Men ketende hem daar. Blz. 72.Men ketende hem daar. Blz. 72.HOOFDSTUK V.DE BOEKDRUKKUNST.De boekdrukkunst, zegt Ambroise Firmin Didot, scheidt de oude en de nieuwe wereld. Volgens Lamartine’s schoone uitdrukking, brengt zij den mensch voor het heden en de toekomst, onmiddellijk en aanhoudend, in aanraking met alles wat er schoon is gedacht. Men zegt dat de spoorwegen en de telegraaf de afstanden hebben opgeheven; van de boekdrukkunst kan men zeggen dat zij ’t den tijd gedaan heeft. Zij maakt allen tot elkanders tijdgenooten. Ik verkeer met Homerus, met Cicero, en de Homerussen en de Cicero’s van later tijd zullen omgaan met ons.In het begin van de 15deeeuw was men op het punt van schrijven en miniatuurteekenen zeer ver gevorderd. Er waren bijbels vol van de schoonste versieringen, de fijnste teekeningen, de geestigste prentjes, zacht van kleur en schitterend van opgelegd goud, prachtuitgaven door kunstenaarshanden verlicht. Maar dit was niet voor het volk, en ook het gewone schrift vorderde te veel tijd en te veel inspanning dan dat het voor weinig geld kon geleverd worden. Doch zie, daar verschenen grove prenten, meest prenten van godsdienstigen aard, die met zwarte omtrekken geteekend en met eenonderschrift voorzien goedkoop van de hand werden gedaan en waaronder het volk zijn gading vond. Het waren gedrukte houtsneden, die de kunst meer algemeen maakte en die de geboorte gaven aan het gedrukte boek.Er was nog maar één kleine, schoon gewichtige, overgang noodig, namelijk de letters, die op het hout uitgesneden stonden; afzonderlijk te snijden, of te gieten, om ze daarna tot woorden samen te voegen—en de eigenlijke boekdrukkunst, het drukken met beweegbare letter, was gevonden.Dien overgang tot de losse letter heeft Gutenberg tot stand gebracht. Hij heeft de letter verlost en haar de plaats gewezen, die zij tot dusverre in de drukkunst bekleedt. Gutenberg werd te Mainz geboren. Hij was negentien jaren, toen keizer Frederik III aldaar zijn »blijde inkomst” hield. Er brak bij die gelegenheid een twist uit over den voorrang, dien de adel hebben zou bij de plechtigheden van den dag, en ten gevolge van de oneenigheid hierover, werd hij—hij was edelman—gebannen. Hij ging op reis, trok van stad tot stad, bezag landen en volken, reisde langs den Rijn, door Zwitserland en Duitschland, en kwam gedurende deze tochten op het denkbeeld boeken te drukken. Te Straatsburg oefende hij zich in de kunst en nam hij zijne eerste proeven.Wel inziende van hoe groot gewicht zijne uitvinding was, ook als tak van nijverheid, gevoelde hij behoefte aan hulp en vooral aan menschen, die hem hunnen geldelijken steun verleenden. Hij vond onder de grooten van Straatsburg weinig aanmoediging. Een jong edelman, die zich met een gewoon handwerk bezig hield! Want dat hij een nieuwe uitvinding aan het licht wilde brengen, had hij verzwegen uit vrees dat een ander met den roem zou gaan strijken, die hem toekwam. Door de aanzienlijken afgewezen, wendde hij zich tot dat volk, voor hetwelk hij de baan der kennis openen zou. Hij associeerde zich met een paar vermogende Straatsburgers, Andries Dritzehn en H. Riffe, later met Fust, goudwerker en geldschieter te Mainz.Nog kon Gutenberg er niet toe komen zijn geheim te verraden. Hij hield zich of hij deze en gene kunstvoortbrengselen wilde vervaardigen, hij polijste spiegels, hij sleep kostbare steenen, maar was in het geheim met zijn uitvinding bezig. Met jaloersche liefde verborg hij zijn kunst in de bouwvallen van het klooster van Sint Arbogast, en daar, verre van de wereld en van alle onbescheiden blikken, gaf hij zich aan haar over, zocht, werkte, peinsde, en sneed er de eerste letters en zette er de eerste pers in elkaar; de eersteling dier monsters, dier zwoegende wonderen van werktuigkunde, die in één enkel uur twintig duizend bladen druks afleveren.Gutenberg begon al spoedig met den bijbel te drukken, maar zijne geldmiddelen waren spoedig uitgeput, en hij zag zich nu wel genoodzaakt zijn deelgenooten in kennis te stellen met zijn geheim.Immers, hij had nieuwe hulp noodig. Riffe en Dritzehn wenschten nu mede hun deel te hebben aan de glorie der uitvinding; en, zou niet alles schipbreuk lijden, dan moest hij daar wel in toestemmen. Zijn naam verdween van de associatie en hij was niet veel meer dan hun meesterknecht.Dit is nog niet alles. Andries Dritzehn stierf en diens erven deden hem een proces aan, dat hij verloor, zoodat hij als een veroordeeld en geruïneerd man naar Mainz terugkeerde. Hij verbond zich nu met Fust en Schöffer, richtte een nieuwe werkplaats op en drukte, onder den naam van zijne deelgenooten in de zaak, bijbels en psalmboeken, niet meer met de broze houten, maar met metalen, en daardoor tevens zuiverder letter. Dit was omstreeks 1450. Maar ook Fust en Schöffer bezweken voor de verzoeking van zich langzamerhand en onwillekeurig den roem van Gutenberg toe te eigenen. In de opdracht eener Duitsche vertaling van Livius, erkennen zij zelven dat »de boekdrukkunst te Mainz is uitgevonden door den vernuftigen werktuigkundige Johan Gutenberg,” maar eenige jaren later zijn zij deze bekentenis eenigszins vergeten en kennen de eer der uitvinding voor een deel aan zich zelven toe.Nog eenmaal wordt Gutenberg, nu door Fust, van alles beroofd. Hij verlaat zijn vaderstad, verliest vrouw en kind en dreigt der armoede ten prooi te worden; doch het ontbrak hem nimmer aan vrienden die hem hielpen en hem in staat stelden zijn uitvinding te volmaken. Hij stierf tevreden. Rijk was hij niet geworden, en zijn leven was een voortdurende worsteling geweest. Van zijne negen-en-zestig jaren had hij er bijna vijftig aan de drukkunst gewijd. »Ik vermaak aan mijn zuster”, zoo schreef hij in zijn testament, »al de door mij in het klooster van Sint Argobast gedrukte boeken.” Arme uitvinder! Hij had niet meer te vermaken dan dit. Toch vermaakte hij aan de wereld een uitvinding, waarvan zij in steeds toenemende mate den zegen ondervindt, en die hij met zijn jeugd, zijn rust, zijn slaap en zijn uitwendig levensgeluk niet te duur betaald heeft geacht.Na Gutenberg’s dood verbreidde de boekdrukkunst zich alom. Spoedig vond men persen in alle groote steden van Frankrijk, Engeland, Duitschland, Holland en Italië.Met de boekdrukkunst ontwikkelt zich de graveerkunst. Toen Gutenberg stierf, zag in deze wereld vol dood en opstanding Albrecht Dürer het levenslicht. Hij werd in 1471 te Neurenberg geboren, in een tijd toen de houtgravure begon te bloeien. Hij doorreisde in zijn jeugd Holland, het vaderland der eerste graveurs, begaf zich naar Venetië, waar hij de voorloopers van Titiaan bewonderen kon, kwam in Weenen en wist den grooten mededinger en vijand van Lodewijk XI en Karel VIII van Frankrijk, den duitschen keizer Maximiliaan I voor zich te winnen. Albrecht Dürer heeft met hetgenie van zijn hoofd, zijn hart en zijn hand het hout ziel en leven gegeven, een leven, dat beurtelings bewondering, blijdschap, vrees, huivering wekt.Dürer stierf op den leeftijd van acht-en-vijftig jaren en heeft niet alleen meesterstukken van graveerkunst nagelaten, maar ook schoon goud en zilverwerk, beelden en bouwwerken. Deze groote kunstenaar was meer dan een groot kunstenaar, hij was ook een goed burger, met een hart vol geestdrift en moed. Hij stierf in armoede, zooals blijkt uit een brief, dien hij op het eind van zijn loopbaan aan de overheid van Neurenberg schreef.»Voor negentien jaren riep mij de Raad van Venetië naar deze stad, mij twee honderd dukaten ’s jaars toeleggende. De stad Antwerpen heeft mij drie honderd gulden en een fraai huis aangeboden. Zoowel in de eerst- als in de laatst genoemde stad zou al mijn werk mij afzonderlijk betaald worden. Ik heb het een en het ander afgeslagen uit liefde voor u, voor deze goede stad en voor mijn vaderland. Beter hier eenvoudig geleefd, dan elders in grootheid en weelde.”Dit was geheel naar Albrecht Dürer’s aard. In dienzelfden brief, een brief, die getuigenis aflegt van zijn edel karakter, verzoekt hij de overheid van Neurenberg, dat ze een som van duizend florijnen van hem zal aannemen, de vrucht van zijn arbeid en spaarzaamheid, en dat ze hem jaarlijks vijftig gulden interest geven zal voor hem en zijn vrouw, die beiden bij den dag ouder en zwakker worden.Zelden is zulk een edel karakter gepaard gegaan met zulk een eenvoudige ziel, als in dezen vermaarden duitschen kunstbroeder.Het eerste boek bracht bij zijn verschijnen een niet geringe ontsteltenis te weeg te midden van hen, die vijandig waren aan het licht. De geschiedenis der eerste drukkers is dan ook vaak een geschiedenis van vervolging. Het is nu eenmaal niet anders—elke schrede op den weg van vooruitgang kost de menschheid bloed en tranen.In 1490 stichtte Aldus Manutius te Venetië zijn beroemd geworden drukkerij, een inrichting, die jaren lang van vader op zoon zou overgaan en evenals die van Étienne in Frankrijk en van Elzevier in Holland een europeeschen naam zou maken.Aldus Manutius drukte, in weerwil van den oorlog, die Italië verwoestte, in weerwil van de moeielijkheden en tegenspoeden des tijds, voortdurend nieuwe en nuttige boekwerken, en zocht met lofwaardige volharding te gemoet te komen aan de behoeften der studeerende jeugd. »Ik heb de gelofte afgelegd,” zoo schrijft hij in één der voorredenen, waarmee hij zijne uitgaven voorzag, »ik heb de gelofte afgelegd mijn leven te besteden aan het algemeen belang, en God is mijn getuige dat het mij hiermee ernst is. Boven een rustig en gemakkelijk leven heb ik een werkzaam en veel bewogen leven gekozen; de mensch is niet geschapen voor genietingen, die een edelaardig gemoed verwerpen moet, maar voor een eervolbedrijf. Laat de groote hoop behagen scheppen in het lagere. Cato heeft het wèl gezegd: »’s Menschen bestaan is als het ijzer. Maak er een getrouw gebruik van, het zal blinken; laat het voor hetgeen het is, zoo zal het roesten.”In 1495 drukte Aldus de werken van Aristoteles af, en gaf hij Theocritus en Hesiodus uit. Het volgende jaar verscheen zijnThesaurus Cornucopiae, een verzameling van werken over de Grieksche taal, die allen nog onuitgegeven waren.Karel VIII was juist in Italië binnen gevallen en Aldus schreef in één zijner voorredenen: »’t Is eene zware taak latijnsche boeken en nog zwaarder taak grieksche af te drukken, maar het zwaarst van alles is de noodige zorg aan zulke zaken te besteden in moeielijke tijden, zooals deze, waarin dewapenenvrij wat hooger worden geschat dan de boeken. Nadat ik mij de genoemde taak gesteld heb, zijn zeven jaren voorbijgegaan, maar ik heb in dien tijd nauwelijks één uur rust genoten.”In 1497 had Aldus een volledige uitgave ten einde gebracht van de werken van Aristoteles. De geschriften van Plato, Hippocrates en Galliënus zouden volgen. »Zoolang ik leef,” zeide hij, »zal ik mij beijveren mijne tijdgenooten van goede boeken te voorzien, zoo van letterkundigen als van wetenschappelijken aard.” Hij hield woord.In 1506 werden de werkzaamheden aan zijne drukkerij gestaakt ten gevolge van de troebelen des oorlogs, die Europa en met name Italië teisterden. Als erfgenaam van de aanspraken, die het fransche koningshuis op het koninkrijk Napels maakte, kwam Lodewijk XII, in bondgenootschap met Ferdinand den Katholieke, Frederik III uit Genua verjagen, ten einde het zelf in bezit te nemen; ook Venetië moest bij deze gelegenheid vernederd worden en Aldus had het ongeluk een der slachtoffers te zijn van dezen rampzaligen oorlog. Hij werd van zijne bezittingen beroofd, en verloor zijn tijd met reizen en trekken, of hij zijn goed ook terug mocht krijgen. Zoo keerde hij eens van Milaan, toen hij plotseling, zonder eenige bijzondere reden, door de soldaten van den hertog van Mantua gevangen genomen en in den kerker geworpen werd. Men ketende hem daar, alsof men met een gevaarlijken misdadiger te doen had. Deze schandelijke aanslag op de vrijheid van een ijverig burger, die de glorie uitmaakte van zijn stad en van zijn tijd, wekte groote verontwaardiging. Door zijne vrienden opgeëischt, keerde hij naar zijn huis en haardsteê terug, maar arm en zonder hulpbronnen. Dank zij zijn doorzettenden ijver en zijn geduld, verrees zijn drukkerij weder uit haar asch. Hij gaf van 1507–1513 de treurspelen van Euripides uit, Plinius, Plutarchus, de Commentariën van Caesar, Cicero’s brieven en de werken van Pindarus. Hij was weder in zijn element.Albrecht Dürer.Albrecht Dürer.»Er zijn nu vier jaren voor den arbeid verloren gegaan,” zoo zegt hij in de voorrede van zijn Pindarus, »en de geesel des oorlogsheeft gansch Italië al dien tijd getroffen. Ik moest Venetië verlaten om mijn grond en tuin weder te krijgen, die ik niet door eigen schuld, maar door de ongenade der tijden verloren had.”Aldus, de oude, zooals hij genoemd wordt, om hem van zijne opvolgers te onderscheiden, stierf den 6denFebruari 1516, zes-en-zestig jaren oud. Na vijf-en-twintig jaren van noesten arbeid, na al zijne krachten, al zijn geest tot het welzijn van de menschen te hebben besteed, ging hij heen zonder fortuin en aan zijn kinderen niets nalatende, dan een goeden en geachten naam.Van een anderen aard waren de vervolgingen door Robert Estienne ondergaan, die, wegens een grieksche vertaling van den Catechismus van Calvijn, zich de vijandschap van de Sorbonne op den hals haalde, maar uit Frankrijk ontsnapte, te Genève een drukkerij oprichtte (1551) en deze dienstbaar maakte aan de zaak der Hervorming. Twintig jaren was hij met de Sorbonne in strijd geweest; meer dan eens dreigde hem de mutsaard, nu eens omdat hij den bijbel in groot formaat had afgedrukt, dan eens omdat hij een kleiner uitgave gegeven had van het Nieuwe Testament.Grooter onheil stond Dolet te wachten. Steven Dolet werd in Orleans geboren, in het jaar 1509. Na de hoogeschool van Parijs bezocht te hebben, ging hij naar Padua en bracht er zijne studiën ten einde. Drie jaren later werd hij secretaris bij den ambassadeur te Venetië, Jean de Langeac, en volgde de lessen van Battista Egnazio over Cicero en Lucretius. In 1532 vinden wij hem te Toulouse. Hij studeert er in de rechten en is er het hoofd der partij, die voor de verboden studentenvereenigingen ijvert, ter oorzake waarvan hij gevangen gezet wordt. Door den bisschop van Rieux verlost werd hij nu bij de eene partij even geliefd als bij de andere gehaat. Hij spaarde zijne vijanden niet en werd uit Toulouse gebannen. Dolet toog nu naar Lyon, waar hij zijneCommentaires de la langue Latineliet drukken, een veel omvattenden arbeid, waaraan hij, van zijn zestiende jaar af, zijn tijd, zijn rust, de genoegens der jeugd en zijn gezondheid had opgeofferd. De jeugdige schrijver droeg zijn werk op aan Frans I, aan wien hij te Mons werd voorgesteld. De Koning nam hem in zijne bescherming en verleende hem zelfs het privilege van te mogen drukken en te laten drukken alle boeken, die hij schrijven of vertalen mocht.Een nieuw avontuur maakte dat hij deze hooge bescherming wel noodig had. Zijne vijanden zonden een moordenaar op hem af, en toen deze op hem aanviel, werd hij door Dolet gegrepen en gedood. Beschuldigd van moord, werd hij nauwelijks verhoord, en zonder Frans I ware hij misschien toen reeds uit het land der levenden verdwenen.Dolet, die zich de ondersteuning van den Koning waardig wilde maken, besloot nu zelf aan het drukken te gaan. »Ik zal met alle macht,” zoo verzekerde hij, »den schat der letterkunde vermeerderen;ik zal de afgestorven zielen der Ouden aan mij verbinden door hunne werken met de meeste zorg te drukken. Ook zal ik mijn pers dienstbaar maken aan de geschriften mijner tijdgenooten. Maar evenzeer als ik de meesterstukken zal aannemen, evenzeer zal ik het onwaardig geschrijf afwijzen van krabbelaars, die de schande zijn hunner eeuw.”Hij gaf nu verscheidene goede boeken uit met voorredenen. Die voor Plato’s »Samenspraken” bestaat uit een welsprekend gedicht, aanvangende met de woorden:»Al lang genoeg geleefd in ’t duister!”Zijne drukken voeren als zinnebeeld of wapen een bijl of snoeimes, gehouden door een hand, die uit een wolk te voorschijn komt en die een tak van een knoestigen boom schijnt te willen afsnijden. Op de fransche boeken leest men daarbij: »Bewaar mij, o Heer! voor der menschen laster!”Dolet gaf zich geheel aan zijn drukkerij over, maar zijne vijanden hielden niet op hem te vervolgen. In 1542 werd hij van zijn vrijheid beroofd, onder voorwendsel dat hij kettersche boeken uitgaf. Vijftien maanden lang zuchtte hij in den kerker en nog eens dankte hij zijn vrijheid aan ’s Konings gunst.Den 14denFebruari 1543 leverde een vonnis van het Parlement van Parijs dertien zijner werken aan de vlammen over, als bevattende een vervloekte, verderfelijke en kettersche leer. Ried de voorzichtigheid tot de vlucht, de vaderlandsliefde en het goed geweten hielden hem tegen. Hij verdedigde zich met het wapen van den spot, en deze Rabalais onder de uitgevers wist uitermate goed met dit wapen om te gaan. De uitgever wreekte den schrijver.In November 1544 vergaderde de Theologische Faculteit van Parijs, behandelde de uitgaven van Dolet en vond in een vertaling van Plato’s »Axiochus” aan Socrates het woord toegekend: »Na den dood zijt gij niets.” Deze zinsnede werd voor kettersch verklaard, als zijnde met opzet en tegen Plato’s bedoeling verkeerd vertaald. Nu werd Dolet alshereticus relapsus(een ten tweede male tot dwaalleer vervallen ketter) op de pijnbank gebracht, tot een nuttig onderwijs voor zijne makkers, zooals het in het vonnis luidt, en vervolgens geworgd en verbrand op den 8stenAug. 1546.1Maar wat men Gutenberg of Dolet ook mocht aandoen en hoe veel boeken men vonnissen en verbranden mocht—het licht scheen er maar te helderder door, geweld en domheid stelden er zich maar te meer door ten toon.1Dolet verdroeg zijn leed en schande met mannelijke fierheid, wat een zijner tijdgenooten in een Latijnsch gedicht deed zeggen:Dolet quisque dolet, non dolet ipse Dolet.Dolet elkeen betreurt, geenszins treurt om zichzelf Dolet.↑
Men ketende hem daar. Blz. 72.Men ketende hem daar. Blz. 72.HOOFDSTUK V.DE BOEKDRUKKUNST.De boekdrukkunst, zegt Ambroise Firmin Didot, scheidt de oude en de nieuwe wereld. Volgens Lamartine’s schoone uitdrukking, brengt zij den mensch voor het heden en de toekomst, onmiddellijk en aanhoudend, in aanraking met alles wat er schoon is gedacht. Men zegt dat de spoorwegen en de telegraaf de afstanden hebben opgeheven; van de boekdrukkunst kan men zeggen dat zij ’t den tijd gedaan heeft. Zij maakt allen tot elkanders tijdgenooten. Ik verkeer met Homerus, met Cicero, en de Homerussen en de Cicero’s van later tijd zullen omgaan met ons.In het begin van de 15deeeuw was men op het punt van schrijven en miniatuurteekenen zeer ver gevorderd. Er waren bijbels vol van de schoonste versieringen, de fijnste teekeningen, de geestigste prentjes, zacht van kleur en schitterend van opgelegd goud, prachtuitgaven door kunstenaarshanden verlicht. Maar dit was niet voor het volk, en ook het gewone schrift vorderde te veel tijd en te veel inspanning dan dat het voor weinig geld kon geleverd worden. Doch zie, daar verschenen grove prenten, meest prenten van godsdienstigen aard, die met zwarte omtrekken geteekend en met eenonderschrift voorzien goedkoop van de hand werden gedaan en waaronder het volk zijn gading vond. Het waren gedrukte houtsneden, die de kunst meer algemeen maakte en die de geboorte gaven aan het gedrukte boek.Er was nog maar één kleine, schoon gewichtige, overgang noodig, namelijk de letters, die op het hout uitgesneden stonden; afzonderlijk te snijden, of te gieten, om ze daarna tot woorden samen te voegen—en de eigenlijke boekdrukkunst, het drukken met beweegbare letter, was gevonden.Dien overgang tot de losse letter heeft Gutenberg tot stand gebracht. Hij heeft de letter verlost en haar de plaats gewezen, die zij tot dusverre in de drukkunst bekleedt. Gutenberg werd te Mainz geboren. Hij was negentien jaren, toen keizer Frederik III aldaar zijn »blijde inkomst” hield. Er brak bij die gelegenheid een twist uit over den voorrang, dien de adel hebben zou bij de plechtigheden van den dag, en ten gevolge van de oneenigheid hierover, werd hij—hij was edelman—gebannen. Hij ging op reis, trok van stad tot stad, bezag landen en volken, reisde langs den Rijn, door Zwitserland en Duitschland, en kwam gedurende deze tochten op het denkbeeld boeken te drukken. Te Straatsburg oefende hij zich in de kunst en nam hij zijne eerste proeven.Wel inziende van hoe groot gewicht zijne uitvinding was, ook als tak van nijverheid, gevoelde hij behoefte aan hulp en vooral aan menschen, die hem hunnen geldelijken steun verleenden. Hij vond onder de grooten van Straatsburg weinig aanmoediging. Een jong edelman, die zich met een gewoon handwerk bezig hield! Want dat hij een nieuwe uitvinding aan het licht wilde brengen, had hij verzwegen uit vrees dat een ander met den roem zou gaan strijken, die hem toekwam. Door de aanzienlijken afgewezen, wendde hij zich tot dat volk, voor hetwelk hij de baan der kennis openen zou. Hij associeerde zich met een paar vermogende Straatsburgers, Andries Dritzehn en H. Riffe, later met Fust, goudwerker en geldschieter te Mainz.Nog kon Gutenberg er niet toe komen zijn geheim te verraden. Hij hield zich of hij deze en gene kunstvoortbrengselen wilde vervaardigen, hij polijste spiegels, hij sleep kostbare steenen, maar was in het geheim met zijn uitvinding bezig. Met jaloersche liefde verborg hij zijn kunst in de bouwvallen van het klooster van Sint Arbogast, en daar, verre van de wereld en van alle onbescheiden blikken, gaf hij zich aan haar over, zocht, werkte, peinsde, en sneed er de eerste letters en zette er de eerste pers in elkaar; de eersteling dier monsters, dier zwoegende wonderen van werktuigkunde, die in één enkel uur twintig duizend bladen druks afleveren.Gutenberg begon al spoedig met den bijbel te drukken, maar zijne geldmiddelen waren spoedig uitgeput, en hij zag zich nu wel genoodzaakt zijn deelgenooten in kennis te stellen met zijn geheim.Immers, hij had nieuwe hulp noodig. Riffe en Dritzehn wenschten nu mede hun deel te hebben aan de glorie der uitvinding; en, zou niet alles schipbreuk lijden, dan moest hij daar wel in toestemmen. Zijn naam verdween van de associatie en hij was niet veel meer dan hun meesterknecht.Dit is nog niet alles. Andries Dritzehn stierf en diens erven deden hem een proces aan, dat hij verloor, zoodat hij als een veroordeeld en geruïneerd man naar Mainz terugkeerde. Hij verbond zich nu met Fust en Schöffer, richtte een nieuwe werkplaats op en drukte, onder den naam van zijne deelgenooten in de zaak, bijbels en psalmboeken, niet meer met de broze houten, maar met metalen, en daardoor tevens zuiverder letter. Dit was omstreeks 1450. Maar ook Fust en Schöffer bezweken voor de verzoeking van zich langzamerhand en onwillekeurig den roem van Gutenberg toe te eigenen. In de opdracht eener Duitsche vertaling van Livius, erkennen zij zelven dat »de boekdrukkunst te Mainz is uitgevonden door den vernuftigen werktuigkundige Johan Gutenberg,” maar eenige jaren later zijn zij deze bekentenis eenigszins vergeten en kennen de eer der uitvinding voor een deel aan zich zelven toe.Nog eenmaal wordt Gutenberg, nu door Fust, van alles beroofd. Hij verlaat zijn vaderstad, verliest vrouw en kind en dreigt der armoede ten prooi te worden; doch het ontbrak hem nimmer aan vrienden die hem hielpen en hem in staat stelden zijn uitvinding te volmaken. Hij stierf tevreden. Rijk was hij niet geworden, en zijn leven was een voortdurende worsteling geweest. Van zijne negen-en-zestig jaren had hij er bijna vijftig aan de drukkunst gewijd. »Ik vermaak aan mijn zuster”, zoo schreef hij in zijn testament, »al de door mij in het klooster van Sint Argobast gedrukte boeken.” Arme uitvinder! Hij had niet meer te vermaken dan dit. Toch vermaakte hij aan de wereld een uitvinding, waarvan zij in steeds toenemende mate den zegen ondervindt, en die hij met zijn jeugd, zijn rust, zijn slaap en zijn uitwendig levensgeluk niet te duur betaald heeft geacht.Na Gutenberg’s dood verbreidde de boekdrukkunst zich alom. Spoedig vond men persen in alle groote steden van Frankrijk, Engeland, Duitschland, Holland en Italië.Met de boekdrukkunst ontwikkelt zich de graveerkunst. Toen Gutenberg stierf, zag in deze wereld vol dood en opstanding Albrecht Dürer het levenslicht. Hij werd in 1471 te Neurenberg geboren, in een tijd toen de houtgravure begon te bloeien. Hij doorreisde in zijn jeugd Holland, het vaderland der eerste graveurs, begaf zich naar Venetië, waar hij de voorloopers van Titiaan bewonderen kon, kwam in Weenen en wist den grooten mededinger en vijand van Lodewijk XI en Karel VIII van Frankrijk, den duitschen keizer Maximiliaan I voor zich te winnen. Albrecht Dürer heeft met hetgenie van zijn hoofd, zijn hart en zijn hand het hout ziel en leven gegeven, een leven, dat beurtelings bewondering, blijdschap, vrees, huivering wekt.Dürer stierf op den leeftijd van acht-en-vijftig jaren en heeft niet alleen meesterstukken van graveerkunst nagelaten, maar ook schoon goud en zilverwerk, beelden en bouwwerken. Deze groote kunstenaar was meer dan een groot kunstenaar, hij was ook een goed burger, met een hart vol geestdrift en moed. Hij stierf in armoede, zooals blijkt uit een brief, dien hij op het eind van zijn loopbaan aan de overheid van Neurenberg schreef.»Voor negentien jaren riep mij de Raad van Venetië naar deze stad, mij twee honderd dukaten ’s jaars toeleggende. De stad Antwerpen heeft mij drie honderd gulden en een fraai huis aangeboden. Zoowel in de eerst- als in de laatst genoemde stad zou al mijn werk mij afzonderlijk betaald worden. Ik heb het een en het ander afgeslagen uit liefde voor u, voor deze goede stad en voor mijn vaderland. Beter hier eenvoudig geleefd, dan elders in grootheid en weelde.”Dit was geheel naar Albrecht Dürer’s aard. In dienzelfden brief, een brief, die getuigenis aflegt van zijn edel karakter, verzoekt hij de overheid van Neurenberg, dat ze een som van duizend florijnen van hem zal aannemen, de vrucht van zijn arbeid en spaarzaamheid, en dat ze hem jaarlijks vijftig gulden interest geven zal voor hem en zijn vrouw, die beiden bij den dag ouder en zwakker worden.Zelden is zulk een edel karakter gepaard gegaan met zulk een eenvoudige ziel, als in dezen vermaarden duitschen kunstbroeder.Het eerste boek bracht bij zijn verschijnen een niet geringe ontsteltenis te weeg te midden van hen, die vijandig waren aan het licht. De geschiedenis der eerste drukkers is dan ook vaak een geschiedenis van vervolging. Het is nu eenmaal niet anders—elke schrede op den weg van vooruitgang kost de menschheid bloed en tranen.In 1490 stichtte Aldus Manutius te Venetië zijn beroemd geworden drukkerij, een inrichting, die jaren lang van vader op zoon zou overgaan en evenals die van Étienne in Frankrijk en van Elzevier in Holland een europeeschen naam zou maken.Aldus Manutius drukte, in weerwil van den oorlog, die Italië verwoestte, in weerwil van de moeielijkheden en tegenspoeden des tijds, voortdurend nieuwe en nuttige boekwerken, en zocht met lofwaardige volharding te gemoet te komen aan de behoeften der studeerende jeugd. »Ik heb de gelofte afgelegd,” zoo schrijft hij in één der voorredenen, waarmee hij zijne uitgaven voorzag, »ik heb de gelofte afgelegd mijn leven te besteden aan het algemeen belang, en God is mijn getuige dat het mij hiermee ernst is. Boven een rustig en gemakkelijk leven heb ik een werkzaam en veel bewogen leven gekozen; de mensch is niet geschapen voor genietingen, die een edelaardig gemoed verwerpen moet, maar voor een eervolbedrijf. Laat de groote hoop behagen scheppen in het lagere. Cato heeft het wèl gezegd: »’s Menschen bestaan is als het ijzer. Maak er een getrouw gebruik van, het zal blinken; laat het voor hetgeen het is, zoo zal het roesten.”In 1495 drukte Aldus de werken van Aristoteles af, en gaf hij Theocritus en Hesiodus uit. Het volgende jaar verscheen zijnThesaurus Cornucopiae, een verzameling van werken over de Grieksche taal, die allen nog onuitgegeven waren.Karel VIII was juist in Italië binnen gevallen en Aldus schreef in één zijner voorredenen: »’t Is eene zware taak latijnsche boeken en nog zwaarder taak grieksche af te drukken, maar het zwaarst van alles is de noodige zorg aan zulke zaken te besteden in moeielijke tijden, zooals deze, waarin dewapenenvrij wat hooger worden geschat dan de boeken. Nadat ik mij de genoemde taak gesteld heb, zijn zeven jaren voorbijgegaan, maar ik heb in dien tijd nauwelijks één uur rust genoten.”In 1497 had Aldus een volledige uitgave ten einde gebracht van de werken van Aristoteles. De geschriften van Plato, Hippocrates en Galliënus zouden volgen. »Zoolang ik leef,” zeide hij, »zal ik mij beijveren mijne tijdgenooten van goede boeken te voorzien, zoo van letterkundigen als van wetenschappelijken aard.” Hij hield woord.In 1506 werden de werkzaamheden aan zijne drukkerij gestaakt ten gevolge van de troebelen des oorlogs, die Europa en met name Italië teisterden. Als erfgenaam van de aanspraken, die het fransche koningshuis op het koninkrijk Napels maakte, kwam Lodewijk XII, in bondgenootschap met Ferdinand den Katholieke, Frederik III uit Genua verjagen, ten einde het zelf in bezit te nemen; ook Venetië moest bij deze gelegenheid vernederd worden en Aldus had het ongeluk een der slachtoffers te zijn van dezen rampzaligen oorlog. Hij werd van zijne bezittingen beroofd, en verloor zijn tijd met reizen en trekken, of hij zijn goed ook terug mocht krijgen. Zoo keerde hij eens van Milaan, toen hij plotseling, zonder eenige bijzondere reden, door de soldaten van den hertog van Mantua gevangen genomen en in den kerker geworpen werd. Men ketende hem daar, alsof men met een gevaarlijken misdadiger te doen had. Deze schandelijke aanslag op de vrijheid van een ijverig burger, die de glorie uitmaakte van zijn stad en van zijn tijd, wekte groote verontwaardiging. Door zijne vrienden opgeëischt, keerde hij naar zijn huis en haardsteê terug, maar arm en zonder hulpbronnen. Dank zij zijn doorzettenden ijver en zijn geduld, verrees zijn drukkerij weder uit haar asch. Hij gaf van 1507–1513 de treurspelen van Euripides uit, Plinius, Plutarchus, de Commentariën van Caesar, Cicero’s brieven en de werken van Pindarus. Hij was weder in zijn element.Albrecht Dürer.Albrecht Dürer.»Er zijn nu vier jaren voor den arbeid verloren gegaan,” zoo zegt hij in de voorrede van zijn Pindarus, »en de geesel des oorlogsheeft gansch Italië al dien tijd getroffen. Ik moest Venetië verlaten om mijn grond en tuin weder te krijgen, die ik niet door eigen schuld, maar door de ongenade der tijden verloren had.”Aldus, de oude, zooals hij genoemd wordt, om hem van zijne opvolgers te onderscheiden, stierf den 6denFebruari 1516, zes-en-zestig jaren oud. Na vijf-en-twintig jaren van noesten arbeid, na al zijne krachten, al zijn geest tot het welzijn van de menschen te hebben besteed, ging hij heen zonder fortuin en aan zijn kinderen niets nalatende, dan een goeden en geachten naam.Van een anderen aard waren de vervolgingen door Robert Estienne ondergaan, die, wegens een grieksche vertaling van den Catechismus van Calvijn, zich de vijandschap van de Sorbonne op den hals haalde, maar uit Frankrijk ontsnapte, te Genève een drukkerij oprichtte (1551) en deze dienstbaar maakte aan de zaak der Hervorming. Twintig jaren was hij met de Sorbonne in strijd geweest; meer dan eens dreigde hem de mutsaard, nu eens omdat hij den bijbel in groot formaat had afgedrukt, dan eens omdat hij een kleiner uitgave gegeven had van het Nieuwe Testament.Grooter onheil stond Dolet te wachten. Steven Dolet werd in Orleans geboren, in het jaar 1509. Na de hoogeschool van Parijs bezocht te hebben, ging hij naar Padua en bracht er zijne studiën ten einde. Drie jaren later werd hij secretaris bij den ambassadeur te Venetië, Jean de Langeac, en volgde de lessen van Battista Egnazio over Cicero en Lucretius. In 1532 vinden wij hem te Toulouse. Hij studeert er in de rechten en is er het hoofd der partij, die voor de verboden studentenvereenigingen ijvert, ter oorzake waarvan hij gevangen gezet wordt. Door den bisschop van Rieux verlost werd hij nu bij de eene partij even geliefd als bij de andere gehaat. Hij spaarde zijne vijanden niet en werd uit Toulouse gebannen. Dolet toog nu naar Lyon, waar hij zijneCommentaires de la langue Latineliet drukken, een veel omvattenden arbeid, waaraan hij, van zijn zestiende jaar af, zijn tijd, zijn rust, de genoegens der jeugd en zijn gezondheid had opgeofferd. De jeugdige schrijver droeg zijn werk op aan Frans I, aan wien hij te Mons werd voorgesteld. De Koning nam hem in zijne bescherming en verleende hem zelfs het privilege van te mogen drukken en te laten drukken alle boeken, die hij schrijven of vertalen mocht.Een nieuw avontuur maakte dat hij deze hooge bescherming wel noodig had. Zijne vijanden zonden een moordenaar op hem af, en toen deze op hem aanviel, werd hij door Dolet gegrepen en gedood. Beschuldigd van moord, werd hij nauwelijks verhoord, en zonder Frans I ware hij misschien toen reeds uit het land der levenden verdwenen.Dolet, die zich de ondersteuning van den Koning waardig wilde maken, besloot nu zelf aan het drukken te gaan. »Ik zal met alle macht,” zoo verzekerde hij, »den schat der letterkunde vermeerderen;ik zal de afgestorven zielen der Ouden aan mij verbinden door hunne werken met de meeste zorg te drukken. Ook zal ik mijn pers dienstbaar maken aan de geschriften mijner tijdgenooten. Maar evenzeer als ik de meesterstukken zal aannemen, evenzeer zal ik het onwaardig geschrijf afwijzen van krabbelaars, die de schande zijn hunner eeuw.”Hij gaf nu verscheidene goede boeken uit met voorredenen. Die voor Plato’s »Samenspraken” bestaat uit een welsprekend gedicht, aanvangende met de woorden:»Al lang genoeg geleefd in ’t duister!”Zijne drukken voeren als zinnebeeld of wapen een bijl of snoeimes, gehouden door een hand, die uit een wolk te voorschijn komt en die een tak van een knoestigen boom schijnt te willen afsnijden. Op de fransche boeken leest men daarbij: »Bewaar mij, o Heer! voor der menschen laster!”Dolet gaf zich geheel aan zijn drukkerij over, maar zijne vijanden hielden niet op hem te vervolgen. In 1542 werd hij van zijn vrijheid beroofd, onder voorwendsel dat hij kettersche boeken uitgaf. Vijftien maanden lang zuchtte hij in den kerker en nog eens dankte hij zijn vrijheid aan ’s Konings gunst.Den 14denFebruari 1543 leverde een vonnis van het Parlement van Parijs dertien zijner werken aan de vlammen over, als bevattende een vervloekte, verderfelijke en kettersche leer. Ried de voorzichtigheid tot de vlucht, de vaderlandsliefde en het goed geweten hielden hem tegen. Hij verdedigde zich met het wapen van den spot, en deze Rabalais onder de uitgevers wist uitermate goed met dit wapen om te gaan. De uitgever wreekte den schrijver.In November 1544 vergaderde de Theologische Faculteit van Parijs, behandelde de uitgaven van Dolet en vond in een vertaling van Plato’s »Axiochus” aan Socrates het woord toegekend: »Na den dood zijt gij niets.” Deze zinsnede werd voor kettersch verklaard, als zijnde met opzet en tegen Plato’s bedoeling verkeerd vertaald. Nu werd Dolet alshereticus relapsus(een ten tweede male tot dwaalleer vervallen ketter) op de pijnbank gebracht, tot een nuttig onderwijs voor zijne makkers, zooals het in het vonnis luidt, en vervolgens geworgd en verbrand op den 8stenAug. 1546.1Maar wat men Gutenberg of Dolet ook mocht aandoen en hoe veel boeken men vonnissen en verbranden mocht—het licht scheen er maar te helderder door, geweld en domheid stelden er zich maar te meer door ten toon.1Dolet verdroeg zijn leed en schande met mannelijke fierheid, wat een zijner tijdgenooten in een Latijnsch gedicht deed zeggen:Dolet quisque dolet, non dolet ipse Dolet.Dolet elkeen betreurt, geenszins treurt om zichzelf Dolet.↑
Men ketende hem daar. Blz. 72.Men ketende hem daar. Blz. 72.HOOFDSTUK V.DE BOEKDRUKKUNST.
Men ketende hem daar. Blz. 72.Men ketende hem daar. Blz. 72.
Men ketende hem daar. Blz. 72.
De boekdrukkunst, zegt Ambroise Firmin Didot, scheidt de oude en de nieuwe wereld. Volgens Lamartine’s schoone uitdrukking, brengt zij den mensch voor het heden en de toekomst, onmiddellijk en aanhoudend, in aanraking met alles wat er schoon is gedacht. Men zegt dat de spoorwegen en de telegraaf de afstanden hebben opgeheven; van de boekdrukkunst kan men zeggen dat zij ’t den tijd gedaan heeft. Zij maakt allen tot elkanders tijdgenooten. Ik verkeer met Homerus, met Cicero, en de Homerussen en de Cicero’s van later tijd zullen omgaan met ons.In het begin van de 15deeeuw was men op het punt van schrijven en miniatuurteekenen zeer ver gevorderd. Er waren bijbels vol van de schoonste versieringen, de fijnste teekeningen, de geestigste prentjes, zacht van kleur en schitterend van opgelegd goud, prachtuitgaven door kunstenaarshanden verlicht. Maar dit was niet voor het volk, en ook het gewone schrift vorderde te veel tijd en te veel inspanning dan dat het voor weinig geld kon geleverd worden. Doch zie, daar verschenen grove prenten, meest prenten van godsdienstigen aard, die met zwarte omtrekken geteekend en met eenonderschrift voorzien goedkoop van de hand werden gedaan en waaronder het volk zijn gading vond. Het waren gedrukte houtsneden, die de kunst meer algemeen maakte en die de geboorte gaven aan het gedrukte boek.Er was nog maar één kleine, schoon gewichtige, overgang noodig, namelijk de letters, die op het hout uitgesneden stonden; afzonderlijk te snijden, of te gieten, om ze daarna tot woorden samen te voegen—en de eigenlijke boekdrukkunst, het drukken met beweegbare letter, was gevonden.Dien overgang tot de losse letter heeft Gutenberg tot stand gebracht. Hij heeft de letter verlost en haar de plaats gewezen, die zij tot dusverre in de drukkunst bekleedt. Gutenberg werd te Mainz geboren. Hij was negentien jaren, toen keizer Frederik III aldaar zijn »blijde inkomst” hield. Er brak bij die gelegenheid een twist uit over den voorrang, dien de adel hebben zou bij de plechtigheden van den dag, en ten gevolge van de oneenigheid hierover, werd hij—hij was edelman—gebannen. Hij ging op reis, trok van stad tot stad, bezag landen en volken, reisde langs den Rijn, door Zwitserland en Duitschland, en kwam gedurende deze tochten op het denkbeeld boeken te drukken. Te Straatsburg oefende hij zich in de kunst en nam hij zijne eerste proeven.Wel inziende van hoe groot gewicht zijne uitvinding was, ook als tak van nijverheid, gevoelde hij behoefte aan hulp en vooral aan menschen, die hem hunnen geldelijken steun verleenden. Hij vond onder de grooten van Straatsburg weinig aanmoediging. Een jong edelman, die zich met een gewoon handwerk bezig hield! Want dat hij een nieuwe uitvinding aan het licht wilde brengen, had hij verzwegen uit vrees dat een ander met den roem zou gaan strijken, die hem toekwam. Door de aanzienlijken afgewezen, wendde hij zich tot dat volk, voor hetwelk hij de baan der kennis openen zou. Hij associeerde zich met een paar vermogende Straatsburgers, Andries Dritzehn en H. Riffe, later met Fust, goudwerker en geldschieter te Mainz.Nog kon Gutenberg er niet toe komen zijn geheim te verraden. Hij hield zich of hij deze en gene kunstvoortbrengselen wilde vervaardigen, hij polijste spiegels, hij sleep kostbare steenen, maar was in het geheim met zijn uitvinding bezig. Met jaloersche liefde verborg hij zijn kunst in de bouwvallen van het klooster van Sint Arbogast, en daar, verre van de wereld en van alle onbescheiden blikken, gaf hij zich aan haar over, zocht, werkte, peinsde, en sneed er de eerste letters en zette er de eerste pers in elkaar; de eersteling dier monsters, dier zwoegende wonderen van werktuigkunde, die in één enkel uur twintig duizend bladen druks afleveren.Gutenberg begon al spoedig met den bijbel te drukken, maar zijne geldmiddelen waren spoedig uitgeput, en hij zag zich nu wel genoodzaakt zijn deelgenooten in kennis te stellen met zijn geheim.Immers, hij had nieuwe hulp noodig. Riffe en Dritzehn wenschten nu mede hun deel te hebben aan de glorie der uitvinding; en, zou niet alles schipbreuk lijden, dan moest hij daar wel in toestemmen. Zijn naam verdween van de associatie en hij was niet veel meer dan hun meesterknecht.Dit is nog niet alles. Andries Dritzehn stierf en diens erven deden hem een proces aan, dat hij verloor, zoodat hij als een veroordeeld en geruïneerd man naar Mainz terugkeerde. Hij verbond zich nu met Fust en Schöffer, richtte een nieuwe werkplaats op en drukte, onder den naam van zijne deelgenooten in de zaak, bijbels en psalmboeken, niet meer met de broze houten, maar met metalen, en daardoor tevens zuiverder letter. Dit was omstreeks 1450. Maar ook Fust en Schöffer bezweken voor de verzoeking van zich langzamerhand en onwillekeurig den roem van Gutenberg toe te eigenen. In de opdracht eener Duitsche vertaling van Livius, erkennen zij zelven dat »de boekdrukkunst te Mainz is uitgevonden door den vernuftigen werktuigkundige Johan Gutenberg,” maar eenige jaren later zijn zij deze bekentenis eenigszins vergeten en kennen de eer der uitvinding voor een deel aan zich zelven toe.Nog eenmaal wordt Gutenberg, nu door Fust, van alles beroofd. Hij verlaat zijn vaderstad, verliest vrouw en kind en dreigt der armoede ten prooi te worden; doch het ontbrak hem nimmer aan vrienden die hem hielpen en hem in staat stelden zijn uitvinding te volmaken. Hij stierf tevreden. Rijk was hij niet geworden, en zijn leven was een voortdurende worsteling geweest. Van zijne negen-en-zestig jaren had hij er bijna vijftig aan de drukkunst gewijd. »Ik vermaak aan mijn zuster”, zoo schreef hij in zijn testament, »al de door mij in het klooster van Sint Argobast gedrukte boeken.” Arme uitvinder! Hij had niet meer te vermaken dan dit. Toch vermaakte hij aan de wereld een uitvinding, waarvan zij in steeds toenemende mate den zegen ondervindt, en die hij met zijn jeugd, zijn rust, zijn slaap en zijn uitwendig levensgeluk niet te duur betaald heeft geacht.Na Gutenberg’s dood verbreidde de boekdrukkunst zich alom. Spoedig vond men persen in alle groote steden van Frankrijk, Engeland, Duitschland, Holland en Italië.Met de boekdrukkunst ontwikkelt zich de graveerkunst. Toen Gutenberg stierf, zag in deze wereld vol dood en opstanding Albrecht Dürer het levenslicht. Hij werd in 1471 te Neurenberg geboren, in een tijd toen de houtgravure begon te bloeien. Hij doorreisde in zijn jeugd Holland, het vaderland der eerste graveurs, begaf zich naar Venetië, waar hij de voorloopers van Titiaan bewonderen kon, kwam in Weenen en wist den grooten mededinger en vijand van Lodewijk XI en Karel VIII van Frankrijk, den duitschen keizer Maximiliaan I voor zich te winnen. Albrecht Dürer heeft met hetgenie van zijn hoofd, zijn hart en zijn hand het hout ziel en leven gegeven, een leven, dat beurtelings bewondering, blijdschap, vrees, huivering wekt.Dürer stierf op den leeftijd van acht-en-vijftig jaren en heeft niet alleen meesterstukken van graveerkunst nagelaten, maar ook schoon goud en zilverwerk, beelden en bouwwerken. Deze groote kunstenaar was meer dan een groot kunstenaar, hij was ook een goed burger, met een hart vol geestdrift en moed. Hij stierf in armoede, zooals blijkt uit een brief, dien hij op het eind van zijn loopbaan aan de overheid van Neurenberg schreef.»Voor negentien jaren riep mij de Raad van Venetië naar deze stad, mij twee honderd dukaten ’s jaars toeleggende. De stad Antwerpen heeft mij drie honderd gulden en een fraai huis aangeboden. Zoowel in de eerst- als in de laatst genoemde stad zou al mijn werk mij afzonderlijk betaald worden. Ik heb het een en het ander afgeslagen uit liefde voor u, voor deze goede stad en voor mijn vaderland. Beter hier eenvoudig geleefd, dan elders in grootheid en weelde.”Dit was geheel naar Albrecht Dürer’s aard. In dienzelfden brief, een brief, die getuigenis aflegt van zijn edel karakter, verzoekt hij de overheid van Neurenberg, dat ze een som van duizend florijnen van hem zal aannemen, de vrucht van zijn arbeid en spaarzaamheid, en dat ze hem jaarlijks vijftig gulden interest geven zal voor hem en zijn vrouw, die beiden bij den dag ouder en zwakker worden.Zelden is zulk een edel karakter gepaard gegaan met zulk een eenvoudige ziel, als in dezen vermaarden duitschen kunstbroeder.Het eerste boek bracht bij zijn verschijnen een niet geringe ontsteltenis te weeg te midden van hen, die vijandig waren aan het licht. De geschiedenis der eerste drukkers is dan ook vaak een geschiedenis van vervolging. Het is nu eenmaal niet anders—elke schrede op den weg van vooruitgang kost de menschheid bloed en tranen.In 1490 stichtte Aldus Manutius te Venetië zijn beroemd geworden drukkerij, een inrichting, die jaren lang van vader op zoon zou overgaan en evenals die van Étienne in Frankrijk en van Elzevier in Holland een europeeschen naam zou maken.Aldus Manutius drukte, in weerwil van den oorlog, die Italië verwoestte, in weerwil van de moeielijkheden en tegenspoeden des tijds, voortdurend nieuwe en nuttige boekwerken, en zocht met lofwaardige volharding te gemoet te komen aan de behoeften der studeerende jeugd. »Ik heb de gelofte afgelegd,” zoo schrijft hij in één der voorredenen, waarmee hij zijne uitgaven voorzag, »ik heb de gelofte afgelegd mijn leven te besteden aan het algemeen belang, en God is mijn getuige dat het mij hiermee ernst is. Boven een rustig en gemakkelijk leven heb ik een werkzaam en veel bewogen leven gekozen; de mensch is niet geschapen voor genietingen, die een edelaardig gemoed verwerpen moet, maar voor een eervolbedrijf. Laat de groote hoop behagen scheppen in het lagere. Cato heeft het wèl gezegd: »’s Menschen bestaan is als het ijzer. Maak er een getrouw gebruik van, het zal blinken; laat het voor hetgeen het is, zoo zal het roesten.”In 1495 drukte Aldus de werken van Aristoteles af, en gaf hij Theocritus en Hesiodus uit. Het volgende jaar verscheen zijnThesaurus Cornucopiae, een verzameling van werken over de Grieksche taal, die allen nog onuitgegeven waren.Karel VIII was juist in Italië binnen gevallen en Aldus schreef in één zijner voorredenen: »’t Is eene zware taak latijnsche boeken en nog zwaarder taak grieksche af te drukken, maar het zwaarst van alles is de noodige zorg aan zulke zaken te besteden in moeielijke tijden, zooals deze, waarin dewapenenvrij wat hooger worden geschat dan de boeken. Nadat ik mij de genoemde taak gesteld heb, zijn zeven jaren voorbijgegaan, maar ik heb in dien tijd nauwelijks één uur rust genoten.”In 1497 had Aldus een volledige uitgave ten einde gebracht van de werken van Aristoteles. De geschriften van Plato, Hippocrates en Galliënus zouden volgen. »Zoolang ik leef,” zeide hij, »zal ik mij beijveren mijne tijdgenooten van goede boeken te voorzien, zoo van letterkundigen als van wetenschappelijken aard.” Hij hield woord.In 1506 werden de werkzaamheden aan zijne drukkerij gestaakt ten gevolge van de troebelen des oorlogs, die Europa en met name Italië teisterden. Als erfgenaam van de aanspraken, die het fransche koningshuis op het koninkrijk Napels maakte, kwam Lodewijk XII, in bondgenootschap met Ferdinand den Katholieke, Frederik III uit Genua verjagen, ten einde het zelf in bezit te nemen; ook Venetië moest bij deze gelegenheid vernederd worden en Aldus had het ongeluk een der slachtoffers te zijn van dezen rampzaligen oorlog. Hij werd van zijne bezittingen beroofd, en verloor zijn tijd met reizen en trekken, of hij zijn goed ook terug mocht krijgen. Zoo keerde hij eens van Milaan, toen hij plotseling, zonder eenige bijzondere reden, door de soldaten van den hertog van Mantua gevangen genomen en in den kerker geworpen werd. Men ketende hem daar, alsof men met een gevaarlijken misdadiger te doen had. Deze schandelijke aanslag op de vrijheid van een ijverig burger, die de glorie uitmaakte van zijn stad en van zijn tijd, wekte groote verontwaardiging. Door zijne vrienden opgeëischt, keerde hij naar zijn huis en haardsteê terug, maar arm en zonder hulpbronnen. Dank zij zijn doorzettenden ijver en zijn geduld, verrees zijn drukkerij weder uit haar asch. Hij gaf van 1507–1513 de treurspelen van Euripides uit, Plinius, Plutarchus, de Commentariën van Caesar, Cicero’s brieven en de werken van Pindarus. Hij was weder in zijn element.Albrecht Dürer.Albrecht Dürer.»Er zijn nu vier jaren voor den arbeid verloren gegaan,” zoo zegt hij in de voorrede van zijn Pindarus, »en de geesel des oorlogsheeft gansch Italië al dien tijd getroffen. Ik moest Venetië verlaten om mijn grond en tuin weder te krijgen, die ik niet door eigen schuld, maar door de ongenade der tijden verloren had.”Aldus, de oude, zooals hij genoemd wordt, om hem van zijne opvolgers te onderscheiden, stierf den 6denFebruari 1516, zes-en-zestig jaren oud. Na vijf-en-twintig jaren van noesten arbeid, na al zijne krachten, al zijn geest tot het welzijn van de menschen te hebben besteed, ging hij heen zonder fortuin en aan zijn kinderen niets nalatende, dan een goeden en geachten naam.Van een anderen aard waren de vervolgingen door Robert Estienne ondergaan, die, wegens een grieksche vertaling van den Catechismus van Calvijn, zich de vijandschap van de Sorbonne op den hals haalde, maar uit Frankrijk ontsnapte, te Genève een drukkerij oprichtte (1551) en deze dienstbaar maakte aan de zaak der Hervorming. Twintig jaren was hij met de Sorbonne in strijd geweest; meer dan eens dreigde hem de mutsaard, nu eens omdat hij den bijbel in groot formaat had afgedrukt, dan eens omdat hij een kleiner uitgave gegeven had van het Nieuwe Testament.Grooter onheil stond Dolet te wachten. Steven Dolet werd in Orleans geboren, in het jaar 1509. Na de hoogeschool van Parijs bezocht te hebben, ging hij naar Padua en bracht er zijne studiën ten einde. Drie jaren later werd hij secretaris bij den ambassadeur te Venetië, Jean de Langeac, en volgde de lessen van Battista Egnazio over Cicero en Lucretius. In 1532 vinden wij hem te Toulouse. Hij studeert er in de rechten en is er het hoofd der partij, die voor de verboden studentenvereenigingen ijvert, ter oorzake waarvan hij gevangen gezet wordt. Door den bisschop van Rieux verlost werd hij nu bij de eene partij even geliefd als bij de andere gehaat. Hij spaarde zijne vijanden niet en werd uit Toulouse gebannen. Dolet toog nu naar Lyon, waar hij zijneCommentaires de la langue Latineliet drukken, een veel omvattenden arbeid, waaraan hij, van zijn zestiende jaar af, zijn tijd, zijn rust, de genoegens der jeugd en zijn gezondheid had opgeofferd. De jeugdige schrijver droeg zijn werk op aan Frans I, aan wien hij te Mons werd voorgesteld. De Koning nam hem in zijne bescherming en verleende hem zelfs het privilege van te mogen drukken en te laten drukken alle boeken, die hij schrijven of vertalen mocht.Een nieuw avontuur maakte dat hij deze hooge bescherming wel noodig had. Zijne vijanden zonden een moordenaar op hem af, en toen deze op hem aanviel, werd hij door Dolet gegrepen en gedood. Beschuldigd van moord, werd hij nauwelijks verhoord, en zonder Frans I ware hij misschien toen reeds uit het land der levenden verdwenen.Dolet, die zich de ondersteuning van den Koning waardig wilde maken, besloot nu zelf aan het drukken te gaan. »Ik zal met alle macht,” zoo verzekerde hij, »den schat der letterkunde vermeerderen;ik zal de afgestorven zielen der Ouden aan mij verbinden door hunne werken met de meeste zorg te drukken. Ook zal ik mijn pers dienstbaar maken aan de geschriften mijner tijdgenooten. Maar evenzeer als ik de meesterstukken zal aannemen, evenzeer zal ik het onwaardig geschrijf afwijzen van krabbelaars, die de schande zijn hunner eeuw.”Hij gaf nu verscheidene goede boeken uit met voorredenen. Die voor Plato’s »Samenspraken” bestaat uit een welsprekend gedicht, aanvangende met de woorden:»Al lang genoeg geleefd in ’t duister!”Zijne drukken voeren als zinnebeeld of wapen een bijl of snoeimes, gehouden door een hand, die uit een wolk te voorschijn komt en die een tak van een knoestigen boom schijnt te willen afsnijden. Op de fransche boeken leest men daarbij: »Bewaar mij, o Heer! voor der menschen laster!”Dolet gaf zich geheel aan zijn drukkerij over, maar zijne vijanden hielden niet op hem te vervolgen. In 1542 werd hij van zijn vrijheid beroofd, onder voorwendsel dat hij kettersche boeken uitgaf. Vijftien maanden lang zuchtte hij in den kerker en nog eens dankte hij zijn vrijheid aan ’s Konings gunst.Den 14denFebruari 1543 leverde een vonnis van het Parlement van Parijs dertien zijner werken aan de vlammen over, als bevattende een vervloekte, verderfelijke en kettersche leer. Ried de voorzichtigheid tot de vlucht, de vaderlandsliefde en het goed geweten hielden hem tegen. Hij verdedigde zich met het wapen van den spot, en deze Rabalais onder de uitgevers wist uitermate goed met dit wapen om te gaan. De uitgever wreekte den schrijver.In November 1544 vergaderde de Theologische Faculteit van Parijs, behandelde de uitgaven van Dolet en vond in een vertaling van Plato’s »Axiochus” aan Socrates het woord toegekend: »Na den dood zijt gij niets.” Deze zinsnede werd voor kettersch verklaard, als zijnde met opzet en tegen Plato’s bedoeling verkeerd vertaald. Nu werd Dolet alshereticus relapsus(een ten tweede male tot dwaalleer vervallen ketter) op de pijnbank gebracht, tot een nuttig onderwijs voor zijne makkers, zooals het in het vonnis luidt, en vervolgens geworgd en verbrand op den 8stenAug. 1546.1Maar wat men Gutenberg of Dolet ook mocht aandoen en hoe veel boeken men vonnissen en verbranden mocht—het licht scheen er maar te helderder door, geweld en domheid stelden er zich maar te meer door ten toon.
De boekdrukkunst, zegt Ambroise Firmin Didot, scheidt de oude en de nieuwe wereld. Volgens Lamartine’s schoone uitdrukking, brengt zij den mensch voor het heden en de toekomst, onmiddellijk en aanhoudend, in aanraking met alles wat er schoon is gedacht. Men zegt dat de spoorwegen en de telegraaf de afstanden hebben opgeheven; van de boekdrukkunst kan men zeggen dat zij ’t den tijd gedaan heeft. Zij maakt allen tot elkanders tijdgenooten. Ik verkeer met Homerus, met Cicero, en de Homerussen en de Cicero’s van later tijd zullen omgaan met ons.
In het begin van de 15deeeuw was men op het punt van schrijven en miniatuurteekenen zeer ver gevorderd. Er waren bijbels vol van de schoonste versieringen, de fijnste teekeningen, de geestigste prentjes, zacht van kleur en schitterend van opgelegd goud, prachtuitgaven door kunstenaarshanden verlicht. Maar dit was niet voor het volk, en ook het gewone schrift vorderde te veel tijd en te veel inspanning dan dat het voor weinig geld kon geleverd worden. Doch zie, daar verschenen grove prenten, meest prenten van godsdienstigen aard, die met zwarte omtrekken geteekend en met eenonderschrift voorzien goedkoop van de hand werden gedaan en waaronder het volk zijn gading vond. Het waren gedrukte houtsneden, die de kunst meer algemeen maakte en die de geboorte gaven aan het gedrukte boek.
Er was nog maar één kleine, schoon gewichtige, overgang noodig, namelijk de letters, die op het hout uitgesneden stonden; afzonderlijk te snijden, of te gieten, om ze daarna tot woorden samen te voegen—en de eigenlijke boekdrukkunst, het drukken met beweegbare letter, was gevonden.
Dien overgang tot de losse letter heeft Gutenberg tot stand gebracht. Hij heeft de letter verlost en haar de plaats gewezen, die zij tot dusverre in de drukkunst bekleedt. Gutenberg werd te Mainz geboren. Hij was negentien jaren, toen keizer Frederik III aldaar zijn »blijde inkomst” hield. Er brak bij die gelegenheid een twist uit over den voorrang, dien de adel hebben zou bij de plechtigheden van den dag, en ten gevolge van de oneenigheid hierover, werd hij—hij was edelman—gebannen. Hij ging op reis, trok van stad tot stad, bezag landen en volken, reisde langs den Rijn, door Zwitserland en Duitschland, en kwam gedurende deze tochten op het denkbeeld boeken te drukken. Te Straatsburg oefende hij zich in de kunst en nam hij zijne eerste proeven.
Wel inziende van hoe groot gewicht zijne uitvinding was, ook als tak van nijverheid, gevoelde hij behoefte aan hulp en vooral aan menschen, die hem hunnen geldelijken steun verleenden. Hij vond onder de grooten van Straatsburg weinig aanmoediging. Een jong edelman, die zich met een gewoon handwerk bezig hield! Want dat hij een nieuwe uitvinding aan het licht wilde brengen, had hij verzwegen uit vrees dat een ander met den roem zou gaan strijken, die hem toekwam. Door de aanzienlijken afgewezen, wendde hij zich tot dat volk, voor hetwelk hij de baan der kennis openen zou. Hij associeerde zich met een paar vermogende Straatsburgers, Andries Dritzehn en H. Riffe, later met Fust, goudwerker en geldschieter te Mainz.
Nog kon Gutenberg er niet toe komen zijn geheim te verraden. Hij hield zich of hij deze en gene kunstvoortbrengselen wilde vervaardigen, hij polijste spiegels, hij sleep kostbare steenen, maar was in het geheim met zijn uitvinding bezig. Met jaloersche liefde verborg hij zijn kunst in de bouwvallen van het klooster van Sint Arbogast, en daar, verre van de wereld en van alle onbescheiden blikken, gaf hij zich aan haar over, zocht, werkte, peinsde, en sneed er de eerste letters en zette er de eerste pers in elkaar; de eersteling dier monsters, dier zwoegende wonderen van werktuigkunde, die in één enkel uur twintig duizend bladen druks afleveren.
Gutenberg begon al spoedig met den bijbel te drukken, maar zijne geldmiddelen waren spoedig uitgeput, en hij zag zich nu wel genoodzaakt zijn deelgenooten in kennis te stellen met zijn geheim.Immers, hij had nieuwe hulp noodig. Riffe en Dritzehn wenschten nu mede hun deel te hebben aan de glorie der uitvinding; en, zou niet alles schipbreuk lijden, dan moest hij daar wel in toestemmen. Zijn naam verdween van de associatie en hij was niet veel meer dan hun meesterknecht.
Dit is nog niet alles. Andries Dritzehn stierf en diens erven deden hem een proces aan, dat hij verloor, zoodat hij als een veroordeeld en geruïneerd man naar Mainz terugkeerde. Hij verbond zich nu met Fust en Schöffer, richtte een nieuwe werkplaats op en drukte, onder den naam van zijne deelgenooten in de zaak, bijbels en psalmboeken, niet meer met de broze houten, maar met metalen, en daardoor tevens zuiverder letter. Dit was omstreeks 1450. Maar ook Fust en Schöffer bezweken voor de verzoeking van zich langzamerhand en onwillekeurig den roem van Gutenberg toe te eigenen. In de opdracht eener Duitsche vertaling van Livius, erkennen zij zelven dat »de boekdrukkunst te Mainz is uitgevonden door den vernuftigen werktuigkundige Johan Gutenberg,” maar eenige jaren later zijn zij deze bekentenis eenigszins vergeten en kennen de eer der uitvinding voor een deel aan zich zelven toe.
Nog eenmaal wordt Gutenberg, nu door Fust, van alles beroofd. Hij verlaat zijn vaderstad, verliest vrouw en kind en dreigt der armoede ten prooi te worden; doch het ontbrak hem nimmer aan vrienden die hem hielpen en hem in staat stelden zijn uitvinding te volmaken. Hij stierf tevreden. Rijk was hij niet geworden, en zijn leven was een voortdurende worsteling geweest. Van zijne negen-en-zestig jaren had hij er bijna vijftig aan de drukkunst gewijd. »Ik vermaak aan mijn zuster”, zoo schreef hij in zijn testament, »al de door mij in het klooster van Sint Argobast gedrukte boeken.” Arme uitvinder! Hij had niet meer te vermaken dan dit. Toch vermaakte hij aan de wereld een uitvinding, waarvan zij in steeds toenemende mate den zegen ondervindt, en die hij met zijn jeugd, zijn rust, zijn slaap en zijn uitwendig levensgeluk niet te duur betaald heeft geacht.
Na Gutenberg’s dood verbreidde de boekdrukkunst zich alom. Spoedig vond men persen in alle groote steden van Frankrijk, Engeland, Duitschland, Holland en Italië.
Met de boekdrukkunst ontwikkelt zich de graveerkunst. Toen Gutenberg stierf, zag in deze wereld vol dood en opstanding Albrecht Dürer het levenslicht. Hij werd in 1471 te Neurenberg geboren, in een tijd toen de houtgravure begon te bloeien. Hij doorreisde in zijn jeugd Holland, het vaderland der eerste graveurs, begaf zich naar Venetië, waar hij de voorloopers van Titiaan bewonderen kon, kwam in Weenen en wist den grooten mededinger en vijand van Lodewijk XI en Karel VIII van Frankrijk, den duitschen keizer Maximiliaan I voor zich te winnen. Albrecht Dürer heeft met hetgenie van zijn hoofd, zijn hart en zijn hand het hout ziel en leven gegeven, een leven, dat beurtelings bewondering, blijdschap, vrees, huivering wekt.
Dürer stierf op den leeftijd van acht-en-vijftig jaren en heeft niet alleen meesterstukken van graveerkunst nagelaten, maar ook schoon goud en zilverwerk, beelden en bouwwerken. Deze groote kunstenaar was meer dan een groot kunstenaar, hij was ook een goed burger, met een hart vol geestdrift en moed. Hij stierf in armoede, zooals blijkt uit een brief, dien hij op het eind van zijn loopbaan aan de overheid van Neurenberg schreef.
»Voor negentien jaren riep mij de Raad van Venetië naar deze stad, mij twee honderd dukaten ’s jaars toeleggende. De stad Antwerpen heeft mij drie honderd gulden en een fraai huis aangeboden. Zoowel in de eerst- als in de laatst genoemde stad zou al mijn werk mij afzonderlijk betaald worden. Ik heb het een en het ander afgeslagen uit liefde voor u, voor deze goede stad en voor mijn vaderland. Beter hier eenvoudig geleefd, dan elders in grootheid en weelde.”
Dit was geheel naar Albrecht Dürer’s aard. In dienzelfden brief, een brief, die getuigenis aflegt van zijn edel karakter, verzoekt hij de overheid van Neurenberg, dat ze een som van duizend florijnen van hem zal aannemen, de vrucht van zijn arbeid en spaarzaamheid, en dat ze hem jaarlijks vijftig gulden interest geven zal voor hem en zijn vrouw, die beiden bij den dag ouder en zwakker worden.
Zelden is zulk een edel karakter gepaard gegaan met zulk een eenvoudige ziel, als in dezen vermaarden duitschen kunstbroeder.
Het eerste boek bracht bij zijn verschijnen een niet geringe ontsteltenis te weeg te midden van hen, die vijandig waren aan het licht. De geschiedenis der eerste drukkers is dan ook vaak een geschiedenis van vervolging. Het is nu eenmaal niet anders—elke schrede op den weg van vooruitgang kost de menschheid bloed en tranen.
In 1490 stichtte Aldus Manutius te Venetië zijn beroemd geworden drukkerij, een inrichting, die jaren lang van vader op zoon zou overgaan en evenals die van Étienne in Frankrijk en van Elzevier in Holland een europeeschen naam zou maken.
Aldus Manutius drukte, in weerwil van den oorlog, die Italië verwoestte, in weerwil van de moeielijkheden en tegenspoeden des tijds, voortdurend nieuwe en nuttige boekwerken, en zocht met lofwaardige volharding te gemoet te komen aan de behoeften der studeerende jeugd. »Ik heb de gelofte afgelegd,” zoo schrijft hij in één der voorredenen, waarmee hij zijne uitgaven voorzag, »ik heb de gelofte afgelegd mijn leven te besteden aan het algemeen belang, en God is mijn getuige dat het mij hiermee ernst is. Boven een rustig en gemakkelijk leven heb ik een werkzaam en veel bewogen leven gekozen; de mensch is niet geschapen voor genietingen, die een edelaardig gemoed verwerpen moet, maar voor een eervolbedrijf. Laat de groote hoop behagen scheppen in het lagere. Cato heeft het wèl gezegd: »’s Menschen bestaan is als het ijzer. Maak er een getrouw gebruik van, het zal blinken; laat het voor hetgeen het is, zoo zal het roesten.”
In 1495 drukte Aldus de werken van Aristoteles af, en gaf hij Theocritus en Hesiodus uit. Het volgende jaar verscheen zijnThesaurus Cornucopiae, een verzameling van werken over de Grieksche taal, die allen nog onuitgegeven waren.
Karel VIII was juist in Italië binnen gevallen en Aldus schreef in één zijner voorredenen: »’t Is eene zware taak latijnsche boeken en nog zwaarder taak grieksche af te drukken, maar het zwaarst van alles is de noodige zorg aan zulke zaken te besteden in moeielijke tijden, zooals deze, waarin dewapenenvrij wat hooger worden geschat dan de boeken. Nadat ik mij de genoemde taak gesteld heb, zijn zeven jaren voorbijgegaan, maar ik heb in dien tijd nauwelijks één uur rust genoten.”
In 1497 had Aldus een volledige uitgave ten einde gebracht van de werken van Aristoteles. De geschriften van Plato, Hippocrates en Galliënus zouden volgen. »Zoolang ik leef,” zeide hij, »zal ik mij beijveren mijne tijdgenooten van goede boeken te voorzien, zoo van letterkundigen als van wetenschappelijken aard.” Hij hield woord.
In 1506 werden de werkzaamheden aan zijne drukkerij gestaakt ten gevolge van de troebelen des oorlogs, die Europa en met name Italië teisterden. Als erfgenaam van de aanspraken, die het fransche koningshuis op het koninkrijk Napels maakte, kwam Lodewijk XII, in bondgenootschap met Ferdinand den Katholieke, Frederik III uit Genua verjagen, ten einde het zelf in bezit te nemen; ook Venetië moest bij deze gelegenheid vernederd worden en Aldus had het ongeluk een der slachtoffers te zijn van dezen rampzaligen oorlog. Hij werd van zijne bezittingen beroofd, en verloor zijn tijd met reizen en trekken, of hij zijn goed ook terug mocht krijgen. Zoo keerde hij eens van Milaan, toen hij plotseling, zonder eenige bijzondere reden, door de soldaten van den hertog van Mantua gevangen genomen en in den kerker geworpen werd. Men ketende hem daar, alsof men met een gevaarlijken misdadiger te doen had. Deze schandelijke aanslag op de vrijheid van een ijverig burger, die de glorie uitmaakte van zijn stad en van zijn tijd, wekte groote verontwaardiging. Door zijne vrienden opgeëischt, keerde hij naar zijn huis en haardsteê terug, maar arm en zonder hulpbronnen. Dank zij zijn doorzettenden ijver en zijn geduld, verrees zijn drukkerij weder uit haar asch. Hij gaf van 1507–1513 de treurspelen van Euripides uit, Plinius, Plutarchus, de Commentariën van Caesar, Cicero’s brieven en de werken van Pindarus. Hij was weder in zijn element.
Albrecht Dürer.Albrecht Dürer.
Albrecht Dürer.
»Er zijn nu vier jaren voor den arbeid verloren gegaan,” zoo zegt hij in de voorrede van zijn Pindarus, »en de geesel des oorlogsheeft gansch Italië al dien tijd getroffen. Ik moest Venetië verlaten om mijn grond en tuin weder te krijgen, die ik niet door eigen schuld, maar door de ongenade der tijden verloren had.”
Aldus, de oude, zooals hij genoemd wordt, om hem van zijne opvolgers te onderscheiden, stierf den 6denFebruari 1516, zes-en-zestig jaren oud. Na vijf-en-twintig jaren van noesten arbeid, na al zijne krachten, al zijn geest tot het welzijn van de menschen te hebben besteed, ging hij heen zonder fortuin en aan zijn kinderen niets nalatende, dan een goeden en geachten naam.
Van een anderen aard waren de vervolgingen door Robert Estienne ondergaan, die, wegens een grieksche vertaling van den Catechismus van Calvijn, zich de vijandschap van de Sorbonne op den hals haalde, maar uit Frankrijk ontsnapte, te Genève een drukkerij oprichtte (1551) en deze dienstbaar maakte aan de zaak der Hervorming. Twintig jaren was hij met de Sorbonne in strijd geweest; meer dan eens dreigde hem de mutsaard, nu eens omdat hij den bijbel in groot formaat had afgedrukt, dan eens omdat hij een kleiner uitgave gegeven had van het Nieuwe Testament.
Grooter onheil stond Dolet te wachten. Steven Dolet werd in Orleans geboren, in het jaar 1509. Na de hoogeschool van Parijs bezocht te hebben, ging hij naar Padua en bracht er zijne studiën ten einde. Drie jaren later werd hij secretaris bij den ambassadeur te Venetië, Jean de Langeac, en volgde de lessen van Battista Egnazio over Cicero en Lucretius. In 1532 vinden wij hem te Toulouse. Hij studeert er in de rechten en is er het hoofd der partij, die voor de verboden studentenvereenigingen ijvert, ter oorzake waarvan hij gevangen gezet wordt. Door den bisschop van Rieux verlost werd hij nu bij de eene partij even geliefd als bij de andere gehaat. Hij spaarde zijne vijanden niet en werd uit Toulouse gebannen. Dolet toog nu naar Lyon, waar hij zijneCommentaires de la langue Latineliet drukken, een veel omvattenden arbeid, waaraan hij, van zijn zestiende jaar af, zijn tijd, zijn rust, de genoegens der jeugd en zijn gezondheid had opgeofferd. De jeugdige schrijver droeg zijn werk op aan Frans I, aan wien hij te Mons werd voorgesteld. De Koning nam hem in zijne bescherming en verleende hem zelfs het privilege van te mogen drukken en te laten drukken alle boeken, die hij schrijven of vertalen mocht.
Een nieuw avontuur maakte dat hij deze hooge bescherming wel noodig had. Zijne vijanden zonden een moordenaar op hem af, en toen deze op hem aanviel, werd hij door Dolet gegrepen en gedood. Beschuldigd van moord, werd hij nauwelijks verhoord, en zonder Frans I ware hij misschien toen reeds uit het land der levenden verdwenen.
Dolet, die zich de ondersteuning van den Koning waardig wilde maken, besloot nu zelf aan het drukken te gaan. »Ik zal met alle macht,” zoo verzekerde hij, »den schat der letterkunde vermeerderen;ik zal de afgestorven zielen der Ouden aan mij verbinden door hunne werken met de meeste zorg te drukken. Ook zal ik mijn pers dienstbaar maken aan de geschriften mijner tijdgenooten. Maar evenzeer als ik de meesterstukken zal aannemen, evenzeer zal ik het onwaardig geschrijf afwijzen van krabbelaars, die de schande zijn hunner eeuw.”
Hij gaf nu verscheidene goede boeken uit met voorredenen. Die voor Plato’s »Samenspraken” bestaat uit een welsprekend gedicht, aanvangende met de woorden:
»Al lang genoeg geleefd in ’t duister!”
»Al lang genoeg geleefd in ’t duister!”
Zijne drukken voeren als zinnebeeld of wapen een bijl of snoeimes, gehouden door een hand, die uit een wolk te voorschijn komt en die een tak van een knoestigen boom schijnt te willen afsnijden. Op de fransche boeken leest men daarbij: »Bewaar mij, o Heer! voor der menschen laster!”
Dolet gaf zich geheel aan zijn drukkerij over, maar zijne vijanden hielden niet op hem te vervolgen. In 1542 werd hij van zijn vrijheid beroofd, onder voorwendsel dat hij kettersche boeken uitgaf. Vijftien maanden lang zuchtte hij in den kerker en nog eens dankte hij zijn vrijheid aan ’s Konings gunst.
Den 14denFebruari 1543 leverde een vonnis van het Parlement van Parijs dertien zijner werken aan de vlammen over, als bevattende een vervloekte, verderfelijke en kettersche leer. Ried de voorzichtigheid tot de vlucht, de vaderlandsliefde en het goed geweten hielden hem tegen. Hij verdedigde zich met het wapen van den spot, en deze Rabalais onder de uitgevers wist uitermate goed met dit wapen om te gaan. De uitgever wreekte den schrijver.
In November 1544 vergaderde de Theologische Faculteit van Parijs, behandelde de uitgaven van Dolet en vond in een vertaling van Plato’s »Axiochus” aan Socrates het woord toegekend: »Na den dood zijt gij niets.” Deze zinsnede werd voor kettersch verklaard, als zijnde met opzet en tegen Plato’s bedoeling verkeerd vertaald. Nu werd Dolet alshereticus relapsus(een ten tweede male tot dwaalleer vervallen ketter) op de pijnbank gebracht, tot een nuttig onderwijs voor zijne makkers, zooals het in het vonnis luidt, en vervolgens geworgd en verbrand op den 8stenAug. 1546.1
Maar wat men Gutenberg of Dolet ook mocht aandoen en hoe veel boeken men vonnissen en verbranden mocht—het licht scheen er maar te helderder door, geweld en domheid stelden er zich maar te meer door ten toon.
1Dolet verdroeg zijn leed en schande met mannelijke fierheid, wat een zijner tijdgenooten in een Latijnsch gedicht deed zeggen:Dolet quisque dolet, non dolet ipse Dolet.Dolet elkeen betreurt, geenszins treurt om zichzelf Dolet.↑
1Dolet verdroeg zijn leed en schande met mannelijke fierheid, wat een zijner tijdgenooten in een Latijnsch gedicht deed zeggen:Dolet quisque dolet, non dolet ipse Dolet.Dolet elkeen betreurt, geenszins treurt om zichzelf Dolet.↑
1Dolet verdroeg zijn leed en schande met mannelijke fierheid, wat een zijner tijdgenooten in een Latijnsch gedicht deed zeggen:
Dolet quisque dolet, non dolet ipse Dolet.Dolet elkeen betreurt, geenszins treurt om zichzelf Dolet.
Dolet quisque dolet, non dolet ipse Dolet.Dolet elkeen betreurt, geenszins treurt om zichzelf Dolet.
Dolet quisque dolet, non dolet ipse Dolet.Dolet elkeen betreurt, geenszins treurt om zichzelf Dolet.
Dolet quisque dolet, non dolet ipse Dolet.Dolet elkeen betreurt, geenszins treurt om zichzelf Dolet.
Dolet quisque dolet, non dolet ipse Dolet.
Dolet elkeen betreurt, geenszins treurt om zichzelf Dolet.
↑