VIII.

[1]Namelijk door het gevecht van 5 September 1812.

[1]Namelijk door het gevecht van 5 September 1812.

Toen August van Sterreveld eenige dagen moedig al deze ongemakken had doorgestaan, voelde hij zich ten laatste zoo uitgeput, dat hij, al wilde hij daartoe ook alle krachten inspannen, weldra niet zou kunnen voortgaan. Reeds vroeger had hij den bediende moeten achterlaten, dien hij uit het ouderlijke huis had medegenomen, en in diens plaats was een jonge soldaat getreden, die uit hetzelfde graafschap was, waar ook hij woonde. Deze man, die volgaarne deze taak op zich had genomen, heette George Risch, en was gewis een van de trouwste en eerlijkste menschen die men vinden kan.

Toen nu de nood ten top was gestegen, sprak August tot hem: "George, tracht u zelven thans ook te redden, gelijk de anderen doen. Ik kan ter naauwernoodvoortkomen en moet zeer langzaam gaan. Spoedig, ik gevoel het, zal mijn einde daar zijn." Doch George antwoordde terstond: "wat er ook gebeure, nimmer, mijn edele heer, verlaat ik u! Ik wil met u gered worden, met u leven of sterven!"

Naauwelijks waren deze woorden gesproken, of daar kwamen plotseling de Kozakken op hunne kleine, vlugge paarden en met hunne lange lansen aangerend. De graaf en zijn dienaar bevalen, op dit gezigt, hunne zielen aan God, want zij verwachtten niets anders dan eenen zekeren dood. Evenwel ontnamen de ruwe, baardige ruiters den graaf alleenlijk zijnen blaauwen mantel van fijn laken, die hem tot hiertoe nog een weinig tegen de koude had beschut, rukten hem zijn ordekruis van de borst, en galloppeerden toen voort, om elders rijkeren buit op te sporen. Dadelijk bood George aan den graaf zijnen mantel, die wel minder fijn was, maar toch uitstekend verwarmde. August, hoewel zigtbaar ontroerd door deze edele getrouwheid, weigerde dien. Doch dringend sprak George: "ik bid u, neem hem aan; ik kan de koude immers veel beter verdragen!" Dus sprekende sloeg hij den mantel om zijns meesters schouders; deze werd weldra geheel tevreden met deze schikking, daar George eenen anderen bekwam, dien hij eenen doodgevroren soldaat ontnam, welke er zich vruchteloos in had gewikkeld.

"Het is ons onmogelijk," sprak thans de graaf, "langs dezen akeligen weg de stad Smolensko nog te bereiken, waar ons lot, zoo als men zegt, dragelijker zal worden. Wij moeten onzen weg zijwaarts, naar den regterkant of ter linkerzijde, nemen. Misschien ontmoeten wij nog goedhartige landlieden, die tot hiertoe van plundering bevrijd zijn gebleven, en die, ophet gezigt van ons onbeschrijfelijk lijden, zich over ons zullen ontfermen."

Met dit doel veranderden zij van rigting, en stieten dan ook op eenige hutten, uit welke zij, tot hunne onuitsprekelijke vreugde, den blaauwen rook zagen opstijgen. Doch de inwoners zagen de beide krijgslieden in hunne vreemde uniform voor vijanden aan, en wezen hen daarom barsch af. Alleen een Poolsche Jood naderde hen, en sprak hen met vriendelijke woorden aan. Ongelukkig evenwel verstonden zij de taal niet, welke hij sprak. De Jood, die een ovaalvormig brood onder den arm droeg, terwijl hij een met stroo omwonden fleschje, met brandewijn gevuld, in de hand hield, wees herhaaldelijk naar de horologieketting van den graaf, welke door den Kozak onopgemerkt was gebleven. De graaf toonde hem daarop zijn gouden repetitie-horologie, liet het werk slaan, en beduidde den Jood door teekens, dat deze geld moest toegeven. Doch de laatste schudde het hoofd en wilde verder gaan, of hield zich althans zoo, waarop de graaf hem het horologie liet, en daarvoor de weinige levensmiddelen van den Jood in ruiling aannam.

August zette zich vervolgens op eenen steen neder, sneed het brood en gaf den regtschapen dienaar het eerste stuk. "Dat brood is duur!" zeide hij tot George; "want het horologie heeft mij meer dan twintig dukaten gekost. Doch brood is ons op dit oogenblik noodiger dan goud; weshalve wij, hoe duur het ons vergelijkenderwijze dan ook te staan kwam, God toch wel hartelijk daarvoor mogen danken, dat wij het ons ten minste konden verschaffen!"

Nadat zij met het brood den honger hadden gestild en ook een weinig brandewijn genuttigd hadden, trokkenzij verder. Het was een geluk voor hen, dat al de beken, poelen en moerassen hard waren toegevroren, waardoor deze hen nergens in het voortgaan belemmerden. Later kwamen zij bij een digt woud aan, hetwelk hen eenigzins tegen storm en sneeuwjagt beschutte Zij vonden er ook nog een plekje, waar geen sneeuw lag. Hier beproefde George een vuurtje aan te maken; waarin hij echter niet slaagde, omdat hij, alhoewel hij staal, vuursteen en zwam bij zich had, toch niet genoeg drooge takjes kon vinden. Van koude rillende, zaten zij op den hard bevroren grond. Rondom waren de boomen geheel met rijp overdekt. Wijd en zijd hoorde men niets dat de aanwezigheid van menschen verried; alleen ravengekras liet zich hooren. Met een onuitsprekelijk gevoel van hakend verlangen dacht August aan Sterreveld aan zijne lieve familie, en herinnerde zich hoe hij vroeger in de aangename schaduw van dat liefelijke boschje, door bloemengeur omringd en door het lied van den nachtegaal betooverd, zoo regt gelukkig was geweest. "O," sprak hij bij zich zelven, "niemand weet toch wat hem nog boven het hoofd hangt! Wie zou toen hebben kunnen vermoeden, dat ik eenmaal, en dat nog wel binnen zoo korten tijd, in deze afgrijselijke wildernis, waar men enkel sneeuw en ijs, nevel en rijp ziet, zou verplaatst worden." Innig bad hij tot God: "red mij, o Almagtig God! Red Gij mij uit dit land, en leide Uwe onvolprezen goedheid mij gelukkig naar het ouderlijke huis in de armen mijner diep bekommerde moeder terug!"

Eindelijk kon de graaf de hevige koude niet langer uitstaan. Zij viel hem nog zwaarder dan de vermoeijenissen, die hij elken dag moest doorstaan.

August sprong, een moedig besluit vattende, snel op en vervolgde haastig zijnen weg, daar hij hoopte, dat eene snelle beweging hem wel eenigzins zou verwarmen. Doch het duurde niet lang, of hij kon geene enkele schrede meer doen. Toen nam de brave George zijnen heer op den rug, en droeg hem twee geheele dagen voort. Doch geen sterveling kan meer doen, dan zijne krachten hem vergunnen. Op den derden dag moest George het, zijns ondanks, opgeven. Zijne laarzen waren geheel stuk geloopen, en zijne voeten waren zoodanig verwond geraakt, dat hij bij elke schrede een bloedig spoor in de sneeuw achterliet. Toen August den toestand van zijn lotgenoot bemerkte, zeide hij: "ik heb thans genoeg gerust, mijn brave George! Door de beide dagen, dat gij mij gedragen hebt, zijn mijne krachten teruggekomen, zoodat ik mij volstrekt niet meer vermoeid gevoel. Daarom is thans de beurt aan mij gekomen. Eergisteren en gisteren waart gij de sterke en droegt mij: heden zijn mijne krachten beter dan de uwe, weshalve ik u thans wil dragen!"

Doch de edeldenkende George wilde zulks volstrekt niet gedoogen. De reden van zijne weigering gaf hij in dezer voege op: "van hier tot het naaste dorp kan het niet ver meer wezen," dus sprak hij; "vermits men hier alreeds den toren ontdekt. Wanneer gij u nu alleen voortspoedt, kunt gij dat dorp ligtelijk bereiken; doch als gij mij daarenboven moet dragen, dan komt geen van ons beiden er immer. Aan mij is zooveel niet gelegen, wanneer ik hier den dood mogt vinden. U evenwel wacht eene teederminnende moeder, verbeiden twee zusters, die haren broeder zoo hartelijk liefhebben! Zoo gij het dus voor u zelven niet doet,spaar uw leven dan om harentwil! Ik bid u, laat mij hier liggen, en tracht zonder mij het dorp te bereiken!"

Doch op vasten toon gaf August ten antwoord: "neen, wakkere George, dat zal nimmer gebeuren! Gij hebt uw leven voor mij gewaagd; en bijaldien gij niet volstrekt met mij hadt willen achterblijven, danzoudtgij nu reeds lang met het leger eene veilige verblijfplaats gevonden hebben. Weiger daarom niet langer! Het zou u niets baten; want wat gij mij weleer toevoegdet, dat roep ik u nu ook toe: "ik wil met u leven of sterven!""

Doch George bleef nog weigeren. "Ik kan het niet toestemmen! Het is al te goed van u! Ik ben immers niets meer dan uw dienaar! Waarlijk gij zijt al te goed!" en hij, die zelf zoo edel dacht en handelde, snikte van aandoening over de grootmoedigheid van zijnen heer.

Ernstig hernam August: "George, weiger mij niet langer, als wij vrienden zullen blijven!" Door deze bedreiging bragt hij den ander tot stilzwijgen; waarop de heer zijnen dienaar op den rug nam en hem aldus naar het naaste dorp zocht te dragen.

En God sterkte hem; want het gevoel van wel en godgevallig gehandeld te hebben, een gevoel dat altijd bezielend werkt, hield zijne krachten staande.

Zij kwamen op eenen rijweg. Twee huizen stonden aan de beide zijden van den weg! Zij klopten aan de deur van eene dier woningen. De vrouw des huizes zag met hare kinderen uit het venster. Helaas! ook hier waren de vreemde uniformen den inwoners een doorn in het oog. Men opende hun noch de deur, noch werd hun uit het venster een enkel stukje brood toegereikt. De lieden hadden vernomen, welke onbeschrijfelijkeellende de vreemde legers alom door het land hadden verspreid, en dat zij hunne heerlijke hoofdstad geheel hadden afgebrand, gelijk zij stellig geloofden. Beiden smeekten in de roerendste bewoordingen om medelijden en ontferming. Doch daar in die streken enkel de Russische taal gesproken werd, vonden de Duitsche woorden, hoe treffend ook, den weg niet tot de harten dezer menschen, die hen voor halve barbaren bleven aanzien, welke de oorzaken waren van al de rampen, waardoor het land geteisterd was.

De graaf en zijn dienaar wendden zich daarop naar het andere huis, waarvan de deur openstond, welke zij wilden binnentreden. Doch de bewoner stiet hen op eene barsche wijze het huis uit, en sloeg de deur met groote hevigheid achter hen toe. Diep bedroefd gingen zij verder, ten einde het dorp te bereiken, dat naauwelijks een half uur verwijderd scheen. Doch nadat de graaf een paar honderd schreden had afgelegd, bezweken zijne krachten geheel. Hij wilde zich op den stam van eenen ontwortelden boom nederzetten; doch zelfs daartoe ontbrak de kracht hem. Hij zonk onmagtig op de sneeuw neder, en riep uit: "nu dan, het zij! Indien de Alwijze het aldus wil, zal ik mij kalm in mijn lot schikken en hier den dood afwachten!"

Dus sprekende reikte hij George de hand toe, en zeide met tranen in de oogen: "vaarwel, trouwe George, voorbeeldige dienaar! God vergelde u uwe trouwe gehechtheid! Mag het u te beurt vallen, Sterreveld nog eenmaal weder te zien, groet dan mijne moeder en mijne beide zusters. Zeg haar, dat ik hier, in Gods heiligen wil berustende, kalm en met haren naam op de lippen ben ontslapen!"

Juist toen de graaf van Sterreveld dezen droevigen last aan zijnen dienaar opdroeg, reed een aanzienlijk man, groot en statig van gestalte, in een prachtig Russisch gewaad gekleed, dat rijk met pelswerk omzoomd was, in eene Russische slede daar voorbij. Hij zag den vreemden officier in de sneeuw neêrzinken en den jammerenden soldaat naast hem knielen, waarop hij den voerman dadelijk gebood naar hen toe te rijden, en, bij hen gekomen, liet hij stil houden, sprong uit de slede, hoorde de laatste woorden van den graaf, en zeide met eene ongemeene vriendelijkheid, August in de Duitsche taal aansprekende: "God zij met u, mijne vrienden! Gaat aanstonds met mij mede! Mijn huis staat u geheel ter dienste! Alles wat ik heb, wil ik volgaarne met u deelen!"

Hij beval daarop, dat de voerman met de slede zou keeren, om naar het dorp terug te rijden, hielp den graaf in de slede stijgen, zette zich naast dezen neder, terwijl hij aan George eene open plaats naast den voerman aanwees, en zoo reden zij op snellen draf naar zijn huis. Binnen weinige minuten stond de slede voor de deur stil. Echter zag het er geenszins zoo goed uit, als men, op de kleeding en het geheele uiterlijke van den eigenaar afgaande, wel zou verwacht hebben; ja het had zelfs een zoo gering aanzien, dat het voor eenen man van deftigen stand een zeer ongeschikt verblijf scheen. Het beneden vertrek, waarin de onbekende zijne gasten voorloopig binnenleidde, had volkomen hetaanzien van eene gemeene, Russische boerenkamer. De gastheer haalde ondertusschen een sierlijk bewerkt, zilveren theeservies voor den dag, zette terstond thee, die van de beste soort bleek te wezen, en sneed daarbij uitmuntend fijn wittebrood. "Drinkt nu van deze thee," zeide hij vriendelijk en gulhartig; "dat zal u verwarmen. Inmiddels wil ik gaan zien wat ik u te eten zal kunnen voortzetten."

Hij verliet het vertrek met deze woorden; doch spoedig daarop trad hij weder binnen en zeide: "gij zult het voor lief moeten nemen! Ik vind niets anders dan een stuk wildbraad, dat evenwel reeds opgesneden is en heden voor de tweede keer op mijne tafel zal verschijnen. Doch het is heerlijk van smaak! Gij moet weten, dat ik zelf het middagmaal reeds gebruikt heb, en natuurlijk niet kon denken, dat ik nog zulke aangename gasten bij mij zou zien!"

Eenige oogenblikken later bragt een bediende het gebraad binnen, en zette nog een paar flesschen, met heerlijken portwijn gevuld, benevens drie geslepen glazen van fraai kristal op de tafel. De half uitgehongerde gasten aten met buitengewone graagte; en het was duidelijk, dat dit gezigt den gullen gastheer regt behaagde. Ook wilde hij hen, gedurende den maaltijd, niet met vragen lastig vallen. Hij vroeg dus enkel hoe zij heetten, welk hun geboorteland was, en tot welke legerafdeeling zij behoorden. Daarop onderhield hij zich met zijnen bediende in de Russische taal, gaf dezen, naar het scheen, onderscheidene bevelen, verliet daarop het vertrek met merkbare overhaasting, kwam eerst eenen geruimen tijd later weêr binnen, vulde toen de glazen, klonk met zijne gasten en riep uit: "het welzijn van alle dappere krijgslieden!" Daaropzeide hij: "ik verzeker u, dat mij, hoewel ik een Rus ben, het treurige lot van de vreemde krijgslieden in dit land, vooral van de Duitschers, zeer ter harte gaat. Ik weet, dat zij onze vijanden niet zijn; wij hebben maar éénen vijand—dien stoutmoedigen man, op wiens bevel, waaraan niemand ongehoorzaam durft wezen, al die honderdduizenden in ons land zijn gedrongen."

Eensklaps sprong hij op, ging andermaal haastig de kamer uit, en aan zijn heen en weêr loopen, zijne luide en gebiedende woorden konden August en George bemerken, hoewel hij Russisch sprak, dat hij in huis allerlei bevelen gaf en onderscheidene schikkingen maakte. De slede, die hij nog niet had laten uitspannen, stond intusschen nog altijd voor het venster stil, en de paarden schudden ongeduldig de bellen, die op het tuig bevestigd waren, en sloegen met de hoeven tegen den grond. Toen de Rus weêr binnentrad, hadden zijne gasten in dien tusschentijd naar genoegen gegeten en gedronken.

"En thans, heer ridmeester," sprak de onbekende, zich tot August wendende, "thans zal ik u uw kleine slaapvertrek aanwijzen, daar gij in de eerste plaats rust noodig hebt." Hij geleidde den graaf vervolgens in eene soort van schuur, wees op eene ladder, die daar stond, en zeide: "nu moet gij zoo vriendelijk zijn, langs deze ladder naar boven te klimmen!" Dit ging juist niet zeer gemakkelijk; doch August klom gelukkig naar boven, en bevond zich toen in eenen smallen gang, die er regt armoedig uitzag. De vriendelijke gastheer, die hem gevolgd was, schoof een paar bruine, ongeschaafde planken ter zijde, opende eene deur, die kunstig achter die ruwe planken verborgen was, endoor die deur kwam de graaf—in een uitmuntend fraai en prachtvol gemeubeleerd kabinet. De muren waren smaakvol met groen damast behangen. Het behangsel prijkte daarenboven met fijne Engelsche platen in rijk vergulde lijsten. Tegen eenen anderen muur stond eene schrijftafel van mahoniehout, met een boekenrek van hetzelfde hout, waarop prachtig ingebonden boekwerken prijkten. In eene nis of alkove, waarvoor gordijnen van groen damast hingen, stond een zoo fraai en kostbaar ledekant, als men maar ergens in een vorstelijk verblijf zou kunnen verwachten. De graaf zette groote oogen op, en zag met zigtbare verwondering in het rond; toen hij echter zijne oogen in eenen grooten spiegel sloeg, die tusschen de twee vensters van dit kabinet hing, vergat hij bijna al het andere, zoo pijnlijk trof hem het zien van zijne eigene vermagerde gedaante en bleeke ingevallen kaken. En inderdaad, die jonge man, met zijn vervallen voorkomen en zijne versleten kleeding, paste weinig bij dit smaakvolle en prachtige vertrek! De gastheer scheen te raden wat er bij August omging; medelijden teekende zich althans op zijn gelaat, en met onmiskenbare deelneming sprak hij: "niet waar, dit vertrekje is regt aardig? Mij dunkt, dat gij dit in mijn huis niet verwacht hadt. Welnu, deze kamer bied ik u voorloopig tot uw verblijf aan, waarin gij u langzamerhand van de doorgestane vermoeienissen en de onbeschrijfelijke moeijelijkheden kunt herstellen. Tot mijn innig leedwezen moet ik dadelijk weêr vertrekken. Mijne bezigheden zijn bijzonder dringend. Ondertusschen zal ik mijnen kamerdienaar hier laten tot uwe bediening. Hij spreekt wel is waar geen Duitsch, doch hij weet zich tamelijk wel in de Fransche taal uit te drukken. Alles in dit huisstaat u ter dienste. Beschouw het geheel als uw eigendom, en handel naar verkiezing. De boeken, die gij hier vindt, kunnen u den tijd korten. De jagt in deze streken levert veel op. Wanneer gij daartoe lust mogt bespeuren, dan kan mijn kamerdienaar u vergezellen. Deze wakkere Rus is een uitstekend jager."

De graaf opperde eenige bezwaren. Hij vroeg zijnen gastheer ronduit, of hij hier veilig was, ingeval er Russische troepen mogten komen. August vreesde zeer, en die vrees was waarlijk niet ongegrond! dat hij gevangen genomen en naar Siberië opgezonden zou worden.

"Mijne hand daarop," antwoordde de onbekende, "dat gij hier even veilig zijt, als de keizer in zijn paleis! Doch geef mij uw woord van eer, dat gij hier zult blijven totdat ik terugkom. Ik zal dan zorg dragen, dat gij ongedeerd in uw vaderland terugkeert.—Doch vaarwel! Ik moet weg! Mijne zaken zijn dringend." Met deze woorden ijlde hij de deur uit, en liet August staan, die nog altijd verwonderd was over deze plotselinge verandering van zijn lot.

Het spreekt van zelf, dat de graaf ten hoogste verbaasd stond over de vriendelijkheid en goedwilligheid van dezen hem geheel onbekenden man.

"Waarlijk," dacht hij, "deze vreemdeling verscheen mij even onverwacht en welkom als een engel uit den hemel, en even snel is hij nu wederom verdwenen! Alles komt mij als een droom voor! Zoo opeens word ik van die akelige, verstijvende sneeuwvlakten in een zoo sierlijk en goed verwarmd vertrek verplaatst! Het grenst aan een wonder! Doch hoe ik daarover ook nadenk, het is en blijft mij geheel onbegrijpelijk!"

August was buitendien ook te veel vermoeid, dandat hij lang over het gebeurde zou hebben kunnen peinzen. Hij begaf zich te bed; en aangezien hij geruimen tijd enkel op stroo, op eenen hard bevroren grond, of zelfs wel in de sneeuw had geslapen, zoo verschafte het hem een onuitsprekelijk genot, toen hij zich in een zoo zacht bed konneêrvleijen. Hij sliep genoegzaam dadelijk in en rustte tot laat in den avond. Toen hij ontwaakte was het geheel donker; weshalve hij opstond, en zich zoo verkwikt en versterkt gevoelde, als in langen tijd het geval niet was geweest.

De kamerdienaar had reeds eenige keeren aan de deur geluisterd, of de heer ridmeester nog niet opstond. Zoodra hij derhalve in de kamer beweging hoorde, klom hij de ladder op, trad in het vertrek, en sprak, zich eerbiedig buigende: "heer ridmeester, hebt gij wel geslapen onder het vreemde dak?" "Ik heb zoo goed geslapen," antwoordde de graaf, "als ooit vroeger in mijn leven!" "Nu, dat te hooren, verheugt mij!" hernam Oskinski, gelijk hij heette. "Doch ga thans met mij mede! In het benedenvertrek heb ik een avondeten laten gereed maken, dat zoo goed is, als ik het door de overhaasting maar kon klaar maken. Daar wacht uw bediende u aan tafel."

Toen August beneden was gekomen trof hij zijnenGeorge aan, en tevens bemerkte hij,datde tafel voor twee personen was gedekt. Toen hij, zich aan tafel willende nederzetten, George daarom de eene plaats aanwees, wilde deze echter niet gaan zitten, maar verkoos zijnen meester over tafel te bedienen.

"Dat zal evenwel niet gebeuren!" riep August levendig uit. "Gij waart tot nog toe mijn trouwe lotgenoot; daarom moet gij ook thansmijnmedgezel blijven, nu mijne omstandigheden zich schijnen verbeterd te hebben, en ook aan dezen aangenamen maaltijd deelnemen, gelijk onze edele gastheer ook schijnt bedoeld te hebben. Wij menschen moeten immers, als broeders en zusters, leed en vreugde met elkander deelen!—En gij, mijnheer Oskinski," vervolgde hij, zich tot den kamerdienaar wendende, "gij moet nog een couvert op tafel laten zetten, en met ons medeëten!" De eerlijke Rus opperde tegen dit voorstel oneindig minder bezwaren, dan George. Hij liet het couvert brengen en nam bij de Duitschers plaats. Vervolgens werd wildbraad, gevogelte, visch, en wat Rusland nog meer oplevert, opgedragen, waarbij de gasten daarenboven nog op eenige flesschen lekkeren wijn onthaald werden. De Rus vermaakte zich bovenal met het laatste artikel, en van lieverlede, toen hij, zoo als men het gewoonlijk noemt, een stevig glaasje wijn had gedronken, werd hij regt vrolijk en spraakzaam.

"Maar zeg mij nu toch eens," zoo vroeg August hem, "wie is nu eigenlijk uw goede heer, die voor ons zoo onuitsprekelijk goed, gul en gastvrij is?"

"Ja," antwoordde de Rus, "gij moogt hem wel goed, gul en gastvrij noemen! Mijn meester is een goed heer, vriendelijk en hulpvaardig! Hij is heer van Koslou, keizerlijk Russische raad, en heeft met de leveranciënvoor het leger drukke bezigheden. Eigenlijk woont hij niet hier, maar te Petersburg. Dit huis heeft hij enkel gekocht, om als hij langs dezen weg reist hier altijd een weinig te kunnen uitrusten. Gij moet weten, dat zijn weg hem veelvuldig door deze streken voert. Hij zou dit huis wel nieuw hebben laten opbouwen; doch dat heeft hij wijselijk wegens den oorlogstijd, waarin wij leven, gelaten. Het huis had het overigens wel noodig! Doch, zoo als ik zeide, hij heeft het wegens den oorlog gelaten, en enkel de kamer, waarin gij heden geslapen hebt, voor zijn gebruik in orde laten brengen. Den ingang tot het vertrek heeft hij echter verborgen gehouden. En hij had groot gelijk! Hij zeide ook: "dit is noodzakelijk! want het zou anders ligt kunnen gebeuren, dat anderen, wanneer ik hier aankwam, er zich reeds hadden ingekwartierd."—Maar, om u eerlijk de waarheid te zeggen, het verwondert mij grootelijks, dat hij het u tot uw gebruik heeft afgestaan, al had hij het juist in deze dagen zelf niet noodig. Nog meer bevreemdde het mij, dat hij, om u gezelschap te houden, zijne reis wel een uur langer heeft uitgesteld, dan zijn voornemen was. En—ik zeg dat, omdat wij toch toevallig over dit alles aan het spreken kwamen—het allermeest ben ik verbaasd, dat hij mij tot uwe bediening achterliet! Hij was juist op weg naar het leger. Nu moet gij weten, dat mijn meester geheel aan mijne bediening gewend is, en mijn gemis hem dus moeijelijk moet vallen. En toch beval hij mij, toen hij dezen middag zoo lang met mij in het Russisch sprak, dat ik u geheel als mijnen heer moest aanzien, en u met dezelfde oplettendheid moest bedienen, als waart gij mijn heer zelf. Hij droeg mij nog allerlei dingen op;ja, in persoon ging hij nazien of alles wel aanwezig en in goede orde was, wat u maar genoegen zou kunnen doen, of u dit verblijf gemakkelijk zou maken. Hij beval mij regt nadrukkelijk, niet het allergeringste te verzuimen, wanneer ik u bediende. Hij zou, verzekerde hij mij, bij u naauwkeurig uitvorschen of ik hem stipt gehoorzaamd had. Nu, ik hoop, heer ridmeester, dat gij over mij tevreden zult wezen, en, als de heer van Koslou terugkomt, eene gunstige getuigenis van mij zult afleggen. Dan, vergeef mij, ik moet nog het een en ander in orde brengen!"

Met deze woorden verliet hij het vertrek. Toen hij eenen geruimen tijd later weder binnen kwam, bespeurde hij, dat zijne gasten, die van hunne vermoeijenissen nog niet geheel bekomen waren, slaperig begonnen te worden. "O zoo!" zeide hij dienstvaardig, "ik zie, dat gij u gaarne te bed zoudt willen begeven. Zeer wel! Alles is daartoe gereed."

Hij nam twee zilveren blakers van eene tafel, die ter zijde stond, stak de waskaarsen aan, en lichtte den graaf, in zijne eene hand de twee blakers houdende, de ladder op. In de alkove lagen, op een daartoe bestemd meubelstuk, hemden, dassen, zakdoeken en kousen. Over eenen stoel hing een slaaprok van het fijnste katoen en met flanel gevoerd. "Daar ligt schoon linnen en toebehooren," zeide Oskinski, "en deze slaaprok is nog geheel nieuw. Wanneer gij hem morgen wildet aanhouden, zou ik zorgen dat uwe uniform, zoo goed men het hier kan, versteld werd. Uw bediende slaapt, op bevel van mijnen heer, vlak bij u; namelijk in het kleine zijvertrek, waar ik anders plagt te rusten. Wanneer gij toevallig het een of ander mogt noodig hebben, wees dan zoo goed, even met dezilveren bel te schellen, die ik op uw nachttafeltje gezet heb. Ik zal dan oogenblikkelijk verschijnen."

Den volgenden morgen, zoodra de graaf was opgestaan, den slaaprok had aangetrokken en eenige keeren in het fraaije vertrek had op en neêr geloopen, verscheen Oskinski, die de koffij kwam binnen brengen.

De koffijkan, de kopjes en de suikerpot waren van het fijnste porselein. Het suikertangetje en de lepeltjes waren van verguld zilver vervaardigd. Oskinski vroeg nu nog, wat de heer ridmeester overigens te bevelen had, rooktabak, ham, boter, honig, of wat dan ook? De graaf bedankte evenwel voor alles.

Zoo ging het elken dag. De graaf leefde hier zeer tevreden, en hij en George dankten God elken dag, dat Zijne goedheid hen hier zoo onverwachts eene zoo aangename schuilplaats had doen vinden. August las veel in de boeken van den heer van Koslou. Het waren voor het grootste gedeelte geschriften, die eene godsdienstige strekking hadden; ook vond hij vele reisbeschrijvingen en andere leerzame werken, in de Engelsche, Fransche en Duitsche talen geschreven. Ook was daarvoor zorg gedragen, dat hij wekelijks eenmaal de nieuwsbladen ontving. Ook George begon van lieverlede veel vermaak in het lezen te scheppen, daar zijn heer veel las en hij toch met niemand in het huis kon praten,aangezien hij noch Russisch, noch Fransch verstond, en niemand de Duitsche taal kon spreken.

Vaak gingen beiden op de jagt; bij welke gelegenheid Oskinski hen begeleidde. De menschen die zij op den weg ontmoetten, groetten den graaf dan zeer vriendelijk, omdat men hem als den vriend des heeren van Koslou kende. De kinderen lachten hem vriendelijk toe, de mannen namen dadelijk de mutsen af, de vrouwen groetten hem met achting. Hoe waren dus allen te zijnen opzigte veranderd, die hem kort te voren barsch van hunne woningen verjoegen!

De heer van Koslou schreef een paar malen aan August, onder adres van zijnen kamerdienaar; doch altijd slechts weinige regels. Hij vroeg met belangstelling naar de gezondheid van den ridmeester, onderzocht of deze volkomen met de bediening tevreden was, en verzocht hem, nog eenigen tijd geduld te willen hebben.

Zoo verliepen de lente en de zomer. Wel is waar begon de graaf—en vooral was dit met George het geval—zich langzamerhand te vervelen. Doch als George zulks aan zijnen heer zeide, dan antwoordde deze: "welnu, wat zouden wij veel anders hebben kunnen verrigten? Beiden hebben wij hier eerst regt gevoeld, hoeveel wij door de bezwaren van den oorlog, door koude en honger geleden hadden. Onze krachten waren immers geheel weg! Ik ten minste zou tot hiertoe geene groote reis hebben kunnen ondernemen, noch andermaal in krijgsdienst kunnen getreden zijn. Laat ons derhalve geduld hebben! De goede God, die tot dus ver zoo genadig voor ons heeft gezorgd, zal wel verder zorgen!"

De graaf sprak dankbaar en verstandig. Overigens deden de stilte en de rust in dit eenzame verblijf, waarbij de zorgvuldige behandeling kwam, die hij daargenoot, hem zóó goed, dat zijn gelaat weder even gezond en bloeijend werd als vroeger; terwijl ook George zijne vorige, sterke gezondheid geheel terugbekwam.

Op zekeren avond—zij waren toen in den herfst—kwam de heer van Koslou geheel onverwachts terug. Met een gelaat waarop de vreugde te lezen stond, trad hij het vertrek van den graaf binnen, en riep vrolijk uit: "ik kom u uwe verlossing uit uwe langdurige gevangenschap aankondigen! De beide vijandelijke legers staan nu op Duitsch grondgebied aan de Elbe tegenover elkander. Ik heb de zorg voor het leger aan de Duitschers overgelaten. Ik heb alle hoop, dat het vijandelijke leger weldra over den Rijn zal teruggedrongen worden. Thans kan en mag ik u geheel ter dienste staan, en ben bereid, alles te doen, opdat gij ten spoedigste in uw vaderland moogt terugkeeren. Ook wil ik u nog iets voorslaan. Reist gij met mij naar Petersburg? Uit Petersburg kunt gij te water ligt naar Hamburg oversteken, en dan van daar over land naar uwe geboorteplaats reizen. Behalve deze, heb ik nog eene andere reden, waarom ik gaarne zag dat gij mij naar Petersburg vergezeldet. Ik wilde mijne vrouw en mijne kindertjes aan u voorstellen. Bovendien kan ik u toch ook niet als een dolend ridder van mij laten gaan! Gij hebt alles bij dien ongelukkigen veldtogtverloren. Daarom beschouw ik het als mijn pligt, u met reiskleederen, zooals uwen stand betamen, met eenen goed gevulden koffer en met paarden en rijtuig te voorzien. Dat alles kan evenwel hier niet gebeuren, maar daartoe moeten wij ons naar Petersburg begeven. Het doet mij leed, dat ik u niet dan met het armzalige rijtuig, hetwelk mij herwaarts bragt, naar Petersburg kan geleiden; maar hier te lande komt men, wegens de slechte wegen, met eenen beteren en grooteren reiswagen niet voort. Zulks moet gij derhalve maar voor lief nemen!"

"Edele, grootmoedige man!" riep de graaf vol dankbaarheid uit, "uwe alles overtreffende menschlievendheid moet zelfs de stoutste verwachting te boven gaan! Ik kan mij maar niet begrijpen, waardoor ik al die goedheid verdien! In ernst, uw edel gedrag, hoezeer ik het bewonder, is en blijft mij onbegrijpelijk!"

"Kom, kom!" gaf de heer van Koslou ten antwoord, "ik kan in alles wat ik doe, geen enkel spoor van buitengewone menschlievendheid zien, noch van eene zoo groote goedheid! Het is enkel mijn pligt, het is alleendankbaarheid!"

"Dankbaarheid?" vroeg August, thans nog meer verwonderd; "dankbaarheid?Maar nu begrijp ik het nog minder! Zou ik u dan bij mogelijkheid ooit eene dienst hebben kunnen bewijzen, die u eenige verpligting te mijnen aanzien oplegde, u, dien ik vroeger nooit gezien heb?"

"Hoe!" riep Koslou uit, "gij zoudt mij vroeger nooit gezien hebben? Nu, zet u dan eens bij mij neder en luister. Mijn geheele vermogen, dat waarlijk niet gering is, heb ik u te danken! Aan u ben ik al mijn geluk verschuldigd!"

Verbaasd staarde August den spreker aan, terwijl hij ongeloovig met het hoofd schudde. Het kwam hem langzamerhand voor den geest, of hier welligt eenig misverstand hadde plaats gevonden!

Nu vroeg de heer van Koslou: "hebt gij niet eens honderd gulden aan eenen armen, bedelenden jongen geschonken!"

"Neen!" antwoordde August; "ten minste herinner ik mij niet, ooit eene zoo aanzienlijke aalmoes gegeven te hebben."

"Niet?" herhaalde Koslou. "Nu, dan hoop ik, dat gij u nog wel eenen nachtegaal zult herinneren, die op het geboortefeest van uwe moeder zoo fraai zong. Een arme herdersknaap—is het niet zoo?—had een nestje met de beide oude nachtegaals in uw park overgebragt."

"O ja!" gaf August ten antwoord, "dien knaap herinner ik mij nog zeer goed! Hij was een arme, maar een zeer beminnenswaardige en hoopvolle jongen. Zijn naam was Dirk Snel. Hij ging als wagenmakersknecht naar het buitenland.—Doch, vergeef mijne vraag! hoe kunt gij deze bijzonderheden zoo goed weten?"

"Deze herdersknaap, deze Dirk Snel, deze wagenmakersknecht," antwoordde Koslou, "en de keizerlijk Russische raad, de heer van Koslou, de man, die zoo gelukkig was van u te redden, zijn een en dezelfde persoon. Ik ben Dirk Snel!—Doch thans ben ik geen wagenmakersknecht meer. Ik ben eigenaar van eene fabriek, koopman, geldwisselaar en raad van financiën te Petersburg. Daar ik een riddergoed, Koslou geheeten, heb aangekocht, zoo word ik thans heer van Koslou genoemd."

"Is het mogelijk!" riep August, ten toppunt van verbazing, uit. "Gij zijt Dirk Snel!" Met tranen inde oogen sprong hij op, omarmde zijnen weldoener en riep uit: "waarom zeidet gij mij dit niet dadelijk?"

"Dat kon vroeger bezwaarlijk," antwoordde de heer van Koslou, dien wij bij zijnen nieuwen naam willen blijven noemen. "Het zou ons te lang hebben bezig gehouden, en mijn tijd was toen te zeer beperkt. Mijne zaken waren dringend, ik moest verder; en daarenboven waart gij zelf ook te uitgeput, dan dat gij lang naar mijn verhaal zoudt hebben kunnen luisteren. Daarom bespaarde ik de ontdekking voor eene nadere gelegenheid. In de brieven welke ik u schreef, wilde ik daarvan geene melding maken, naardien ik gaarne ooggetuige van uwe verwondering wilde wezen.—Toen ik u het eerst zag, bespeurde ik wel, dat gij mij niet meer kendet. Doch ook ik zoude u bezwaarlijk herkend hebben, zoo gij niet, in de sneeuw neêrzinkende, den naam Sterreveld haddet uitgesproken, toen gij uwen dienaar opdroegt, wanneer deze in het leven mogt gespaard blijven, aan uwe edele moeder en uwe zusters de groeten van den stervenden zoon en broeder over te brengen, en haar te melden, dat hij, in Gods wil berustende, met haren naam op de lippen ontslapen was. Toen ik u daardoor herkende, kostte het mij alle mogelijke zelfbeheersching, mij in te houden. Hadde ik ooit eene schoonere gelegenheid kunnen wenschen dan deze, om mijnen weldoener te toonen, dat hij zijne goedheid niet aan eenen ondankbare verspild had; eene geschikter omstandigheid dan uw toenmalige toestand, om u de som terug te geven, die uwe lieve moeder mij weleer leende ter bestrijding der kosten, welke ik mij tot het aanschaffen mijner reisbenoodigdheden moest getroosten!—Maar laat ons God danken, die ons zoo wonderdadig in dit vreemde land elkander deedaantreffen, waardoor mij de vurig gewenschte gelegenheid werd geschonken om u mijne innige dankbaarheid te toonen. Ik kan het niet uitdrukken, hoe het mij verblijdt, dat ik in u mijnen weldoener mag begroeten, en in staat ben om u thans ook eenige dienst te bewijzen!"

Op herhaald verzoek van August moest zijn gastheer hem zijne lotgevallen mededeelen. Gaarne voldeed deze daaraan. Wij zullen ze thans ook aan onze lezers kortelijk bekend maken.

Dirk Snel had als wagenmakersknecht Weenen, Dresden, Berlijn, Hamburg en Londen doorreisd, en was eindelijk naar Petersburg gekomen. Hij zocht overal de kundigste meesters op. Het was hem minder om hoog loon te doen, dan wel om een regt bekwaam wagenmaker te worden. Hij bezocht tevens slotenmakers, smidsbazen, zadelmakers en andere handwerkslieden, die ieder het hunne moeten leveren om eenen regt fraaijen wagen te maken. Met eenen van de beste zadelmakers en eenen gunstig bekenden smid reisde hij naar Rusland. Spoedig vond hij datgene bewaarheid, wat men hem vroeger te Londen had gezegd, dat, namelijk, de kunst van het wagenmaken te Petersburg lang niet op dezelfde hoogte stond als in andere groote steden. "Ware zulks het geval niet," dacht hij, "dan moest men in deze stad de fraaije koetsen en gemakkelijke reiswagens niet uit Londen laten overkomen. Hier zou een kundig werkman dus zijn brood wel kunnen verdienen!"

Steendr.v.P.W.M.Trap.

Steendr.v.P.W.M.Trap.

Hij trad te Petersburg bij eenen wagenmaker in dienst, dien men algemeen voor den besten hield; en alhoewel deze de Duitsche taal sprak, zoo besteedde hij toch al zijne vrije uren om de Russische grondig te leeren. Spoedig bood hij aan, met behulp van zijne twee vrienden, den zadelmaker en den smid, een staatsierijtuig te vervaardigen, dat even fraai en degelijk bewerkt zou zijn als een uit Londen. Het rijtuig werd hem besteld, en het beviel algemeen.

Hierdoor kreeg zijn baas weldra talrijke bestellingen, waarom het loon van Dirk aanzienlijk verhoogd werd, die tot meesterknecht werd bevorderd. Na verloop van eenigen tijd maakte zijn baas, die hem vast aan zich wilde verbinden, een contract met hem, waarbij aan Dirk de halve winst in alles werd toegezegd. Binnen korten tijd won Dirk zooveel, dat hij de geheele werkplaats van zijnen meester kon overnemen, dien hij daartoe wel geneigd vond, omdat de man reeds hoog bejaard was, geene kinderen had, en zich gaarne van zijne zaken wilde ontdoen, ten einde zijne overige levensdagen in rust te kunnen doorbrengen. Langzamerhand werd de werkplaats tot eene groote fabriek uitgebreid en een uitgestrekt magazijn daarbij getrokken, waarin koetsen en sleden van allerlei soort te koop stonden. Later huwde Dirk de eenige dochter van eenen vermogenden koopman, die, even als zijne vrouw, in Duitschland was geboren. Thans behoefde hij in zijne fabriek niet meer mede te werken. Hij hield enkel het opzigt over zijne knechts, waarbij het hem uitmuntend te stade kwam, dat hij van al hunne werkzaamheden eenige kennis had. Voortaan belastte hij zich ook met de handelszaken van zijnen schoonvader, hetgeen eenen zoo schranderen en ijverigen man niet zwaar viel. Na dendood van dezen kwam hij tot het geheele bezit van diens vermogen, dat meer dan een millioen bedroeg, en bleef de zaken voortzetten, waarbij hij veel geluk had.

Toen de oorlog met Frankrijk was uitgebarsten, nam hij groote leveranciën voor het leger op zich. Men was daarbij even tevreden over zijne stiptheid als over zijne eerlijkheid. Hij ontving den titel van keizerlijk Russisch financieraad, werd tot den adelstand verheven, en droeg den naam van zijne aangekochte bezitting Koslou.

Graaf August had met groote belangstelling naar dit verhaal geluisterd. Toen Koslou eindigde, sprak hij: "God heeft u waarlijk uitstekende talenten geschonken! Reeds toenmaals, toen het hoeden van geiten uwe eenige bezigheid was, kon een scherpzinnig opmerker in den armen knaap een nuttig en achtingwaardig lid der maatschappij voor de toekomst voorzien. Tijdens ons dat kleine ongeval op onze reis overkwam—toen gij ons zoo snel te hulp ijldet, op alles, wat u gevraagd werd, een voldoend antwoord wist te geven, goeden raad gaaft, zelf vaardig de hand mede aan het werk sloegt, en later den wensch van mijne moeder met zoo veel geschiktheid wist te bevredigen,—werden wij, wel is waar, opmerkzaam op uwen persoon, maar toch vermoedde ik in dien tijd niet, dat Dirk Snel, de arme herdersknaap, zoo grooten aanleg bezat tot het uitvoeren en ondernemen van de uitgestrektste plannen; toch zoude ik het bijna als onmogelijk beschouwdhebben, dat ik Dirk Snel eenmaal als den heer van Koslou zou moeten begroeten! Uit uw voorbeeld blijkt op nieuw, hoe belangrijk het is, dat ouders en opvoeders naauwkeurig trachten uit te vorschen, waartoe het aan hunne zorgen toevertrouwde kind den meesten aanleg en lust heeft.—Nu, gij kunt buitendien van u zelven zeggen, dat gij met de talenten, die God u schonk, gewoekerd hebt. Gij liet nooit, zoo als mij uit uwe levensgeschiedenis gebleken is, eenig gebrek aan onafgebroken opmerkzaamheid, onvermoeide vlijt, onkrenkbare regtschapenheid en brave zedelijke grondbeginsels blijken. Gij begont en eindigdet alles met God. En de Heer, op wien gij te allen tijde bouwdet, wien gij alle uwe belangen steeds hebt aanbevolen, de Heer heeft uwe pogingen mildelijk gezegend."

"Ja!" riep Koslou dankbaar uit, "dat heeft Hij! Hem zij lof en dank! Doch het groote vermogen, dat ik mij door Zijne goedheid mogt verwerven, verheugt mij bijna nog meer ter wille van de kinderen van vreemden, dan uit liefde voor mijne eigene. Gedachtig, hoe arm en hulpeloos ik voormaals zelf was, heb ik reeds menig arm kind ondersteund en het tot een kundig handwerksman en gelukkig huisvader opgeleid. En ik heb opgemerkt, dat arme kinderen, die alleen door buitengewone vlijt en onafgebroken werkzaamheid door de wereld moeten komen, meestal het best slagen. Rijke kinderen daarentegen, welke van hunne vroegste jeugd af aan overvloed gewend zijn, ontaarden dikwijls, worden lui en ongeschikt voor bezigheden, en vervallen niet zelden tot de beklagenswaardigste armoede. Meer dan eens heb ik het reeds beleefd, dat groote handelshuizen, die bloeiend door rijke ouders aan hunne kinderen waren achtergelaten,door de dwaze verkwisting en zorgeloosheid van de laatsten te niet waren gegaan, alvorens de kinderen van dezen volwassen waren. Wat de vlijt der grootouders had gewonnen, was derhalve voor de kleinkinderen bereids verloren gegaan. En even dikwijls heb ik het bijgewoond, dat de kinderen van arme ouders door vlijt en schranderheid vooruit kwamen, belangrijke zaken met goed gevolg ondernamen, en daardoor, algemeen geacht, zeer vermogende mannen werden. Doch eer en goud zijn en blijven vergankelijke goederen; men moet ze ten beste van zijne medemenschen besteden, en dan eerst ontvangen zij wezenlijke waarde; want daardoor worden wij Gode welgevallig!"

Dit gezegd hebbende, zweeg Koslou eenige oogenblikken; treurigheid teekende zich op zijn gelaat, en met tranen in de oogen sprak hij: "één ding had ik nog gewenscht—namelijk, dat mijn brave vader in het leven ware gespaard gebleven en met eigen oogen hadde kunnen zien, dat de goede opvoeding, welke hij mij heeft gegeven, niet zonder vrucht is gebleven. Hij was een arm, maar een braaf en godvreezend man. Met even groote ernst als vaderlijke goedheid boezemde hij mij waarachtige vroomheid en heiligen eerbied voor den Allerhoogste in. "Dit is de grondslag van alle deugd," zeide hij vaak; "zonder vroomheid en godvreezendheid is er geen wezenlijk geluk!" Hij zorgde ook, dat ik de school vlijtig bezocht; hoe noodig hem mijne hulp bij zijnen arbeid ook was. "Geld," zeide hij dikwijls tot mij, "kan ik u niet nalaten. Mijn zegen en het in uwe jeugd geleerde is uw eenig erfdeel, uwe eenige bezitting. Maar dit erfdeel is echter geenszins gering, en kan tegen schatten opwegen."—Hij had gelijk! Zijne vermaningen,zijn voorbeeld, zijn vaderlijke zegen waren nuttiger voor mij, dan tonnen gouds zouden geweest zijn.—Dan ik heb hem, helaas! zijne liefde en trouwe vaderlijke zorgen niet kunnen vergelden. Wel heb ik hem uit Londen eens, en uit Petersburg meermalen geld toegezonden; doch wat beteekent dat?—Op zekeren tijd, van Petersburg voor beroepszaken naar Frankrijk reizende, wilde ik den dierbaren man een bezoek gaan brengen. Daar vernam ik eensklaps de tijding van zijn overlijden!—Nu, God zal hem thans vergelden, wat de goede man op aarde voor mij gedaan heeft!"—Ontroerd zweeg Koslou; en blijkbaar kostte het hem moeite, zijne tranen te weerhouden.

Den volgenden morgen reisde de heer van Koslou met den graaf naar Petersburg af. Hoe onaanzienlijk hun Russisch rijtuig ook was, zoo moest men toch bekennen, dat het onmogelijk gemakkelijker of steviger bewerkt hadde kunnen zijn. Daarenboven was het zoo ruim, dat ook George, des graven trouwe krijgsmakker, daarin plaats kon nemen. Hunne reis liep zonder eenig ongeval af, en was regt genoegelijk. Voordat hij er aan dacht, was August reeds in Petersburg aangekomen.

Het huis, dat de heer van Koslou hier bewoonde, geleek wel een paleis. Koslou stelde den graaf aan zijn gade en zijne kinderen als zijnen grootsten weldoener voor. Aanvankelijk konden de kinderen maar niet gelooven, dat hun vader al zijnen voorspoed aan dezen manzoute danken hebben, die thans, in eene versletene,gelapte uniform voor hen stond. De echtgenoote van Koslou zag ook eenigzins vreemd op. Doch zoodra Koslou zijnen vriend bij diens naam voorstelde, en tot haar zeide: "graaf August van Sterreveld!" riep zij uit: "o, zijt gij het, heer graaf!" en wilde hem, met tranen in de oogen de hand kussen. De heer van Koslou verhaalde daarop, dat de graaf van Sterreveld den oorlog tegen Rusland altijd voor onregtvaardig had gehouden, dien geheel tegen zijnen wil had mede gemaakt, en op dezen rampzaligen veldtogt onbeschrijfelijke ellende had doorgestaan. Met innige deelneming luisterde zijne gade, terwijl de kinderen den graaf met vochtige oogen aanstaarden.

De laatsten werden al spoedig vertrouwelijk jegens hem. De geschiedenis met den nachtegaal was aan allen bekend, en een der kinderen, een levendig knaapje, vroeg nu, of die nachtegaal nog altijd in leven was? Een klein, aanvallig meisje wilde daarop weten, of hij ook toevallig een geheel nest met jonge nachtegaals had medegebragt; en het jongste kind voegde daarbij, toen August de laatste vraag ontkennend had beantwoord: "nu, gij moet ons toch zulk een nest zenden!" De oudste kinderen lachten hartelijk daarom, en zeiden: "ja, dat zou wel regt aardig zijn, indien het maar mogelijk was! Reeds sedert langen tijd zouden wij gaarne eenen nachtegaal gehoord hebben; maar in ons land treft men deze heerlijke vogels niet aan."

De heer van Koslou liet thans fijn linnen en goed voor onderkleederen uit eenen der beste winkels komen, en ontbood tevens eenen kleedermaker, iemand, die epauletten kon vervaardigen, enz., ten einde August zich, volgens zijnen stand als ridmeester, behoorlijk zou kunnen kleeden. "Gij hebt mij ook wel tweemaalnieuw gekleed!" zeide hij tot August. Zijne echtgenoote was spoedig bezig om voor het linnengoed te zorgen. Toen de graaf zich wilde verontschuldigen wegens de moeite, die hij haar maakte, zeide ook zij: "mevrouw uwe moeder en uwe zusters hebben in vroegeren tijd zich voor mijnen echtgenoot diezelfde moeite gegeven!"

Toen de graaf eindelijk, in zijne prachtige uniform, als een ander mensch voor hem stond, hechtte de heer van Koslou hem het ontroofde ordekruis op de borst. "Ziet gij, hoe ver ik het door uwe goedheid gebragt heb!" zeide hij glimlagchende. "Zelfs eene orde (al kan ik u ook niet tot ridder slaan) kan ik u teruggeven!" August was zeer benieuwd om te hooren hoe hij in het bezit van dit kruis mogt gekomen zijn; waarop de heer van Koslou hem het volgende antwoordde: "de Kozakken," dus verhaalde hij, "hadden eene menigte kruizen van het Fransche legioen van eer en van eenige Duitsche orden buit gemaakt, welke zij op hunne mutsen naaiden. Ik heb onderscheidene daarvan opgekocht; en door een gelukkig toeval vond ik daaronder ook het uwe.—Het eereteeken, overigens, kan men wel van onze borst wegrooven; maar het ware eergevoel in ons binnenste, het gevoel voor alles wat edel en heilig is, dat kan ons niemand ontnemen!"

Ook George werd nieuw in de kleederen gestoken, en een valies, dat de heer van Koslou hem schonk, werd door diens gade met linnen en andere benoodigdheden vol gepropt. Dus ook deze had aan alle kanten reden van tevredenheid.

De graaf moest langer te Petersburg verwijlen dan hij gedacht had. De oorlog in Duitschland maakte het nog altijd moeilijk en gevaarvol om zich derwaartste begeven. Eerst tegen de helft van October verloren de Franschen den vreeselijken slag bij Leipzig, en eerst met het begin van November trokken zij over den Rijn terug. Vele steden hielden zij nog na dien tijd bezet. Ook was de winter te ver heen, dan dat zij nu nog eene groote reis konden ondernemen. Deze werd dus tot het begin der lente verschoven.

Op den dag vóór het vertrek geleidde de heer van Koslou den graaf in zijn groot magazijn van wagens, en schonk hem eene allerfraaiste reiskoets. "Ziet gij," zeide hij, vriendelijk glimlagchende, "alles op deze wereld is toch ergens goed voor! Dikwijls echter kunnen wij dat eerst jaren later inzien. Het gebroken rad aan uwen wagen brengt u nu een geheel nieuw rijtuig op. De paarden," zoo vervolgde hij, "zijn reeds besteld; gij zult die te Hamburg vinden. Het adres aan den koopman ligt ook gereed."

Op den dag der afreis zelven gaf Koslou den graaf nog eene gevulde geldbeurs. De graaf nam haar aan, doch daarbij zeide hij: "ik heb het geld nu voor mijne reis hoog noodig; dan zoodra ik te huis kom, zal mijne eerste zorg wezen, om u eenen wissel ten bedrage van deze som over te maken." Doch de heer van Koslou riep uit: "neen, dat mag niet gebeuren! Ondersteun de armen met dit geld, en vooral behoeftigen, die goeden wil en genoegzame geschiktheid hebben om iets te leeren, maar zulks uit geldgebrek moeten laten. Wat wij den armen geven is een wissel, die in eene betere wereld in betaling wordt aangenomen!"


Back to IndexNext