EEN-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

EEN-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.Aan den avond van dezen dag zat Rufinus met de zijnen en zijn vriend Philippus in den tuin. Ook Paula was bij hen en liet van tijd tot tijd haar hand op de goudgele zijden haren rusten van Pulcheria, die zich aan hare voeten had neergezet met het hoofd tegen haar knie geleund. Het was volle maan en zoo helder in den tuin, dat allen elkander duidelijk konden zien, en het voorstel van Rufinus om hier de maansverduistering af te wachten, die één uur voor middernacht zou plaats hebben, vond onverdeelden bijval, omdat de lucht zoo aangenaam was.Het gesprek der mannen liep over het te verwachten verschijnsel aan den hemel. Zij hadden er over geklaagd, dat de kerk, nog altijd toegevende aan het bijgeloof der menigte, in zulke natuurverschijnselen kwade voorteekenen zag en God ook heden avond door een bedestond zou trachten te bewegen het onheil af te wenden. Rufinus noemde het eene lastering van den Allerhoogste, verschijnselen, die uit eeuwige wetten volgden en zich vooruit berekenen lieten, tegelijk uit te geven voor dreigende vingers van het goddelijk wezen, alsof de noodzakelijkheid van de bestraffing der menschen gelijken tred zou houden met den loop van zon en maan. Ditmaal zouden de bisschop en de geheele geestelijkheid van de plaats de processie voorafgaan en daardoor eene zoo eenvoudige gebeurtenis in de gemoederen der menigte opschroeven tot eene beteekenis, die zij niet hebben kon.»En wanneer de kleine komeet, die mijn oude pleegvader reeds in de vorige week ontdekt heeft, verder zoo toeneemt,” voegde de arts erbij, »en zijn staart zich over een gedeelte van den hemel uitbreidt, dan zal de angst haar toppunt bereiken, en zie ik nog gebeuren dat de lieden zich aanstellen als bezetenen.”»Een komeet voorspelt toch oorlog, hitte, pest en hongersnood,” zeide Pulcheria uit volle overtuiging.»Dat heb ik ook altijd geloofd,” voegde Paula erbij.»Geheel ten onrechte,” antwoordde de arts. »Ontelbare bewijzen zijn hiertegen aan te voeren, en het is ergerlijk dat men de menigte in dit bijgeloof versterkt, het jaagt hun angst en schrik aan; en wilt gij wel gelooven dat uit zulk eene verontrusting der gemoederen, vooral in dezen tijd van lagen waterstand, wanneer er toch reeds meer zieken zijn dan anders, de eene krankheid na de andere geboren wordt? Wij zullen de handen vol krijgen, waarde Rufinus!”»Ik ben tot uw dienst,” antwoordde de oude, »doch ik had liever dat die knaap daar met zijn staart, als hij toch kwaad moest stichten, de lieden armen en beenen brak, dan dat hij hunne hersenen verdraaide.”»Welk een wensch!” zeide Paula. »Menigmaal zegt gij dingen en zie ik andere in uwe omgeving gebeuren, waarvan ik het rechte begrip niet heb. Gij hebt mij reeds gisteren beloofd...”»U te verklaren waarom ik zoovele creaturen Gods, die met verdraaide en gebroken ledenmaten de last des levens dragen, rondom mij verzamel.”»Juist!” antwoordde Paula. »Er is wel geen grooter bewijs van barmhartigheid te geven, dan dat men zulke ongelukkigen het leven dragelijk maakt.”»Maar daarom, denkt gij,” zoo viel de bewegelijke grijsaard haar in de rede, »uit zulk eene edele oorzaak alleen zal de oude zonderling zijn stokpaardje wel niet berijden, en daaraan hebt gij gelijk. Van kindsbeen heb ik bijzonder veel opgehad met het beenderstelsel van menschen en dieren, en evenals een verzamelaar van herten- en gazellengeweien, wanneer hij allerlei soorten van horens bezit, er zich met bijzonderen ijver op toelegt om vreemde en ziekelijk vergroeide horens te verzamelen, zoo stel ik er eene eer in, allerlei vergroeiingen en verminkingen van dierlijke en menschelijke beenderen te leeren kennen.”»En ze weer recht te maken,” voegde de arts erbij.»Van zijne jeugd af heeft hij zich aan dezen hartstocht overgegeven.”»En ze is toegenomen sedert ikzelf eens mijn been gebroken en ondervonden heb, wat men daarbij gevoelt,” zeide de oude man, dit toestemmende. »Met behulp van mijn studiegenoot die daar staat ben ik van een dilettant een wezenlijk wondarts geworden, en nog wel een die Aesculapius dient voor eigene rekening. Overigens heb ik nog bijbedoelingen, die er mij toe brachten zulk eene vreemde omgeving te kiezen. Een mismaakte slaaf bijvoorbeeld is goedkoop, en dan zijn er zekere waarnemingen, die mij een onschatbaar genoegen verschaffen. Doch dat is niet voor u, meisje!”»O, zeker!” zeide Paula. »Evengoed als ik Philippus verstaals hij mij iets op het gebied der natuurwetenschap uiteenzet...”»Halt,” hernam Rufinus lachend, »onze vriend zal zich wel wachten u dat te verklaren! Hij acht het eene dwaasheid, en geeft alleen dit eene toe, dat een heelmeester en waarnemer als ik ben zich geen beter, gewilliger en onderhoudender huisgenooten kan denken dan mijne kreupelen.”»Zij zijn u zeker dankbaar,” merkte Paula op.»Dankbaar?” vroeg de oude heer. »Dat komt wel eens voor, maar erkentelijkheid is geen rente waarop een verstandig man rekent. Gij weet nu genoeg, reeds om der wille vanPhilippuswillen wij de rest laten rusten.”»Neen, neen,” bad Paula, en toen zij den grijsaard de handen toestak, zeide hij vroolijk: »Wie zou u iets kunnen weigeren! Ik zal het kort maken, doch gij moet mij opmerkzaam volgen. Nu dan: de mensch is de maatstaf aller dingen! Hebt gij dit begrepen?”»Wel zeker! Gij zegt het telkens. De voorwerpen, bedoelt gij, zijn zooals zij ons toeschijnen.”»Ons, zegt gij, omdat wij, gij, ik en wij allen hier gezond zijn naar lichaam en geest. Die voorwerpen, Gods eigen werk, moeten wij zooals ze zijn onvoorwaardelijk als gezond en normaal beschouwen. Wij moeten dus in de eerste plaats verlangen dat de mensch, die een maatstaf van al het geschapene zal zijn, zelf normaal en gezond is. Of kan een kastenmaker met eene kromme of scheeve liniaal rechte planken pasklaar maken?”»Zeker niet!”»Dan zult gij ook begrijpen, hoe bij mij de vraag kon opkomen: Meet de zieke, mismaakte, wanstaltige mensch de dingen ook met een anderen maatstaf dan wij gezonde menschen? Zou het niet een dankbaar onderwerp zijn om na te sporen welk een onderscheid er bestaat tusschen zijne meetingen en de onze?”»En hebben die onderzoekingen bij uwe kreupelen tot een resultaat geleid?”»Tot vele en groote,” verzekerde de oude; doch de arts belette hem verder te gaan door luide »Oho!” te roepen, en te verzekeren dat zijn vriend veel te snel gereed was om uit enkele verschijnselen wetten af te leiden.Velen zijner waarnemingen hadden ongetwijfeld zeker belang....Hier viel Rufinus hem weer in de rede en het gesprek zou in een strijd ontaard zijn, als Paula zich niet in den redetwist had gemengd en haren opgewonden gastheer had verzocht om ten minste een zijner resultaten mede te deelen.»Ik heb bevonden,” antwoordde deze, zeker van zijn zaak, terwijl hij zijn langen zwaren baard met zekere deftigheid uitstreek,»dat zij niet alleen verstandig zijn, daar zij reeds vroeg de rede scherpen, om door geestelijke gaven te vergoeden wat zij aan lichamelijke missen. Zij zijn in den regel geestig, gelijk de fabeldichter Aesopus en de Egyptische God Besa, die, zooals Horus, de oude vriend van Philippus, aan wien wij al onze Egyptische wijsheid te danken hebben, ons mededeelde onder de heidenen de god was van de grappen, den scherts, de kwinkslagen en bovendien van het vrouwentoilet. Dit getuigt van de fijne opmerkingsgaven der ouden, want de gebochelde, wiens lichaam krom gegroeid is, meet de dingen ook met een krommen maatstaf. Met behulp van zijn verstand leert hij meestal evenzoo meten als de meeste menschen, waaronder hij leeft, dat wil zeggen recht; doch op zekere tijden, wanneer hij aan zijne natuurlijke neiging toegeeft, maakt hij het rechte krom en het kromme recht, en zoo ontstaat de scherts, die toch in niets anders bestaat dan in eene scheeve opvatting en voorstelling der dingen. Knoop maar eens een onderhoud aan met mijn gebochelden tuinman Gibbus, of let eens op hem. Wanneer hij zich ’s avonds bij onze lieden neerzet lachen ze al, zoodra hij den mond maar opent. Zijne natuur dwingt hem enkel in paradoxen te spreken. Weet gij wat dat is?”»Zeker!” antwoordde Paula.»En gij, Pul?”»Neen, vader.”»Gij zijt ook te recht van lijf en leden, ook wat uwe eenvoudige ziel betreft, om voor zoo iets een zin te hebben. Luister dan! Een paradox zou bijvoorbeeld zijn, als ik den bisschop bij de processie van heden wilde toeroepen: ‘Gij zijt goddeloos uit louter vroomheid,’ of wanneer ik mij bij de dochter van Thomas, met het oog op de vleierijen, welke zij zoo straks van uwe moeder en uit mijn mond vernam, verontschuldigde met te zeggen: ‘onze wierook was bitter van louter zoetigheid.’ Deze paradoxen zijn, als men ze op den keper bekijkt, waarheden in verbogen vorm, en daarom gaan ze den gebochelden het best af. Vat ge?”»Ja zeker,” antwoordde Paula.»En gij, Pul?”»Ik weet het niet recht, het zou mij beter bevallen als men eenvoudig zeide: Wij hadden haar niet zooveel vleiende dingen moeten zeggen, want dat kan een meisje hinderen.”»Bravo, mijn recht kind!” zeide de oude lachend. »Doch daar staat de tuinman. Heidaar, mijn wakkere Gibbus! Stelt je eens voor dat ge iemand zulke grove vleierijen hadt gezegd, dat hij in plaats van zich te verblijden zich hierover ergerde, hoe zoudt ge u uitdrukken, wanneer ge mij dat wildet mededeelen?”De hovenier, een klein, dik man met een verbazenden hoogen rug doch met een verstandig en goed gevormd gelaat, bedacht zich een oogenblik en antwoordde toen: »Daar heb ik ezel hem rozen willen laten ruiken en hem distels onder den neus geduwd.”»Voortreffelijk!” riep Paula, en toen Gibbus schaterlachend wegliep, zeide de arts: »Men zou dien man om zijn bochel kunnen benijden, maar—niet waar jonkvrouw Paula?—wij kennen ook lieden die recht opgegroeid zijn en toch als het er op aankomt allerlei verdraaide voorstellingen tot hunne beschikking hebben.”Gelukkig ontsloeg Rufinus Paula van het antwoord, door haar op zijn geschrift over de verkrommingen der ziel en des lichaams te wijzen, en daarna met warmte voort te gaan: »Ik roep u allen tot getuigen of die lamme Baste—een harer beenen is veel korter dan het andere, en wij hebben het met moeite zoover gebracht dat het haar draagt—haar meten der dingen niet beperkt tot het laagste, tot de oppervlakte der aarde? Zij moet altijd naar den grond kijken, wil zij niet struikelen. En wat is daarvan het gevolg? zij kan u nooit zeggen wat aan een boom hangt en zoowat drie weken geleden heb ik haar bij helderen hemel en afnemende maan, en nadat zij avond aan avond tot laat met de andere lieden in de open lucht had gezeten—het was omstreeks den middag—gevraagd, of de maan gisteren aan den hemel had gestaan, en zij is mij het antwoord schuldig gebleven. Ja, ik heb opgemerkt dat zij redelijk groote mannen, die zij drie- en viermalen gezien heeft, moeielijk weder herkent. Evenals haar been zoo is ook haar maatstaf der dingen te kort uitgevallen; heb ik gelijk of niet?”»In dit geval hebt gij gelijk,” antwoordde de arts; »toch ken ik gebrekkigen...”Wederom ontstond er strijd tusschen de vrienden, doch Pulcheria maakte er ditmaal een einde aan door met groote warmte uit te roepen: »Die Baste is het beste en goedhartigste schepsel in het geheele huis!”»Omdat zij ook in haar binnenste ziet,” antwoordde Rufinus. »Zij kent zichzelve, en daar zij weet hoe pijnlijk de smart is, behandelt zij anderen met verschooning. Weet gij nog, Philippus, hoe wij na de ontleedkundige voordracht, die wij in Caesarea te zamen gehoord hadden, redetwistten...”»Heel goed,” viel de arts in, »en het leven heeft sedert mijne inzichten van toen slechts bevestigd. Er is geen nadeeliger en logenachtiger spreuk dan die Latijnsche: ‘Mens sana in corpore sano’, wanneer men haar altijd als gewoonlijk overzet: ‘Alleen in een gezond lichaam kan eene gezonde ziel wonen’.Als wensch laat ik dit woord gelden; ja menigmaal kwam ik in verzoeking om ook deze nog bedenkelijk te vinden. Want juist in kranke lichamen heb ik vaak eene sterkte van ziel gevonden, eene hoopvolle en ook voor het geringste dankbare stemming, eene fijnheid van gevoel, eene verstandige zelfbetrachting en eene onvoorwaardelijke overgave aan het hoogere, als ik bij gezonden niet heb weergevonden. Het lichaam is wel de woning der ziel, en evenals er in hutten en paleizen goeden en kwaden, wijzen en dommen worden gevonden, en men in stulpen dikwijls meer goedhartigheid aantreft als in de prachtige huizen der grooten, zoo vindt men edele zielen in leelijke en schoone, gezonde in kranke lichamen, en in de laatsten misschien menigvuldiger dan in de eersten. Maar met zulke onjuiste spreuken, die de een den ander nazegt, moet men behoedzaam omgaan, want zij kunnen hen kwetsen, die bovendien het in dit leven al zwaar genoeg te verantwoorden hebben. Naar mijne opvatting denkt een gebochelde even recht als een athleet; of meent gij dat, al brengt eene moeder in een hol zoo gedraaid als een slakkenhuisje kinderen groot, zij daarom niet rechtop naar den hemel kunnen groeien, zooals toch met den mensch plaats heeft?”»Deze vergelijking gaat mank!” zeide de oude heer met geestdrift, »en moet recht gebogen worden. Willen wij niet in openbare tegenspraak met elkander komen...”»Gij zult vrede houden!” riep opeens vrouw Johanna haar man toe, en voor deze nog een woord kon zeggen, vroeg Paula rondweg en op den man af: »Hoe oud zijt gij, waardige gastheer?”»De tweede dag van mijn zeventigste jaar werd daardoor gewijd, dat gij toen ons huis juist voor de eerste maal hebt betreden,”antwoorddeRufinus, deftig buigende.Doch zijne vrouw stak dreigende den vinger tegen hem op en zeide: »hebt gij ook misschien een geheime bochel, manlief? Zoo’n fraai gedraaid antwoord...”»Hij ziet zijne kreupelen de kunst af,” schertste Paula. »Maar nu komt gij aan de beurt, vriend Philippus. Uwe redeneering was die van een bedaagden wijze, en heeft mij—om der wille van Rufinus zeg ik niet ‘overtuigd’, maar ‘meegesleept’. Ik ben u eerbied schuldig, en toch zou ik willen weten hoeveel jaren gij....”»Ik zal weldra mijn een-en-dertigste intreden,” zeide de arts, nog voor zij haar vraag voleindigd had.»Dat is een eerlijk antwoord,” zeide vrouw Johanna, lachende. »Op uw leeftijd klemt men zich gaarne aan het twintigste jaar vast.”»Waarom?” vroeg Pulcheria.»Ach, daarom,” antwoordde de moeder. »Er zijn meisjes die een dertiger voor ouder aanzien dan hem lief is.”»Domme schepsels,” hernam Pul. »Zij zullen bezwaarlijk een jonkman vinden, die beminnelijker is dan onze vader, en wanneer Philippus, ja gij Philippus, tien of twintig jaren ouder waart dan negen-en-twintig, meent gij dat dit u minder verstandig en goed kon maken?”»En minder leelijk in geen geval,” voegde de arts erbij.Daarop zeide Pulcheria knorrig, als hadden die woorden haar gekrenkt: »Gij zijt in het geheel niet leelijk! Wie u daarvoor uitgeeft, heeft in het geheel geene oogen! Gij zeidet het ook alleen om te hooren, dat gij een deftig man zijt.”Terwijl het gevoelige meisje aldus den vriend tegen zichzelve verdedigde, streek Paula haar over de gouden haren en zeide tot den arts: »Pulcheria’s vader heeft gelijk. Zij weet de menschen met den waren maatstaf te meten. Vergeet dit niet, Philippus! Verder... Houd mij de vraag ten goede, maar moet het niet mijne verwondering wekken, dat een een-en-dertiger en een zeventiger te gelijkertijd de hoogeschool hebben bezocht?—Het duurt nog lang eer de maan, die zoo helder en blank daar voorttrekt, verduisterd wordt. Ook gij Rufinus zijt zulk een wereldreiziger geweest, en wanneer gij mij een groot genoegen wilt doen, dan vertelt gij ons iets uit uw leven, en hoe gij hier te Memphis gekomen zijt.”»Zijn levensloop?” zeide vrouw Johanna. »Wanneer hij ons die vertellen wil van het begin tot het einde met alle bijzonderheden, dan verloopt de geheele nacht en wordt morgen ons ontbijt nog koud. Hij heeft een leven gehad als dat van den avontuurlijken Odusseus. Doch verhaal een en ander, man! Gij weet, wij luisteren met het grootste genot.”»Mij roept mijn plicht,” zeide de arts, en nadat hij van de anderen vriendelijk afscheid genomen en Paula meer afgemeten dan in de laatste dagen vaarwel gezegd had, begon Rufinus aldus:»Ik ben in Alexandrië geboren, in een tijd toen handel en nijverheid er nog bloeiden. Mijn vader was een wapensmid en in zijne werkplaats arbeidden wel tweehonderd slaven en vrijen. Hij had veel van het beste erts noodig en dat ontving hij gewoonlijk uit Brittannië over Massilia. Eens geleidde hijzelf het schip van zijn handelsvriend naar het verre eiland, en daar leerde hij mijne moeder kennen. Haar goudblond haar, dat onze Pul geërfd heeft, moet hem bekoord hebben, en daar de schoone vreemdeling—want mijn vader was een man zooals er weinigen meer zijn—haar goed beviel, werd zij omzijnentwil christin en volgde hem bereidwillig. Zij hebben er beiden nooit berouw over gehad, want ofschoon zij eene stille vrouw was, die het Grieksch tot aan hare laatste ure sprak als eene vreemde, zeide de oude man toch vaak, dat zij zijn beste raadgeefster was. Daarbij bezat zij zulk een gevoelig gemoed, dat zij geen schepsel kon zien lijden, en hoe ijverig zij ook aan den haard en aan den weefstoel dagelijks bezig en op haar plaats was, zoo kon zij toch geen hoen, geen gans, geen varken zien slachten. Haar hart—moet ik zeggen ‘helaas’ of ‘goddank’?—heb ik geërfd. Ik had nog twee oudere broeders, die mijn vader moesten helpen en later de zaak zouden voortzetten. Toen ik tien jaren oud was, moest ik een beroep kiezen. Mijne moeder had gaarne een geestelijke van mij gemaakt, en ik zou het met vreugde geworden zijn, maar mijn vader stemde hierin niet toe, en daar wij een oom hadden die rhetor was en met zijn ambt veel geld verdiende, leende mijn vader het oor aan zijn voorslag, om mij voor dit beroep op te leiden. Zoo ging ik dan van den eenen leermeester tot den anderen en kwam in de school goed vooruit.»Tot mijn twintigste jaar woonde ik altijd bij mijne ouders, en gedurende mijne veelvuldige vrije uren kon ik doen en laten wat mij het best aanstond, en dat waren, als het niet te voornaam klinkt, louter geneeskundige zaken. Als twaalfjarige knaap was ik het eerst begonnen mij daaraan te wijden, en wel door een toeval. Ik liep natuurlijk gaarne in de werkplaatsen rond, en daar was eene ekster, een potsierlijk beest, dat mijne medelijdende moeder opgevoed had. Het dier kon ‘jij domkop’, mijn naam en nog andere woorden roepen, en hield veel van lawaai; want waar de smeden en slotenmakers het drukst hamerden en vijlden, daar fladderde het ’t liefst heen en weer, en waar het zich neerzette bij een aambeeld, keek het onder al dat kloppen, knarsen en slijpen altijd vroolijk rond. Jarenlang was het dier zijne gezelligheid goed bekomen,maar op zekeren dag geraakte het in een schroefbank beklemd en zijn linkerpootje brak. Dat arme beestje!”De oude bukte even, om heimelijk zijne oogen af te vegen, en ging toen opnieuw voort: »De ekster viel op zijn rug en zag mij zoo medelijdend aan, dat ik den blaasbalgtrekker, die hem uit medelijden den genadeslag wilde geven, de tang uit de handen rukte, het beestje voorzichtig aangreep en mij voornam het te genezen. Toen heb ik de ekster op mijne kamer aan een kunstig bedacht toestelletje bevestigd, opdat zij zich stil zou houden en zich geen pijn zou doen; ik heb het pootje gezet, de gewonden einden in mijn mond verwarmd en bevochtigd, en kleine houtjes als spalkjes daarom bevestigd. En ziedaar,het pootje genas waarlijk, het beestje werd gezond, fladderde als vroeger in de werkplaats rond, en als ik mij vertoonde vloog het op mijn schouder en pikte met zijn spits snaveltje mij voorzichtig in het haar. Van dat oogenblik af zou ik gaarne de hoenders in den hof de pooten gebroken hebben om ze te genezen; doch ik kwam op een ander denkbeeld. Ik ging naar de barbiers en zeide hen, dat wie een vogel, een hond of eene kat met gebroken leden had, die mocht ze bij mij brengen, ik verklaarde mij bereid ze om niet te heelen, dat konden ze aan hunne klanten vertellen. Reeds den volgenden dag bracht men mij een patiënt, een zwarten jachthond met gele vlekken boven de oogen, dien eene afgedwaalde lans een poot verbrijzeld had; ik zie dat beest nog voor mij! Op dezen volgden andere gevederde en viervoetige kranken, en zoo was dan mijn heelmeesterswerk begonnen. Die lijdende vogels, die daar aan de boomen hangen, dank ik weder aan mijne bondgenooten, de barbiers. Met viervoeters houd ik mij thans slechts bij uitzondering bezig. De lamme kinderen, die gij als helpers in den tuin ziet, behooren aan arme ouders, voor wie de wondarts te duur is. Die vroolijke krullebol die u onlangs de roos bracht, mag over weinige dagen naar huis gaan. Maar wij moeten naar mijne jeugd terug!»De hoogere beweeggronden, die aan mijn leven deze richting gaven, hebben zich eerst later na mijn twintigste jaar en nadat ik de hoogeschool reeds achter mij had, bij mij doen gelden, ja door hunne kracht ben ik eerst aangegrepen, nadat mijn oom mij reeds menige gelegenheid had verschaft om mij in mijn vak te oefenen. Zonder ijdelheid mag ik zeggen, dat mijne voordrachten de lieden bevielen, en ofschoon ik een afkeer had van gezwollenheid en bloemrijk gezwets werd ik toch niet uitgefloten. Hoewel de ouders zich verblijdden als ik uit Nikou, Arsinoë of uit andere plaatsjes in de provincie met lauwerkransen en goudstukken terugkeerde, was ik in mijne eigene oogen altijd een bedrieger. Doch om mijn vader waagde ik het niet een ander beroep te kiezen, ofschoon het mij al meer en meer tegen de borst stuitte lieden hemelhoog te verheffen, die ik noch liefhad noch achtte, en tranen van ontroering te schreien, terwijl ik bereid geweest zou zijn hartelijk te lachen.»Vrije tijd had ik in overvloed, en daar het mij niet aan moed ontbrak en ik zeer gehecht was aan onze Grieksche geloofsbelijdenis, was ik er altijd bij als er verschillende geloofsgenooten met elkander in opstand kwamen en handgemeen werden. Gewoonlijk liep het af met builen en schrammen, doch soms werden ook de zwaarden getrokken. Eens waren duizenden tegen duizenden in strijd geraakt, en de prefect had detroepen—allemaal Grieken—laten uitrukken, om de rust met geweld te herstellen. Dit gaf eene slachting, waarbij wel duizend vielen. Ik kan u dit niet schilderen. Zulke dingen gebeurden niet zelden en vaak richtten de woede en hebzucht der menigte, waarachter maar al te dikwijls de overheid en de creaturen van den aartsbisschop stonden, zich tegen de joden. Wat ik dan aanschouwen moest is zoo akelig, zoo afgrijselijk, dat de tong weigert het te vertellen. Maar die arme joodsche moeder, wier man door ellendige rekels—nog wel onze geloofsgenooten—werd vermoord, die haar huis hadden leeggeplunderd en daarna door een zwaargewapende bij de haren over den grond werd gesleurd, terwijl een bloeddorstige kerel haar zuigeling voor hare oogen bij de voetjes nam en den schedel tegen den muur verpletterde, gelijk men een natten doek tegen een paal uitslaat—die schoone jonge vrouw en haar kind heb ik nooit vergeten, en niet zelden verschijnen ze mij bij nacht in den droom.»Dat alles heb ik beleefd, en met afgrijzen zag ik, een schepsel Gods, een redelijk wezen zijn medemensch verscheuren, vervolgen, diep ongelukkig maken. En waarom? Barmhartige Heiland, waarom? Alleen uit haat, alleen—zoo waar de mensch de maatstaf aller dingen is—voortgezweept door eene gruwzame begeerte om zijn naaste, die niet wilde zijn wat hij was, ja den naaste, die het waagde voor zichzelven iets te zijn, te schaden, te krenken en leed te doen. En deze woestelingen, deze legers die zich schaarden onder de banier der onbarmhartigheid, der vernielingswoede, van den bloeddorst, waren christenen, gedoopt in den naam van hem die gebood den vijand te vergeven, die de liefde had uitgebreid van huis en stad en stal over de menschheid, die de echtbreekster uit het stof ophief, die de kinderen in zijne armen nam en zich meer wilde verheugen over éen zondaar die zich bekeert dan over negen-en-negentig rechtvaardigen! Bloed wilden zij zien, bloed, en was dan niet de leer van hem, op de belijdenis waarvan zij zich verhieven, gesproten uit het bloed van den man, die zijn leven had opgeofferd voor alle menschen, gelijk de lotusbloem zich verheft uit het helder water van het marmeren bekken? En zij die in de eerste plaats zulk eene leer der barmhartigheid door woord en daad moesten verkondigen en verdedigen: de patriarch, de bisschop, de presbyter en de diaken, zij hitsten de volkswoede aan, in plaats van der menigte het beeld te toonen van den goeden herder, die het afgedwaalde schaap opheft en vriendelijk naar de kudde terugdraagt.»De eeuw waarin ik leefde scheen mij de jammerlijkste van alle eeuwen en zij is het ook, zoo waar de mensch de maatstafis aller dingen; want in dezen tijd is de liefde veranderd in haat, barmhartigheid in onverbiddelijke gevoelloosheid. Niet alleen de tronen der wereldlijke vorsten, ook die der geestelijke gezagvoerders dropen van het bloed van den naaste. Keizer en bisschop gaven het voorbeeld, het volk en de leek deden het hun na. Evenals de grooten, de mannen van het zwaard, zoo ook de kleinen, zoo ook de vreedzamen, die zochten naar geestelijke goederen. Wat ik als man op straat zag gebeuren, dat had ik als knaap en jongeling reeds op de lagere en hoogere scholen waargenomen. Elke leer had hare aanhangers, en wie het met Cnejus eens was, die haatte Cajus en deze sprak en schreef op zijn beurt met geen ander doel dan om Cnejus te benadeelen, te vernederen, te kwellen. Elk tracht met den meesten ijverdefouten van zijn evenmensch aan te toonen en hem aan den schandpaal te binden, vooral wanneer deze voor grooter werd gehouden dan hij, of dreigde hem boven het hoofd te wassen. Hoort de meisjes aan de bron en de vrouwen bij het spinnewiel! Alleen hij is zeker bijval te zullen vinden, die van andere mannen en vrouwen wat kwaads kan vertellen. Wie vraagt naar den lof van zijn naaste? Wie over het geluk van een ander hoort spreken wordt zijn benijder.»Haat, overal haat! Overal de wil, de wensch, de hartstocht om een ander te bedroeven en ten val te brengen, in plaats van hem op te heffen, voort te helpen, te genezen! Dat is de geest van mijn tijd en alles wat in mij is verhief zich daartegen met heiligen toorn, en ik zwoer anders te zullen zijn en te handelen, en geen ander doel te willen nastreven dan den ongelukkige bij te staan, den ellendige te helpen, tot mij te trekken allen die een voorwerp waren van onbillijke bespotting, bij mijn naaste recht te maken wat krom, heel wat gebroken is, balsem te gieten in wonden en ze te genezen, ja te genezen!»Gode zij dank, het is mij gelukt althans voor een deel die gelofte te houden, en al paarde ik later aan mijn ijverig streven ook zekere grillen en eene zonderlinge begeerte tot onderzoek, het groote levensdoel waarover ik u sprak heb ik eerst onafgebroken in het oog gehouden, nadat mijn vader gestorven was en mijn oom mij zijn aanzienlijk vermogen had nagelaten. Toen hing ik den rhetorsmantel aan den kapstok, doorreisde het westen en het oosten om het land te zoeken, waar liefde de menschen aan elkander verbindt, en haat als eene krankheid wordt beschouwd. Maar—zoo waarlijk de mensch de maatstaf is aller dingen—tot heden is alle moeite om dat land te vinden vruchteloos geweest. Inmiddels heb ik mijn huis zoo ingericht, dat het een burcht der liefde is geworden. Daar waait eene lucht waarin de haat niet kan tieren en in de kiem verstikt.»Maar ondanks dit alles ben ik geen heilige geworden, en hoeveel dwaasheden, hoeveel onrecht heb ik begaan; hoeveel geld en goed, dat ik misschien beter voor de mijnen had kunnen bewaren, is mij door de vingers gegleden, hoewel meerendeels bij het vervullen van plichten die ik voor de edelste hield. Wilt gij ’t wel gelooven, Paula? Vergeef den ouden man, als hij de dochter van Thomas zoo vaderlijk toespreekt. Nauwelijks vijf jaren na mijn huwelijk met deze mijne beste vrouw, spoedig nadat wij onzen eenigen kleinen zoon verloren hadden, heb ik haar en mijn dochtertje, deze Pul, verlaten, voor meer dan twee jaren verlaten, om zonder opgeroepen te zijn, geheel vrijwillig keizer Heraclius te volgen in den krijg tegen de Perzen, die mij niets in den weg gelegd hadden. Trouwens ik ging niet als krijgsknecht, maar als een leergierige wondarts. Eerlijk gezegd, schepte ik evenzeer behagen in het zien en behandelen van breuken, wonden en verminkingen bij menigte en in het groot, als in het betoonen van mijne mildheid. Met een gebroken doch redelijk samengelapt been keerde ik tot de mijnen terug, weinige jaren later echter kon ik het niet langer op dezelfde plaats uithouden. De trekvogel haalde vrouw en kind uit de rust van huis en tuin, en sleepte ze mee naar de hoogeschool. Deechtgenoot, de vader, de grijskop maakte een wonderlijk figuur onder die jonge metgezellen, die de lessen en verklaringen van den leeraar volgden. Maar zoo waar de mensch de maatstaf aller dingen is, in vlijt en ijver stond ik bij niemand hunner achter, hoewel menigeen mij in geest en gave verre overtrof, en onzePhilippusmuntte uit boven allen. Ziedaar de reden, edele Paula, waarom de grijsaard en de man in den bloei zijner jaren studiegenooten zijn, doch de oude buigt zich heden nog gaarne voor den jongeren kunstbroeder, die van denzelfden geest bezield is. Recht maken, troosten, heelen dat is ook het doel van zijn leven, en vaak lust het mij oudje, die het doel vanPhilippuszooveel eerder dan hij heb nagestreefd, mij zijn leerling te noemen.”Hier zweeg Rufinus en stond op, ook de Damasceensche verhief zich van haar zetel, drukte hem hartelijk de hand en zeide: »Ware ik een man, ik sloot mij bij u beiden aan. Doch het is ook aan eene vrouw geoorloofd, zooals Philippus mij leerde, in uw geest te werken. En thans verzoek ik u nog, en gij zult mij deze gunst niet weigeren, mij nooit anders dan Paula te noemen. Zoo gelukkig als ik thans ben bij u, had ik niet gedacht mij nog ooit weder te zullen gevoelen. Mijn hart wordt hier frisch en gezond. Vrouw Johanna, wees gij mij tot eene moeder! Ik heb een besten vader verloren, en tot ik hem wedervind zult gij Rufinus zijn plaats bekleeden.”»Gaarne, volgaarne!”riep de oude man, greep hare beide handen en ging daarna opgewekt voort: »Daarvoor verzoek ik u echter, dat gij onze Pul als eene jongere zuster aanneemt. Maak gij van het schuchtere, menschenschuwe schepseltje een jonkvrouw naar uw voorbeeld.—Maar kom, kinderen, spoedig den blik naar den hemel gericht, want daar begint, zooals de oude heidenen van dit land zeiden, als de maan verduisterde, Typhon reeds in de gedaante van een everzwijn het Horus-oog te verslinden. Ziet hoe de schaduw de blanke schijf bedekt! Als de vaderen dit zagen maakten zij geweld; zij schudden het sistrum met zijne metalen ringen, zij trommelden, bliezen, tierden en raasden, om den booze vrees aan te jagen en hem te verdrijven. Voor vierhonderd jaren zal dat hier voor het laatst gebeurd zijn, en heden—trekt de hoofddoeken wat vaster aan en volgt mij naar den stroom—heden maken christenen zich bespottelijk door hetzelfde te doen. In welk christelijk land ik ook geweest ben, overal heb ik hetzelfde schouwspel aangetroffen. Onze heilige godsdienst heeft het geloof der heidenen vernietigd,maar hun bijgeloof bleef leven en is door de voegen en naden in onze gebruiken binnengedrongen. Daar trekken ze heen met den bisschop aan het hoofd, en hoe luide overstemt het gejammer der vrouwen en het huilen der mannen het gezang der geestelijkheid. Hoort maar! Ook die liederen klinken zoo klaaglijk en zoo hartstochtelijk smeekend, als voerde de oude Typhon nog in zijn schild de maan te verslinden, en als stond de wereld het grootste onheil te wachten. Ja—zoo waar de mensch de maatstaf is aller dingen—die beangstigde schepsels daar beneden zijn geesteskrank, en hoe kan men hen vergeven, die het wagen christenen, ja christenen, met de overblijfselen van heidensche dwaasheid bang te maken en hun geestelijk oog te verblinden!”

EEN-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.Aan den avond van dezen dag zat Rufinus met de zijnen en zijn vriend Philippus in den tuin. Ook Paula was bij hen en liet van tijd tot tijd haar hand op de goudgele zijden haren rusten van Pulcheria, die zich aan hare voeten had neergezet met het hoofd tegen haar knie geleund. Het was volle maan en zoo helder in den tuin, dat allen elkander duidelijk konden zien, en het voorstel van Rufinus om hier de maansverduistering af te wachten, die één uur voor middernacht zou plaats hebben, vond onverdeelden bijval, omdat de lucht zoo aangenaam was.Het gesprek der mannen liep over het te verwachten verschijnsel aan den hemel. Zij hadden er over geklaagd, dat de kerk, nog altijd toegevende aan het bijgeloof der menigte, in zulke natuurverschijnselen kwade voorteekenen zag en God ook heden avond door een bedestond zou trachten te bewegen het onheil af te wenden. Rufinus noemde het eene lastering van den Allerhoogste, verschijnselen, die uit eeuwige wetten volgden en zich vooruit berekenen lieten, tegelijk uit te geven voor dreigende vingers van het goddelijk wezen, alsof de noodzakelijkheid van de bestraffing der menschen gelijken tred zou houden met den loop van zon en maan. Ditmaal zouden de bisschop en de geheele geestelijkheid van de plaats de processie voorafgaan en daardoor eene zoo eenvoudige gebeurtenis in de gemoederen der menigte opschroeven tot eene beteekenis, die zij niet hebben kon.»En wanneer de kleine komeet, die mijn oude pleegvader reeds in de vorige week ontdekt heeft, verder zoo toeneemt,” voegde de arts erbij, »en zijn staart zich over een gedeelte van den hemel uitbreidt, dan zal de angst haar toppunt bereiken, en zie ik nog gebeuren dat de lieden zich aanstellen als bezetenen.”»Een komeet voorspelt toch oorlog, hitte, pest en hongersnood,” zeide Pulcheria uit volle overtuiging.»Dat heb ik ook altijd geloofd,” voegde Paula erbij.»Geheel ten onrechte,” antwoordde de arts. »Ontelbare bewijzen zijn hiertegen aan te voeren, en het is ergerlijk dat men de menigte in dit bijgeloof versterkt, het jaagt hun angst en schrik aan; en wilt gij wel gelooven dat uit zulk eene verontrusting der gemoederen, vooral in dezen tijd van lagen waterstand, wanneer er toch reeds meer zieken zijn dan anders, de eene krankheid na de andere geboren wordt? Wij zullen de handen vol krijgen, waarde Rufinus!”»Ik ben tot uw dienst,” antwoordde de oude, »doch ik had liever dat die knaap daar met zijn staart, als hij toch kwaad moest stichten, de lieden armen en beenen brak, dan dat hij hunne hersenen verdraaide.”»Welk een wensch!” zeide Paula. »Menigmaal zegt gij dingen en zie ik andere in uwe omgeving gebeuren, waarvan ik het rechte begrip niet heb. Gij hebt mij reeds gisteren beloofd...”»U te verklaren waarom ik zoovele creaturen Gods, die met verdraaide en gebroken ledenmaten de last des levens dragen, rondom mij verzamel.”»Juist!” antwoordde Paula. »Er is wel geen grooter bewijs van barmhartigheid te geven, dan dat men zulke ongelukkigen het leven dragelijk maakt.”»Maar daarom, denkt gij,” zoo viel de bewegelijke grijsaard haar in de rede, »uit zulk eene edele oorzaak alleen zal de oude zonderling zijn stokpaardje wel niet berijden, en daaraan hebt gij gelijk. Van kindsbeen heb ik bijzonder veel opgehad met het beenderstelsel van menschen en dieren, en evenals een verzamelaar van herten- en gazellengeweien, wanneer hij allerlei soorten van horens bezit, er zich met bijzonderen ijver op toelegt om vreemde en ziekelijk vergroeide horens te verzamelen, zoo stel ik er eene eer in, allerlei vergroeiingen en verminkingen van dierlijke en menschelijke beenderen te leeren kennen.”»En ze weer recht te maken,” voegde de arts erbij.»Van zijne jeugd af heeft hij zich aan dezen hartstocht overgegeven.”»En ze is toegenomen sedert ikzelf eens mijn been gebroken en ondervonden heb, wat men daarbij gevoelt,” zeide de oude man, dit toestemmende. »Met behulp van mijn studiegenoot die daar staat ben ik van een dilettant een wezenlijk wondarts geworden, en nog wel een die Aesculapius dient voor eigene rekening. Overigens heb ik nog bijbedoelingen, die er mij toe brachten zulk eene vreemde omgeving te kiezen. Een mismaakte slaaf bijvoorbeeld is goedkoop, en dan zijn er zekere waarnemingen, die mij een onschatbaar genoegen verschaffen. Doch dat is niet voor u, meisje!”»O, zeker!” zeide Paula. »Evengoed als ik Philippus verstaals hij mij iets op het gebied der natuurwetenschap uiteenzet...”»Halt,” hernam Rufinus lachend, »onze vriend zal zich wel wachten u dat te verklaren! Hij acht het eene dwaasheid, en geeft alleen dit eene toe, dat een heelmeester en waarnemer als ik ben zich geen beter, gewilliger en onderhoudender huisgenooten kan denken dan mijne kreupelen.”»Zij zijn u zeker dankbaar,” merkte Paula op.»Dankbaar?” vroeg de oude heer. »Dat komt wel eens voor, maar erkentelijkheid is geen rente waarop een verstandig man rekent. Gij weet nu genoeg, reeds om der wille vanPhilippuswillen wij de rest laten rusten.”»Neen, neen,” bad Paula, en toen zij den grijsaard de handen toestak, zeide hij vroolijk: »Wie zou u iets kunnen weigeren! Ik zal het kort maken, doch gij moet mij opmerkzaam volgen. Nu dan: de mensch is de maatstaf aller dingen! Hebt gij dit begrepen?”»Wel zeker! Gij zegt het telkens. De voorwerpen, bedoelt gij, zijn zooals zij ons toeschijnen.”»Ons, zegt gij, omdat wij, gij, ik en wij allen hier gezond zijn naar lichaam en geest. Die voorwerpen, Gods eigen werk, moeten wij zooals ze zijn onvoorwaardelijk als gezond en normaal beschouwen. Wij moeten dus in de eerste plaats verlangen dat de mensch, die een maatstaf van al het geschapene zal zijn, zelf normaal en gezond is. Of kan een kastenmaker met eene kromme of scheeve liniaal rechte planken pasklaar maken?”»Zeker niet!”»Dan zult gij ook begrijpen, hoe bij mij de vraag kon opkomen: Meet de zieke, mismaakte, wanstaltige mensch de dingen ook met een anderen maatstaf dan wij gezonde menschen? Zou het niet een dankbaar onderwerp zijn om na te sporen welk een onderscheid er bestaat tusschen zijne meetingen en de onze?”»En hebben die onderzoekingen bij uwe kreupelen tot een resultaat geleid?”»Tot vele en groote,” verzekerde de oude; doch de arts belette hem verder te gaan door luide »Oho!” te roepen, en te verzekeren dat zijn vriend veel te snel gereed was om uit enkele verschijnselen wetten af te leiden.Velen zijner waarnemingen hadden ongetwijfeld zeker belang....Hier viel Rufinus hem weer in de rede en het gesprek zou in een strijd ontaard zijn, als Paula zich niet in den redetwist had gemengd en haren opgewonden gastheer had verzocht om ten minste een zijner resultaten mede te deelen.»Ik heb bevonden,” antwoordde deze, zeker van zijn zaak, terwijl hij zijn langen zwaren baard met zekere deftigheid uitstreek,»dat zij niet alleen verstandig zijn, daar zij reeds vroeg de rede scherpen, om door geestelijke gaven te vergoeden wat zij aan lichamelijke missen. Zij zijn in den regel geestig, gelijk de fabeldichter Aesopus en de Egyptische God Besa, die, zooals Horus, de oude vriend van Philippus, aan wien wij al onze Egyptische wijsheid te danken hebben, ons mededeelde onder de heidenen de god was van de grappen, den scherts, de kwinkslagen en bovendien van het vrouwentoilet. Dit getuigt van de fijne opmerkingsgaven der ouden, want de gebochelde, wiens lichaam krom gegroeid is, meet de dingen ook met een krommen maatstaf. Met behulp van zijn verstand leert hij meestal evenzoo meten als de meeste menschen, waaronder hij leeft, dat wil zeggen recht; doch op zekere tijden, wanneer hij aan zijne natuurlijke neiging toegeeft, maakt hij het rechte krom en het kromme recht, en zoo ontstaat de scherts, die toch in niets anders bestaat dan in eene scheeve opvatting en voorstelling der dingen. Knoop maar eens een onderhoud aan met mijn gebochelden tuinman Gibbus, of let eens op hem. Wanneer hij zich ’s avonds bij onze lieden neerzet lachen ze al, zoodra hij den mond maar opent. Zijne natuur dwingt hem enkel in paradoxen te spreken. Weet gij wat dat is?”»Zeker!” antwoordde Paula.»En gij, Pul?”»Neen, vader.”»Gij zijt ook te recht van lijf en leden, ook wat uwe eenvoudige ziel betreft, om voor zoo iets een zin te hebben. Luister dan! Een paradox zou bijvoorbeeld zijn, als ik den bisschop bij de processie van heden wilde toeroepen: ‘Gij zijt goddeloos uit louter vroomheid,’ of wanneer ik mij bij de dochter van Thomas, met het oog op de vleierijen, welke zij zoo straks van uwe moeder en uit mijn mond vernam, verontschuldigde met te zeggen: ‘onze wierook was bitter van louter zoetigheid.’ Deze paradoxen zijn, als men ze op den keper bekijkt, waarheden in verbogen vorm, en daarom gaan ze den gebochelden het best af. Vat ge?”»Ja zeker,” antwoordde Paula.»En gij, Pul?”»Ik weet het niet recht, het zou mij beter bevallen als men eenvoudig zeide: Wij hadden haar niet zooveel vleiende dingen moeten zeggen, want dat kan een meisje hinderen.”»Bravo, mijn recht kind!” zeide de oude lachend. »Doch daar staat de tuinman. Heidaar, mijn wakkere Gibbus! Stelt je eens voor dat ge iemand zulke grove vleierijen hadt gezegd, dat hij in plaats van zich te verblijden zich hierover ergerde, hoe zoudt ge u uitdrukken, wanneer ge mij dat wildet mededeelen?”De hovenier, een klein, dik man met een verbazenden hoogen rug doch met een verstandig en goed gevormd gelaat, bedacht zich een oogenblik en antwoordde toen: »Daar heb ik ezel hem rozen willen laten ruiken en hem distels onder den neus geduwd.”»Voortreffelijk!” riep Paula, en toen Gibbus schaterlachend wegliep, zeide de arts: »Men zou dien man om zijn bochel kunnen benijden, maar—niet waar jonkvrouw Paula?—wij kennen ook lieden die recht opgegroeid zijn en toch als het er op aankomt allerlei verdraaide voorstellingen tot hunne beschikking hebben.”Gelukkig ontsloeg Rufinus Paula van het antwoord, door haar op zijn geschrift over de verkrommingen der ziel en des lichaams te wijzen, en daarna met warmte voort te gaan: »Ik roep u allen tot getuigen of die lamme Baste—een harer beenen is veel korter dan het andere, en wij hebben het met moeite zoover gebracht dat het haar draagt—haar meten der dingen niet beperkt tot het laagste, tot de oppervlakte der aarde? Zij moet altijd naar den grond kijken, wil zij niet struikelen. En wat is daarvan het gevolg? zij kan u nooit zeggen wat aan een boom hangt en zoowat drie weken geleden heb ik haar bij helderen hemel en afnemende maan, en nadat zij avond aan avond tot laat met de andere lieden in de open lucht had gezeten—het was omstreeks den middag—gevraagd, of de maan gisteren aan den hemel had gestaan, en zij is mij het antwoord schuldig gebleven. Ja, ik heb opgemerkt dat zij redelijk groote mannen, die zij drie- en viermalen gezien heeft, moeielijk weder herkent. Evenals haar been zoo is ook haar maatstaf der dingen te kort uitgevallen; heb ik gelijk of niet?”»In dit geval hebt gij gelijk,” antwoordde de arts; »toch ken ik gebrekkigen...”Wederom ontstond er strijd tusschen de vrienden, doch Pulcheria maakte er ditmaal een einde aan door met groote warmte uit te roepen: »Die Baste is het beste en goedhartigste schepsel in het geheele huis!”»Omdat zij ook in haar binnenste ziet,” antwoordde Rufinus. »Zij kent zichzelve, en daar zij weet hoe pijnlijk de smart is, behandelt zij anderen met verschooning. Weet gij nog, Philippus, hoe wij na de ontleedkundige voordracht, die wij in Caesarea te zamen gehoord hadden, redetwistten...”»Heel goed,” viel de arts in, »en het leven heeft sedert mijne inzichten van toen slechts bevestigd. Er is geen nadeeliger en logenachtiger spreuk dan die Latijnsche: ‘Mens sana in corpore sano’, wanneer men haar altijd als gewoonlijk overzet: ‘Alleen in een gezond lichaam kan eene gezonde ziel wonen’.Als wensch laat ik dit woord gelden; ja menigmaal kwam ik in verzoeking om ook deze nog bedenkelijk te vinden. Want juist in kranke lichamen heb ik vaak eene sterkte van ziel gevonden, eene hoopvolle en ook voor het geringste dankbare stemming, eene fijnheid van gevoel, eene verstandige zelfbetrachting en eene onvoorwaardelijke overgave aan het hoogere, als ik bij gezonden niet heb weergevonden. Het lichaam is wel de woning der ziel, en evenals er in hutten en paleizen goeden en kwaden, wijzen en dommen worden gevonden, en men in stulpen dikwijls meer goedhartigheid aantreft als in de prachtige huizen der grooten, zoo vindt men edele zielen in leelijke en schoone, gezonde in kranke lichamen, en in de laatsten misschien menigvuldiger dan in de eersten. Maar met zulke onjuiste spreuken, die de een den ander nazegt, moet men behoedzaam omgaan, want zij kunnen hen kwetsen, die bovendien het in dit leven al zwaar genoeg te verantwoorden hebben. Naar mijne opvatting denkt een gebochelde even recht als een athleet; of meent gij dat, al brengt eene moeder in een hol zoo gedraaid als een slakkenhuisje kinderen groot, zij daarom niet rechtop naar den hemel kunnen groeien, zooals toch met den mensch plaats heeft?”»Deze vergelijking gaat mank!” zeide de oude heer met geestdrift, »en moet recht gebogen worden. Willen wij niet in openbare tegenspraak met elkander komen...”»Gij zult vrede houden!” riep opeens vrouw Johanna haar man toe, en voor deze nog een woord kon zeggen, vroeg Paula rondweg en op den man af: »Hoe oud zijt gij, waardige gastheer?”»De tweede dag van mijn zeventigste jaar werd daardoor gewijd, dat gij toen ons huis juist voor de eerste maal hebt betreden,”antwoorddeRufinus, deftig buigende.Doch zijne vrouw stak dreigende den vinger tegen hem op en zeide: »hebt gij ook misschien een geheime bochel, manlief? Zoo’n fraai gedraaid antwoord...”»Hij ziet zijne kreupelen de kunst af,” schertste Paula. »Maar nu komt gij aan de beurt, vriend Philippus. Uwe redeneering was die van een bedaagden wijze, en heeft mij—om der wille van Rufinus zeg ik niet ‘overtuigd’, maar ‘meegesleept’. Ik ben u eerbied schuldig, en toch zou ik willen weten hoeveel jaren gij....”»Ik zal weldra mijn een-en-dertigste intreden,” zeide de arts, nog voor zij haar vraag voleindigd had.»Dat is een eerlijk antwoord,” zeide vrouw Johanna, lachende. »Op uw leeftijd klemt men zich gaarne aan het twintigste jaar vast.”»Waarom?” vroeg Pulcheria.»Ach, daarom,” antwoordde de moeder. »Er zijn meisjes die een dertiger voor ouder aanzien dan hem lief is.”»Domme schepsels,” hernam Pul. »Zij zullen bezwaarlijk een jonkman vinden, die beminnelijker is dan onze vader, en wanneer Philippus, ja gij Philippus, tien of twintig jaren ouder waart dan negen-en-twintig, meent gij dat dit u minder verstandig en goed kon maken?”»En minder leelijk in geen geval,” voegde de arts erbij.Daarop zeide Pulcheria knorrig, als hadden die woorden haar gekrenkt: »Gij zijt in het geheel niet leelijk! Wie u daarvoor uitgeeft, heeft in het geheel geene oogen! Gij zeidet het ook alleen om te hooren, dat gij een deftig man zijt.”Terwijl het gevoelige meisje aldus den vriend tegen zichzelve verdedigde, streek Paula haar over de gouden haren en zeide tot den arts: »Pulcheria’s vader heeft gelijk. Zij weet de menschen met den waren maatstaf te meten. Vergeet dit niet, Philippus! Verder... Houd mij de vraag ten goede, maar moet het niet mijne verwondering wekken, dat een een-en-dertiger en een zeventiger te gelijkertijd de hoogeschool hebben bezocht?—Het duurt nog lang eer de maan, die zoo helder en blank daar voorttrekt, verduisterd wordt. Ook gij Rufinus zijt zulk een wereldreiziger geweest, en wanneer gij mij een groot genoegen wilt doen, dan vertelt gij ons iets uit uw leven, en hoe gij hier te Memphis gekomen zijt.”»Zijn levensloop?” zeide vrouw Johanna. »Wanneer hij ons die vertellen wil van het begin tot het einde met alle bijzonderheden, dan verloopt de geheele nacht en wordt morgen ons ontbijt nog koud. Hij heeft een leven gehad als dat van den avontuurlijken Odusseus. Doch verhaal een en ander, man! Gij weet, wij luisteren met het grootste genot.”»Mij roept mijn plicht,” zeide de arts, en nadat hij van de anderen vriendelijk afscheid genomen en Paula meer afgemeten dan in de laatste dagen vaarwel gezegd had, begon Rufinus aldus:»Ik ben in Alexandrië geboren, in een tijd toen handel en nijverheid er nog bloeiden. Mijn vader was een wapensmid en in zijne werkplaats arbeidden wel tweehonderd slaven en vrijen. Hij had veel van het beste erts noodig en dat ontving hij gewoonlijk uit Brittannië over Massilia. Eens geleidde hijzelf het schip van zijn handelsvriend naar het verre eiland, en daar leerde hij mijne moeder kennen. Haar goudblond haar, dat onze Pul geërfd heeft, moet hem bekoord hebben, en daar de schoone vreemdeling—want mijn vader was een man zooals er weinigen meer zijn—haar goed beviel, werd zij omzijnentwil christin en volgde hem bereidwillig. Zij hebben er beiden nooit berouw over gehad, want ofschoon zij eene stille vrouw was, die het Grieksch tot aan hare laatste ure sprak als eene vreemde, zeide de oude man toch vaak, dat zij zijn beste raadgeefster was. Daarbij bezat zij zulk een gevoelig gemoed, dat zij geen schepsel kon zien lijden, en hoe ijverig zij ook aan den haard en aan den weefstoel dagelijks bezig en op haar plaats was, zoo kon zij toch geen hoen, geen gans, geen varken zien slachten. Haar hart—moet ik zeggen ‘helaas’ of ‘goddank’?—heb ik geërfd. Ik had nog twee oudere broeders, die mijn vader moesten helpen en later de zaak zouden voortzetten. Toen ik tien jaren oud was, moest ik een beroep kiezen. Mijne moeder had gaarne een geestelijke van mij gemaakt, en ik zou het met vreugde geworden zijn, maar mijn vader stemde hierin niet toe, en daar wij een oom hadden die rhetor was en met zijn ambt veel geld verdiende, leende mijn vader het oor aan zijn voorslag, om mij voor dit beroep op te leiden. Zoo ging ik dan van den eenen leermeester tot den anderen en kwam in de school goed vooruit.»Tot mijn twintigste jaar woonde ik altijd bij mijne ouders, en gedurende mijne veelvuldige vrije uren kon ik doen en laten wat mij het best aanstond, en dat waren, als het niet te voornaam klinkt, louter geneeskundige zaken. Als twaalfjarige knaap was ik het eerst begonnen mij daaraan te wijden, en wel door een toeval. Ik liep natuurlijk gaarne in de werkplaatsen rond, en daar was eene ekster, een potsierlijk beest, dat mijne medelijdende moeder opgevoed had. Het dier kon ‘jij domkop’, mijn naam en nog andere woorden roepen, en hield veel van lawaai; want waar de smeden en slotenmakers het drukst hamerden en vijlden, daar fladderde het ’t liefst heen en weer, en waar het zich neerzette bij een aambeeld, keek het onder al dat kloppen, knarsen en slijpen altijd vroolijk rond. Jarenlang was het dier zijne gezelligheid goed bekomen,maar op zekeren dag geraakte het in een schroefbank beklemd en zijn linkerpootje brak. Dat arme beestje!”De oude bukte even, om heimelijk zijne oogen af te vegen, en ging toen opnieuw voort: »De ekster viel op zijn rug en zag mij zoo medelijdend aan, dat ik den blaasbalgtrekker, die hem uit medelijden den genadeslag wilde geven, de tang uit de handen rukte, het beestje voorzichtig aangreep en mij voornam het te genezen. Toen heb ik de ekster op mijne kamer aan een kunstig bedacht toestelletje bevestigd, opdat zij zich stil zou houden en zich geen pijn zou doen; ik heb het pootje gezet, de gewonden einden in mijn mond verwarmd en bevochtigd, en kleine houtjes als spalkjes daarom bevestigd. En ziedaar,het pootje genas waarlijk, het beestje werd gezond, fladderde als vroeger in de werkplaats rond, en als ik mij vertoonde vloog het op mijn schouder en pikte met zijn spits snaveltje mij voorzichtig in het haar. Van dat oogenblik af zou ik gaarne de hoenders in den hof de pooten gebroken hebben om ze te genezen; doch ik kwam op een ander denkbeeld. Ik ging naar de barbiers en zeide hen, dat wie een vogel, een hond of eene kat met gebroken leden had, die mocht ze bij mij brengen, ik verklaarde mij bereid ze om niet te heelen, dat konden ze aan hunne klanten vertellen. Reeds den volgenden dag bracht men mij een patiënt, een zwarten jachthond met gele vlekken boven de oogen, dien eene afgedwaalde lans een poot verbrijzeld had; ik zie dat beest nog voor mij! Op dezen volgden andere gevederde en viervoetige kranken, en zoo was dan mijn heelmeesterswerk begonnen. Die lijdende vogels, die daar aan de boomen hangen, dank ik weder aan mijne bondgenooten, de barbiers. Met viervoeters houd ik mij thans slechts bij uitzondering bezig. De lamme kinderen, die gij als helpers in den tuin ziet, behooren aan arme ouders, voor wie de wondarts te duur is. Die vroolijke krullebol die u onlangs de roos bracht, mag over weinige dagen naar huis gaan. Maar wij moeten naar mijne jeugd terug!»De hoogere beweeggronden, die aan mijn leven deze richting gaven, hebben zich eerst later na mijn twintigste jaar en nadat ik de hoogeschool reeds achter mij had, bij mij doen gelden, ja door hunne kracht ben ik eerst aangegrepen, nadat mijn oom mij reeds menige gelegenheid had verschaft om mij in mijn vak te oefenen. Zonder ijdelheid mag ik zeggen, dat mijne voordrachten de lieden bevielen, en ofschoon ik een afkeer had van gezwollenheid en bloemrijk gezwets werd ik toch niet uitgefloten. Hoewel de ouders zich verblijdden als ik uit Nikou, Arsinoë of uit andere plaatsjes in de provincie met lauwerkransen en goudstukken terugkeerde, was ik in mijne eigene oogen altijd een bedrieger. Doch om mijn vader waagde ik het niet een ander beroep te kiezen, ofschoon het mij al meer en meer tegen de borst stuitte lieden hemelhoog te verheffen, die ik noch liefhad noch achtte, en tranen van ontroering te schreien, terwijl ik bereid geweest zou zijn hartelijk te lachen.»Vrije tijd had ik in overvloed, en daar het mij niet aan moed ontbrak en ik zeer gehecht was aan onze Grieksche geloofsbelijdenis, was ik er altijd bij als er verschillende geloofsgenooten met elkander in opstand kwamen en handgemeen werden. Gewoonlijk liep het af met builen en schrammen, doch soms werden ook de zwaarden getrokken. Eens waren duizenden tegen duizenden in strijd geraakt, en de prefect had detroepen—allemaal Grieken—laten uitrukken, om de rust met geweld te herstellen. Dit gaf eene slachting, waarbij wel duizend vielen. Ik kan u dit niet schilderen. Zulke dingen gebeurden niet zelden en vaak richtten de woede en hebzucht der menigte, waarachter maar al te dikwijls de overheid en de creaturen van den aartsbisschop stonden, zich tegen de joden. Wat ik dan aanschouwen moest is zoo akelig, zoo afgrijselijk, dat de tong weigert het te vertellen. Maar die arme joodsche moeder, wier man door ellendige rekels—nog wel onze geloofsgenooten—werd vermoord, die haar huis hadden leeggeplunderd en daarna door een zwaargewapende bij de haren over den grond werd gesleurd, terwijl een bloeddorstige kerel haar zuigeling voor hare oogen bij de voetjes nam en den schedel tegen den muur verpletterde, gelijk men een natten doek tegen een paal uitslaat—die schoone jonge vrouw en haar kind heb ik nooit vergeten, en niet zelden verschijnen ze mij bij nacht in den droom.»Dat alles heb ik beleefd, en met afgrijzen zag ik, een schepsel Gods, een redelijk wezen zijn medemensch verscheuren, vervolgen, diep ongelukkig maken. En waarom? Barmhartige Heiland, waarom? Alleen uit haat, alleen—zoo waar de mensch de maatstaf aller dingen is—voortgezweept door eene gruwzame begeerte om zijn naaste, die niet wilde zijn wat hij was, ja den naaste, die het waagde voor zichzelven iets te zijn, te schaden, te krenken en leed te doen. En deze woestelingen, deze legers die zich schaarden onder de banier der onbarmhartigheid, der vernielingswoede, van den bloeddorst, waren christenen, gedoopt in den naam van hem die gebood den vijand te vergeven, die de liefde had uitgebreid van huis en stad en stal over de menschheid, die de echtbreekster uit het stof ophief, die de kinderen in zijne armen nam en zich meer wilde verheugen over éen zondaar die zich bekeert dan over negen-en-negentig rechtvaardigen! Bloed wilden zij zien, bloed, en was dan niet de leer van hem, op de belijdenis waarvan zij zich verhieven, gesproten uit het bloed van den man, die zijn leven had opgeofferd voor alle menschen, gelijk de lotusbloem zich verheft uit het helder water van het marmeren bekken? En zij die in de eerste plaats zulk eene leer der barmhartigheid door woord en daad moesten verkondigen en verdedigen: de patriarch, de bisschop, de presbyter en de diaken, zij hitsten de volkswoede aan, in plaats van der menigte het beeld te toonen van den goeden herder, die het afgedwaalde schaap opheft en vriendelijk naar de kudde terugdraagt.»De eeuw waarin ik leefde scheen mij de jammerlijkste van alle eeuwen en zij is het ook, zoo waar de mensch de maatstafis aller dingen; want in dezen tijd is de liefde veranderd in haat, barmhartigheid in onverbiddelijke gevoelloosheid. Niet alleen de tronen der wereldlijke vorsten, ook die der geestelijke gezagvoerders dropen van het bloed van den naaste. Keizer en bisschop gaven het voorbeeld, het volk en de leek deden het hun na. Evenals de grooten, de mannen van het zwaard, zoo ook de kleinen, zoo ook de vreedzamen, die zochten naar geestelijke goederen. Wat ik als man op straat zag gebeuren, dat had ik als knaap en jongeling reeds op de lagere en hoogere scholen waargenomen. Elke leer had hare aanhangers, en wie het met Cnejus eens was, die haatte Cajus en deze sprak en schreef op zijn beurt met geen ander doel dan om Cnejus te benadeelen, te vernederen, te kwellen. Elk tracht met den meesten ijverdefouten van zijn evenmensch aan te toonen en hem aan den schandpaal te binden, vooral wanneer deze voor grooter werd gehouden dan hij, of dreigde hem boven het hoofd te wassen. Hoort de meisjes aan de bron en de vrouwen bij het spinnewiel! Alleen hij is zeker bijval te zullen vinden, die van andere mannen en vrouwen wat kwaads kan vertellen. Wie vraagt naar den lof van zijn naaste? Wie over het geluk van een ander hoort spreken wordt zijn benijder.»Haat, overal haat! Overal de wil, de wensch, de hartstocht om een ander te bedroeven en ten val te brengen, in plaats van hem op te heffen, voort te helpen, te genezen! Dat is de geest van mijn tijd en alles wat in mij is verhief zich daartegen met heiligen toorn, en ik zwoer anders te zullen zijn en te handelen, en geen ander doel te willen nastreven dan den ongelukkige bij te staan, den ellendige te helpen, tot mij te trekken allen die een voorwerp waren van onbillijke bespotting, bij mijn naaste recht te maken wat krom, heel wat gebroken is, balsem te gieten in wonden en ze te genezen, ja te genezen!»Gode zij dank, het is mij gelukt althans voor een deel die gelofte te houden, en al paarde ik later aan mijn ijverig streven ook zekere grillen en eene zonderlinge begeerte tot onderzoek, het groote levensdoel waarover ik u sprak heb ik eerst onafgebroken in het oog gehouden, nadat mijn vader gestorven was en mijn oom mij zijn aanzienlijk vermogen had nagelaten. Toen hing ik den rhetorsmantel aan den kapstok, doorreisde het westen en het oosten om het land te zoeken, waar liefde de menschen aan elkander verbindt, en haat als eene krankheid wordt beschouwd. Maar—zoo waarlijk de mensch de maatstaf is aller dingen—tot heden is alle moeite om dat land te vinden vruchteloos geweest. Inmiddels heb ik mijn huis zoo ingericht, dat het een burcht der liefde is geworden. Daar waait eene lucht waarin de haat niet kan tieren en in de kiem verstikt.»Maar ondanks dit alles ben ik geen heilige geworden, en hoeveel dwaasheden, hoeveel onrecht heb ik begaan; hoeveel geld en goed, dat ik misschien beter voor de mijnen had kunnen bewaren, is mij door de vingers gegleden, hoewel meerendeels bij het vervullen van plichten die ik voor de edelste hield. Wilt gij ’t wel gelooven, Paula? Vergeef den ouden man, als hij de dochter van Thomas zoo vaderlijk toespreekt. Nauwelijks vijf jaren na mijn huwelijk met deze mijne beste vrouw, spoedig nadat wij onzen eenigen kleinen zoon verloren hadden, heb ik haar en mijn dochtertje, deze Pul, verlaten, voor meer dan twee jaren verlaten, om zonder opgeroepen te zijn, geheel vrijwillig keizer Heraclius te volgen in den krijg tegen de Perzen, die mij niets in den weg gelegd hadden. Trouwens ik ging niet als krijgsknecht, maar als een leergierige wondarts. Eerlijk gezegd, schepte ik evenzeer behagen in het zien en behandelen van breuken, wonden en verminkingen bij menigte en in het groot, als in het betoonen van mijne mildheid. Met een gebroken doch redelijk samengelapt been keerde ik tot de mijnen terug, weinige jaren later echter kon ik het niet langer op dezelfde plaats uithouden. De trekvogel haalde vrouw en kind uit de rust van huis en tuin, en sleepte ze mee naar de hoogeschool. Deechtgenoot, de vader, de grijskop maakte een wonderlijk figuur onder die jonge metgezellen, die de lessen en verklaringen van den leeraar volgden. Maar zoo waar de mensch de maatstaf aller dingen is, in vlijt en ijver stond ik bij niemand hunner achter, hoewel menigeen mij in geest en gave verre overtrof, en onzePhilippusmuntte uit boven allen. Ziedaar de reden, edele Paula, waarom de grijsaard en de man in den bloei zijner jaren studiegenooten zijn, doch de oude buigt zich heden nog gaarne voor den jongeren kunstbroeder, die van denzelfden geest bezield is. Recht maken, troosten, heelen dat is ook het doel van zijn leven, en vaak lust het mij oudje, die het doel vanPhilippuszooveel eerder dan hij heb nagestreefd, mij zijn leerling te noemen.”Hier zweeg Rufinus en stond op, ook de Damasceensche verhief zich van haar zetel, drukte hem hartelijk de hand en zeide: »Ware ik een man, ik sloot mij bij u beiden aan. Doch het is ook aan eene vrouw geoorloofd, zooals Philippus mij leerde, in uw geest te werken. En thans verzoek ik u nog, en gij zult mij deze gunst niet weigeren, mij nooit anders dan Paula te noemen. Zoo gelukkig als ik thans ben bij u, had ik niet gedacht mij nog ooit weder te zullen gevoelen. Mijn hart wordt hier frisch en gezond. Vrouw Johanna, wees gij mij tot eene moeder! Ik heb een besten vader verloren, en tot ik hem wedervind zult gij Rufinus zijn plaats bekleeden.”»Gaarne, volgaarne!”riep de oude man, greep hare beide handen en ging daarna opgewekt voort: »Daarvoor verzoek ik u echter, dat gij onze Pul als eene jongere zuster aanneemt. Maak gij van het schuchtere, menschenschuwe schepseltje een jonkvrouw naar uw voorbeeld.—Maar kom, kinderen, spoedig den blik naar den hemel gericht, want daar begint, zooals de oude heidenen van dit land zeiden, als de maan verduisterde, Typhon reeds in de gedaante van een everzwijn het Horus-oog te verslinden. Ziet hoe de schaduw de blanke schijf bedekt! Als de vaderen dit zagen maakten zij geweld; zij schudden het sistrum met zijne metalen ringen, zij trommelden, bliezen, tierden en raasden, om den booze vrees aan te jagen en hem te verdrijven. Voor vierhonderd jaren zal dat hier voor het laatst gebeurd zijn, en heden—trekt de hoofddoeken wat vaster aan en volgt mij naar den stroom—heden maken christenen zich bespottelijk door hetzelfde te doen. In welk christelijk land ik ook geweest ben, overal heb ik hetzelfde schouwspel aangetroffen. Onze heilige godsdienst heeft het geloof der heidenen vernietigd,maar hun bijgeloof bleef leven en is door de voegen en naden in onze gebruiken binnengedrongen. Daar trekken ze heen met den bisschop aan het hoofd, en hoe luide overstemt het gejammer der vrouwen en het huilen der mannen het gezang der geestelijkheid. Hoort maar! Ook die liederen klinken zoo klaaglijk en zoo hartstochtelijk smeekend, als voerde de oude Typhon nog in zijn schild de maan te verslinden, en als stond de wereld het grootste onheil te wachten. Ja—zoo waar de mensch de maatstaf is aller dingen—die beangstigde schepsels daar beneden zijn geesteskrank, en hoe kan men hen vergeven, die het wagen christenen, ja christenen, met de overblijfselen van heidensche dwaasheid bang te maken en hun geestelijk oog te verblinden!”

EEN-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.Aan den avond van dezen dag zat Rufinus met de zijnen en zijn vriend Philippus in den tuin. Ook Paula was bij hen en liet van tijd tot tijd haar hand op de goudgele zijden haren rusten van Pulcheria, die zich aan hare voeten had neergezet met het hoofd tegen haar knie geleund. Het was volle maan en zoo helder in den tuin, dat allen elkander duidelijk konden zien, en het voorstel van Rufinus om hier de maansverduistering af te wachten, die één uur voor middernacht zou plaats hebben, vond onverdeelden bijval, omdat de lucht zoo aangenaam was.Het gesprek der mannen liep over het te verwachten verschijnsel aan den hemel. Zij hadden er over geklaagd, dat de kerk, nog altijd toegevende aan het bijgeloof der menigte, in zulke natuurverschijnselen kwade voorteekenen zag en God ook heden avond door een bedestond zou trachten te bewegen het onheil af te wenden. Rufinus noemde het eene lastering van den Allerhoogste, verschijnselen, die uit eeuwige wetten volgden en zich vooruit berekenen lieten, tegelijk uit te geven voor dreigende vingers van het goddelijk wezen, alsof de noodzakelijkheid van de bestraffing der menschen gelijken tred zou houden met den loop van zon en maan. Ditmaal zouden de bisschop en de geheele geestelijkheid van de plaats de processie voorafgaan en daardoor eene zoo eenvoudige gebeurtenis in de gemoederen der menigte opschroeven tot eene beteekenis, die zij niet hebben kon.»En wanneer de kleine komeet, die mijn oude pleegvader reeds in de vorige week ontdekt heeft, verder zoo toeneemt,” voegde de arts erbij, »en zijn staart zich over een gedeelte van den hemel uitbreidt, dan zal de angst haar toppunt bereiken, en zie ik nog gebeuren dat de lieden zich aanstellen als bezetenen.”»Een komeet voorspelt toch oorlog, hitte, pest en hongersnood,” zeide Pulcheria uit volle overtuiging.»Dat heb ik ook altijd geloofd,” voegde Paula erbij.»Geheel ten onrechte,” antwoordde de arts. »Ontelbare bewijzen zijn hiertegen aan te voeren, en het is ergerlijk dat men de menigte in dit bijgeloof versterkt, het jaagt hun angst en schrik aan; en wilt gij wel gelooven dat uit zulk eene verontrusting der gemoederen, vooral in dezen tijd van lagen waterstand, wanneer er toch reeds meer zieken zijn dan anders, de eene krankheid na de andere geboren wordt? Wij zullen de handen vol krijgen, waarde Rufinus!”»Ik ben tot uw dienst,” antwoordde de oude, »doch ik had liever dat die knaap daar met zijn staart, als hij toch kwaad moest stichten, de lieden armen en beenen brak, dan dat hij hunne hersenen verdraaide.”»Welk een wensch!” zeide Paula. »Menigmaal zegt gij dingen en zie ik andere in uwe omgeving gebeuren, waarvan ik het rechte begrip niet heb. Gij hebt mij reeds gisteren beloofd...”»U te verklaren waarom ik zoovele creaturen Gods, die met verdraaide en gebroken ledenmaten de last des levens dragen, rondom mij verzamel.”»Juist!” antwoordde Paula. »Er is wel geen grooter bewijs van barmhartigheid te geven, dan dat men zulke ongelukkigen het leven dragelijk maakt.”»Maar daarom, denkt gij,” zoo viel de bewegelijke grijsaard haar in de rede, »uit zulk eene edele oorzaak alleen zal de oude zonderling zijn stokpaardje wel niet berijden, en daaraan hebt gij gelijk. Van kindsbeen heb ik bijzonder veel opgehad met het beenderstelsel van menschen en dieren, en evenals een verzamelaar van herten- en gazellengeweien, wanneer hij allerlei soorten van horens bezit, er zich met bijzonderen ijver op toelegt om vreemde en ziekelijk vergroeide horens te verzamelen, zoo stel ik er eene eer in, allerlei vergroeiingen en verminkingen van dierlijke en menschelijke beenderen te leeren kennen.”»En ze weer recht te maken,” voegde de arts erbij.»Van zijne jeugd af heeft hij zich aan dezen hartstocht overgegeven.”»En ze is toegenomen sedert ikzelf eens mijn been gebroken en ondervonden heb, wat men daarbij gevoelt,” zeide de oude man, dit toestemmende. »Met behulp van mijn studiegenoot die daar staat ben ik van een dilettant een wezenlijk wondarts geworden, en nog wel een die Aesculapius dient voor eigene rekening. Overigens heb ik nog bijbedoelingen, die er mij toe brachten zulk eene vreemde omgeving te kiezen. Een mismaakte slaaf bijvoorbeeld is goedkoop, en dan zijn er zekere waarnemingen, die mij een onschatbaar genoegen verschaffen. Doch dat is niet voor u, meisje!”»O, zeker!” zeide Paula. »Evengoed als ik Philippus verstaals hij mij iets op het gebied der natuurwetenschap uiteenzet...”»Halt,” hernam Rufinus lachend, »onze vriend zal zich wel wachten u dat te verklaren! Hij acht het eene dwaasheid, en geeft alleen dit eene toe, dat een heelmeester en waarnemer als ik ben zich geen beter, gewilliger en onderhoudender huisgenooten kan denken dan mijne kreupelen.”»Zij zijn u zeker dankbaar,” merkte Paula op.»Dankbaar?” vroeg de oude heer. »Dat komt wel eens voor, maar erkentelijkheid is geen rente waarop een verstandig man rekent. Gij weet nu genoeg, reeds om der wille vanPhilippuswillen wij de rest laten rusten.”»Neen, neen,” bad Paula, en toen zij den grijsaard de handen toestak, zeide hij vroolijk: »Wie zou u iets kunnen weigeren! Ik zal het kort maken, doch gij moet mij opmerkzaam volgen. Nu dan: de mensch is de maatstaf aller dingen! Hebt gij dit begrepen?”»Wel zeker! Gij zegt het telkens. De voorwerpen, bedoelt gij, zijn zooals zij ons toeschijnen.”»Ons, zegt gij, omdat wij, gij, ik en wij allen hier gezond zijn naar lichaam en geest. Die voorwerpen, Gods eigen werk, moeten wij zooals ze zijn onvoorwaardelijk als gezond en normaal beschouwen. Wij moeten dus in de eerste plaats verlangen dat de mensch, die een maatstaf van al het geschapene zal zijn, zelf normaal en gezond is. Of kan een kastenmaker met eene kromme of scheeve liniaal rechte planken pasklaar maken?”»Zeker niet!”»Dan zult gij ook begrijpen, hoe bij mij de vraag kon opkomen: Meet de zieke, mismaakte, wanstaltige mensch de dingen ook met een anderen maatstaf dan wij gezonde menschen? Zou het niet een dankbaar onderwerp zijn om na te sporen welk een onderscheid er bestaat tusschen zijne meetingen en de onze?”»En hebben die onderzoekingen bij uwe kreupelen tot een resultaat geleid?”»Tot vele en groote,” verzekerde de oude; doch de arts belette hem verder te gaan door luide »Oho!” te roepen, en te verzekeren dat zijn vriend veel te snel gereed was om uit enkele verschijnselen wetten af te leiden.Velen zijner waarnemingen hadden ongetwijfeld zeker belang....Hier viel Rufinus hem weer in de rede en het gesprek zou in een strijd ontaard zijn, als Paula zich niet in den redetwist had gemengd en haren opgewonden gastheer had verzocht om ten minste een zijner resultaten mede te deelen.»Ik heb bevonden,” antwoordde deze, zeker van zijn zaak, terwijl hij zijn langen zwaren baard met zekere deftigheid uitstreek,»dat zij niet alleen verstandig zijn, daar zij reeds vroeg de rede scherpen, om door geestelijke gaven te vergoeden wat zij aan lichamelijke missen. Zij zijn in den regel geestig, gelijk de fabeldichter Aesopus en de Egyptische God Besa, die, zooals Horus, de oude vriend van Philippus, aan wien wij al onze Egyptische wijsheid te danken hebben, ons mededeelde onder de heidenen de god was van de grappen, den scherts, de kwinkslagen en bovendien van het vrouwentoilet. Dit getuigt van de fijne opmerkingsgaven der ouden, want de gebochelde, wiens lichaam krom gegroeid is, meet de dingen ook met een krommen maatstaf. Met behulp van zijn verstand leert hij meestal evenzoo meten als de meeste menschen, waaronder hij leeft, dat wil zeggen recht; doch op zekere tijden, wanneer hij aan zijne natuurlijke neiging toegeeft, maakt hij het rechte krom en het kromme recht, en zoo ontstaat de scherts, die toch in niets anders bestaat dan in eene scheeve opvatting en voorstelling der dingen. Knoop maar eens een onderhoud aan met mijn gebochelden tuinman Gibbus, of let eens op hem. Wanneer hij zich ’s avonds bij onze lieden neerzet lachen ze al, zoodra hij den mond maar opent. Zijne natuur dwingt hem enkel in paradoxen te spreken. Weet gij wat dat is?”»Zeker!” antwoordde Paula.»En gij, Pul?”»Neen, vader.”»Gij zijt ook te recht van lijf en leden, ook wat uwe eenvoudige ziel betreft, om voor zoo iets een zin te hebben. Luister dan! Een paradox zou bijvoorbeeld zijn, als ik den bisschop bij de processie van heden wilde toeroepen: ‘Gij zijt goddeloos uit louter vroomheid,’ of wanneer ik mij bij de dochter van Thomas, met het oog op de vleierijen, welke zij zoo straks van uwe moeder en uit mijn mond vernam, verontschuldigde met te zeggen: ‘onze wierook was bitter van louter zoetigheid.’ Deze paradoxen zijn, als men ze op den keper bekijkt, waarheden in verbogen vorm, en daarom gaan ze den gebochelden het best af. Vat ge?”»Ja zeker,” antwoordde Paula.»En gij, Pul?”»Ik weet het niet recht, het zou mij beter bevallen als men eenvoudig zeide: Wij hadden haar niet zooveel vleiende dingen moeten zeggen, want dat kan een meisje hinderen.”»Bravo, mijn recht kind!” zeide de oude lachend. »Doch daar staat de tuinman. Heidaar, mijn wakkere Gibbus! Stelt je eens voor dat ge iemand zulke grove vleierijen hadt gezegd, dat hij in plaats van zich te verblijden zich hierover ergerde, hoe zoudt ge u uitdrukken, wanneer ge mij dat wildet mededeelen?”De hovenier, een klein, dik man met een verbazenden hoogen rug doch met een verstandig en goed gevormd gelaat, bedacht zich een oogenblik en antwoordde toen: »Daar heb ik ezel hem rozen willen laten ruiken en hem distels onder den neus geduwd.”»Voortreffelijk!” riep Paula, en toen Gibbus schaterlachend wegliep, zeide de arts: »Men zou dien man om zijn bochel kunnen benijden, maar—niet waar jonkvrouw Paula?—wij kennen ook lieden die recht opgegroeid zijn en toch als het er op aankomt allerlei verdraaide voorstellingen tot hunne beschikking hebben.”Gelukkig ontsloeg Rufinus Paula van het antwoord, door haar op zijn geschrift over de verkrommingen der ziel en des lichaams te wijzen, en daarna met warmte voort te gaan: »Ik roep u allen tot getuigen of die lamme Baste—een harer beenen is veel korter dan het andere, en wij hebben het met moeite zoover gebracht dat het haar draagt—haar meten der dingen niet beperkt tot het laagste, tot de oppervlakte der aarde? Zij moet altijd naar den grond kijken, wil zij niet struikelen. En wat is daarvan het gevolg? zij kan u nooit zeggen wat aan een boom hangt en zoowat drie weken geleden heb ik haar bij helderen hemel en afnemende maan, en nadat zij avond aan avond tot laat met de andere lieden in de open lucht had gezeten—het was omstreeks den middag—gevraagd, of de maan gisteren aan den hemel had gestaan, en zij is mij het antwoord schuldig gebleven. Ja, ik heb opgemerkt dat zij redelijk groote mannen, die zij drie- en viermalen gezien heeft, moeielijk weder herkent. Evenals haar been zoo is ook haar maatstaf der dingen te kort uitgevallen; heb ik gelijk of niet?”»In dit geval hebt gij gelijk,” antwoordde de arts; »toch ken ik gebrekkigen...”Wederom ontstond er strijd tusschen de vrienden, doch Pulcheria maakte er ditmaal een einde aan door met groote warmte uit te roepen: »Die Baste is het beste en goedhartigste schepsel in het geheele huis!”»Omdat zij ook in haar binnenste ziet,” antwoordde Rufinus. »Zij kent zichzelve, en daar zij weet hoe pijnlijk de smart is, behandelt zij anderen met verschooning. Weet gij nog, Philippus, hoe wij na de ontleedkundige voordracht, die wij in Caesarea te zamen gehoord hadden, redetwistten...”»Heel goed,” viel de arts in, »en het leven heeft sedert mijne inzichten van toen slechts bevestigd. Er is geen nadeeliger en logenachtiger spreuk dan die Latijnsche: ‘Mens sana in corpore sano’, wanneer men haar altijd als gewoonlijk overzet: ‘Alleen in een gezond lichaam kan eene gezonde ziel wonen’.Als wensch laat ik dit woord gelden; ja menigmaal kwam ik in verzoeking om ook deze nog bedenkelijk te vinden. Want juist in kranke lichamen heb ik vaak eene sterkte van ziel gevonden, eene hoopvolle en ook voor het geringste dankbare stemming, eene fijnheid van gevoel, eene verstandige zelfbetrachting en eene onvoorwaardelijke overgave aan het hoogere, als ik bij gezonden niet heb weergevonden. Het lichaam is wel de woning der ziel, en evenals er in hutten en paleizen goeden en kwaden, wijzen en dommen worden gevonden, en men in stulpen dikwijls meer goedhartigheid aantreft als in de prachtige huizen der grooten, zoo vindt men edele zielen in leelijke en schoone, gezonde in kranke lichamen, en in de laatsten misschien menigvuldiger dan in de eersten. Maar met zulke onjuiste spreuken, die de een den ander nazegt, moet men behoedzaam omgaan, want zij kunnen hen kwetsen, die bovendien het in dit leven al zwaar genoeg te verantwoorden hebben. Naar mijne opvatting denkt een gebochelde even recht als een athleet; of meent gij dat, al brengt eene moeder in een hol zoo gedraaid als een slakkenhuisje kinderen groot, zij daarom niet rechtop naar den hemel kunnen groeien, zooals toch met den mensch plaats heeft?”»Deze vergelijking gaat mank!” zeide de oude heer met geestdrift, »en moet recht gebogen worden. Willen wij niet in openbare tegenspraak met elkander komen...”»Gij zult vrede houden!” riep opeens vrouw Johanna haar man toe, en voor deze nog een woord kon zeggen, vroeg Paula rondweg en op den man af: »Hoe oud zijt gij, waardige gastheer?”»De tweede dag van mijn zeventigste jaar werd daardoor gewijd, dat gij toen ons huis juist voor de eerste maal hebt betreden,”antwoorddeRufinus, deftig buigende.Doch zijne vrouw stak dreigende den vinger tegen hem op en zeide: »hebt gij ook misschien een geheime bochel, manlief? Zoo’n fraai gedraaid antwoord...”»Hij ziet zijne kreupelen de kunst af,” schertste Paula. »Maar nu komt gij aan de beurt, vriend Philippus. Uwe redeneering was die van een bedaagden wijze, en heeft mij—om der wille van Rufinus zeg ik niet ‘overtuigd’, maar ‘meegesleept’. Ik ben u eerbied schuldig, en toch zou ik willen weten hoeveel jaren gij....”»Ik zal weldra mijn een-en-dertigste intreden,” zeide de arts, nog voor zij haar vraag voleindigd had.»Dat is een eerlijk antwoord,” zeide vrouw Johanna, lachende. »Op uw leeftijd klemt men zich gaarne aan het twintigste jaar vast.”»Waarom?” vroeg Pulcheria.»Ach, daarom,” antwoordde de moeder. »Er zijn meisjes die een dertiger voor ouder aanzien dan hem lief is.”»Domme schepsels,” hernam Pul. »Zij zullen bezwaarlijk een jonkman vinden, die beminnelijker is dan onze vader, en wanneer Philippus, ja gij Philippus, tien of twintig jaren ouder waart dan negen-en-twintig, meent gij dat dit u minder verstandig en goed kon maken?”»En minder leelijk in geen geval,” voegde de arts erbij.Daarop zeide Pulcheria knorrig, als hadden die woorden haar gekrenkt: »Gij zijt in het geheel niet leelijk! Wie u daarvoor uitgeeft, heeft in het geheel geene oogen! Gij zeidet het ook alleen om te hooren, dat gij een deftig man zijt.”Terwijl het gevoelige meisje aldus den vriend tegen zichzelve verdedigde, streek Paula haar over de gouden haren en zeide tot den arts: »Pulcheria’s vader heeft gelijk. Zij weet de menschen met den waren maatstaf te meten. Vergeet dit niet, Philippus! Verder... Houd mij de vraag ten goede, maar moet het niet mijne verwondering wekken, dat een een-en-dertiger en een zeventiger te gelijkertijd de hoogeschool hebben bezocht?—Het duurt nog lang eer de maan, die zoo helder en blank daar voorttrekt, verduisterd wordt. Ook gij Rufinus zijt zulk een wereldreiziger geweest, en wanneer gij mij een groot genoegen wilt doen, dan vertelt gij ons iets uit uw leven, en hoe gij hier te Memphis gekomen zijt.”»Zijn levensloop?” zeide vrouw Johanna. »Wanneer hij ons die vertellen wil van het begin tot het einde met alle bijzonderheden, dan verloopt de geheele nacht en wordt morgen ons ontbijt nog koud. Hij heeft een leven gehad als dat van den avontuurlijken Odusseus. Doch verhaal een en ander, man! Gij weet, wij luisteren met het grootste genot.”»Mij roept mijn plicht,” zeide de arts, en nadat hij van de anderen vriendelijk afscheid genomen en Paula meer afgemeten dan in de laatste dagen vaarwel gezegd had, begon Rufinus aldus:»Ik ben in Alexandrië geboren, in een tijd toen handel en nijverheid er nog bloeiden. Mijn vader was een wapensmid en in zijne werkplaats arbeidden wel tweehonderd slaven en vrijen. Hij had veel van het beste erts noodig en dat ontving hij gewoonlijk uit Brittannië over Massilia. Eens geleidde hijzelf het schip van zijn handelsvriend naar het verre eiland, en daar leerde hij mijne moeder kennen. Haar goudblond haar, dat onze Pul geërfd heeft, moet hem bekoord hebben, en daar de schoone vreemdeling—want mijn vader was een man zooals er weinigen meer zijn—haar goed beviel, werd zij omzijnentwil christin en volgde hem bereidwillig. Zij hebben er beiden nooit berouw over gehad, want ofschoon zij eene stille vrouw was, die het Grieksch tot aan hare laatste ure sprak als eene vreemde, zeide de oude man toch vaak, dat zij zijn beste raadgeefster was. Daarbij bezat zij zulk een gevoelig gemoed, dat zij geen schepsel kon zien lijden, en hoe ijverig zij ook aan den haard en aan den weefstoel dagelijks bezig en op haar plaats was, zoo kon zij toch geen hoen, geen gans, geen varken zien slachten. Haar hart—moet ik zeggen ‘helaas’ of ‘goddank’?—heb ik geërfd. Ik had nog twee oudere broeders, die mijn vader moesten helpen en later de zaak zouden voortzetten. Toen ik tien jaren oud was, moest ik een beroep kiezen. Mijne moeder had gaarne een geestelijke van mij gemaakt, en ik zou het met vreugde geworden zijn, maar mijn vader stemde hierin niet toe, en daar wij een oom hadden die rhetor was en met zijn ambt veel geld verdiende, leende mijn vader het oor aan zijn voorslag, om mij voor dit beroep op te leiden. Zoo ging ik dan van den eenen leermeester tot den anderen en kwam in de school goed vooruit.»Tot mijn twintigste jaar woonde ik altijd bij mijne ouders, en gedurende mijne veelvuldige vrije uren kon ik doen en laten wat mij het best aanstond, en dat waren, als het niet te voornaam klinkt, louter geneeskundige zaken. Als twaalfjarige knaap was ik het eerst begonnen mij daaraan te wijden, en wel door een toeval. Ik liep natuurlijk gaarne in de werkplaatsen rond, en daar was eene ekster, een potsierlijk beest, dat mijne medelijdende moeder opgevoed had. Het dier kon ‘jij domkop’, mijn naam en nog andere woorden roepen, en hield veel van lawaai; want waar de smeden en slotenmakers het drukst hamerden en vijlden, daar fladderde het ’t liefst heen en weer, en waar het zich neerzette bij een aambeeld, keek het onder al dat kloppen, knarsen en slijpen altijd vroolijk rond. Jarenlang was het dier zijne gezelligheid goed bekomen,maar op zekeren dag geraakte het in een schroefbank beklemd en zijn linkerpootje brak. Dat arme beestje!”De oude bukte even, om heimelijk zijne oogen af te vegen, en ging toen opnieuw voort: »De ekster viel op zijn rug en zag mij zoo medelijdend aan, dat ik den blaasbalgtrekker, die hem uit medelijden den genadeslag wilde geven, de tang uit de handen rukte, het beestje voorzichtig aangreep en mij voornam het te genezen. Toen heb ik de ekster op mijne kamer aan een kunstig bedacht toestelletje bevestigd, opdat zij zich stil zou houden en zich geen pijn zou doen; ik heb het pootje gezet, de gewonden einden in mijn mond verwarmd en bevochtigd, en kleine houtjes als spalkjes daarom bevestigd. En ziedaar,het pootje genas waarlijk, het beestje werd gezond, fladderde als vroeger in de werkplaats rond, en als ik mij vertoonde vloog het op mijn schouder en pikte met zijn spits snaveltje mij voorzichtig in het haar. Van dat oogenblik af zou ik gaarne de hoenders in den hof de pooten gebroken hebben om ze te genezen; doch ik kwam op een ander denkbeeld. Ik ging naar de barbiers en zeide hen, dat wie een vogel, een hond of eene kat met gebroken leden had, die mocht ze bij mij brengen, ik verklaarde mij bereid ze om niet te heelen, dat konden ze aan hunne klanten vertellen. Reeds den volgenden dag bracht men mij een patiënt, een zwarten jachthond met gele vlekken boven de oogen, dien eene afgedwaalde lans een poot verbrijzeld had; ik zie dat beest nog voor mij! Op dezen volgden andere gevederde en viervoetige kranken, en zoo was dan mijn heelmeesterswerk begonnen. Die lijdende vogels, die daar aan de boomen hangen, dank ik weder aan mijne bondgenooten, de barbiers. Met viervoeters houd ik mij thans slechts bij uitzondering bezig. De lamme kinderen, die gij als helpers in den tuin ziet, behooren aan arme ouders, voor wie de wondarts te duur is. Die vroolijke krullebol die u onlangs de roos bracht, mag over weinige dagen naar huis gaan. Maar wij moeten naar mijne jeugd terug!»De hoogere beweeggronden, die aan mijn leven deze richting gaven, hebben zich eerst later na mijn twintigste jaar en nadat ik de hoogeschool reeds achter mij had, bij mij doen gelden, ja door hunne kracht ben ik eerst aangegrepen, nadat mijn oom mij reeds menige gelegenheid had verschaft om mij in mijn vak te oefenen. Zonder ijdelheid mag ik zeggen, dat mijne voordrachten de lieden bevielen, en ofschoon ik een afkeer had van gezwollenheid en bloemrijk gezwets werd ik toch niet uitgefloten. Hoewel de ouders zich verblijdden als ik uit Nikou, Arsinoë of uit andere plaatsjes in de provincie met lauwerkransen en goudstukken terugkeerde, was ik in mijne eigene oogen altijd een bedrieger. Doch om mijn vader waagde ik het niet een ander beroep te kiezen, ofschoon het mij al meer en meer tegen de borst stuitte lieden hemelhoog te verheffen, die ik noch liefhad noch achtte, en tranen van ontroering te schreien, terwijl ik bereid geweest zou zijn hartelijk te lachen.»Vrije tijd had ik in overvloed, en daar het mij niet aan moed ontbrak en ik zeer gehecht was aan onze Grieksche geloofsbelijdenis, was ik er altijd bij als er verschillende geloofsgenooten met elkander in opstand kwamen en handgemeen werden. Gewoonlijk liep het af met builen en schrammen, doch soms werden ook de zwaarden getrokken. Eens waren duizenden tegen duizenden in strijd geraakt, en de prefect had detroepen—allemaal Grieken—laten uitrukken, om de rust met geweld te herstellen. Dit gaf eene slachting, waarbij wel duizend vielen. Ik kan u dit niet schilderen. Zulke dingen gebeurden niet zelden en vaak richtten de woede en hebzucht der menigte, waarachter maar al te dikwijls de overheid en de creaturen van den aartsbisschop stonden, zich tegen de joden. Wat ik dan aanschouwen moest is zoo akelig, zoo afgrijselijk, dat de tong weigert het te vertellen. Maar die arme joodsche moeder, wier man door ellendige rekels—nog wel onze geloofsgenooten—werd vermoord, die haar huis hadden leeggeplunderd en daarna door een zwaargewapende bij de haren over den grond werd gesleurd, terwijl een bloeddorstige kerel haar zuigeling voor hare oogen bij de voetjes nam en den schedel tegen den muur verpletterde, gelijk men een natten doek tegen een paal uitslaat—die schoone jonge vrouw en haar kind heb ik nooit vergeten, en niet zelden verschijnen ze mij bij nacht in den droom.»Dat alles heb ik beleefd, en met afgrijzen zag ik, een schepsel Gods, een redelijk wezen zijn medemensch verscheuren, vervolgen, diep ongelukkig maken. En waarom? Barmhartige Heiland, waarom? Alleen uit haat, alleen—zoo waar de mensch de maatstaf aller dingen is—voortgezweept door eene gruwzame begeerte om zijn naaste, die niet wilde zijn wat hij was, ja den naaste, die het waagde voor zichzelven iets te zijn, te schaden, te krenken en leed te doen. En deze woestelingen, deze legers die zich schaarden onder de banier der onbarmhartigheid, der vernielingswoede, van den bloeddorst, waren christenen, gedoopt in den naam van hem die gebood den vijand te vergeven, die de liefde had uitgebreid van huis en stad en stal over de menschheid, die de echtbreekster uit het stof ophief, die de kinderen in zijne armen nam en zich meer wilde verheugen over éen zondaar die zich bekeert dan over negen-en-negentig rechtvaardigen! Bloed wilden zij zien, bloed, en was dan niet de leer van hem, op de belijdenis waarvan zij zich verhieven, gesproten uit het bloed van den man, die zijn leven had opgeofferd voor alle menschen, gelijk de lotusbloem zich verheft uit het helder water van het marmeren bekken? En zij die in de eerste plaats zulk eene leer der barmhartigheid door woord en daad moesten verkondigen en verdedigen: de patriarch, de bisschop, de presbyter en de diaken, zij hitsten de volkswoede aan, in plaats van der menigte het beeld te toonen van den goeden herder, die het afgedwaalde schaap opheft en vriendelijk naar de kudde terugdraagt.»De eeuw waarin ik leefde scheen mij de jammerlijkste van alle eeuwen en zij is het ook, zoo waar de mensch de maatstafis aller dingen; want in dezen tijd is de liefde veranderd in haat, barmhartigheid in onverbiddelijke gevoelloosheid. Niet alleen de tronen der wereldlijke vorsten, ook die der geestelijke gezagvoerders dropen van het bloed van den naaste. Keizer en bisschop gaven het voorbeeld, het volk en de leek deden het hun na. Evenals de grooten, de mannen van het zwaard, zoo ook de kleinen, zoo ook de vreedzamen, die zochten naar geestelijke goederen. Wat ik als man op straat zag gebeuren, dat had ik als knaap en jongeling reeds op de lagere en hoogere scholen waargenomen. Elke leer had hare aanhangers, en wie het met Cnejus eens was, die haatte Cajus en deze sprak en schreef op zijn beurt met geen ander doel dan om Cnejus te benadeelen, te vernederen, te kwellen. Elk tracht met den meesten ijverdefouten van zijn evenmensch aan te toonen en hem aan den schandpaal te binden, vooral wanneer deze voor grooter werd gehouden dan hij, of dreigde hem boven het hoofd te wassen. Hoort de meisjes aan de bron en de vrouwen bij het spinnewiel! Alleen hij is zeker bijval te zullen vinden, die van andere mannen en vrouwen wat kwaads kan vertellen. Wie vraagt naar den lof van zijn naaste? Wie over het geluk van een ander hoort spreken wordt zijn benijder.»Haat, overal haat! Overal de wil, de wensch, de hartstocht om een ander te bedroeven en ten val te brengen, in plaats van hem op te heffen, voort te helpen, te genezen! Dat is de geest van mijn tijd en alles wat in mij is verhief zich daartegen met heiligen toorn, en ik zwoer anders te zullen zijn en te handelen, en geen ander doel te willen nastreven dan den ongelukkige bij te staan, den ellendige te helpen, tot mij te trekken allen die een voorwerp waren van onbillijke bespotting, bij mijn naaste recht te maken wat krom, heel wat gebroken is, balsem te gieten in wonden en ze te genezen, ja te genezen!»Gode zij dank, het is mij gelukt althans voor een deel die gelofte te houden, en al paarde ik later aan mijn ijverig streven ook zekere grillen en eene zonderlinge begeerte tot onderzoek, het groote levensdoel waarover ik u sprak heb ik eerst onafgebroken in het oog gehouden, nadat mijn vader gestorven was en mijn oom mij zijn aanzienlijk vermogen had nagelaten. Toen hing ik den rhetorsmantel aan den kapstok, doorreisde het westen en het oosten om het land te zoeken, waar liefde de menschen aan elkander verbindt, en haat als eene krankheid wordt beschouwd. Maar—zoo waarlijk de mensch de maatstaf is aller dingen—tot heden is alle moeite om dat land te vinden vruchteloos geweest. Inmiddels heb ik mijn huis zoo ingericht, dat het een burcht der liefde is geworden. Daar waait eene lucht waarin de haat niet kan tieren en in de kiem verstikt.»Maar ondanks dit alles ben ik geen heilige geworden, en hoeveel dwaasheden, hoeveel onrecht heb ik begaan; hoeveel geld en goed, dat ik misschien beter voor de mijnen had kunnen bewaren, is mij door de vingers gegleden, hoewel meerendeels bij het vervullen van plichten die ik voor de edelste hield. Wilt gij ’t wel gelooven, Paula? Vergeef den ouden man, als hij de dochter van Thomas zoo vaderlijk toespreekt. Nauwelijks vijf jaren na mijn huwelijk met deze mijne beste vrouw, spoedig nadat wij onzen eenigen kleinen zoon verloren hadden, heb ik haar en mijn dochtertje, deze Pul, verlaten, voor meer dan twee jaren verlaten, om zonder opgeroepen te zijn, geheel vrijwillig keizer Heraclius te volgen in den krijg tegen de Perzen, die mij niets in den weg gelegd hadden. Trouwens ik ging niet als krijgsknecht, maar als een leergierige wondarts. Eerlijk gezegd, schepte ik evenzeer behagen in het zien en behandelen van breuken, wonden en verminkingen bij menigte en in het groot, als in het betoonen van mijne mildheid. Met een gebroken doch redelijk samengelapt been keerde ik tot de mijnen terug, weinige jaren later echter kon ik het niet langer op dezelfde plaats uithouden. De trekvogel haalde vrouw en kind uit de rust van huis en tuin, en sleepte ze mee naar de hoogeschool. Deechtgenoot, de vader, de grijskop maakte een wonderlijk figuur onder die jonge metgezellen, die de lessen en verklaringen van den leeraar volgden. Maar zoo waar de mensch de maatstaf aller dingen is, in vlijt en ijver stond ik bij niemand hunner achter, hoewel menigeen mij in geest en gave verre overtrof, en onzePhilippusmuntte uit boven allen. Ziedaar de reden, edele Paula, waarom de grijsaard en de man in den bloei zijner jaren studiegenooten zijn, doch de oude buigt zich heden nog gaarne voor den jongeren kunstbroeder, die van denzelfden geest bezield is. Recht maken, troosten, heelen dat is ook het doel van zijn leven, en vaak lust het mij oudje, die het doel vanPhilippuszooveel eerder dan hij heb nagestreefd, mij zijn leerling te noemen.”Hier zweeg Rufinus en stond op, ook de Damasceensche verhief zich van haar zetel, drukte hem hartelijk de hand en zeide: »Ware ik een man, ik sloot mij bij u beiden aan. Doch het is ook aan eene vrouw geoorloofd, zooals Philippus mij leerde, in uw geest te werken. En thans verzoek ik u nog, en gij zult mij deze gunst niet weigeren, mij nooit anders dan Paula te noemen. Zoo gelukkig als ik thans ben bij u, had ik niet gedacht mij nog ooit weder te zullen gevoelen. Mijn hart wordt hier frisch en gezond. Vrouw Johanna, wees gij mij tot eene moeder! Ik heb een besten vader verloren, en tot ik hem wedervind zult gij Rufinus zijn plaats bekleeden.”»Gaarne, volgaarne!”riep de oude man, greep hare beide handen en ging daarna opgewekt voort: »Daarvoor verzoek ik u echter, dat gij onze Pul als eene jongere zuster aanneemt. Maak gij van het schuchtere, menschenschuwe schepseltje een jonkvrouw naar uw voorbeeld.—Maar kom, kinderen, spoedig den blik naar den hemel gericht, want daar begint, zooals de oude heidenen van dit land zeiden, als de maan verduisterde, Typhon reeds in de gedaante van een everzwijn het Horus-oog te verslinden. Ziet hoe de schaduw de blanke schijf bedekt! Als de vaderen dit zagen maakten zij geweld; zij schudden het sistrum met zijne metalen ringen, zij trommelden, bliezen, tierden en raasden, om den booze vrees aan te jagen en hem te verdrijven. Voor vierhonderd jaren zal dat hier voor het laatst gebeurd zijn, en heden—trekt de hoofddoeken wat vaster aan en volgt mij naar den stroom—heden maken christenen zich bespottelijk door hetzelfde te doen. In welk christelijk land ik ook geweest ben, overal heb ik hetzelfde schouwspel aangetroffen. Onze heilige godsdienst heeft het geloof der heidenen vernietigd,maar hun bijgeloof bleef leven en is door de voegen en naden in onze gebruiken binnengedrongen. Daar trekken ze heen met den bisschop aan het hoofd, en hoe luide overstemt het gejammer der vrouwen en het huilen der mannen het gezang der geestelijkheid. Hoort maar! Ook die liederen klinken zoo klaaglijk en zoo hartstochtelijk smeekend, als voerde de oude Typhon nog in zijn schild de maan te verslinden, en als stond de wereld het grootste onheil te wachten. Ja—zoo waar de mensch de maatstaf is aller dingen—die beangstigde schepsels daar beneden zijn geesteskrank, en hoe kan men hen vergeven, die het wagen christenen, ja christenen, met de overblijfselen van heidensche dwaasheid bang te maken en hun geestelijk oog te verblinden!”

EEN-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

Aan den avond van dezen dag zat Rufinus met de zijnen en zijn vriend Philippus in den tuin. Ook Paula was bij hen en liet van tijd tot tijd haar hand op de goudgele zijden haren rusten van Pulcheria, die zich aan hare voeten had neergezet met het hoofd tegen haar knie geleund. Het was volle maan en zoo helder in den tuin, dat allen elkander duidelijk konden zien, en het voorstel van Rufinus om hier de maansverduistering af te wachten, die één uur voor middernacht zou plaats hebben, vond onverdeelden bijval, omdat de lucht zoo aangenaam was.Het gesprek der mannen liep over het te verwachten verschijnsel aan den hemel. Zij hadden er over geklaagd, dat de kerk, nog altijd toegevende aan het bijgeloof der menigte, in zulke natuurverschijnselen kwade voorteekenen zag en God ook heden avond door een bedestond zou trachten te bewegen het onheil af te wenden. Rufinus noemde het eene lastering van den Allerhoogste, verschijnselen, die uit eeuwige wetten volgden en zich vooruit berekenen lieten, tegelijk uit te geven voor dreigende vingers van het goddelijk wezen, alsof de noodzakelijkheid van de bestraffing der menschen gelijken tred zou houden met den loop van zon en maan. Ditmaal zouden de bisschop en de geheele geestelijkheid van de plaats de processie voorafgaan en daardoor eene zoo eenvoudige gebeurtenis in de gemoederen der menigte opschroeven tot eene beteekenis, die zij niet hebben kon.»En wanneer de kleine komeet, die mijn oude pleegvader reeds in de vorige week ontdekt heeft, verder zoo toeneemt,” voegde de arts erbij, »en zijn staart zich over een gedeelte van den hemel uitbreidt, dan zal de angst haar toppunt bereiken, en zie ik nog gebeuren dat de lieden zich aanstellen als bezetenen.”»Een komeet voorspelt toch oorlog, hitte, pest en hongersnood,” zeide Pulcheria uit volle overtuiging.»Dat heb ik ook altijd geloofd,” voegde Paula erbij.»Geheel ten onrechte,” antwoordde de arts. »Ontelbare bewijzen zijn hiertegen aan te voeren, en het is ergerlijk dat men de menigte in dit bijgeloof versterkt, het jaagt hun angst en schrik aan; en wilt gij wel gelooven dat uit zulk eene verontrusting der gemoederen, vooral in dezen tijd van lagen waterstand, wanneer er toch reeds meer zieken zijn dan anders, de eene krankheid na de andere geboren wordt? Wij zullen de handen vol krijgen, waarde Rufinus!”»Ik ben tot uw dienst,” antwoordde de oude, »doch ik had liever dat die knaap daar met zijn staart, als hij toch kwaad moest stichten, de lieden armen en beenen brak, dan dat hij hunne hersenen verdraaide.”»Welk een wensch!” zeide Paula. »Menigmaal zegt gij dingen en zie ik andere in uwe omgeving gebeuren, waarvan ik het rechte begrip niet heb. Gij hebt mij reeds gisteren beloofd...”»U te verklaren waarom ik zoovele creaturen Gods, die met verdraaide en gebroken ledenmaten de last des levens dragen, rondom mij verzamel.”»Juist!” antwoordde Paula. »Er is wel geen grooter bewijs van barmhartigheid te geven, dan dat men zulke ongelukkigen het leven dragelijk maakt.”»Maar daarom, denkt gij,” zoo viel de bewegelijke grijsaard haar in de rede, »uit zulk eene edele oorzaak alleen zal de oude zonderling zijn stokpaardje wel niet berijden, en daaraan hebt gij gelijk. Van kindsbeen heb ik bijzonder veel opgehad met het beenderstelsel van menschen en dieren, en evenals een verzamelaar van herten- en gazellengeweien, wanneer hij allerlei soorten van horens bezit, er zich met bijzonderen ijver op toelegt om vreemde en ziekelijk vergroeide horens te verzamelen, zoo stel ik er eene eer in, allerlei vergroeiingen en verminkingen van dierlijke en menschelijke beenderen te leeren kennen.”»En ze weer recht te maken,” voegde de arts erbij.»Van zijne jeugd af heeft hij zich aan dezen hartstocht overgegeven.”»En ze is toegenomen sedert ikzelf eens mijn been gebroken en ondervonden heb, wat men daarbij gevoelt,” zeide de oude man, dit toestemmende. »Met behulp van mijn studiegenoot die daar staat ben ik van een dilettant een wezenlijk wondarts geworden, en nog wel een die Aesculapius dient voor eigene rekening. Overigens heb ik nog bijbedoelingen, die er mij toe brachten zulk eene vreemde omgeving te kiezen. Een mismaakte slaaf bijvoorbeeld is goedkoop, en dan zijn er zekere waarnemingen, die mij een onschatbaar genoegen verschaffen. Doch dat is niet voor u, meisje!”»O, zeker!” zeide Paula. »Evengoed als ik Philippus verstaals hij mij iets op het gebied der natuurwetenschap uiteenzet...”»Halt,” hernam Rufinus lachend, »onze vriend zal zich wel wachten u dat te verklaren! Hij acht het eene dwaasheid, en geeft alleen dit eene toe, dat een heelmeester en waarnemer als ik ben zich geen beter, gewilliger en onderhoudender huisgenooten kan denken dan mijne kreupelen.”»Zij zijn u zeker dankbaar,” merkte Paula op.»Dankbaar?” vroeg de oude heer. »Dat komt wel eens voor, maar erkentelijkheid is geen rente waarop een verstandig man rekent. Gij weet nu genoeg, reeds om der wille vanPhilippuswillen wij de rest laten rusten.”»Neen, neen,” bad Paula, en toen zij den grijsaard de handen toestak, zeide hij vroolijk: »Wie zou u iets kunnen weigeren! Ik zal het kort maken, doch gij moet mij opmerkzaam volgen. Nu dan: de mensch is de maatstaf aller dingen! Hebt gij dit begrepen?”»Wel zeker! Gij zegt het telkens. De voorwerpen, bedoelt gij, zijn zooals zij ons toeschijnen.”»Ons, zegt gij, omdat wij, gij, ik en wij allen hier gezond zijn naar lichaam en geest. Die voorwerpen, Gods eigen werk, moeten wij zooals ze zijn onvoorwaardelijk als gezond en normaal beschouwen. Wij moeten dus in de eerste plaats verlangen dat de mensch, die een maatstaf van al het geschapene zal zijn, zelf normaal en gezond is. Of kan een kastenmaker met eene kromme of scheeve liniaal rechte planken pasklaar maken?”»Zeker niet!”»Dan zult gij ook begrijpen, hoe bij mij de vraag kon opkomen: Meet de zieke, mismaakte, wanstaltige mensch de dingen ook met een anderen maatstaf dan wij gezonde menschen? Zou het niet een dankbaar onderwerp zijn om na te sporen welk een onderscheid er bestaat tusschen zijne meetingen en de onze?”»En hebben die onderzoekingen bij uwe kreupelen tot een resultaat geleid?”»Tot vele en groote,” verzekerde de oude; doch de arts belette hem verder te gaan door luide »Oho!” te roepen, en te verzekeren dat zijn vriend veel te snel gereed was om uit enkele verschijnselen wetten af te leiden.Velen zijner waarnemingen hadden ongetwijfeld zeker belang....Hier viel Rufinus hem weer in de rede en het gesprek zou in een strijd ontaard zijn, als Paula zich niet in den redetwist had gemengd en haren opgewonden gastheer had verzocht om ten minste een zijner resultaten mede te deelen.»Ik heb bevonden,” antwoordde deze, zeker van zijn zaak, terwijl hij zijn langen zwaren baard met zekere deftigheid uitstreek,»dat zij niet alleen verstandig zijn, daar zij reeds vroeg de rede scherpen, om door geestelijke gaven te vergoeden wat zij aan lichamelijke missen. Zij zijn in den regel geestig, gelijk de fabeldichter Aesopus en de Egyptische God Besa, die, zooals Horus, de oude vriend van Philippus, aan wien wij al onze Egyptische wijsheid te danken hebben, ons mededeelde onder de heidenen de god was van de grappen, den scherts, de kwinkslagen en bovendien van het vrouwentoilet. Dit getuigt van de fijne opmerkingsgaven der ouden, want de gebochelde, wiens lichaam krom gegroeid is, meet de dingen ook met een krommen maatstaf. Met behulp van zijn verstand leert hij meestal evenzoo meten als de meeste menschen, waaronder hij leeft, dat wil zeggen recht; doch op zekere tijden, wanneer hij aan zijne natuurlijke neiging toegeeft, maakt hij het rechte krom en het kromme recht, en zoo ontstaat de scherts, die toch in niets anders bestaat dan in eene scheeve opvatting en voorstelling der dingen. Knoop maar eens een onderhoud aan met mijn gebochelden tuinman Gibbus, of let eens op hem. Wanneer hij zich ’s avonds bij onze lieden neerzet lachen ze al, zoodra hij den mond maar opent. Zijne natuur dwingt hem enkel in paradoxen te spreken. Weet gij wat dat is?”»Zeker!” antwoordde Paula.»En gij, Pul?”»Neen, vader.”»Gij zijt ook te recht van lijf en leden, ook wat uwe eenvoudige ziel betreft, om voor zoo iets een zin te hebben. Luister dan! Een paradox zou bijvoorbeeld zijn, als ik den bisschop bij de processie van heden wilde toeroepen: ‘Gij zijt goddeloos uit louter vroomheid,’ of wanneer ik mij bij de dochter van Thomas, met het oog op de vleierijen, welke zij zoo straks van uwe moeder en uit mijn mond vernam, verontschuldigde met te zeggen: ‘onze wierook was bitter van louter zoetigheid.’ Deze paradoxen zijn, als men ze op den keper bekijkt, waarheden in verbogen vorm, en daarom gaan ze den gebochelden het best af. Vat ge?”»Ja zeker,” antwoordde Paula.»En gij, Pul?”»Ik weet het niet recht, het zou mij beter bevallen als men eenvoudig zeide: Wij hadden haar niet zooveel vleiende dingen moeten zeggen, want dat kan een meisje hinderen.”»Bravo, mijn recht kind!” zeide de oude lachend. »Doch daar staat de tuinman. Heidaar, mijn wakkere Gibbus! Stelt je eens voor dat ge iemand zulke grove vleierijen hadt gezegd, dat hij in plaats van zich te verblijden zich hierover ergerde, hoe zoudt ge u uitdrukken, wanneer ge mij dat wildet mededeelen?”De hovenier, een klein, dik man met een verbazenden hoogen rug doch met een verstandig en goed gevormd gelaat, bedacht zich een oogenblik en antwoordde toen: »Daar heb ik ezel hem rozen willen laten ruiken en hem distels onder den neus geduwd.”»Voortreffelijk!” riep Paula, en toen Gibbus schaterlachend wegliep, zeide de arts: »Men zou dien man om zijn bochel kunnen benijden, maar—niet waar jonkvrouw Paula?—wij kennen ook lieden die recht opgegroeid zijn en toch als het er op aankomt allerlei verdraaide voorstellingen tot hunne beschikking hebben.”Gelukkig ontsloeg Rufinus Paula van het antwoord, door haar op zijn geschrift over de verkrommingen der ziel en des lichaams te wijzen, en daarna met warmte voort te gaan: »Ik roep u allen tot getuigen of die lamme Baste—een harer beenen is veel korter dan het andere, en wij hebben het met moeite zoover gebracht dat het haar draagt—haar meten der dingen niet beperkt tot het laagste, tot de oppervlakte der aarde? Zij moet altijd naar den grond kijken, wil zij niet struikelen. En wat is daarvan het gevolg? zij kan u nooit zeggen wat aan een boom hangt en zoowat drie weken geleden heb ik haar bij helderen hemel en afnemende maan, en nadat zij avond aan avond tot laat met de andere lieden in de open lucht had gezeten—het was omstreeks den middag—gevraagd, of de maan gisteren aan den hemel had gestaan, en zij is mij het antwoord schuldig gebleven. Ja, ik heb opgemerkt dat zij redelijk groote mannen, die zij drie- en viermalen gezien heeft, moeielijk weder herkent. Evenals haar been zoo is ook haar maatstaf der dingen te kort uitgevallen; heb ik gelijk of niet?”»In dit geval hebt gij gelijk,” antwoordde de arts; »toch ken ik gebrekkigen...”Wederom ontstond er strijd tusschen de vrienden, doch Pulcheria maakte er ditmaal een einde aan door met groote warmte uit te roepen: »Die Baste is het beste en goedhartigste schepsel in het geheele huis!”»Omdat zij ook in haar binnenste ziet,” antwoordde Rufinus. »Zij kent zichzelve, en daar zij weet hoe pijnlijk de smart is, behandelt zij anderen met verschooning. Weet gij nog, Philippus, hoe wij na de ontleedkundige voordracht, die wij in Caesarea te zamen gehoord hadden, redetwistten...”»Heel goed,” viel de arts in, »en het leven heeft sedert mijne inzichten van toen slechts bevestigd. Er is geen nadeeliger en logenachtiger spreuk dan die Latijnsche: ‘Mens sana in corpore sano’, wanneer men haar altijd als gewoonlijk overzet: ‘Alleen in een gezond lichaam kan eene gezonde ziel wonen’.Als wensch laat ik dit woord gelden; ja menigmaal kwam ik in verzoeking om ook deze nog bedenkelijk te vinden. Want juist in kranke lichamen heb ik vaak eene sterkte van ziel gevonden, eene hoopvolle en ook voor het geringste dankbare stemming, eene fijnheid van gevoel, eene verstandige zelfbetrachting en eene onvoorwaardelijke overgave aan het hoogere, als ik bij gezonden niet heb weergevonden. Het lichaam is wel de woning der ziel, en evenals er in hutten en paleizen goeden en kwaden, wijzen en dommen worden gevonden, en men in stulpen dikwijls meer goedhartigheid aantreft als in de prachtige huizen der grooten, zoo vindt men edele zielen in leelijke en schoone, gezonde in kranke lichamen, en in de laatsten misschien menigvuldiger dan in de eersten. Maar met zulke onjuiste spreuken, die de een den ander nazegt, moet men behoedzaam omgaan, want zij kunnen hen kwetsen, die bovendien het in dit leven al zwaar genoeg te verantwoorden hebben. Naar mijne opvatting denkt een gebochelde even recht als een athleet; of meent gij dat, al brengt eene moeder in een hol zoo gedraaid als een slakkenhuisje kinderen groot, zij daarom niet rechtop naar den hemel kunnen groeien, zooals toch met den mensch plaats heeft?”»Deze vergelijking gaat mank!” zeide de oude heer met geestdrift, »en moet recht gebogen worden. Willen wij niet in openbare tegenspraak met elkander komen...”»Gij zult vrede houden!” riep opeens vrouw Johanna haar man toe, en voor deze nog een woord kon zeggen, vroeg Paula rondweg en op den man af: »Hoe oud zijt gij, waardige gastheer?”»De tweede dag van mijn zeventigste jaar werd daardoor gewijd, dat gij toen ons huis juist voor de eerste maal hebt betreden,”antwoorddeRufinus, deftig buigende.Doch zijne vrouw stak dreigende den vinger tegen hem op en zeide: »hebt gij ook misschien een geheime bochel, manlief? Zoo’n fraai gedraaid antwoord...”»Hij ziet zijne kreupelen de kunst af,” schertste Paula. »Maar nu komt gij aan de beurt, vriend Philippus. Uwe redeneering was die van een bedaagden wijze, en heeft mij—om der wille van Rufinus zeg ik niet ‘overtuigd’, maar ‘meegesleept’. Ik ben u eerbied schuldig, en toch zou ik willen weten hoeveel jaren gij....”»Ik zal weldra mijn een-en-dertigste intreden,” zeide de arts, nog voor zij haar vraag voleindigd had.»Dat is een eerlijk antwoord,” zeide vrouw Johanna, lachende. »Op uw leeftijd klemt men zich gaarne aan het twintigste jaar vast.”»Waarom?” vroeg Pulcheria.»Ach, daarom,” antwoordde de moeder. »Er zijn meisjes die een dertiger voor ouder aanzien dan hem lief is.”»Domme schepsels,” hernam Pul. »Zij zullen bezwaarlijk een jonkman vinden, die beminnelijker is dan onze vader, en wanneer Philippus, ja gij Philippus, tien of twintig jaren ouder waart dan negen-en-twintig, meent gij dat dit u minder verstandig en goed kon maken?”»En minder leelijk in geen geval,” voegde de arts erbij.Daarop zeide Pulcheria knorrig, als hadden die woorden haar gekrenkt: »Gij zijt in het geheel niet leelijk! Wie u daarvoor uitgeeft, heeft in het geheel geene oogen! Gij zeidet het ook alleen om te hooren, dat gij een deftig man zijt.”Terwijl het gevoelige meisje aldus den vriend tegen zichzelve verdedigde, streek Paula haar over de gouden haren en zeide tot den arts: »Pulcheria’s vader heeft gelijk. Zij weet de menschen met den waren maatstaf te meten. Vergeet dit niet, Philippus! Verder... Houd mij de vraag ten goede, maar moet het niet mijne verwondering wekken, dat een een-en-dertiger en een zeventiger te gelijkertijd de hoogeschool hebben bezocht?—Het duurt nog lang eer de maan, die zoo helder en blank daar voorttrekt, verduisterd wordt. Ook gij Rufinus zijt zulk een wereldreiziger geweest, en wanneer gij mij een groot genoegen wilt doen, dan vertelt gij ons iets uit uw leven, en hoe gij hier te Memphis gekomen zijt.”»Zijn levensloop?” zeide vrouw Johanna. »Wanneer hij ons die vertellen wil van het begin tot het einde met alle bijzonderheden, dan verloopt de geheele nacht en wordt morgen ons ontbijt nog koud. Hij heeft een leven gehad als dat van den avontuurlijken Odusseus. Doch verhaal een en ander, man! Gij weet, wij luisteren met het grootste genot.”»Mij roept mijn plicht,” zeide de arts, en nadat hij van de anderen vriendelijk afscheid genomen en Paula meer afgemeten dan in de laatste dagen vaarwel gezegd had, begon Rufinus aldus:»Ik ben in Alexandrië geboren, in een tijd toen handel en nijverheid er nog bloeiden. Mijn vader was een wapensmid en in zijne werkplaats arbeidden wel tweehonderd slaven en vrijen. Hij had veel van het beste erts noodig en dat ontving hij gewoonlijk uit Brittannië over Massilia. Eens geleidde hijzelf het schip van zijn handelsvriend naar het verre eiland, en daar leerde hij mijne moeder kennen. Haar goudblond haar, dat onze Pul geërfd heeft, moet hem bekoord hebben, en daar de schoone vreemdeling—want mijn vader was een man zooals er weinigen meer zijn—haar goed beviel, werd zij omzijnentwil christin en volgde hem bereidwillig. Zij hebben er beiden nooit berouw over gehad, want ofschoon zij eene stille vrouw was, die het Grieksch tot aan hare laatste ure sprak als eene vreemde, zeide de oude man toch vaak, dat zij zijn beste raadgeefster was. Daarbij bezat zij zulk een gevoelig gemoed, dat zij geen schepsel kon zien lijden, en hoe ijverig zij ook aan den haard en aan den weefstoel dagelijks bezig en op haar plaats was, zoo kon zij toch geen hoen, geen gans, geen varken zien slachten. Haar hart—moet ik zeggen ‘helaas’ of ‘goddank’?—heb ik geërfd. Ik had nog twee oudere broeders, die mijn vader moesten helpen en later de zaak zouden voortzetten. Toen ik tien jaren oud was, moest ik een beroep kiezen. Mijne moeder had gaarne een geestelijke van mij gemaakt, en ik zou het met vreugde geworden zijn, maar mijn vader stemde hierin niet toe, en daar wij een oom hadden die rhetor was en met zijn ambt veel geld verdiende, leende mijn vader het oor aan zijn voorslag, om mij voor dit beroep op te leiden. Zoo ging ik dan van den eenen leermeester tot den anderen en kwam in de school goed vooruit.»Tot mijn twintigste jaar woonde ik altijd bij mijne ouders, en gedurende mijne veelvuldige vrije uren kon ik doen en laten wat mij het best aanstond, en dat waren, als het niet te voornaam klinkt, louter geneeskundige zaken. Als twaalfjarige knaap was ik het eerst begonnen mij daaraan te wijden, en wel door een toeval. Ik liep natuurlijk gaarne in de werkplaatsen rond, en daar was eene ekster, een potsierlijk beest, dat mijne medelijdende moeder opgevoed had. Het dier kon ‘jij domkop’, mijn naam en nog andere woorden roepen, en hield veel van lawaai; want waar de smeden en slotenmakers het drukst hamerden en vijlden, daar fladderde het ’t liefst heen en weer, en waar het zich neerzette bij een aambeeld, keek het onder al dat kloppen, knarsen en slijpen altijd vroolijk rond. Jarenlang was het dier zijne gezelligheid goed bekomen,maar op zekeren dag geraakte het in een schroefbank beklemd en zijn linkerpootje brak. Dat arme beestje!”De oude bukte even, om heimelijk zijne oogen af te vegen, en ging toen opnieuw voort: »De ekster viel op zijn rug en zag mij zoo medelijdend aan, dat ik den blaasbalgtrekker, die hem uit medelijden den genadeslag wilde geven, de tang uit de handen rukte, het beestje voorzichtig aangreep en mij voornam het te genezen. Toen heb ik de ekster op mijne kamer aan een kunstig bedacht toestelletje bevestigd, opdat zij zich stil zou houden en zich geen pijn zou doen; ik heb het pootje gezet, de gewonden einden in mijn mond verwarmd en bevochtigd, en kleine houtjes als spalkjes daarom bevestigd. En ziedaar,het pootje genas waarlijk, het beestje werd gezond, fladderde als vroeger in de werkplaats rond, en als ik mij vertoonde vloog het op mijn schouder en pikte met zijn spits snaveltje mij voorzichtig in het haar. Van dat oogenblik af zou ik gaarne de hoenders in den hof de pooten gebroken hebben om ze te genezen; doch ik kwam op een ander denkbeeld. Ik ging naar de barbiers en zeide hen, dat wie een vogel, een hond of eene kat met gebroken leden had, die mocht ze bij mij brengen, ik verklaarde mij bereid ze om niet te heelen, dat konden ze aan hunne klanten vertellen. Reeds den volgenden dag bracht men mij een patiënt, een zwarten jachthond met gele vlekken boven de oogen, dien eene afgedwaalde lans een poot verbrijzeld had; ik zie dat beest nog voor mij! Op dezen volgden andere gevederde en viervoetige kranken, en zoo was dan mijn heelmeesterswerk begonnen. Die lijdende vogels, die daar aan de boomen hangen, dank ik weder aan mijne bondgenooten, de barbiers. Met viervoeters houd ik mij thans slechts bij uitzondering bezig. De lamme kinderen, die gij als helpers in den tuin ziet, behooren aan arme ouders, voor wie de wondarts te duur is. Die vroolijke krullebol die u onlangs de roos bracht, mag over weinige dagen naar huis gaan. Maar wij moeten naar mijne jeugd terug!»De hoogere beweeggronden, die aan mijn leven deze richting gaven, hebben zich eerst later na mijn twintigste jaar en nadat ik de hoogeschool reeds achter mij had, bij mij doen gelden, ja door hunne kracht ben ik eerst aangegrepen, nadat mijn oom mij reeds menige gelegenheid had verschaft om mij in mijn vak te oefenen. Zonder ijdelheid mag ik zeggen, dat mijne voordrachten de lieden bevielen, en ofschoon ik een afkeer had van gezwollenheid en bloemrijk gezwets werd ik toch niet uitgefloten. Hoewel de ouders zich verblijdden als ik uit Nikou, Arsinoë of uit andere plaatsjes in de provincie met lauwerkransen en goudstukken terugkeerde, was ik in mijne eigene oogen altijd een bedrieger. Doch om mijn vader waagde ik het niet een ander beroep te kiezen, ofschoon het mij al meer en meer tegen de borst stuitte lieden hemelhoog te verheffen, die ik noch liefhad noch achtte, en tranen van ontroering te schreien, terwijl ik bereid geweest zou zijn hartelijk te lachen.»Vrije tijd had ik in overvloed, en daar het mij niet aan moed ontbrak en ik zeer gehecht was aan onze Grieksche geloofsbelijdenis, was ik er altijd bij als er verschillende geloofsgenooten met elkander in opstand kwamen en handgemeen werden. Gewoonlijk liep het af met builen en schrammen, doch soms werden ook de zwaarden getrokken. Eens waren duizenden tegen duizenden in strijd geraakt, en de prefect had detroepen—allemaal Grieken—laten uitrukken, om de rust met geweld te herstellen. Dit gaf eene slachting, waarbij wel duizend vielen. Ik kan u dit niet schilderen. Zulke dingen gebeurden niet zelden en vaak richtten de woede en hebzucht der menigte, waarachter maar al te dikwijls de overheid en de creaturen van den aartsbisschop stonden, zich tegen de joden. Wat ik dan aanschouwen moest is zoo akelig, zoo afgrijselijk, dat de tong weigert het te vertellen. Maar die arme joodsche moeder, wier man door ellendige rekels—nog wel onze geloofsgenooten—werd vermoord, die haar huis hadden leeggeplunderd en daarna door een zwaargewapende bij de haren over den grond werd gesleurd, terwijl een bloeddorstige kerel haar zuigeling voor hare oogen bij de voetjes nam en den schedel tegen den muur verpletterde, gelijk men een natten doek tegen een paal uitslaat—die schoone jonge vrouw en haar kind heb ik nooit vergeten, en niet zelden verschijnen ze mij bij nacht in den droom.»Dat alles heb ik beleefd, en met afgrijzen zag ik, een schepsel Gods, een redelijk wezen zijn medemensch verscheuren, vervolgen, diep ongelukkig maken. En waarom? Barmhartige Heiland, waarom? Alleen uit haat, alleen—zoo waar de mensch de maatstaf aller dingen is—voortgezweept door eene gruwzame begeerte om zijn naaste, die niet wilde zijn wat hij was, ja den naaste, die het waagde voor zichzelven iets te zijn, te schaden, te krenken en leed te doen. En deze woestelingen, deze legers die zich schaarden onder de banier der onbarmhartigheid, der vernielingswoede, van den bloeddorst, waren christenen, gedoopt in den naam van hem die gebood den vijand te vergeven, die de liefde had uitgebreid van huis en stad en stal over de menschheid, die de echtbreekster uit het stof ophief, die de kinderen in zijne armen nam en zich meer wilde verheugen over éen zondaar die zich bekeert dan over negen-en-negentig rechtvaardigen! Bloed wilden zij zien, bloed, en was dan niet de leer van hem, op de belijdenis waarvan zij zich verhieven, gesproten uit het bloed van den man, die zijn leven had opgeofferd voor alle menschen, gelijk de lotusbloem zich verheft uit het helder water van het marmeren bekken? En zij die in de eerste plaats zulk eene leer der barmhartigheid door woord en daad moesten verkondigen en verdedigen: de patriarch, de bisschop, de presbyter en de diaken, zij hitsten de volkswoede aan, in plaats van der menigte het beeld te toonen van den goeden herder, die het afgedwaalde schaap opheft en vriendelijk naar de kudde terugdraagt.»De eeuw waarin ik leefde scheen mij de jammerlijkste van alle eeuwen en zij is het ook, zoo waar de mensch de maatstafis aller dingen; want in dezen tijd is de liefde veranderd in haat, barmhartigheid in onverbiddelijke gevoelloosheid. Niet alleen de tronen der wereldlijke vorsten, ook die der geestelijke gezagvoerders dropen van het bloed van den naaste. Keizer en bisschop gaven het voorbeeld, het volk en de leek deden het hun na. Evenals de grooten, de mannen van het zwaard, zoo ook de kleinen, zoo ook de vreedzamen, die zochten naar geestelijke goederen. Wat ik als man op straat zag gebeuren, dat had ik als knaap en jongeling reeds op de lagere en hoogere scholen waargenomen. Elke leer had hare aanhangers, en wie het met Cnejus eens was, die haatte Cajus en deze sprak en schreef op zijn beurt met geen ander doel dan om Cnejus te benadeelen, te vernederen, te kwellen. Elk tracht met den meesten ijverdefouten van zijn evenmensch aan te toonen en hem aan den schandpaal te binden, vooral wanneer deze voor grooter werd gehouden dan hij, of dreigde hem boven het hoofd te wassen. Hoort de meisjes aan de bron en de vrouwen bij het spinnewiel! Alleen hij is zeker bijval te zullen vinden, die van andere mannen en vrouwen wat kwaads kan vertellen. Wie vraagt naar den lof van zijn naaste? Wie over het geluk van een ander hoort spreken wordt zijn benijder.»Haat, overal haat! Overal de wil, de wensch, de hartstocht om een ander te bedroeven en ten val te brengen, in plaats van hem op te heffen, voort te helpen, te genezen! Dat is de geest van mijn tijd en alles wat in mij is verhief zich daartegen met heiligen toorn, en ik zwoer anders te zullen zijn en te handelen, en geen ander doel te willen nastreven dan den ongelukkige bij te staan, den ellendige te helpen, tot mij te trekken allen die een voorwerp waren van onbillijke bespotting, bij mijn naaste recht te maken wat krom, heel wat gebroken is, balsem te gieten in wonden en ze te genezen, ja te genezen!»Gode zij dank, het is mij gelukt althans voor een deel die gelofte te houden, en al paarde ik later aan mijn ijverig streven ook zekere grillen en eene zonderlinge begeerte tot onderzoek, het groote levensdoel waarover ik u sprak heb ik eerst onafgebroken in het oog gehouden, nadat mijn vader gestorven was en mijn oom mij zijn aanzienlijk vermogen had nagelaten. Toen hing ik den rhetorsmantel aan den kapstok, doorreisde het westen en het oosten om het land te zoeken, waar liefde de menschen aan elkander verbindt, en haat als eene krankheid wordt beschouwd. Maar—zoo waarlijk de mensch de maatstaf is aller dingen—tot heden is alle moeite om dat land te vinden vruchteloos geweest. Inmiddels heb ik mijn huis zoo ingericht, dat het een burcht der liefde is geworden. Daar waait eene lucht waarin de haat niet kan tieren en in de kiem verstikt.»Maar ondanks dit alles ben ik geen heilige geworden, en hoeveel dwaasheden, hoeveel onrecht heb ik begaan; hoeveel geld en goed, dat ik misschien beter voor de mijnen had kunnen bewaren, is mij door de vingers gegleden, hoewel meerendeels bij het vervullen van plichten die ik voor de edelste hield. Wilt gij ’t wel gelooven, Paula? Vergeef den ouden man, als hij de dochter van Thomas zoo vaderlijk toespreekt. Nauwelijks vijf jaren na mijn huwelijk met deze mijne beste vrouw, spoedig nadat wij onzen eenigen kleinen zoon verloren hadden, heb ik haar en mijn dochtertje, deze Pul, verlaten, voor meer dan twee jaren verlaten, om zonder opgeroepen te zijn, geheel vrijwillig keizer Heraclius te volgen in den krijg tegen de Perzen, die mij niets in den weg gelegd hadden. Trouwens ik ging niet als krijgsknecht, maar als een leergierige wondarts. Eerlijk gezegd, schepte ik evenzeer behagen in het zien en behandelen van breuken, wonden en verminkingen bij menigte en in het groot, als in het betoonen van mijne mildheid. Met een gebroken doch redelijk samengelapt been keerde ik tot de mijnen terug, weinige jaren later echter kon ik het niet langer op dezelfde plaats uithouden. De trekvogel haalde vrouw en kind uit de rust van huis en tuin, en sleepte ze mee naar de hoogeschool. Deechtgenoot, de vader, de grijskop maakte een wonderlijk figuur onder die jonge metgezellen, die de lessen en verklaringen van den leeraar volgden. Maar zoo waar de mensch de maatstaf aller dingen is, in vlijt en ijver stond ik bij niemand hunner achter, hoewel menigeen mij in geest en gave verre overtrof, en onzePhilippusmuntte uit boven allen. Ziedaar de reden, edele Paula, waarom de grijsaard en de man in den bloei zijner jaren studiegenooten zijn, doch de oude buigt zich heden nog gaarne voor den jongeren kunstbroeder, die van denzelfden geest bezield is. Recht maken, troosten, heelen dat is ook het doel van zijn leven, en vaak lust het mij oudje, die het doel vanPhilippuszooveel eerder dan hij heb nagestreefd, mij zijn leerling te noemen.”Hier zweeg Rufinus en stond op, ook de Damasceensche verhief zich van haar zetel, drukte hem hartelijk de hand en zeide: »Ware ik een man, ik sloot mij bij u beiden aan. Doch het is ook aan eene vrouw geoorloofd, zooals Philippus mij leerde, in uw geest te werken. En thans verzoek ik u nog, en gij zult mij deze gunst niet weigeren, mij nooit anders dan Paula te noemen. Zoo gelukkig als ik thans ben bij u, had ik niet gedacht mij nog ooit weder te zullen gevoelen. Mijn hart wordt hier frisch en gezond. Vrouw Johanna, wees gij mij tot eene moeder! Ik heb een besten vader verloren, en tot ik hem wedervind zult gij Rufinus zijn plaats bekleeden.”»Gaarne, volgaarne!”riep de oude man, greep hare beide handen en ging daarna opgewekt voort: »Daarvoor verzoek ik u echter, dat gij onze Pul als eene jongere zuster aanneemt. Maak gij van het schuchtere, menschenschuwe schepseltje een jonkvrouw naar uw voorbeeld.—Maar kom, kinderen, spoedig den blik naar den hemel gericht, want daar begint, zooals de oude heidenen van dit land zeiden, als de maan verduisterde, Typhon reeds in de gedaante van een everzwijn het Horus-oog te verslinden. Ziet hoe de schaduw de blanke schijf bedekt! Als de vaderen dit zagen maakten zij geweld; zij schudden het sistrum met zijne metalen ringen, zij trommelden, bliezen, tierden en raasden, om den booze vrees aan te jagen en hem te verdrijven. Voor vierhonderd jaren zal dat hier voor het laatst gebeurd zijn, en heden—trekt de hoofddoeken wat vaster aan en volgt mij naar den stroom—heden maken christenen zich bespottelijk door hetzelfde te doen. In welk christelijk land ik ook geweest ben, overal heb ik hetzelfde schouwspel aangetroffen. Onze heilige godsdienst heeft het geloof der heidenen vernietigd,maar hun bijgeloof bleef leven en is door de voegen en naden in onze gebruiken binnengedrongen. Daar trekken ze heen met den bisschop aan het hoofd, en hoe luide overstemt het gejammer der vrouwen en het huilen der mannen het gezang der geestelijkheid. Hoort maar! Ook die liederen klinken zoo klaaglijk en zoo hartstochtelijk smeekend, als voerde de oude Typhon nog in zijn schild de maan te verslinden, en als stond de wereld het grootste onheil te wachten. Ja—zoo waar de mensch de maatstaf is aller dingen—die beangstigde schepsels daar beneden zijn geesteskrank, en hoe kan men hen vergeven, die het wagen christenen, ja christenen, met de overblijfselen van heidensche dwaasheid bang te maken en hun geestelijk oog te verblinden!”

Aan den avond van dezen dag zat Rufinus met de zijnen en zijn vriend Philippus in den tuin. Ook Paula was bij hen en liet van tijd tot tijd haar hand op de goudgele zijden haren rusten van Pulcheria, die zich aan hare voeten had neergezet met het hoofd tegen haar knie geleund. Het was volle maan en zoo helder in den tuin, dat allen elkander duidelijk konden zien, en het voorstel van Rufinus om hier de maansverduistering af te wachten, die één uur voor middernacht zou plaats hebben, vond onverdeelden bijval, omdat de lucht zoo aangenaam was.

Het gesprek der mannen liep over het te verwachten verschijnsel aan den hemel. Zij hadden er over geklaagd, dat de kerk, nog altijd toegevende aan het bijgeloof der menigte, in zulke natuurverschijnselen kwade voorteekenen zag en God ook heden avond door een bedestond zou trachten te bewegen het onheil af te wenden. Rufinus noemde het eene lastering van den Allerhoogste, verschijnselen, die uit eeuwige wetten volgden en zich vooruit berekenen lieten, tegelijk uit te geven voor dreigende vingers van het goddelijk wezen, alsof de noodzakelijkheid van de bestraffing der menschen gelijken tred zou houden met den loop van zon en maan. Ditmaal zouden de bisschop en de geheele geestelijkheid van de plaats de processie voorafgaan en daardoor eene zoo eenvoudige gebeurtenis in de gemoederen der menigte opschroeven tot eene beteekenis, die zij niet hebben kon.

»En wanneer de kleine komeet, die mijn oude pleegvader reeds in de vorige week ontdekt heeft, verder zoo toeneemt,” voegde de arts erbij, »en zijn staart zich over een gedeelte van den hemel uitbreidt, dan zal de angst haar toppunt bereiken, en zie ik nog gebeuren dat de lieden zich aanstellen als bezetenen.”

»Een komeet voorspelt toch oorlog, hitte, pest en hongersnood,” zeide Pulcheria uit volle overtuiging.

»Dat heb ik ook altijd geloofd,” voegde Paula erbij.

»Geheel ten onrechte,” antwoordde de arts. »Ontelbare bewijzen zijn hiertegen aan te voeren, en het is ergerlijk dat men de menigte in dit bijgeloof versterkt, het jaagt hun angst en schrik aan; en wilt gij wel gelooven dat uit zulk eene verontrusting der gemoederen, vooral in dezen tijd van lagen waterstand, wanneer er toch reeds meer zieken zijn dan anders, de eene krankheid na de andere geboren wordt? Wij zullen de handen vol krijgen, waarde Rufinus!”

»Ik ben tot uw dienst,” antwoordde de oude, »doch ik had liever dat die knaap daar met zijn staart, als hij toch kwaad moest stichten, de lieden armen en beenen brak, dan dat hij hunne hersenen verdraaide.”

»Welk een wensch!” zeide Paula. »Menigmaal zegt gij dingen en zie ik andere in uwe omgeving gebeuren, waarvan ik het rechte begrip niet heb. Gij hebt mij reeds gisteren beloofd...”

»U te verklaren waarom ik zoovele creaturen Gods, die met verdraaide en gebroken ledenmaten de last des levens dragen, rondom mij verzamel.”

»Juist!” antwoordde Paula. »Er is wel geen grooter bewijs van barmhartigheid te geven, dan dat men zulke ongelukkigen het leven dragelijk maakt.”

»Maar daarom, denkt gij,” zoo viel de bewegelijke grijsaard haar in de rede, »uit zulk eene edele oorzaak alleen zal de oude zonderling zijn stokpaardje wel niet berijden, en daaraan hebt gij gelijk. Van kindsbeen heb ik bijzonder veel opgehad met het beenderstelsel van menschen en dieren, en evenals een verzamelaar van herten- en gazellengeweien, wanneer hij allerlei soorten van horens bezit, er zich met bijzonderen ijver op toelegt om vreemde en ziekelijk vergroeide horens te verzamelen, zoo stel ik er eene eer in, allerlei vergroeiingen en verminkingen van dierlijke en menschelijke beenderen te leeren kennen.”

»En ze weer recht te maken,” voegde de arts erbij.»Van zijne jeugd af heeft hij zich aan dezen hartstocht overgegeven.”

»En ze is toegenomen sedert ikzelf eens mijn been gebroken en ondervonden heb, wat men daarbij gevoelt,” zeide de oude man, dit toestemmende. »Met behulp van mijn studiegenoot die daar staat ben ik van een dilettant een wezenlijk wondarts geworden, en nog wel een die Aesculapius dient voor eigene rekening. Overigens heb ik nog bijbedoelingen, die er mij toe brachten zulk eene vreemde omgeving te kiezen. Een mismaakte slaaf bijvoorbeeld is goedkoop, en dan zijn er zekere waarnemingen, die mij een onschatbaar genoegen verschaffen. Doch dat is niet voor u, meisje!”

»O, zeker!” zeide Paula. »Evengoed als ik Philippus verstaals hij mij iets op het gebied der natuurwetenschap uiteenzet...”

»Halt,” hernam Rufinus lachend, »onze vriend zal zich wel wachten u dat te verklaren! Hij acht het eene dwaasheid, en geeft alleen dit eene toe, dat een heelmeester en waarnemer als ik ben zich geen beter, gewilliger en onderhoudender huisgenooten kan denken dan mijne kreupelen.”

»Zij zijn u zeker dankbaar,” merkte Paula op.

»Dankbaar?” vroeg de oude heer. »Dat komt wel eens voor, maar erkentelijkheid is geen rente waarop een verstandig man rekent. Gij weet nu genoeg, reeds om der wille vanPhilippuswillen wij de rest laten rusten.”

»Neen, neen,” bad Paula, en toen zij den grijsaard de handen toestak, zeide hij vroolijk: »Wie zou u iets kunnen weigeren! Ik zal het kort maken, doch gij moet mij opmerkzaam volgen. Nu dan: de mensch is de maatstaf aller dingen! Hebt gij dit begrepen?”

»Wel zeker! Gij zegt het telkens. De voorwerpen, bedoelt gij, zijn zooals zij ons toeschijnen.”

»Ons, zegt gij, omdat wij, gij, ik en wij allen hier gezond zijn naar lichaam en geest. Die voorwerpen, Gods eigen werk, moeten wij zooals ze zijn onvoorwaardelijk als gezond en normaal beschouwen. Wij moeten dus in de eerste plaats verlangen dat de mensch, die een maatstaf van al het geschapene zal zijn, zelf normaal en gezond is. Of kan een kastenmaker met eene kromme of scheeve liniaal rechte planken pasklaar maken?”

»Zeker niet!”

»Dan zult gij ook begrijpen, hoe bij mij de vraag kon opkomen: Meet de zieke, mismaakte, wanstaltige mensch de dingen ook met een anderen maatstaf dan wij gezonde menschen? Zou het niet een dankbaar onderwerp zijn om na te sporen welk een onderscheid er bestaat tusschen zijne meetingen en de onze?”

»En hebben die onderzoekingen bij uwe kreupelen tot een resultaat geleid?”

»Tot vele en groote,” verzekerde de oude; doch de arts belette hem verder te gaan door luide »Oho!” te roepen, en te verzekeren dat zijn vriend veel te snel gereed was om uit enkele verschijnselen wetten af te leiden.Velen zijner waarnemingen hadden ongetwijfeld zeker belang....

Hier viel Rufinus hem weer in de rede en het gesprek zou in een strijd ontaard zijn, als Paula zich niet in den redetwist had gemengd en haren opgewonden gastheer had verzocht om ten minste een zijner resultaten mede te deelen.

»Ik heb bevonden,” antwoordde deze, zeker van zijn zaak, terwijl hij zijn langen zwaren baard met zekere deftigheid uitstreek,»dat zij niet alleen verstandig zijn, daar zij reeds vroeg de rede scherpen, om door geestelijke gaven te vergoeden wat zij aan lichamelijke missen. Zij zijn in den regel geestig, gelijk de fabeldichter Aesopus en de Egyptische God Besa, die, zooals Horus, de oude vriend van Philippus, aan wien wij al onze Egyptische wijsheid te danken hebben, ons mededeelde onder de heidenen de god was van de grappen, den scherts, de kwinkslagen en bovendien van het vrouwentoilet. Dit getuigt van de fijne opmerkingsgaven der ouden, want de gebochelde, wiens lichaam krom gegroeid is, meet de dingen ook met een krommen maatstaf. Met behulp van zijn verstand leert hij meestal evenzoo meten als de meeste menschen, waaronder hij leeft, dat wil zeggen recht; doch op zekere tijden, wanneer hij aan zijne natuurlijke neiging toegeeft, maakt hij het rechte krom en het kromme recht, en zoo ontstaat de scherts, die toch in niets anders bestaat dan in eene scheeve opvatting en voorstelling der dingen. Knoop maar eens een onderhoud aan met mijn gebochelden tuinman Gibbus, of let eens op hem. Wanneer hij zich ’s avonds bij onze lieden neerzet lachen ze al, zoodra hij den mond maar opent. Zijne natuur dwingt hem enkel in paradoxen te spreken. Weet gij wat dat is?”

»Zeker!” antwoordde Paula.

»En gij, Pul?”

»Neen, vader.”

»Gij zijt ook te recht van lijf en leden, ook wat uwe eenvoudige ziel betreft, om voor zoo iets een zin te hebben. Luister dan! Een paradox zou bijvoorbeeld zijn, als ik den bisschop bij de processie van heden wilde toeroepen: ‘Gij zijt goddeloos uit louter vroomheid,’ of wanneer ik mij bij de dochter van Thomas, met het oog op de vleierijen, welke zij zoo straks van uwe moeder en uit mijn mond vernam, verontschuldigde met te zeggen: ‘onze wierook was bitter van louter zoetigheid.’ Deze paradoxen zijn, als men ze op den keper bekijkt, waarheden in verbogen vorm, en daarom gaan ze den gebochelden het best af. Vat ge?”

»Ja zeker,” antwoordde Paula.

»En gij, Pul?”

»Ik weet het niet recht, het zou mij beter bevallen als men eenvoudig zeide: Wij hadden haar niet zooveel vleiende dingen moeten zeggen, want dat kan een meisje hinderen.”

»Bravo, mijn recht kind!” zeide de oude lachend. »Doch daar staat de tuinman. Heidaar, mijn wakkere Gibbus! Stelt je eens voor dat ge iemand zulke grove vleierijen hadt gezegd, dat hij in plaats van zich te verblijden zich hierover ergerde, hoe zoudt ge u uitdrukken, wanneer ge mij dat wildet mededeelen?”

De hovenier, een klein, dik man met een verbazenden hoogen rug doch met een verstandig en goed gevormd gelaat, bedacht zich een oogenblik en antwoordde toen: »Daar heb ik ezel hem rozen willen laten ruiken en hem distels onder den neus geduwd.”

»Voortreffelijk!” riep Paula, en toen Gibbus schaterlachend wegliep, zeide de arts: »Men zou dien man om zijn bochel kunnen benijden, maar—niet waar jonkvrouw Paula?—wij kennen ook lieden die recht opgegroeid zijn en toch als het er op aankomt allerlei verdraaide voorstellingen tot hunne beschikking hebben.”

Gelukkig ontsloeg Rufinus Paula van het antwoord, door haar op zijn geschrift over de verkrommingen der ziel en des lichaams te wijzen, en daarna met warmte voort te gaan: »Ik roep u allen tot getuigen of die lamme Baste—een harer beenen is veel korter dan het andere, en wij hebben het met moeite zoover gebracht dat het haar draagt—haar meten der dingen niet beperkt tot het laagste, tot de oppervlakte der aarde? Zij moet altijd naar den grond kijken, wil zij niet struikelen. En wat is daarvan het gevolg? zij kan u nooit zeggen wat aan een boom hangt en zoowat drie weken geleden heb ik haar bij helderen hemel en afnemende maan, en nadat zij avond aan avond tot laat met de andere lieden in de open lucht had gezeten—het was omstreeks den middag—gevraagd, of de maan gisteren aan den hemel had gestaan, en zij is mij het antwoord schuldig gebleven. Ja, ik heb opgemerkt dat zij redelijk groote mannen, die zij drie- en viermalen gezien heeft, moeielijk weder herkent. Evenals haar been zoo is ook haar maatstaf der dingen te kort uitgevallen; heb ik gelijk of niet?”

»In dit geval hebt gij gelijk,” antwoordde de arts; »toch ken ik gebrekkigen...”

Wederom ontstond er strijd tusschen de vrienden, doch Pulcheria maakte er ditmaal een einde aan door met groote warmte uit te roepen: »Die Baste is het beste en goedhartigste schepsel in het geheele huis!”

»Omdat zij ook in haar binnenste ziet,” antwoordde Rufinus. »Zij kent zichzelve, en daar zij weet hoe pijnlijk de smart is, behandelt zij anderen met verschooning. Weet gij nog, Philippus, hoe wij na de ontleedkundige voordracht, die wij in Caesarea te zamen gehoord hadden, redetwistten...”

»Heel goed,” viel de arts in, »en het leven heeft sedert mijne inzichten van toen slechts bevestigd. Er is geen nadeeliger en logenachtiger spreuk dan die Latijnsche: ‘Mens sana in corpore sano’, wanneer men haar altijd als gewoonlijk overzet: ‘Alleen in een gezond lichaam kan eene gezonde ziel wonen’.Als wensch laat ik dit woord gelden; ja menigmaal kwam ik in verzoeking om ook deze nog bedenkelijk te vinden. Want juist in kranke lichamen heb ik vaak eene sterkte van ziel gevonden, eene hoopvolle en ook voor het geringste dankbare stemming, eene fijnheid van gevoel, eene verstandige zelfbetrachting en eene onvoorwaardelijke overgave aan het hoogere, als ik bij gezonden niet heb weergevonden. Het lichaam is wel de woning der ziel, en evenals er in hutten en paleizen goeden en kwaden, wijzen en dommen worden gevonden, en men in stulpen dikwijls meer goedhartigheid aantreft als in de prachtige huizen der grooten, zoo vindt men edele zielen in leelijke en schoone, gezonde in kranke lichamen, en in de laatsten misschien menigvuldiger dan in de eersten. Maar met zulke onjuiste spreuken, die de een den ander nazegt, moet men behoedzaam omgaan, want zij kunnen hen kwetsen, die bovendien het in dit leven al zwaar genoeg te verantwoorden hebben. Naar mijne opvatting denkt een gebochelde even recht als een athleet; of meent gij dat, al brengt eene moeder in een hol zoo gedraaid als een slakkenhuisje kinderen groot, zij daarom niet rechtop naar den hemel kunnen groeien, zooals toch met den mensch plaats heeft?”

»Deze vergelijking gaat mank!” zeide de oude heer met geestdrift, »en moet recht gebogen worden. Willen wij niet in openbare tegenspraak met elkander komen...”

»Gij zult vrede houden!” riep opeens vrouw Johanna haar man toe, en voor deze nog een woord kon zeggen, vroeg Paula rondweg en op den man af: »Hoe oud zijt gij, waardige gastheer?”

»De tweede dag van mijn zeventigste jaar werd daardoor gewijd, dat gij toen ons huis juist voor de eerste maal hebt betreden,”antwoorddeRufinus, deftig buigende.

Doch zijne vrouw stak dreigende den vinger tegen hem op en zeide: »hebt gij ook misschien een geheime bochel, manlief? Zoo’n fraai gedraaid antwoord...”

»Hij ziet zijne kreupelen de kunst af,” schertste Paula. »Maar nu komt gij aan de beurt, vriend Philippus. Uwe redeneering was die van een bedaagden wijze, en heeft mij—om der wille van Rufinus zeg ik niet ‘overtuigd’, maar ‘meegesleept’. Ik ben u eerbied schuldig, en toch zou ik willen weten hoeveel jaren gij....”

»Ik zal weldra mijn een-en-dertigste intreden,” zeide de arts, nog voor zij haar vraag voleindigd had.

»Dat is een eerlijk antwoord,” zeide vrouw Johanna, lachende. »Op uw leeftijd klemt men zich gaarne aan het twintigste jaar vast.”

»Waarom?” vroeg Pulcheria.

»Ach, daarom,” antwoordde de moeder. »Er zijn meisjes die een dertiger voor ouder aanzien dan hem lief is.”

»Domme schepsels,” hernam Pul. »Zij zullen bezwaarlijk een jonkman vinden, die beminnelijker is dan onze vader, en wanneer Philippus, ja gij Philippus, tien of twintig jaren ouder waart dan negen-en-twintig, meent gij dat dit u minder verstandig en goed kon maken?”

»En minder leelijk in geen geval,” voegde de arts erbij.

Daarop zeide Pulcheria knorrig, als hadden die woorden haar gekrenkt: »Gij zijt in het geheel niet leelijk! Wie u daarvoor uitgeeft, heeft in het geheel geene oogen! Gij zeidet het ook alleen om te hooren, dat gij een deftig man zijt.”

Terwijl het gevoelige meisje aldus den vriend tegen zichzelve verdedigde, streek Paula haar over de gouden haren en zeide tot den arts: »Pulcheria’s vader heeft gelijk. Zij weet de menschen met den waren maatstaf te meten. Vergeet dit niet, Philippus! Verder... Houd mij de vraag ten goede, maar moet het niet mijne verwondering wekken, dat een een-en-dertiger en een zeventiger te gelijkertijd de hoogeschool hebben bezocht?—Het duurt nog lang eer de maan, die zoo helder en blank daar voorttrekt, verduisterd wordt. Ook gij Rufinus zijt zulk een wereldreiziger geweest, en wanneer gij mij een groot genoegen wilt doen, dan vertelt gij ons iets uit uw leven, en hoe gij hier te Memphis gekomen zijt.”

»Zijn levensloop?” zeide vrouw Johanna. »Wanneer hij ons die vertellen wil van het begin tot het einde met alle bijzonderheden, dan verloopt de geheele nacht en wordt morgen ons ontbijt nog koud. Hij heeft een leven gehad als dat van den avontuurlijken Odusseus. Doch verhaal een en ander, man! Gij weet, wij luisteren met het grootste genot.”

»Mij roept mijn plicht,” zeide de arts, en nadat hij van de anderen vriendelijk afscheid genomen en Paula meer afgemeten dan in de laatste dagen vaarwel gezegd had, begon Rufinus aldus:

»Ik ben in Alexandrië geboren, in een tijd toen handel en nijverheid er nog bloeiden. Mijn vader was een wapensmid en in zijne werkplaats arbeidden wel tweehonderd slaven en vrijen. Hij had veel van het beste erts noodig en dat ontving hij gewoonlijk uit Brittannië over Massilia. Eens geleidde hijzelf het schip van zijn handelsvriend naar het verre eiland, en daar leerde hij mijne moeder kennen. Haar goudblond haar, dat onze Pul geërfd heeft, moet hem bekoord hebben, en daar de schoone vreemdeling—want mijn vader was een man zooals er weinigen meer zijn—haar goed beviel, werd zij omzijnentwil christin en volgde hem bereidwillig. Zij hebben er beiden nooit berouw over gehad, want ofschoon zij eene stille vrouw was, die het Grieksch tot aan hare laatste ure sprak als eene vreemde, zeide de oude man toch vaak, dat zij zijn beste raadgeefster was. Daarbij bezat zij zulk een gevoelig gemoed, dat zij geen schepsel kon zien lijden, en hoe ijverig zij ook aan den haard en aan den weefstoel dagelijks bezig en op haar plaats was, zoo kon zij toch geen hoen, geen gans, geen varken zien slachten. Haar hart—moet ik zeggen ‘helaas’ of ‘goddank’?—heb ik geërfd. Ik had nog twee oudere broeders, die mijn vader moesten helpen en later de zaak zouden voortzetten. Toen ik tien jaren oud was, moest ik een beroep kiezen. Mijne moeder had gaarne een geestelijke van mij gemaakt, en ik zou het met vreugde geworden zijn, maar mijn vader stemde hierin niet toe, en daar wij een oom hadden die rhetor was en met zijn ambt veel geld verdiende, leende mijn vader het oor aan zijn voorslag, om mij voor dit beroep op te leiden. Zoo ging ik dan van den eenen leermeester tot den anderen en kwam in de school goed vooruit.

»Tot mijn twintigste jaar woonde ik altijd bij mijne ouders, en gedurende mijne veelvuldige vrije uren kon ik doen en laten wat mij het best aanstond, en dat waren, als het niet te voornaam klinkt, louter geneeskundige zaken. Als twaalfjarige knaap was ik het eerst begonnen mij daaraan te wijden, en wel door een toeval. Ik liep natuurlijk gaarne in de werkplaatsen rond, en daar was eene ekster, een potsierlijk beest, dat mijne medelijdende moeder opgevoed had. Het dier kon ‘jij domkop’, mijn naam en nog andere woorden roepen, en hield veel van lawaai; want waar de smeden en slotenmakers het drukst hamerden en vijlden, daar fladderde het ’t liefst heen en weer, en waar het zich neerzette bij een aambeeld, keek het onder al dat kloppen, knarsen en slijpen altijd vroolijk rond. Jarenlang was het dier zijne gezelligheid goed bekomen,maar op zekeren dag geraakte het in een schroefbank beklemd en zijn linkerpootje brak. Dat arme beestje!”

De oude bukte even, om heimelijk zijne oogen af te vegen, en ging toen opnieuw voort: »De ekster viel op zijn rug en zag mij zoo medelijdend aan, dat ik den blaasbalgtrekker, die hem uit medelijden den genadeslag wilde geven, de tang uit de handen rukte, het beestje voorzichtig aangreep en mij voornam het te genezen. Toen heb ik de ekster op mijne kamer aan een kunstig bedacht toestelletje bevestigd, opdat zij zich stil zou houden en zich geen pijn zou doen; ik heb het pootje gezet, de gewonden einden in mijn mond verwarmd en bevochtigd, en kleine houtjes als spalkjes daarom bevestigd. En ziedaar,het pootje genas waarlijk, het beestje werd gezond, fladderde als vroeger in de werkplaats rond, en als ik mij vertoonde vloog het op mijn schouder en pikte met zijn spits snaveltje mij voorzichtig in het haar. Van dat oogenblik af zou ik gaarne de hoenders in den hof de pooten gebroken hebben om ze te genezen; doch ik kwam op een ander denkbeeld. Ik ging naar de barbiers en zeide hen, dat wie een vogel, een hond of eene kat met gebroken leden had, die mocht ze bij mij brengen, ik verklaarde mij bereid ze om niet te heelen, dat konden ze aan hunne klanten vertellen. Reeds den volgenden dag bracht men mij een patiënt, een zwarten jachthond met gele vlekken boven de oogen, dien eene afgedwaalde lans een poot verbrijzeld had; ik zie dat beest nog voor mij! Op dezen volgden andere gevederde en viervoetige kranken, en zoo was dan mijn heelmeesterswerk begonnen. Die lijdende vogels, die daar aan de boomen hangen, dank ik weder aan mijne bondgenooten, de barbiers. Met viervoeters houd ik mij thans slechts bij uitzondering bezig. De lamme kinderen, die gij als helpers in den tuin ziet, behooren aan arme ouders, voor wie de wondarts te duur is. Die vroolijke krullebol die u onlangs de roos bracht, mag over weinige dagen naar huis gaan. Maar wij moeten naar mijne jeugd terug!

»De hoogere beweeggronden, die aan mijn leven deze richting gaven, hebben zich eerst later na mijn twintigste jaar en nadat ik de hoogeschool reeds achter mij had, bij mij doen gelden, ja door hunne kracht ben ik eerst aangegrepen, nadat mijn oom mij reeds menige gelegenheid had verschaft om mij in mijn vak te oefenen. Zonder ijdelheid mag ik zeggen, dat mijne voordrachten de lieden bevielen, en ofschoon ik een afkeer had van gezwollenheid en bloemrijk gezwets werd ik toch niet uitgefloten. Hoewel de ouders zich verblijdden als ik uit Nikou, Arsinoë of uit andere plaatsjes in de provincie met lauwerkransen en goudstukken terugkeerde, was ik in mijne eigene oogen altijd een bedrieger. Doch om mijn vader waagde ik het niet een ander beroep te kiezen, ofschoon het mij al meer en meer tegen de borst stuitte lieden hemelhoog te verheffen, die ik noch liefhad noch achtte, en tranen van ontroering te schreien, terwijl ik bereid geweest zou zijn hartelijk te lachen.

»Vrije tijd had ik in overvloed, en daar het mij niet aan moed ontbrak en ik zeer gehecht was aan onze Grieksche geloofsbelijdenis, was ik er altijd bij als er verschillende geloofsgenooten met elkander in opstand kwamen en handgemeen werden. Gewoonlijk liep het af met builen en schrammen, doch soms werden ook de zwaarden getrokken. Eens waren duizenden tegen duizenden in strijd geraakt, en de prefect had detroepen—allemaal Grieken—laten uitrukken, om de rust met geweld te herstellen. Dit gaf eene slachting, waarbij wel duizend vielen. Ik kan u dit niet schilderen. Zulke dingen gebeurden niet zelden en vaak richtten de woede en hebzucht der menigte, waarachter maar al te dikwijls de overheid en de creaturen van den aartsbisschop stonden, zich tegen de joden. Wat ik dan aanschouwen moest is zoo akelig, zoo afgrijselijk, dat de tong weigert het te vertellen. Maar die arme joodsche moeder, wier man door ellendige rekels—nog wel onze geloofsgenooten—werd vermoord, die haar huis hadden leeggeplunderd en daarna door een zwaargewapende bij de haren over den grond werd gesleurd, terwijl een bloeddorstige kerel haar zuigeling voor hare oogen bij de voetjes nam en den schedel tegen den muur verpletterde, gelijk men een natten doek tegen een paal uitslaat—die schoone jonge vrouw en haar kind heb ik nooit vergeten, en niet zelden verschijnen ze mij bij nacht in den droom.

»Dat alles heb ik beleefd, en met afgrijzen zag ik, een schepsel Gods, een redelijk wezen zijn medemensch verscheuren, vervolgen, diep ongelukkig maken. En waarom? Barmhartige Heiland, waarom? Alleen uit haat, alleen—zoo waar de mensch de maatstaf aller dingen is—voortgezweept door eene gruwzame begeerte om zijn naaste, die niet wilde zijn wat hij was, ja den naaste, die het waagde voor zichzelven iets te zijn, te schaden, te krenken en leed te doen. En deze woestelingen, deze legers die zich schaarden onder de banier der onbarmhartigheid, der vernielingswoede, van den bloeddorst, waren christenen, gedoopt in den naam van hem die gebood den vijand te vergeven, die de liefde had uitgebreid van huis en stad en stal over de menschheid, die de echtbreekster uit het stof ophief, die de kinderen in zijne armen nam en zich meer wilde verheugen over éen zondaar die zich bekeert dan over negen-en-negentig rechtvaardigen! Bloed wilden zij zien, bloed, en was dan niet de leer van hem, op de belijdenis waarvan zij zich verhieven, gesproten uit het bloed van den man, die zijn leven had opgeofferd voor alle menschen, gelijk de lotusbloem zich verheft uit het helder water van het marmeren bekken? En zij die in de eerste plaats zulk eene leer der barmhartigheid door woord en daad moesten verkondigen en verdedigen: de patriarch, de bisschop, de presbyter en de diaken, zij hitsten de volkswoede aan, in plaats van der menigte het beeld te toonen van den goeden herder, die het afgedwaalde schaap opheft en vriendelijk naar de kudde terugdraagt.

»De eeuw waarin ik leefde scheen mij de jammerlijkste van alle eeuwen en zij is het ook, zoo waar de mensch de maatstafis aller dingen; want in dezen tijd is de liefde veranderd in haat, barmhartigheid in onverbiddelijke gevoelloosheid. Niet alleen de tronen der wereldlijke vorsten, ook die der geestelijke gezagvoerders dropen van het bloed van den naaste. Keizer en bisschop gaven het voorbeeld, het volk en de leek deden het hun na. Evenals de grooten, de mannen van het zwaard, zoo ook de kleinen, zoo ook de vreedzamen, die zochten naar geestelijke goederen. Wat ik als man op straat zag gebeuren, dat had ik als knaap en jongeling reeds op de lagere en hoogere scholen waargenomen. Elke leer had hare aanhangers, en wie het met Cnejus eens was, die haatte Cajus en deze sprak en schreef op zijn beurt met geen ander doel dan om Cnejus te benadeelen, te vernederen, te kwellen. Elk tracht met den meesten ijverdefouten van zijn evenmensch aan te toonen en hem aan den schandpaal te binden, vooral wanneer deze voor grooter werd gehouden dan hij, of dreigde hem boven het hoofd te wassen. Hoort de meisjes aan de bron en de vrouwen bij het spinnewiel! Alleen hij is zeker bijval te zullen vinden, die van andere mannen en vrouwen wat kwaads kan vertellen. Wie vraagt naar den lof van zijn naaste? Wie over het geluk van een ander hoort spreken wordt zijn benijder.

»Haat, overal haat! Overal de wil, de wensch, de hartstocht om een ander te bedroeven en ten val te brengen, in plaats van hem op te heffen, voort te helpen, te genezen! Dat is de geest van mijn tijd en alles wat in mij is verhief zich daartegen met heiligen toorn, en ik zwoer anders te zullen zijn en te handelen, en geen ander doel te willen nastreven dan den ongelukkige bij te staan, den ellendige te helpen, tot mij te trekken allen die een voorwerp waren van onbillijke bespotting, bij mijn naaste recht te maken wat krom, heel wat gebroken is, balsem te gieten in wonden en ze te genezen, ja te genezen!

»Gode zij dank, het is mij gelukt althans voor een deel die gelofte te houden, en al paarde ik later aan mijn ijverig streven ook zekere grillen en eene zonderlinge begeerte tot onderzoek, het groote levensdoel waarover ik u sprak heb ik eerst onafgebroken in het oog gehouden, nadat mijn vader gestorven was en mijn oom mij zijn aanzienlijk vermogen had nagelaten. Toen hing ik den rhetorsmantel aan den kapstok, doorreisde het westen en het oosten om het land te zoeken, waar liefde de menschen aan elkander verbindt, en haat als eene krankheid wordt beschouwd. Maar—zoo waarlijk de mensch de maatstaf is aller dingen—tot heden is alle moeite om dat land te vinden vruchteloos geweest. Inmiddels heb ik mijn huis zoo ingericht, dat het een burcht der liefde is geworden. Daar waait eene lucht waarin de haat niet kan tieren en in de kiem verstikt.

»Maar ondanks dit alles ben ik geen heilige geworden, en hoeveel dwaasheden, hoeveel onrecht heb ik begaan; hoeveel geld en goed, dat ik misschien beter voor de mijnen had kunnen bewaren, is mij door de vingers gegleden, hoewel meerendeels bij het vervullen van plichten die ik voor de edelste hield. Wilt gij ’t wel gelooven, Paula? Vergeef den ouden man, als hij de dochter van Thomas zoo vaderlijk toespreekt. Nauwelijks vijf jaren na mijn huwelijk met deze mijne beste vrouw, spoedig nadat wij onzen eenigen kleinen zoon verloren hadden, heb ik haar en mijn dochtertje, deze Pul, verlaten, voor meer dan twee jaren verlaten, om zonder opgeroepen te zijn, geheel vrijwillig keizer Heraclius te volgen in den krijg tegen de Perzen, die mij niets in den weg gelegd hadden. Trouwens ik ging niet als krijgsknecht, maar als een leergierige wondarts. Eerlijk gezegd, schepte ik evenzeer behagen in het zien en behandelen van breuken, wonden en verminkingen bij menigte en in het groot, als in het betoonen van mijne mildheid. Met een gebroken doch redelijk samengelapt been keerde ik tot de mijnen terug, weinige jaren later echter kon ik het niet langer op dezelfde plaats uithouden. De trekvogel haalde vrouw en kind uit de rust van huis en tuin, en sleepte ze mee naar de hoogeschool. Deechtgenoot, de vader, de grijskop maakte een wonderlijk figuur onder die jonge metgezellen, die de lessen en verklaringen van den leeraar volgden. Maar zoo waar de mensch de maatstaf aller dingen is, in vlijt en ijver stond ik bij niemand hunner achter, hoewel menigeen mij in geest en gave verre overtrof, en onzePhilippusmuntte uit boven allen. Ziedaar de reden, edele Paula, waarom de grijsaard en de man in den bloei zijner jaren studiegenooten zijn, doch de oude buigt zich heden nog gaarne voor den jongeren kunstbroeder, die van denzelfden geest bezield is. Recht maken, troosten, heelen dat is ook het doel van zijn leven, en vaak lust het mij oudje, die het doel vanPhilippuszooveel eerder dan hij heb nagestreefd, mij zijn leerling te noemen.”

Hier zweeg Rufinus en stond op, ook de Damasceensche verhief zich van haar zetel, drukte hem hartelijk de hand en zeide: »Ware ik een man, ik sloot mij bij u beiden aan. Doch het is ook aan eene vrouw geoorloofd, zooals Philippus mij leerde, in uw geest te werken. En thans verzoek ik u nog, en gij zult mij deze gunst niet weigeren, mij nooit anders dan Paula te noemen. Zoo gelukkig als ik thans ben bij u, had ik niet gedacht mij nog ooit weder te zullen gevoelen. Mijn hart wordt hier frisch en gezond. Vrouw Johanna, wees gij mij tot eene moeder! Ik heb een besten vader verloren, en tot ik hem wedervind zult gij Rufinus zijn plaats bekleeden.”

»Gaarne, volgaarne!”riep de oude man, greep hare beide handen en ging daarna opgewekt voort: »Daarvoor verzoek ik u echter, dat gij onze Pul als eene jongere zuster aanneemt. Maak gij van het schuchtere, menschenschuwe schepseltje een jonkvrouw naar uw voorbeeld.—Maar kom, kinderen, spoedig den blik naar den hemel gericht, want daar begint, zooals de oude heidenen van dit land zeiden, als de maan verduisterde, Typhon reeds in de gedaante van een everzwijn het Horus-oog te verslinden. Ziet hoe de schaduw de blanke schijf bedekt! Als de vaderen dit zagen maakten zij geweld; zij schudden het sistrum met zijne metalen ringen, zij trommelden, bliezen, tierden en raasden, om den booze vrees aan te jagen en hem te verdrijven. Voor vierhonderd jaren zal dat hier voor het laatst gebeurd zijn, en heden—trekt de hoofddoeken wat vaster aan en volgt mij naar den stroom—heden maken christenen zich bespottelijk door hetzelfde te doen. In welk christelijk land ik ook geweest ben, overal heb ik hetzelfde schouwspel aangetroffen. Onze heilige godsdienst heeft het geloof der heidenen vernietigd,maar hun bijgeloof bleef leven en is door de voegen en naden in onze gebruiken binnengedrongen. Daar trekken ze heen met den bisschop aan het hoofd, en hoe luide overstemt het gejammer der vrouwen en het huilen der mannen het gezang der geestelijkheid. Hoort maar! Ook die liederen klinken zoo klaaglijk en zoo hartstochtelijk smeekend, als voerde de oude Typhon nog in zijn schild de maan te verslinden, en als stond de wereld het grootste onheil te wachten. Ja—zoo waar de mensch de maatstaf is aller dingen—die beangstigde schepsels daar beneden zijn geesteskrank, en hoe kan men hen vergeven, die het wagen christenen, ja christenen, met de overblijfselen van heidensche dwaasheid bang te maken en hun geestelijk oog te verblinden!”


Back to IndexNext