Zag zijn inboedel aan den meestbiedende verkoopen. Blz. 113.Zag zijn inboedel aan den meestbiedende verkoopen. Blz. 113.HOOFDSTUK VIII.DE NIJVERHEID EN HARE WERKTUIGEN.De arbeid, die vroeger door last- en trekdieren of ook door de hand der menschen werd verricht, wordt thans meer en meer aan allerlei soort van werktuigen toevertrouwd. Hierdoor is een zoo groote omwenteling ontstaan in het maatschappelijk leven, dat wij veilig kunnen zeggen: met de opkomst van nijverheid en werktuigkunde is in de geschiedenis der menschheid een nieuw tijdperk aangebroken. Het eind van de vorige eeuw was de geboortestond dier wonderen van samenstelling en verbinding, waarover we ons tegenwoordig niet meer verbazen, daar zij algemeen zijn geworden; maar die toch inderdaad niet weinig bewondering verdienen, gelijk ook de uitvinders zelven, die deze kunstige werktuigen hebben uitgedacht. Zij zijn echter maar al te onbekend. Wij willen dan ook hier aan de vergetelheid zoodanige daden ontrukken, om welke de fortuin zich niet heeft bekommerd en die de faam, om welke reden dan ook, niet heeft uitgebazuind. Daar hebt gij de vervaardiging van kunstmatige soda, de aanwending van het gas ter verlichting van straat en huis, de nieuwe weverij en tal van andere zaken.Chaptal heeft gezegd dat de bereiding van het zwavelzuur een zeer juiste maatstaf leverde om den graad te bepalen van den bloeivan handel en nijverheid, van de koolzure soda kan men hetzelfde zeggen. Hoe meer een land er van noodig heeft, hoe beter het staat met zijn nijverheid. Met kleiaarde en kalk verbonden levert dit zout ons glas, met vette zuren vereenigd wordt het zeep, in water opgelost biedt het den verwer een kostelijk vocht om draden en weefsels uit te loogen. De glasblazers en zeepzieders gebruiken er gansche bergen van, zeker meer dan 400 millioen kilogrammen ’s jaars. Hiervan bereidt Frankrijk ongeveer 100 en Engeland 150 millioen.Gedurende de fransche revolutie vond Nicolas Leblanc het middel om op kunstmatige wijze deze stof te bereiden, die vroeger langs natuurlijken weg uit de asch van zeeplanten bereid werd. Vóór de fransche revolutie waren de Spaansche kusten, bij Alicante en Malaga, en de fransche bij Narbonne bedekt met planten, zooals desalsola, desoda, desalicornia europea, die men met de meeste zorg kweekte. Hadden deze planten een voldoenden wasdom bereikt, dan sneed men ze in kleine stukjes, die men in de open lucht liet drogen. Droog geworden werden ze in kegelvormige kuilen opgehoopt en verbrand. Van de asch, die in grooten voorraad overbleef, werd nu een zeer harde en broze zelfstandigheid, deruwe soda, verkregen, welke gemalen en met water toebereid een soort van loog gaf. Dit liet men uitdampen en zoo bleef de soda over.In de vorige eeuw was Spanje het eigenlijke vaderland van de soda. De soorten van Alicante en Malaga, welk voor 28 tot 30 pct. koolzure soda bevatten, wedijverden met die van Narbonne, ja, Frankrijk moest zich naar den vreemde wenden, om zijne fabrieken van de noodige soda te voorzien. Tot op de revolutie ging dit goed; maar de krijg maakte een eind aan alle buitenlandsche handelsbetrekkingen; men moest van eigen middelen leven en tot elken prijs moesten de zeep- en glasfabrieken hun soda hebben.Het Comité van Algemeen Welzijn deed een beroep op de fransche scheikundigen. Het riep hen op om al hun krachten in te spannen, ten einde de soda uit eigen bodem te halen. Weldra waren er niet minder dan vijf-en-twintig of dertig plannen ingeleverd; maar met algemeene stemmen werd aan het ontwerp van Leblanc de voorkeur gegeven. Leblanc, een eenvoudig fransch geneeskundige, had begrepen dat hij de soda van het keukenzout hebben moest. Dit zout, door middel van zwavelzuur ontleed, geeft het natriumsulphaat of glauberzout, hetwelk hij nu met houtskool vermengde, gelijk De la Métherie, hoogleeraar aan het Collège de France, had voorgesteld. Dit echter gaf niet de stof, die hij wenschte te verkrijgen. Een ingeving deed hem het denkbeeld aan de hand er krijt (calciumcarbonaat) bij te voegen, en zie, het vraagstuk was opgelost. Noch Leblanc, noch zijn geleerde tijdgenootenbegrepen ten volle hoe en waarom deze bijvoeging van krijt de gewenschte koolzure soda ontstaan deed. Het was alleen een gelukkig denkbeeld, een gelukkige greep, die maakte dat Leblanc, na vele vruchtelooze pogingen, na vele geduldige proefnemingen, na vele uiterst schrandere verbindingen, het eenig ware middel juist op die wijze aanwendde als voor het welslagen der proef noodzakelijk was. In de 90 jaren, sedert verloopen, zijn de door Leblanc opgegeven cijfers van gewicht en hoeveelheid nog niet veranderd geworden.Onder degenen, die in het groot Leblancs uitvinding in toepassing brachten, behoort J. B. Bayen genoemd te worden. Deze vestigde zich op de vlakte van Grenelle, die toen ter tijde nog onbewoond was. Al spoedig nam de kunstmatige bereiding van soda zulk een vlucht, dat men niet alleen niets van het buitenland deed komen, maar dat in 1810 de fransche markt zelfs voor buitenlandsch fabrikaat gesloten werd.In 1823 vestigde James Muspratt een fabriek van soda te Liverpool. Hij nam het systeem van Leblanc geheel over en deze werkplaats is thans nog eene der grootsten van Engeland, ja, van de geheele wereld.Nicolas Leblanc had wel terstond, en van den eersten dag af, het belang van zijn vinding ingezien. »De kunstmatige vervaardiging van soda zal, zoo schrijft hij, ten gevolge hebben dat Frankrijk, hetwelk zulk een groote hoeveelheid van deze stof gebruikt en groote sommen uitgeeft om het elders te koopen, nu zijn geld in den zak zal houden; de nijverheid zal niet meer blootgesteld zijn aan het gevaar van deze zoo noodige stof te moeten missen, hetzij wegens de verwikkelingen van den krijg of den mislukten oogst van zekere planten. Wij zullen ons voordeel doen met het zout, waaraan onze bodem geen gebrek heeft. Ja, de overvloed dezer grondstof en den lagen prijs, waarvoor zij in Frankrijk te krijgen is, doen zelfs verwachten, dat onze naburen op hun beurt eenigszins schatplichtig zullen worden aan ons.”Men vond hem levenloos in de Champ Elysées. Bladz. 119.Men vond hem levenloos in de Champ Elysées. Bladz. 119.De uitkomst heeft deze verwachtingen bekroond; maar Leblanc werd er niet gelukkiger door. Volgens de titels van eenige zijner werken, was hij voormalig oud-officier van gezondheid, scheikundige, oud-administrateur van het Departement der Seine, lid van vele geleerde genootschappen. Hij had zich doen kennen door zijne werken over de cristallisatie en hij had een middel aangewezen, om zuivere kristallen te verkrijgen van een vrij grooten omvang. De kennis der kristallen heeft de studie uitgemaakt van bijna gansch zijn leven en waarschijnlijk heeft hij verwacht, dat deze hem een wetenschappelijken naam bezorgen zou. Hij had toch op dit gebied iets zeer belangrijks opgemerkt, namelijk dat verschillende sulfaten een gelijken kristalvorm aannemen, en dat zij zich op ennaast elkander kunnen vormen, welke waarneming mag geacht worden de grondslag te zijn van de zoo belangrijke leer van hetisomorphisme. Maar al mocht hij nu en dan een opstel geplaatst zien in een wetenschappelijk jaarboek, al mocht hem nu en dan een onderzoek van aanbelang worden opgedragen, hij bleef arm, te meer daar de troebelen der revolutie elke opdracht van regeeringswege onzeker maakten en hij soms allen steun missen moest. Maar hoe kommerlijk zijne omstandigheden ook waren, hij heeft zich nimmer door het ongeluk laten overwinnen. Zijn krachtige geest, zijn vaste wil waren bestand tegen alle beproevingen, ook tegen die, welke hij als fabrikant moest ondervinden. Hij zelf maakt hier nauwelijks melding van. Zijn wetenschap ging hem boven alles. Door de voorspraak van Molard, directeur van hetConservatoire des Arts et Métiers, vond hij in 1802 de gelegenheid in een van de werkplaatsen dezer inrichting zijne geliefkoosde studie voort te zetten, en al kon hij ook geen volledige verzameling van kristallen vormen, hij bracht er toch eenige zeer merkwaardige te zamen. Met deze zaak was hij steeds in zijn gedachten bezig. Hoe aandoenlijk is zijn klacht, dat hij zijn verzameling niet naar den eisch heeft kunnen voltooien. »Ik had” zoo schrijft hij, »ik had nu al twintig jaar lang met haar uitbreiding bezig kunnen zijn, maar eens zal zij weder worden ter hand genomen. Dat dan een voorspoediger hand en schranderder waarnemer zich aan haar wijde. Dan zal ik mij troosten dat ik geen hulp heb mogen vinden, die mij in staat stelde mijn arbeid verder voort te zetten.” Over zijn ondernemingen geen woord. Heeft hij al eens gemeend de fortuin bij de haren te grijpen, hij heeft geen teleurstelling getoond, toen zij hem is ontsnapt. In die geschriften, waarin hij de twintig jaren van zijn arbeid beschrijft, zinspeelt hij maar een enkelen keer op den tijd, dien hij aan zijn sodafabriek heeft gewijd.Toch was het mislukken dezer onderneming een zware slag. Niets scheen waarschijnlijker dan dat hij met een sodafabriek fortuin zou maken. Geen onderneming had betere kansen van slagen. Nauwelijks had Leblanc in 1791 een brevet genomen, of hij richtte met Dizé, Shée en den hertog van Orleans een maatschappij op. Te Saint Denis werden de werkplaatsen gebouwd en voor altijd scheen het geluk den vennooten toe te lachen, toen de terechtstelling van den hertog van Orleans een eind maakte aan de groote en billijke verwachtingen, die men koesterde. Te vergeefs trachtte Leblanc te Marseille een nieuwe fabriek op te richten. De man, die eene van Frankrijk’s rijkste bronnen van welvaart geopend had, moest liquideeren en zag zoowel zijn inboedel als al zijn werktuigen aan den meest biedende verkoopen.De val van de fabriek sleepte hem zelven mee. Het brevet, waarvan geen gebruik meer werd gemaakt, viel in handen van het groote publiek en Leblanc was zijn privilege kwijt.In het jaar VIII van de Republiek werd hij op nieuw in het bezit gesteld van de werkplaatsen te Saint Denis; maar hij kon geen kapitaal vinden om de zaak te drijven, en hij stierf in kommerlijke omstandigheden in het jaar 1806.Niet minder aandoenlijk is de geschiedenis van de uitvinding van het lichtgas door Philippe Lebon.Wanneer men de officieele stukken doorloopt, die op dezen man betrekking hebben, wanneer men telkens het stralen van zijn genie mag gadeslaan, wanneer men de hinderpalen nagaat, die hij heeft moeten overwinnen, wanneer men zich in zijn groot karakter en zijne edele gevoelens verdiept, staat men vol bewondering stil bij het beeld van den eenvoudigen man, die de wereld zulk een onwaardeerbaren dienst bewezen heeft.Philippe Lebon werd te Brachay (Haute-Marne) in Frankrijk geboren, op den 29stenMei 1767. Twintig jaren later werd hij geplaatst op de school voor den waterstaat, waar hij zich al spoedig door zijn vindingrijken en onderzoekenden geest onderscheidde. Zijn eerste arbeid had betrekking op de stoommachines, die toen ter tijde in haar opkomst waren, en den 18denApril 1792 ontving de jeugdige ingenieur een nationale belooning van 2000 livres, »ten einde zijne onderzoekingen te voltooien omtrent de verbetering der werktuigen, die met vuur worden gedreven.”Omstreeks denzelfden tijd werd Lebon’s aandacht gevestigd op het gaslicht. Op een dag, dat hij te Brachay vertoefde, wierp hij een handvol zaagsel in een flesch, die hij op het vuur verhitte. Hij zag een dikken rook uit de flesch te voorschijn komen, die op eenmaal vlam vatte en een helder licht verspreidde. Op dien dag deed de nijverheid een harer schoonste vondsten. Lebon had de eerste gaslamp gebrand. Men heeft deze uitvinding aan het toeval toegeschreven. Het zij zoo, daarmee is de uitvinder niet minder groot. ’t Was ook een toeval, hetwelk den appel deed vallen juist toen Newton tegenwoordig was, maar hoe velen hadden er appelen zien vallen, zonder dat zij van een wet der zwaartekracht hadden gedroomd. ’t Is het oog van het genie, dat in de verschijnselen de geheimen ziet, die zij met zich voeren. Zoo zag Lebon een gasfabriek in de flesch, zoo baat het toeval het vernuft alleen. Wat al scheikundigen hadden, vóór Lebon, hout of steenkool zien branden. Maar niemand had nog opgemerkt wat dit in schijn zoo eenvoudige feit beteekende. Hoeveel menschen hebben het deksel van een ketel opgetild gezien door den damp daar binnen! Maar men moest een Watt zijn, om er een stoommachine in te zien. Alleen het genie ziet in de toekomst, alleen het genie weet, als bij ingeving, te beslissen wat er van de vele zaken, die het ziet en opmerkt, worden kan. Binnen weinige dagen had Lebon begrepen waarheen de waarneming, die hij gedaan had, leiden kon, en met den blik van eenwaarlijk verheven geest ging hij aan het werk. Hij wist nu dat hout en andere brandstoffen, onder den invloed der hitte, een gas lieten ontsnappen dat zoowel voor verlichting als verwarming dienst kon doen. Hij had opgemerkt dat het gas, hetwelk aan gloeiend hout ontsnapt, vergezeld gaat van zwartachtige dampen, die een scherpe en doordringende lucht van zich geven. Die hinderlijke bestanddeelen moesten worden weggenomen. Lebon liet nu die dampen door een buis in een flesch met water gaan, waardoor de onbruikbare bestanddeelen werden gecondenseerd en het gas in zuiveren toestand afgescheiden werd. Dit eenvoudige werktuig is de eerste gasfabriek geweest. Het bevat er dan ook de drie hoofdgedeelten van, het toestel der vervaardiging, dat der zuivering en dat der inzameling van het gas.Zijne eerste proeven nam hij ergens op het vrije veld. Hij maakte zich een fabriekje, waar hij het gas stookte, en vervaardigde een zuiveringsvat; en ginds, aan het einde van een uitstekende pijp, brandde het heldere licht, dat door zijne buren niet weinig bewonderd werd.Na Fourcroy, de Prony en de geleerden van zijn tijd geraadpleegd te hebben, nam hij in 28 September 1799 een brevet, waarin hij zijn »thermolampen”, zijn lamp met lichtgas gevuld, beschreef. Tevens leverde zijn fabriek teer.Steenkool achtte hij echter verkieslijk boven hout, en duidelijk moet hij voorzien hebben welk een gewichtige rol de kool en het gas zouden vervullen. Het stuk, dat hij over deze zaak opstelde, is geschreven met een gloed, die den man van overtuiging kenmerkt.Doch Lebon kon maar een gedeelte van zijn tijd aan zijn uitvinding wijden. Hij was ingenieur, hij had geen fortuin, en moest van zijn ambt leven. Hij begeeft zich nu als ingenieur naar Angoulême; maar hij vergeet zijn lievelingsdenkbeeld niet, noch ook Parijs, dat onvergelijkelijk brandpunt van verlichting. Ook hield hij zich met meetkunst en andere vakken van wetenschap bezig, zoodat zijn geest verre weg zwierf van zijne dagelijksche bezigheden en de over hem gestelde hoofdingenieur zich ernstig over hem begon te beklagen. In het geheim was deze naijverig op Lebon, in wien hij een man zag van hooger ontwikkeling, die hem eens voorbij zou streven; hij verborg echter zijn haat achter een masker van voorgewende hoogachting terwijl hij hem van zijn ambt zocht te berooven. Gansch vervuld van zijne plannen met het nieuwe licht, verwijderde Lebon zich dikwijls van Angoulême, om naar Brachay te gaan, waar hij zijn uitvinding tot voltooiing zocht te brengen. Dit bewoog den hoofd-ingenieur zich bij de gestelde machten over Lebon’s nalatigheid te beklagen, waarvan het gevolg was dat er een onderzoek naar diens gedrag werd ingesteld. De commissie echter die benoemdwerd om deze grieven te beoordeelen, verklaarde hem geheel en al verheven boven elk verwijt. Overigens toonde de volgende brief, door hem tot den minister gericht, welk een grootheid van ziel dezen uitvinder kenmerkte.»Mijn moeder, zoo schreef Philippe Lebon, is komen te overlijden en ten gevolge van deze gebeurtenis ben ik genoodzaakt geworden mij eenigszins overhaast naar Parijs te begeven. Dit is mijn eerste fout geweest. De liefde voor de wetenschap en de zucht om nuttig te zijn heeft dezen misstap nog verergerd. Ik werd als verteerd en gekweld door een onweerstaanbare behoefte, om mijn uitvinding tot volmaking te brengen. Gelukkig ben ik geslaagd, en van een kilogram hout mocht ik, door de eenvoudige aanwending van wat warmte, het zuiverst lichtgas verkrijgen, en dat wel met een aanmerkelijke geldelijke bezuiniging en in een voldoende hoeveelheid, om gedurende een paar uren evenveel licht te verkrijgen, als van vier of vijf waskaarsen. De proef er mee is genomen in tegenwoordigheid van burger Prony, directeur van de school voor de genie, burger Lecamus, burger Besnard, inspecteur en burger Perard, chef van de polytechnische school. Ik voelde mij recht gelukkig, nu ik den minister de vrucht mijns arbeids dacht op te dragen. Ook lag er een memorie gereed, over het besturen van luchtballons, een stuk, hetwelk de goedkeuring van burger Prony en andere geleerden mocht wegdragen. Toen riep de genoemde omstandigheid mij naar Parijs. Waarlijk, het moest wel een zaak van overwegend belang zijn, die mij van zulke aangename bezigheden kon losmaken. Wel zou het wreed wezen wanneer ze nu ook de oorzaak werd dat ik een corps moest verlaten, wier chefs zoo goed zijn geweest mijn eerste schreden te leiden, mijne eerste pogingen met prijs op prijs te beloonen en mij aan te moedigen achtereenvolgens al de deelen der wetenschap te beoefenen, die aan de school van de genie onderwezen worden. Ik kan niet gelooven dat de omstandigheden, waarin ik mij bevind, dat mijn vurige liefde voor de wetenschap, dat mijn zucht om mijn vaderland van nut te zijn en de goedkeuring te verwerven van een minister, zelf vol ijver en liefde voor de wetenschap en in zekeren zin medeplichtig van mijn levensideaal—dat dit alles mij op zulk een straf kan komen te staan. Ik ben op het punt van naar Parijs te gaan; ik ga er heen in de hoogste spanning, maar de hoop reist met mij mee.”Philippe Lebon werd naar zijn post teruggezonden, maar de oorlog slokte al de staatsinkomsten op, en de Republiek had, terwijl Bonaparte zich in Italië bevond, geen tijd haar ingenieurs te betalen. Lebon schreef den minister en drong daarin aan op betaling van hetgeen men hem schuldig was, maar alle beden bleven vruchteloos. Zijn vrouw trok naar Parijs; maar ook hare pogingen blevenzonder gevolg. Zij schreef den minister den volgenden brief, die nog in hetarchiefvan de school der genie bewaard wordt.Vrijheid, Gelijkheid—Parijs, 22 messidor, jaar VII, van de Fransche Republiek, eenig en ondeelbaar—de echtgenoote van den burger Lebon aan den minister van Binnenlandsche Zaken.’t Is geen aalmoes, geen gunst, die ik u vraag: maar iets, waarop ik recht heb. Sedert twee maanden kwijn ik weg op honderd twintig mijlen van mijn huisgezin. Gij zoudt door een nog langer uitstel een huisvader dwingen, uit gebrek aan middelen, een staat te verlaten, waaraan hij alles heeft opgeofferd. Heb deernis, burgers met onzen toestand, die bedroevend en onhoudbaar is; mijn bede is rechtvaardig. Ziedaar meer dan één reden, althans genoeg om mij zelve overtuigd te houden dat de stap, dien ik doe, niet vruchteloos wezen zal bij een minister, die ’t zich tot een wet en een plicht stelt rechtvaardig te zijn.Met groete en achting, uw toegenegen medeburgeres, vrouw Lebon, geboren Brambille.In 1801 werd Philippe Lebon naar Parijs geroepen en als attaché toegevoegd aan den heer de Blin, ingenieur en chef der bestrating. Hij neemt nu een tweede brevet, een echt wetenschappelijk stuk, vol belangwekkende feiten en gedachten. Hij wijdt daarin uit over de verschillende wijzen waarop men het lichtgas zou kunnen aanwenden. Hij stelt der regeering voor een toestel te vervaardigen tot verlichting van de openbare gebouwen, maar het wordt verworpen. Nu schiet onzen ongelukkigen uitvinder, al zijn teleurstellingen moede, niet anders over dan zich tot het publiek te wenden en dit van het nut zijner uitvinding te overtuigen. Hij huurt het hôtel Seignelay, in de straat Saint-Dominique-Saint Germain en roept er het publiek te zamen. Hij heeft gezorgd voor een toestel, dat licht en warmte verspreidt door het gansche huis; ja, hij verlicht de tuinen met tallooze gaspitten, in de gedaanten van bloemen en sterren. De fontein was met gasgeïllumineerden het nederstortend water scheen zelf te lichten en te stralen. Van alle kanten komt het publiek aanloopen. Trotsch op den goeden uitslag zendt Lebon nu zijne prospectussen rond, een stuk vol waarheid en overtuiging, dat tevens een blijk geeft van zijn helderen blik in de toekomst. Hij ziet het gas reeds door de aderen stroomen van Europa’s hoofdsteden en begroet zijn licht in al hare straten.Eindelijk brengt de wereld den schranderen uitvinder zijn hulde, en een commissie, door den minister benoemd, verklaart dat de gunstige uitkomsten van burger Lebon’s proeven aan de verwachtingenheeft beantwoord van de mannen der wetenschap, ja ze overtroffen heeft. Napoleon I gunde Lebon een concessie in het bosch van Rouvray, om er een inrichting te vestigen tot het stoken van gas uit hout. Ongelukkig werd Lebon gedrongen te veel op eens te doen. Hij bereidde gas en vervaardigde zuringzuur en teer, dat hij naar Havre verzenden moest, ten dienste der marine. Desniettemin had hij goede hoop. Zijn fortuin scheen gemaakt, zijn werkplaats werd door geleerden en grooten bezocht. Een paar Russische vorsten, prins Galitzin en Dolgorowski deden hem namens de Russische regeering den voorslag zijne werktuigen naar Rusland over te brengen. Hij zou zelf zijne voorwaarden stellen. Philippe Lebon wees deze schitterende aanbiedingen van de hand; met een edel gevoel voor hetgeen hij aan zijn vaderland verplicht was, antwoordde hij dat aan Frankrijk en aan geen ander land de zegeningen van zijn uitvinding toekwamen.De goede verwachtingen van Lebon hielden helaas niet lang aan. Vijanden en mededingers deden hem talloos vele onaangenaamheden aan en zelfs de elementen schenen zich tegen hem te keeren. Een geweldige storm wierp zijn huis omver en een gedeelte van zijne werkplaats werd door het vuur vernield. Lebon echter was er de man niet naar, om zich uit het veld te laten slaan en hij had gegronde hoop dat zijne verlichting in het groot zou worden toegepast, toen een even ontijdige als raadselachtige dood een einde aan zijn leven maakte.Op den 2denDecember van het jaar 1804, op denzelfden dag, waarop Napoleon tot keizer werd gekroond, werd hij op laaghartige wijze vermoord. Men vond hem levenloos in de Champs Elysées, met dertien dolksteken doorboord. De man, door wiens hand deze euveldaad is gepleegd, is altijd onbekend gebleven.Eenige maanden te voren had de ongelukkige Lebon, vol vuur en geestdrift, zijn medeburgers van Brachay toegeroepen: »Goede vrienden, binnen kort zal ik u van uit Parijs te Brachay verwarmen en verlichten.” Dat kon niet, beweerden de luidjes van Brachay, »de man is niet wijs.” Hij was niet wijs, ’t is waar. Wijze menschen houden zich bij het oude, wijze menschen beproeven geen dingen, die nog niemand gedaan heeft. Wijze menschen zijn voorzichtig en wagen zich niet aan de gevaren en dwaasheden, die het genie onderneemt. Gelukkig zijn niet alle menschen in dezen zin wijs. Het is met de dwaasheid van het genie gelijk de dichter zingt:De gedachte wacht verlangend,Stille maagd, haar bruidegom;Wijsheid zegt: ze schept illusies,Schudt het hoofd: »Wat is zij dom!”Maar haar vindt een dwaas, die op deToekomst hoopt. Hij wendt haar druk,Huwt haar en, een vruchtbre moeder,Baart ze ons zegen en geluk.Philippe Lebon was wel een van degenen, van wie Béranger daar zingt. Ook hij had zich aan eene groote gedachte verbonden; hij leed een rampspoedig leven en kwam op ellendige wijze om het leven. Thans is zijn werk gewassen en de zaadkorrel, door hem in het veld der ontdekkingen geworpen, is aan het groeien gegaan, terwijl zijn edele en beminnelijke persoon behoort tot dezulken, die niet vergeten mogen worden. De portretten, die van hem over zijn, geven ons een denkbeeld van den luister van zijn helder en peinzend oog, den spiegel van zijn eerlijke en vurige ziel, van zijn vertrouwend en edelmoedig hart, och, zoo licht misleid, als men het daarop toelegde, want hij dacht geen kwaad en had slechts oog voor het goede. Van hem mag gelden dat hij meer achting dan fortuin wist te winnen.Zijn weduwe ontving een pensioen van 1200 francs en wilde den arbeid haars mans voortzetten; maar ook zij wijdde haar geestkracht aan een vruchteloos werk en stiet zich tegen nieuwe hindernissen en nieuwe rampen. Thans brandt het gas in groote en kleine steden, in dorpen, in huizen, in winkels, op stations en pleinen. Ook al mocht de aardolie of het electrisch licht het gaslicht verdringen, toch zal zijn uitvinding een zegen zijn geweest voor vele jaren en voor ontelbare menschen, ja, een schier onmisbaar deel hebben uitgemaakt van onze beschaving.De nijverheid brengt niet alleen in onze dagen allerlei dingen voort, die vroeger onbekend waren, maar zij weet ook veel handenarbeid uit te winnen, tengevolge waarvan hare voortbrengselen zich eindeloos vermenigvuldigen en veel goedkooper worden en de handenarbeid weder tot andere zaken kan gebezigd worden. Wanneer men al het katoen, dat Engeland’s fabrieken jaarlijks afleveren, met de hand moest spinnen, zou men daartoe 91 millioen personen noodig hebben, dat is ongeveer de helft van de bevolking van Europa. Een knappe breidster kan per minuut 80 steken breien, de machine maakt er in dien tijd 480.000.Let men op deze cijfers, dan kan men die groote werklieden en uitvinders niet genoeg roemen, die, maar al te zeer door het nageslacht vergeten, met hun vernuft en ijver het rijk der werktuigkunde hebben doen aanbreken.Hier staat ons de geschiedenis voor den geest van den beroemden barbier van Preston, den uitvinder van de eerste spinmachines.Te water met hem! riepen de woestelingen. Bladz. 125.Te water met hem! riepen de woestelingen. Bladz. 125.Richard Arkwright werd geboren in het engelsche graafschapLancaster, op den 23stenDecember 1732. Hij werd barbiersjongen. Van zijn spaarpenningen zette hij eerlang zelf een winkeltje op met het opschrift:In den onderaardschen barbier: hier scheert men voor twee stuivers. De andere barbiers verlaagden hierop hunne prijzen; maar Arkwright liet zich niet uit het veld slaan en tartte zijne concurrenten met een nieuw uithangbord waarop:Hier komt men voor een stuiver onder het mes. Intusschen werd onze ijverige barbier hier niet rijker mee en weldra zien wij hem het land afloopen en handel drijven in haar. Hij had echter een zeer sterk geteekende voorliefde voor werktuigkunde en hield zich in zijne vrije uren bezig met het vervaardigen van kleine modellen. Onderweg ontmoette hij een uurwerkmaker, Kay, die hem in staat stelde zoodanige kundigheden op te doen als hem ontbraken. Nu arbeidde hij met verdubbelden ijver van ’s morgens vier tot ’s avonds negen uur, en in weerwil van zijn armoede—zijne kleederen waren aan flarden gescheurd—slaagde hij er in, met de hulp van zijn vriend Kay, het model samen te stellen van de eerste spinmachine. Hij stelde het in de spreekkamer van de kostelooze school te Preston ten toon. De fortuin lachte hem toe. Rijke industrieelen kwamen hem te hulp. Hij nam een brevet en richtte een spinfabriek op te Nottingham, te Cromford, en in de nabijheid van Chorley. Nu spanden alle katoenfabrikanten van Lancashire tegen hem samen. De werklieden, tegen hem opgezet, zagen in hem een vijand, die met zijne werktuigen hen van hun brood berooven kwam. Zij besloten dus hem in het verderf te storten en zijn werkplaats werd door een bende kwaadaardigen vernield. Arkwright was binnen kort op nieuw aan het spinnen en leverde beter werk dan zijne concurrenten. Nu weigerde men van zijn fabrikaat te koopen en daagde men hem bij de rechtbank. Niets baatte tegen des spinners geestkracht en wil. Hij zegevierde. Op het eind zijns levens zag hij zijne onvermoeide pogingen met het beste gevolgd bekroond, en onder zijn opzicht verrezen in Schotland een aantal fabrieken. Zijn mededingers, genoopt het hoofd in den schoot te leggen, eindigden met zelven zijne toestellen in gebruik te nemen.Arkwright bezat zulk een wilskracht dat hij, op vijftigjarigen leeftijd, zich zelven de taalkunde en de spelling leerde. Hij was zoo geheel verdiept in de werktuigkunde en in de oprichting zijner werkplaatsen dat hij geheel onbekend gebleven was met de eerste beginselen van het onderwijs. Bij zijn dood, den 3denAugustus 1792, liet hij een groot fortuin na; maar grooter fortuin verwierf Engeland in het bizonder en de wereld in het algemeen. De invoer van katoen in Engeland, die van 1771–17805.735.000ponden bedroeg, wies van 1817–1821 tot 144 millioen ponden, van welke 130 millioen alleen in Engeland verwerkt werden.Aandoenlijk is de geschiedenis van den nederigen, edelen Jacquard.Nog jong deed hij zich kennen als een voorbeeld van werkzaamheid, vindingskracht en volharding. Als drukker, als lettergieter let hij met aandacht op de werktuigen, die hij in handen krijgt en verbetert ze. Op een keer, zich bij een messenmaker bevindende, ziet hij hoe het mesdoor de handen van drie of vier werklieden gaat, voordat het in het heft wordt bevestigd: den volgenden dag reeds heeft hij het volledige plan geteekend voor een machine, die in vijf minuten het werk verricht, waaraan vier werklieden een ganschen dag besteden. De messenmaker, te arm om deze machine te laten vervaardigen, stelde zich met de teekening tevreden; maar zijne knechts vernielden haar weldra, uit vrees dat deze uitvinding hun ontslag ten gevolge zou hebben.Reeds vroeg hield hij zich met de weverij bezig en zocht hij deze te vereenvoudigen. Zijn vader was een handwerksman, die laken en andere stoffen met goud, zijde enz. doorstikte. Deze echter kwam spoedig te sterven en daar zijn moeder reeds vroeger overleden was, kwam hij geheel op zich zelven te staan en in het bezit van een kleine erfenis. Hij huwde met de dochter van een wapensmid, Boichon. Zijn bruid zou hem, volgens de verzekering van den smid, een aardige huwelijksgift meebrengen. Zij deed het, niet in dien vorm, waarin men dat gewoonlijk verstaat, want geld heeft Jacquard van zijn schoonvader nooit gezien; maar hij vond een lieve vrouw, vol toewijding, vol moed, vol liefde ook in dagen van beproeving; zij geloofde in hem en bleef in dit geloof hem getrouw en hield zijn moed staande.Jacquard richtte nu een atelier van gemaakte kleederen op, maar ook hem ontbrak de praktische geest van den handelaar. Hij slaagde niet, stak zich in schulden, verviel tot armoede en kwam bij een kalkfabrikant in dienst. Terwijl hij de brandstoffen in den oven wierp, maakte zijn vrouw te Lyon stroohoeden op.Nog zwaarder dagen zouden aanbreken. Het jaar 1793 was daar; het schrikbewind was in vollen gang: de Girondijnen worden naar het schavot gesleept. Lyon verzet zich en Jacquard verzet zich mede. Aanhanger van de Republiek; maar tegenstander van het Schrikbewind neemt hij als eenvoudig soldaat deel aan de heldhaftige worsteling, die de inwoners van Lyon ondernemen tegen de Conventie. Lyon wordt verwonnen. De guillotine troont op de Place der Terreurs. Al wie meegedaan heeft wordt vervolgd en veroordeeld. Jacquard moet zich verbergen, te gelijk met zijn zeventienjarigen zoon. Vervolgens vluchten zij en nemen dienst bij het leger van den Rijn. Jacquard strijdt dapper voor zijn vaderland, maar koopt de zege duur, want zijn zoon sneuvelt, en sterft in zijne armen.De ongelukkige vader wordt krank, kwijnt weg in het hospitaal, keert naar Lyon terug en vindt zijn huis verbrand. Daar mag hijzich nu weder vestigen met zijn vrouw, die hij slechts met moeite heeft weten op te sporen. De rust keert weder en met de rust de nijverheid en de welvaart.Reeds lang had hij gezonnen op een middel om het een of ander werktuig in de plaats te stellen van de arbeidster of het kind, dat bij de zijdeweverij de zoogenaamdelac’saantrok (een soort van snoeren bij de weverij in gebruik). Hij dacht een samenstel uit van pennen en haken, waarmee hij den moeielijken arbeid der »tireuse de lacs” overbodig maakte en een bezuiniging van 50 pCt. in de zijdeweverij te weeg bracht. Op de tentoonstelling van voortbrengselen van Nationale Nijverheid in het jaar 1801 trok de nieuwe machinerie van Jacquard zeer de aandacht en won zij een bronzen medaille. Een andere vinding van Jacquard, een werktuig om vischnetten te knoopen, werd met goud bekroond.Ware Jacquard bij de hand geweest, hij had fortuin gemaakt; maar hij behoorde tot hen, die anderen de vruchten laten plukken, terwijl zij zelven zich aan hun uitvinding wijden om die te volmaken. In 1802 werd hij naar hetConservatoire des Arts et des Métierste Parijs geroepen, waar hij zich vestigde en twee jaren doorbracht, werktuigen en modellen van werktuigen samenstellend en verbeterend. Nergens kon hij beter geplaatst zijn. Hier vervaardigt hij zijne machines om fluweel-lint te weven en zijne spoelen voor de bewerking van het katoen. Voorts herstelde hij het beroemde weefgetouw van Vaucanson, dien ongeëvenaarden werktuigkundige, die zijne tijdgenooten versteld deed staan van zijne onnavolgbare automaten.Naar Lyon teruggekeerd (1804), vond hij aldaar een eerlijk en welgezind kapitalist, Camille Pernon, en eindelijk zal dan zijn kunstig weefgetouw in het werkelijke leven der fabriekwereld optreden. De kamer van koophandel en het stedelijk bestuur bemoeien zich met de zaak; eene commissie, bestaande uit de knapste handelaren, onderzoekt zijne toestellen en legt daarvan de gunstigste getuigenissen af en weldra wordt het stedelijk bestuur van Lyon gemachtigd Jacquard het privilegie van zijn weefgetouw af te koopen voor een lijfrente van 3000 francs. Zoo werd zijn brevet algemeen eigendom. De uitvinder ruilde een uitvinding, die hem vijftien jaren arbeidens en niet weinig ontbering en ellende gekost had, voor een eenvoudig stuk dagelijksch brood. Hij vroeg het gouvernement ook nog een premie van vijftig francs voor elk getouw, dat volgens zijn vinding zou worden opgericht.»Dat is er een, die zich niet spoedig tevreden laat stellen!” riep Napoleon, toen hij het brevet teekende. (De Keizer zelf liet zich ook zoo spoedig tevreden stellen!)Nieuwe beproevingen wachtten hem nu. De invoering van zijn weefmachine verwekte een niet geringe opschudding onder de arbeidendeklasse. Alom vertelde men dat het nieuwe toestel den handenarbeid onnoodig maakte en dat het volk er door tot den bedelstaf zou worden gebracht. Hij werd met bedreigingen achtervolgd. Hij heette een verrader, die den armen handwerksman aan de willekeur van den rijken fabrikant prijsgaf. Dat was dan het loon voor zijn waken en zoeken, zijne tranen en zijne zelfverloochening! Allengs steeg de haat al hooger en hooger, als een opkomende vloed, die hem dreigde mee te sleepen. Jacquard was niet meer veilig op straat; men beleedigde hem in het openbaar. Eens zelfs werd hij door den verwoeden volkshoop naar de Rhône gedrongen.»Te water, te water met hem!” riepen de woestelingen.Zonder de tusschenkomst van een paar moedige mannen zouden zij hem in de rivier hebben geworpen.Een ander zou gevlucht zijn en den zegen van zijn uitvinding naar elders hebben overgebracht—hij bleef. Hij wist den haat en den tegenstand het hoofd te bieden, wachtende op het uur zijner rechtvaardiging. Hij wist dat zijne machines overvloed en welvaart stichten, dat zij den arbeid vermeerderen en tegelijk de lichamelijke vermoeienis verminderen zouden. Eens zou men hem de welverdiende hulde niet onthouden!—Welnu, hij bedroog zich niet.Het weefgetouwà la Jacquardheeft een hervorming in de zijdeweverij teweeg gebracht en de stad Lyon groot gemaakt. En niet alleen Lyon mag hem dankbaar zijn, maar Rouaan, Manchester, Berlijn, Moscou, Petersburg, Amerika, Indië, China hebben zijn uitvinding tot hun nut weten aan te wenden.Na zich aller achting verworven te hebben, trok de groote uitvinder zich naar de omstreken van Lyon terug en bebouwde daar zijn tuin. Daar kwam menig vreemdeling hem zien en mocht er zijne medailles en zijnCroix d’honneurbewonderen. Hij stierf, van allen geëerd, op den 7denAugustus 1834, twee-en-tachtig jaren oud. Wat had hij niet doorgestaan!De uitvinder van de linnenspinnerij was niet gelukkiger.Philippe de Girard werd te Lourmarin (Vaucluse) geboren, op den 1stenFebruari 1775. Hij was een dier groote geesten, die met alle talenten begiftigd zijn en bij alles een wonderbare vindingskracht ten toon spreiden. Van zijn prilste jeugd af maakte de toekomstige uitvinder, evenals Newton, kleine werktuigen, vooral radertjes, die hij door middel van een stroomende beek in beweging bracht. Op veertienjarigen leeftijd dacht hij een aardig werktuig uit, waarbij hij zich den golfslag als beweegkracht ten nutte maakte. Voor alle wetenschappen en alle kunsten bezat hij een wonderlijke geschiktheid. Met hetzelfde gemak beoefende hij werktuig- en plantenkunde, schilder-, beeldhouw- en dichtkunst.De stormen der omwenteling ontrukten Philippe de Girard aan het vredige leven in het ouderlijke huis. Na de wapens te hebben gevoerd tegen de omwentelingsmannen van het Zuiden, moest hij met zijne familie Frankrijk verlaten, en om zich en de zijnen in het leven te houden, schildert hij te Mahon, op het eiland Minorca, en maakt hij zeep te Livorno. Ondertusschen deed hij zich reeds door eenige uitvindingen kennen.Naar zijn haardstede teruggekeerd, richt hij te Marseille een fabriek op van chemische produkten. Maar ten gevolge van de staatkundige troebelen des tijds (1795) moet hij wederom het land verlaten. Nu verkrijgt hij te Nice een leerstoel voor chemie en natuurlijke geschiedenis, welke vakken hij, na 18 Brumaire, ook te Marseille onderwijst.Eens in Frankrijk zijnde, komt hij ook weder te Parijs. Aldaar bleek al spoedig, op de tentoonstelling van 1806, wat het vernuft van Girard vermocht. Hij stelde er een nieuwen kijker ten toon, en ijzeren platen, die door een gansch nieuwe wijze van bewerking geschilderd en vernist waren. Ook zag men er de bekende hydrostatische lampen, die te dier tijde een ware omwenteling brachten in de kunst van verlichten. Eenigen tijd later ontving Girard van de Maatschappij van Aanmoediging een groote gouden medaille voor een merkwaardige stoommachine.In 1810 wilde Napoleon de engelsche katoenfabrikage den laatsten slag toebrengen. Nadat hij alle havens van Europa voor haar had doen sluiten, vaardigde hij een besluit uit, dat den 12denMei in deMoniteurverscheen en waarbij een millioen francs werd toegezegd aan den uitvinder, tot welke natie ook behoorende, die het beste werktuig zou vervaardigen tot het spinnen van linnen garens.Eenige dagen na de uitvaardiging van dit Besluit was Philippe Girard, toen vijf-en-dertig jaren oud, bij zijn vader te Lourmarin. Bij het ontbijt werd het nieuwsblad binnengebracht, waarin deze oproeping voorkwam. De oude Girard reikte het blad aan zijn zoon over met de woorden: »Philippe, dat is iets voor u!” Na het ontbijt ging Philippe alleen uit, vastbesloten het vraagstuk op te lossen. Nimmer had hij zich bezig gehouden met de zaak, waarop het Besluit doelde. Hij vraagde zich dus af, of hij zich niet eerst in kennis zou stellen met alles, wat in deze beproefd was; maar al spoedig begreep hij dat het groote aanbod niet zou zijn gedaan, wanneer men ooit tot een gelukkige oplossing gekomen was. Voorts wilde hij ook liever niets van den toenmaligen stand der zaak weten, ten einde met te meer onafhankelijkheid zijn eigen weg te gaan en den ouden sleur te ontwijken. Hij nam dus vlas, garen, water en een vergrootglas, en beurt om beurt het vlas en het garen aanziende, dacht hij: »Met het een moet ik het ander vervaardigen!”Na het vlas met het glas te hebben beschouwd en het in water te hebben geweekt, zoodat hij de vezels kon afscheiden, vormde hij met de vingers een bijzonder fijnen draad. Wanneer hij nu maar een machine had, die hetzelfde kon wat hij met de vingers deed, dan was hij er. De kiem der uitvinding was in zijn gedachte opengesprongen en hij kon tot zijn vader zeggen: »Het millioen is mijn!”Twee maanden later kon hij een eerste brevet op zijn uitvinding nemen. Zij is sedert niet wezenlijk veranderd en daaruit mag haar degelijkheid blijken. Van het millioen echter zag hij niets. De regeering scheen berouw te hebben, dat zij zulk een som had uitgeloofd voor een zaak, die zoo spoedig gevonden was. Men eischte nu, onder andere meer zonderlinge voorwaarden, dat het garen 400,000 meters zou meten in een kilogram en dat dit wonder zou verkregen worden tegen een vijfde van de kosten van het met de hand gesponnen garen. Philippe de Girard kwam hiertegen op, maar het Keizerrijk viel en toen de dag kwam, waarop de belooning zou worden uitgereikt, zei Thiers: Wat er was, het millioen was er niet meer.Toch ging de Girard voort zijn vernuft aan Frankrijk’s heil te wijden. Toen de verbonden Mogendheden in 1831 zich gereed maakten Frankrijk binnen te rukken, vond hij een soort van stoomwapen uit. De proeven, welke onder toezicht van verscheidene officieren met dit wapen genomen werden, gelukten volkomen. Het geleek eenigszins op de latere mitrailleuses, loste 180 schoten in de minuut en doorboorde op honderd passen een plank van 4 centimeters dikte. De moordtuigen zouden vervaardigd worden en het noodige geld werd er voor aangewezen, maar hoe snel ook de uitvinding gedaan en in praktijk gebracht was, nog sneller was de loop der gebeurtenissen, die haar overbodig maakten.De machinale linnenspinnerij en al de andere proeven, die Girard had genomen, kostten hem zijn gansche fortuin, alsmede dat zijner broeders, die zich bij hem aansloten. ’t Is bijna ongelooflijk en toch is het waar, dat deze nuttige man, deze glorie en trots van Frankrijk, op zijn werkplaats, te midden van zijn arbeid, gevangen genomen werd wegens schulden, die hij in het belang van zijn uitvindingen gemaakt had. Men sloot hem op. Toen nam de Girard de aanbiedingen aan, die hem van wege Oostenrijk werden gedaan, om aldaar een spinfabriek op te richten. Hij vertrok, met een verscheurd gemoed, de helft zijner werktuigen meenemende, terwijl zijne broeders met de andere helft hun geluk in het ondankbare vaderland nog eens zouden beproeven. Zij slaagden niet. Het gouvernement wilde hun geen geld toestaan en de fabriek stond stil en werd een bouwval. Maar ook Philippe slaagde niet naar wensch. Toch bracht hij zijn werktuigen tot steeds grooter volkomenheid,onder anderen door de toevoeging van een kammachine, waarin hij later nog verbetering zou aanbrengen. Ook aan de stoomvaart wijdde hij zich. Van Pesth naar Weenen liet hij een schip den Donau opvaren, dat met stoom gedreven werd. Hij was de eerste die ter voorkoming van geweldige ontploffingen, den stoom zich ontwikkelen liet in dunne buizen.Vervolgens werd de Girard door den Keizer aller Russen naar Warschau geroepen, om aldaar een groote spinnerij tot stand te brengen. Hij was er bovendien ingenieur der mijnen en werd er zoo populair, dat het stadje, hetwelk langzamerhand rondom zijn fabriek aangroeide, Girardow genoemd werd. Nog vond hij uit een toestel, om het sap uit de beetwortels te trekken en dit te doen verdampen, en een nieuw watermolenrad, dat door watervallen in beweging kon worden gebracht. Hij bracht verbetering aan in de wijze, waarop men zink uit erts bereidt, plaatste op den gevel van de Bank te Warschau een zichzelf registreerenden thermometer en op het observatorium te dier stede een zichzelf registreerende meteorograaf. Hij vond een werktuig uit om het houtwerk voor geweren te vervaardigen, een ander om bolvormige voorwerpen met mathematische juistheid te draaien, een stelsel van luchtverwarming in de hoogovens, stoommachines zonder balans, schroefraderen, een machine om werk te ontwarren, te spinnen, een zichzelf registreerenden dynamometer, werktuigen om steenen te bakken, een ander om ijzerdraad te trekken.In 1844 kwam de Girard, nog altijd arm, naar Frankrijk terug. Vier jaren vroeger had hij een vlugschrift geschreven, waarin hij op krachtige wijze zijne rechten handhaafde: »Memorie aan den Koning, aan de Ministers en aan de Kamer omtrent den eersten rang, aan Frankrijk toekomende, waar het de uitvinding geldt van de spinmachines voor linnen garens.Ik kom, zoo zeide hij, èn voor mijn vaderland èn voor mijzelven de eer dezer uitvinding eischen, ter wille van welke, op Frankrijk na, geheel Europa mij hulde heeft gebracht.”Bij gelegenheid van de Tentoonstelling van Nijverheid te Parijs, in 1844, werd de Girard’s kammachine niet weinig bewonderd; maar hij was toen een grijsaard van 69 jaren en leefde van een pensioen, dat de Keizer van Rusland hem had gegund en van een paar duizend francs, die een Vereeniging hem bij wijze van een aalmoes had toegestaan. Hij stierf in 1845. Dat zijne vrienden nimmer het kruis van het Legioen van Eer voor hem hebben kunnen krijgen, is wel een bewijs hoe laag de man geschat werd, die zijn vaderland zulke groote diensten bewezen had. In 1849 werd de Girard’s recht op de uitvinding plechtig afgekondigd en in 1853 stemde het Corps Legislatif voor een nationale belooning, die aan des uitvinders erven zou worden geschonken. O, spot van het lot!Zijn broeder Frédéric was dood, zijn broeder Joseph was in de negentig en stierf het volgende jaar.Onder de mannen, die zich verdienstelijk hebben gemaakt met het spinnen, kammen en weven van katoen, behoort ook Josua Heilman. In tegenstelling met bijna alle uitvinders bezat hij een aanzienlijk vermogen; maar dit belette den genius der vinding niet hem aan te grijpen. Te midden van de fabrieken van den Elzas wonende, vernam hij dat de eerste fabrikanten van den omtrek een som van vijfduizend francs boden voor een nieuwe machine om het katoen te kammen. De toenmalige kammachine was ongeschikt tot het dooreenwerken van katoen en wol, en deed bovendien veel verloren gaan. Heilman nam het besluit mee te dingen. Hij was toen geen eerstbeginnende, want hij had het opzicht gehad over een fabriek van machinerieën. Hij had een borduurmachine uitgevonden, waarin twintig naalden te gelijk in werking waren; zoo ook een verbeterd weefgetouw, een machine om stoffen te meten en te vouwen, een ander om den spoel op te winden, en weder een ander, waarmee hij twee stukken fluweel te gelijk weefde. Maar de vraag, die hem nu werd voorgelegd, was vrij wat moeielijker op te lossen. Hij besteedde verscheidene jaren aan het bestudeeren van dit vraagstuk. Hij had het er op gezet zijn doel te bereiken en dat te meer, naarmate het verder verwijderd scheen. Hij moest kostbare proeven nemen, werktuigen laten maken en zijne proefnemingen telkens veranderen en herhalen. Dit kostte hem zoo veel, dat zijn gansche fortuin en de bruidschat zijner vrouw er mee heengingen. Toen moest hij geld leenen, om in het leven te blijven, en toen hij zijn vrouw verloren had, besloot hij naar Engeland te gaan en daar een betrekking te zoeken, die voor hem en zijne beide dochters een bestaan kon opleveren. Heilman toog nu naar Manchester. Maar de gedachte aan zijn kammachine volgde hem op den voet en liet hem niet met rust. Hij vervaardigde er een voor een engelsch fabrikant, maar deze voldeed niet aan de verwachtingen. Naar Frankrijk teruggekeerd, om er zijne dochters te bezoeken, zat hij op een avond weder te peinzen en keek hij onwillekeurig, doch zeer aandachtig, naar zijne kinderen, waarvan het eene bezig was het ander de schoone, lange haren te kammen en op te maken. »Kon ik,” dacht hij op eens, »kon ik met een werktuig de eigenaardige bewegingen van die hand namaken, die eerst de lange haren naar zich toe haalt en met eentegenovergesteldebeweging de korte haren wegwerkt, dan was ik geholpen.” Josua Heilman hervatte zijn arbeid, en na zeven jaren zoekens mocht hij eindelijk zijn schijnbaar zoo eenvoudig, maar in waarheid zoo samengesteld kamwerktuig gereed zien. Nog eenigen tijd had hij noodig om zijn uitvinding te voltooien, doch daarna had het dan ook een graad van volkomenheid bereikt, hooger dan welke menhet zeker niet brengen zal. Men moet dit wonderbare werktuig zien werken, om het naar waarde te schatten. Het heeft in zijn greep en in zijn gansche beweging iets, dat aan de menschenhand doet denken. Nu was Heilman’s fortuin gemaakt. Van alle kanten kwamen aanbiedingen, om hem zijn privilegie af te koopen. Maar hij genoot weinig van die weelde. Hij had zijn fortuin gegeven, doch toen het wederkwam stond hij op het punt van scheiden en ging hij de eeuwige rust in.
Zag zijn inboedel aan den meestbiedende verkoopen. Blz. 113.Zag zijn inboedel aan den meestbiedende verkoopen. Blz. 113.HOOFDSTUK VIII.DE NIJVERHEID EN HARE WERKTUIGEN.De arbeid, die vroeger door last- en trekdieren of ook door de hand der menschen werd verricht, wordt thans meer en meer aan allerlei soort van werktuigen toevertrouwd. Hierdoor is een zoo groote omwenteling ontstaan in het maatschappelijk leven, dat wij veilig kunnen zeggen: met de opkomst van nijverheid en werktuigkunde is in de geschiedenis der menschheid een nieuw tijdperk aangebroken. Het eind van de vorige eeuw was de geboortestond dier wonderen van samenstelling en verbinding, waarover we ons tegenwoordig niet meer verbazen, daar zij algemeen zijn geworden; maar die toch inderdaad niet weinig bewondering verdienen, gelijk ook de uitvinders zelven, die deze kunstige werktuigen hebben uitgedacht. Zij zijn echter maar al te onbekend. Wij willen dan ook hier aan de vergetelheid zoodanige daden ontrukken, om welke de fortuin zich niet heeft bekommerd en die de faam, om welke reden dan ook, niet heeft uitgebazuind. Daar hebt gij de vervaardiging van kunstmatige soda, de aanwending van het gas ter verlichting van straat en huis, de nieuwe weverij en tal van andere zaken.Chaptal heeft gezegd dat de bereiding van het zwavelzuur een zeer juiste maatstaf leverde om den graad te bepalen van den bloeivan handel en nijverheid, van de koolzure soda kan men hetzelfde zeggen. Hoe meer een land er van noodig heeft, hoe beter het staat met zijn nijverheid. Met kleiaarde en kalk verbonden levert dit zout ons glas, met vette zuren vereenigd wordt het zeep, in water opgelost biedt het den verwer een kostelijk vocht om draden en weefsels uit te loogen. De glasblazers en zeepzieders gebruiken er gansche bergen van, zeker meer dan 400 millioen kilogrammen ’s jaars. Hiervan bereidt Frankrijk ongeveer 100 en Engeland 150 millioen.Gedurende de fransche revolutie vond Nicolas Leblanc het middel om op kunstmatige wijze deze stof te bereiden, die vroeger langs natuurlijken weg uit de asch van zeeplanten bereid werd. Vóór de fransche revolutie waren de Spaansche kusten, bij Alicante en Malaga, en de fransche bij Narbonne bedekt met planten, zooals desalsola, desoda, desalicornia europea, die men met de meeste zorg kweekte. Hadden deze planten een voldoenden wasdom bereikt, dan sneed men ze in kleine stukjes, die men in de open lucht liet drogen. Droog geworden werden ze in kegelvormige kuilen opgehoopt en verbrand. Van de asch, die in grooten voorraad overbleef, werd nu een zeer harde en broze zelfstandigheid, deruwe soda, verkregen, welke gemalen en met water toebereid een soort van loog gaf. Dit liet men uitdampen en zoo bleef de soda over.In de vorige eeuw was Spanje het eigenlijke vaderland van de soda. De soorten van Alicante en Malaga, welk voor 28 tot 30 pct. koolzure soda bevatten, wedijverden met die van Narbonne, ja, Frankrijk moest zich naar den vreemde wenden, om zijne fabrieken van de noodige soda te voorzien. Tot op de revolutie ging dit goed; maar de krijg maakte een eind aan alle buitenlandsche handelsbetrekkingen; men moest van eigen middelen leven en tot elken prijs moesten de zeep- en glasfabrieken hun soda hebben.Het Comité van Algemeen Welzijn deed een beroep op de fransche scheikundigen. Het riep hen op om al hun krachten in te spannen, ten einde de soda uit eigen bodem te halen. Weldra waren er niet minder dan vijf-en-twintig of dertig plannen ingeleverd; maar met algemeene stemmen werd aan het ontwerp van Leblanc de voorkeur gegeven. Leblanc, een eenvoudig fransch geneeskundige, had begrepen dat hij de soda van het keukenzout hebben moest. Dit zout, door middel van zwavelzuur ontleed, geeft het natriumsulphaat of glauberzout, hetwelk hij nu met houtskool vermengde, gelijk De la Métherie, hoogleeraar aan het Collège de France, had voorgesteld. Dit echter gaf niet de stof, die hij wenschte te verkrijgen. Een ingeving deed hem het denkbeeld aan de hand er krijt (calciumcarbonaat) bij te voegen, en zie, het vraagstuk was opgelost. Noch Leblanc, noch zijn geleerde tijdgenootenbegrepen ten volle hoe en waarom deze bijvoeging van krijt de gewenschte koolzure soda ontstaan deed. Het was alleen een gelukkig denkbeeld, een gelukkige greep, die maakte dat Leblanc, na vele vruchtelooze pogingen, na vele geduldige proefnemingen, na vele uiterst schrandere verbindingen, het eenig ware middel juist op die wijze aanwendde als voor het welslagen der proef noodzakelijk was. In de 90 jaren, sedert verloopen, zijn de door Leblanc opgegeven cijfers van gewicht en hoeveelheid nog niet veranderd geworden.Onder degenen, die in het groot Leblancs uitvinding in toepassing brachten, behoort J. B. Bayen genoemd te worden. Deze vestigde zich op de vlakte van Grenelle, die toen ter tijde nog onbewoond was. Al spoedig nam de kunstmatige bereiding van soda zulk een vlucht, dat men niet alleen niets van het buitenland deed komen, maar dat in 1810 de fransche markt zelfs voor buitenlandsch fabrikaat gesloten werd.In 1823 vestigde James Muspratt een fabriek van soda te Liverpool. Hij nam het systeem van Leblanc geheel over en deze werkplaats is thans nog eene der grootsten van Engeland, ja, van de geheele wereld.Nicolas Leblanc had wel terstond, en van den eersten dag af, het belang van zijn vinding ingezien. »De kunstmatige vervaardiging van soda zal, zoo schrijft hij, ten gevolge hebben dat Frankrijk, hetwelk zulk een groote hoeveelheid van deze stof gebruikt en groote sommen uitgeeft om het elders te koopen, nu zijn geld in den zak zal houden; de nijverheid zal niet meer blootgesteld zijn aan het gevaar van deze zoo noodige stof te moeten missen, hetzij wegens de verwikkelingen van den krijg of den mislukten oogst van zekere planten. Wij zullen ons voordeel doen met het zout, waaraan onze bodem geen gebrek heeft. Ja, de overvloed dezer grondstof en den lagen prijs, waarvoor zij in Frankrijk te krijgen is, doen zelfs verwachten, dat onze naburen op hun beurt eenigszins schatplichtig zullen worden aan ons.”Men vond hem levenloos in de Champ Elysées. Bladz. 119.Men vond hem levenloos in de Champ Elysées. Bladz. 119.De uitkomst heeft deze verwachtingen bekroond; maar Leblanc werd er niet gelukkiger door. Volgens de titels van eenige zijner werken, was hij voormalig oud-officier van gezondheid, scheikundige, oud-administrateur van het Departement der Seine, lid van vele geleerde genootschappen. Hij had zich doen kennen door zijne werken over de cristallisatie en hij had een middel aangewezen, om zuivere kristallen te verkrijgen van een vrij grooten omvang. De kennis der kristallen heeft de studie uitgemaakt van bijna gansch zijn leven en waarschijnlijk heeft hij verwacht, dat deze hem een wetenschappelijken naam bezorgen zou. Hij had toch op dit gebied iets zeer belangrijks opgemerkt, namelijk dat verschillende sulfaten een gelijken kristalvorm aannemen, en dat zij zich op ennaast elkander kunnen vormen, welke waarneming mag geacht worden de grondslag te zijn van de zoo belangrijke leer van hetisomorphisme. Maar al mocht hij nu en dan een opstel geplaatst zien in een wetenschappelijk jaarboek, al mocht hem nu en dan een onderzoek van aanbelang worden opgedragen, hij bleef arm, te meer daar de troebelen der revolutie elke opdracht van regeeringswege onzeker maakten en hij soms allen steun missen moest. Maar hoe kommerlijk zijne omstandigheden ook waren, hij heeft zich nimmer door het ongeluk laten overwinnen. Zijn krachtige geest, zijn vaste wil waren bestand tegen alle beproevingen, ook tegen die, welke hij als fabrikant moest ondervinden. Hij zelf maakt hier nauwelijks melding van. Zijn wetenschap ging hem boven alles. Door de voorspraak van Molard, directeur van hetConservatoire des Arts et Métiers, vond hij in 1802 de gelegenheid in een van de werkplaatsen dezer inrichting zijne geliefkoosde studie voort te zetten, en al kon hij ook geen volledige verzameling van kristallen vormen, hij bracht er toch eenige zeer merkwaardige te zamen. Met deze zaak was hij steeds in zijn gedachten bezig. Hoe aandoenlijk is zijn klacht, dat hij zijn verzameling niet naar den eisch heeft kunnen voltooien. »Ik had” zoo schrijft hij, »ik had nu al twintig jaar lang met haar uitbreiding bezig kunnen zijn, maar eens zal zij weder worden ter hand genomen. Dat dan een voorspoediger hand en schranderder waarnemer zich aan haar wijde. Dan zal ik mij troosten dat ik geen hulp heb mogen vinden, die mij in staat stelde mijn arbeid verder voort te zetten.” Over zijn ondernemingen geen woord. Heeft hij al eens gemeend de fortuin bij de haren te grijpen, hij heeft geen teleurstelling getoond, toen zij hem is ontsnapt. In die geschriften, waarin hij de twintig jaren van zijn arbeid beschrijft, zinspeelt hij maar een enkelen keer op den tijd, dien hij aan zijn sodafabriek heeft gewijd.Toch was het mislukken dezer onderneming een zware slag. Niets scheen waarschijnlijker dan dat hij met een sodafabriek fortuin zou maken. Geen onderneming had betere kansen van slagen. Nauwelijks had Leblanc in 1791 een brevet genomen, of hij richtte met Dizé, Shée en den hertog van Orleans een maatschappij op. Te Saint Denis werden de werkplaatsen gebouwd en voor altijd scheen het geluk den vennooten toe te lachen, toen de terechtstelling van den hertog van Orleans een eind maakte aan de groote en billijke verwachtingen, die men koesterde. Te vergeefs trachtte Leblanc te Marseille een nieuwe fabriek op te richten. De man, die eene van Frankrijk’s rijkste bronnen van welvaart geopend had, moest liquideeren en zag zoowel zijn inboedel als al zijn werktuigen aan den meest biedende verkoopen.De val van de fabriek sleepte hem zelven mee. Het brevet, waarvan geen gebruik meer werd gemaakt, viel in handen van het groote publiek en Leblanc was zijn privilege kwijt.In het jaar VIII van de Republiek werd hij op nieuw in het bezit gesteld van de werkplaatsen te Saint Denis; maar hij kon geen kapitaal vinden om de zaak te drijven, en hij stierf in kommerlijke omstandigheden in het jaar 1806.Niet minder aandoenlijk is de geschiedenis van de uitvinding van het lichtgas door Philippe Lebon.Wanneer men de officieele stukken doorloopt, die op dezen man betrekking hebben, wanneer men telkens het stralen van zijn genie mag gadeslaan, wanneer men de hinderpalen nagaat, die hij heeft moeten overwinnen, wanneer men zich in zijn groot karakter en zijne edele gevoelens verdiept, staat men vol bewondering stil bij het beeld van den eenvoudigen man, die de wereld zulk een onwaardeerbaren dienst bewezen heeft.Philippe Lebon werd te Brachay (Haute-Marne) in Frankrijk geboren, op den 29stenMei 1767. Twintig jaren later werd hij geplaatst op de school voor den waterstaat, waar hij zich al spoedig door zijn vindingrijken en onderzoekenden geest onderscheidde. Zijn eerste arbeid had betrekking op de stoommachines, die toen ter tijde in haar opkomst waren, en den 18denApril 1792 ontving de jeugdige ingenieur een nationale belooning van 2000 livres, »ten einde zijne onderzoekingen te voltooien omtrent de verbetering der werktuigen, die met vuur worden gedreven.”Omstreeks denzelfden tijd werd Lebon’s aandacht gevestigd op het gaslicht. Op een dag, dat hij te Brachay vertoefde, wierp hij een handvol zaagsel in een flesch, die hij op het vuur verhitte. Hij zag een dikken rook uit de flesch te voorschijn komen, die op eenmaal vlam vatte en een helder licht verspreidde. Op dien dag deed de nijverheid een harer schoonste vondsten. Lebon had de eerste gaslamp gebrand. Men heeft deze uitvinding aan het toeval toegeschreven. Het zij zoo, daarmee is de uitvinder niet minder groot. ’t Was ook een toeval, hetwelk den appel deed vallen juist toen Newton tegenwoordig was, maar hoe velen hadden er appelen zien vallen, zonder dat zij van een wet der zwaartekracht hadden gedroomd. ’t Is het oog van het genie, dat in de verschijnselen de geheimen ziet, die zij met zich voeren. Zoo zag Lebon een gasfabriek in de flesch, zoo baat het toeval het vernuft alleen. Wat al scheikundigen hadden, vóór Lebon, hout of steenkool zien branden. Maar niemand had nog opgemerkt wat dit in schijn zoo eenvoudige feit beteekende. Hoeveel menschen hebben het deksel van een ketel opgetild gezien door den damp daar binnen! Maar men moest een Watt zijn, om er een stoommachine in te zien. Alleen het genie ziet in de toekomst, alleen het genie weet, als bij ingeving, te beslissen wat er van de vele zaken, die het ziet en opmerkt, worden kan. Binnen weinige dagen had Lebon begrepen waarheen de waarneming, die hij gedaan had, leiden kon, en met den blik van eenwaarlijk verheven geest ging hij aan het werk. Hij wist nu dat hout en andere brandstoffen, onder den invloed der hitte, een gas lieten ontsnappen dat zoowel voor verlichting als verwarming dienst kon doen. Hij had opgemerkt dat het gas, hetwelk aan gloeiend hout ontsnapt, vergezeld gaat van zwartachtige dampen, die een scherpe en doordringende lucht van zich geven. Die hinderlijke bestanddeelen moesten worden weggenomen. Lebon liet nu die dampen door een buis in een flesch met water gaan, waardoor de onbruikbare bestanddeelen werden gecondenseerd en het gas in zuiveren toestand afgescheiden werd. Dit eenvoudige werktuig is de eerste gasfabriek geweest. Het bevat er dan ook de drie hoofdgedeelten van, het toestel der vervaardiging, dat der zuivering en dat der inzameling van het gas.Zijne eerste proeven nam hij ergens op het vrije veld. Hij maakte zich een fabriekje, waar hij het gas stookte, en vervaardigde een zuiveringsvat; en ginds, aan het einde van een uitstekende pijp, brandde het heldere licht, dat door zijne buren niet weinig bewonderd werd.Na Fourcroy, de Prony en de geleerden van zijn tijd geraadpleegd te hebben, nam hij in 28 September 1799 een brevet, waarin hij zijn »thermolampen”, zijn lamp met lichtgas gevuld, beschreef. Tevens leverde zijn fabriek teer.Steenkool achtte hij echter verkieslijk boven hout, en duidelijk moet hij voorzien hebben welk een gewichtige rol de kool en het gas zouden vervullen. Het stuk, dat hij over deze zaak opstelde, is geschreven met een gloed, die den man van overtuiging kenmerkt.Doch Lebon kon maar een gedeelte van zijn tijd aan zijn uitvinding wijden. Hij was ingenieur, hij had geen fortuin, en moest van zijn ambt leven. Hij begeeft zich nu als ingenieur naar Angoulême; maar hij vergeet zijn lievelingsdenkbeeld niet, noch ook Parijs, dat onvergelijkelijk brandpunt van verlichting. Ook hield hij zich met meetkunst en andere vakken van wetenschap bezig, zoodat zijn geest verre weg zwierf van zijne dagelijksche bezigheden en de over hem gestelde hoofdingenieur zich ernstig over hem begon te beklagen. In het geheim was deze naijverig op Lebon, in wien hij een man zag van hooger ontwikkeling, die hem eens voorbij zou streven; hij verborg echter zijn haat achter een masker van voorgewende hoogachting terwijl hij hem van zijn ambt zocht te berooven. Gansch vervuld van zijne plannen met het nieuwe licht, verwijderde Lebon zich dikwijls van Angoulême, om naar Brachay te gaan, waar hij zijn uitvinding tot voltooiing zocht te brengen. Dit bewoog den hoofd-ingenieur zich bij de gestelde machten over Lebon’s nalatigheid te beklagen, waarvan het gevolg was dat er een onderzoek naar diens gedrag werd ingesteld. De commissie echter die benoemdwerd om deze grieven te beoordeelen, verklaarde hem geheel en al verheven boven elk verwijt. Overigens toonde de volgende brief, door hem tot den minister gericht, welk een grootheid van ziel dezen uitvinder kenmerkte.»Mijn moeder, zoo schreef Philippe Lebon, is komen te overlijden en ten gevolge van deze gebeurtenis ben ik genoodzaakt geworden mij eenigszins overhaast naar Parijs te begeven. Dit is mijn eerste fout geweest. De liefde voor de wetenschap en de zucht om nuttig te zijn heeft dezen misstap nog verergerd. Ik werd als verteerd en gekweld door een onweerstaanbare behoefte, om mijn uitvinding tot volmaking te brengen. Gelukkig ben ik geslaagd, en van een kilogram hout mocht ik, door de eenvoudige aanwending van wat warmte, het zuiverst lichtgas verkrijgen, en dat wel met een aanmerkelijke geldelijke bezuiniging en in een voldoende hoeveelheid, om gedurende een paar uren evenveel licht te verkrijgen, als van vier of vijf waskaarsen. De proef er mee is genomen in tegenwoordigheid van burger Prony, directeur van de school voor de genie, burger Lecamus, burger Besnard, inspecteur en burger Perard, chef van de polytechnische school. Ik voelde mij recht gelukkig, nu ik den minister de vrucht mijns arbeids dacht op te dragen. Ook lag er een memorie gereed, over het besturen van luchtballons, een stuk, hetwelk de goedkeuring van burger Prony en andere geleerden mocht wegdragen. Toen riep de genoemde omstandigheid mij naar Parijs. Waarlijk, het moest wel een zaak van overwegend belang zijn, die mij van zulke aangename bezigheden kon losmaken. Wel zou het wreed wezen wanneer ze nu ook de oorzaak werd dat ik een corps moest verlaten, wier chefs zoo goed zijn geweest mijn eerste schreden te leiden, mijne eerste pogingen met prijs op prijs te beloonen en mij aan te moedigen achtereenvolgens al de deelen der wetenschap te beoefenen, die aan de school van de genie onderwezen worden. Ik kan niet gelooven dat de omstandigheden, waarin ik mij bevind, dat mijn vurige liefde voor de wetenschap, dat mijn zucht om mijn vaderland van nut te zijn en de goedkeuring te verwerven van een minister, zelf vol ijver en liefde voor de wetenschap en in zekeren zin medeplichtig van mijn levensideaal—dat dit alles mij op zulk een straf kan komen te staan. Ik ben op het punt van naar Parijs te gaan; ik ga er heen in de hoogste spanning, maar de hoop reist met mij mee.”Philippe Lebon werd naar zijn post teruggezonden, maar de oorlog slokte al de staatsinkomsten op, en de Republiek had, terwijl Bonaparte zich in Italië bevond, geen tijd haar ingenieurs te betalen. Lebon schreef den minister en drong daarin aan op betaling van hetgeen men hem schuldig was, maar alle beden bleven vruchteloos. Zijn vrouw trok naar Parijs; maar ook hare pogingen blevenzonder gevolg. Zij schreef den minister den volgenden brief, die nog in hetarchiefvan de school der genie bewaard wordt.Vrijheid, Gelijkheid—Parijs, 22 messidor, jaar VII, van de Fransche Republiek, eenig en ondeelbaar—de echtgenoote van den burger Lebon aan den minister van Binnenlandsche Zaken.’t Is geen aalmoes, geen gunst, die ik u vraag: maar iets, waarop ik recht heb. Sedert twee maanden kwijn ik weg op honderd twintig mijlen van mijn huisgezin. Gij zoudt door een nog langer uitstel een huisvader dwingen, uit gebrek aan middelen, een staat te verlaten, waaraan hij alles heeft opgeofferd. Heb deernis, burgers met onzen toestand, die bedroevend en onhoudbaar is; mijn bede is rechtvaardig. Ziedaar meer dan één reden, althans genoeg om mij zelve overtuigd te houden dat de stap, dien ik doe, niet vruchteloos wezen zal bij een minister, die ’t zich tot een wet en een plicht stelt rechtvaardig te zijn.Met groete en achting, uw toegenegen medeburgeres, vrouw Lebon, geboren Brambille.In 1801 werd Philippe Lebon naar Parijs geroepen en als attaché toegevoegd aan den heer de Blin, ingenieur en chef der bestrating. Hij neemt nu een tweede brevet, een echt wetenschappelijk stuk, vol belangwekkende feiten en gedachten. Hij wijdt daarin uit over de verschillende wijzen waarop men het lichtgas zou kunnen aanwenden. Hij stelt der regeering voor een toestel te vervaardigen tot verlichting van de openbare gebouwen, maar het wordt verworpen. Nu schiet onzen ongelukkigen uitvinder, al zijn teleurstellingen moede, niet anders over dan zich tot het publiek te wenden en dit van het nut zijner uitvinding te overtuigen. Hij huurt het hôtel Seignelay, in de straat Saint-Dominique-Saint Germain en roept er het publiek te zamen. Hij heeft gezorgd voor een toestel, dat licht en warmte verspreidt door het gansche huis; ja, hij verlicht de tuinen met tallooze gaspitten, in de gedaanten van bloemen en sterren. De fontein was met gasgeïllumineerden het nederstortend water scheen zelf te lichten en te stralen. Van alle kanten komt het publiek aanloopen. Trotsch op den goeden uitslag zendt Lebon nu zijne prospectussen rond, een stuk vol waarheid en overtuiging, dat tevens een blijk geeft van zijn helderen blik in de toekomst. Hij ziet het gas reeds door de aderen stroomen van Europa’s hoofdsteden en begroet zijn licht in al hare straten.Eindelijk brengt de wereld den schranderen uitvinder zijn hulde, en een commissie, door den minister benoemd, verklaart dat de gunstige uitkomsten van burger Lebon’s proeven aan de verwachtingenheeft beantwoord van de mannen der wetenschap, ja ze overtroffen heeft. Napoleon I gunde Lebon een concessie in het bosch van Rouvray, om er een inrichting te vestigen tot het stoken van gas uit hout. Ongelukkig werd Lebon gedrongen te veel op eens te doen. Hij bereidde gas en vervaardigde zuringzuur en teer, dat hij naar Havre verzenden moest, ten dienste der marine. Desniettemin had hij goede hoop. Zijn fortuin scheen gemaakt, zijn werkplaats werd door geleerden en grooten bezocht. Een paar Russische vorsten, prins Galitzin en Dolgorowski deden hem namens de Russische regeering den voorslag zijne werktuigen naar Rusland over te brengen. Hij zou zelf zijne voorwaarden stellen. Philippe Lebon wees deze schitterende aanbiedingen van de hand; met een edel gevoel voor hetgeen hij aan zijn vaderland verplicht was, antwoordde hij dat aan Frankrijk en aan geen ander land de zegeningen van zijn uitvinding toekwamen.De goede verwachtingen van Lebon hielden helaas niet lang aan. Vijanden en mededingers deden hem talloos vele onaangenaamheden aan en zelfs de elementen schenen zich tegen hem te keeren. Een geweldige storm wierp zijn huis omver en een gedeelte van zijne werkplaats werd door het vuur vernield. Lebon echter was er de man niet naar, om zich uit het veld te laten slaan en hij had gegronde hoop dat zijne verlichting in het groot zou worden toegepast, toen een even ontijdige als raadselachtige dood een einde aan zijn leven maakte.Op den 2denDecember van het jaar 1804, op denzelfden dag, waarop Napoleon tot keizer werd gekroond, werd hij op laaghartige wijze vermoord. Men vond hem levenloos in de Champs Elysées, met dertien dolksteken doorboord. De man, door wiens hand deze euveldaad is gepleegd, is altijd onbekend gebleven.Eenige maanden te voren had de ongelukkige Lebon, vol vuur en geestdrift, zijn medeburgers van Brachay toegeroepen: »Goede vrienden, binnen kort zal ik u van uit Parijs te Brachay verwarmen en verlichten.” Dat kon niet, beweerden de luidjes van Brachay, »de man is niet wijs.” Hij was niet wijs, ’t is waar. Wijze menschen houden zich bij het oude, wijze menschen beproeven geen dingen, die nog niemand gedaan heeft. Wijze menschen zijn voorzichtig en wagen zich niet aan de gevaren en dwaasheden, die het genie onderneemt. Gelukkig zijn niet alle menschen in dezen zin wijs. Het is met de dwaasheid van het genie gelijk de dichter zingt:De gedachte wacht verlangend,Stille maagd, haar bruidegom;Wijsheid zegt: ze schept illusies,Schudt het hoofd: »Wat is zij dom!”Maar haar vindt een dwaas, die op deToekomst hoopt. Hij wendt haar druk,Huwt haar en, een vruchtbre moeder,Baart ze ons zegen en geluk.Philippe Lebon was wel een van degenen, van wie Béranger daar zingt. Ook hij had zich aan eene groote gedachte verbonden; hij leed een rampspoedig leven en kwam op ellendige wijze om het leven. Thans is zijn werk gewassen en de zaadkorrel, door hem in het veld der ontdekkingen geworpen, is aan het groeien gegaan, terwijl zijn edele en beminnelijke persoon behoort tot dezulken, die niet vergeten mogen worden. De portretten, die van hem over zijn, geven ons een denkbeeld van den luister van zijn helder en peinzend oog, den spiegel van zijn eerlijke en vurige ziel, van zijn vertrouwend en edelmoedig hart, och, zoo licht misleid, als men het daarop toelegde, want hij dacht geen kwaad en had slechts oog voor het goede. Van hem mag gelden dat hij meer achting dan fortuin wist te winnen.Zijn weduwe ontving een pensioen van 1200 francs en wilde den arbeid haars mans voortzetten; maar ook zij wijdde haar geestkracht aan een vruchteloos werk en stiet zich tegen nieuwe hindernissen en nieuwe rampen. Thans brandt het gas in groote en kleine steden, in dorpen, in huizen, in winkels, op stations en pleinen. Ook al mocht de aardolie of het electrisch licht het gaslicht verdringen, toch zal zijn uitvinding een zegen zijn geweest voor vele jaren en voor ontelbare menschen, ja, een schier onmisbaar deel hebben uitgemaakt van onze beschaving.De nijverheid brengt niet alleen in onze dagen allerlei dingen voort, die vroeger onbekend waren, maar zij weet ook veel handenarbeid uit te winnen, tengevolge waarvan hare voortbrengselen zich eindeloos vermenigvuldigen en veel goedkooper worden en de handenarbeid weder tot andere zaken kan gebezigd worden. Wanneer men al het katoen, dat Engeland’s fabrieken jaarlijks afleveren, met de hand moest spinnen, zou men daartoe 91 millioen personen noodig hebben, dat is ongeveer de helft van de bevolking van Europa. Een knappe breidster kan per minuut 80 steken breien, de machine maakt er in dien tijd 480.000.Let men op deze cijfers, dan kan men die groote werklieden en uitvinders niet genoeg roemen, die, maar al te zeer door het nageslacht vergeten, met hun vernuft en ijver het rijk der werktuigkunde hebben doen aanbreken.Hier staat ons de geschiedenis voor den geest van den beroemden barbier van Preston, den uitvinder van de eerste spinmachines.Te water met hem! riepen de woestelingen. Bladz. 125.Te water met hem! riepen de woestelingen. Bladz. 125.Richard Arkwright werd geboren in het engelsche graafschapLancaster, op den 23stenDecember 1732. Hij werd barbiersjongen. Van zijn spaarpenningen zette hij eerlang zelf een winkeltje op met het opschrift:In den onderaardschen barbier: hier scheert men voor twee stuivers. De andere barbiers verlaagden hierop hunne prijzen; maar Arkwright liet zich niet uit het veld slaan en tartte zijne concurrenten met een nieuw uithangbord waarop:Hier komt men voor een stuiver onder het mes. Intusschen werd onze ijverige barbier hier niet rijker mee en weldra zien wij hem het land afloopen en handel drijven in haar. Hij had echter een zeer sterk geteekende voorliefde voor werktuigkunde en hield zich in zijne vrije uren bezig met het vervaardigen van kleine modellen. Onderweg ontmoette hij een uurwerkmaker, Kay, die hem in staat stelde zoodanige kundigheden op te doen als hem ontbraken. Nu arbeidde hij met verdubbelden ijver van ’s morgens vier tot ’s avonds negen uur, en in weerwil van zijn armoede—zijne kleederen waren aan flarden gescheurd—slaagde hij er in, met de hulp van zijn vriend Kay, het model samen te stellen van de eerste spinmachine. Hij stelde het in de spreekkamer van de kostelooze school te Preston ten toon. De fortuin lachte hem toe. Rijke industrieelen kwamen hem te hulp. Hij nam een brevet en richtte een spinfabriek op te Nottingham, te Cromford, en in de nabijheid van Chorley. Nu spanden alle katoenfabrikanten van Lancashire tegen hem samen. De werklieden, tegen hem opgezet, zagen in hem een vijand, die met zijne werktuigen hen van hun brood berooven kwam. Zij besloten dus hem in het verderf te storten en zijn werkplaats werd door een bende kwaadaardigen vernield. Arkwright was binnen kort op nieuw aan het spinnen en leverde beter werk dan zijne concurrenten. Nu weigerde men van zijn fabrikaat te koopen en daagde men hem bij de rechtbank. Niets baatte tegen des spinners geestkracht en wil. Hij zegevierde. Op het eind zijns levens zag hij zijne onvermoeide pogingen met het beste gevolgd bekroond, en onder zijn opzicht verrezen in Schotland een aantal fabrieken. Zijn mededingers, genoopt het hoofd in den schoot te leggen, eindigden met zelven zijne toestellen in gebruik te nemen.Arkwright bezat zulk een wilskracht dat hij, op vijftigjarigen leeftijd, zich zelven de taalkunde en de spelling leerde. Hij was zoo geheel verdiept in de werktuigkunde en in de oprichting zijner werkplaatsen dat hij geheel onbekend gebleven was met de eerste beginselen van het onderwijs. Bij zijn dood, den 3denAugustus 1792, liet hij een groot fortuin na; maar grooter fortuin verwierf Engeland in het bizonder en de wereld in het algemeen. De invoer van katoen in Engeland, die van 1771–17805.735.000ponden bedroeg, wies van 1817–1821 tot 144 millioen ponden, van welke 130 millioen alleen in Engeland verwerkt werden.Aandoenlijk is de geschiedenis van den nederigen, edelen Jacquard.Nog jong deed hij zich kennen als een voorbeeld van werkzaamheid, vindingskracht en volharding. Als drukker, als lettergieter let hij met aandacht op de werktuigen, die hij in handen krijgt en verbetert ze. Op een keer, zich bij een messenmaker bevindende, ziet hij hoe het mesdoor de handen van drie of vier werklieden gaat, voordat het in het heft wordt bevestigd: den volgenden dag reeds heeft hij het volledige plan geteekend voor een machine, die in vijf minuten het werk verricht, waaraan vier werklieden een ganschen dag besteden. De messenmaker, te arm om deze machine te laten vervaardigen, stelde zich met de teekening tevreden; maar zijne knechts vernielden haar weldra, uit vrees dat deze uitvinding hun ontslag ten gevolge zou hebben.Reeds vroeg hield hij zich met de weverij bezig en zocht hij deze te vereenvoudigen. Zijn vader was een handwerksman, die laken en andere stoffen met goud, zijde enz. doorstikte. Deze echter kwam spoedig te sterven en daar zijn moeder reeds vroeger overleden was, kwam hij geheel op zich zelven te staan en in het bezit van een kleine erfenis. Hij huwde met de dochter van een wapensmid, Boichon. Zijn bruid zou hem, volgens de verzekering van den smid, een aardige huwelijksgift meebrengen. Zij deed het, niet in dien vorm, waarin men dat gewoonlijk verstaat, want geld heeft Jacquard van zijn schoonvader nooit gezien; maar hij vond een lieve vrouw, vol toewijding, vol moed, vol liefde ook in dagen van beproeving; zij geloofde in hem en bleef in dit geloof hem getrouw en hield zijn moed staande.Jacquard richtte nu een atelier van gemaakte kleederen op, maar ook hem ontbrak de praktische geest van den handelaar. Hij slaagde niet, stak zich in schulden, verviel tot armoede en kwam bij een kalkfabrikant in dienst. Terwijl hij de brandstoffen in den oven wierp, maakte zijn vrouw te Lyon stroohoeden op.Nog zwaarder dagen zouden aanbreken. Het jaar 1793 was daar; het schrikbewind was in vollen gang: de Girondijnen worden naar het schavot gesleept. Lyon verzet zich en Jacquard verzet zich mede. Aanhanger van de Republiek; maar tegenstander van het Schrikbewind neemt hij als eenvoudig soldaat deel aan de heldhaftige worsteling, die de inwoners van Lyon ondernemen tegen de Conventie. Lyon wordt verwonnen. De guillotine troont op de Place der Terreurs. Al wie meegedaan heeft wordt vervolgd en veroordeeld. Jacquard moet zich verbergen, te gelijk met zijn zeventienjarigen zoon. Vervolgens vluchten zij en nemen dienst bij het leger van den Rijn. Jacquard strijdt dapper voor zijn vaderland, maar koopt de zege duur, want zijn zoon sneuvelt, en sterft in zijne armen.De ongelukkige vader wordt krank, kwijnt weg in het hospitaal, keert naar Lyon terug en vindt zijn huis verbrand. Daar mag hijzich nu weder vestigen met zijn vrouw, die hij slechts met moeite heeft weten op te sporen. De rust keert weder en met de rust de nijverheid en de welvaart.Reeds lang had hij gezonnen op een middel om het een of ander werktuig in de plaats te stellen van de arbeidster of het kind, dat bij de zijdeweverij de zoogenaamdelac’saantrok (een soort van snoeren bij de weverij in gebruik). Hij dacht een samenstel uit van pennen en haken, waarmee hij den moeielijken arbeid der »tireuse de lacs” overbodig maakte en een bezuiniging van 50 pCt. in de zijdeweverij te weeg bracht. Op de tentoonstelling van voortbrengselen van Nationale Nijverheid in het jaar 1801 trok de nieuwe machinerie van Jacquard zeer de aandacht en won zij een bronzen medaille. Een andere vinding van Jacquard, een werktuig om vischnetten te knoopen, werd met goud bekroond.Ware Jacquard bij de hand geweest, hij had fortuin gemaakt; maar hij behoorde tot hen, die anderen de vruchten laten plukken, terwijl zij zelven zich aan hun uitvinding wijden om die te volmaken. In 1802 werd hij naar hetConservatoire des Arts et des Métierste Parijs geroepen, waar hij zich vestigde en twee jaren doorbracht, werktuigen en modellen van werktuigen samenstellend en verbeterend. Nergens kon hij beter geplaatst zijn. Hier vervaardigt hij zijne machines om fluweel-lint te weven en zijne spoelen voor de bewerking van het katoen. Voorts herstelde hij het beroemde weefgetouw van Vaucanson, dien ongeëvenaarden werktuigkundige, die zijne tijdgenooten versteld deed staan van zijne onnavolgbare automaten.Naar Lyon teruggekeerd (1804), vond hij aldaar een eerlijk en welgezind kapitalist, Camille Pernon, en eindelijk zal dan zijn kunstig weefgetouw in het werkelijke leven der fabriekwereld optreden. De kamer van koophandel en het stedelijk bestuur bemoeien zich met de zaak; eene commissie, bestaande uit de knapste handelaren, onderzoekt zijne toestellen en legt daarvan de gunstigste getuigenissen af en weldra wordt het stedelijk bestuur van Lyon gemachtigd Jacquard het privilegie van zijn weefgetouw af te koopen voor een lijfrente van 3000 francs. Zoo werd zijn brevet algemeen eigendom. De uitvinder ruilde een uitvinding, die hem vijftien jaren arbeidens en niet weinig ontbering en ellende gekost had, voor een eenvoudig stuk dagelijksch brood. Hij vroeg het gouvernement ook nog een premie van vijftig francs voor elk getouw, dat volgens zijn vinding zou worden opgericht.»Dat is er een, die zich niet spoedig tevreden laat stellen!” riep Napoleon, toen hij het brevet teekende. (De Keizer zelf liet zich ook zoo spoedig tevreden stellen!)Nieuwe beproevingen wachtten hem nu. De invoering van zijn weefmachine verwekte een niet geringe opschudding onder de arbeidendeklasse. Alom vertelde men dat het nieuwe toestel den handenarbeid onnoodig maakte en dat het volk er door tot den bedelstaf zou worden gebracht. Hij werd met bedreigingen achtervolgd. Hij heette een verrader, die den armen handwerksman aan de willekeur van den rijken fabrikant prijsgaf. Dat was dan het loon voor zijn waken en zoeken, zijne tranen en zijne zelfverloochening! Allengs steeg de haat al hooger en hooger, als een opkomende vloed, die hem dreigde mee te sleepen. Jacquard was niet meer veilig op straat; men beleedigde hem in het openbaar. Eens zelfs werd hij door den verwoeden volkshoop naar de Rhône gedrongen.»Te water, te water met hem!” riepen de woestelingen.Zonder de tusschenkomst van een paar moedige mannen zouden zij hem in de rivier hebben geworpen.Een ander zou gevlucht zijn en den zegen van zijn uitvinding naar elders hebben overgebracht—hij bleef. Hij wist den haat en den tegenstand het hoofd te bieden, wachtende op het uur zijner rechtvaardiging. Hij wist dat zijne machines overvloed en welvaart stichten, dat zij den arbeid vermeerderen en tegelijk de lichamelijke vermoeienis verminderen zouden. Eens zou men hem de welverdiende hulde niet onthouden!—Welnu, hij bedroog zich niet.Het weefgetouwà la Jacquardheeft een hervorming in de zijdeweverij teweeg gebracht en de stad Lyon groot gemaakt. En niet alleen Lyon mag hem dankbaar zijn, maar Rouaan, Manchester, Berlijn, Moscou, Petersburg, Amerika, Indië, China hebben zijn uitvinding tot hun nut weten aan te wenden.Na zich aller achting verworven te hebben, trok de groote uitvinder zich naar de omstreken van Lyon terug en bebouwde daar zijn tuin. Daar kwam menig vreemdeling hem zien en mocht er zijne medailles en zijnCroix d’honneurbewonderen. Hij stierf, van allen geëerd, op den 7denAugustus 1834, twee-en-tachtig jaren oud. Wat had hij niet doorgestaan!De uitvinder van de linnenspinnerij was niet gelukkiger.Philippe de Girard werd te Lourmarin (Vaucluse) geboren, op den 1stenFebruari 1775. Hij was een dier groote geesten, die met alle talenten begiftigd zijn en bij alles een wonderbare vindingskracht ten toon spreiden. Van zijn prilste jeugd af maakte de toekomstige uitvinder, evenals Newton, kleine werktuigen, vooral radertjes, die hij door middel van een stroomende beek in beweging bracht. Op veertienjarigen leeftijd dacht hij een aardig werktuig uit, waarbij hij zich den golfslag als beweegkracht ten nutte maakte. Voor alle wetenschappen en alle kunsten bezat hij een wonderlijke geschiktheid. Met hetzelfde gemak beoefende hij werktuig- en plantenkunde, schilder-, beeldhouw- en dichtkunst.De stormen der omwenteling ontrukten Philippe de Girard aan het vredige leven in het ouderlijke huis. Na de wapens te hebben gevoerd tegen de omwentelingsmannen van het Zuiden, moest hij met zijne familie Frankrijk verlaten, en om zich en de zijnen in het leven te houden, schildert hij te Mahon, op het eiland Minorca, en maakt hij zeep te Livorno. Ondertusschen deed hij zich reeds door eenige uitvindingen kennen.Naar zijn haardstede teruggekeerd, richt hij te Marseille een fabriek op van chemische produkten. Maar ten gevolge van de staatkundige troebelen des tijds (1795) moet hij wederom het land verlaten. Nu verkrijgt hij te Nice een leerstoel voor chemie en natuurlijke geschiedenis, welke vakken hij, na 18 Brumaire, ook te Marseille onderwijst.Eens in Frankrijk zijnde, komt hij ook weder te Parijs. Aldaar bleek al spoedig, op de tentoonstelling van 1806, wat het vernuft van Girard vermocht. Hij stelde er een nieuwen kijker ten toon, en ijzeren platen, die door een gansch nieuwe wijze van bewerking geschilderd en vernist waren. Ook zag men er de bekende hydrostatische lampen, die te dier tijde een ware omwenteling brachten in de kunst van verlichten. Eenigen tijd later ontving Girard van de Maatschappij van Aanmoediging een groote gouden medaille voor een merkwaardige stoommachine.In 1810 wilde Napoleon de engelsche katoenfabrikage den laatsten slag toebrengen. Nadat hij alle havens van Europa voor haar had doen sluiten, vaardigde hij een besluit uit, dat den 12denMei in deMoniteurverscheen en waarbij een millioen francs werd toegezegd aan den uitvinder, tot welke natie ook behoorende, die het beste werktuig zou vervaardigen tot het spinnen van linnen garens.Eenige dagen na de uitvaardiging van dit Besluit was Philippe Girard, toen vijf-en-dertig jaren oud, bij zijn vader te Lourmarin. Bij het ontbijt werd het nieuwsblad binnengebracht, waarin deze oproeping voorkwam. De oude Girard reikte het blad aan zijn zoon over met de woorden: »Philippe, dat is iets voor u!” Na het ontbijt ging Philippe alleen uit, vastbesloten het vraagstuk op te lossen. Nimmer had hij zich bezig gehouden met de zaak, waarop het Besluit doelde. Hij vraagde zich dus af, of hij zich niet eerst in kennis zou stellen met alles, wat in deze beproefd was; maar al spoedig begreep hij dat het groote aanbod niet zou zijn gedaan, wanneer men ooit tot een gelukkige oplossing gekomen was. Voorts wilde hij ook liever niets van den toenmaligen stand der zaak weten, ten einde met te meer onafhankelijkheid zijn eigen weg te gaan en den ouden sleur te ontwijken. Hij nam dus vlas, garen, water en een vergrootglas, en beurt om beurt het vlas en het garen aanziende, dacht hij: »Met het een moet ik het ander vervaardigen!”Na het vlas met het glas te hebben beschouwd en het in water te hebben geweekt, zoodat hij de vezels kon afscheiden, vormde hij met de vingers een bijzonder fijnen draad. Wanneer hij nu maar een machine had, die hetzelfde kon wat hij met de vingers deed, dan was hij er. De kiem der uitvinding was in zijn gedachte opengesprongen en hij kon tot zijn vader zeggen: »Het millioen is mijn!”Twee maanden later kon hij een eerste brevet op zijn uitvinding nemen. Zij is sedert niet wezenlijk veranderd en daaruit mag haar degelijkheid blijken. Van het millioen echter zag hij niets. De regeering scheen berouw te hebben, dat zij zulk een som had uitgeloofd voor een zaak, die zoo spoedig gevonden was. Men eischte nu, onder andere meer zonderlinge voorwaarden, dat het garen 400,000 meters zou meten in een kilogram en dat dit wonder zou verkregen worden tegen een vijfde van de kosten van het met de hand gesponnen garen. Philippe de Girard kwam hiertegen op, maar het Keizerrijk viel en toen de dag kwam, waarop de belooning zou worden uitgereikt, zei Thiers: Wat er was, het millioen was er niet meer.Toch ging de Girard voort zijn vernuft aan Frankrijk’s heil te wijden. Toen de verbonden Mogendheden in 1831 zich gereed maakten Frankrijk binnen te rukken, vond hij een soort van stoomwapen uit. De proeven, welke onder toezicht van verscheidene officieren met dit wapen genomen werden, gelukten volkomen. Het geleek eenigszins op de latere mitrailleuses, loste 180 schoten in de minuut en doorboorde op honderd passen een plank van 4 centimeters dikte. De moordtuigen zouden vervaardigd worden en het noodige geld werd er voor aangewezen, maar hoe snel ook de uitvinding gedaan en in praktijk gebracht was, nog sneller was de loop der gebeurtenissen, die haar overbodig maakten.De machinale linnenspinnerij en al de andere proeven, die Girard had genomen, kostten hem zijn gansche fortuin, alsmede dat zijner broeders, die zich bij hem aansloten. ’t Is bijna ongelooflijk en toch is het waar, dat deze nuttige man, deze glorie en trots van Frankrijk, op zijn werkplaats, te midden van zijn arbeid, gevangen genomen werd wegens schulden, die hij in het belang van zijn uitvindingen gemaakt had. Men sloot hem op. Toen nam de Girard de aanbiedingen aan, die hem van wege Oostenrijk werden gedaan, om aldaar een spinfabriek op te richten. Hij vertrok, met een verscheurd gemoed, de helft zijner werktuigen meenemende, terwijl zijne broeders met de andere helft hun geluk in het ondankbare vaderland nog eens zouden beproeven. Zij slaagden niet. Het gouvernement wilde hun geen geld toestaan en de fabriek stond stil en werd een bouwval. Maar ook Philippe slaagde niet naar wensch. Toch bracht hij zijn werktuigen tot steeds grooter volkomenheid,onder anderen door de toevoeging van een kammachine, waarin hij later nog verbetering zou aanbrengen. Ook aan de stoomvaart wijdde hij zich. Van Pesth naar Weenen liet hij een schip den Donau opvaren, dat met stoom gedreven werd. Hij was de eerste die ter voorkoming van geweldige ontploffingen, den stoom zich ontwikkelen liet in dunne buizen.Vervolgens werd de Girard door den Keizer aller Russen naar Warschau geroepen, om aldaar een groote spinnerij tot stand te brengen. Hij was er bovendien ingenieur der mijnen en werd er zoo populair, dat het stadje, hetwelk langzamerhand rondom zijn fabriek aangroeide, Girardow genoemd werd. Nog vond hij uit een toestel, om het sap uit de beetwortels te trekken en dit te doen verdampen, en een nieuw watermolenrad, dat door watervallen in beweging kon worden gebracht. Hij bracht verbetering aan in de wijze, waarop men zink uit erts bereidt, plaatste op den gevel van de Bank te Warschau een zichzelf registreerenden thermometer en op het observatorium te dier stede een zichzelf registreerende meteorograaf. Hij vond een werktuig uit om het houtwerk voor geweren te vervaardigen, een ander om bolvormige voorwerpen met mathematische juistheid te draaien, een stelsel van luchtverwarming in de hoogovens, stoommachines zonder balans, schroefraderen, een machine om werk te ontwarren, te spinnen, een zichzelf registreerenden dynamometer, werktuigen om steenen te bakken, een ander om ijzerdraad te trekken.In 1844 kwam de Girard, nog altijd arm, naar Frankrijk terug. Vier jaren vroeger had hij een vlugschrift geschreven, waarin hij op krachtige wijze zijne rechten handhaafde: »Memorie aan den Koning, aan de Ministers en aan de Kamer omtrent den eersten rang, aan Frankrijk toekomende, waar het de uitvinding geldt van de spinmachines voor linnen garens.Ik kom, zoo zeide hij, èn voor mijn vaderland èn voor mijzelven de eer dezer uitvinding eischen, ter wille van welke, op Frankrijk na, geheel Europa mij hulde heeft gebracht.”Bij gelegenheid van de Tentoonstelling van Nijverheid te Parijs, in 1844, werd de Girard’s kammachine niet weinig bewonderd; maar hij was toen een grijsaard van 69 jaren en leefde van een pensioen, dat de Keizer van Rusland hem had gegund en van een paar duizend francs, die een Vereeniging hem bij wijze van een aalmoes had toegestaan. Hij stierf in 1845. Dat zijne vrienden nimmer het kruis van het Legioen van Eer voor hem hebben kunnen krijgen, is wel een bewijs hoe laag de man geschat werd, die zijn vaderland zulke groote diensten bewezen had. In 1849 werd de Girard’s recht op de uitvinding plechtig afgekondigd en in 1853 stemde het Corps Legislatif voor een nationale belooning, die aan des uitvinders erven zou worden geschonken. O, spot van het lot!Zijn broeder Frédéric was dood, zijn broeder Joseph was in de negentig en stierf het volgende jaar.Onder de mannen, die zich verdienstelijk hebben gemaakt met het spinnen, kammen en weven van katoen, behoort ook Josua Heilman. In tegenstelling met bijna alle uitvinders bezat hij een aanzienlijk vermogen; maar dit belette den genius der vinding niet hem aan te grijpen. Te midden van de fabrieken van den Elzas wonende, vernam hij dat de eerste fabrikanten van den omtrek een som van vijfduizend francs boden voor een nieuwe machine om het katoen te kammen. De toenmalige kammachine was ongeschikt tot het dooreenwerken van katoen en wol, en deed bovendien veel verloren gaan. Heilman nam het besluit mee te dingen. Hij was toen geen eerstbeginnende, want hij had het opzicht gehad over een fabriek van machinerieën. Hij had een borduurmachine uitgevonden, waarin twintig naalden te gelijk in werking waren; zoo ook een verbeterd weefgetouw, een machine om stoffen te meten en te vouwen, een ander om den spoel op te winden, en weder een ander, waarmee hij twee stukken fluweel te gelijk weefde. Maar de vraag, die hem nu werd voorgelegd, was vrij wat moeielijker op te lossen. Hij besteedde verscheidene jaren aan het bestudeeren van dit vraagstuk. Hij had het er op gezet zijn doel te bereiken en dat te meer, naarmate het verder verwijderd scheen. Hij moest kostbare proeven nemen, werktuigen laten maken en zijne proefnemingen telkens veranderen en herhalen. Dit kostte hem zoo veel, dat zijn gansche fortuin en de bruidschat zijner vrouw er mee heengingen. Toen moest hij geld leenen, om in het leven te blijven, en toen hij zijn vrouw verloren had, besloot hij naar Engeland te gaan en daar een betrekking te zoeken, die voor hem en zijne beide dochters een bestaan kon opleveren. Heilman toog nu naar Manchester. Maar de gedachte aan zijn kammachine volgde hem op den voet en liet hem niet met rust. Hij vervaardigde er een voor een engelsch fabrikant, maar deze voldeed niet aan de verwachtingen. Naar Frankrijk teruggekeerd, om er zijne dochters te bezoeken, zat hij op een avond weder te peinzen en keek hij onwillekeurig, doch zeer aandachtig, naar zijne kinderen, waarvan het eene bezig was het ander de schoone, lange haren te kammen en op te maken. »Kon ik,” dacht hij op eens, »kon ik met een werktuig de eigenaardige bewegingen van die hand namaken, die eerst de lange haren naar zich toe haalt en met eentegenovergesteldebeweging de korte haren wegwerkt, dan was ik geholpen.” Josua Heilman hervatte zijn arbeid, en na zeven jaren zoekens mocht hij eindelijk zijn schijnbaar zoo eenvoudig, maar in waarheid zoo samengesteld kamwerktuig gereed zien. Nog eenigen tijd had hij noodig om zijn uitvinding te voltooien, doch daarna had het dan ook een graad van volkomenheid bereikt, hooger dan welke menhet zeker niet brengen zal. Men moet dit wonderbare werktuig zien werken, om het naar waarde te schatten. Het heeft in zijn greep en in zijn gansche beweging iets, dat aan de menschenhand doet denken. Nu was Heilman’s fortuin gemaakt. Van alle kanten kwamen aanbiedingen, om hem zijn privilegie af te koopen. Maar hij genoot weinig van die weelde. Hij had zijn fortuin gegeven, doch toen het wederkwam stond hij op het punt van scheiden en ging hij de eeuwige rust in.
Zag zijn inboedel aan den meestbiedende verkoopen. Blz. 113.Zag zijn inboedel aan den meestbiedende verkoopen. Blz. 113.HOOFDSTUK VIII.DE NIJVERHEID EN HARE WERKTUIGEN.
Zag zijn inboedel aan den meestbiedende verkoopen. Blz. 113.Zag zijn inboedel aan den meestbiedende verkoopen. Blz. 113.
Zag zijn inboedel aan den meestbiedende verkoopen. Blz. 113.
De arbeid, die vroeger door last- en trekdieren of ook door de hand der menschen werd verricht, wordt thans meer en meer aan allerlei soort van werktuigen toevertrouwd. Hierdoor is een zoo groote omwenteling ontstaan in het maatschappelijk leven, dat wij veilig kunnen zeggen: met de opkomst van nijverheid en werktuigkunde is in de geschiedenis der menschheid een nieuw tijdperk aangebroken. Het eind van de vorige eeuw was de geboortestond dier wonderen van samenstelling en verbinding, waarover we ons tegenwoordig niet meer verbazen, daar zij algemeen zijn geworden; maar die toch inderdaad niet weinig bewondering verdienen, gelijk ook de uitvinders zelven, die deze kunstige werktuigen hebben uitgedacht. Zij zijn echter maar al te onbekend. Wij willen dan ook hier aan de vergetelheid zoodanige daden ontrukken, om welke de fortuin zich niet heeft bekommerd en die de faam, om welke reden dan ook, niet heeft uitgebazuind. Daar hebt gij de vervaardiging van kunstmatige soda, de aanwending van het gas ter verlichting van straat en huis, de nieuwe weverij en tal van andere zaken.Chaptal heeft gezegd dat de bereiding van het zwavelzuur een zeer juiste maatstaf leverde om den graad te bepalen van den bloeivan handel en nijverheid, van de koolzure soda kan men hetzelfde zeggen. Hoe meer een land er van noodig heeft, hoe beter het staat met zijn nijverheid. Met kleiaarde en kalk verbonden levert dit zout ons glas, met vette zuren vereenigd wordt het zeep, in water opgelost biedt het den verwer een kostelijk vocht om draden en weefsels uit te loogen. De glasblazers en zeepzieders gebruiken er gansche bergen van, zeker meer dan 400 millioen kilogrammen ’s jaars. Hiervan bereidt Frankrijk ongeveer 100 en Engeland 150 millioen.Gedurende de fransche revolutie vond Nicolas Leblanc het middel om op kunstmatige wijze deze stof te bereiden, die vroeger langs natuurlijken weg uit de asch van zeeplanten bereid werd. Vóór de fransche revolutie waren de Spaansche kusten, bij Alicante en Malaga, en de fransche bij Narbonne bedekt met planten, zooals desalsola, desoda, desalicornia europea, die men met de meeste zorg kweekte. Hadden deze planten een voldoenden wasdom bereikt, dan sneed men ze in kleine stukjes, die men in de open lucht liet drogen. Droog geworden werden ze in kegelvormige kuilen opgehoopt en verbrand. Van de asch, die in grooten voorraad overbleef, werd nu een zeer harde en broze zelfstandigheid, deruwe soda, verkregen, welke gemalen en met water toebereid een soort van loog gaf. Dit liet men uitdampen en zoo bleef de soda over.In de vorige eeuw was Spanje het eigenlijke vaderland van de soda. De soorten van Alicante en Malaga, welk voor 28 tot 30 pct. koolzure soda bevatten, wedijverden met die van Narbonne, ja, Frankrijk moest zich naar den vreemde wenden, om zijne fabrieken van de noodige soda te voorzien. Tot op de revolutie ging dit goed; maar de krijg maakte een eind aan alle buitenlandsche handelsbetrekkingen; men moest van eigen middelen leven en tot elken prijs moesten de zeep- en glasfabrieken hun soda hebben.Het Comité van Algemeen Welzijn deed een beroep op de fransche scheikundigen. Het riep hen op om al hun krachten in te spannen, ten einde de soda uit eigen bodem te halen. Weldra waren er niet minder dan vijf-en-twintig of dertig plannen ingeleverd; maar met algemeene stemmen werd aan het ontwerp van Leblanc de voorkeur gegeven. Leblanc, een eenvoudig fransch geneeskundige, had begrepen dat hij de soda van het keukenzout hebben moest. Dit zout, door middel van zwavelzuur ontleed, geeft het natriumsulphaat of glauberzout, hetwelk hij nu met houtskool vermengde, gelijk De la Métherie, hoogleeraar aan het Collège de France, had voorgesteld. Dit echter gaf niet de stof, die hij wenschte te verkrijgen. Een ingeving deed hem het denkbeeld aan de hand er krijt (calciumcarbonaat) bij te voegen, en zie, het vraagstuk was opgelost. Noch Leblanc, noch zijn geleerde tijdgenootenbegrepen ten volle hoe en waarom deze bijvoeging van krijt de gewenschte koolzure soda ontstaan deed. Het was alleen een gelukkig denkbeeld, een gelukkige greep, die maakte dat Leblanc, na vele vruchtelooze pogingen, na vele geduldige proefnemingen, na vele uiterst schrandere verbindingen, het eenig ware middel juist op die wijze aanwendde als voor het welslagen der proef noodzakelijk was. In de 90 jaren, sedert verloopen, zijn de door Leblanc opgegeven cijfers van gewicht en hoeveelheid nog niet veranderd geworden.Onder degenen, die in het groot Leblancs uitvinding in toepassing brachten, behoort J. B. Bayen genoemd te worden. Deze vestigde zich op de vlakte van Grenelle, die toen ter tijde nog onbewoond was. Al spoedig nam de kunstmatige bereiding van soda zulk een vlucht, dat men niet alleen niets van het buitenland deed komen, maar dat in 1810 de fransche markt zelfs voor buitenlandsch fabrikaat gesloten werd.In 1823 vestigde James Muspratt een fabriek van soda te Liverpool. Hij nam het systeem van Leblanc geheel over en deze werkplaats is thans nog eene der grootsten van Engeland, ja, van de geheele wereld.Nicolas Leblanc had wel terstond, en van den eersten dag af, het belang van zijn vinding ingezien. »De kunstmatige vervaardiging van soda zal, zoo schrijft hij, ten gevolge hebben dat Frankrijk, hetwelk zulk een groote hoeveelheid van deze stof gebruikt en groote sommen uitgeeft om het elders te koopen, nu zijn geld in den zak zal houden; de nijverheid zal niet meer blootgesteld zijn aan het gevaar van deze zoo noodige stof te moeten missen, hetzij wegens de verwikkelingen van den krijg of den mislukten oogst van zekere planten. Wij zullen ons voordeel doen met het zout, waaraan onze bodem geen gebrek heeft. Ja, de overvloed dezer grondstof en den lagen prijs, waarvoor zij in Frankrijk te krijgen is, doen zelfs verwachten, dat onze naburen op hun beurt eenigszins schatplichtig zullen worden aan ons.”Men vond hem levenloos in de Champ Elysées. Bladz. 119.Men vond hem levenloos in de Champ Elysées. Bladz. 119.De uitkomst heeft deze verwachtingen bekroond; maar Leblanc werd er niet gelukkiger door. Volgens de titels van eenige zijner werken, was hij voormalig oud-officier van gezondheid, scheikundige, oud-administrateur van het Departement der Seine, lid van vele geleerde genootschappen. Hij had zich doen kennen door zijne werken over de cristallisatie en hij had een middel aangewezen, om zuivere kristallen te verkrijgen van een vrij grooten omvang. De kennis der kristallen heeft de studie uitgemaakt van bijna gansch zijn leven en waarschijnlijk heeft hij verwacht, dat deze hem een wetenschappelijken naam bezorgen zou. Hij had toch op dit gebied iets zeer belangrijks opgemerkt, namelijk dat verschillende sulfaten een gelijken kristalvorm aannemen, en dat zij zich op ennaast elkander kunnen vormen, welke waarneming mag geacht worden de grondslag te zijn van de zoo belangrijke leer van hetisomorphisme. Maar al mocht hij nu en dan een opstel geplaatst zien in een wetenschappelijk jaarboek, al mocht hem nu en dan een onderzoek van aanbelang worden opgedragen, hij bleef arm, te meer daar de troebelen der revolutie elke opdracht van regeeringswege onzeker maakten en hij soms allen steun missen moest. Maar hoe kommerlijk zijne omstandigheden ook waren, hij heeft zich nimmer door het ongeluk laten overwinnen. Zijn krachtige geest, zijn vaste wil waren bestand tegen alle beproevingen, ook tegen die, welke hij als fabrikant moest ondervinden. Hij zelf maakt hier nauwelijks melding van. Zijn wetenschap ging hem boven alles. Door de voorspraak van Molard, directeur van hetConservatoire des Arts et Métiers, vond hij in 1802 de gelegenheid in een van de werkplaatsen dezer inrichting zijne geliefkoosde studie voort te zetten, en al kon hij ook geen volledige verzameling van kristallen vormen, hij bracht er toch eenige zeer merkwaardige te zamen. Met deze zaak was hij steeds in zijn gedachten bezig. Hoe aandoenlijk is zijn klacht, dat hij zijn verzameling niet naar den eisch heeft kunnen voltooien. »Ik had” zoo schrijft hij, »ik had nu al twintig jaar lang met haar uitbreiding bezig kunnen zijn, maar eens zal zij weder worden ter hand genomen. Dat dan een voorspoediger hand en schranderder waarnemer zich aan haar wijde. Dan zal ik mij troosten dat ik geen hulp heb mogen vinden, die mij in staat stelde mijn arbeid verder voort te zetten.” Over zijn ondernemingen geen woord. Heeft hij al eens gemeend de fortuin bij de haren te grijpen, hij heeft geen teleurstelling getoond, toen zij hem is ontsnapt. In die geschriften, waarin hij de twintig jaren van zijn arbeid beschrijft, zinspeelt hij maar een enkelen keer op den tijd, dien hij aan zijn sodafabriek heeft gewijd.Toch was het mislukken dezer onderneming een zware slag. Niets scheen waarschijnlijker dan dat hij met een sodafabriek fortuin zou maken. Geen onderneming had betere kansen van slagen. Nauwelijks had Leblanc in 1791 een brevet genomen, of hij richtte met Dizé, Shée en den hertog van Orleans een maatschappij op. Te Saint Denis werden de werkplaatsen gebouwd en voor altijd scheen het geluk den vennooten toe te lachen, toen de terechtstelling van den hertog van Orleans een eind maakte aan de groote en billijke verwachtingen, die men koesterde. Te vergeefs trachtte Leblanc te Marseille een nieuwe fabriek op te richten. De man, die eene van Frankrijk’s rijkste bronnen van welvaart geopend had, moest liquideeren en zag zoowel zijn inboedel als al zijn werktuigen aan den meest biedende verkoopen.De val van de fabriek sleepte hem zelven mee. Het brevet, waarvan geen gebruik meer werd gemaakt, viel in handen van het groote publiek en Leblanc was zijn privilege kwijt.In het jaar VIII van de Republiek werd hij op nieuw in het bezit gesteld van de werkplaatsen te Saint Denis; maar hij kon geen kapitaal vinden om de zaak te drijven, en hij stierf in kommerlijke omstandigheden in het jaar 1806.Niet minder aandoenlijk is de geschiedenis van de uitvinding van het lichtgas door Philippe Lebon.Wanneer men de officieele stukken doorloopt, die op dezen man betrekking hebben, wanneer men telkens het stralen van zijn genie mag gadeslaan, wanneer men de hinderpalen nagaat, die hij heeft moeten overwinnen, wanneer men zich in zijn groot karakter en zijne edele gevoelens verdiept, staat men vol bewondering stil bij het beeld van den eenvoudigen man, die de wereld zulk een onwaardeerbaren dienst bewezen heeft.Philippe Lebon werd te Brachay (Haute-Marne) in Frankrijk geboren, op den 29stenMei 1767. Twintig jaren later werd hij geplaatst op de school voor den waterstaat, waar hij zich al spoedig door zijn vindingrijken en onderzoekenden geest onderscheidde. Zijn eerste arbeid had betrekking op de stoommachines, die toen ter tijde in haar opkomst waren, en den 18denApril 1792 ontving de jeugdige ingenieur een nationale belooning van 2000 livres, »ten einde zijne onderzoekingen te voltooien omtrent de verbetering der werktuigen, die met vuur worden gedreven.”Omstreeks denzelfden tijd werd Lebon’s aandacht gevestigd op het gaslicht. Op een dag, dat hij te Brachay vertoefde, wierp hij een handvol zaagsel in een flesch, die hij op het vuur verhitte. Hij zag een dikken rook uit de flesch te voorschijn komen, die op eenmaal vlam vatte en een helder licht verspreidde. Op dien dag deed de nijverheid een harer schoonste vondsten. Lebon had de eerste gaslamp gebrand. Men heeft deze uitvinding aan het toeval toegeschreven. Het zij zoo, daarmee is de uitvinder niet minder groot. ’t Was ook een toeval, hetwelk den appel deed vallen juist toen Newton tegenwoordig was, maar hoe velen hadden er appelen zien vallen, zonder dat zij van een wet der zwaartekracht hadden gedroomd. ’t Is het oog van het genie, dat in de verschijnselen de geheimen ziet, die zij met zich voeren. Zoo zag Lebon een gasfabriek in de flesch, zoo baat het toeval het vernuft alleen. Wat al scheikundigen hadden, vóór Lebon, hout of steenkool zien branden. Maar niemand had nog opgemerkt wat dit in schijn zoo eenvoudige feit beteekende. Hoeveel menschen hebben het deksel van een ketel opgetild gezien door den damp daar binnen! Maar men moest een Watt zijn, om er een stoommachine in te zien. Alleen het genie ziet in de toekomst, alleen het genie weet, als bij ingeving, te beslissen wat er van de vele zaken, die het ziet en opmerkt, worden kan. Binnen weinige dagen had Lebon begrepen waarheen de waarneming, die hij gedaan had, leiden kon, en met den blik van eenwaarlijk verheven geest ging hij aan het werk. Hij wist nu dat hout en andere brandstoffen, onder den invloed der hitte, een gas lieten ontsnappen dat zoowel voor verlichting als verwarming dienst kon doen. Hij had opgemerkt dat het gas, hetwelk aan gloeiend hout ontsnapt, vergezeld gaat van zwartachtige dampen, die een scherpe en doordringende lucht van zich geven. Die hinderlijke bestanddeelen moesten worden weggenomen. Lebon liet nu die dampen door een buis in een flesch met water gaan, waardoor de onbruikbare bestanddeelen werden gecondenseerd en het gas in zuiveren toestand afgescheiden werd. Dit eenvoudige werktuig is de eerste gasfabriek geweest. Het bevat er dan ook de drie hoofdgedeelten van, het toestel der vervaardiging, dat der zuivering en dat der inzameling van het gas.Zijne eerste proeven nam hij ergens op het vrije veld. Hij maakte zich een fabriekje, waar hij het gas stookte, en vervaardigde een zuiveringsvat; en ginds, aan het einde van een uitstekende pijp, brandde het heldere licht, dat door zijne buren niet weinig bewonderd werd.Na Fourcroy, de Prony en de geleerden van zijn tijd geraadpleegd te hebben, nam hij in 28 September 1799 een brevet, waarin hij zijn »thermolampen”, zijn lamp met lichtgas gevuld, beschreef. Tevens leverde zijn fabriek teer.Steenkool achtte hij echter verkieslijk boven hout, en duidelijk moet hij voorzien hebben welk een gewichtige rol de kool en het gas zouden vervullen. Het stuk, dat hij over deze zaak opstelde, is geschreven met een gloed, die den man van overtuiging kenmerkt.Doch Lebon kon maar een gedeelte van zijn tijd aan zijn uitvinding wijden. Hij was ingenieur, hij had geen fortuin, en moest van zijn ambt leven. Hij begeeft zich nu als ingenieur naar Angoulême; maar hij vergeet zijn lievelingsdenkbeeld niet, noch ook Parijs, dat onvergelijkelijk brandpunt van verlichting. Ook hield hij zich met meetkunst en andere vakken van wetenschap bezig, zoodat zijn geest verre weg zwierf van zijne dagelijksche bezigheden en de over hem gestelde hoofdingenieur zich ernstig over hem begon te beklagen. In het geheim was deze naijverig op Lebon, in wien hij een man zag van hooger ontwikkeling, die hem eens voorbij zou streven; hij verborg echter zijn haat achter een masker van voorgewende hoogachting terwijl hij hem van zijn ambt zocht te berooven. Gansch vervuld van zijne plannen met het nieuwe licht, verwijderde Lebon zich dikwijls van Angoulême, om naar Brachay te gaan, waar hij zijn uitvinding tot voltooiing zocht te brengen. Dit bewoog den hoofd-ingenieur zich bij de gestelde machten over Lebon’s nalatigheid te beklagen, waarvan het gevolg was dat er een onderzoek naar diens gedrag werd ingesteld. De commissie echter die benoemdwerd om deze grieven te beoordeelen, verklaarde hem geheel en al verheven boven elk verwijt. Overigens toonde de volgende brief, door hem tot den minister gericht, welk een grootheid van ziel dezen uitvinder kenmerkte.»Mijn moeder, zoo schreef Philippe Lebon, is komen te overlijden en ten gevolge van deze gebeurtenis ben ik genoodzaakt geworden mij eenigszins overhaast naar Parijs te begeven. Dit is mijn eerste fout geweest. De liefde voor de wetenschap en de zucht om nuttig te zijn heeft dezen misstap nog verergerd. Ik werd als verteerd en gekweld door een onweerstaanbare behoefte, om mijn uitvinding tot volmaking te brengen. Gelukkig ben ik geslaagd, en van een kilogram hout mocht ik, door de eenvoudige aanwending van wat warmte, het zuiverst lichtgas verkrijgen, en dat wel met een aanmerkelijke geldelijke bezuiniging en in een voldoende hoeveelheid, om gedurende een paar uren evenveel licht te verkrijgen, als van vier of vijf waskaarsen. De proef er mee is genomen in tegenwoordigheid van burger Prony, directeur van de school voor de genie, burger Lecamus, burger Besnard, inspecteur en burger Perard, chef van de polytechnische school. Ik voelde mij recht gelukkig, nu ik den minister de vrucht mijns arbeids dacht op te dragen. Ook lag er een memorie gereed, over het besturen van luchtballons, een stuk, hetwelk de goedkeuring van burger Prony en andere geleerden mocht wegdragen. Toen riep de genoemde omstandigheid mij naar Parijs. Waarlijk, het moest wel een zaak van overwegend belang zijn, die mij van zulke aangename bezigheden kon losmaken. Wel zou het wreed wezen wanneer ze nu ook de oorzaak werd dat ik een corps moest verlaten, wier chefs zoo goed zijn geweest mijn eerste schreden te leiden, mijne eerste pogingen met prijs op prijs te beloonen en mij aan te moedigen achtereenvolgens al de deelen der wetenschap te beoefenen, die aan de school van de genie onderwezen worden. Ik kan niet gelooven dat de omstandigheden, waarin ik mij bevind, dat mijn vurige liefde voor de wetenschap, dat mijn zucht om mijn vaderland van nut te zijn en de goedkeuring te verwerven van een minister, zelf vol ijver en liefde voor de wetenschap en in zekeren zin medeplichtig van mijn levensideaal—dat dit alles mij op zulk een straf kan komen te staan. Ik ben op het punt van naar Parijs te gaan; ik ga er heen in de hoogste spanning, maar de hoop reist met mij mee.”Philippe Lebon werd naar zijn post teruggezonden, maar de oorlog slokte al de staatsinkomsten op, en de Republiek had, terwijl Bonaparte zich in Italië bevond, geen tijd haar ingenieurs te betalen. Lebon schreef den minister en drong daarin aan op betaling van hetgeen men hem schuldig was, maar alle beden bleven vruchteloos. Zijn vrouw trok naar Parijs; maar ook hare pogingen blevenzonder gevolg. Zij schreef den minister den volgenden brief, die nog in hetarchiefvan de school der genie bewaard wordt.Vrijheid, Gelijkheid—Parijs, 22 messidor, jaar VII, van de Fransche Republiek, eenig en ondeelbaar—de echtgenoote van den burger Lebon aan den minister van Binnenlandsche Zaken.’t Is geen aalmoes, geen gunst, die ik u vraag: maar iets, waarop ik recht heb. Sedert twee maanden kwijn ik weg op honderd twintig mijlen van mijn huisgezin. Gij zoudt door een nog langer uitstel een huisvader dwingen, uit gebrek aan middelen, een staat te verlaten, waaraan hij alles heeft opgeofferd. Heb deernis, burgers met onzen toestand, die bedroevend en onhoudbaar is; mijn bede is rechtvaardig. Ziedaar meer dan één reden, althans genoeg om mij zelve overtuigd te houden dat de stap, dien ik doe, niet vruchteloos wezen zal bij een minister, die ’t zich tot een wet en een plicht stelt rechtvaardig te zijn.Met groete en achting, uw toegenegen medeburgeres, vrouw Lebon, geboren Brambille.In 1801 werd Philippe Lebon naar Parijs geroepen en als attaché toegevoegd aan den heer de Blin, ingenieur en chef der bestrating. Hij neemt nu een tweede brevet, een echt wetenschappelijk stuk, vol belangwekkende feiten en gedachten. Hij wijdt daarin uit over de verschillende wijzen waarop men het lichtgas zou kunnen aanwenden. Hij stelt der regeering voor een toestel te vervaardigen tot verlichting van de openbare gebouwen, maar het wordt verworpen. Nu schiet onzen ongelukkigen uitvinder, al zijn teleurstellingen moede, niet anders over dan zich tot het publiek te wenden en dit van het nut zijner uitvinding te overtuigen. Hij huurt het hôtel Seignelay, in de straat Saint-Dominique-Saint Germain en roept er het publiek te zamen. Hij heeft gezorgd voor een toestel, dat licht en warmte verspreidt door het gansche huis; ja, hij verlicht de tuinen met tallooze gaspitten, in de gedaanten van bloemen en sterren. De fontein was met gasgeïllumineerden het nederstortend water scheen zelf te lichten en te stralen. Van alle kanten komt het publiek aanloopen. Trotsch op den goeden uitslag zendt Lebon nu zijne prospectussen rond, een stuk vol waarheid en overtuiging, dat tevens een blijk geeft van zijn helderen blik in de toekomst. Hij ziet het gas reeds door de aderen stroomen van Europa’s hoofdsteden en begroet zijn licht in al hare straten.Eindelijk brengt de wereld den schranderen uitvinder zijn hulde, en een commissie, door den minister benoemd, verklaart dat de gunstige uitkomsten van burger Lebon’s proeven aan de verwachtingenheeft beantwoord van de mannen der wetenschap, ja ze overtroffen heeft. Napoleon I gunde Lebon een concessie in het bosch van Rouvray, om er een inrichting te vestigen tot het stoken van gas uit hout. Ongelukkig werd Lebon gedrongen te veel op eens te doen. Hij bereidde gas en vervaardigde zuringzuur en teer, dat hij naar Havre verzenden moest, ten dienste der marine. Desniettemin had hij goede hoop. Zijn fortuin scheen gemaakt, zijn werkplaats werd door geleerden en grooten bezocht. Een paar Russische vorsten, prins Galitzin en Dolgorowski deden hem namens de Russische regeering den voorslag zijne werktuigen naar Rusland over te brengen. Hij zou zelf zijne voorwaarden stellen. Philippe Lebon wees deze schitterende aanbiedingen van de hand; met een edel gevoel voor hetgeen hij aan zijn vaderland verplicht was, antwoordde hij dat aan Frankrijk en aan geen ander land de zegeningen van zijn uitvinding toekwamen.De goede verwachtingen van Lebon hielden helaas niet lang aan. Vijanden en mededingers deden hem talloos vele onaangenaamheden aan en zelfs de elementen schenen zich tegen hem te keeren. Een geweldige storm wierp zijn huis omver en een gedeelte van zijne werkplaats werd door het vuur vernield. Lebon echter was er de man niet naar, om zich uit het veld te laten slaan en hij had gegronde hoop dat zijne verlichting in het groot zou worden toegepast, toen een even ontijdige als raadselachtige dood een einde aan zijn leven maakte.Op den 2denDecember van het jaar 1804, op denzelfden dag, waarop Napoleon tot keizer werd gekroond, werd hij op laaghartige wijze vermoord. Men vond hem levenloos in de Champs Elysées, met dertien dolksteken doorboord. De man, door wiens hand deze euveldaad is gepleegd, is altijd onbekend gebleven.Eenige maanden te voren had de ongelukkige Lebon, vol vuur en geestdrift, zijn medeburgers van Brachay toegeroepen: »Goede vrienden, binnen kort zal ik u van uit Parijs te Brachay verwarmen en verlichten.” Dat kon niet, beweerden de luidjes van Brachay, »de man is niet wijs.” Hij was niet wijs, ’t is waar. Wijze menschen houden zich bij het oude, wijze menschen beproeven geen dingen, die nog niemand gedaan heeft. Wijze menschen zijn voorzichtig en wagen zich niet aan de gevaren en dwaasheden, die het genie onderneemt. Gelukkig zijn niet alle menschen in dezen zin wijs. Het is met de dwaasheid van het genie gelijk de dichter zingt:De gedachte wacht verlangend,Stille maagd, haar bruidegom;Wijsheid zegt: ze schept illusies,Schudt het hoofd: »Wat is zij dom!”Maar haar vindt een dwaas, die op deToekomst hoopt. Hij wendt haar druk,Huwt haar en, een vruchtbre moeder,Baart ze ons zegen en geluk.Philippe Lebon was wel een van degenen, van wie Béranger daar zingt. Ook hij had zich aan eene groote gedachte verbonden; hij leed een rampspoedig leven en kwam op ellendige wijze om het leven. Thans is zijn werk gewassen en de zaadkorrel, door hem in het veld der ontdekkingen geworpen, is aan het groeien gegaan, terwijl zijn edele en beminnelijke persoon behoort tot dezulken, die niet vergeten mogen worden. De portretten, die van hem over zijn, geven ons een denkbeeld van den luister van zijn helder en peinzend oog, den spiegel van zijn eerlijke en vurige ziel, van zijn vertrouwend en edelmoedig hart, och, zoo licht misleid, als men het daarop toelegde, want hij dacht geen kwaad en had slechts oog voor het goede. Van hem mag gelden dat hij meer achting dan fortuin wist te winnen.Zijn weduwe ontving een pensioen van 1200 francs en wilde den arbeid haars mans voortzetten; maar ook zij wijdde haar geestkracht aan een vruchteloos werk en stiet zich tegen nieuwe hindernissen en nieuwe rampen. Thans brandt het gas in groote en kleine steden, in dorpen, in huizen, in winkels, op stations en pleinen. Ook al mocht de aardolie of het electrisch licht het gaslicht verdringen, toch zal zijn uitvinding een zegen zijn geweest voor vele jaren en voor ontelbare menschen, ja, een schier onmisbaar deel hebben uitgemaakt van onze beschaving.De nijverheid brengt niet alleen in onze dagen allerlei dingen voort, die vroeger onbekend waren, maar zij weet ook veel handenarbeid uit te winnen, tengevolge waarvan hare voortbrengselen zich eindeloos vermenigvuldigen en veel goedkooper worden en de handenarbeid weder tot andere zaken kan gebezigd worden. Wanneer men al het katoen, dat Engeland’s fabrieken jaarlijks afleveren, met de hand moest spinnen, zou men daartoe 91 millioen personen noodig hebben, dat is ongeveer de helft van de bevolking van Europa. Een knappe breidster kan per minuut 80 steken breien, de machine maakt er in dien tijd 480.000.Let men op deze cijfers, dan kan men die groote werklieden en uitvinders niet genoeg roemen, die, maar al te zeer door het nageslacht vergeten, met hun vernuft en ijver het rijk der werktuigkunde hebben doen aanbreken.Hier staat ons de geschiedenis voor den geest van den beroemden barbier van Preston, den uitvinder van de eerste spinmachines.Te water met hem! riepen de woestelingen. Bladz. 125.Te water met hem! riepen de woestelingen. Bladz. 125.Richard Arkwright werd geboren in het engelsche graafschapLancaster, op den 23stenDecember 1732. Hij werd barbiersjongen. Van zijn spaarpenningen zette hij eerlang zelf een winkeltje op met het opschrift:In den onderaardschen barbier: hier scheert men voor twee stuivers. De andere barbiers verlaagden hierop hunne prijzen; maar Arkwright liet zich niet uit het veld slaan en tartte zijne concurrenten met een nieuw uithangbord waarop:Hier komt men voor een stuiver onder het mes. Intusschen werd onze ijverige barbier hier niet rijker mee en weldra zien wij hem het land afloopen en handel drijven in haar. Hij had echter een zeer sterk geteekende voorliefde voor werktuigkunde en hield zich in zijne vrije uren bezig met het vervaardigen van kleine modellen. Onderweg ontmoette hij een uurwerkmaker, Kay, die hem in staat stelde zoodanige kundigheden op te doen als hem ontbraken. Nu arbeidde hij met verdubbelden ijver van ’s morgens vier tot ’s avonds negen uur, en in weerwil van zijn armoede—zijne kleederen waren aan flarden gescheurd—slaagde hij er in, met de hulp van zijn vriend Kay, het model samen te stellen van de eerste spinmachine. Hij stelde het in de spreekkamer van de kostelooze school te Preston ten toon. De fortuin lachte hem toe. Rijke industrieelen kwamen hem te hulp. Hij nam een brevet en richtte een spinfabriek op te Nottingham, te Cromford, en in de nabijheid van Chorley. Nu spanden alle katoenfabrikanten van Lancashire tegen hem samen. De werklieden, tegen hem opgezet, zagen in hem een vijand, die met zijne werktuigen hen van hun brood berooven kwam. Zij besloten dus hem in het verderf te storten en zijn werkplaats werd door een bende kwaadaardigen vernield. Arkwright was binnen kort op nieuw aan het spinnen en leverde beter werk dan zijne concurrenten. Nu weigerde men van zijn fabrikaat te koopen en daagde men hem bij de rechtbank. Niets baatte tegen des spinners geestkracht en wil. Hij zegevierde. Op het eind zijns levens zag hij zijne onvermoeide pogingen met het beste gevolgd bekroond, en onder zijn opzicht verrezen in Schotland een aantal fabrieken. Zijn mededingers, genoopt het hoofd in den schoot te leggen, eindigden met zelven zijne toestellen in gebruik te nemen.Arkwright bezat zulk een wilskracht dat hij, op vijftigjarigen leeftijd, zich zelven de taalkunde en de spelling leerde. Hij was zoo geheel verdiept in de werktuigkunde en in de oprichting zijner werkplaatsen dat hij geheel onbekend gebleven was met de eerste beginselen van het onderwijs. Bij zijn dood, den 3denAugustus 1792, liet hij een groot fortuin na; maar grooter fortuin verwierf Engeland in het bizonder en de wereld in het algemeen. De invoer van katoen in Engeland, die van 1771–17805.735.000ponden bedroeg, wies van 1817–1821 tot 144 millioen ponden, van welke 130 millioen alleen in Engeland verwerkt werden.Aandoenlijk is de geschiedenis van den nederigen, edelen Jacquard.Nog jong deed hij zich kennen als een voorbeeld van werkzaamheid, vindingskracht en volharding. Als drukker, als lettergieter let hij met aandacht op de werktuigen, die hij in handen krijgt en verbetert ze. Op een keer, zich bij een messenmaker bevindende, ziet hij hoe het mesdoor de handen van drie of vier werklieden gaat, voordat het in het heft wordt bevestigd: den volgenden dag reeds heeft hij het volledige plan geteekend voor een machine, die in vijf minuten het werk verricht, waaraan vier werklieden een ganschen dag besteden. De messenmaker, te arm om deze machine te laten vervaardigen, stelde zich met de teekening tevreden; maar zijne knechts vernielden haar weldra, uit vrees dat deze uitvinding hun ontslag ten gevolge zou hebben.Reeds vroeg hield hij zich met de weverij bezig en zocht hij deze te vereenvoudigen. Zijn vader was een handwerksman, die laken en andere stoffen met goud, zijde enz. doorstikte. Deze echter kwam spoedig te sterven en daar zijn moeder reeds vroeger overleden was, kwam hij geheel op zich zelven te staan en in het bezit van een kleine erfenis. Hij huwde met de dochter van een wapensmid, Boichon. Zijn bruid zou hem, volgens de verzekering van den smid, een aardige huwelijksgift meebrengen. Zij deed het, niet in dien vorm, waarin men dat gewoonlijk verstaat, want geld heeft Jacquard van zijn schoonvader nooit gezien; maar hij vond een lieve vrouw, vol toewijding, vol moed, vol liefde ook in dagen van beproeving; zij geloofde in hem en bleef in dit geloof hem getrouw en hield zijn moed staande.Jacquard richtte nu een atelier van gemaakte kleederen op, maar ook hem ontbrak de praktische geest van den handelaar. Hij slaagde niet, stak zich in schulden, verviel tot armoede en kwam bij een kalkfabrikant in dienst. Terwijl hij de brandstoffen in den oven wierp, maakte zijn vrouw te Lyon stroohoeden op.Nog zwaarder dagen zouden aanbreken. Het jaar 1793 was daar; het schrikbewind was in vollen gang: de Girondijnen worden naar het schavot gesleept. Lyon verzet zich en Jacquard verzet zich mede. Aanhanger van de Republiek; maar tegenstander van het Schrikbewind neemt hij als eenvoudig soldaat deel aan de heldhaftige worsteling, die de inwoners van Lyon ondernemen tegen de Conventie. Lyon wordt verwonnen. De guillotine troont op de Place der Terreurs. Al wie meegedaan heeft wordt vervolgd en veroordeeld. Jacquard moet zich verbergen, te gelijk met zijn zeventienjarigen zoon. Vervolgens vluchten zij en nemen dienst bij het leger van den Rijn. Jacquard strijdt dapper voor zijn vaderland, maar koopt de zege duur, want zijn zoon sneuvelt, en sterft in zijne armen.De ongelukkige vader wordt krank, kwijnt weg in het hospitaal, keert naar Lyon terug en vindt zijn huis verbrand. Daar mag hijzich nu weder vestigen met zijn vrouw, die hij slechts met moeite heeft weten op te sporen. De rust keert weder en met de rust de nijverheid en de welvaart.Reeds lang had hij gezonnen op een middel om het een of ander werktuig in de plaats te stellen van de arbeidster of het kind, dat bij de zijdeweverij de zoogenaamdelac’saantrok (een soort van snoeren bij de weverij in gebruik). Hij dacht een samenstel uit van pennen en haken, waarmee hij den moeielijken arbeid der »tireuse de lacs” overbodig maakte en een bezuiniging van 50 pCt. in de zijdeweverij te weeg bracht. Op de tentoonstelling van voortbrengselen van Nationale Nijverheid in het jaar 1801 trok de nieuwe machinerie van Jacquard zeer de aandacht en won zij een bronzen medaille. Een andere vinding van Jacquard, een werktuig om vischnetten te knoopen, werd met goud bekroond.Ware Jacquard bij de hand geweest, hij had fortuin gemaakt; maar hij behoorde tot hen, die anderen de vruchten laten plukken, terwijl zij zelven zich aan hun uitvinding wijden om die te volmaken. In 1802 werd hij naar hetConservatoire des Arts et des Métierste Parijs geroepen, waar hij zich vestigde en twee jaren doorbracht, werktuigen en modellen van werktuigen samenstellend en verbeterend. Nergens kon hij beter geplaatst zijn. Hier vervaardigt hij zijne machines om fluweel-lint te weven en zijne spoelen voor de bewerking van het katoen. Voorts herstelde hij het beroemde weefgetouw van Vaucanson, dien ongeëvenaarden werktuigkundige, die zijne tijdgenooten versteld deed staan van zijne onnavolgbare automaten.Naar Lyon teruggekeerd (1804), vond hij aldaar een eerlijk en welgezind kapitalist, Camille Pernon, en eindelijk zal dan zijn kunstig weefgetouw in het werkelijke leven der fabriekwereld optreden. De kamer van koophandel en het stedelijk bestuur bemoeien zich met de zaak; eene commissie, bestaande uit de knapste handelaren, onderzoekt zijne toestellen en legt daarvan de gunstigste getuigenissen af en weldra wordt het stedelijk bestuur van Lyon gemachtigd Jacquard het privilegie van zijn weefgetouw af te koopen voor een lijfrente van 3000 francs. Zoo werd zijn brevet algemeen eigendom. De uitvinder ruilde een uitvinding, die hem vijftien jaren arbeidens en niet weinig ontbering en ellende gekost had, voor een eenvoudig stuk dagelijksch brood. Hij vroeg het gouvernement ook nog een premie van vijftig francs voor elk getouw, dat volgens zijn vinding zou worden opgericht.»Dat is er een, die zich niet spoedig tevreden laat stellen!” riep Napoleon, toen hij het brevet teekende. (De Keizer zelf liet zich ook zoo spoedig tevreden stellen!)Nieuwe beproevingen wachtten hem nu. De invoering van zijn weefmachine verwekte een niet geringe opschudding onder de arbeidendeklasse. Alom vertelde men dat het nieuwe toestel den handenarbeid onnoodig maakte en dat het volk er door tot den bedelstaf zou worden gebracht. Hij werd met bedreigingen achtervolgd. Hij heette een verrader, die den armen handwerksman aan de willekeur van den rijken fabrikant prijsgaf. Dat was dan het loon voor zijn waken en zoeken, zijne tranen en zijne zelfverloochening! Allengs steeg de haat al hooger en hooger, als een opkomende vloed, die hem dreigde mee te sleepen. Jacquard was niet meer veilig op straat; men beleedigde hem in het openbaar. Eens zelfs werd hij door den verwoeden volkshoop naar de Rhône gedrongen.»Te water, te water met hem!” riepen de woestelingen.Zonder de tusschenkomst van een paar moedige mannen zouden zij hem in de rivier hebben geworpen.Een ander zou gevlucht zijn en den zegen van zijn uitvinding naar elders hebben overgebracht—hij bleef. Hij wist den haat en den tegenstand het hoofd te bieden, wachtende op het uur zijner rechtvaardiging. Hij wist dat zijne machines overvloed en welvaart stichten, dat zij den arbeid vermeerderen en tegelijk de lichamelijke vermoeienis verminderen zouden. Eens zou men hem de welverdiende hulde niet onthouden!—Welnu, hij bedroog zich niet.Het weefgetouwà la Jacquardheeft een hervorming in de zijdeweverij teweeg gebracht en de stad Lyon groot gemaakt. En niet alleen Lyon mag hem dankbaar zijn, maar Rouaan, Manchester, Berlijn, Moscou, Petersburg, Amerika, Indië, China hebben zijn uitvinding tot hun nut weten aan te wenden.Na zich aller achting verworven te hebben, trok de groote uitvinder zich naar de omstreken van Lyon terug en bebouwde daar zijn tuin. Daar kwam menig vreemdeling hem zien en mocht er zijne medailles en zijnCroix d’honneurbewonderen. Hij stierf, van allen geëerd, op den 7denAugustus 1834, twee-en-tachtig jaren oud. Wat had hij niet doorgestaan!De uitvinder van de linnenspinnerij was niet gelukkiger.Philippe de Girard werd te Lourmarin (Vaucluse) geboren, op den 1stenFebruari 1775. Hij was een dier groote geesten, die met alle talenten begiftigd zijn en bij alles een wonderbare vindingskracht ten toon spreiden. Van zijn prilste jeugd af maakte de toekomstige uitvinder, evenals Newton, kleine werktuigen, vooral radertjes, die hij door middel van een stroomende beek in beweging bracht. Op veertienjarigen leeftijd dacht hij een aardig werktuig uit, waarbij hij zich den golfslag als beweegkracht ten nutte maakte. Voor alle wetenschappen en alle kunsten bezat hij een wonderlijke geschiktheid. Met hetzelfde gemak beoefende hij werktuig- en plantenkunde, schilder-, beeldhouw- en dichtkunst.De stormen der omwenteling ontrukten Philippe de Girard aan het vredige leven in het ouderlijke huis. Na de wapens te hebben gevoerd tegen de omwentelingsmannen van het Zuiden, moest hij met zijne familie Frankrijk verlaten, en om zich en de zijnen in het leven te houden, schildert hij te Mahon, op het eiland Minorca, en maakt hij zeep te Livorno. Ondertusschen deed hij zich reeds door eenige uitvindingen kennen.Naar zijn haardstede teruggekeerd, richt hij te Marseille een fabriek op van chemische produkten. Maar ten gevolge van de staatkundige troebelen des tijds (1795) moet hij wederom het land verlaten. Nu verkrijgt hij te Nice een leerstoel voor chemie en natuurlijke geschiedenis, welke vakken hij, na 18 Brumaire, ook te Marseille onderwijst.Eens in Frankrijk zijnde, komt hij ook weder te Parijs. Aldaar bleek al spoedig, op de tentoonstelling van 1806, wat het vernuft van Girard vermocht. Hij stelde er een nieuwen kijker ten toon, en ijzeren platen, die door een gansch nieuwe wijze van bewerking geschilderd en vernist waren. Ook zag men er de bekende hydrostatische lampen, die te dier tijde een ware omwenteling brachten in de kunst van verlichten. Eenigen tijd later ontving Girard van de Maatschappij van Aanmoediging een groote gouden medaille voor een merkwaardige stoommachine.In 1810 wilde Napoleon de engelsche katoenfabrikage den laatsten slag toebrengen. Nadat hij alle havens van Europa voor haar had doen sluiten, vaardigde hij een besluit uit, dat den 12denMei in deMoniteurverscheen en waarbij een millioen francs werd toegezegd aan den uitvinder, tot welke natie ook behoorende, die het beste werktuig zou vervaardigen tot het spinnen van linnen garens.Eenige dagen na de uitvaardiging van dit Besluit was Philippe Girard, toen vijf-en-dertig jaren oud, bij zijn vader te Lourmarin. Bij het ontbijt werd het nieuwsblad binnengebracht, waarin deze oproeping voorkwam. De oude Girard reikte het blad aan zijn zoon over met de woorden: »Philippe, dat is iets voor u!” Na het ontbijt ging Philippe alleen uit, vastbesloten het vraagstuk op te lossen. Nimmer had hij zich bezig gehouden met de zaak, waarop het Besluit doelde. Hij vraagde zich dus af, of hij zich niet eerst in kennis zou stellen met alles, wat in deze beproefd was; maar al spoedig begreep hij dat het groote aanbod niet zou zijn gedaan, wanneer men ooit tot een gelukkige oplossing gekomen was. Voorts wilde hij ook liever niets van den toenmaligen stand der zaak weten, ten einde met te meer onafhankelijkheid zijn eigen weg te gaan en den ouden sleur te ontwijken. Hij nam dus vlas, garen, water en een vergrootglas, en beurt om beurt het vlas en het garen aanziende, dacht hij: »Met het een moet ik het ander vervaardigen!”Na het vlas met het glas te hebben beschouwd en het in water te hebben geweekt, zoodat hij de vezels kon afscheiden, vormde hij met de vingers een bijzonder fijnen draad. Wanneer hij nu maar een machine had, die hetzelfde kon wat hij met de vingers deed, dan was hij er. De kiem der uitvinding was in zijn gedachte opengesprongen en hij kon tot zijn vader zeggen: »Het millioen is mijn!”Twee maanden later kon hij een eerste brevet op zijn uitvinding nemen. Zij is sedert niet wezenlijk veranderd en daaruit mag haar degelijkheid blijken. Van het millioen echter zag hij niets. De regeering scheen berouw te hebben, dat zij zulk een som had uitgeloofd voor een zaak, die zoo spoedig gevonden was. Men eischte nu, onder andere meer zonderlinge voorwaarden, dat het garen 400,000 meters zou meten in een kilogram en dat dit wonder zou verkregen worden tegen een vijfde van de kosten van het met de hand gesponnen garen. Philippe de Girard kwam hiertegen op, maar het Keizerrijk viel en toen de dag kwam, waarop de belooning zou worden uitgereikt, zei Thiers: Wat er was, het millioen was er niet meer.Toch ging de Girard voort zijn vernuft aan Frankrijk’s heil te wijden. Toen de verbonden Mogendheden in 1831 zich gereed maakten Frankrijk binnen te rukken, vond hij een soort van stoomwapen uit. De proeven, welke onder toezicht van verscheidene officieren met dit wapen genomen werden, gelukten volkomen. Het geleek eenigszins op de latere mitrailleuses, loste 180 schoten in de minuut en doorboorde op honderd passen een plank van 4 centimeters dikte. De moordtuigen zouden vervaardigd worden en het noodige geld werd er voor aangewezen, maar hoe snel ook de uitvinding gedaan en in praktijk gebracht was, nog sneller was de loop der gebeurtenissen, die haar overbodig maakten.De machinale linnenspinnerij en al de andere proeven, die Girard had genomen, kostten hem zijn gansche fortuin, alsmede dat zijner broeders, die zich bij hem aansloten. ’t Is bijna ongelooflijk en toch is het waar, dat deze nuttige man, deze glorie en trots van Frankrijk, op zijn werkplaats, te midden van zijn arbeid, gevangen genomen werd wegens schulden, die hij in het belang van zijn uitvindingen gemaakt had. Men sloot hem op. Toen nam de Girard de aanbiedingen aan, die hem van wege Oostenrijk werden gedaan, om aldaar een spinfabriek op te richten. Hij vertrok, met een verscheurd gemoed, de helft zijner werktuigen meenemende, terwijl zijne broeders met de andere helft hun geluk in het ondankbare vaderland nog eens zouden beproeven. Zij slaagden niet. Het gouvernement wilde hun geen geld toestaan en de fabriek stond stil en werd een bouwval. Maar ook Philippe slaagde niet naar wensch. Toch bracht hij zijn werktuigen tot steeds grooter volkomenheid,onder anderen door de toevoeging van een kammachine, waarin hij later nog verbetering zou aanbrengen. Ook aan de stoomvaart wijdde hij zich. Van Pesth naar Weenen liet hij een schip den Donau opvaren, dat met stoom gedreven werd. Hij was de eerste die ter voorkoming van geweldige ontploffingen, den stoom zich ontwikkelen liet in dunne buizen.Vervolgens werd de Girard door den Keizer aller Russen naar Warschau geroepen, om aldaar een groote spinnerij tot stand te brengen. Hij was er bovendien ingenieur der mijnen en werd er zoo populair, dat het stadje, hetwelk langzamerhand rondom zijn fabriek aangroeide, Girardow genoemd werd. Nog vond hij uit een toestel, om het sap uit de beetwortels te trekken en dit te doen verdampen, en een nieuw watermolenrad, dat door watervallen in beweging kon worden gebracht. Hij bracht verbetering aan in de wijze, waarop men zink uit erts bereidt, plaatste op den gevel van de Bank te Warschau een zichzelf registreerenden thermometer en op het observatorium te dier stede een zichzelf registreerende meteorograaf. Hij vond een werktuig uit om het houtwerk voor geweren te vervaardigen, een ander om bolvormige voorwerpen met mathematische juistheid te draaien, een stelsel van luchtverwarming in de hoogovens, stoommachines zonder balans, schroefraderen, een machine om werk te ontwarren, te spinnen, een zichzelf registreerenden dynamometer, werktuigen om steenen te bakken, een ander om ijzerdraad te trekken.In 1844 kwam de Girard, nog altijd arm, naar Frankrijk terug. Vier jaren vroeger had hij een vlugschrift geschreven, waarin hij op krachtige wijze zijne rechten handhaafde: »Memorie aan den Koning, aan de Ministers en aan de Kamer omtrent den eersten rang, aan Frankrijk toekomende, waar het de uitvinding geldt van de spinmachines voor linnen garens.Ik kom, zoo zeide hij, èn voor mijn vaderland èn voor mijzelven de eer dezer uitvinding eischen, ter wille van welke, op Frankrijk na, geheel Europa mij hulde heeft gebracht.”Bij gelegenheid van de Tentoonstelling van Nijverheid te Parijs, in 1844, werd de Girard’s kammachine niet weinig bewonderd; maar hij was toen een grijsaard van 69 jaren en leefde van een pensioen, dat de Keizer van Rusland hem had gegund en van een paar duizend francs, die een Vereeniging hem bij wijze van een aalmoes had toegestaan. Hij stierf in 1845. Dat zijne vrienden nimmer het kruis van het Legioen van Eer voor hem hebben kunnen krijgen, is wel een bewijs hoe laag de man geschat werd, die zijn vaderland zulke groote diensten bewezen had. In 1849 werd de Girard’s recht op de uitvinding plechtig afgekondigd en in 1853 stemde het Corps Legislatif voor een nationale belooning, die aan des uitvinders erven zou worden geschonken. O, spot van het lot!Zijn broeder Frédéric was dood, zijn broeder Joseph was in de negentig en stierf het volgende jaar.Onder de mannen, die zich verdienstelijk hebben gemaakt met het spinnen, kammen en weven van katoen, behoort ook Josua Heilman. In tegenstelling met bijna alle uitvinders bezat hij een aanzienlijk vermogen; maar dit belette den genius der vinding niet hem aan te grijpen. Te midden van de fabrieken van den Elzas wonende, vernam hij dat de eerste fabrikanten van den omtrek een som van vijfduizend francs boden voor een nieuwe machine om het katoen te kammen. De toenmalige kammachine was ongeschikt tot het dooreenwerken van katoen en wol, en deed bovendien veel verloren gaan. Heilman nam het besluit mee te dingen. Hij was toen geen eerstbeginnende, want hij had het opzicht gehad over een fabriek van machinerieën. Hij had een borduurmachine uitgevonden, waarin twintig naalden te gelijk in werking waren; zoo ook een verbeterd weefgetouw, een machine om stoffen te meten en te vouwen, een ander om den spoel op te winden, en weder een ander, waarmee hij twee stukken fluweel te gelijk weefde. Maar de vraag, die hem nu werd voorgelegd, was vrij wat moeielijker op te lossen. Hij besteedde verscheidene jaren aan het bestudeeren van dit vraagstuk. Hij had het er op gezet zijn doel te bereiken en dat te meer, naarmate het verder verwijderd scheen. Hij moest kostbare proeven nemen, werktuigen laten maken en zijne proefnemingen telkens veranderen en herhalen. Dit kostte hem zoo veel, dat zijn gansche fortuin en de bruidschat zijner vrouw er mee heengingen. Toen moest hij geld leenen, om in het leven te blijven, en toen hij zijn vrouw verloren had, besloot hij naar Engeland te gaan en daar een betrekking te zoeken, die voor hem en zijne beide dochters een bestaan kon opleveren. Heilman toog nu naar Manchester. Maar de gedachte aan zijn kammachine volgde hem op den voet en liet hem niet met rust. Hij vervaardigde er een voor een engelsch fabrikant, maar deze voldeed niet aan de verwachtingen. Naar Frankrijk teruggekeerd, om er zijne dochters te bezoeken, zat hij op een avond weder te peinzen en keek hij onwillekeurig, doch zeer aandachtig, naar zijne kinderen, waarvan het eene bezig was het ander de schoone, lange haren te kammen en op te maken. »Kon ik,” dacht hij op eens, »kon ik met een werktuig de eigenaardige bewegingen van die hand namaken, die eerst de lange haren naar zich toe haalt en met eentegenovergesteldebeweging de korte haren wegwerkt, dan was ik geholpen.” Josua Heilman hervatte zijn arbeid, en na zeven jaren zoekens mocht hij eindelijk zijn schijnbaar zoo eenvoudig, maar in waarheid zoo samengesteld kamwerktuig gereed zien. Nog eenigen tijd had hij noodig om zijn uitvinding te voltooien, doch daarna had het dan ook een graad van volkomenheid bereikt, hooger dan welke menhet zeker niet brengen zal. Men moet dit wonderbare werktuig zien werken, om het naar waarde te schatten. Het heeft in zijn greep en in zijn gansche beweging iets, dat aan de menschenhand doet denken. Nu was Heilman’s fortuin gemaakt. Van alle kanten kwamen aanbiedingen, om hem zijn privilegie af te koopen. Maar hij genoot weinig van die weelde. Hij had zijn fortuin gegeven, doch toen het wederkwam stond hij op het punt van scheiden en ging hij de eeuwige rust in.
De arbeid, die vroeger door last- en trekdieren of ook door de hand der menschen werd verricht, wordt thans meer en meer aan allerlei soort van werktuigen toevertrouwd. Hierdoor is een zoo groote omwenteling ontstaan in het maatschappelijk leven, dat wij veilig kunnen zeggen: met de opkomst van nijverheid en werktuigkunde is in de geschiedenis der menschheid een nieuw tijdperk aangebroken. Het eind van de vorige eeuw was de geboortestond dier wonderen van samenstelling en verbinding, waarover we ons tegenwoordig niet meer verbazen, daar zij algemeen zijn geworden; maar die toch inderdaad niet weinig bewondering verdienen, gelijk ook de uitvinders zelven, die deze kunstige werktuigen hebben uitgedacht. Zij zijn echter maar al te onbekend. Wij willen dan ook hier aan de vergetelheid zoodanige daden ontrukken, om welke de fortuin zich niet heeft bekommerd en die de faam, om welke reden dan ook, niet heeft uitgebazuind. Daar hebt gij de vervaardiging van kunstmatige soda, de aanwending van het gas ter verlichting van straat en huis, de nieuwe weverij en tal van andere zaken.
Chaptal heeft gezegd dat de bereiding van het zwavelzuur een zeer juiste maatstaf leverde om den graad te bepalen van den bloeivan handel en nijverheid, van de koolzure soda kan men hetzelfde zeggen. Hoe meer een land er van noodig heeft, hoe beter het staat met zijn nijverheid. Met kleiaarde en kalk verbonden levert dit zout ons glas, met vette zuren vereenigd wordt het zeep, in water opgelost biedt het den verwer een kostelijk vocht om draden en weefsels uit te loogen. De glasblazers en zeepzieders gebruiken er gansche bergen van, zeker meer dan 400 millioen kilogrammen ’s jaars. Hiervan bereidt Frankrijk ongeveer 100 en Engeland 150 millioen.
Gedurende de fransche revolutie vond Nicolas Leblanc het middel om op kunstmatige wijze deze stof te bereiden, die vroeger langs natuurlijken weg uit de asch van zeeplanten bereid werd. Vóór de fransche revolutie waren de Spaansche kusten, bij Alicante en Malaga, en de fransche bij Narbonne bedekt met planten, zooals desalsola, desoda, desalicornia europea, die men met de meeste zorg kweekte. Hadden deze planten een voldoenden wasdom bereikt, dan sneed men ze in kleine stukjes, die men in de open lucht liet drogen. Droog geworden werden ze in kegelvormige kuilen opgehoopt en verbrand. Van de asch, die in grooten voorraad overbleef, werd nu een zeer harde en broze zelfstandigheid, deruwe soda, verkregen, welke gemalen en met water toebereid een soort van loog gaf. Dit liet men uitdampen en zoo bleef de soda over.
In de vorige eeuw was Spanje het eigenlijke vaderland van de soda. De soorten van Alicante en Malaga, welk voor 28 tot 30 pct. koolzure soda bevatten, wedijverden met die van Narbonne, ja, Frankrijk moest zich naar den vreemde wenden, om zijne fabrieken van de noodige soda te voorzien. Tot op de revolutie ging dit goed; maar de krijg maakte een eind aan alle buitenlandsche handelsbetrekkingen; men moest van eigen middelen leven en tot elken prijs moesten de zeep- en glasfabrieken hun soda hebben.
Het Comité van Algemeen Welzijn deed een beroep op de fransche scheikundigen. Het riep hen op om al hun krachten in te spannen, ten einde de soda uit eigen bodem te halen. Weldra waren er niet minder dan vijf-en-twintig of dertig plannen ingeleverd; maar met algemeene stemmen werd aan het ontwerp van Leblanc de voorkeur gegeven. Leblanc, een eenvoudig fransch geneeskundige, had begrepen dat hij de soda van het keukenzout hebben moest. Dit zout, door middel van zwavelzuur ontleed, geeft het natriumsulphaat of glauberzout, hetwelk hij nu met houtskool vermengde, gelijk De la Métherie, hoogleeraar aan het Collège de France, had voorgesteld. Dit echter gaf niet de stof, die hij wenschte te verkrijgen. Een ingeving deed hem het denkbeeld aan de hand er krijt (calciumcarbonaat) bij te voegen, en zie, het vraagstuk was opgelost. Noch Leblanc, noch zijn geleerde tijdgenootenbegrepen ten volle hoe en waarom deze bijvoeging van krijt de gewenschte koolzure soda ontstaan deed. Het was alleen een gelukkig denkbeeld, een gelukkige greep, die maakte dat Leblanc, na vele vruchtelooze pogingen, na vele geduldige proefnemingen, na vele uiterst schrandere verbindingen, het eenig ware middel juist op die wijze aanwendde als voor het welslagen der proef noodzakelijk was. In de 90 jaren, sedert verloopen, zijn de door Leblanc opgegeven cijfers van gewicht en hoeveelheid nog niet veranderd geworden.
Onder degenen, die in het groot Leblancs uitvinding in toepassing brachten, behoort J. B. Bayen genoemd te worden. Deze vestigde zich op de vlakte van Grenelle, die toen ter tijde nog onbewoond was. Al spoedig nam de kunstmatige bereiding van soda zulk een vlucht, dat men niet alleen niets van het buitenland deed komen, maar dat in 1810 de fransche markt zelfs voor buitenlandsch fabrikaat gesloten werd.
In 1823 vestigde James Muspratt een fabriek van soda te Liverpool. Hij nam het systeem van Leblanc geheel over en deze werkplaats is thans nog eene der grootsten van Engeland, ja, van de geheele wereld.
Nicolas Leblanc had wel terstond, en van den eersten dag af, het belang van zijn vinding ingezien. »De kunstmatige vervaardiging van soda zal, zoo schrijft hij, ten gevolge hebben dat Frankrijk, hetwelk zulk een groote hoeveelheid van deze stof gebruikt en groote sommen uitgeeft om het elders te koopen, nu zijn geld in den zak zal houden; de nijverheid zal niet meer blootgesteld zijn aan het gevaar van deze zoo noodige stof te moeten missen, hetzij wegens de verwikkelingen van den krijg of den mislukten oogst van zekere planten. Wij zullen ons voordeel doen met het zout, waaraan onze bodem geen gebrek heeft. Ja, de overvloed dezer grondstof en den lagen prijs, waarvoor zij in Frankrijk te krijgen is, doen zelfs verwachten, dat onze naburen op hun beurt eenigszins schatplichtig zullen worden aan ons.”
Men vond hem levenloos in de Champ Elysées. Bladz. 119.Men vond hem levenloos in de Champ Elysées. Bladz. 119.
Men vond hem levenloos in de Champ Elysées. Bladz. 119.
De uitkomst heeft deze verwachtingen bekroond; maar Leblanc werd er niet gelukkiger door. Volgens de titels van eenige zijner werken, was hij voormalig oud-officier van gezondheid, scheikundige, oud-administrateur van het Departement der Seine, lid van vele geleerde genootschappen. Hij had zich doen kennen door zijne werken over de cristallisatie en hij had een middel aangewezen, om zuivere kristallen te verkrijgen van een vrij grooten omvang. De kennis der kristallen heeft de studie uitgemaakt van bijna gansch zijn leven en waarschijnlijk heeft hij verwacht, dat deze hem een wetenschappelijken naam bezorgen zou. Hij had toch op dit gebied iets zeer belangrijks opgemerkt, namelijk dat verschillende sulfaten een gelijken kristalvorm aannemen, en dat zij zich op ennaast elkander kunnen vormen, welke waarneming mag geacht worden de grondslag te zijn van de zoo belangrijke leer van hetisomorphisme. Maar al mocht hij nu en dan een opstel geplaatst zien in een wetenschappelijk jaarboek, al mocht hem nu en dan een onderzoek van aanbelang worden opgedragen, hij bleef arm, te meer daar de troebelen der revolutie elke opdracht van regeeringswege onzeker maakten en hij soms allen steun missen moest. Maar hoe kommerlijk zijne omstandigheden ook waren, hij heeft zich nimmer door het ongeluk laten overwinnen. Zijn krachtige geest, zijn vaste wil waren bestand tegen alle beproevingen, ook tegen die, welke hij als fabrikant moest ondervinden. Hij zelf maakt hier nauwelijks melding van. Zijn wetenschap ging hem boven alles. Door de voorspraak van Molard, directeur van hetConservatoire des Arts et Métiers, vond hij in 1802 de gelegenheid in een van de werkplaatsen dezer inrichting zijne geliefkoosde studie voort te zetten, en al kon hij ook geen volledige verzameling van kristallen vormen, hij bracht er toch eenige zeer merkwaardige te zamen. Met deze zaak was hij steeds in zijn gedachten bezig. Hoe aandoenlijk is zijn klacht, dat hij zijn verzameling niet naar den eisch heeft kunnen voltooien. »Ik had” zoo schrijft hij, »ik had nu al twintig jaar lang met haar uitbreiding bezig kunnen zijn, maar eens zal zij weder worden ter hand genomen. Dat dan een voorspoediger hand en schranderder waarnemer zich aan haar wijde. Dan zal ik mij troosten dat ik geen hulp heb mogen vinden, die mij in staat stelde mijn arbeid verder voort te zetten.” Over zijn ondernemingen geen woord. Heeft hij al eens gemeend de fortuin bij de haren te grijpen, hij heeft geen teleurstelling getoond, toen zij hem is ontsnapt. In die geschriften, waarin hij de twintig jaren van zijn arbeid beschrijft, zinspeelt hij maar een enkelen keer op den tijd, dien hij aan zijn sodafabriek heeft gewijd.
Toch was het mislukken dezer onderneming een zware slag. Niets scheen waarschijnlijker dan dat hij met een sodafabriek fortuin zou maken. Geen onderneming had betere kansen van slagen. Nauwelijks had Leblanc in 1791 een brevet genomen, of hij richtte met Dizé, Shée en den hertog van Orleans een maatschappij op. Te Saint Denis werden de werkplaatsen gebouwd en voor altijd scheen het geluk den vennooten toe te lachen, toen de terechtstelling van den hertog van Orleans een eind maakte aan de groote en billijke verwachtingen, die men koesterde. Te vergeefs trachtte Leblanc te Marseille een nieuwe fabriek op te richten. De man, die eene van Frankrijk’s rijkste bronnen van welvaart geopend had, moest liquideeren en zag zoowel zijn inboedel als al zijn werktuigen aan den meest biedende verkoopen.
De val van de fabriek sleepte hem zelven mee. Het brevet, waarvan geen gebruik meer werd gemaakt, viel in handen van het groote publiek en Leblanc was zijn privilege kwijt.
In het jaar VIII van de Republiek werd hij op nieuw in het bezit gesteld van de werkplaatsen te Saint Denis; maar hij kon geen kapitaal vinden om de zaak te drijven, en hij stierf in kommerlijke omstandigheden in het jaar 1806.
Niet minder aandoenlijk is de geschiedenis van de uitvinding van het lichtgas door Philippe Lebon.
Wanneer men de officieele stukken doorloopt, die op dezen man betrekking hebben, wanneer men telkens het stralen van zijn genie mag gadeslaan, wanneer men de hinderpalen nagaat, die hij heeft moeten overwinnen, wanneer men zich in zijn groot karakter en zijne edele gevoelens verdiept, staat men vol bewondering stil bij het beeld van den eenvoudigen man, die de wereld zulk een onwaardeerbaren dienst bewezen heeft.
Philippe Lebon werd te Brachay (Haute-Marne) in Frankrijk geboren, op den 29stenMei 1767. Twintig jaren later werd hij geplaatst op de school voor den waterstaat, waar hij zich al spoedig door zijn vindingrijken en onderzoekenden geest onderscheidde. Zijn eerste arbeid had betrekking op de stoommachines, die toen ter tijde in haar opkomst waren, en den 18denApril 1792 ontving de jeugdige ingenieur een nationale belooning van 2000 livres, »ten einde zijne onderzoekingen te voltooien omtrent de verbetering der werktuigen, die met vuur worden gedreven.”
Omstreeks denzelfden tijd werd Lebon’s aandacht gevestigd op het gaslicht. Op een dag, dat hij te Brachay vertoefde, wierp hij een handvol zaagsel in een flesch, die hij op het vuur verhitte. Hij zag een dikken rook uit de flesch te voorschijn komen, die op eenmaal vlam vatte en een helder licht verspreidde. Op dien dag deed de nijverheid een harer schoonste vondsten. Lebon had de eerste gaslamp gebrand. Men heeft deze uitvinding aan het toeval toegeschreven. Het zij zoo, daarmee is de uitvinder niet minder groot. ’t Was ook een toeval, hetwelk den appel deed vallen juist toen Newton tegenwoordig was, maar hoe velen hadden er appelen zien vallen, zonder dat zij van een wet der zwaartekracht hadden gedroomd. ’t Is het oog van het genie, dat in de verschijnselen de geheimen ziet, die zij met zich voeren. Zoo zag Lebon een gasfabriek in de flesch, zoo baat het toeval het vernuft alleen. Wat al scheikundigen hadden, vóór Lebon, hout of steenkool zien branden. Maar niemand had nog opgemerkt wat dit in schijn zoo eenvoudige feit beteekende. Hoeveel menschen hebben het deksel van een ketel opgetild gezien door den damp daar binnen! Maar men moest een Watt zijn, om er een stoommachine in te zien. Alleen het genie ziet in de toekomst, alleen het genie weet, als bij ingeving, te beslissen wat er van de vele zaken, die het ziet en opmerkt, worden kan. Binnen weinige dagen had Lebon begrepen waarheen de waarneming, die hij gedaan had, leiden kon, en met den blik van eenwaarlijk verheven geest ging hij aan het werk. Hij wist nu dat hout en andere brandstoffen, onder den invloed der hitte, een gas lieten ontsnappen dat zoowel voor verlichting als verwarming dienst kon doen. Hij had opgemerkt dat het gas, hetwelk aan gloeiend hout ontsnapt, vergezeld gaat van zwartachtige dampen, die een scherpe en doordringende lucht van zich geven. Die hinderlijke bestanddeelen moesten worden weggenomen. Lebon liet nu die dampen door een buis in een flesch met water gaan, waardoor de onbruikbare bestanddeelen werden gecondenseerd en het gas in zuiveren toestand afgescheiden werd. Dit eenvoudige werktuig is de eerste gasfabriek geweest. Het bevat er dan ook de drie hoofdgedeelten van, het toestel der vervaardiging, dat der zuivering en dat der inzameling van het gas.
Zijne eerste proeven nam hij ergens op het vrije veld. Hij maakte zich een fabriekje, waar hij het gas stookte, en vervaardigde een zuiveringsvat; en ginds, aan het einde van een uitstekende pijp, brandde het heldere licht, dat door zijne buren niet weinig bewonderd werd.
Na Fourcroy, de Prony en de geleerden van zijn tijd geraadpleegd te hebben, nam hij in 28 September 1799 een brevet, waarin hij zijn »thermolampen”, zijn lamp met lichtgas gevuld, beschreef. Tevens leverde zijn fabriek teer.
Steenkool achtte hij echter verkieslijk boven hout, en duidelijk moet hij voorzien hebben welk een gewichtige rol de kool en het gas zouden vervullen. Het stuk, dat hij over deze zaak opstelde, is geschreven met een gloed, die den man van overtuiging kenmerkt.
Doch Lebon kon maar een gedeelte van zijn tijd aan zijn uitvinding wijden. Hij was ingenieur, hij had geen fortuin, en moest van zijn ambt leven. Hij begeeft zich nu als ingenieur naar Angoulême; maar hij vergeet zijn lievelingsdenkbeeld niet, noch ook Parijs, dat onvergelijkelijk brandpunt van verlichting. Ook hield hij zich met meetkunst en andere vakken van wetenschap bezig, zoodat zijn geest verre weg zwierf van zijne dagelijksche bezigheden en de over hem gestelde hoofdingenieur zich ernstig over hem begon te beklagen. In het geheim was deze naijverig op Lebon, in wien hij een man zag van hooger ontwikkeling, die hem eens voorbij zou streven; hij verborg echter zijn haat achter een masker van voorgewende hoogachting terwijl hij hem van zijn ambt zocht te berooven. Gansch vervuld van zijne plannen met het nieuwe licht, verwijderde Lebon zich dikwijls van Angoulême, om naar Brachay te gaan, waar hij zijn uitvinding tot voltooiing zocht te brengen. Dit bewoog den hoofd-ingenieur zich bij de gestelde machten over Lebon’s nalatigheid te beklagen, waarvan het gevolg was dat er een onderzoek naar diens gedrag werd ingesteld. De commissie echter die benoemdwerd om deze grieven te beoordeelen, verklaarde hem geheel en al verheven boven elk verwijt. Overigens toonde de volgende brief, door hem tot den minister gericht, welk een grootheid van ziel dezen uitvinder kenmerkte.
»Mijn moeder, zoo schreef Philippe Lebon, is komen te overlijden en ten gevolge van deze gebeurtenis ben ik genoodzaakt geworden mij eenigszins overhaast naar Parijs te begeven. Dit is mijn eerste fout geweest. De liefde voor de wetenschap en de zucht om nuttig te zijn heeft dezen misstap nog verergerd. Ik werd als verteerd en gekweld door een onweerstaanbare behoefte, om mijn uitvinding tot volmaking te brengen. Gelukkig ben ik geslaagd, en van een kilogram hout mocht ik, door de eenvoudige aanwending van wat warmte, het zuiverst lichtgas verkrijgen, en dat wel met een aanmerkelijke geldelijke bezuiniging en in een voldoende hoeveelheid, om gedurende een paar uren evenveel licht te verkrijgen, als van vier of vijf waskaarsen. De proef er mee is genomen in tegenwoordigheid van burger Prony, directeur van de school voor de genie, burger Lecamus, burger Besnard, inspecteur en burger Perard, chef van de polytechnische school. Ik voelde mij recht gelukkig, nu ik den minister de vrucht mijns arbeids dacht op te dragen. Ook lag er een memorie gereed, over het besturen van luchtballons, een stuk, hetwelk de goedkeuring van burger Prony en andere geleerden mocht wegdragen. Toen riep de genoemde omstandigheid mij naar Parijs. Waarlijk, het moest wel een zaak van overwegend belang zijn, die mij van zulke aangename bezigheden kon losmaken. Wel zou het wreed wezen wanneer ze nu ook de oorzaak werd dat ik een corps moest verlaten, wier chefs zoo goed zijn geweest mijn eerste schreden te leiden, mijne eerste pogingen met prijs op prijs te beloonen en mij aan te moedigen achtereenvolgens al de deelen der wetenschap te beoefenen, die aan de school van de genie onderwezen worden. Ik kan niet gelooven dat de omstandigheden, waarin ik mij bevind, dat mijn vurige liefde voor de wetenschap, dat mijn zucht om mijn vaderland van nut te zijn en de goedkeuring te verwerven van een minister, zelf vol ijver en liefde voor de wetenschap en in zekeren zin medeplichtig van mijn levensideaal—dat dit alles mij op zulk een straf kan komen te staan. Ik ben op het punt van naar Parijs te gaan; ik ga er heen in de hoogste spanning, maar de hoop reist met mij mee.”
Philippe Lebon werd naar zijn post teruggezonden, maar de oorlog slokte al de staatsinkomsten op, en de Republiek had, terwijl Bonaparte zich in Italië bevond, geen tijd haar ingenieurs te betalen. Lebon schreef den minister en drong daarin aan op betaling van hetgeen men hem schuldig was, maar alle beden bleven vruchteloos. Zijn vrouw trok naar Parijs; maar ook hare pogingen blevenzonder gevolg. Zij schreef den minister den volgenden brief, die nog in hetarchiefvan de school der genie bewaard wordt.
Vrijheid, Gelijkheid—Parijs, 22 messidor, jaar VII, van de Fransche Republiek, eenig en ondeelbaar—de echtgenoote van den burger Lebon aan den minister van Binnenlandsche Zaken.’t Is geen aalmoes, geen gunst, die ik u vraag: maar iets, waarop ik recht heb. Sedert twee maanden kwijn ik weg op honderd twintig mijlen van mijn huisgezin. Gij zoudt door een nog langer uitstel een huisvader dwingen, uit gebrek aan middelen, een staat te verlaten, waaraan hij alles heeft opgeofferd. Heb deernis, burgers met onzen toestand, die bedroevend en onhoudbaar is; mijn bede is rechtvaardig. Ziedaar meer dan één reden, althans genoeg om mij zelve overtuigd te houden dat de stap, dien ik doe, niet vruchteloos wezen zal bij een minister, die ’t zich tot een wet en een plicht stelt rechtvaardig te zijn.Met groete en achting, uw toegenegen medeburgeres, vrouw Lebon, geboren Brambille.
Vrijheid, Gelijkheid—Parijs, 22 messidor, jaar VII, van de Fransche Republiek, eenig en ondeelbaar—de echtgenoote van den burger Lebon aan den minister van Binnenlandsche Zaken.
’t Is geen aalmoes, geen gunst, die ik u vraag: maar iets, waarop ik recht heb. Sedert twee maanden kwijn ik weg op honderd twintig mijlen van mijn huisgezin. Gij zoudt door een nog langer uitstel een huisvader dwingen, uit gebrek aan middelen, een staat te verlaten, waaraan hij alles heeft opgeofferd. Heb deernis, burgers met onzen toestand, die bedroevend en onhoudbaar is; mijn bede is rechtvaardig. Ziedaar meer dan één reden, althans genoeg om mij zelve overtuigd te houden dat de stap, dien ik doe, niet vruchteloos wezen zal bij een minister, die ’t zich tot een wet en een plicht stelt rechtvaardig te zijn.
Met groete en achting, uw toegenegen medeburgeres, vrouw Lebon, geboren Brambille.
In 1801 werd Philippe Lebon naar Parijs geroepen en als attaché toegevoegd aan den heer de Blin, ingenieur en chef der bestrating. Hij neemt nu een tweede brevet, een echt wetenschappelijk stuk, vol belangwekkende feiten en gedachten. Hij wijdt daarin uit over de verschillende wijzen waarop men het lichtgas zou kunnen aanwenden. Hij stelt der regeering voor een toestel te vervaardigen tot verlichting van de openbare gebouwen, maar het wordt verworpen. Nu schiet onzen ongelukkigen uitvinder, al zijn teleurstellingen moede, niet anders over dan zich tot het publiek te wenden en dit van het nut zijner uitvinding te overtuigen. Hij huurt het hôtel Seignelay, in de straat Saint-Dominique-Saint Germain en roept er het publiek te zamen. Hij heeft gezorgd voor een toestel, dat licht en warmte verspreidt door het gansche huis; ja, hij verlicht de tuinen met tallooze gaspitten, in de gedaanten van bloemen en sterren. De fontein was met gasgeïllumineerden het nederstortend water scheen zelf te lichten en te stralen. Van alle kanten komt het publiek aanloopen. Trotsch op den goeden uitslag zendt Lebon nu zijne prospectussen rond, een stuk vol waarheid en overtuiging, dat tevens een blijk geeft van zijn helderen blik in de toekomst. Hij ziet het gas reeds door de aderen stroomen van Europa’s hoofdsteden en begroet zijn licht in al hare straten.
Eindelijk brengt de wereld den schranderen uitvinder zijn hulde, en een commissie, door den minister benoemd, verklaart dat de gunstige uitkomsten van burger Lebon’s proeven aan de verwachtingenheeft beantwoord van de mannen der wetenschap, ja ze overtroffen heeft. Napoleon I gunde Lebon een concessie in het bosch van Rouvray, om er een inrichting te vestigen tot het stoken van gas uit hout. Ongelukkig werd Lebon gedrongen te veel op eens te doen. Hij bereidde gas en vervaardigde zuringzuur en teer, dat hij naar Havre verzenden moest, ten dienste der marine. Desniettemin had hij goede hoop. Zijn fortuin scheen gemaakt, zijn werkplaats werd door geleerden en grooten bezocht. Een paar Russische vorsten, prins Galitzin en Dolgorowski deden hem namens de Russische regeering den voorslag zijne werktuigen naar Rusland over te brengen. Hij zou zelf zijne voorwaarden stellen. Philippe Lebon wees deze schitterende aanbiedingen van de hand; met een edel gevoel voor hetgeen hij aan zijn vaderland verplicht was, antwoordde hij dat aan Frankrijk en aan geen ander land de zegeningen van zijn uitvinding toekwamen.
De goede verwachtingen van Lebon hielden helaas niet lang aan. Vijanden en mededingers deden hem talloos vele onaangenaamheden aan en zelfs de elementen schenen zich tegen hem te keeren. Een geweldige storm wierp zijn huis omver en een gedeelte van zijne werkplaats werd door het vuur vernield. Lebon echter was er de man niet naar, om zich uit het veld te laten slaan en hij had gegronde hoop dat zijne verlichting in het groot zou worden toegepast, toen een even ontijdige als raadselachtige dood een einde aan zijn leven maakte.
Op den 2denDecember van het jaar 1804, op denzelfden dag, waarop Napoleon tot keizer werd gekroond, werd hij op laaghartige wijze vermoord. Men vond hem levenloos in de Champs Elysées, met dertien dolksteken doorboord. De man, door wiens hand deze euveldaad is gepleegd, is altijd onbekend gebleven.
Eenige maanden te voren had de ongelukkige Lebon, vol vuur en geestdrift, zijn medeburgers van Brachay toegeroepen: »Goede vrienden, binnen kort zal ik u van uit Parijs te Brachay verwarmen en verlichten.” Dat kon niet, beweerden de luidjes van Brachay, »de man is niet wijs.” Hij was niet wijs, ’t is waar. Wijze menschen houden zich bij het oude, wijze menschen beproeven geen dingen, die nog niemand gedaan heeft. Wijze menschen zijn voorzichtig en wagen zich niet aan de gevaren en dwaasheden, die het genie onderneemt. Gelukkig zijn niet alle menschen in dezen zin wijs. Het is met de dwaasheid van het genie gelijk de dichter zingt:
De gedachte wacht verlangend,Stille maagd, haar bruidegom;Wijsheid zegt: ze schept illusies,Schudt het hoofd: »Wat is zij dom!”Maar haar vindt een dwaas, die op deToekomst hoopt. Hij wendt haar druk,Huwt haar en, een vruchtbre moeder,Baart ze ons zegen en geluk.
De gedachte wacht verlangend,
Stille maagd, haar bruidegom;
Wijsheid zegt: ze schept illusies,
Schudt het hoofd: »Wat is zij dom!”
Maar haar vindt een dwaas, die op de
Toekomst hoopt. Hij wendt haar druk,
Huwt haar en, een vruchtbre moeder,
Baart ze ons zegen en geluk.
Philippe Lebon was wel een van degenen, van wie Béranger daar zingt. Ook hij had zich aan eene groote gedachte verbonden; hij leed een rampspoedig leven en kwam op ellendige wijze om het leven. Thans is zijn werk gewassen en de zaadkorrel, door hem in het veld der ontdekkingen geworpen, is aan het groeien gegaan, terwijl zijn edele en beminnelijke persoon behoort tot dezulken, die niet vergeten mogen worden. De portretten, die van hem over zijn, geven ons een denkbeeld van den luister van zijn helder en peinzend oog, den spiegel van zijn eerlijke en vurige ziel, van zijn vertrouwend en edelmoedig hart, och, zoo licht misleid, als men het daarop toelegde, want hij dacht geen kwaad en had slechts oog voor het goede. Van hem mag gelden dat hij meer achting dan fortuin wist te winnen.
Zijn weduwe ontving een pensioen van 1200 francs en wilde den arbeid haars mans voortzetten; maar ook zij wijdde haar geestkracht aan een vruchteloos werk en stiet zich tegen nieuwe hindernissen en nieuwe rampen. Thans brandt het gas in groote en kleine steden, in dorpen, in huizen, in winkels, op stations en pleinen. Ook al mocht de aardolie of het electrisch licht het gaslicht verdringen, toch zal zijn uitvinding een zegen zijn geweest voor vele jaren en voor ontelbare menschen, ja, een schier onmisbaar deel hebben uitgemaakt van onze beschaving.
De nijverheid brengt niet alleen in onze dagen allerlei dingen voort, die vroeger onbekend waren, maar zij weet ook veel handenarbeid uit te winnen, tengevolge waarvan hare voortbrengselen zich eindeloos vermenigvuldigen en veel goedkooper worden en de handenarbeid weder tot andere zaken kan gebezigd worden. Wanneer men al het katoen, dat Engeland’s fabrieken jaarlijks afleveren, met de hand moest spinnen, zou men daartoe 91 millioen personen noodig hebben, dat is ongeveer de helft van de bevolking van Europa. Een knappe breidster kan per minuut 80 steken breien, de machine maakt er in dien tijd 480.000.
Let men op deze cijfers, dan kan men die groote werklieden en uitvinders niet genoeg roemen, die, maar al te zeer door het nageslacht vergeten, met hun vernuft en ijver het rijk der werktuigkunde hebben doen aanbreken.
Hier staat ons de geschiedenis voor den geest van den beroemden barbier van Preston, den uitvinder van de eerste spinmachines.
Te water met hem! riepen de woestelingen. Bladz. 125.Te water met hem! riepen de woestelingen. Bladz. 125.
Te water met hem! riepen de woestelingen. Bladz. 125.
Richard Arkwright werd geboren in het engelsche graafschapLancaster, op den 23stenDecember 1732. Hij werd barbiersjongen. Van zijn spaarpenningen zette hij eerlang zelf een winkeltje op met het opschrift:In den onderaardschen barbier: hier scheert men voor twee stuivers. De andere barbiers verlaagden hierop hunne prijzen; maar Arkwright liet zich niet uit het veld slaan en tartte zijne concurrenten met een nieuw uithangbord waarop:Hier komt men voor een stuiver onder het mes. Intusschen werd onze ijverige barbier hier niet rijker mee en weldra zien wij hem het land afloopen en handel drijven in haar. Hij had echter een zeer sterk geteekende voorliefde voor werktuigkunde en hield zich in zijne vrije uren bezig met het vervaardigen van kleine modellen. Onderweg ontmoette hij een uurwerkmaker, Kay, die hem in staat stelde zoodanige kundigheden op te doen als hem ontbraken. Nu arbeidde hij met verdubbelden ijver van ’s morgens vier tot ’s avonds negen uur, en in weerwil van zijn armoede—zijne kleederen waren aan flarden gescheurd—slaagde hij er in, met de hulp van zijn vriend Kay, het model samen te stellen van de eerste spinmachine. Hij stelde het in de spreekkamer van de kostelooze school te Preston ten toon. De fortuin lachte hem toe. Rijke industrieelen kwamen hem te hulp. Hij nam een brevet en richtte een spinfabriek op te Nottingham, te Cromford, en in de nabijheid van Chorley. Nu spanden alle katoenfabrikanten van Lancashire tegen hem samen. De werklieden, tegen hem opgezet, zagen in hem een vijand, die met zijne werktuigen hen van hun brood berooven kwam. Zij besloten dus hem in het verderf te storten en zijn werkplaats werd door een bende kwaadaardigen vernield. Arkwright was binnen kort op nieuw aan het spinnen en leverde beter werk dan zijne concurrenten. Nu weigerde men van zijn fabrikaat te koopen en daagde men hem bij de rechtbank. Niets baatte tegen des spinners geestkracht en wil. Hij zegevierde. Op het eind zijns levens zag hij zijne onvermoeide pogingen met het beste gevolgd bekroond, en onder zijn opzicht verrezen in Schotland een aantal fabrieken. Zijn mededingers, genoopt het hoofd in den schoot te leggen, eindigden met zelven zijne toestellen in gebruik te nemen.
Arkwright bezat zulk een wilskracht dat hij, op vijftigjarigen leeftijd, zich zelven de taalkunde en de spelling leerde. Hij was zoo geheel verdiept in de werktuigkunde en in de oprichting zijner werkplaatsen dat hij geheel onbekend gebleven was met de eerste beginselen van het onderwijs. Bij zijn dood, den 3denAugustus 1792, liet hij een groot fortuin na; maar grooter fortuin verwierf Engeland in het bizonder en de wereld in het algemeen. De invoer van katoen in Engeland, die van 1771–17805.735.000ponden bedroeg, wies van 1817–1821 tot 144 millioen ponden, van welke 130 millioen alleen in Engeland verwerkt werden.
Aandoenlijk is de geschiedenis van den nederigen, edelen Jacquard.Nog jong deed hij zich kennen als een voorbeeld van werkzaamheid, vindingskracht en volharding. Als drukker, als lettergieter let hij met aandacht op de werktuigen, die hij in handen krijgt en verbetert ze. Op een keer, zich bij een messenmaker bevindende, ziet hij hoe het mesdoor de handen van drie of vier werklieden gaat, voordat het in het heft wordt bevestigd: den volgenden dag reeds heeft hij het volledige plan geteekend voor een machine, die in vijf minuten het werk verricht, waaraan vier werklieden een ganschen dag besteden. De messenmaker, te arm om deze machine te laten vervaardigen, stelde zich met de teekening tevreden; maar zijne knechts vernielden haar weldra, uit vrees dat deze uitvinding hun ontslag ten gevolge zou hebben.
Reeds vroeg hield hij zich met de weverij bezig en zocht hij deze te vereenvoudigen. Zijn vader was een handwerksman, die laken en andere stoffen met goud, zijde enz. doorstikte. Deze echter kwam spoedig te sterven en daar zijn moeder reeds vroeger overleden was, kwam hij geheel op zich zelven te staan en in het bezit van een kleine erfenis. Hij huwde met de dochter van een wapensmid, Boichon. Zijn bruid zou hem, volgens de verzekering van den smid, een aardige huwelijksgift meebrengen. Zij deed het, niet in dien vorm, waarin men dat gewoonlijk verstaat, want geld heeft Jacquard van zijn schoonvader nooit gezien; maar hij vond een lieve vrouw, vol toewijding, vol moed, vol liefde ook in dagen van beproeving; zij geloofde in hem en bleef in dit geloof hem getrouw en hield zijn moed staande.
Jacquard richtte nu een atelier van gemaakte kleederen op, maar ook hem ontbrak de praktische geest van den handelaar. Hij slaagde niet, stak zich in schulden, verviel tot armoede en kwam bij een kalkfabrikant in dienst. Terwijl hij de brandstoffen in den oven wierp, maakte zijn vrouw te Lyon stroohoeden op.
Nog zwaarder dagen zouden aanbreken. Het jaar 1793 was daar; het schrikbewind was in vollen gang: de Girondijnen worden naar het schavot gesleept. Lyon verzet zich en Jacquard verzet zich mede. Aanhanger van de Republiek; maar tegenstander van het Schrikbewind neemt hij als eenvoudig soldaat deel aan de heldhaftige worsteling, die de inwoners van Lyon ondernemen tegen de Conventie. Lyon wordt verwonnen. De guillotine troont op de Place der Terreurs. Al wie meegedaan heeft wordt vervolgd en veroordeeld. Jacquard moet zich verbergen, te gelijk met zijn zeventienjarigen zoon. Vervolgens vluchten zij en nemen dienst bij het leger van den Rijn. Jacquard strijdt dapper voor zijn vaderland, maar koopt de zege duur, want zijn zoon sneuvelt, en sterft in zijne armen.
De ongelukkige vader wordt krank, kwijnt weg in het hospitaal, keert naar Lyon terug en vindt zijn huis verbrand. Daar mag hijzich nu weder vestigen met zijn vrouw, die hij slechts met moeite heeft weten op te sporen. De rust keert weder en met de rust de nijverheid en de welvaart.
Reeds lang had hij gezonnen op een middel om het een of ander werktuig in de plaats te stellen van de arbeidster of het kind, dat bij de zijdeweverij de zoogenaamdelac’saantrok (een soort van snoeren bij de weverij in gebruik). Hij dacht een samenstel uit van pennen en haken, waarmee hij den moeielijken arbeid der »tireuse de lacs” overbodig maakte en een bezuiniging van 50 pCt. in de zijdeweverij te weeg bracht. Op de tentoonstelling van voortbrengselen van Nationale Nijverheid in het jaar 1801 trok de nieuwe machinerie van Jacquard zeer de aandacht en won zij een bronzen medaille. Een andere vinding van Jacquard, een werktuig om vischnetten te knoopen, werd met goud bekroond.
Ware Jacquard bij de hand geweest, hij had fortuin gemaakt; maar hij behoorde tot hen, die anderen de vruchten laten plukken, terwijl zij zelven zich aan hun uitvinding wijden om die te volmaken. In 1802 werd hij naar hetConservatoire des Arts et des Métierste Parijs geroepen, waar hij zich vestigde en twee jaren doorbracht, werktuigen en modellen van werktuigen samenstellend en verbeterend. Nergens kon hij beter geplaatst zijn. Hier vervaardigt hij zijne machines om fluweel-lint te weven en zijne spoelen voor de bewerking van het katoen. Voorts herstelde hij het beroemde weefgetouw van Vaucanson, dien ongeëvenaarden werktuigkundige, die zijne tijdgenooten versteld deed staan van zijne onnavolgbare automaten.
Naar Lyon teruggekeerd (1804), vond hij aldaar een eerlijk en welgezind kapitalist, Camille Pernon, en eindelijk zal dan zijn kunstig weefgetouw in het werkelijke leven der fabriekwereld optreden. De kamer van koophandel en het stedelijk bestuur bemoeien zich met de zaak; eene commissie, bestaande uit de knapste handelaren, onderzoekt zijne toestellen en legt daarvan de gunstigste getuigenissen af en weldra wordt het stedelijk bestuur van Lyon gemachtigd Jacquard het privilegie van zijn weefgetouw af te koopen voor een lijfrente van 3000 francs. Zoo werd zijn brevet algemeen eigendom. De uitvinder ruilde een uitvinding, die hem vijftien jaren arbeidens en niet weinig ontbering en ellende gekost had, voor een eenvoudig stuk dagelijksch brood. Hij vroeg het gouvernement ook nog een premie van vijftig francs voor elk getouw, dat volgens zijn vinding zou worden opgericht.
»Dat is er een, die zich niet spoedig tevreden laat stellen!” riep Napoleon, toen hij het brevet teekende. (De Keizer zelf liet zich ook zoo spoedig tevreden stellen!)
Nieuwe beproevingen wachtten hem nu. De invoering van zijn weefmachine verwekte een niet geringe opschudding onder de arbeidendeklasse. Alom vertelde men dat het nieuwe toestel den handenarbeid onnoodig maakte en dat het volk er door tot den bedelstaf zou worden gebracht. Hij werd met bedreigingen achtervolgd. Hij heette een verrader, die den armen handwerksman aan de willekeur van den rijken fabrikant prijsgaf. Dat was dan het loon voor zijn waken en zoeken, zijne tranen en zijne zelfverloochening! Allengs steeg de haat al hooger en hooger, als een opkomende vloed, die hem dreigde mee te sleepen. Jacquard was niet meer veilig op straat; men beleedigde hem in het openbaar. Eens zelfs werd hij door den verwoeden volkshoop naar de Rhône gedrongen.
»Te water, te water met hem!” riepen de woestelingen.
Zonder de tusschenkomst van een paar moedige mannen zouden zij hem in de rivier hebben geworpen.
Een ander zou gevlucht zijn en den zegen van zijn uitvinding naar elders hebben overgebracht—hij bleef. Hij wist den haat en den tegenstand het hoofd te bieden, wachtende op het uur zijner rechtvaardiging. Hij wist dat zijne machines overvloed en welvaart stichten, dat zij den arbeid vermeerderen en tegelijk de lichamelijke vermoeienis verminderen zouden. Eens zou men hem de welverdiende hulde niet onthouden!—Welnu, hij bedroog zich niet.
Het weefgetouwà la Jacquardheeft een hervorming in de zijdeweverij teweeg gebracht en de stad Lyon groot gemaakt. En niet alleen Lyon mag hem dankbaar zijn, maar Rouaan, Manchester, Berlijn, Moscou, Petersburg, Amerika, Indië, China hebben zijn uitvinding tot hun nut weten aan te wenden.
Na zich aller achting verworven te hebben, trok de groote uitvinder zich naar de omstreken van Lyon terug en bebouwde daar zijn tuin. Daar kwam menig vreemdeling hem zien en mocht er zijne medailles en zijnCroix d’honneurbewonderen. Hij stierf, van allen geëerd, op den 7denAugustus 1834, twee-en-tachtig jaren oud. Wat had hij niet doorgestaan!
De uitvinder van de linnenspinnerij was niet gelukkiger.
Philippe de Girard werd te Lourmarin (Vaucluse) geboren, op den 1stenFebruari 1775. Hij was een dier groote geesten, die met alle talenten begiftigd zijn en bij alles een wonderbare vindingskracht ten toon spreiden. Van zijn prilste jeugd af maakte de toekomstige uitvinder, evenals Newton, kleine werktuigen, vooral radertjes, die hij door middel van een stroomende beek in beweging bracht. Op veertienjarigen leeftijd dacht hij een aardig werktuig uit, waarbij hij zich den golfslag als beweegkracht ten nutte maakte. Voor alle wetenschappen en alle kunsten bezat hij een wonderlijke geschiktheid. Met hetzelfde gemak beoefende hij werktuig- en plantenkunde, schilder-, beeldhouw- en dichtkunst.
De stormen der omwenteling ontrukten Philippe de Girard aan het vredige leven in het ouderlijke huis. Na de wapens te hebben gevoerd tegen de omwentelingsmannen van het Zuiden, moest hij met zijne familie Frankrijk verlaten, en om zich en de zijnen in het leven te houden, schildert hij te Mahon, op het eiland Minorca, en maakt hij zeep te Livorno. Ondertusschen deed hij zich reeds door eenige uitvindingen kennen.
Naar zijn haardstede teruggekeerd, richt hij te Marseille een fabriek op van chemische produkten. Maar ten gevolge van de staatkundige troebelen des tijds (1795) moet hij wederom het land verlaten. Nu verkrijgt hij te Nice een leerstoel voor chemie en natuurlijke geschiedenis, welke vakken hij, na 18 Brumaire, ook te Marseille onderwijst.
Eens in Frankrijk zijnde, komt hij ook weder te Parijs. Aldaar bleek al spoedig, op de tentoonstelling van 1806, wat het vernuft van Girard vermocht. Hij stelde er een nieuwen kijker ten toon, en ijzeren platen, die door een gansch nieuwe wijze van bewerking geschilderd en vernist waren. Ook zag men er de bekende hydrostatische lampen, die te dier tijde een ware omwenteling brachten in de kunst van verlichten. Eenigen tijd later ontving Girard van de Maatschappij van Aanmoediging een groote gouden medaille voor een merkwaardige stoommachine.
In 1810 wilde Napoleon de engelsche katoenfabrikage den laatsten slag toebrengen. Nadat hij alle havens van Europa voor haar had doen sluiten, vaardigde hij een besluit uit, dat den 12denMei in deMoniteurverscheen en waarbij een millioen francs werd toegezegd aan den uitvinder, tot welke natie ook behoorende, die het beste werktuig zou vervaardigen tot het spinnen van linnen garens.
Eenige dagen na de uitvaardiging van dit Besluit was Philippe Girard, toen vijf-en-dertig jaren oud, bij zijn vader te Lourmarin. Bij het ontbijt werd het nieuwsblad binnengebracht, waarin deze oproeping voorkwam. De oude Girard reikte het blad aan zijn zoon over met de woorden: »Philippe, dat is iets voor u!” Na het ontbijt ging Philippe alleen uit, vastbesloten het vraagstuk op te lossen. Nimmer had hij zich bezig gehouden met de zaak, waarop het Besluit doelde. Hij vraagde zich dus af, of hij zich niet eerst in kennis zou stellen met alles, wat in deze beproefd was; maar al spoedig begreep hij dat het groote aanbod niet zou zijn gedaan, wanneer men ooit tot een gelukkige oplossing gekomen was. Voorts wilde hij ook liever niets van den toenmaligen stand der zaak weten, ten einde met te meer onafhankelijkheid zijn eigen weg te gaan en den ouden sleur te ontwijken. Hij nam dus vlas, garen, water en een vergrootglas, en beurt om beurt het vlas en het garen aanziende, dacht hij: »Met het een moet ik het ander vervaardigen!”Na het vlas met het glas te hebben beschouwd en het in water te hebben geweekt, zoodat hij de vezels kon afscheiden, vormde hij met de vingers een bijzonder fijnen draad. Wanneer hij nu maar een machine had, die hetzelfde kon wat hij met de vingers deed, dan was hij er. De kiem der uitvinding was in zijn gedachte opengesprongen en hij kon tot zijn vader zeggen: »Het millioen is mijn!”
Twee maanden later kon hij een eerste brevet op zijn uitvinding nemen. Zij is sedert niet wezenlijk veranderd en daaruit mag haar degelijkheid blijken. Van het millioen echter zag hij niets. De regeering scheen berouw te hebben, dat zij zulk een som had uitgeloofd voor een zaak, die zoo spoedig gevonden was. Men eischte nu, onder andere meer zonderlinge voorwaarden, dat het garen 400,000 meters zou meten in een kilogram en dat dit wonder zou verkregen worden tegen een vijfde van de kosten van het met de hand gesponnen garen. Philippe de Girard kwam hiertegen op, maar het Keizerrijk viel en toen de dag kwam, waarop de belooning zou worden uitgereikt, zei Thiers: Wat er was, het millioen was er niet meer.
Toch ging de Girard voort zijn vernuft aan Frankrijk’s heil te wijden. Toen de verbonden Mogendheden in 1831 zich gereed maakten Frankrijk binnen te rukken, vond hij een soort van stoomwapen uit. De proeven, welke onder toezicht van verscheidene officieren met dit wapen genomen werden, gelukten volkomen. Het geleek eenigszins op de latere mitrailleuses, loste 180 schoten in de minuut en doorboorde op honderd passen een plank van 4 centimeters dikte. De moordtuigen zouden vervaardigd worden en het noodige geld werd er voor aangewezen, maar hoe snel ook de uitvinding gedaan en in praktijk gebracht was, nog sneller was de loop der gebeurtenissen, die haar overbodig maakten.
De machinale linnenspinnerij en al de andere proeven, die Girard had genomen, kostten hem zijn gansche fortuin, alsmede dat zijner broeders, die zich bij hem aansloten. ’t Is bijna ongelooflijk en toch is het waar, dat deze nuttige man, deze glorie en trots van Frankrijk, op zijn werkplaats, te midden van zijn arbeid, gevangen genomen werd wegens schulden, die hij in het belang van zijn uitvindingen gemaakt had. Men sloot hem op. Toen nam de Girard de aanbiedingen aan, die hem van wege Oostenrijk werden gedaan, om aldaar een spinfabriek op te richten. Hij vertrok, met een verscheurd gemoed, de helft zijner werktuigen meenemende, terwijl zijne broeders met de andere helft hun geluk in het ondankbare vaderland nog eens zouden beproeven. Zij slaagden niet. Het gouvernement wilde hun geen geld toestaan en de fabriek stond stil en werd een bouwval. Maar ook Philippe slaagde niet naar wensch. Toch bracht hij zijn werktuigen tot steeds grooter volkomenheid,onder anderen door de toevoeging van een kammachine, waarin hij later nog verbetering zou aanbrengen. Ook aan de stoomvaart wijdde hij zich. Van Pesth naar Weenen liet hij een schip den Donau opvaren, dat met stoom gedreven werd. Hij was de eerste die ter voorkoming van geweldige ontploffingen, den stoom zich ontwikkelen liet in dunne buizen.
Vervolgens werd de Girard door den Keizer aller Russen naar Warschau geroepen, om aldaar een groote spinnerij tot stand te brengen. Hij was er bovendien ingenieur der mijnen en werd er zoo populair, dat het stadje, hetwelk langzamerhand rondom zijn fabriek aangroeide, Girardow genoemd werd. Nog vond hij uit een toestel, om het sap uit de beetwortels te trekken en dit te doen verdampen, en een nieuw watermolenrad, dat door watervallen in beweging kon worden gebracht. Hij bracht verbetering aan in de wijze, waarop men zink uit erts bereidt, plaatste op den gevel van de Bank te Warschau een zichzelf registreerenden thermometer en op het observatorium te dier stede een zichzelf registreerende meteorograaf. Hij vond een werktuig uit om het houtwerk voor geweren te vervaardigen, een ander om bolvormige voorwerpen met mathematische juistheid te draaien, een stelsel van luchtverwarming in de hoogovens, stoommachines zonder balans, schroefraderen, een machine om werk te ontwarren, te spinnen, een zichzelf registreerenden dynamometer, werktuigen om steenen te bakken, een ander om ijzerdraad te trekken.
In 1844 kwam de Girard, nog altijd arm, naar Frankrijk terug. Vier jaren vroeger had hij een vlugschrift geschreven, waarin hij op krachtige wijze zijne rechten handhaafde: »Memorie aan den Koning, aan de Ministers en aan de Kamer omtrent den eersten rang, aan Frankrijk toekomende, waar het de uitvinding geldt van de spinmachines voor linnen garens.Ik kom, zoo zeide hij, èn voor mijn vaderland èn voor mijzelven de eer dezer uitvinding eischen, ter wille van welke, op Frankrijk na, geheel Europa mij hulde heeft gebracht.”
Bij gelegenheid van de Tentoonstelling van Nijverheid te Parijs, in 1844, werd de Girard’s kammachine niet weinig bewonderd; maar hij was toen een grijsaard van 69 jaren en leefde van een pensioen, dat de Keizer van Rusland hem had gegund en van een paar duizend francs, die een Vereeniging hem bij wijze van een aalmoes had toegestaan. Hij stierf in 1845. Dat zijne vrienden nimmer het kruis van het Legioen van Eer voor hem hebben kunnen krijgen, is wel een bewijs hoe laag de man geschat werd, die zijn vaderland zulke groote diensten bewezen had. In 1849 werd de Girard’s recht op de uitvinding plechtig afgekondigd en in 1853 stemde het Corps Legislatif voor een nationale belooning, die aan des uitvinders erven zou worden geschonken. O, spot van het lot!Zijn broeder Frédéric was dood, zijn broeder Joseph was in de negentig en stierf het volgende jaar.
Onder de mannen, die zich verdienstelijk hebben gemaakt met het spinnen, kammen en weven van katoen, behoort ook Josua Heilman. In tegenstelling met bijna alle uitvinders bezat hij een aanzienlijk vermogen; maar dit belette den genius der vinding niet hem aan te grijpen. Te midden van de fabrieken van den Elzas wonende, vernam hij dat de eerste fabrikanten van den omtrek een som van vijfduizend francs boden voor een nieuwe machine om het katoen te kammen. De toenmalige kammachine was ongeschikt tot het dooreenwerken van katoen en wol, en deed bovendien veel verloren gaan. Heilman nam het besluit mee te dingen. Hij was toen geen eerstbeginnende, want hij had het opzicht gehad over een fabriek van machinerieën. Hij had een borduurmachine uitgevonden, waarin twintig naalden te gelijk in werking waren; zoo ook een verbeterd weefgetouw, een machine om stoffen te meten en te vouwen, een ander om den spoel op te winden, en weder een ander, waarmee hij twee stukken fluweel te gelijk weefde. Maar de vraag, die hem nu werd voorgelegd, was vrij wat moeielijker op te lossen. Hij besteedde verscheidene jaren aan het bestudeeren van dit vraagstuk. Hij had het er op gezet zijn doel te bereiken en dat te meer, naarmate het verder verwijderd scheen. Hij moest kostbare proeven nemen, werktuigen laten maken en zijne proefnemingen telkens veranderen en herhalen. Dit kostte hem zoo veel, dat zijn gansche fortuin en de bruidschat zijner vrouw er mee heengingen. Toen moest hij geld leenen, om in het leven te blijven, en toen hij zijn vrouw verloren had, besloot hij naar Engeland te gaan en daar een betrekking te zoeken, die voor hem en zijne beide dochters een bestaan kon opleveren. Heilman toog nu naar Manchester. Maar de gedachte aan zijn kammachine volgde hem op den voet en liet hem niet met rust. Hij vervaardigde er een voor een engelsch fabrikant, maar deze voldeed niet aan de verwachtingen. Naar Frankrijk teruggekeerd, om er zijne dochters te bezoeken, zat hij op een avond weder te peinzen en keek hij onwillekeurig, doch zeer aandachtig, naar zijne kinderen, waarvan het eene bezig was het ander de schoone, lange haren te kammen en op te maken. »Kon ik,” dacht hij op eens, »kon ik met een werktuig de eigenaardige bewegingen van die hand namaken, die eerst de lange haren naar zich toe haalt en met eentegenovergesteldebeweging de korte haren wegwerkt, dan was ik geholpen.” Josua Heilman hervatte zijn arbeid, en na zeven jaren zoekens mocht hij eindelijk zijn schijnbaar zoo eenvoudig, maar in waarheid zoo samengesteld kamwerktuig gereed zien. Nog eenigen tijd had hij noodig om zijn uitvinding te voltooien, doch daarna had het dan ook een graad van volkomenheid bereikt, hooger dan welke menhet zeker niet brengen zal. Men moet dit wonderbare werktuig zien werken, om het naar waarde te schatten. Het heeft in zijn greep en in zijn gansche beweging iets, dat aan de menschenhand doet denken. Nu was Heilman’s fortuin gemaakt. Van alle kanten kwamen aanbiedingen, om hem zijn privilegie af te koopen. Maar hij genoot weinig van die weelde. Hij had zijn fortuin gegeven, doch toen het wederkwam stond hij op het punt van scheiden en ging hij de eeuwige rust in.