Het sterfbed van Pascal. Blz. 96.Het sterfbed van Pascal. Blz. 96.HOOFDSTUK VII.STICHTERS VAN WETENSCHAPPEN.Onder de groote lichten, die aan Frankrijk’s hemel geschenen hebben en nog in lange niet zullen uitgebluscht worden, neemt Blaise Pascal een voorname plaats in. Pascal had niet te strijden tegen de gevaren, die den ontdekker wachten, noch ook tegen de vervolgingen, waaraan de denker en uitvinder bloot staat, maar hij levert ons het aandoenlijk schouwspel van een man, die, om zoo te zeggen, de martelaar van zijn eigen geest is geweest. Zijn al te zeer ontwikkeld verstand moest het uitwendige omhulsel verteren, gelijk een al te hevig vuur den haard zou doen smelten en vergaan, waarin het brandt.Blaise Pascal, den 19denJuni 1623 te Clermont-Ferrand geboren, had nimmer een ander onderwijzer dan zijn vader, een echt geleerde en groot wiskunstenaar. Van zijn vroegste jeugd af gaf hij blijk van een buitengewone levendigheid van geest en van gansch bizondere vermogens. Elkeen, die met hem in aanraking kwam, stond verbaasd over de gevatheid zijner antwoorden en over de juistheid van zijn oordeel.Zijn wiskunde leerde hij op een wijze, die aan het wonderbare grenst. Zijn vader had opgemerkt dat hij een groote voorliefde had voor zoodanige vakken, die op redeneering en gevolgtrekkingsteunen, en vreezende, dat zijn zoon de talen verzuimen zou, had hij zorgvuldig alles ter zijde gehouden, wat hem op wiskundige wegen kon leiden, alle boeken over meetkunst geborgen en zich wel gewacht gesprekken over deze onderwerpen aan te knoopen. Toch kon hij de weetgierigheid van zijn jongen niet gansch te leur stellen, en zoo gebeurde het dat hij soms in ’t algemeen antwoorden gaf als deze: »dat de meetkunst die wetenschap is, die ons leert juiste figuren te trekken en hare verhoudingen te bepalen.” Tegelijk verbood hij hem er verder over te denken of te spreken.Van deze eenvoudige verklaring zijns vaders uitgaande, begon de knaap in zijn vrije uren te peinzen, met houtskool lijnen te trekken op de muren van zijn woning, langs dien weg de verhoudingen en betrekkingen der figuren bepalende, definitiën, axioma’s, bewijzen opstellende. Cirkels noemde hij kringetjes en rechte lijnen strepen. Hij bracht het zoo ver, dat hij uit zichzelven aan de 32stestelling van het eerste boek van Euclides kwam. Eens, dat zijn vader hem te midden zijner oefeningen verraste, vroeg hij hem wat hij toch wel deed, en de jongen antwoordde dat hij iets zocht, welk iets juist die 32stestelling van Euclides was. Zijn vader vroeg hem verder hoe hij daar zoo toe gekomen was, en het antwoord luidde dat hij eerst dit en toen dat gevonden had en zoo vervolgens, zoodat hij met zijn strepen en kringetjes een gansche meetkunst geschapen had.Een vriend van den huize, zekere Le Pailleur, ried Blaise’s vader aan zijn zoon niet langer tegen te werken. Deze gaf hem daarop de Beginselen van Euclides, die de jongen, zonder eenige verklaring noodig te hebben, dadelijk begreep, en weldra kon hij geregeld en met vrucht zekere samenkomsten bijwonen, op welke de parijsche geleerden wekelijks voordrachten over wiskunde hielden en gehouden voordrachten beoordeelden. De jonge Pascal deed, zoo goed als de beste, met deze geleerden mee; hij bracht niet zelden iets nieuws aan, en het is gebeurd dat hij fouten opmerkte, die door de anderen over het hoofd waren gezien. Toch was het alleen in zijne vrije uren, dat hij zich aan deze studiën wijdde. In korten tijd echter maakte hij zulke vorderingen, dat hij, zestien jaren oud, een vertoog schreef over de kegelsnede. Dit werk mag voor een der merkwaardigste voortbrengselen gehouden worden, die de menschelijke geest op dit gebied geleverd heeft.Toen Blaise negentien jaren oud was, vond hij een rekenmachine uit, die met recht aller bewondering gaande maakte en hem twee jaren van ongehoorde inspanning kostte, maar zijn gezondheid niet weinig benadeelde.De meeste van Pascal’s uitvindingen waren, zooals deze rekenmachine, van algemeen nut. Zoo heeft men hem verschillende praktische werktuigen te danken.Hij telde drie-en-twintig jaren, toen hij de leer van den barometer openbaar maakte. Toricelli had de eerste begrippen van Galileï omtrent het gewicht van de lucht verder uitgesponnen en in 1643 de proef genomen hoe een kwikkolom wordt opgehouden onder den invloed van de drukking van den dampkring. Pascal hoorde hiervan, en deze belangrijke proef bracht hem al spoedig tot het denkbeeld dat het »ledig” geen onbestaanbare zaak was en dat de natuur het niet zóózeer schuwde als sommigen zich wel verbeeldden. In 1647 ontwierp Pascal het denkbeeld van wat hij de groote proef van het evenwicht van vloeistoffen noemde. Hij kwam op de gedachte, de gewone proef van het luchtledig verschillende malen op een en denzelfden dag te nemen, en wel in dezelfde buis, met hetzelfde kwikzilver, nu eens aan den voet, dan weer op den top van een tamelijk hoogen berg om alzoo zich te vergewissen of de hoogte van het in den buis opgehouden kwikzilver in beide gevallen dezelfde zoude zijn.Hij koos voor deze proef den Puy de Dôme en verzocht zijn zwager Périer haar uit te voeren.»Blijkt het,” zeide Pascal, »dat het kwikzilver boven op den berg minder hoog staat dan beneden, dan moeten wij daaruit besluiten dat het gewicht of de drukking van de lucht daar de eenige oorzaak van is, en niet hethorror vacui, de zoogenaamde »afschuw van het ledige.” Immers is er aan den voet van den berg meer lucht dan op den top, terwijl toch niemand zal beweren dat de natuur beneden meer afkeer van het ledige heeft dan boven.”De proef gelukte volkomen en Périer beschreef zijne bevindingen in een brief, dien hij den 22stenSeptember 1648 aan Pascal toezond.Eenigen tijd later herhaalde Pascal de proef op de torens van de Nôtre-Dame te Parijs en op dien van Saint-Jacques-la-Boucherie. Alle natuurkundigen volgden hem na. Van dien tijd af dagteekent de nieuwere natuurkunde.Wij hebben Pascal niet verder te volgen, waar hij de wetenschap verlaat om zich met al zijn kracht toe te wijden en zich met zijn gansche ziel over te geven aan het betrachten van zekere dweepachtige godsdienstige oefeningen. Sainte-Beuve meent dat de eerste stoot tot deze dingen hem gegeven is door de lezing van Jansenius’ boek over de »Vernieuwing van den inwendigen mensch.” De studiën van den mensch, het nadenken over de zedelijke wereld moesten bij dezen merkwaardigen man volgen op de meetkunst en de natuurkunde. Na zoovele wetenschappelijke ontdekkingen moesten twee groote werken in zijn brein tot rijpheid komen: de »Provinciales” en de »Pensées”. Ondertusschen begon zijn lichamelijk leven een lang lijden te worden. Van zijn jeugd af, was hij altijd zwak geweest. De zwakke staat van zijn gezondheid, zoo meldt zijn zuster Mme. Périer, deed hem voortdurend allerlei ongemak ondervinden, ja,hij heeft ons wel gezegd dat hij, na zijn achttiende jaar, geen dag zonder pijn of lijden geweest is.Pascal zeide weldra alle studie vaarwel, om zich, zooals hij zegt, bij uitsluiting toe te leggen op datgene wat Jezus Christus het eenige noodige noemt. Als een onbeteekenend stofdeel, denkend en peinzend te midden »dier oneindigheid, wier zwijgen schrik aanjaagt,” heeft de groote wijsgeer, naar men wil, dag aan dag een afgrond vóór zich meenen te zien. ’t Was de peillooze diepte der wetenschap, die hij zag. »Wij branden van verlangen om tot op den diepsten grond der dingen af te dalen en een toren te bouwen, die zich verheft tot in het oneindige. Maar heel ons gebouw kraakt en de aarde opent zich, en de afgrond verzwelgt het.”Pascal’s ongemakken en zijn hoofdpijnen namen met zijn leeftijd toe. Zij brachten hem zoover, dat hij ten laatste niet meer werken kon, noch iemand kon zien. Het gebed en het lezen van den Bijbel namen al zijn tijd in beslag. Hij wilde zelfs het vleesch dooden en droeg op het naakte lijf een gordel, die hem stak met naar binnen gekeerde punten, en telkens wanneer hij een ijdele, wereldsche gedachte had of wanneer hij eenig vermaak schiep, gaf hij zich een stoot met den elleboog, om zich aldus aan zijn plicht te herinneren en het vleesch te kastijden. Weldadigheid en armenzorg was nu zijn eenige bemoeiing. Van alle weelde, van alle genot deed hij afstand, al het overbodige huisraad deed hij wegdragen. »Ik wil de armoede, want Jezus Christus heeft de armen liefgehad,” zoo zeide hij. »Geld en goed heb ik alleen lief, omdat ik ongelukkigen er mee kan bijstaan.” De armen bij te staan, bleef dan ook zijn groote en zijn eenige troost.Zoo doorstond hij met heldenmoed en liefde al zijn lijden. Zoo naderde zijn einde. Hij ontving het Sacrament der stervenden en ontsliep den 19denAugustus 1662 des morgens te 1 ure, negen-en-dertig jaren oud.Van anderen aard waren de bezwaren, tegen welke onze landgenoot Huijgens te strijden had.Christiaan Huijgens werd op den 14denApril 1629 te ’s Gravenhage geboren. Hij studeerde in de rechten aan de universiteit van Leiden, doch wijdde zich bij voorkeur aan de mathematische wetenschappen en aan de natuurkunde, welke voor hem een bizondere aantrekkelijkheid hadden. Op vier-en-twintigjarigen leeftijd kwam hij in Frankrijk, waar hij bij de protestantsche faculteit te Angers tot doctor in de rechten werd benoemd. Naar zijn vaderland teruggekeerd, gaf hij zich weder geheel over aan de studie der gezichtkunde en der sterrekunde. Hij slaagde er in een sterrekijker samen te stellen, met behulp van welken hij den eersten satelliet van Saturnus ontdekte.In zijn fraai werk:de Saturni Luna(over Saturnus’ maan) verhaalthij ons hoe hij op den 25stenMaart van het jaar 1655 bezig zijnde met zijn kijker de planeet Saturnus gade te slaan, buiten diens ring, en wel op geringen afstand, ten westen, een kleine ster gewaar werd, gelegen ongeveer in het vlak van den ring. »Vermoedende dat dit wel een soortgelijk lichaam kon zijn, als de manen van Jupiter, teekende ik, schrijft hij, den stand der kleine ster in haar betrekking tot Saturnus op. Ik had mij niet bedrogen. Den volgenden dag had ze zich verplaatst en ik kon gedurende de volgende dagen de afwijkingen meten, die zij in een bepaalden tijd maakte.”Chr. Huijgens.Chr. Huijgens.Later heeft men nog zes andere manen van Saturnus ontdekt; maar Huijgens heeft den weg tot deze nieuwe ontdekkingen gebaand. Ook komt hem de eer toe van aangewezen te hebben, dat de dunne en platte ring der planeet niet aan deze bevestigd is, zooals men meende, maar dat een ringvormige tusschenruimte haar van de planeet scheidt. Huijgens maakte deze ontdekking op een eigenaardige wijze bekend. De astrologen spraken, volgens een oude overlevering, gaarne in raadselen en zochten den zin van van wat zij mededeelden achter zeker geheimschrift te verbergen. Huijgens volgde dit gebruik ten opzichte van den ring van Saturnus en bood zijn geleerden tijdgenooten het volgende anagram aan:aaaaaaa cccc d eeeee g. h. iiiiiii llll mm nnnnnnnnn oooo pp q rr s tttt uuuuNiemand kon ditgeheimschriftontcijferen. Drie jaren later maakte hij in zijnSystema Saturninumden verborgen zin dezer letters openbaar. Zij beteekenden het volgende:Annulo cingitur tenui, piano nusquam cohaerente, ac eclipticam inclinato: Hij (Saturnus) is van een dunnen ring omgeven, die de planeet op geen enkele plaats raakt en een hoek maakt met de ecliptica.Men ziet, dat de geleerden dier dagen er zonderlinge manieren op nahielden om hunne ontdekkingen openbaar te maken. Doch een man als Huijgens moest de wetenschap wel van haar oud abracadabra zuiveren. Na de ontdekking van de groote nevelvlek van Orion schreef hij dan ook een werk, zijnCosmotheoros, waarin hij zijn geest den vrijen teugel viert. Hij beschrijft achtereenvolgens al de planeten en wil bewijzen dat zij bewoond zijn. Het denkbeeld, dat het gansche heelal ter wille van onze aarde geschapen zou zijn, stond hem geweldig tegen.»Is het wel redelijk aan te nemen,” zoo schreef Huijgens, »dat de hemellichamen, onder welke onze aarde een zoo ondergeschikte plaats bekleedt, om geen andere reden geschapen zouden zijn, dan om voor ons, kleine menschen, hun licht te ontsteken en door onze kijkers bespied te worden in hunne verschillende verhoudingen en bewegingen?”De werken, die onze geleerde landgenoot over meetkunst en natuurkunde schreef, zijn niet minder belangrijk dan zijn sterrekundige arbeid. Men dankt hem eenige opmerkenswaardige aanteekeningen omtrent »de waarschijnlijkheids-rekening”, over »reflexie en refractie van het licht”, over de belangrijke »theorie der ontwikkelde kromme lijnen”.Alles, wat Huijgens deed en vond opnoemen kunnen wij niet, hij verbeterde de luchtpomp en den barometer, hij gaf de ware leer van de kijkers, en vervaardigde een planetarium; maar wat vooral Huijgens beroemd heeft gemaakt, is de uitvinding der slingeruurwerken. Vóór hem waren alleen zandloopers en wateruurwerken bekend. Hij verbond Galileï’s slinger met een wel ingericht stel raderen en bewees daarmee zoowel aan de sterrekunde als aan de menschheid een dienst, waarover wij niet verder hebben uit te wijden.Huijgens, die in 1655 en 1663 Frankrijk en Engeland bezocht, werd door Colbert, die de Academie des Sciences had gesticht, naar Parijs geroepen en draalde niet met te komen. Hij ontving van Lodewijk XIV een jaargeld, en vestigde zich in de Koninklijke Bibliotheek.Toen het edict van Nantes werd herroepen, verwijderde hij zich uit Frankrijk. Te vergeefs trachtten de Koning, het hof en de academie hem tegen te houden. Verontwaardigd over al hetgeen zijne geloofsgenooten moesten verduren, brak hij alle betrekkingen met Parijs af. Hij zond nu zijne verslagen naar de Koninklijke Maatschappij van Londen, en ging zelfs in Engeland wonen, waar hij met Newton kennis maakte en een paar malen ook met hem slaags raakte.Christiaan Huygens stierf in den ouderdom van 65 jaren. Hij bleef, gelijk Spinoza, Newton, Cartesius, Leibnitz, ongehuwd. In 1695, zijn sterfjaar, namen zijne geestvermogens merkbaar af, in die mate, dat hij ze ten laatste geheel verloor. Slechts enkele heldere oogenblikken werden hem gegund. Hij was rijk, en zijn geboorte gaf hem het recht aan vorstelijke hoven te verkeeren; maar hij had de eenzaamheid en het buitenleven lief, waar hij rustig kon peinzen en werken.Grooter schade dan Huygens heeft Nicolas Lémery van zijne protestantsche gevoelens geleden.Nicolas Lémery was als eenvoudig artsenijmengersbediende naar Parijs gekomen, om er de scheikunde te beoefenen, maar al spoedig wist hij zich zonder meesters te redden en had hij een scheikunde op zijn eigen hand. Te Montpellier, waar hij in een apotheek werkzaam was, gaf hij lessen, welke daar grooten opgang maakten. Al de hoogleeraren en een aantal belangstellenden woonden zijne voordrachten bij.In 1672 keerde Lémery naar Parijs terug. Hij verkeerde en schitterde in de geleerde kringen als een ster van de eerste grootte en werd opgemerkt door Condé, die hem verder begunstigde. Daar hij gaarne een scheikundige werkplaats wilde bezitten, zocht hij meester-apotheker te worden, ’t geen hem gelukte. Dadelijk daarna opende hij zijne lessen in de straat Galande. Hij werd hier door belangstellenden als belegerd. Tal van dames woonde zijne voordrachten bij; zijn huis was vol leerlingen; de straat was een kolonie van hoorders en discipelen. Gansch Parijs moest er wezen. ’s Avonds hield hij een soort van open tafel, en de studenten achtten het een groote eer bij hem genoodigd te worden.Die groote bijval, door Nicolas Lémery geoogst, laat zich gemakkelijk verklaren. De chemie was een warwinkel van dwaasheden, duistere woorden van geheimzinnige kunstenarijen. »Lémery was de eerste,” zegt Fontenelle, »die de werkelijke en de opzettelijke duisterheden van de scheikunde deed opklaren, die haar tot duidelijker en eenvoudiger denkbeelden herleidde, die hare noodelooze barbaarsche termen ophief, die niets beloofde, dan wat hij vermocht te geven. Vandaar dit succes.”Ten einde meer tot allen te spreken, maakte Lémery in 1675 zijn »Leer der Scheikunde” openbaar, waarvan uitgave na uitgave verscheen en die grooten opgang maakte. Gedurende meer dan een eeuw heeft dit boek voor een autoriteit gegolden. Twintig malen in Frankrijk herdrukt, in bijna alle europeesche talen overgezet, is het de gids, het wetboek, het onmisbare handboek geweest van de scheikundigen der 18deeeuw, en toen de wetenschap een algeheele vernieuwing had ondergaan, toen na honderd jaren alles hervormd geworden was, sloeg men nog langen tijd in Lémery’sboek zekere kleine praktische bijzonderheden en proefnemingen op, die men elders niet kon vinden, en die haar waarde blijven behouden, zoowel door haar duidelijkheid als haar juistheid en zekerheid.Zoo stond dan de groote Lémery, want zoo begon hij genoemd te worden, op het toppunt van zijn heerlijkheid. Zijn roem kende geen mededinging en zijn zaak schonk hem welvaart en fortuin. Maar dit geluk zou niet duren.»Kom na tien jaren weder,”—aldus Dumas in zijne »Chemische lessen”,—»en gij vindt de straat Galande ontruimd en verlaten. Lémery is verdwenen, zijne toestellen zijn verkocht of hier en daar verstrooid. Heel deze wereld der wetenschap is verjaagd, heel die luister heeft uitgeschenen, heel die glorie is getaand en dat wegens een enkel, maar een onvergeeflijk misdrijf: Lémery was protestant.” In 1681 werd hij genoodzaakt zijn bedrijf te laten varen en zijne lessen te staken. Hij vluchtte naar Engeland; het verlangen naar zijn vaderland echter dringt hem naar Frankrijk terug te keeren. Hier bleef hij eenigen tijd en werd doctor in de geneeskunst; maar ook daarvan had hij weinig genot. Het edict van Nantes verdreef ook hem. Protestantsche geneesheeren mochten er niet zijn; en zoo bleef hij op den leeftijd van veertig jaren, zonder hulpmiddelen, de armoede ter prooi, en daarbij omringd van een huisgezin, dat zich—en met recht—een gelukkig leven had voorgespiegeld.De wetenschap, de rust, het familieleven gingen bij hem boven godsdienstige overtuiging. Hij ging tot het katholicisme over, kreeg een aanstelling bij de Academie van Wetenschappen, gaf een geschrift over het antimonium uit en stelde zich voor nog meer te leveren; maar verscheidene aanvallen van beroerte maakten hem eerst ongeschikt voor den arbeid, en in 1715 een einde aan zijn leven. Bijna gansch Europa heeft de chemie van hem geleerd. Hij was arbeidzaam en verdeelde zijn tijd tusschen het studeervertrek, het laboratorium, zijne patiënten en de academie, en wel is in zijn leven openbaar geworden hoeveel tijdhijtot zijne beschikking heeft, die hem weet uit te koopen.»Omstreeks het jaar 1773,” zoo verhaalt de schrijver I. B. Dumas, »verschenen op het tooneel der wereld drie mannen, die een gansche verandering zouden brengen in de wetenschappen. Van verschillenden landaard, leeftijd en maatschappelijken stand, van verschillenden aanleg ook in geestvermogens, hebben zij allen aan een zelfde taak met gelijken moed gearbeid—geenszins echter met hetzelfde geluk.”Dit driemanschap bestaat uit Scheele, Priestley en Lavoisier.Scheele werd te Stralsund in zweedsch Pommeren geboren, op den 9denDecember 1742. In zijn jongensjaren was hij leerling bij een apotheker. Zijn leven was zoo vol van teleurstellingen en tegenheden, dat het was, alsof een booze geest hem vervolgde. Hij was schuw van aard en tot in het overdrevene zedig, zoodat hij van zijnemakkers dikwijls veel te lijden had. Hij was zoo werkzaam, dat hij den tijd, dien hij voor zijne studie noodig had, aan den slaap ontwoekerde.Scheele verliet Stockholm voor Upsala, waar Bergman de chemie onderwees. Bergman behoorde tot die menschen, die alles wat zij aanvatten, verbeteren, vernieuwen. Ook hij is een slachtoffer van den arbeid, daar zijn onvermoeide werkzaamheid grooter was, dan zijne krachten, die toch reeds niet velen waren, dragen konden.Toen Scheele in Upsala kwam, wachtte Bergman hem op. Hij werd Scheele’s beschermer en maakte door gansch Europa de ontdekkingen bekend, waarmee deze de wetenschap verrijkte.Intusschen was Scheele, hoe gelukkig en voorspoedig in zijne studiën en ontdekkingen, zeer ongelukkig in zijne levensomstandigheden. Terwijl zijn naam in Frankrijk, Engeland en Duitschland schitterde, was hij in zijn eigen vaderland een onbekende. De Koning van Zweden op een reis buitenslands telkens over Scheele hoorende spreken, besloot dezen verdienstelijken onderdaan een bewijs te geven van zijn hoogachting, en wenschte hem een ridderorde te vereeren.»Scheele, Scheele!” zei de minister, »wat is dat voor een man?”Men wist zoo weinig wie hij was, dat de ridderorde op de borst van een verkeerden Scheele te recht kwam.Verloofd met een weduwe, die een apotheek had en voor bemiddeld doorging, terwijl haar zaak inderdaad met schulden bezwaard was, bleef hij niettemin trouw aan zijn gegeven woord, ’t er voor houdende, dat wie zich zelven waardig acht iets aan te nemen, ook bereid moet wezen tot geven. Zoo stond een leven vol moeite en zorg voor de deur, terwijl hij gerekend had op een onbekommerd bestaan, dat hij der wetenschap alleen zou toewijden. Zijne studiën werden telkens afgebroken door zijne zorgen om de schulden van zijnen winkel af te doen. Maar Scheele wist met weinig middelen veel te verrichten. Met een paar buizen en retorten deed hij de eene ontdekking na de andere. Niets kwam hem ter hand of hij vond en zag er iets nieuws in. Hij wees drie nieuwe zelfstandigheden aan: het manganesium, het chloor, het baryt en vond de zuurstof. Verschillende zuren zijn door hem ontdekt, zooals het wijnsteen-, het fluorkiezel-, hetcitroen-en het galnootenzuur. Wildet gij hem bij alles volgen, dan zoudt gij alle onderdeelen der chemie moeten doorloopen, en gij zoudt u overtuigen van de buigzaamheid van zijn geest, de vruchtbaarheid van zijn manier van onderzoek en de vastheid zijner hand, zoodat hij altijd komt waar hij wezen moet.Eindelijk zou de arme geleerde zich voor zijn arbeid beloond zien. De laatste schuld was betaald; hij zou zich nu eerst recht vestigen, hij zou in het huwelijk treden …. maar op zijn trouwdagwerd hij door hevige koortsen aangegrepen en den 22stenMei 1786 stierf Scheele op den leeftijd van 42 jaren.Hij was de eenvoud zelf. Zij, die uit nieuwsgierigheid en belangstelling soms van verre den grooten geleerde kwamen bezoeken, vonden hem met een boezelaar vóór in zijn winkel staan. Daarvoor dan waren zij soms van verre gekomen! Maar wie het hart op de rechte plaats had, vond deze eenvoudige verschijning zeker juist boven alles merkwaardig en beminnelijk.Terwijl Scheele in Zweden zijn waarlijk belangrijken arbeid verrichtte, was ook in Engeland een groot geleerde bezig de grondslagen te leggen voor de nieuwere seheikunde. ’t Was Priestley, die 30 Maart 1733 te Fieldhead bij Leeds in Yorkshire geboren werd. Zijn vader, die lakenfabrikant was, wilde hem voor dat vak opleiden, maar de jongen vond het meeste behagen in godgeleerde vraagstukken, en kenmerkte zich door een bijzonder opgewekte godsdienstigheid. Hij verloor al vroeg zijn moeder en kwam bij een zijner tantes in huis, bij wie hij zijn eigenaardigen smaak ongehinderd volgen kon. De goede vrouw had haar huis in een soort van godsdienstigrendez-vousherschapen, waar alle gezindten en alle secten hare vertegenwoordigers hadden. Priestley groeide aldus op in een kring, binnen welken hij aan zijn lust voor godsdienstige gesprekken ruimschoots kon voldoen. Hij gaf zich dan ook met hart en ziel aan deze zaken over, verdiepte zich in de Schrift en leerde Chaldeeuwsch, Syrisch en Arabisch. Hij toonde een zeer groote vatbaarheid om talen te leeren, en deed er voor zijn genoegen meetkunde bij.Hij besloot zich aan de Kerk en het kerkelijke ambt te wijden, trad ergens in Suffolk als prediker op en vestigde zich later te Nantwich in Chester, waar hij een school bestuurde en door spaarzaamheid en matigheid zoo veel wist uit te winnen, dat hij eenige natuurkundige werktuigen en met name een electriseermachine en een luchtpomp kon aankoopen, waarmee hij proeven deed voor zijne leerlingen. Wel hielden nog altijd godgeleerde vragen hem bezig, maar reeds in 1761 werd hij naar Warrington beroepen om in de oude talen te onderwijzen, en nu trad hij met ernst de wetenschappelijke loopbaan in.Een reis door Priestley naar Londen gedaan, besliste over zijn toekomst. Het toeval bracht hem in aanraking met Benjamin Franklin, en een gesprek, met dezen gehouden, bracht hem op het denkbeeld de geschiedenis te bestudeeren der ontdekkingen op het punt van de electriciteit. Franklin juichte zijn plan toe, en nauwelijks was er een jaar verstreken of Priestley had een belangrijk werk over de »Geschiedenis der Electriciteit” geschreven, waarin het eerste begin en de vorderingen van dit onderdeel der natuurkunde met veel helderheid en orde zijn meegedeeld. Enkele proeven, die hij zelfnam, gaven hem een zekere bekendheid in de geleerde wereld. Tot dokter benoemd, zag hij ook de deuren van de Koninklijke Maatschappij van Londen voor zich opengaan.In 1767 verliet hij Warrington, om te Leeds de leiding op zich te nemen eener gemeente van »dissidenten”, en hier ging hij voort de theologie aan de natuurkunde te verbinden. Hij woonde in de nabijheid eener bierbrouwerij, en dit leidde hem er toe eenige proeven te nemen met het koolzuur, dat zich bij het gisten van het bier ontwikkelt. Eenige zijner waarnemingen deelde hij in 1672 aan de Koninklijke Maatschappij mede. De titel van zijn verhandeling luidde: »Opmerkingen omtrent de verschillende soorten van lucht.” Tot dusver kende men slechts twee gassen, koolzuur en waterstof. Priestley leerde deze beide beter kennen, en vond andere gassen, als de stikstof, een der bestanddeelen van de dampkringslucht, het tweede oxyd van de stikstof, wier bederfwerende eigenschappen hij ontdekte, het chloorwaterstofgas en het ammoniac. Allengs zouden ook het eerste oxyd van stikstof, het zwavelig zuur en de zuurstof door zijne onderzoekingen nader bekend worden. Hij wist de zuurstof uit het kwikoxyd te verkrijgen, en in het jaar 1775 werd zijn aandacht gevestigd op de eigenschap, die dit gas heeft om de ademhaling te onderhouden. Voegt men hier nog bij de ontdekking van het fluorkiezelwaterstofzuur, koolstofoxyde, zwavelwaterstofgas en andere, dan bemerkt men dat dit groote vernuft de voornaamste gassen aan het licht heeft gebracht, en wel die, wier eigenschappen dagelijks in het belang der wetenschap of der nijverheid worden gebezigd. Men staat waarlijk verbaasd dat deze en dergelijke uitvindingen met zooveel gemak konden gedaan worden door een man, die in zijne stukken niet naliet te herhalen dat hij volstrekt geen scheikundige was en dat alles wat hij vond, hem door het toeval aan de hand werd gedaan. Maar wat hij verzwegen heeft, hebben zijne levensbeschrijvers openbaar gemaakt. »Priestley,” zegt Thomson, »bezat een schranderheid, die zich door niets liet uitputten, en een gave van opmerken, die hem in staat stelde partij te trekken van ieder verschijnsel, dat zich aan hem voordeed. Hij was zoo nauwkeurig bij zijne waarnemingen, dat hij geen enkele bijzonderheid vergat op te teekenen. Even eerlijk als belangeloos, scheen hij de waarheid tot het eenig doel te stellen van al zijn inspanning.”Toen Cook zijn tweede reis ondernam, was hij van plan Priestley mede te nemen, maar gelukkig achtte de admiraliteit hem niet orthodox genoeg. Hij kreeg intusschen een andere en betere betrekking, wat hij met zijn vrij groot gezin wel noodig had. Lord Shelburne, markies van Landsdown, benoemde hem tot zijn bibliothecaris op een bezoldiging van meer dan 3000 gulden ’s jaars. In dezen edelmoedigen edelman vond Priestley een machtigen beschermer, die hem bij zijne studiën aanmoedigde en hem al de middelenverschafte, om ze op ruime schaal voort te zetten. Hij volgde hem op zijne reizen, hij vergezelde hem naar Frankrijk, Duitschland en de Nederlanden. Priestley kwam ook te Parijs, waar hij door de geleerde wereld met eerbewijs ontvangen werd. Een vreemd schouwspel moet, te midden van de verklaarde atheïsten van het Parijs dier dagen, de man hebben opgeleverd, die om zijn wetenschap gezocht werd en tegelijk zich niet schaamde Christen te zijn.Tot het jaar 1780 bleef Priestley zijn plaats bij den graaf van Shelburne behouden. Gedurende dezen tijd was het, dat hij de vier eerste deelen uitgaf van zijn »Proefnemingen en opmerkingen omtrent de verschillende luchtsoorten.” Toen het vijfde verschijnen zou, verliet hij zijn beschermer. Om welke reden dit geschiedde is niet bekend. Waarschijnlijk gaf hij aan de vrijheid de voorkeur boven de rust van een onbezorgd bestaan. Hij vestigde zich nu te Birmingham en werd de leidsman der voornaamste gemeente van »dissidenten” daar ter plaatse. Ook op het punt van godsdienst volgde hij zijn eigen weg. Van Calvijn verviel hij tot Arminius en van Ariaan werd hij Sociniaan. Beurtelings beleed en verwierp hij de belangrijkste leerstelsels, totdat hij zich een godsdienstige overtuiging op zijn eigen hand vormde, waaraan hij zeer gehecht was. Van een ruimen en echt vrijzinnigen geest bezield, bestreed hij de orthodoxe Staatskerk en de wijsgeeren, en stelde zich met veel ijver in de bres voor de gemeenten der »dissidenten”, te wier wille hij niet minder dan 20 geschriften opstelde. Hij wilde ook niet dat aan de Protestanten eenige vrijheid gegund werd, die den Catholieken werd geweigerd. Vrijheid wilde hij voor alle kerken, genootschappen en gemeenten. De Kerk van Engeland was weinig ingenomen met die edelmoedige onpartijdigheid en sommige geestelijken droegen hem een innigen haat toe. Dit werd er niet minder op, toen hij de fransche omwenteling met vreugde begroette als een soort van maatschappelijke wedergeboorte. De moeite, die hij deed, om een algemeene verdraagzaamheid te stichten en vooral zijn »Antwoord” op de bekende »Beschouwingen” van Burke over de vermoedelijke gevolgen van de fransche revolutie, waren van dien aard, dat hij kandidaat gesteld werd voor de Nationale Conventie. Men kende hem de waardigheid toe van »fransch burger” en één der departementen, dat van de Orne, verkoos hem tot zijn afgevaardigde. Priestley wees dit eerbewijs af, maar droeg zijn leven lang roem op dit blijk van hoogachting, hem door de eerste fransche republiek bewezen.Op een wagen weggevoerd. Blz. 109.Op een wagen weggevoerd. Blz. 109.Den 14denJuli 1791 zouden eenige van Priestley’s staatkundige vrienden te Birmingham de verjaring vieren van de inneming der Bastille. Onze geleerde vriend meende zich hieraan niet te moeten wagen, maar zijn voorzichtigheid baatte hem weinig. Hij heette de man, die het feest had geopperd en aangelegd. Ja, op aanstokenvan engelsche geestelijken en staatkundige vijanden, werd er een volksoploop tegen hem uitgelokt.De zaal, waar de feestgenooten te zamen waren, werd belegerd en geplunderd en alles over hoop geworpen. Priestley was er echter niet. Nu begaf men zich naar zijn huis, de plaats, waar zoovele uitvindingen waren gedaan, zoovele waarheden aan het licht gekomen. Het volk, meest werklieden van Birmingham, verblind door aangehitste partijwoede, werpt zich op Priestley’s boekerij, verscheurt de kostbaarste werken, slaat zijne instrumenten stuk, slingert zijne handschriften naar alle winden en steekt eindelijk alles in brand. In een naburig huis verstoken, moest Priestley dit alles weerloos aanzien. Hij hield zich echter goed, slaakte geen enkele klacht en droeg den tegenspoed met een onbewolkte ziel.Intusschen was hem zijn vaderland onverdragelijk geworden. Den 7denApril scheepte hij zich in—niet naar Frankrijk, zooals men denken zou, maar naar Amerika, wat wel zoo veilig scheen. Hij vestigde zich in Northumberland aan de bronnen van de Susqueannah, waar hij 200.000 morgen land kocht. Maar ook hier kon hij aan het vooroordeel niet ontsnappen. De Engelschen bleven hem vervolgen en verbitterden zijn leven door de zonderlingste verdenkingen uit te strooien. Zoo beweerde men, dat hij een geheim en bezoldigd handlanger was der fransche republiek. Na zijn vrouw en één zijner kinderen verloren te hebben, kwam hij op een jammerlijke wijze om het leven. Op een maaltijd, waarbij hij tegenwoordig was, bleek één der schotels door een onvoorzichtigheid vergiftigd te zijn. Hij alleen kwam het niet te boven. Maar hij was ook gesloopt door de jaren, den arbeid en den tegenspoed. Zijne laatste oogenblikken kenmerkten zich door die eigenaardige vroomheid, die hem zijn geheele leven had bezield en hem zooveel nadeel berokkend had. »Nu ga ik rusten, zooals gij,” zeide hij tot zijne kinderen, die te slapen gelegd werden; »maar we zullen samen opstaan en eeuwig gelukkig wezen.”De eerste werken van Priestley dagteekenen van 1770. In hetzelfde jaar maakte Scheele zijne eerste uitkomsten openbaar. Wederom in hetzelfde jaar verscheen Lavoisier’s eerste »Memoire”. Van 1770 dus dagteekent de nieuwere scheikunde, door het genoemde drietal onafhankelijk van elkander gesticht.Lavoisier werd den 26stenAugustus van het jaar 1748 te Parijs geboren. Zijn vader, een rijk koopman, ontzag geen kosten om zijn zoon het degelijkste onderwijs en de beste opvoeding te verschaffen. De jonge Lavoisier werd dan ook een der uitnemendste leerlingen van het college Mazarin. Na zijne klassieke studiën te hebben voleindigd, volgde hij de lessen van la Caille in het »Observatoire”, werkte op het laboratorium van Rouelle in den »Jardin des Plantes” en herboriseerde met Bernard de Jussieu. Met dezemeesters te werken en te denken was zijn eenigst vermaak. Zoo was hij dan ook reeds op den leeftijd van één-en-twintig jaren in staat mede te dingen naar den buitengewonen prijs der Academie van Wetenschappen, uitgeschreven voor: »de beste wijze om de straten eener groote stad te verlichten.” Lavoisier zette zich met zelden geëvenaarde kracht aan het werk. Hij bekleedde zijn kamer met zwart doek, om de intensiteit der verschillende lichtsoorten beter te beoordeelen, bleef daar, van het daglicht afgesloten, zes weken lang arbeiden, om zeker te zijn van zijn zaak en bood de academie een proefschrift aan, waarmede hij de gouden medaille won. Een reeks van werken over de »lagen der bergen”, over »de ontleding van de gipssoorten in de omstreken van Parijs”, over »den donder”, over »het Noorderlicht”, opende hem de deur der geleerde gezelschappen. Hij was nauwelijks 25 jaren, toen hij reeds tot lid van de Academie van Wetenschappen benoemd werd.In zijn jeugd reeds vatte Lavoisier het plan op om de wetenschap, waaraan hij zich gewijd had, een nieuwe gedaante te geven. Bij het eerste scheikundige onderzoek, door hem in het werk gesteld—het gold de vermeende verandering van water in aarde—maakte hij gebruik van de weegschaal, en met dit werktuig in de hand, merkte hij de fouten op zijner voorgangers en toonde hij aan dat al de verschijnselen der chemie ontstaan door zoogenaamde stofwisseling. »Niets wordt uit niets, niets gaat te niet”, ziedaar de zinspreuk, die hij als met onuitwischbare letters nederschrijft op den nieuwen tempel der scheikundige wetenschap.Eens lid van de Academie der Wetenschappen, legde hij zich met dubbelen ijver toe op de wetenschap, die hij zoo hartstochtelijk liefhad. Al zijn tijd en heel zijn fortuin gaf hij haar ten beste, want dikwijls had hij zeer kostbare proeven te nemen. Eindelijk moest hij, om aan al die onkosten tegemoet te komen, een betrekking zoeken. Zoo dong hij naar een plaats als »fermier general” (pachter van Staatsinkomsten), welke hij in 1769 verkreeg. Bij deze gelegenheid trad hij tevens in het huwelijk met de dochter van den staatspachter Paulze.Van nu af besteedde Lavoisier een groot gedeelte van zijne inkomsten aan zijn laboratorium; ’s morgens en ’s avonds was hij met scheikundige proefnemingen bezig, terwijl hij ’s middags zijne ambtsbezigheden waarnam. Hij wist op alles orde te stellen en tegelijk zijn werk te doen en zijne studiën bij te houden. Met welwillendheid ontving hij ieder jonkman, die zich aan de chemie wijden wilde. Bovendien vormde hij om zich heen een kring van geleerde vrienden, zoo van Frankrijk als uit het buitenland, en bracht tal van kunstenaars met elkaar in aanraking, opdat zij zich met elkander zouden verstaan omtrent de vervaardiging der nauw luisterende en uiterst gevoelige werktuigen, die hij voor zijneproefnemingen noodig had. Zijn woning werd op die wijze een soort van academie op zich zelve, waar de meester voordrachten hield en bres bij bres schoot in de oude veste der wetenschap, en ondertusschen den nieuwen tempel oprichtte, die staat tot op dezen dag.Onder het ministerie Turgot werd Lavoisier geroepen, om het algemeen bestuur op zich te nemen over de kruitfabrikage. Hij begaf zich nu naar Essonne en nam er gewichtige maatregelen, waardoor hij het gevaar van ontploffing in de magazijnen en elders zeer verminderde.Na in 1787 tot lid van de Provinciale Vergadering van Orléans gekozen te zijn, werd Lavoisier in 1790 lid van de bekende »Commissie voor de maten en gewichten”, aan wier werkzaamheden hij een levendig aandeel nam. In 1791 vervaardigde hij een geschrift »Over het grondbezit van Frankrijk”, hetwelk op kosten van den Staat gedrukt werd. Ondertusschen verzuimde hij ook nu zijne eigenlijke studiën niet, maar hield integendeel met eere den hoogen rang op, dien hij onder Europa’s geleerden bekleedde. Hij verrijkte de wetenschappelijke wereld met zijn theorie over »verbranding” en »ademhaling”, die hij in al hare bijzonderheden ontwikkelde, en die alleen voldoende zou zijn om hem te vereeuwigen.Uit menschlievendheid begaf hij zich vervolgens in onderzoekingen, die een ieder moeten doen walgen, maar die hij door de kracht van zijn geest en zijn medelijden doorstond. Aan niemand kon het ontgaan, hoe vele werklieden, die in riolen en afvoerkanalen werkten, ziek werden en stierven. Lavoisier, bekleed met een hoog staatsambt, Lavoisier, milionnair en geleerde, achtte zich niet te goed om de schadelijke gassen te onderzoeken, die hun besmetting aan de arme werklieden mededeelden. Maanden bleef hij met zeldzame volharding aan dit terugstootend onderzoek wijden, in de hoop dat hij het lot der werklieden zou kunnen verzachten. Of hem dit gelukte, weten wij niet; maar wij bewonderen den onbaatzuchtige, die alleen om eenige menschenlevens te redden, zulke dingen onderneemt. Er waren in het laatste tiental jaren der 18deeeuw lieden, die over menschenlevens—ook over het leven van een man als Lavoisier—anders dachten, gelijk wij zullen zien.Gedurende veertien jaren weet Lavoisier van geen rusten. De eene »Memoire” volgt de andere. Hij neemt alle onzekerheid weg omtrent de samenstelling van de dampkringslucht, die tot dusver voor een element werd gehouden; hij ziet dat de lucht gevormd wordt door een gas, het oxygeen of de zuurstof, dat de verbranding onderhoudt en het leven van al wat ademt, en de stikstof. Weet hij te ontleden, hij weet ook samen te stellen. Na de bestanddeelen te hebben gescheiden, vereenigt hij ze, en maakt, wat hij ontbonden heeft, weder wat het was. Hij legt de grondslagen van de leer der verbranding en der reactie, hij bepaalt de samenstellingvan het water en van het koolzuur, denkt de equatie der atomen uit, vernieuwt het woordenboek der wetenschappen en doet in alles de waarheid uitblinken, die hij verdedigt en op den troon verheft door de onwedersprekelijke feiten ten zijner proefnemingen en de juistheid zijner betoogen.Zulk een man moest algemeen geacht zijn geweest, zal men zeggen!Maar zoo was het niet. Zijn leven, zoo rein, zoo schoon, zoo edel, zoo vol menschenliefde, werd afgesneden door de beulen, die in 1793 het bewind over Frankrijk voerden.Lavoisier was »fermier general” en deelde als zoodanig in het lot, dat aan al deze staatsambtenaren te beurt viel. De groote scheikundige was juist bezig zijne »Memoires” te verzamelen, toen hij vernam dat Fouquier Tinville hem had aangeklaagd bij het revolutionnair gerechtshof.Lavoisier begreep dadelijk dat zijn leven op het spel stond; hij verliet zijn woning en ontmoette zekeren Lucas, en deze wees hem een schuilplaats aan in het Louvre, en wel in een der meest verborgen hoeken van de Academie van Wetenschappen. Hier bleef hij twee dagen, maar toen men hem berichten kwam dat zijne medeambtenaren en zijn schoonvader gevangen zaten, wist hij wat hem te doen stond. Hij wilde het lot dezer mannen deelen en geeft zich gevangen. Den 6denMei 1794 wordt de groote Lavoisier ter dood veroordeeld, »als zijnde hij overtuigd geworden van tegen het fransche volk samengezworen, met de vijanden van Frankrijk geheuld, allerlei knevelarij en afpersing gepleegd en de tabak voor de burgers met schadelijke stoffen vermengd te hebben.”Twee dagen later werd Lavoisier op een wagen weggevoerd. De guillotine sneed zijn kostbaar leven af.Lavoisier’s werken zijn echter onsterfelijk. Het heelal spreekt telkens zijn naam uit; lucht en water, aarde en delfstof getuigen van zijn roem. Vele edele mannen staan nevens hem, zooals een Edouard Adam, de uitvinder van een nieuwe manier om alcoholische vochten te distilleeren, die zich geheel ruïneerde ter wille van zijne uitvinding en in 1807 van uitputting stierf, of Bernard Courtois, de ontdekker van het jodium, die in 1838 van armoede en ellende stierf.Thans leert onze jeugd uit boeken, thans hoort zij, onder de les, die vondsten der wetenschap als dingen, die van zelf spreken. Zij doen zich te goed aan de voedende spijs met overmoedig behagen. Dat zij niet vergeten hoe duur, onder hoevele gevaren, voor hoevele opofferingen deze spijzen zijn gekocht en bereid.
Het sterfbed van Pascal. Blz. 96.Het sterfbed van Pascal. Blz. 96.HOOFDSTUK VII.STICHTERS VAN WETENSCHAPPEN.Onder de groote lichten, die aan Frankrijk’s hemel geschenen hebben en nog in lange niet zullen uitgebluscht worden, neemt Blaise Pascal een voorname plaats in. Pascal had niet te strijden tegen de gevaren, die den ontdekker wachten, noch ook tegen de vervolgingen, waaraan de denker en uitvinder bloot staat, maar hij levert ons het aandoenlijk schouwspel van een man, die, om zoo te zeggen, de martelaar van zijn eigen geest is geweest. Zijn al te zeer ontwikkeld verstand moest het uitwendige omhulsel verteren, gelijk een al te hevig vuur den haard zou doen smelten en vergaan, waarin het brandt.Blaise Pascal, den 19denJuni 1623 te Clermont-Ferrand geboren, had nimmer een ander onderwijzer dan zijn vader, een echt geleerde en groot wiskunstenaar. Van zijn vroegste jeugd af gaf hij blijk van een buitengewone levendigheid van geest en van gansch bizondere vermogens. Elkeen, die met hem in aanraking kwam, stond verbaasd over de gevatheid zijner antwoorden en over de juistheid van zijn oordeel.Zijn wiskunde leerde hij op een wijze, die aan het wonderbare grenst. Zijn vader had opgemerkt dat hij een groote voorliefde had voor zoodanige vakken, die op redeneering en gevolgtrekkingsteunen, en vreezende, dat zijn zoon de talen verzuimen zou, had hij zorgvuldig alles ter zijde gehouden, wat hem op wiskundige wegen kon leiden, alle boeken over meetkunst geborgen en zich wel gewacht gesprekken over deze onderwerpen aan te knoopen. Toch kon hij de weetgierigheid van zijn jongen niet gansch te leur stellen, en zoo gebeurde het dat hij soms in ’t algemeen antwoorden gaf als deze: »dat de meetkunst die wetenschap is, die ons leert juiste figuren te trekken en hare verhoudingen te bepalen.” Tegelijk verbood hij hem er verder over te denken of te spreken.Van deze eenvoudige verklaring zijns vaders uitgaande, begon de knaap in zijn vrije uren te peinzen, met houtskool lijnen te trekken op de muren van zijn woning, langs dien weg de verhoudingen en betrekkingen der figuren bepalende, definitiën, axioma’s, bewijzen opstellende. Cirkels noemde hij kringetjes en rechte lijnen strepen. Hij bracht het zoo ver, dat hij uit zichzelven aan de 32stestelling van het eerste boek van Euclides kwam. Eens, dat zijn vader hem te midden zijner oefeningen verraste, vroeg hij hem wat hij toch wel deed, en de jongen antwoordde dat hij iets zocht, welk iets juist die 32stestelling van Euclides was. Zijn vader vroeg hem verder hoe hij daar zoo toe gekomen was, en het antwoord luidde dat hij eerst dit en toen dat gevonden had en zoo vervolgens, zoodat hij met zijn strepen en kringetjes een gansche meetkunst geschapen had.Een vriend van den huize, zekere Le Pailleur, ried Blaise’s vader aan zijn zoon niet langer tegen te werken. Deze gaf hem daarop de Beginselen van Euclides, die de jongen, zonder eenige verklaring noodig te hebben, dadelijk begreep, en weldra kon hij geregeld en met vrucht zekere samenkomsten bijwonen, op welke de parijsche geleerden wekelijks voordrachten over wiskunde hielden en gehouden voordrachten beoordeelden. De jonge Pascal deed, zoo goed als de beste, met deze geleerden mee; hij bracht niet zelden iets nieuws aan, en het is gebeurd dat hij fouten opmerkte, die door de anderen over het hoofd waren gezien. Toch was het alleen in zijne vrije uren, dat hij zich aan deze studiën wijdde. In korten tijd echter maakte hij zulke vorderingen, dat hij, zestien jaren oud, een vertoog schreef over de kegelsnede. Dit werk mag voor een der merkwaardigste voortbrengselen gehouden worden, die de menschelijke geest op dit gebied geleverd heeft.Toen Blaise negentien jaren oud was, vond hij een rekenmachine uit, die met recht aller bewondering gaande maakte en hem twee jaren van ongehoorde inspanning kostte, maar zijn gezondheid niet weinig benadeelde.De meeste van Pascal’s uitvindingen waren, zooals deze rekenmachine, van algemeen nut. Zoo heeft men hem verschillende praktische werktuigen te danken.Hij telde drie-en-twintig jaren, toen hij de leer van den barometer openbaar maakte. Toricelli had de eerste begrippen van Galileï omtrent het gewicht van de lucht verder uitgesponnen en in 1643 de proef genomen hoe een kwikkolom wordt opgehouden onder den invloed van de drukking van den dampkring. Pascal hoorde hiervan, en deze belangrijke proef bracht hem al spoedig tot het denkbeeld dat het »ledig” geen onbestaanbare zaak was en dat de natuur het niet zóózeer schuwde als sommigen zich wel verbeeldden. In 1647 ontwierp Pascal het denkbeeld van wat hij de groote proef van het evenwicht van vloeistoffen noemde. Hij kwam op de gedachte, de gewone proef van het luchtledig verschillende malen op een en denzelfden dag te nemen, en wel in dezelfde buis, met hetzelfde kwikzilver, nu eens aan den voet, dan weer op den top van een tamelijk hoogen berg om alzoo zich te vergewissen of de hoogte van het in den buis opgehouden kwikzilver in beide gevallen dezelfde zoude zijn.Hij koos voor deze proef den Puy de Dôme en verzocht zijn zwager Périer haar uit te voeren.»Blijkt het,” zeide Pascal, »dat het kwikzilver boven op den berg minder hoog staat dan beneden, dan moeten wij daaruit besluiten dat het gewicht of de drukking van de lucht daar de eenige oorzaak van is, en niet hethorror vacui, de zoogenaamde »afschuw van het ledige.” Immers is er aan den voet van den berg meer lucht dan op den top, terwijl toch niemand zal beweren dat de natuur beneden meer afkeer van het ledige heeft dan boven.”De proef gelukte volkomen en Périer beschreef zijne bevindingen in een brief, dien hij den 22stenSeptember 1648 aan Pascal toezond.Eenigen tijd later herhaalde Pascal de proef op de torens van de Nôtre-Dame te Parijs en op dien van Saint-Jacques-la-Boucherie. Alle natuurkundigen volgden hem na. Van dien tijd af dagteekent de nieuwere natuurkunde.Wij hebben Pascal niet verder te volgen, waar hij de wetenschap verlaat om zich met al zijn kracht toe te wijden en zich met zijn gansche ziel over te geven aan het betrachten van zekere dweepachtige godsdienstige oefeningen. Sainte-Beuve meent dat de eerste stoot tot deze dingen hem gegeven is door de lezing van Jansenius’ boek over de »Vernieuwing van den inwendigen mensch.” De studiën van den mensch, het nadenken over de zedelijke wereld moesten bij dezen merkwaardigen man volgen op de meetkunst en de natuurkunde. Na zoovele wetenschappelijke ontdekkingen moesten twee groote werken in zijn brein tot rijpheid komen: de »Provinciales” en de »Pensées”. Ondertusschen begon zijn lichamelijk leven een lang lijden te worden. Van zijn jeugd af, was hij altijd zwak geweest. De zwakke staat van zijn gezondheid, zoo meldt zijn zuster Mme. Périer, deed hem voortdurend allerlei ongemak ondervinden, ja,hij heeft ons wel gezegd dat hij, na zijn achttiende jaar, geen dag zonder pijn of lijden geweest is.Pascal zeide weldra alle studie vaarwel, om zich, zooals hij zegt, bij uitsluiting toe te leggen op datgene wat Jezus Christus het eenige noodige noemt. Als een onbeteekenend stofdeel, denkend en peinzend te midden »dier oneindigheid, wier zwijgen schrik aanjaagt,” heeft de groote wijsgeer, naar men wil, dag aan dag een afgrond vóór zich meenen te zien. ’t Was de peillooze diepte der wetenschap, die hij zag. »Wij branden van verlangen om tot op den diepsten grond der dingen af te dalen en een toren te bouwen, die zich verheft tot in het oneindige. Maar heel ons gebouw kraakt en de aarde opent zich, en de afgrond verzwelgt het.”Pascal’s ongemakken en zijn hoofdpijnen namen met zijn leeftijd toe. Zij brachten hem zoover, dat hij ten laatste niet meer werken kon, noch iemand kon zien. Het gebed en het lezen van den Bijbel namen al zijn tijd in beslag. Hij wilde zelfs het vleesch dooden en droeg op het naakte lijf een gordel, die hem stak met naar binnen gekeerde punten, en telkens wanneer hij een ijdele, wereldsche gedachte had of wanneer hij eenig vermaak schiep, gaf hij zich een stoot met den elleboog, om zich aldus aan zijn plicht te herinneren en het vleesch te kastijden. Weldadigheid en armenzorg was nu zijn eenige bemoeiing. Van alle weelde, van alle genot deed hij afstand, al het overbodige huisraad deed hij wegdragen. »Ik wil de armoede, want Jezus Christus heeft de armen liefgehad,” zoo zeide hij. »Geld en goed heb ik alleen lief, omdat ik ongelukkigen er mee kan bijstaan.” De armen bij te staan, bleef dan ook zijn groote en zijn eenige troost.Zoo doorstond hij met heldenmoed en liefde al zijn lijden. Zoo naderde zijn einde. Hij ontving het Sacrament der stervenden en ontsliep den 19denAugustus 1662 des morgens te 1 ure, negen-en-dertig jaren oud.Van anderen aard waren de bezwaren, tegen welke onze landgenoot Huijgens te strijden had.Christiaan Huijgens werd op den 14denApril 1629 te ’s Gravenhage geboren. Hij studeerde in de rechten aan de universiteit van Leiden, doch wijdde zich bij voorkeur aan de mathematische wetenschappen en aan de natuurkunde, welke voor hem een bizondere aantrekkelijkheid hadden. Op vier-en-twintigjarigen leeftijd kwam hij in Frankrijk, waar hij bij de protestantsche faculteit te Angers tot doctor in de rechten werd benoemd. Naar zijn vaderland teruggekeerd, gaf hij zich weder geheel over aan de studie der gezichtkunde en der sterrekunde. Hij slaagde er in een sterrekijker samen te stellen, met behulp van welken hij den eersten satelliet van Saturnus ontdekte.In zijn fraai werk:de Saturni Luna(over Saturnus’ maan) verhaalthij ons hoe hij op den 25stenMaart van het jaar 1655 bezig zijnde met zijn kijker de planeet Saturnus gade te slaan, buiten diens ring, en wel op geringen afstand, ten westen, een kleine ster gewaar werd, gelegen ongeveer in het vlak van den ring. »Vermoedende dat dit wel een soortgelijk lichaam kon zijn, als de manen van Jupiter, teekende ik, schrijft hij, den stand der kleine ster in haar betrekking tot Saturnus op. Ik had mij niet bedrogen. Den volgenden dag had ze zich verplaatst en ik kon gedurende de volgende dagen de afwijkingen meten, die zij in een bepaalden tijd maakte.”Chr. Huijgens.Chr. Huijgens.Later heeft men nog zes andere manen van Saturnus ontdekt; maar Huijgens heeft den weg tot deze nieuwe ontdekkingen gebaand. Ook komt hem de eer toe van aangewezen te hebben, dat de dunne en platte ring der planeet niet aan deze bevestigd is, zooals men meende, maar dat een ringvormige tusschenruimte haar van de planeet scheidt. Huijgens maakte deze ontdekking op een eigenaardige wijze bekend. De astrologen spraken, volgens een oude overlevering, gaarne in raadselen en zochten den zin van van wat zij mededeelden achter zeker geheimschrift te verbergen. Huijgens volgde dit gebruik ten opzichte van den ring van Saturnus en bood zijn geleerden tijdgenooten het volgende anagram aan:aaaaaaa cccc d eeeee g. h. iiiiiii llll mm nnnnnnnnn oooo pp q rr s tttt uuuuNiemand kon ditgeheimschriftontcijferen. Drie jaren later maakte hij in zijnSystema Saturninumden verborgen zin dezer letters openbaar. Zij beteekenden het volgende:Annulo cingitur tenui, piano nusquam cohaerente, ac eclipticam inclinato: Hij (Saturnus) is van een dunnen ring omgeven, die de planeet op geen enkele plaats raakt en een hoek maakt met de ecliptica.Men ziet, dat de geleerden dier dagen er zonderlinge manieren op nahielden om hunne ontdekkingen openbaar te maken. Doch een man als Huijgens moest de wetenschap wel van haar oud abracadabra zuiveren. Na de ontdekking van de groote nevelvlek van Orion schreef hij dan ook een werk, zijnCosmotheoros, waarin hij zijn geest den vrijen teugel viert. Hij beschrijft achtereenvolgens al de planeten en wil bewijzen dat zij bewoond zijn. Het denkbeeld, dat het gansche heelal ter wille van onze aarde geschapen zou zijn, stond hem geweldig tegen.»Is het wel redelijk aan te nemen,” zoo schreef Huijgens, »dat de hemellichamen, onder welke onze aarde een zoo ondergeschikte plaats bekleedt, om geen andere reden geschapen zouden zijn, dan om voor ons, kleine menschen, hun licht te ontsteken en door onze kijkers bespied te worden in hunne verschillende verhoudingen en bewegingen?”De werken, die onze geleerde landgenoot over meetkunst en natuurkunde schreef, zijn niet minder belangrijk dan zijn sterrekundige arbeid. Men dankt hem eenige opmerkenswaardige aanteekeningen omtrent »de waarschijnlijkheids-rekening”, over »reflexie en refractie van het licht”, over de belangrijke »theorie der ontwikkelde kromme lijnen”.Alles, wat Huijgens deed en vond opnoemen kunnen wij niet, hij verbeterde de luchtpomp en den barometer, hij gaf de ware leer van de kijkers, en vervaardigde een planetarium; maar wat vooral Huijgens beroemd heeft gemaakt, is de uitvinding der slingeruurwerken. Vóór hem waren alleen zandloopers en wateruurwerken bekend. Hij verbond Galileï’s slinger met een wel ingericht stel raderen en bewees daarmee zoowel aan de sterrekunde als aan de menschheid een dienst, waarover wij niet verder hebben uit te wijden.Huijgens, die in 1655 en 1663 Frankrijk en Engeland bezocht, werd door Colbert, die de Academie des Sciences had gesticht, naar Parijs geroepen en draalde niet met te komen. Hij ontving van Lodewijk XIV een jaargeld, en vestigde zich in de Koninklijke Bibliotheek.Toen het edict van Nantes werd herroepen, verwijderde hij zich uit Frankrijk. Te vergeefs trachtten de Koning, het hof en de academie hem tegen te houden. Verontwaardigd over al hetgeen zijne geloofsgenooten moesten verduren, brak hij alle betrekkingen met Parijs af. Hij zond nu zijne verslagen naar de Koninklijke Maatschappij van Londen, en ging zelfs in Engeland wonen, waar hij met Newton kennis maakte en een paar malen ook met hem slaags raakte.Christiaan Huygens stierf in den ouderdom van 65 jaren. Hij bleef, gelijk Spinoza, Newton, Cartesius, Leibnitz, ongehuwd. In 1695, zijn sterfjaar, namen zijne geestvermogens merkbaar af, in die mate, dat hij ze ten laatste geheel verloor. Slechts enkele heldere oogenblikken werden hem gegund. Hij was rijk, en zijn geboorte gaf hem het recht aan vorstelijke hoven te verkeeren; maar hij had de eenzaamheid en het buitenleven lief, waar hij rustig kon peinzen en werken.Grooter schade dan Huygens heeft Nicolas Lémery van zijne protestantsche gevoelens geleden.Nicolas Lémery was als eenvoudig artsenijmengersbediende naar Parijs gekomen, om er de scheikunde te beoefenen, maar al spoedig wist hij zich zonder meesters te redden en had hij een scheikunde op zijn eigen hand. Te Montpellier, waar hij in een apotheek werkzaam was, gaf hij lessen, welke daar grooten opgang maakten. Al de hoogleeraren en een aantal belangstellenden woonden zijne voordrachten bij.In 1672 keerde Lémery naar Parijs terug. Hij verkeerde en schitterde in de geleerde kringen als een ster van de eerste grootte en werd opgemerkt door Condé, die hem verder begunstigde. Daar hij gaarne een scheikundige werkplaats wilde bezitten, zocht hij meester-apotheker te worden, ’t geen hem gelukte. Dadelijk daarna opende hij zijne lessen in de straat Galande. Hij werd hier door belangstellenden als belegerd. Tal van dames woonde zijne voordrachten bij; zijn huis was vol leerlingen; de straat was een kolonie van hoorders en discipelen. Gansch Parijs moest er wezen. ’s Avonds hield hij een soort van open tafel, en de studenten achtten het een groote eer bij hem genoodigd te worden.Die groote bijval, door Nicolas Lémery geoogst, laat zich gemakkelijk verklaren. De chemie was een warwinkel van dwaasheden, duistere woorden van geheimzinnige kunstenarijen. »Lémery was de eerste,” zegt Fontenelle, »die de werkelijke en de opzettelijke duisterheden van de scheikunde deed opklaren, die haar tot duidelijker en eenvoudiger denkbeelden herleidde, die hare noodelooze barbaarsche termen ophief, die niets beloofde, dan wat hij vermocht te geven. Vandaar dit succes.”Ten einde meer tot allen te spreken, maakte Lémery in 1675 zijn »Leer der Scheikunde” openbaar, waarvan uitgave na uitgave verscheen en die grooten opgang maakte. Gedurende meer dan een eeuw heeft dit boek voor een autoriteit gegolden. Twintig malen in Frankrijk herdrukt, in bijna alle europeesche talen overgezet, is het de gids, het wetboek, het onmisbare handboek geweest van de scheikundigen der 18deeeuw, en toen de wetenschap een algeheele vernieuwing had ondergaan, toen na honderd jaren alles hervormd geworden was, sloeg men nog langen tijd in Lémery’sboek zekere kleine praktische bijzonderheden en proefnemingen op, die men elders niet kon vinden, en die haar waarde blijven behouden, zoowel door haar duidelijkheid als haar juistheid en zekerheid.Zoo stond dan de groote Lémery, want zoo begon hij genoemd te worden, op het toppunt van zijn heerlijkheid. Zijn roem kende geen mededinging en zijn zaak schonk hem welvaart en fortuin. Maar dit geluk zou niet duren.»Kom na tien jaren weder,”—aldus Dumas in zijne »Chemische lessen”,—»en gij vindt de straat Galande ontruimd en verlaten. Lémery is verdwenen, zijne toestellen zijn verkocht of hier en daar verstrooid. Heel deze wereld der wetenschap is verjaagd, heel die luister heeft uitgeschenen, heel die glorie is getaand en dat wegens een enkel, maar een onvergeeflijk misdrijf: Lémery was protestant.” In 1681 werd hij genoodzaakt zijn bedrijf te laten varen en zijne lessen te staken. Hij vluchtte naar Engeland; het verlangen naar zijn vaderland echter dringt hem naar Frankrijk terug te keeren. Hier bleef hij eenigen tijd en werd doctor in de geneeskunst; maar ook daarvan had hij weinig genot. Het edict van Nantes verdreef ook hem. Protestantsche geneesheeren mochten er niet zijn; en zoo bleef hij op den leeftijd van veertig jaren, zonder hulpmiddelen, de armoede ter prooi, en daarbij omringd van een huisgezin, dat zich—en met recht—een gelukkig leven had voorgespiegeld.De wetenschap, de rust, het familieleven gingen bij hem boven godsdienstige overtuiging. Hij ging tot het katholicisme over, kreeg een aanstelling bij de Academie van Wetenschappen, gaf een geschrift over het antimonium uit en stelde zich voor nog meer te leveren; maar verscheidene aanvallen van beroerte maakten hem eerst ongeschikt voor den arbeid, en in 1715 een einde aan zijn leven. Bijna gansch Europa heeft de chemie van hem geleerd. Hij was arbeidzaam en verdeelde zijn tijd tusschen het studeervertrek, het laboratorium, zijne patiënten en de academie, en wel is in zijn leven openbaar geworden hoeveel tijdhijtot zijne beschikking heeft, die hem weet uit te koopen.»Omstreeks het jaar 1773,” zoo verhaalt de schrijver I. B. Dumas, »verschenen op het tooneel der wereld drie mannen, die een gansche verandering zouden brengen in de wetenschappen. Van verschillenden landaard, leeftijd en maatschappelijken stand, van verschillenden aanleg ook in geestvermogens, hebben zij allen aan een zelfde taak met gelijken moed gearbeid—geenszins echter met hetzelfde geluk.”Dit driemanschap bestaat uit Scheele, Priestley en Lavoisier.Scheele werd te Stralsund in zweedsch Pommeren geboren, op den 9denDecember 1742. In zijn jongensjaren was hij leerling bij een apotheker. Zijn leven was zoo vol van teleurstellingen en tegenheden, dat het was, alsof een booze geest hem vervolgde. Hij was schuw van aard en tot in het overdrevene zedig, zoodat hij van zijnemakkers dikwijls veel te lijden had. Hij was zoo werkzaam, dat hij den tijd, dien hij voor zijne studie noodig had, aan den slaap ontwoekerde.Scheele verliet Stockholm voor Upsala, waar Bergman de chemie onderwees. Bergman behoorde tot die menschen, die alles wat zij aanvatten, verbeteren, vernieuwen. Ook hij is een slachtoffer van den arbeid, daar zijn onvermoeide werkzaamheid grooter was, dan zijne krachten, die toch reeds niet velen waren, dragen konden.Toen Scheele in Upsala kwam, wachtte Bergman hem op. Hij werd Scheele’s beschermer en maakte door gansch Europa de ontdekkingen bekend, waarmee deze de wetenschap verrijkte.Intusschen was Scheele, hoe gelukkig en voorspoedig in zijne studiën en ontdekkingen, zeer ongelukkig in zijne levensomstandigheden. Terwijl zijn naam in Frankrijk, Engeland en Duitschland schitterde, was hij in zijn eigen vaderland een onbekende. De Koning van Zweden op een reis buitenslands telkens over Scheele hoorende spreken, besloot dezen verdienstelijken onderdaan een bewijs te geven van zijn hoogachting, en wenschte hem een ridderorde te vereeren.»Scheele, Scheele!” zei de minister, »wat is dat voor een man?”Men wist zoo weinig wie hij was, dat de ridderorde op de borst van een verkeerden Scheele te recht kwam.Verloofd met een weduwe, die een apotheek had en voor bemiddeld doorging, terwijl haar zaak inderdaad met schulden bezwaard was, bleef hij niettemin trouw aan zijn gegeven woord, ’t er voor houdende, dat wie zich zelven waardig acht iets aan te nemen, ook bereid moet wezen tot geven. Zoo stond een leven vol moeite en zorg voor de deur, terwijl hij gerekend had op een onbekommerd bestaan, dat hij der wetenschap alleen zou toewijden. Zijne studiën werden telkens afgebroken door zijne zorgen om de schulden van zijnen winkel af te doen. Maar Scheele wist met weinig middelen veel te verrichten. Met een paar buizen en retorten deed hij de eene ontdekking na de andere. Niets kwam hem ter hand of hij vond en zag er iets nieuws in. Hij wees drie nieuwe zelfstandigheden aan: het manganesium, het chloor, het baryt en vond de zuurstof. Verschillende zuren zijn door hem ontdekt, zooals het wijnsteen-, het fluorkiezel-, hetcitroen-en het galnootenzuur. Wildet gij hem bij alles volgen, dan zoudt gij alle onderdeelen der chemie moeten doorloopen, en gij zoudt u overtuigen van de buigzaamheid van zijn geest, de vruchtbaarheid van zijn manier van onderzoek en de vastheid zijner hand, zoodat hij altijd komt waar hij wezen moet.Eindelijk zou de arme geleerde zich voor zijn arbeid beloond zien. De laatste schuld was betaald; hij zou zich nu eerst recht vestigen, hij zou in het huwelijk treden …. maar op zijn trouwdagwerd hij door hevige koortsen aangegrepen en den 22stenMei 1786 stierf Scheele op den leeftijd van 42 jaren.Hij was de eenvoud zelf. Zij, die uit nieuwsgierigheid en belangstelling soms van verre den grooten geleerde kwamen bezoeken, vonden hem met een boezelaar vóór in zijn winkel staan. Daarvoor dan waren zij soms van verre gekomen! Maar wie het hart op de rechte plaats had, vond deze eenvoudige verschijning zeker juist boven alles merkwaardig en beminnelijk.Terwijl Scheele in Zweden zijn waarlijk belangrijken arbeid verrichtte, was ook in Engeland een groot geleerde bezig de grondslagen te leggen voor de nieuwere seheikunde. ’t Was Priestley, die 30 Maart 1733 te Fieldhead bij Leeds in Yorkshire geboren werd. Zijn vader, die lakenfabrikant was, wilde hem voor dat vak opleiden, maar de jongen vond het meeste behagen in godgeleerde vraagstukken, en kenmerkte zich door een bijzonder opgewekte godsdienstigheid. Hij verloor al vroeg zijn moeder en kwam bij een zijner tantes in huis, bij wie hij zijn eigenaardigen smaak ongehinderd volgen kon. De goede vrouw had haar huis in een soort van godsdienstigrendez-vousherschapen, waar alle gezindten en alle secten hare vertegenwoordigers hadden. Priestley groeide aldus op in een kring, binnen welken hij aan zijn lust voor godsdienstige gesprekken ruimschoots kon voldoen. Hij gaf zich dan ook met hart en ziel aan deze zaken over, verdiepte zich in de Schrift en leerde Chaldeeuwsch, Syrisch en Arabisch. Hij toonde een zeer groote vatbaarheid om talen te leeren, en deed er voor zijn genoegen meetkunde bij.Hij besloot zich aan de Kerk en het kerkelijke ambt te wijden, trad ergens in Suffolk als prediker op en vestigde zich later te Nantwich in Chester, waar hij een school bestuurde en door spaarzaamheid en matigheid zoo veel wist uit te winnen, dat hij eenige natuurkundige werktuigen en met name een electriseermachine en een luchtpomp kon aankoopen, waarmee hij proeven deed voor zijne leerlingen. Wel hielden nog altijd godgeleerde vragen hem bezig, maar reeds in 1761 werd hij naar Warrington beroepen om in de oude talen te onderwijzen, en nu trad hij met ernst de wetenschappelijke loopbaan in.Een reis door Priestley naar Londen gedaan, besliste over zijn toekomst. Het toeval bracht hem in aanraking met Benjamin Franklin, en een gesprek, met dezen gehouden, bracht hem op het denkbeeld de geschiedenis te bestudeeren der ontdekkingen op het punt van de electriciteit. Franklin juichte zijn plan toe, en nauwelijks was er een jaar verstreken of Priestley had een belangrijk werk over de »Geschiedenis der Electriciteit” geschreven, waarin het eerste begin en de vorderingen van dit onderdeel der natuurkunde met veel helderheid en orde zijn meegedeeld. Enkele proeven, die hij zelfnam, gaven hem een zekere bekendheid in de geleerde wereld. Tot dokter benoemd, zag hij ook de deuren van de Koninklijke Maatschappij van Londen voor zich opengaan.In 1767 verliet hij Warrington, om te Leeds de leiding op zich te nemen eener gemeente van »dissidenten”, en hier ging hij voort de theologie aan de natuurkunde te verbinden. Hij woonde in de nabijheid eener bierbrouwerij, en dit leidde hem er toe eenige proeven te nemen met het koolzuur, dat zich bij het gisten van het bier ontwikkelt. Eenige zijner waarnemingen deelde hij in 1672 aan de Koninklijke Maatschappij mede. De titel van zijn verhandeling luidde: »Opmerkingen omtrent de verschillende soorten van lucht.” Tot dusver kende men slechts twee gassen, koolzuur en waterstof. Priestley leerde deze beide beter kennen, en vond andere gassen, als de stikstof, een der bestanddeelen van de dampkringslucht, het tweede oxyd van de stikstof, wier bederfwerende eigenschappen hij ontdekte, het chloorwaterstofgas en het ammoniac. Allengs zouden ook het eerste oxyd van stikstof, het zwavelig zuur en de zuurstof door zijne onderzoekingen nader bekend worden. Hij wist de zuurstof uit het kwikoxyd te verkrijgen, en in het jaar 1775 werd zijn aandacht gevestigd op de eigenschap, die dit gas heeft om de ademhaling te onderhouden. Voegt men hier nog bij de ontdekking van het fluorkiezelwaterstofzuur, koolstofoxyde, zwavelwaterstofgas en andere, dan bemerkt men dat dit groote vernuft de voornaamste gassen aan het licht heeft gebracht, en wel die, wier eigenschappen dagelijks in het belang der wetenschap of der nijverheid worden gebezigd. Men staat waarlijk verbaasd dat deze en dergelijke uitvindingen met zooveel gemak konden gedaan worden door een man, die in zijne stukken niet naliet te herhalen dat hij volstrekt geen scheikundige was en dat alles wat hij vond, hem door het toeval aan de hand werd gedaan. Maar wat hij verzwegen heeft, hebben zijne levensbeschrijvers openbaar gemaakt. »Priestley,” zegt Thomson, »bezat een schranderheid, die zich door niets liet uitputten, en een gave van opmerken, die hem in staat stelde partij te trekken van ieder verschijnsel, dat zich aan hem voordeed. Hij was zoo nauwkeurig bij zijne waarnemingen, dat hij geen enkele bijzonderheid vergat op te teekenen. Even eerlijk als belangeloos, scheen hij de waarheid tot het eenig doel te stellen van al zijn inspanning.”Toen Cook zijn tweede reis ondernam, was hij van plan Priestley mede te nemen, maar gelukkig achtte de admiraliteit hem niet orthodox genoeg. Hij kreeg intusschen een andere en betere betrekking, wat hij met zijn vrij groot gezin wel noodig had. Lord Shelburne, markies van Landsdown, benoemde hem tot zijn bibliothecaris op een bezoldiging van meer dan 3000 gulden ’s jaars. In dezen edelmoedigen edelman vond Priestley een machtigen beschermer, die hem bij zijne studiën aanmoedigde en hem al de middelenverschafte, om ze op ruime schaal voort te zetten. Hij volgde hem op zijne reizen, hij vergezelde hem naar Frankrijk, Duitschland en de Nederlanden. Priestley kwam ook te Parijs, waar hij door de geleerde wereld met eerbewijs ontvangen werd. Een vreemd schouwspel moet, te midden van de verklaarde atheïsten van het Parijs dier dagen, de man hebben opgeleverd, die om zijn wetenschap gezocht werd en tegelijk zich niet schaamde Christen te zijn.Tot het jaar 1780 bleef Priestley zijn plaats bij den graaf van Shelburne behouden. Gedurende dezen tijd was het, dat hij de vier eerste deelen uitgaf van zijn »Proefnemingen en opmerkingen omtrent de verschillende luchtsoorten.” Toen het vijfde verschijnen zou, verliet hij zijn beschermer. Om welke reden dit geschiedde is niet bekend. Waarschijnlijk gaf hij aan de vrijheid de voorkeur boven de rust van een onbezorgd bestaan. Hij vestigde zich nu te Birmingham en werd de leidsman der voornaamste gemeente van »dissidenten” daar ter plaatse. Ook op het punt van godsdienst volgde hij zijn eigen weg. Van Calvijn verviel hij tot Arminius en van Ariaan werd hij Sociniaan. Beurtelings beleed en verwierp hij de belangrijkste leerstelsels, totdat hij zich een godsdienstige overtuiging op zijn eigen hand vormde, waaraan hij zeer gehecht was. Van een ruimen en echt vrijzinnigen geest bezield, bestreed hij de orthodoxe Staatskerk en de wijsgeeren, en stelde zich met veel ijver in de bres voor de gemeenten der »dissidenten”, te wier wille hij niet minder dan 20 geschriften opstelde. Hij wilde ook niet dat aan de Protestanten eenige vrijheid gegund werd, die den Catholieken werd geweigerd. Vrijheid wilde hij voor alle kerken, genootschappen en gemeenten. De Kerk van Engeland was weinig ingenomen met die edelmoedige onpartijdigheid en sommige geestelijken droegen hem een innigen haat toe. Dit werd er niet minder op, toen hij de fransche omwenteling met vreugde begroette als een soort van maatschappelijke wedergeboorte. De moeite, die hij deed, om een algemeene verdraagzaamheid te stichten en vooral zijn »Antwoord” op de bekende »Beschouwingen” van Burke over de vermoedelijke gevolgen van de fransche revolutie, waren van dien aard, dat hij kandidaat gesteld werd voor de Nationale Conventie. Men kende hem de waardigheid toe van »fransch burger” en één der departementen, dat van de Orne, verkoos hem tot zijn afgevaardigde. Priestley wees dit eerbewijs af, maar droeg zijn leven lang roem op dit blijk van hoogachting, hem door de eerste fransche republiek bewezen.Op een wagen weggevoerd. Blz. 109.Op een wagen weggevoerd. Blz. 109.Den 14denJuli 1791 zouden eenige van Priestley’s staatkundige vrienden te Birmingham de verjaring vieren van de inneming der Bastille. Onze geleerde vriend meende zich hieraan niet te moeten wagen, maar zijn voorzichtigheid baatte hem weinig. Hij heette de man, die het feest had geopperd en aangelegd. Ja, op aanstokenvan engelsche geestelijken en staatkundige vijanden, werd er een volksoploop tegen hem uitgelokt.De zaal, waar de feestgenooten te zamen waren, werd belegerd en geplunderd en alles over hoop geworpen. Priestley was er echter niet. Nu begaf men zich naar zijn huis, de plaats, waar zoovele uitvindingen waren gedaan, zoovele waarheden aan het licht gekomen. Het volk, meest werklieden van Birmingham, verblind door aangehitste partijwoede, werpt zich op Priestley’s boekerij, verscheurt de kostbaarste werken, slaat zijne instrumenten stuk, slingert zijne handschriften naar alle winden en steekt eindelijk alles in brand. In een naburig huis verstoken, moest Priestley dit alles weerloos aanzien. Hij hield zich echter goed, slaakte geen enkele klacht en droeg den tegenspoed met een onbewolkte ziel.Intusschen was hem zijn vaderland onverdragelijk geworden. Den 7denApril scheepte hij zich in—niet naar Frankrijk, zooals men denken zou, maar naar Amerika, wat wel zoo veilig scheen. Hij vestigde zich in Northumberland aan de bronnen van de Susqueannah, waar hij 200.000 morgen land kocht. Maar ook hier kon hij aan het vooroordeel niet ontsnappen. De Engelschen bleven hem vervolgen en verbitterden zijn leven door de zonderlingste verdenkingen uit te strooien. Zoo beweerde men, dat hij een geheim en bezoldigd handlanger was der fransche republiek. Na zijn vrouw en één zijner kinderen verloren te hebben, kwam hij op een jammerlijke wijze om het leven. Op een maaltijd, waarbij hij tegenwoordig was, bleek één der schotels door een onvoorzichtigheid vergiftigd te zijn. Hij alleen kwam het niet te boven. Maar hij was ook gesloopt door de jaren, den arbeid en den tegenspoed. Zijne laatste oogenblikken kenmerkten zich door die eigenaardige vroomheid, die hem zijn geheele leven had bezield en hem zooveel nadeel berokkend had. »Nu ga ik rusten, zooals gij,” zeide hij tot zijne kinderen, die te slapen gelegd werden; »maar we zullen samen opstaan en eeuwig gelukkig wezen.”De eerste werken van Priestley dagteekenen van 1770. In hetzelfde jaar maakte Scheele zijne eerste uitkomsten openbaar. Wederom in hetzelfde jaar verscheen Lavoisier’s eerste »Memoire”. Van 1770 dus dagteekent de nieuwere scheikunde, door het genoemde drietal onafhankelijk van elkander gesticht.Lavoisier werd den 26stenAugustus van het jaar 1748 te Parijs geboren. Zijn vader, een rijk koopman, ontzag geen kosten om zijn zoon het degelijkste onderwijs en de beste opvoeding te verschaffen. De jonge Lavoisier werd dan ook een der uitnemendste leerlingen van het college Mazarin. Na zijne klassieke studiën te hebben voleindigd, volgde hij de lessen van la Caille in het »Observatoire”, werkte op het laboratorium van Rouelle in den »Jardin des Plantes” en herboriseerde met Bernard de Jussieu. Met dezemeesters te werken en te denken was zijn eenigst vermaak. Zoo was hij dan ook reeds op den leeftijd van één-en-twintig jaren in staat mede te dingen naar den buitengewonen prijs der Academie van Wetenschappen, uitgeschreven voor: »de beste wijze om de straten eener groote stad te verlichten.” Lavoisier zette zich met zelden geëvenaarde kracht aan het werk. Hij bekleedde zijn kamer met zwart doek, om de intensiteit der verschillende lichtsoorten beter te beoordeelen, bleef daar, van het daglicht afgesloten, zes weken lang arbeiden, om zeker te zijn van zijn zaak en bood de academie een proefschrift aan, waarmede hij de gouden medaille won. Een reeks van werken over de »lagen der bergen”, over »de ontleding van de gipssoorten in de omstreken van Parijs”, over »den donder”, over »het Noorderlicht”, opende hem de deur der geleerde gezelschappen. Hij was nauwelijks 25 jaren, toen hij reeds tot lid van de Academie van Wetenschappen benoemd werd.In zijn jeugd reeds vatte Lavoisier het plan op om de wetenschap, waaraan hij zich gewijd had, een nieuwe gedaante te geven. Bij het eerste scheikundige onderzoek, door hem in het werk gesteld—het gold de vermeende verandering van water in aarde—maakte hij gebruik van de weegschaal, en met dit werktuig in de hand, merkte hij de fouten op zijner voorgangers en toonde hij aan dat al de verschijnselen der chemie ontstaan door zoogenaamde stofwisseling. »Niets wordt uit niets, niets gaat te niet”, ziedaar de zinspreuk, die hij als met onuitwischbare letters nederschrijft op den nieuwen tempel der scheikundige wetenschap.Eens lid van de Academie der Wetenschappen, legde hij zich met dubbelen ijver toe op de wetenschap, die hij zoo hartstochtelijk liefhad. Al zijn tijd en heel zijn fortuin gaf hij haar ten beste, want dikwijls had hij zeer kostbare proeven te nemen. Eindelijk moest hij, om aan al die onkosten tegemoet te komen, een betrekking zoeken. Zoo dong hij naar een plaats als »fermier general” (pachter van Staatsinkomsten), welke hij in 1769 verkreeg. Bij deze gelegenheid trad hij tevens in het huwelijk met de dochter van den staatspachter Paulze.Van nu af besteedde Lavoisier een groot gedeelte van zijne inkomsten aan zijn laboratorium; ’s morgens en ’s avonds was hij met scheikundige proefnemingen bezig, terwijl hij ’s middags zijne ambtsbezigheden waarnam. Hij wist op alles orde te stellen en tegelijk zijn werk te doen en zijne studiën bij te houden. Met welwillendheid ontving hij ieder jonkman, die zich aan de chemie wijden wilde. Bovendien vormde hij om zich heen een kring van geleerde vrienden, zoo van Frankrijk als uit het buitenland, en bracht tal van kunstenaars met elkaar in aanraking, opdat zij zich met elkander zouden verstaan omtrent de vervaardiging der nauw luisterende en uiterst gevoelige werktuigen, die hij voor zijneproefnemingen noodig had. Zijn woning werd op die wijze een soort van academie op zich zelve, waar de meester voordrachten hield en bres bij bres schoot in de oude veste der wetenschap, en ondertusschen den nieuwen tempel oprichtte, die staat tot op dezen dag.Onder het ministerie Turgot werd Lavoisier geroepen, om het algemeen bestuur op zich te nemen over de kruitfabrikage. Hij begaf zich nu naar Essonne en nam er gewichtige maatregelen, waardoor hij het gevaar van ontploffing in de magazijnen en elders zeer verminderde.Na in 1787 tot lid van de Provinciale Vergadering van Orléans gekozen te zijn, werd Lavoisier in 1790 lid van de bekende »Commissie voor de maten en gewichten”, aan wier werkzaamheden hij een levendig aandeel nam. In 1791 vervaardigde hij een geschrift »Over het grondbezit van Frankrijk”, hetwelk op kosten van den Staat gedrukt werd. Ondertusschen verzuimde hij ook nu zijne eigenlijke studiën niet, maar hield integendeel met eere den hoogen rang op, dien hij onder Europa’s geleerden bekleedde. Hij verrijkte de wetenschappelijke wereld met zijn theorie over »verbranding” en »ademhaling”, die hij in al hare bijzonderheden ontwikkelde, en die alleen voldoende zou zijn om hem te vereeuwigen.Uit menschlievendheid begaf hij zich vervolgens in onderzoekingen, die een ieder moeten doen walgen, maar die hij door de kracht van zijn geest en zijn medelijden doorstond. Aan niemand kon het ontgaan, hoe vele werklieden, die in riolen en afvoerkanalen werkten, ziek werden en stierven. Lavoisier, bekleed met een hoog staatsambt, Lavoisier, milionnair en geleerde, achtte zich niet te goed om de schadelijke gassen te onderzoeken, die hun besmetting aan de arme werklieden mededeelden. Maanden bleef hij met zeldzame volharding aan dit terugstootend onderzoek wijden, in de hoop dat hij het lot der werklieden zou kunnen verzachten. Of hem dit gelukte, weten wij niet; maar wij bewonderen den onbaatzuchtige, die alleen om eenige menschenlevens te redden, zulke dingen onderneemt. Er waren in het laatste tiental jaren der 18deeeuw lieden, die over menschenlevens—ook over het leven van een man als Lavoisier—anders dachten, gelijk wij zullen zien.Gedurende veertien jaren weet Lavoisier van geen rusten. De eene »Memoire” volgt de andere. Hij neemt alle onzekerheid weg omtrent de samenstelling van de dampkringslucht, die tot dusver voor een element werd gehouden; hij ziet dat de lucht gevormd wordt door een gas, het oxygeen of de zuurstof, dat de verbranding onderhoudt en het leven van al wat ademt, en de stikstof. Weet hij te ontleden, hij weet ook samen te stellen. Na de bestanddeelen te hebben gescheiden, vereenigt hij ze, en maakt, wat hij ontbonden heeft, weder wat het was. Hij legt de grondslagen van de leer der verbranding en der reactie, hij bepaalt de samenstellingvan het water en van het koolzuur, denkt de equatie der atomen uit, vernieuwt het woordenboek der wetenschappen en doet in alles de waarheid uitblinken, die hij verdedigt en op den troon verheft door de onwedersprekelijke feiten ten zijner proefnemingen en de juistheid zijner betoogen.Zulk een man moest algemeen geacht zijn geweest, zal men zeggen!Maar zoo was het niet. Zijn leven, zoo rein, zoo schoon, zoo edel, zoo vol menschenliefde, werd afgesneden door de beulen, die in 1793 het bewind over Frankrijk voerden.Lavoisier was »fermier general” en deelde als zoodanig in het lot, dat aan al deze staatsambtenaren te beurt viel. De groote scheikundige was juist bezig zijne »Memoires” te verzamelen, toen hij vernam dat Fouquier Tinville hem had aangeklaagd bij het revolutionnair gerechtshof.Lavoisier begreep dadelijk dat zijn leven op het spel stond; hij verliet zijn woning en ontmoette zekeren Lucas, en deze wees hem een schuilplaats aan in het Louvre, en wel in een der meest verborgen hoeken van de Academie van Wetenschappen. Hier bleef hij twee dagen, maar toen men hem berichten kwam dat zijne medeambtenaren en zijn schoonvader gevangen zaten, wist hij wat hem te doen stond. Hij wilde het lot dezer mannen deelen en geeft zich gevangen. Den 6denMei 1794 wordt de groote Lavoisier ter dood veroordeeld, »als zijnde hij overtuigd geworden van tegen het fransche volk samengezworen, met de vijanden van Frankrijk geheuld, allerlei knevelarij en afpersing gepleegd en de tabak voor de burgers met schadelijke stoffen vermengd te hebben.”Twee dagen later werd Lavoisier op een wagen weggevoerd. De guillotine sneed zijn kostbaar leven af.Lavoisier’s werken zijn echter onsterfelijk. Het heelal spreekt telkens zijn naam uit; lucht en water, aarde en delfstof getuigen van zijn roem. Vele edele mannen staan nevens hem, zooals een Edouard Adam, de uitvinder van een nieuwe manier om alcoholische vochten te distilleeren, die zich geheel ruïneerde ter wille van zijne uitvinding en in 1807 van uitputting stierf, of Bernard Courtois, de ontdekker van het jodium, die in 1838 van armoede en ellende stierf.Thans leert onze jeugd uit boeken, thans hoort zij, onder de les, die vondsten der wetenschap als dingen, die van zelf spreken. Zij doen zich te goed aan de voedende spijs met overmoedig behagen. Dat zij niet vergeten hoe duur, onder hoevele gevaren, voor hoevele opofferingen deze spijzen zijn gekocht en bereid.
Het sterfbed van Pascal. Blz. 96.Het sterfbed van Pascal. Blz. 96.HOOFDSTUK VII.STICHTERS VAN WETENSCHAPPEN.
Het sterfbed van Pascal. Blz. 96.Het sterfbed van Pascal. Blz. 96.
Het sterfbed van Pascal. Blz. 96.
Onder de groote lichten, die aan Frankrijk’s hemel geschenen hebben en nog in lange niet zullen uitgebluscht worden, neemt Blaise Pascal een voorname plaats in. Pascal had niet te strijden tegen de gevaren, die den ontdekker wachten, noch ook tegen de vervolgingen, waaraan de denker en uitvinder bloot staat, maar hij levert ons het aandoenlijk schouwspel van een man, die, om zoo te zeggen, de martelaar van zijn eigen geest is geweest. Zijn al te zeer ontwikkeld verstand moest het uitwendige omhulsel verteren, gelijk een al te hevig vuur den haard zou doen smelten en vergaan, waarin het brandt.Blaise Pascal, den 19denJuni 1623 te Clermont-Ferrand geboren, had nimmer een ander onderwijzer dan zijn vader, een echt geleerde en groot wiskunstenaar. Van zijn vroegste jeugd af gaf hij blijk van een buitengewone levendigheid van geest en van gansch bizondere vermogens. Elkeen, die met hem in aanraking kwam, stond verbaasd over de gevatheid zijner antwoorden en over de juistheid van zijn oordeel.Zijn wiskunde leerde hij op een wijze, die aan het wonderbare grenst. Zijn vader had opgemerkt dat hij een groote voorliefde had voor zoodanige vakken, die op redeneering en gevolgtrekkingsteunen, en vreezende, dat zijn zoon de talen verzuimen zou, had hij zorgvuldig alles ter zijde gehouden, wat hem op wiskundige wegen kon leiden, alle boeken over meetkunst geborgen en zich wel gewacht gesprekken over deze onderwerpen aan te knoopen. Toch kon hij de weetgierigheid van zijn jongen niet gansch te leur stellen, en zoo gebeurde het dat hij soms in ’t algemeen antwoorden gaf als deze: »dat de meetkunst die wetenschap is, die ons leert juiste figuren te trekken en hare verhoudingen te bepalen.” Tegelijk verbood hij hem er verder over te denken of te spreken.Van deze eenvoudige verklaring zijns vaders uitgaande, begon de knaap in zijn vrije uren te peinzen, met houtskool lijnen te trekken op de muren van zijn woning, langs dien weg de verhoudingen en betrekkingen der figuren bepalende, definitiën, axioma’s, bewijzen opstellende. Cirkels noemde hij kringetjes en rechte lijnen strepen. Hij bracht het zoo ver, dat hij uit zichzelven aan de 32stestelling van het eerste boek van Euclides kwam. Eens, dat zijn vader hem te midden zijner oefeningen verraste, vroeg hij hem wat hij toch wel deed, en de jongen antwoordde dat hij iets zocht, welk iets juist die 32stestelling van Euclides was. Zijn vader vroeg hem verder hoe hij daar zoo toe gekomen was, en het antwoord luidde dat hij eerst dit en toen dat gevonden had en zoo vervolgens, zoodat hij met zijn strepen en kringetjes een gansche meetkunst geschapen had.Een vriend van den huize, zekere Le Pailleur, ried Blaise’s vader aan zijn zoon niet langer tegen te werken. Deze gaf hem daarop de Beginselen van Euclides, die de jongen, zonder eenige verklaring noodig te hebben, dadelijk begreep, en weldra kon hij geregeld en met vrucht zekere samenkomsten bijwonen, op welke de parijsche geleerden wekelijks voordrachten over wiskunde hielden en gehouden voordrachten beoordeelden. De jonge Pascal deed, zoo goed als de beste, met deze geleerden mee; hij bracht niet zelden iets nieuws aan, en het is gebeurd dat hij fouten opmerkte, die door de anderen over het hoofd waren gezien. Toch was het alleen in zijne vrije uren, dat hij zich aan deze studiën wijdde. In korten tijd echter maakte hij zulke vorderingen, dat hij, zestien jaren oud, een vertoog schreef over de kegelsnede. Dit werk mag voor een der merkwaardigste voortbrengselen gehouden worden, die de menschelijke geest op dit gebied geleverd heeft.Toen Blaise negentien jaren oud was, vond hij een rekenmachine uit, die met recht aller bewondering gaande maakte en hem twee jaren van ongehoorde inspanning kostte, maar zijn gezondheid niet weinig benadeelde.De meeste van Pascal’s uitvindingen waren, zooals deze rekenmachine, van algemeen nut. Zoo heeft men hem verschillende praktische werktuigen te danken.Hij telde drie-en-twintig jaren, toen hij de leer van den barometer openbaar maakte. Toricelli had de eerste begrippen van Galileï omtrent het gewicht van de lucht verder uitgesponnen en in 1643 de proef genomen hoe een kwikkolom wordt opgehouden onder den invloed van de drukking van den dampkring. Pascal hoorde hiervan, en deze belangrijke proef bracht hem al spoedig tot het denkbeeld dat het »ledig” geen onbestaanbare zaak was en dat de natuur het niet zóózeer schuwde als sommigen zich wel verbeeldden. In 1647 ontwierp Pascal het denkbeeld van wat hij de groote proef van het evenwicht van vloeistoffen noemde. Hij kwam op de gedachte, de gewone proef van het luchtledig verschillende malen op een en denzelfden dag te nemen, en wel in dezelfde buis, met hetzelfde kwikzilver, nu eens aan den voet, dan weer op den top van een tamelijk hoogen berg om alzoo zich te vergewissen of de hoogte van het in den buis opgehouden kwikzilver in beide gevallen dezelfde zoude zijn.Hij koos voor deze proef den Puy de Dôme en verzocht zijn zwager Périer haar uit te voeren.»Blijkt het,” zeide Pascal, »dat het kwikzilver boven op den berg minder hoog staat dan beneden, dan moeten wij daaruit besluiten dat het gewicht of de drukking van de lucht daar de eenige oorzaak van is, en niet hethorror vacui, de zoogenaamde »afschuw van het ledige.” Immers is er aan den voet van den berg meer lucht dan op den top, terwijl toch niemand zal beweren dat de natuur beneden meer afkeer van het ledige heeft dan boven.”De proef gelukte volkomen en Périer beschreef zijne bevindingen in een brief, dien hij den 22stenSeptember 1648 aan Pascal toezond.Eenigen tijd later herhaalde Pascal de proef op de torens van de Nôtre-Dame te Parijs en op dien van Saint-Jacques-la-Boucherie. Alle natuurkundigen volgden hem na. Van dien tijd af dagteekent de nieuwere natuurkunde.Wij hebben Pascal niet verder te volgen, waar hij de wetenschap verlaat om zich met al zijn kracht toe te wijden en zich met zijn gansche ziel over te geven aan het betrachten van zekere dweepachtige godsdienstige oefeningen. Sainte-Beuve meent dat de eerste stoot tot deze dingen hem gegeven is door de lezing van Jansenius’ boek over de »Vernieuwing van den inwendigen mensch.” De studiën van den mensch, het nadenken over de zedelijke wereld moesten bij dezen merkwaardigen man volgen op de meetkunst en de natuurkunde. Na zoovele wetenschappelijke ontdekkingen moesten twee groote werken in zijn brein tot rijpheid komen: de »Provinciales” en de »Pensées”. Ondertusschen begon zijn lichamelijk leven een lang lijden te worden. Van zijn jeugd af, was hij altijd zwak geweest. De zwakke staat van zijn gezondheid, zoo meldt zijn zuster Mme. Périer, deed hem voortdurend allerlei ongemak ondervinden, ja,hij heeft ons wel gezegd dat hij, na zijn achttiende jaar, geen dag zonder pijn of lijden geweest is.Pascal zeide weldra alle studie vaarwel, om zich, zooals hij zegt, bij uitsluiting toe te leggen op datgene wat Jezus Christus het eenige noodige noemt. Als een onbeteekenend stofdeel, denkend en peinzend te midden »dier oneindigheid, wier zwijgen schrik aanjaagt,” heeft de groote wijsgeer, naar men wil, dag aan dag een afgrond vóór zich meenen te zien. ’t Was de peillooze diepte der wetenschap, die hij zag. »Wij branden van verlangen om tot op den diepsten grond der dingen af te dalen en een toren te bouwen, die zich verheft tot in het oneindige. Maar heel ons gebouw kraakt en de aarde opent zich, en de afgrond verzwelgt het.”Pascal’s ongemakken en zijn hoofdpijnen namen met zijn leeftijd toe. Zij brachten hem zoover, dat hij ten laatste niet meer werken kon, noch iemand kon zien. Het gebed en het lezen van den Bijbel namen al zijn tijd in beslag. Hij wilde zelfs het vleesch dooden en droeg op het naakte lijf een gordel, die hem stak met naar binnen gekeerde punten, en telkens wanneer hij een ijdele, wereldsche gedachte had of wanneer hij eenig vermaak schiep, gaf hij zich een stoot met den elleboog, om zich aldus aan zijn plicht te herinneren en het vleesch te kastijden. Weldadigheid en armenzorg was nu zijn eenige bemoeiing. Van alle weelde, van alle genot deed hij afstand, al het overbodige huisraad deed hij wegdragen. »Ik wil de armoede, want Jezus Christus heeft de armen liefgehad,” zoo zeide hij. »Geld en goed heb ik alleen lief, omdat ik ongelukkigen er mee kan bijstaan.” De armen bij te staan, bleef dan ook zijn groote en zijn eenige troost.Zoo doorstond hij met heldenmoed en liefde al zijn lijden. Zoo naderde zijn einde. Hij ontving het Sacrament der stervenden en ontsliep den 19denAugustus 1662 des morgens te 1 ure, negen-en-dertig jaren oud.Van anderen aard waren de bezwaren, tegen welke onze landgenoot Huijgens te strijden had.Christiaan Huijgens werd op den 14denApril 1629 te ’s Gravenhage geboren. Hij studeerde in de rechten aan de universiteit van Leiden, doch wijdde zich bij voorkeur aan de mathematische wetenschappen en aan de natuurkunde, welke voor hem een bizondere aantrekkelijkheid hadden. Op vier-en-twintigjarigen leeftijd kwam hij in Frankrijk, waar hij bij de protestantsche faculteit te Angers tot doctor in de rechten werd benoemd. Naar zijn vaderland teruggekeerd, gaf hij zich weder geheel over aan de studie der gezichtkunde en der sterrekunde. Hij slaagde er in een sterrekijker samen te stellen, met behulp van welken hij den eersten satelliet van Saturnus ontdekte.In zijn fraai werk:de Saturni Luna(over Saturnus’ maan) verhaalthij ons hoe hij op den 25stenMaart van het jaar 1655 bezig zijnde met zijn kijker de planeet Saturnus gade te slaan, buiten diens ring, en wel op geringen afstand, ten westen, een kleine ster gewaar werd, gelegen ongeveer in het vlak van den ring. »Vermoedende dat dit wel een soortgelijk lichaam kon zijn, als de manen van Jupiter, teekende ik, schrijft hij, den stand der kleine ster in haar betrekking tot Saturnus op. Ik had mij niet bedrogen. Den volgenden dag had ze zich verplaatst en ik kon gedurende de volgende dagen de afwijkingen meten, die zij in een bepaalden tijd maakte.”Chr. Huijgens.Chr. Huijgens.Later heeft men nog zes andere manen van Saturnus ontdekt; maar Huijgens heeft den weg tot deze nieuwe ontdekkingen gebaand. Ook komt hem de eer toe van aangewezen te hebben, dat de dunne en platte ring der planeet niet aan deze bevestigd is, zooals men meende, maar dat een ringvormige tusschenruimte haar van de planeet scheidt. Huijgens maakte deze ontdekking op een eigenaardige wijze bekend. De astrologen spraken, volgens een oude overlevering, gaarne in raadselen en zochten den zin van van wat zij mededeelden achter zeker geheimschrift te verbergen. Huijgens volgde dit gebruik ten opzichte van den ring van Saturnus en bood zijn geleerden tijdgenooten het volgende anagram aan:aaaaaaa cccc d eeeee g. h. iiiiiii llll mm nnnnnnnnn oooo pp q rr s tttt uuuuNiemand kon ditgeheimschriftontcijferen. Drie jaren later maakte hij in zijnSystema Saturninumden verborgen zin dezer letters openbaar. Zij beteekenden het volgende:Annulo cingitur tenui, piano nusquam cohaerente, ac eclipticam inclinato: Hij (Saturnus) is van een dunnen ring omgeven, die de planeet op geen enkele plaats raakt en een hoek maakt met de ecliptica.Men ziet, dat de geleerden dier dagen er zonderlinge manieren op nahielden om hunne ontdekkingen openbaar te maken. Doch een man als Huijgens moest de wetenschap wel van haar oud abracadabra zuiveren. Na de ontdekking van de groote nevelvlek van Orion schreef hij dan ook een werk, zijnCosmotheoros, waarin hij zijn geest den vrijen teugel viert. Hij beschrijft achtereenvolgens al de planeten en wil bewijzen dat zij bewoond zijn. Het denkbeeld, dat het gansche heelal ter wille van onze aarde geschapen zou zijn, stond hem geweldig tegen.»Is het wel redelijk aan te nemen,” zoo schreef Huijgens, »dat de hemellichamen, onder welke onze aarde een zoo ondergeschikte plaats bekleedt, om geen andere reden geschapen zouden zijn, dan om voor ons, kleine menschen, hun licht te ontsteken en door onze kijkers bespied te worden in hunne verschillende verhoudingen en bewegingen?”De werken, die onze geleerde landgenoot over meetkunst en natuurkunde schreef, zijn niet minder belangrijk dan zijn sterrekundige arbeid. Men dankt hem eenige opmerkenswaardige aanteekeningen omtrent »de waarschijnlijkheids-rekening”, over »reflexie en refractie van het licht”, over de belangrijke »theorie der ontwikkelde kromme lijnen”.Alles, wat Huijgens deed en vond opnoemen kunnen wij niet, hij verbeterde de luchtpomp en den barometer, hij gaf de ware leer van de kijkers, en vervaardigde een planetarium; maar wat vooral Huijgens beroemd heeft gemaakt, is de uitvinding der slingeruurwerken. Vóór hem waren alleen zandloopers en wateruurwerken bekend. Hij verbond Galileï’s slinger met een wel ingericht stel raderen en bewees daarmee zoowel aan de sterrekunde als aan de menschheid een dienst, waarover wij niet verder hebben uit te wijden.Huijgens, die in 1655 en 1663 Frankrijk en Engeland bezocht, werd door Colbert, die de Academie des Sciences had gesticht, naar Parijs geroepen en draalde niet met te komen. Hij ontving van Lodewijk XIV een jaargeld, en vestigde zich in de Koninklijke Bibliotheek.Toen het edict van Nantes werd herroepen, verwijderde hij zich uit Frankrijk. Te vergeefs trachtten de Koning, het hof en de academie hem tegen te houden. Verontwaardigd over al hetgeen zijne geloofsgenooten moesten verduren, brak hij alle betrekkingen met Parijs af. Hij zond nu zijne verslagen naar de Koninklijke Maatschappij van Londen, en ging zelfs in Engeland wonen, waar hij met Newton kennis maakte en een paar malen ook met hem slaags raakte.Christiaan Huygens stierf in den ouderdom van 65 jaren. Hij bleef, gelijk Spinoza, Newton, Cartesius, Leibnitz, ongehuwd. In 1695, zijn sterfjaar, namen zijne geestvermogens merkbaar af, in die mate, dat hij ze ten laatste geheel verloor. Slechts enkele heldere oogenblikken werden hem gegund. Hij was rijk, en zijn geboorte gaf hem het recht aan vorstelijke hoven te verkeeren; maar hij had de eenzaamheid en het buitenleven lief, waar hij rustig kon peinzen en werken.Grooter schade dan Huygens heeft Nicolas Lémery van zijne protestantsche gevoelens geleden.Nicolas Lémery was als eenvoudig artsenijmengersbediende naar Parijs gekomen, om er de scheikunde te beoefenen, maar al spoedig wist hij zich zonder meesters te redden en had hij een scheikunde op zijn eigen hand. Te Montpellier, waar hij in een apotheek werkzaam was, gaf hij lessen, welke daar grooten opgang maakten. Al de hoogleeraren en een aantal belangstellenden woonden zijne voordrachten bij.In 1672 keerde Lémery naar Parijs terug. Hij verkeerde en schitterde in de geleerde kringen als een ster van de eerste grootte en werd opgemerkt door Condé, die hem verder begunstigde. Daar hij gaarne een scheikundige werkplaats wilde bezitten, zocht hij meester-apotheker te worden, ’t geen hem gelukte. Dadelijk daarna opende hij zijne lessen in de straat Galande. Hij werd hier door belangstellenden als belegerd. Tal van dames woonde zijne voordrachten bij; zijn huis was vol leerlingen; de straat was een kolonie van hoorders en discipelen. Gansch Parijs moest er wezen. ’s Avonds hield hij een soort van open tafel, en de studenten achtten het een groote eer bij hem genoodigd te worden.Die groote bijval, door Nicolas Lémery geoogst, laat zich gemakkelijk verklaren. De chemie was een warwinkel van dwaasheden, duistere woorden van geheimzinnige kunstenarijen. »Lémery was de eerste,” zegt Fontenelle, »die de werkelijke en de opzettelijke duisterheden van de scheikunde deed opklaren, die haar tot duidelijker en eenvoudiger denkbeelden herleidde, die hare noodelooze barbaarsche termen ophief, die niets beloofde, dan wat hij vermocht te geven. Vandaar dit succes.”Ten einde meer tot allen te spreken, maakte Lémery in 1675 zijn »Leer der Scheikunde” openbaar, waarvan uitgave na uitgave verscheen en die grooten opgang maakte. Gedurende meer dan een eeuw heeft dit boek voor een autoriteit gegolden. Twintig malen in Frankrijk herdrukt, in bijna alle europeesche talen overgezet, is het de gids, het wetboek, het onmisbare handboek geweest van de scheikundigen der 18deeeuw, en toen de wetenschap een algeheele vernieuwing had ondergaan, toen na honderd jaren alles hervormd geworden was, sloeg men nog langen tijd in Lémery’sboek zekere kleine praktische bijzonderheden en proefnemingen op, die men elders niet kon vinden, en die haar waarde blijven behouden, zoowel door haar duidelijkheid als haar juistheid en zekerheid.Zoo stond dan de groote Lémery, want zoo begon hij genoemd te worden, op het toppunt van zijn heerlijkheid. Zijn roem kende geen mededinging en zijn zaak schonk hem welvaart en fortuin. Maar dit geluk zou niet duren.»Kom na tien jaren weder,”—aldus Dumas in zijne »Chemische lessen”,—»en gij vindt de straat Galande ontruimd en verlaten. Lémery is verdwenen, zijne toestellen zijn verkocht of hier en daar verstrooid. Heel deze wereld der wetenschap is verjaagd, heel die luister heeft uitgeschenen, heel die glorie is getaand en dat wegens een enkel, maar een onvergeeflijk misdrijf: Lémery was protestant.” In 1681 werd hij genoodzaakt zijn bedrijf te laten varen en zijne lessen te staken. Hij vluchtte naar Engeland; het verlangen naar zijn vaderland echter dringt hem naar Frankrijk terug te keeren. Hier bleef hij eenigen tijd en werd doctor in de geneeskunst; maar ook daarvan had hij weinig genot. Het edict van Nantes verdreef ook hem. Protestantsche geneesheeren mochten er niet zijn; en zoo bleef hij op den leeftijd van veertig jaren, zonder hulpmiddelen, de armoede ter prooi, en daarbij omringd van een huisgezin, dat zich—en met recht—een gelukkig leven had voorgespiegeld.De wetenschap, de rust, het familieleven gingen bij hem boven godsdienstige overtuiging. Hij ging tot het katholicisme over, kreeg een aanstelling bij de Academie van Wetenschappen, gaf een geschrift over het antimonium uit en stelde zich voor nog meer te leveren; maar verscheidene aanvallen van beroerte maakten hem eerst ongeschikt voor den arbeid, en in 1715 een einde aan zijn leven. Bijna gansch Europa heeft de chemie van hem geleerd. Hij was arbeidzaam en verdeelde zijn tijd tusschen het studeervertrek, het laboratorium, zijne patiënten en de academie, en wel is in zijn leven openbaar geworden hoeveel tijdhijtot zijne beschikking heeft, die hem weet uit te koopen.»Omstreeks het jaar 1773,” zoo verhaalt de schrijver I. B. Dumas, »verschenen op het tooneel der wereld drie mannen, die een gansche verandering zouden brengen in de wetenschappen. Van verschillenden landaard, leeftijd en maatschappelijken stand, van verschillenden aanleg ook in geestvermogens, hebben zij allen aan een zelfde taak met gelijken moed gearbeid—geenszins echter met hetzelfde geluk.”Dit driemanschap bestaat uit Scheele, Priestley en Lavoisier.Scheele werd te Stralsund in zweedsch Pommeren geboren, op den 9denDecember 1742. In zijn jongensjaren was hij leerling bij een apotheker. Zijn leven was zoo vol van teleurstellingen en tegenheden, dat het was, alsof een booze geest hem vervolgde. Hij was schuw van aard en tot in het overdrevene zedig, zoodat hij van zijnemakkers dikwijls veel te lijden had. Hij was zoo werkzaam, dat hij den tijd, dien hij voor zijne studie noodig had, aan den slaap ontwoekerde.Scheele verliet Stockholm voor Upsala, waar Bergman de chemie onderwees. Bergman behoorde tot die menschen, die alles wat zij aanvatten, verbeteren, vernieuwen. Ook hij is een slachtoffer van den arbeid, daar zijn onvermoeide werkzaamheid grooter was, dan zijne krachten, die toch reeds niet velen waren, dragen konden.Toen Scheele in Upsala kwam, wachtte Bergman hem op. Hij werd Scheele’s beschermer en maakte door gansch Europa de ontdekkingen bekend, waarmee deze de wetenschap verrijkte.Intusschen was Scheele, hoe gelukkig en voorspoedig in zijne studiën en ontdekkingen, zeer ongelukkig in zijne levensomstandigheden. Terwijl zijn naam in Frankrijk, Engeland en Duitschland schitterde, was hij in zijn eigen vaderland een onbekende. De Koning van Zweden op een reis buitenslands telkens over Scheele hoorende spreken, besloot dezen verdienstelijken onderdaan een bewijs te geven van zijn hoogachting, en wenschte hem een ridderorde te vereeren.»Scheele, Scheele!” zei de minister, »wat is dat voor een man?”Men wist zoo weinig wie hij was, dat de ridderorde op de borst van een verkeerden Scheele te recht kwam.Verloofd met een weduwe, die een apotheek had en voor bemiddeld doorging, terwijl haar zaak inderdaad met schulden bezwaard was, bleef hij niettemin trouw aan zijn gegeven woord, ’t er voor houdende, dat wie zich zelven waardig acht iets aan te nemen, ook bereid moet wezen tot geven. Zoo stond een leven vol moeite en zorg voor de deur, terwijl hij gerekend had op een onbekommerd bestaan, dat hij der wetenschap alleen zou toewijden. Zijne studiën werden telkens afgebroken door zijne zorgen om de schulden van zijnen winkel af te doen. Maar Scheele wist met weinig middelen veel te verrichten. Met een paar buizen en retorten deed hij de eene ontdekking na de andere. Niets kwam hem ter hand of hij vond en zag er iets nieuws in. Hij wees drie nieuwe zelfstandigheden aan: het manganesium, het chloor, het baryt en vond de zuurstof. Verschillende zuren zijn door hem ontdekt, zooals het wijnsteen-, het fluorkiezel-, hetcitroen-en het galnootenzuur. Wildet gij hem bij alles volgen, dan zoudt gij alle onderdeelen der chemie moeten doorloopen, en gij zoudt u overtuigen van de buigzaamheid van zijn geest, de vruchtbaarheid van zijn manier van onderzoek en de vastheid zijner hand, zoodat hij altijd komt waar hij wezen moet.Eindelijk zou de arme geleerde zich voor zijn arbeid beloond zien. De laatste schuld was betaald; hij zou zich nu eerst recht vestigen, hij zou in het huwelijk treden …. maar op zijn trouwdagwerd hij door hevige koortsen aangegrepen en den 22stenMei 1786 stierf Scheele op den leeftijd van 42 jaren.Hij was de eenvoud zelf. Zij, die uit nieuwsgierigheid en belangstelling soms van verre den grooten geleerde kwamen bezoeken, vonden hem met een boezelaar vóór in zijn winkel staan. Daarvoor dan waren zij soms van verre gekomen! Maar wie het hart op de rechte plaats had, vond deze eenvoudige verschijning zeker juist boven alles merkwaardig en beminnelijk.Terwijl Scheele in Zweden zijn waarlijk belangrijken arbeid verrichtte, was ook in Engeland een groot geleerde bezig de grondslagen te leggen voor de nieuwere seheikunde. ’t Was Priestley, die 30 Maart 1733 te Fieldhead bij Leeds in Yorkshire geboren werd. Zijn vader, die lakenfabrikant was, wilde hem voor dat vak opleiden, maar de jongen vond het meeste behagen in godgeleerde vraagstukken, en kenmerkte zich door een bijzonder opgewekte godsdienstigheid. Hij verloor al vroeg zijn moeder en kwam bij een zijner tantes in huis, bij wie hij zijn eigenaardigen smaak ongehinderd volgen kon. De goede vrouw had haar huis in een soort van godsdienstigrendez-vousherschapen, waar alle gezindten en alle secten hare vertegenwoordigers hadden. Priestley groeide aldus op in een kring, binnen welken hij aan zijn lust voor godsdienstige gesprekken ruimschoots kon voldoen. Hij gaf zich dan ook met hart en ziel aan deze zaken over, verdiepte zich in de Schrift en leerde Chaldeeuwsch, Syrisch en Arabisch. Hij toonde een zeer groote vatbaarheid om talen te leeren, en deed er voor zijn genoegen meetkunde bij.Hij besloot zich aan de Kerk en het kerkelijke ambt te wijden, trad ergens in Suffolk als prediker op en vestigde zich later te Nantwich in Chester, waar hij een school bestuurde en door spaarzaamheid en matigheid zoo veel wist uit te winnen, dat hij eenige natuurkundige werktuigen en met name een electriseermachine en een luchtpomp kon aankoopen, waarmee hij proeven deed voor zijne leerlingen. Wel hielden nog altijd godgeleerde vragen hem bezig, maar reeds in 1761 werd hij naar Warrington beroepen om in de oude talen te onderwijzen, en nu trad hij met ernst de wetenschappelijke loopbaan in.Een reis door Priestley naar Londen gedaan, besliste over zijn toekomst. Het toeval bracht hem in aanraking met Benjamin Franklin, en een gesprek, met dezen gehouden, bracht hem op het denkbeeld de geschiedenis te bestudeeren der ontdekkingen op het punt van de electriciteit. Franklin juichte zijn plan toe, en nauwelijks was er een jaar verstreken of Priestley had een belangrijk werk over de »Geschiedenis der Electriciteit” geschreven, waarin het eerste begin en de vorderingen van dit onderdeel der natuurkunde met veel helderheid en orde zijn meegedeeld. Enkele proeven, die hij zelfnam, gaven hem een zekere bekendheid in de geleerde wereld. Tot dokter benoemd, zag hij ook de deuren van de Koninklijke Maatschappij van Londen voor zich opengaan.In 1767 verliet hij Warrington, om te Leeds de leiding op zich te nemen eener gemeente van »dissidenten”, en hier ging hij voort de theologie aan de natuurkunde te verbinden. Hij woonde in de nabijheid eener bierbrouwerij, en dit leidde hem er toe eenige proeven te nemen met het koolzuur, dat zich bij het gisten van het bier ontwikkelt. Eenige zijner waarnemingen deelde hij in 1672 aan de Koninklijke Maatschappij mede. De titel van zijn verhandeling luidde: »Opmerkingen omtrent de verschillende soorten van lucht.” Tot dusver kende men slechts twee gassen, koolzuur en waterstof. Priestley leerde deze beide beter kennen, en vond andere gassen, als de stikstof, een der bestanddeelen van de dampkringslucht, het tweede oxyd van de stikstof, wier bederfwerende eigenschappen hij ontdekte, het chloorwaterstofgas en het ammoniac. Allengs zouden ook het eerste oxyd van stikstof, het zwavelig zuur en de zuurstof door zijne onderzoekingen nader bekend worden. Hij wist de zuurstof uit het kwikoxyd te verkrijgen, en in het jaar 1775 werd zijn aandacht gevestigd op de eigenschap, die dit gas heeft om de ademhaling te onderhouden. Voegt men hier nog bij de ontdekking van het fluorkiezelwaterstofzuur, koolstofoxyde, zwavelwaterstofgas en andere, dan bemerkt men dat dit groote vernuft de voornaamste gassen aan het licht heeft gebracht, en wel die, wier eigenschappen dagelijks in het belang der wetenschap of der nijverheid worden gebezigd. Men staat waarlijk verbaasd dat deze en dergelijke uitvindingen met zooveel gemak konden gedaan worden door een man, die in zijne stukken niet naliet te herhalen dat hij volstrekt geen scheikundige was en dat alles wat hij vond, hem door het toeval aan de hand werd gedaan. Maar wat hij verzwegen heeft, hebben zijne levensbeschrijvers openbaar gemaakt. »Priestley,” zegt Thomson, »bezat een schranderheid, die zich door niets liet uitputten, en een gave van opmerken, die hem in staat stelde partij te trekken van ieder verschijnsel, dat zich aan hem voordeed. Hij was zoo nauwkeurig bij zijne waarnemingen, dat hij geen enkele bijzonderheid vergat op te teekenen. Even eerlijk als belangeloos, scheen hij de waarheid tot het eenig doel te stellen van al zijn inspanning.”Toen Cook zijn tweede reis ondernam, was hij van plan Priestley mede te nemen, maar gelukkig achtte de admiraliteit hem niet orthodox genoeg. Hij kreeg intusschen een andere en betere betrekking, wat hij met zijn vrij groot gezin wel noodig had. Lord Shelburne, markies van Landsdown, benoemde hem tot zijn bibliothecaris op een bezoldiging van meer dan 3000 gulden ’s jaars. In dezen edelmoedigen edelman vond Priestley een machtigen beschermer, die hem bij zijne studiën aanmoedigde en hem al de middelenverschafte, om ze op ruime schaal voort te zetten. Hij volgde hem op zijne reizen, hij vergezelde hem naar Frankrijk, Duitschland en de Nederlanden. Priestley kwam ook te Parijs, waar hij door de geleerde wereld met eerbewijs ontvangen werd. Een vreemd schouwspel moet, te midden van de verklaarde atheïsten van het Parijs dier dagen, de man hebben opgeleverd, die om zijn wetenschap gezocht werd en tegelijk zich niet schaamde Christen te zijn.Tot het jaar 1780 bleef Priestley zijn plaats bij den graaf van Shelburne behouden. Gedurende dezen tijd was het, dat hij de vier eerste deelen uitgaf van zijn »Proefnemingen en opmerkingen omtrent de verschillende luchtsoorten.” Toen het vijfde verschijnen zou, verliet hij zijn beschermer. Om welke reden dit geschiedde is niet bekend. Waarschijnlijk gaf hij aan de vrijheid de voorkeur boven de rust van een onbezorgd bestaan. Hij vestigde zich nu te Birmingham en werd de leidsman der voornaamste gemeente van »dissidenten” daar ter plaatse. Ook op het punt van godsdienst volgde hij zijn eigen weg. Van Calvijn verviel hij tot Arminius en van Ariaan werd hij Sociniaan. Beurtelings beleed en verwierp hij de belangrijkste leerstelsels, totdat hij zich een godsdienstige overtuiging op zijn eigen hand vormde, waaraan hij zeer gehecht was. Van een ruimen en echt vrijzinnigen geest bezield, bestreed hij de orthodoxe Staatskerk en de wijsgeeren, en stelde zich met veel ijver in de bres voor de gemeenten der »dissidenten”, te wier wille hij niet minder dan 20 geschriften opstelde. Hij wilde ook niet dat aan de Protestanten eenige vrijheid gegund werd, die den Catholieken werd geweigerd. Vrijheid wilde hij voor alle kerken, genootschappen en gemeenten. De Kerk van Engeland was weinig ingenomen met die edelmoedige onpartijdigheid en sommige geestelijken droegen hem een innigen haat toe. Dit werd er niet minder op, toen hij de fransche omwenteling met vreugde begroette als een soort van maatschappelijke wedergeboorte. De moeite, die hij deed, om een algemeene verdraagzaamheid te stichten en vooral zijn »Antwoord” op de bekende »Beschouwingen” van Burke over de vermoedelijke gevolgen van de fransche revolutie, waren van dien aard, dat hij kandidaat gesteld werd voor de Nationale Conventie. Men kende hem de waardigheid toe van »fransch burger” en één der departementen, dat van de Orne, verkoos hem tot zijn afgevaardigde. Priestley wees dit eerbewijs af, maar droeg zijn leven lang roem op dit blijk van hoogachting, hem door de eerste fransche republiek bewezen.Op een wagen weggevoerd. Blz. 109.Op een wagen weggevoerd. Blz. 109.Den 14denJuli 1791 zouden eenige van Priestley’s staatkundige vrienden te Birmingham de verjaring vieren van de inneming der Bastille. Onze geleerde vriend meende zich hieraan niet te moeten wagen, maar zijn voorzichtigheid baatte hem weinig. Hij heette de man, die het feest had geopperd en aangelegd. Ja, op aanstokenvan engelsche geestelijken en staatkundige vijanden, werd er een volksoploop tegen hem uitgelokt.De zaal, waar de feestgenooten te zamen waren, werd belegerd en geplunderd en alles over hoop geworpen. Priestley was er echter niet. Nu begaf men zich naar zijn huis, de plaats, waar zoovele uitvindingen waren gedaan, zoovele waarheden aan het licht gekomen. Het volk, meest werklieden van Birmingham, verblind door aangehitste partijwoede, werpt zich op Priestley’s boekerij, verscheurt de kostbaarste werken, slaat zijne instrumenten stuk, slingert zijne handschriften naar alle winden en steekt eindelijk alles in brand. In een naburig huis verstoken, moest Priestley dit alles weerloos aanzien. Hij hield zich echter goed, slaakte geen enkele klacht en droeg den tegenspoed met een onbewolkte ziel.Intusschen was hem zijn vaderland onverdragelijk geworden. Den 7denApril scheepte hij zich in—niet naar Frankrijk, zooals men denken zou, maar naar Amerika, wat wel zoo veilig scheen. Hij vestigde zich in Northumberland aan de bronnen van de Susqueannah, waar hij 200.000 morgen land kocht. Maar ook hier kon hij aan het vooroordeel niet ontsnappen. De Engelschen bleven hem vervolgen en verbitterden zijn leven door de zonderlingste verdenkingen uit te strooien. Zoo beweerde men, dat hij een geheim en bezoldigd handlanger was der fransche republiek. Na zijn vrouw en één zijner kinderen verloren te hebben, kwam hij op een jammerlijke wijze om het leven. Op een maaltijd, waarbij hij tegenwoordig was, bleek één der schotels door een onvoorzichtigheid vergiftigd te zijn. Hij alleen kwam het niet te boven. Maar hij was ook gesloopt door de jaren, den arbeid en den tegenspoed. Zijne laatste oogenblikken kenmerkten zich door die eigenaardige vroomheid, die hem zijn geheele leven had bezield en hem zooveel nadeel berokkend had. »Nu ga ik rusten, zooals gij,” zeide hij tot zijne kinderen, die te slapen gelegd werden; »maar we zullen samen opstaan en eeuwig gelukkig wezen.”De eerste werken van Priestley dagteekenen van 1770. In hetzelfde jaar maakte Scheele zijne eerste uitkomsten openbaar. Wederom in hetzelfde jaar verscheen Lavoisier’s eerste »Memoire”. Van 1770 dus dagteekent de nieuwere scheikunde, door het genoemde drietal onafhankelijk van elkander gesticht.Lavoisier werd den 26stenAugustus van het jaar 1748 te Parijs geboren. Zijn vader, een rijk koopman, ontzag geen kosten om zijn zoon het degelijkste onderwijs en de beste opvoeding te verschaffen. De jonge Lavoisier werd dan ook een der uitnemendste leerlingen van het college Mazarin. Na zijne klassieke studiën te hebben voleindigd, volgde hij de lessen van la Caille in het »Observatoire”, werkte op het laboratorium van Rouelle in den »Jardin des Plantes” en herboriseerde met Bernard de Jussieu. Met dezemeesters te werken en te denken was zijn eenigst vermaak. Zoo was hij dan ook reeds op den leeftijd van één-en-twintig jaren in staat mede te dingen naar den buitengewonen prijs der Academie van Wetenschappen, uitgeschreven voor: »de beste wijze om de straten eener groote stad te verlichten.” Lavoisier zette zich met zelden geëvenaarde kracht aan het werk. Hij bekleedde zijn kamer met zwart doek, om de intensiteit der verschillende lichtsoorten beter te beoordeelen, bleef daar, van het daglicht afgesloten, zes weken lang arbeiden, om zeker te zijn van zijn zaak en bood de academie een proefschrift aan, waarmede hij de gouden medaille won. Een reeks van werken over de »lagen der bergen”, over »de ontleding van de gipssoorten in de omstreken van Parijs”, over »den donder”, over »het Noorderlicht”, opende hem de deur der geleerde gezelschappen. Hij was nauwelijks 25 jaren, toen hij reeds tot lid van de Academie van Wetenschappen benoemd werd.In zijn jeugd reeds vatte Lavoisier het plan op om de wetenschap, waaraan hij zich gewijd had, een nieuwe gedaante te geven. Bij het eerste scheikundige onderzoek, door hem in het werk gesteld—het gold de vermeende verandering van water in aarde—maakte hij gebruik van de weegschaal, en met dit werktuig in de hand, merkte hij de fouten op zijner voorgangers en toonde hij aan dat al de verschijnselen der chemie ontstaan door zoogenaamde stofwisseling. »Niets wordt uit niets, niets gaat te niet”, ziedaar de zinspreuk, die hij als met onuitwischbare letters nederschrijft op den nieuwen tempel der scheikundige wetenschap.Eens lid van de Academie der Wetenschappen, legde hij zich met dubbelen ijver toe op de wetenschap, die hij zoo hartstochtelijk liefhad. Al zijn tijd en heel zijn fortuin gaf hij haar ten beste, want dikwijls had hij zeer kostbare proeven te nemen. Eindelijk moest hij, om aan al die onkosten tegemoet te komen, een betrekking zoeken. Zoo dong hij naar een plaats als »fermier general” (pachter van Staatsinkomsten), welke hij in 1769 verkreeg. Bij deze gelegenheid trad hij tevens in het huwelijk met de dochter van den staatspachter Paulze.Van nu af besteedde Lavoisier een groot gedeelte van zijne inkomsten aan zijn laboratorium; ’s morgens en ’s avonds was hij met scheikundige proefnemingen bezig, terwijl hij ’s middags zijne ambtsbezigheden waarnam. Hij wist op alles orde te stellen en tegelijk zijn werk te doen en zijne studiën bij te houden. Met welwillendheid ontving hij ieder jonkman, die zich aan de chemie wijden wilde. Bovendien vormde hij om zich heen een kring van geleerde vrienden, zoo van Frankrijk als uit het buitenland, en bracht tal van kunstenaars met elkaar in aanraking, opdat zij zich met elkander zouden verstaan omtrent de vervaardiging der nauw luisterende en uiterst gevoelige werktuigen, die hij voor zijneproefnemingen noodig had. Zijn woning werd op die wijze een soort van academie op zich zelve, waar de meester voordrachten hield en bres bij bres schoot in de oude veste der wetenschap, en ondertusschen den nieuwen tempel oprichtte, die staat tot op dezen dag.Onder het ministerie Turgot werd Lavoisier geroepen, om het algemeen bestuur op zich te nemen over de kruitfabrikage. Hij begaf zich nu naar Essonne en nam er gewichtige maatregelen, waardoor hij het gevaar van ontploffing in de magazijnen en elders zeer verminderde.Na in 1787 tot lid van de Provinciale Vergadering van Orléans gekozen te zijn, werd Lavoisier in 1790 lid van de bekende »Commissie voor de maten en gewichten”, aan wier werkzaamheden hij een levendig aandeel nam. In 1791 vervaardigde hij een geschrift »Over het grondbezit van Frankrijk”, hetwelk op kosten van den Staat gedrukt werd. Ondertusschen verzuimde hij ook nu zijne eigenlijke studiën niet, maar hield integendeel met eere den hoogen rang op, dien hij onder Europa’s geleerden bekleedde. Hij verrijkte de wetenschappelijke wereld met zijn theorie over »verbranding” en »ademhaling”, die hij in al hare bijzonderheden ontwikkelde, en die alleen voldoende zou zijn om hem te vereeuwigen.Uit menschlievendheid begaf hij zich vervolgens in onderzoekingen, die een ieder moeten doen walgen, maar die hij door de kracht van zijn geest en zijn medelijden doorstond. Aan niemand kon het ontgaan, hoe vele werklieden, die in riolen en afvoerkanalen werkten, ziek werden en stierven. Lavoisier, bekleed met een hoog staatsambt, Lavoisier, milionnair en geleerde, achtte zich niet te goed om de schadelijke gassen te onderzoeken, die hun besmetting aan de arme werklieden mededeelden. Maanden bleef hij met zeldzame volharding aan dit terugstootend onderzoek wijden, in de hoop dat hij het lot der werklieden zou kunnen verzachten. Of hem dit gelukte, weten wij niet; maar wij bewonderen den onbaatzuchtige, die alleen om eenige menschenlevens te redden, zulke dingen onderneemt. Er waren in het laatste tiental jaren der 18deeeuw lieden, die over menschenlevens—ook over het leven van een man als Lavoisier—anders dachten, gelijk wij zullen zien.Gedurende veertien jaren weet Lavoisier van geen rusten. De eene »Memoire” volgt de andere. Hij neemt alle onzekerheid weg omtrent de samenstelling van de dampkringslucht, die tot dusver voor een element werd gehouden; hij ziet dat de lucht gevormd wordt door een gas, het oxygeen of de zuurstof, dat de verbranding onderhoudt en het leven van al wat ademt, en de stikstof. Weet hij te ontleden, hij weet ook samen te stellen. Na de bestanddeelen te hebben gescheiden, vereenigt hij ze, en maakt, wat hij ontbonden heeft, weder wat het was. Hij legt de grondslagen van de leer der verbranding en der reactie, hij bepaalt de samenstellingvan het water en van het koolzuur, denkt de equatie der atomen uit, vernieuwt het woordenboek der wetenschappen en doet in alles de waarheid uitblinken, die hij verdedigt en op den troon verheft door de onwedersprekelijke feiten ten zijner proefnemingen en de juistheid zijner betoogen.Zulk een man moest algemeen geacht zijn geweest, zal men zeggen!Maar zoo was het niet. Zijn leven, zoo rein, zoo schoon, zoo edel, zoo vol menschenliefde, werd afgesneden door de beulen, die in 1793 het bewind over Frankrijk voerden.Lavoisier was »fermier general” en deelde als zoodanig in het lot, dat aan al deze staatsambtenaren te beurt viel. De groote scheikundige was juist bezig zijne »Memoires” te verzamelen, toen hij vernam dat Fouquier Tinville hem had aangeklaagd bij het revolutionnair gerechtshof.Lavoisier begreep dadelijk dat zijn leven op het spel stond; hij verliet zijn woning en ontmoette zekeren Lucas, en deze wees hem een schuilplaats aan in het Louvre, en wel in een der meest verborgen hoeken van de Academie van Wetenschappen. Hier bleef hij twee dagen, maar toen men hem berichten kwam dat zijne medeambtenaren en zijn schoonvader gevangen zaten, wist hij wat hem te doen stond. Hij wilde het lot dezer mannen deelen en geeft zich gevangen. Den 6denMei 1794 wordt de groote Lavoisier ter dood veroordeeld, »als zijnde hij overtuigd geworden van tegen het fransche volk samengezworen, met de vijanden van Frankrijk geheuld, allerlei knevelarij en afpersing gepleegd en de tabak voor de burgers met schadelijke stoffen vermengd te hebben.”Twee dagen later werd Lavoisier op een wagen weggevoerd. De guillotine sneed zijn kostbaar leven af.Lavoisier’s werken zijn echter onsterfelijk. Het heelal spreekt telkens zijn naam uit; lucht en water, aarde en delfstof getuigen van zijn roem. Vele edele mannen staan nevens hem, zooals een Edouard Adam, de uitvinder van een nieuwe manier om alcoholische vochten te distilleeren, die zich geheel ruïneerde ter wille van zijne uitvinding en in 1807 van uitputting stierf, of Bernard Courtois, de ontdekker van het jodium, die in 1838 van armoede en ellende stierf.Thans leert onze jeugd uit boeken, thans hoort zij, onder de les, die vondsten der wetenschap als dingen, die van zelf spreken. Zij doen zich te goed aan de voedende spijs met overmoedig behagen. Dat zij niet vergeten hoe duur, onder hoevele gevaren, voor hoevele opofferingen deze spijzen zijn gekocht en bereid.
Onder de groote lichten, die aan Frankrijk’s hemel geschenen hebben en nog in lange niet zullen uitgebluscht worden, neemt Blaise Pascal een voorname plaats in. Pascal had niet te strijden tegen de gevaren, die den ontdekker wachten, noch ook tegen de vervolgingen, waaraan de denker en uitvinder bloot staat, maar hij levert ons het aandoenlijk schouwspel van een man, die, om zoo te zeggen, de martelaar van zijn eigen geest is geweest. Zijn al te zeer ontwikkeld verstand moest het uitwendige omhulsel verteren, gelijk een al te hevig vuur den haard zou doen smelten en vergaan, waarin het brandt.
Blaise Pascal, den 19denJuni 1623 te Clermont-Ferrand geboren, had nimmer een ander onderwijzer dan zijn vader, een echt geleerde en groot wiskunstenaar. Van zijn vroegste jeugd af gaf hij blijk van een buitengewone levendigheid van geest en van gansch bizondere vermogens. Elkeen, die met hem in aanraking kwam, stond verbaasd over de gevatheid zijner antwoorden en over de juistheid van zijn oordeel.
Zijn wiskunde leerde hij op een wijze, die aan het wonderbare grenst. Zijn vader had opgemerkt dat hij een groote voorliefde had voor zoodanige vakken, die op redeneering en gevolgtrekkingsteunen, en vreezende, dat zijn zoon de talen verzuimen zou, had hij zorgvuldig alles ter zijde gehouden, wat hem op wiskundige wegen kon leiden, alle boeken over meetkunst geborgen en zich wel gewacht gesprekken over deze onderwerpen aan te knoopen. Toch kon hij de weetgierigheid van zijn jongen niet gansch te leur stellen, en zoo gebeurde het dat hij soms in ’t algemeen antwoorden gaf als deze: »dat de meetkunst die wetenschap is, die ons leert juiste figuren te trekken en hare verhoudingen te bepalen.” Tegelijk verbood hij hem er verder over te denken of te spreken.
Van deze eenvoudige verklaring zijns vaders uitgaande, begon de knaap in zijn vrije uren te peinzen, met houtskool lijnen te trekken op de muren van zijn woning, langs dien weg de verhoudingen en betrekkingen der figuren bepalende, definitiën, axioma’s, bewijzen opstellende. Cirkels noemde hij kringetjes en rechte lijnen strepen. Hij bracht het zoo ver, dat hij uit zichzelven aan de 32stestelling van het eerste boek van Euclides kwam. Eens, dat zijn vader hem te midden zijner oefeningen verraste, vroeg hij hem wat hij toch wel deed, en de jongen antwoordde dat hij iets zocht, welk iets juist die 32stestelling van Euclides was. Zijn vader vroeg hem verder hoe hij daar zoo toe gekomen was, en het antwoord luidde dat hij eerst dit en toen dat gevonden had en zoo vervolgens, zoodat hij met zijn strepen en kringetjes een gansche meetkunst geschapen had.
Een vriend van den huize, zekere Le Pailleur, ried Blaise’s vader aan zijn zoon niet langer tegen te werken. Deze gaf hem daarop de Beginselen van Euclides, die de jongen, zonder eenige verklaring noodig te hebben, dadelijk begreep, en weldra kon hij geregeld en met vrucht zekere samenkomsten bijwonen, op welke de parijsche geleerden wekelijks voordrachten over wiskunde hielden en gehouden voordrachten beoordeelden. De jonge Pascal deed, zoo goed als de beste, met deze geleerden mee; hij bracht niet zelden iets nieuws aan, en het is gebeurd dat hij fouten opmerkte, die door de anderen over het hoofd waren gezien. Toch was het alleen in zijne vrije uren, dat hij zich aan deze studiën wijdde. In korten tijd echter maakte hij zulke vorderingen, dat hij, zestien jaren oud, een vertoog schreef over de kegelsnede. Dit werk mag voor een der merkwaardigste voortbrengselen gehouden worden, die de menschelijke geest op dit gebied geleverd heeft.
Toen Blaise negentien jaren oud was, vond hij een rekenmachine uit, die met recht aller bewondering gaande maakte en hem twee jaren van ongehoorde inspanning kostte, maar zijn gezondheid niet weinig benadeelde.
De meeste van Pascal’s uitvindingen waren, zooals deze rekenmachine, van algemeen nut. Zoo heeft men hem verschillende praktische werktuigen te danken.
Hij telde drie-en-twintig jaren, toen hij de leer van den barometer openbaar maakte. Toricelli had de eerste begrippen van Galileï omtrent het gewicht van de lucht verder uitgesponnen en in 1643 de proef genomen hoe een kwikkolom wordt opgehouden onder den invloed van de drukking van den dampkring. Pascal hoorde hiervan, en deze belangrijke proef bracht hem al spoedig tot het denkbeeld dat het »ledig” geen onbestaanbare zaak was en dat de natuur het niet zóózeer schuwde als sommigen zich wel verbeeldden. In 1647 ontwierp Pascal het denkbeeld van wat hij de groote proef van het evenwicht van vloeistoffen noemde. Hij kwam op de gedachte, de gewone proef van het luchtledig verschillende malen op een en denzelfden dag te nemen, en wel in dezelfde buis, met hetzelfde kwikzilver, nu eens aan den voet, dan weer op den top van een tamelijk hoogen berg om alzoo zich te vergewissen of de hoogte van het in den buis opgehouden kwikzilver in beide gevallen dezelfde zoude zijn.
Hij koos voor deze proef den Puy de Dôme en verzocht zijn zwager Périer haar uit te voeren.
»Blijkt het,” zeide Pascal, »dat het kwikzilver boven op den berg minder hoog staat dan beneden, dan moeten wij daaruit besluiten dat het gewicht of de drukking van de lucht daar de eenige oorzaak van is, en niet hethorror vacui, de zoogenaamde »afschuw van het ledige.” Immers is er aan den voet van den berg meer lucht dan op den top, terwijl toch niemand zal beweren dat de natuur beneden meer afkeer van het ledige heeft dan boven.”
De proef gelukte volkomen en Périer beschreef zijne bevindingen in een brief, dien hij den 22stenSeptember 1648 aan Pascal toezond.
Eenigen tijd later herhaalde Pascal de proef op de torens van de Nôtre-Dame te Parijs en op dien van Saint-Jacques-la-Boucherie. Alle natuurkundigen volgden hem na. Van dien tijd af dagteekent de nieuwere natuurkunde.
Wij hebben Pascal niet verder te volgen, waar hij de wetenschap verlaat om zich met al zijn kracht toe te wijden en zich met zijn gansche ziel over te geven aan het betrachten van zekere dweepachtige godsdienstige oefeningen. Sainte-Beuve meent dat de eerste stoot tot deze dingen hem gegeven is door de lezing van Jansenius’ boek over de »Vernieuwing van den inwendigen mensch.” De studiën van den mensch, het nadenken over de zedelijke wereld moesten bij dezen merkwaardigen man volgen op de meetkunst en de natuurkunde. Na zoovele wetenschappelijke ontdekkingen moesten twee groote werken in zijn brein tot rijpheid komen: de »Provinciales” en de »Pensées”. Ondertusschen begon zijn lichamelijk leven een lang lijden te worden. Van zijn jeugd af, was hij altijd zwak geweest. De zwakke staat van zijn gezondheid, zoo meldt zijn zuster Mme. Périer, deed hem voortdurend allerlei ongemak ondervinden, ja,hij heeft ons wel gezegd dat hij, na zijn achttiende jaar, geen dag zonder pijn of lijden geweest is.
Pascal zeide weldra alle studie vaarwel, om zich, zooals hij zegt, bij uitsluiting toe te leggen op datgene wat Jezus Christus het eenige noodige noemt. Als een onbeteekenend stofdeel, denkend en peinzend te midden »dier oneindigheid, wier zwijgen schrik aanjaagt,” heeft de groote wijsgeer, naar men wil, dag aan dag een afgrond vóór zich meenen te zien. ’t Was de peillooze diepte der wetenschap, die hij zag. »Wij branden van verlangen om tot op den diepsten grond der dingen af te dalen en een toren te bouwen, die zich verheft tot in het oneindige. Maar heel ons gebouw kraakt en de aarde opent zich, en de afgrond verzwelgt het.”
Pascal’s ongemakken en zijn hoofdpijnen namen met zijn leeftijd toe. Zij brachten hem zoover, dat hij ten laatste niet meer werken kon, noch iemand kon zien. Het gebed en het lezen van den Bijbel namen al zijn tijd in beslag. Hij wilde zelfs het vleesch dooden en droeg op het naakte lijf een gordel, die hem stak met naar binnen gekeerde punten, en telkens wanneer hij een ijdele, wereldsche gedachte had of wanneer hij eenig vermaak schiep, gaf hij zich een stoot met den elleboog, om zich aldus aan zijn plicht te herinneren en het vleesch te kastijden. Weldadigheid en armenzorg was nu zijn eenige bemoeiing. Van alle weelde, van alle genot deed hij afstand, al het overbodige huisraad deed hij wegdragen. »Ik wil de armoede, want Jezus Christus heeft de armen liefgehad,” zoo zeide hij. »Geld en goed heb ik alleen lief, omdat ik ongelukkigen er mee kan bijstaan.” De armen bij te staan, bleef dan ook zijn groote en zijn eenige troost.
Zoo doorstond hij met heldenmoed en liefde al zijn lijden. Zoo naderde zijn einde. Hij ontving het Sacrament der stervenden en ontsliep den 19denAugustus 1662 des morgens te 1 ure, negen-en-dertig jaren oud.
Van anderen aard waren de bezwaren, tegen welke onze landgenoot Huijgens te strijden had.
Christiaan Huijgens werd op den 14denApril 1629 te ’s Gravenhage geboren. Hij studeerde in de rechten aan de universiteit van Leiden, doch wijdde zich bij voorkeur aan de mathematische wetenschappen en aan de natuurkunde, welke voor hem een bizondere aantrekkelijkheid hadden. Op vier-en-twintigjarigen leeftijd kwam hij in Frankrijk, waar hij bij de protestantsche faculteit te Angers tot doctor in de rechten werd benoemd. Naar zijn vaderland teruggekeerd, gaf hij zich weder geheel over aan de studie der gezichtkunde en der sterrekunde. Hij slaagde er in een sterrekijker samen te stellen, met behulp van welken hij den eersten satelliet van Saturnus ontdekte.
In zijn fraai werk:de Saturni Luna(over Saturnus’ maan) verhaalthij ons hoe hij op den 25stenMaart van het jaar 1655 bezig zijnde met zijn kijker de planeet Saturnus gade te slaan, buiten diens ring, en wel op geringen afstand, ten westen, een kleine ster gewaar werd, gelegen ongeveer in het vlak van den ring. »Vermoedende dat dit wel een soortgelijk lichaam kon zijn, als de manen van Jupiter, teekende ik, schrijft hij, den stand der kleine ster in haar betrekking tot Saturnus op. Ik had mij niet bedrogen. Den volgenden dag had ze zich verplaatst en ik kon gedurende de volgende dagen de afwijkingen meten, die zij in een bepaalden tijd maakte.”
Chr. Huijgens.Chr. Huijgens.
Chr. Huijgens.
Later heeft men nog zes andere manen van Saturnus ontdekt; maar Huijgens heeft den weg tot deze nieuwe ontdekkingen gebaand. Ook komt hem de eer toe van aangewezen te hebben, dat de dunne en platte ring der planeet niet aan deze bevestigd is, zooals men meende, maar dat een ringvormige tusschenruimte haar van de planeet scheidt. Huijgens maakte deze ontdekking op een eigenaardige wijze bekend. De astrologen spraken, volgens een oude overlevering, gaarne in raadselen en zochten den zin van van wat zij mededeelden achter zeker geheimschrift te verbergen. Huijgens volgde dit gebruik ten opzichte van den ring van Saturnus en bood zijn geleerden tijdgenooten het volgende anagram aan:
aaaaaaa cccc d eeeee g. h. iiiiiii llll mm nnnnnnnnn oooo pp q rr s tttt uuuu
aaaaaaa cccc d eeeee g. h. iiiiiii llll mm nnnnnnnnn oooo pp q rr s tttt uuuu
Niemand kon ditgeheimschriftontcijferen. Drie jaren later maakte hij in zijnSystema Saturninumden verborgen zin dezer letters openbaar. Zij beteekenden het volgende:
Annulo cingitur tenui, piano nusquam cohaerente, ac eclipticam inclinato: Hij (Saturnus) is van een dunnen ring omgeven, die de planeet op geen enkele plaats raakt en een hoek maakt met de ecliptica.
Men ziet, dat de geleerden dier dagen er zonderlinge manieren op nahielden om hunne ontdekkingen openbaar te maken. Doch een man als Huijgens moest de wetenschap wel van haar oud abracadabra zuiveren. Na de ontdekking van de groote nevelvlek van Orion schreef hij dan ook een werk, zijnCosmotheoros, waarin hij zijn geest den vrijen teugel viert. Hij beschrijft achtereenvolgens al de planeten en wil bewijzen dat zij bewoond zijn. Het denkbeeld, dat het gansche heelal ter wille van onze aarde geschapen zou zijn, stond hem geweldig tegen.
»Is het wel redelijk aan te nemen,” zoo schreef Huijgens, »dat de hemellichamen, onder welke onze aarde een zoo ondergeschikte plaats bekleedt, om geen andere reden geschapen zouden zijn, dan om voor ons, kleine menschen, hun licht te ontsteken en door onze kijkers bespied te worden in hunne verschillende verhoudingen en bewegingen?”
De werken, die onze geleerde landgenoot over meetkunst en natuurkunde schreef, zijn niet minder belangrijk dan zijn sterrekundige arbeid. Men dankt hem eenige opmerkenswaardige aanteekeningen omtrent »de waarschijnlijkheids-rekening”, over »reflexie en refractie van het licht”, over de belangrijke »theorie der ontwikkelde kromme lijnen”.
Alles, wat Huijgens deed en vond opnoemen kunnen wij niet, hij verbeterde de luchtpomp en den barometer, hij gaf de ware leer van de kijkers, en vervaardigde een planetarium; maar wat vooral Huijgens beroemd heeft gemaakt, is de uitvinding der slingeruurwerken. Vóór hem waren alleen zandloopers en wateruurwerken bekend. Hij verbond Galileï’s slinger met een wel ingericht stel raderen en bewees daarmee zoowel aan de sterrekunde als aan de menschheid een dienst, waarover wij niet verder hebben uit te wijden.
Huijgens, die in 1655 en 1663 Frankrijk en Engeland bezocht, werd door Colbert, die de Academie des Sciences had gesticht, naar Parijs geroepen en draalde niet met te komen. Hij ontving van Lodewijk XIV een jaargeld, en vestigde zich in de Koninklijke Bibliotheek.
Toen het edict van Nantes werd herroepen, verwijderde hij zich uit Frankrijk. Te vergeefs trachtten de Koning, het hof en de academie hem tegen te houden. Verontwaardigd over al hetgeen zijne geloofsgenooten moesten verduren, brak hij alle betrekkingen met Parijs af. Hij zond nu zijne verslagen naar de Koninklijke Maatschappij van Londen, en ging zelfs in Engeland wonen, waar hij met Newton kennis maakte en een paar malen ook met hem slaags raakte.
Christiaan Huygens stierf in den ouderdom van 65 jaren. Hij bleef, gelijk Spinoza, Newton, Cartesius, Leibnitz, ongehuwd. In 1695, zijn sterfjaar, namen zijne geestvermogens merkbaar af, in die mate, dat hij ze ten laatste geheel verloor. Slechts enkele heldere oogenblikken werden hem gegund. Hij was rijk, en zijn geboorte gaf hem het recht aan vorstelijke hoven te verkeeren; maar hij had de eenzaamheid en het buitenleven lief, waar hij rustig kon peinzen en werken.
Grooter schade dan Huygens heeft Nicolas Lémery van zijne protestantsche gevoelens geleden.
Nicolas Lémery was als eenvoudig artsenijmengersbediende naar Parijs gekomen, om er de scheikunde te beoefenen, maar al spoedig wist hij zich zonder meesters te redden en had hij een scheikunde op zijn eigen hand. Te Montpellier, waar hij in een apotheek werkzaam was, gaf hij lessen, welke daar grooten opgang maakten. Al de hoogleeraren en een aantal belangstellenden woonden zijne voordrachten bij.
In 1672 keerde Lémery naar Parijs terug. Hij verkeerde en schitterde in de geleerde kringen als een ster van de eerste grootte en werd opgemerkt door Condé, die hem verder begunstigde. Daar hij gaarne een scheikundige werkplaats wilde bezitten, zocht hij meester-apotheker te worden, ’t geen hem gelukte. Dadelijk daarna opende hij zijne lessen in de straat Galande. Hij werd hier door belangstellenden als belegerd. Tal van dames woonde zijne voordrachten bij; zijn huis was vol leerlingen; de straat was een kolonie van hoorders en discipelen. Gansch Parijs moest er wezen. ’s Avonds hield hij een soort van open tafel, en de studenten achtten het een groote eer bij hem genoodigd te worden.
Die groote bijval, door Nicolas Lémery geoogst, laat zich gemakkelijk verklaren. De chemie was een warwinkel van dwaasheden, duistere woorden van geheimzinnige kunstenarijen. »Lémery was de eerste,” zegt Fontenelle, »die de werkelijke en de opzettelijke duisterheden van de scheikunde deed opklaren, die haar tot duidelijker en eenvoudiger denkbeelden herleidde, die hare noodelooze barbaarsche termen ophief, die niets beloofde, dan wat hij vermocht te geven. Vandaar dit succes.”
Ten einde meer tot allen te spreken, maakte Lémery in 1675 zijn »Leer der Scheikunde” openbaar, waarvan uitgave na uitgave verscheen en die grooten opgang maakte. Gedurende meer dan een eeuw heeft dit boek voor een autoriteit gegolden. Twintig malen in Frankrijk herdrukt, in bijna alle europeesche talen overgezet, is het de gids, het wetboek, het onmisbare handboek geweest van de scheikundigen der 18deeeuw, en toen de wetenschap een algeheele vernieuwing had ondergaan, toen na honderd jaren alles hervormd geworden was, sloeg men nog langen tijd in Lémery’sboek zekere kleine praktische bijzonderheden en proefnemingen op, die men elders niet kon vinden, en die haar waarde blijven behouden, zoowel door haar duidelijkheid als haar juistheid en zekerheid.
Zoo stond dan de groote Lémery, want zoo begon hij genoemd te worden, op het toppunt van zijn heerlijkheid. Zijn roem kende geen mededinging en zijn zaak schonk hem welvaart en fortuin. Maar dit geluk zou niet duren.
»Kom na tien jaren weder,”—aldus Dumas in zijne »Chemische lessen”,—»en gij vindt de straat Galande ontruimd en verlaten. Lémery is verdwenen, zijne toestellen zijn verkocht of hier en daar verstrooid. Heel deze wereld der wetenschap is verjaagd, heel die luister heeft uitgeschenen, heel die glorie is getaand en dat wegens een enkel, maar een onvergeeflijk misdrijf: Lémery was protestant.” In 1681 werd hij genoodzaakt zijn bedrijf te laten varen en zijne lessen te staken. Hij vluchtte naar Engeland; het verlangen naar zijn vaderland echter dringt hem naar Frankrijk terug te keeren. Hier bleef hij eenigen tijd en werd doctor in de geneeskunst; maar ook daarvan had hij weinig genot. Het edict van Nantes verdreef ook hem. Protestantsche geneesheeren mochten er niet zijn; en zoo bleef hij op den leeftijd van veertig jaren, zonder hulpmiddelen, de armoede ter prooi, en daarbij omringd van een huisgezin, dat zich—en met recht—een gelukkig leven had voorgespiegeld.
De wetenschap, de rust, het familieleven gingen bij hem boven godsdienstige overtuiging. Hij ging tot het katholicisme over, kreeg een aanstelling bij de Academie van Wetenschappen, gaf een geschrift over het antimonium uit en stelde zich voor nog meer te leveren; maar verscheidene aanvallen van beroerte maakten hem eerst ongeschikt voor den arbeid, en in 1715 een einde aan zijn leven. Bijna gansch Europa heeft de chemie van hem geleerd. Hij was arbeidzaam en verdeelde zijn tijd tusschen het studeervertrek, het laboratorium, zijne patiënten en de academie, en wel is in zijn leven openbaar geworden hoeveel tijdhijtot zijne beschikking heeft, die hem weet uit te koopen.
»Omstreeks het jaar 1773,” zoo verhaalt de schrijver I. B. Dumas, »verschenen op het tooneel der wereld drie mannen, die een gansche verandering zouden brengen in de wetenschappen. Van verschillenden landaard, leeftijd en maatschappelijken stand, van verschillenden aanleg ook in geestvermogens, hebben zij allen aan een zelfde taak met gelijken moed gearbeid—geenszins echter met hetzelfde geluk.”
Dit driemanschap bestaat uit Scheele, Priestley en Lavoisier.
Scheele werd te Stralsund in zweedsch Pommeren geboren, op den 9denDecember 1742. In zijn jongensjaren was hij leerling bij een apotheker. Zijn leven was zoo vol van teleurstellingen en tegenheden, dat het was, alsof een booze geest hem vervolgde. Hij was schuw van aard en tot in het overdrevene zedig, zoodat hij van zijnemakkers dikwijls veel te lijden had. Hij was zoo werkzaam, dat hij den tijd, dien hij voor zijne studie noodig had, aan den slaap ontwoekerde.
Scheele verliet Stockholm voor Upsala, waar Bergman de chemie onderwees. Bergman behoorde tot die menschen, die alles wat zij aanvatten, verbeteren, vernieuwen. Ook hij is een slachtoffer van den arbeid, daar zijn onvermoeide werkzaamheid grooter was, dan zijne krachten, die toch reeds niet velen waren, dragen konden.
Toen Scheele in Upsala kwam, wachtte Bergman hem op. Hij werd Scheele’s beschermer en maakte door gansch Europa de ontdekkingen bekend, waarmee deze de wetenschap verrijkte.
Intusschen was Scheele, hoe gelukkig en voorspoedig in zijne studiën en ontdekkingen, zeer ongelukkig in zijne levensomstandigheden. Terwijl zijn naam in Frankrijk, Engeland en Duitschland schitterde, was hij in zijn eigen vaderland een onbekende. De Koning van Zweden op een reis buitenslands telkens over Scheele hoorende spreken, besloot dezen verdienstelijken onderdaan een bewijs te geven van zijn hoogachting, en wenschte hem een ridderorde te vereeren.
»Scheele, Scheele!” zei de minister, »wat is dat voor een man?”
Men wist zoo weinig wie hij was, dat de ridderorde op de borst van een verkeerden Scheele te recht kwam.
Verloofd met een weduwe, die een apotheek had en voor bemiddeld doorging, terwijl haar zaak inderdaad met schulden bezwaard was, bleef hij niettemin trouw aan zijn gegeven woord, ’t er voor houdende, dat wie zich zelven waardig acht iets aan te nemen, ook bereid moet wezen tot geven. Zoo stond een leven vol moeite en zorg voor de deur, terwijl hij gerekend had op een onbekommerd bestaan, dat hij der wetenschap alleen zou toewijden. Zijne studiën werden telkens afgebroken door zijne zorgen om de schulden van zijnen winkel af te doen. Maar Scheele wist met weinig middelen veel te verrichten. Met een paar buizen en retorten deed hij de eene ontdekking na de andere. Niets kwam hem ter hand of hij vond en zag er iets nieuws in. Hij wees drie nieuwe zelfstandigheden aan: het manganesium, het chloor, het baryt en vond de zuurstof. Verschillende zuren zijn door hem ontdekt, zooals het wijnsteen-, het fluorkiezel-, hetcitroen-en het galnootenzuur. Wildet gij hem bij alles volgen, dan zoudt gij alle onderdeelen der chemie moeten doorloopen, en gij zoudt u overtuigen van de buigzaamheid van zijn geest, de vruchtbaarheid van zijn manier van onderzoek en de vastheid zijner hand, zoodat hij altijd komt waar hij wezen moet.
Eindelijk zou de arme geleerde zich voor zijn arbeid beloond zien. De laatste schuld was betaald; hij zou zich nu eerst recht vestigen, hij zou in het huwelijk treden …. maar op zijn trouwdagwerd hij door hevige koortsen aangegrepen en den 22stenMei 1786 stierf Scheele op den leeftijd van 42 jaren.
Hij was de eenvoud zelf. Zij, die uit nieuwsgierigheid en belangstelling soms van verre den grooten geleerde kwamen bezoeken, vonden hem met een boezelaar vóór in zijn winkel staan. Daarvoor dan waren zij soms van verre gekomen! Maar wie het hart op de rechte plaats had, vond deze eenvoudige verschijning zeker juist boven alles merkwaardig en beminnelijk.
Terwijl Scheele in Zweden zijn waarlijk belangrijken arbeid verrichtte, was ook in Engeland een groot geleerde bezig de grondslagen te leggen voor de nieuwere seheikunde. ’t Was Priestley, die 30 Maart 1733 te Fieldhead bij Leeds in Yorkshire geboren werd. Zijn vader, die lakenfabrikant was, wilde hem voor dat vak opleiden, maar de jongen vond het meeste behagen in godgeleerde vraagstukken, en kenmerkte zich door een bijzonder opgewekte godsdienstigheid. Hij verloor al vroeg zijn moeder en kwam bij een zijner tantes in huis, bij wie hij zijn eigenaardigen smaak ongehinderd volgen kon. De goede vrouw had haar huis in een soort van godsdienstigrendez-vousherschapen, waar alle gezindten en alle secten hare vertegenwoordigers hadden. Priestley groeide aldus op in een kring, binnen welken hij aan zijn lust voor godsdienstige gesprekken ruimschoots kon voldoen. Hij gaf zich dan ook met hart en ziel aan deze zaken over, verdiepte zich in de Schrift en leerde Chaldeeuwsch, Syrisch en Arabisch. Hij toonde een zeer groote vatbaarheid om talen te leeren, en deed er voor zijn genoegen meetkunde bij.
Hij besloot zich aan de Kerk en het kerkelijke ambt te wijden, trad ergens in Suffolk als prediker op en vestigde zich later te Nantwich in Chester, waar hij een school bestuurde en door spaarzaamheid en matigheid zoo veel wist uit te winnen, dat hij eenige natuurkundige werktuigen en met name een electriseermachine en een luchtpomp kon aankoopen, waarmee hij proeven deed voor zijne leerlingen. Wel hielden nog altijd godgeleerde vragen hem bezig, maar reeds in 1761 werd hij naar Warrington beroepen om in de oude talen te onderwijzen, en nu trad hij met ernst de wetenschappelijke loopbaan in.
Een reis door Priestley naar Londen gedaan, besliste over zijn toekomst. Het toeval bracht hem in aanraking met Benjamin Franklin, en een gesprek, met dezen gehouden, bracht hem op het denkbeeld de geschiedenis te bestudeeren der ontdekkingen op het punt van de electriciteit. Franklin juichte zijn plan toe, en nauwelijks was er een jaar verstreken of Priestley had een belangrijk werk over de »Geschiedenis der Electriciteit” geschreven, waarin het eerste begin en de vorderingen van dit onderdeel der natuurkunde met veel helderheid en orde zijn meegedeeld. Enkele proeven, die hij zelfnam, gaven hem een zekere bekendheid in de geleerde wereld. Tot dokter benoemd, zag hij ook de deuren van de Koninklijke Maatschappij van Londen voor zich opengaan.
In 1767 verliet hij Warrington, om te Leeds de leiding op zich te nemen eener gemeente van »dissidenten”, en hier ging hij voort de theologie aan de natuurkunde te verbinden. Hij woonde in de nabijheid eener bierbrouwerij, en dit leidde hem er toe eenige proeven te nemen met het koolzuur, dat zich bij het gisten van het bier ontwikkelt. Eenige zijner waarnemingen deelde hij in 1672 aan de Koninklijke Maatschappij mede. De titel van zijn verhandeling luidde: »Opmerkingen omtrent de verschillende soorten van lucht.” Tot dusver kende men slechts twee gassen, koolzuur en waterstof. Priestley leerde deze beide beter kennen, en vond andere gassen, als de stikstof, een der bestanddeelen van de dampkringslucht, het tweede oxyd van de stikstof, wier bederfwerende eigenschappen hij ontdekte, het chloorwaterstofgas en het ammoniac. Allengs zouden ook het eerste oxyd van stikstof, het zwavelig zuur en de zuurstof door zijne onderzoekingen nader bekend worden. Hij wist de zuurstof uit het kwikoxyd te verkrijgen, en in het jaar 1775 werd zijn aandacht gevestigd op de eigenschap, die dit gas heeft om de ademhaling te onderhouden. Voegt men hier nog bij de ontdekking van het fluorkiezelwaterstofzuur, koolstofoxyde, zwavelwaterstofgas en andere, dan bemerkt men dat dit groote vernuft de voornaamste gassen aan het licht heeft gebracht, en wel die, wier eigenschappen dagelijks in het belang der wetenschap of der nijverheid worden gebezigd. Men staat waarlijk verbaasd dat deze en dergelijke uitvindingen met zooveel gemak konden gedaan worden door een man, die in zijne stukken niet naliet te herhalen dat hij volstrekt geen scheikundige was en dat alles wat hij vond, hem door het toeval aan de hand werd gedaan. Maar wat hij verzwegen heeft, hebben zijne levensbeschrijvers openbaar gemaakt. »Priestley,” zegt Thomson, »bezat een schranderheid, die zich door niets liet uitputten, en een gave van opmerken, die hem in staat stelde partij te trekken van ieder verschijnsel, dat zich aan hem voordeed. Hij was zoo nauwkeurig bij zijne waarnemingen, dat hij geen enkele bijzonderheid vergat op te teekenen. Even eerlijk als belangeloos, scheen hij de waarheid tot het eenig doel te stellen van al zijn inspanning.”
Toen Cook zijn tweede reis ondernam, was hij van plan Priestley mede te nemen, maar gelukkig achtte de admiraliteit hem niet orthodox genoeg. Hij kreeg intusschen een andere en betere betrekking, wat hij met zijn vrij groot gezin wel noodig had. Lord Shelburne, markies van Landsdown, benoemde hem tot zijn bibliothecaris op een bezoldiging van meer dan 3000 gulden ’s jaars. In dezen edelmoedigen edelman vond Priestley een machtigen beschermer, die hem bij zijne studiën aanmoedigde en hem al de middelenverschafte, om ze op ruime schaal voort te zetten. Hij volgde hem op zijne reizen, hij vergezelde hem naar Frankrijk, Duitschland en de Nederlanden. Priestley kwam ook te Parijs, waar hij door de geleerde wereld met eerbewijs ontvangen werd. Een vreemd schouwspel moet, te midden van de verklaarde atheïsten van het Parijs dier dagen, de man hebben opgeleverd, die om zijn wetenschap gezocht werd en tegelijk zich niet schaamde Christen te zijn.
Tot het jaar 1780 bleef Priestley zijn plaats bij den graaf van Shelburne behouden. Gedurende dezen tijd was het, dat hij de vier eerste deelen uitgaf van zijn »Proefnemingen en opmerkingen omtrent de verschillende luchtsoorten.” Toen het vijfde verschijnen zou, verliet hij zijn beschermer. Om welke reden dit geschiedde is niet bekend. Waarschijnlijk gaf hij aan de vrijheid de voorkeur boven de rust van een onbezorgd bestaan. Hij vestigde zich nu te Birmingham en werd de leidsman der voornaamste gemeente van »dissidenten” daar ter plaatse. Ook op het punt van godsdienst volgde hij zijn eigen weg. Van Calvijn verviel hij tot Arminius en van Ariaan werd hij Sociniaan. Beurtelings beleed en verwierp hij de belangrijkste leerstelsels, totdat hij zich een godsdienstige overtuiging op zijn eigen hand vormde, waaraan hij zeer gehecht was. Van een ruimen en echt vrijzinnigen geest bezield, bestreed hij de orthodoxe Staatskerk en de wijsgeeren, en stelde zich met veel ijver in de bres voor de gemeenten der »dissidenten”, te wier wille hij niet minder dan 20 geschriften opstelde. Hij wilde ook niet dat aan de Protestanten eenige vrijheid gegund werd, die den Catholieken werd geweigerd. Vrijheid wilde hij voor alle kerken, genootschappen en gemeenten. De Kerk van Engeland was weinig ingenomen met die edelmoedige onpartijdigheid en sommige geestelijken droegen hem een innigen haat toe. Dit werd er niet minder op, toen hij de fransche omwenteling met vreugde begroette als een soort van maatschappelijke wedergeboorte. De moeite, die hij deed, om een algemeene verdraagzaamheid te stichten en vooral zijn »Antwoord” op de bekende »Beschouwingen” van Burke over de vermoedelijke gevolgen van de fransche revolutie, waren van dien aard, dat hij kandidaat gesteld werd voor de Nationale Conventie. Men kende hem de waardigheid toe van »fransch burger” en één der departementen, dat van de Orne, verkoos hem tot zijn afgevaardigde. Priestley wees dit eerbewijs af, maar droeg zijn leven lang roem op dit blijk van hoogachting, hem door de eerste fransche republiek bewezen.
Op een wagen weggevoerd. Blz. 109.Op een wagen weggevoerd. Blz. 109.
Op een wagen weggevoerd. Blz. 109.
Den 14denJuli 1791 zouden eenige van Priestley’s staatkundige vrienden te Birmingham de verjaring vieren van de inneming der Bastille. Onze geleerde vriend meende zich hieraan niet te moeten wagen, maar zijn voorzichtigheid baatte hem weinig. Hij heette de man, die het feest had geopperd en aangelegd. Ja, op aanstokenvan engelsche geestelijken en staatkundige vijanden, werd er een volksoploop tegen hem uitgelokt.
De zaal, waar de feestgenooten te zamen waren, werd belegerd en geplunderd en alles over hoop geworpen. Priestley was er echter niet. Nu begaf men zich naar zijn huis, de plaats, waar zoovele uitvindingen waren gedaan, zoovele waarheden aan het licht gekomen. Het volk, meest werklieden van Birmingham, verblind door aangehitste partijwoede, werpt zich op Priestley’s boekerij, verscheurt de kostbaarste werken, slaat zijne instrumenten stuk, slingert zijne handschriften naar alle winden en steekt eindelijk alles in brand. In een naburig huis verstoken, moest Priestley dit alles weerloos aanzien. Hij hield zich echter goed, slaakte geen enkele klacht en droeg den tegenspoed met een onbewolkte ziel.
Intusschen was hem zijn vaderland onverdragelijk geworden. Den 7denApril scheepte hij zich in—niet naar Frankrijk, zooals men denken zou, maar naar Amerika, wat wel zoo veilig scheen. Hij vestigde zich in Northumberland aan de bronnen van de Susqueannah, waar hij 200.000 morgen land kocht. Maar ook hier kon hij aan het vooroordeel niet ontsnappen. De Engelschen bleven hem vervolgen en verbitterden zijn leven door de zonderlingste verdenkingen uit te strooien. Zoo beweerde men, dat hij een geheim en bezoldigd handlanger was der fransche republiek. Na zijn vrouw en één zijner kinderen verloren te hebben, kwam hij op een jammerlijke wijze om het leven. Op een maaltijd, waarbij hij tegenwoordig was, bleek één der schotels door een onvoorzichtigheid vergiftigd te zijn. Hij alleen kwam het niet te boven. Maar hij was ook gesloopt door de jaren, den arbeid en den tegenspoed. Zijne laatste oogenblikken kenmerkten zich door die eigenaardige vroomheid, die hem zijn geheele leven had bezield en hem zooveel nadeel berokkend had. »Nu ga ik rusten, zooals gij,” zeide hij tot zijne kinderen, die te slapen gelegd werden; »maar we zullen samen opstaan en eeuwig gelukkig wezen.”
De eerste werken van Priestley dagteekenen van 1770. In hetzelfde jaar maakte Scheele zijne eerste uitkomsten openbaar. Wederom in hetzelfde jaar verscheen Lavoisier’s eerste »Memoire”. Van 1770 dus dagteekent de nieuwere scheikunde, door het genoemde drietal onafhankelijk van elkander gesticht.
Lavoisier werd den 26stenAugustus van het jaar 1748 te Parijs geboren. Zijn vader, een rijk koopman, ontzag geen kosten om zijn zoon het degelijkste onderwijs en de beste opvoeding te verschaffen. De jonge Lavoisier werd dan ook een der uitnemendste leerlingen van het college Mazarin. Na zijne klassieke studiën te hebben voleindigd, volgde hij de lessen van la Caille in het »Observatoire”, werkte op het laboratorium van Rouelle in den »Jardin des Plantes” en herboriseerde met Bernard de Jussieu. Met dezemeesters te werken en te denken was zijn eenigst vermaak. Zoo was hij dan ook reeds op den leeftijd van één-en-twintig jaren in staat mede te dingen naar den buitengewonen prijs der Academie van Wetenschappen, uitgeschreven voor: »de beste wijze om de straten eener groote stad te verlichten.” Lavoisier zette zich met zelden geëvenaarde kracht aan het werk. Hij bekleedde zijn kamer met zwart doek, om de intensiteit der verschillende lichtsoorten beter te beoordeelen, bleef daar, van het daglicht afgesloten, zes weken lang arbeiden, om zeker te zijn van zijn zaak en bood de academie een proefschrift aan, waarmede hij de gouden medaille won. Een reeks van werken over de »lagen der bergen”, over »de ontleding van de gipssoorten in de omstreken van Parijs”, over »den donder”, over »het Noorderlicht”, opende hem de deur der geleerde gezelschappen. Hij was nauwelijks 25 jaren, toen hij reeds tot lid van de Academie van Wetenschappen benoemd werd.
In zijn jeugd reeds vatte Lavoisier het plan op om de wetenschap, waaraan hij zich gewijd had, een nieuwe gedaante te geven. Bij het eerste scheikundige onderzoek, door hem in het werk gesteld—het gold de vermeende verandering van water in aarde—maakte hij gebruik van de weegschaal, en met dit werktuig in de hand, merkte hij de fouten op zijner voorgangers en toonde hij aan dat al de verschijnselen der chemie ontstaan door zoogenaamde stofwisseling. »Niets wordt uit niets, niets gaat te niet”, ziedaar de zinspreuk, die hij als met onuitwischbare letters nederschrijft op den nieuwen tempel der scheikundige wetenschap.
Eens lid van de Academie der Wetenschappen, legde hij zich met dubbelen ijver toe op de wetenschap, die hij zoo hartstochtelijk liefhad. Al zijn tijd en heel zijn fortuin gaf hij haar ten beste, want dikwijls had hij zeer kostbare proeven te nemen. Eindelijk moest hij, om aan al die onkosten tegemoet te komen, een betrekking zoeken. Zoo dong hij naar een plaats als »fermier general” (pachter van Staatsinkomsten), welke hij in 1769 verkreeg. Bij deze gelegenheid trad hij tevens in het huwelijk met de dochter van den staatspachter Paulze.
Van nu af besteedde Lavoisier een groot gedeelte van zijne inkomsten aan zijn laboratorium; ’s morgens en ’s avonds was hij met scheikundige proefnemingen bezig, terwijl hij ’s middags zijne ambtsbezigheden waarnam. Hij wist op alles orde te stellen en tegelijk zijn werk te doen en zijne studiën bij te houden. Met welwillendheid ontving hij ieder jonkman, die zich aan de chemie wijden wilde. Bovendien vormde hij om zich heen een kring van geleerde vrienden, zoo van Frankrijk als uit het buitenland, en bracht tal van kunstenaars met elkaar in aanraking, opdat zij zich met elkander zouden verstaan omtrent de vervaardiging der nauw luisterende en uiterst gevoelige werktuigen, die hij voor zijneproefnemingen noodig had. Zijn woning werd op die wijze een soort van academie op zich zelve, waar de meester voordrachten hield en bres bij bres schoot in de oude veste der wetenschap, en ondertusschen den nieuwen tempel oprichtte, die staat tot op dezen dag.
Onder het ministerie Turgot werd Lavoisier geroepen, om het algemeen bestuur op zich te nemen over de kruitfabrikage. Hij begaf zich nu naar Essonne en nam er gewichtige maatregelen, waardoor hij het gevaar van ontploffing in de magazijnen en elders zeer verminderde.
Na in 1787 tot lid van de Provinciale Vergadering van Orléans gekozen te zijn, werd Lavoisier in 1790 lid van de bekende »Commissie voor de maten en gewichten”, aan wier werkzaamheden hij een levendig aandeel nam. In 1791 vervaardigde hij een geschrift »Over het grondbezit van Frankrijk”, hetwelk op kosten van den Staat gedrukt werd. Ondertusschen verzuimde hij ook nu zijne eigenlijke studiën niet, maar hield integendeel met eere den hoogen rang op, dien hij onder Europa’s geleerden bekleedde. Hij verrijkte de wetenschappelijke wereld met zijn theorie over »verbranding” en »ademhaling”, die hij in al hare bijzonderheden ontwikkelde, en die alleen voldoende zou zijn om hem te vereeuwigen.
Uit menschlievendheid begaf hij zich vervolgens in onderzoekingen, die een ieder moeten doen walgen, maar die hij door de kracht van zijn geest en zijn medelijden doorstond. Aan niemand kon het ontgaan, hoe vele werklieden, die in riolen en afvoerkanalen werkten, ziek werden en stierven. Lavoisier, bekleed met een hoog staatsambt, Lavoisier, milionnair en geleerde, achtte zich niet te goed om de schadelijke gassen te onderzoeken, die hun besmetting aan de arme werklieden mededeelden. Maanden bleef hij met zeldzame volharding aan dit terugstootend onderzoek wijden, in de hoop dat hij het lot der werklieden zou kunnen verzachten. Of hem dit gelukte, weten wij niet; maar wij bewonderen den onbaatzuchtige, die alleen om eenige menschenlevens te redden, zulke dingen onderneemt. Er waren in het laatste tiental jaren der 18deeeuw lieden, die over menschenlevens—ook over het leven van een man als Lavoisier—anders dachten, gelijk wij zullen zien.
Gedurende veertien jaren weet Lavoisier van geen rusten. De eene »Memoire” volgt de andere. Hij neemt alle onzekerheid weg omtrent de samenstelling van de dampkringslucht, die tot dusver voor een element werd gehouden; hij ziet dat de lucht gevormd wordt door een gas, het oxygeen of de zuurstof, dat de verbranding onderhoudt en het leven van al wat ademt, en de stikstof. Weet hij te ontleden, hij weet ook samen te stellen. Na de bestanddeelen te hebben gescheiden, vereenigt hij ze, en maakt, wat hij ontbonden heeft, weder wat het was. Hij legt de grondslagen van de leer der verbranding en der reactie, hij bepaalt de samenstellingvan het water en van het koolzuur, denkt de equatie der atomen uit, vernieuwt het woordenboek der wetenschappen en doet in alles de waarheid uitblinken, die hij verdedigt en op den troon verheft door de onwedersprekelijke feiten ten zijner proefnemingen en de juistheid zijner betoogen.
Zulk een man moest algemeen geacht zijn geweest, zal men zeggen!
Maar zoo was het niet. Zijn leven, zoo rein, zoo schoon, zoo edel, zoo vol menschenliefde, werd afgesneden door de beulen, die in 1793 het bewind over Frankrijk voerden.
Lavoisier was »fermier general” en deelde als zoodanig in het lot, dat aan al deze staatsambtenaren te beurt viel. De groote scheikundige was juist bezig zijne »Memoires” te verzamelen, toen hij vernam dat Fouquier Tinville hem had aangeklaagd bij het revolutionnair gerechtshof.
Lavoisier begreep dadelijk dat zijn leven op het spel stond; hij verliet zijn woning en ontmoette zekeren Lucas, en deze wees hem een schuilplaats aan in het Louvre, en wel in een der meest verborgen hoeken van de Academie van Wetenschappen. Hier bleef hij twee dagen, maar toen men hem berichten kwam dat zijne medeambtenaren en zijn schoonvader gevangen zaten, wist hij wat hem te doen stond. Hij wilde het lot dezer mannen deelen en geeft zich gevangen. Den 6denMei 1794 wordt de groote Lavoisier ter dood veroordeeld, »als zijnde hij overtuigd geworden van tegen het fransche volk samengezworen, met de vijanden van Frankrijk geheuld, allerlei knevelarij en afpersing gepleegd en de tabak voor de burgers met schadelijke stoffen vermengd te hebben.”
Twee dagen later werd Lavoisier op een wagen weggevoerd. De guillotine sneed zijn kostbaar leven af.
Lavoisier’s werken zijn echter onsterfelijk. Het heelal spreekt telkens zijn naam uit; lucht en water, aarde en delfstof getuigen van zijn roem. Vele edele mannen staan nevens hem, zooals een Edouard Adam, de uitvinder van een nieuwe manier om alcoholische vochten te distilleeren, die zich geheel ruïneerde ter wille van zijne uitvinding en in 1807 van uitputting stierf, of Bernard Courtois, de ontdekker van het jodium, die in 1838 van armoede en ellende stierf.
Thans leert onze jeugd uit boeken, thans hoort zij, onder de les, die vondsten der wetenschap als dingen, die van zelf spreken. Zij doen zich te goed aan de voedende spijs met overmoedig behagen. Dat zij niet vergeten hoe duur, onder hoevele gevaren, voor hoevele opofferingen deze spijzen zijn gekocht en bereid.