De Venetianen leverden hem uit. Blz. 80.De Venetianen leverden hem uit. Blz. 80.HOOFDSTUK VI.DE WEG DER WETENSCHAP.Niet steeds heeft de wetenschap de haar betamende plaats ingenomen in het rijk der kennis. Zeer langen tijd zijn hare rechten verkort, is haar onderwijs versmaad, zijn hare beginselen miskend; eeuwen lang is haar voortgang moeielijk geweest en traag. Dit komt hierdoor dat de menschelijke geest niet altijd de kunst heeft verstaan van de natuur te raadplegen en haar langs den weg der ervaring uit te hooren. Tot op de Renaissance was de wetenschap onderworpen aan het uiterst verwaand gezag der school, en waar zij eigen leven zocht, viel zij onder de mokerslagen der vervolging. Copernicus, als hij zich verwijdert van de denkbeelden van zijn tijd en, tegen de Kerk in, verklaart dat de aarde zich wentelt rondom de zon, Galileï, als hij der menschheid het aangrijpend schouwspel vertoont van den loop der sterren, hebben daarmede een groote omwenteling veroorzaakt in den gang der wijsbegeerte. De wereld zag in, dat zij op den verkeerden weg was, waar zij de waarheid wilde vernemen van menschen, die haar even weinig kenden als zijzelve. Het werd haar openbaar dat men les moest gaan nemen bij de natuur, die den geduldigen onderzoeker loont met hare schoonste openbaringen. Galileï met zijn kijker naar den sterrenhemel gekeerd, ziedaar een gebeurtenis van belang. De wijze houdtop met te zweren bij oude meesters; de nieuwe wijsbegeerte opent het tijdperk van de wetenschap der ervaring en de geesten worden vrij.Gedurende de middeleeuwen ging de wetenschap gebogen onder het juk van de scholastiek, die bekrompen en armelijke poging om datgene, wat de Kerk leerde, langs wetenschappelijken weg te bewijzen. Thans verkondigt de wetenschap hare uitkomsten, hare gissingen, hare overwinningen vrij en ongedwongen, en wie iets nieuws gevonden heeft, heeft slechts met de feiten te voorschijn te komen en ’t is genoeg. Maar zoo is het niet altijd geweest en de nieuwe denkbeelden zijn met het bloed van martelaars ingewijd.Baco en Cartesius hebben den zuiver wetenschappelijken weg voor ons geopend. Zij zijn de scheppers dier gezonde logica, die ons leert hoe onzen geest te besturen, zal zij de waarheid vinden. Cartesius heeft de onafhankelijkheid uitgeroepen van het oordeel, toen hij leerde dat men niet als waar moest aannemen wat men niet klaar en scherp als waarheid had begrepen.Dit denkbeeld, naar onze beschouwing zoo eenvoudig, scheen vroeger ten eenenmale gruwelijk. Zich op de ervaring der zinnen of op de rede te beroepen tegenover een uitspraak van Aristoteles en de voorschriften van de Kerk—welk een zonde! Zoo plantten zich de dwalingen en de vooroordeelen voort van geslacht tot geslacht.Waagde een sterrekundige te beweren dat hij vlekken had gezien in de zon, even zeker als hij vlekken zag op het papier, dan antwoordde men hem: »dat kan niet zijn; onze leeraars onderwijzen ons anders, namelijk dat de dagvorst onbesmet is, eeuwig rein.”De groote beweging die in den tijd der Renaissance in de wijsbegeerte plaats vond, werd in de 13deeeuw voorbereid door een man, even vernuftig en geestrijk, als rampspoedig, met name Rutger Baco. Deze beroemde engelsche monnik toch is inderdaad de eerste wijsgeer geweest, die opgekomen is tegen de dwalingen der scholastiek. »Was ik de eigenaar van al de boeken van Aristoteles, ik zou ze allen verbranden,” zeide hij. »Want men doodt er zijn tijd mee en zij dienen tot niets anders dan om de dwaling te verbreiden en de onwetendheid te vermeerderen.” Zich aldus over Aristoteles uitlatende had hij minder den wijsgeer der oudheid zelven op het oog, dan de eigenaardige aristotelische leer der middeleeuwen.Rutger Baco werd te Ilchester in het graafschap Sommerset geboren, in het jaar 1214, volbracht zijn eerste studiën te Oxford, kwam daarna te Parijs studeeren, werd er doctor in de godgeleerdheid en zag zich opgenomen in de orde der Franciskanen. Zijn voorliefde voor de natuurwetenschappen en voor het vrije onderzoek kwam hem toen reeds op vrij wat onaangenaamheden te staan van de zijde zijner dweepzieke ordebroeders. Baco legde zich eerst op het Latijn, het Grieksch, het Hebreeuwsch en Arabischtoe, ten einde de oude schrijvers in het oorspronkelijke te kunnen lezen. Dit belette hem niet de mathesis, sterrekunde, natuurkunde en chemie te beoefenen en in het kort zich vertrouwd te maken met al de takken der wetenschap. Hij raadpleegde daarbij allermeest de ervaring en verbreidde zijne gezonde leer onder de vele leerlingen, met wie hij in betrekking stond. Zijn werkzaamheid en zijn scherp verstand maakten hem weldra vermaard. Te Parijs stond hij bekend alsle docteur admirable, en hij maakte zich dien naam waardig, zoowel door het aantal als door het hooge belang zijner ontdekkingen op elk gebied van wetenschap. Baco was de eerste, die de fouten der juliaansche tijdrekening ten opzichte van het zonnejaar ontdekte. Hij reeds stelde paus Clemens IV de verandering voor, die eerst drie eeuwen na zijn dood tot stand gekomen is. Hij was de eerste, die de eigenschappen onderzocht der bolle en der holle glazen, brillen sleep en de leer van den teleskoop te berde bracht. Zoo hij al niet in eigenlijken zin het kruit heeft uitgevonden, welks vervaardiging voor vijftig jaren reeds beschreven was, hij gaf toch het middel aan de hand om het gehalte daarvan te verbeteren, daar hij de middelen aanwees om het salpeter te zuiveren, dat, zooals men weet, een van de hoofdbestanddeelen er van uitmaakt.Deze belangrijke zaken maakten dat hij de beschuldiging van tooverij moeielijk kon ontgaan. In de verbeelding des volks werd hij de held van allerlei wonderverhalen. Men hield hem voor een duivelskunstenaar en hij had, zeide men, een metalen hoofd vervaardigd, dat de toekomst wist te voorspellen. Zijne dweepzieke kloosterbroeders deden hem allerlei kwellingen aan, en het hoofd zijner orde verbood hem zijne geschriften mede te deelen aan wien ook, op straffe van op water en brood te worden gezet. Niettemin hield Clemens IV, nieuwsgierig naar zijne wonderbare uitvindingen, hem de hand boven het hoofd. Door de goede zorgen van een zijner meest getrouwe leerlingen, deed Baco den Paus het handschrift toekomen van zijn werkOpus Majus, en later dat van zijn brief overles Oeuvres secrètes de l’Art et de la Nature.Zijne werken bevatten een ongekenden rijkdom van kundigheden. ZijnOpus Majusomvatte bijna alle mogelijke wetenschappen, de kennis der talen niet uitgezonderd. Men vindt er onder anderen de beginselen in der gezichtskunde, de leer der brandspiegels, allerbelangrijkste opmerkingen over de straalbreking, een verklaring van den regenboog. Men vindt er ware onthullingen in, die blijk geven van een zoo buitengewoon doorzicht, dat men hem soms met een zeker voorgevoel van de toekomst begiftigd zou wanen. Van het kruit zegt hij, dat men er een stad of een leger mee zou kunnen vernielen. Spreekt hij van de natuur- en werktuigkunde, dan lijkt hij stoommachines en spoorwegen te beschrijven en de mogelijkheidte onderstellen van zich in de lucht te kunnen opheffen. Men zou, zegt hij, werktuigen kunnen vervaardigen, waarmee men de grootste schepen sneller zou doen loopen, dan wanneer een gansch garnizoen aan de riemen zat. Men zou rijtuigen zonder behulp van trekdieren met ongehoorde snelheid kunnen voortbewegen. Men zou ook machines kunnen vervaardigen, waarmee men, als met vleugels, zich in de lucht zou kunnen verheffen.HetOpus Majusschittert met nog hooger glans. Men vindt er een hoofdstuk in over de kunst van waarnemen. Het waarnemen, het nemen van proeven, wordt er beschouwd als de hoogste sport op den ladder der wetenschappelijke hulpmiddelen. Slechts door waarneming kunnen scheikundigen en natuurkundigen tot groote ontdekkingen komen. ’t Is waar, dat Baco, na zich in de hooge sferen der wijsbegeerte te hebben verheven, verdwaald raakt in de vooroordeelen van zijn tijd; hij gelooft dat er middelen zijn om de edele metalen te vermenigvuldigen en het leven te verlengen; maar niemand vergete dat hij leefde in de dertiende eeuw.De inbreuk, door Baco gemaakt op de kloosterregelen, de domme en nijdige haat, die tegelijk met zijn roem aanwies, moesten noodlottig voor hem zijn. Men wist dat de Paus hem beschermde, en de aanvallen, waaraan hij bloot stond, werden in de beginne altijd een weinig ingetoomd, maar toen Clemens IV kwam te sterven ging het met woede op hem los. In 1278 klaagden de Franciskaners hun medebroeder als een sterrewichelaar aan, die zijn ziel aan den duivel had verkocht. Te vergeefs was het, dat Baco trachtte zich te rechtvaardigen; de aanklacht van tooverij en magie beantwoordde hij met een brief:de nullitate magiae. »De zaken gaan uw verstand te boven,” zoo schrijft hij, »en daarom noemt gij ze duivelskunstenarijen. Maar wat baat er tegen de verblinding van bijgeloof en dweperij?” De werken van Baco werden veroordeeld als bevattende »gevaarlijke en verdachte nieuwigheden.” De arme schrijver moest voor zijn vernuft en zijn geest boeten met een gevangenschap van 15 jaren. Toen hij goed en wel door de smart verteerd, door zijn gevangenschap ondermijnd, door zwakte en kwalen uitgeput was, gaf men hem de vrijheid weder. De ongelukkige grijsaard sleepte zich voort en kwam in zijn vaderland aan, om er te sterven. Hij moet zich wel diep ongelukkig hebben gevoeld, wanneer het waar is dat hij op zijn doodsbed de klacht heeft geslaakt: »Het berouwt mij zooveel moeite ten beste te hebben gegeven aan de wetenschap!”Baco was zijn tijd een paar eeuwen vooruit. Zijn roem gaf aan zijn leer zekere ruchtbaarheid; maar eigenlijke op- en navolgers vond hij eerst, toen de boekdrukkunst de waarheid vleugelen gaf. Eerst de wijsgeeren toch der 16deeeuw begonnen door middel dezer gezegende kunst de geesten te vormen, het vrije onderzoek voorte bereiden en onder zwaren strijd en bittere worsteling der menschheid haren Baco waardig te maken.Aan dien strijd heeft Ramus (Pierre La Ramée) een groot aandeel gehad. Na met schitterenden uitslag meester in de zeven vrije kunsten te zijn geworden, gaf hij te Mans openbare lessen o. a. in de logica en stelde zich tot taak de beginselen dier wetenschap te herzien. Zijne werken werden door de theologische faculteit te Parijs veroordeeld, en men ging zoo ver van hem naar de galeien te verwijzen, welk vonnis evenwel niet ten uitvoer werd gebracht; maar wel werd hij voor een weetniet, een onbeschaamde, een kwaadwillige, een onruststoker uitgemaakt, en wel werd hem het lezen en schrijven onmogelijk gemaakt. In 1551 tot hoogleeraar benoemd, is hij beurtelings afgezet en hersteld, uit Parijs gebannen en weer naar Parijs teruggekeerd. Hij bevond zich in deze stad, gedurende den vreeselijken Bartholomeus-nacht en van protestantsche gevoelens verdacht, werd hij door zekeren Charpentier, een dwepend katholiek, als een gevaarlijk hugenoot aangewezen, bestolen en vermoord, waarna zijn lijk uit het venster geworpen en op gruwelijke wijze verminkt en mishandeld werd. Ook hij had het zijne bijgebracht tot de vrijmaking van den geest, ook hij, een Luther op het gebied der wetenschap, was een hervormer.Nevens hem vinde hier Giordano Bruno vermelding, een der groote strijders voor het vrije denken, een man vol geleerdheid, kennis en verbeeldingskracht. Hij werd te Napels geboren, omstreeks het midden van de 16deeeuw. Na tot de orde der Dominikanen behoord te hebben, begaf hij zich naar Genève, daar zijn twijfelingen aangaande de kerkleer en zijne spotternijen tegen de monniken hem het verblijf onmogelijk maakten in het land der Heilige Inquisitie. Hij omhelsde het protestantisme, kwam te Parijs, waar hij de wijsbegeerte onderwees, en bestreed de school van Aristoteles. Engeland, Duitschland doorreisde hij, overal zijne geschriften als uitstrooiende. Toen greep het verlangen, om zijn vaderland weder te zien, hem aan, en bleef hij een paar jaren teVenetiëvertoeven. De Venetianen leverden hem uit aan de Inquisitie en deze zond hem naar Rome. Veroordeeld, om levend verbrand te worden, riep hij, in verheven kalmte van geest, zijn rechter toe: »Over het vonnis, dat gij daar uitspreekt, staat gij waarschijnlijk meer verlegen dan ik.” In Februari 1600 stierf hij in de vlammen.GiordanoBruno hield het heelal voor oneindig en onmetelijk. Hij geloofde dat er meer dan één wereldstelsel was en nam de verdediging op zich van de leer van Copernicus. Dit was zijn misdaad.Dood van Ramus. Blz. 80.Dood van Ramus. Blz. 80.Een ander slachtoffer der geestelijke onverdraagzaamheid was Campanella, een Napolitaansch leeraar der wijsbegeerte, hervormer der wetenschap en verdediger van Copernicus. Twintig jaren leefde hij in boeien en de vreeselijkste folteringen, die wij in een akeligendroom ons voor den geest kunnen stellen, deed de Inquisitie hem aan, en doorstond hij, soms veertig uren achtereen. De meest gezochte beschuldigingen werden tegen hem aangevoerd, de wreedste folteringen hem aangedaan; maar hij week niet. Paus Paulus V vroeg zijn vrijspraak van Filips III. Deze was onverbiddelijk. Eerst bij diens dood kon Campanilla den kerker verlaten. Nu begon hij zijn strijd op nieuw, en zoo hij thans onder de hoede van Paus Urbanus VIII en den kardinaal van Richelieu rustig kon werken, zoo hij Cartesius in Holland kon bezoeken en op zijn zeventigste jaar te Parijs rustig den adem uitblies, wie had, als hij, dat leven ontworsteld aan duizend dooden, wie had, als hij, zijn eigen leven zich zoo dubbel verdiend?Terwijl deze wijsgeeren zoo dapper streden, bracht een groot werkman de wetenschap der ervaring in praktijk, en leverde, door de uitkomst van zijn arbeid, een zichtbaar getuigenis voor de degelijkheid der nieuwe wijze van onderzoek.Palissy zag het levenslicht in het begin van de 16deeeuw, in de nabijheid van het stadje Biron, tusschen de Lot en de Dordogne. Van zijn jeugd is weinig bekend, maar dit weet men, dat hij al vroeg de Pyreneën, Vlaanderen, de Nederlanden, de Ardennen en de Rijnoevers bezocht, als zwervend gezel glazen slijpende, maar bovenal allerlei natuurkundige bijzonderheden nagaande, bergen, bosschen, steengroeven, mijnen, grotten bezoekend.In zijn vaderland teruggekeerd, vestigde Palissy zich te Saintes en trad aldaar in het huwelijk. De zorgen voor zijn gezin drongen hem zich met al zijn kracht toe te leggen op het vervaardigen dier aardewerken met glazuursel, die zijn naam zoo beroemd zouden maken.Bernard Palissy verhaalt dat het aanschouwen van een schoon stuk verglaasd aardewerk hem op het denkbeeld bracht het geheim te zoeken, volgens hetwelk deze kunstgewrochten vervaardigd werden. Hij had een echt kunstgevoel, smaak voor de schilderkunst, en zette zich aan het werk. Zonder zich er aan te storen dat hij geheel onbekend was met de verschillende soorten van kleiaarde, ging hij aan het zoeken, als een man, die in den blinde tast. De geschiedenis van dit zoeken en van den arbeid en het geduld, door Palissy hieraan besteed, vormt een waren heldenzang. De bladzijden, door hem zelven aan dit onderwerp gewijd, zijn geschreven in een stijl, een Montaigne waardig. Zij houden ons het opmerkelijk schouwspel voor van den uitvinder, zooals hij strijdt met het onbekende, en leveren een verheven voorbeeld van wat het genie vermag, als nauwkeurige waarneming en noeste vlijt de handen ineenslaan.Palissy nam proeven met een groot aantal verschillende stoffen, maar zonder gevolg. »Na meer dan eens misgegrepen en veel kostengemaakt en veel vergeefschen arbeid verricht te hebben,” zoo verhaalt hij zelf, »ging ik maar steeds voort, met opoffering van veel geld en tijd, nieuwe stoffen te stampen en te malen en nieuwe ovens te vervaardigen.” Niet gansch in den blinde willende zoeken, legde Palissy zich allereerst toe op het verfraaien en volmaken van het witte glazuursel, zich voorbehoudende het gekleurde te zijner tijd te laten volgen.Gedurende twee achtereenvolgende jaren reist hij onophoudelijk heen en weer tusschen zijn woning en de nabijgelegen glasblazerijen, en om dit heen en weer loopen uit te winnen, neemt hij het besluit zich een oven te bouwen, zooals de glaswerkers die gebruiken. Niet dan met de grootste moeite bouwde de wakkere uitvinder zich dezen oven. Hij had geen middelen om een knecht te bekostigen en metselde met eigen hand, mengde de kalk, putte het water, droeg de steenen aan op zijn schouders.Palissy.Palissy.Na het fornuis te hebben afgemaakt, moet hij het glazuursel vervaardigen. Zes dagen en zes nachten blijft hij voor het vuur, dat hij altijddoor brandend houdt. Daar zal ’t gelukken! Maar het hout is opgebrand, hij heeft niets meer. Nu moeten de tafels, de planken van zijn huis er aan. Ach, velen, die beter gedaan hadden zoo zij hem met beide handen hadden geholpen, lachten hem uit, en liepen de stad in, schreeuwende dat hij zijn huis verbrandde en dat hij gek geworden was. Hiermee verloor hij niet alleen het vertrouwen zijner medeburgers, maar men ging verder en zei dat hij valsche munt sloeg. De arme man, met schulden beladen, met twee jonge kinderen tot zijn last, liep daarheen, gansch ter nedergebogen als iemand, die zich niet weet te bergen van schaamte. »Intusschen,” zoo voegt de held er bij, »de hoop begaf mij niet; zij hield mijstaande, zij deed mij zelfs zoo dapper voortgaan met mijn werk, dat ik mij soms lachend kon bezig houden met de menschen, die mij kwamen bezoeken.”Weldra zou hij slagen, maar ten koste van hoeveel ellende zou dat zijn!»Ik werd,” zoo schrijft hij, »bezocht door nog een ander verdriet, namelijk dit: dat door hitte, vorst, wind, regen en drup het grootste gedeelte van mijn arbeid bedierf, nog voordat het gebakken werd. Ik moest dus hout, latwerk, pannen en spijkers leenen, om mijn werk behoorlijk onder dak te brengen. Ik brak af wat ik gebouwd had, om het beter op te bouwen, maar werd natuurlijk braaf bespot door handwerkslieden, schoenmakers, gerechtsdienaars, zaakwaarnemers, oude vrouwtjes en allerlei ander volk, te dom om te begrijpen dat ik een ruime werkplaats noodig had. Ik deed niets anders dan afbreken en opbouwen, zeiden zij. In plaats van medelijden met mij te hebben, verguisden zij mij, wanneer zij zagen hoe ik het geld, zoo noodig tot het levensonderhoud, voor mijne proeven besteedde. Niet wetende, waarmee ik mijne fornuizen tegen weer en wind zou beveiligen, ben ik jaren lang bloot gesteld geweest aan regen en onweer, zonder vertroosting of ander gezelschap dan de nachtuilen ter eene en de huilende honden ter andere zijde. Soms bliezen de stormen zoo verwoed boven en beneden in mijne fornuizen, dat er niets mee te doen was en al mijn werk verloren ging. Soms legde ik mij te middernacht of bij het krieken van den dag te slapen. Ik zag er dan uit, alsof ik door al de goten van de stad gesleept was, en wanneer ik mij naar mijn slaapplaats begaf, strompelde ik, zonder licht, voorwaarts, van den eenen kant naar den anderen vallend, als iemand, die bevangen is van den wijn.”Ondertusschen kwam Palissy zijn doel al nader en nader. De dag brak aan, waarop zijn prachtig aardewerk en zijne beelden naar waarde werden geschat. De Connétable de Montmorency beschermde nu den pottebakker. Catharina de Medicis liet hem naar Parijs komen. Toen bewoonde Bernard Palissy de Tuileriën en werd hem de verfraaiing opgedragen der koninklijke kasteelen.De fransche kunstschool schitterde onder de hoede van Frans I in al haar glans; Jean Goujon, Pierre Lescot, Germain Pilon, Ducerceau wedijverden met Leonard da Vinci, Primaticcio, André del Sarto, Benvenuto Cellini. Bernard Palissy, zoo versch uit de provincie te midden van zulke meesters optredende, nam, als zij, een voorbeeld aan de meesterstukken der Italiaansche kunst. Hij vervaardigde een menigte verglaasde vazen, die als sieraden gebruikt werden in tuinen, bij fonteinen, in gangen en portalen. Weldra was hij bezig aan het verfraaien van de Tuileriën, die Catharina de Medicis had laten bouwen.Hij wijdde zich tegelijkertijd ook nog aan andere bezigheden, die hem tot den eersten leeraar stempelden in de geschiedenis van de natuur en tot den stichter der nieuwere kennis omtrent onze aarde. Op zijne reizen had hij overal bij voorkeur de rotsen onderzocht en fossilen opgezameld, volgens zijne tijdgenooten slechts onbeduidende indrukselen, voorwerpen zonder waarde of beteekenis, het aanzijn dankende aan het een of ander toeval, een speling der natuur.De eenvoudige pottebakker, die Latijn noch Grieksch kende, riep de geleerden en de wijsgeeren tot zich en durfde ten aanschouwen van geheel Parijs de stelling te opperen, dat de fossile horens en schelpen wel degelijk horens en schelpen zijn, dat zij indertijd door de zee zijn neergelegd ter plaatse, waar zij nu gevonden worden, en dat wezenlijke dieren, visschen vooral, aan den zachten steen de indrukselen gegeven hadden, die er in zijn waar te nemen.Palissy verzamelt die voorwerpen, die hij voor zijne bewijsvoering noodig heeft; schikt naar wetenschappelijke orde de kristallen en fossile voorwerpen, die hij op zijne reizen heeft verzameld, en sticht aldus in 1575 het eerste kabinet van natuurlijke geschiedenis. De lessen, die hij daarbij gaf, waren zeer gezocht en duurden tot 1584. Zijn verzameling merkwaardigheden trok vele nieuwsgierigen. Met die bewijsstukken bij zich, voelt Palissy zich sterk en onoverwinnelijk; hij kan aan al de bitterheden en aan al de vooroordeelen der wereld het hoofd bieden; hij staat den naijver en de blinde woede, en roept zegevierend uit: »Ga nu uwe latijnsche wijsgeeren halen, om tegen mij te getuigen!”Bernard Palissy heeft zijne werken in den vorm van Samenspraken geschreven. In een van deze voert hij twee denkbeeldige personen op:Theoretica, die de scholastiek voorstelt, een domme, onleerzame schoolmeester, die met zijn dwaze antwoorden uw medelijden opwekt, enPractica, die onophoudelijk de zwaarwichtige redeneeringen van zijn tegenstander overhoop werpt. Met welk een vernuft, welk een kleur, welk een losheid vermeit hij er zich in de oude denkbeelden te bestrijden. Dit onnavolgbare werk is een der groote letterkundige gedenkstukken van de 16deeeuw. Aan vuur, geestdrift en welsprekendheid paart Palissy gezonde redeneering, en steeds maakt ernstige waarneming den grondslag uit zijner overtuigingen. Het volgende mag hierbij ten voorbeeld strekken. Na uitvoerig te hebben aangetoond dat de steenen niet groeien, wat men in zijn tijd algemeen geloofde, gaat hij voort:Theoretica.En waar hebt gij dit nu weer geleerd? In welk boek, op welke school ter wereld kunt gij gehoord hebben wat gij daar zegt?Practica.Ik heb geen ander boek gebruikt, dan de hemel en de aarde, die bij allen bekend is, en ’t is aan allen gegeven ditschoone boekwerk te lezen. Ik nu heb in dit schoone werk gelezen en de aardsche dingen beschouwd.De »Discours admirables” van Palissy lezende verbaast gij u over de nieuwheid en de keur van zijne opmerkingen, zoowel waar zij betrekking hebben op de bergen, of den grond, of de steenen, wier vorm, kleur, gewicht en dichtheid door hem met ijver onderzocht worden. Kristallen, druipsteenen, versteend hout, fossilen, mergel, schelpzand, alles is zijn prooi. De meest belangrijke vraagstukken durft hij aan en overal opent hij de stoutste en treffendste gezichtspunten, overal spreekt het genie, als door een bovennatuurlijke openbaring, uit wat door latere eeuwen zal worden bezegeld en vastgesteld.In zijn »Discours sur la nature des Eaux et Fontaines” geeft Palissy het middel aan om water door middel van pompen, buizen en leidingen van de eene plaats naar de andere op te voeren; hij behandelt er de minerale wateren, schrijft hun warmte toe aan een onderaardsch vuur, dat onophoudelijk brandt, wijdt uit over de kracht van den stoom en het eigenaardige belang dezer kracht, die nog zoo weinig bij de menschen bekend is en van wier vermogen hij zich vergewist heeft, niet door middel van boeken, maar door middel van een waterketel. Volgens hem ontstaat het bronwater door het doorzijgen van het regenwater; ook heeft hij een volkomen afgewerkte leer omtrent de verdere vorming van bronnen en wellen. Hij leert hoe men in navolging van de natuur kunstmatig fonteinen kan doen springen, »als men maar het voorschrift van de oppersten waterwerker volgt.”In het volgende stuk van zijnTraité de la Marnevertoont Palissy zich als de ware uitvinder der artesische putten.»Het komt mij voor,” schrijft hij, »dat een goede schroef of boor sommige meer weeke gesteenten gemakkelijk doorboren zou, en dat men langs dezen weg mergelgrond zou kunnen vinden en water om putten te maken, welk water dan ook wel eens hooger kon stijgen dan de plaats waar de boor het gevonden heeft. Immers kan het water wel van hoogere plaatsen afkomen dan die, waar men de boring bewerkstelligt.”Als natuurkundige, scheikundige, landbouwkundige ziet Palissy al de groote wetenschappelijke vraagstukken van zijn tijd onder de oogen; hij laat er den glans op schijnen van zijn gezond verstand en zijn oordeelkundig onderwijs.Als scheikundige verheft deze voorstander der wetenschappelijke proefneming zich verre boven al het ijdel zoeken naar den zoogenaamden Steen der Wijzen; verre boven de alchimisten staande toont hij aan, langs welke wegen zij de menschen in den waan brengen van lood in goud of zilver te kunnen veranderen. Den geneesheeren beveelt hij aan meer kennis te nemen van hetgeen zich in de natuurvoordoet; aan de landbouwers geeft hij den raad, dat zij hun land zullen bemesten en wijst hun het nut aan van de mergel, terwijl hij hun raadt de bosschen te sparen. »Als gij alle bosschen hebt omgehouwen,” zegt hij, »moeten alle kunsten blijven stil staan en de handwerkslieden, als Nebukadnesar, gras eten.”Terwijl Palissy zijn eeuw met zijne werken verrijkte, werd Frankrijk verscheurd door binnenlandschen krijg. De pottebakker had, te midden zijner grootste beproevingen, het Protestantisme omhelsd, en gedurende de bekende godsdienstoorlogen was hij van kerker naar kerker gesleept. Dank zij de gunst van Catharina de Medicis, ontsnapte hij aan de gruwelen van den Bartholomeusnacht; maar die gunst kon niet duren. Toen de Ligue zich in 1588 van Parijs had meester gemaakt, werd de grijze Palissy in de Bastille gevangen gezet. Mathieu de Launay eischte dat deze Calvinist onmiddellijk naar hetspectacle public(den openbaren dood) zou worden geleid. Gelukkig wist de hertog van Mayenne te bewerken dat zijn proces ten minste nog eenigen tijd werd uitgesteld.Palissy bleef steeds aan zijne overtuiging getrouw. Eens kwam Hendrik III hem in de Bastille een bezoek brengen, in gezelschap van den graaf de Maulevrier.»Mijn goede vriend,” zeide de Koning, »’t is nu al vijf-en-veertig jaren dat gij mij en mijne moeder dient. Wij hebben u vergund bij ons te verkeeren en uw godsdienstig geloof te belijden; maar nu word ik zoowel door de Guises als door mijn volk dermate gedrongen, dat ik u wel moet loslaten en u aan uwe vijanden overgeven, zoodat gij morgen zult verbrand worden, wanneer gij u niet bekeert.”»Sire!” antwoordde de grijsaard, »ik ben bereid mijn leven te geven voor de glorie van God. Gij hebt mij al dikwijls gezegd dat gij medelijden met mij hadt, welnu, ik heb medelijden met u, die u »dwingen” laat. Dat is geen taal voor een koning, en zoo iets zoudt gij, noch de Guises, noch heel uw volk op mij vermogen, want ik ben niet bang voor den dood.”Eenigen tijd later, in 1589, blies de brave man in een der hokken van de Bastille den laatsten adem uit.Wat al edele en wijze mannen zouden wij Palissy ter zijde kunnen stellen: André Vesale, de vader der dierlijke ontleedkunde, Ambroise Paré, de groote heelkundige,Paracelsus, de voortreffelijke scheikundige. Doch wij gaan deze voorbij om ons op te houden bij Michel Servet.Palissy in den kerker der Bastille. Blz. 87.Palissy in den kerker der Bastille. Blz. 87.Michel Servet werd in 1509 in Arragon geboren, studeerde in de rechten te Toulouse en mengde zich in de godsdiensttwisten van zijn tijd. Te Straatsburg wekte hij de verbazing des eenen en de verontwaardiging des anderen op, want zijne leeringen waren bij uitstek vrijzinnig, zoodat hij door zijne tegenstanders»die ondeugende en vinnige Spanjool” genoemd werd. In Duitschland wekten zijneSamenspraken, waarin kerkelijke leerstukken besproken werden, zulk een ergernis, dat hij zich achter den aangenomen naam van Michel de Villeneuve moest verschuilen en zoo naar Frankrijk uitwijken.Spinoza.Spinoza.Te Parijs verwierf hij zich den graad van doctor in de medicijnen, en maakte hij een grooten opgang zoowel met zijne lessen als met zijne werken. Tot zijn ongeluk—ontmoette hij Calvijn en daagde hem uit tot een soort van twistgesprek, waarbij de eerste zaden gestrooid werden van die vijandschap, die tot zoo vreeselijken strijd klimmen zou. Onrustig van aard, vestigde Servet zich achtereenvolgens te Parijs, te Lyon, te Charlieu, te Avignon, waar hij tegelijkgeneeskundige en corrector bij een drukkerij was. Voortdurend bezig met godgeleerde zaken, wilde hij Calvijn tot zijne meeningen overhalen, gaf een groot werk uit,la Restitution du Christianisme, en prikkelde zijn tegenstander tot steeds heftiger ergernis. Servet was, als Calvijn, protestant; maar hij was, wat wij in onze dagen een »liberaal” zouden noemen, zoodat Calvijn besloot Servet’s boosheden voor goed te stuiten. Hij gaf aan de Inquisitie stukken tegen hem in handen. Wel wist Servet te ontkomen, maar hij waagde zich in Genève en viel daar zijn fellen en onverbiddelijken tegenstander in handen. Calvijn liet hem gevangen nemen en leidde in eigen persoon het rechtsgeding, waarbij zijn tegenstander ter dood veroordeeld werd.Den 27stenOctober 1553 werd Servet als ketter levend verbrand. Hij was vier-en-veertig jaren oud. Terwijl hij naar den brandstapel ging, werd hij door Farel, die hem in zijn laatste oogenblikken bijstond, vermaand, dat hij zijne dwalingen zou herroepen, maar de wijsgeer bleef onverzettelijk. Hij ging moedig en met vasten tred op den brandstapel af, en toen de vlammen hem omhulden, hoorde men hem een hartverscheurenden kreet slaken.Zooveel zeker had de groote Spinoza niet te lijden, die ons thans een oogenblik zal bezig houden. Toch werd ook zijn vrede door de menschen verstoord. Deze beroemde wijsgeer, die zich verdiepte in de groote vragen omtrent het bestaan van God, het wezen van den mensch, het karakter der deugd, die in zijn »Ethiek” of »Zedeleer” zulke verhevene beginselen uitsprak, de verwezenlijking van den mensch en van het menschelijke zocht in het zoeken en het kennen van het goddelijke, die de deugd zelve als den waren staat der zaligheid beschreef, is niet om niet beroemd geworden. Spinoza werd 24 November 1632 te Amsterdam geboren uit een deftig portugeesch-israëlietisch geslacht. Hij ontving zijn opvoeding voor een deel van zekeren dokter Frans van den Ende, een man, die later als godverzaker uit Amsterdam gebannen werd, of vrijwillig uitweek, en wiens leeringen met die der Synagoge geheel in strijd waren. Door den omgang met dezen geneesheer, door het lezen van de schriften van Cartesius, door de beoefening der natuurwetenschappen, door zijne gesprekken met vrijzinnige Amsterdammers, dwaalde ook Spinoza al verder en verder van de Synagoge af, en daar hij zijne gevoelens vrij uitsprak, begonnen zijn persoon en zijn ongeloof groot opzien te baren. Men deed hem aanbiedingen. Men moet hem van wege de Synagoge een jaarwedde van ƒ1000 hebben aangeboden, »om slechts bij haar te blijven en voor de leus naar de kerk te gaan.” Spinoza weigerde natuurlijk en bijna had hem die weigering het leven gekost, want op een avond, bij het uitgaan van de Synagoge, werd de ponjaard van een sluipmoordenaar tegen hem getrokken; hij wist den stoot te keeren, maar hijkon zijn doorboorden mantel bewaren, als een gedachtenis aan het rampzalig werk der dweepzucht. Hij besloot nu Amsterdam te verlaten, en vond voorloopig huisvesting bij een protestantschen vriend te Ouderkerk. Spoedig daarna werd hij door den banvloek van de Synagoge getroffen. Dit geschiedde den 27 Juli 1656. Ondertusschen hield Spinoza zich bezig met het slijpen van glazen, waarmee hij in zijne behoeften voorzag. Stil en ingetogen leefde hij achtereenvolgens te Rijnsburg en te ’s Gravenhage. Hij was onbaatzuchtig, eenvoudig, een vriend der menschen, al heette hij bij de Joden en bij vele Christenen een »gevaarlijk” mensch. Hij bleef, hoe hatelijk hij ook behandeld werd, de prediker en de beoefenaar der edelste verdraagzaamheid. In 1677 stierf hij. Toen in 1678 zijn »Ethica” uitkwam, bleek wel duidelijk wat zijn lot zou geweest zijn, wanneer het boek bij zijn leven ware uitgekomen. Zijne werken werden bij plakkaat van de Staten van Holland en West-Friesland met »de hoogste indignatië” verboden. Nog in 1714 werden een paar boekjes, die voor Spinosistisch doorgingen, in Middelburg op het schavot vóór het stadhuis, ter plaatse waar men gewoon was crimineele justitie te oefenen, door de hand van den scherprechter verscheurd en verbrand.Heeft de Synagoge Spinoza gebannen, de Hervormde Kerk heeft Balthazar Bekker afgezet. Men kon in zijn tijd de menschheid moeilijk grooter dienst bewijzen, dan haar vrij te maken van haar onzinnig geloof aan den Duivel. Dat geloof nam de verbeelding en de ziel zoozeer in bezit, wekte zooveel vrees, bijgeloof en vooroordeel, het spookte zoo akelig rond met zijne heksen en zijne tooverijen en geheimzinnige kunsten, dat wij er ons in onze dagen nauwlijks een voorstelling van kunnen maken. Het beroemde werk van Jacob Sprenger »de heksenhamer” bevatte een volledige leer of geloofsbelijdenis omtrent den Satan en de tooverij, met allerlei uitleggingen van de werkingen des Boozen, en veel bedreiging tegen degenen, die zich met hekserij bezig hielden. Doch wat baatte dreigen en straffen, zoolang dit ongelukkig geloof als een akelige nachtmerrie de zielen bleef benauwen? In 1691 verscheen Balthasar Bekker’s »Betooverde Wereld.” Thans gold het niet de vraag, hoe men den Duivel moest en kon ontgaan, en zich redden van zijne listen; maar de vraag of hij bestond. Bekker, die aan de hoogescholen van Groningen en Franeker gestudeerd had, was toen predikant te Amsterdam. Reeds vroeger had hij in den reuk gestaan van groote onrechtzinnigheid, en nu werd het er niet beter op. Als volger van de leer van Cartesius bestreed hij het geloof aan duivelen en den invloed van booze geesten op de lichamen en op de zichtbare wereld. Als menschenvriend zag hij met schrik hoe velen, ten gevolge van de afschuwelijke heksenprocessen, om het leven waren gekomen, hoe velen op allerlei andere wijzen de slachtoffers waren gewordenvan deze reusachtige dwaling. En terwijl nog zoo goed als de geheele wereld beefde voor den Booze, een ieder zijn naaste achterdochtig aankeek en honderd dingen aan den invloed van den Duivel werden toegeschreven, terwijl nog het gansche heir van Zijne Helsche Majesteit spookte op de heiden en in de harten, verscheen Balthasar Bekker’s boek als een gebeurtenis, een feit van gewicht. Het heeft een licht doen opgaan over het ellendig bijgeloof, het is èn in ons land èn elders de dageraad geworden van een beter toekomst. Doch wat kon de wereld met dezen zoon des lichts anders doen, dan zeggen dat hij een duisterling was? De wereld kan niet, zoo maar op eens, ongelijk hebben. Neen, dat ging niet aan. Zoo heeft de classis van Amsterdam dezen weldoener dan ook behoorlijk geschorst en hem later uit zijn bediening ontzet. Immers leerde de Bijbel dat er een duivel was.Balthasar Bekker was een van die mannen, die zijn eigen oordeel volgde. »Zie nooit met eens anders oogen,” had zijn vader, mede predikant, hem geleerd, en hij heeft de les wel ter harte genomen, tot schade van zijn welvaart naar de wereld, tot winst van zijn medemenschen. De slag toch, dien hij het bijgeloof toebracht, is doodelijk geweest.
De Venetianen leverden hem uit. Blz. 80.De Venetianen leverden hem uit. Blz. 80.HOOFDSTUK VI.DE WEG DER WETENSCHAP.Niet steeds heeft de wetenschap de haar betamende plaats ingenomen in het rijk der kennis. Zeer langen tijd zijn hare rechten verkort, is haar onderwijs versmaad, zijn hare beginselen miskend; eeuwen lang is haar voortgang moeielijk geweest en traag. Dit komt hierdoor dat de menschelijke geest niet altijd de kunst heeft verstaan van de natuur te raadplegen en haar langs den weg der ervaring uit te hooren. Tot op de Renaissance was de wetenschap onderworpen aan het uiterst verwaand gezag der school, en waar zij eigen leven zocht, viel zij onder de mokerslagen der vervolging. Copernicus, als hij zich verwijdert van de denkbeelden van zijn tijd en, tegen de Kerk in, verklaart dat de aarde zich wentelt rondom de zon, Galileï, als hij der menschheid het aangrijpend schouwspel vertoont van den loop der sterren, hebben daarmede een groote omwenteling veroorzaakt in den gang der wijsbegeerte. De wereld zag in, dat zij op den verkeerden weg was, waar zij de waarheid wilde vernemen van menschen, die haar even weinig kenden als zijzelve. Het werd haar openbaar dat men les moest gaan nemen bij de natuur, die den geduldigen onderzoeker loont met hare schoonste openbaringen. Galileï met zijn kijker naar den sterrenhemel gekeerd, ziedaar een gebeurtenis van belang. De wijze houdtop met te zweren bij oude meesters; de nieuwe wijsbegeerte opent het tijdperk van de wetenschap der ervaring en de geesten worden vrij.Gedurende de middeleeuwen ging de wetenschap gebogen onder het juk van de scholastiek, die bekrompen en armelijke poging om datgene, wat de Kerk leerde, langs wetenschappelijken weg te bewijzen. Thans verkondigt de wetenschap hare uitkomsten, hare gissingen, hare overwinningen vrij en ongedwongen, en wie iets nieuws gevonden heeft, heeft slechts met de feiten te voorschijn te komen en ’t is genoeg. Maar zoo is het niet altijd geweest en de nieuwe denkbeelden zijn met het bloed van martelaars ingewijd.Baco en Cartesius hebben den zuiver wetenschappelijken weg voor ons geopend. Zij zijn de scheppers dier gezonde logica, die ons leert hoe onzen geest te besturen, zal zij de waarheid vinden. Cartesius heeft de onafhankelijkheid uitgeroepen van het oordeel, toen hij leerde dat men niet als waar moest aannemen wat men niet klaar en scherp als waarheid had begrepen.Dit denkbeeld, naar onze beschouwing zoo eenvoudig, scheen vroeger ten eenenmale gruwelijk. Zich op de ervaring der zinnen of op de rede te beroepen tegenover een uitspraak van Aristoteles en de voorschriften van de Kerk—welk een zonde! Zoo plantten zich de dwalingen en de vooroordeelen voort van geslacht tot geslacht.Waagde een sterrekundige te beweren dat hij vlekken had gezien in de zon, even zeker als hij vlekken zag op het papier, dan antwoordde men hem: »dat kan niet zijn; onze leeraars onderwijzen ons anders, namelijk dat de dagvorst onbesmet is, eeuwig rein.”De groote beweging die in den tijd der Renaissance in de wijsbegeerte plaats vond, werd in de 13deeeuw voorbereid door een man, even vernuftig en geestrijk, als rampspoedig, met name Rutger Baco. Deze beroemde engelsche monnik toch is inderdaad de eerste wijsgeer geweest, die opgekomen is tegen de dwalingen der scholastiek. »Was ik de eigenaar van al de boeken van Aristoteles, ik zou ze allen verbranden,” zeide hij. »Want men doodt er zijn tijd mee en zij dienen tot niets anders dan om de dwaling te verbreiden en de onwetendheid te vermeerderen.” Zich aldus over Aristoteles uitlatende had hij minder den wijsgeer der oudheid zelven op het oog, dan de eigenaardige aristotelische leer der middeleeuwen.Rutger Baco werd te Ilchester in het graafschap Sommerset geboren, in het jaar 1214, volbracht zijn eerste studiën te Oxford, kwam daarna te Parijs studeeren, werd er doctor in de godgeleerdheid en zag zich opgenomen in de orde der Franciskanen. Zijn voorliefde voor de natuurwetenschappen en voor het vrije onderzoek kwam hem toen reeds op vrij wat onaangenaamheden te staan van de zijde zijner dweepzieke ordebroeders. Baco legde zich eerst op het Latijn, het Grieksch, het Hebreeuwsch en Arabischtoe, ten einde de oude schrijvers in het oorspronkelijke te kunnen lezen. Dit belette hem niet de mathesis, sterrekunde, natuurkunde en chemie te beoefenen en in het kort zich vertrouwd te maken met al de takken der wetenschap. Hij raadpleegde daarbij allermeest de ervaring en verbreidde zijne gezonde leer onder de vele leerlingen, met wie hij in betrekking stond. Zijn werkzaamheid en zijn scherp verstand maakten hem weldra vermaard. Te Parijs stond hij bekend alsle docteur admirable, en hij maakte zich dien naam waardig, zoowel door het aantal als door het hooge belang zijner ontdekkingen op elk gebied van wetenschap. Baco was de eerste, die de fouten der juliaansche tijdrekening ten opzichte van het zonnejaar ontdekte. Hij reeds stelde paus Clemens IV de verandering voor, die eerst drie eeuwen na zijn dood tot stand gekomen is. Hij was de eerste, die de eigenschappen onderzocht der bolle en der holle glazen, brillen sleep en de leer van den teleskoop te berde bracht. Zoo hij al niet in eigenlijken zin het kruit heeft uitgevonden, welks vervaardiging voor vijftig jaren reeds beschreven was, hij gaf toch het middel aan de hand om het gehalte daarvan te verbeteren, daar hij de middelen aanwees om het salpeter te zuiveren, dat, zooals men weet, een van de hoofdbestanddeelen er van uitmaakt.Deze belangrijke zaken maakten dat hij de beschuldiging van tooverij moeielijk kon ontgaan. In de verbeelding des volks werd hij de held van allerlei wonderverhalen. Men hield hem voor een duivelskunstenaar en hij had, zeide men, een metalen hoofd vervaardigd, dat de toekomst wist te voorspellen. Zijne dweepzieke kloosterbroeders deden hem allerlei kwellingen aan, en het hoofd zijner orde verbood hem zijne geschriften mede te deelen aan wien ook, op straffe van op water en brood te worden gezet. Niettemin hield Clemens IV, nieuwsgierig naar zijne wonderbare uitvindingen, hem de hand boven het hoofd. Door de goede zorgen van een zijner meest getrouwe leerlingen, deed Baco den Paus het handschrift toekomen van zijn werkOpus Majus, en later dat van zijn brief overles Oeuvres secrètes de l’Art et de la Nature.Zijne werken bevatten een ongekenden rijkdom van kundigheden. ZijnOpus Majusomvatte bijna alle mogelijke wetenschappen, de kennis der talen niet uitgezonderd. Men vindt er onder anderen de beginselen in der gezichtskunde, de leer der brandspiegels, allerbelangrijkste opmerkingen over de straalbreking, een verklaring van den regenboog. Men vindt er ware onthullingen in, die blijk geven van een zoo buitengewoon doorzicht, dat men hem soms met een zeker voorgevoel van de toekomst begiftigd zou wanen. Van het kruit zegt hij, dat men er een stad of een leger mee zou kunnen vernielen. Spreekt hij van de natuur- en werktuigkunde, dan lijkt hij stoommachines en spoorwegen te beschrijven en de mogelijkheidte onderstellen van zich in de lucht te kunnen opheffen. Men zou, zegt hij, werktuigen kunnen vervaardigen, waarmee men de grootste schepen sneller zou doen loopen, dan wanneer een gansch garnizoen aan de riemen zat. Men zou rijtuigen zonder behulp van trekdieren met ongehoorde snelheid kunnen voortbewegen. Men zou ook machines kunnen vervaardigen, waarmee men, als met vleugels, zich in de lucht zou kunnen verheffen.HetOpus Majusschittert met nog hooger glans. Men vindt er een hoofdstuk in over de kunst van waarnemen. Het waarnemen, het nemen van proeven, wordt er beschouwd als de hoogste sport op den ladder der wetenschappelijke hulpmiddelen. Slechts door waarneming kunnen scheikundigen en natuurkundigen tot groote ontdekkingen komen. ’t Is waar, dat Baco, na zich in de hooge sferen der wijsbegeerte te hebben verheven, verdwaald raakt in de vooroordeelen van zijn tijd; hij gelooft dat er middelen zijn om de edele metalen te vermenigvuldigen en het leven te verlengen; maar niemand vergete dat hij leefde in de dertiende eeuw.De inbreuk, door Baco gemaakt op de kloosterregelen, de domme en nijdige haat, die tegelijk met zijn roem aanwies, moesten noodlottig voor hem zijn. Men wist dat de Paus hem beschermde, en de aanvallen, waaraan hij bloot stond, werden in de beginne altijd een weinig ingetoomd, maar toen Clemens IV kwam te sterven ging het met woede op hem los. In 1278 klaagden de Franciskaners hun medebroeder als een sterrewichelaar aan, die zijn ziel aan den duivel had verkocht. Te vergeefs was het, dat Baco trachtte zich te rechtvaardigen; de aanklacht van tooverij en magie beantwoordde hij met een brief:de nullitate magiae. »De zaken gaan uw verstand te boven,” zoo schrijft hij, »en daarom noemt gij ze duivelskunstenarijen. Maar wat baat er tegen de verblinding van bijgeloof en dweperij?” De werken van Baco werden veroordeeld als bevattende »gevaarlijke en verdachte nieuwigheden.” De arme schrijver moest voor zijn vernuft en zijn geest boeten met een gevangenschap van 15 jaren. Toen hij goed en wel door de smart verteerd, door zijn gevangenschap ondermijnd, door zwakte en kwalen uitgeput was, gaf men hem de vrijheid weder. De ongelukkige grijsaard sleepte zich voort en kwam in zijn vaderland aan, om er te sterven. Hij moet zich wel diep ongelukkig hebben gevoeld, wanneer het waar is dat hij op zijn doodsbed de klacht heeft geslaakt: »Het berouwt mij zooveel moeite ten beste te hebben gegeven aan de wetenschap!”Baco was zijn tijd een paar eeuwen vooruit. Zijn roem gaf aan zijn leer zekere ruchtbaarheid; maar eigenlijke op- en navolgers vond hij eerst, toen de boekdrukkunst de waarheid vleugelen gaf. Eerst de wijsgeeren toch der 16deeeuw begonnen door middel dezer gezegende kunst de geesten te vormen, het vrije onderzoek voorte bereiden en onder zwaren strijd en bittere worsteling der menschheid haren Baco waardig te maken.Aan dien strijd heeft Ramus (Pierre La Ramée) een groot aandeel gehad. Na met schitterenden uitslag meester in de zeven vrije kunsten te zijn geworden, gaf hij te Mans openbare lessen o. a. in de logica en stelde zich tot taak de beginselen dier wetenschap te herzien. Zijne werken werden door de theologische faculteit te Parijs veroordeeld, en men ging zoo ver van hem naar de galeien te verwijzen, welk vonnis evenwel niet ten uitvoer werd gebracht; maar wel werd hij voor een weetniet, een onbeschaamde, een kwaadwillige, een onruststoker uitgemaakt, en wel werd hem het lezen en schrijven onmogelijk gemaakt. In 1551 tot hoogleeraar benoemd, is hij beurtelings afgezet en hersteld, uit Parijs gebannen en weer naar Parijs teruggekeerd. Hij bevond zich in deze stad, gedurende den vreeselijken Bartholomeus-nacht en van protestantsche gevoelens verdacht, werd hij door zekeren Charpentier, een dwepend katholiek, als een gevaarlijk hugenoot aangewezen, bestolen en vermoord, waarna zijn lijk uit het venster geworpen en op gruwelijke wijze verminkt en mishandeld werd. Ook hij had het zijne bijgebracht tot de vrijmaking van den geest, ook hij, een Luther op het gebied der wetenschap, was een hervormer.Nevens hem vinde hier Giordano Bruno vermelding, een der groote strijders voor het vrije denken, een man vol geleerdheid, kennis en verbeeldingskracht. Hij werd te Napels geboren, omstreeks het midden van de 16deeeuw. Na tot de orde der Dominikanen behoord te hebben, begaf hij zich naar Genève, daar zijn twijfelingen aangaande de kerkleer en zijne spotternijen tegen de monniken hem het verblijf onmogelijk maakten in het land der Heilige Inquisitie. Hij omhelsde het protestantisme, kwam te Parijs, waar hij de wijsbegeerte onderwees, en bestreed de school van Aristoteles. Engeland, Duitschland doorreisde hij, overal zijne geschriften als uitstrooiende. Toen greep het verlangen, om zijn vaderland weder te zien, hem aan, en bleef hij een paar jaren teVenetiëvertoeven. De Venetianen leverden hem uit aan de Inquisitie en deze zond hem naar Rome. Veroordeeld, om levend verbrand te worden, riep hij, in verheven kalmte van geest, zijn rechter toe: »Over het vonnis, dat gij daar uitspreekt, staat gij waarschijnlijk meer verlegen dan ik.” In Februari 1600 stierf hij in de vlammen.GiordanoBruno hield het heelal voor oneindig en onmetelijk. Hij geloofde dat er meer dan één wereldstelsel was en nam de verdediging op zich van de leer van Copernicus. Dit was zijn misdaad.Dood van Ramus. Blz. 80.Dood van Ramus. Blz. 80.Een ander slachtoffer der geestelijke onverdraagzaamheid was Campanella, een Napolitaansch leeraar der wijsbegeerte, hervormer der wetenschap en verdediger van Copernicus. Twintig jaren leefde hij in boeien en de vreeselijkste folteringen, die wij in een akeligendroom ons voor den geest kunnen stellen, deed de Inquisitie hem aan, en doorstond hij, soms veertig uren achtereen. De meest gezochte beschuldigingen werden tegen hem aangevoerd, de wreedste folteringen hem aangedaan; maar hij week niet. Paus Paulus V vroeg zijn vrijspraak van Filips III. Deze was onverbiddelijk. Eerst bij diens dood kon Campanilla den kerker verlaten. Nu begon hij zijn strijd op nieuw, en zoo hij thans onder de hoede van Paus Urbanus VIII en den kardinaal van Richelieu rustig kon werken, zoo hij Cartesius in Holland kon bezoeken en op zijn zeventigste jaar te Parijs rustig den adem uitblies, wie had, als hij, dat leven ontworsteld aan duizend dooden, wie had, als hij, zijn eigen leven zich zoo dubbel verdiend?Terwijl deze wijsgeeren zoo dapper streden, bracht een groot werkman de wetenschap der ervaring in praktijk, en leverde, door de uitkomst van zijn arbeid, een zichtbaar getuigenis voor de degelijkheid der nieuwe wijze van onderzoek.Palissy zag het levenslicht in het begin van de 16deeeuw, in de nabijheid van het stadje Biron, tusschen de Lot en de Dordogne. Van zijn jeugd is weinig bekend, maar dit weet men, dat hij al vroeg de Pyreneën, Vlaanderen, de Nederlanden, de Ardennen en de Rijnoevers bezocht, als zwervend gezel glazen slijpende, maar bovenal allerlei natuurkundige bijzonderheden nagaande, bergen, bosschen, steengroeven, mijnen, grotten bezoekend.In zijn vaderland teruggekeerd, vestigde Palissy zich te Saintes en trad aldaar in het huwelijk. De zorgen voor zijn gezin drongen hem zich met al zijn kracht toe te leggen op het vervaardigen dier aardewerken met glazuursel, die zijn naam zoo beroemd zouden maken.Bernard Palissy verhaalt dat het aanschouwen van een schoon stuk verglaasd aardewerk hem op het denkbeeld bracht het geheim te zoeken, volgens hetwelk deze kunstgewrochten vervaardigd werden. Hij had een echt kunstgevoel, smaak voor de schilderkunst, en zette zich aan het werk. Zonder zich er aan te storen dat hij geheel onbekend was met de verschillende soorten van kleiaarde, ging hij aan het zoeken, als een man, die in den blinde tast. De geschiedenis van dit zoeken en van den arbeid en het geduld, door Palissy hieraan besteed, vormt een waren heldenzang. De bladzijden, door hem zelven aan dit onderwerp gewijd, zijn geschreven in een stijl, een Montaigne waardig. Zij houden ons het opmerkelijk schouwspel voor van den uitvinder, zooals hij strijdt met het onbekende, en leveren een verheven voorbeeld van wat het genie vermag, als nauwkeurige waarneming en noeste vlijt de handen ineenslaan.Palissy nam proeven met een groot aantal verschillende stoffen, maar zonder gevolg. »Na meer dan eens misgegrepen en veel kostengemaakt en veel vergeefschen arbeid verricht te hebben,” zoo verhaalt hij zelf, »ging ik maar steeds voort, met opoffering van veel geld en tijd, nieuwe stoffen te stampen en te malen en nieuwe ovens te vervaardigen.” Niet gansch in den blinde willende zoeken, legde Palissy zich allereerst toe op het verfraaien en volmaken van het witte glazuursel, zich voorbehoudende het gekleurde te zijner tijd te laten volgen.Gedurende twee achtereenvolgende jaren reist hij onophoudelijk heen en weer tusschen zijn woning en de nabijgelegen glasblazerijen, en om dit heen en weer loopen uit te winnen, neemt hij het besluit zich een oven te bouwen, zooals de glaswerkers die gebruiken. Niet dan met de grootste moeite bouwde de wakkere uitvinder zich dezen oven. Hij had geen middelen om een knecht te bekostigen en metselde met eigen hand, mengde de kalk, putte het water, droeg de steenen aan op zijn schouders.Palissy.Palissy.Na het fornuis te hebben afgemaakt, moet hij het glazuursel vervaardigen. Zes dagen en zes nachten blijft hij voor het vuur, dat hij altijddoor brandend houdt. Daar zal ’t gelukken! Maar het hout is opgebrand, hij heeft niets meer. Nu moeten de tafels, de planken van zijn huis er aan. Ach, velen, die beter gedaan hadden zoo zij hem met beide handen hadden geholpen, lachten hem uit, en liepen de stad in, schreeuwende dat hij zijn huis verbrandde en dat hij gek geworden was. Hiermee verloor hij niet alleen het vertrouwen zijner medeburgers, maar men ging verder en zei dat hij valsche munt sloeg. De arme man, met schulden beladen, met twee jonge kinderen tot zijn last, liep daarheen, gansch ter nedergebogen als iemand, die zich niet weet te bergen van schaamte. »Intusschen,” zoo voegt de held er bij, »de hoop begaf mij niet; zij hield mijstaande, zij deed mij zelfs zoo dapper voortgaan met mijn werk, dat ik mij soms lachend kon bezig houden met de menschen, die mij kwamen bezoeken.”Weldra zou hij slagen, maar ten koste van hoeveel ellende zou dat zijn!»Ik werd,” zoo schrijft hij, »bezocht door nog een ander verdriet, namelijk dit: dat door hitte, vorst, wind, regen en drup het grootste gedeelte van mijn arbeid bedierf, nog voordat het gebakken werd. Ik moest dus hout, latwerk, pannen en spijkers leenen, om mijn werk behoorlijk onder dak te brengen. Ik brak af wat ik gebouwd had, om het beter op te bouwen, maar werd natuurlijk braaf bespot door handwerkslieden, schoenmakers, gerechtsdienaars, zaakwaarnemers, oude vrouwtjes en allerlei ander volk, te dom om te begrijpen dat ik een ruime werkplaats noodig had. Ik deed niets anders dan afbreken en opbouwen, zeiden zij. In plaats van medelijden met mij te hebben, verguisden zij mij, wanneer zij zagen hoe ik het geld, zoo noodig tot het levensonderhoud, voor mijne proeven besteedde. Niet wetende, waarmee ik mijne fornuizen tegen weer en wind zou beveiligen, ben ik jaren lang bloot gesteld geweest aan regen en onweer, zonder vertroosting of ander gezelschap dan de nachtuilen ter eene en de huilende honden ter andere zijde. Soms bliezen de stormen zoo verwoed boven en beneden in mijne fornuizen, dat er niets mee te doen was en al mijn werk verloren ging. Soms legde ik mij te middernacht of bij het krieken van den dag te slapen. Ik zag er dan uit, alsof ik door al de goten van de stad gesleept was, en wanneer ik mij naar mijn slaapplaats begaf, strompelde ik, zonder licht, voorwaarts, van den eenen kant naar den anderen vallend, als iemand, die bevangen is van den wijn.”Ondertusschen kwam Palissy zijn doel al nader en nader. De dag brak aan, waarop zijn prachtig aardewerk en zijne beelden naar waarde werden geschat. De Connétable de Montmorency beschermde nu den pottebakker. Catharina de Medicis liet hem naar Parijs komen. Toen bewoonde Bernard Palissy de Tuileriën en werd hem de verfraaiing opgedragen der koninklijke kasteelen.De fransche kunstschool schitterde onder de hoede van Frans I in al haar glans; Jean Goujon, Pierre Lescot, Germain Pilon, Ducerceau wedijverden met Leonard da Vinci, Primaticcio, André del Sarto, Benvenuto Cellini. Bernard Palissy, zoo versch uit de provincie te midden van zulke meesters optredende, nam, als zij, een voorbeeld aan de meesterstukken der Italiaansche kunst. Hij vervaardigde een menigte verglaasde vazen, die als sieraden gebruikt werden in tuinen, bij fonteinen, in gangen en portalen. Weldra was hij bezig aan het verfraaien van de Tuileriën, die Catharina de Medicis had laten bouwen.Hij wijdde zich tegelijkertijd ook nog aan andere bezigheden, die hem tot den eersten leeraar stempelden in de geschiedenis van de natuur en tot den stichter der nieuwere kennis omtrent onze aarde. Op zijne reizen had hij overal bij voorkeur de rotsen onderzocht en fossilen opgezameld, volgens zijne tijdgenooten slechts onbeduidende indrukselen, voorwerpen zonder waarde of beteekenis, het aanzijn dankende aan het een of ander toeval, een speling der natuur.De eenvoudige pottebakker, die Latijn noch Grieksch kende, riep de geleerden en de wijsgeeren tot zich en durfde ten aanschouwen van geheel Parijs de stelling te opperen, dat de fossile horens en schelpen wel degelijk horens en schelpen zijn, dat zij indertijd door de zee zijn neergelegd ter plaatse, waar zij nu gevonden worden, en dat wezenlijke dieren, visschen vooral, aan den zachten steen de indrukselen gegeven hadden, die er in zijn waar te nemen.Palissy verzamelt die voorwerpen, die hij voor zijne bewijsvoering noodig heeft; schikt naar wetenschappelijke orde de kristallen en fossile voorwerpen, die hij op zijne reizen heeft verzameld, en sticht aldus in 1575 het eerste kabinet van natuurlijke geschiedenis. De lessen, die hij daarbij gaf, waren zeer gezocht en duurden tot 1584. Zijn verzameling merkwaardigheden trok vele nieuwsgierigen. Met die bewijsstukken bij zich, voelt Palissy zich sterk en onoverwinnelijk; hij kan aan al de bitterheden en aan al de vooroordeelen der wereld het hoofd bieden; hij staat den naijver en de blinde woede, en roept zegevierend uit: »Ga nu uwe latijnsche wijsgeeren halen, om tegen mij te getuigen!”Bernard Palissy heeft zijne werken in den vorm van Samenspraken geschreven. In een van deze voert hij twee denkbeeldige personen op:Theoretica, die de scholastiek voorstelt, een domme, onleerzame schoolmeester, die met zijn dwaze antwoorden uw medelijden opwekt, enPractica, die onophoudelijk de zwaarwichtige redeneeringen van zijn tegenstander overhoop werpt. Met welk een vernuft, welk een kleur, welk een losheid vermeit hij er zich in de oude denkbeelden te bestrijden. Dit onnavolgbare werk is een der groote letterkundige gedenkstukken van de 16deeeuw. Aan vuur, geestdrift en welsprekendheid paart Palissy gezonde redeneering, en steeds maakt ernstige waarneming den grondslag uit zijner overtuigingen. Het volgende mag hierbij ten voorbeeld strekken. Na uitvoerig te hebben aangetoond dat de steenen niet groeien, wat men in zijn tijd algemeen geloofde, gaat hij voort:Theoretica.En waar hebt gij dit nu weer geleerd? In welk boek, op welke school ter wereld kunt gij gehoord hebben wat gij daar zegt?Practica.Ik heb geen ander boek gebruikt, dan de hemel en de aarde, die bij allen bekend is, en ’t is aan allen gegeven ditschoone boekwerk te lezen. Ik nu heb in dit schoone werk gelezen en de aardsche dingen beschouwd.De »Discours admirables” van Palissy lezende verbaast gij u over de nieuwheid en de keur van zijne opmerkingen, zoowel waar zij betrekking hebben op de bergen, of den grond, of de steenen, wier vorm, kleur, gewicht en dichtheid door hem met ijver onderzocht worden. Kristallen, druipsteenen, versteend hout, fossilen, mergel, schelpzand, alles is zijn prooi. De meest belangrijke vraagstukken durft hij aan en overal opent hij de stoutste en treffendste gezichtspunten, overal spreekt het genie, als door een bovennatuurlijke openbaring, uit wat door latere eeuwen zal worden bezegeld en vastgesteld.In zijn »Discours sur la nature des Eaux et Fontaines” geeft Palissy het middel aan om water door middel van pompen, buizen en leidingen van de eene plaats naar de andere op te voeren; hij behandelt er de minerale wateren, schrijft hun warmte toe aan een onderaardsch vuur, dat onophoudelijk brandt, wijdt uit over de kracht van den stoom en het eigenaardige belang dezer kracht, die nog zoo weinig bij de menschen bekend is en van wier vermogen hij zich vergewist heeft, niet door middel van boeken, maar door middel van een waterketel. Volgens hem ontstaat het bronwater door het doorzijgen van het regenwater; ook heeft hij een volkomen afgewerkte leer omtrent de verdere vorming van bronnen en wellen. Hij leert hoe men in navolging van de natuur kunstmatig fonteinen kan doen springen, »als men maar het voorschrift van de oppersten waterwerker volgt.”In het volgende stuk van zijnTraité de la Marnevertoont Palissy zich als de ware uitvinder der artesische putten.»Het komt mij voor,” schrijft hij, »dat een goede schroef of boor sommige meer weeke gesteenten gemakkelijk doorboren zou, en dat men langs dezen weg mergelgrond zou kunnen vinden en water om putten te maken, welk water dan ook wel eens hooger kon stijgen dan de plaats waar de boor het gevonden heeft. Immers kan het water wel van hoogere plaatsen afkomen dan die, waar men de boring bewerkstelligt.”Als natuurkundige, scheikundige, landbouwkundige ziet Palissy al de groote wetenschappelijke vraagstukken van zijn tijd onder de oogen; hij laat er den glans op schijnen van zijn gezond verstand en zijn oordeelkundig onderwijs.Als scheikundige verheft deze voorstander der wetenschappelijke proefneming zich verre boven al het ijdel zoeken naar den zoogenaamden Steen der Wijzen; verre boven de alchimisten staande toont hij aan, langs welke wegen zij de menschen in den waan brengen van lood in goud of zilver te kunnen veranderen. Den geneesheeren beveelt hij aan meer kennis te nemen van hetgeen zich in de natuurvoordoet; aan de landbouwers geeft hij den raad, dat zij hun land zullen bemesten en wijst hun het nut aan van de mergel, terwijl hij hun raadt de bosschen te sparen. »Als gij alle bosschen hebt omgehouwen,” zegt hij, »moeten alle kunsten blijven stil staan en de handwerkslieden, als Nebukadnesar, gras eten.”Terwijl Palissy zijn eeuw met zijne werken verrijkte, werd Frankrijk verscheurd door binnenlandschen krijg. De pottebakker had, te midden zijner grootste beproevingen, het Protestantisme omhelsd, en gedurende de bekende godsdienstoorlogen was hij van kerker naar kerker gesleept. Dank zij de gunst van Catharina de Medicis, ontsnapte hij aan de gruwelen van den Bartholomeusnacht; maar die gunst kon niet duren. Toen de Ligue zich in 1588 van Parijs had meester gemaakt, werd de grijze Palissy in de Bastille gevangen gezet. Mathieu de Launay eischte dat deze Calvinist onmiddellijk naar hetspectacle public(den openbaren dood) zou worden geleid. Gelukkig wist de hertog van Mayenne te bewerken dat zijn proces ten minste nog eenigen tijd werd uitgesteld.Palissy bleef steeds aan zijne overtuiging getrouw. Eens kwam Hendrik III hem in de Bastille een bezoek brengen, in gezelschap van den graaf de Maulevrier.»Mijn goede vriend,” zeide de Koning, »’t is nu al vijf-en-veertig jaren dat gij mij en mijne moeder dient. Wij hebben u vergund bij ons te verkeeren en uw godsdienstig geloof te belijden; maar nu word ik zoowel door de Guises als door mijn volk dermate gedrongen, dat ik u wel moet loslaten en u aan uwe vijanden overgeven, zoodat gij morgen zult verbrand worden, wanneer gij u niet bekeert.”»Sire!” antwoordde de grijsaard, »ik ben bereid mijn leven te geven voor de glorie van God. Gij hebt mij al dikwijls gezegd dat gij medelijden met mij hadt, welnu, ik heb medelijden met u, die u »dwingen” laat. Dat is geen taal voor een koning, en zoo iets zoudt gij, noch de Guises, noch heel uw volk op mij vermogen, want ik ben niet bang voor den dood.”Eenigen tijd later, in 1589, blies de brave man in een der hokken van de Bastille den laatsten adem uit.Wat al edele en wijze mannen zouden wij Palissy ter zijde kunnen stellen: André Vesale, de vader der dierlijke ontleedkunde, Ambroise Paré, de groote heelkundige,Paracelsus, de voortreffelijke scheikundige. Doch wij gaan deze voorbij om ons op te houden bij Michel Servet.Palissy in den kerker der Bastille. Blz. 87.Palissy in den kerker der Bastille. Blz. 87.Michel Servet werd in 1509 in Arragon geboren, studeerde in de rechten te Toulouse en mengde zich in de godsdiensttwisten van zijn tijd. Te Straatsburg wekte hij de verbazing des eenen en de verontwaardiging des anderen op, want zijne leeringen waren bij uitstek vrijzinnig, zoodat hij door zijne tegenstanders»die ondeugende en vinnige Spanjool” genoemd werd. In Duitschland wekten zijneSamenspraken, waarin kerkelijke leerstukken besproken werden, zulk een ergernis, dat hij zich achter den aangenomen naam van Michel de Villeneuve moest verschuilen en zoo naar Frankrijk uitwijken.Spinoza.Spinoza.Te Parijs verwierf hij zich den graad van doctor in de medicijnen, en maakte hij een grooten opgang zoowel met zijne lessen als met zijne werken. Tot zijn ongeluk—ontmoette hij Calvijn en daagde hem uit tot een soort van twistgesprek, waarbij de eerste zaden gestrooid werden van die vijandschap, die tot zoo vreeselijken strijd klimmen zou. Onrustig van aard, vestigde Servet zich achtereenvolgens te Parijs, te Lyon, te Charlieu, te Avignon, waar hij tegelijkgeneeskundige en corrector bij een drukkerij was. Voortdurend bezig met godgeleerde zaken, wilde hij Calvijn tot zijne meeningen overhalen, gaf een groot werk uit,la Restitution du Christianisme, en prikkelde zijn tegenstander tot steeds heftiger ergernis. Servet was, als Calvijn, protestant; maar hij was, wat wij in onze dagen een »liberaal” zouden noemen, zoodat Calvijn besloot Servet’s boosheden voor goed te stuiten. Hij gaf aan de Inquisitie stukken tegen hem in handen. Wel wist Servet te ontkomen, maar hij waagde zich in Genève en viel daar zijn fellen en onverbiddelijken tegenstander in handen. Calvijn liet hem gevangen nemen en leidde in eigen persoon het rechtsgeding, waarbij zijn tegenstander ter dood veroordeeld werd.Den 27stenOctober 1553 werd Servet als ketter levend verbrand. Hij was vier-en-veertig jaren oud. Terwijl hij naar den brandstapel ging, werd hij door Farel, die hem in zijn laatste oogenblikken bijstond, vermaand, dat hij zijne dwalingen zou herroepen, maar de wijsgeer bleef onverzettelijk. Hij ging moedig en met vasten tred op den brandstapel af, en toen de vlammen hem omhulden, hoorde men hem een hartverscheurenden kreet slaken.Zooveel zeker had de groote Spinoza niet te lijden, die ons thans een oogenblik zal bezig houden. Toch werd ook zijn vrede door de menschen verstoord. Deze beroemde wijsgeer, die zich verdiepte in de groote vragen omtrent het bestaan van God, het wezen van den mensch, het karakter der deugd, die in zijn »Ethiek” of »Zedeleer” zulke verhevene beginselen uitsprak, de verwezenlijking van den mensch en van het menschelijke zocht in het zoeken en het kennen van het goddelijke, die de deugd zelve als den waren staat der zaligheid beschreef, is niet om niet beroemd geworden. Spinoza werd 24 November 1632 te Amsterdam geboren uit een deftig portugeesch-israëlietisch geslacht. Hij ontving zijn opvoeding voor een deel van zekeren dokter Frans van den Ende, een man, die later als godverzaker uit Amsterdam gebannen werd, of vrijwillig uitweek, en wiens leeringen met die der Synagoge geheel in strijd waren. Door den omgang met dezen geneesheer, door het lezen van de schriften van Cartesius, door de beoefening der natuurwetenschappen, door zijne gesprekken met vrijzinnige Amsterdammers, dwaalde ook Spinoza al verder en verder van de Synagoge af, en daar hij zijne gevoelens vrij uitsprak, begonnen zijn persoon en zijn ongeloof groot opzien te baren. Men deed hem aanbiedingen. Men moet hem van wege de Synagoge een jaarwedde van ƒ1000 hebben aangeboden, »om slechts bij haar te blijven en voor de leus naar de kerk te gaan.” Spinoza weigerde natuurlijk en bijna had hem die weigering het leven gekost, want op een avond, bij het uitgaan van de Synagoge, werd de ponjaard van een sluipmoordenaar tegen hem getrokken; hij wist den stoot te keeren, maar hijkon zijn doorboorden mantel bewaren, als een gedachtenis aan het rampzalig werk der dweepzucht. Hij besloot nu Amsterdam te verlaten, en vond voorloopig huisvesting bij een protestantschen vriend te Ouderkerk. Spoedig daarna werd hij door den banvloek van de Synagoge getroffen. Dit geschiedde den 27 Juli 1656. Ondertusschen hield Spinoza zich bezig met het slijpen van glazen, waarmee hij in zijne behoeften voorzag. Stil en ingetogen leefde hij achtereenvolgens te Rijnsburg en te ’s Gravenhage. Hij was onbaatzuchtig, eenvoudig, een vriend der menschen, al heette hij bij de Joden en bij vele Christenen een »gevaarlijk” mensch. Hij bleef, hoe hatelijk hij ook behandeld werd, de prediker en de beoefenaar der edelste verdraagzaamheid. In 1677 stierf hij. Toen in 1678 zijn »Ethica” uitkwam, bleek wel duidelijk wat zijn lot zou geweest zijn, wanneer het boek bij zijn leven ware uitgekomen. Zijne werken werden bij plakkaat van de Staten van Holland en West-Friesland met »de hoogste indignatië” verboden. Nog in 1714 werden een paar boekjes, die voor Spinosistisch doorgingen, in Middelburg op het schavot vóór het stadhuis, ter plaatse waar men gewoon was crimineele justitie te oefenen, door de hand van den scherprechter verscheurd en verbrand.Heeft de Synagoge Spinoza gebannen, de Hervormde Kerk heeft Balthazar Bekker afgezet. Men kon in zijn tijd de menschheid moeilijk grooter dienst bewijzen, dan haar vrij te maken van haar onzinnig geloof aan den Duivel. Dat geloof nam de verbeelding en de ziel zoozeer in bezit, wekte zooveel vrees, bijgeloof en vooroordeel, het spookte zoo akelig rond met zijne heksen en zijne tooverijen en geheimzinnige kunsten, dat wij er ons in onze dagen nauwlijks een voorstelling van kunnen maken. Het beroemde werk van Jacob Sprenger »de heksenhamer” bevatte een volledige leer of geloofsbelijdenis omtrent den Satan en de tooverij, met allerlei uitleggingen van de werkingen des Boozen, en veel bedreiging tegen degenen, die zich met hekserij bezig hielden. Doch wat baatte dreigen en straffen, zoolang dit ongelukkig geloof als een akelige nachtmerrie de zielen bleef benauwen? In 1691 verscheen Balthasar Bekker’s »Betooverde Wereld.” Thans gold het niet de vraag, hoe men den Duivel moest en kon ontgaan, en zich redden van zijne listen; maar de vraag of hij bestond. Bekker, die aan de hoogescholen van Groningen en Franeker gestudeerd had, was toen predikant te Amsterdam. Reeds vroeger had hij in den reuk gestaan van groote onrechtzinnigheid, en nu werd het er niet beter op. Als volger van de leer van Cartesius bestreed hij het geloof aan duivelen en den invloed van booze geesten op de lichamen en op de zichtbare wereld. Als menschenvriend zag hij met schrik hoe velen, ten gevolge van de afschuwelijke heksenprocessen, om het leven waren gekomen, hoe velen op allerlei andere wijzen de slachtoffers waren gewordenvan deze reusachtige dwaling. En terwijl nog zoo goed als de geheele wereld beefde voor den Booze, een ieder zijn naaste achterdochtig aankeek en honderd dingen aan den invloed van den Duivel werden toegeschreven, terwijl nog het gansche heir van Zijne Helsche Majesteit spookte op de heiden en in de harten, verscheen Balthasar Bekker’s boek als een gebeurtenis, een feit van gewicht. Het heeft een licht doen opgaan over het ellendig bijgeloof, het is èn in ons land èn elders de dageraad geworden van een beter toekomst. Doch wat kon de wereld met dezen zoon des lichts anders doen, dan zeggen dat hij een duisterling was? De wereld kan niet, zoo maar op eens, ongelijk hebben. Neen, dat ging niet aan. Zoo heeft de classis van Amsterdam dezen weldoener dan ook behoorlijk geschorst en hem later uit zijn bediening ontzet. Immers leerde de Bijbel dat er een duivel was.Balthasar Bekker was een van die mannen, die zijn eigen oordeel volgde. »Zie nooit met eens anders oogen,” had zijn vader, mede predikant, hem geleerd, en hij heeft de les wel ter harte genomen, tot schade van zijn welvaart naar de wereld, tot winst van zijn medemenschen. De slag toch, dien hij het bijgeloof toebracht, is doodelijk geweest.
De Venetianen leverden hem uit. Blz. 80.De Venetianen leverden hem uit. Blz. 80.HOOFDSTUK VI.DE WEG DER WETENSCHAP.
De Venetianen leverden hem uit. Blz. 80.De Venetianen leverden hem uit. Blz. 80.
De Venetianen leverden hem uit. Blz. 80.
Niet steeds heeft de wetenschap de haar betamende plaats ingenomen in het rijk der kennis. Zeer langen tijd zijn hare rechten verkort, is haar onderwijs versmaad, zijn hare beginselen miskend; eeuwen lang is haar voortgang moeielijk geweest en traag. Dit komt hierdoor dat de menschelijke geest niet altijd de kunst heeft verstaan van de natuur te raadplegen en haar langs den weg der ervaring uit te hooren. Tot op de Renaissance was de wetenschap onderworpen aan het uiterst verwaand gezag der school, en waar zij eigen leven zocht, viel zij onder de mokerslagen der vervolging. Copernicus, als hij zich verwijdert van de denkbeelden van zijn tijd en, tegen de Kerk in, verklaart dat de aarde zich wentelt rondom de zon, Galileï, als hij der menschheid het aangrijpend schouwspel vertoont van den loop der sterren, hebben daarmede een groote omwenteling veroorzaakt in den gang der wijsbegeerte. De wereld zag in, dat zij op den verkeerden weg was, waar zij de waarheid wilde vernemen van menschen, die haar even weinig kenden als zijzelve. Het werd haar openbaar dat men les moest gaan nemen bij de natuur, die den geduldigen onderzoeker loont met hare schoonste openbaringen. Galileï met zijn kijker naar den sterrenhemel gekeerd, ziedaar een gebeurtenis van belang. De wijze houdtop met te zweren bij oude meesters; de nieuwe wijsbegeerte opent het tijdperk van de wetenschap der ervaring en de geesten worden vrij.Gedurende de middeleeuwen ging de wetenschap gebogen onder het juk van de scholastiek, die bekrompen en armelijke poging om datgene, wat de Kerk leerde, langs wetenschappelijken weg te bewijzen. Thans verkondigt de wetenschap hare uitkomsten, hare gissingen, hare overwinningen vrij en ongedwongen, en wie iets nieuws gevonden heeft, heeft slechts met de feiten te voorschijn te komen en ’t is genoeg. Maar zoo is het niet altijd geweest en de nieuwe denkbeelden zijn met het bloed van martelaars ingewijd.Baco en Cartesius hebben den zuiver wetenschappelijken weg voor ons geopend. Zij zijn de scheppers dier gezonde logica, die ons leert hoe onzen geest te besturen, zal zij de waarheid vinden. Cartesius heeft de onafhankelijkheid uitgeroepen van het oordeel, toen hij leerde dat men niet als waar moest aannemen wat men niet klaar en scherp als waarheid had begrepen.Dit denkbeeld, naar onze beschouwing zoo eenvoudig, scheen vroeger ten eenenmale gruwelijk. Zich op de ervaring der zinnen of op de rede te beroepen tegenover een uitspraak van Aristoteles en de voorschriften van de Kerk—welk een zonde! Zoo plantten zich de dwalingen en de vooroordeelen voort van geslacht tot geslacht.Waagde een sterrekundige te beweren dat hij vlekken had gezien in de zon, even zeker als hij vlekken zag op het papier, dan antwoordde men hem: »dat kan niet zijn; onze leeraars onderwijzen ons anders, namelijk dat de dagvorst onbesmet is, eeuwig rein.”De groote beweging die in den tijd der Renaissance in de wijsbegeerte plaats vond, werd in de 13deeeuw voorbereid door een man, even vernuftig en geestrijk, als rampspoedig, met name Rutger Baco. Deze beroemde engelsche monnik toch is inderdaad de eerste wijsgeer geweest, die opgekomen is tegen de dwalingen der scholastiek. »Was ik de eigenaar van al de boeken van Aristoteles, ik zou ze allen verbranden,” zeide hij. »Want men doodt er zijn tijd mee en zij dienen tot niets anders dan om de dwaling te verbreiden en de onwetendheid te vermeerderen.” Zich aldus over Aristoteles uitlatende had hij minder den wijsgeer der oudheid zelven op het oog, dan de eigenaardige aristotelische leer der middeleeuwen.Rutger Baco werd te Ilchester in het graafschap Sommerset geboren, in het jaar 1214, volbracht zijn eerste studiën te Oxford, kwam daarna te Parijs studeeren, werd er doctor in de godgeleerdheid en zag zich opgenomen in de orde der Franciskanen. Zijn voorliefde voor de natuurwetenschappen en voor het vrije onderzoek kwam hem toen reeds op vrij wat onaangenaamheden te staan van de zijde zijner dweepzieke ordebroeders. Baco legde zich eerst op het Latijn, het Grieksch, het Hebreeuwsch en Arabischtoe, ten einde de oude schrijvers in het oorspronkelijke te kunnen lezen. Dit belette hem niet de mathesis, sterrekunde, natuurkunde en chemie te beoefenen en in het kort zich vertrouwd te maken met al de takken der wetenschap. Hij raadpleegde daarbij allermeest de ervaring en verbreidde zijne gezonde leer onder de vele leerlingen, met wie hij in betrekking stond. Zijn werkzaamheid en zijn scherp verstand maakten hem weldra vermaard. Te Parijs stond hij bekend alsle docteur admirable, en hij maakte zich dien naam waardig, zoowel door het aantal als door het hooge belang zijner ontdekkingen op elk gebied van wetenschap. Baco was de eerste, die de fouten der juliaansche tijdrekening ten opzichte van het zonnejaar ontdekte. Hij reeds stelde paus Clemens IV de verandering voor, die eerst drie eeuwen na zijn dood tot stand gekomen is. Hij was de eerste, die de eigenschappen onderzocht der bolle en der holle glazen, brillen sleep en de leer van den teleskoop te berde bracht. Zoo hij al niet in eigenlijken zin het kruit heeft uitgevonden, welks vervaardiging voor vijftig jaren reeds beschreven was, hij gaf toch het middel aan de hand om het gehalte daarvan te verbeteren, daar hij de middelen aanwees om het salpeter te zuiveren, dat, zooals men weet, een van de hoofdbestanddeelen er van uitmaakt.Deze belangrijke zaken maakten dat hij de beschuldiging van tooverij moeielijk kon ontgaan. In de verbeelding des volks werd hij de held van allerlei wonderverhalen. Men hield hem voor een duivelskunstenaar en hij had, zeide men, een metalen hoofd vervaardigd, dat de toekomst wist te voorspellen. Zijne dweepzieke kloosterbroeders deden hem allerlei kwellingen aan, en het hoofd zijner orde verbood hem zijne geschriften mede te deelen aan wien ook, op straffe van op water en brood te worden gezet. Niettemin hield Clemens IV, nieuwsgierig naar zijne wonderbare uitvindingen, hem de hand boven het hoofd. Door de goede zorgen van een zijner meest getrouwe leerlingen, deed Baco den Paus het handschrift toekomen van zijn werkOpus Majus, en later dat van zijn brief overles Oeuvres secrètes de l’Art et de la Nature.Zijne werken bevatten een ongekenden rijkdom van kundigheden. ZijnOpus Majusomvatte bijna alle mogelijke wetenschappen, de kennis der talen niet uitgezonderd. Men vindt er onder anderen de beginselen in der gezichtskunde, de leer der brandspiegels, allerbelangrijkste opmerkingen over de straalbreking, een verklaring van den regenboog. Men vindt er ware onthullingen in, die blijk geven van een zoo buitengewoon doorzicht, dat men hem soms met een zeker voorgevoel van de toekomst begiftigd zou wanen. Van het kruit zegt hij, dat men er een stad of een leger mee zou kunnen vernielen. Spreekt hij van de natuur- en werktuigkunde, dan lijkt hij stoommachines en spoorwegen te beschrijven en de mogelijkheidte onderstellen van zich in de lucht te kunnen opheffen. Men zou, zegt hij, werktuigen kunnen vervaardigen, waarmee men de grootste schepen sneller zou doen loopen, dan wanneer een gansch garnizoen aan de riemen zat. Men zou rijtuigen zonder behulp van trekdieren met ongehoorde snelheid kunnen voortbewegen. Men zou ook machines kunnen vervaardigen, waarmee men, als met vleugels, zich in de lucht zou kunnen verheffen.HetOpus Majusschittert met nog hooger glans. Men vindt er een hoofdstuk in over de kunst van waarnemen. Het waarnemen, het nemen van proeven, wordt er beschouwd als de hoogste sport op den ladder der wetenschappelijke hulpmiddelen. Slechts door waarneming kunnen scheikundigen en natuurkundigen tot groote ontdekkingen komen. ’t Is waar, dat Baco, na zich in de hooge sferen der wijsbegeerte te hebben verheven, verdwaald raakt in de vooroordeelen van zijn tijd; hij gelooft dat er middelen zijn om de edele metalen te vermenigvuldigen en het leven te verlengen; maar niemand vergete dat hij leefde in de dertiende eeuw.De inbreuk, door Baco gemaakt op de kloosterregelen, de domme en nijdige haat, die tegelijk met zijn roem aanwies, moesten noodlottig voor hem zijn. Men wist dat de Paus hem beschermde, en de aanvallen, waaraan hij bloot stond, werden in de beginne altijd een weinig ingetoomd, maar toen Clemens IV kwam te sterven ging het met woede op hem los. In 1278 klaagden de Franciskaners hun medebroeder als een sterrewichelaar aan, die zijn ziel aan den duivel had verkocht. Te vergeefs was het, dat Baco trachtte zich te rechtvaardigen; de aanklacht van tooverij en magie beantwoordde hij met een brief:de nullitate magiae. »De zaken gaan uw verstand te boven,” zoo schrijft hij, »en daarom noemt gij ze duivelskunstenarijen. Maar wat baat er tegen de verblinding van bijgeloof en dweperij?” De werken van Baco werden veroordeeld als bevattende »gevaarlijke en verdachte nieuwigheden.” De arme schrijver moest voor zijn vernuft en zijn geest boeten met een gevangenschap van 15 jaren. Toen hij goed en wel door de smart verteerd, door zijn gevangenschap ondermijnd, door zwakte en kwalen uitgeput was, gaf men hem de vrijheid weder. De ongelukkige grijsaard sleepte zich voort en kwam in zijn vaderland aan, om er te sterven. Hij moet zich wel diep ongelukkig hebben gevoeld, wanneer het waar is dat hij op zijn doodsbed de klacht heeft geslaakt: »Het berouwt mij zooveel moeite ten beste te hebben gegeven aan de wetenschap!”Baco was zijn tijd een paar eeuwen vooruit. Zijn roem gaf aan zijn leer zekere ruchtbaarheid; maar eigenlijke op- en navolgers vond hij eerst, toen de boekdrukkunst de waarheid vleugelen gaf. Eerst de wijsgeeren toch der 16deeeuw begonnen door middel dezer gezegende kunst de geesten te vormen, het vrije onderzoek voorte bereiden en onder zwaren strijd en bittere worsteling der menschheid haren Baco waardig te maken.Aan dien strijd heeft Ramus (Pierre La Ramée) een groot aandeel gehad. Na met schitterenden uitslag meester in de zeven vrije kunsten te zijn geworden, gaf hij te Mans openbare lessen o. a. in de logica en stelde zich tot taak de beginselen dier wetenschap te herzien. Zijne werken werden door de theologische faculteit te Parijs veroordeeld, en men ging zoo ver van hem naar de galeien te verwijzen, welk vonnis evenwel niet ten uitvoer werd gebracht; maar wel werd hij voor een weetniet, een onbeschaamde, een kwaadwillige, een onruststoker uitgemaakt, en wel werd hem het lezen en schrijven onmogelijk gemaakt. In 1551 tot hoogleeraar benoemd, is hij beurtelings afgezet en hersteld, uit Parijs gebannen en weer naar Parijs teruggekeerd. Hij bevond zich in deze stad, gedurende den vreeselijken Bartholomeus-nacht en van protestantsche gevoelens verdacht, werd hij door zekeren Charpentier, een dwepend katholiek, als een gevaarlijk hugenoot aangewezen, bestolen en vermoord, waarna zijn lijk uit het venster geworpen en op gruwelijke wijze verminkt en mishandeld werd. Ook hij had het zijne bijgebracht tot de vrijmaking van den geest, ook hij, een Luther op het gebied der wetenschap, was een hervormer.Nevens hem vinde hier Giordano Bruno vermelding, een der groote strijders voor het vrije denken, een man vol geleerdheid, kennis en verbeeldingskracht. Hij werd te Napels geboren, omstreeks het midden van de 16deeeuw. Na tot de orde der Dominikanen behoord te hebben, begaf hij zich naar Genève, daar zijn twijfelingen aangaande de kerkleer en zijne spotternijen tegen de monniken hem het verblijf onmogelijk maakten in het land der Heilige Inquisitie. Hij omhelsde het protestantisme, kwam te Parijs, waar hij de wijsbegeerte onderwees, en bestreed de school van Aristoteles. Engeland, Duitschland doorreisde hij, overal zijne geschriften als uitstrooiende. Toen greep het verlangen, om zijn vaderland weder te zien, hem aan, en bleef hij een paar jaren teVenetiëvertoeven. De Venetianen leverden hem uit aan de Inquisitie en deze zond hem naar Rome. Veroordeeld, om levend verbrand te worden, riep hij, in verheven kalmte van geest, zijn rechter toe: »Over het vonnis, dat gij daar uitspreekt, staat gij waarschijnlijk meer verlegen dan ik.” In Februari 1600 stierf hij in de vlammen.GiordanoBruno hield het heelal voor oneindig en onmetelijk. Hij geloofde dat er meer dan één wereldstelsel was en nam de verdediging op zich van de leer van Copernicus. Dit was zijn misdaad.Dood van Ramus. Blz. 80.Dood van Ramus. Blz. 80.Een ander slachtoffer der geestelijke onverdraagzaamheid was Campanella, een Napolitaansch leeraar der wijsbegeerte, hervormer der wetenschap en verdediger van Copernicus. Twintig jaren leefde hij in boeien en de vreeselijkste folteringen, die wij in een akeligendroom ons voor den geest kunnen stellen, deed de Inquisitie hem aan, en doorstond hij, soms veertig uren achtereen. De meest gezochte beschuldigingen werden tegen hem aangevoerd, de wreedste folteringen hem aangedaan; maar hij week niet. Paus Paulus V vroeg zijn vrijspraak van Filips III. Deze was onverbiddelijk. Eerst bij diens dood kon Campanilla den kerker verlaten. Nu begon hij zijn strijd op nieuw, en zoo hij thans onder de hoede van Paus Urbanus VIII en den kardinaal van Richelieu rustig kon werken, zoo hij Cartesius in Holland kon bezoeken en op zijn zeventigste jaar te Parijs rustig den adem uitblies, wie had, als hij, dat leven ontworsteld aan duizend dooden, wie had, als hij, zijn eigen leven zich zoo dubbel verdiend?Terwijl deze wijsgeeren zoo dapper streden, bracht een groot werkman de wetenschap der ervaring in praktijk, en leverde, door de uitkomst van zijn arbeid, een zichtbaar getuigenis voor de degelijkheid der nieuwe wijze van onderzoek.Palissy zag het levenslicht in het begin van de 16deeeuw, in de nabijheid van het stadje Biron, tusschen de Lot en de Dordogne. Van zijn jeugd is weinig bekend, maar dit weet men, dat hij al vroeg de Pyreneën, Vlaanderen, de Nederlanden, de Ardennen en de Rijnoevers bezocht, als zwervend gezel glazen slijpende, maar bovenal allerlei natuurkundige bijzonderheden nagaande, bergen, bosschen, steengroeven, mijnen, grotten bezoekend.In zijn vaderland teruggekeerd, vestigde Palissy zich te Saintes en trad aldaar in het huwelijk. De zorgen voor zijn gezin drongen hem zich met al zijn kracht toe te leggen op het vervaardigen dier aardewerken met glazuursel, die zijn naam zoo beroemd zouden maken.Bernard Palissy verhaalt dat het aanschouwen van een schoon stuk verglaasd aardewerk hem op het denkbeeld bracht het geheim te zoeken, volgens hetwelk deze kunstgewrochten vervaardigd werden. Hij had een echt kunstgevoel, smaak voor de schilderkunst, en zette zich aan het werk. Zonder zich er aan te storen dat hij geheel onbekend was met de verschillende soorten van kleiaarde, ging hij aan het zoeken, als een man, die in den blinde tast. De geschiedenis van dit zoeken en van den arbeid en het geduld, door Palissy hieraan besteed, vormt een waren heldenzang. De bladzijden, door hem zelven aan dit onderwerp gewijd, zijn geschreven in een stijl, een Montaigne waardig. Zij houden ons het opmerkelijk schouwspel voor van den uitvinder, zooals hij strijdt met het onbekende, en leveren een verheven voorbeeld van wat het genie vermag, als nauwkeurige waarneming en noeste vlijt de handen ineenslaan.Palissy nam proeven met een groot aantal verschillende stoffen, maar zonder gevolg. »Na meer dan eens misgegrepen en veel kostengemaakt en veel vergeefschen arbeid verricht te hebben,” zoo verhaalt hij zelf, »ging ik maar steeds voort, met opoffering van veel geld en tijd, nieuwe stoffen te stampen en te malen en nieuwe ovens te vervaardigen.” Niet gansch in den blinde willende zoeken, legde Palissy zich allereerst toe op het verfraaien en volmaken van het witte glazuursel, zich voorbehoudende het gekleurde te zijner tijd te laten volgen.Gedurende twee achtereenvolgende jaren reist hij onophoudelijk heen en weer tusschen zijn woning en de nabijgelegen glasblazerijen, en om dit heen en weer loopen uit te winnen, neemt hij het besluit zich een oven te bouwen, zooals de glaswerkers die gebruiken. Niet dan met de grootste moeite bouwde de wakkere uitvinder zich dezen oven. Hij had geen middelen om een knecht te bekostigen en metselde met eigen hand, mengde de kalk, putte het water, droeg de steenen aan op zijn schouders.Palissy.Palissy.Na het fornuis te hebben afgemaakt, moet hij het glazuursel vervaardigen. Zes dagen en zes nachten blijft hij voor het vuur, dat hij altijddoor brandend houdt. Daar zal ’t gelukken! Maar het hout is opgebrand, hij heeft niets meer. Nu moeten de tafels, de planken van zijn huis er aan. Ach, velen, die beter gedaan hadden zoo zij hem met beide handen hadden geholpen, lachten hem uit, en liepen de stad in, schreeuwende dat hij zijn huis verbrandde en dat hij gek geworden was. Hiermee verloor hij niet alleen het vertrouwen zijner medeburgers, maar men ging verder en zei dat hij valsche munt sloeg. De arme man, met schulden beladen, met twee jonge kinderen tot zijn last, liep daarheen, gansch ter nedergebogen als iemand, die zich niet weet te bergen van schaamte. »Intusschen,” zoo voegt de held er bij, »de hoop begaf mij niet; zij hield mijstaande, zij deed mij zelfs zoo dapper voortgaan met mijn werk, dat ik mij soms lachend kon bezig houden met de menschen, die mij kwamen bezoeken.”Weldra zou hij slagen, maar ten koste van hoeveel ellende zou dat zijn!»Ik werd,” zoo schrijft hij, »bezocht door nog een ander verdriet, namelijk dit: dat door hitte, vorst, wind, regen en drup het grootste gedeelte van mijn arbeid bedierf, nog voordat het gebakken werd. Ik moest dus hout, latwerk, pannen en spijkers leenen, om mijn werk behoorlijk onder dak te brengen. Ik brak af wat ik gebouwd had, om het beter op te bouwen, maar werd natuurlijk braaf bespot door handwerkslieden, schoenmakers, gerechtsdienaars, zaakwaarnemers, oude vrouwtjes en allerlei ander volk, te dom om te begrijpen dat ik een ruime werkplaats noodig had. Ik deed niets anders dan afbreken en opbouwen, zeiden zij. In plaats van medelijden met mij te hebben, verguisden zij mij, wanneer zij zagen hoe ik het geld, zoo noodig tot het levensonderhoud, voor mijne proeven besteedde. Niet wetende, waarmee ik mijne fornuizen tegen weer en wind zou beveiligen, ben ik jaren lang bloot gesteld geweest aan regen en onweer, zonder vertroosting of ander gezelschap dan de nachtuilen ter eene en de huilende honden ter andere zijde. Soms bliezen de stormen zoo verwoed boven en beneden in mijne fornuizen, dat er niets mee te doen was en al mijn werk verloren ging. Soms legde ik mij te middernacht of bij het krieken van den dag te slapen. Ik zag er dan uit, alsof ik door al de goten van de stad gesleept was, en wanneer ik mij naar mijn slaapplaats begaf, strompelde ik, zonder licht, voorwaarts, van den eenen kant naar den anderen vallend, als iemand, die bevangen is van den wijn.”Ondertusschen kwam Palissy zijn doel al nader en nader. De dag brak aan, waarop zijn prachtig aardewerk en zijne beelden naar waarde werden geschat. De Connétable de Montmorency beschermde nu den pottebakker. Catharina de Medicis liet hem naar Parijs komen. Toen bewoonde Bernard Palissy de Tuileriën en werd hem de verfraaiing opgedragen der koninklijke kasteelen.De fransche kunstschool schitterde onder de hoede van Frans I in al haar glans; Jean Goujon, Pierre Lescot, Germain Pilon, Ducerceau wedijverden met Leonard da Vinci, Primaticcio, André del Sarto, Benvenuto Cellini. Bernard Palissy, zoo versch uit de provincie te midden van zulke meesters optredende, nam, als zij, een voorbeeld aan de meesterstukken der Italiaansche kunst. Hij vervaardigde een menigte verglaasde vazen, die als sieraden gebruikt werden in tuinen, bij fonteinen, in gangen en portalen. Weldra was hij bezig aan het verfraaien van de Tuileriën, die Catharina de Medicis had laten bouwen.Hij wijdde zich tegelijkertijd ook nog aan andere bezigheden, die hem tot den eersten leeraar stempelden in de geschiedenis van de natuur en tot den stichter der nieuwere kennis omtrent onze aarde. Op zijne reizen had hij overal bij voorkeur de rotsen onderzocht en fossilen opgezameld, volgens zijne tijdgenooten slechts onbeduidende indrukselen, voorwerpen zonder waarde of beteekenis, het aanzijn dankende aan het een of ander toeval, een speling der natuur.De eenvoudige pottebakker, die Latijn noch Grieksch kende, riep de geleerden en de wijsgeeren tot zich en durfde ten aanschouwen van geheel Parijs de stelling te opperen, dat de fossile horens en schelpen wel degelijk horens en schelpen zijn, dat zij indertijd door de zee zijn neergelegd ter plaatse, waar zij nu gevonden worden, en dat wezenlijke dieren, visschen vooral, aan den zachten steen de indrukselen gegeven hadden, die er in zijn waar te nemen.Palissy verzamelt die voorwerpen, die hij voor zijne bewijsvoering noodig heeft; schikt naar wetenschappelijke orde de kristallen en fossile voorwerpen, die hij op zijne reizen heeft verzameld, en sticht aldus in 1575 het eerste kabinet van natuurlijke geschiedenis. De lessen, die hij daarbij gaf, waren zeer gezocht en duurden tot 1584. Zijn verzameling merkwaardigheden trok vele nieuwsgierigen. Met die bewijsstukken bij zich, voelt Palissy zich sterk en onoverwinnelijk; hij kan aan al de bitterheden en aan al de vooroordeelen der wereld het hoofd bieden; hij staat den naijver en de blinde woede, en roept zegevierend uit: »Ga nu uwe latijnsche wijsgeeren halen, om tegen mij te getuigen!”Bernard Palissy heeft zijne werken in den vorm van Samenspraken geschreven. In een van deze voert hij twee denkbeeldige personen op:Theoretica, die de scholastiek voorstelt, een domme, onleerzame schoolmeester, die met zijn dwaze antwoorden uw medelijden opwekt, enPractica, die onophoudelijk de zwaarwichtige redeneeringen van zijn tegenstander overhoop werpt. Met welk een vernuft, welk een kleur, welk een losheid vermeit hij er zich in de oude denkbeelden te bestrijden. Dit onnavolgbare werk is een der groote letterkundige gedenkstukken van de 16deeeuw. Aan vuur, geestdrift en welsprekendheid paart Palissy gezonde redeneering, en steeds maakt ernstige waarneming den grondslag uit zijner overtuigingen. Het volgende mag hierbij ten voorbeeld strekken. Na uitvoerig te hebben aangetoond dat de steenen niet groeien, wat men in zijn tijd algemeen geloofde, gaat hij voort:Theoretica.En waar hebt gij dit nu weer geleerd? In welk boek, op welke school ter wereld kunt gij gehoord hebben wat gij daar zegt?Practica.Ik heb geen ander boek gebruikt, dan de hemel en de aarde, die bij allen bekend is, en ’t is aan allen gegeven ditschoone boekwerk te lezen. Ik nu heb in dit schoone werk gelezen en de aardsche dingen beschouwd.De »Discours admirables” van Palissy lezende verbaast gij u over de nieuwheid en de keur van zijne opmerkingen, zoowel waar zij betrekking hebben op de bergen, of den grond, of de steenen, wier vorm, kleur, gewicht en dichtheid door hem met ijver onderzocht worden. Kristallen, druipsteenen, versteend hout, fossilen, mergel, schelpzand, alles is zijn prooi. De meest belangrijke vraagstukken durft hij aan en overal opent hij de stoutste en treffendste gezichtspunten, overal spreekt het genie, als door een bovennatuurlijke openbaring, uit wat door latere eeuwen zal worden bezegeld en vastgesteld.In zijn »Discours sur la nature des Eaux et Fontaines” geeft Palissy het middel aan om water door middel van pompen, buizen en leidingen van de eene plaats naar de andere op te voeren; hij behandelt er de minerale wateren, schrijft hun warmte toe aan een onderaardsch vuur, dat onophoudelijk brandt, wijdt uit over de kracht van den stoom en het eigenaardige belang dezer kracht, die nog zoo weinig bij de menschen bekend is en van wier vermogen hij zich vergewist heeft, niet door middel van boeken, maar door middel van een waterketel. Volgens hem ontstaat het bronwater door het doorzijgen van het regenwater; ook heeft hij een volkomen afgewerkte leer omtrent de verdere vorming van bronnen en wellen. Hij leert hoe men in navolging van de natuur kunstmatig fonteinen kan doen springen, »als men maar het voorschrift van de oppersten waterwerker volgt.”In het volgende stuk van zijnTraité de la Marnevertoont Palissy zich als de ware uitvinder der artesische putten.»Het komt mij voor,” schrijft hij, »dat een goede schroef of boor sommige meer weeke gesteenten gemakkelijk doorboren zou, en dat men langs dezen weg mergelgrond zou kunnen vinden en water om putten te maken, welk water dan ook wel eens hooger kon stijgen dan de plaats waar de boor het gevonden heeft. Immers kan het water wel van hoogere plaatsen afkomen dan die, waar men de boring bewerkstelligt.”Als natuurkundige, scheikundige, landbouwkundige ziet Palissy al de groote wetenschappelijke vraagstukken van zijn tijd onder de oogen; hij laat er den glans op schijnen van zijn gezond verstand en zijn oordeelkundig onderwijs.Als scheikundige verheft deze voorstander der wetenschappelijke proefneming zich verre boven al het ijdel zoeken naar den zoogenaamden Steen der Wijzen; verre boven de alchimisten staande toont hij aan, langs welke wegen zij de menschen in den waan brengen van lood in goud of zilver te kunnen veranderen. Den geneesheeren beveelt hij aan meer kennis te nemen van hetgeen zich in de natuurvoordoet; aan de landbouwers geeft hij den raad, dat zij hun land zullen bemesten en wijst hun het nut aan van de mergel, terwijl hij hun raadt de bosschen te sparen. »Als gij alle bosschen hebt omgehouwen,” zegt hij, »moeten alle kunsten blijven stil staan en de handwerkslieden, als Nebukadnesar, gras eten.”Terwijl Palissy zijn eeuw met zijne werken verrijkte, werd Frankrijk verscheurd door binnenlandschen krijg. De pottebakker had, te midden zijner grootste beproevingen, het Protestantisme omhelsd, en gedurende de bekende godsdienstoorlogen was hij van kerker naar kerker gesleept. Dank zij de gunst van Catharina de Medicis, ontsnapte hij aan de gruwelen van den Bartholomeusnacht; maar die gunst kon niet duren. Toen de Ligue zich in 1588 van Parijs had meester gemaakt, werd de grijze Palissy in de Bastille gevangen gezet. Mathieu de Launay eischte dat deze Calvinist onmiddellijk naar hetspectacle public(den openbaren dood) zou worden geleid. Gelukkig wist de hertog van Mayenne te bewerken dat zijn proces ten minste nog eenigen tijd werd uitgesteld.Palissy bleef steeds aan zijne overtuiging getrouw. Eens kwam Hendrik III hem in de Bastille een bezoek brengen, in gezelschap van den graaf de Maulevrier.»Mijn goede vriend,” zeide de Koning, »’t is nu al vijf-en-veertig jaren dat gij mij en mijne moeder dient. Wij hebben u vergund bij ons te verkeeren en uw godsdienstig geloof te belijden; maar nu word ik zoowel door de Guises als door mijn volk dermate gedrongen, dat ik u wel moet loslaten en u aan uwe vijanden overgeven, zoodat gij morgen zult verbrand worden, wanneer gij u niet bekeert.”»Sire!” antwoordde de grijsaard, »ik ben bereid mijn leven te geven voor de glorie van God. Gij hebt mij al dikwijls gezegd dat gij medelijden met mij hadt, welnu, ik heb medelijden met u, die u »dwingen” laat. Dat is geen taal voor een koning, en zoo iets zoudt gij, noch de Guises, noch heel uw volk op mij vermogen, want ik ben niet bang voor den dood.”Eenigen tijd later, in 1589, blies de brave man in een der hokken van de Bastille den laatsten adem uit.Wat al edele en wijze mannen zouden wij Palissy ter zijde kunnen stellen: André Vesale, de vader der dierlijke ontleedkunde, Ambroise Paré, de groote heelkundige,Paracelsus, de voortreffelijke scheikundige. Doch wij gaan deze voorbij om ons op te houden bij Michel Servet.Palissy in den kerker der Bastille. Blz. 87.Palissy in den kerker der Bastille. Blz. 87.Michel Servet werd in 1509 in Arragon geboren, studeerde in de rechten te Toulouse en mengde zich in de godsdiensttwisten van zijn tijd. Te Straatsburg wekte hij de verbazing des eenen en de verontwaardiging des anderen op, want zijne leeringen waren bij uitstek vrijzinnig, zoodat hij door zijne tegenstanders»die ondeugende en vinnige Spanjool” genoemd werd. In Duitschland wekten zijneSamenspraken, waarin kerkelijke leerstukken besproken werden, zulk een ergernis, dat hij zich achter den aangenomen naam van Michel de Villeneuve moest verschuilen en zoo naar Frankrijk uitwijken.Spinoza.Spinoza.Te Parijs verwierf hij zich den graad van doctor in de medicijnen, en maakte hij een grooten opgang zoowel met zijne lessen als met zijne werken. Tot zijn ongeluk—ontmoette hij Calvijn en daagde hem uit tot een soort van twistgesprek, waarbij de eerste zaden gestrooid werden van die vijandschap, die tot zoo vreeselijken strijd klimmen zou. Onrustig van aard, vestigde Servet zich achtereenvolgens te Parijs, te Lyon, te Charlieu, te Avignon, waar hij tegelijkgeneeskundige en corrector bij een drukkerij was. Voortdurend bezig met godgeleerde zaken, wilde hij Calvijn tot zijne meeningen overhalen, gaf een groot werk uit,la Restitution du Christianisme, en prikkelde zijn tegenstander tot steeds heftiger ergernis. Servet was, als Calvijn, protestant; maar hij was, wat wij in onze dagen een »liberaal” zouden noemen, zoodat Calvijn besloot Servet’s boosheden voor goed te stuiten. Hij gaf aan de Inquisitie stukken tegen hem in handen. Wel wist Servet te ontkomen, maar hij waagde zich in Genève en viel daar zijn fellen en onverbiddelijken tegenstander in handen. Calvijn liet hem gevangen nemen en leidde in eigen persoon het rechtsgeding, waarbij zijn tegenstander ter dood veroordeeld werd.Den 27stenOctober 1553 werd Servet als ketter levend verbrand. Hij was vier-en-veertig jaren oud. Terwijl hij naar den brandstapel ging, werd hij door Farel, die hem in zijn laatste oogenblikken bijstond, vermaand, dat hij zijne dwalingen zou herroepen, maar de wijsgeer bleef onverzettelijk. Hij ging moedig en met vasten tred op den brandstapel af, en toen de vlammen hem omhulden, hoorde men hem een hartverscheurenden kreet slaken.Zooveel zeker had de groote Spinoza niet te lijden, die ons thans een oogenblik zal bezig houden. Toch werd ook zijn vrede door de menschen verstoord. Deze beroemde wijsgeer, die zich verdiepte in de groote vragen omtrent het bestaan van God, het wezen van den mensch, het karakter der deugd, die in zijn »Ethiek” of »Zedeleer” zulke verhevene beginselen uitsprak, de verwezenlijking van den mensch en van het menschelijke zocht in het zoeken en het kennen van het goddelijke, die de deugd zelve als den waren staat der zaligheid beschreef, is niet om niet beroemd geworden. Spinoza werd 24 November 1632 te Amsterdam geboren uit een deftig portugeesch-israëlietisch geslacht. Hij ontving zijn opvoeding voor een deel van zekeren dokter Frans van den Ende, een man, die later als godverzaker uit Amsterdam gebannen werd, of vrijwillig uitweek, en wiens leeringen met die der Synagoge geheel in strijd waren. Door den omgang met dezen geneesheer, door het lezen van de schriften van Cartesius, door de beoefening der natuurwetenschappen, door zijne gesprekken met vrijzinnige Amsterdammers, dwaalde ook Spinoza al verder en verder van de Synagoge af, en daar hij zijne gevoelens vrij uitsprak, begonnen zijn persoon en zijn ongeloof groot opzien te baren. Men deed hem aanbiedingen. Men moet hem van wege de Synagoge een jaarwedde van ƒ1000 hebben aangeboden, »om slechts bij haar te blijven en voor de leus naar de kerk te gaan.” Spinoza weigerde natuurlijk en bijna had hem die weigering het leven gekost, want op een avond, bij het uitgaan van de Synagoge, werd de ponjaard van een sluipmoordenaar tegen hem getrokken; hij wist den stoot te keeren, maar hijkon zijn doorboorden mantel bewaren, als een gedachtenis aan het rampzalig werk der dweepzucht. Hij besloot nu Amsterdam te verlaten, en vond voorloopig huisvesting bij een protestantschen vriend te Ouderkerk. Spoedig daarna werd hij door den banvloek van de Synagoge getroffen. Dit geschiedde den 27 Juli 1656. Ondertusschen hield Spinoza zich bezig met het slijpen van glazen, waarmee hij in zijne behoeften voorzag. Stil en ingetogen leefde hij achtereenvolgens te Rijnsburg en te ’s Gravenhage. Hij was onbaatzuchtig, eenvoudig, een vriend der menschen, al heette hij bij de Joden en bij vele Christenen een »gevaarlijk” mensch. Hij bleef, hoe hatelijk hij ook behandeld werd, de prediker en de beoefenaar der edelste verdraagzaamheid. In 1677 stierf hij. Toen in 1678 zijn »Ethica” uitkwam, bleek wel duidelijk wat zijn lot zou geweest zijn, wanneer het boek bij zijn leven ware uitgekomen. Zijne werken werden bij plakkaat van de Staten van Holland en West-Friesland met »de hoogste indignatië” verboden. Nog in 1714 werden een paar boekjes, die voor Spinosistisch doorgingen, in Middelburg op het schavot vóór het stadhuis, ter plaatse waar men gewoon was crimineele justitie te oefenen, door de hand van den scherprechter verscheurd en verbrand.Heeft de Synagoge Spinoza gebannen, de Hervormde Kerk heeft Balthazar Bekker afgezet. Men kon in zijn tijd de menschheid moeilijk grooter dienst bewijzen, dan haar vrij te maken van haar onzinnig geloof aan den Duivel. Dat geloof nam de verbeelding en de ziel zoozeer in bezit, wekte zooveel vrees, bijgeloof en vooroordeel, het spookte zoo akelig rond met zijne heksen en zijne tooverijen en geheimzinnige kunsten, dat wij er ons in onze dagen nauwlijks een voorstelling van kunnen maken. Het beroemde werk van Jacob Sprenger »de heksenhamer” bevatte een volledige leer of geloofsbelijdenis omtrent den Satan en de tooverij, met allerlei uitleggingen van de werkingen des Boozen, en veel bedreiging tegen degenen, die zich met hekserij bezig hielden. Doch wat baatte dreigen en straffen, zoolang dit ongelukkig geloof als een akelige nachtmerrie de zielen bleef benauwen? In 1691 verscheen Balthasar Bekker’s »Betooverde Wereld.” Thans gold het niet de vraag, hoe men den Duivel moest en kon ontgaan, en zich redden van zijne listen; maar de vraag of hij bestond. Bekker, die aan de hoogescholen van Groningen en Franeker gestudeerd had, was toen predikant te Amsterdam. Reeds vroeger had hij in den reuk gestaan van groote onrechtzinnigheid, en nu werd het er niet beter op. Als volger van de leer van Cartesius bestreed hij het geloof aan duivelen en den invloed van booze geesten op de lichamen en op de zichtbare wereld. Als menschenvriend zag hij met schrik hoe velen, ten gevolge van de afschuwelijke heksenprocessen, om het leven waren gekomen, hoe velen op allerlei andere wijzen de slachtoffers waren gewordenvan deze reusachtige dwaling. En terwijl nog zoo goed als de geheele wereld beefde voor den Booze, een ieder zijn naaste achterdochtig aankeek en honderd dingen aan den invloed van den Duivel werden toegeschreven, terwijl nog het gansche heir van Zijne Helsche Majesteit spookte op de heiden en in de harten, verscheen Balthasar Bekker’s boek als een gebeurtenis, een feit van gewicht. Het heeft een licht doen opgaan over het ellendig bijgeloof, het is èn in ons land èn elders de dageraad geworden van een beter toekomst. Doch wat kon de wereld met dezen zoon des lichts anders doen, dan zeggen dat hij een duisterling was? De wereld kan niet, zoo maar op eens, ongelijk hebben. Neen, dat ging niet aan. Zoo heeft de classis van Amsterdam dezen weldoener dan ook behoorlijk geschorst en hem later uit zijn bediening ontzet. Immers leerde de Bijbel dat er een duivel was.Balthasar Bekker was een van die mannen, die zijn eigen oordeel volgde. »Zie nooit met eens anders oogen,” had zijn vader, mede predikant, hem geleerd, en hij heeft de les wel ter harte genomen, tot schade van zijn welvaart naar de wereld, tot winst van zijn medemenschen. De slag toch, dien hij het bijgeloof toebracht, is doodelijk geweest.
Niet steeds heeft de wetenschap de haar betamende plaats ingenomen in het rijk der kennis. Zeer langen tijd zijn hare rechten verkort, is haar onderwijs versmaad, zijn hare beginselen miskend; eeuwen lang is haar voortgang moeielijk geweest en traag. Dit komt hierdoor dat de menschelijke geest niet altijd de kunst heeft verstaan van de natuur te raadplegen en haar langs den weg der ervaring uit te hooren. Tot op de Renaissance was de wetenschap onderworpen aan het uiterst verwaand gezag der school, en waar zij eigen leven zocht, viel zij onder de mokerslagen der vervolging. Copernicus, als hij zich verwijdert van de denkbeelden van zijn tijd en, tegen de Kerk in, verklaart dat de aarde zich wentelt rondom de zon, Galileï, als hij der menschheid het aangrijpend schouwspel vertoont van den loop der sterren, hebben daarmede een groote omwenteling veroorzaakt in den gang der wijsbegeerte. De wereld zag in, dat zij op den verkeerden weg was, waar zij de waarheid wilde vernemen van menschen, die haar even weinig kenden als zijzelve. Het werd haar openbaar dat men les moest gaan nemen bij de natuur, die den geduldigen onderzoeker loont met hare schoonste openbaringen. Galileï met zijn kijker naar den sterrenhemel gekeerd, ziedaar een gebeurtenis van belang. De wijze houdtop met te zweren bij oude meesters; de nieuwe wijsbegeerte opent het tijdperk van de wetenschap der ervaring en de geesten worden vrij.
Gedurende de middeleeuwen ging de wetenschap gebogen onder het juk van de scholastiek, die bekrompen en armelijke poging om datgene, wat de Kerk leerde, langs wetenschappelijken weg te bewijzen. Thans verkondigt de wetenschap hare uitkomsten, hare gissingen, hare overwinningen vrij en ongedwongen, en wie iets nieuws gevonden heeft, heeft slechts met de feiten te voorschijn te komen en ’t is genoeg. Maar zoo is het niet altijd geweest en de nieuwe denkbeelden zijn met het bloed van martelaars ingewijd.
Baco en Cartesius hebben den zuiver wetenschappelijken weg voor ons geopend. Zij zijn de scheppers dier gezonde logica, die ons leert hoe onzen geest te besturen, zal zij de waarheid vinden. Cartesius heeft de onafhankelijkheid uitgeroepen van het oordeel, toen hij leerde dat men niet als waar moest aannemen wat men niet klaar en scherp als waarheid had begrepen.
Dit denkbeeld, naar onze beschouwing zoo eenvoudig, scheen vroeger ten eenenmale gruwelijk. Zich op de ervaring der zinnen of op de rede te beroepen tegenover een uitspraak van Aristoteles en de voorschriften van de Kerk—welk een zonde! Zoo plantten zich de dwalingen en de vooroordeelen voort van geslacht tot geslacht.
Waagde een sterrekundige te beweren dat hij vlekken had gezien in de zon, even zeker als hij vlekken zag op het papier, dan antwoordde men hem: »dat kan niet zijn; onze leeraars onderwijzen ons anders, namelijk dat de dagvorst onbesmet is, eeuwig rein.”
De groote beweging die in den tijd der Renaissance in de wijsbegeerte plaats vond, werd in de 13deeeuw voorbereid door een man, even vernuftig en geestrijk, als rampspoedig, met name Rutger Baco. Deze beroemde engelsche monnik toch is inderdaad de eerste wijsgeer geweest, die opgekomen is tegen de dwalingen der scholastiek. »Was ik de eigenaar van al de boeken van Aristoteles, ik zou ze allen verbranden,” zeide hij. »Want men doodt er zijn tijd mee en zij dienen tot niets anders dan om de dwaling te verbreiden en de onwetendheid te vermeerderen.” Zich aldus over Aristoteles uitlatende had hij minder den wijsgeer der oudheid zelven op het oog, dan de eigenaardige aristotelische leer der middeleeuwen.
Rutger Baco werd te Ilchester in het graafschap Sommerset geboren, in het jaar 1214, volbracht zijn eerste studiën te Oxford, kwam daarna te Parijs studeeren, werd er doctor in de godgeleerdheid en zag zich opgenomen in de orde der Franciskanen. Zijn voorliefde voor de natuurwetenschappen en voor het vrije onderzoek kwam hem toen reeds op vrij wat onaangenaamheden te staan van de zijde zijner dweepzieke ordebroeders. Baco legde zich eerst op het Latijn, het Grieksch, het Hebreeuwsch en Arabischtoe, ten einde de oude schrijvers in het oorspronkelijke te kunnen lezen. Dit belette hem niet de mathesis, sterrekunde, natuurkunde en chemie te beoefenen en in het kort zich vertrouwd te maken met al de takken der wetenschap. Hij raadpleegde daarbij allermeest de ervaring en verbreidde zijne gezonde leer onder de vele leerlingen, met wie hij in betrekking stond. Zijn werkzaamheid en zijn scherp verstand maakten hem weldra vermaard. Te Parijs stond hij bekend alsle docteur admirable, en hij maakte zich dien naam waardig, zoowel door het aantal als door het hooge belang zijner ontdekkingen op elk gebied van wetenschap. Baco was de eerste, die de fouten der juliaansche tijdrekening ten opzichte van het zonnejaar ontdekte. Hij reeds stelde paus Clemens IV de verandering voor, die eerst drie eeuwen na zijn dood tot stand gekomen is. Hij was de eerste, die de eigenschappen onderzocht der bolle en der holle glazen, brillen sleep en de leer van den teleskoop te berde bracht. Zoo hij al niet in eigenlijken zin het kruit heeft uitgevonden, welks vervaardiging voor vijftig jaren reeds beschreven was, hij gaf toch het middel aan de hand om het gehalte daarvan te verbeteren, daar hij de middelen aanwees om het salpeter te zuiveren, dat, zooals men weet, een van de hoofdbestanddeelen er van uitmaakt.
Deze belangrijke zaken maakten dat hij de beschuldiging van tooverij moeielijk kon ontgaan. In de verbeelding des volks werd hij de held van allerlei wonderverhalen. Men hield hem voor een duivelskunstenaar en hij had, zeide men, een metalen hoofd vervaardigd, dat de toekomst wist te voorspellen. Zijne dweepzieke kloosterbroeders deden hem allerlei kwellingen aan, en het hoofd zijner orde verbood hem zijne geschriften mede te deelen aan wien ook, op straffe van op water en brood te worden gezet. Niettemin hield Clemens IV, nieuwsgierig naar zijne wonderbare uitvindingen, hem de hand boven het hoofd. Door de goede zorgen van een zijner meest getrouwe leerlingen, deed Baco den Paus het handschrift toekomen van zijn werkOpus Majus, en later dat van zijn brief overles Oeuvres secrètes de l’Art et de la Nature.
Zijne werken bevatten een ongekenden rijkdom van kundigheden. ZijnOpus Majusomvatte bijna alle mogelijke wetenschappen, de kennis der talen niet uitgezonderd. Men vindt er onder anderen de beginselen in der gezichtskunde, de leer der brandspiegels, allerbelangrijkste opmerkingen over de straalbreking, een verklaring van den regenboog. Men vindt er ware onthullingen in, die blijk geven van een zoo buitengewoon doorzicht, dat men hem soms met een zeker voorgevoel van de toekomst begiftigd zou wanen. Van het kruit zegt hij, dat men er een stad of een leger mee zou kunnen vernielen. Spreekt hij van de natuur- en werktuigkunde, dan lijkt hij stoommachines en spoorwegen te beschrijven en de mogelijkheidte onderstellen van zich in de lucht te kunnen opheffen. Men zou, zegt hij, werktuigen kunnen vervaardigen, waarmee men de grootste schepen sneller zou doen loopen, dan wanneer een gansch garnizoen aan de riemen zat. Men zou rijtuigen zonder behulp van trekdieren met ongehoorde snelheid kunnen voortbewegen. Men zou ook machines kunnen vervaardigen, waarmee men, als met vleugels, zich in de lucht zou kunnen verheffen.
HetOpus Majusschittert met nog hooger glans. Men vindt er een hoofdstuk in over de kunst van waarnemen. Het waarnemen, het nemen van proeven, wordt er beschouwd als de hoogste sport op den ladder der wetenschappelijke hulpmiddelen. Slechts door waarneming kunnen scheikundigen en natuurkundigen tot groote ontdekkingen komen. ’t Is waar, dat Baco, na zich in de hooge sferen der wijsbegeerte te hebben verheven, verdwaald raakt in de vooroordeelen van zijn tijd; hij gelooft dat er middelen zijn om de edele metalen te vermenigvuldigen en het leven te verlengen; maar niemand vergete dat hij leefde in de dertiende eeuw.
De inbreuk, door Baco gemaakt op de kloosterregelen, de domme en nijdige haat, die tegelijk met zijn roem aanwies, moesten noodlottig voor hem zijn. Men wist dat de Paus hem beschermde, en de aanvallen, waaraan hij bloot stond, werden in de beginne altijd een weinig ingetoomd, maar toen Clemens IV kwam te sterven ging het met woede op hem los. In 1278 klaagden de Franciskaners hun medebroeder als een sterrewichelaar aan, die zijn ziel aan den duivel had verkocht. Te vergeefs was het, dat Baco trachtte zich te rechtvaardigen; de aanklacht van tooverij en magie beantwoordde hij met een brief:de nullitate magiae. »De zaken gaan uw verstand te boven,” zoo schrijft hij, »en daarom noemt gij ze duivelskunstenarijen. Maar wat baat er tegen de verblinding van bijgeloof en dweperij?” De werken van Baco werden veroordeeld als bevattende »gevaarlijke en verdachte nieuwigheden.” De arme schrijver moest voor zijn vernuft en zijn geest boeten met een gevangenschap van 15 jaren. Toen hij goed en wel door de smart verteerd, door zijn gevangenschap ondermijnd, door zwakte en kwalen uitgeput was, gaf men hem de vrijheid weder. De ongelukkige grijsaard sleepte zich voort en kwam in zijn vaderland aan, om er te sterven. Hij moet zich wel diep ongelukkig hebben gevoeld, wanneer het waar is dat hij op zijn doodsbed de klacht heeft geslaakt: »Het berouwt mij zooveel moeite ten beste te hebben gegeven aan de wetenschap!”
Baco was zijn tijd een paar eeuwen vooruit. Zijn roem gaf aan zijn leer zekere ruchtbaarheid; maar eigenlijke op- en navolgers vond hij eerst, toen de boekdrukkunst de waarheid vleugelen gaf. Eerst de wijsgeeren toch der 16deeeuw begonnen door middel dezer gezegende kunst de geesten te vormen, het vrije onderzoek voorte bereiden en onder zwaren strijd en bittere worsteling der menschheid haren Baco waardig te maken.
Aan dien strijd heeft Ramus (Pierre La Ramée) een groot aandeel gehad. Na met schitterenden uitslag meester in de zeven vrije kunsten te zijn geworden, gaf hij te Mans openbare lessen o. a. in de logica en stelde zich tot taak de beginselen dier wetenschap te herzien. Zijne werken werden door de theologische faculteit te Parijs veroordeeld, en men ging zoo ver van hem naar de galeien te verwijzen, welk vonnis evenwel niet ten uitvoer werd gebracht; maar wel werd hij voor een weetniet, een onbeschaamde, een kwaadwillige, een onruststoker uitgemaakt, en wel werd hem het lezen en schrijven onmogelijk gemaakt. In 1551 tot hoogleeraar benoemd, is hij beurtelings afgezet en hersteld, uit Parijs gebannen en weer naar Parijs teruggekeerd. Hij bevond zich in deze stad, gedurende den vreeselijken Bartholomeus-nacht en van protestantsche gevoelens verdacht, werd hij door zekeren Charpentier, een dwepend katholiek, als een gevaarlijk hugenoot aangewezen, bestolen en vermoord, waarna zijn lijk uit het venster geworpen en op gruwelijke wijze verminkt en mishandeld werd. Ook hij had het zijne bijgebracht tot de vrijmaking van den geest, ook hij, een Luther op het gebied der wetenschap, was een hervormer.
Nevens hem vinde hier Giordano Bruno vermelding, een der groote strijders voor het vrije denken, een man vol geleerdheid, kennis en verbeeldingskracht. Hij werd te Napels geboren, omstreeks het midden van de 16deeeuw. Na tot de orde der Dominikanen behoord te hebben, begaf hij zich naar Genève, daar zijn twijfelingen aangaande de kerkleer en zijne spotternijen tegen de monniken hem het verblijf onmogelijk maakten in het land der Heilige Inquisitie. Hij omhelsde het protestantisme, kwam te Parijs, waar hij de wijsbegeerte onderwees, en bestreed de school van Aristoteles. Engeland, Duitschland doorreisde hij, overal zijne geschriften als uitstrooiende. Toen greep het verlangen, om zijn vaderland weder te zien, hem aan, en bleef hij een paar jaren teVenetiëvertoeven. De Venetianen leverden hem uit aan de Inquisitie en deze zond hem naar Rome. Veroordeeld, om levend verbrand te worden, riep hij, in verheven kalmte van geest, zijn rechter toe: »Over het vonnis, dat gij daar uitspreekt, staat gij waarschijnlijk meer verlegen dan ik.” In Februari 1600 stierf hij in de vlammen.GiordanoBruno hield het heelal voor oneindig en onmetelijk. Hij geloofde dat er meer dan één wereldstelsel was en nam de verdediging op zich van de leer van Copernicus. Dit was zijn misdaad.
Dood van Ramus. Blz. 80.Dood van Ramus. Blz. 80.
Dood van Ramus. Blz. 80.
Een ander slachtoffer der geestelijke onverdraagzaamheid was Campanella, een Napolitaansch leeraar der wijsbegeerte, hervormer der wetenschap en verdediger van Copernicus. Twintig jaren leefde hij in boeien en de vreeselijkste folteringen, die wij in een akeligendroom ons voor den geest kunnen stellen, deed de Inquisitie hem aan, en doorstond hij, soms veertig uren achtereen. De meest gezochte beschuldigingen werden tegen hem aangevoerd, de wreedste folteringen hem aangedaan; maar hij week niet. Paus Paulus V vroeg zijn vrijspraak van Filips III. Deze was onverbiddelijk. Eerst bij diens dood kon Campanilla den kerker verlaten. Nu begon hij zijn strijd op nieuw, en zoo hij thans onder de hoede van Paus Urbanus VIII en den kardinaal van Richelieu rustig kon werken, zoo hij Cartesius in Holland kon bezoeken en op zijn zeventigste jaar te Parijs rustig den adem uitblies, wie had, als hij, dat leven ontworsteld aan duizend dooden, wie had, als hij, zijn eigen leven zich zoo dubbel verdiend?
Terwijl deze wijsgeeren zoo dapper streden, bracht een groot werkman de wetenschap der ervaring in praktijk, en leverde, door de uitkomst van zijn arbeid, een zichtbaar getuigenis voor de degelijkheid der nieuwe wijze van onderzoek.
Palissy zag het levenslicht in het begin van de 16deeeuw, in de nabijheid van het stadje Biron, tusschen de Lot en de Dordogne. Van zijn jeugd is weinig bekend, maar dit weet men, dat hij al vroeg de Pyreneën, Vlaanderen, de Nederlanden, de Ardennen en de Rijnoevers bezocht, als zwervend gezel glazen slijpende, maar bovenal allerlei natuurkundige bijzonderheden nagaande, bergen, bosschen, steengroeven, mijnen, grotten bezoekend.
In zijn vaderland teruggekeerd, vestigde Palissy zich te Saintes en trad aldaar in het huwelijk. De zorgen voor zijn gezin drongen hem zich met al zijn kracht toe te leggen op het vervaardigen dier aardewerken met glazuursel, die zijn naam zoo beroemd zouden maken.
Bernard Palissy verhaalt dat het aanschouwen van een schoon stuk verglaasd aardewerk hem op het denkbeeld bracht het geheim te zoeken, volgens hetwelk deze kunstgewrochten vervaardigd werden. Hij had een echt kunstgevoel, smaak voor de schilderkunst, en zette zich aan het werk. Zonder zich er aan te storen dat hij geheel onbekend was met de verschillende soorten van kleiaarde, ging hij aan het zoeken, als een man, die in den blinde tast. De geschiedenis van dit zoeken en van den arbeid en het geduld, door Palissy hieraan besteed, vormt een waren heldenzang. De bladzijden, door hem zelven aan dit onderwerp gewijd, zijn geschreven in een stijl, een Montaigne waardig. Zij houden ons het opmerkelijk schouwspel voor van den uitvinder, zooals hij strijdt met het onbekende, en leveren een verheven voorbeeld van wat het genie vermag, als nauwkeurige waarneming en noeste vlijt de handen ineenslaan.
Palissy nam proeven met een groot aantal verschillende stoffen, maar zonder gevolg. »Na meer dan eens misgegrepen en veel kostengemaakt en veel vergeefschen arbeid verricht te hebben,” zoo verhaalt hij zelf, »ging ik maar steeds voort, met opoffering van veel geld en tijd, nieuwe stoffen te stampen en te malen en nieuwe ovens te vervaardigen.” Niet gansch in den blinde willende zoeken, legde Palissy zich allereerst toe op het verfraaien en volmaken van het witte glazuursel, zich voorbehoudende het gekleurde te zijner tijd te laten volgen.
Gedurende twee achtereenvolgende jaren reist hij onophoudelijk heen en weer tusschen zijn woning en de nabijgelegen glasblazerijen, en om dit heen en weer loopen uit te winnen, neemt hij het besluit zich een oven te bouwen, zooals de glaswerkers die gebruiken. Niet dan met de grootste moeite bouwde de wakkere uitvinder zich dezen oven. Hij had geen middelen om een knecht te bekostigen en metselde met eigen hand, mengde de kalk, putte het water, droeg de steenen aan op zijn schouders.
Palissy.Palissy.
Palissy.
Na het fornuis te hebben afgemaakt, moet hij het glazuursel vervaardigen. Zes dagen en zes nachten blijft hij voor het vuur, dat hij altijddoor brandend houdt. Daar zal ’t gelukken! Maar het hout is opgebrand, hij heeft niets meer. Nu moeten de tafels, de planken van zijn huis er aan. Ach, velen, die beter gedaan hadden zoo zij hem met beide handen hadden geholpen, lachten hem uit, en liepen de stad in, schreeuwende dat hij zijn huis verbrandde en dat hij gek geworden was. Hiermee verloor hij niet alleen het vertrouwen zijner medeburgers, maar men ging verder en zei dat hij valsche munt sloeg. De arme man, met schulden beladen, met twee jonge kinderen tot zijn last, liep daarheen, gansch ter nedergebogen als iemand, die zich niet weet te bergen van schaamte. »Intusschen,” zoo voegt de held er bij, »de hoop begaf mij niet; zij hield mijstaande, zij deed mij zelfs zoo dapper voortgaan met mijn werk, dat ik mij soms lachend kon bezig houden met de menschen, die mij kwamen bezoeken.”
Weldra zou hij slagen, maar ten koste van hoeveel ellende zou dat zijn!
»Ik werd,” zoo schrijft hij, »bezocht door nog een ander verdriet, namelijk dit: dat door hitte, vorst, wind, regen en drup het grootste gedeelte van mijn arbeid bedierf, nog voordat het gebakken werd. Ik moest dus hout, latwerk, pannen en spijkers leenen, om mijn werk behoorlijk onder dak te brengen. Ik brak af wat ik gebouwd had, om het beter op te bouwen, maar werd natuurlijk braaf bespot door handwerkslieden, schoenmakers, gerechtsdienaars, zaakwaarnemers, oude vrouwtjes en allerlei ander volk, te dom om te begrijpen dat ik een ruime werkplaats noodig had. Ik deed niets anders dan afbreken en opbouwen, zeiden zij. In plaats van medelijden met mij te hebben, verguisden zij mij, wanneer zij zagen hoe ik het geld, zoo noodig tot het levensonderhoud, voor mijne proeven besteedde. Niet wetende, waarmee ik mijne fornuizen tegen weer en wind zou beveiligen, ben ik jaren lang bloot gesteld geweest aan regen en onweer, zonder vertroosting of ander gezelschap dan de nachtuilen ter eene en de huilende honden ter andere zijde. Soms bliezen de stormen zoo verwoed boven en beneden in mijne fornuizen, dat er niets mee te doen was en al mijn werk verloren ging. Soms legde ik mij te middernacht of bij het krieken van den dag te slapen. Ik zag er dan uit, alsof ik door al de goten van de stad gesleept was, en wanneer ik mij naar mijn slaapplaats begaf, strompelde ik, zonder licht, voorwaarts, van den eenen kant naar den anderen vallend, als iemand, die bevangen is van den wijn.”
Ondertusschen kwam Palissy zijn doel al nader en nader. De dag brak aan, waarop zijn prachtig aardewerk en zijne beelden naar waarde werden geschat. De Connétable de Montmorency beschermde nu den pottebakker. Catharina de Medicis liet hem naar Parijs komen. Toen bewoonde Bernard Palissy de Tuileriën en werd hem de verfraaiing opgedragen der koninklijke kasteelen.
De fransche kunstschool schitterde onder de hoede van Frans I in al haar glans; Jean Goujon, Pierre Lescot, Germain Pilon, Ducerceau wedijverden met Leonard da Vinci, Primaticcio, André del Sarto, Benvenuto Cellini. Bernard Palissy, zoo versch uit de provincie te midden van zulke meesters optredende, nam, als zij, een voorbeeld aan de meesterstukken der Italiaansche kunst. Hij vervaardigde een menigte verglaasde vazen, die als sieraden gebruikt werden in tuinen, bij fonteinen, in gangen en portalen. Weldra was hij bezig aan het verfraaien van de Tuileriën, die Catharina de Medicis had laten bouwen.
Hij wijdde zich tegelijkertijd ook nog aan andere bezigheden, die hem tot den eersten leeraar stempelden in de geschiedenis van de natuur en tot den stichter der nieuwere kennis omtrent onze aarde. Op zijne reizen had hij overal bij voorkeur de rotsen onderzocht en fossilen opgezameld, volgens zijne tijdgenooten slechts onbeduidende indrukselen, voorwerpen zonder waarde of beteekenis, het aanzijn dankende aan het een of ander toeval, een speling der natuur.
De eenvoudige pottebakker, die Latijn noch Grieksch kende, riep de geleerden en de wijsgeeren tot zich en durfde ten aanschouwen van geheel Parijs de stelling te opperen, dat de fossile horens en schelpen wel degelijk horens en schelpen zijn, dat zij indertijd door de zee zijn neergelegd ter plaatse, waar zij nu gevonden worden, en dat wezenlijke dieren, visschen vooral, aan den zachten steen de indrukselen gegeven hadden, die er in zijn waar te nemen.
Palissy verzamelt die voorwerpen, die hij voor zijne bewijsvoering noodig heeft; schikt naar wetenschappelijke orde de kristallen en fossile voorwerpen, die hij op zijne reizen heeft verzameld, en sticht aldus in 1575 het eerste kabinet van natuurlijke geschiedenis. De lessen, die hij daarbij gaf, waren zeer gezocht en duurden tot 1584. Zijn verzameling merkwaardigheden trok vele nieuwsgierigen. Met die bewijsstukken bij zich, voelt Palissy zich sterk en onoverwinnelijk; hij kan aan al de bitterheden en aan al de vooroordeelen der wereld het hoofd bieden; hij staat den naijver en de blinde woede, en roept zegevierend uit: »Ga nu uwe latijnsche wijsgeeren halen, om tegen mij te getuigen!”
Bernard Palissy heeft zijne werken in den vorm van Samenspraken geschreven. In een van deze voert hij twee denkbeeldige personen op:Theoretica, die de scholastiek voorstelt, een domme, onleerzame schoolmeester, die met zijn dwaze antwoorden uw medelijden opwekt, enPractica, die onophoudelijk de zwaarwichtige redeneeringen van zijn tegenstander overhoop werpt. Met welk een vernuft, welk een kleur, welk een losheid vermeit hij er zich in de oude denkbeelden te bestrijden. Dit onnavolgbare werk is een der groote letterkundige gedenkstukken van de 16deeeuw. Aan vuur, geestdrift en welsprekendheid paart Palissy gezonde redeneering, en steeds maakt ernstige waarneming den grondslag uit zijner overtuigingen. Het volgende mag hierbij ten voorbeeld strekken. Na uitvoerig te hebben aangetoond dat de steenen niet groeien, wat men in zijn tijd algemeen geloofde, gaat hij voort:
Theoretica.En waar hebt gij dit nu weer geleerd? In welk boek, op welke school ter wereld kunt gij gehoord hebben wat gij daar zegt?
Practica.Ik heb geen ander boek gebruikt, dan de hemel en de aarde, die bij allen bekend is, en ’t is aan allen gegeven ditschoone boekwerk te lezen. Ik nu heb in dit schoone werk gelezen en de aardsche dingen beschouwd.
De »Discours admirables” van Palissy lezende verbaast gij u over de nieuwheid en de keur van zijne opmerkingen, zoowel waar zij betrekking hebben op de bergen, of den grond, of de steenen, wier vorm, kleur, gewicht en dichtheid door hem met ijver onderzocht worden. Kristallen, druipsteenen, versteend hout, fossilen, mergel, schelpzand, alles is zijn prooi. De meest belangrijke vraagstukken durft hij aan en overal opent hij de stoutste en treffendste gezichtspunten, overal spreekt het genie, als door een bovennatuurlijke openbaring, uit wat door latere eeuwen zal worden bezegeld en vastgesteld.
In zijn »Discours sur la nature des Eaux et Fontaines” geeft Palissy het middel aan om water door middel van pompen, buizen en leidingen van de eene plaats naar de andere op te voeren; hij behandelt er de minerale wateren, schrijft hun warmte toe aan een onderaardsch vuur, dat onophoudelijk brandt, wijdt uit over de kracht van den stoom en het eigenaardige belang dezer kracht, die nog zoo weinig bij de menschen bekend is en van wier vermogen hij zich vergewist heeft, niet door middel van boeken, maar door middel van een waterketel. Volgens hem ontstaat het bronwater door het doorzijgen van het regenwater; ook heeft hij een volkomen afgewerkte leer omtrent de verdere vorming van bronnen en wellen. Hij leert hoe men in navolging van de natuur kunstmatig fonteinen kan doen springen, »als men maar het voorschrift van de oppersten waterwerker volgt.”
In het volgende stuk van zijnTraité de la Marnevertoont Palissy zich als de ware uitvinder der artesische putten.
»Het komt mij voor,” schrijft hij, »dat een goede schroef of boor sommige meer weeke gesteenten gemakkelijk doorboren zou, en dat men langs dezen weg mergelgrond zou kunnen vinden en water om putten te maken, welk water dan ook wel eens hooger kon stijgen dan de plaats waar de boor het gevonden heeft. Immers kan het water wel van hoogere plaatsen afkomen dan die, waar men de boring bewerkstelligt.”
Als natuurkundige, scheikundige, landbouwkundige ziet Palissy al de groote wetenschappelijke vraagstukken van zijn tijd onder de oogen; hij laat er den glans op schijnen van zijn gezond verstand en zijn oordeelkundig onderwijs.
Als scheikundige verheft deze voorstander der wetenschappelijke proefneming zich verre boven al het ijdel zoeken naar den zoogenaamden Steen der Wijzen; verre boven de alchimisten staande toont hij aan, langs welke wegen zij de menschen in den waan brengen van lood in goud of zilver te kunnen veranderen. Den geneesheeren beveelt hij aan meer kennis te nemen van hetgeen zich in de natuurvoordoet; aan de landbouwers geeft hij den raad, dat zij hun land zullen bemesten en wijst hun het nut aan van de mergel, terwijl hij hun raadt de bosschen te sparen. »Als gij alle bosschen hebt omgehouwen,” zegt hij, »moeten alle kunsten blijven stil staan en de handwerkslieden, als Nebukadnesar, gras eten.”
Terwijl Palissy zijn eeuw met zijne werken verrijkte, werd Frankrijk verscheurd door binnenlandschen krijg. De pottebakker had, te midden zijner grootste beproevingen, het Protestantisme omhelsd, en gedurende de bekende godsdienstoorlogen was hij van kerker naar kerker gesleept. Dank zij de gunst van Catharina de Medicis, ontsnapte hij aan de gruwelen van den Bartholomeusnacht; maar die gunst kon niet duren. Toen de Ligue zich in 1588 van Parijs had meester gemaakt, werd de grijze Palissy in de Bastille gevangen gezet. Mathieu de Launay eischte dat deze Calvinist onmiddellijk naar hetspectacle public(den openbaren dood) zou worden geleid. Gelukkig wist de hertog van Mayenne te bewerken dat zijn proces ten minste nog eenigen tijd werd uitgesteld.
Palissy bleef steeds aan zijne overtuiging getrouw. Eens kwam Hendrik III hem in de Bastille een bezoek brengen, in gezelschap van den graaf de Maulevrier.
»Mijn goede vriend,” zeide de Koning, »’t is nu al vijf-en-veertig jaren dat gij mij en mijne moeder dient. Wij hebben u vergund bij ons te verkeeren en uw godsdienstig geloof te belijden; maar nu word ik zoowel door de Guises als door mijn volk dermate gedrongen, dat ik u wel moet loslaten en u aan uwe vijanden overgeven, zoodat gij morgen zult verbrand worden, wanneer gij u niet bekeert.”
»Sire!” antwoordde de grijsaard, »ik ben bereid mijn leven te geven voor de glorie van God. Gij hebt mij al dikwijls gezegd dat gij medelijden met mij hadt, welnu, ik heb medelijden met u, die u »dwingen” laat. Dat is geen taal voor een koning, en zoo iets zoudt gij, noch de Guises, noch heel uw volk op mij vermogen, want ik ben niet bang voor den dood.”
Eenigen tijd later, in 1589, blies de brave man in een der hokken van de Bastille den laatsten adem uit.
Wat al edele en wijze mannen zouden wij Palissy ter zijde kunnen stellen: André Vesale, de vader der dierlijke ontleedkunde, Ambroise Paré, de groote heelkundige,Paracelsus, de voortreffelijke scheikundige. Doch wij gaan deze voorbij om ons op te houden bij Michel Servet.
Palissy in den kerker der Bastille. Blz. 87.Palissy in den kerker der Bastille. Blz. 87.
Palissy in den kerker der Bastille. Blz. 87.
Michel Servet werd in 1509 in Arragon geboren, studeerde in de rechten te Toulouse en mengde zich in de godsdiensttwisten van zijn tijd. Te Straatsburg wekte hij de verbazing des eenen en de verontwaardiging des anderen op, want zijne leeringen waren bij uitstek vrijzinnig, zoodat hij door zijne tegenstanders»die ondeugende en vinnige Spanjool” genoemd werd. In Duitschland wekten zijneSamenspraken, waarin kerkelijke leerstukken besproken werden, zulk een ergernis, dat hij zich achter den aangenomen naam van Michel de Villeneuve moest verschuilen en zoo naar Frankrijk uitwijken.
Spinoza.Spinoza.
Spinoza.
Te Parijs verwierf hij zich den graad van doctor in de medicijnen, en maakte hij een grooten opgang zoowel met zijne lessen als met zijne werken. Tot zijn ongeluk—ontmoette hij Calvijn en daagde hem uit tot een soort van twistgesprek, waarbij de eerste zaden gestrooid werden van die vijandschap, die tot zoo vreeselijken strijd klimmen zou. Onrustig van aard, vestigde Servet zich achtereenvolgens te Parijs, te Lyon, te Charlieu, te Avignon, waar hij tegelijkgeneeskundige en corrector bij een drukkerij was. Voortdurend bezig met godgeleerde zaken, wilde hij Calvijn tot zijne meeningen overhalen, gaf een groot werk uit,la Restitution du Christianisme, en prikkelde zijn tegenstander tot steeds heftiger ergernis. Servet was, als Calvijn, protestant; maar hij was, wat wij in onze dagen een »liberaal” zouden noemen, zoodat Calvijn besloot Servet’s boosheden voor goed te stuiten. Hij gaf aan de Inquisitie stukken tegen hem in handen. Wel wist Servet te ontkomen, maar hij waagde zich in Genève en viel daar zijn fellen en onverbiddelijken tegenstander in handen. Calvijn liet hem gevangen nemen en leidde in eigen persoon het rechtsgeding, waarbij zijn tegenstander ter dood veroordeeld werd.
Den 27stenOctober 1553 werd Servet als ketter levend verbrand. Hij was vier-en-veertig jaren oud. Terwijl hij naar den brandstapel ging, werd hij door Farel, die hem in zijn laatste oogenblikken bijstond, vermaand, dat hij zijne dwalingen zou herroepen, maar de wijsgeer bleef onverzettelijk. Hij ging moedig en met vasten tred op den brandstapel af, en toen de vlammen hem omhulden, hoorde men hem een hartverscheurenden kreet slaken.
Zooveel zeker had de groote Spinoza niet te lijden, die ons thans een oogenblik zal bezig houden. Toch werd ook zijn vrede door de menschen verstoord. Deze beroemde wijsgeer, die zich verdiepte in de groote vragen omtrent het bestaan van God, het wezen van den mensch, het karakter der deugd, die in zijn »Ethiek” of »Zedeleer” zulke verhevene beginselen uitsprak, de verwezenlijking van den mensch en van het menschelijke zocht in het zoeken en het kennen van het goddelijke, die de deugd zelve als den waren staat der zaligheid beschreef, is niet om niet beroemd geworden. Spinoza werd 24 November 1632 te Amsterdam geboren uit een deftig portugeesch-israëlietisch geslacht. Hij ontving zijn opvoeding voor een deel van zekeren dokter Frans van den Ende, een man, die later als godverzaker uit Amsterdam gebannen werd, of vrijwillig uitweek, en wiens leeringen met die der Synagoge geheel in strijd waren. Door den omgang met dezen geneesheer, door het lezen van de schriften van Cartesius, door de beoefening der natuurwetenschappen, door zijne gesprekken met vrijzinnige Amsterdammers, dwaalde ook Spinoza al verder en verder van de Synagoge af, en daar hij zijne gevoelens vrij uitsprak, begonnen zijn persoon en zijn ongeloof groot opzien te baren. Men deed hem aanbiedingen. Men moet hem van wege de Synagoge een jaarwedde van ƒ1000 hebben aangeboden, »om slechts bij haar te blijven en voor de leus naar de kerk te gaan.” Spinoza weigerde natuurlijk en bijna had hem die weigering het leven gekost, want op een avond, bij het uitgaan van de Synagoge, werd de ponjaard van een sluipmoordenaar tegen hem getrokken; hij wist den stoot te keeren, maar hijkon zijn doorboorden mantel bewaren, als een gedachtenis aan het rampzalig werk der dweepzucht. Hij besloot nu Amsterdam te verlaten, en vond voorloopig huisvesting bij een protestantschen vriend te Ouderkerk. Spoedig daarna werd hij door den banvloek van de Synagoge getroffen. Dit geschiedde den 27 Juli 1656. Ondertusschen hield Spinoza zich bezig met het slijpen van glazen, waarmee hij in zijne behoeften voorzag. Stil en ingetogen leefde hij achtereenvolgens te Rijnsburg en te ’s Gravenhage. Hij was onbaatzuchtig, eenvoudig, een vriend der menschen, al heette hij bij de Joden en bij vele Christenen een »gevaarlijk” mensch. Hij bleef, hoe hatelijk hij ook behandeld werd, de prediker en de beoefenaar der edelste verdraagzaamheid. In 1677 stierf hij. Toen in 1678 zijn »Ethica” uitkwam, bleek wel duidelijk wat zijn lot zou geweest zijn, wanneer het boek bij zijn leven ware uitgekomen. Zijne werken werden bij plakkaat van de Staten van Holland en West-Friesland met »de hoogste indignatië” verboden. Nog in 1714 werden een paar boekjes, die voor Spinosistisch doorgingen, in Middelburg op het schavot vóór het stadhuis, ter plaatse waar men gewoon was crimineele justitie te oefenen, door de hand van den scherprechter verscheurd en verbrand.
Heeft de Synagoge Spinoza gebannen, de Hervormde Kerk heeft Balthazar Bekker afgezet. Men kon in zijn tijd de menschheid moeilijk grooter dienst bewijzen, dan haar vrij te maken van haar onzinnig geloof aan den Duivel. Dat geloof nam de verbeelding en de ziel zoozeer in bezit, wekte zooveel vrees, bijgeloof en vooroordeel, het spookte zoo akelig rond met zijne heksen en zijne tooverijen en geheimzinnige kunsten, dat wij er ons in onze dagen nauwlijks een voorstelling van kunnen maken. Het beroemde werk van Jacob Sprenger »de heksenhamer” bevatte een volledige leer of geloofsbelijdenis omtrent den Satan en de tooverij, met allerlei uitleggingen van de werkingen des Boozen, en veel bedreiging tegen degenen, die zich met hekserij bezig hielden. Doch wat baatte dreigen en straffen, zoolang dit ongelukkig geloof als een akelige nachtmerrie de zielen bleef benauwen? In 1691 verscheen Balthasar Bekker’s »Betooverde Wereld.” Thans gold het niet de vraag, hoe men den Duivel moest en kon ontgaan, en zich redden van zijne listen; maar de vraag of hij bestond. Bekker, die aan de hoogescholen van Groningen en Franeker gestudeerd had, was toen predikant te Amsterdam. Reeds vroeger had hij in den reuk gestaan van groote onrechtzinnigheid, en nu werd het er niet beter op. Als volger van de leer van Cartesius bestreed hij het geloof aan duivelen en den invloed van booze geesten op de lichamen en op de zichtbare wereld. Als menschenvriend zag hij met schrik hoe velen, ten gevolge van de afschuwelijke heksenprocessen, om het leven waren gekomen, hoe velen op allerlei andere wijzen de slachtoffers waren gewordenvan deze reusachtige dwaling. En terwijl nog zoo goed als de geheele wereld beefde voor den Booze, een ieder zijn naaste achterdochtig aankeek en honderd dingen aan den invloed van den Duivel werden toegeschreven, terwijl nog het gansche heir van Zijne Helsche Majesteit spookte op de heiden en in de harten, verscheen Balthasar Bekker’s boek als een gebeurtenis, een feit van gewicht. Het heeft een licht doen opgaan over het ellendig bijgeloof, het is èn in ons land èn elders de dageraad geworden van een beter toekomst. Doch wat kon de wereld met dezen zoon des lichts anders doen, dan zeggen dat hij een duisterling was? De wereld kan niet, zoo maar op eens, ongelijk hebben. Neen, dat ging niet aan. Zoo heeft de classis van Amsterdam dezen weldoener dan ook behoorlijk geschorst en hem later uit zijn bediening ontzet. Immers leerde de Bijbel dat er een duivel was.
Balthasar Bekker was een van die mannen, die zijn eigen oordeel volgde. »Zie nooit met eens anders oogen,” had zijn vader, mede predikant, hem geleerd, en hij heeft de les wel ter harte genomen, tot schade van zijn welvaart naar de wereld, tot winst van zijn medemenschen. De slag toch, dien hij het bijgeloof toebracht, is doodelijk geweest.