Conventioneele vrouwelijkheid.

Conventioneele vrouwelijkheid.Het conventionalisme is de stilzwijgende overeenkomst, den schijn voor het wezen, vorm voor inhoud, en bijzaken voor de hoofdzaak in de plaats te stellen. In zekeren zin behooren ook de, bij de verwisseling van het schoonheidsgevoel in verscheidene tijdperken veranderende, modes ertoe. In de diepere beteekenis van het woord valt altijd een gedeelte van deze aangenomen leer der welvoegelijkheid tezamen met die van zeden en gebruiken, met het begrip van de mate van zelfbeheersching en zelfverzaking, die ieder persoon heeft in acht te nemen in den omgang met anderen. Hoe meer men vordert in de beschaving en ontwikkeling, des te ruimer worden de grenzen genomen, waarin aan de samenleving de beoordeeling wordt toegestaan van ieders persoonlijk geloof en zienswijze, van ieders arbeidsveld en gewoonten in het dagelijksch leven. Hoe langer hoe meer begint men te begrijpen, dat elke uiting van persoonlijke gevoelens, die op het recht van anderen geen inbreuk maakt, vrij behoort te wezen. Een vrij groot gedeelte van de taak der beschaving in het tijdperk van elk nieuw geslacht, heeft altijd bestaan en bestaat ook nog, in het afschaffen van eenige, tot ledige vormen ontaarde gebruiken, doode overblijfselen van hetgeen vroeger bestond,die de nieuwe planten verhinderen om krachtig op te schieten. Wij hooren in onze dagen telkens weer stemmen opgaan die vrijheid en keuze tegenover de tot richtsnoer aangenomen zeden verlangen voor het persoonlijk geweten en de persoonlijke neiging. In dezen eeuwigdurenden strijd komt het er vooral op aan te beslissen, wat ook nu in werkelijkheid nog recht van bestaan heeft en wat alleen hinderpalen zijn voor een edeler vrijheid, eene diepere waarheid, een grooter oorspronkelijkheid, een rijkeren levens-inhoud; in éen woord: wat daarin is ontaard tot ledige vormlijkheid.Maar niet alleen met verouderde gebruiken en vormen moet afrekening gehouden worden. In elken kring worden nog voortdurend dergelijke doode overblijfselen van voorheen opgegraven en in den vorm van vooroordeel, van kleinzielige beweegredenen en wankelmoedige, onzelfstandige gewoonten, gehuldigd. Bij de vrouwen is die vormendienst ten allen tijde sterker ontwikkeld dan bij de mannen. Want de zucht tot het bijbehouden van “hetgeen altijd zoo is geweest” wordt helaas dikwijls een steun voor het conventioneele gedrag der vrouw in de samenleving. Zelden zijn de vrouwen zóo persoonlijk ontwikkeld dat zij, bij hetgeen zij wenschen te behouden, schijn van wezen, vorm van inhoud, kunnen onderscheiden; en zelfs, al zien zij het verschil in, ontbreekt het haar toch gewoonlijk aan den moed om inhoud en degelijkheid te verkiezen boven vormen en schijn, wanneer de groote meerderheid vóor de laatstgenoemden stemt.In het laatste tiental jaren is er in de letterkunde, zelfs in de werken van vrouwelijke auteurs, een krachtige stem tegen die ledige, holle vormen opgegaan. Die oppositie werd vooral gericht tegen het verouderde ideaal der vrouw, volgens hetwelk zelfverloochening de edelste vrouwelijkheid vertegenwoordigde en tegen het verouderde begrip omtrentde zedelijkheid, volgens hetwelk de liefde zonder huwelijk onzedelijk, maar een echt, ook zonder liefde gesloten, voor zedelijk gehouden wordt.De vrouwen welke thans het nieuwe ideaal huldigen: “zelfontwikkeling tot toewijding van haar persoon en leven aan anderen,” ontmoeten van de vooruitstrevende geémancipeerden onzer dagen dezelfde weinig beteekenende verwijten als die, welke in 1850–60 gericht werden tot de voorstanders dertoennieuwe beweging op dat gebied.Immers die vroegere émancipatiebeweging had in hoofdzaak ook ten doel de menschelijke rechten der vrouw te doen gelden, in het algemeen beschouwd. De latere is er op uit het recht van iedere vrouw als persoon, te verdedigen; dat is te zeggen: het moet der vrouw onvoorwaardelijk vrij staan te gelooven, te denken naar haar eigen wil; zelfs te handelen naar eigen goedvinden, wanneer zij hierbij niet de rechten van anderen kwetst. Aangezien dat eerste in algemeenen zin kan worden beschouwd, kon het voor een groot gedeelte collectief worden beoefend; de zelfstandigheid der vrouw in hare daden moet natuurlijk het recht van ieder van haar, als persoon, gelden. Dit bedenken de vrouwen, die voortdurend ijveren voor dat eerste doel, de algemeen menschelijke rechten der vrouw, niet genoegzaam. Zij dringen er niet in door, dat elke vrouw niet slechts haar aandeel behoort te hebben in het algemeene recht als mensch, maar dat ook hare persoonlijke rechten, overeenstemmend met haar eigenaardigen aanleg en karakter, gewaarborgd moet worden door de maatschappij. De strijd betreft in de eerste plaats het recht der vrouw op een, misschien van alle bestaande leerstellingen en van het tot nu toe gehuldigde ideaal afwijkend, temperament. Dit is de groote kwestie tusschen de afzonderlijk voor haar gevoelens pleitende vrouw en de vertegenwoordigsters van het nieuwe tijdperk in het vrouwelijk bestaan.Dat ieder persoonlijk karakter een nieuwe wereld is—deze ontdekking die in Shakespeare zijn Columbus vond—een Columbus, op wiens voetspoor telkens nieuwe reizigers nieuwe landen wonnen—dit feit, dat in de litteratuur telkens weder wordt genoemd en toegepast op het leven, is nog slechts tot enkelen doorgedrongen als eene op ervaring gebouwde, en door het leven bevestigde, waarheid. Maar dat hiermede althans een begin werd gemaakt; dat de voorheen, als onwrikbaar vast aangenomen, gebruikelijke opvatting van den aard en het wezen van den mensch en de daaruit afgeleide raadselen, meer en meer worden vervangen door eene persoonlijke, van anderen onafhankelijke beschouwing,—dit hebben wij wel in de eerste plaats te danken aan de dichters en denkers in onze dagen; in dezen heeft het conventionalisme zijn ergsten vijand; hun herkenningsteeken is het diep besef van alle oorspronkelijke krachten van het menschdom, van de degelijke vraagstukken in het leven. Want al moge het conventionalisme in de gestalte der napraters tot geestigheden aanleiding geven, toch is juist het moderne genie een protest tegen de leer, die elken, op zich zelf gewettigden, maar van de bestaande regelen afwijkenden blik op de wereld en de kunst, ten hoogste afkeurt.De dichter die in het Noorden met éen enkelen slag het veranderde, vormlijke ideaal der vrouw, die zich onder alle omstandigheden opofferende, zachtzinnige vrouw, verbrijzeld heeft, is Ibsen, als hij Nora man en kinderen doet verlaten om getrouw te zijn aan haar eigen plichten; als hij door “Het spook” in het zedelijk bewustzijn der menschen tracht te etsen: dat eene vrouw, die aan haar eigen persoonlijk karakter getrouw is, ook ten nutte van anderen, hooger staat dan zij, die zich blijft vastklampen aan de eenmaal bestaande vormen der zedelijkheid, ook al zijn deze zonder zin of beteekenis in haar bijzondere omstandigheden.En sedert heeft Ibsen voortdurend de vrijheid onder eigen verantwoordelijkheid gepredikt, als de verlossing voor het individu. Langzaam-aan is men begonnen naar hem te luisteren;—gedeeltelijk heeft men hem ook verstaan. Maar men weet het immers, geen geweten is in dit opzicht meer hermetisch gesloten dan dat van zekere, door de emancipatie in een opgewonden toestand verkeerende, vrouwen. Dat alle vrouwen gelijke rechten met de mannen moeten hebben is de scheering en inslag van het weefsel, dat zij in hare redevoeringen over de persoonlijke vrijwording der vrouw, op het getouw zetten. Zij vergeten, dat het recht om te worden wat zij wil, voor de vrouw evenzoogoed als voor den man, vaak de noodzakelijkheid medebrengt om datgene wat zij naar haren aanleg en karakter is, te onderdrukken. Zij vergeten, dat het individu hoogere eischen moet en mag stellen dan alleen het recht tot de keuze van een werkkring. Zij zien ze voorbij, die eindelooze schakeeringen in gevoelens, in meening en karakter, die de oorzaak waren, dat de eischen aan solidariteit in de opvatting en handelingen der voor de vrouwenbeweging ijverenden, verliepen in onderdrukking der enkele vrouwelijke persoon. Zeer zeker is het ook nu nog de waarheid dat aaneensluiting noodig is, om aan de vrouw, de rechten die haar tot heden onthouden werden, te verschaffen. Maar elk verplichtend in gesloten gelederen optrekken is in deze zaak gevaarlijk te achten; immers de vooruitgang in den toestand der vrouw, in den ernstigen, diepen zin van het woord, verlangt juist, dat de zoo oneindig verschillende individuen, zoo onbelemmerd mogelijk, zullen kunnen toonen, waartoe zij op zeer verschillend gebied, in staat zijn.Het dreigend gevaar van den vormendienst in de vrouwenbeweging uit zich echter niet alleen in de te hoog opgedrevene eischen tot aaneengesloten handelen, maarook in de wijze waarop de meening der tegenstanders wordt “afgemaakt”. Het verraadt zich in het gebrek aan nauwlettende waakzaamheid, die ons zeggen zou, dat de vrouwenbeweging, op het gebied van den arbeid althans, meer en meer ingrijpt in de sociale vraagstukken van den dag. Het openbaart zich vooral in de onbekwaamheid om in te zien, dat de vrouwenbeweging juist door hare groote vorderingen van den laatsten tijd hoe langer hoe ingewikkelder wordt en dat hierdoor steeds grooter moeilijkheid ontstaat, om zich op een beslist maar onpartijdig standpunt te plaatsen tegenover de daartoe behoorende zeer verschillende onderwerpen.Hiervoor is het onder anderen bepaald noodig dat den vrouwen meer gelegenheid gegeven worde om zich te beschaven en te ontwikkelen. Goed. Maar of al die inrichtingen van onderwijs ook de persoonlijkheid als zoodanige ontwikkelen, daaraan zou ik twijfelen. Immers wij hebben de fijnste en beminnelijkste personen ontmoet onder weinig geleerde dames van zeventig en tachtig jaar; en het scherpzinnigeigenoordeel dezer dames, evenzoo als dat van sommige vrouwen en meisjes, die nimmer geregeld onderwijs ontvingen, is wel geschikt om onze moderne, over allesmeê-pratende, “ontwikkelde” vrouwen en meisjes beschaamd te doen staan.Het is niet meer dan billijk dat het loon voor vrouwelijken arbeid verhoogd worde; maar wordt die arbeid werkelijk in diezelfde verhouding beter? Kan men het wel van het meerendeel van die, over haar lessenaar gebogen zittende vrouwen verlangen, dat zij eene levendige belangstelling voor haar dagwerk zullen koesteren, terwijl haar eigen innerlijk wezen slechts aan het woord komt als zij over eene wieg gebogen staan?Er is veel voor te zeggen dat ook dochters van rijke ouders naar een werkkring verlangen. Maar ligt het gevaarniet voor de hand dat zij, die met gering loon tevreden kunnen zijn, den arbeid ontstelen aan andere, misschien meer bevoegde arme vrouwen en mannen, die, omdat zij van hunne verdiensten moeten leven, genoodzaakt zijn hooger loon te vragen? Terwijl deze en nog veel meer vragen onbeantwoord blijven, verbaast men er zich over, hoe het conventionalisme zich onvoorwaardelijk verheugt over de vele jonge meisjes die studeeren, of voor een algemeenen arbeid de ouderlijke woning verlaten, waar zij toch zoo nuttig en noodig zijn; al zouden wij de laatsten zijn, om den horizont der vrouw, zooals in grootmoeders dagen, tot keuken, kinderkamer en huiskamer te willen beperken.Het is tot heden nog altijd niet beslist of de vrouw, in fysiologisch en psychologisch opzicht zoo bijzonder welvaart, of hare gezondheid en gelijkmatigheid verhoogd wordt, door in den strijd om het bestaan mede te dingen. De vrouw op dit standpunt is een nieuw onderwerp voor studie en slechts de volle vrijheid tot arbeidskeuze en persoonlijke ontwikkeling dezer eeuw, zal de stof leveren tot het maken van weloverwogen gevolgtrekkingen.De teekenen des tijds duiden het aan: altijd zal er een op lichamelijk verschil gebouwd, onvermijdelijk geestelijk onderscheid tusschen den man en de vrouw blijven bestaan; een onderscheid, dathaarhoogst waarschijnlijk bij voorkeur tot de in het huisgezin scheppende kracht zal blijven stempelen, terwijl hij bij voorkeur zich zal blijven wijden aan den arbeid der kultuur op algemeen gebied en dàar zijn scheppingsdrang zal trachten te bevredigen. Maar er is geen zeggen van hoever eene volkomene gelijkstelling met den man, eene onbeperkte ontwikkeling op het gebied van den arbeid, de vrouw zal kunnen brengen, ten opzichte van het besturen der maatschappij en van de kultuur, als groot geheel beschouwd.De hierbovengenoemde, in onze dagen door oppervlakkige vrouwen en meisjes onvervaard nagepraatte gezichtspunten op de vrouwenbeweging, verhinderen juist de vrouwelijke ontwikkeling van het individu, door de vele en groote raadselen in de natuur kalm voorbij te zien.Daarentegen vormen de eenmaal aangenomene denkbeelden van zelfverloochening als de uitdrukking der echte vrouwelijkheid, op hunne beurt het doorbreken der vrouwelijke persoonlijkheid van uit de nevelen der vormen en gebruiken in de maatschappij.Met een zalig gevoel te gronde te mogen gaan voor een innig dierbaar wezen, is voorzeker een van de schoonste voorrechten der vrouw. Maar door dit onder alle omstandigheden te verheffen tot haar ideaal, had de vrouw haar eigen ontwikkeling in den weg gestaan, evenzoo als die van den man.Als men de huwelijken uit de vorige generaties vergelijkt met die van het jonger geslacht, dan valt er bij de mannen van heden een grooten vooruitgang waar te nemen, ten opzichte van oplettende teederheid voor en sympathieke waardeering van de thans meer persoonlijk levende en hierom meer eischende vrouwen. Beide partijen hebben er bij gewonnen dat de vrouw begonnen is zich te oefenen in de moeilijke kunst van zichzelf-opheffende zelfverloochening. Want voor elk waarlijk liefhebbend vrouwenhart is het oneindig moeilijker haar recht te eischen dan dit op te offeren.De vereering van het conventioneele vindt bij voortduring krachtigen steun bij de opvoeding.Voorzeker men onderdrukt tegenwoordig niet meer, of althans hoogst zelden, deindividualiteitvan een kind op de voorheen gebruikelijke ruwe en wreedaardige manier. Maar zij verdwijnt toch hoe langer hoe meer. In denouden tijd genoten de kinderen van een zekere vrijheid in de kinderkamer, waar de ontwakende persoonlijke gewaarwordingen van blijdschap en verdriet, van liefde en tegenzin, niet voortdurend in toom behoefden te worden gehouden. Thans zijn de kinderen om en bij de volwassenen en dit samenzijn legt hun reeds vroeg de taak op de jonge schouders, van dwang en fatsoen.De kinderen moeten bezig gehouden worden, dat is hun recht; zij kunnen niet meer op hun eigen gelegenheid spelen, want zij hebben den lust verloren die voorheen gebouwd was op de vrijheid der altijd weder scheppende kinderlijke verbeeldingskracht; zij hebben er ook den slag niet meer van om “aardig alleen te spelen”.Op deze manier hebben de ouders geen rust en de kinderen evenmin.Altijd met volwassenen te zamen zijnde, worden zij zoo aanmatigend, dat de gehoorzaamheid er onder lijden moet. Dus leeren zij zich niet voegen; zij raken niet gewoon aan de voor hunne ontwikkeling zoo noodige orde en tucht; zij leeren ze niet, die moeilijke, maar onmisbare les van levenswijsheid: hunne opwellingen van minder beteekenis te onderdrukken voor iets van ernstiger aard en ook in deze zich te voegen onder de beproevingen van het kinderleven—eene ontginning van de woeste gronden van het kinderlijk karakter, waarmede men zeer vroeg beginnen moet om er een vruchtbaren akker van te kunnen maken.Deze ontginning heeft plaats als de opvoeder zelf duidelijk weet, wat hij als hoofdzaak bij de ontwikkeling van het kinderlijk verstand beschouwt en hiermede rekening houdende, zijn bevel en verbod weet toe te passen; deze moeten weinig in aantal zijn, maar onwrikbaar vast gehouden worden als wetten der natuur; en waar tegen deze gezondigd werd, moet hij het kind niet met door hem bedachte, onzinnige straffen plagen, maar het eenvoudigde gevolgen van zijne ongehoorzame handelwijze laten ondervinden en aanwijzen. Zoodoende kan men, door zich aan vaste beginselen te houden, een natuurkindvormen tot een beschaafd mensch, dat uit ontzag voor zichzelf en anderen, zijne driften, als die met de maatschappij in botsing komen, weet te beteugelen,—zonder dat daardoor het persoonlijk gevoel wordt onderdrukt. Want buiten het gebied dezer bestaande, onveranderlijke wetten, moeten de kinderen nooit worden gedwongen of aangemaand, om in strijd met hunnen aard en aanleg te handelen; laat hen daarin hunne gezonde zelfzucht en hun eigenaardigen smaak ongehinderd botvieren.Er zijn vele moeders die, door zichzelve onverstandig al te zeer op den achtergrond te plaatsen, de volstrekt niet te verdedigen zelfzucht harer kinderen aankweeken. Daarentegen verlangen zij op andere oogenblikken van diezelfde kinderen eene mate vanzelfbeheersching, van bedachtzaamheid, gematigdheid en ontzag, die een geheel leven meestal niet in staat was, die moeders te leeren. Van de zachte stof die bedoeld was een persoonlijk wezen te worden, maken ouders, dienstboden en onderwijzers een man of vrouw van de wereld; in sommige gevallen een bruikbaar lid der maatschappij—maar zeer zelden een mensch.Deze vorming noemt men opvoeding. Nu moet wel een gedeelte van de vroegste opvoeding inderdaad in zulk vormen bestaan, zooals ik onlangs zeide. Maar na de eerste levensjaren moet het hoofddoel der opvoeding wezen, juist al wat louter vorm is, te verjagen; de volle vrijheid te laten tot ontwikkeling van de éenige kracht, die in ’t groot geheel beschouwd, voor de menschenwereld het feit dat nieuwe geslachten de ouden vervangen, belangrijk maken kan: de kracht der nieuwe, oorspronkelijke persoonlijkheid.Ieder kind vormt een nieuwe wereld—eene wereld, waarin zelfs niet het oog der teederste liefde geheel vermag door te dringen. Hoe trouwhartig dat open kinderoog ons moge aanzien; hoe vol vertrouwen het zachte handje in onze hand wordt gelegd—toch zal dit jonge menschenkind ons misschien later kunnen vertellen hoeveel verdriet het er van gehad heeft, door ons te worden behandeld alsof kinderen eenvoudig herhalingen van het bestaande waren, niet oorspronkelijke, nieuwe, persoonlijke schepsels. En in zekeren zin is het kind ook eene herhaling van de kindernatuur in alle tijden; maar tegelijk, en in een veel hoogeren graad, eene geheel nieuwe samenstelling van hoedanigheden naar geest en lichaam; die aanleiding geven tot blijdschap en smart, tot kracht en zwakheid.Dit nieuwe jeugdige menschje moet, op eigen verantwoordelijkheid, op goed geluk vertrouwend, het vreeselijk-ernstige leven intreden. Wat het zal kunnen leveren aan scheppende krachten, aan nieuwe beginselen; wat het bezitten zal aan geestelijke veerkracht onder den druk van het noodlot; aan de kracht om gelukkig te maken en gelukkig te zijn—dit alles hangt, behalve van de aangeboren natuur, in zeer ernstige mate af van de manier van opvoeding, die op dit persoonlijk kindergemoed wordt toegepast.Reeds Goethe klaagde er over dat de ouderlijke tucht,—de opvoeding over het algemeen,—trachtte persoonlijke wezens tot ledepoppen te maken. En dit is sedert nog veel erger geworden; de opvoeding is door schoolmeesters in de hand genomen, maar er niet zielkundiger op geworden.Alleen hij die de gevoelens, den wil en de rechten van het kind behandelt, evenzoo voorzichtig als die van een volwassen mensch; die aan de persoonlijkheid van het kind geen andere beperkingen opdringt dan die der natuuren dezulke die op goede gronden noodig zijn voor het welzijn van het kind en zijne kameraadjes, alleen hij kan met recht aanspraak maken op den naam van een opvoeder der jeugd. De opvoeding behoort zeker ten doel te hebben de persoonlijke ontheffing van de overmacht der eigene hartstochten. Maar nooit mag zij haar streven zoo ver richten die hartstochten uit te roeien of ter zijde te dringen. Zij toch vormen juist de kracht der persoonlijkheid, die nu eenmaal niet kan bestaan zonder gevaar voor de daaraan gepaard gaande gebreken.Het overwinnen van de in elk gemoed levende gebreken door het opkweeken der daarmede gepaard gaande goede hoedanigheden in datzelfde gemoed—dit alleen is eene zuiver persoonlijke opvoeding. En deze methode werkt uiterst langzaam; het onmiddellijk handelen beteekent hierbij zeer weinig; de geestelijke atmosfeer van de huiskamer, huiselijke gewoonten en illusies zijn daarentegen bijna alles. Het komt er vooral op-aan dat de opvoeder de kunst versta van afwachten, van het berekenen der werking die de toekomst zal geven—minder waarde te hechten aan het heden.Er zijn ouders en opvoeders die gelooven het kind voor later verdriet te bewaren door het “in zijne eigenzinnigheid tegen te gaan”, zooals men dit noemt. Men bedenkt dan niet, dat door op deze wijze een kind te dwingen iets te doen dat lijnrecht in strijd is tegen zijnen aard, niets anders bereikt wordt dan dien natuurlijken aanleg te verflauwen; vaak zelfs behoudt men alleen de zwakheid van het karakter, zonder de daarmede vroeger vereenigde kracht.Vaak denkt men er niet eens zooveel bij en wordt men alleen tot zulk eene handeling geleid, door het gedachteloos navolgen van den ouden sleur, die leerde dat zelfverloochening het ideaal van den mensch is. Men onderdruktden lust tot onderzoek in zijn ondernemenden geest; men kwetst zijn zoo bijzonder prikkelbaar gevoel voor ’t schoone; men oefent dwang uit op zijne meest persoonlijke uitingen, zijne bewijzen van teederheid; men berispt zijn tegenzin en dempt zijne geestdrift. Onder deze en dergelijke inbreuken op hunne persoonlijkheid, op hunne bijzondere gevoelens en neigingen groeien de kinderen, vooral de meisjes, tegenwoordig meest allen op. Daarom is het waarlijk niet te verwonderen dat de volwassenenzelden op hunne kindsheid terug zien als op een gelukkigen tijd.Een krachtig bewustzijn van te leven, ’t gevoel van volheid, heelheid, veelzijdige krachtsontwikkeling, van willen en kunnen—dat is geluk. Kinderen hebben dezelfde voorwaarden tot geluk, eigenlijk meer nog dan volwassenen, want zij kunnen van dien levenslust meer onverdeeld genieten. Men moest hen van deze mogelijkheid om gelukkig te zijn vrij laten gebruik maken zoolang zij nog onder de leiding hunner ouders staan en dezen macht over hen hebben. Maar al te spoedig beginnen zij, op hun eigen handje proefnemingen te doen; geld te verdienen, ’t vermaak op te zoeken; en in dat gevaarlijke tijdperk van het jonge leven blijkt geene opvoedingsmethode van grooter invloed en van meer belang te zijn, dan deze: te zorgen dat het kind niette veelis opgevoed, zoodat het eigen krachten over heeft voor het rijke, maar ernstige, leven dat hem wacht; dat wil zeggen: om ’s levens lasten te dragen; van zijne vreugde te genieten; zijn arbeid te verrichten; zijn eigen oordeel te behouden; zich met hart en ziel toe te wijden aan de hem opgelegde levenstaak;—dit toch is de groote en éenige voorwaarde om gelukkig te kunnen leven, te beminnen en te sterven.Er ligt een diepe waarheid in het oude gezegde: “Den kinderen behoort het hemelrijk.” Want geen onzer kan het hoogste bereiken, zonder eenvoud, onbaatzuchtigheiden volharding, om zonder eenige bijbedoeling alles dienstbaar te maken aan dat éene doel. Dit nu is juist de groote kracht van het kinderhart. Heeft eene moeder door hare opvoedende leiding die heilige kracht bewaard en tot bewustheid ontwikkeld, dan heeft zij niet alleen een nieuw schepsel, maar een nieuwe persoonlijkheid aan de maatschappij gegeven.Maar de opvoeding, in huis en in de school, slaat tegenwoordig juist de hier tegenovergestelde richting in. Het versplinteren van het persoonlijk wezen en karakter is dien ten gevolge het groote kwaad onzer eeuw.—Maar de mensch is gelukkig een sterk gebouwd organisme. Zij, wier persoonlijkheid door hunne opvoeding geknakt of onderdrukt werd, kunnen zich toch uit die vernederende gebogen houding oprichten, zichzelf baanbreken tot vrijheid van ontwikkeling, als zij zich van de groote waarde dezer vrijheid helder bewust worden.Weinige menschen, en onder dezen weinige vrouwen, kunnen op genialiteit roemen. Maar al is ook slechts bij enkelen de kiem voor een groote persoonlijkheid aanwezig, tochzouden de meesten wel een zekeren graad van zelfstandigheid kunnen ontwikkelen, ook na een mislukte opvoeding, als zij er zich met vollen ernst op toelegden.Maar hiervoor ismoedeen eerste vereischte; moed en volharding.Als het waar is dat “gebrek aan verstand gebrek is aan moed” dan is dit nog meer waar ten opzichte van gebrek aan individualiteit.Hier is al aanstonds eene der redenen gevonden waarom men onder de vrouwen minder persoonlijke zelfbewustheid ontmoet dan onder mannen. Een man is meer door-en-door ijverende voor zijne idée, zijn doel waarvoor hij arbeidt; hij is meer intensief in zijn weten en willen. Dien tengevolge wordt hij vaak—juist als een kind—éenzijdiger, zelfzuchtiger, maar tevens meer éen geheel vormende, dan eene vrouw onder dezelfde omstandigheden wezen of worden zal.Zij is, behalve in de liefde, zelden geheel van éen onderwerp vervuld. Het valt haar dus minder moeilijk om het gevoelen van anderen te ontzien en voorzichtig op alles en allen rondom haar te letten. Zij is beweegelijker, meer gevoelig voor van buiten op haar werkende indrukken, veelzijdiger en buigzamer dan de man—en hierin ligt hare kracht. Maar evenzoo goed als bij den man, is deze gewonnen ten koste van een daaraan gepaard gaand verlies. Want het evenwicht in alle dingen te behouden is nu eenmaal zoo moeilijk voor ons, menschenkinderen, dat eene deugd vaak niet de uitkomst is van eene vermenigvuldiging-som, maar van een aftreksom.De man is de bevoorrechte schepper van nieuwe gedachten en nieuwe instellingen door zijn grooteren moed om ’t gevaar te trotseeren, door zijn krachtiger wil; de vrouw, het ligt in haren aard, blijft meestal angstig volhouden met “hetgeen altijd zoo geweest is.” Zij waakt trouw niet alleen over de zeden, gebruiken en tradities van eigen huis en haard, maar ook van de uit vroeger dagen overgeleverde vormen en rechtsbegrippen in de maatschappij kan zij moeilijk afstand doen. Nu is het duidelijk, dat deze algemeene vasthoudendheid aan het eenmaal bestaande die in de natuur der vrouwen ligt, eene der grootste hinderpalen moest vormen voor de ontwikkeling van het vrouwelijke individu, op zich zelf staande.Voor de persoonlijke zelfstandigheid van den man is het vaak moeilijk om zich te ontwikkelen, doordien hij in den regel met verscheidene anderen tezamen moet werken en aldus door partijzucht of kruiwagens, door het vooruitzicht op bevordering of op andere voordeelen, in zijne handelingen beperkt wordt.De persoonlijkheid der vrouw wordt meer gekneld door het vasthouden aan eenmaal gebruikelijke vormen en begrippen van zedelijkheid; door haar conventioneel ideaal. Zij wil het groote onderscheid tusschen eene zelfopofferende liefde van hooge waarde en eene zelfverloochening, die in geen enkel opzicht iets beteekent, liever niet zien. Zij wantrouwt haar eigen natuurlijk oordeel over goed en kwaad, zoodra dit instinct haar ook slechts een haarbreedte zou doen afwijken, van de gehuldigde en algemeen gebruikelijke vormen in de samenleving. Hem die tegen een dergelijk begrip heeft gezondigd wil zij wel vergeven, onder voorwaarde dat hij de wettigheid daarvan erkent; maar haar oordeel is zonder mededoogen over den schuldige, die tegenhetprincipe handelde, omdat zijne opvattingen omtrent goed en kwaad, niet met de nu eenmaal bestaande zienswijze overeenstemden. Zij vermengt in haar vonnis temperament en beginselen, leer en leven, op een treurige wijze door elkander en deze vermenging is de oorzaak van alle geestelijke dwingelandij, van elke sociale onverdraagzaamheid.Dit geldt vooral met het oog op de onderwerpen die de verhouding tusschen de twee geslachten onderling raken. Hier staat namelijk ieder, die eene van de gebruikelijke vormen afwijkende opvatting te kennen geeft, eene opvatting die ook maar eenigszins in botsing komt met het conventioneele vrouwelijke ideaal, bloot aan alles behalve vleiende gevolgtrekkingen en grievende lasterpraatjes over zijn persoonlijk leven. Van de zijde der vrouwen moest het waarlijk—althans wanneer er sprake is van eene vrouw—wel worden bedacht, dat er niet slechts een gloeiend geloof, maar ook een rein geweten vereischt wordt, voor den moed om de samenleving in een van haar meest geliefde vooroordeelen te trotseeren.Het conventionalisme der vrouw bereikt zijn toppunt in het gedachtelooze en gewetenlooze napraten, waardooreen aantal vrouwen haar geestelijk peil verlagen, haar karakter bederven en ten slotte haar eigen persoonlijkheid laten opgaan in die van iedereen.Eene vrouw die op werkelijke beschaving aanspraak wil maken, bewijst dit onder anderen, door het vermijden van elke geleende, of geveinsde weelde. Zij vindt het verachtelijk om door den schijn indruk te maken en daarom vermijdt zij in hare kleeding en huisraad elke onechte versiering.Maar diezelfde vrouw geeft kalm oordeel en opvatting die zij van anderen napraat, voor echt uit. Zelfs al bezat zij die, zou zij toch den moed niet hebben om een frissche, oorspronkelijke gedachte te uiten; om blijk te geven van een warm, buiten den algemeenen regel werkend, gevoel. Hare vervalschingen worden door andere napraatsters van den eenen kring naar den anderen overgebracht. Hierdoor ontstaat “de algemeene beoordeeling” van de meest kiesche vraagstukken des levens, van de ernstige raadselen, waarvoor men de aanleiding zou moeten kennen om ze ook maar uit de verte te verstaan. Hierdoor worden schoone en edele daden in een twijfelachtig licht geplaatst en vuige lasterpraatjes voor waarheid aangenomen. Aldus wordt de lucht verontreinigd door de opstuivende zandkorrels waaronder het werk en de eer van een medemensch begraven wordt.Maar een op die wijze begraven werk, of goeden naam, kan nog worden opgedolven. Alleen de lasteraars zelf lijden er ten slotte het meeste door.Want alles in de wereld hangt samen: het leven bestaat uit oorzaak en gevolgen. Niemand leeft ongestraft uit de tweede hand. Wij kunnen op intellectueel gebied onmogelijk vooruitdringen met het leengoed van anderen, zonder hierdoor persoonlijk verlies te lijden aan zedelijken inhoud. Wij waren heden onbillijk ten opzichte van een boek, eene schilderij of een tooneelstuk, door dit te beoordeelenmet de woorden van een ander, die wij vooronzeopvatting wilden laten doorgaan; of omdat wij den moed niet hadden onze ingenomenheid ermede te toonen, in geval “de critiek” hierover anders denkt: of door eene verontwaardiging te veinzen, die wij geenszins gevoelden, maar die anderen van ons verwachtten, in naam der mode of van het fatsoen. Morgen zullen wij even onbillijk—laat ons zeggen even oneerlijk—worden, tegenover een medemensch of tegenover onze eigen overtuiging—en zulk eene onrechtvaardigheid, zulke valschheid kan van grooten invloed worden op een geheel levenslot.De slotsom van geestelijken rijkdom, van geestelijke waardecijfers, vermindert natuurlijk, als wij verzuimen ons eigen cijfer erbij te tellen. Dit moge groot zijn of klein, rijk of gering,—als wij het zelf hebben gevoeld en gedacht, als hetoorspronkelijkons eigendom is, beteekent het voor anderen oneindig meer, dan hetgeen wij slechts napraten, ook al is onze zegsman eene autoriteit. In gevallen waarin wij genoodzaakt zijn om ons op anderen, die meer weten dan wij, te beroepen, dringt eerlijkheid en goede trouw er ons toe, onze verplichting aan hunne meerdere kennis openlijk uit te spreken.Ieder van ons mag zich slechts verheugen in een zeer klein gedeelte der uitkomsten van beschaving en cultuur; zelden zijn wij in staat over meer dan een enkel geval met zekerheid te oordeelen. Maar één ding kunnen wij allen leeren: in te zien dat het een bewijs is van beschaving, geen oordeel te geven over onderwerpen waarvan wij geen verstand hebben. Laat de goede toon ons hiertegen doen waken; evenzoo als men zich de weelde van juweelen te dragen ontzegt als men geen echte steenen heeft, evenzoo moet men zich onthouden van een oordeel over personen en zaken, waarover men niet door eigen aanschouwen of kennismaking zelf oordeelen kan. Wanneerdeze oprechtheid, dit ronduit verklaren van onbevoegdheid om onze meening over dergelijke onderwerpen of personen te zeggen, meer algemeen wordt beschouwd als een bewijs van beschaving, dan zal de vrouwelijke cultuur in deze richting eene bijna even groote schrede hebben gedaan,alstoen de vrouw als student op de universiteit werd toegelaten.Want, naast de mogelijkheid om een ruimeren blik op vele dingen te verwerven, staat op het gebied der ernstige ontwikkeling de gave om te begrijpen hoe begrensd die blik nog is, de moed om openlijk te bekennen, welke kennis ons ontbreekt.Moed en oprechtheid—deze hoedanigheden zoeken wij helaas nog vaak te vergeefs bij de vrouw; toch moeten juist deze toenemen, zal de persoonlijkheid der vrouw groeien.Dit groeien wordt niet bevorderd door het studeeren der jonge meisjes, al nemen zij hare studie nog zoo ernstig op; ook niet door de een of andere taak in de samenleving voor hare rekening te nemen, al brengt deze een zeer groote mate van verantwoordelijkheid mede. Niets van dit alles werkt gunstig op de geestelijke ontwikkeling van hare persoonlijkheid, tenzij eigen onderzoek en eigen keuze dit middel tot hare beschaving en haren arbeid inderdaad tot een organisch gedeelte van haar eigen leven hebben doen worden. Die keuze, dat onderzoek zijn dan de hoofdfactoren. De vrouwelijke persoonlijkheid te ontwikkelen—van binnen uitgaande—dit is het groote vraagstuk der vrouwenbeweging; haar vrij te doen worden van de hedendaagsche nietsbeteekenende formules; haar moed te geven zich te toonen zooals zij is, te bekennen wat zij niet is—ziedaar het groote en ernstige doel van de zoo vaak verkeerd begrepen émancipatie der vrouw.Moed.Er zijn altijd jong blijvende woorden, woorden wier echte goudklank nooit tot een ontvankelijk oor doordringt, zonder dezelfde gewaarwordingen te voorschijn te roepen als toen zij, misschien duizend jaar geleden, voor het eerst werden uitgesproken;—toen als een nieuwe uitdrukking voor het innig besef van dien tijd.Onder deze woorden en spreuken van een eeuwige jeugd is er een, die voor den eersten keer door den welsprekendsten mond in Hellas verkondigd werd:“Geloof dat het geluk bestaat in vrijheid—en dat vrijheid is moed!”De inhoud van die spreuk kon voor Pericles voorzeker niet dezelfde beteekenis hebben als voor ons.Ondervrijheidverstond men feitelijk de onafhankelijkheid van den eenen staat tegenover den anderen; met moed werd vooral de deugd van dappere verdediging des vaderlands bedoeld.Toch is het best mogelijk dat er bij den minnaar van Aspasia en den vriend van Socrates, een vermoeden heeft bestaan van den tijd, wanneer die schoone woorden, in dieperen zin, zouden beteekenen de onmisbare voorwaardetot welvaart en geluk; zoowel voor het geluk van de op zichzelfstaande persoonlijkheid, als voor de vrijheid eener geheele natie.Edele woorden groeien in dezelfde mate als de menschheid groeit. Wij begrijpen het nu, dat de enkele mensch evenmin geluk en vrijheid vinden kan als de geheele Staat, wanneer de moed hem ontbreekt. Maar hangt het dan wel van ons-zelf af moed te hebben of niet?Zeer zeker. Moed is eene hoedanigheid die verkregen wordt door hem of haar die haar wil verkrijgen; maar men moet willen, met ernst en volharding. Er zijn menschen die met een hun aangeboren moed ter wereld komen, maar de meesten hebben, voor het grootste deel althans, hun moed zelf gekweekt.Er is geen eigenschap die door oefening sneller toeneemt. Als men het in onze samenleving maar duidelijker begreep dat moed den grond vormt, waarop het karakter en de wilskracht gebouwd is, dan zouden bijna alle menschen tot moedige wezens kunnen worden opgevoed.Maar in de plaats van ons reeds vroeg te leeren willen, kiezen en overwegen, leert men ons toe te geven en te buigen; het droombeeld van vrij onzen eigen weg te gaan te onderdrukken en alleen onzen boozen geest te volgen. Men maakt er ons opmerkzaam op, hoe verwaand het is, een opzichzelfstaand geheel te willen beteekenen en hoe nuttig, éen van de vele nullen te zijn die, vereenigd, eene millioen helpen vormen. Men zegt ons dat voorspoed en vooruitgang in lijnrechte tegenstelling zijn met het streven naar vrijheid; men wil ons overtuigen dat de mogelijkheid om “gelukkig te maken” onvereenigbaar is met den wensch om op onze eigene manier gelukkig te zijn. Men richt onzen blik op de hoogte der samenleving, waar de menigte haar offer aan het vooroordeel brengt en men waarschuwtons, toch vooral ons niet te voegen bij de kleine minderheid die, met ongebogen knie en fier opgeheven hoofd, door de wereld gaat.Men zorgt er voor het ons reeds vroeg bij te brengen hoe slecht het altijd is afgeloopen met de overmoedigen, die hunne vrijheid van denken en handelen onder den druk der partijen hadden trachten te behouden; die dwazen, die trouw te zijn jegens hun eigen persoon voor belangrijker hielden dan gelijk te staan met anderen; die hunne eigene overtuiging verdedigden en volgden; die rond voor hunne opvatting van het leven uitkwamen, in plaats van anderen na te praten; die leefden van eigene middelen, liever dan van vrienden en kennissen te leenen; die aan de opwellingen in hun eigen hart gehoor gaven en niet aan die van zekere, heerschende kringen in de maatschappij; in éen woord, hoe het die allen gegaan is, die eigen oordeel en meening verkozen te hebben en zich niet wilden tevreden stellen met “de algemeene opinie”.Natuurlijk hebben die overmoedigen hun welverdiend loon ontvangen! Hunne vrienden beklaagden er zich over nooit te weten wat men aan hen had en haastten zich hen te verlaten, onder innig leedwezen over hunne afvalligheid. Hunne vele kennissen hadden het altijd wel geweten dat zij “onberekenbare, karakterlooze menschen waren, die men nooit volkomen vertrouwen kon.” En de aaneengeslotene, toonvoerende meerderheid heeft het klaar en duidelijk bewezen dat zij gevaarlijke menschen zijn, menschen “zonder beginselen”.Waarlijk, om door dit oordeel te worden getroffen behoefden die menschen volstrekt niet met een nieuwen vorm van godsdienst aan te komen, of met al het bestaande omverhalende leerstellingen in de maatschappij!Het was voldoende dat zij hunne beste krachten er aanhadden gewijd om de onderdrukking van eene partij ten opzichte der andere te verhinderen; dat zij hunne afkeuring over een onrechtvaardig oordeel te kennen gaven en over het toepassen van gewetensdwang. Of dat zij het karakter van een persoon verdedigden, hoewel zij zijne levensopvatting niet huldigden; of voor die opvatting pleitten, hoewel zij zich voor zijn karakter niet verantwoordelijk konden stellen. Ja, soms is het wel voldoende gebleken dat iemand in een kring van conservatieven durfde te beweren dat niet iedere radikaal een dubbelzinnig karakter is, of in een gezelschap van radikalen te zeggen, dat niet ieder conservatief man een domkop is, om zelf in een zeer twijfelachtig licht te worden geplaatst ten opzichte van zijne eer, van zijn naam als fatsoenlijk man en van zijn gezond verstand.Laat men zich nu niet bijtijds door de vrienden waarschuwen, maar blijft men volharden in zijn idiosynkrasi om zijn eigen meening te zeggen, de stem van zijn geweten te volgen, te oordeelen naar de mate van ’t verstand dat hij heeft—dan hangt het van de minste of geringste toevalligheid af welk einde zoo iemand neemt: òf de langzame hongerdood, òf wel een beklagenswaardig alleen-staan in de wereld zijn lot wezen zal.En toch—ondanks dit alles hebben er in elke generatie menschen geleefd die het durfden wagen zich zelf te zijn; die onbeschaamd genoeg waren om te denken, te handelen, te beminnen, te dichten en te scheppen, op hun eigen hand! Dit zijn de menschen die thans nog in ons midden leven; zij, wier moed door hunne tijdgenooten met driestheid of brutaliteit werd aangeduid, maar die door het nageslacht worden bezongen en gevierd als groote mannen, aangebeden als openbaringen van wijsheid en licht. Hunne bezwaren waren geheel dezelfde als de onze. De held van ieder tijdperk moet het hoofd bieden aan deverzoeking die hem nadert in den vorm van eer en een rijk bestaan; aan de meesterachtige critiek van zijn tijd; aan den druk der partijen; aan kleingeestige oudewijvenpraat—ja zelfs aan het toejuichend gekwaak der kikkers in de sloot! Maar die helden hebben toch overwonnen, dank zij hun moed. Elk tijdvak waarin nieuwe denkbeelden hun weg vonden, elk tijdvak vol licht en gloed, vanwaar scheppende of verjongende krachten uitgingen—is onbetwistbaar een tijdvak geweest dat vele moedige menschen opleverde.In zulke dagen vereischt het geen bijzonderen moed om dapper te zijn; want moed is eene hoedanigheid die het gemakkelijkst van alle deugden op anderen overgaat—de lafheid uitgezonderd!Alle ledige, dorre tijden, zonder glans en leven, waren laf. Wanneer de moed niet in den dampkring ligt is er meer voor noodig om dien te behouden, of te oefenen, dan in een gunstiger tijdperk.De dagen waarin wij leven zijn er juist niet naar om den moed aan te kweeken en dezen tot zijn recht te doen komen. Want alle tijden van overgang zijn gevaarlijk voor den moed, die in buitengewone mate versterkt wordt door getrouwheid aan vaste beginselen, door de overtuiging te strijden voor zijn goed recht.Maar, al gaat nu onder een tijd van worstelen en strijden aan den eenen kant licht de moed verloren, daartegenover staan andere, en gewichtiger redenen om te trachten dien te herwinnen, waar men zich telkens geplaatst ziet tegenover de keuze tusschen nieuwe botsingen en nieuwe inzichten. Er is moed noodig om de waarheid te zoeken, maar ook om haar des noods te kunnen missen, als zij voor ons niet duidelijk zichtbaar is; moed om werkzaam te zijn—maar ook moed om te rusten. Erwordtmoed vereischt om het geluk vast te houden als het onder onsbereik is gekomen—ook om het prijs te geven, wanneer de omstandigheden er toe leiden. Soms ligt het grootste bewijs van moed in afwachten; dan weer in wagen en ondernemen. Heden kost het moed om alleen te staan—morgen om mij bij mijne geestverwanten aan te sluiten; nu eens om voor mijn goed recht op te komen—dan weer om het prijs te geven.Zonder moed kan men niet haten en nog minder liefhebben. Zonder moed kan men niet in waarheid leven noch sterven.Laat ons moed hebben—moed in de eerste plaats; en wij zullen tot de bemoedigende ontdekking komen dat wij meer vrijheid en meer geluk bezitten, dan wij dachten.Wij zijn heusch niet zoo boosaardig, of zoo dom, of zoo kleinzielig en “laag bij den grond” als wij schijnen. Alleen zijn wij veel laffer dan wij zelf denken. Uit lafheid mishandelen wij elkander—vervelen,—verdrukken—verongelijken wij elkander.Laat ons die lafhartigheid bestrijden—en het leven zal weder schoon voor ons worden met zijne vele scheppende krachten die vrij komen; door de algemeene welwillendheid die overal werkzaam is; door alle sympathie, die lust tot handelen wekt; door alle gedachten en gevoelens die hun invloed rechtstreeks op ons uitoefenen.Nooit vermoedde eigenaardige hoedanigheden bij ons zelf en anderen, zullen een schat van afwisseling en schakeeringen te voorschijn roepen, waar men meende niets dan armoede en stilstand—dus achteruitgang—te kunnen verwachten. De som van levenslust en levenskracht zou tot in ’t oneindige vermenigvuldigd worden als wij den moed hadden om allen tezamen het groote waagstuk te ondernemen! Als wij nu eens het vertrouwen dat wij gevondenhebben openlijk bekenden; als wij eerlijk rekenschap durfden te geven van het geloof dat wij nu hebben in de plaats van het vroegere dat wij verloren? Als wij ronduit verklaarden wat onze eigen overtuiging is—niet de van anderen geleende vormen; als wij durfden te bouwen op eigen ervaringen, zelfs al werden wij hierdoor van onze geestverwanten gescheiden?Als wij den moed hadden te blijven twijfelen, waar wij bij anderen verzekerdheid vinden en onze overtuiging te behouden, ook alontmoettenwij twijfel daaromtrent bij anderen? Als wij eerlijk de deugden van onze tegenstanders durfden erkennen en de gebreken van onze geestverwanten? Als wij den moed hadden vrijgevig te zijn met ons vertrouwen maar zuinig met onze oordeelvellingen? Als wij in ootmoed ons hoofd durfden te buigen ten opzichte van dingen waarvan wij geen verstand hebben, maar fier opstaan, waar het geldt de zekerheid, die wij met worstelen en strijden gewonnen hebben, te verdedigen? Als wij naar onzen eigen smaak, en rekening houdende met onze middelen, durfden te leven; in bescheidenheid te genieten op onze wijze en er ons aan gewenden te zien dat anderen dit eveneens doen? Als wij ons meer oefenden in de groote kunst, de beweegredenen der daden van anderen te erkennen, ook al zijn wij genoodzaakt hen tegen te spreken, en hunne handelingen af te keuren, hoewel wij hen persoonlijk hoog achten? Als wij het er eens op waagden elke partij te laten voor wat zij is—behalve onze eigen overtuiging?En ten laatste: als wij den moed hadden onze lafhartigheid in te zien en die bij haar waren naam te noemen in de plaats van die te verschuilen achter fraaie woorden als: eerbied, bescheidenheid, ontzag voor de meening van anderen; gematigdheid en tact? Dan zouden wij een geheel andere maatschappij zien worden!Weldra zouden wij het gezellig verkeer de plaats der vroegere maskerades zien innemen; debatten, de twisten en het spel met ijdele woorden zien vervangen; de daad zou de vroegere spiegelbeelden vervangen; oorspronkelijke scheppingskracht, de eenvoudige herhaling van het bestaande; gedachtenwisseling over verschillende gezichtspunten, het verdacht maken van die opvatting; eigene levenservaring de eenmaal gebruikelijke holle vormen; wáár gelooven, de van buiten geleerde formules. In één woord: wij zouden van onze vrijheid genieten terwijl wij nu daarentegen aan snoeren geregen, in pakken gebonden, met étiquetten beplakt, in partijen gesorteerd, op een lijst ingeschreven, in verschillende categoriën verdeeld en in uniform gekleed worden!“Maar zou de baatzucht niet een al te groote ruimte gaan beslaan indien de moed aan ieder persoon het recht eener plaats toekende?” vraagt misschien een altruïst.Is dan niet juist de lafheid boosaardig? Wordt er niet vaak grooten moed vereischt om vriendelijk te zijn en goed? Is niet vrijheid de éenige voorwaarde om tot echte humaniteit te geraken? Dringt het besef van onafhankelijke vrijheid niet onwillekeurig tot edelmoedigheid jegens anderen die niet vrij zijn? Gaat geduld niet samen met moed?1Moest niet de prediker van onbaatzuchtige naastenliefde juist in den dood gaan omdat hij den moed bezat alleen te staan en geen partij rondom hem te vormen; den moed om zichzelf te zijn; de banden waarin zijn tijd geboeid lag te verbreken; den moed te gelooven in de vrijheid?!Daarom is er in het goddelijk gebod, aan anderen tedoen wat wij zouden wenschen dat anderen ons deden, niets dat strijdt tegen het betoonen van moed. In tegendeel. In dit gebod ligt—uit een ander gezichtspunt—eeuwig dezelfde schoone gedachte als in de vermaning van den Helleen:“Geloof dat het geluk bestaat in vrijheid en dat vrijheid is: moed!”1In het Zweedsch is moed = mod; geduld = tålamod, letterlijk: “moed om te dulden”; eene schoone, veelzeggende woordspeling.Vert.

Conventioneele vrouwelijkheid.Het conventionalisme is de stilzwijgende overeenkomst, den schijn voor het wezen, vorm voor inhoud, en bijzaken voor de hoofdzaak in de plaats te stellen. In zekeren zin behooren ook de, bij de verwisseling van het schoonheidsgevoel in verscheidene tijdperken veranderende, modes ertoe. In de diepere beteekenis van het woord valt altijd een gedeelte van deze aangenomen leer der welvoegelijkheid tezamen met die van zeden en gebruiken, met het begrip van de mate van zelfbeheersching en zelfverzaking, die ieder persoon heeft in acht te nemen in den omgang met anderen. Hoe meer men vordert in de beschaving en ontwikkeling, des te ruimer worden de grenzen genomen, waarin aan de samenleving de beoordeeling wordt toegestaan van ieders persoonlijk geloof en zienswijze, van ieders arbeidsveld en gewoonten in het dagelijksch leven. Hoe langer hoe meer begint men te begrijpen, dat elke uiting van persoonlijke gevoelens, die op het recht van anderen geen inbreuk maakt, vrij behoort te wezen. Een vrij groot gedeelte van de taak der beschaving in het tijdperk van elk nieuw geslacht, heeft altijd bestaan en bestaat ook nog, in het afschaffen van eenige, tot ledige vormen ontaarde gebruiken, doode overblijfselen van hetgeen vroeger bestond,die de nieuwe planten verhinderen om krachtig op te schieten. Wij hooren in onze dagen telkens weer stemmen opgaan die vrijheid en keuze tegenover de tot richtsnoer aangenomen zeden verlangen voor het persoonlijk geweten en de persoonlijke neiging. In dezen eeuwigdurenden strijd komt het er vooral op aan te beslissen, wat ook nu in werkelijkheid nog recht van bestaan heeft en wat alleen hinderpalen zijn voor een edeler vrijheid, eene diepere waarheid, een grooter oorspronkelijkheid, een rijkeren levens-inhoud; in éen woord: wat daarin is ontaard tot ledige vormlijkheid.Maar niet alleen met verouderde gebruiken en vormen moet afrekening gehouden worden. In elken kring worden nog voortdurend dergelijke doode overblijfselen van voorheen opgegraven en in den vorm van vooroordeel, van kleinzielige beweegredenen en wankelmoedige, onzelfstandige gewoonten, gehuldigd. Bij de vrouwen is die vormendienst ten allen tijde sterker ontwikkeld dan bij de mannen. Want de zucht tot het bijbehouden van “hetgeen altijd zoo is geweest” wordt helaas dikwijls een steun voor het conventioneele gedrag der vrouw in de samenleving. Zelden zijn de vrouwen zóo persoonlijk ontwikkeld dat zij, bij hetgeen zij wenschen te behouden, schijn van wezen, vorm van inhoud, kunnen onderscheiden; en zelfs, al zien zij het verschil in, ontbreekt het haar toch gewoonlijk aan den moed om inhoud en degelijkheid te verkiezen boven vormen en schijn, wanneer de groote meerderheid vóor de laatstgenoemden stemt.In het laatste tiental jaren is er in de letterkunde, zelfs in de werken van vrouwelijke auteurs, een krachtige stem tegen die ledige, holle vormen opgegaan. Die oppositie werd vooral gericht tegen het verouderde ideaal der vrouw, volgens hetwelk zelfverloochening de edelste vrouwelijkheid vertegenwoordigde en tegen het verouderde begrip omtrentde zedelijkheid, volgens hetwelk de liefde zonder huwelijk onzedelijk, maar een echt, ook zonder liefde gesloten, voor zedelijk gehouden wordt.De vrouwen welke thans het nieuwe ideaal huldigen: “zelfontwikkeling tot toewijding van haar persoon en leven aan anderen,” ontmoeten van de vooruitstrevende geémancipeerden onzer dagen dezelfde weinig beteekenende verwijten als die, welke in 1850–60 gericht werden tot de voorstanders dertoennieuwe beweging op dat gebied.Immers die vroegere émancipatiebeweging had in hoofdzaak ook ten doel de menschelijke rechten der vrouw te doen gelden, in het algemeen beschouwd. De latere is er op uit het recht van iedere vrouw als persoon, te verdedigen; dat is te zeggen: het moet der vrouw onvoorwaardelijk vrij staan te gelooven, te denken naar haar eigen wil; zelfs te handelen naar eigen goedvinden, wanneer zij hierbij niet de rechten van anderen kwetst. Aangezien dat eerste in algemeenen zin kan worden beschouwd, kon het voor een groot gedeelte collectief worden beoefend; de zelfstandigheid der vrouw in hare daden moet natuurlijk het recht van ieder van haar, als persoon, gelden. Dit bedenken de vrouwen, die voortdurend ijveren voor dat eerste doel, de algemeen menschelijke rechten der vrouw, niet genoegzaam. Zij dringen er niet in door, dat elke vrouw niet slechts haar aandeel behoort te hebben in het algemeene recht als mensch, maar dat ook hare persoonlijke rechten, overeenstemmend met haar eigenaardigen aanleg en karakter, gewaarborgd moet worden door de maatschappij. De strijd betreft in de eerste plaats het recht der vrouw op een, misschien van alle bestaande leerstellingen en van het tot nu toe gehuldigde ideaal afwijkend, temperament. Dit is de groote kwestie tusschen de afzonderlijk voor haar gevoelens pleitende vrouw en de vertegenwoordigsters van het nieuwe tijdperk in het vrouwelijk bestaan.Dat ieder persoonlijk karakter een nieuwe wereld is—deze ontdekking die in Shakespeare zijn Columbus vond—een Columbus, op wiens voetspoor telkens nieuwe reizigers nieuwe landen wonnen—dit feit, dat in de litteratuur telkens weder wordt genoemd en toegepast op het leven, is nog slechts tot enkelen doorgedrongen als eene op ervaring gebouwde, en door het leven bevestigde, waarheid. Maar dat hiermede althans een begin werd gemaakt; dat de voorheen, als onwrikbaar vast aangenomen, gebruikelijke opvatting van den aard en het wezen van den mensch en de daaruit afgeleide raadselen, meer en meer worden vervangen door eene persoonlijke, van anderen onafhankelijke beschouwing,—dit hebben wij wel in de eerste plaats te danken aan de dichters en denkers in onze dagen; in dezen heeft het conventionalisme zijn ergsten vijand; hun herkenningsteeken is het diep besef van alle oorspronkelijke krachten van het menschdom, van de degelijke vraagstukken in het leven. Want al moge het conventionalisme in de gestalte der napraters tot geestigheden aanleiding geven, toch is juist het moderne genie een protest tegen de leer, die elken, op zich zelf gewettigden, maar van de bestaande regelen afwijkenden blik op de wereld en de kunst, ten hoogste afkeurt.De dichter die in het Noorden met éen enkelen slag het veranderde, vormlijke ideaal der vrouw, die zich onder alle omstandigheden opofferende, zachtzinnige vrouw, verbrijzeld heeft, is Ibsen, als hij Nora man en kinderen doet verlaten om getrouw te zijn aan haar eigen plichten; als hij door “Het spook” in het zedelijk bewustzijn der menschen tracht te etsen: dat eene vrouw, die aan haar eigen persoonlijk karakter getrouw is, ook ten nutte van anderen, hooger staat dan zij, die zich blijft vastklampen aan de eenmaal bestaande vormen der zedelijkheid, ook al zijn deze zonder zin of beteekenis in haar bijzondere omstandigheden.En sedert heeft Ibsen voortdurend de vrijheid onder eigen verantwoordelijkheid gepredikt, als de verlossing voor het individu. Langzaam-aan is men begonnen naar hem te luisteren;—gedeeltelijk heeft men hem ook verstaan. Maar men weet het immers, geen geweten is in dit opzicht meer hermetisch gesloten dan dat van zekere, door de emancipatie in een opgewonden toestand verkeerende, vrouwen. Dat alle vrouwen gelijke rechten met de mannen moeten hebben is de scheering en inslag van het weefsel, dat zij in hare redevoeringen over de persoonlijke vrijwording der vrouw, op het getouw zetten. Zij vergeten, dat het recht om te worden wat zij wil, voor de vrouw evenzoogoed als voor den man, vaak de noodzakelijkheid medebrengt om datgene wat zij naar haren aanleg en karakter is, te onderdrukken. Zij vergeten, dat het individu hoogere eischen moet en mag stellen dan alleen het recht tot de keuze van een werkkring. Zij zien ze voorbij, die eindelooze schakeeringen in gevoelens, in meening en karakter, die de oorzaak waren, dat de eischen aan solidariteit in de opvatting en handelingen der voor de vrouwenbeweging ijverenden, verliepen in onderdrukking der enkele vrouwelijke persoon. Zeer zeker is het ook nu nog de waarheid dat aaneensluiting noodig is, om aan de vrouw, de rechten die haar tot heden onthouden werden, te verschaffen. Maar elk verplichtend in gesloten gelederen optrekken is in deze zaak gevaarlijk te achten; immers de vooruitgang in den toestand der vrouw, in den ernstigen, diepen zin van het woord, verlangt juist, dat de zoo oneindig verschillende individuen, zoo onbelemmerd mogelijk, zullen kunnen toonen, waartoe zij op zeer verschillend gebied, in staat zijn.Het dreigend gevaar van den vormendienst in de vrouwenbeweging uit zich echter niet alleen in de te hoog opgedrevene eischen tot aaneengesloten handelen, maarook in de wijze waarop de meening der tegenstanders wordt “afgemaakt”. Het verraadt zich in het gebrek aan nauwlettende waakzaamheid, die ons zeggen zou, dat de vrouwenbeweging, op het gebied van den arbeid althans, meer en meer ingrijpt in de sociale vraagstukken van den dag. Het openbaart zich vooral in de onbekwaamheid om in te zien, dat de vrouwenbeweging juist door hare groote vorderingen van den laatsten tijd hoe langer hoe ingewikkelder wordt en dat hierdoor steeds grooter moeilijkheid ontstaat, om zich op een beslist maar onpartijdig standpunt te plaatsen tegenover de daartoe behoorende zeer verschillende onderwerpen.Hiervoor is het onder anderen bepaald noodig dat den vrouwen meer gelegenheid gegeven worde om zich te beschaven en te ontwikkelen. Goed. Maar of al die inrichtingen van onderwijs ook de persoonlijkheid als zoodanige ontwikkelen, daaraan zou ik twijfelen. Immers wij hebben de fijnste en beminnelijkste personen ontmoet onder weinig geleerde dames van zeventig en tachtig jaar; en het scherpzinnigeigenoordeel dezer dames, evenzoo als dat van sommige vrouwen en meisjes, die nimmer geregeld onderwijs ontvingen, is wel geschikt om onze moderne, over allesmeê-pratende, “ontwikkelde” vrouwen en meisjes beschaamd te doen staan.Het is niet meer dan billijk dat het loon voor vrouwelijken arbeid verhoogd worde; maar wordt die arbeid werkelijk in diezelfde verhouding beter? Kan men het wel van het meerendeel van die, over haar lessenaar gebogen zittende vrouwen verlangen, dat zij eene levendige belangstelling voor haar dagwerk zullen koesteren, terwijl haar eigen innerlijk wezen slechts aan het woord komt als zij over eene wieg gebogen staan?Er is veel voor te zeggen dat ook dochters van rijke ouders naar een werkkring verlangen. Maar ligt het gevaarniet voor de hand dat zij, die met gering loon tevreden kunnen zijn, den arbeid ontstelen aan andere, misschien meer bevoegde arme vrouwen en mannen, die, omdat zij van hunne verdiensten moeten leven, genoodzaakt zijn hooger loon te vragen? Terwijl deze en nog veel meer vragen onbeantwoord blijven, verbaast men er zich over, hoe het conventionalisme zich onvoorwaardelijk verheugt over de vele jonge meisjes die studeeren, of voor een algemeenen arbeid de ouderlijke woning verlaten, waar zij toch zoo nuttig en noodig zijn; al zouden wij de laatsten zijn, om den horizont der vrouw, zooals in grootmoeders dagen, tot keuken, kinderkamer en huiskamer te willen beperken.Het is tot heden nog altijd niet beslist of de vrouw, in fysiologisch en psychologisch opzicht zoo bijzonder welvaart, of hare gezondheid en gelijkmatigheid verhoogd wordt, door in den strijd om het bestaan mede te dingen. De vrouw op dit standpunt is een nieuw onderwerp voor studie en slechts de volle vrijheid tot arbeidskeuze en persoonlijke ontwikkeling dezer eeuw, zal de stof leveren tot het maken van weloverwogen gevolgtrekkingen.De teekenen des tijds duiden het aan: altijd zal er een op lichamelijk verschil gebouwd, onvermijdelijk geestelijk onderscheid tusschen den man en de vrouw blijven bestaan; een onderscheid, dathaarhoogst waarschijnlijk bij voorkeur tot de in het huisgezin scheppende kracht zal blijven stempelen, terwijl hij bij voorkeur zich zal blijven wijden aan den arbeid der kultuur op algemeen gebied en dàar zijn scheppingsdrang zal trachten te bevredigen. Maar er is geen zeggen van hoever eene volkomene gelijkstelling met den man, eene onbeperkte ontwikkeling op het gebied van den arbeid, de vrouw zal kunnen brengen, ten opzichte van het besturen der maatschappij en van de kultuur, als groot geheel beschouwd.De hierbovengenoemde, in onze dagen door oppervlakkige vrouwen en meisjes onvervaard nagepraatte gezichtspunten op de vrouwenbeweging, verhinderen juist de vrouwelijke ontwikkeling van het individu, door de vele en groote raadselen in de natuur kalm voorbij te zien.Daarentegen vormen de eenmaal aangenomene denkbeelden van zelfverloochening als de uitdrukking der echte vrouwelijkheid, op hunne beurt het doorbreken der vrouwelijke persoonlijkheid van uit de nevelen der vormen en gebruiken in de maatschappij.Met een zalig gevoel te gronde te mogen gaan voor een innig dierbaar wezen, is voorzeker een van de schoonste voorrechten der vrouw. Maar door dit onder alle omstandigheden te verheffen tot haar ideaal, had de vrouw haar eigen ontwikkeling in den weg gestaan, evenzoo als die van den man.Als men de huwelijken uit de vorige generaties vergelijkt met die van het jonger geslacht, dan valt er bij de mannen van heden een grooten vooruitgang waar te nemen, ten opzichte van oplettende teederheid voor en sympathieke waardeering van de thans meer persoonlijk levende en hierom meer eischende vrouwen. Beide partijen hebben er bij gewonnen dat de vrouw begonnen is zich te oefenen in de moeilijke kunst van zichzelf-opheffende zelfverloochening. Want voor elk waarlijk liefhebbend vrouwenhart is het oneindig moeilijker haar recht te eischen dan dit op te offeren.De vereering van het conventioneele vindt bij voortduring krachtigen steun bij de opvoeding.Voorzeker men onderdrukt tegenwoordig niet meer, of althans hoogst zelden, deindividualiteitvan een kind op de voorheen gebruikelijke ruwe en wreedaardige manier. Maar zij verdwijnt toch hoe langer hoe meer. In denouden tijd genoten de kinderen van een zekere vrijheid in de kinderkamer, waar de ontwakende persoonlijke gewaarwordingen van blijdschap en verdriet, van liefde en tegenzin, niet voortdurend in toom behoefden te worden gehouden. Thans zijn de kinderen om en bij de volwassenen en dit samenzijn legt hun reeds vroeg de taak op de jonge schouders, van dwang en fatsoen.De kinderen moeten bezig gehouden worden, dat is hun recht; zij kunnen niet meer op hun eigen gelegenheid spelen, want zij hebben den lust verloren die voorheen gebouwd was op de vrijheid der altijd weder scheppende kinderlijke verbeeldingskracht; zij hebben er ook den slag niet meer van om “aardig alleen te spelen”.Op deze manier hebben de ouders geen rust en de kinderen evenmin.Altijd met volwassenen te zamen zijnde, worden zij zoo aanmatigend, dat de gehoorzaamheid er onder lijden moet. Dus leeren zij zich niet voegen; zij raken niet gewoon aan de voor hunne ontwikkeling zoo noodige orde en tucht; zij leeren ze niet, die moeilijke, maar onmisbare les van levenswijsheid: hunne opwellingen van minder beteekenis te onderdrukken voor iets van ernstiger aard en ook in deze zich te voegen onder de beproevingen van het kinderleven—eene ontginning van de woeste gronden van het kinderlijk karakter, waarmede men zeer vroeg beginnen moet om er een vruchtbaren akker van te kunnen maken.Deze ontginning heeft plaats als de opvoeder zelf duidelijk weet, wat hij als hoofdzaak bij de ontwikkeling van het kinderlijk verstand beschouwt en hiermede rekening houdende, zijn bevel en verbod weet toe te passen; deze moeten weinig in aantal zijn, maar onwrikbaar vast gehouden worden als wetten der natuur; en waar tegen deze gezondigd werd, moet hij het kind niet met door hem bedachte, onzinnige straffen plagen, maar het eenvoudigde gevolgen van zijne ongehoorzame handelwijze laten ondervinden en aanwijzen. Zoodoende kan men, door zich aan vaste beginselen te houden, een natuurkindvormen tot een beschaafd mensch, dat uit ontzag voor zichzelf en anderen, zijne driften, als die met de maatschappij in botsing komen, weet te beteugelen,—zonder dat daardoor het persoonlijk gevoel wordt onderdrukt. Want buiten het gebied dezer bestaande, onveranderlijke wetten, moeten de kinderen nooit worden gedwongen of aangemaand, om in strijd met hunnen aard en aanleg te handelen; laat hen daarin hunne gezonde zelfzucht en hun eigenaardigen smaak ongehinderd botvieren.Er zijn vele moeders die, door zichzelve onverstandig al te zeer op den achtergrond te plaatsen, de volstrekt niet te verdedigen zelfzucht harer kinderen aankweeken. Daarentegen verlangen zij op andere oogenblikken van diezelfde kinderen eene mate vanzelfbeheersching, van bedachtzaamheid, gematigdheid en ontzag, die een geheel leven meestal niet in staat was, die moeders te leeren. Van de zachte stof die bedoeld was een persoonlijk wezen te worden, maken ouders, dienstboden en onderwijzers een man of vrouw van de wereld; in sommige gevallen een bruikbaar lid der maatschappij—maar zeer zelden een mensch.Deze vorming noemt men opvoeding. Nu moet wel een gedeelte van de vroegste opvoeding inderdaad in zulk vormen bestaan, zooals ik onlangs zeide. Maar na de eerste levensjaren moet het hoofddoel der opvoeding wezen, juist al wat louter vorm is, te verjagen; de volle vrijheid te laten tot ontwikkeling van de éenige kracht, die in ’t groot geheel beschouwd, voor de menschenwereld het feit dat nieuwe geslachten de ouden vervangen, belangrijk maken kan: de kracht der nieuwe, oorspronkelijke persoonlijkheid.Ieder kind vormt een nieuwe wereld—eene wereld, waarin zelfs niet het oog der teederste liefde geheel vermag door te dringen. Hoe trouwhartig dat open kinderoog ons moge aanzien; hoe vol vertrouwen het zachte handje in onze hand wordt gelegd—toch zal dit jonge menschenkind ons misschien later kunnen vertellen hoeveel verdriet het er van gehad heeft, door ons te worden behandeld alsof kinderen eenvoudig herhalingen van het bestaande waren, niet oorspronkelijke, nieuwe, persoonlijke schepsels. En in zekeren zin is het kind ook eene herhaling van de kindernatuur in alle tijden; maar tegelijk, en in een veel hoogeren graad, eene geheel nieuwe samenstelling van hoedanigheden naar geest en lichaam; die aanleiding geven tot blijdschap en smart, tot kracht en zwakheid.Dit nieuwe jeugdige menschje moet, op eigen verantwoordelijkheid, op goed geluk vertrouwend, het vreeselijk-ernstige leven intreden. Wat het zal kunnen leveren aan scheppende krachten, aan nieuwe beginselen; wat het bezitten zal aan geestelijke veerkracht onder den druk van het noodlot; aan de kracht om gelukkig te maken en gelukkig te zijn—dit alles hangt, behalve van de aangeboren natuur, in zeer ernstige mate af van de manier van opvoeding, die op dit persoonlijk kindergemoed wordt toegepast.Reeds Goethe klaagde er over dat de ouderlijke tucht,—de opvoeding over het algemeen,—trachtte persoonlijke wezens tot ledepoppen te maken. En dit is sedert nog veel erger geworden; de opvoeding is door schoolmeesters in de hand genomen, maar er niet zielkundiger op geworden.Alleen hij die de gevoelens, den wil en de rechten van het kind behandelt, evenzoo voorzichtig als die van een volwassen mensch; die aan de persoonlijkheid van het kind geen andere beperkingen opdringt dan die der natuuren dezulke die op goede gronden noodig zijn voor het welzijn van het kind en zijne kameraadjes, alleen hij kan met recht aanspraak maken op den naam van een opvoeder der jeugd. De opvoeding behoort zeker ten doel te hebben de persoonlijke ontheffing van de overmacht der eigene hartstochten. Maar nooit mag zij haar streven zoo ver richten die hartstochten uit te roeien of ter zijde te dringen. Zij toch vormen juist de kracht der persoonlijkheid, die nu eenmaal niet kan bestaan zonder gevaar voor de daaraan gepaard gaande gebreken.Het overwinnen van de in elk gemoed levende gebreken door het opkweeken der daarmede gepaard gaande goede hoedanigheden in datzelfde gemoed—dit alleen is eene zuiver persoonlijke opvoeding. En deze methode werkt uiterst langzaam; het onmiddellijk handelen beteekent hierbij zeer weinig; de geestelijke atmosfeer van de huiskamer, huiselijke gewoonten en illusies zijn daarentegen bijna alles. Het komt er vooral op-aan dat de opvoeder de kunst versta van afwachten, van het berekenen der werking die de toekomst zal geven—minder waarde te hechten aan het heden.Er zijn ouders en opvoeders die gelooven het kind voor later verdriet te bewaren door het “in zijne eigenzinnigheid tegen te gaan”, zooals men dit noemt. Men bedenkt dan niet, dat door op deze wijze een kind te dwingen iets te doen dat lijnrecht in strijd is tegen zijnen aard, niets anders bereikt wordt dan dien natuurlijken aanleg te verflauwen; vaak zelfs behoudt men alleen de zwakheid van het karakter, zonder de daarmede vroeger vereenigde kracht.Vaak denkt men er niet eens zooveel bij en wordt men alleen tot zulk eene handeling geleid, door het gedachteloos navolgen van den ouden sleur, die leerde dat zelfverloochening het ideaal van den mensch is. Men onderdruktden lust tot onderzoek in zijn ondernemenden geest; men kwetst zijn zoo bijzonder prikkelbaar gevoel voor ’t schoone; men oefent dwang uit op zijne meest persoonlijke uitingen, zijne bewijzen van teederheid; men berispt zijn tegenzin en dempt zijne geestdrift. Onder deze en dergelijke inbreuken op hunne persoonlijkheid, op hunne bijzondere gevoelens en neigingen groeien de kinderen, vooral de meisjes, tegenwoordig meest allen op. Daarom is het waarlijk niet te verwonderen dat de volwassenenzelden op hunne kindsheid terug zien als op een gelukkigen tijd.Een krachtig bewustzijn van te leven, ’t gevoel van volheid, heelheid, veelzijdige krachtsontwikkeling, van willen en kunnen—dat is geluk. Kinderen hebben dezelfde voorwaarden tot geluk, eigenlijk meer nog dan volwassenen, want zij kunnen van dien levenslust meer onverdeeld genieten. Men moest hen van deze mogelijkheid om gelukkig te zijn vrij laten gebruik maken zoolang zij nog onder de leiding hunner ouders staan en dezen macht over hen hebben. Maar al te spoedig beginnen zij, op hun eigen handje proefnemingen te doen; geld te verdienen, ’t vermaak op te zoeken; en in dat gevaarlijke tijdperk van het jonge leven blijkt geene opvoedingsmethode van grooter invloed en van meer belang te zijn, dan deze: te zorgen dat het kind niette veelis opgevoed, zoodat het eigen krachten over heeft voor het rijke, maar ernstige, leven dat hem wacht; dat wil zeggen: om ’s levens lasten te dragen; van zijne vreugde te genieten; zijn arbeid te verrichten; zijn eigen oordeel te behouden; zich met hart en ziel toe te wijden aan de hem opgelegde levenstaak;—dit toch is de groote en éenige voorwaarde om gelukkig te kunnen leven, te beminnen en te sterven.Er ligt een diepe waarheid in het oude gezegde: “Den kinderen behoort het hemelrijk.” Want geen onzer kan het hoogste bereiken, zonder eenvoud, onbaatzuchtigheiden volharding, om zonder eenige bijbedoeling alles dienstbaar te maken aan dat éene doel. Dit nu is juist de groote kracht van het kinderhart. Heeft eene moeder door hare opvoedende leiding die heilige kracht bewaard en tot bewustheid ontwikkeld, dan heeft zij niet alleen een nieuw schepsel, maar een nieuwe persoonlijkheid aan de maatschappij gegeven.Maar de opvoeding, in huis en in de school, slaat tegenwoordig juist de hier tegenovergestelde richting in. Het versplinteren van het persoonlijk wezen en karakter is dien ten gevolge het groote kwaad onzer eeuw.—Maar de mensch is gelukkig een sterk gebouwd organisme. Zij, wier persoonlijkheid door hunne opvoeding geknakt of onderdrukt werd, kunnen zich toch uit die vernederende gebogen houding oprichten, zichzelf baanbreken tot vrijheid van ontwikkeling, als zij zich van de groote waarde dezer vrijheid helder bewust worden.Weinige menschen, en onder dezen weinige vrouwen, kunnen op genialiteit roemen. Maar al is ook slechts bij enkelen de kiem voor een groote persoonlijkheid aanwezig, tochzouden de meesten wel een zekeren graad van zelfstandigheid kunnen ontwikkelen, ook na een mislukte opvoeding, als zij er zich met vollen ernst op toelegden.Maar hiervoor ismoedeen eerste vereischte; moed en volharding.Als het waar is dat “gebrek aan verstand gebrek is aan moed” dan is dit nog meer waar ten opzichte van gebrek aan individualiteit.Hier is al aanstonds eene der redenen gevonden waarom men onder de vrouwen minder persoonlijke zelfbewustheid ontmoet dan onder mannen. Een man is meer door-en-door ijverende voor zijne idée, zijn doel waarvoor hij arbeidt; hij is meer intensief in zijn weten en willen. Dien tengevolge wordt hij vaak—juist als een kind—éenzijdiger, zelfzuchtiger, maar tevens meer éen geheel vormende, dan eene vrouw onder dezelfde omstandigheden wezen of worden zal.Zij is, behalve in de liefde, zelden geheel van éen onderwerp vervuld. Het valt haar dus minder moeilijk om het gevoelen van anderen te ontzien en voorzichtig op alles en allen rondom haar te letten. Zij is beweegelijker, meer gevoelig voor van buiten op haar werkende indrukken, veelzijdiger en buigzamer dan de man—en hierin ligt hare kracht. Maar evenzoo goed als bij den man, is deze gewonnen ten koste van een daaraan gepaard gaand verlies. Want het evenwicht in alle dingen te behouden is nu eenmaal zoo moeilijk voor ons, menschenkinderen, dat eene deugd vaak niet de uitkomst is van eene vermenigvuldiging-som, maar van een aftreksom.De man is de bevoorrechte schepper van nieuwe gedachten en nieuwe instellingen door zijn grooteren moed om ’t gevaar te trotseeren, door zijn krachtiger wil; de vrouw, het ligt in haren aard, blijft meestal angstig volhouden met “hetgeen altijd zoo geweest is.” Zij waakt trouw niet alleen over de zeden, gebruiken en tradities van eigen huis en haard, maar ook van de uit vroeger dagen overgeleverde vormen en rechtsbegrippen in de maatschappij kan zij moeilijk afstand doen. Nu is het duidelijk, dat deze algemeene vasthoudendheid aan het eenmaal bestaande die in de natuur der vrouwen ligt, eene der grootste hinderpalen moest vormen voor de ontwikkeling van het vrouwelijke individu, op zich zelf staande.Voor de persoonlijke zelfstandigheid van den man is het vaak moeilijk om zich te ontwikkelen, doordien hij in den regel met verscheidene anderen tezamen moet werken en aldus door partijzucht of kruiwagens, door het vooruitzicht op bevordering of op andere voordeelen, in zijne handelingen beperkt wordt.De persoonlijkheid der vrouw wordt meer gekneld door het vasthouden aan eenmaal gebruikelijke vormen en begrippen van zedelijkheid; door haar conventioneel ideaal. Zij wil het groote onderscheid tusschen eene zelfopofferende liefde van hooge waarde en eene zelfverloochening, die in geen enkel opzicht iets beteekent, liever niet zien. Zij wantrouwt haar eigen natuurlijk oordeel over goed en kwaad, zoodra dit instinct haar ook slechts een haarbreedte zou doen afwijken, van de gehuldigde en algemeen gebruikelijke vormen in de samenleving. Hem die tegen een dergelijk begrip heeft gezondigd wil zij wel vergeven, onder voorwaarde dat hij de wettigheid daarvan erkent; maar haar oordeel is zonder mededoogen over den schuldige, die tegenhetprincipe handelde, omdat zijne opvattingen omtrent goed en kwaad, niet met de nu eenmaal bestaande zienswijze overeenstemden. Zij vermengt in haar vonnis temperament en beginselen, leer en leven, op een treurige wijze door elkander en deze vermenging is de oorzaak van alle geestelijke dwingelandij, van elke sociale onverdraagzaamheid.Dit geldt vooral met het oog op de onderwerpen die de verhouding tusschen de twee geslachten onderling raken. Hier staat namelijk ieder, die eene van de gebruikelijke vormen afwijkende opvatting te kennen geeft, eene opvatting die ook maar eenigszins in botsing komt met het conventioneele vrouwelijke ideaal, bloot aan alles behalve vleiende gevolgtrekkingen en grievende lasterpraatjes over zijn persoonlijk leven. Van de zijde der vrouwen moest het waarlijk—althans wanneer er sprake is van eene vrouw—wel worden bedacht, dat er niet slechts een gloeiend geloof, maar ook een rein geweten vereischt wordt, voor den moed om de samenleving in een van haar meest geliefde vooroordeelen te trotseeren.Het conventionalisme der vrouw bereikt zijn toppunt in het gedachtelooze en gewetenlooze napraten, waardooreen aantal vrouwen haar geestelijk peil verlagen, haar karakter bederven en ten slotte haar eigen persoonlijkheid laten opgaan in die van iedereen.Eene vrouw die op werkelijke beschaving aanspraak wil maken, bewijst dit onder anderen, door het vermijden van elke geleende, of geveinsde weelde. Zij vindt het verachtelijk om door den schijn indruk te maken en daarom vermijdt zij in hare kleeding en huisraad elke onechte versiering.Maar diezelfde vrouw geeft kalm oordeel en opvatting die zij van anderen napraat, voor echt uit. Zelfs al bezat zij die, zou zij toch den moed niet hebben om een frissche, oorspronkelijke gedachte te uiten; om blijk te geven van een warm, buiten den algemeenen regel werkend, gevoel. Hare vervalschingen worden door andere napraatsters van den eenen kring naar den anderen overgebracht. Hierdoor ontstaat “de algemeene beoordeeling” van de meest kiesche vraagstukken des levens, van de ernstige raadselen, waarvoor men de aanleiding zou moeten kennen om ze ook maar uit de verte te verstaan. Hierdoor worden schoone en edele daden in een twijfelachtig licht geplaatst en vuige lasterpraatjes voor waarheid aangenomen. Aldus wordt de lucht verontreinigd door de opstuivende zandkorrels waaronder het werk en de eer van een medemensch begraven wordt.Maar een op die wijze begraven werk, of goeden naam, kan nog worden opgedolven. Alleen de lasteraars zelf lijden er ten slotte het meeste door.Want alles in de wereld hangt samen: het leven bestaat uit oorzaak en gevolgen. Niemand leeft ongestraft uit de tweede hand. Wij kunnen op intellectueel gebied onmogelijk vooruitdringen met het leengoed van anderen, zonder hierdoor persoonlijk verlies te lijden aan zedelijken inhoud. Wij waren heden onbillijk ten opzichte van een boek, eene schilderij of een tooneelstuk, door dit te beoordeelenmet de woorden van een ander, die wij vooronzeopvatting wilden laten doorgaan; of omdat wij den moed niet hadden onze ingenomenheid ermede te toonen, in geval “de critiek” hierover anders denkt: of door eene verontwaardiging te veinzen, die wij geenszins gevoelden, maar die anderen van ons verwachtten, in naam der mode of van het fatsoen. Morgen zullen wij even onbillijk—laat ons zeggen even oneerlijk—worden, tegenover een medemensch of tegenover onze eigen overtuiging—en zulk eene onrechtvaardigheid, zulke valschheid kan van grooten invloed worden op een geheel levenslot.De slotsom van geestelijken rijkdom, van geestelijke waardecijfers, vermindert natuurlijk, als wij verzuimen ons eigen cijfer erbij te tellen. Dit moge groot zijn of klein, rijk of gering,—als wij het zelf hebben gevoeld en gedacht, als hetoorspronkelijkons eigendom is, beteekent het voor anderen oneindig meer, dan hetgeen wij slechts napraten, ook al is onze zegsman eene autoriteit. In gevallen waarin wij genoodzaakt zijn om ons op anderen, die meer weten dan wij, te beroepen, dringt eerlijkheid en goede trouw er ons toe, onze verplichting aan hunne meerdere kennis openlijk uit te spreken.Ieder van ons mag zich slechts verheugen in een zeer klein gedeelte der uitkomsten van beschaving en cultuur; zelden zijn wij in staat over meer dan een enkel geval met zekerheid te oordeelen. Maar één ding kunnen wij allen leeren: in te zien dat het een bewijs is van beschaving, geen oordeel te geven over onderwerpen waarvan wij geen verstand hebben. Laat de goede toon ons hiertegen doen waken; evenzoo als men zich de weelde van juweelen te dragen ontzegt als men geen echte steenen heeft, evenzoo moet men zich onthouden van een oordeel over personen en zaken, waarover men niet door eigen aanschouwen of kennismaking zelf oordeelen kan. Wanneerdeze oprechtheid, dit ronduit verklaren van onbevoegdheid om onze meening over dergelijke onderwerpen of personen te zeggen, meer algemeen wordt beschouwd als een bewijs van beschaving, dan zal de vrouwelijke cultuur in deze richting eene bijna even groote schrede hebben gedaan,alstoen de vrouw als student op de universiteit werd toegelaten.Want, naast de mogelijkheid om een ruimeren blik op vele dingen te verwerven, staat op het gebied der ernstige ontwikkeling de gave om te begrijpen hoe begrensd die blik nog is, de moed om openlijk te bekennen, welke kennis ons ontbreekt.Moed en oprechtheid—deze hoedanigheden zoeken wij helaas nog vaak te vergeefs bij de vrouw; toch moeten juist deze toenemen, zal de persoonlijkheid der vrouw groeien.Dit groeien wordt niet bevorderd door het studeeren der jonge meisjes, al nemen zij hare studie nog zoo ernstig op; ook niet door de een of andere taak in de samenleving voor hare rekening te nemen, al brengt deze een zeer groote mate van verantwoordelijkheid mede. Niets van dit alles werkt gunstig op de geestelijke ontwikkeling van hare persoonlijkheid, tenzij eigen onderzoek en eigen keuze dit middel tot hare beschaving en haren arbeid inderdaad tot een organisch gedeelte van haar eigen leven hebben doen worden. Die keuze, dat onderzoek zijn dan de hoofdfactoren. De vrouwelijke persoonlijkheid te ontwikkelen—van binnen uitgaande—dit is het groote vraagstuk der vrouwenbeweging; haar vrij te doen worden van de hedendaagsche nietsbeteekenende formules; haar moed te geven zich te toonen zooals zij is, te bekennen wat zij niet is—ziedaar het groote en ernstige doel van de zoo vaak verkeerd begrepen émancipatie der vrouw.

Het conventionalisme is de stilzwijgende overeenkomst, den schijn voor het wezen, vorm voor inhoud, en bijzaken voor de hoofdzaak in de plaats te stellen. In zekeren zin behooren ook de, bij de verwisseling van het schoonheidsgevoel in verscheidene tijdperken veranderende, modes ertoe. In de diepere beteekenis van het woord valt altijd een gedeelte van deze aangenomen leer der welvoegelijkheid tezamen met die van zeden en gebruiken, met het begrip van de mate van zelfbeheersching en zelfverzaking, die ieder persoon heeft in acht te nemen in den omgang met anderen. Hoe meer men vordert in de beschaving en ontwikkeling, des te ruimer worden de grenzen genomen, waarin aan de samenleving de beoordeeling wordt toegestaan van ieders persoonlijk geloof en zienswijze, van ieders arbeidsveld en gewoonten in het dagelijksch leven. Hoe langer hoe meer begint men te begrijpen, dat elke uiting van persoonlijke gevoelens, die op het recht van anderen geen inbreuk maakt, vrij behoort te wezen. Een vrij groot gedeelte van de taak der beschaving in het tijdperk van elk nieuw geslacht, heeft altijd bestaan en bestaat ook nog, in het afschaffen van eenige, tot ledige vormen ontaarde gebruiken, doode overblijfselen van hetgeen vroeger bestond,die de nieuwe planten verhinderen om krachtig op te schieten. Wij hooren in onze dagen telkens weer stemmen opgaan die vrijheid en keuze tegenover de tot richtsnoer aangenomen zeden verlangen voor het persoonlijk geweten en de persoonlijke neiging. In dezen eeuwigdurenden strijd komt het er vooral op aan te beslissen, wat ook nu in werkelijkheid nog recht van bestaan heeft en wat alleen hinderpalen zijn voor een edeler vrijheid, eene diepere waarheid, een grooter oorspronkelijkheid, een rijkeren levens-inhoud; in éen woord: wat daarin is ontaard tot ledige vormlijkheid.

Maar niet alleen met verouderde gebruiken en vormen moet afrekening gehouden worden. In elken kring worden nog voortdurend dergelijke doode overblijfselen van voorheen opgegraven en in den vorm van vooroordeel, van kleinzielige beweegredenen en wankelmoedige, onzelfstandige gewoonten, gehuldigd. Bij de vrouwen is die vormendienst ten allen tijde sterker ontwikkeld dan bij de mannen. Want de zucht tot het bijbehouden van “hetgeen altijd zoo is geweest” wordt helaas dikwijls een steun voor het conventioneele gedrag der vrouw in de samenleving. Zelden zijn de vrouwen zóo persoonlijk ontwikkeld dat zij, bij hetgeen zij wenschen te behouden, schijn van wezen, vorm van inhoud, kunnen onderscheiden; en zelfs, al zien zij het verschil in, ontbreekt het haar toch gewoonlijk aan den moed om inhoud en degelijkheid te verkiezen boven vormen en schijn, wanneer de groote meerderheid vóor de laatstgenoemden stemt.

In het laatste tiental jaren is er in de letterkunde, zelfs in de werken van vrouwelijke auteurs, een krachtige stem tegen die ledige, holle vormen opgegaan. Die oppositie werd vooral gericht tegen het verouderde ideaal der vrouw, volgens hetwelk zelfverloochening de edelste vrouwelijkheid vertegenwoordigde en tegen het verouderde begrip omtrentde zedelijkheid, volgens hetwelk de liefde zonder huwelijk onzedelijk, maar een echt, ook zonder liefde gesloten, voor zedelijk gehouden wordt.

De vrouwen welke thans het nieuwe ideaal huldigen: “zelfontwikkeling tot toewijding van haar persoon en leven aan anderen,” ontmoeten van de vooruitstrevende geémancipeerden onzer dagen dezelfde weinig beteekenende verwijten als die, welke in 1850–60 gericht werden tot de voorstanders dertoennieuwe beweging op dat gebied.

Immers die vroegere émancipatiebeweging had in hoofdzaak ook ten doel de menschelijke rechten der vrouw te doen gelden, in het algemeen beschouwd. De latere is er op uit het recht van iedere vrouw als persoon, te verdedigen; dat is te zeggen: het moet der vrouw onvoorwaardelijk vrij staan te gelooven, te denken naar haar eigen wil; zelfs te handelen naar eigen goedvinden, wanneer zij hierbij niet de rechten van anderen kwetst. Aangezien dat eerste in algemeenen zin kan worden beschouwd, kon het voor een groot gedeelte collectief worden beoefend; de zelfstandigheid der vrouw in hare daden moet natuurlijk het recht van ieder van haar, als persoon, gelden. Dit bedenken de vrouwen, die voortdurend ijveren voor dat eerste doel, de algemeen menschelijke rechten der vrouw, niet genoegzaam. Zij dringen er niet in door, dat elke vrouw niet slechts haar aandeel behoort te hebben in het algemeene recht als mensch, maar dat ook hare persoonlijke rechten, overeenstemmend met haar eigenaardigen aanleg en karakter, gewaarborgd moet worden door de maatschappij. De strijd betreft in de eerste plaats het recht der vrouw op een, misschien van alle bestaande leerstellingen en van het tot nu toe gehuldigde ideaal afwijkend, temperament. Dit is de groote kwestie tusschen de afzonderlijk voor haar gevoelens pleitende vrouw en de vertegenwoordigsters van het nieuwe tijdperk in het vrouwelijk bestaan.Dat ieder persoonlijk karakter een nieuwe wereld is—deze ontdekking die in Shakespeare zijn Columbus vond—een Columbus, op wiens voetspoor telkens nieuwe reizigers nieuwe landen wonnen—dit feit, dat in de litteratuur telkens weder wordt genoemd en toegepast op het leven, is nog slechts tot enkelen doorgedrongen als eene op ervaring gebouwde, en door het leven bevestigde, waarheid. Maar dat hiermede althans een begin werd gemaakt; dat de voorheen, als onwrikbaar vast aangenomen, gebruikelijke opvatting van den aard en het wezen van den mensch en de daaruit afgeleide raadselen, meer en meer worden vervangen door eene persoonlijke, van anderen onafhankelijke beschouwing,—dit hebben wij wel in de eerste plaats te danken aan de dichters en denkers in onze dagen; in dezen heeft het conventionalisme zijn ergsten vijand; hun herkenningsteeken is het diep besef van alle oorspronkelijke krachten van het menschdom, van de degelijke vraagstukken in het leven. Want al moge het conventionalisme in de gestalte der napraters tot geestigheden aanleiding geven, toch is juist het moderne genie een protest tegen de leer, die elken, op zich zelf gewettigden, maar van de bestaande regelen afwijkenden blik op de wereld en de kunst, ten hoogste afkeurt.

De dichter die in het Noorden met éen enkelen slag het veranderde, vormlijke ideaal der vrouw, die zich onder alle omstandigheden opofferende, zachtzinnige vrouw, verbrijzeld heeft, is Ibsen, als hij Nora man en kinderen doet verlaten om getrouw te zijn aan haar eigen plichten; als hij door “Het spook” in het zedelijk bewustzijn der menschen tracht te etsen: dat eene vrouw, die aan haar eigen persoonlijk karakter getrouw is, ook ten nutte van anderen, hooger staat dan zij, die zich blijft vastklampen aan de eenmaal bestaande vormen der zedelijkheid, ook al zijn deze zonder zin of beteekenis in haar bijzondere omstandigheden.En sedert heeft Ibsen voortdurend de vrijheid onder eigen verantwoordelijkheid gepredikt, als de verlossing voor het individu. Langzaam-aan is men begonnen naar hem te luisteren;—gedeeltelijk heeft men hem ook verstaan. Maar men weet het immers, geen geweten is in dit opzicht meer hermetisch gesloten dan dat van zekere, door de emancipatie in een opgewonden toestand verkeerende, vrouwen. Dat alle vrouwen gelijke rechten met de mannen moeten hebben is de scheering en inslag van het weefsel, dat zij in hare redevoeringen over de persoonlijke vrijwording der vrouw, op het getouw zetten. Zij vergeten, dat het recht om te worden wat zij wil, voor de vrouw evenzoogoed als voor den man, vaak de noodzakelijkheid medebrengt om datgene wat zij naar haren aanleg en karakter is, te onderdrukken. Zij vergeten, dat het individu hoogere eischen moet en mag stellen dan alleen het recht tot de keuze van een werkkring. Zij zien ze voorbij, die eindelooze schakeeringen in gevoelens, in meening en karakter, die de oorzaak waren, dat de eischen aan solidariteit in de opvatting en handelingen der voor de vrouwenbeweging ijverenden, verliepen in onderdrukking der enkele vrouwelijke persoon. Zeer zeker is het ook nu nog de waarheid dat aaneensluiting noodig is, om aan de vrouw, de rechten die haar tot heden onthouden werden, te verschaffen. Maar elk verplichtend in gesloten gelederen optrekken is in deze zaak gevaarlijk te achten; immers de vooruitgang in den toestand der vrouw, in den ernstigen, diepen zin van het woord, verlangt juist, dat de zoo oneindig verschillende individuen, zoo onbelemmerd mogelijk, zullen kunnen toonen, waartoe zij op zeer verschillend gebied, in staat zijn.

Het dreigend gevaar van den vormendienst in de vrouwenbeweging uit zich echter niet alleen in de te hoog opgedrevene eischen tot aaneengesloten handelen, maarook in de wijze waarop de meening der tegenstanders wordt “afgemaakt”. Het verraadt zich in het gebrek aan nauwlettende waakzaamheid, die ons zeggen zou, dat de vrouwenbeweging, op het gebied van den arbeid althans, meer en meer ingrijpt in de sociale vraagstukken van den dag. Het openbaart zich vooral in de onbekwaamheid om in te zien, dat de vrouwenbeweging juist door hare groote vorderingen van den laatsten tijd hoe langer hoe ingewikkelder wordt en dat hierdoor steeds grooter moeilijkheid ontstaat, om zich op een beslist maar onpartijdig standpunt te plaatsen tegenover de daartoe behoorende zeer verschillende onderwerpen.

Hiervoor is het onder anderen bepaald noodig dat den vrouwen meer gelegenheid gegeven worde om zich te beschaven en te ontwikkelen. Goed. Maar of al die inrichtingen van onderwijs ook de persoonlijkheid als zoodanige ontwikkelen, daaraan zou ik twijfelen. Immers wij hebben de fijnste en beminnelijkste personen ontmoet onder weinig geleerde dames van zeventig en tachtig jaar; en het scherpzinnigeigenoordeel dezer dames, evenzoo als dat van sommige vrouwen en meisjes, die nimmer geregeld onderwijs ontvingen, is wel geschikt om onze moderne, over allesmeê-pratende, “ontwikkelde” vrouwen en meisjes beschaamd te doen staan.

Het is niet meer dan billijk dat het loon voor vrouwelijken arbeid verhoogd worde; maar wordt die arbeid werkelijk in diezelfde verhouding beter? Kan men het wel van het meerendeel van die, over haar lessenaar gebogen zittende vrouwen verlangen, dat zij eene levendige belangstelling voor haar dagwerk zullen koesteren, terwijl haar eigen innerlijk wezen slechts aan het woord komt als zij over eene wieg gebogen staan?

Er is veel voor te zeggen dat ook dochters van rijke ouders naar een werkkring verlangen. Maar ligt het gevaarniet voor de hand dat zij, die met gering loon tevreden kunnen zijn, den arbeid ontstelen aan andere, misschien meer bevoegde arme vrouwen en mannen, die, omdat zij van hunne verdiensten moeten leven, genoodzaakt zijn hooger loon te vragen? Terwijl deze en nog veel meer vragen onbeantwoord blijven, verbaast men er zich over, hoe het conventionalisme zich onvoorwaardelijk verheugt over de vele jonge meisjes die studeeren, of voor een algemeenen arbeid de ouderlijke woning verlaten, waar zij toch zoo nuttig en noodig zijn; al zouden wij de laatsten zijn, om den horizont der vrouw, zooals in grootmoeders dagen, tot keuken, kinderkamer en huiskamer te willen beperken.

Het is tot heden nog altijd niet beslist of de vrouw, in fysiologisch en psychologisch opzicht zoo bijzonder welvaart, of hare gezondheid en gelijkmatigheid verhoogd wordt, door in den strijd om het bestaan mede te dingen. De vrouw op dit standpunt is een nieuw onderwerp voor studie en slechts de volle vrijheid tot arbeidskeuze en persoonlijke ontwikkeling dezer eeuw, zal de stof leveren tot het maken van weloverwogen gevolgtrekkingen.

De teekenen des tijds duiden het aan: altijd zal er een op lichamelijk verschil gebouwd, onvermijdelijk geestelijk onderscheid tusschen den man en de vrouw blijven bestaan; een onderscheid, dathaarhoogst waarschijnlijk bij voorkeur tot de in het huisgezin scheppende kracht zal blijven stempelen, terwijl hij bij voorkeur zich zal blijven wijden aan den arbeid der kultuur op algemeen gebied en dàar zijn scheppingsdrang zal trachten te bevredigen. Maar er is geen zeggen van hoever eene volkomene gelijkstelling met den man, eene onbeperkte ontwikkeling op het gebied van den arbeid, de vrouw zal kunnen brengen, ten opzichte van het besturen der maatschappij en van de kultuur, als groot geheel beschouwd.

De hierbovengenoemde, in onze dagen door oppervlakkige vrouwen en meisjes onvervaard nagepraatte gezichtspunten op de vrouwenbeweging, verhinderen juist de vrouwelijke ontwikkeling van het individu, door de vele en groote raadselen in de natuur kalm voorbij te zien.

Daarentegen vormen de eenmaal aangenomene denkbeelden van zelfverloochening als de uitdrukking der echte vrouwelijkheid, op hunne beurt het doorbreken der vrouwelijke persoonlijkheid van uit de nevelen der vormen en gebruiken in de maatschappij.

Met een zalig gevoel te gronde te mogen gaan voor een innig dierbaar wezen, is voorzeker een van de schoonste voorrechten der vrouw. Maar door dit onder alle omstandigheden te verheffen tot haar ideaal, had de vrouw haar eigen ontwikkeling in den weg gestaan, evenzoo als die van den man.

Als men de huwelijken uit de vorige generaties vergelijkt met die van het jonger geslacht, dan valt er bij de mannen van heden een grooten vooruitgang waar te nemen, ten opzichte van oplettende teederheid voor en sympathieke waardeering van de thans meer persoonlijk levende en hierom meer eischende vrouwen. Beide partijen hebben er bij gewonnen dat de vrouw begonnen is zich te oefenen in de moeilijke kunst van zichzelf-opheffende zelfverloochening. Want voor elk waarlijk liefhebbend vrouwenhart is het oneindig moeilijker haar recht te eischen dan dit op te offeren.

De vereering van het conventioneele vindt bij voortduring krachtigen steun bij de opvoeding.

Voorzeker men onderdrukt tegenwoordig niet meer, of althans hoogst zelden, deindividualiteitvan een kind op de voorheen gebruikelijke ruwe en wreedaardige manier. Maar zij verdwijnt toch hoe langer hoe meer. In denouden tijd genoten de kinderen van een zekere vrijheid in de kinderkamer, waar de ontwakende persoonlijke gewaarwordingen van blijdschap en verdriet, van liefde en tegenzin, niet voortdurend in toom behoefden te worden gehouden. Thans zijn de kinderen om en bij de volwassenen en dit samenzijn legt hun reeds vroeg de taak op de jonge schouders, van dwang en fatsoen.

De kinderen moeten bezig gehouden worden, dat is hun recht; zij kunnen niet meer op hun eigen gelegenheid spelen, want zij hebben den lust verloren die voorheen gebouwd was op de vrijheid der altijd weder scheppende kinderlijke verbeeldingskracht; zij hebben er ook den slag niet meer van om “aardig alleen te spelen”.

Op deze manier hebben de ouders geen rust en de kinderen evenmin.Altijd met volwassenen te zamen zijnde, worden zij zoo aanmatigend, dat de gehoorzaamheid er onder lijden moet. Dus leeren zij zich niet voegen; zij raken niet gewoon aan de voor hunne ontwikkeling zoo noodige orde en tucht; zij leeren ze niet, die moeilijke, maar onmisbare les van levenswijsheid: hunne opwellingen van minder beteekenis te onderdrukken voor iets van ernstiger aard en ook in deze zich te voegen onder de beproevingen van het kinderleven—eene ontginning van de woeste gronden van het kinderlijk karakter, waarmede men zeer vroeg beginnen moet om er een vruchtbaren akker van te kunnen maken.

Deze ontginning heeft plaats als de opvoeder zelf duidelijk weet, wat hij als hoofdzaak bij de ontwikkeling van het kinderlijk verstand beschouwt en hiermede rekening houdende, zijn bevel en verbod weet toe te passen; deze moeten weinig in aantal zijn, maar onwrikbaar vast gehouden worden als wetten der natuur; en waar tegen deze gezondigd werd, moet hij het kind niet met door hem bedachte, onzinnige straffen plagen, maar het eenvoudigde gevolgen van zijne ongehoorzame handelwijze laten ondervinden en aanwijzen. Zoodoende kan men, door zich aan vaste beginselen te houden, een natuurkindvormen tot een beschaafd mensch, dat uit ontzag voor zichzelf en anderen, zijne driften, als die met de maatschappij in botsing komen, weet te beteugelen,—zonder dat daardoor het persoonlijk gevoel wordt onderdrukt. Want buiten het gebied dezer bestaande, onveranderlijke wetten, moeten de kinderen nooit worden gedwongen of aangemaand, om in strijd met hunnen aard en aanleg te handelen; laat hen daarin hunne gezonde zelfzucht en hun eigenaardigen smaak ongehinderd botvieren.

Er zijn vele moeders die, door zichzelve onverstandig al te zeer op den achtergrond te plaatsen, de volstrekt niet te verdedigen zelfzucht harer kinderen aankweeken. Daarentegen verlangen zij op andere oogenblikken van diezelfde kinderen eene mate vanzelfbeheersching, van bedachtzaamheid, gematigdheid en ontzag, die een geheel leven meestal niet in staat was, die moeders te leeren. Van de zachte stof die bedoeld was een persoonlijk wezen te worden, maken ouders, dienstboden en onderwijzers een man of vrouw van de wereld; in sommige gevallen een bruikbaar lid der maatschappij—maar zeer zelden een mensch.

Deze vorming noemt men opvoeding. Nu moet wel een gedeelte van de vroegste opvoeding inderdaad in zulk vormen bestaan, zooals ik onlangs zeide. Maar na de eerste levensjaren moet het hoofddoel der opvoeding wezen, juist al wat louter vorm is, te verjagen; de volle vrijheid te laten tot ontwikkeling van de éenige kracht, die in ’t groot geheel beschouwd, voor de menschenwereld het feit dat nieuwe geslachten de ouden vervangen, belangrijk maken kan: de kracht der nieuwe, oorspronkelijke persoonlijkheid.

Ieder kind vormt een nieuwe wereld—eene wereld, waarin zelfs niet het oog der teederste liefde geheel vermag door te dringen. Hoe trouwhartig dat open kinderoog ons moge aanzien; hoe vol vertrouwen het zachte handje in onze hand wordt gelegd—toch zal dit jonge menschenkind ons misschien later kunnen vertellen hoeveel verdriet het er van gehad heeft, door ons te worden behandeld alsof kinderen eenvoudig herhalingen van het bestaande waren, niet oorspronkelijke, nieuwe, persoonlijke schepsels. En in zekeren zin is het kind ook eene herhaling van de kindernatuur in alle tijden; maar tegelijk, en in een veel hoogeren graad, eene geheel nieuwe samenstelling van hoedanigheden naar geest en lichaam; die aanleiding geven tot blijdschap en smart, tot kracht en zwakheid.

Dit nieuwe jeugdige menschje moet, op eigen verantwoordelijkheid, op goed geluk vertrouwend, het vreeselijk-ernstige leven intreden. Wat het zal kunnen leveren aan scheppende krachten, aan nieuwe beginselen; wat het bezitten zal aan geestelijke veerkracht onder den druk van het noodlot; aan de kracht om gelukkig te maken en gelukkig te zijn—dit alles hangt, behalve van de aangeboren natuur, in zeer ernstige mate af van de manier van opvoeding, die op dit persoonlijk kindergemoed wordt toegepast.

Reeds Goethe klaagde er over dat de ouderlijke tucht,—de opvoeding over het algemeen,—trachtte persoonlijke wezens tot ledepoppen te maken. En dit is sedert nog veel erger geworden; de opvoeding is door schoolmeesters in de hand genomen, maar er niet zielkundiger op geworden.

Alleen hij die de gevoelens, den wil en de rechten van het kind behandelt, evenzoo voorzichtig als die van een volwassen mensch; die aan de persoonlijkheid van het kind geen andere beperkingen opdringt dan die der natuuren dezulke die op goede gronden noodig zijn voor het welzijn van het kind en zijne kameraadjes, alleen hij kan met recht aanspraak maken op den naam van een opvoeder der jeugd. De opvoeding behoort zeker ten doel te hebben de persoonlijke ontheffing van de overmacht der eigene hartstochten. Maar nooit mag zij haar streven zoo ver richten die hartstochten uit te roeien of ter zijde te dringen. Zij toch vormen juist de kracht der persoonlijkheid, die nu eenmaal niet kan bestaan zonder gevaar voor de daaraan gepaard gaande gebreken.

Het overwinnen van de in elk gemoed levende gebreken door het opkweeken der daarmede gepaard gaande goede hoedanigheden in datzelfde gemoed—dit alleen is eene zuiver persoonlijke opvoeding. En deze methode werkt uiterst langzaam; het onmiddellijk handelen beteekent hierbij zeer weinig; de geestelijke atmosfeer van de huiskamer, huiselijke gewoonten en illusies zijn daarentegen bijna alles. Het komt er vooral op-aan dat de opvoeder de kunst versta van afwachten, van het berekenen der werking die de toekomst zal geven—minder waarde te hechten aan het heden.

Er zijn ouders en opvoeders die gelooven het kind voor later verdriet te bewaren door het “in zijne eigenzinnigheid tegen te gaan”, zooals men dit noemt. Men bedenkt dan niet, dat door op deze wijze een kind te dwingen iets te doen dat lijnrecht in strijd is tegen zijnen aard, niets anders bereikt wordt dan dien natuurlijken aanleg te verflauwen; vaak zelfs behoudt men alleen de zwakheid van het karakter, zonder de daarmede vroeger vereenigde kracht.

Vaak denkt men er niet eens zooveel bij en wordt men alleen tot zulk eene handeling geleid, door het gedachteloos navolgen van den ouden sleur, die leerde dat zelfverloochening het ideaal van den mensch is. Men onderdruktden lust tot onderzoek in zijn ondernemenden geest; men kwetst zijn zoo bijzonder prikkelbaar gevoel voor ’t schoone; men oefent dwang uit op zijne meest persoonlijke uitingen, zijne bewijzen van teederheid; men berispt zijn tegenzin en dempt zijne geestdrift. Onder deze en dergelijke inbreuken op hunne persoonlijkheid, op hunne bijzondere gevoelens en neigingen groeien de kinderen, vooral de meisjes, tegenwoordig meest allen op. Daarom is het waarlijk niet te verwonderen dat de volwassenenzelden op hunne kindsheid terug zien als op een gelukkigen tijd.

Een krachtig bewustzijn van te leven, ’t gevoel van volheid, heelheid, veelzijdige krachtsontwikkeling, van willen en kunnen—dat is geluk. Kinderen hebben dezelfde voorwaarden tot geluk, eigenlijk meer nog dan volwassenen, want zij kunnen van dien levenslust meer onverdeeld genieten. Men moest hen van deze mogelijkheid om gelukkig te zijn vrij laten gebruik maken zoolang zij nog onder de leiding hunner ouders staan en dezen macht over hen hebben. Maar al te spoedig beginnen zij, op hun eigen handje proefnemingen te doen; geld te verdienen, ’t vermaak op te zoeken; en in dat gevaarlijke tijdperk van het jonge leven blijkt geene opvoedingsmethode van grooter invloed en van meer belang te zijn, dan deze: te zorgen dat het kind niette veelis opgevoed, zoodat het eigen krachten over heeft voor het rijke, maar ernstige, leven dat hem wacht; dat wil zeggen: om ’s levens lasten te dragen; van zijne vreugde te genieten; zijn arbeid te verrichten; zijn eigen oordeel te behouden; zich met hart en ziel toe te wijden aan de hem opgelegde levenstaak;—dit toch is de groote en éenige voorwaarde om gelukkig te kunnen leven, te beminnen en te sterven.

Er ligt een diepe waarheid in het oude gezegde: “Den kinderen behoort het hemelrijk.” Want geen onzer kan het hoogste bereiken, zonder eenvoud, onbaatzuchtigheiden volharding, om zonder eenige bijbedoeling alles dienstbaar te maken aan dat éene doel. Dit nu is juist de groote kracht van het kinderhart. Heeft eene moeder door hare opvoedende leiding die heilige kracht bewaard en tot bewustheid ontwikkeld, dan heeft zij niet alleen een nieuw schepsel, maar een nieuwe persoonlijkheid aan de maatschappij gegeven.

Maar de opvoeding, in huis en in de school, slaat tegenwoordig juist de hier tegenovergestelde richting in. Het versplinteren van het persoonlijk wezen en karakter is dien ten gevolge het groote kwaad onzer eeuw.—

Maar de mensch is gelukkig een sterk gebouwd organisme. Zij, wier persoonlijkheid door hunne opvoeding geknakt of onderdrukt werd, kunnen zich toch uit die vernederende gebogen houding oprichten, zichzelf baanbreken tot vrijheid van ontwikkeling, als zij zich van de groote waarde dezer vrijheid helder bewust worden.

Weinige menschen, en onder dezen weinige vrouwen, kunnen op genialiteit roemen. Maar al is ook slechts bij enkelen de kiem voor een groote persoonlijkheid aanwezig, tochzouden de meesten wel een zekeren graad van zelfstandigheid kunnen ontwikkelen, ook na een mislukte opvoeding, als zij er zich met vollen ernst op toelegden.

Maar hiervoor ismoedeen eerste vereischte; moed en volharding.

Als het waar is dat “gebrek aan verstand gebrek is aan moed” dan is dit nog meer waar ten opzichte van gebrek aan individualiteit.

Hier is al aanstonds eene der redenen gevonden waarom men onder de vrouwen minder persoonlijke zelfbewustheid ontmoet dan onder mannen. Een man is meer door-en-door ijverende voor zijne idée, zijn doel waarvoor hij arbeidt; hij is meer intensief in zijn weten en willen. Dien tengevolge wordt hij vaak—juist als een kind—éenzijdiger, zelfzuchtiger, maar tevens meer éen geheel vormende, dan eene vrouw onder dezelfde omstandigheden wezen of worden zal.

Zij is, behalve in de liefde, zelden geheel van éen onderwerp vervuld. Het valt haar dus minder moeilijk om het gevoelen van anderen te ontzien en voorzichtig op alles en allen rondom haar te letten. Zij is beweegelijker, meer gevoelig voor van buiten op haar werkende indrukken, veelzijdiger en buigzamer dan de man—en hierin ligt hare kracht. Maar evenzoo goed als bij den man, is deze gewonnen ten koste van een daaraan gepaard gaand verlies. Want het evenwicht in alle dingen te behouden is nu eenmaal zoo moeilijk voor ons, menschenkinderen, dat eene deugd vaak niet de uitkomst is van eene vermenigvuldiging-som, maar van een aftreksom.

De man is de bevoorrechte schepper van nieuwe gedachten en nieuwe instellingen door zijn grooteren moed om ’t gevaar te trotseeren, door zijn krachtiger wil; de vrouw, het ligt in haren aard, blijft meestal angstig volhouden met “hetgeen altijd zoo geweest is.” Zij waakt trouw niet alleen over de zeden, gebruiken en tradities van eigen huis en haard, maar ook van de uit vroeger dagen overgeleverde vormen en rechtsbegrippen in de maatschappij kan zij moeilijk afstand doen. Nu is het duidelijk, dat deze algemeene vasthoudendheid aan het eenmaal bestaande die in de natuur der vrouwen ligt, eene der grootste hinderpalen moest vormen voor de ontwikkeling van het vrouwelijke individu, op zich zelf staande.

Voor de persoonlijke zelfstandigheid van den man is het vaak moeilijk om zich te ontwikkelen, doordien hij in den regel met verscheidene anderen tezamen moet werken en aldus door partijzucht of kruiwagens, door het vooruitzicht op bevordering of op andere voordeelen, in zijne handelingen beperkt wordt.

De persoonlijkheid der vrouw wordt meer gekneld door het vasthouden aan eenmaal gebruikelijke vormen en begrippen van zedelijkheid; door haar conventioneel ideaal. Zij wil het groote onderscheid tusschen eene zelfopofferende liefde van hooge waarde en eene zelfverloochening, die in geen enkel opzicht iets beteekent, liever niet zien. Zij wantrouwt haar eigen natuurlijk oordeel over goed en kwaad, zoodra dit instinct haar ook slechts een haarbreedte zou doen afwijken, van de gehuldigde en algemeen gebruikelijke vormen in de samenleving. Hem die tegen een dergelijk begrip heeft gezondigd wil zij wel vergeven, onder voorwaarde dat hij de wettigheid daarvan erkent; maar haar oordeel is zonder mededoogen over den schuldige, die tegenhetprincipe handelde, omdat zijne opvattingen omtrent goed en kwaad, niet met de nu eenmaal bestaande zienswijze overeenstemden. Zij vermengt in haar vonnis temperament en beginselen, leer en leven, op een treurige wijze door elkander en deze vermenging is de oorzaak van alle geestelijke dwingelandij, van elke sociale onverdraagzaamheid.

Dit geldt vooral met het oog op de onderwerpen die de verhouding tusschen de twee geslachten onderling raken. Hier staat namelijk ieder, die eene van de gebruikelijke vormen afwijkende opvatting te kennen geeft, eene opvatting die ook maar eenigszins in botsing komt met het conventioneele vrouwelijke ideaal, bloot aan alles behalve vleiende gevolgtrekkingen en grievende lasterpraatjes over zijn persoonlijk leven. Van de zijde der vrouwen moest het waarlijk—althans wanneer er sprake is van eene vrouw—wel worden bedacht, dat er niet slechts een gloeiend geloof, maar ook een rein geweten vereischt wordt, voor den moed om de samenleving in een van haar meest geliefde vooroordeelen te trotseeren.

Het conventionalisme der vrouw bereikt zijn toppunt in het gedachtelooze en gewetenlooze napraten, waardooreen aantal vrouwen haar geestelijk peil verlagen, haar karakter bederven en ten slotte haar eigen persoonlijkheid laten opgaan in die van iedereen.

Eene vrouw die op werkelijke beschaving aanspraak wil maken, bewijst dit onder anderen, door het vermijden van elke geleende, of geveinsde weelde. Zij vindt het verachtelijk om door den schijn indruk te maken en daarom vermijdt zij in hare kleeding en huisraad elke onechte versiering.

Maar diezelfde vrouw geeft kalm oordeel en opvatting die zij van anderen napraat, voor echt uit. Zelfs al bezat zij die, zou zij toch den moed niet hebben om een frissche, oorspronkelijke gedachte te uiten; om blijk te geven van een warm, buiten den algemeenen regel werkend, gevoel. Hare vervalschingen worden door andere napraatsters van den eenen kring naar den anderen overgebracht. Hierdoor ontstaat “de algemeene beoordeeling” van de meest kiesche vraagstukken des levens, van de ernstige raadselen, waarvoor men de aanleiding zou moeten kennen om ze ook maar uit de verte te verstaan. Hierdoor worden schoone en edele daden in een twijfelachtig licht geplaatst en vuige lasterpraatjes voor waarheid aangenomen. Aldus wordt de lucht verontreinigd door de opstuivende zandkorrels waaronder het werk en de eer van een medemensch begraven wordt.

Maar een op die wijze begraven werk, of goeden naam, kan nog worden opgedolven. Alleen de lasteraars zelf lijden er ten slotte het meeste door.

Want alles in de wereld hangt samen: het leven bestaat uit oorzaak en gevolgen. Niemand leeft ongestraft uit de tweede hand. Wij kunnen op intellectueel gebied onmogelijk vooruitdringen met het leengoed van anderen, zonder hierdoor persoonlijk verlies te lijden aan zedelijken inhoud. Wij waren heden onbillijk ten opzichte van een boek, eene schilderij of een tooneelstuk, door dit te beoordeelenmet de woorden van een ander, die wij vooronzeopvatting wilden laten doorgaan; of omdat wij den moed niet hadden onze ingenomenheid ermede te toonen, in geval “de critiek” hierover anders denkt: of door eene verontwaardiging te veinzen, die wij geenszins gevoelden, maar die anderen van ons verwachtten, in naam der mode of van het fatsoen. Morgen zullen wij even onbillijk—laat ons zeggen even oneerlijk—worden, tegenover een medemensch of tegenover onze eigen overtuiging—en zulk eene onrechtvaardigheid, zulke valschheid kan van grooten invloed worden op een geheel levenslot.

De slotsom van geestelijken rijkdom, van geestelijke waardecijfers, vermindert natuurlijk, als wij verzuimen ons eigen cijfer erbij te tellen. Dit moge groot zijn of klein, rijk of gering,—als wij het zelf hebben gevoeld en gedacht, als hetoorspronkelijkons eigendom is, beteekent het voor anderen oneindig meer, dan hetgeen wij slechts napraten, ook al is onze zegsman eene autoriteit. In gevallen waarin wij genoodzaakt zijn om ons op anderen, die meer weten dan wij, te beroepen, dringt eerlijkheid en goede trouw er ons toe, onze verplichting aan hunne meerdere kennis openlijk uit te spreken.

Ieder van ons mag zich slechts verheugen in een zeer klein gedeelte der uitkomsten van beschaving en cultuur; zelden zijn wij in staat over meer dan een enkel geval met zekerheid te oordeelen. Maar één ding kunnen wij allen leeren: in te zien dat het een bewijs is van beschaving, geen oordeel te geven over onderwerpen waarvan wij geen verstand hebben. Laat de goede toon ons hiertegen doen waken; evenzoo als men zich de weelde van juweelen te dragen ontzegt als men geen echte steenen heeft, evenzoo moet men zich onthouden van een oordeel over personen en zaken, waarover men niet door eigen aanschouwen of kennismaking zelf oordeelen kan. Wanneerdeze oprechtheid, dit ronduit verklaren van onbevoegdheid om onze meening over dergelijke onderwerpen of personen te zeggen, meer algemeen wordt beschouwd als een bewijs van beschaving, dan zal de vrouwelijke cultuur in deze richting eene bijna even groote schrede hebben gedaan,alstoen de vrouw als student op de universiteit werd toegelaten.

Want, naast de mogelijkheid om een ruimeren blik op vele dingen te verwerven, staat op het gebied der ernstige ontwikkeling de gave om te begrijpen hoe begrensd die blik nog is, de moed om openlijk te bekennen, welke kennis ons ontbreekt.

Moed en oprechtheid—deze hoedanigheden zoeken wij helaas nog vaak te vergeefs bij de vrouw; toch moeten juist deze toenemen, zal de persoonlijkheid der vrouw groeien.

Dit groeien wordt niet bevorderd door het studeeren der jonge meisjes, al nemen zij hare studie nog zoo ernstig op; ook niet door de een of andere taak in de samenleving voor hare rekening te nemen, al brengt deze een zeer groote mate van verantwoordelijkheid mede. Niets van dit alles werkt gunstig op de geestelijke ontwikkeling van hare persoonlijkheid, tenzij eigen onderzoek en eigen keuze dit middel tot hare beschaving en haren arbeid inderdaad tot een organisch gedeelte van haar eigen leven hebben doen worden. Die keuze, dat onderzoek zijn dan de hoofdfactoren. De vrouwelijke persoonlijkheid te ontwikkelen—van binnen uitgaande—dit is het groote vraagstuk der vrouwenbeweging; haar vrij te doen worden van de hedendaagsche nietsbeteekenende formules; haar moed te geven zich te toonen zooals zij is, te bekennen wat zij niet is—ziedaar het groote en ernstige doel van de zoo vaak verkeerd begrepen émancipatie der vrouw.

Moed.Er zijn altijd jong blijvende woorden, woorden wier echte goudklank nooit tot een ontvankelijk oor doordringt, zonder dezelfde gewaarwordingen te voorschijn te roepen als toen zij, misschien duizend jaar geleden, voor het eerst werden uitgesproken;—toen als een nieuwe uitdrukking voor het innig besef van dien tijd.Onder deze woorden en spreuken van een eeuwige jeugd is er een, die voor den eersten keer door den welsprekendsten mond in Hellas verkondigd werd:“Geloof dat het geluk bestaat in vrijheid—en dat vrijheid is moed!”De inhoud van die spreuk kon voor Pericles voorzeker niet dezelfde beteekenis hebben als voor ons.Ondervrijheidverstond men feitelijk de onafhankelijkheid van den eenen staat tegenover den anderen; met moed werd vooral de deugd van dappere verdediging des vaderlands bedoeld.Toch is het best mogelijk dat er bij den minnaar van Aspasia en den vriend van Socrates, een vermoeden heeft bestaan van den tijd, wanneer die schoone woorden, in dieperen zin, zouden beteekenen de onmisbare voorwaardetot welvaart en geluk; zoowel voor het geluk van de op zichzelfstaande persoonlijkheid, als voor de vrijheid eener geheele natie.Edele woorden groeien in dezelfde mate als de menschheid groeit. Wij begrijpen het nu, dat de enkele mensch evenmin geluk en vrijheid vinden kan als de geheele Staat, wanneer de moed hem ontbreekt. Maar hangt het dan wel van ons-zelf af moed te hebben of niet?Zeer zeker. Moed is eene hoedanigheid die verkregen wordt door hem of haar die haar wil verkrijgen; maar men moet willen, met ernst en volharding. Er zijn menschen die met een hun aangeboren moed ter wereld komen, maar de meesten hebben, voor het grootste deel althans, hun moed zelf gekweekt.Er is geen eigenschap die door oefening sneller toeneemt. Als men het in onze samenleving maar duidelijker begreep dat moed den grond vormt, waarop het karakter en de wilskracht gebouwd is, dan zouden bijna alle menschen tot moedige wezens kunnen worden opgevoed.Maar in de plaats van ons reeds vroeg te leeren willen, kiezen en overwegen, leert men ons toe te geven en te buigen; het droombeeld van vrij onzen eigen weg te gaan te onderdrukken en alleen onzen boozen geest te volgen. Men maakt er ons opmerkzaam op, hoe verwaand het is, een opzichzelfstaand geheel te willen beteekenen en hoe nuttig, éen van de vele nullen te zijn die, vereenigd, eene millioen helpen vormen. Men zegt ons dat voorspoed en vooruitgang in lijnrechte tegenstelling zijn met het streven naar vrijheid; men wil ons overtuigen dat de mogelijkheid om “gelukkig te maken” onvereenigbaar is met den wensch om op onze eigene manier gelukkig te zijn. Men richt onzen blik op de hoogte der samenleving, waar de menigte haar offer aan het vooroordeel brengt en men waarschuwtons, toch vooral ons niet te voegen bij de kleine minderheid die, met ongebogen knie en fier opgeheven hoofd, door de wereld gaat.Men zorgt er voor het ons reeds vroeg bij te brengen hoe slecht het altijd is afgeloopen met de overmoedigen, die hunne vrijheid van denken en handelen onder den druk der partijen hadden trachten te behouden; die dwazen, die trouw te zijn jegens hun eigen persoon voor belangrijker hielden dan gelijk te staan met anderen; die hunne eigene overtuiging verdedigden en volgden; die rond voor hunne opvatting van het leven uitkwamen, in plaats van anderen na te praten; die leefden van eigene middelen, liever dan van vrienden en kennissen te leenen; die aan de opwellingen in hun eigen hart gehoor gaven en niet aan die van zekere, heerschende kringen in de maatschappij; in éen woord, hoe het die allen gegaan is, die eigen oordeel en meening verkozen te hebben en zich niet wilden tevreden stellen met “de algemeene opinie”.Natuurlijk hebben die overmoedigen hun welverdiend loon ontvangen! Hunne vrienden beklaagden er zich over nooit te weten wat men aan hen had en haastten zich hen te verlaten, onder innig leedwezen over hunne afvalligheid. Hunne vele kennissen hadden het altijd wel geweten dat zij “onberekenbare, karakterlooze menschen waren, die men nooit volkomen vertrouwen kon.” En de aaneengeslotene, toonvoerende meerderheid heeft het klaar en duidelijk bewezen dat zij gevaarlijke menschen zijn, menschen “zonder beginselen”.Waarlijk, om door dit oordeel te worden getroffen behoefden die menschen volstrekt niet met een nieuwen vorm van godsdienst aan te komen, of met al het bestaande omverhalende leerstellingen in de maatschappij!Het was voldoende dat zij hunne beste krachten er aanhadden gewijd om de onderdrukking van eene partij ten opzichte der andere te verhinderen; dat zij hunne afkeuring over een onrechtvaardig oordeel te kennen gaven en over het toepassen van gewetensdwang. Of dat zij het karakter van een persoon verdedigden, hoewel zij zijne levensopvatting niet huldigden; of voor die opvatting pleitten, hoewel zij zich voor zijn karakter niet verantwoordelijk konden stellen. Ja, soms is het wel voldoende gebleken dat iemand in een kring van conservatieven durfde te beweren dat niet iedere radikaal een dubbelzinnig karakter is, of in een gezelschap van radikalen te zeggen, dat niet ieder conservatief man een domkop is, om zelf in een zeer twijfelachtig licht te worden geplaatst ten opzichte van zijne eer, van zijn naam als fatsoenlijk man en van zijn gezond verstand.Laat men zich nu niet bijtijds door de vrienden waarschuwen, maar blijft men volharden in zijn idiosynkrasi om zijn eigen meening te zeggen, de stem van zijn geweten te volgen, te oordeelen naar de mate van ’t verstand dat hij heeft—dan hangt het van de minste of geringste toevalligheid af welk einde zoo iemand neemt: òf de langzame hongerdood, òf wel een beklagenswaardig alleen-staan in de wereld zijn lot wezen zal.En toch—ondanks dit alles hebben er in elke generatie menschen geleefd die het durfden wagen zich zelf te zijn; die onbeschaamd genoeg waren om te denken, te handelen, te beminnen, te dichten en te scheppen, op hun eigen hand! Dit zijn de menschen die thans nog in ons midden leven; zij, wier moed door hunne tijdgenooten met driestheid of brutaliteit werd aangeduid, maar die door het nageslacht worden bezongen en gevierd als groote mannen, aangebeden als openbaringen van wijsheid en licht. Hunne bezwaren waren geheel dezelfde als de onze. De held van ieder tijdperk moet het hoofd bieden aan deverzoeking die hem nadert in den vorm van eer en een rijk bestaan; aan de meesterachtige critiek van zijn tijd; aan den druk der partijen; aan kleingeestige oudewijvenpraat—ja zelfs aan het toejuichend gekwaak der kikkers in de sloot! Maar die helden hebben toch overwonnen, dank zij hun moed. Elk tijdvak waarin nieuwe denkbeelden hun weg vonden, elk tijdvak vol licht en gloed, vanwaar scheppende of verjongende krachten uitgingen—is onbetwistbaar een tijdvak geweest dat vele moedige menschen opleverde.In zulke dagen vereischt het geen bijzonderen moed om dapper te zijn; want moed is eene hoedanigheid die het gemakkelijkst van alle deugden op anderen overgaat—de lafheid uitgezonderd!Alle ledige, dorre tijden, zonder glans en leven, waren laf. Wanneer de moed niet in den dampkring ligt is er meer voor noodig om dien te behouden, of te oefenen, dan in een gunstiger tijdperk.De dagen waarin wij leven zijn er juist niet naar om den moed aan te kweeken en dezen tot zijn recht te doen komen. Want alle tijden van overgang zijn gevaarlijk voor den moed, die in buitengewone mate versterkt wordt door getrouwheid aan vaste beginselen, door de overtuiging te strijden voor zijn goed recht.Maar, al gaat nu onder een tijd van worstelen en strijden aan den eenen kant licht de moed verloren, daartegenover staan andere, en gewichtiger redenen om te trachten dien te herwinnen, waar men zich telkens geplaatst ziet tegenover de keuze tusschen nieuwe botsingen en nieuwe inzichten. Er is moed noodig om de waarheid te zoeken, maar ook om haar des noods te kunnen missen, als zij voor ons niet duidelijk zichtbaar is; moed om werkzaam te zijn—maar ook moed om te rusten. Erwordtmoed vereischt om het geluk vast te houden als het onder onsbereik is gekomen—ook om het prijs te geven, wanneer de omstandigheden er toe leiden. Soms ligt het grootste bewijs van moed in afwachten; dan weer in wagen en ondernemen. Heden kost het moed om alleen te staan—morgen om mij bij mijne geestverwanten aan te sluiten; nu eens om voor mijn goed recht op te komen—dan weer om het prijs te geven.Zonder moed kan men niet haten en nog minder liefhebben. Zonder moed kan men niet in waarheid leven noch sterven.Laat ons moed hebben—moed in de eerste plaats; en wij zullen tot de bemoedigende ontdekking komen dat wij meer vrijheid en meer geluk bezitten, dan wij dachten.Wij zijn heusch niet zoo boosaardig, of zoo dom, of zoo kleinzielig en “laag bij den grond” als wij schijnen. Alleen zijn wij veel laffer dan wij zelf denken. Uit lafheid mishandelen wij elkander—vervelen,—verdrukken—verongelijken wij elkander.Laat ons die lafhartigheid bestrijden—en het leven zal weder schoon voor ons worden met zijne vele scheppende krachten die vrij komen; door de algemeene welwillendheid die overal werkzaam is; door alle sympathie, die lust tot handelen wekt; door alle gedachten en gevoelens die hun invloed rechtstreeks op ons uitoefenen.Nooit vermoedde eigenaardige hoedanigheden bij ons zelf en anderen, zullen een schat van afwisseling en schakeeringen te voorschijn roepen, waar men meende niets dan armoede en stilstand—dus achteruitgang—te kunnen verwachten. De som van levenslust en levenskracht zou tot in ’t oneindige vermenigvuldigd worden als wij den moed hadden om allen tezamen het groote waagstuk te ondernemen! Als wij nu eens het vertrouwen dat wij gevondenhebben openlijk bekenden; als wij eerlijk rekenschap durfden te geven van het geloof dat wij nu hebben in de plaats van het vroegere dat wij verloren? Als wij ronduit verklaarden wat onze eigen overtuiging is—niet de van anderen geleende vormen; als wij durfden te bouwen op eigen ervaringen, zelfs al werden wij hierdoor van onze geestverwanten gescheiden?Als wij den moed hadden te blijven twijfelen, waar wij bij anderen verzekerdheid vinden en onze overtuiging te behouden, ook alontmoettenwij twijfel daaromtrent bij anderen? Als wij eerlijk de deugden van onze tegenstanders durfden erkennen en de gebreken van onze geestverwanten? Als wij den moed hadden vrijgevig te zijn met ons vertrouwen maar zuinig met onze oordeelvellingen? Als wij in ootmoed ons hoofd durfden te buigen ten opzichte van dingen waarvan wij geen verstand hebben, maar fier opstaan, waar het geldt de zekerheid, die wij met worstelen en strijden gewonnen hebben, te verdedigen? Als wij naar onzen eigen smaak, en rekening houdende met onze middelen, durfden te leven; in bescheidenheid te genieten op onze wijze en er ons aan gewenden te zien dat anderen dit eveneens doen? Als wij ons meer oefenden in de groote kunst, de beweegredenen der daden van anderen te erkennen, ook al zijn wij genoodzaakt hen tegen te spreken, en hunne handelingen af te keuren, hoewel wij hen persoonlijk hoog achten? Als wij het er eens op waagden elke partij te laten voor wat zij is—behalve onze eigen overtuiging?En ten laatste: als wij den moed hadden onze lafhartigheid in te zien en die bij haar waren naam te noemen in de plaats van die te verschuilen achter fraaie woorden als: eerbied, bescheidenheid, ontzag voor de meening van anderen; gematigdheid en tact? Dan zouden wij een geheel andere maatschappij zien worden!Weldra zouden wij het gezellig verkeer de plaats der vroegere maskerades zien innemen; debatten, de twisten en het spel met ijdele woorden zien vervangen; de daad zou de vroegere spiegelbeelden vervangen; oorspronkelijke scheppingskracht, de eenvoudige herhaling van het bestaande; gedachtenwisseling over verschillende gezichtspunten, het verdacht maken van die opvatting; eigene levenservaring de eenmaal gebruikelijke holle vormen; wáár gelooven, de van buiten geleerde formules. In één woord: wij zouden van onze vrijheid genieten terwijl wij nu daarentegen aan snoeren geregen, in pakken gebonden, met étiquetten beplakt, in partijen gesorteerd, op een lijst ingeschreven, in verschillende categoriën verdeeld en in uniform gekleed worden!“Maar zou de baatzucht niet een al te groote ruimte gaan beslaan indien de moed aan ieder persoon het recht eener plaats toekende?” vraagt misschien een altruïst.Is dan niet juist de lafheid boosaardig? Wordt er niet vaak grooten moed vereischt om vriendelijk te zijn en goed? Is niet vrijheid de éenige voorwaarde om tot echte humaniteit te geraken? Dringt het besef van onafhankelijke vrijheid niet onwillekeurig tot edelmoedigheid jegens anderen die niet vrij zijn? Gaat geduld niet samen met moed?1Moest niet de prediker van onbaatzuchtige naastenliefde juist in den dood gaan omdat hij den moed bezat alleen te staan en geen partij rondom hem te vormen; den moed om zichzelf te zijn; de banden waarin zijn tijd geboeid lag te verbreken; den moed te gelooven in de vrijheid?!Daarom is er in het goddelijk gebod, aan anderen tedoen wat wij zouden wenschen dat anderen ons deden, niets dat strijdt tegen het betoonen van moed. In tegendeel. In dit gebod ligt—uit een ander gezichtspunt—eeuwig dezelfde schoone gedachte als in de vermaning van den Helleen:“Geloof dat het geluk bestaat in vrijheid en dat vrijheid is: moed!”1In het Zweedsch is moed = mod; geduld = tålamod, letterlijk: “moed om te dulden”; eene schoone, veelzeggende woordspeling.Vert.

Er zijn altijd jong blijvende woorden, woorden wier echte goudklank nooit tot een ontvankelijk oor doordringt, zonder dezelfde gewaarwordingen te voorschijn te roepen als toen zij, misschien duizend jaar geleden, voor het eerst werden uitgesproken;—toen als een nieuwe uitdrukking voor het innig besef van dien tijd.

Onder deze woorden en spreuken van een eeuwige jeugd is er een, die voor den eersten keer door den welsprekendsten mond in Hellas verkondigd werd:

“Geloof dat het geluk bestaat in vrijheid—en dat vrijheid is moed!”

De inhoud van die spreuk kon voor Pericles voorzeker niet dezelfde beteekenis hebben als voor ons.

Ondervrijheidverstond men feitelijk de onafhankelijkheid van den eenen staat tegenover den anderen; met moed werd vooral de deugd van dappere verdediging des vaderlands bedoeld.

Toch is het best mogelijk dat er bij den minnaar van Aspasia en den vriend van Socrates, een vermoeden heeft bestaan van den tijd, wanneer die schoone woorden, in dieperen zin, zouden beteekenen de onmisbare voorwaardetot welvaart en geluk; zoowel voor het geluk van de op zichzelfstaande persoonlijkheid, als voor de vrijheid eener geheele natie.

Edele woorden groeien in dezelfde mate als de menschheid groeit. Wij begrijpen het nu, dat de enkele mensch evenmin geluk en vrijheid vinden kan als de geheele Staat, wanneer de moed hem ontbreekt. Maar hangt het dan wel van ons-zelf af moed te hebben of niet?

Zeer zeker. Moed is eene hoedanigheid die verkregen wordt door hem of haar die haar wil verkrijgen; maar men moet willen, met ernst en volharding. Er zijn menschen die met een hun aangeboren moed ter wereld komen, maar de meesten hebben, voor het grootste deel althans, hun moed zelf gekweekt.

Er is geen eigenschap die door oefening sneller toeneemt. Als men het in onze samenleving maar duidelijker begreep dat moed den grond vormt, waarop het karakter en de wilskracht gebouwd is, dan zouden bijna alle menschen tot moedige wezens kunnen worden opgevoed.

Maar in de plaats van ons reeds vroeg te leeren willen, kiezen en overwegen, leert men ons toe te geven en te buigen; het droombeeld van vrij onzen eigen weg te gaan te onderdrukken en alleen onzen boozen geest te volgen. Men maakt er ons opmerkzaam op, hoe verwaand het is, een opzichzelfstaand geheel te willen beteekenen en hoe nuttig, éen van de vele nullen te zijn die, vereenigd, eene millioen helpen vormen. Men zegt ons dat voorspoed en vooruitgang in lijnrechte tegenstelling zijn met het streven naar vrijheid; men wil ons overtuigen dat de mogelijkheid om “gelukkig te maken” onvereenigbaar is met den wensch om op onze eigene manier gelukkig te zijn. Men richt onzen blik op de hoogte der samenleving, waar de menigte haar offer aan het vooroordeel brengt en men waarschuwtons, toch vooral ons niet te voegen bij de kleine minderheid die, met ongebogen knie en fier opgeheven hoofd, door de wereld gaat.

Men zorgt er voor het ons reeds vroeg bij te brengen hoe slecht het altijd is afgeloopen met de overmoedigen, die hunne vrijheid van denken en handelen onder den druk der partijen hadden trachten te behouden; die dwazen, die trouw te zijn jegens hun eigen persoon voor belangrijker hielden dan gelijk te staan met anderen; die hunne eigene overtuiging verdedigden en volgden; die rond voor hunne opvatting van het leven uitkwamen, in plaats van anderen na te praten; die leefden van eigene middelen, liever dan van vrienden en kennissen te leenen; die aan de opwellingen in hun eigen hart gehoor gaven en niet aan die van zekere, heerschende kringen in de maatschappij; in éen woord, hoe het die allen gegaan is, die eigen oordeel en meening verkozen te hebben en zich niet wilden tevreden stellen met “de algemeene opinie”.

Natuurlijk hebben die overmoedigen hun welverdiend loon ontvangen! Hunne vrienden beklaagden er zich over nooit te weten wat men aan hen had en haastten zich hen te verlaten, onder innig leedwezen over hunne afvalligheid. Hunne vele kennissen hadden het altijd wel geweten dat zij “onberekenbare, karakterlooze menschen waren, die men nooit volkomen vertrouwen kon.” En de aaneengeslotene, toonvoerende meerderheid heeft het klaar en duidelijk bewezen dat zij gevaarlijke menschen zijn, menschen “zonder beginselen”.

Waarlijk, om door dit oordeel te worden getroffen behoefden die menschen volstrekt niet met een nieuwen vorm van godsdienst aan te komen, of met al het bestaande omverhalende leerstellingen in de maatschappij!

Het was voldoende dat zij hunne beste krachten er aanhadden gewijd om de onderdrukking van eene partij ten opzichte der andere te verhinderen; dat zij hunne afkeuring over een onrechtvaardig oordeel te kennen gaven en over het toepassen van gewetensdwang. Of dat zij het karakter van een persoon verdedigden, hoewel zij zijne levensopvatting niet huldigden; of voor die opvatting pleitten, hoewel zij zich voor zijn karakter niet verantwoordelijk konden stellen. Ja, soms is het wel voldoende gebleken dat iemand in een kring van conservatieven durfde te beweren dat niet iedere radikaal een dubbelzinnig karakter is, of in een gezelschap van radikalen te zeggen, dat niet ieder conservatief man een domkop is, om zelf in een zeer twijfelachtig licht te worden geplaatst ten opzichte van zijne eer, van zijn naam als fatsoenlijk man en van zijn gezond verstand.

Laat men zich nu niet bijtijds door de vrienden waarschuwen, maar blijft men volharden in zijn idiosynkrasi om zijn eigen meening te zeggen, de stem van zijn geweten te volgen, te oordeelen naar de mate van ’t verstand dat hij heeft—dan hangt het van de minste of geringste toevalligheid af welk einde zoo iemand neemt: òf de langzame hongerdood, òf wel een beklagenswaardig alleen-staan in de wereld zijn lot wezen zal.

En toch—ondanks dit alles hebben er in elke generatie menschen geleefd die het durfden wagen zich zelf te zijn; die onbeschaamd genoeg waren om te denken, te handelen, te beminnen, te dichten en te scheppen, op hun eigen hand! Dit zijn de menschen die thans nog in ons midden leven; zij, wier moed door hunne tijdgenooten met driestheid of brutaliteit werd aangeduid, maar die door het nageslacht worden bezongen en gevierd als groote mannen, aangebeden als openbaringen van wijsheid en licht. Hunne bezwaren waren geheel dezelfde als de onze. De held van ieder tijdperk moet het hoofd bieden aan deverzoeking die hem nadert in den vorm van eer en een rijk bestaan; aan de meesterachtige critiek van zijn tijd; aan den druk der partijen; aan kleingeestige oudewijvenpraat—ja zelfs aan het toejuichend gekwaak der kikkers in de sloot! Maar die helden hebben toch overwonnen, dank zij hun moed. Elk tijdvak waarin nieuwe denkbeelden hun weg vonden, elk tijdvak vol licht en gloed, vanwaar scheppende of verjongende krachten uitgingen—is onbetwistbaar een tijdvak geweest dat vele moedige menschen opleverde.

In zulke dagen vereischt het geen bijzonderen moed om dapper te zijn; want moed is eene hoedanigheid die het gemakkelijkst van alle deugden op anderen overgaat—de lafheid uitgezonderd!

Alle ledige, dorre tijden, zonder glans en leven, waren laf. Wanneer de moed niet in den dampkring ligt is er meer voor noodig om dien te behouden, of te oefenen, dan in een gunstiger tijdperk.

De dagen waarin wij leven zijn er juist niet naar om den moed aan te kweeken en dezen tot zijn recht te doen komen. Want alle tijden van overgang zijn gevaarlijk voor den moed, die in buitengewone mate versterkt wordt door getrouwheid aan vaste beginselen, door de overtuiging te strijden voor zijn goed recht.

Maar, al gaat nu onder een tijd van worstelen en strijden aan den eenen kant licht de moed verloren, daartegenover staan andere, en gewichtiger redenen om te trachten dien te herwinnen, waar men zich telkens geplaatst ziet tegenover de keuze tusschen nieuwe botsingen en nieuwe inzichten. Er is moed noodig om de waarheid te zoeken, maar ook om haar des noods te kunnen missen, als zij voor ons niet duidelijk zichtbaar is; moed om werkzaam te zijn—maar ook moed om te rusten. Erwordtmoed vereischt om het geluk vast te houden als het onder onsbereik is gekomen—ook om het prijs te geven, wanneer de omstandigheden er toe leiden. Soms ligt het grootste bewijs van moed in afwachten; dan weer in wagen en ondernemen. Heden kost het moed om alleen te staan—morgen om mij bij mijne geestverwanten aan te sluiten; nu eens om voor mijn goed recht op te komen—dan weer om het prijs te geven.

Zonder moed kan men niet haten en nog minder liefhebben. Zonder moed kan men niet in waarheid leven noch sterven.

Laat ons moed hebben—moed in de eerste plaats; en wij zullen tot de bemoedigende ontdekking komen dat wij meer vrijheid en meer geluk bezitten, dan wij dachten.

Wij zijn heusch niet zoo boosaardig, of zoo dom, of zoo kleinzielig en “laag bij den grond” als wij schijnen. Alleen zijn wij veel laffer dan wij zelf denken. Uit lafheid mishandelen wij elkander—vervelen,—verdrukken—verongelijken wij elkander.

Laat ons die lafhartigheid bestrijden—en het leven zal weder schoon voor ons worden met zijne vele scheppende krachten die vrij komen; door de algemeene welwillendheid die overal werkzaam is; door alle sympathie, die lust tot handelen wekt; door alle gedachten en gevoelens die hun invloed rechtstreeks op ons uitoefenen.

Nooit vermoedde eigenaardige hoedanigheden bij ons zelf en anderen, zullen een schat van afwisseling en schakeeringen te voorschijn roepen, waar men meende niets dan armoede en stilstand—dus achteruitgang—te kunnen verwachten. De som van levenslust en levenskracht zou tot in ’t oneindige vermenigvuldigd worden als wij den moed hadden om allen tezamen het groote waagstuk te ondernemen! Als wij nu eens het vertrouwen dat wij gevondenhebben openlijk bekenden; als wij eerlijk rekenschap durfden te geven van het geloof dat wij nu hebben in de plaats van het vroegere dat wij verloren? Als wij ronduit verklaarden wat onze eigen overtuiging is—niet de van anderen geleende vormen; als wij durfden te bouwen op eigen ervaringen, zelfs al werden wij hierdoor van onze geestverwanten gescheiden?

Als wij den moed hadden te blijven twijfelen, waar wij bij anderen verzekerdheid vinden en onze overtuiging te behouden, ook alontmoettenwij twijfel daaromtrent bij anderen? Als wij eerlijk de deugden van onze tegenstanders durfden erkennen en de gebreken van onze geestverwanten? Als wij den moed hadden vrijgevig te zijn met ons vertrouwen maar zuinig met onze oordeelvellingen? Als wij in ootmoed ons hoofd durfden te buigen ten opzichte van dingen waarvan wij geen verstand hebben, maar fier opstaan, waar het geldt de zekerheid, die wij met worstelen en strijden gewonnen hebben, te verdedigen? Als wij naar onzen eigen smaak, en rekening houdende met onze middelen, durfden te leven; in bescheidenheid te genieten op onze wijze en er ons aan gewenden te zien dat anderen dit eveneens doen? Als wij ons meer oefenden in de groote kunst, de beweegredenen der daden van anderen te erkennen, ook al zijn wij genoodzaakt hen tegen te spreken, en hunne handelingen af te keuren, hoewel wij hen persoonlijk hoog achten? Als wij het er eens op waagden elke partij te laten voor wat zij is—behalve onze eigen overtuiging?

En ten laatste: als wij den moed hadden onze lafhartigheid in te zien en die bij haar waren naam te noemen in de plaats van die te verschuilen achter fraaie woorden als: eerbied, bescheidenheid, ontzag voor de meening van anderen; gematigdheid en tact? Dan zouden wij een geheel andere maatschappij zien worden!

Weldra zouden wij het gezellig verkeer de plaats der vroegere maskerades zien innemen; debatten, de twisten en het spel met ijdele woorden zien vervangen; de daad zou de vroegere spiegelbeelden vervangen; oorspronkelijke scheppingskracht, de eenvoudige herhaling van het bestaande; gedachtenwisseling over verschillende gezichtspunten, het verdacht maken van die opvatting; eigene levenservaring de eenmaal gebruikelijke holle vormen; wáár gelooven, de van buiten geleerde formules. In één woord: wij zouden van onze vrijheid genieten terwijl wij nu daarentegen aan snoeren geregen, in pakken gebonden, met étiquetten beplakt, in partijen gesorteerd, op een lijst ingeschreven, in verschillende categoriën verdeeld en in uniform gekleed worden!

“Maar zou de baatzucht niet een al te groote ruimte gaan beslaan indien de moed aan ieder persoon het recht eener plaats toekende?” vraagt misschien een altruïst.

Is dan niet juist de lafheid boosaardig? Wordt er niet vaak grooten moed vereischt om vriendelijk te zijn en goed? Is niet vrijheid de éenige voorwaarde om tot echte humaniteit te geraken? Dringt het besef van onafhankelijke vrijheid niet onwillekeurig tot edelmoedigheid jegens anderen die niet vrij zijn? Gaat geduld niet samen met moed?1Moest niet de prediker van onbaatzuchtige naastenliefde juist in den dood gaan omdat hij den moed bezat alleen te staan en geen partij rondom hem te vormen; den moed om zichzelf te zijn; de banden waarin zijn tijd geboeid lag te verbreken; den moed te gelooven in de vrijheid?!

Daarom is er in het goddelijk gebod, aan anderen tedoen wat wij zouden wenschen dat anderen ons deden, niets dat strijdt tegen het betoonen van moed. In tegendeel. In dit gebod ligt—uit een ander gezichtspunt—eeuwig dezelfde schoone gedachte als in de vermaning van den Helleen:

“Geloof dat het geluk bestaat in vrijheid en dat vrijheid is: moed!”

1In het Zweedsch is moed = mod; geduld = tålamod, letterlijk: “moed om te dulden”; eene schoone, veelzeggende woordspeling.Vert.

1In het Zweedsch is moed = mod; geduld = tålamod, letterlijk: “moed om te dulden”; eene schoone, veelzeggende woordspeling.

Vert.


Back to IndexNext