortom: van boven af. Of dat nu kapitalisten zijn of socialisten, het doet er niets toe. Mijn ondervinding met de vereeniging "Gemeenschappelijk Grondbezit" heeft mij geleerd, dat de arbeiders niet in staat zijn, zelfs maar een kleine onderneming voldoende te beheeren. En als men nu de schuld van de mislukking op mij gooit, die tracht af te wentelen van de arbeiders, dan bewijst men daarmede, wat ik al gezegd heb: dat het aankomt op de leiding. En spreekt u mij van gemeenschapsgevoel, dan zeg ik u, dat dit volstrekt niet gewaarborgd wordt door het etiket "socialisme". Ik heb langzamerhand geleerd, wat dat beteekent: socialistisch gemeenschapsgevoel. Niets! Bij kapitalisten is het dikwijls nog grooter dan bij zich-noemende socialisten. Maar ik verwacht van niemand groote opofferingen. Ik verwacht alleen, dat er wel eenige menschen zullen gevonden worden, die hun geld tegen redelijke condities zullen willen beleggen. En om deze zaak tot stand te brengen zijn een paar "vijf-percentsphilanthropen" voldoende, wat het geld betreft. En reeds nu heb ik gezien, dat ik mag hopen."
Daarmede was ons gesprek teneinde. Hij werd weer weggeroepen.
"Een mooi vak heb jullie," zei hij, voordat hij mij verliet, "een prachtig vak. Ik erken dat het goed is, menschen, die iets te zeggen hebben aan het spreken te brengen. Maar toch … toen ik uw stukken over andere schrijvers las, toen dacht ik: Tot zoo iets leen ik me nooit. Omdat het altijd er uitziet alsof de geinterviewde met zooveel zelfbehagen over zich zelf zit uit te pakken. Dat is meestal een schijn, die de goede reporter moet vermijden, door zijn eigen rol in 't interview duidelijk te laten uitkomen. Ik hoop, dat U dat doen zult en daarom leende ik mij er toch toe. Als het goed geschiedt, is het heel nuttig het publiek over een persoon in te lichten, en er schuilt meer trots en ijdelheid in het afwijzen dan in het aannemen van interviews."—
Hij leidde mij de trappen af. Hij leek heel slank, heel ondernemend, heel jeugdig.
27 Jan. '09.