Vrijheid.Ueber der Pforte unserer Zeit steht: “Verwerthe Dich!”Max Stirner.“Persoonlijke vrijheid”—deze uitdrukking is bijna tot een algemeen wachtwoord gemaakt, hoewel slechts enkelen begrijpen welke beteekenis in het woord ligt. Hoevelen weten inderdaad wat er vereischt wordt om dag aan dag, jaar na jaar, den inhoud er van te verwezenlijken? Hoevelen hebben er hunne nachtrust aan opgeofferd, aan het peinzen over wat zijn of haareigen ikbeteekent, en hoe die persoonlijkheid inderdaad als zoodanig hare taak zal volbrengen in de maatschappij?Zichzelf persoonlijk vrijmaken—dat is onder anderen een voortdurend luisteren naar de tonen in ons gemoed om te trachten den grondtoon te ontdekken. En heeft men dien gevonden, dan eischt het streven naar ’t bereiken van persoonlijke vrijheid, dat men met open oog zoekt naar de behoeften van geest en hart, en daaraan tracht te gemoed te komen. Dat men zich op de juiste wijze vormt en zijne ontwikkeling met ernst in de hand neemt; dat men luistert naar de stem van eigen ervaring in het leven; zijne eigene gewoonten, voor zoover daar eenigen zin inligt, veredelt en dus zijne eigenaardige oorspronkelijkheid kweekt en krachtiger doet worden. En ook dat men daarentegen zooveel mogelijk de herinneringen, studies en gewoonten die hinderend onze persoonlijke ontwikkeling in den weg kunnen staan, ter zijde zet en het vermijdt om met deze in aanraking te komen. De neiging tot individualiteit uit zich—evenzoo als elke andere belangrijke neiging—aanvankelijk als eene kracht tot zelfverdediging jegens allen en alles wat inbreuk daarop zou kunnen maken, dien drang zou willen beperken. De geboren individualist heeft reeds in de kinderkamer en op de schoolbank een eigen keuze gedaan met het oog op zijn speelgoed, zijne boeken, zijne wijze van leeren, zijne vrienden. Reeds vroeg heeft hij den moed gehad zijn eigen smart en vreugde, zijn eigen smaak en zijne fouten, ronduit te toonen. Hij heeft die niet laten verwringen, verkleuren en afronden door anderen, of door de omstandigheden. In zijne jeugd is men zelden in de gelegenheid om zijn gevoel van persoonlijkheid in daden uit te drukken. Maar juist om die reden doet zich de geboren individualist in die jaren kennen als een “Jantje contrari” en wordt dus een alles behalve aangenaam kind in den huiselijken kring. Laat echter eerst de tijd tot handelen komen! Dan heeft hij zijn karakter middelerwijle genoeg geoefend om te begrijpen: wanneer hij iets kan en mag wagen, en wanneer het geraden is stil toe te zien; wanneer hij fier het hoofd kan opheffen, of zich moet voegen naar anderen; wanneer hij moet afwachten of een besluit nemen; inhoever hij met anderen kan meêgaan en inhoever dit meêgaan ontrouw aan zichzelf zoude worden.Maar al deze dingen vormen nog slechts oefeningen en dressuur voor den grooten veldslag, die gewonnen moet worden, zal men de persoonlijke vrijheid veroveren. Die oorlog wordt gevoerd in de geheimzinnige wereld vanmijn binnenste, als het om de oprechtheid mijner gevoelens, de eerlijkheid mijner toekomst-droomen te doen is; als het mijne twijfelingen en mijn geloof, mijne voorgevoelens en opwellingen van het oogenblik geldt. Dan wordt er een scherp oog vereischt om alles, wat mijn eigendom is in den vollen zin van het woord, op te delven uit die schemerachtige diepte, die men het menschelijk hart noemt; en een scherp gehoor is er noodig om die zachte, bedeesde stemmen te verstaan, die de tolken van ons zieleleven zijn, maar die helaas vaak worden overstemd door overgeërfde, aangeleerde gewoonten en oppervlakkigheid. Ons verstandigikbrengt maar al te dikwijls ons beter, ons warmgevoelendiktot zwijgen. Wij verwisselen al te licht de kreet van den hartstocht, met den zucht van innig verlangen die uit onzen boezem opstijgt. Wij houden vaak de weerspiegeling van doode denkbeelden, voor echte teekenen van leven. Hoe menigmaal verloochenen wij onze overtuiging en noemen dit “ontzag en eerbied voor de meening van anderen”; en hoe menigmaal klampen wij ons vast aan verouderde en versleten gewoonten en noemen dit vastheid van karakter. Hoe laf! Is er wel een duidelijker bewijs noodig dat het ons ontbreekt aan moed?Nu beteekenen alle vrijheden ter wereld bedroefd weinig, vergeleken bij de verlossing uit den persoonlijken dwang en alle andere onderdrukkingen verdwijnen in het niet bij die van de persoonlijke vrijheid. Het komt er in de eerste plaats op aan of onze persoonlijkheid krachtig genoeg ontwikkeld is om hare eigene boeien te verbreken, want dàn heeft zij voorzeker ruimschoots de kracht die vereischt wordt om alle andere hinderpalen te overwinnen. Iemand, bezield met den drang om altijd en geheel zich zelf te zijn; te leven met elke bloedstrooming; uitdrukking te geven aan wat er in zijn binnenste omgaat—zooiemand zal wel geen rustig, maar altijd een rijk leven leiden. Voor hem is het leven een lied; want hij dicht het zelf onder de dagelijksche bezigheden en de bedwelming van gewichtige oogenblikken; onder jaren van leed en gedurende het kortstondig, maar heerlijk genot van alles wat hem gelukkig maakt. Hij weet, dat het beste wat hij anderen geven kan, tevens het hoogste genot voor hemzelf oplevert: het leven te vervullen van altijd echte—en als het mogelijk is ook krachtige en schoone, uitingen zijner persoonlijkheid.Op deze wijze geeft hij, voor zichzelf en voor anderen, een vernieuwde waarde aan het leven, en tevens nieuwe, prikkelende aanmoediging ten leven. Hij verruimt, naar de mate zijner gaven, zijn plekje van het aardsch bestaan; hij overwint op zijn eigenaardige wijze de moeilijkheden waarmede het verouderde en gestorven verleden, het levend heden in den weg treedt.Een zelfbewust persoon in den echten diepen zin van het woord, verlangt van anderen eenvoudig vrijheid voor zijne persoonlijke gevoelens en daden. Daarom hebben haat noch spot, waardeering noch miskenning, de macht hem van zijn weg te doen afwijken of zijne innerlijke harmonie te verstoren, zoolang hij getrouw blijft aan zijn eigen pathos; die trouw is voor hem alles—godsdienst en zedelijke wet. Die getrouwheid geeft moed om af te dalen tot in de diepte van zijn eigen hart—moed om de gevolgen van hetgeen hij daar ontdekt te dragen—zelfs ook al zoude het eigen belang er door winnen dat men tijdelijk zijn gevoelen of zijne plannen opofferde. En zij geeft ons nog een anderen moed: dien, om desnoods de achting onzer medemenschen te kunnen missen. Dit toch is de éenige voorwaarde om ten allen tijde onze achting voor onszelf te behouden; wij moeten deze maar al te dikwijls prijs geven als het er ons om te doen is den bijvalder wereld te veroveren. Om al deze redenen noemen wij een individu alleen dan persoonlijk sterk en vrij, als hij niet langer vreest de achting van iemand te verliezen behalve zijne eigene.Het gebeurt niet zelden dat zulk eene kracht de overwinning behaalt over de algemeene stemming die een flink karakter zich genoodzaakt zag te trotseeren. Want die stemming wijkt—even als andere wilde beesten—terug voor een moedig oog, terwijl zij den lafhartig vluchtende vervolgt en verscheurt.Nu moge het vreemd klinken, maar een individualist die zich gedwongen ziet alleen zijn weg te gaan heeft desniettemin daarbij altijd een goed geleide; niet van de menschen die nu leven, maar van hen die komen zullen.De groote menigte heeft nog zeer weinig doorgedacht over de beteekenis van de uitdrukking “persoonlijke vrijheid”. Voor velen roept dit woord de voorstelling op van—om iets te noemen—een heer, die zijn dag begint met zijne voeten op de ontbijttafel te leggen en dien eindigt met de vrouw van zijn vriend te verleiden, daartusschen-in een meineed gezworen, een wissel vervalscht, een sluipmoord begaan, heeft. Maar ook degenen wier verbeeldingskracht een minder hooge vlucht neemt, vereenigen toch aan de gedachte van “vrijheid des persoons” de voorstelling van onbeperkte vrijheid voor iedereen, om zijne driften en neigingen te volgen.Wie het onderwerp ernstig beschouwt, zal weldra tot de overtuiging komen dat onze driften juistniethet persoonlijke, het algemeen-menschelijke in ons vertegenwoordigen en dat iemand die zich door zijne hartstochten laat beheerschen, al was het alleen daarom, geen persoonlijkheid is. Het zeer jonge kind, de boschjesman, de onbeschaafde ruwe mensch, draagt nog slechts de mogelijkheidin zich om, eenmaal een persoonlijkheid te kunnen worden; maar daaraan moet zeer veel voorafgaan. Zij ontstaat slechts door de geheel bijzondere ernstige wijze waarop driften en hartstochten tot hoedanigheden van edeler aard worden omgewerkt. Zoo als het wezen van de meeste menschen in den grond bepaald wordt door overgeërfde neigingen en gaven, zoo vindt men ook verschillende graden van aanleg tot individualiteit. Maar al zijn de neigingen of het talent voor persoonlijkheid grooter of geringer, toch kunnen die gewijzigd worden door ervaring van droeven of verblijdenden aard, door opvoeding en ontwikkeling, door gewoonten en levensomstandigheden. Zoodoende worden hartstochten in gevoelens en gevoelens in gedachten en voorstellingen omgezet. Zoo wordt het ruwe wezen van den natuur-mensch tot een denkenden mensch veredeld, en in dezelfde mate als hij vordert op den weg van zelfkennis en ontwikkeling, zal deze zich minder laten beheerschen door zijne blinde hartstochten en driften. Hartstocht en zinnelijkheid zijn noodzakelijk; dat is te zeggen: zij hebben het recht van bestaan evenzoogoed als ieder ander moment onzer persoonlijkheid. Maar geen enkele dezer hoedanigheden mag zich zoo sterk ontwikkelen dat alle andere eigenschappen er door worden benadeeld. Dit zou zoowel het geluk als de vrijheid des persoons hinderend in den weg staan. Het is een oude ervaring, die in onze dagen met eene treurige duidelijkheid wordt bevestigd, dat een mensch die door zijne driften beheerscht wordt, zoo karakterloos wordt, dat hij tot een zekeren graad van verlaging gekomen, elk bewustzijn verliest van zijne waardigheid en van de verplichting die zijn rang en stand in de maatschappij hem opleggen; dit gaat soms zoover, dat hij zich van het eene uiterste tot het andere laat drijven en zich laat medevoeren op honderd paden, waarvan geen enkel door hem gekozen werd.Vrij is alleen de man, of de vrouw, die zich noch door eigen lusten, noch door den wil van anderen, laat verleiden om tegen beter weten in te handelen. Alleen zelfbewuste daden kunnen een mensch voldoening schenken. Geluk is het volkomen bewustzijn van macht, dat het gevolg is van de ontwikkeling onzer krachten in de grootst mogelijke vrijheid, de hoogst mogelijke volmaaktheid. Het onpersoonlijke bevredigen van onze driften kan eenig dierlijk genot opleveren, maar het schenkt ons nimmer het echte, menschelijke geluk.Elke gedwongene, onpersoonlijke handeling die de individueel ontwikkelde mensch begaat, kwelt hem als eene zonde tegen zijn eigen karakter, zij het nu dat hij die gepleegd heeft in een oogenblik toen zijn hartstocht hem te machtig werd, of gevolg gevende aan eene door hem in den grond afgekeurde gewoonte. Maar wie eenmaal de persoonlijke vrijheid veroverd heeft, zal zich niet licht aan een dergelijk kwaad schuldig maken. Hij kan gebruik maken van al de eigenaardige krachten en bewegingen, die hij, dank zij zijne volmaakte vrijheid, onafhankelijk van anderen kan sturen naar zijn eigen goedvinden. Hij houdt en leidt die zoo gemakkelijk als de ervaren schipper zijn vaartuig, de geoefende ruiter zijn ros. Hij geniet van het heerlijk bewustzijn zichzelf vrij te laten in zijne bewegingen, zonder vrees voor te ver te zullen gaan; van het gevoel van zijn geheel warm hart, zijn persoonlijk karakter, gerust te kunnen toonen zonder vrees dat hierdoor iets wat laag of kleinzielig, ruw of leelijk is, aan het daglicht zou kunnen komen.Er is geen edeler toestand van bezieling denkbaar dan die dit verheffende, fiere wezen in zijn vrij en eigenmachtig optreden ten toon spreidt.Bij zulk een mensch kan van geen gebreken of vergissingen sprake zijn; alleen van bepaalde grenzen. Maarbinnen die grenzen van eigen kunnen is het persoonlijk materiaal tot volkomen ontwikkeling gebracht.Ook zonder die hoogte te hebben bereikt kan eene waarlijk vrij geworden persoonlijkheid, alleen op hare eigenaardige wijze en tegen hare bijzondere wetten van eer en plicht, zondigen. Want bij een afgerond, geslotenik, vallen de gebreken tezaam met de natuur en aard van den persoon, evenzoo als de schaduw de omtrekken eener gedaante teruggeeft. Ja, er zijn karakters die voorloopig een gebrek dat met hunne kracht in overeenstemming is, niet verkiezen af te leggen; maar de zoodanige personen verheffen zich nooit op die fouten, evenmin als zij met hunne deugden pralen; immers deze staan in eene onpersoonlijke verhouding tot henzelf. Met een nimmer mistastend instinct kiest de vrije mensch datgene wat voor zijnen aard en zijn temperament van het meeste belang is, om het even of dit hem leed of vreugde oplevert, of het goed is of kwaad, in den gewonen zin van het woord: een droombeeld of eene daad. Voor hem is het physiek onmogelijk om in een oogenblik van onbeheerschte drift, in eene hartstochtelijke opwelling, een misdaad te begaan. Zijne weloverdachte, zorgvuldige ontwikkeling van eigen persoonlijkheid gaat bovendien gepaard aan een steeds fijner en teederder wordend besef van de grenslijnen voor zijn gedrag, juist ook ten opzichte van anderen. Iemand, die zelf weet wat hij wil en kan; die nimmer tevreden is met minder dan het beste wat hij geven kan en zich nooit laat verleiden om buiten zijne grenzen te gaan—zoo iemand ontziet ook stellig de meening en opvatting van anderen.Maar het gebeurt ook, dat hij niet kan toegeven dat de eigenaardige opvatting van een ander recht van bestaan heeft; dat zijn nauwgezet geweten eene wet of eene instelling moet afkeuren. Dan komt hij met zijn gevoelen hieromtrentruiterlijk voor den dag, niet onder den indruk eener plotselinge opwelling, maar duidelijk en op welberedeneerde gronden. Hoewel hij voor zich zelf en anderen elke onnoodige smart verfoeit, heeft hij toch in zijn karakter den moed aangekweekt om, waar dit geeischt wordt, eene noodige wonde te kunnen slaan. Maar er is, ook bij zulke aanleidingen, geen zweem te bespeuren van de ruwheid, die onnoodig de handen met bloed bevlekt, door het wroeten in de hartewonden van den naaste.Men kan het veel gemakkelijker en aangenamer hebben in de wereld dan de individualist, als men behoort tot de menigte van reizigers door het leven, die plaats nemen op “de groote pleizierboot”, het vaartuig dat, met de vlag der algemeen-gebruikelijke moraal in top, zachtjes over de golven henen glijdt. Ieder reiziger behoeft niets anders te doen dan zich kalm de haven te laten binnen brengen. Maar naast de stoomboot ziet men hoe“Alleen, in een gebrekkig scheepjeEen zeiler zich waagt op de groote zee...”,hoe die zeeman, veel grooter gevaren trotseerend, maar met oneindig meer krachtsinspanning, den tocht aanvaardt, onder het heerlijk gevoel, die onstuimige golven te beheerschen door de macht van zijn vasten wil. Dàt is het ware, volle leven!—Er wordt vaak gezegd—vooral bij gelegenheid der jubileumsfeesten van het protestantisme—dat in onze dagen ieder in zijn eigen geweten zijn hoogsten rechter heeft. Maar zoodra iemand dit beginsel van het eigen persoonlijk recht in toepassing wil brengen, haasten die “wachters over de gebruikelijke instellingen” zich, te prediken, dat een dergelijk subjectisme alle verhoudingen in de samenleving onmogelijk zoude maken.Nu is het er zoo mede gesteld, dat het geweten dermeerderheid zich in de eerste plaats door overgeërfde zeden en gebruiken laat leiden; dat dit, in de meeste gevallen niets anders is dan een echo van het sociale geweten. Het groote gebrek is, dat men verzuimt zijn eigen persoonlijk gevoel van recht, dat toch het éenige voor ieder van ons geldige geweten is, te ontwikkelen en op te voeden; al gaat die opvoeding soms met misstappen vereenigd—dit hindert niet; immers alleen door de gevolgen van zijn eigen daden te ondervinden, kan men tot de ontdekking komen dat men den verkeerden weg had ingeslagen en leeren op zijn hoede te zijn.Om deze reden werkt elke voortdurende gewetensdwang dien de regeering op bijzondere personen uitoefent, op den langen duur nadeelig voor den Staat zelf. Want het geweten der maatschappij wordt slechts verfijnd en veredeld onder gunstige voorwaarden voor de vrijheid van den afzonderlijken persoon; dat is te zeggen, wanneer de enkele individuen in staat gesteld worden, om naar de inspraak van hun eigen geweten te handelen en voor hun eigen verantwoording. Middelerwijle ontstaan juist hierdoor botsingen en toestanden, die aan een ieder gelegenheid geven zijn gemoed ernstig te onderzoeken; door aldus dezen toets en die besliste keuze uit te lokken, wordt een nieuw zedelijk geweten bij de geheele samenleving gewekt en ontwikkeld.Maar deze nieuwe schepping op ethisch gebied heeft niet plaats doordat flauwe menschen voortdurend blijven zondigen tegen de wetten die zij blijven goedkeuren; ook niet doordat losbandige menschen aan hunne onbeteugelde passies toegeven, ondanks die wetten der zedelijkheid.Zij komt alleen tot stand door de medewerking van hen, die van natuurmenschen leden der samenleving geworden zijn en van dezen tot persoonlijke karakterswerden ontwikkeld. Dat zij aldus zijn gevorderd op den weg der beschaving geeft hun het recht om de sociale zedewet te toetsen en zelf te beslissen in hoever zij niet genegen zijn daaraan in alle opzichten te gehoorzamen. Aangezien nu de menschen de wetten der zedelijkheid hebben gemaakt om in hunne behoeften te voorzien, hebben zij ook het recht om daarin veranderingen aan te brengen, waar zij dit noodig en nuttig achten.De eisch van Kant: “dat het individu zòo moet handelen, als of zijne handelwijze een wet voor alle menschen worden moest”—is in lijnrechte tegenstelling tot de bedoeling der persoonlijke vrijheid. Deze toch hoopt en verwacht het hoogste geluk en de grootste vorderingen op het gebied der beschaving van de groote meerderheid te zullen bereiken, daardoor dat men ten laatste geen absolute, voor allen verplichtend geachte wetten meer zal erkennen, maar dat ieder individu zijn eigen wet, naar de stem van zijn geweten, leert gehoorzamen.Zij, die nog niet zoover in de ethische ontwikkeling gevorderd zijn, om op die hervorming der wet aanspraak te kunnen maken; groote kinderen; of plichtmenschen zonder persoonlijk oordeel; of driftmenschen zonder sociaal geweten; alle dezen hebben den dwang van de maatschappij noodig, om te worden verhinderd anderen ongelukkig te maken.Zelfs een flink karakter heeft in bepaalde tijdperken zijner opvoeding, behoefte aan zulk een steun. Toch zal het groote doel der samenleving niet bereikt zijn, eer zij in haar geheel overwonnen wordt door de ethische volmaaktheid der individuen.Omtrent dit punt ontmoeten wij behoudende en radikale idéalisten. De conservatieve idéalist gelooft, dat de maatschappij—evenzoo als het huisgezin, de kerk, het vaderland—in haar tegenwoordigen vorm, voor altijdbeslissende, afgeronde idéen en formules bevat. De radikaal heeft den moed te gelooven, dat alles wat bestaat—regeering, godsdienst en huwelijk—voor verandering en verbetering vatbaar is. Deze overtuiging wordt wederom gewraakt door het wantrouwen, dat eigenlijk niets anders is dan de instinctmatige zelfverdediging van al het bestaande, door den mensch van heden.Die twijfel is de droevige angst van den ouderdom; twijfel aan het leven en aan de groote levenswet, die luidt: hernieuwing, hervorming aller dingen.Wat de ouden van dagen bovenal vreezen is juist die persoonlijke vrijheid; wat het jonge geslacht in de eerste plaats hoopt is diezelfde persoonlijke vrijheid, waardoor het leven niet langer zal blijven eene plaats vol onvruchtbare droombeelden, maar vol van verwezenlijkte idéalen.Dan zal het blijken, dat niet de deugd gelukkig maakt, zooals het christendom predikt, maar dat het een geluk is goed te zijn. Deze overtuiging zal ingang vinden waar ieders persoonlijk geloof zijn godsdienst geworden is, die alle andere belangen in zich sluit.De aanhangers van dezen nieuwen godsdienst zullen—zooals hierboven gezegd werd, hoe langer hoe zorgvuldiger luisteren naar de stem van hun geweten, waar het erop aankomt hun demon te volgen, hunne handelingen en beweegredenen ernstig te toetsen aan hun beste weten en kunnen. Zelfs eene daad, die niemand anders benadeelde dan den persoon zelf, waarvan niemand iets weet dan hijzelf, kan, als zij in strijd was met het persoonlijk karakter van den dader, dezen nog jarenlang hinderen en bedroeven; evenzoo als een onherstelbare fout aan zijn kunstwerk toegebracht den beeldhouwer bedroeft.Hiertegenover staat, dat hij geen ander schuldgevoel erkent, dan dat jegens zijn eigen idéaal;—hem ontbreekt het besef van schuld dat altijd dengene beheerscht, diezich gedwongen ziet elke wilskrachtige opwelling, elke spontane handeling te vergelijken met een buiten hem staand voorbeeld.Hoe vele christenen, die een krachtig zelfbewustzijn met zich omdragen, brengen, bijvoorbeeld, niet een groot gedeelte van hun leven, in den gebede en geknield door om daardoor eindelijk zich te dwingen tot de ootmoedige belijdenis: van nietswaardig te zijn voor God!Hoe vele christenen, die uit hunnen aard een levendig gevoel hebben voor recht; die sterk sprekende sympathiën en antipathiën hebben in hun hart, strijden niet op diezelfde wijze om een misdaad te leeren vergeven en den misdadiger te blijven liefhebben! Gelukt dit niet, dan hebben die dwepers diep berouw en met reden; immers zij waren niet in staat het hun gegeven voorbeeld na te volgen.Hij daarentegen, die de éthiek van het individualisme aanhangt, beschouwt het zelfbewust gevoel zoolang als gewettigd, als hij kans ziet aan de mogelijke eischen die dit hem stelde, te voldoen. En hij acht den drang om—tengevolge van zekere waarnemingen—een persoon buiten, of beneden de sfeer zijner sympathie te plaatsen, ook een deel te zijn van zijn instinct tot zelfbehoud. Aangezien de individualist het recht van anderen tegenover een hem onsympathiek persoon erkent, wordt wraaklust voor hem evenzoo onmogelijk als vergiffenis schenken. Hij bepaalt er zich eenvoudig toe, zulk een persoon te schrappen uit den kring met wien hij verkeert; deze behoort van nu af tot een ander geslacht, tot een ander tijdperk dan het zijne.Dit verklaart hoe het gevoel van schuld, in den christelijken zin, moet ophouden wanneer de menschen niet langer copiën vormen van hun voorbeeld: den Christus. Toch ligt hierin volstrekt geen aanleiding tot bandeloosheid.De vrijheid in denken en handelen van den individualist onderscheidt zich van teugelloosheid, evenzoo als de krachtsvertooningen van den atleet, verschillend zijn van de luchtsprongen en duikelpartijtjes onzer kinderen. De eerstgenoemde heeft zijne vrijheid met groote inspanning en na ernstig worstelen, gewonnen. Maar tot belooning is ook zijne vrijheid edeler, vertrouwbaarder, “natuurlijker” zelfs, dan die “vanzelf ontstaande.” Het menschdom nadert op deze wijze een ander tijdperk van onschuld; het herwint een Paradijs, waar Adam en Eva zich mogen verzadigen aan de vruchten van den boom der kennis van goed en kwaad—en daarbij kalm kunnen bouwen en wonen onder den boom des levens, aangezien de strenge wachter bij de poort van Eden, glimlachend, zijn zwaard, waarmede hij alleen uit de verte gedreigd had, aan hunne voeten heeft neergelegd.Wanneer eenmaal het grondbeginsel der persoonlijke vrijheid geheel tot ons zal zijn doorgedrongen; wanneer het zal zijn vleesch van ons vleesch en bloed van ons bloed, dan zullen ouders en opvoeders er evenzoo ijverig naar streven oorspronkelijke wezens te vormen, als zij tegenwoordig trachten zedelijke menschen op te voeden. Een volkomen “zoet kind”, zal dan een even zoo onaangenaam en treurig gezicht opleveren als een mismaakt schepsel. Men moet bij een kind vooral zijn natuurlijke wilskracht beschermen, maar deze trachten op te leiden voor de groote taak, een beschaafd mensch te worden, zijne bijdrage te leveren, tot de algemeene cultuur in de wereld der menschheid.En de wilskracht van het kind kan bewaard blijven als het zijne neigingen en hartstochten mag behouden, maar daarbij leert—uit eerbied voor den mensch die in hem leeft,—den tijger te temmen en den aap te tuchtigen—die ook in hem leven.Daarom kan met de opvoeding van het kind niet te vroeg worden begonnen; reeds aan de borst der moeder moet daarmede een aanvang worden gemaakt; en dan moet zij worden voortgezet in eene lijnrechte tegenstelling met de tegenwoordig gevolgde methode.In de opvoeding mag niets verplichtend worden geacht, dan het verwerven van die eenvoudige kundigheden, die, als het ware, mes en vork bij den feestmaaltijd der wetenschap vertegenwoordigen. Later zal deze hun worden aangeboden, ieder persoonlijk, volgens een menu van uitgezochte, krachtige spijzen, waaruit door oordeelkundige opvoeders voor elk der kinderen eene keuze zal worden gedaan, overeenkomstig ieders aard en gestel. Na eenige generaties van aldus opgevoede individualisten zal men eerst in staat zijn te begrijpen, wat de gedachte der persoonlijke vrijheid van de menschelijke natuur maken kan.Het was natuurlijk te verwachten, dat deze idée, in een geheel onvoorbereid geslacht tot handeling omgezet, een aantal afschrikkende gevolgen zoude vertoonen. Zijn eigen ik te believen; zijn eigen leven te leven; gehoorzaam te zijn aan zijn temperament—deze roepstemmen werden, gericht tot in leeftijd en gemoed onrijpe menschen, of tot dezulken voor wie alleen de zinnelijkheid beteekenis en inhoud aan hun bestaan geeft, vaak misbruikte wachtwoorden.Voor sterke, levendig gevoelende persoonlijkheden, werd de verzoeking van een anderen aard, om gesteund door den in een dieperen zin waren levensregel: “Alle Schaffenden sind hart”, ruwheid en hardvochtigheid te verdedigen; zelfgenoegzaamheid of koelheid, listen en driften uit zijne bloedsmenging voortkomende, te gaan beschouwen als een belangrijk gedeelte van hunne persoonlijkheid; een woeste grond, die niet mag worden ontgonnen, maar die er, in tegendeel, voor bewaard wordenmoet misschien zijn oorspronkelijke wilskracht te verliezen, of zijne scheppings- en daadkracht te dòen verminderen.Deze beide soorten van zichzelf verheffende menschen, maken nu gebruik van Nietzsche, als den verdediger hunner teugelloosheid, of laagheid, van hunne zelfzucht en hun gemis aan ontzag voor anderen. Van alle dingen kan misbruik gemaakt worden; waartoe heeft het christendom al niet tot voorwendsel gediend!? Nietzsche had een voorgevoel van hetgeen hem te wachten stond, toen hij een doornenhaag rondom zijn tuin liet zetten, opdat het vee daar niet in zou kunnen dringen!Voor iederen ernstigen lezer van Nietzsche is het, ondanks zijne onbewust elkander tegensprekende gezegden en zijne met opzet gebruikte paradoxen, toch zeer duidelijk wat een zijner biografen zegt: dat de grondgedachte waarop Nietzsche zijne stellingen heeft gebouwd:—dat ieder persoonlijk met geheel de kracht van zijn lichaam en geest, met inspanning van al zijne gaven en vermogens, moet streven naar veredeling, en daarnaar, éenmaal het hoogste punt der menschelijke volmaking te bereiken,—dat die gedachte niet alleen het individu, maar het geheele menschdom ten goede zal komen en dat zij dus geen zelfzuchtig maar wel degelijk eenaltruïstischdoel beoogt. En hoe Nietzsche zelf zijne leer van den veredelden mensch in practijk heeft gebracht, hieromtrent weten wij nu althans zooveel, dat het voor goed uit moest zijn met dat onzinnig gepraat over Nietzsche als den profeet der teugelloosheid; over hem, die uit zijnen aard en aanleg bezield was met eene onwrikbare liefde voor de waarheid, met eene bijzondere neiging voor beleefde en waardige vormen in de samenleving; met een groote behoefte aan vriendschap en sympathie; met eene opgewektheid, die hem onder de eenvoudigste omstandigheden vroolijk entevreden deed zijn; met eene zelfstandigheid, die hem leerde anderen te ontzien; met een zeldzame gave om zichzelf te beheerschen!De zedeleer van het christendom was hem tot een tweede natuur geworden; zijn gevoel voor alles wat schoon is en welluidt, maakte iedere leelijke of ruwe handeling voor hem tot een onmogelijkheid.Al misbruiken de “gewone menschen” uit onwetendheid de leer van dezen Meester, toch zal dit misbruik op den langen duur niet veel kwaad doen. Want vroeg of laat komen dezen toch in botsing met de grens hunner eigen persoonlijkheid: de individualiteit van anderen. De ruwe, koele, zelfgenoegzame zal hierom ten laatste alleen staan; tegelijk daalt hiermede zijne persoonlijkheid en tevens de waarde van zijne betrekking in de maatschappij, waarvoor hij zijne ruwe wilskracht had willen bewaren. De zinnelijke, laagstaande mensch ontmoet zijn tuchtmeester in den tegenstand der samenleving en van dien der op een hooger standpunt van beschaving gekomene, enkele personen in zijn kring.Ook de aanhanger der nieuwe zedenleer komt niet eer tot zijn recht dan wanneer hij dit kan verwerven, door zijne persoonlijke rechten te bewijzen. Hij moet hierom vooruit goed de kosten van zijn proces berekenen en wel weten wat hij waagt, wat hij wil. En in dien strijd tusschen de samenleving en den afzonderlijken persoon; bij deze moeilijkheden voor den ontwikkelden mensch, om zich op het juiste standpunt te plaatsen, ligt het tegengif tegen de gevaren, die anders zoo licht het gevolg zijn van den—allezins gewettigden—eisch, eener grootere zedelijke vrijheid voor de hoogerstaanden, een beperkter grens voor de lagerstaanden, op de ladder der beschaving.De gewettigde zelfzucht van alle anderen vormt een dam tegen de onbillijke—of misschien ook wel gewettigde—zelfzucht van den afzonderlijken persoon. Reeds het kind leert soms reeds in zijn prille jeugd de wijze kennen waarop men een lid der groote maatschappij wordt: het ondervindt al spoedig dat het niet aangaat, onzen zin te volgen ten koste van eens anders onbehagen. En tegenover de volwassenen, die deze les als kind niet hebben geleerd, heeft de maatschappij het recht—zoolang als zij er de macht voor heeft—met nadruk de hand te leggen op eene zelfverheffing ten nadeele van die van anderen. Een bijzonder ontwikkeld mensch kan dus niet zonder strijden en worstelen, zijn eisch voor de persoonlijke vrijheid verwezenlijkt zien en niet eer dan wanneer het hem gelukt is den wensch om ook van die vrijheid te genieten bij de meerderheid op te wekken. Eerst dan, en niet eer, wordt de wet, of het aangenomen gebruik dat den alleenstaanden persoon verhinderde zich als een vrij mensch te gedragen, herzien.Maar in de meeste gevallen is de individualist, wanneer het hem maar goed duidelijk is, wat zijn werkelijk belang eischt, niet onwillig om zijne gehoorzaamheid aan de wetten der zamenleving te toonen en deze op te houden; hij weet maar al te goed dat hij, zonder deze, genoodzaakt worden zou, zijne krachten te verspillen tot zijn verdediging tegen het ruwe geweld en op die wijze slechts onvoldoende aan de ontwikkeling van zijn eigenlijke persoonlijkheid zou kunnen werken. Indien een individualist zin en gevoel heeft voor harmonie, dan zal hij ook spoedig verstaan, dat niet de ruwe maar de veredelde kracht de sterkste is; dat niet de ruwe ijzerstaaf, maar het geplette stalen lint dat men om den vinger kan winden, de uitdrukking is voor de eigenaardige kracht van het metaal. Wilskracht bij de teederste aandoeningen; edele uitdrukkingen ook bij de geweldigste ontboezeming van kracht; zich niet ontzien om tot de meest gewaagde gevolgtrekkingendoor te dringen, waar het een heilige verborgenheid geldt—maar zachtzinnigheid jegens elk wezen dat zwak is en lijdt—ziedaar de groote kracht van den harmonisch ontwikkelden, persoonlijk vrijen, mensch. En een zoodanig persoon vermorst geen enkelen druppel van dennectar, die hem uit den beker van een ander, even rijk individu wordt aangeboden. In tegendeel, voorzichtig brengt hij dien beker aan zijne lippen en ledigt hem met den plechtigen eerbied eener heilige ceremonie. Zulk een ontwikkeld individualist kan—voor zoover hij niet tevens anarchist is—alleen in opstand komen tegen de hooge mate van dwang, door de wachters der maatschappij, die toch het recht van allen moeten beschermen, toegepast. Het ligt in de rede dat over dit onderwerp de zienswijze der persoonlijk vrije menschen verschillend wezen moet. Laat ons hiervan een voorbeeld opnoemen: ik veronderstel, dat de meeste individualisten het recht der Regeering erkennen om hem, die de godsdienstige bijeenkomsten van anderen stoort, te straffen; maar volstrekt niet het recht om iemand tot zekere kerkelijke handelingen te dwingen. Zeker, ook de individualist oordeelt strenge straf noodig, op het plegen van geweld, of verleiding der onschuld; maar toch acht hij eene ontwikkelde vrouw volkomen gerechtigd zich aan eene ernstige liefde over te geven in vrijheid.Velen zien verlangend uit naar eene wet die de rechten van het kind tegenover zijne ouders waarborgt; een ander wenscht weder het tot stand komen eener wet, die elk huwelijk, waarbij eene treurige nakomelingschap met zekerheid is vooruit te zien, verbiedt.Zulke wetten zouden eene grens bepalen tegen de misdadige lichtzinnigheid waarmede—in en buiten het huwelijk—nieuwe wezens tot de smart van een ziekelijk, ongelukkig bestaan, worden veroordeeld. Intusschen rekenteen ontwikkeld individualist het niet tot deze lichtzinnige daden, als eene beschaafde, ernstig denkende vrouw, volkomen bewust en met opgewekt gevoel van verantwoordelijkheid, het moederworden verkiest buiten het wettige huwelijk. Ten opzichte der rechten van een derden persoon erkennen vele vrienden der persoonlijke vrijheid het nut van den wettigen vorm bij een huwelijk; toch verwerpen zij beslist elken vorm, die de eene partij het recht over den andere toekent en de vrijheid om het huwelijk te ontbinden hinderend in den weg staat.Hoe meer de persoonlijkheid ontwikkeld wordt, des te veelzijdiger zal ook het liefdeleven zich ontwikkelen. Voor de bescherming van het kind zal de toekomst ook wel voorzien in een matriarchaat, b. v. er voor zorgen, dat elke moeder, gedurende een zeker aantal jaren, op het onderhoud van haar kind door den staat rekenen kan.Toegegeven dat de eer en de goede naam van ieder persoon dient gevrijwaard te worden tegen misbruik der pers; toch mag er geen woord blijven staan van een stuk, dat gebruikt zou kunnen worden als een wapen tegen de vrijheid van onderzoek, tegen de vrije uiting op het gebied van letterkunde en wetenschap.Sommigen willen aan de Regeering niet alleen de macht geven het leven der enkele personen te beschermen, maar hare macht vergrooten tot het beletten van al de moorden uit de tweede hand, die door de hedendaagsche industrie worden begaan. Anderen daarentegen gaan uit van den stelregel, dat ieder mensch de vrije beschikking heeft over zijn eigen leven en dat hij, hieraan een einde makend, niet laf op de vlucht slaande, maar wel en ernstig overlegd, onder bijzondere omstandigheden, eene zedelijk te rechtvaardigen handeling begaat.Tot bescherming van het leven in onze dagen van opgezweepten arbeid en onophoudelijk produceeren, is éenrustdag in de week nuttig en noodig; deze moet door de Regeering voor alle soorten van arbeiders worden bevolen en gehandhaafd. Maar het gaat niet aan, voor de Regeering om zich te bemoeien met de wijze waarop ieder blieft van dien rustdag gebruik te maken—en het voegt haar vooral niet dit te doen in den vorm van gedwongen godsdienstoefeningen. Eene wet die de zwakken verhindert hun leven te bederven door ’t gebruik van sterken drank, kan goed zijn; maar deze mag niet zoover gaan, te eischen dat degenen die dezen tuchtmeester niet noodig hebben omdat zij zichzelf en hunne neigingen kunnen beheerschen, terwille van die zwakken, onder een zeer overvloedig dwangmiddel zullen lijden. De zwakken op te voeden door hen te wijzen op het voorbeeld der sterken—dit is de rechte wijze om deze en dergelijke kwesties op te lossen.Als de maatschappij innig doordrongen was van deze waarheid, dan zou de taak der wetgeving moeilijker, maar ook veel belangrijker, worden. De hoogst ontwikkelden zouden dan niet hunne vrijheid opofferen en evenmin de ontwikkeling der lagerstaanden tegenwerken door middeleeuwschen dwang.Hierin de juiste maat te houden is moeilijk maar niet onmogelijk. Niemand die ernstig denkt acht de persoonlijke vrijheid het doel te zijn der beschaving, maar het middel om tot dit doel te geraken.De vrijheid houdt voortdurend gelijken tred met de ontwikkeling, zoodat hoe verder men vordert op den weg van ontwikkeling men ook van meer vrijheid geniet; en wederkeerig wordt door die vrijheid de beschaving bevorderd.De dienst van de industrie, de aanbidding van het kapitaal, zijn de grootste vijanden der persoonlijke vrijheid. Al acht daarom de individualist eene wet die aan ditmisbruik paal en perk kan zetten gewenscht, toch keurt hij de gedachte aan een ander misbruik—het geheel op te doen gaan en op te offeren voor het algemeen—zooals de socialen dit eischen—grootelijks af.Wat beteekent het toch, dat men onder voorwendsel van de algemeene zedelijkheid te bevorderen, de plichten jegens den naaste boven de plichten jegens onszelf zet; dat het christendom verlangt, dat wij alle menschen als onze broeders en zusters zullen liefhebben, even hartelijk en allen gelijk? Dit is een dwang dien men aan het beginsel der vrije keuze heeft opgelegd.Voor den voorstander der persoonlijke vrijheid is de vraag wat iemand gelooft van weinig beteekenis; ook de vraag wat hij doet beduidt niets; op de vraag wat hijiskomt het aan.Hoe hooger men stijgt in het besef zijner eigene waarde des te krachtiger lid gevoelt men zich in de samenleving: het wel en wee der anderen treedt ons nader; het wordt als het onze. Een persoon behoeft nu niet langer te worstelen om een plekje grond waarop hij vrij kan opgroeien; hij gunt aan anderen diezelfde ruimte, want immers alle boomen vormen een gedeelte van zijn eigen bosch. Hij doet daarbij de heerlijke ondervinding op, dat ons groote levensdoel is: de ontwikkeling van onze persoonlijke vrijheid, en die van anderen, te bevorderen en haar te verdedigen, des noods ten koste van ons leven.Maar al overwinnen wij, zoowel vrouwen als mannen, den zedelijken dwang; en al stellen wij de vrije persoonlijkheid ook ten opzichte van ons zedelijk leven daarvoor in de plaats—toch blijft er een groot en ernstig bewustzijn van overwegend belang in alle vraagstukken des levens, ons bij:de wet der noodzakelijkheid.“Alles wat er gebeurt is een gevolg der noodzakelijkheid; doe daarom wat ge kunt en verdraag dan alles watge lijden moet.” Dit groote woord van Schopenhauer is het eerste gebod oponzesteenen tafelen der wet gegrift.Niets kon anders gaan dan het ging en niets kan ongedaan worden gemaakt.De gevolgen mijner daden, voor zoover deze uit mijn karakter zijn voortgekomen, vormen mijn noodlot.Alles in mijn wezen en alles in mijn werk verbindt mij met onverbreekbare schakels aan het groot geheel van het leven; aan de ongekende diepten, waaruit ik als een golf word opgeheven, om als deze voort te zwemmen op de levenszee, te stijgen en te dalen. Maar onder datrijzenen dalen van die golf, maakt haar eigen beweging en haar eigen vorming haar tot hetgeen zij is.Het heerlijk bewustzijn van mensch te zijn, kan mij goddelijk maken onder het oog der eeuwige kracht waarvan ik ben éen der golven, die de zee vormen: de groote oceaan des levens, die grooter en krachtiger is dan de golven.Rust.Het woord van Geyer over het genot, dat de herinnering aan den weg, die even buiten zijne ouderlijke woning doodliep hem schonk, wekt bij ons, menschen aan het einde eener eeuw staande, een gevoel van afgunst ten opzichte van de gelukkigen, die vroeger eeuwen mochten eindigen en voor wie het Paradijs toen nog bestond.Want voor onze verbeelding is het Paradijs niet langer een met allerhande boomen—vooral appelboomen—beplante lusthof, omringd door een witten muur met gouden poorten. Wij vormen er ons eene voorstelling van, uit louter ontkenningen saamgesteld: de weg loopt niet verder door, dan tot aan de hekken van het Paradijs; van een telefoon heeft men er zelfs geen flauw vermoeden; de brievenpost komt er hoogstens éenmaal per week en van stoomboot of spoorweg is, mijlen ver in den omtrek, geen sprake.Welnu, zulk een Eden heb ik gevonden. Maar ik vertel u niet waar het ligt. Dan zouden andere menschen van het moderne gedeelte der maatschappij er misschien ook den weg heen vinden en dan was—het Paradijs verloren! Want dat aan een eerste uitgaaf hiervan geen onverdeeld succès te beurt gevallen is, dit was voorzekerniet de schuld van de slang, al trachten een aantal menschen zich met die gedachte te troosten....In mijn Eden ontbreekt niet alleen alles wat er niet behoort te wezen, maar men vindt er alles wat men er behoort en verlangt te zien. Blauwe, met sneeuwranden omzoomde rotsen en veruitgestrekte, met bosch beplante hoogten vormen in schoone lijnen een muur rondom den lusthof. Een breede, groenachtig zwarte, gedeeltelijk met wit mos bekleede bergspleet, maakt den weg door den muur vrij voor het oog en voor de verbeeldingskracht; en heldere meertjes of binnenzeeën geven aan het donkere boschrijke landschap een paar groote blinkende oogen. Glinsterende berken en bloeiende linden geuren in de zomerzon, die slechts voor enkele uren achter den horizont verdwijnt; die de koornaren als in ’t geheim laat rijpen en aan de bloemen meer geur en krachtiger tinten geeft. Boven de met mos bekleede rotsbergen glijden over dag de blauwe wolkjes, vlug als schimmen er tegen uitkomende, voorbij. Maar de avond verspreidt over bergen en rotsen de vele paarsche en violet-schakeeringen van topasen en ametisten; het lichte blauw der opalen en de diepdonkere blauwheid van de zee; de schakeering van het appelbloesem—teeder kleurtje tot het donkerrood van den wijn. Eindelijk treden de donkere, zacht verdeelde omtrekken van den rotsberg, in eigenaardig émailleblauw tegen den goudkleurigen achtergrond van de lucht afstekende, te voorschijn. Deze blijft den geheelen nacht door lichtgeel getint, tot die kleuren ongemerkt overgaan in het morgenlicht.In deze ochtendure, waarin de natuur vol kleuren en licht, in groote lijnen en ruime vèr-gezichten tot ons spreekt, wordt het menschenhart ontroerd door het bedwelmende gevoel van eenzaamheid en stilte. Het heeft niets gemeen met de blijdschap over een eigen welgelukteschepping, maar het heeft zijne bijzondere aantrekkelijkheid, zijne eigenaardige kracht. Terwijl het van het noodlot afhangt om ons dien beker van genot al of niet aan de lippen te brengen—niet van onzen wil—hangt het alleen van onszelf af, of wij van de plechtige eenzaamheid wenschen te genieten; of wij ons hart willen laten uitrusten, onze gedachten verruimen in die groote stilte; volop genieten, in een grootsche natuur met rustige, schoone en breede lijnen.Maar niet altijd is het hart van den mensch van heden tot rusten in staat. Het leeft in onrust—smacht naar kalmte—en schuwt de stilte als eene ziekte, nog erger dan de nevrose waarvoor zij het geneesmiddel wezen zou. De vrouw uit onze dagen vreest eigenlijk niets met een grootere vreeze, dan om alleen te worden gelaten,—alleen met hare eigene gedachten, want dit maakt haar zooals zij het noemt,droefgeestig. Eigenlijk beteekent dit eenvoudig, dat zij er in die uren bepaald toe gedwongen wordt den ernst van haar bestaan onder de oogen te zien, of ook den ernst des levens in het groot geheel te beschouwen; een gevoel waaraan haar geest zich zou kunnen verheffen. Maar juist dit wil zij niet. Met kracht onderdrukt zij den drang van haar gemoed om zich op te richten tot edeler aspiraties, door hoe langer hoe meer toe te geven aan hare behoefte aan een oppervlakkig, versplinterd, leven. Hoezeer deze behoefte voor uiterlijk vertoon in onze dagen algemeen is, dit ziet men duidelijk op het gebied, waar ook de gewone, alledaagsche vrouw voorheen, in zekeren zin, hare gedachten op éen punt trachtte te bepalen, op dat van den godsdienst. Het type der geloovige vrouw is tegenwoordig niet meer zij die “als zij bidt in hare binnenkamer gaat en de deur achter zich sluit”; maar zij heeft bazuinen en theekransjes noodig om tot het besef te komen, datzij eene vrome vrouw is, vol van den heiligen geest des geloofs.De ongedurige menschen van het laatst dezer eeuw genieten zelfs niet van de rust als deze hun ten deel valt. Vooral met de vrouw is het zoo gesteld; hoe meer de tijd en gelegenheid tot rusten en stille zitten haar ontbreken, des te meer verliest zij het talent om van die enkele haar geboden gelegenheid gebruik te maken. Hoe menigvuldiger zij genoodzaakt is om in het openbaar indrukken op te nemen, die zich aan haar opdringen, des te meer acht zij het noodig, dat hare polsen met eene koortsachtige snelheid blijven jagen, om er zich van te overtuigen dat zij leeft.Dieper gevoelende naturen erkennen met leedwezen dat zij hoe langer zoo meer verloren gaan met haren rijken aanleg, in dien maalstroom des levens; in het gedrang van de uit alle oorden samenstroomende, overweldigende onderwerpen; onder den druk van de eischen onzer moderne samenleving.Zulke karakters krijgen niet zelden hallucinaties van een stille, groene kloostergaarde; of van eene, in het dichte bosch verscholen, kluizenaarswoning; van de eenzame uren op hooge rotsbergen, of op de golven der groote, wijde zee, in éenzaamheid doorgebracht. Maar doorgaans is aan hare behoefte aan éenzaamheid reeds voldaan, door zich in deze voorstellingen te verdiepen; zij verzuimen dan ook in den regel gebruik te maken van de gelegenheid, als deze zich voordoet, om een dergelijke oase in de woestijn te scheppen; een stil plekje, afgezonderd van het rumoer der wereld. Wie inderdaad een smachtend verlangen koestert naar éenzaamheid, heeft in de meeste omstandigheden wel gelegenheid, die op de eene of andere manier te vinden.Uit mijn kindertijd herinner ik mij dikwijls te hebbenhooren vertellen van eene vrouw die door haar huwelijk haar stille ouderlijke woning in het bosch had moeten verwisselen voor de onvermijdelijke drukte van eene uitgebreide huishouding in een groote stad. Die verandering speet haar zeer, tot zij op den inval kwam om elken morgen, een half uur lang, alleen stil te gaan zitten met een groenen doek over haar hoofd. Op die wijze droomde zij, dat zij weer in de stille éenzaamheid van haar bosch zat en verzamelde zij hare gedachten genoegzaam om daarna kalm en gelijkmatig de bemoeiingen van den dag tegen te gaan.Indien ieder van onshaareigen groenen doek had, zouden wij niet zoo licht geprikkeld en prikkelend zijn; wij zouden dan niet de gejaagde, ongedurige, onbeduidende slaven der vormen en gebruiken wezen, die wij nu maar al te vaak zijn!Van welken aard nu dit beschermende omhulsel werd,—dit zou voor een gedeelte door het toeval worden beslist, maar soms ook zoude juist het eigenaardige karakter blijken van ieder die zulk een haven zocht uit de keuze van dat stille plekje, en van den doek.In roomsch-katholieke landen kan men zulk een rustig toevluchtsoord vinden onder ieder kerkgewelf. Geleund tegen de pilaren van een gothischen tempel, kan men te midden eener drukke wereldstad, droomen in een verafgelegen bosch te zijn—hoewel Nietzsche gelijk heeft als hij zegt, dat modern denkende menschen aan een geheel nieuwe architectuur, als lijst voor hunne overpeinzingen, de voorkeur zouden geven.Voor velen schept de muziek eene verrukkelijke eenzaamheid, vooral wanneer die thuis genoten wordt en niet in het publiek, waar zoo vele verscheidene indrukken afleiding geven en waar ons gemoed nauwelijks de wanklanken uit het dagelijksch leven begint te vergeten, alsdat akelige handgeklap er ons op nieuw aan komt herinneren. Want een bewijs te geven van gevoel voor het schoone, door volkomen stille zijn—dit wacht nog op een meer veredelden staat van fijne beschaving, dan waarop wij in onze eeuw bogen kunnen!Voor anderen is misschien zulk een rustig gesprek met het eigen gemoed te vinden in een museum van kunstvoorwerpen, of onder het lezen van een uitmuntend boek, een oud boek vooral, waarover nu geen besprekingen meer de ronde doen. En in de groote steden bereiden de openlijke leesinrichtingen den boekenvrienden het vredige stille plekje, waarnaar zij tehuis dikwijls te vergeefs hadden uitgezien.Maar de stilte die het gemakkelijkste verkregen wordt is toch die in de natuur. Nu gaan de meesten echter niet naar buiten om daar alleen te zwijgen, of om er te zwijgen met een vriend—deze grootste en fijnste toets van echte vriendschap. Integendeel, zij zoeken er eenige kennissen, met wie zij de vraagstukken van den dag kunnen bespreken; en als zij zich dan warm en moe geredeneerd hebben, keeren zij naar huis terug, niet van een stille plaats maar uit nieuwe drukte.Och, zij hebben hunne ziel niet gemaakt tot een kalmen spiegel voor de indrukken der schoone natuur; neen, deze is op de bewogen golven blijven zweven, waar het niet mogelijk is een duidelijk en helder lichtbeeld op te nemen.Wie inderdaad in de natuur de éenzaamheid zoekt, moet leeren om van zeer nabij die grootsche natuur gade te slaan; zich oefenen in het uit het hart verwijderen van alle onbeduidende indrukken, om hierdoor de degelijke niet te verhinderen er in door te dringen; eene kunst waarin de wijsgeerige Montaigne ons menige behartenswaardige les gegeven heeft. “Wij overvoeren ons gemoed met te veel verschillende dingen tegelijk” zeidehij, reeds voor driehonderd jaren geleden. “Wij moeten onzen geest oefenen om enkele dingen vluchtig te zien, andere beter te monsteren; maar eigenlijk in ons opnemen moeten wij alleen die woorden, voorwerpen of gedachten die met onze eigene overeenstemmen, die op denzelfden grond zijn gebouwd als deze, zoodat zij ons, als het ware, zelf raken. Want ons gemoed behoort eigenlijk alleen van eigen middelen te leven.... Nu zijn wij allen, althans de meesten van ons, rijker begaafd dan wij zelf denken; maar wij worden er bij opgevoed om van anderen te leenen, om eens anders goed liever te gebruiken dan eigen goed....” Dat wij zoo zelden tot de kennismaking met onze lang niet geringe middelen komen, is het gevolg ervan, dat wij slechts bij uitzondering, ons met hart en ziel wijden aan hetgeen wij hebben ondernomen.“Als ik dans,” zegt Montaigne, “dan dans ik; als ik slaap dan slaap ik; als ik alleen wandel in een mooien tuin en ik betrap mijne gedachten op afwegen, dan breng ik ze dadelijk weer terug naar den tuin, tot het genot der éenzaamheid en tot mijzelf.”Dit opzettelijk streven om aan elke daad en aan alles wat wij zijn, ons persoonlijk geheel te geven en zoodoende uit elken toestand den geheelen inhoud te persen, is in een ruimen zin belangrijk voor elke ontwikkeling; zoowel voor ons vermogen om te denken en te arbeiden, als om te genieten en te rusten.Maar het is een eigenaardig teeken van onzen tijd steeds een nog sterker graad van zenuwspanning te verlangen om zich geheel aan het oogenblik te kunnen geven.Daarom is ook sport de groote aantrekkingskracht geworden, die de menschen naar buiten lokt; maar niet om te rusten en kalmte te zoeken. Integendeel, de wedstrijden op elk gebied en het “africhten” daarvoor, heeft zelfs de beweging in de vrije frissche lucht tot een koorts, tot eennieuwen vorm van jagen en stormen, gemaakt. Sport kan voorzeker een middel zijn om veel van de natuur te genieten, om spoediger buiten te komen. De riemen waarmede men tusschen de begroeide oevers eener rivier voortglijdt; de sneeuwschoenen waarop men diep in de winterstilte van het bosch doordringt; het rijwiel dat zijn eigenaar vlug naar nieuwe plantsoenen, of naar landelijke eenzaamheid overbrengt; deze en nog verscheidene andere dingen die tot vermaak en nut beoefend worden, als zeilen, rijden en zwemmen, brengen inderdaad bij velen eene hartelijke vereeniging met de natuur tot stand.Maar de roeier of de ruiter, de schaatsenrijder of de cyklist, die aan elken indruk van een schoon landschap voorbijvliegt in dolle woede om zich te bekwamen tot mededingen in den wedstrijd, komt door zijne voorliefde tot beweging in de buitenlucht hoe langer hoe verder buiten de natuur en buiten zichzelf. Dit soort van sport ontwikkelt alleen het lichaam maar niet den geest. Men zal binnen korten tijd geheel vergeten hebben, dat er een eenvoudiger manier bestaat om van de natuur te genieten: er van te genieten met lichaam en ziel, tot nut en genoegen voor beide.Als wij de meisjestype aan het einde onzer eeuw—dat is te zeggen, eene jonge dame die geen uitstapje naar buiten maakt anders dan op haar rijwiel of schaatsen, met het tennis-racket, òf een roeispaan in de hand,—vergelijkt met het jonge meisjestype van het einde der vorige eeuw, dan valt die vergelijking niet bepaald gunstig voor onze dagen uit. Ik denk hierbij onwillekeurig aan de beminnelijke vriendin van Goethe, de jonge Bettina Brentano, die als eenreevan het buitenleven genoot; die de hoogste bergen beklom om zich daar in het gouden zonnelicht te baden; die zich niet ontzag om door wind en regen te loopen, of een onweersbui te latenovertrekken, staande onder een bloeiende linde, tusschen wier bladeren zij witte bliksemstralen flikkeren zag; die aan het strand lag, door kabbelende golven omstuwd; of hoog op de takken zat van een reusachtigen kastanjeboom, te midden van groen licht en groene schaduwen; of op het grasperk van den grooten tuin, uitgestrekt, zich vergastte aan de geuren van mos, taxus en roode anjelieren, zelfs met een paar bloeiende heestertakjes in den mond, om de nijvere bij tot zich te lokken; die op avonden als de maan scheen, tusschen de hagen van den wijngaard, onder de doorschijnende, lichtgroene trossen wandelde, en soms den geheelen zomernacht buiten bleef, insluimerend onder het nachtlied van merels en nachtegalen, om niet eer dan door het morgenlicht te worden gewekt....Behalve deze dichterlijke wijze om van het buitenleven te genieten is er ook nog de natuur-wetenschappelijke, die echter evenzoo als de eerste, tamelijk naar den achtergrond wordt gedrongen door sport. Van dit gezichtspunt beschouwd is het aangenamer knapen tegen te komen een kruiden-doos aan een band om den hals dragende, dan knapen op rijwielen.Van welken aard de reeds vroeg ontwikkelde zucht naar kennismaking met de natuur wezen moge, altijd verschaft dit onderzoek den beoefenaar dezer wetenschap een zekere vertrouwelijkheid met de natuur, een vriendschappelijke, hartelijke genegenheid, die onmogelijk kan ontstaan tusschen de natuur en een, haar op zijne velocipède voorbijvliegend, sportliefhebber.Wat eenigszins vergoelijkend omtrent deze type van de tegenwoordige jeugd werkt, is het feit, dat velen, die door geen ander middel naar buiten gelokt zouden worden, nu ten minste, dank zij sport, eenig vermoeden van de schoonheid der natuur ontvangen en dat die oefeningen van heden—nadat de overdrijving hare offerszal hebben ontvangen—zullen bijdragen tot de ontwikkeling van eene lichamelijk—gezonder en krachtiger generatie, die dan waarschijnlijk beter dan ons tegenwoordig geslacht, bestand wezen zal tegen vermoeienis; die op eene edeler wijze het natuurgenot zal smaken en wier kernspreuk zal zijn “sport te gebruiken als niet misbruikende.”Het gewone dagelijksche rust-uurtje, dat de meesten van ons met een ernstigen wil kunnen vinden, vervangt intusschen niet de diepe stilte, die eene wandeling vroeg in den morgen, of het zich terugtrekken naar een verborgen plekje van de aarde,—zoo mogelijk in een vreemd land en aan de grenzen der beschaafde wereld gelegen—in staat is ons te bieden. Maar voor de meeste hoofden van huisgezinnen is het gemakkelijker gezegd dan gedaan, zulk een schuilhoekje te vinden. Zelfs de alleenstaande en hierdoor meer onafhankelijke mensch, heeft vaak een groote mate van ernst in zijne behoefte aan éenzaamheid en veel wilskracht om andere, minder noodzakelijke dingen te laten, noodig, als hij er toe komen zal een paar weken van volkomen ongestoorde rust te kunnen genieten. Daarenboven wordt het verlangen naar afzondering van een lid van het huisgezin dikwijls tegengewerkt door het vooroordeel, dat de éenzaamheid een erg soort van égoïsme vertegenwoordigt. Want de meesten die de groote winst van eene tijdelijke afzondering voor henzelve inzien,—begrijpen nog niet hoezeer hun huisgezin hierdoor tegelijkertijd wordt gebaat.Een korte scheiding heeft namelijk een buitengewone macht om ons nadenken te wekken en hierdoor ons beter verstaan en ons gevoel van billijkheid. Wij komen er gemakkelijker toe met een helder oog de belangrijke dingen in ons op te nemen en de kleinigheden tot hare wezenlijke onbeduidendheid terug te leiden, als wij eenpoos van elkander af zijn. Het eenzame overleg ontwart soms met vlugge hand de meest ingewikkelde draden en het alleenzijn geeft vaak aan onze blijdschap een vroolijker, aan onze smart een minder droevige tint. Volbrengt men den een of anderen arbeid alleen zittende, dan valt die bijna altijd oneindig beter uit, dan wanneer anderen erbij tegenwoordig zijn. De boeken die men leest en overpeinst in het dichte bosch; met de eeuwigschoone sneeuw vóor zich, of op de bloeiende heide, onder het geruisch van eik en den, verschaffen den rijksten oogst aan denkbeelden; en de indrukken der natuur die men onder zulke rustpoozen in zich opneemt, zijn krachtiger en langer van duur dan andere. Want men geeft zich nimmer zoo geheel en al aan de natuur als wanneer zulke éenzame dagen een parelsnoer vormen, waarvan een dag tamelijk gelijk is aan den anderen, maar waarvan toch elke dag op zichzelf een afgerond geheel vormt, en een aangenaam geheel ook.Zij die tegen het alleenzijn opzien omdat zij vreezen zich dan nog meer eenzaam en verlaten te gevoelen hebben in zekeren zin gelijk en ongelijk. Want juist van menschen omringd, kan het gebeuren dat men door de omstandigheden, of door zijn bijzondere stemming, mijlenver van hen verwijderd is; in de door menschen bevolkte woestijn hangt, meer dan elders, zwaarmoedigheid in de lucht. Maar tegenover de natuur en den dood—de grootste eenzaamheid en de onwrikbaarste noodzakelijkheid—worden wij gedwongen afstand te doen, niet alleen van de bezorgingen en drukten van den dag, maar ook van de bezorgdheid omtrent ons lot en leven. De grondlijnen waarop ons wezen gebouwd is worden breeder, maar de vertakkingen dier lijnen worden minder duidelijk zichtbaar, evenzoo als dit het geval is met een landschap dat men van een aanzienlijke hoogte af, in dediepte ziet liggen. Het meer of minder aan lief en leed, waarmede het leven onze dagen vult; het meer of minder belangrijke werk dat aan ons bestaan inhoud gaf—tot dit alles keeren wij van zulke eenzame overpeinzingen terug met een zachten, medelijdenden glimlach.Het valt ons nu niet meer zoo moeilijk het doove oor te keeren naar die stemmen, welke ons trachten mede te voeren in de beslommeringen van den dag en die ons trachten wijs te maken dat wij daarbij hoognoodig zijn. Wij worden nu minder hevig ontroerd door de pijnlijke kreten uit ons eigen gemoed opgaande, dan door die van onze medemenschen. Want wij hebben het leeren inzien, dat de grootste smart niets meer is dan een druppeltje in den grooten oceaan, evenzoo als het grootste geluk slechts het vluchtig licht is, dat zulk een kleine druppel doet glinsteren.De ziel, die in stilte en eenzaamheid den moed vond om tot zichzelf in te keeren en haar eigen kracht te meten, weet, dat er slechts éen groote en wezenlijk belangrijke taak ons leven beheerscht: grooter te worden. En dat doel kunnen wij bereiken in onze smart en onze vreugde, in onze dwaasheid en in ons verstand. Groeien kunnen wij door onze nederlagen, zoowel als door onze overwinningen; door onze rust, zoowel als door onzen arbeid.Toch is het hem of haar die de éenzaamheid zoekt aanteraden dit te doen, zonder een bepaalden eisch aan dat “stille zijn” vooraf te laten gaan. Want het gebeurt vaak, dat die afzondering juist iets geheel anders oplevert dan men verwacht had. Hij die rust zocht, vindt allicht een nieuwen prikkel tot arbeiden; hem die hoopte troost te vinden, kan zij nieuwe wonden slaan. Hoe het zij: de éenzaamheid schenkt toch altijd moed- en krachtbesefwaarvan men zich niet bewust was. Maar alleen hij kan hiervan nut trekken die weet, wat de overigens tamelijk luchthartige Romeinen reeds wisten:Dat de Éenzaamheid eene godin is wier geheiligde bosschen geen sterveling nadert met grootspraak, maar met een nederige bede op de lippen en van wie men met rijke gaven bedeeld terugkeert, indien men de taal harer ernstige oogen heeft leeren verstaan, die ons ’t geheim van het éene noodige verraden:“Stille zijn in eigen hart.”
Vrijheid.Ueber der Pforte unserer Zeit steht: “Verwerthe Dich!”Max Stirner.“Persoonlijke vrijheid”—deze uitdrukking is bijna tot een algemeen wachtwoord gemaakt, hoewel slechts enkelen begrijpen welke beteekenis in het woord ligt. Hoevelen weten inderdaad wat er vereischt wordt om dag aan dag, jaar na jaar, den inhoud er van te verwezenlijken? Hoevelen hebben er hunne nachtrust aan opgeofferd, aan het peinzen over wat zijn of haareigen ikbeteekent, en hoe die persoonlijkheid inderdaad als zoodanig hare taak zal volbrengen in de maatschappij?Zichzelf persoonlijk vrijmaken—dat is onder anderen een voortdurend luisteren naar de tonen in ons gemoed om te trachten den grondtoon te ontdekken. En heeft men dien gevonden, dan eischt het streven naar ’t bereiken van persoonlijke vrijheid, dat men met open oog zoekt naar de behoeften van geest en hart, en daaraan tracht te gemoed te komen. Dat men zich op de juiste wijze vormt en zijne ontwikkeling met ernst in de hand neemt; dat men luistert naar de stem van eigen ervaring in het leven; zijne eigene gewoonten, voor zoover daar eenigen zin inligt, veredelt en dus zijne eigenaardige oorspronkelijkheid kweekt en krachtiger doet worden. En ook dat men daarentegen zooveel mogelijk de herinneringen, studies en gewoonten die hinderend onze persoonlijke ontwikkeling in den weg kunnen staan, ter zijde zet en het vermijdt om met deze in aanraking te komen. De neiging tot individualiteit uit zich—evenzoo als elke andere belangrijke neiging—aanvankelijk als eene kracht tot zelfverdediging jegens allen en alles wat inbreuk daarop zou kunnen maken, dien drang zou willen beperken. De geboren individualist heeft reeds in de kinderkamer en op de schoolbank een eigen keuze gedaan met het oog op zijn speelgoed, zijne boeken, zijne wijze van leeren, zijne vrienden. Reeds vroeg heeft hij den moed gehad zijn eigen smart en vreugde, zijn eigen smaak en zijne fouten, ronduit te toonen. Hij heeft die niet laten verwringen, verkleuren en afronden door anderen, of door de omstandigheden. In zijne jeugd is men zelden in de gelegenheid om zijn gevoel van persoonlijkheid in daden uit te drukken. Maar juist om die reden doet zich de geboren individualist in die jaren kennen als een “Jantje contrari” en wordt dus een alles behalve aangenaam kind in den huiselijken kring. Laat echter eerst de tijd tot handelen komen! Dan heeft hij zijn karakter middelerwijle genoeg geoefend om te begrijpen: wanneer hij iets kan en mag wagen, en wanneer het geraden is stil toe te zien; wanneer hij fier het hoofd kan opheffen, of zich moet voegen naar anderen; wanneer hij moet afwachten of een besluit nemen; inhoever hij met anderen kan meêgaan en inhoever dit meêgaan ontrouw aan zichzelf zoude worden.Maar al deze dingen vormen nog slechts oefeningen en dressuur voor den grooten veldslag, die gewonnen moet worden, zal men de persoonlijke vrijheid veroveren. Die oorlog wordt gevoerd in de geheimzinnige wereld vanmijn binnenste, als het om de oprechtheid mijner gevoelens, de eerlijkheid mijner toekomst-droomen te doen is; als het mijne twijfelingen en mijn geloof, mijne voorgevoelens en opwellingen van het oogenblik geldt. Dan wordt er een scherp oog vereischt om alles, wat mijn eigendom is in den vollen zin van het woord, op te delven uit die schemerachtige diepte, die men het menschelijk hart noemt; en een scherp gehoor is er noodig om die zachte, bedeesde stemmen te verstaan, die de tolken van ons zieleleven zijn, maar die helaas vaak worden overstemd door overgeërfde, aangeleerde gewoonten en oppervlakkigheid. Ons verstandigikbrengt maar al te dikwijls ons beter, ons warmgevoelendiktot zwijgen. Wij verwisselen al te licht de kreet van den hartstocht, met den zucht van innig verlangen die uit onzen boezem opstijgt. Wij houden vaak de weerspiegeling van doode denkbeelden, voor echte teekenen van leven. Hoe menigmaal verloochenen wij onze overtuiging en noemen dit “ontzag en eerbied voor de meening van anderen”; en hoe menigmaal klampen wij ons vast aan verouderde en versleten gewoonten en noemen dit vastheid van karakter. Hoe laf! Is er wel een duidelijker bewijs noodig dat het ons ontbreekt aan moed?Nu beteekenen alle vrijheden ter wereld bedroefd weinig, vergeleken bij de verlossing uit den persoonlijken dwang en alle andere onderdrukkingen verdwijnen in het niet bij die van de persoonlijke vrijheid. Het komt er in de eerste plaats op aan of onze persoonlijkheid krachtig genoeg ontwikkeld is om hare eigene boeien te verbreken, want dàn heeft zij voorzeker ruimschoots de kracht die vereischt wordt om alle andere hinderpalen te overwinnen. Iemand, bezield met den drang om altijd en geheel zich zelf te zijn; te leven met elke bloedstrooming; uitdrukking te geven aan wat er in zijn binnenste omgaat—zooiemand zal wel geen rustig, maar altijd een rijk leven leiden. Voor hem is het leven een lied; want hij dicht het zelf onder de dagelijksche bezigheden en de bedwelming van gewichtige oogenblikken; onder jaren van leed en gedurende het kortstondig, maar heerlijk genot van alles wat hem gelukkig maakt. Hij weet, dat het beste wat hij anderen geven kan, tevens het hoogste genot voor hemzelf oplevert: het leven te vervullen van altijd echte—en als het mogelijk is ook krachtige en schoone, uitingen zijner persoonlijkheid.Op deze wijze geeft hij, voor zichzelf en voor anderen, een vernieuwde waarde aan het leven, en tevens nieuwe, prikkelende aanmoediging ten leven. Hij verruimt, naar de mate zijner gaven, zijn plekje van het aardsch bestaan; hij overwint op zijn eigenaardige wijze de moeilijkheden waarmede het verouderde en gestorven verleden, het levend heden in den weg treedt.Een zelfbewust persoon in den echten diepen zin van het woord, verlangt van anderen eenvoudig vrijheid voor zijne persoonlijke gevoelens en daden. Daarom hebben haat noch spot, waardeering noch miskenning, de macht hem van zijn weg te doen afwijken of zijne innerlijke harmonie te verstoren, zoolang hij getrouw blijft aan zijn eigen pathos; die trouw is voor hem alles—godsdienst en zedelijke wet. Die getrouwheid geeft moed om af te dalen tot in de diepte van zijn eigen hart—moed om de gevolgen van hetgeen hij daar ontdekt te dragen—zelfs ook al zoude het eigen belang er door winnen dat men tijdelijk zijn gevoelen of zijne plannen opofferde. En zij geeft ons nog een anderen moed: dien, om desnoods de achting onzer medemenschen te kunnen missen. Dit toch is de éenige voorwaarde om ten allen tijde onze achting voor onszelf te behouden; wij moeten deze maar al te dikwijls prijs geven als het er ons om te doen is den bijvalder wereld te veroveren. Om al deze redenen noemen wij een individu alleen dan persoonlijk sterk en vrij, als hij niet langer vreest de achting van iemand te verliezen behalve zijne eigene.Het gebeurt niet zelden dat zulk eene kracht de overwinning behaalt over de algemeene stemming die een flink karakter zich genoodzaakt zag te trotseeren. Want die stemming wijkt—even als andere wilde beesten—terug voor een moedig oog, terwijl zij den lafhartig vluchtende vervolgt en verscheurt.Nu moge het vreemd klinken, maar een individualist die zich gedwongen ziet alleen zijn weg te gaan heeft desniettemin daarbij altijd een goed geleide; niet van de menschen die nu leven, maar van hen die komen zullen.De groote menigte heeft nog zeer weinig doorgedacht over de beteekenis van de uitdrukking “persoonlijke vrijheid”. Voor velen roept dit woord de voorstelling op van—om iets te noemen—een heer, die zijn dag begint met zijne voeten op de ontbijttafel te leggen en dien eindigt met de vrouw van zijn vriend te verleiden, daartusschen-in een meineed gezworen, een wissel vervalscht, een sluipmoord begaan, heeft. Maar ook degenen wier verbeeldingskracht een minder hooge vlucht neemt, vereenigen toch aan de gedachte van “vrijheid des persoons” de voorstelling van onbeperkte vrijheid voor iedereen, om zijne driften en neigingen te volgen.Wie het onderwerp ernstig beschouwt, zal weldra tot de overtuiging komen dat onze driften juistniethet persoonlijke, het algemeen-menschelijke in ons vertegenwoordigen en dat iemand die zich door zijne hartstochten laat beheerschen, al was het alleen daarom, geen persoonlijkheid is. Het zeer jonge kind, de boschjesman, de onbeschaafde ruwe mensch, draagt nog slechts de mogelijkheidin zich om, eenmaal een persoonlijkheid te kunnen worden; maar daaraan moet zeer veel voorafgaan. Zij ontstaat slechts door de geheel bijzondere ernstige wijze waarop driften en hartstochten tot hoedanigheden van edeler aard worden omgewerkt. Zoo als het wezen van de meeste menschen in den grond bepaald wordt door overgeërfde neigingen en gaven, zoo vindt men ook verschillende graden van aanleg tot individualiteit. Maar al zijn de neigingen of het talent voor persoonlijkheid grooter of geringer, toch kunnen die gewijzigd worden door ervaring van droeven of verblijdenden aard, door opvoeding en ontwikkeling, door gewoonten en levensomstandigheden. Zoodoende worden hartstochten in gevoelens en gevoelens in gedachten en voorstellingen omgezet. Zoo wordt het ruwe wezen van den natuur-mensch tot een denkenden mensch veredeld, en in dezelfde mate als hij vordert op den weg van zelfkennis en ontwikkeling, zal deze zich minder laten beheerschen door zijne blinde hartstochten en driften. Hartstocht en zinnelijkheid zijn noodzakelijk; dat is te zeggen: zij hebben het recht van bestaan evenzoogoed als ieder ander moment onzer persoonlijkheid. Maar geen enkele dezer hoedanigheden mag zich zoo sterk ontwikkelen dat alle andere eigenschappen er door worden benadeeld. Dit zou zoowel het geluk als de vrijheid des persoons hinderend in den weg staan. Het is een oude ervaring, die in onze dagen met eene treurige duidelijkheid wordt bevestigd, dat een mensch die door zijne driften beheerscht wordt, zoo karakterloos wordt, dat hij tot een zekeren graad van verlaging gekomen, elk bewustzijn verliest van zijne waardigheid en van de verplichting die zijn rang en stand in de maatschappij hem opleggen; dit gaat soms zoover, dat hij zich van het eene uiterste tot het andere laat drijven en zich laat medevoeren op honderd paden, waarvan geen enkel door hem gekozen werd.Vrij is alleen de man, of de vrouw, die zich noch door eigen lusten, noch door den wil van anderen, laat verleiden om tegen beter weten in te handelen. Alleen zelfbewuste daden kunnen een mensch voldoening schenken. Geluk is het volkomen bewustzijn van macht, dat het gevolg is van de ontwikkeling onzer krachten in de grootst mogelijke vrijheid, de hoogst mogelijke volmaaktheid. Het onpersoonlijke bevredigen van onze driften kan eenig dierlijk genot opleveren, maar het schenkt ons nimmer het echte, menschelijke geluk.Elke gedwongene, onpersoonlijke handeling die de individueel ontwikkelde mensch begaat, kwelt hem als eene zonde tegen zijn eigen karakter, zij het nu dat hij die gepleegd heeft in een oogenblik toen zijn hartstocht hem te machtig werd, of gevolg gevende aan eene door hem in den grond afgekeurde gewoonte. Maar wie eenmaal de persoonlijke vrijheid veroverd heeft, zal zich niet licht aan een dergelijk kwaad schuldig maken. Hij kan gebruik maken van al de eigenaardige krachten en bewegingen, die hij, dank zij zijne volmaakte vrijheid, onafhankelijk van anderen kan sturen naar zijn eigen goedvinden. Hij houdt en leidt die zoo gemakkelijk als de ervaren schipper zijn vaartuig, de geoefende ruiter zijn ros. Hij geniet van het heerlijk bewustzijn zichzelf vrij te laten in zijne bewegingen, zonder vrees voor te ver te zullen gaan; van het gevoel van zijn geheel warm hart, zijn persoonlijk karakter, gerust te kunnen toonen zonder vrees dat hierdoor iets wat laag of kleinzielig, ruw of leelijk is, aan het daglicht zou kunnen komen.Er is geen edeler toestand van bezieling denkbaar dan die dit verheffende, fiere wezen in zijn vrij en eigenmachtig optreden ten toon spreidt.Bij zulk een mensch kan van geen gebreken of vergissingen sprake zijn; alleen van bepaalde grenzen. Maarbinnen die grenzen van eigen kunnen is het persoonlijk materiaal tot volkomen ontwikkeling gebracht.Ook zonder die hoogte te hebben bereikt kan eene waarlijk vrij geworden persoonlijkheid, alleen op hare eigenaardige wijze en tegen hare bijzondere wetten van eer en plicht, zondigen. Want bij een afgerond, geslotenik, vallen de gebreken tezaam met de natuur en aard van den persoon, evenzoo als de schaduw de omtrekken eener gedaante teruggeeft. Ja, er zijn karakters die voorloopig een gebrek dat met hunne kracht in overeenstemming is, niet verkiezen af te leggen; maar de zoodanige personen verheffen zich nooit op die fouten, evenmin als zij met hunne deugden pralen; immers deze staan in eene onpersoonlijke verhouding tot henzelf. Met een nimmer mistastend instinct kiest de vrije mensch datgene wat voor zijnen aard en zijn temperament van het meeste belang is, om het even of dit hem leed of vreugde oplevert, of het goed is of kwaad, in den gewonen zin van het woord: een droombeeld of eene daad. Voor hem is het physiek onmogelijk om in een oogenblik van onbeheerschte drift, in eene hartstochtelijke opwelling, een misdaad te begaan. Zijne weloverdachte, zorgvuldige ontwikkeling van eigen persoonlijkheid gaat bovendien gepaard aan een steeds fijner en teederder wordend besef van de grenslijnen voor zijn gedrag, juist ook ten opzichte van anderen. Iemand, die zelf weet wat hij wil en kan; die nimmer tevreden is met minder dan het beste wat hij geven kan en zich nooit laat verleiden om buiten zijne grenzen te gaan—zoo iemand ontziet ook stellig de meening en opvatting van anderen.Maar het gebeurt ook, dat hij niet kan toegeven dat de eigenaardige opvatting van een ander recht van bestaan heeft; dat zijn nauwgezet geweten eene wet of eene instelling moet afkeuren. Dan komt hij met zijn gevoelen hieromtrentruiterlijk voor den dag, niet onder den indruk eener plotselinge opwelling, maar duidelijk en op welberedeneerde gronden. Hoewel hij voor zich zelf en anderen elke onnoodige smart verfoeit, heeft hij toch in zijn karakter den moed aangekweekt om, waar dit geeischt wordt, eene noodige wonde te kunnen slaan. Maar er is, ook bij zulke aanleidingen, geen zweem te bespeuren van de ruwheid, die onnoodig de handen met bloed bevlekt, door het wroeten in de hartewonden van den naaste.Men kan het veel gemakkelijker en aangenamer hebben in de wereld dan de individualist, als men behoort tot de menigte van reizigers door het leven, die plaats nemen op “de groote pleizierboot”, het vaartuig dat, met de vlag der algemeen-gebruikelijke moraal in top, zachtjes over de golven henen glijdt. Ieder reiziger behoeft niets anders te doen dan zich kalm de haven te laten binnen brengen. Maar naast de stoomboot ziet men hoe“Alleen, in een gebrekkig scheepjeEen zeiler zich waagt op de groote zee...”,hoe die zeeman, veel grooter gevaren trotseerend, maar met oneindig meer krachtsinspanning, den tocht aanvaardt, onder het heerlijk gevoel, die onstuimige golven te beheerschen door de macht van zijn vasten wil. Dàt is het ware, volle leven!—Er wordt vaak gezegd—vooral bij gelegenheid der jubileumsfeesten van het protestantisme—dat in onze dagen ieder in zijn eigen geweten zijn hoogsten rechter heeft. Maar zoodra iemand dit beginsel van het eigen persoonlijk recht in toepassing wil brengen, haasten die “wachters over de gebruikelijke instellingen” zich, te prediken, dat een dergelijk subjectisme alle verhoudingen in de samenleving onmogelijk zoude maken.Nu is het er zoo mede gesteld, dat het geweten dermeerderheid zich in de eerste plaats door overgeërfde zeden en gebruiken laat leiden; dat dit, in de meeste gevallen niets anders is dan een echo van het sociale geweten. Het groote gebrek is, dat men verzuimt zijn eigen persoonlijk gevoel van recht, dat toch het éenige voor ieder van ons geldige geweten is, te ontwikkelen en op te voeden; al gaat die opvoeding soms met misstappen vereenigd—dit hindert niet; immers alleen door de gevolgen van zijn eigen daden te ondervinden, kan men tot de ontdekking komen dat men den verkeerden weg had ingeslagen en leeren op zijn hoede te zijn.Om deze reden werkt elke voortdurende gewetensdwang dien de regeering op bijzondere personen uitoefent, op den langen duur nadeelig voor den Staat zelf. Want het geweten der maatschappij wordt slechts verfijnd en veredeld onder gunstige voorwaarden voor de vrijheid van den afzonderlijken persoon; dat is te zeggen, wanneer de enkele individuen in staat gesteld worden, om naar de inspraak van hun eigen geweten te handelen en voor hun eigen verantwoording. Middelerwijle ontstaan juist hierdoor botsingen en toestanden, die aan een ieder gelegenheid geven zijn gemoed ernstig te onderzoeken; door aldus dezen toets en die besliste keuze uit te lokken, wordt een nieuw zedelijk geweten bij de geheele samenleving gewekt en ontwikkeld.Maar deze nieuwe schepping op ethisch gebied heeft niet plaats doordat flauwe menschen voortdurend blijven zondigen tegen de wetten die zij blijven goedkeuren; ook niet doordat losbandige menschen aan hunne onbeteugelde passies toegeven, ondanks die wetten der zedelijkheid.Zij komt alleen tot stand door de medewerking van hen, die van natuurmenschen leden der samenleving geworden zijn en van dezen tot persoonlijke karakterswerden ontwikkeld. Dat zij aldus zijn gevorderd op den weg der beschaving geeft hun het recht om de sociale zedewet te toetsen en zelf te beslissen in hoever zij niet genegen zijn daaraan in alle opzichten te gehoorzamen. Aangezien nu de menschen de wetten der zedelijkheid hebben gemaakt om in hunne behoeften te voorzien, hebben zij ook het recht om daarin veranderingen aan te brengen, waar zij dit noodig en nuttig achten.De eisch van Kant: “dat het individu zòo moet handelen, als of zijne handelwijze een wet voor alle menschen worden moest”—is in lijnrechte tegenstelling tot de bedoeling der persoonlijke vrijheid. Deze toch hoopt en verwacht het hoogste geluk en de grootste vorderingen op het gebied der beschaving van de groote meerderheid te zullen bereiken, daardoor dat men ten laatste geen absolute, voor allen verplichtend geachte wetten meer zal erkennen, maar dat ieder individu zijn eigen wet, naar de stem van zijn geweten, leert gehoorzamen.Zij, die nog niet zoover in de ethische ontwikkeling gevorderd zijn, om op die hervorming der wet aanspraak te kunnen maken; groote kinderen; of plichtmenschen zonder persoonlijk oordeel; of driftmenschen zonder sociaal geweten; alle dezen hebben den dwang van de maatschappij noodig, om te worden verhinderd anderen ongelukkig te maken.Zelfs een flink karakter heeft in bepaalde tijdperken zijner opvoeding, behoefte aan zulk een steun. Toch zal het groote doel der samenleving niet bereikt zijn, eer zij in haar geheel overwonnen wordt door de ethische volmaaktheid der individuen.Omtrent dit punt ontmoeten wij behoudende en radikale idéalisten. De conservatieve idéalist gelooft, dat de maatschappij—evenzoo als het huisgezin, de kerk, het vaderland—in haar tegenwoordigen vorm, voor altijdbeslissende, afgeronde idéen en formules bevat. De radikaal heeft den moed te gelooven, dat alles wat bestaat—regeering, godsdienst en huwelijk—voor verandering en verbetering vatbaar is. Deze overtuiging wordt wederom gewraakt door het wantrouwen, dat eigenlijk niets anders is dan de instinctmatige zelfverdediging van al het bestaande, door den mensch van heden.Die twijfel is de droevige angst van den ouderdom; twijfel aan het leven en aan de groote levenswet, die luidt: hernieuwing, hervorming aller dingen.Wat de ouden van dagen bovenal vreezen is juist die persoonlijke vrijheid; wat het jonge geslacht in de eerste plaats hoopt is diezelfde persoonlijke vrijheid, waardoor het leven niet langer zal blijven eene plaats vol onvruchtbare droombeelden, maar vol van verwezenlijkte idéalen.Dan zal het blijken, dat niet de deugd gelukkig maakt, zooals het christendom predikt, maar dat het een geluk is goed te zijn. Deze overtuiging zal ingang vinden waar ieders persoonlijk geloof zijn godsdienst geworden is, die alle andere belangen in zich sluit.De aanhangers van dezen nieuwen godsdienst zullen—zooals hierboven gezegd werd, hoe langer hoe zorgvuldiger luisteren naar de stem van hun geweten, waar het erop aankomt hun demon te volgen, hunne handelingen en beweegredenen ernstig te toetsen aan hun beste weten en kunnen. Zelfs eene daad, die niemand anders benadeelde dan den persoon zelf, waarvan niemand iets weet dan hijzelf, kan, als zij in strijd was met het persoonlijk karakter van den dader, dezen nog jarenlang hinderen en bedroeven; evenzoo als een onherstelbare fout aan zijn kunstwerk toegebracht den beeldhouwer bedroeft.Hiertegenover staat, dat hij geen ander schuldgevoel erkent, dan dat jegens zijn eigen idéaal;—hem ontbreekt het besef van schuld dat altijd dengene beheerscht, diezich gedwongen ziet elke wilskrachtige opwelling, elke spontane handeling te vergelijken met een buiten hem staand voorbeeld.Hoe vele christenen, die een krachtig zelfbewustzijn met zich omdragen, brengen, bijvoorbeeld, niet een groot gedeelte van hun leven, in den gebede en geknield door om daardoor eindelijk zich te dwingen tot de ootmoedige belijdenis: van nietswaardig te zijn voor God!Hoe vele christenen, die uit hunnen aard een levendig gevoel hebben voor recht; die sterk sprekende sympathiën en antipathiën hebben in hun hart, strijden niet op diezelfde wijze om een misdaad te leeren vergeven en den misdadiger te blijven liefhebben! Gelukt dit niet, dan hebben die dwepers diep berouw en met reden; immers zij waren niet in staat het hun gegeven voorbeeld na te volgen.Hij daarentegen, die de éthiek van het individualisme aanhangt, beschouwt het zelfbewust gevoel zoolang als gewettigd, als hij kans ziet aan de mogelijke eischen die dit hem stelde, te voldoen. En hij acht den drang om—tengevolge van zekere waarnemingen—een persoon buiten, of beneden de sfeer zijner sympathie te plaatsen, ook een deel te zijn van zijn instinct tot zelfbehoud. Aangezien de individualist het recht van anderen tegenover een hem onsympathiek persoon erkent, wordt wraaklust voor hem evenzoo onmogelijk als vergiffenis schenken. Hij bepaalt er zich eenvoudig toe, zulk een persoon te schrappen uit den kring met wien hij verkeert; deze behoort van nu af tot een ander geslacht, tot een ander tijdperk dan het zijne.Dit verklaart hoe het gevoel van schuld, in den christelijken zin, moet ophouden wanneer de menschen niet langer copiën vormen van hun voorbeeld: den Christus. Toch ligt hierin volstrekt geen aanleiding tot bandeloosheid.De vrijheid in denken en handelen van den individualist onderscheidt zich van teugelloosheid, evenzoo als de krachtsvertooningen van den atleet, verschillend zijn van de luchtsprongen en duikelpartijtjes onzer kinderen. De eerstgenoemde heeft zijne vrijheid met groote inspanning en na ernstig worstelen, gewonnen. Maar tot belooning is ook zijne vrijheid edeler, vertrouwbaarder, “natuurlijker” zelfs, dan die “vanzelf ontstaande.” Het menschdom nadert op deze wijze een ander tijdperk van onschuld; het herwint een Paradijs, waar Adam en Eva zich mogen verzadigen aan de vruchten van den boom der kennis van goed en kwaad—en daarbij kalm kunnen bouwen en wonen onder den boom des levens, aangezien de strenge wachter bij de poort van Eden, glimlachend, zijn zwaard, waarmede hij alleen uit de verte gedreigd had, aan hunne voeten heeft neergelegd.Wanneer eenmaal het grondbeginsel der persoonlijke vrijheid geheel tot ons zal zijn doorgedrongen; wanneer het zal zijn vleesch van ons vleesch en bloed van ons bloed, dan zullen ouders en opvoeders er evenzoo ijverig naar streven oorspronkelijke wezens te vormen, als zij tegenwoordig trachten zedelijke menschen op te voeden. Een volkomen “zoet kind”, zal dan een even zoo onaangenaam en treurig gezicht opleveren als een mismaakt schepsel. Men moet bij een kind vooral zijn natuurlijke wilskracht beschermen, maar deze trachten op te leiden voor de groote taak, een beschaafd mensch te worden, zijne bijdrage te leveren, tot de algemeene cultuur in de wereld der menschheid.En de wilskracht van het kind kan bewaard blijven als het zijne neigingen en hartstochten mag behouden, maar daarbij leert—uit eerbied voor den mensch die in hem leeft,—den tijger te temmen en den aap te tuchtigen—die ook in hem leven.Daarom kan met de opvoeding van het kind niet te vroeg worden begonnen; reeds aan de borst der moeder moet daarmede een aanvang worden gemaakt; en dan moet zij worden voortgezet in eene lijnrechte tegenstelling met de tegenwoordig gevolgde methode.In de opvoeding mag niets verplichtend worden geacht, dan het verwerven van die eenvoudige kundigheden, die, als het ware, mes en vork bij den feestmaaltijd der wetenschap vertegenwoordigen. Later zal deze hun worden aangeboden, ieder persoonlijk, volgens een menu van uitgezochte, krachtige spijzen, waaruit door oordeelkundige opvoeders voor elk der kinderen eene keuze zal worden gedaan, overeenkomstig ieders aard en gestel. Na eenige generaties van aldus opgevoede individualisten zal men eerst in staat zijn te begrijpen, wat de gedachte der persoonlijke vrijheid van de menschelijke natuur maken kan.Het was natuurlijk te verwachten, dat deze idée, in een geheel onvoorbereid geslacht tot handeling omgezet, een aantal afschrikkende gevolgen zoude vertoonen. Zijn eigen ik te believen; zijn eigen leven te leven; gehoorzaam te zijn aan zijn temperament—deze roepstemmen werden, gericht tot in leeftijd en gemoed onrijpe menschen, of tot dezulken voor wie alleen de zinnelijkheid beteekenis en inhoud aan hun bestaan geeft, vaak misbruikte wachtwoorden.Voor sterke, levendig gevoelende persoonlijkheden, werd de verzoeking van een anderen aard, om gesteund door den in een dieperen zin waren levensregel: “Alle Schaffenden sind hart”, ruwheid en hardvochtigheid te verdedigen; zelfgenoegzaamheid of koelheid, listen en driften uit zijne bloedsmenging voortkomende, te gaan beschouwen als een belangrijk gedeelte van hunne persoonlijkheid; een woeste grond, die niet mag worden ontgonnen, maar die er, in tegendeel, voor bewaard wordenmoet misschien zijn oorspronkelijke wilskracht te verliezen, of zijne scheppings- en daadkracht te dòen verminderen.Deze beide soorten van zichzelf verheffende menschen, maken nu gebruik van Nietzsche, als den verdediger hunner teugelloosheid, of laagheid, van hunne zelfzucht en hun gemis aan ontzag voor anderen. Van alle dingen kan misbruik gemaakt worden; waartoe heeft het christendom al niet tot voorwendsel gediend!? Nietzsche had een voorgevoel van hetgeen hem te wachten stond, toen hij een doornenhaag rondom zijn tuin liet zetten, opdat het vee daar niet in zou kunnen dringen!Voor iederen ernstigen lezer van Nietzsche is het, ondanks zijne onbewust elkander tegensprekende gezegden en zijne met opzet gebruikte paradoxen, toch zeer duidelijk wat een zijner biografen zegt: dat de grondgedachte waarop Nietzsche zijne stellingen heeft gebouwd:—dat ieder persoonlijk met geheel de kracht van zijn lichaam en geest, met inspanning van al zijne gaven en vermogens, moet streven naar veredeling, en daarnaar, éenmaal het hoogste punt der menschelijke volmaking te bereiken,—dat die gedachte niet alleen het individu, maar het geheele menschdom ten goede zal komen en dat zij dus geen zelfzuchtig maar wel degelijk eenaltruïstischdoel beoogt. En hoe Nietzsche zelf zijne leer van den veredelden mensch in practijk heeft gebracht, hieromtrent weten wij nu althans zooveel, dat het voor goed uit moest zijn met dat onzinnig gepraat over Nietzsche als den profeet der teugelloosheid; over hem, die uit zijnen aard en aanleg bezield was met eene onwrikbare liefde voor de waarheid, met eene bijzondere neiging voor beleefde en waardige vormen in de samenleving; met een groote behoefte aan vriendschap en sympathie; met eene opgewektheid, die hem onder de eenvoudigste omstandigheden vroolijk entevreden deed zijn; met eene zelfstandigheid, die hem leerde anderen te ontzien; met een zeldzame gave om zichzelf te beheerschen!De zedeleer van het christendom was hem tot een tweede natuur geworden; zijn gevoel voor alles wat schoon is en welluidt, maakte iedere leelijke of ruwe handeling voor hem tot een onmogelijkheid.Al misbruiken de “gewone menschen” uit onwetendheid de leer van dezen Meester, toch zal dit misbruik op den langen duur niet veel kwaad doen. Want vroeg of laat komen dezen toch in botsing met de grens hunner eigen persoonlijkheid: de individualiteit van anderen. De ruwe, koele, zelfgenoegzame zal hierom ten laatste alleen staan; tegelijk daalt hiermede zijne persoonlijkheid en tevens de waarde van zijne betrekking in de maatschappij, waarvoor hij zijne ruwe wilskracht had willen bewaren. De zinnelijke, laagstaande mensch ontmoet zijn tuchtmeester in den tegenstand der samenleving en van dien der op een hooger standpunt van beschaving gekomene, enkele personen in zijn kring.Ook de aanhanger der nieuwe zedenleer komt niet eer tot zijn recht dan wanneer hij dit kan verwerven, door zijne persoonlijke rechten te bewijzen. Hij moet hierom vooruit goed de kosten van zijn proces berekenen en wel weten wat hij waagt, wat hij wil. En in dien strijd tusschen de samenleving en den afzonderlijken persoon; bij deze moeilijkheden voor den ontwikkelden mensch, om zich op het juiste standpunt te plaatsen, ligt het tegengif tegen de gevaren, die anders zoo licht het gevolg zijn van den—allezins gewettigden—eisch, eener grootere zedelijke vrijheid voor de hoogerstaanden, een beperkter grens voor de lagerstaanden, op de ladder der beschaving.De gewettigde zelfzucht van alle anderen vormt een dam tegen de onbillijke—of misschien ook wel gewettigde—zelfzucht van den afzonderlijken persoon. Reeds het kind leert soms reeds in zijn prille jeugd de wijze kennen waarop men een lid der groote maatschappij wordt: het ondervindt al spoedig dat het niet aangaat, onzen zin te volgen ten koste van eens anders onbehagen. En tegenover de volwassenen, die deze les als kind niet hebben geleerd, heeft de maatschappij het recht—zoolang als zij er de macht voor heeft—met nadruk de hand te leggen op eene zelfverheffing ten nadeele van die van anderen. Een bijzonder ontwikkeld mensch kan dus niet zonder strijden en worstelen, zijn eisch voor de persoonlijke vrijheid verwezenlijkt zien en niet eer dan wanneer het hem gelukt is den wensch om ook van die vrijheid te genieten bij de meerderheid op te wekken. Eerst dan, en niet eer, wordt de wet, of het aangenomen gebruik dat den alleenstaanden persoon verhinderde zich als een vrij mensch te gedragen, herzien.Maar in de meeste gevallen is de individualist, wanneer het hem maar goed duidelijk is, wat zijn werkelijk belang eischt, niet onwillig om zijne gehoorzaamheid aan de wetten der zamenleving te toonen en deze op te houden; hij weet maar al te goed dat hij, zonder deze, genoodzaakt worden zou, zijne krachten te verspillen tot zijn verdediging tegen het ruwe geweld en op die wijze slechts onvoldoende aan de ontwikkeling van zijn eigenlijke persoonlijkheid zou kunnen werken. Indien een individualist zin en gevoel heeft voor harmonie, dan zal hij ook spoedig verstaan, dat niet de ruwe maar de veredelde kracht de sterkste is; dat niet de ruwe ijzerstaaf, maar het geplette stalen lint dat men om den vinger kan winden, de uitdrukking is voor de eigenaardige kracht van het metaal. Wilskracht bij de teederste aandoeningen; edele uitdrukkingen ook bij de geweldigste ontboezeming van kracht; zich niet ontzien om tot de meest gewaagde gevolgtrekkingendoor te dringen, waar het een heilige verborgenheid geldt—maar zachtzinnigheid jegens elk wezen dat zwak is en lijdt—ziedaar de groote kracht van den harmonisch ontwikkelden, persoonlijk vrijen, mensch. En een zoodanig persoon vermorst geen enkelen druppel van dennectar, die hem uit den beker van een ander, even rijk individu wordt aangeboden. In tegendeel, voorzichtig brengt hij dien beker aan zijne lippen en ledigt hem met den plechtigen eerbied eener heilige ceremonie. Zulk een ontwikkeld individualist kan—voor zoover hij niet tevens anarchist is—alleen in opstand komen tegen de hooge mate van dwang, door de wachters der maatschappij, die toch het recht van allen moeten beschermen, toegepast. Het ligt in de rede dat over dit onderwerp de zienswijze der persoonlijk vrije menschen verschillend wezen moet. Laat ons hiervan een voorbeeld opnoemen: ik veronderstel, dat de meeste individualisten het recht der Regeering erkennen om hem, die de godsdienstige bijeenkomsten van anderen stoort, te straffen; maar volstrekt niet het recht om iemand tot zekere kerkelijke handelingen te dwingen. Zeker, ook de individualist oordeelt strenge straf noodig, op het plegen van geweld, of verleiding der onschuld; maar toch acht hij eene ontwikkelde vrouw volkomen gerechtigd zich aan eene ernstige liefde over te geven in vrijheid.Velen zien verlangend uit naar eene wet die de rechten van het kind tegenover zijne ouders waarborgt; een ander wenscht weder het tot stand komen eener wet, die elk huwelijk, waarbij eene treurige nakomelingschap met zekerheid is vooruit te zien, verbiedt.Zulke wetten zouden eene grens bepalen tegen de misdadige lichtzinnigheid waarmede—in en buiten het huwelijk—nieuwe wezens tot de smart van een ziekelijk, ongelukkig bestaan, worden veroordeeld. Intusschen rekenteen ontwikkeld individualist het niet tot deze lichtzinnige daden, als eene beschaafde, ernstig denkende vrouw, volkomen bewust en met opgewekt gevoel van verantwoordelijkheid, het moederworden verkiest buiten het wettige huwelijk. Ten opzichte der rechten van een derden persoon erkennen vele vrienden der persoonlijke vrijheid het nut van den wettigen vorm bij een huwelijk; toch verwerpen zij beslist elken vorm, die de eene partij het recht over den andere toekent en de vrijheid om het huwelijk te ontbinden hinderend in den weg staat.Hoe meer de persoonlijkheid ontwikkeld wordt, des te veelzijdiger zal ook het liefdeleven zich ontwikkelen. Voor de bescherming van het kind zal de toekomst ook wel voorzien in een matriarchaat, b. v. er voor zorgen, dat elke moeder, gedurende een zeker aantal jaren, op het onderhoud van haar kind door den staat rekenen kan.Toegegeven dat de eer en de goede naam van ieder persoon dient gevrijwaard te worden tegen misbruik der pers; toch mag er geen woord blijven staan van een stuk, dat gebruikt zou kunnen worden als een wapen tegen de vrijheid van onderzoek, tegen de vrije uiting op het gebied van letterkunde en wetenschap.Sommigen willen aan de Regeering niet alleen de macht geven het leven der enkele personen te beschermen, maar hare macht vergrooten tot het beletten van al de moorden uit de tweede hand, die door de hedendaagsche industrie worden begaan. Anderen daarentegen gaan uit van den stelregel, dat ieder mensch de vrije beschikking heeft over zijn eigen leven en dat hij, hieraan een einde makend, niet laf op de vlucht slaande, maar wel en ernstig overlegd, onder bijzondere omstandigheden, eene zedelijk te rechtvaardigen handeling begaat.Tot bescherming van het leven in onze dagen van opgezweepten arbeid en onophoudelijk produceeren, is éenrustdag in de week nuttig en noodig; deze moet door de Regeering voor alle soorten van arbeiders worden bevolen en gehandhaafd. Maar het gaat niet aan, voor de Regeering om zich te bemoeien met de wijze waarop ieder blieft van dien rustdag gebruik te maken—en het voegt haar vooral niet dit te doen in den vorm van gedwongen godsdienstoefeningen. Eene wet die de zwakken verhindert hun leven te bederven door ’t gebruik van sterken drank, kan goed zijn; maar deze mag niet zoover gaan, te eischen dat degenen die dezen tuchtmeester niet noodig hebben omdat zij zichzelf en hunne neigingen kunnen beheerschen, terwille van die zwakken, onder een zeer overvloedig dwangmiddel zullen lijden. De zwakken op te voeden door hen te wijzen op het voorbeeld der sterken—dit is de rechte wijze om deze en dergelijke kwesties op te lossen.Als de maatschappij innig doordrongen was van deze waarheid, dan zou de taak der wetgeving moeilijker, maar ook veel belangrijker, worden. De hoogst ontwikkelden zouden dan niet hunne vrijheid opofferen en evenmin de ontwikkeling der lagerstaanden tegenwerken door middeleeuwschen dwang.Hierin de juiste maat te houden is moeilijk maar niet onmogelijk. Niemand die ernstig denkt acht de persoonlijke vrijheid het doel te zijn der beschaving, maar het middel om tot dit doel te geraken.De vrijheid houdt voortdurend gelijken tred met de ontwikkeling, zoodat hoe verder men vordert op den weg van ontwikkeling men ook van meer vrijheid geniet; en wederkeerig wordt door die vrijheid de beschaving bevorderd.De dienst van de industrie, de aanbidding van het kapitaal, zijn de grootste vijanden der persoonlijke vrijheid. Al acht daarom de individualist eene wet die aan ditmisbruik paal en perk kan zetten gewenscht, toch keurt hij de gedachte aan een ander misbruik—het geheel op te doen gaan en op te offeren voor het algemeen—zooals de socialen dit eischen—grootelijks af.Wat beteekent het toch, dat men onder voorwendsel van de algemeene zedelijkheid te bevorderen, de plichten jegens den naaste boven de plichten jegens onszelf zet; dat het christendom verlangt, dat wij alle menschen als onze broeders en zusters zullen liefhebben, even hartelijk en allen gelijk? Dit is een dwang dien men aan het beginsel der vrije keuze heeft opgelegd.Voor den voorstander der persoonlijke vrijheid is de vraag wat iemand gelooft van weinig beteekenis; ook de vraag wat hij doet beduidt niets; op de vraag wat hijiskomt het aan.Hoe hooger men stijgt in het besef zijner eigene waarde des te krachtiger lid gevoelt men zich in de samenleving: het wel en wee der anderen treedt ons nader; het wordt als het onze. Een persoon behoeft nu niet langer te worstelen om een plekje grond waarop hij vrij kan opgroeien; hij gunt aan anderen diezelfde ruimte, want immers alle boomen vormen een gedeelte van zijn eigen bosch. Hij doet daarbij de heerlijke ondervinding op, dat ons groote levensdoel is: de ontwikkeling van onze persoonlijke vrijheid, en die van anderen, te bevorderen en haar te verdedigen, des noods ten koste van ons leven.Maar al overwinnen wij, zoowel vrouwen als mannen, den zedelijken dwang; en al stellen wij de vrije persoonlijkheid ook ten opzichte van ons zedelijk leven daarvoor in de plaats—toch blijft er een groot en ernstig bewustzijn van overwegend belang in alle vraagstukken des levens, ons bij:de wet der noodzakelijkheid.“Alles wat er gebeurt is een gevolg der noodzakelijkheid; doe daarom wat ge kunt en verdraag dan alles watge lijden moet.” Dit groote woord van Schopenhauer is het eerste gebod oponzesteenen tafelen der wet gegrift.Niets kon anders gaan dan het ging en niets kan ongedaan worden gemaakt.De gevolgen mijner daden, voor zoover deze uit mijn karakter zijn voortgekomen, vormen mijn noodlot.Alles in mijn wezen en alles in mijn werk verbindt mij met onverbreekbare schakels aan het groot geheel van het leven; aan de ongekende diepten, waaruit ik als een golf word opgeheven, om als deze voort te zwemmen op de levenszee, te stijgen en te dalen. Maar onder datrijzenen dalen van die golf, maakt haar eigen beweging en haar eigen vorming haar tot hetgeen zij is.Het heerlijk bewustzijn van mensch te zijn, kan mij goddelijk maken onder het oog der eeuwige kracht waarvan ik ben éen der golven, die de zee vormen: de groote oceaan des levens, die grooter en krachtiger is dan de golven.
Ueber der Pforte unserer Zeit steht: “Verwerthe Dich!”Max Stirner.
Ueber der Pforte unserer Zeit steht: “Verwerthe Dich!”
Max Stirner.
“Persoonlijke vrijheid”—deze uitdrukking is bijna tot een algemeen wachtwoord gemaakt, hoewel slechts enkelen begrijpen welke beteekenis in het woord ligt. Hoevelen weten inderdaad wat er vereischt wordt om dag aan dag, jaar na jaar, den inhoud er van te verwezenlijken? Hoevelen hebben er hunne nachtrust aan opgeofferd, aan het peinzen over wat zijn of haareigen ikbeteekent, en hoe die persoonlijkheid inderdaad als zoodanig hare taak zal volbrengen in de maatschappij?
Zichzelf persoonlijk vrijmaken—dat is onder anderen een voortdurend luisteren naar de tonen in ons gemoed om te trachten den grondtoon te ontdekken. En heeft men dien gevonden, dan eischt het streven naar ’t bereiken van persoonlijke vrijheid, dat men met open oog zoekt naar de behoeften van geest en hart, en daaraan tracht te gemoed te komen. Dat men zich op de juiste wijze vormt en zijne ontwikkeling met ernst in de hand neemt; dat men luistert naar de stem van eigen ervaring in het leven; zijne eigene gewoonten, voor zoover daar eenigen zin inligt, veredelt en dus zijne eigenaardige oorspronkelijkheid kweekt en krachtiger doet worden. En ook dat men daarentegen zooveel mogelijk de herinneringen, studies en gewoonten die hinderend onze persoonlijke ontwikkeling in den weg kunnen staan, ter zijde zet en het vermijdt om met deze in aanraking te komen. De neiging tot individualiteit uit zich—evenzoo als elke andere belangrijke neiging—aanvankelijk als eene kracht tot zelfverdediging jegens allen en alles wat inbreuk daarop zou kunnen maken, dien drang zou willen beperken. De geboren individualist heeft reeds in de kinderkamer en op de schoolbank een eigen keuze gedaan met het oog op zijn speelgoed, zijne boeken, zijne wijze van leeren, zijne vrienden. Reeds vroeg heeft hij den moed gehad zijn eigen smart en vreugde, zijn eigen smaak en zijne fouten, ronduit te toonen. Hij heeft die niet laten verwringen, verkleuren en afronden door anderen, of door de omstandigheden. In zijne jeugd is men zelden in de gelegenheid om zijn gevoel van persoonlijkheid in daden uit te drukken. Maar juist om die reden doet zich de geboren individualist in die jaren kennen als een “Jantje contrari” en wordt dus een alles behalve aangenaam kind in den huiselijken kring. Laat echter eerst de tijd tot handelen komen! Dan heeft hij zijn karakter middelerwijle genoeg geoefend om te begrijpen: wanneer hij iets kan en mag wagen, en wanneer het geraden is stil toe te zien; wanneer hij fier het hoofd kan opheffen, of zich moet voegen naar anderen; wanneer hij moet afwachten of een besluit nemen; inhoever hij met anderen kan meêgaan en inhoever dit meêgaan ontrouw aan zichzelf zoude worden.
Maar al deze dingen vormen nog slechts oefeningen en dressuur voor den grooten veldslag, die gewonnen moet worden, zal men de persoonlijke vrijheid veroveren. Die oorlog wordt gevoerd in de geheimzinnige wereld vanmijn binnenste, als het om de oprechtheid mijner gevoelens, de eerlijkheid mijner toekomst-droomen te doen is; als het mijne twijfelingen en mijn geloof, mijne voorgevoelens en opwellingen van het oogenblik geldt. Dan wordt er een scherp oog vereischt om alles, wat mijn eigendom is in den vollen zin van het woord, op te delven uit die schemerachtige diepte, die men het menschelijk hart noemt; en een scherp gehoor is er noodig om die zachte, bedeesde stemmen te verstaan, die de tolken van ons zieleleven zijn, maar die helaas vaak worden overstemd door overgeërfde, aangeleerde gewoonten en oppervlakkigheid. Ons verstandigikbrengt maar al te dikwijls ons beter, ons warmgevoelendiktot zwijgen. Wij verwisselen al te licht de kreet van den hartstocht, met den zucht van innig verlangen die uit onzen boezem opstijgt. Wij houden vaak de weerspiegeling van doode denkbeelden, voor echte teekenen van leven. Hoe menigmaal verloochenen wij onze overtuiging en noemen dit “ontzag en eerbied voor de meening van anderen”; en hoe menigmaal klampen wij ons vast aan verouderde en versleten gewoonten en noemen dit vastheid van karakter. Hoe laf! Is er wel een duidelijker bewijs noodig dat het ons ontbreekt aan moed?
Nu beteekenen alle vrijheden ter wereld bedroefd weinig, vergeleken bij de verlossing uit den persoonlijken dwang en alle andere onderdrukkingen verdwijnen in het niet bij die van de persoonlijke vrijheid. Het komt er in de eerste plaats op aan of onze persoonlijkheid krachtig genoeg ontwikkeld is om hare eigene boeien te verbreken, want dàn heeft zij voorzeker ruimschoots de kracht die vereischt wordt om alle andere hinderpalen te overwinnen. Iemand, bezield met den drang om altijd en geheel zich zelf te zijn; te leven met elke bloedstrooming; uitdrukking te geven aan wat er in zijn binnenste omgaat—zooiemand zal wel geen rustig, maar altijd een rijk leven leiden. Voor hem is het leven een lied; want hij dicht het zelf onder de dagelijksche bezigheden en de bedwelming van gewichtige oogenblikken; onder jaren van leed en gedurende het kortstondig, maar heerlijk genot van alles wat hem gelukkig maakt. Hij weet, dat het beste wat hij anderen geven kan, tevens het hoogste genot voor hemzelf oplevert: het leven te vervullen van altijd echte—en als het mogelijk is ook krachtige en schoone, uitingen zijner persoonlijkheid.
Op deze wijze geeft hij, voor zichzelf en voor anderen, een vernieuwde waarde aan het leven, en tevens nieuwe, prikkelende aanmoediging ten leven. Hij verruimt, naar de mate zijner gaven, zijn plekje van het aardsch bestaan; hij overwint op zijn eigenaardige wijze de moeilijkheden waarmede het verouderde en gestorven verleden, het levend heden in den weg treedt.
Een zelfbewust persoon in den echten diepen zin van het woord, verlangt van anderen eenvoudig vrijheid voor zijne persoonlijke gevoelens en daden. Daarom hebben haat noch spot, waardeering noch miskenning, de macht hem van zijn weg te doen afwijken of zijne innerlijke harmonie te verstoren, zoolang hij getrouw blijft aan zijn eigen pathos; die trouw is voor hem alles—godsdienst en zedelijke wet. Die getrouwheid geeft moed om af te dalen tot in de diepte van zijn eigen hart—moed om de gevolgen van hetgeen hij daar ontdekt te dragen—zelfs ook al zoude het eigen belang er door winnen dat men tijdelijk zijn gevoelen of zijne plannen opofferde. En zij geeft ons nog een anderen moed: dien, om desnoods de achting onzer medemenschen te kunnen missen. Dit toch is de éenige voorwaarde om ten allen tijde onze achting voor onszelf te behouden; wij moeten deze maar al te dikwijls prijs geven als het er ons om te doen is den bijvalder wereld te veroveren. Om al deze redenen noemen wij een individu alleen dan persoonlijk sterk en vrij, als hij niet langer vreest de achting van iemand te verliezen behalve zijne eigene.
Het gebeurt niet zelden dat zulk eene kracht de overwinning behaalt over de algemeene stemming die een flink karakter zich genoodzaakt zag te trotseeren. Want die stemming wijkt—even als andere wilde beesten—terug voor een moedig oog, terwijl zij den lafhartig vluchtende vervolgt en verscheurt.
Nu moge het vreemd klinken, maar een individualist die zich gedwongen ziet alleen zijn weg te gaan heeft desniettemin daarbij altijd een goed geleide; niet van de menschen die nu leven, maar van hen die komen zullen.
De groote menigte heeft nog zeer weinig doorgedacht over de beteekenis van de uitdrukking “persoonlijke vrijheid”. Voor velen roept dit woord de voorstelling op van—om iets te noemen—een heer, die zijn dag begint met zijne voeten op de ontbijttafel te leggen en dien eindigt met de vrouw van zijn vriend te verleiden, daartusschen-in een meineed gezworen, een wissel vervalscht, een sluipmoord begaan, heeft. Maar ook degenen wier verbeeldingskracht een minder hooge vlucht neemt, vereenigen toch aan de gedachte van “vrijheid des persoons” de voorstelling van onbeperkte vrijheid voor iedereen, om zijne driften en neigingen te volgen.
Wie het onderwerp ernstig beschouwt, zal weldra tot de overtuiging komen dat onze driften juistniethet persoonlijke, het algemeen-menschelijke in ons vertegenwoordigen en dat iemand die zich door zijne hartstochten laat beheerschen, al was het alleen daarom, geen persoonlijkheid is. Het zeer jonge kind, de boschjesman, de onbeschaafde ruwe mensch, draagt nog slechts de mogelijkheidin zich om, eenmaal een persoonlijkheid te kunnen worden; maar daaraan moet zeer veel voorafgaan. Zij ontstaat slechts door de geheel bijzondere ernstige wijze waarop driften en hartstochten tot hoedanigheden van edeler aard worden omgewerkt. Zoo als het wezen van de meeste menschen in den grond bepaald wordt door overgeërfde neigingen en gaven, zoo vindt men ook verschillende graden van aanleg tot individualiteit. Maar al zijn de neigingen of het talent voor persoonlijkheid grooter of geringer, toch kunnen die gewijzigd worden door ervaring van droeven of verblijdenden aard, door opvoeding en ontwikkeling, door gewoonten en levensomstandigheden. Zoodoende worden hartstochten in gevoelens en gevoelens in gedachten en voorstellingen omgezet. Zoo wordt het ruwe wezen van den natuur-mensch tot een denkenden mensch veredeld, en in dezelfde mate als hij vordert op den weg van zelfkennis en ontwikkeling, zal deze zich minder laten beheerschen door zijne blinde hartstochten en driften. Hartstocht en zinnelijkheid zijn noodzakelijk; dat is te zeggen: zij hebben het recht van bestaan evenzoogoed als ieder ander moment onzer persoonlijkheid. Maar geen enkele dezer hoedanigheden mag zich zoo sterk ontwikkelen dat alle andere eigenschappen er door worden benadeeld. Dit zou zoowel het geluk als de vrijheid des persoons hinderend in den weg staan. Het is een oude ervaring, die in onze dagen met eene treurige duidelijkheid wordt bevestigd, dat een mensch die door zijne driften beheerscht wordt, zoo karakterloos wordt, dat hij tot een zekeren graad van verlaging gekomen, elk bewustzijn verliest van zijne waardigheid en van de verplichting die zijn rang en stand in de maatschappij hem opleggen; dit gaat soms zoover, dat hij zich van het eene uiterste tot het andere laat drijven en zich laat medevoeren op honderd paden, waarvan geen enkel door hem gekozen werd.
Vrij is alleen de man, of de vrouw, die zich noch door eigen lusten, noch door den wil van anderen, laat verleiden om tegen beter weten in te handelen. Alleen zelfbewuste daden kunnen een mensch voldoening schenken. Geluk is het volkomen bewustzijn van macht, dat het gevolg is van de ontwikkeling onzer krachten in de grootst mogelijke vrijheid, de hoogst mogelijke volmaaktheid. Het onpersoonlijke bevredigen van onze driften kan eenig dierlijk genot opleveren, maar het schenkt ons nimmer het echte, menschelijke geluk.
Elke gedwongene, onpersoonlijke handeling die de individueel ontwikkelde mensch begaat, kwelt hem als eene zonde tegen zijn eigen karakter, zij het nu dat hij die gepleegd heeft in een oogenblik toen zijn hartstocht hem te machtig werd, of gevolg gevende aan eene door hem in den grond afgekeurde gewoonte. Maar wie eenmaal de persoonlijke vrijheid veroverd heeft, zal zich niet licht aan een dergelijk kwaad schuldig maken. Hij kan gebruik maken van al de eigenaardige krachten en bewegingen, die hij, dank zij zijne volmaakte vrijheid, onafhankelijk van anderen kan sturen naar zijn eigen goedvinden. Hij houdt en leidt die zoo gemakkelijk als de ervaren schipper zijn vaartuig, de geoefende ruiter zijn ros. Hij geniet van het heerlijk bewustzijn zichzelf vrij te laten in zijne bewegingen, zonder vrees voor te ver te zullen gaan; van het gevoel van zijn geheel warm hart, zijn persoonlijk karakter, gerust te kunnen toonen zonder vrees dat hierdoor iets wat laag of kleinzielig, ruw of leelijk is, aan het daglicht zou kunnen komen.
Er is geen edeler toestand van bezieling denkbaar dan die dit verheffende, fiere wezen in zijn vrij en eigenmachtig optreden ten toon spreidt.
Bij zulk een mensch kan van geen gebreken of vergissingen sprake zijn; alleen van bepaalde grenzen. Maarbinnen die grenzen van eigen kunnen is het persoonlijk materiaal tot volkomen ontwikkeling gebracht.
Ook zonder die hoogte te hebben bereikt kan eene waarlijk vrij geworden persoonlijkheid, alleen op hare eigenaardige wijze en tegen hare bijzondere wetten van eer en plicht, zondigen. Want bij een afgerond, geslotenik, vallen de gebreken tezaam met de natuur en aard van den persoon, evenzoo als de schaduw de omtrekken eener gedaante teruggeeft. Ja, er zijn karakters die voorloopig een gebrek dat met hunne kracht in overeenstemming is, niet verkiezen af te leggen; maar de zoodanige personen verheffen zich nooit op die fouten, evenmin als zij met hunne deugden pralen; immers deze staan in eene onpersoonlijke verhouding tot henzelf. Met een nimmer mistastend instinct kiest de vrije mensch datgene wat voor zijnen aard en zijn temperament van het meeste belang is, om het even of dit hem leed of vreugde oplevert, of het goed is of kwaad, in den gewonen zin van het woord: een droombeeld of eene daad. Voor hem is het physiek onmogelijk om in een oogenblik van onbeheerschte drift, in eene hartstochtelijke opwelling, een misdaad te begaan. Zijne weloverdachte, zorgvuldige ontwikkeling van eigen persoonlijkheid gaat bovendien gepaard aan een steeds fijner en teederder wordend besef van de grenslijnen voor zijn gedrag, juist ook ten opzichte van anderen. Iemand, die zelf weet wat hij wil en kan; die nimmer tevreden is met minder dan het beste wat hij geven kan en zich nooit laat verleiden om buiten zijne grenzen te gaan—zoo iemand ontziet ook stellig de meening en opvatting van anderen.
Maar het gebeurt ook, dat hij niet kan toegeven dat de eigenaardige opvatting van een ander recht van bestaan heeft; dat zijn nauwgezet geweten eene wet of eene instelling moet afkeuren. Dan komt hij met zijn gevoelen hieromtrentruiterlijk voor den dag, niet onder den indruk eener plotselinge opwelling, maar duidelijk en op welberedeneerde gronden. Hoewel hij voor zich zelf en anderen elke onnoodige smart verfoeit, heeft hij toch in zijn karakter den moed aangekweekt om, waar dit geeischt wordt, eene noodige wonde te kunnen slaan. Maar er is, ook bij zulke aanleidingen, geen zweem te bespeuren van de ruwheid, die onnoodig de handen met bloed bevlekt, door het wroeten in de hartewonden van den naaste.
Men kan het veel gemakkelijker en aangenamer hebben in de wereld dan de individualist, als men behoort tot de menigte van reizigers door het leven, die plaats nemen op “de groote pleizierboot”, het vaartuig dat, met de vlag der algemeen-gebruikelijke moraal in top, zachtjes over de golven henen glijdt. Ieder reiziger behoeft niets anders te doen dan zich kalm de haven te laten binnen brengen. Maar naast de stoomboot ziet men hoe
“Alleen, in een gebrekkig scheepjeEen zeiler zich waagt op de groote zee...”,
“Alleen, in een gebrekkig scheepje
Een zeiler zich waagt op de groote zee...”,
hoe die zeeman, veel grooter gevaren trotseerend, maar met oneindig meer krachtsinspanning, den tocht aanvaardt, onder het heerlijk gevoel, die onstuimige golven te beheerschen door de macht van zijn vasten wil. Dàt is het ware, volle leven!—
Er wordt vaak gezegd—vooral bij gelegenheid der jubileumsfeesten van het protestantisme—dat in onze dagen ieder in zijn eigen geweten zijn hoogsten rechter heeft. Maar zoodra iemand dit beginsel van het eigen persoonlijk recht in toepassing wil brengen, haasten die “wachters over de gebruikelijke instellingen” zich, te prediken, dat een dergelijk subjectisme alle verhoudingen in de samenleving onmogelijk zoude maken.
Nu is het er zoo mede gesteld, dat het geweten dermeerderheid zich in de eerste plaats door overgeërfde zeden en gebruiken laat leiden; dat dit, in de meeste gevallen niets anders is dan een echo van het sociale geweten. Het groote gebrek is, dat men verzuimt zijn eigen persoonlijk gevoel van recht, dat toch het éenige voor ieder van ons geldige geweten is, te ontwikkelen en op te voeden; al gaat die opvoeding soms met misstappen vereenigd—dit hindert niet; immers alleen door de gevolgen van zijn eigen daden te ondervinden, kan men tot de ontdekking komen dat men den verkeerden weg had ingeslagen en leeren op zijn hoede te zijn.
Om deze reden werkt elke voortdurende gewetensdwang dien de regeering op bijzondere personen uitoefent, op den langen duur nadeelig voor den Staat zelf. Want het geweten der maatschappij wordt slechts verfijnd en veredeld onder gunstige voorwaarden voor de vrijheid van den afzonderlijken persoon; dat is te zeggen, wanneer de enkele individuen in staat gesteld worden, om naar de inspraak van hun eigen geweten te handelen en voor hun eigen verantwoording. Middelerwijle ontstaan juist hierdoor botsingen en toestanden, die aan een ieder gelegenheid geven zijn gemoed ernstig te onderzoeken; door aldus dezen toets en die besliste keuze uit te lokken, wordt een nieuw zedelijk geweten bij de geheele samenleving gewekt en ontwikkeld.
Maar deze nieuwe schepping op ethisch gebied heeft niet plaats doordat flauwe menschen voortdurend blijven zondigen tegen de wetten die zij blijven goedkeuren; ook niet doordat losbandige menschen aan hunne onbeteugelde passies toegeven, ondanks die wetten der zedelijkheid.
Zij komt alleen tot stand door de medewerking van hen, die van natuurmenschen leden der samenleving geworden zijn en van dezen tot persoonlijke karakterswerden ontwikkeld. Dat zij aldus zijn gevorderd op den weg der beschaving geeft hun het recht om de sociale zedewet te toetsen en zelf te beslissen in hoever zij niet genegen zijn daaraan in alle opzichten te gehoorzamen. Aangezien nu de menschen de wetten der zedelijkheid hebben gemaakt om in hunne behoeften te voorzien, hebben zij ook het recht om daarin veranderingen aan te brengen, waar zij dit noodig en nuttig achten.
De eisch van Kant: “dat het individu zòo moet handelen, als of zijne handelwijze een wet voor alle menschen worden moest”—is in lijnrechte tegenstelling tot de bedoeling der persoonlijke vrijheid. Deze toch hoopt en verwacht het hoogste geluk en de grootste vorderingen op het gebied der beschaving van de groote meerderheid te zullen bereiken, daardoor dat men ten laatste geen absolute, voor allen verplichtend geachte wetten meer zal erkennen, maar dat ieder individu zijn eigen wet, naar de stem van zijn geweten, leert gehoorzamen.
Zij, die nog niet zoover in de ethische ontwikkeling gevorderd zijn, om op die hervorming der wet aanspraak te kunnen maken; groote kinderen; of plichtmenschen zonder persoonlijk oordeel; of driftmenschen zonder sociaal geweten; alle dezen hebben den dwang van de maatschappij noodig, om te worden verhinderd anderen ongelukkig te maken.
Zelfs een flink karakter heeft in bepaalde tijdperken zijner opvoeding, behoefte aan zulk een steun. Toch zal het groote doel der samenleving niet bereikt zijn, eer zij in haar geheel overwonnen wordt door de ethische volmaaktheid der individuen.
Omtrent dit punt ontmoeten wij behoudende en radikale idéalisten. De conservatieve idéalist gelooft, dat de maatschappij—evenzoo als het huisgezin, de kerk, het vaderland—in haar tegenwoordigen vorm, voor altijdbeslissende, afgeronde idéen en formules bevat. De radikaal heeft den moed te gelooven, dat alles wat bestaat—regeering, godsdienst en huwelijk—voor verandering en verbetering vatbaar is. Deze overtuiging wordt wederom gewraakt door het wantrouwen, dat eigenlijk niets anders is dan de instinctmatige zelfverdediging van al het bestaande, door den mensch van heden.Die twijfel is de droevige angst van den ouderdom; twijfel aan het leven en aan de groote levenswet, die luidt: hernieuwing, hervorming aller dingen.
Wat de ouden van dagen bovenal vreezen is juist die persoonlijke vrijheid; wat het jonge geslacht in de eerste plaats hoopt is diezelfde persoonlijke vrijheid, waardoor het leven niet langer zal blijven eene plaats vol onvruchtbare droombeelden, maar vol van verwezenlijkte idéalen.
Dan zal het blijken, dat niet de deugd gelukkig maakt, zooals het christendom predikt, maar dat het een geluk is goed te zijn. Deze overtuiging zal ingang vinden waar ieders persoonlijk geloof zijn godsdienst geworden is, die alle andere belangen in zich sluit.
De aanhangers van dezen nieuwen godsdienst zullen—zooals hierboven gezegd werd, hoe langer hoe zorgvuldiger luisteren naar de stem van hun geweten, waar het erop aankomt hun demon te volgen, hunne handelingen en beweegredenen ernstig te toetsen aan hun beste weten en kunnen. Zelfs eene daad, die niemand anders benadeelde dan den persoon zelf, waarvan niemand iets weet dan hijzelf, kan, als zij in strijd was met het persoonlijk karakter van den dader, dezen nog jarenlang hinderen en bedroeven; evenzoo als een onherstelbare fout aan zijn kunstwerk toegebracht den beeldhouwer bedroeft.
Hiertegenover staat, dat hij geen ander schuldgevoel erkent, dan dat jegens zijn eigen idéaal;—hem ontbreekt het besef van schuld dat altijd dengene beheerscht, diezich gedwongen ziet elke wilskrachtige opwelling, elke spontane handeling te vergelijken met een buiten hem staand voorbeeld.
Hoe vele christenen, die een krachtig zelfbewustzijn met zich omdragen, brengen, bijvoorbeeld, niet een groot gedeelte van hun leven, in den gebede en geknield door om daardoor eindelijk zich te dwingen tot de ootmoedige belijdenis: van nietswaardig te zijn voor God!
Hoe vele christenen, die uit hunnen aard een levendig gevoel hebben voor recht; die sterk sprekende sympathiën en antipathiën hebben in hun hart, strijden niet op diezelfde wijze om een misdaad te leeren vergeven en den misdadiger te blijven liefhebben! Gelukt dit niet, dan hebben die dwepers diep berouw en met reden; immers zij waren niet in staat het hun gegeven voorbeeld na te volgen.
Hij daarentegen, die de éthiek van het individualisme aanhangt, beschouwt het zelfbewust gevoel zoolang als gewettigd, als hij kans ziet aan de mogelijke eischen die dit hem stelde, te voldoen. En hij acht den drang om—tengevolge van zekere waarnemingen—een persoon buiten, of beneden de sfeer zijner sympathie te plaatsen, ook een deel te zijn van zijn instinct tot zelfbehoud. Aangezien de individualist het recht van anderen tegenover een hem onsympathiek persoon erkent, wordt wraaklust voor hem evenzoo onmogelijk als vergiffenis schenken. Hij bepaalt er zich eenvoudig toe, zulk een persoon te schrappen uit den kring met wien hij verkeert; deze behoort van nu af tot een ander geslacht, tot een ander tijdperk dan het zijne.
Dit verklaart hoe het gevoel van schuld, in den christelijken zin, moet ophouden wanneer de menschen niet langer copiën vormen van hun voorbeeld: den Christus. Toch ligt hierin volstrekt geen aanleiding tot bandeloosheid.De vrijheid in denken en handelen van den individualist onderscheidt zich van teugelloosheid, evenzoo als de krachtsvertooningen van den atleet, verschillend zijn van de luchtsprongen en duikelpartijtjes onzer kinderen. De eerstgenoemde heeft zijne vrijheid met groote inspanning en na ernstig worstelen, gewonnen. Maar tot belooning is ook zijne vrijheid edeler, vertrouwbaarder, “natuurlijker” zelfs, dan die “vanzelf ontstaande.” Het menschdom nadert op deze wijze een ander tijdperk van onschuld; het herwint een Paradijs, waar Adam en Eva zich mogen verzadigen aan de vruchten van den boom der kennis van goed en kwaad—en daarbij kalm kunnen bouwen en wonen onder den boom des levens, aangezien de strenge wachter bij de poort van Eden, glimlachend, zijn zwaard, waarmede hij alleen uit de verte gedreigd had, aan hunne voeten heeft neergelegd.
Wanneer eenmaal het grondbeginsel der persoonlijke vrijheid geheel tot ons zal zijn doorgedrongen; wanneer het zal zijn vleesch van ons vleesch en bloed van ons bloed, dan zullen ouders en opvoeders er evenzoo ijverig naar streven oorspronkelijke wezens te vormen, als zij tegenwoordig trachten zedelijke menschen op te voeden. Een volkomen “zoet kind”, zal dan een even zoo onaangenaam en treurig gezicht opleveren als een mismaakt schepsel. Men moet bij een kind vooral zijn natuurlijke wilskracht beschermen, maar deze trachten op te leiden voor de groote taak, een beschaafd mensch te worden, zijne bijdrage te leveren, tot de algemeene cultuur in de wereld der menschheid.
En de wilskracht van het kind kan bewaard blijven als het zijne neigingen en hartstochten mag behouden, maar daarbij leert—uit eerbied voor den mensch die in hem leeft,—den tijger te temmen en den aap te tuchtigen—die ook in hem leven.
Daarom kan met de opvoeding van het kind niet te vroeg worden begonnen; reeds aan de borst der moeder moet daarmede een aanvang worden gemaakt; en dan moet zij worden voortgezet in eene lijnrechte tegenstelling met de tegenwoordig gevolgde methode.
In de opvoeding mag niets verplichtend worden geacht, dan het verwerven van die eenvoudige kundigheden, die, als het ware, mes en vork bij den feestmaaltijd der wetenschap vertegenwoordigen. Later zal deze hun worden aangeboden, ieder persoonlijk, volgens een menu van uitgezochte, krachtige spijzen, waaruit door oordeelkundige opvoeders voor elk der kinderen eene keuze zal worden gedaan, overeenkomstig ieders aard en gestel. Na eenige generaties van aldus opgevoede individualisten zal men eerst in staat zijn te begrijpen, wat de gedachte der persoonlijke vrijheid van de menschelijke natuur maken kan.
Het was natuurlijk te verwachten, dat deze idée, in een geheel onvoorbereid geslacht tot handeling omgezet, een aantal afschrikkende gevolgen zoude vertoonen. Zijn eigen ik te believen; zijn eigen leven te leven; gehoorzaam te zijn aan zijn temperament—deze roepstemmen werden, gericht tot in leeftijd en gemoed onrijpe menschen, of tot dezulken voor wie alleen de zinnelijkheid beteekenis en inhoud aan hun bestaan geeft, vaak misbruikte wachtwoorden.
Voor sterke, levendig gevoelende persoonlijkheden, werd de verzoeking van een anderen aard, om gesteund door den in een dieperen zin waren levensregel: “Alle Schaffenden sind hart”, ruwheid en hardvochtigheid te verdedigen; zelfgenoegzaamheid of koelheid, listen en driften uit zijne bloedsmenging voortkomende, te gaan beschouwen als een belangrijk gedeelte van hunne persoonlijkheid; een woeste grond, die niet mag worden ontgonnen, maar die er, in tegendeel, voor bewaard wordenmoet misschien zijn oorspronkelijke wilskracht te verliezen, of zijne scheppings- en daadkracht te dòen verminderen.
Deze beide soorten van zichzelf verheffende menschen, maken nu gebruik van Nietzsche, als den verdediger hunner teugelloosheid, of laagheid, van hunne zelfzucht en hun gemis aan ontzag voor anderen. Van alle dingen kan misbruik gemaakt worden; waartoe heeft het christendom al niet tot voorwendsel gediend!? Nietzsche had een voorgevoel van hetgeen hem te wachten stond, toen hij een doornenhaag rondom zijn tuin liet zetten, opdat het vee daar niet in zou kunnen dringen!
Voor iederen ernstigen lezer van Nietzsche is het, ondanks zijne onbewust elkander tegensprekende gezegden en zijne met opzet gebruikte paradoxen, toch zeer duidelijk wat een zijner biografen zegt: dat de grondgedachte waarop Nietzsche zijne stellingen heeft gebouwd:—dat ieder persoonlijk met geheel de kracht van zijn lichaam en geest, met inspanning van al zijne gaven en vermogens, moet streven naar veredeling, en daarnaar, éenmaal het hoogste punt der menschelijke volmaking te bereiken,—dat die gedachte niet alleen het individu, maar het geheele menschdom ten goede zal komen en dat zij dus geen zelfzuchtig maar wel degelijk eenaltruïstischdoel beoogt. En hoe Nietzsche zelf zijne leer van den veredelden mensch in practijk heeft gebracht, hieromtrent weten wij nu althans zooveel, dat het voor goed uit moest zijn met dat onzinnig gepraat over Nietzsche als den profeet der teugelloosheid; over hem, die uit zijnen aard en aanleg bezield was met eene onwrikbare liefde voor de waarheid, met eene bijzondere neiging voor beleefde en waardige vormen in de samenleving; met een groote behoefte aan vriendschap en sympathie; met eene opgewektheid, die hem onder de eenvoudigste omstandigheden vroolijk entevreden deed zijn; met eene zelfstandigheid, die hem leerde anderen te ontzien; met een zeldzame gave om zichzelf te beheerschen!
De zedeleer van het christendom was hem tot een tweede natuur geworden; zijn gevoel voor alles wat schoon is en welluidt, maakte iedere leelijke of ruwe handeling voor hem tot een onmogelijkheid.
Al misbruiken de “gewone menschen” uit onwetendheid de leer van dezen Meester, toch zal dit misbruik op den langen duur niet veel kwaad doen. Want vroeg of laat komen dezen toch in botsing met de grens hunner eigen persoonlijkheid: de individualiteit van anderen. De ruwe, koele, zelfgenoegzame zal hierom ten laatste alleen staan; tegelijk daalt hiermede zijne persoonlijkheid en tevens de waarde van zijne betrekking in de maatschappij, waarvoor hij zijne ruwe wilskracht had willen bewaren. De zinnelijke, laagstaande mensch ontmoet zijn tuchtmeester in den tegenstand der samenleving en van dien der op een hooger standpunt van beschaving gekomene, enkele personen in zijn kring.
Ook de aanhanger der nieuwe zedenleer komt niet eer tot zijn recht dan wanneer hij dit kan verwerven, door zijne persoonlijke rechten te bewijzen. Hij moet hierom vooruit goed de kosten van zijn proces berekenen en wel weten wat hij waagt, wat hij wil. En in dien strijd tusschen de samenleving en den afzonderlijken persoon; bij deze moeilijkheden voor den ontwikkelden mensch, om zich op het juiste standpunt te plaatsen, ligt het tegengif tegen de gevaren, die anders zoo licht het gevolg zijn van den—allezins gewettigden—eisch, eener grootere zedelijke vrijheid voor de hoogerstaanden, een beperkter grens voor de lagerstaanden, op de ladder der beschaving.
De gewettigde zelfzucht van alle anderen vormt een dam tegen de onbillijke—of misschien ook wel gewettigde—zelfzucht van den afzonderlijken persoon. Reeds het kind leert soms reeds in zijn prille jeugd de wijze kennen waarop men een lid der groote maatschappij wordt: het ondervindt al spoedig dat het niet aangaat, onzen zin te volgen ten koste van eens anders onbehagen. En tegenover de volwassenen, die deze les als kind niet hebben geleerd, heeft de maatschappij het recht—zoolang als zij er de macht voor heeft—met nadruk de hand te leggen op eene zelfverheffing ten nadeele van die van anderen. Een bijzonder ontwikkeld mensch kan dus niet zonder strijden en worstelen, zijn eisch voor de persoonlijke vrijheid verwezenlijkt zien en niet eer dan wanneer het hem gelukt is den wensch om ook van die vrijheid te genieten bij de meerderheid op te wekken. Eerst dan, en niet eer, wordt de wet, of het aangenomen gebruik dat den alleenstaanden persoon verhinderde zich als een vrij mensch te gedragen, herzien.
Maar in de meeste gevallen is de individualist, wanneer het hem maar goed duidelijk is, wat zijn werkelijk belang eischt, niet onwillig om zijne gehoorzaamheid aan de wetten der zamenleving te toonen en deze op te houden; hij weet maar al te goed dat hij, zonder deze, genoodzaakt worden zou, zijne krachten te verspillen tot zijn verdediging tegen het ruwe geweld en op die wijze slechts onvoldoende aan de ontwikkeling van zijn eigenlijke persoonlijkheid zou kunnen werken. Indien een individualist zin en gevoel heeft voor harmonie, dan zal hij ook spoedig verstaan, dat niet de ruwe maar de veredelde kracht de sterkste is; dat niet de ruwe ijzerstaaf, maar het geplette stalen lint dat men om den vinger kan winden, de uitdrukking is voor de eigenaardige kracht van het metaal. Wilskracht bij de teederste aandoeningen; edele uitdrukkingen ook bij de geweldigste ontboezeming van kracht; zich niet ontzien om tot de meest gewaagde gevolgtrekkingendoor te dringen, waar het een heilige verborgenheid geldt—maar zachtzinnigheid jegens elk wezen dat zwak is en lijdt—ziedaar de groote kracht van den harmonisch ontwikkelden, persoonlijk vrijen, mensch. En een zoodanig persoon vermorst geen enkelen druppel van dennectar, die hem uit den beker van een ander, even rijk individu wordt aangeboden. In tegendeel, voorzichtig brengt hij dien beker aan zijne lippen en ledigt hem met den plechtigen eerbied eener heilige ceremonie. Zulk een ontwikkeld individualist kan—voor zoover hij niet tevens anarchist is—alleen in opstand komen tegen de hooge mate van dwang, door de wachters der maatschappij, die toch het recht van allen moeten beschermen, toegepast. Het ligt in de rede dat over dit onderwerp de zienswijze der persoonlijk vrije menschen verschillend wezen moet. Laat ons hiervan een voorbeeld opnoemen: ik veronderstel, dat de meeste individualisten het recht der Regeering erkennen om hem, die de godsdienstige bijeenkomsten van anderen stoort, te straffen; maar volstrekt niet het recht om iemand tot zekere kerkelijke handelingen te dwingen. Zeker, ook de individualist oordeelt strenge straf noodig, op het plegen van geweld, of verleiding der onschuld; maar toch acht hij eene ontwikkelde vrouw volkomen gerechtigd zich aan eene ernstige liefde over te geven in vrijheid.
Velen zien verlangend uit naar eene wet die de rechten van het kind tegenover zijne ouders waarborgt; een ander wenscht weder het tot stand komen eener wet, die elk huwelijk, waarbij eene treurige nakomelingschap met zekerheid is vooruit te zien, verbiedt.
Zulke wetten zouden eene grens bepalen tegen de misdadige lichtzinnigheid waarmede—in en buiten het huwelijk—nieuwe wezens tot de smart van een ziekelijk, ongelukkig bestaan, worden veroordeeld. Intusschen rekenteen ontwikkeld individualist het niet tot deze lichtzinnige daden, als eene beschaafde, ernstig denkende vrouw, volkomen bewust en met opgewekt gevoel van verantwoordelijkheid, het moederworden verkiest buiten het wettige huwelijk. Ten opzichte der rechten van een derden persoon erkennen vele vrienden der persoonlijke vrijheid het nut van den wettigen vorm bij een huwelijk; toch verwerpen zij beslist elken vorm, die de eene partij het recht over den andere toekent en de vrijheid om het huwelijk te ontbinden hinderend in den weg staat.
Hoe meer de persoonlijkheid ontwikkeld wordt, des te veelzijdiger zal ook het liefdeleven zich ontwikkelen. Voor de bescherming van het kind zal de toekomst ook wel voorzien in een matriarchaat, b. v. er voor zorgen, dat elke moeder, gedurende een zeker aantal jaren, op het onderhoud van haar kind door den staat rekenen kan.
Toegegeven dat de eer en de goede naam van ieder persoon dient gevrijwaard te worden tegen misbruik der pers; toch mag er geen woord blijven staan van een stuk, dat gebruikt zou kunnen worden als een wapen tegen de vrijheid van onderzoek, tegen de vrije uiting op het gebied van letterkunde en wetenschap.
Sommigen willen aan de Regeering niet alleen de macht geven het leven der enkele personen te beschermen, maar hare macht vergrooten tot het beletten van al de moorden uit de tweede hand, die door de hedendaagsche industrie worden begaan. Anderen daarentegen gaan uit van den stelregel, dat ieder mensch de vrije beschikking heeft over zijn eigen leven en dat hij, hieraan een einde makend, niet laf op de vlucht slaande, maar wel en ernstig overlegd, onder bijzondere omstandigheden, eene zedelijk te rechtvaardigen handeling begaat.
Tot bescherming van het leven in onze dagen van opgezweepten arbeid en onophoudelijk produceeren, is éenrustdag in de week nuttig en noodig; deze moet door de Regeering voor alle soorten van arbeiders worden bevolen en gehandhaafd. Maar het gaat niet aan, voor de Regeering om zich te bemoeien met de wijze waarop ieder blieft van dien rustdag gebruik te maken—en het voegt haar vooral niet dit te doen in den vorm van gedwongen godsdienstoefeningen. Eene wet die de zwakken verhindert hun leven te bederven door ’t gebruik van sterken drank, kan goed zijn; maar deze mag niet zoover gaan, te eischen dat degenen die dezen tuchtmeester niet noodig hebben omdat zij zichzelf en hunne neigingen kunnen beheerschen, terwille van die zwakken, onder een zeer overvloedig dwangmiddel zullen lijden. De zwakken op te voeden door hen te wijzen op het voorbeeld der sterken—dit is de rechte wijze om deze en dergelijke kwesties op te lossen.
Als de maatschappij innig doordrongen was van deze waarheid, dan zou de taak der wetgeving moeilijker, maar ook veel belangrijker, worden. De hoogst ontwikkelden zouden dan niet hunne vrijheid opofferen en evenmin de ontwikkeling der lagerstaanden tegenwerken door middeleeuwschen dwang.
Hierin de juiste maat te houden is moeilijk maar niet onmogelijk. Niemand die ernstig denkt acht de persoonlijke vrijheid het doel te zijn der beschaving, maar het middel om tot dit doel te geraken.
De vrijheid houdt voortdurend gelijken tred met de ontwikkeling, zoodat hoe verder men vordert op den weg van ontwikkeling men ook van meer vrijheid geniet; en wederkeerig wordt door die vrijheid de beschaving bevorderd.
De dienst van de industrie, de aanbidding van het kapitaal, zijn de grootste vijanden der persoonlijke vrijheid. Al acht daarom de individualist eene wet die aan ditmisbruik paal en perk kan zetten gewenscht, toch keurt hij de gedachte aan een ander misbruik—het geheel op te doen gaan en op te offeren voor het algemeen—zooals de socialen dit eischen—grootelijks af.
Wat beteekent het toch, dat men onder voorwendsel van de algemeene zedelijkheid te bevorderen, de plichten jegens den naaste boven de plichten jegens onszelf zet; dat het christendom verlangt, dat wij alle menschen als onze broeders en zusters zullen liefhebben, even hartelijk en allen gelijk? Dit is een dwang dien men aan het beginsel der vrije keuze heeft opgelegd.
Voor den voorstander der persoonlijke vrijheid is de vraag wat iemand gelooft van weinig beteekenis; ook de vraag wat hij doet beduidt niets; op de vraag wat hijiskomt het aan.
Hoe hooger men stijgt in het besef zijner eigene waarde des te krachtiger lid gevoelt men zich in de samenleving: het wel en wee der anderen treedt ons nader; het wordt als het onze. Een persoon behoeft nu niet langer te worstelen om een plekje grond waarop hij vrij kan opgroeien; hij gunt aan anderen diezelfde ruimte, want immers alle boomen vormen een gedeelte van zijn eigen bosch. Hij doet daarbij de heerlijke ondervinding op, dat ons groote levensdoel is: de ontwikkeling van onze persoonlijke vrijheid, en die van anderen, te bevorderen en haar te verdedigen, des noods ten koste van ons leven.
Maar al overwinnen wij, zoowel vrouwen als mannen, den zedelijken dwang; en al stellen wij de vrije persoonlijkheid ook ten opzichte van ons zedelijk leven daarvoor in de plaats—toch blijft er een groot en ernstig bewustzijn van overwegend belang in alle vraagstukken des levens, ons bij:de wet der noodzakelijkheid.
“Alles wat er gebeurt is een gevolg der noodzakelijkheid; doe daarom wat ge kunt en verdraag dan alles watge lijden moet.” Dit groote woord van Schopenhauer is het eerste gebod oponzesteenen tafelen der wet gegrift.
Niets kon anders gaan dan het ging en niets kan ongedaan worden gemaakt.
De gevolgen mijner daden, voor zoover deze uit mijn karakter zijn voortgekomen, vormen mijn noodlot.
Alles in mijn wezen en alles in mijn werk verbindt mij met onverbreekbare schakels aan het groot geheel van het leven; aan de ongekende diepten, waaruit ik als een golf word opgeheven, om als deze voort te zwemmen op de levenszee, te stijgen en te dalen. Maar onder datrijzenen dalen van die golf, maakt haar eigen beweging en haar eigen vorming haar tot hetgeen zij is.
Het heerlijk bewustzijn van mensch te zijn, kan mij goddelijk maken onder het oog der eeuwige kracht waarvan ik ben éen der golven, die de zee vormen: de groote oceaan des levens, die grooter en krachtiger is dan de golven.
Rust.Het woord van Geyer over het genot, dat de herinnering aan den weg, die even buiten zijne ouderlijke woning doodliep hem schonk, wekt bij ons, menschen aan het einde eener eeuw staande, een gevoel van afgunst ten opzichte van de gelukkigen, die vroeger eeuwen mochten eindigen en voor wie het Paradijs toen nog bestond.Want voor onze verbeelding is het Paradijs niet langer een met allerhande boomen—vooral appelboomen—beplante lusthof, omringd door een witten muur met gouden poorten. Wij vormen er ons eene voorstelling van, uit louter ontkenningen saamgesteld: de weg loopt niet verder door, dan tot aan de hekken van het Paradijs; van een telefoon heeft men er zelfs geen flauw vermoeden; de brievenpost komt er hoogstens éenmaal per week en van stoomboot of spoorweg is, mijlen ver in den omtrek, geen sprake.Welnu, zulk een Eden heb ik gevonden. Maar ik vertel u niet waar het ligt. Dan zouden andere menschen van het moderne gedeelte der maatschappij er misschien ook den weg heen vinden en dan was—het Paradijs verloren! Want dat aan een eerste uitgaaf hiervan geen onverdeeld succès te beurt gevallen is, dit was voorzekerniet de schuld van de slang, al trachten een aantal menschen zich met die gedachte te troosten....In mijn Eden ontbreekt niet alleen alles wat er niet behoort te wezen, maar men vindt er alles wat men er behoort en verlangt te zien. Blauwe, met sneeuwranden omzoomde rotsen en veruitgestrekte, met bosch beplante hoogten vormen in schoone lijnen een muur rondom den lusthof. Een breede, groenachtig zwarte, gedeeltelijk met wit mos bekleede bergspleet, maakt den weg door den muur vrij voor het oog en voor de verbeeldingskracht; en heldere meertjes of binnenzeeën geven aan het donkere boschrijke landschap een paar groote blinkende oogen. Glinsterende berken en bloeiende linden geuren in de zomerzon, die slechts voor enkele uren achter den horizont verdwijnt; die de koornaren als in ’t geheim laat rijpen en aan de bloemen meer geur en krachtiger tinten geeft. Boven de met mos bekleede rotsbergen glijden over dag de blauwe wolkjes, vlug als schimmen er tegen uitkomende, voorbij. Maar de avond verspreidt over bergen en rotsen de vele paarsche en violet-schakeeringen van topasen en ametisten; het lichte blauw der opalen en de diepdonkere blauwheid van de zee; de schakeering van het appelbloesem—teeder kleurtje tot het donkerrood van den wijn. Eindelijk treden de donkere, zacht verdeelde omtrekken van den rotsberg, in eigenaardig émailleblauw tegen den goudkleurigen achtergrond van de lucht afstekende, te voorschijn. Deze blijft den geheelen nacht door lichtgeel getint, tot die kleuren ongemerkt overgaan in het morgenlicht.In deze ochtendure, waarin de natuur vol kleuren en licht, in groote lijnen en ruime vèr-gezichten tot ons spreekt, wordt het menschenhart ontroerd door het bedwelmende gevoel van eenzaamheid en stilte. Het heeft niets gemeen met de blijdschap over een eigen welgelukteschepping, maar het heeft zijne bijzondere aantrekkelijkheid, zijne eigenaardige kracht. Terwijl het van het noodlot afhangt om ons dien beker van genot al of niet aan de lippen te brengen—niet van onzen wil—hangt het alleen van onszelf af, of wij van de plechtige eenzaamheid wenschen te genieten; of wij ons hart willen laten uitrusten, onze gedachten verruimen in die groote stilte; volop genieten, in een grootsche natuur met rustige, schoone en breede lijnen.Maar niet altijd is het hart van den mensch van heden tot rusten in staat. Het leeft in onrust—smacht naar kalmte—en schuwt de stilte als eene ziekte, nog erger dan de nevrose waarvoor zij het geneesmiddel wezen zou. De vrouw uit onze dagen vreest eigenlijk niets met een grootere vreeze, dan om alleen te worden gelaten,—alleen met hare eigene gedachten, want dit maakt haar zooals zij het noemt,droefgeestig. Eigenlijk beteekent dit eenvoudig, dat zij er in die uren bepaald toe gedwongen wordt den ernst van haar bestaan onder de oogen te zien, of ook den ernst des levens in het groot geheel te beschouwen; een gevoel waaraan haar geest zich zou kunnen verheffen. Maar juist dit wil zij niet. Met kracht onderdrukt zij den drang van haar gemoed om zich op te richten tot edeler aspiraties, door hoe langer hoe meer toe te geven aan hare behoefte aan een oppervlakkig, versplinterd, leven. Hoezeer deze behoefte voor uiterlijk vertoon in onze dagen algemeen is, dit ziet men duidelijk op het gebied, waar ook de gewone, alledaagsche vrouw voorheen, in zekeren zin, hare gedachten op éen punt trachtte te bepalen, op dat van den godsdienst. Het type der geloovige vrouw is tegenwoordig niet meer zij die “als zij bidt in hare binnenkamer gaat en de deur achter zich sluit”; maar zij heeft bazuinen en theekransjes noodig om tot het besef te komen, datzij eene vrome vrouw is, vol van den heiligen geest des geloofs.De ongedurige menschen van het laatst dezer eeuw genieten zelfs niet van de rust als deze hun ten deel valt. Vooral met de vrouw is het zoo gesteld; hoe meer de tijd en gelegenheid tot rusten en stille zitten haar ontbreken, des te meer verliest zij het talent om van die enkele haar geboden gelegenheid gebruik te maken. Hoe menigvuldiger zij genoodzaakt is om in het openbaar indrukken op te nemen, die zich aan haar opdringen, des te meer acht zij het noodig, dat hare polsen met eene koortsachtige snelheid blijven jagen, om er zich van te overtuigen dat zij leeft.Dieper gevoelende naturen erkennen met leedwezen dat zij hoe langer zoo meer verloren gaan met haren rijken aanleg, in dien maalstroom des levens; in het gedrang van de uit alle oorden samenstroomende, overweldigende onderwerpen; onder den druk van de eischen onzer moderne samenleving.Zulke karakters krijgen niet zelden hallucinaties van een stille, groene kloostergaarde; of van eene, in het dichte bosch verscholen, kluizenaarswoning; van de eenzame uren op hooge rotsbergen, of op de golven der groote, wijde zee, in éenzaamheid doorgebracht. Maar doorgaans is aan hare behoefte aan éenzaamheid reeds voldaan, door zich in deze voorstellingen te verdiepen; zij verzuimen dan ook in den regel gebruik te maken van de gelegenheid, als deze zich voordoet, om een dergelijke oase in de woestijn te scheppen; een stil plekje, afgezonderd van het rumoer der wereld. Wie inderdaad een smachtend verlangen koestert naar éenzaamheid, heeft in de meeste omstandigheden wel gelegenheid, die op de eene of andere manier te vinden.Uit mijn kindertijd herinner ik mij dikwijls te hebbenhooren vertellen van eene vrouw die door haar huwelijk haar stille ouderlijke woning in het bosch had moeten verwisselen voor de onvermijdelijke drukte van eene uitgebreide huishouding in een groote stad. Die verandering speet haar zeer, tot zij op den inval kwam om elken morgen, een half uur lang, alleen stil te gaan zitten met een groenen doek over haar hoofd. Op die wijze droomde zij, dat zij weer in de stille éenzaamheid van haar bosch zat en verzamelde zij hare gedachten genoegzaam om daarna kalm en gelijkmatig de bemoeiingen van den dag tegen te gaan.Indien ieder van onshaareigen groenen doek had, zouden wij niet zoo licht geprikkeld en prikkelend zijn; wij zouden dan niet de gejaagde, ongedurige, onbeduidende slaven der vormen en gebruiken wezen, die wij nu maar al te vaak zijn!Van welken aard nu dit beschermende omhulsel werd,—dit zou voor een gedeelte door het toeval worden beslist, maar soms ook zoude juist het eigenaardige karakter blijken van ieder die zulk een haven zocht uit de keuze van dat stille plekje, en van den doek.In roomsch-katholieke landen kan men zulk een rustig toevluchtsoord vinden onder ieder kerkgewelf. Geleund tegen de pilaren van een gothischen tempel, kan men te midden eener drukke wereldstad, droomen in een verafgelegen bosch te zijn—hoewel Nietzsche gelijk heeft als hij zegt, dat modern denkende menschen aan een geheel nieuwe architectuur, als lijst voor hunne overpeinzingen, de voorkeur zouden geven.Voor velen schept de muziek eene verrukkelijke eenzaamheid, vooral wanneer die thuis genoten wordt en niet in het publiek, waar zoo vele verscheidene indrukken afleiding geven en waar ons gemoed nauwelijks de wanklanken uit het dagelijksch leven begint te vergeten, alsdat akelige handgeklap er ons op nieuw aan komt herinneren. Want een bewijs te geven van gevoel voor het schoone, door volkomen stille zijn—dit wacht nog op een meer veredelden staat van fijne beschaving, dan waarop wij in onze eeuw bogen kunnen!Voor anderen is misschien zulk een rustig gesprek met het eigen gemoed te vinden in een museum van kunstvoorwerpen, of onder het lezen van een uitmuntend boek, een oud boek vooral, waarover nu geen besprekingen meer de ronde doen. En in de groote steden bereiden de openlijke leesinrichtingen den boekenvrienden het vredige stille plekje, waarnaar zij tehuis dikwijls te vergeefs hadden uitgezien.Maar de stilte die het gemakkelijkste verkregen wordt is toch die in de natuur. Nu gaan de meesten echter niet naar buiten om daar alleen te zwijgen, of om er te zwijgen met een vriend—deze grootste en fijnste toets van echte vriendschap. Integendeel, zij zoeken er eenige kennissen, met wie zij de vraagstukken van den dag kunnen bespreken; en als zij zich dan warm en moe geredeneerd hebben, keeren zij naar huis terug, niet van een stille plaats maar uit nieuwe drukte.Och, zij hebben hunne ziel niet gemaakt tot een kalmen spiegel voor de indrukken der schoone natuur; neen, deze is op de bewogen golven blijven zweven, waar het niet mogelijk is een duidelijk en helder lichtbeeld op te nemen.Wie inderdaad in de natuur de éenzaamheid zoekt, moet leeren om van zeer nabij die grootsche natuur gade te slaan; zich oefenen in het uit het hart verwijderen van alle onbeduidende indrukken, om hierdoor de degelijke niet te verhinderen er in door te dringen; eene kunst waarin de wijsgeerige Montaigne ons menige behartenswaardige les gegeven heeft. “Wij overvoeren ons gemoed met te veel verschillende dingen tegelijk” zeidehij, reeds voor driehonderd jaren geleden. “Wij moeten onzen geest oefenen om enkele dingen vluchtig te zien, andere beter te monsteren; maar eigenlijk in ons opnemen moeten wij alleen die woorden, voorwerpen of gedachten die met onze eigene overeenstemmen, die op denzelfden grond zijn gebouwd als deze, zoodat zij ons, als het ware, zelf raken. Want ons gemoed behoort eigenlijk alleen van eigen middelen te leven.... Nu zijn wij allen, althans de meesten van ons, rijker begaafd dan wij zelf denken; maar wij worden er bij opgevoed om van anderen te leenen, om eens anders goed liever te gebruiken dan eigen goed....” Dat wij zoo zelden tot de kennismaking met onze lang niet geringe middelen komen, is het gevolg ervan, dat wij slechts bij uitzondering, ons met hart en ziel wijden aan hetgeen wij hebben ondernomen.“Als ik dans,” zegt Montaigne, “dan dans ik; als ik slaap dan slaap ik; als ik alleen wandel in een mooien tuin en ik betrap mijne gedachten op afwegen, dan breng ik ze dadelijk weer terug naar den tuin, tot het genot der éenzaamheid en tot mijzelf.”Dit opzettelijk streven om aan elke daad en aan alles wat wij zijn, ons persoonlijk geheel te geven en zoodoende uit elken toestand den geheelen inhoud te persen, is in een ruimen zin belangrijk voor elke ontwikkeling; zoowel voor ons vermogen om te denken en te arbeiden, als om te genieten en te rusten.Maar het is een eigenaardig teeken van onzen tijd steeds een nog sterker graad van zenuwspanning te verlangen om zich geheel aan het oogenblik te kunnen geven.Daarom is ook sport de groote aantrekkingskracht geworden, die de menschen naar buiten lokt; maar niet om te rusten en kalmte te zoeken. Integendeel, de wedstrijden op elk gebied en het “africhten” daarvoor, heeft zelfs de beweging in de vrije frissche lucht tot een koorts, tot eennieuwen vorm van jagen en stormen, gemaakt. Sport kan voorzeker een middel zijn om veel van de natuur te genieten, om spoediger buiten te komen. De riemen waarmede men tusschen de begroeide oevers eener rivier voortglijdt; de sneeuwschoenen waarop men diep in de winterstilte van het bosch doordringt; het rijwiel dat zijn eigenaar vlug naar nieuwe plantsoenen, of naar landelijke eenzaamheid overbrengt; deze en nog verscheidene andere dingen die tot vermaak en nut beoefend worden, als zeilen, rijden en zwemmen, brengen inderdaad bij velen eene hartelijke vereeniging met de natuur tot stand.Maar de roeier of de ruiter, de schaatsenrijder of de cyklist, die aan elken indruk van een schoon landschap voorbijvliegt in dolle woede om zich te bekwamen tot mededingen in den wedstrijd, komt door zijne voorliefde tot beweging in de buitenlucht hoe langer hoe verder buiten de natuur en buiten zichzelf. Dit soort van sport ontwikkelt alleen het lichaam maar niet den geest. Men zal binnen korten tijd geheel vergeten hebben, dat er een eenvoudiger manier bestaat om van de natuur te genieten: er van te genieten met lichaam en ziel, tot nut en genoegen voor beide.Als wij de meisjestype aan het einde onzer eeuw—dat is te zeggen, eene jonge dame die geen uitstapje naar buiten maakt anders dan op haar rijwiel of schaatsen, met het tennis-racket, òf een roeispaan in de hand,—vergelijkt met het jonge meisjestype van het einde der vorige eeuw, dan valt die vergelijking niet bepaald gunstig voor onze dagen uit. Ik denk hierbij onwillekeurig aan de beminnelijke vriendin van Goethe, de jonge Bettina Brentano, die als eenreevan het buitenleven genoot; die de hoogste bergen beklom om zich daar in het gouden zonnelicht te baden; die zich niet ontzag om door wind en regen te loopen, of een onweersbui te latenovertrekken, staande onder een bloeiende linde, tusschen wier bladeren zij witte bliksemstralen flikkeren zag; die aan het strand lag, door kabbelende golven omstuwd; of hoog op de takken zat van een reusachtigen kastanjeboom, te midden van groen licht en groene schaduwen; of op het grasperk van den grooten tuin, uitgestrekt, zich vergastte aan de geuren van mos, taxus en roode anjelieren, zelfs met een paar bloeiende heestertakjes in den mond, om de nijvere bij tot zich te lokken; die op avonden als de maan scheen, tusschen de hagen van den wijngaard, onder de doorschijnende, lichtgroene trossen wandelde, en soms den geheelen zomernacht buiten bleef, insluimerend onder het nachtlied van merels en nachtegalen, om niet eer dan door het morgenlicht te worden gewekt....Behalve deze dichterlijke wijze om van het buitenleven te genieten is er ook nog de natuur-wetenschappelijke, die echter evenzoo als de eerste, tamelijk naar den achtergrond wordt gedrongen door sport. Van dit gezichtspunt beschouwd is het aangenamer knapen tegen te komen een kruiden-doos aan een band om den hals dragende, dan knapen op rijwielen.Van welken aard de reeds vroeg ontwikkelde zucht naar kennismaking met de natuur wezen moge, altijd verschaft dit onderzoek den beoefenaar dezer wetenschap een zekere vertrouwelijkheid met de natuur, een vriendschappelijke, hartelijke genegenheid, die onmogelijk kan ontstaan tusschen de natuur en een, haar op zijne velocipède voorbijvliegend, sportliefhebber.Wat eenigszins vergoelijkend omtrent deze type van de tegenwoordige jeugd werkt, is het feit, dat velen, die door geen ander middel naar buiten gelokt zouden worden, nu ten minste, dank zij sport, eenig vermoeden van de schoonheid der natuur ontvangen en dat die oefeningen van heden—nadat de overdrijving hare offerszal hebben ontvangen—zullen bijdragen tot de ontwikkeling van eene lichamelijk—gezonder en krachtiger generatie, die dan waarschijnlijk beter dan ons tegenwoordig geslacht, bestand wezen zal tegen vermoeienis; die op eene edeler wijze het natuurgenot zal smaken en wier kernspreuk zal zijn “sport te gebruiken als niet misbruikende.”Het gewone dagelijksche rust-uurtje, dat de meesten van ons met een ernstigen wil kunnen vinden, vervangt intusschen niet de diepe stilte, die eene wandeling vroeg in den morgen, of het zich terugtrekken naar een verborgen plekje van de aarde,—zoo mogelijk in een vreemd land en aan de grenzen der beschaafde wereld gelegen—in staat is ons te bieden. Maar voor de meeste hoofden van huisgezinnen is het gemakkelijker gezegd dan gedaan, zulk een schuilhoekje te vinden. Zelfs de alleenstaande en hierdoor meer onafhankelijke mensch, heeft vaak een groote mate van ernst in zijne behoefte aan éenzaamheid en veel wilskracht om andere, minder noodzakelijke dingen te laten, noodig, als hij er toe komen zal een paar weken van volkomen ongestoorde rust te kunnen genieten. Daarenboven wordt het verlangen naar afzondering van een lid van het huisgezin dikwijls tegengewerkt door het vooroordeel, dat de éenzaamheid een erg soort van égoïsme vertegenwoordigt. Want de meesten die de groote winst van eene tijdelijke afzondering voor henzelve inzien,—begrijpen nog niet hoezeer hun huisgezin hierdoor tegelijkertijd wordt gebaat.Een korte scheiding heeft namelijk een buitengewone macht om ons nadenken te wekken en hierdoor ons beter verstaan en ons gevoel van billijkheid. Wij komen er gemakkelijker toe met een helder oog de belangrijke dingen in ons op te nemen en de kleinigheden tot hare wezenlijke onbeduidendheid terug te leiden, als wij eenpoos van elkander af zijn. Het eenzame overleg ontwart soms met vlugge hand de meest ingewikkelde draden en het alleenzijn geeft vaak aan onze blijdschap een vroolijker, aan onze smart een minder droevige tint. Volbrengt men den een of anderen arbeid alleen zittende, dan valt die bijna altijd oneindig beter uit, dan wanneer anderen erbij tegenwoordig zijn. De boeken die men leest en overpeinst in het dichte bosch; met de eeuwigschoone sneeuw vóor zich, of op de bloeiende heide, onder het geruisch van eik en den, verschaffen den rijksten oogst aan denkbeelden; en de indrukken der natuur die men onder zulke rustpoozen in zich opneemt, zijn krachtiger en langer van duur dan andere. Want men geeft zich nimmer zoo geheel en al aan de natuur als wanneer zulke éenzame dagen een parelsnoer vormen, waarvan een dag tamelijk gelijk is aan den anderen, maar waarvan toch elke dag op zichzelf een afgerond geheel vormt, en een aangenaam geheel ook.Zij die tegen het alleenzijn opzien omdat zij vreezen zich dan nog meer eenzaam en verlaten te gevoelen hebben in zekeren zin gelijk en ongelijk. Want juist van menschen omringd, kan het gebeuren dat men door de omstandigheden, of door zijn bijzondere stemming, mijlenver van hen verwijderd is; in de door menschen bevolkte woestijn hangt, meer dan elders, zwaarmoedigheid in de lucht. Maar tegenover de natuur en den dood—de grootste eenzaamheid en de onwrikbaarste noodzakelijkheid—worden wij gedwongen afstand te doen, niet alleen van de bezorgingen en drukten van den dag, maar ook van de bezorgdheid omtrent ons lot en leven. De grondlijnen waarop ons wezen gebouwd is worden breeder, maar de vertakkingen dier lijnen worden minder duidelijk zichtbaar, evenzoo als dit het geval is met een landschap dat men van een aanzienlijke hoogte af, in dediepte ziet liggen. Het meer of minder aan lief en leed, waarmede het leven onze dagen vult; het meer of minder belangrijke werk dat aan ons bestaan inhoud gaf—tot dit alles keeren wij van zulke eenzame overpeinzingen terug met een zachten, medelijdenden glimlach.Het valt ons nu niet meer zoo moeilijk het doove oor te keeren naar die stemmen, welke ons trachten mede te voeren in de beslommeringen van den dag en die ons trachten wijs te maken dat wij daarbij hoognoodig zijn. Wij worden nu minder hevig ontroerd door de pijnlijke kreten uit ons eigen gemoed opgaande, dan door die van onze medemenschen. Want wij hebben het leeren inzien, dat de grootste smart niets meer is dan een druppeltje in den grooten oceaan, evenzoo als het grootste geluk slechts het vluchtig licht is, dat zulk een kleine druppel doet glinsteren.De ziel, die in stilte en eenzaamheid den moed vond om tot zichzelf in te keeren en haar eigen kracht te meten, weet, dat er slechts éen groote en wezenlijk belangrijke taak ons leven beheerscht: grooter te worden. En dat doel kunnen wij bereiken in onze smart en onze vreugde, in onze dwaasheid en in ons verstand. Groeien kunnen wij door onze nederlagen, zoowel als door onze overwinningen; door onze rust, zoowel als door onzen arbeid.Toch is het hem of haar die de éenzaamheid zoekt aanteraden dit te doen, zonder een bepaalden eisch aan dat “stille zijn” vooraf te laten gaan. Want het gebeurt vaak, dat die afzondering juist iets geheel anders oplevert dan men verwacht had. Hij die rust zocht, vindt allicht een nieuwen prikkel tot arbeiden; hem die hoopte troost te vinden, kan zij nieuwe wonden slaan. Hoe het zij: de éenzaamheid schenkt toch altijd moed- en krachtbesefwaarvan men zich niet bewust was. Maar alleen hij kan hiervan nut trekken die weet, wat de overigens tamelijk luchthartige Romeinen reeds wisten:Dat de Éenzaamheid eene godin is wier geheiligde bosschen geen sterveling nadert met grootspraak, maar met een nederige bede op de lippen en van wie men met rijke gaven bedeeld terugkeert, indien men de taal harer ernstige oogen heeft leeren verstaan, die ons ’t geheim van het éene noodige verraden:“Stille zijn in eigen hart.”
Het woord van Geyer over het genot, dat de herinnering aan den weg, die even buiten zijne ouderlijke woning doodliep hem schonk, wekt bij ons, menschen aan het einde eener eeuw staande, een gevoel van afgunst ten opzichte van de gelukkigen, die vroeger eeuwen mochten eindigen en voor wie het Paradijs toen nog bestond.
Want voor onze verbeelding is het Paradijs niet langer een met allerhande boomen—vooral appelboomen—beplante lusthof, omringd door een witten muur met gouden poorten. Wij vormen er ons eene voorstelling van, uit louter ontkenningen saamgesteld: de weg loopt niet verder door, dan tot aan de hekken van het Paradijs; van een telefoon heeft men er zelfs geen flauw vermoeden; de brievenpost komt er hoogstens éenmaal per week en van stoomboot of spoorweg is, mijlen ver in den omtrek, geen sprake.
Welnu, zulk een Eden heb ik gevonden. Maar ik vertel u niet waar het ligt. Dan zouden andere menschen van het moderne gedeelte der maatschappij er misschien ook den weg heen vinden en dan was—het Paradijs verloren! Want dat aan een eerste uitgaaf hiervan geen onverdeeld succès te beurt gevallen is, dit was voorzekerniet de schuld van de slang, al trachten een aantal menschen zich met die gedachte te troosten....
In mijn Eden ontbreekt niet alleen alles wat er niet behoort te wezen, maar men vindt er alles wat men er behoort en verlangt te zien. Blauwe, met sneeuwranden omzoomde rotsen en veruitgestrekte, met bosch beplante hoogten vormen in schoone lijnen een muur rondom den lusthof. Een breede, groenachtig zwarte, gedeeltelijk met wit mos bekleede bergspleet, maakt den weg door den muur vrij voor het oog en voor de verbeeldingskracht; en heldere meertjes of binnenzeeën geven aan het donkere boschrijke landschap een paar groote blinkende oogen. Glinsterende berken en bloeiende linden geuren in de zomerzon, die slechts voor enkele uren achter den horizont verdwijnt; die de koornaren als in ’t geheim laat rijpen en aan de bloemen meer geur en krachtiger tinten geeft. Boven de met mos bekleede rotsbergen glijden over dag de blauwe wolkjes, vlug als schimmen er tegen uitkomende, voorbij. Maar de avond verspreidt over bergen en rotsen de vele paarsche en violet-schakeeringen van topasen en ametisten; het lichte blauw der opalen en de diepdonkere blauwheid van de zee; de schakeering van het appelbloesem—teeder kleurtje tot het donkerrood van den wijn. Eindelijk treden de donkere, zacht verdeelde omtrekken van den rotsberg, in eigenaardig émailleblauw tegen den goudkleurigen achtergrond van de lucht afstekende, te voorschijn. Deze blijft den geheelen nacht door lichtgeel getint, tot die kleuren ongemerkt overgaan in het morgenlicht.
In deze ochtendure, waarin de natuur vol kleuren en licht, in groote lijnen en ruime vèr-gezichten tot ons spreekt, wordt het menschenhart ontroerd door het bedwelmende gevoel van eenzaamheid en stilte. Het heeft niets gemeen met de blijdschap over een eigen welgelukteschepping, maar het heeft zijne bijzondere aantrekkelijkheid, zijne eigenaardige kracht. Terwijl het van het noodlot afhangt om ons dien beker van genot al of niet aan de lippen te brengen—niet van onzen wil—hangt het alleen van onszelf af, of wij van de plechtige eenzaamheid wenschen te genieten; of wij ons hart willen laten uitrusten, onze gedachten verruimen in die groote stilte; volop genieten, in een grootsche natuur met rustige, schoone en breede lijnen.
Maar niet altijd is het hart van den mensch van heden tot rusten in staat. Het leeft in onrust—smacht naar kalmte—en schuwt de stilte als eene ziekte, nog erger dan de nevrose waarvoor zij het geneesmiddel wezen zou. De vrouw uit onze dagen vreest eigenlijk niets met een grootere vreeze, dan om alleen te worden gelaten,—alleen met hare eigene gedachten, want dit maakt haar zooals zij het noemt,droefgeestig. Eigenlijk beteekent dit eenvoudig, dat zij er in die uren bepaald toe gedwongen wordt den ernst van haar bestaan onder de oogen te zien, of ook den ernst des levens in het groot geheel te beschouwen; een gevoel waaraan haar geest zich zou kunnen verheffen. Maar juist dit wil zij niet. Met kracht onderdrukt zij den drang van haar gemoed om zich op te richten tot edeler aspiraties, door hoe langer hoe meer toe te geven aan hare behoefte aan een oppervlakkig, versplinterd, leven. Hoezeer deze behoefte voor uiterlijk vertoon in onze dagen algemeen is, dit ziet men duidelijk op het gebied, waar ook de gewone, alledaagsche vrouw voorheen, in zekeren zin, hare gedachten op éen punt trachtte te bepalen, op dat van den godsdienst. Het type der geloovige vrouw is tegenwoordig niet meer zij die “als zij bidt in hare binnenkamer gaat en de deur achter zich sluit”; maar zij heeft bazuinen en theekransjes noodig om tot het besef te komen, datzij eene vrome vrouw is, vol van den heiligen geest des geloofs.
De ongedurige menschen van het laatst dezer eeuw genieten zelfs niet van de rust als deze hun ten deel valt. Vooral met de vrouw is het zoo gesteld; hoe meer de tijd en gelegenheid tot rusten en stille zitten haar ontbreken, des te meer verliest zij het talent om van die enkele haar geboden gelegenheid gebruik te maken. Hoe menigvuldiger zij genoodzaakt is om in het openbaar indrukken op te nemen, die zich aan haar opdringen, des te meer acht zij het noodig, dat hare polsen met eene koortsachtige snelheid blijven jagen, om er zich van te overtuigen dat zij leeft.
Dieper gevoelende naturen erkennen met leedwezen dat zij hoe langer zoo meer verloren gaan met haren rijken aanleg, in dien maalstroom des levens; in het gedrang van de uit alle oorden samenstroomende, overweldigende onderwerpen; onder den druk van de eischen onzer moderne samenleving.
Zulke karakters krijgen niet zelden hallucinaties van een stille, groene kloostergaarde; of van eene, in het dichte bosch verscholen, kluizenaarswoning; van de eenzame uren op hooge rotsbergen, of op de golven der groote, wijde zee, in éenzaamheid doorgebracht. Maar doorgaans is aan hare behoefte aan éenzaamheid reeds voldaan, door zich in deze voorstellingen te verdiepen; zij verzuimen dan ook in den regel gebruik te maken van de gelegenheid, als deze zich voordoet, om een dergelijke oase in de woestijn te scheppen; een stil plekje, afgezonderd van het rumoer der wereld. Wie inderdaad een smachtend verlangen koestert naar éenzaamheid, heeft in de meeste omstandigheden wel gelegenheid, die op de eene of andere manier te vinden.
Uit mijn kindertijd herinner ik mij dikwijls te hebbenhooren vertellen van eene vrouw die door haar huwelijk haar stille ouderlijke woning in het bosch had moeten verwisselen voor de onvermijdelijke drukte van eene uitgebreide huishouding in een groote stad. Die verandering speet haar zeer, tot zij op den inval kwam om elken morgen, een half uur lang, alleen stil te gaan zitten met een groenen doek over haar hoofd. Op die wijze droomde zij, dat zij weer in de stille éenzaamheid van haar bosch zat en verzamelde zij hare gedachten genoegzaam om daarna kalm en gelijkmatig de bemoeiingen van den dag tegen te gaan.
Indien ieder van onshaareigen groenen doek had, zouden wij niet zoo licht geprikkeld en prikkelend zijn; wij zouden dan niet de gejaagde, ongedurige, onbeduidende slaven der vormen en gebruiken wezen, die wij nu maar al te vaak zijn!
Van welken aard nu dit beschermende omhulsel werd,—dit zou voor een gedeelte door het toeval worden beslist, maar soms ook zoude juist het eigenaardige karakter blijken van ieder die zulk een haven zocht uit de keuze van dat stille plekje, en van den doek.
In roomsch-katholieke landen kan men zulk een rustig toevluchtsoord vinden onder ieder kerkgewelf. Geleund tegen de pilaren van een gothischen tempel, kan men te midden eener drukke wereldstad, droomen in een verafgelegen bosch te zijn—hoewel Nietzsche gelijk heeft als hij zegt, dat modern denkende menschen aan een geheel nieuwe architectuur, als lijst voor hunne overpeinzingen, de voorkeur zouden geven.
Voor velen schept de muziek eene verrukkelijke eenzaamheid, vooral wanneer die thuis genoten wordt en niet in het publiek, waar zoo vele verscheidene indrukken afleiding geven en waar ons gemoed nauwelijks de wanklanken uit het dagelijksch leven begint te vergeten, alsdat akelige handgeklap er ons op nieuw aan komt herinneren. Want een bewijs te geven van gevoel voor het schoone, door volkomen stille zijn—dit wacht nog op een meer veredelden staat van fijne beschaving, dan waarop wij in onze eeuw bogen kunnen!
Voor anderen is misschien zulk een rustig gesprek met het eigen gemoed te vinden in een museum van kunstvoorwerpen, of onder het lezen van een uitmuntend boek, een oud boek vooral, waarover nu geen besprekingen meer de ronde doen. En in de groote steden bereiden de openlijke leesinrichtingen den boekenvrienden het vredige stille plekje, waarnaar zij tehuis dikwijls te vergeefs hadden uitgezien.
Maar de stilte die het gemakkelijkste verkregen wordt is toch die in de natuur. Nu gaan de meesten echter niet naar buiten om daar alleen te zwijgen, of om er te zwijgen met een vriend—deze grootste en fijnste toets van echte vriendschap. Integendeel, zij zoeken er eenige kennissen, met wie zij de vraagstukken van den dag kunnen bespreken; en als zij zich dan warm en moe geredeneerd hebben, keeren zij naar huis terug, niet van een stille plaats maar uit nieuwe drukte.
Och, zij hebben hunne ziel niet gemaakt tot een kalmen spiegel voor de indrukken der schoone natuur; neen, deze is op de bewogen golven blijven zweven, waar het niet mogelijk is een duidelijk en helder lichtbeeld op te nemen.
Wie inderdaad in de natuur de éenzaamheid zoekt, moet leeren om van zeer nabij die grootsche natuur gade te slaan; zich oefenen in het uit het hart verwijderen van alle onbeduidende indrukken, om hierdoor de degelijke niet te verhinderen er in door te dringen; eene kunst waarin de wijsgeerige Montaigne ons menige behartenswaardige les gegeven heeft. “Wij overvoeren ons gemoed met te veel verschillende dingen tegelijk” zeidehij, reeds voor driehonderd jaren geleden. “Wij moeten onzen geest oefenen om enkele dingen vluchtig te zien, andere beter te monsteren; maar eigenlijk in ons opnemen moeten wij alleen die woorden, voorwerpen of gedachten die met onze eigene overeenstemmen, die op denzelfden grond zijn gebouwd als deze, zoodat zij ons, als het ware, zelf raken. Want ons gemoed behoort eigenlijk alleen van eigen middelen te leven.... Nu zijn wij allen, althans de meesten van ons, rijker begaafd dan wij zelf denken; maar wij worden er bij opgevoed om van anderen te leenen, om eens anders goed liever te gebruiken dan eigen goed....” Dat wij zoo zelden tot de kennismaking met onze lang niet geringe middelen komen, is het gevolg ervan, dat wij slechts bij uitzondering, ons met hart en ziel wijden aan hetgeen wij hebben ondernomen.
“Als ik dans,” zegt Montaigne, “dan dans ik; als ik slaap dan slaap ik; als ik alleen wandel in een mooien tuin en ik betrap mijne gedachten op afwegen, dan breng ik ze dadelijk weer terug naar den tuin, tot het genot der éenzaamheid en tot mijzelf.”
Dit opzettelijk streven om aan elke daad en aan alles wat wij zijn, ons persoonlijk geheel te geven en zoodoende uit elken toestand den geheelen inhoud te persen, is in een ruimen zin belangrijk voor elke ontwikkeling; zoowel voor ons vermogen om te denken en te arbeiden, als om te genieten en te rusten.
Maar het is een eigenaardig teeken van onzen tijd steeds een nog sterker graad van zenuwspanning te verlangen om zich geheel aan het oogenblik te kunnen geven.
Daarom is ook sport de groote aantrekkingskracht geworden, die de menschen naar buiten lokt; maar niet om te rusten en kalmte te zoeken. Integendeel, de wedstrijden op elk gebied en het “africhten” daarvoor, heeft zelfs de beweging in de vrije frissche lucht tot een koorts, tot eennieuwen vorm van jagen en stormen, gemaakt. Sport kan voorzeker een middel zijn om veel van de natuur te genieten, om spoediger buiten te komen. De riemen waarmede men tusschen de begroeide oevers eener rivier voortglijdt; de sneeuwschoenen waarop men diep in de winterstilte van het bosch doordringt; het rijwiel dat zijn eigenaar vlug naar nieuwe plantsoenen, of naar landelijke eenzaamheid overbrengt; deze en nog verscheidene andere dingen die tot vermaak en nut beoefend worden, als zeilen, rijden en zwemmen, brengen inderdaad bij velen eene hartelijke vereeniging met de natuur tot stand.
Maar de roeier of de ruiter, de schaatsenrijder of de cyklist, die aan elken indruk van een schoon landschap voorbijvliegt in dolle woede om zich te bekwamen tot mededingen in den wedstrijd, komt door zijne voorliefde tot beweging in de buitenlucht hoe langer hoe verder buiten de natuur en buiten zichzelf. Dit soort van sport ontwikkelt alleen het lichaam maar niet den geest. Men zal binnen korten tijd geheel vergeten hebben, dat er een eenvoudiger manier bestaat om van de natuur te genieten: er van te genieten met lichaam en ziel, tot nut en genoegen voor beide.
Als wij de meisjestype aan het einde onzer eeuw—dat is te zeggen, eene jonge dame die geen uitstapje naar buiten maakt anders dan op haar rijwiel of schaatsen, met het tennis-racket, òf een roeispaan in de hand,—vergelijkt met het jonge meisjestype van het einde der vorige eeuw, dan valt die vergelijking niet bepaald gunstig voor onze dagen uit. Ik denk hierbij onwillekeurig aan de beminnelijke vriendin van Goethe, de jonge Bettina Brentano, die als eenreevan het buitenleven genoot; die de hoogste bergen beklom om zich daar in het gouden zonnelicht te baden; die zich niet ontzag om door wind en regen te loopen, of een onweersbui te latenovertrekken, staande onder een bloeiende linde, tusschen wier bladeren zij witte bliksemstralen flikkeren zag; die aan het strand lag, door kabbelende golven omstuwd; of hoog op de takken zat van een reusachtigen kastanjeboom, te midden van groen licht en groene schaduwen; of op het grasperk van den grooten tuin, uitgestrekt, zich vergastte aan de geuren van mos, taxus en roode anjelieren, zelfs met een paar bloeiende heestertakjes in den mond, om de nijvere bij tot zich te lokken; die op avonden als de maan scheen, tusschen de hagen van den wijngaard, onder de doorschijnende, lichtgroene trossen wandelde, en soms den geheelen zomernacht buiten bleef, insluimerend onder het nachtlied van merels en nachtegalen, om niet eer dan door het morgenlicht te worden gewekt....
Behalve deze dichterlijke wijze om van het buitenleven te genieten is er ook nog de natuur-wetenschappelijke, die echter evenzoo als de eerste, tamelijk naar den achtergrond wordt gedrongen door sport. Van dit gezichtspunt beschouwd is het aangenamer knapen tegen te komen een kruiden-doos aan een band om den hals dragende, dan knapen op rijwielen.
Van welken aard de reeds vroeg ontwikkelde zucht naar kennismaking met de natuur wezen moge, altijd verschaft dit onderzoek den beoefenaar dezer wetenschap een zekere vertrouwelijkheid met de natuur, een vriendschappelijke, hartelijke genegenheid, die onmogelijk kan ontstaan tusschen de natuur en een, haar op zijne velocipède voorbijvliegend, sportliefhebber.
Wat eenigszins vergoelijkend omtrent deze type van de tegenwoordige jeugd werkt, is het feit, dat velen, die door geen ander middel naar buiten gelokt zouden worden, nu ten minste, dank zij sport, eenig vermoeden van de schoonheid der natuur ontvangen en dat die oefeningen van heden—nadat de overdrijving hare offerszal hebben ontvangen—zullen bijdragen tot de ontwikkeling van eene lichamelijk—gezonder en krachtiger generatie, die dan waarschijnlijk beter dan ons tegenwoordig geslacht, bestand wezen zal tegen vermoeienis; die op eene edeler wijze het natuurgenot zal smaken en wier kernspreuk zal zijn “sport te gebruiken als niet misbruikende.”
Het gewone dagelijksche rust-uurtje, dat de meesten van ons met een ernstigen wil kunnen vinden, vervangt intusschen niet de diepe stilte, die eene wandeling vroeg in den morgen, of het zich terugtrekken naar een verborgen plekje van de aarde,—zoo mogelijk in een vreemd land en aan de grenzen der beschaafde wereld gelegen—in staat is ons te bieden. Maar voor de meeste hoofden van huisgezinnen is het gemakkelijker gezegd dan gedaan, zulk een schuilhoekje te vinden. Zelfs de alleenstaande en hierdoor meer onafhankelijke mensch, heeft vaak een groote mate van ernst in zijne behoefte aan éenzaamheid en veel wilskracht om andere, minder noodzakelijke dingen te laten, noodig, als hij er toe komen zal een paar weken van volkomen ongestoorde rust te kunnen genieten. Daarenboven wordt het verlangen naar afzondering van een lid van het huisgezin dikwijls tegengewerkt door het vooroordeel, dat de éenzaamheid een erg soort van égoïsme vertegenwoordigt. Want de meesten die de groote winst van eene tijdelijke afzondering voor henzelve inzien,—begrijpen nog niet hoezeer hun huisgezin hierdoor tegelijkertijd wordt gebaat.
Een korte scheiding heeft namelijk een buitengewone macht om ons nadenken te wekken en hierdoor ons beter verstaan en ons gevoel van billijkheid. Wij komen er gemakkelijker toe met een helder oog de belangrijke dingen in ons op te nemen en de kleinigheden tot hare wezenlijke onbeduidendheid terug te leiden, als wij eenpoos van elkander af zijn. Het eenzame overleg ontwart soms met vlugge hand de meest ingewikkelde draden en het alleenzijn geeft vaak aan onze blijdschap een vroolijker, aan onze smart een minder droevige tint. Volbrengt men den een of anderen arbeid alleen zittende, dan valt die bijna altijd oneindig beter uit, dan wanneer anderen erbij tegenwoordig zijn. De boeken die men leest en overpeinst in het dichte bosch; met de eeuwigschoone sneeuw vóor zich, of op de bloeiende heide, onder het geruisch van eik en den, verschaffen den rijksten oogst aan denkbeelden; en de indrukken der natuur die men onder zulke rustpoozen in zich opneemt, zijn krachtiger en langer van duur dan andere. Want men geeft zich nimmer zoo geheel en al aan de natuur als wanneer zulke éenzame dagen een parelsnoer vormen, waarvan een dag tamelijk gelijk is aan den anderen, maar waarvan toch elke dag op zichzelf een afgerond geheel vormt, en een aangenaam geheel ook.
Zij die tegen het alleenzijn opzien omdat zij vreezen zich dan nog meer eenzaam en verlaten te gevoelen hebben in zekeren zin gelijk en ongelijk. Want juist van menschen omringd, kan het gebeuren dat men door de omstandigheden, of door zijn bijzondere stemming, mijlenver van hen verwijderd is; in de door menschen bevolkte woestijn hangt, meer dan elders, zwaarmoedigheid in de lucht. Maar tegenover de natuur en den dood—de grootste eenzaamheid en de onwrikbaarste noodzakelijkheid—worden wij gedwongen afstand te doen, niet alleen van de bezorgingen en drukten van den dag, maar ook van de bezorgdheid omtrent ons lot en leven. De grondlijnen waarop ons wezen gebouwd is worden breeder, maar de vertakkingen dier lijnen worden minder duidelijk zichtbaar, evenzoo als dit het geval is met een landschap dat men van een aanzienlijke hoogte af, in dediepte ziet liggen. Het meer of minder aan lief en leed, waarmede het leven onze dagen vult; het meer of minder belangrijke werk dat aan ons bestaan inhoud gaf—tot dit alles keeren wij van zulke eenzame overpeinzingen terug met een zachten, medelijdenden glimlach.
Het valt ons nu niet meer zoo moeilijk het doove oor te keeren naar die stemmen, welke ons trachten mede te voeren in de beslommeringen van den dag en die ons trachten wijs te maken dat wij daarbij hoognoodig zijn. Wij worden nu minder hevig ontroerd door de pijnlijke kreten uit ons eigen gemoed opgaande, dan door die van onze medemenschen. Want wij hebben het leeren inzien, dat de grootste smart niets meer is dan een druppeltje in den grooten oceaan, evenzoo als het grootste geluk slechts het vluchtig licht is, dat zulk een kleine druppel doet glinsteren.
De ziel, die in stilte en eenzaamheid den moed vond om tot zichzelf in te keeren en haar eigen kracht te meten, weet, dat er slechts éen groote en wezenlijk belangrijke taak ons leven beheerscht: grooter te worden. En dat doel kunnen wij bereiken in onze smart en onze vreugde, in onze dwaasheid en in ons verstand. Groeien kunnen wij door onze nederlagen, zoowel als door onze overwinningen; door onze rust, zoowel als door onzen arbeid.
Toch is het hem of haar die de éenzaamheid zoekt aanteraden dit te doen, zonder een bepaalden eisch aan dat “stille zijn” vooraf te laten gaan. Want het gebeurt vaak, dat die afzondering juist iets geheel anders oplevert dan men verwacht had. Hij die rust zocht, vindt allicht een nieuwen prikkel tot arbeiden; hem die hoopte troost te vinden, kan zij nieuwe wonden slaan. Hoe het zij: de éenzaamheid schenkt toch altijd moed- en krachtbesefwaarvan men zich niet bewust was. Maar alleen hij kan hiervan nut trekken die weet, wat de overigens tamelijk luchthartige Romeinen reeds wisten:
Dat de Éenzaamheid eene godin is wier geheiligde bosschen geen sterveling nadert met grootspraak, maar met een nederige bede op de lippen en van wie men met rijke gaven bedeeld terugkeert, indien men de taal harer ernstige oogen heeft leeren verstaan, die ons ’t geheim van het éene noodige verraden:
“Stille zijn in eigen hart.”
“Stille zijn in eigen hart.”