TWEE-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.Tot voor weinige dagen was de kleine Katharina een onzelfstandig en gehoorzaam kind geweest, dat er eene eer in gesteld had niet alleen hare moeder maar ook vrouw Neforis en, sedert hare eigene Grieksche opvoedster het huis verlaten had, zelfs de bitse Eudoxia zoo snel mogelijk en op haar wenk te gehoorzamen. Ook het kleinste vergrijp tegen hetgeen haar bevolen was, ook eene ondeugendheid of eigenmachtige handeling zou zij voor hare moeder en hare degelijke opvoedster, waaraan zij gehecht was, niet verborgen hebben; ja het was haar onmogelijk geweest in te slapen zonder voor het avondgebed alles wat zij in haar eigen klein hart als niet volkomen in den haak beschouwde, te bekennen aan eene andere die zij liefhad en van deze volle vergeving te hebben ontvangen. Zorgeloos en met een geweten zoo blank als de borst van hare witste duif was het kwikstaartje avond aan avond ingeslapen, en het ergste wat zij overdag misdreven had bestond in eene verbodene klauterpartij, en meestentijds in een heftig of onvriendelijk woord.Sedert Orion’s kus onder den bedwelmenden geur der bloeiende boomen had de eerste omkeering bij haar plaats gegrepen en bijna ieder volgend uur had nieuwe wenschen en beschouwingen in haar gewekt. Wat vroeger niet bij haar was opgekomen, namelijk zich een oordeel over hare moeder aan te matigen, dat deed zij nu onophoudelijk. De manier, waarop deze met de vrienden van het stadhouderlijk verblijf gebroken had scheen haar verkeerd en onbetamelijk, en de hatelijke, bittere uitvallen tegen de oude vrienden, waarvan vrouw Susanna’s mond overvloeide, ergerde Katharina en brachten haar eindelijk in tegenspraak met haar, wier oordeel haar tot hiertoe onfeilbaar was toegeschenen. Nadat het paleis van den overleden Mukaukas voor haar gesloten was, bezat zij dus niemand, aan wie zij gaarne haar vertrouwen had geschonken, en tusschen Paula en haar rezen scheidsmuren op, tegen welker hoogte zijangstig opzag zoo vaak zij toegaf aan het verlangen om ze te overschrijden. Zij was zeker de andere van wie Orion gesproken had, en hoewel zij aan den avond na de begrafenis van zijn vader heimelijk tot Paula was gekomen, zoo had minder een brandend verlangen om vertrouwelijk te spreken met een deelnemend gemoed haar daartoe gedreven, dan wel eene kwellende met ijverzucht gepaarde nieuwsgierigheid. In een zonderling gemengde stemming van teeder verlangen en doffe haat was zij door de heg geslopen, en toen het tot eene tweede ontmoeting gekomen was, had zij zich aanvankelijk geheel overgegeven aan het genot, om zich openhartig uit te spreken en gehoor te vinden bij eene die zoo ver boven haar stond. Doch na Paulas terughouding bij het antwoorden op hare rondborstige vragen, waren haat en nijd weder in haar ontwaakt. Wie Orion niet haatte, moest hem volgens haar inzicht liefhebben. Behoorden die twee reeds bij elkander?Misschien had Paula haar onder de sykomore slechts als een lichtgeloovig kind behandeld en haar wat wijs gemaakt. Dit ‘misschien’ martelde haar, en zij wilde althans beproeven er een einde aan te maken. Een helper had zij tot hare beschikking in den persoon van haar zoogbroeder, den zoon van hare doove voedster, en zij wist dat deze blindelings al hare wenschen vervullen, ja als het haar aangenaam kon zijn, zich midden onder dekrokodillenvan den Nijl werpen zou. De jonge Anubis had in al hare kinderspelen gedeeld en op zijn veertiende jaar was hij, nadat hij met haar lezen en schrijven had geleerd, op voorspraak van hare moeder als leerling op het rentmeesterskantoor van den stadhouder gekomen, om daar onder den voortreffelijken rentmeester Nilus zich verder te bekwamen. Vrouw Susanna dacht hem later op hare goederen te gebruiken of hem te Memphis aan het hoofdkantoor van het bestuur over haar vermogen eene aanstelling te bezorgen, die aan zijne bekwaamheden beantwoordde. De knaap woonde nog steeds bij zijne moeder ten huize van de weduwe, doch bracht zijne werkdagen door in het stadhouderlijk paleis, waar hij zich bij den arbeid zeer vlijtig betoonde, terwijl hij zich in zijne vrije uren bezig hield met dingen, die ver buiten zijn toekomstig beroep lagen. Op verzoek van Katharina had hij eene duivenpost aangelegd tusschen het huis harer moeder en het paleis van den stadhouder, en langs dezen weg was menig briefje met kleine mededeelingen, uitnoodigingen, afspraken en dergelijken van het kwikstaartje tot de kleine Maria en van deze weder tot haar overgebracht. Anubis vermaakte zich bijzonder met die kleine diertjes, en met goedkeuring van zijne meesters was de duivenslag op het dak van het rentmeestersambt getimmerd. Maria lag nu op het ziekbeden elke gemeenschap met haar was afgebroken; de goed ingerichte post behoefde daarom niet ongebruikt te blijven en Katharina was begonnen zich daarvan voor andere doeleinden te bedienen.Orions schrijver was gisteren zeer lang opgehouden ten huize van haar buurman, en door Anubis, wien niets ontging wat in het kantoor van Nilus verhandeld werd, was zij te weten gekomen dat aan Paula eerlang haar vermogen zou worden uitgekeerd, en waarschijnlijk wel door Orion in persoon. Bij die gelegenheid moest een onderhoud plaats hebben, en misschien was het haar vergund dit af te luisteren. Hoe dat kon bewerkstelligd worden, was haar ten aanzien van ’s buurmans huis dikwijls genoeg op de proef gebleken; zij had alleen te zorgen ter rechter tijd op de plaats te zijn.In den morgen, die op den nacht der maansverduistering volgde, omstreeks twee en een half uur voor den middag, bracht de kleine duivenoppasser, die de gevleugelde boden in den slag voederde, haar een briefje, waarop Anubis geschreven had, dat Orion zich gereed maakte om heen te gaan. Deze tijding werd echter niet bijzonder vriendelijk ontvangen, want dit tijdstip kwam haar zeer ongelegen. Heel in de vroegte toch had de bisschop Plotinos hare moeder medegedeeld, dat de patriarch Benjamin uit Alexandrië zich aan gene zijde van den Nijl bij den Arabischen gouverneur Amr bevond, om wat later Memphis met een bezoek te vereeren. De patriarch zou éen dag vertoeven, had voor elke plechtige ontvangst bedankt, en het aan hem overgelaten een geschikt kwartier te zoeken voor zijn persoon en voor hen die hem vergezelden, daar hij niet wenschte af te stappen aan het stadhouderlijk paleis. De ijdele weduwe had zich terstond volgaarne bereid verklaard, om den hoogen gast onder haar dak te herbergen. Het bezoek van den kerkvorst moest haar huis zegen aanbrengen, en zij dacht daaruit eenig voordeel te trekken ook voor veel, dat haar thans bezighield. Den patriarch moest eene prachtige ontvangst worden bereid. Daarvoor bleven haar maar weinige uren over, en daarom begon zij, nog vóór de bisschop van haar afscheid had genomen, hare bedienden samen te roepen en hare bevelen te geven. Het geheele huis moest van boven tot beneden schoon gemaakt worden; een deel van het keukenpersoneel moest haastig naar de stad gaan om inkoopen te doen, terwijl een ander deel alles aan den haard in gereedheid bracht. De tuinlieden plunderden de bloembedden en heesters om guirlandes, kransen en ruikers voor de ontvangst in orde te brengen. Van den kelder tot op den beganen vloer waren een vijftigtal blanke, bruine en zwarte slaven met alle kracht in de weer; want ieder meende doordezen dienstijver ter wille van den patriarch op de bijzondere genade des hemels te mogen rekenen, en daarbij schreeuwde hunne onvermoeide meesteres hun gestadig toe, wat zij verlangde dat gedaan zou worden. Zij, die als meisje de oudste dochter was geweest van een gezin dat rijk met kinderen gezegend, maar minder met goederen bedeeld was, en zelf de handen had moeten uitsteken, vergat heden dat zij eene rijke aanzienlijke vrouw was geworden, wie het niet meer paste in persoon huis te houden, en zoo was zij nu hier, dan daar, hield een oog op alles, op ieder groot en klein, alleen niet op hare dochter.Katharina was het fijne, Grieksch opgevoede popje des huizes, aan wier ernstige hulp niet gedacht kon worden; ja, zij zou meer in den weg hebben gestaan. Na het afscheid van den bisschop had zij enkel den last bekomen, den patriarch in haar beste kleed met een ruiker te ontvangen onder het linnen afdak aan de hoofddeur. Meer verlangde Susanna van hare dochter niet, en deze dacht, terwijl zij de trap opvloog die naar hare kamer geleidde: »Orion zal weldra komen, vóor het middag is verloopen er nog ten minste twee uren, en wanneer hij een half uur hier naast blijft, is het al lang. Ik zal nog tijd genoeg overhouden om mij te kleeden, en uit voorzichtigheid zal ik mij de nieuwe schoenen reeds dadelijk aan de voeten laten binden. De voedster en de kamenier mogen mijne kamer niet meer verlaten Voor het geval dat het wat later wordt moeten zij alles gereed houden, want misschien hebben Paula en hij elkander veel te zeggen. Zonder eene terechtwijzing laat zij hem niet gaan, tenzij zij hare verwijten reeds op eene andere manier aan den man heeft gebracht.”Spoedig hierop sprong zij, met fraaie, met gouddraad doorstikte en blauwe saffieren bezaaide sandalen aan de kleine voeten, op een met zoden belegden aardheuvel, die zij reeds vroeger had laten maken achter de heg, waardoor zij gisteren gekropen was, en zette zich daar met een tevreden lachje op een zeteltje neer, als gold het eene theatervoorstelling. Eenige bladplanten, die achter deze verborgen zitplaats groeiden, beschutten haar eenigermate voor het branden der zon, en terwijl zij op dezen uitkijk, waarvan zij zich niet voor de eerste maal bediende, wachtte en luisterde, begon haar hartje steeds sneller te kloppen, ja, zij vergat door hare groote gejaagdheid het suikerwerk, dat zij, om den tijd te verdrijven, op een groot blad in haar schoot had gestrooid. Tot haar geluk liet Orion niet lang op zich wachten, hij kwam in de gesloten vierwielige carruca van zijne moeder. Naast den voerman zat een dienaar, en op elk der beide treden van de deuren van het voertuig zat een slaaf. De wagen werd gevolgd door eenige nietsdoende mannen en vrouwenen eene schare van halfnaakte kinderen. Maar de nieuwsgierigen hadden zich misrekend, want de carruca bleef niet op straat stilstaan; zij reed den tuin van Rufinus binnen, en de planten en boomen onttrokken haar aan de blikken van het daarbuiten wachtende gepeupel, dat nu spoedig vrijwillig uiteenging. Vóor de middendeur van het woonhuis steeg Orion en na hem de rentmeester uit den wagen, en terwijl de oude heer den zoon van den Mukaukas begroette, zag Nilus toe op het overbrengen van een tamelijk aantal zware zakken in de schaduwrijke werkkamer van den ouden heer.Bij dit alles was er voor Katharina niets merkwaardigs te zien dan het aanzienlijk aantal en de grootte van de zeker met goud gevulde buidels, en de man, waarom het haar vooraltedoen was. Zoo schoon was Orion haar nog nooit voorgekomen, want het laag neerhangende treurgewaad, waarvan hij de einden in breede plooien over den schouder had geslagen, deed de natuurlijke lengte van zijne gestalte nog beter uitkomen. Zijn overvloedig thans ongekruld haarhing in rijke kunstelooze golvingen langs zijn gelaat, dat er bleek en ernstig uitzag, hetgeen haar tegelijk roerde en onweerstaanbaar aantrok. De gedachte, dat deze uitmuntende jonkman eens hare hand gevraagd, haar bemind en gekust had, hem bezeten en daarna voor altijd verloren te hebben, omdat hij eene andere liefhad, deed haar pijn, als een gevoel van smart dat van de borst uitging, en zich tot in de hersenen deed gevoelen. Nadat Orion in het huis verdwenen was, meende zij hem nog altijd te zien, en toen zijn beeld daarna ook voor haar zielsoog verflauwde, en zij zich voorstelde hoe hij thans stond tegenover die andere, Paula, en deze evenzoo aanzag als haar eenige dagen geleden, verdubbelde haar zieleleed. Of die Damasceensche ook maar half zoo gelukkig was als zij in die onvergetelijke ure? Ach het was haar zoo wee om het hart! Het liefst ware zij over de heg gesprongen, om zich in ’s buurmans huis tusschen Paula en Orion te werpen.Daar zat zij nu rusteloos en toch zonder zich te verroeren, geheel beheerscht door booze gedachten, die maar zelden ter sluiks de ziel van een goed mensch doorkruisen, daar zat zij te staren op het huis van Rufinus. Dat lag daar doodstil in den gloeienden zonneschijn, als was het ingeslapen. Ook in den tuin bewoog en verroerde zich niets dan de dunne waterstraal, die uit het marmeren bekken opschoot met zacht, eentonig en telkens afgebroken geplas, niets dan de kapellen, vlinders, bijen en kevers,wier gegons zij niet hoorde en die de bloemen zonder eenig geluid schenen te omfladderen. De vogels sliepen zeker, want er vertoonde zich niet éen, geenenkele brak met zijn tjilpen en fluiten de benauwende stilte af. De carruca stond als voor de huisdeur vastgenageld, de voerman was van zijn zetel gestegen en had zich naast de andere slaven neergevleid in de smalle schaduwstrepen van de zuilen der veranda. Allen lieten het hoofd op de borst rusten en niemand sprak een woord; alleen de paarden verroerden zich, als zij met de volle staarten zich tegen de vliegen weerden, of beten naar de brandende wonden die zij gestoken hadden. Soms hieven zij onrustig de distelboom op, en als de wagen zich dan krakend achterwaarts bewoog liet de slaapdronken voerman zijn »brrr!” hooren.Katharina had een breed blad op haar schedel gelegd om zich te beschutten tegen het branden der zon, want zij durfde noch een zonnescherm noch een hoed gebruiken, uit vrees van gezien te zullen worden. De planten rondom haar gaven maar bitter weinig schaduw en de middaggloed kwelde haar, doch hoewel de eene minuut na de andere, kwartier op kwartier met slakkengang voortkropen, hield de spanning waarin zij verkeerde alle slaperigheid verre. Zij had geen zonnewijzer noodig om den tijd te berekenen, immers zij wist precies hoe laat het was wanneer de eene schaduw tot hier, de andere tot daar was getrokken, en wilde zij de oogen aan het gevaar blootstellen om naar den vuurbol boven haar op te zien, dan kon zij zich volkomen zekerheid verschaffen.Thans moesten er hoogstens nog drie kwartier verloopen voor het middag was en ginds in huis bleef alles even stil als te voren. De patriarch moest echter op zijn tijd afgewacht worden, en van haar geheele toilet had zij nog niet anders aangetrokken dan de gouden sandalen. Zij nam een kort besluit, ijlde naar hare kamer, verbood de kamenier haar kapsel opnieuw te ordenen en vergunde haar alleen eenige rozen te steken in de natuurlijke lokken. Vervolgens liet zij zich in vliegende haast haar zeegroen bombyxkleed, dat met fraai geborduurde randen omzoomd was, over de schouders werpen, beval den peplos te bevestigen met den eersten den besten haak, en toen zij zichzelve een armband van kostbare saffieren wilde aandoen en het slot daarbij brak, smeet zij het kleinood bij hare overige sieraden, gelijk men een onrijpen appel bij de anderen werpt. Spoedig sloop haar handje nu door een gouden spiraalveer, die haar halven arm bedekte, en eindelijk greep zij de overige kleinoodiën bijeen, die zij zichzelve buiten op den wachtheuvel wilde aandoen. De kamenier kreeg bevel haar op het middaguur te komen roepen met den ruiker voor den patriarch, en een kwartier nadat zij hare schuilplaats verlaten had, was zij er weer terug. Zij kwam op het rechte tijdstip,want terwijl zij de medegenomen sieraden aandeed kwam Nilus uit het huis, gevolgd door slaven met een aantal lederen zakken, die zij weder in de carruca legden. Hierna stegen de rentmeester en de arts Philippus in en de wagen verliet den tuin.»Paula vertrouwt Orion opnieuw haar vermogen toe,” dacht Katharina. »Zij zijn het nu eens, en van nu aan kan er eene geregelde verstandhouding tusschen het huis van Rufinus en het paleis van den stadhouder beginnen. Een slim overlegd spel, maar wacht eens, wacht!”Daarbij klemde zij de kleine witte tandjes op elkaar, doch behield tegenwoordigheid van geest genoeg, om niets over het hoofd te zien van hetgeen verder gebeurde. Gedurende hare afwezigheid toch was Orions zwarte hengst in den tuin gekomen, een ander ruiterte paardleidde het dier daar rond, en terwijl zij met hare oogen de paarden volgde, prevelde zij met een spottenden lach in zichzelven: »Hij neemt haar dus in elk geval niet dadelijk mee.”Wederom verliepen eenige stille oogenblikken; eindelijk kwam Paula uit het huis, en vlak achter haar, bijna aan hare zijde Orion. En hoe zagen zij er uit! Zijne wangen waren niet bleek meer, neen zeker niet, ze gloeiden evenals die van Katharina zelve! En hoe helder stonden zijne oogen, waarin blijdschap en tevredenheid te lezen was! Zij had wel eene slang willen zijn om beiden in de verzenen te steken! Bij dit alles had de Damasceensche hare edele, trotsche houding niet verloren. En hij?—Als een betooverde zag hij zijne geleidster aan, en zij meende te zien dat de plooien van zijn rouwgewaad zich boven zijn hart op en neder bewogen. Ook Paula droeg heden een rouwkleed. Natuurlijk! Zij behoorden immers bij elkander en zijn leed moest ook het hare zijn, hoewel zij het huis van den Mukaukas als eene gevangenis was ontvlucht. O, die deugdzame schoone wist wel, dat haar niets beter stond dan donkere kleuren. In houding, gang en grootte schenen deze beiden twee bevoorrechte schepsels, die het lot zelf voor elkander bestemd had; dat kon Katharina zich zelf niet ontveinzen.Een nijdige demon, zij noemde hem een vriendelijke, voerde hen zoo na aan haar voorbij, dat zij met hare scherpe ooren ieder woord verstond, dat hij en zij, nu eens langzaam voortwandelende, dan stilstaande spraken; en het vlugge kwikstaartje volgde hen, terwijl het langs de heg onmerkbaar voortsloop.»Ik heb u zooveel te danken,” waren de eerste woorden, die zij uit Orions mond opving, »dat ik schroom u nog één ding te vragen; maar juist dit betreft ook u. Gij weet hoe zwaar de wond is, die de kinderhand van Maria mij geslagenheeft, doch wat haar daartoe bewoog was hare brave, oprechte gezindheid en hare afgodische liefde voor u.”»Gij wilt dat ik mij dit kind zal aantrekken?” vroeg Paula. »Deze wensch is natuurlijk reeds dadelijk ingewilligd, alleen...”»Alleen?” vroeg Orion.»Alleen moet gij haar hierheen zenden, want gij weet dat ik het stadhouderlijk paleis niet weder betreden wil.”»Helaas! Maar het kind is zwaar ziek geweest en zal het huis moeielijk kunnen verlaten. En—dit moet ik er bijvoegen—mijne moeder ontwijkt het op eene wijze, die het toch reeds overprikkelde kind verdriet doet en telkens opnieuw beangstigt.”»Hoe kan vrouw Neforis haar hartediefje dat leed aandoen?”»Bedenk toch eens,” zeide Orion met een zucht, »wat mijne arme moeder voor mijn vader geweest is! Thans is zij als verpletterd en als zij het kind ziet, komt de laatste ure van haar ongelukkigen gemaal haar weder voor den geest, en wat mijn vader en mij toen is aangedaan, door Maria alleen. Zij ziet in die kleine de booze demon van ons huis.”»Dan moet men haar daaruit verwijderen,” zeide Paula bewogen. »Zend haar naar ons! Onder het dak van Rufinus huizen vriendelijke en vertroostende geesten.”»Hartelijk dank! Ik zal mijne moeder zoo dringend mogelijk vragen....”»Doe dat!” haastte Paula zich te zeggen. »Hebt gij Pulcheria, de dochter van mijn waardigen gastheer gezien?”»Ja, een eigenaardig lieftallig meisje.”»Zij geeft Maria dadelijk eene plaats in hare trouwe ziel.”»En onze arme kleine heeft eene vriendin noodig, sedert vrouw Susanna hare dochter heeft verboden den voet over onzen drempel te zetten.”Nu kwam het gesprek op de beide meisjes en zij spraken over haar als lieve, beklagenswaardige kinderen, en toen Orion opmerkte hoe ver zijn nichtje in ontwikkeling hare jaren vooruit was, voegde Paula er bij, op een toon van zacht verwijt: »Ook Katharina hebben de laatste dagen gerijpt; uit het flinke kind is een meisje geworden, welks kort geleden zoo luchtig hartje bezwaard is door pijnlijke ervaringen.”»Die last wentelt zij, als ik haar goed ken, weldra weder van zich af,” antwoordde de ander. »Zij is een lief, vroolijk, klein schepsel, en onder al het kwaad, dat ik op dien vreeselijken dag heb begaan, heb ik haar misschien het ergste leed aangedaan. Ik kan niets tot mijne verontschuldiging aanvoeren, en toch: alleen om den lievelingswensch van mijne moeder te vervullen, stemde ik toe om haar te vragen... Maar sprekenwij daarover niet verder! De groote schreden waarmede ik van nu aan mijn weg verder vervolgen wil, moet zij kunnen volgen, wie de liefde den moed geeft om mijne levensgezellin te worden!”De laatste woorden had Katharina nog met alle inspanning verstaan, thans sloegen de beluisterdeneenpad in dat, maar even door enkele boomen voor de middagzon beschut, naar het waterbekken in het midden van den tuin leidde, en zij verwijderden zich al verder en verder. Zij verstond niet meer wat zij zeiden, doch zij had genoeg gehoord en kon de rest er wel bij denken. Het hoofddoel van hare tegenwoordigheid aan deze plaats was bereikt; zij meende nu zeker te weten wie die andere was. En hoe hadden die twee over haar gesproken! Niet als over eene verlatene bruid, wier goed recht men met voeten heeft getreden, maar als over een kind, dat men de deur wijst, wanneer het lastig begint te worden. Doch zij meende dat paar daarginds te doorzien en te weten, waarom het dus over haar gesproken had. Paula moest voorkomen dat er een nieuwe band tusschen haar en Orion geknoopt werd, en hij hield het voor verstandig over haar, die hij toch eens met teederheid had overladen, te spreken als over een kind, om zich te vrijwaren voor de jaloezie van de andere die zoo gestreng oordeelde. Dat hij haar althans op dien avond onder de boomen had liefgehad, daaraan hield zij met onwrikbare taaiheid vast, aan deze overtuiging moest zij zich vastklemmen, om niet het laatste steunpunt te verliezen. Hare geheele natuur was in geweldigen opstand. Hare handen beefden, bij deze middaghitte was haar mond als verdroogd. Zij wist dat er verdord loof tusschen hare voeten en de sandalen was geraakt, en dat bladeren en takjes in heure haren waren blijven hangen doch zij lette hierop niet, en toen de de dichte struiken de wandelenden aan hare blikken onttrokken, snelde zij naar haar uitkijk terug. Dáar kon zij hen weder met het oog bereiken, en nu had zij het liefste en beste wat zij bezat willen geven om dat te zijn, waarmede zij zich ongaarne hoorde vergelijken: een kwikstaartje of een andere vogel.Het middaguur moest nabij, zeer nabij zijn, misschien was het reeds daar; zij maakte hare sandalen schoon, en gaf er geen acht op dat eene roos op den grond viel, terwijl zij hare krullen weder in orde bracht en zuiverde van de dorre bladeren. Alleen de handen, niet de oogen waren met dit werk bezig. Plotseling verhelderde haar blik, want het paar dat zij bespiedde, liep recht op de heg toe, en weldra zou het haar mogelijk zijn hen weder te beluisteren.
TWEE-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.Tot voor weinige dagen was de kleine Katharina een onzelfstandig en gehoorzaam kind geweest, dat er eene eer in gesteld had niet alleen hare moeder maar ook vrouw Neforis en, sedert hare eigene Grieksche opvoedster het huis verlaten had, zelfs de bitse Eudoxia zoo snel mogelijk en op haar wenk te gehoorzamen. Ook het kleinste vergrijp tegen hetgeen haar bevolen was, ook eene ondeugendheid of eigenmachtige handeling zou zij voor hare moeder en hare degelijke opvoedster, waaraan zij gehecht was, niet verborgen hebben; ja het was haar onmogelijk geweest in te slapen zonder voor het avondgebed alles wat zij in haar eigen klein hart als niet volkomen in den haak beschouwde, te bekennen aan eene andere die zij liefhad en van deze volle vergeving te hebben ontvangen. Zorgeloos en met een geweten zoo blank als de borst van hare witste duif was het kwikstaartje avond aan avond ingeslapen, en het ergste wat zij overdag misdreven had bestond in eene verbodene klauterpartij, en meestentijds in een heftig of onvriendelijk woord.Sedert Orion’s kus onder den bedwelmenden geur der bloeiende boomen had de eerste omkeering bij haar plaats gegrepen en bijna ieder volgend uur had nieuwe wenschen en beschouwingen in haar gewekt. Wat vroeger niet bij haar was opgekomen, namelijk zich een oordeel over hare moeder aan te matigen, dat deed zij nu onophoudelijk. De manier, waarop deze met de vrienden van het stadhouderlijk verblijf gebroken had scheen haar verkeerd en onbetamelijk, en de hatelijke, bittere uitvallen tegen de oude vrienden, waarvan vrouw Susanna’s mond overvloeide, ergerde Katharina en brachten haar eindelijk in tegenspraak met haar, wier oordeel haar tot hiertoe onfeilbaar was toegeschenen. Nadat het paleis van den overleden Mukaukas voor haar gesloten was, bezat zij dus niemand, aan wie zij gaarne haar vertrouwen had geschonken, en tusschen Paula en haar rezen scheidsmuren op, tegen welker hoogte zijangstig opzag zoo vaak zij toegaf aan het verlangen om ze te overschrijden. Zij was zeker de andere van wie Orion gesproken had, en hoewel zij aan den avond na de begrafenis van zijn vader heimelijk tot Paula was gekomen, zoo had minder een brandend verlangen om vertrouwelijk te spreken met een deelnemend gemoed haar daartoe gedreven, dan wel eene kwellende met ijverzucht gepaarde nieuwsgierigheid. In een zonderling gemengde stemming van teeder verlangen en doffe haat was zij door de heg geslopen, en toen het tot eene tweede ontmoeting gekomen was, had zij zich aanvankelijk geheel overgegeven aan het genot, om zich openhartig uit te spreken en gehoor te vinden bij eene die zoo ver boven haar stond. Doch na Paulas terughouding bij het antwoorden op hare rondborstige vragen, waren haat en nijd weder in haar ontwaakt. Wie Orion niet haatte, moest hem volgens haar inzicht liefhebben. Behoorden die twee reeds bij elkander?Misschien had Paula haar onder de sykomore slechts als een lichtgeloovig kind behandeld en haar wat wijs gemaakt. Dit ‘misschien’ martelde haar, en zij wilde althans beproeven er een einde aan te maken. Een helper had zij tot hare beschikking in den persoon van haar zoogbroeder, den zoon van hare doove voedster, en zij wist dat deze blindelings al hare wenschen vervullen, ja als het haar aangenaam kon zijn, zich midden onder dekrokodillenvan den Nijl werpen zou. De jonge Anubis had in al hare kinderspelen gedeeld en op zijn veertiende jaar was hij, nadat hij met haar lezen en schrijven had geleerd, op voorspraak van hare moeder als leerling op het rentmeesterskantoor van den stadhouder gekomen, om daar onder den voortreffelijken rentmeester Nilus zich verder te bekwamen. Vrouw Susanna dacht hem later op hare goederen te gebruiken of hem te Memphis aan het hoofdkantoor van het bestuur over haar vermogen eene aanstelling te bezorgen, die aan zijne bekwaamheden beantwoordde. De knaap woonde nog steeds bij zijne moeder ten huize van de weduwe, doch bracht zijne werkdagen door in het stadhouderlijk paleis, waar hij zich bij den arbeid zeer vlijtig betoonde, terwijl hij zich in zijne vrije uren bezig hield met dingen, die ver buiten zijn toekomstig beroep lagen. Op verzoek van Katharina had hij eene duivenpost aangelegd tusschen het huis harer moeder en het paleis van den stadhouder, en langs dezen weg was menig briefje met kleine mededeelingen, uitnoodigingen, afspraken en dergelijken van het kwikstaartje tot de kleine Maria en van deze weder tot haar overgebracht. Anubis vermaakte zich bijzonder met die kleine diertjes, en met goedkeuring van zijne meesters was de duivenslag op het dak van het rentmeestersambt getimmerd. Maria lag nu op het ziekbeden elke gemeenschap met haar was afgebroken; de goed ingerichte post behoefde daarom niet ongebruikt te blijven en Katharina was begonnen zich daarvan voor andere doeleinden te bedienen.Orions schrijver was gisteren zeer lang opgehouden ten huize van haar buurman, en door Anubis, wien niets ontging wat in het kantoor van Nilus verhandeld werd, was zij te weten gekomen dat aan Paula eerlang haar vermogen zou worden uitgekeerd, en waarschijnlijk wel door Orion in persoon. Bij die gelegenheid moest een onderhoud plaats hebben, en misschien was het haar vergund dit af te luisteren. Hoe dat kon bewerkstelligd worden, was haar ten aanzien van ’s buurmans huis dikwijls genoeg op de proef gebleken; zij had alleen te zorgen ter rechter tijd op de plaats te zijn.In den morgen, die op den nacht der maansverduistering volgde, omstreeks twee en een half uur voor den middag, bracht de kleine duivenoppasser, die de gevleugelde boden in den slag voederde, haar een briefje, waarop Anubis geschreven had, dat Orion zich gereed maakte om heen te gaan. Deze tijding werd echter niet bijzonder vriendelijk ontvangen, want dit tijdstip kwam haar zeer ongelegen. Heel in de vroegte toch had de bisschop Plotinos hare moeder medegedeeld, dat de patriarch Benjamin uit Alexandrië zich aan gene zijde van den Nijl bij den Arabischen gouverneur Amr bevond, om wat later Memphis met een bezoek te vereeren. De patriarch zou éen dag vertoeven, had voor elke plechtige ontvangst bedankt, en het aan hem overgelaten een geschikt kwartier te zoeken voor zijn persoon en voor hen die hem vergezelden, daar hij niet wenschte af te stappen aan het stadhouderlijk paleis. De ijdele weduwe had zich terstond volgaarne bereid verklaard, om den hoogen gast onder haar dak te herbergen. Het bezoek van den kerkvorst moest haar huis zegen aanbrengen, en zij dacht daaruit eenig voordeel te trekken ook voor veel, dat haar thans bezighield. Den patriarch moest eene prachtige ontvangst worden bereid. Daarvoor bleven haar maar weinige uren over, en daarom begon zij, nog vóór de bisschop van haar afscheid had genomen, hare bedienden samen te roepen en hare bevelen te geven. Het geheele huis moest van boven tot beneden schoon gemaakt worden; een deel van het keukenpersoneel moest haastig naar de stad gaan om inkoopen te doen, terwijl een ander deel alles aan den haard in gereedheid bracht. De tuinlieden plunderden de bloembedden en heesters om guirlandes, kransen en ruikers voor de ontvangst in orde te brengen. Van den kelder tot op den beganen vloer waren een vijftigtal blanke, bruine en zwarte slaven met alle kracht in de weer; want ieder meende doordezen dienstijver ter wille van den patriarch op de bijzondere genade des hemels te mogen rekenen, en daarbij schreeuwde hunne onvermoeide meesteres hun gestadig toe, wat zij verlangde dat gedaan zou worden. Zij, die als meisje de oudste dochter was geweest van een gezin dat rijk met kinderen gezegend, maar minder met goederen bedeeld was, en zelf de handen had moeten uitsteken, vergat heden dat zij eene rijke aanzienlijke vrouw was geworden, wie het niet meer paste in persoon huis te houden, en zoo was zij nu hier, dan daar, hield een oog op alles, op ieder groot en klein, alleen niet op hare dochter.Katharina was het fijne, Grieksch opgevoede popje des huizes, aan wier ernstige hulp niet gedacht kon worden; ja, zij zou meer in den weg hebben gestaan. Na het afscheid van den bisschop had zij enkel den last bekomen, den patriarch in haar beste kleed met een ruiker te ontvangen onder het linnen afdak aan de hoofddeur. Meer verlangde Susanna van hare dochter niet, en deze dacht, terwijl zij de trap opvloog die naar hare kamer geleidde: »Orion zal weldra komen, vóor het middag is verloopen er nog ten minste twee uren, en wanneer hij een half uur hier naast blijft, is het al lang. Ik zal nog tijd genoeg overhouden om mij te kleeden, en uit voorzichtigheid zal ik mij de nieuwe schoenen reeds dadelijk aan de voeten laten binden. De voedster en de kamenier mogen mijne kamer niet meer verlaten Voor het geval dat het wat later wordt moeten zij alles gereed houden, want misschien hebben Paula en hij elkander veel te zeggen. Zonder eene terechtwijzing laat zij hem niet gaan, tenzij zij hare verwijten reeds op eene andere manier aan den man heeft gebracht.”Spoedig hierop sprong zij, met fraaie, met gouddraad doorstikte en blauwe saffieren bezaaide sandalen aan de kleine voeten, op een met zoden belegden aardheuvel, die zij reeds vroeger had laten maken achter de heg, waardoor zij gisteren gekropen was, en zette zich daar met een tevreden lachje op een zeteltje neer, als gold het eene theatervoorstelling. Eenige bladplanten, die achter deze verborgen zitplaats groeiden, beschutten haar eenigermate voor het branden der zon, en terwijl zij op dezen uitkijk, waarvan zij zich niet voor de eerste maal bediende, wachtte en luisterde, begon haar hartje steeds sneller te kloppen, ja, zij vergat door hare groote gejaagdheid het suikerwerk, dat zij, om den tijd te verdrijven, op een groot blad in haar schoot had gestrooid. Tot haar geluk liet Orion niet lang op zich wachten, hij kwam in de gesloten vierwielige carruca van zijne moeder. Naast den voerman zat een dienaar, en op elk der beide treden van de deuren van het voertuig zat een slaaf. De wagen werd gevolgd door eenige nietsdoende mannen en vrouwenen eene schare van halfnaakte kinderen. Maar de nieuwsgierigen hadden zich misrekend, want de carruca bleef niet op straat stilstaan; zij reed den tuin van Rufinus binnen, en de planten en boomen onttrokken haar aan de blikken van het daarbuiten wachtende gepeupel, dat nu spoedig vrijwillig uiteenging. Vóor de middendeur van het woonhuis steeg Orion en na hem de rentmeester uit den wagen, en terwijl de oude heer den zoon van den Mukaukas begroette, zag Nilus toe op het overbrengen van een tamelijk aantal zware zakken in de schaduwrijke werkkamer van den ouden heer.Bij dit alles was er voor Katharina niets merkwaardigs te zien dan het aanzienlijk aantal en de grootte van de zeker met goud gevulde buidels, en de man, waarom het haar vooraltedoen was. Zoo schoon was Orion haar nog nooit voorgekomen, want het laag neerhangende treurgewaad, waarvan hij de einden in breede plooien over den schouder had geslagen, deed de natuurlijke lengte van zijne gestalte nog beter uitkomen. Zijn overvloedig thans ongekruld haarhing in rijke kunstelooze golvingen langs zijn gelaat, dat er bleek en ernstig uitzag, hetgeen haar tegelijk roerde en onweerstaanbaar aantrok. De gedachte, dat deze uitmuntende jonkman eens hare hand gevraagd, haar bemind en gekust had, hem bezeten en daarna voor altijd verloren te hebben, omdat hij eene andere liefhad, deed haar pijn, als een gevoel van smart dat van de borst uitging, en zich tot in de hersenen deed gevoelen. Nadat Orion in het huis verdwenen was, meende zij hem nog altijd te zien, en toen zijn beeld daarna ook voor haar zielsoog verflauwde, en zij zich voorstelde hoe hij thans stond tegenover die andere, Paula, en deze evenzoo aanzag als haar eenige dagen geleden, verdubbelde haar zieleleed. Of die Damasceensche ook maar half zoo gelukkig was als zij in die onvergetelijke ure? Ach het was haar zoo wee om het hart! Het liefst ware zij over de heg gesprongen, om zich in ’s buurmans huis tusschen Paula en Orion te werpen.Daar zat zij nu rusteloos en toch zonder zich te verroeren, geheel beheerscht door booze gedachten, die maar zelden ter sluiks de ziel van een goed mensch doorkruisen, daar zat zij te staren op het huis van Rufinus. Dat lag daar doodstil in den gloeienden zonneschijn, als was het ingeslapen. Ook in den tuin bewoog en verroerde zich niets dan de dunne waterstraal, die uit het marmeren bekken opschoot met zacht, eentonig en telkens afgebroken geplas, niets dan de kapellen, vlinders, bijen en kevers,wier gegons zij niet hoorde en die de bloemen zonder eenig geluid schenen te omfladderen. De vogels sliepen zeker, want er vertoonde zich niet éen, geenenkele brak met zijn tjilpen en fluiten de benauwende stilte af. De carruca stond als voor de huisdeur vastgenageld, de voerman was van zijn zetel gestegen en had zich naast de andere slaven neergevleid in de smalle schaduwstrepen van de zuilen der veranda. Allen lieten het hoofd op de borst rusten en niemand sprak een woord; alleen de paarden verroerden zich, als zij met de volle staarten zich tegen de vliegen weerden, of beten naar de brandende wonden die zij gestoken hadden. Soms hieven zij onrustig de distelboom op, en als de wagen zich dan krakend achterwaarts bewoog liet de slaapdronken voerman zijn »brrr!” hooren.Katharina had een breed blad op haar schedel gelegd om zich te beschutten tegen het branden der zon, want zij durfde noch een zonnescherm noch een hoed gebruiken, uit vrees van gezien te zullen worden. De planten rondom haar gaven maar bitter weinig schaduw en de middaggloed kwelde haar, doch hoewel de eene minuut na de andere, kwartier op kwartier met slakkengang voortkropen, hield de spanning waarin zij verkeerde alle slaperigheid verre. Zij had geen zonnewijzer noodig om den tijd te berekenen, immers zij wist precies hoe laat het was wanneer de eene schaduw tot hier, de andere tot daar was getrokken, en wilde zij de oogen aan het gevaar blootstellen om naar den vuurbol boven haar op te zien, dan kon zij zich volkomen zekerheid verschaffen.Thans moesten er hoogstens nog drie kwartier verloopen voor het middag was en ginds in huis bleef alles even stil als te voren. De patriarch moest echter op zijn tijd afgewacht worden, en van haar geheele toilet had zij nog niet anders aangetrokken dan de gouden sandalen. Zij nam een kort besluit, ijlde naar hare kamer, verbood de kamenier haar kapsel opnieuw te ordenen en vergunde haar alleen eenige rozen te steken in de natuurlijke lokken. Vervolgens liet zij zich in vliegende haast haar zeegroen bombyxkleed, dat met fraai geborduurde randen omzoomd was, over de schouders werpen, beval den peplos te bevestigen met den eersten den besten haak, en toen zij zichzelve een armband van kostbare saffieren wilde aandoen en het slot daarbij brak, smeet zij het kleinood bij hare overige sieraden, gelijk men een onrijpen appel bij de anderen werpt. Spoedig sloop haar handje nu door een gouden spiraalveer, die haar halven arm bedekte, en eindelijk greep zij de overige kleinoodiën bijeen, die zij zichzelve buiten op den wachtheuvel wilde aandoen. De kamenier kreeg bevel haar op het middaguur te komen roepen met den ruiker voor den patriarch, en een kwartier nadat zij hare schuilplaats verlaten had, was zij er weer terug. Zij kwam op het rechte tijdstip,want terwijl zij de medegenomen sieraden aandeed kwam Nilus uit het huis, gevolgd door slaven met een aantal lederen zakken, die zij weder in de carruca legden. Hierna stegen de rentmeester en de arts Philippus in en de wagen verliet den tuin.»Paula vertrouwt Orion opnieuw haar vermogen toe,” dacht Katharina. »Zij zijn het nu eens, en van nu aan kan er eene geregelde verstandhouding tusschen het huis van Rufinus en het paleis van den stadhouder beginnen. Een slim overlegd spel, maar wacht eens, wacht!”Daarbij klemde zij de kleine witte tandjes op elkaar, doch behield tegenwoordigheid van geest genoeg, om niets over het hoofd te zien van hetgeen verder gebeurde. Gedurende hare afwezigheid toch was Orions zwarte hengst in den tuin gekomen, een ander ruiterte paardleidde het dier daar rond, en terwijl zij met hare oogen de paarden volgde, prevelde zij met een spottenden lach in zichzelven: »Hij neemt haar dus in elk geval niet dadelijk mee.”Wederom verliepen eenige stille oogenblikken; eindelijk kwam Paula uit het huis, en vlak achter haar, bijna aan hare zijde Orion. En hoe zagen zij er uit! Zijne wangen waren niet bleek meer, neen zeker niet, ze gloeiden evenals die van Katharina zelve! En hoe helder stonden zijne oogen, waarin blijdschap en tevredenheid te lezen was! Zij had wel eene slang willen zijn om beiden in de verzenen te steken! Bij dit alles had de Damasceensche hare edele, trotsche houding niet verloren. En hij?—Als een betooverde zag hij zijne geleidster aan, en zij meende te zien dat de plooien van zijn rouwgewaad zich boven zijn hart op en neder bewogen. Ook Paula droeg heden een rouwkleed. Natuurlijk! Zij behoorden immers bij elkander en zijn leed moest ook het hare zijn, hoewel zij het huis van den Mukaukas als eene gevangenis was ontvlucht. O, die deugdzame schoone wist wel, dat haar niets beter stond dan donkere kleuren. In houding, gang en grootte schenen deze beiden twee bevoorrechte schepsels, die het lot zelf voor elkander bestemd had; dat kon Katharina zich zelf niet ontveinzen.Een nijdige demon, zij noemde hem een vriendelijke, voerde hen zoo na aan haar voorbij, dat zij met hare scherpe ooren ieder woord verstond, dat hij en zij, nu eens langzaam voortwandelende, dan stilstaande spraken; en het vlugge kwikstaartje volgde hen, terwijl het langs de heg onmerkbaar voortsloop.»Ik heb u zooveel te danken,” waren de eerste woorden, die zij uit Orions mond opving, »dat ik schroom u nog één ding te vragen; maar juist dit betreft ook u. Gij weet hoe zwaar de wond is, die de kinderhand van Maria mij geslagenheeft, doch wat haar daartoe bewoog was hare brave, oprechte gezindheid en hare afgodische liefde voor u.”»Gij wilt dat ik mij dit kind zal aantrekken?” vroeg Paula. »Deze wensch is natuurlijk reeds dadelijk ingewilligd, alleen...”»Alleen?” vroeg Orion.»Alleen moet gij haar hierheen zenden, want gij weet dat ik het stadhouderlijk paleis niet weder betreden wil.”»Helaas! Maar het kind is zwaar ziek geweest en zal het huis moeielijk kunnen verlaten. En—dit moet ik er bijvoegen—mijne moeder ontwijkt het op eene wijze, die het toch reeds overprikkelde kind verdriet doet en telkens opnieuw beangstigt.”»Hoe kan vrouw Neforis haar hartediefje dat leed aandoen?”»Bedenk toch eens,” zeide Orion met een zucht, »wat mijne arme moeder voor mijn vader geweest is! Thans is zij als verpletterd en als zij het kind ziet, komt de laatste ure van haar ongelukkigen gemaal haar weder voor den geest, en wat mijn vader en mij toen is aangedaan, door Maria alleen. Zij ziet in die kleine de booze demon van ons huis.”»Dan moet men haar daaruit verwijderen,” zeide Paula bewogen. »Zend haar naar ons! Onder het dak van Rufinus huizen vriendelijke en vertroostende geesten.”»Hartelijk dank! Ik zal mijne moeder zoo dringend mogelijk vragen....”»Doe dat!” haastte Paula zich te zeggen. »Hebt gij Pulcheria, de dochter van mijn waardigen gastheer gezien?”»Ja, een eigenaardig lieftallig meisje.”»Zij geeft Maria dadelijk eene plaats in hare trouwe ziel.”»En onze arme kleine heeft eene vriendin noodig, sedert vrouw Susanna hare dochter heeft verboden den voet over onzen drempel te zetten.”Nu kwam het gesprek op de beide meisjes en zij spraken over haar als lieve, beklagenswaardige kinderen, en toen Orion opmerkte hoe ver zijn nichtje in ontwikkeling hare jaren vooruit was, voegde Paula er bij, op een toon van zacht verwijt: »Ook Katharina hebben de laatste dagen gerijpt; uit het flinke kind is een meisje geworden, welks kort geleden zoo luchtig hartje bezwaard is door pijnlijke ervaringen.”»Die last wentelt zij, als ik haar goed ken, weldra weder van zich af,” antwoordde de ander. »Zij is een lief, vroolijk, klein schepsel, en onder al het kwaad, dat ik op dien vreeselijken dag heb begaan, heb ik haar misschien het ergste leed aangedaan. Ik kan niets tot mijne verontschuldiging aanvoeren, en toch: alleen om den lievelingswensch van mijne moeder te vervullen, stemde ik toe om haar te vragen... Maar sprekenwij daarover niet verder! De groote schreden waarmede ik van nu aan mijn weg verder vervolgen wil, moet zij kunnen volgen, wie de liefde den moed geeft om mijne levensgezellin te worden!”De laatste woorden had Katharina nog met alle inspanning verstaan, thans sloegen de beluisterdeneenpad in dat, maar even door enkele boomen voor de middagzon beschut, naar het waterbekken in het midden van den tuin leidde, en zij verwijderden zich al verder en verder. Zij verstond niet meer wat zij zeiden, doch zij had genoeg gehoord en kon de rest er wel bij denken. Het hoofddoel van hare tegenwoordigheid aan deze plaats was bereikt; zij meende nu zeker te weten wie die andere was. En hoe hadden die twee over haar gesproken! Niet als over eene verlatene bruid, wier goed recht men met voeten heeft getreden, maar als over een kind, dat men de deur wijst, wanneer het lastig begint te worden. Doch zij meende dat paar daarginds te doorzien en te weten, waarom het dus over haar gesproken had. Paula moest voorkomen dat er een nieuwe band tusschen haar en Orion geknoopt werd, en hij hield het voor verstandig over haar, die hij toch eens met teederheid had overladen, te spreken als over een kind, om zich te vrijwaren voor de jaloezie van de andere die zoo gestreng oordeelde. Dat hij haar althans op dien avond onder de boomen had liefgehad, daaraan hield zij met onwrikbare taaiheid vast, aan deze overtuiging moest zij zich vastklemmen, om niet het laatste steunpunt te verliezen. Hare geheele natuur was in geweldigen opstand. Hare handen beefden, bij deze middaghitte was haar mond als verdroogd. Zij wist dat er verdord loof tusschen hare voeten en de sandalen was geraakt, en dat bladeren en takjes in heure haren waren blijven hangen doch zij lette hierop niet, en toen de de dichte struiken de wandelenden aan hare blikken onttrokken, snelde zij naar haar uitkijk terug. Dáar kon zij hen weder met het oog bereiken, en nu had zij het liefste en beste wat zij bezat willen geven om dat te zijn, waarmede zij zich ongaarne hoorde vergelijken: een kwikstaartje of een andere vogel.Het middaguur moest nabij, zeer nabij zijn, misschien was het reeds daar; zij maakte hare sandalen schoon, en gaf er geen acht op dat eene roos op den grond viel, terwijl zij hare krullen weder in orde bracht en zuiverde van de dorre bladeren. Alleen de handen, niet de oogen waren met dit werk bezig. Plotseling verhelderde haar blik, want het paar dat zij bespiedde, liep recht op de heg toe, en weldra zou het haar mogelijk zijn hen weder te beluisteren.
TWEE-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.Tot voor weinige dagen was de kleine Katharina een onzelfstandig en gehoorzaam kind geweest, dat er eene eer in gesteld had niet alleen hare moeder maar ook vrouw Neforis en, sedert hare eigene Grieksche opvoedster het huis verlaten had, zelfs de bitse Eudoxia zoo snel mogelijk en op haar wenk te gehoorzamen. Ook het kleinste vergrijp tegen hetgeen haar bevolen was, ook eene ondeugendheid of eigenmachtige handeling zou zij voor hare moeder en hare degelijke opvoedster, waaraan zij gehecht was, niet verborgen hebben; ja het was haar onmogelijk geweest in te slapen zonder voor het avondgebed alles wat zij in haar eigen klein hart als niet volkomen in den haak beschouwde, te bekennen aan eene andere die zij liefhad en van deze volle vergeving te hebben ontvangen. Zorgeloos en met een geweten zoo blank als de borst van hare witste duif was het kwikstaartje avond aan avond ingeslapen, en het ergste wat zij overdag misdreven had bestond in eene verbodene klauterpartij, en meestentijds in een heftig of onvriendelijk woord.Sedert Orion’s kus onder den bedwelmenden geur der bloeiende boomen had de eerste omkeering bij haar plaats gegrepen en bijna ieder volgend uur had nieuwe wenschen en beschouwingen in haar gewekt. Wat vroeger niet bij haar was opgekomen, namelijk zich een oordeel over hare moeder aan te matigen, dat deed zij nu onophoudelijk. De manier, waarop deze met de vrienden van het stadhouderlijk verblijf gebroken had scheen haar verkeerd en onbetamelijk, en de hatelijke, bittere uitvallen tegen de oude vrienden, waarvan vrouw Susanna’s mond overvloeide, ergerde Katharina en brachten haar eindelijk in tegenspraak met haar, wier oordeel haar tot hiertoe onfeilbaar was toegeschenen. Nadat het paleis van den overleden Mukaukas voor haar gesloten was, bezat zij dus niemand, aan wie zij gaarne haar vertrouwen had geschonken, en tusschen Paula en haar rezen scheidsmuren op, tegen welker hoogte zijangstig opzag zoo vaak zij toegaf aan het verlangen om ze te overschrijden. Zij was zeker de andere van wie Orion gesproken had, en hoewel zij aan den avond na de begrafenis van zijn vader heimelijk tot Paula was gekomen, zoo had minder een brandend verlangen om vertrouwelijk te spreken met een deelnemend gemoed haar daartoe gedreven, dan wel eene kwellende met ijverzucht gepaarde nieuwsgierigheid. In een zonderling gemengde stemming van teeder verlangen en doffe haat was zij door de heg geslopen, en toen het tot eene tweede ontmoeting gekomen was, had zij zich aanvankelijk geheel overgegeven aan het genot, om zich openhartig uit te spreken en gehoor te vinden bij eene die zoo ver boven haar stond. Doch na Paulas terughouding bij het antwoorden op hare rondborstige vragen, waren haat en nijd weder in haar ontwaakt. Wie Orion niet haatte, moest hem volgens haar inzicht liefhebben. Behoorden die twee reeds bij elkander?Misschien had Paula haar onder de sykomore slechts als een lichtgeloovig kind behandeld en haar wat wijs gemaakt. Dit ‘misschien’ martelde haar, en zij wilde althans beproeven er een einde aan te maken. Een helper had zij tot hare beschikking in den persoon van haar zoogbroeder, den zoon van hare doove voedster, en zij wist dat deze blindelings al hare wenschen vervullen, ja als het haar aangenaam kon zijn, zich midden onder dekrokodillenvan den Nijl werpen zou. De jonge Anubis had in al hare kinderspelen gedeeld en op zijn veertiende jaar was hij, nadat hij met haar lezen en schrijven had geleerd, op voorspraak van hare moeder als leerling op het rentmeesterskantoor van den stadhouder gekomen, om daar onder den voortreffelijken rentmeester Nilus zich verder te bekwamen. Vrouw Susanna dacht hem later op hare goederen te gebruiken of hem te Memphis aan het hoofdkantoor van het bestuur over haar vermogen eene aanstelling te bezorgen, die aan zijne bekwaamheden beantwoordde. De knaap woonde nog steeds bij zijne moeder ten huize van de weduwe, doch bracht zijne werkdagen door in het stadhouderlijk paleis, waar hij zich bij den arbeid zeer vlijtig betoonde, terwijl hij zich in zijne vrije uren bezig hield met dingen, die ver buiten zijn toekomstig beroep lagen. Op verzoek van Katharina had hij eene duivenpost aangelegd tusschen het huis harer moeder en het paleis van den stadhouder, en langs dezen weg was menig briefje met kleine mededeelingen, uitnoodigingen, afspraken en dergelijken van het kwikstaartje tot de kleine Maria en van deze weder tot haar overgebracht. Anubis vermaakte zich bijzonder met die kleine diertjes, en met goedkeuring van zijne meesters was de duivenslag op het dak van het rentmeestersambt getimmerd. Maria lag nu op het ziekbeden elke gemeenschap met haar was afgebroken; de goed ingerichte post behoefde daarom niet ongebruikt te blijven en Katharina was begonnen zich daarvan voor andere doeleinden te bedienen.Orions schrijver was gisteren zeer lang opgehouden ten huize van haar buurman, en door Anubis, wien niets ontging wat in het kantoor van Nilus verhandeld werd, was zij te weten gekomen dat aan Paula eerlang haar vermogen zou worden uitgekeerd, en waarschijnlijk wel door Orion in persoon. Bij die gelegenheid moest een onderhoud plaats hebben, en misschien was het haar vergund dit af te luisteren. Hoe dat kon bewerkstelligd worden, was haar ten aanzien van ’s buurmans huis dikwijls genoeg op de proef gebleken; zij had alleen te zorgen ter rechter tijd op de plaats te zijn.In den morgen, die op den nacht der maansverduistering volgde, omstreeks twee en een half uur voor den middag, bracht de kleine duivenoppasser, die de gevleugelde boden in den slag voederde, haar een briefje, waarop Anubis geschreven had, dat Orion zich gereed maakte om heen te gaan. Deze tijding werd echter niet bijzonder vriendelijk ontvangen, want dit tijdstip kwam haar zeer ongelegen. Heel in de vroegte toch had de bisschop Plotinos hare moeder medegedeeld, dat de patriarch Benjamin uit Alexandrië zich aan gene zijde van den Nijl bij den Arabischen gouverneur Amr bevond, om wat later Memphis met een bezoek te vereeren. De patriarch zou éen dag vertoeven, had voor elke plechtige ontvangst bedankt, en het aan hem overgelaten een geschikt kwartier te zoeken voor zijn persoon en voor hen die hem vergezelden, daar hij niet wenschte af te stappen aan het stadhouderlijk paleis. De ijdele weduwe had zich terstond volgaarne bereid verklaard, om den hoogen gast onder haar dak te herbergen. Het bezoek van den kerkvorst moest haar huis zegen aanbrengen, en zij dacht daaruit eenig voordeel te trekken ook voor veel, dat haar thans bezighield. Den patriarch moest eene prachtige ontvangst worden bereid. Daarvoor bleven haar maar weinige uren over, en daarom begon zij, nog vóór de bisschop van haar afscheid had genomen, hare bedienden samen te roepen en hare bevelen te geven. Het geheele huis moest van boven tot beneden schoon gemaakt worden; een deel van het keukenpersoneel moest haastig naar de stad gaan om inkoopen te doen, terwijl een ander deel alles aan den haard in gereedheid bracht. De tuinlieden plunderden de bloembedden en heesters om guirlandes, kransen en ruikers voor de ontvangst in orde te brengen. Van den kelder tot op den beganen vloer waren een vijftigtal blanke, bruine en zwarte slaven met alle kracht in de weer; want ieder meende doordezen dienstijver ter wille van den patriarch op de bijzondere genade des hemels te mogen rekenen, en daarbij schreeuwde hunne onvermoeide meesteres hun gestadig toe, wat zij verlangde dat gedaan zou worden. Zij, die als meisje de oudste dochter was geweest van een gezin dat rijk met kinderen gezegend, maar minder met goederen bedeeld was, en zelf de handen had moeten uitsteken, vergat heden dat zij eene rijke aanzienlijke vrouw was geworden, wie het niet meer paste in persoon huis te houden, en zoo was zij nu hier, dan daar, hield een oog op alles, op ieder groot en klein, alleen niet op hare dochter.Katharina was het fijne, Grieksch opgevoede popje des huizes, aan wier ernstige hulp niet gedacht kon worden; ja, zij zou meer in den weg hebben gestaan. Na het afscheid van den bisschop had zij enkel den last bekomen, den patriarch in haar beste kleed met een ruiker te ontvangen onder het linnen afdak aan de hoofddeur. Meer verlangde Susanna van hare dochter niet, en deze dacht, terwijl zij de trap opvloog die naar hare kamer geleidde: »Orion zal weldra komen, vóor het middag is verloopen er nog ten minste twee uren, en wanneer hij een half uur hier naast blijft, is het al lang. Ik zal nog tijd genoeg overhouden om mij te kleeden, en uit voorzichtigheid zal ik mij de nieuwe schoenen reeds dadelijk aan de voeten laten binden. De voedster en de kamenier mogen mijne kamer niet meer verlaten Voor het geval dat het wat later wordt moeten zij alles gereed houden, want misschien hebben Paula en hij elkander veel te zeggen. Zonder eene terechtwijzing laat zij hem niet gaan, tenzij zij hare verwijten reeds op eene andere manier aan den man heeft gebracht.”Spoedig hierop sprong zij, met fraaie, met gouddraad doorstikte en blauwe saffieren bezaaide sandalen aan de kleine voeten, op een met zoden belegden aardheuvel, die zij reeds vroeger had laten maken achter de heg, waardoor zij gisteren gekropen was, en zette zich daar met een tevreden lachje op een zeteltje neer, als gold het eene theatervoorstelling. Eenige bladplanten, die achter deze verborgen zitplaats groeiden, beschutten haar eenigermate voor het branden der zon, en terwijl zij op dezen uitkijk, waarvan zij zich niet voor de eerste maal bediende, wachtte en luisterde, begon haar hartje steeds sneller te kloppen, ja, zij vergat door hare groote gejaagdheid het suikerwerk, dat zij, om den tijd te verdrijven, op een groot blad in haar schoot had gestrooid. Tot haar geluk liet Orion niet lang op zich wachten, hij kwam in de gesloten vierwielige carruca van zijne moeder. Naast den voerman zat een dienaar, en op elk der beide treden van de deuren van het voertuig zat een slaaf. De wagen werd gevolgd door eenige nietsdoende mannen en vrouwenen eene schare van halfnaakte kinderen. Maar de nieuwsgierigen hadden zich misrekend, want de carruca bleef niet op straat stilstaan; zij reed den tuin van Rufinus binnen, en de planten en boomen onttrokken haar aan de blikken van het daarbuiten wachtende gepeupel, dat nu spoedig vrijwillig uiteenging. Vóor de middendeur van het woonhuis steeg Orion en na hem de rentmeester uit den wagen, en terwijl de oude heer den zoon van den Mukaukas begroette, zag Nilus toe op het overbrengen van een tamelijk aantal zware zakken in de schaduwrijke werkkamer van den ouden heer.Bij dit alles was er voor Katharina niets merkwaardigs te zien dan het aanzienlijk aantal en de grootte van de zeker met goud gevulde buidels, en de man, waarom het haar vooraltedoen was. Zoo schoon was Orion haar nog nooit voorgekomen, want het laag neerhangende treurgewaad, waarvan hij de einden in breede plooien over den schouder had geslagen, deed de natuurlijke lengte van zijne gestalte nog beter uitkomen. Zijn overvloedig thans ongekruld haarhing in rijke kunstelooze golvingen langs zijn gelaat, dat er bleek en ernstig uitzag, hetgeen haar tegelijk roerde en onweerstaanbaar aantrok. De gedachte, dat deze uitmuntende jonkman eens hare hand gevraagd, haar bemind en gekust had, hem bezeten en daarna voor altijd verloren te hebben, omdat hij eene andere liefhad, deed haar pijn, als een gevoel van smart dat van de borst uitging, en zich tot in de hersenen deed gevoelen. Nadat Orion in het huis verdwenen was, meende zij hem nog altijd te zien, en toen zijn beeld daarna ook voor haar zielsoog verflauwde, en zij zich voorstelde hoe hij thans stond tegenover die andere, Paula, en deze evenzoo aanzag als haar eenige dagen geleden, verdubbelde haar zieleleed. Of die Damasceensche ook maar half zoo gelukkig was als zij in die onvergetelijke ure? Ach het was haar zoo wee om het hart! Het liefst ware zij over de heg gesprongen, om zich in ’s buurmans huis tusschen Paula en Orion te werpen.Daar zat zij nu rusteloos en toch zonder zich te verroeren, geheel beheerscht door booze gedachten, die maar zelden ter sluiks de ziel van een goed mensch doorkruisen, daar zat zij te staren op het huis van Rufinus. Dat lag daar doodstil in den gloeienden zonneschijn, als was het ingeslapen. Ook in den tuin bewoog en verroerde zich niets dan de dunne waterstraal, die uit het marmeren bekken opschoot met zacht, eentonig en telkens afgebroken geplas, niets dan de kapellen, vlinders, bijen en kevers,wier gegons zij niet hoorde en die de bloemen zonder eenig geluid schenen te omfladderen. De vogels sliepen zeker, want er vertoonde zich niet éen, geenenkele brak met zijn tjilpen en fluiten de benauwende stilte af. De carruca stond als voor de huisdeur vastgenageld, de voerman was van zijn zetel gestegen en had zich naast de andere slaven neergevleid in de smalle schaduwstrepen van de zuilen der veranda. Allen lieten het hoofd op de borst rusten en niemand sprak een woord; alleen de paarden verroerden zich, als zij met de volle staarten zich tegen de vliegen weerden, of beten naar de brandende wonden die zij gestoken hadden. Soms hieven zij onrustig de distelboom op, en als de wagen zich dan krakend achterwaarts bewoog liet de slaapdronken voerman zijn »brrr!” hooren.Katharina had een breed blad op haar schedel gelegd om zich te beschutten tegen het branden der zon, want zij durfde noch een zonnescherm noch een hoed gebruiken, uit vrees van gezien te zullen worden. De planten rondom haar gaven maar bitter weinig schaduw en de middaggloed kwelde haar, doch hoewel de eene minuut na de andere, kwartier op kwartier met slakkengang voortkropen, hield de spanning waarin zij verkeerde alle slaperigheid verre. Zij had geen zonnewijzer noodig om den tijd te berekenen, immers zij wist precies hoe laat het was wanneer de eene schaduw tot hier, de andere tot daar was getrokken, en wilde zij de oogen aan het gevaar blootstellen om naar den vuurbol boven haar op te zien, dan kon zij zich volkomen zekerheid verschaffen.Thans moesten er hoogstens nog drie kwartier verloopen voor het middag was en ginds in huis bleef alles even stil als te voren. De patriarch moest echter op zijn tijd afgewacht worden, en van haar geheele toilet had zij nog niet anders aangetrokken dan de gouden sandalen. Zij nam een kort besluit, ijlde naar hare kamer, verbood de kamenier haar kapsel opnieuw te ordenen en vergunde haar alleen eenige rozen te steken in de natuurlijke lokken. Vervolgens liet zij zich in vliegende haast haar zeegroen bombyxkleed, dat met fraai geborduurde randen omzoomd was, over de schouders werpen, beval den peplos te bevestigen met den eersten den besten haak, en toen zij zichzelve een armband van kostbare saffieren wilde aandoen en het slot daarbij brak, smeet zij het kleinood bij hare overige sieraden, gelijk men een onrijpen appel bij de anderen werpt. Spoedig sloop haar handje nu door een gouden spiraalveer, die haar halven arm bedekte, en eindelijk greep zij de overige kleinoodiën bijeen, die zij zichzelve buiten op den wachtheuvel wilde aandoen. De kamenier kreeg bevel haar op het middaguur te komen roepen met den ruiker voor den patriarch, en een kwartier nadat zij hare schuilplaats verlaten had, was zij er weer terug. Zij kwam op het rechte tijdstip,want terwijl zij de medegenomen sieraden aandeed kwam Nilus uit het huis, gevolgd door slaven met een aantal lederen zakken, die zij weder in de carruca legden. Hierna stegen de rentmeester en de arts Philippus in en de wagen verliet den tuin.»Paula vertrouwt Orion opnieuw haar vermogen toe,” dacht Katharina. »Zij zijn het nu eens, en van nu aan kan er eene geregelde verstandhouding tusschen het huis van Rufinus en het paleis van den stadhouder beginnen. Een slim overlegd spel, maar wacht eens, wacht!”Daarbij klemde zij de kleine witte tandjes op elkaar, doch behield tegenwoordigheid van geest genoeg, om niets over het hoofd te zien van hetgeen verder gebeurde. Gedurende hare afwezigheid toch was Orions zwarte hengst in den tuin gekomen, een ander ruiterte paardleidde het dier daar rond, en terwijl zij met hare oogen de paarden volgde, prevelde zij met een spottenden lach in zichzelven: »Hij neemt haar dus in elk geval niet dadelijk mee.”Wederom verliepen eenige stille oogenblikken; eindelijk kwam Paula uit het huis, en vlak achter haar, bijna aan hare zijde Orion. En hoe zagen zij er uit! Zijne wangen waren niet bleek meer, neen zeker niet, ze gloeiden evenals die van Katharina zelve! En hoe helder stonden zijne oogen, waarin blijdschap en tevredenheid te lezen was! Zij had wel eene slang willen zijn om beiden in de verzenen te steken! Bij dit alles had de Damasceensche hare edele, trotsche houding niet verloren. En hij?—Als een betooverde zag hij zijne geleidster aan, en zij meende te zien dat de plooien van zijn rouwgewaad zich boven zijn hart op en neder bewogen. Ook Paula droeg heden een rouwkleed. Natuurlijk! Zij behoorden immers bij elkander en zijn leed moest ook het hare zijn, hoewel zij het huis van den Mukaukas als eene gevangenis was ontvlucht. O, die deugdzame schoone wist wel, dat haar niets beter stond dan donkere kleuren. In houding, gang en grootte schenen deze beiden twee bevoorrechte schepsels, die het lot zelf voor elkander bestemd had; dat kon Katharina zich zelf niet ontveinzen.Een nijdige demon, zij noemde hem een vriendelijke, voerde hen zoo na aan haar voorbij, dat zij met hare scherpe ooren ieder woord verstond, dat hij en zij, nu eens langzaam voortwandelende, dan stilstaande spraken; en het vlugge kwikstaartje volgde hen, terwijl het langs de heg onmerkbaar voortsloop.»Ik heb u zooveel te danken,” waren de eerste woorden, die zij uit Orions mond opving, »dat ik schroom u nog één ding te vragen; maar juist dit betreft ook u. Gij weet hoe zwaar de wond is, die de kinderhand van Maria mij geslagenheeft, doch wat haar daartoe bewoog was hare brave, oprechte gezindheid en hare afgodische liefde voor u.”»Gij wilt dat ik mij dit kind zal aantrekken?” vroeg Paula. »Deze wensch is natuurlijk reeds dadelijk ingewilligd, alleen...”»Alleen?” vroeg Orion.»Alleen moet gij haar hierheen zenden, want gij weet dat ik het stadhouderlijk paleis niet weder betreden wil.”»Helaas! Maar het kind is zwaar ziek geweest en zal het huis moeielijk kunnen verlaten. En—dit moet ik er bijvoegen—mijne moeder ontwijkt het op eene wijze, die het toch reeds overprikkelde kind verdriet doet en telkens opnieuw beangstigt.”»Hoe kan vrouw Neforis haar hartediefje dat leed aandoen?”»Bedenk toch eens,” zeide Orion met een zucht, »wat mijne arme moeder voor mijn vader geweest is! Thans is zij als verpletterd en als zij het kind ziet, komt de laatste ure van haar ongelukkigen gemaal haar weder voor den geest, en wat mijn vader en mij toen is aangedaan, door Maria alleen. Zij ziet in die kleine de booze demon van ons huis.”»Dan moet men haar daaruit verwijderen,” zeide Paula bewogen. »Zend haar naar ons! Onder het dak van Rufinus huizen vriendelijke en vertroostende geesten.”»Hartelijk dank! Ik zal mijne moeder zoo dringend mogelijk vragen....”»Doe dat!” haastte Paula zich te zeggen. »Hebt gij Pulcheria, de dochter van mijn waardigen gastheer gezien?”»Ja, een eigenaardig lieftallig meisje.”»Zij geeft Maria dadelijk eene plaats in hare trouwe ziel.”»En onze arme kleine heeft eene vriendin noodig, sedert vrouw Susanna hare dochter heeft verboden den voet over onzen drempel te zetten.”Nu kwam het gesprek op de beide meisjes en zij spraken over haar als lieve, beklagenswaardige kinderen, en toen Orion opmerkte hoe ver zijn nichtje in ontwikkeling hare jaren vooruit was, voegde Paula er bij, op een toon van zacht verwijt: »Ook Katharina hebben de laatste dagen gerijpt; uit het flinke kind is een meisje geworden, welks kort geleden zoo luchtig hartje bezwaard is door pijnlijke ervaringen.”»Die last wentelt zij, als ik haar goed ken, weldra weder van zich af,” antwoordde de ander. »Zij is een lief, vroolijk, klein schepsel, en onder al het kwaad, dat ik op dien vreeselijken dag heb begaan, heb ik haar misschien het ergste leed aangedaan. Ik kan niets tot mijne verontschuldiging aanvoeren, en toch: alleen om den lievelingswensch van mijne moeder te vervullen, stemde ik toe om haar te vragen... Maar sprekenwij daarover niet verder! De groote schreden waarmede ik van nu aan mijn weg verder vervolgen wil, moet zij kunnen volgen, wie de liefde den moed geeft om mijne levensgezellin te worden!”De laatste woorden had Katharina nog met alle inspanning verstaan, thans sloegen de beluisterdeneenpad in dat, maar even door enkele boomen voor de middagzon beschut, naar het waterbekken in het midden van den tuin leidde, en zij verwijderden zich al verder en verder. Zij verstond niet meer wat zij zeiden, doch zij had genoeg gehoord en kon de rest er wel bij denken. Het hoofddoel van hare tegenwoordigheid aan deze plaats was bereikt; zij meende nu zeker te weten wie die andere was. En hoe hadden die twee over haar gesproken! Niet als over eene verlatene bruid, wier goed recht men met voeten heeft getreden, maar als over een kind, dat men de deur wijst, wanneer het lastig begint te worden. Doch zij meende dat paar daarginds te doorzien en te weten, waarom het dus over haar gesproken had. Paula moest voorkomen dat er een nieuwe band tusschen haar en Orion geknoopt werd, en hij hield het voor verstandig over haar, die hij toch eens met teederheid had overladen, te spreken als over een kind, om zich te vrijwaren voor de jaloezie van de andere die zoo gestreng oordeelde. Dat hij haar althans op dien avond onder de boomen had liefgehad, daaraan hield zij met onwrikbare taaiheid vast, aan deze overtuiging moest zij zich vastklemmen, om niet het laatste steunpunt te verliezen. Hare geheele natuur was in geweldigen opstand. Hare handen beefden, bij deze middaghitte was haar mond als verdroogd. Zij wist dat er verdord loof tusschen hare voeten en de sandalen was geraakt, en dat bladeren en takjes in heure haren waren blijven hangen doch zij lette hierop niet, en toen de de dichte struiken de wandelenden aan hare blikken onttrokken, snelde zij naar haar uitkijk terug. Dáar kon zij hen weder met het oog bereiken, en nu had zij het liefste en beste wat zij bezat willen geven om dat te zijn, waarmede zij zich ongaarne hoorde vergelijken: een kwikstaartje of een andere vogel.Het middaguur moest nabij, zeer nabij zijn, misschien was het reeds daar; zij maakte hare sandalen schoon, en gaf er geen acht op dat eene roos op den grond viel, terwijl zij hare krullen weder in orde bracht en zuiverde van de dorre bladeren. Alleen de handen, niet de oogen waren met dit werk bezig. Plotseling verhelderde haar blik, want het paar dat zij bespiedde, liep recht op de heg toe, en weldra zou het haar mogelijk zijn hen weder te beluisteren.
TWEE-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
Tot voor weinige dagen was de kleine Katharina een onzelfstandig en gehoorzaam kind geweest, dat er eene eer in gesteld had niet alleen hare moeder maar ook vrouw Neforis en, sedert hare eigene Grieksche opvoedster het huis verlaten had, zelfs de bitse Eudoxia zoo snel mogelijk en op haar wenk te gehoorzamen. Ook het kleinste vergrijp tegen hetgeen haar bevolen was, ook eene ondeugendheid of eigenmachtige handeling zou zij voor hare moeder en hare degelijke opvoedster, waaraan zij gehecht was, niet verborgen hebben; ja het was haar onmogelijk geweest in te slapen zonder voor het avondgebed alles wat zij in haar eigen klein hart als niet volkomen in den haak beschouwde, te bekennen aan eene andere die zij liefhad en van deze volle vergeving te hebben ontvangen. Zorgeloos en met een geweten zoo blank als de borst van hare witste duif was het kwikstaartje avond aan avond ingeslapen, en het ergste wat zij overdag misdreven had bestond in eene verbodene klauterpartij, en meestentijds in een heftig of onvriendelijk woord.Sedert Orion’s kus onder den bedwelmenden geur der bloeiende boomen had de eerste omkeering bij haar plaats gegrepen en bijna ieder volgend uur had nieuwe wenschen en beschouwingen in haar gewekt. Wat vroeger niet bij haar was opgekomen, namelijk zich een oordeel over hare moeder aan te matigen, dat deed zij nu onophoudelijk. De manier, waarop deze met de vrienden van het stadhouderlijk verblijf gebroken had scheen haar verkeerd en onbetamelijk, en de hatelijke, bittere uitvallen tegen de oude vrienden, waarvan vrouw Susanna’s mond overvloeide, ergerde Katharina en brachten haar eindelijk in tegenspraak met haar, wier oordeel haar tot hiertoe onfeilbaar was toegeschenen. Nadat het paleis van den overleden Mukaukas voor haar gesloten was, bezat zij dus niemand, aan wie zij gaarne haar vertrouwen had geschonken, en tusschen Paula en haar rezen scheidsmuren op, tegen welker hoogte zijangstig opzag zoo vaak zij toegaf aan het verlangen om ze te overschrijden. Zij was zeker de andere van wie Orion gesproken had, en hoewel zij aan den avond na de begrafenis van zijn vader heimelijk tot Paula was gekomen, zoo had minder een brandend verlangen om vertrouwelijk te spreken met een deelnemend gemoed haar daartoe gedreven, dan wel eene kwellende met ijverzucht gepaarde nieuwsgierigheid. In een zonderling gemengde stemming van teeder verlangen en doffe haat was zij door de heg geslopen, en toen het tot eene tweede ontmoeting gekomen was, had zij zich aanvankelijk geheel overgegeven aan het genot, om zich openhartig uit te spreken en gehoor te vinden bij eene die zoo ver boven haar stond. Doch na Paulas terughouding bij het antwoorden op hare rondborstige vragen, waren haat en nijd weder in haar ontwaakt. Wie Orion niet haatte, moest hem volgens haar inzicht liefhebben. Behoorden die twee reeds bij elkander?Misschien had Paula haar onder de sykomore slechts als een lichtgeloovig kind behandeld en haar wat wijs gemaakt. Dit ‘misschien’ martelde haar, en zij wilde althans beproeven er een einde aan te maken. Een helper had zij tot hare beschikking in den persoon van haar zoogbroeder, den zoon van hare doove voedster, en zij wist dat deze blindelings al hare wenschen vervullen, ja als het haar aangenaam kon zijn, zich midden onder dekrokodillenvan den Nijl werpen zou. De jonge Anubis had in al hare kinderspelen gedeeld en op zijn veertiende jaar was hij, nadat hij met haar lezen en schrijven had geleerd, op voorspraak van hare moeder als leerling op het rentmeesterskantoor van den stadhouder gekomen, om daar onder den voortreffelijken rentmeester Nilus zich verder te bekwamen. Vrouw Susanna dacht hem later op hare goederen te gebruiken of hem te Memphis aan het hoofdkantoor van het bestuur over haar vermogen eene aanstelling te bezorgen, die aan zijne bekwaamheden beantwoordde. De knaap woonde nog steeds bij zijne moeder ten huize van de weduwe, doch bracht zijne werkdagen door in het stadhouderlijk paleis, waar hij zich bij den arbeid zeer vlijtig betoonde, terwijl hij zich in zijne vrije uren bezig hield met dingen, die ver buiten zijn toekomstig beroep lagen. Op verzoek van Katharina had hij eene duivenpost aangelegd tusschen het huis harer moeder en het paleis van den stadhouder, en langs dezen weg was menig briefje met kleine mededeelingen, uitnoodigingen, afspraken en dergelijken van het kwikstaartje tot de kleine Maria en van deze weder tot haar overgebracht. Anubis vermaakte zich bijzonder met die kleine diertjes, en met goedkeuring van zijne meesters was de duivenslag op het dak van het rentmeestersambt getimmerd. Maria lag nu op het ziekbeden elke gemeenschap met haar was afgebroken; de goed ingerichte post behoefde daarom niet ongebruikt te blijven en Katharina was begonnen zich daarvan voor andere doeleinden te bedienen.Orions schrijver was gisteren zeer lang opgehouden ten huize van haar buurman, en door Anubis, wien niets ontging wat in het kantoor van Nilus verhandeld werd, was zij te weten gekomen dat aan Paula eerlang haar vermogen zou worden uitgekeerd, en waarschijnlijk wel door Orion in persoon. Bij die gelegenheid moest een onderhoud plaats hebben, en misschien was het haar vergund dit af te luisteren. Hoe dat kon bewerkstelligd worden, was haar ten aanzien van ’s buurmans huis dikwijls genoeg op de proef gebleken; zij had alleen te zorgen ter rechter tijd op de plaats te zijn.In den morgen, die op den nacht der maansverduistering volgde, omstreeks twee en een half uur voor den middag, bracht de kleine duivenoppasser, die de gevleugelde boden in den slag voederde, haar een briefje, waarop Anubis geschreven had, dat Orion zich gereed maakte om heen te gaan. Deze tijding werd echter niet bijzonder vriendelijk ontvangen, want dit tijdstip kwam haar zeer ongelegen. Heel in de vroegte toch had de bisschop Plotinos hare moeder medegedeeld, dat de patriarch Benjamin uit Alexandrië zich aan gene zijde van den Nijl bij den Arabischen gouverneur Amr bevond, om wat later Memphis met een bezoek te vereeren. De patriarch zou éen dag vertoeven, had voor elke plechtige ontvangst bedankt, en het aan hem overgelaten een geschikt kwartier te zoeken voor zijn persoon en voor hen die hem vergezelden, daar hij niet wenschte af te stappen aan het stadhouderlijk paleis. De ijdele weduwe had zich terstond volgaarne bereid verklaard, om den hoogen gast onder haar dak te herbergen. Het bezoek van den kerkvorst moest haar huis zegen aanbrengen, en zij dacht daaruit eenig voordeel te trekken ook voor veel, dat haar thans bezighield. Den patriarch moest eene prachtige ontvangst worden bereid. Daarvoor bleven haar maar weinige uren over, en daarom begon zij, nog vóór de bisschop van haar afscheid had genomen, hare bedienden samen te roepen en hare bevelen te geven. Het geheele huis moest van boven tot beneden schoon gemaakt worden; een deel van het keukenpersoneel moest haastig naar de stad gaan om inkoopen te doen, terwijl een ander deel alles aan den haard in gereedheid bracht. De tuinlieden plunderden de bloembedden en heesters om guirlandes, kransen en ruikers voor de ontvangst in orde te brengen. Van den kelder tot op den beganen vloer waren een vijftigtal blanke, bruine en zwarte slaven met alle kracht in de weer; want ieder meende doordezen dienstijver ter wille van den patriarch op de bijzondere genade des hemels te mogen rekenen, en daarbij schreeuwde hunne onvermoeide meesteres hun gestadig toe, wat zij verlangde dat gedaan zou worden. Zij, die als meisje de oudste dochter was geweest van een gezin dat rijk met kinderen gezegend, maar minder met goederen bedeeld was, en zelf de handen had moeten uitsteken, vergat heden dat zij eene rijke aanzienlijke vrouw was geworden, wie het niet meer paste in persoon huis te houden, en zoo was zij nu hier, dan daar, hield een oog op alles, op ieder groot en klein, alleen niet op hare dochter.Katharina was het fijne, Grieksch opgevoede popje des huizes, aan wier ernstige hulp niet gedacht kon worden; ja, zij zou meer in den weg hebben gestaan. Na het afscheid van den bisschop had zij enkel den last bekomen, den patriarch in haar beste kleed met een ruiker te ontvangen onder het linnen afdak aan de hoofddeur. Meer verlangde Susanna van hare dochter niet, en deze dacht, terwijl zij de trap opvloog die naar hare kamer geleidde: »Orion zal weldra komen, vóor het middag is verloopen er nog ten minste twee uren, en wanneer hij een half uur hier naast blijft, is het al lang. Ik zal nog tijd genoeg overhouden om mij te kleeden, en uit voorzichtigheid zal ik mij de nieuwe schoenen reeds dadelijk aan de voeten laten binden. De voedster en de kamenier mogen mijne kamer niet meer verlaten Voor het geval dat het wat later wordt moeten zij alles gereed houden, want misschien hebben Paula en hij elkander veel te zeggen. Zonder eene terechtwijzing laat zij hem niet gaan, tenzij zij hare verwijten reeds op eene andere manier aan den man heeft gebracht.”Spoedig hierop sprong zij, met fraaie, met gouddraad doorstikte en blauwe saffieren bezaaide sandalen aan de kleine voeten, op een met zoden belegden aardheuvel, die zij reeds vroeger had laten maken achter de heg, waardoor zij gisteren gekropen was, en zette zich daar met een tevreden lachje op een zeteltje neer, als gold het eene theatervoorstelling. Eenige bladplanten, die achter deze verborgen zitplaats groeiden, beschutten haar eenigermate voor het branden der zon, en terwijl zij op dezen uitkijk, waarvan zij zich niet voor de eerste maal bediende, wachtte en luisterde, begon haar hartje steeds sneller te kloppen, ja, zij vergat door hare groote gejaagdheid het suikerwerk, dat zij, om den tijd te verdrijven, op een groot blad in haar schoot had gestrooid. Tot haar geluk liet Orion niet lang op zich wachten, hij kwam in de gesloten vierwielige carruca van zijne moeder. Naast den voerman zat een dienaar, en op elk der beide treden van de deuren van het voertuig zat een slaaf. De wagen werd gevolgd door eenige nietsdoende mannen en vrouwenen eene schare van halfnaakte kinderen. Maar de nieuwsgierigen hadden zich misrekend, want de carruca bleef niet op straat stilstaan; zij reed den tuin van Rufinus binnen, en de planten en boomen onttrokken haar aan de blikken van het daarbuiten wachtende gepeupel, dat nu spoedig vrijwillig uiteenging. Vóor de middendeur van het woonhuis steeg Orion en na hem de rentmeester uit den wagen, en terwijl de oude heer den zoon van den Mukaukas begroette, zag Nilus toe op het overbrengen van een tamelijk aantal zware zakken in de schaduwrijke werkkamer van den ouden heer.Bij dit alles was er voor Katharina niets merkwaardigs te zien dan het aanzienlijk aantal en de grootte van de zeker met goud gevulde buidels, en de man, waarom het haar vooraltedoen was. Zoo schoon was Orion haar nog nooit voorgekomen, want het laag neerhangende treurgewaad, waarvan hij de einden in breede plooien over den schouder had geslagen, deed de natuurlijke lengte van zijne gestalte nog beter uitkomen. Zijn overvloedig thans ongekruld haarhing in rijke kunstelooze golvingen langs zijn gelaat, dat er bleek en ernstig uitzag, hetgeen haar tegelijk roerde en onweerstaanbaar aantrok. De gedachte, dat deze uitmuntende jonkman eens hare hand gevraagd, haar bemind en gekust had, hem bezeten en daarna voor altijd verloren te hebben, omdat hij eene andere liefhad, deed haar pijn, als een gevoel van smart dat van de borst uitging, en zich tot in de hersenen deed gevoelen. Nadat Orion in het huis verdwenen was, meende zij hem nog altijd te zien, en toen zijn beeld daarna ook voor haar zielsoog verflauwde, en zij zich voorstelde hoe hij thans stond tegenover die andere, Paula, en deze evenzoo aanzag als haar eenige dagen geleden, verdubbelde haar zieleleed. Of die Damasceensche ook maar half zoo gelukkig was als zij in die onvergetelijke ure? Ach het was haar zoo wee om het hart! Het liefst ware zij over de heg gesprongen, om zich in ’s buurmans huis tusschen Paula en Orion te werpen.Daar zat zij nu rusteloos en toch zonder zich te verroeren, geheel beheerscht door booze gedachten, die maar zelden ter sluiks de ziel van een goed mensch doorkruisen, daar zat zij te staren op het huis van Rufinus. Dat lag daar doodstil in den gloeienden zonneschijn, als was het ingeslapen. Ook in den tuin bewoog en verroerde zich niets dan de dunne waterstraal, die uit het marmeren bekken opschoot met zacht, eentonig en telkens afgebroken geplas, niets dan de kapellen, vlinders, bijen en kevers,wier gegons zij niet hoorde en die de bloemen zonder eenig geluid schenen te omfladderen. De vogels sliepen zeker, want er vertoonde zich niet éen, geenenkele brak met zijn tjilpen en fluiten de benauwende stilte af. De carruca stond als voor de huisdeur vastgenageld, de voerman was van zijn zetel gestegen en had zich naast de andere slaven neergevleid in de smalle schaduwstrepen van de zuilen der veranda. Allen lieten het hoofd op de borst rusten en niemand sprak een woord; alleen de paarden verroerden zich, als zij met de volle staarten zich tegen de vliegen weerden, of beten naar de brandende wonden die zij gestoken hadden. Soms hieven zij onrustig de distelboom op, en als de wagen zich dan krakend achterwaarts bewoog liet de slaapdronken voerman zijn »brrr!” hooren.Katharina had een breed blad op haar schedel gelegd om zich te beschutten tegen het branden der zon, want zij durfde noch een zonnescherm noch een hoed gebruiken, uit vrees van gezien te zullen worden. De planten rondom haar gaven maar bitter weinig schaduw en de middaggloed kwelde haar, doch hoewel de eene minuut na de andere, kwartier op kwartier met slakkengang voortkropen, hield de spanning waarin zij verkeerde alle slaperigheid verre. Zij had geen zonnewijzer noodig om den tijd te berekenen, immers zij wist precies hoe laat het was wanneer de eene schaduw tot hier, de andere tot daar was getrokken, en wilde zij de oogen aan het gevaar blootstellen om naar den vuurbol boven haar op te zien, dan kon zij zich volkomen zekerheid verschaffen.Thans moesten er hoogstens nog drie kwartier verloopen voor het middag was en ginds in huis bleef alles even stil als te voren. De patriarch moest echter op zijn tijd afgewacht worden, en van haar geheele toilet had zij nog niet anders aangetrokken dan de gouden sandalen. Zij nam een kort besluit, ijlde naar hare kamer, verbood de kamenier haar kapsel opnieuw te ordenen en vergunde haar alleen eenige rozen te steken in de natuurlijke lokken. Vervolgens liet zij zich in vliegende haast haar zeegroen bombyxkleed, dat met fraai geborduurde randen omzoomd was, over de schouders werpen, beval den peplos te bevestigen met den eersten den besten haak, en toen zij zichzelve een armband van kostbare saffieren wilde aandoen en het slot daarbij brak, smeet zij het kleinood bij hare overige sieraden, gelijk men een onrijpen appel bij de anderen werpt. Spoedig sloop haar handje nu door een gouden spiraalveer, die haar halven arm bedekte, en eindelijk greep zij de overige kleinoodiën bijeen, die zij zichzelve buiten op den wachtheuvel wilde aandoen. De kamenier kreeg bevel haar op het middaguur te komen roepen met den ruiker voor den patriarch, en een kwartier nadat zij hare schuilplaats verlaten had, was zij er weer terug. Zij kwam op het rechte tijdstip,want terwijl zij de medegenomen sieraden aandeed kwam Nilus uit het huis, gevolgd door slaven met een aantal lederen zakken, die zij weder in de carruca legden. Hierna stegen de rentmeester en de arts Philippus in en de wagen verliet den tuin.»Paula vertrouwt Orion opnieuw haar vermogen toe,” dacht Katharina. »Zij zijn het nu eens, en van nu aan kan er eene geregelde verstandhouding tusschen het huis van Rufinus en het paleis van den stadhouder beginnen. Een slim overlegd spel, maar wacht eens, wacht!”Daarbij klemde zij de kleine witte tandjes op elkaar, doch behield tegenwoordigheid van geest genoeg, om niets over het hoofd te zien van hetgeen verder gebeurde. Gedurende hare afwezigheid toch was Orions zwarte hengst in den tuin gekomen, een ander ruiterte paardleidde het dier daar rond, en terwijl zij met hare oogen de paarden volgde, prevelde zij met een spottenden lach in zichzelven: »Hij neemt haar dus in elk geval niet dadelijk mee.”Wederom verliepen eenige stille oogenblikken; eindelijk kwam Paula uit het huis, en vlak achter haar, bijna aan hare zijde Orion. En hoe zagen zij er uit! Zijne wangen waren niet bleek meer, neen zeker niet, ze gloeiden evenals die van Katharina zelve! En hoe helder stonden zijne oogen, waarin blijdschap en tevredenheid te lezen was! Zij had wel eene slang willen zijn om beiden in de verzenen te steken! Bij dit alles had de Damasceensche hare edele, trotsche houding niet verloren. En hij?—Als een betooverde zag hij zijne geleidster aan, en zij meende te zien dat de plooien van zijn rouwgewaad zich boven zijn hart op en neder bewogen. Ook Paula droeg heden een rouwkleed. Natuurlijk! Zij behoorden immers bij elkander en zijn leed moest ook het hare zijn, hoewel zij het huis van den Mukaukas als eene gevangenis was ontvlucht. O, die deugdzame schoone wist wel, dat haar niets beter stond dan donkere kleuren. In houding, gang en grootte schenen deze beiden twee bevoorrechte schepsels, die het lot zelf voor elkander bestemd had; dat kon Katharina zich zelf niet ontveinzen.Een nijdige demon, zij noemde hem een vriendelijke, voerde hen zoo na aan haar voorbij, dat zij met hare scherpe ooren ieder woord verstond, dat hij en zij, nu eens langzaam voortwandelende, dan stilstaande spraken; en het vlugge kwikstaartje volgde hen, terwijl het langs de heg onmerkbaar voortsloop.»Ik heb u zooveel te danken,” waren de eerste woorden, die zij uit Orions mond opving, »dat ik schroom u nog één ding te vragen; maar juist dit betreft ook u. Gij weet hoe zwaar de wond is, die de kinderhand van Maria mij geslagenheeft, doch wat haar daartoe bewoog was hare brave, oprechte gezindheid en hare afgodische liefde voor u.”»Gij wilt dat ik mij dit kind zal aantrekken?” vroeg Paula. »Deze wensch is natuurlijk reeds dadelijk ingewilligd, alleen...”»Alleen?” vroeg Orion.»Alleen moet gij haar hierheen zenden, want gij weet dat ik het stadhouderlijk paleis niet weder betreden wil.”»Helaas! Maar het kind is zwaar ziek geweest en zal het huis moeielijk kunnen verlaten. En—dit moet ik er bijvoegen—mijne moeder ontwijkt het op eene wijze, die het toch reeds overprikkelde kind verdriet doet en telkens opnieuw beangstigt.”»Hoe kan vrouw Neforis haar hartediefje dat leed aandoen?”»Bedenk toch eens,” zeide Orion met een zucht, »wat mijne arme moeder voor mijn vader geweest is! Thans is zij als verpletterd en als zij het kind ziet, komt de laatste ure van haar ongelukkigen gemaal haar weder voor den geest, en wat mijn vader en mij toen is aangedaan, door Maria alleen. Zij ziet in die kleine de booze demon van ons huis.”»Dan moet men haar daaruit verwijderen,” zeide Paula bewogen. »Zend haar naar ons! Onder het dak van Rufinus huizen vriendelijke en vertroostende geesten.”»Hartelijk dank! Ik zal mijne moeder zoo dringend mogelijk vragen....”»Doe dat!” haastte Paula zich te zeggen. »Hebt gij Pulcheria, de dochter van mijn waardigen gastheer gezien?”»Ja, een eigenaardig lieftallig meisje.”»Zij geeft Maria dadelijk eene plaats in hare trouwe ziel.”»En onze arme kleine heeft eene vriendin noodig, sedert vrouw Susanna hare dochter heeft verboden den voet over onzen drempel te zetten.”Nu kwam het gesprek op de beide meisjes en zij spraken over haar als lieve, beklagenswaardige kinderen, en toen Orion opmerkte hoe ver zijn nichtje in ontwikkeling hare jaren vooruit was, voegde Paula er bij, op een toon van zacht verwijt: »Ook Katharina hebben de laatste dagen gerijpt; uit het flinke kind is een meisje geworden, welks kort geleden zoo luchtig hartje bezwaard is door pijnlijke ervaringen.”»Die last wentelt zij, als ik haar goed ken, weldra weder van zich af,” antwoordde de ander. »Zij is een lief, vroolijk, klein schepsel, en onder al het kwaad, dat ik op dien vreeselijken dag heb begaan, heb ik haar misschien het ergste leed aangedaan. Ik kan niets tot mijne verontschuldiging aanvoeren, en toch: alleen om den lievelingswensch van mijne moeder te vervullen, stemde ik toe om haar te vragen... Maar sprekenwij daarover niet verder! De groote schreden waarmede ik van nu aan mijn weg verder vervolgen wil, moet zij kunnen volgen, wie de liefde den moed geeft om mijne levensgezellin te worden!”De laatste woorden had Katharina nog met alle inspanning verstaan, thans sloegen de beluisterdeneenpad in dat, maar even door enkele boomen voor de middagzon beschut, naar het waterbekken in het midden van den tuin leidde, en zij verwijderden zich al verder en verder. Zij verstond niet meer wat zij zeiden, doch zij had genoeg gehoord en kon de rest er wel bij denken. Het hoofddoel van hare tegenwoordigheid aan deze plaats was bereikt; zij meende nu zeker te weten wie die andere was. En hoe hadden die twee over haar gesproken! Niet als over eene verlatene bruid, wier goed recht men met voeten heeft getreden, maar als over een kind, dat men de deur wijst, wanneer het lastig begint te worden. Doch zij meende dat paar daarginds te doorzien en te weten, waarom het dus over haar gesproken had. Paula moest voorkomen dat er een nieuwe band tusschen haar en Orion geknoopt werd, en hij hield het voor verstandig over haar, die hij toch eens met teederheid had overladen, te spreken als over een kind, om zich te vrijwaren voor de jaloezie van de andere die zoo gestreng oordeelde. Dat hij haar althans op dien avond onder de boomen had liefgehad, daaraan hield zij met onwrikbare taaiheid vast, aan deze overtuiging moest zij zich vastklemmen, om niet het laatste steunpunt te verliezen. Hare geheele natuur was in geweldigen opstand. Hare handen beefden, bij deze middaghitte was haar mond als verdroogd. Zij wist dat er verdord loof tusschen hare voeten en de sandalen was geraakt, en dat bladeren en takjes in heure haren waren blijven hangen doch zij lette hierop niet, en toen de de dichte struiken de wandelenden aan hare blikken onttrokken, snelde zij naar haar uitkijk terug. Dáar kon zij hen weder met het oog bereiken, en nu had zij het liefste en beste wat zij bezat willen geven om dat te zijn, waarmede zij zich ongaarne hoorde vergelijken: een kwikstaartje of een andere vogel.Het middaguur moest nabij, zeer nabij zijn, misschien was het reeds daar; zij maakte hare sandalen schoon, en gaf er geen acht op dat eene roos op den grond viel, terwijl zij hare krullen weder in orde bracht en zuiverde van de dorre bladeren. Alleen de handen, niet de oogen waren met dit werk bezig. Plotseling verhelderde haar blik, want het paar dat zij bespiedde, liep recht op de heg toe, en weldra zou het haar mogelijk zijn hen weder te beluisteren.
Tot voor weinige dagen was de kleine Katharina een onzelfstandig en gehoorzaam kind geweest, dat er eene eer in gesteld had niet alleen hare moeder maar ook vrouw Neforis en, sedert hare eigene Grieksche opvoedster het huis verlaten had, zelfs de bitse Eudoxia zoo snel mogelijk en op haar wenk te gehoorzamen. Ook het kleinste vergrijp tegen hetgeen haar bevolen was, ook eene ondeugendheid of eigenmachtige handeling zou zij voor hare moeder en hare degelijke opvoedster, waaraan zij gehecht was, niet verborgen hebben; ja het was haar onmogelijk geweest in te slapen zonder voor het avondgebed alles wat zij in haar eigen klein hart als niet volkomen in den haak beschouwde, te bekennen aan eene andere die zij liefhad en van deze volle vergeving te hebben ontvangen. Zorgeloos en met een geweten zoo blank als de borst van hare witste duif was het kwikstaartje avond aan avond ingeslapen, en het ergste wat zij overdag misdreven had bestond in eene verbodene klauterpartij, en meestentijds in een heftig of onvriendelijk woord.
Sedert Orion’s kus onder den bedwelmenden geur der bloeiende boomen had de eerste omkeering bij haar plaats gegrepen en bijna ieder volgend uur had nieuwe wenschen en beschouwingen in haar gewekt. Wat vroeger niet bij haar was opgekomen, namelijk zich een oordeel over hare moeder aan te matigen, dat deed zij nu onophoudelijk. De manier, waarop deze met de vrienden van het stadhouderlijk verblijf gebroken had scheen haar verkeerd en onbetamelijk, en de hatelijke, bittere uitvallen tegen de oude vrienden, waarvan vrouw Susanna’s mond overvloeide, ergerde Katharina en brachten haar eindelijk in tegenspraak met haar, wier oordeel haar tot hiertoe onfeilbaar was toegeschenen. Nadat het paleis van den overleden Mukaukas voor haar gesloten was, bezat zij dus niemand, aan wie zij gaarne haar vertrouwen had geschonken, en tusschen Paula en haar rezen scheidsmuren op, tegen welker hoogte zijangstig opzag zoo vaak zij toegaf aan het verlangen om ze te overschrijden. Zij was zeker de andere van wie Orion gesproken had, en hoewel zij aan den avond na de begrafenis van zijn vader heimelijk tot Paula was gekomen, zoo had minder een brandend verlangen om vertrouwelijk te spreken met een deelnemend gemoed haar daartoe gedreven, dan wel eene kwellende met ijverzucht gepaarde nieuwsgierigheid. In een zonderling gemengde stemming van teeder verlangen en doffe haat was zij door de heg geslopen, en toen het tot eene tweede ontmoeting gekomen was, had zij zich aanvankelijk geheel overgegeven aan het genot, om zich openhartig uit te spreken en gehoor te vinden bij eene die zoo ver boven haar stond. Doch na Paulas terughouding bij het antwoorden op hare rondborstige vragen, waren haat en nijd weder in haar ontwaakt. Wie Orion niet haatte, moest hem volgens haar inzicht liefhebben. Behoorden die twee reeds bij elkander?
Misschien had Paula haar onder de sykomore slechts als een lichtgeloovig kind behandeld en haar wat wijs gemaakt. Dit ‘misschien’ martelde haar, en zij wilde althans beproeven er een einde aan te maken. Een helper had zij tot hare beschikking in den persoon van haar zoogbroeder, den zoon van hare doove voedster, en zij wist dat deze blindelings al hare wenschen vervullen, ja als het haar aangenaam kon zijn, zich midden onder dekrokodillenvan den Nijl werpen zou. De jonge Anubis had in al hare kinderspelen gedeeld en op zijn veertiende jaar was hij, nadat hij met haar lezen en schrijven had geleerd, op voorspraak van hare moeder als leerling op het rentmeesterskantoor van den stadhouder gekomen, om daar onder den voortreffelijken rentmeester Nilus zich verder te bekwamen. Vrouw Susanna dacht hem later op hare goederen te gebruiken of hem te Memphis aan het hoofdkantoor van het bestuur over haar vermogen eene aanstelling te bezorgen, die aan zijne bekwaamheden beantwoordde. De knaap woonde nog steeds bij zijne moeder ten huize van de weduwe, doch bracht zijne werkdagen door in het stadhouderlijk paleis, waar hij zich bij den arbeid zeer vlijtig betoonde, terwijl hij zich in zijne vrije uren bezig hield met dingen, die ver buiten zijn toekomstig beroep lagen. Op verzoek van Katharina had hij eene duivenpost aangelegd tusschen het huis harer moeder en het paleis van den stadhouder, en langs dezen weg was menig briefje met kleine mededeelingen, uitnoodigingen, afspraken en dergelijken van het kwikstaartje tot de kleine Maria en van deze weder tot haar overgebracht. Anubis vermaakte zich bijzonder met die kleine diertjes, en met goedkeuring van zijne meesters was de duivenslag op het dak van het rentmeestersambt getimmerd. Maria lag nu op het ziekbeden elke gemeenschap met haar was afgebroken; de goed ingerichte post behoefde daarom niet ongebruikt te blijven en Katharina was begonnen zich daarvan voor andere doeleinden te bedienen.
Orions schrijver was gisteren zeer lang opgehouden ten huize van haar buurman, en door Anubis, wien niets ontging wat in het kantoor van Nilus verhandeld werd, was zij te weten gekomen dat aan Paula eerlang haar vermogen zou worden uitgekeerd, en waarschijnlijk wel door Orion in persoon. Bij die gelegenheid moest een onderhoud plaats hebben, en misschien was het haar vergund dit af te luisteren. Hoe dat kon bewerkstelligd worden, was haar ten aanzien van ’s buurmans huis dikwijls genoeg op de proef gebleken; zij had alleen te zorgen ter rechter tijd op de plaats te zijn.
In den morgen, die op den nacht der maansverduistering volgde, omstreeks twee en een half uur voor den middag, bracht de kleine duivenoppasser, die de gevleugelde boden in den slag voederde, haar een briefje, waarop Anubis geschreven had, dat Orion zich gereed maakte om heen te gaan. Deze tijding werd echter niet bijzonder vriendelijk ontvangen, want dit tijdstip kwam haar zeer ongelegen. Heel in de vroegte toch had de bisschop Plotinos hare moeder medegedeeld, dat de patriarch Benjamin uit Alexandrië zich aan gene zijde van den Nijl bij den Arabischen gouverneur Amr bevond, om wat later Memphis met een bezoek te vereeren. De patriarch zou éen dag vertoeven, had voor elke plechtige ontvangst bedankt, en het aan hem overgelaten een geschikt kwartier te zoeken voor zijn persoon en voor hen die hem vergezelden, daar hij niet wenschte af te stappen aan het stadhouderlijk paleis. De ijdele weduwe had zich terstond volgaarne bereid verklaard, om den hoogen gast onder haar dak te herbergen. Het bezoek van den kerkvorst moest haar huis zegen aanbrengen, en zij dacht daaruit eenig voordeel te trekken ook voor veel, dat haar thans bezighield. Den patriarch moest eene prachtige ontvangst worden bereid. Daarvoor bleven haar maar weinige uren over, en daarom begon zij, nog vóór de bisschop van haar afscheid had genomen, hare bedienden samen te roepen en hare bevelen te geven. Het geheele huis moest van boven tot beneden schoon gemaakt worden; een deel van het keukenpersoneel moest haastig naar de stad gaan om inkoopen te doen, terwijl een ander deel alles aan den haard in gereedheid bracht. De tuinlieden plunderden de bloembedden en heesters om guirlandes, kransen en ruikers voor de ontvangst in orde te brengen. Van den kelder tot op den beganen vloer waren een vijftigtal blanke, bruine en zwarte slaven met alle kracht in de weer; want ieder meende doordezen dienstijver ter wille van den patriarch op de bijzondere genade des hemels te mogen rekenen, en daarbij schreeuwde hunne onvermoeide meesteres hun gestadig toe, wat zij verlangde dat gedaan zou worden. Zij, die als meisje de oudste dochter was geweest van een gezin dat rijk met kinderen gezegend, maar minder met goederen bedeeld was, en zelf de handen had moeten uitsteken, vergat heden dat zij eene rijke aanzienlijke vrouw was geworden, wie het niet meer paste in persoon huis te houden, en zoo was zij nu hier, dan daar, hield een oog op alles, op ieder groot en klein, alleen niet op hare dochter.
Katharina was het fijne, Grieksch opgevoede popje des huizes, aan wier ernstige hulp niet gedacht kon worden; ja, zij zou meer in den weg hebben gestaan. Na het afscheid van den bisschop had zij enkel den last bekomen, den patriarch in haar beste kleed met een ruiker te ontvangen onder het linnen afdak aan de hoofddeur. Meer verlangde Susanna van hare dochter niet, en deze dacht, terwijl zij de trap opvloog die naar hare kamer geleidde: »Orion zal weldra komen, vóor het middag is verloopen er nog ten minste twee uren, en wanneer hij een half uur hier naast blijft, is het al lang. Ik zal nog tijd genoeg overhouden om mij te kleeden, en uit voorzichtigheid zal ik mij de nieuwe schoenen reeds dadelijk aan de voeten laten binden. De voedster en de kamenier mogen mijne kamer niet meer verlaten Voor het geval dat het wat later wordt moeten zij alles gereed houden, want misschien hebben Paula en hij elkander veel te zeggen. Zonder eene terechtwijzing laat zij hem niet gaan, tenzij zij hare verwijten reeds op eene andere manier aan den man heeft gebracht.”
Spoedig hierop sprong zij, met fraaie, met gouddraad doorstikte en blauwe saffieren bezaaide sandalen aan de kleine voeten, op een met zoden belegden aardheuvel, die zij reeds vroeger had laten maken achter de heg, waardoor zij gisteren gekropen was, en zette zich daar met een tevreden lachje op een zeteltje neer, als gold het eene theatervoorstelling. Eenige bladplanten, die achter deze verborgen zitplaats groeiden, beschutten haar eenigermate voor het branden der zon, en terwijl zij op dezen uitkijk, waarvan zij zich niet voor de eerste maal bediende, wachtte en luisterde, begon haar hartje steeds sneller te kloppen, ja, zij vergat door hare groote gejaagdheid het suikerwerk, dat zij, om den tijd te verdrijven, op een groot blad in haar schoot had gestrooid. Tot haar geluk liet Orion niet lang op zich wachten, hij kwam in de gesloten vierwielige carruca van zijne moeder. Naast den voerman zat een dienaar, en op elk der beide treden van de deuren van het voertuig zat een slaaf. De wagen werd gevolgd door eenige nietsdoende mannen en vrouwenen eene schare van halfnaakte kinderen. Maar de nieuwsgierigen hadden zich misrekend, want de carruca bleef niet op straat stilstaan; zij reed den tuin van Rufinus binnen, en de planten en boomen onttrokken haar aan de blikken van het daarbuiten wachtende gepeupel, dat nu spoedig vrijwillig uiteenging. Vóor de middendeur van het woonhuis steeg Orion en na hem de rentmeester uit den wagen, en terwijl de oude heer den zoon van den Mukaukas begroette, zag Nilus toe op het overbrengen van een tamelijk aantal zware zakken in de schaduwrijke werkkamer van den ouden heer.
Bij dit alles was er voor Katharina niets merkwaardigs te zien dan het aanzienlijk aantal en de grootte van de zeker met goud gevulde buidels, en de man, waarom het haar vooraltedoen was. Zoo schoon was Orion haar nog nooit voorgekomen, want het laag neerhangende treurgewaad, waarvan hij de einden in breede plooien over den schouder had geslagen, deed de natuurlijke lengte van zijne gestalte nog beter uitkomen. Zijn overvloedig thans ongekruld haarhing in rijke kunstelooze golvingen langs zijn gelaat, dat er bleek en ernstig uitzag, hetgeen haar tegelijk roerde en onweerstaanbaar aantrok. De gedachte, dat deze uitmuntende jonkman eens hare hand gevraagd, haar bemind en gekust had, hem bezeten en daarna voor altijd verloren te hebben, omdat hij eene andere liefhad, deed haar pijn, als een gevoel van smart dat van de borst uitging, en zich tot in de hersenen deed gevoelen. Nadat Orion in het huis verdwenen was, meende zij hem nog altijd te zien, en toen zijn beeld daarna ook voor haar zielsoog verflauwde, en zij zich voorstelde hoe hij thans stond tegenover die andere, Paula, en deze evenzoo aanzag als haar eenige dagen geleden, verdubbelde haar zieleleed. Of die Damasceensche ook maar half zoo gelukkig was als zij in die onvergetelijke ure? Ach het was haar zoo wee om het hart! Het liefst ware zij over de heg gesprongen, om zich in ’s buurmans huis tusschen Paula en Orion te werpen.
Daar zat zij nu rusteloos en toch zonder zich te verroeren, geheel beheerscht door booze gedachten, die maar zelden ter sluiks de ziel van een goed mensch doorkruisen, daar zat zij te staren op het huis van Rufinus. Dat lag daar doodstil in den gloeienden zonneschijn, als was het ingeslapen. Ook in den tuin bewoog en verroerde zich niets dan de dunne waterstraal, die uit het marmeren bekken opschoot met zacht, eentonig en telkens afgebroken geplas, niets dan de kapellen, vlinders, bijen en kevers,wier gegons zij niet hoorde en die de bloemen zonder eenig geluid schenen te omfladderen. De vogels sliepen zeker, want er vertoonde zich niet éen, geenenkele brak met zijn tjilpen en fluiten de benauwende stilte af. De carruca stond als voor de huisdeur vastgenageld, de voerman was van zijn zetel gestegen en had zich naast de andere slaven neergevleid in de smalle schaduwstrepen van de zuilen der veranda. Allen lieten het hoofd op de borst rusten en niemand sprak een woord; alleen de paarden verroerden zich, als zij met de volle staarten zich tegen de vliegen weerden, of beten naar de brandende wonden die zij gestoken hadden. Soms hieven zij onrustig de distelboom op, en als de wagen zich dan krakend achterwaarts bewoog liet de slaapdronken voerman zijn »brrr!” hooren.
Katharina had een breed blad op haar schedel gelegd om zich te beschutten tegen het branden der zon, want zij durfde noch een zonnescherm noch een hoed gebruiken, uit vrees van gezien te zullen worden. De planten rondom haar gaven maar bitter weinig schaduw en de middaggloed kwelde haar, doch hoewel de eene minuut na de andere, kwartier op kwartier met slakkengang voortkropen, hield de spanning waarin zij verkeerde alle slaperigheid verre. Zij had geen zonnewijzer noodig om den tijd te berekenen, immers zij wist precies hoe laat het was wanneer de eene schaduw tot hier, de andere tot daar was getrokken, en wilde zij de oogen aan het gevaar blootstellen om naar den vuurbol boven haar op te zien, dan kon zij zich volkomen zekerheid verschaffen.
Thans moesten er hoogstens nog drie kwartier verloopen voor het middag was en ginds in huis bleef alles even stil als te voren. De patriarch moest echter op zijn tijd afgewacht worden, en van haar geheele toilet had zij nog niet anders aangetrokken dan de gouden sandalen. Zij nam een kort besluit, ijlde naar hare kamer, verbood de kamenier haar kapsel opnieuw te ordenen en vergunde haar alleen eenige rozen te steken in de natuurlijke lokken. Vervolgens liet zij zich in vliegende haast haar zeegroen bombyxkleed, dat met fraai geborduurde randen omzoomd was, over de schouders werpen, beval den peplos te bevestigen met den eersten den besten haak, en toen zij zichzelve een armband van kostbare saffieren wilde aandoen en het slot daarbij brak, smeet zij het kleinood bij hare overige sieraden, gelijk men een onrijpen appel bij de anderen werpt. Spoedig sloop haar handje nu door een gouden spiraalveer, die haar halven arm bedekte, en eindelijk greep zij de overige kleinoodiën bijeen, die zij zichzelve buiten op den wachtheuvel wilde aandoen. De kamenier kreeg bevel haar op het middaguur te komen roepen met den ruiker voor den patriarch, en een kwartier nadat zij hare schuilplaats verlaten had, was zij er weer terug. Zij kwam op het rechte tijdstip,want terwijl zij de medegenomen sieraden aandeed kwam Nilus uit het huis, gevolgd door slaven met een aantal lederen zakken, die zij weder in de carruca legden. Hierna stegen de rentmeester en de arts Philippus in en de wagen verliet den tuin.
»Paula vertrouwt Orion opnieuw haar vermogen toe,” dacht Katharina. »Zij zijn het nu eens, en van nu aan kan er eene geregelde verstandhouding tusschen het huis van Rufinus en het paleis van den stadhouder beginnen. Een slim overlegd spel, maar wacht eens, wacht!”
Daarbij klemde zij de kleine witte tandjes op elkaar, doch behield tegenwoordigheid van geest genoeg, om niets over het hoofd te zien van hetgeen verder gebeurde. Gedurende hare afwezigheid toch was Orions zwarte hengst in den tuin gekomen, een ander ruiterte paardleidde het dier daar rond, en terwijl zij met hare oogen de paarden volgde, prevelde zij met een spottenden lach in zichzelven: »Hij neemt haar dus in elk geval niet dadelijk mee.”
Wederom verliepen eenige stille oogenblikken; eindelijk kwam Paula uit het huis, en vlak achter haar, bijna aan hare zijde Orion. En hoe zagen zij er uit! Zijne wangen waren niet bleek meer, neen zeker niet, ze gloeiden evenals die van Katharina zelve! En hoe helder stonden zijne oogen, waarin blijdschap en tevredenheid te lezen was! Zij had wel eene slang willen zijn om beiden in de verzenen te steken! Bij dit alles had de Damasceensche hare edele, trotsche houding niet verloren. En hij?—Als een betooverde zag hij zijne geleidster aan, en zij meende te zien dat de plooien van zijn rouwgewaad zich boven zijn hart op en neder bewogen. Ook Paula droeg heden een rouwkleed. Natuurlijk! Zij behoorden immers bij elkander en zijn leed moest ook het hare zijn, hoewel zij het huis van den Mukaukas als eene gevangenis was ontvlucht. O, die deugdzame schoone wist wel, dat haar niets beter stond dan donkere kleuren. In houding, gang en grootte schenen deze beiden twee bevoorrechte schepsels, die het lot zelf voor elkander bestemd had; dat kon Katharina zich zelf niet ontveinzen.
Een nijdige demon, zij noemde hem een vriendelijke, voerde hen zoo na aan haar voorbij, dat zij met hare scherpe ooren ieder woord verstond, dat hij en zij, nu eens langzaam voortwandelende, dan stilstaande spraken; en het vlugge kwikstaartje volgde hen, terwijl het langs de heg onmerkbaar voortsloop.
»Ik heb u zooveel te danken,” waren de eerste woorden, die zij uit Orions mond opving, »dat ik schroom u nog één ding te vragen; maar juist dit betreft ook u. Gij weet hoe zwaar de wond is, die de kinderhand van Maria mij geslagenheeft, doch wat haar daartoe bewoog was hare brave, oprechte gezindheid en hare afgodische liefde voor u.”
»Gij wilt dat ik mij dit kind zal aantrekken?” vroeg Paula. »Deze wensch is natuurlijk reeds dadelijk ingewilligd, alleen...”
»Alleen?” vroeg Orion.
»Alleen moet gij haar hierheen zenden, want gij weet dat ik het stadhouderlijk paleis niet weder betreden wil.”
»Helaas! Maar het kind is zwaar ziek geweest en zal het huis moeielijk kunnen verlaten. En—dit moet ik er bijvoegen—mijne moeder ontwijkt het op eene wijze, die het toch reeds overprikkelde kind verdriet doet en telkens opnieuw beangstigt.”
»Hoe kan vrouw Neforis haar hartediefje dat leed aandoen?”
»Bedenk toch eens,” zeide Orion met een zucht, »wat mijne arme moeder voor mijn vader geweest is! Thans is zij als verpletterd en als zij het kind ziet, komt de laatste ure van haar ongelukkigen gemaal haar weder voor den geest, en wat mijn vader en mij toen is aangedaan, door Maria alleen. Zij ziet in die kleine de booze demon van ons huis.”
»Dan moet men haar daaruit verwijderen,” zeide Paula bewogen. »Zend haar naar ons! Onder het dak van Rufinus huizen vriendelijke en vertroostende geesten.”
»Hartelijk dank! Ik zal mijne moeder zoo dringend mogelijk vragen....”
»Doe dat!” haastte Paula zich te zeggen. »Hebt gij Pulcheria, de dochter van mijn waardigen gastheer gezien?”
»Ja, een eigenaardig lieftallig meisje.”
»Zij geeft Maria dadelijk eene plaats in hare trouwe ziel.”
»En onze arme kleine heeft eene vriendin noodig, sedert vrouw Susanna hare dochter heeft verboden den voet over onzen drempel te zetten.”
Nu kwam het gesprek op de beide meisjes en zij spraken over haar als lieve, beklagenswaardige kinderen, en toen Orion opmerkte hoe ver zijn nichtje in ontwikkeling hare jaren vooruit was, voegde Paula er bij, op een toon van zacht verwijt: »Ook Katharina hebben de laatste dagen gerijpt; uit het flinke kind is een meisje geworden, welks kort geleden zoo luchtig hartje bezwaard is door pijnlijke ervaringen.”
»Die last wentelt zij, als ik haar goed ken, weldra weder van zich af,” antwoordde de ander. »Zij is een lief, vroolijk, klein schepsel, en onder al het kwaad, dat ik op dien vreeselijken dag heb begaan, heb ik haar misschien het ergste leed aangedaan. Ik kan niets tot mijne verontschuldiging aanvoeren, en toch: alleen om den lievelingswensch van mijne moeder te vervullen, stemde ik toe om haar te vragen... Maar sprekenwij daarover niet verder! De groote schreden waarmede ik van nu aan mijn weg verder vervolgen wil, moet zij kunnen volgen, wie de liefde den moed geeft om mijne levensgezellin te worden!”
De laatste woorden had Katharina nog met alle inspanning verstaan, thans sloegen de beluisterdeneenpad in dat, maar even door enkele boomen voor de middagzon beschut, naar het waterbekken in het midden van den tuin leidde, en zij verwijderden zich al verder en verder. Zij verstond niet meer wat zij zeiden, doch zij had genoeg gehoord en kon de rest er wel bij denken. Het hoofddoel van hare tegenwoordigheid aan deze plaats was bereikt; zij meende nu zeker te weten wie die andere was. En hoe hadden die twee over haar gesproken! Niet als over eene verlatene bruid, wier goed recht men met voeten heeft getreden, maar als over een kind, dat men de deur wijst, wanneer het lastig begint te worden. Doch zij meende dat paar daarginds te doorzien en te weten, waarom het dus over haar gesproken had. Paula moest voorkomen dat er een nieuwe band tusschen haar en Orion geknoopt werd, en hij hield het voor verstandig over haar, die hij toch eens met teederheid had overladen, te spreken als over een kind, om zich te vrijwaren voor de jaloezie van de andere die zoo gestreng oordeelde. Dat hij haar althans op dien avond onder de boomen had liefgehad, daaraan hield zij met onwrikbare taaiheid vast, aan deze overtuiging moest zij zich vastklemmen, om niet het laatste steunpunt te verliezen. Hare geheele natuur was in geweldigen opstand. Hare handen beefden, bij deze middaghitte was haar mond als verdroogd. Zij wist dat er verdord loof tusschen hare voeten en de sandalen was geraakt, en dat bladeren en takjes in heure haren waren blijven hangen doch zij lette hierop niet, en toen de de dichte struiken de wandelenden aan hare blikken onttrokken, snelde zij naar haar uitkijk terug. Dáar kon zij hen weder met het oog bereiken, en nu had zij het liefste en beste wat zij bezat willen geven om dat te zijn, waarmede zij zich ongaarne hoorde vergelijken: een kwikstaartje of een andere vogel.
Het middaguur moest nabij, zeer nabij zijn, misschien was het reeds daar; zij maakte hare sandalen schoon, en gaf er geen acht op dat eene roos op den grond viel, terwijl zij hare krullen weder in orde bracht en zuiverde van de dorre bladeren. Alleen de handen, niet de oogen waren met dit werk bezig. Plotseling verhelderde haar blik, want het paar dat zij bespiedde, liep recht op de heg toe, en weldra zou het haar mogelijk zijn hen weder te beluisteren.