EERSTE HOOFDSTUK.Evenmin als de arts Philippus, kon ook Orion dien nacht rustig slapen. Hij twijfelde niet meer aan Paula, doch zijn geheele hart was vervuld van vurig verlangen naar haar en naar de bevestiging dat zij hem en hem alleen liefhad, en dat verlangen hield hem wakker. Bij het krieken van den dag stond hij op, blijde dat de nacht voorbij was, en stak den Nijl over om den wisselaar Salech, den broeder van den ouden koopman Haschim, de helft toe te vertrouwen van het vermogen der dochter van Thomas.In Memphis was alles nog stil en wat hij daar zag, kwam hem heden bijzonder oud, afgeleefd, traag en vervallen voor. Alles scheen niet meer waard dan om onder te gaan, terwijl hij aan gene zijde van den stroom, in het jonge Fostat, niet anders waarnam dan een frisch, bedrijvig en krachtig jeugdig leven. Onwillekeurig vergeleek hij de oude pharaonenstad achter zich met eene vergane mummie en de nieuwe residentie van Amr met een jonkman, die dorst naar daden. Alles was daar leven en beweging. Den wisselaar, die, als alle muzelmannen vroeg opstond, »zoodra men een witten van een zwarten draad onderscheiden kon,” om zijn eerste gebed te verrichten, vond hij reeds bezig met het uitbetalen van rollen goud en zilver, en hoe gezwind, hoe knap en handig wist de Arabier deze zaak met hem en Nilus, die hem vergezelde af te doen! Werwaarts hij het oog ook richtte, hij zag niets dan oogen vol vuur, niets dan aangezichten, die van geestkracht, kloekheid en ondernemingszucht getuigden, geen slaafs gebogen halzen, geen trage suffers, geen blik van sombere berusting, zooals in zijne vaderstad aan de andere zijde. Hier in Fostat vloeide het bloed hem sneller door de aderen, dáar drukte het leven hem als een last. De Arabieren trokken voor alles hem aan.De kraam van den wisselaar bestond gelijk alle verkoopwinkels in de bazar van het jonge Fostat uit eene houten tent, waarin de koopman met zijn helpers verblijf hield. Door de opene zijde,die naar de straat was gekeerd, onderhandelden zij met de bezoekers, die als de onderhandelingen over een zaak wat langer moesten duren, door den koopman binnen werden genoodigd, ten einde naast hem te gaan zitten op de uitstallingsplanken. Ook Orion en Nilus hadden aan zulk eene uitnoodiging gehoor gegeven, en terwijl zij bij hunne samenspreking met den wisselaar daar zaten voor het oog van alle voorbijgangers, stapte de Wekil Obada, welke zich over den afkeer die de zoon des stadhouders hem gisteren avond betoond had zoo geweldig boos had gemaakt, rakelings hen voorbij. Tot zijne verbazing groette deze hem met bijzondere vriendelijkheid, en indachtig aan de waarschuwing van den veldheer, beantwoordde hij dien groet van den gehaten man, hoe zwaar het hem ook viel. Toen Obada echter andermaal en ten derde male daar langs ging, gevoelde Orion dat hij bespied werd. Doch het was ook mogelijk dat de Wekil insgelijks met den wisselaar zaken te doen had en wachtte tot hij gereed zou zijn.Intusschen zou Orion deze ontmoeting weldra vergeten, want tehuis wachtten hem gewichtige zaken.Zooals vaak geschiedt, had de dood van een enkel man, ofschoon zijn huis door zijn verscheiden noch rijker noch armer was geworden, en men daarin gedurende den laatsten tijd zijn afgezonderd leven nauwelijks had waargenomen, dit huis geheel, ja bijna onherkenbaar veranderd. De anders zoo levendige vertrekken waren nu stil en als uitgestorven. Smeekelingen en aanklagers vulden niet meer de voorzaal, en zij die hunne deelneming kwamen betuigen waren naar oud gebruik op den dag na de begrafenis ontvangen. De zooveel gedruisch makende bedrijvigheid van vrouw Neforis, haar roepen en het rinkelen harer sleutels dat alles vernam men niet meer, want zij hield zich van allen afgezonderd enkel in hetslaapvertrekof in de koele fonteinzaal op, welke laatste het lievelingsverblijf van haar gemaal was geweest, wanneer zij ten minste niet in de kerk vertoefde, die zij dagelijks tweemalen bezocht, Met hetzelfde afgematte en onverschillige gezicht waarmede zij naar den tempel reed, keerde zij daaruit terug, en wie haar werkeloos en in somber gepeins verzonken op den divan zag zitten, die gewoonlijk de rustplaats was geweest van haar overleden gemaal, zou in haar bezwaarlijk de altijd bezige, zorgvuldige vrouw van voor weinige dagen hebben herkend, die zoo geheel vervuld was van hare huishoudelijke beslommeringen. Zij treurde en klaagde eigenlijk niet over het verlies van haar echtgenoot, en als had zij in den nacht na de dagen van het sterven en begraven voor altijd uitgeweend, zoo had zij thans geen tranen meer voor hare smart. Zij kon helaas niet komen tot dien door vriendelijke herinneringengewijden weemoed, waarin vertroostende engelen, als men het eerste zieldoorvlijmend leed te boven is, zoo vaak eenige verkwikkende druppels mengen. Zij gevoelde, zij wist echter dat met haar gemaal een deel van haar eigen wezen van haar was afgescheurd, al had zij ook nog niet begrepen dat dit deel niets minder omvatte dan de hoofdbestanddeelen van haar innerlijk en uiterlijk bestaan.Haar vader en die van haar gemaal waren de eerste mannen in Memphis, ja in Egypte geweest. Trotsch, gelukkig, met een hart vol liefde, had zij den zoon van Menas de hand gereikt. Hij was niet alleen maar verbonden met haar opgeklommen tot de hoogste waardigheden, die een Egyptenaar bereiken kon, en zij had alles gedaan wat in haar vermogen was, om hem te handhaven op zijn door velen benijd standpunt, om hem dat schitterend en waardig te doen innemen. Na vele bij uitstek gelukkige jaren had de smart over hunne vermoorde zonen de harten van dit reeds innig verbonden paar nog vaster aan elkander gesloten, en toen haar gade in een kwijnende ziekte verviel, vergezelde zij hem blijmoedig in zijne afzondering, wijdde zij zich geheel aan zijne verpleging, en deelde zij met hem in den twijfel en de bezorgdheid, die zijne staatkundige handelwijze deed ontwaken. Het bewustzijn van voor hem niet alleen veel maar alles te zijn, maakte haar trotsch en gelukkig. De afkeer, die zij meer en meer voor Paula gevoelde, was allereerst hier uit ontstaan, dat zij had opgemerkt hoe zij, Neforis, niet meer onmisbaar was voor den lijdenden echtgenoot, zoodra deze zijne schoone nicht tot gezelschap had. En thans? Thans?Wanneer zij in een slapeloozen nacht ontwaakte uit de sluimering die haar niet verkwikte, luisterde zij onwillekeurig naar eene zachte, afgebrokene ademhaling, en toch was er in hare nabijheid geen borst meer, die zich op en neer bewoog. Als zij in den vroegen morgen de eenzame legerstede verliet, scheen de aangebroken dag haar een ledige, dorre woestijn te zijn. Des nachts zoowel als overdag trachtte zij herhaaldelijk zich het beeld van den afgestorvene voor den geest te brengen; doch zoo vaak dit hare zwakke verbeeldingskracht voor een oogenblik was gelukt, had zij hem enkel gezien zooals hij was in de laatste oogenblikken zijns levens, hem gezien en gehoord met de verwensching van zijn eigen zoon op de bevende lippen. Deze akelige herinnering bedierf voor haar de laatste troost der treurenden en het vriendelijk aandenken aan den ontslapene, en benam haar tegelijk het trotsch en blijmoedig welgevallen in haar eenig kind. De jonkman, die nog kort geleden de afgod harer ziel was geweest, stond daar voor haar als besmet engeschandvlekt. De last, die de rechtvaardigste van alle rechtvaardigen op Orion had gewenteld, mocht zij waarlijk niet voorbijzien. Doch in plaats van met verdubbelde teederheid hem aan haar hart te drukken, in plaats van het schrikkelijk oordeel, dat de vader over hem geveld had, te verzachten en wat hem drukte te verlichten, wist zij hem enkel te beklagen. Als Orion haar opzocht, streelde zij hem over de krullende haren, en daar zij hem noch beleedigen wilde, noch ongelukkiger maken, dan hij reeds was, berispte en vermaande zij hem niet, en herinnerde hem nimmer aan den vloek zijns vaders. En hoe verarmd was dit onvrijgevige hart, dat zich gewend had alles wat het aan liefde bezat slechts aan enkelen, ja bijna aan een enkele te wijden, die nu niet meer onder de levenden was. De vroolijke kinderstemmen in huis waren voor haar aangename tonen geweest, zoolang zij haar lijdendenden gemaal niet gestoord hadden; nu waren echter ook dezen verstomd, en aan hare eigene kleindochter, die de zonneschijn van hare zeer beperkte liefde nog niet ten volle had genoten, had zij die liefde thans geheel ontzegd. Droeg niet de kleine Maria de schuld van dat vreeselijk vonnis, dat in de laatste ure van haar gemaal over haar en Orion was geveld? Ja, in het overprikkeld gemoed van de treurende vrouw had de valsche voorstelling post gevat, dat dit kind de booze demon van het huis was en een werktuig van den satan.Sedert eergisteren had Neforis eenige betere uren gehad. Gedurende de slapeloosheid, die haar als eene lichamelijke smart begon te kwellen, was haar ingevallen, welk eene verlichting den afgestorvene juist in onrustige nachten die witte opiumpilletjes hadden gegeven, en zij had nog een pas aangebroken fleschje met deze artsenij bij de hand. Leed ook zij niet ondragelijke pijn? Waarom zou zij het middel niet gebruiken, dat de smarten van haar echtgenoot zoo wonderbaar had gelenigd? Bij langdurig en al te veelvuldig gebruik konden die pilletjes schadelijk werken, en zij had den overledene vaak teruggehouden om er zich te rijkelijk van te bedienen; maar kon haar leed dan nog verergeren? Moest zij dit geneesmiddel niet danken, wanneer het dit ellendig leven voor haar verkortte? Zoo gebruikte zij dus het proefhoudend bevonden middel, eerst aarzelende, dan menigvuldiger en reeds op den tweeden dag met waar genot en blijde verwachting. Het had haar niet alleen een goeden nacht bezorgd, maar haar ook den volgenden morgen eene groote weldaad bewezen, want de afgestorvene was haar voor het eerst na zijn dood niet als een vloekende voor den geest gekomen, maar als een jong, levenslustig man. Niemand in huis wist van welk een troostmiddel de weduwe zich bediendeen de arts zoowel als haar zoon hadden zich gisteren verheugd, dat zij haar gelatener hadden aangetroffen.Toen Orion, nadat hij te Fostat zijne zaken met den wisselaar had afgedaan, naar huis terugkwam, moest hij aan de voorpoort zich een weg banen door een aantal lieden, die van alle zijden waren saamgeloopen, daar hij het binnenhof vol menschen en de wacht alsmede alle bedienden in groote beweging vond. Niemand minder dan de patriarch was het stadhouderlijk paleis een bezoek komen brengen en deze vertoefde thans bij zijne moeder. Hij had, zoo deelde de huismeester Sebek hem mede, ook naar hem gevraagd, en vrouw Neforis wenschte, dat hij terstond tot haar zou komen, om den allerheiligsten vader zijn eerbied te betuigen.»Wenscht zij dat?” vroeg de jongeling, en bleef besluiteloos staan, terwijl hij een slaaf zijn reishoed toewierp. Hij was te veel kind van zijn tijd, en de kerk en hare dienaars hadden een te grooten invloed op zijne opvoeding uitgeoefend, dan dat hij het bezoek van den grooten prelaat niet als eene groote eer zou hebben beschouwd. Toch kon hij den smaad, die der nagedachtenis zijns vaders was aangedaan, kon hij de vermaning van den edelen Arabischen veldheer om zich voor de vijandschap van Benjamin te wachten, niet vergeten, en wellicht, zeide hij tot zichzelven, was het beter om eene samenspreking met den machtigen man te ontwijken, dan zich bloot te stellen aan het gevaar van gedurende het onderhoud zich niet te kunnen inhouden en nieuw voedsel te geven aan zijne eigene verbolgenheid.Doch hem zou geen keuze worden gelaten, want de kerkvorst zelf trad uit de fonteinzaal in het viridarium. De hooge gestalte van den grijsaard was nog ongekromd, zijn trotsch hoofd was omgeven door sneeuwwitte haren, en zijne grijze baard daalde in zachte golvingen af tot op zijne borst. De scherpe blik van zijne krachtige oogen vestigde zich op den jongen man, in wien hij terstond den heer des huizes herkende, ofschoon hij hem het laatst als knaap had gezien. Terwijl Orion diep voor hem boog, riep de patriarch hem met eene zware, welluidende stem waaruit opgewektheid en waardigheid spraken, vroolijk toe: »Wees welkom, zoon van mijn onvergetelijken vriend! Het kind is, gelijk ik zie, een flinke man geworden. Ik heb een uurtje aan uwe moeder gewijd, thans moet ik met den zoon belangrijke zaken bespreken.”»In de werkkamer mijns vaders!” riep Orion den huismeester toe, terwijl hij den patriarch voorging, daarbij de vormelijke, uitnoodigende beweging makende van de kamerheeren aan het keizerlijk hof.Voor de patriarch hem volgde, gaf hij hen die hem vergezelden een wenk, dat zij achter zouden blijven, en zoodra het vertrek gesloten was, trad hij op Orion toe en zeide: »Andermaal breng ik u mijn groet! Hier heb ik dus den kleinzoon voor mij van den braven Menas, den zoon van den Mukaukas Georg, den algemeen gevierden afgod van mijne Memphietische schapen, die bij den duizelingwekkenden dans der aanzienlijke jongelieden te Konstantinopel hun de baas is gebleven! Een zeldzaam meesterstuk voor een Egyptisch christen! Doch allereerst, mijn kind, allereerst uwe hand!”Daarbij stak hij hem de rechterhand toe en Orion gaf hem de zijne, hoewel schoorvoetend. Want in die toespraak van den patriarch trilde een toon van lichte bespotting, en hij vroeg zich af, of deze man hem werkelijk zoo welgezind was, dat hij hem met een goed hart, gelijk zijne ouders als »mijn kind” durfde aanspreken. Er viel niet aan te denken hem de hand te weigeren. Toch had hij den moed om te antwoorden: »Uw wensch, heilige vader, heb ik te gehoorzamen; intusschen weet ik niet of het den zoon wel vrij staat de hand aan te nemen van een vijand, dien zelfs de dood, die alles doet vergeten, niet verzoende, die zijn vader, den braafsten man, en met dezen ook hemzelven op het kerkhof, aan het gaf, den zwaarsten smaad heeft aangedaan.”De patriarch schudde met een gemaakt lachje het hoofd, legde Orion de hand op den schouder, waarbij deze een gevoel had als ging er een gloed door al zijne leden, en zeide met vriendelijken ernst: »Het valt den christen niet zwaar den belager, den tegenstander, den vijand te vergeven en het is hem eene vreugde het den zoon niet euvel te duiden, dat hij zich in de ziel van zijn eigen vader gekrenkt gevoelt, hoe kortzichtig en dwaas zijne boosheid ook zij. Uwe verontwaardiging kan mij zoo weinig deren als den Allerhoogste in den hemel, en gij zoudt daarover zelfs geene berisping verdienen, wanneer niet—doch daarover spreken wij later—wanneer niet—gij moet het maar dadelijk hooren—wanneer niet uit uwe houding juist zoo duidelijk en tastbaar bleek, wat u nog ontbreekt om een oprecht christen, om een man te zijn, gelijk hij moet zijn dien God in dit door ongeloovigen overheerschte land op eene zoo hooge plaats heeft gesteld. Gij weet wat ik bedoel?”Daarop liet de kerkvorst zijne hand van ’s jonkmans schouder glijden, zag hem vragend aan, en toen Orion, zonder een antwoord te vinden verder van hem terugging, zeide de grijsaard met toenemende opgewondenheid: »Deemoed, vrome en geloovige overgave, ziedaar, mijn vriend, wat ik bij u mis. Wie ben ik? Maar als de plaatsvervanger, het spraakorgaan vanhem voor wien wij allen niets zijn dan wormen in het stof, moet ik vorderen dat ieder, die zich een christen, een Jacobiet noemt, mijn wil en mijn gebod, zonder er over te denken of te morren, zoo onvoorwaardelijk en zonder tegenstreven gehoorzaamt, als trof het heil of onheil hem van hooger hand. Waar zou het heen, wanneer ieder zich durfde vermeten mij te weerstaan en zijn eigen weg te gaan! Nog éen menschenleeftijd, en met den dood der ouderen, die nog als ware christenen zijn opgegroeid, zou het uit zijn met de leer des Heilands aan dezen stroom, zou overal in plaats van het kruis de halve maan prijken, zouden zich weeklachten in den hemel doen hooren over zoovele verlorene zielen. Leer u deemoedig en bescheiden te buigen voor den wil des Allerhoogsten en zijne plaatsvervangers op aarde, overmoedige knaap, en laat uwe houding tegenover mij u toonen, hoe ver uw eigen oordeel reikt. Gij houdt mij voor een vijand uws vaders?”»Ja!” antwoordde Orion op stelligen toon.»En ik heb hem liefgehad als mijn broeder,” hernam de prelaat op gemoedelijken toon.»Hoe gaarne had ik onder tranen zijne lijkbaar bestrooid met palmen des vredes, zooals alleen de kerk die schenkt.”»Toch hebt gij hem, dien gij uw vriend noemt,” zeide Orion, »onthouden wat de kerk den dief en den moordenaar niet weigert, wanneer hij vergeving van zonden verlangt en die uit de mond eens priester heeft ontvangen, zooals toch....”»Zooals toch uw vader!” viel de grijsaard hem in de rede. »Wel hem! Hij mag thans misschien de heerlijkheid van den Allerhoogste aanschouwen. En desniettemin heb ik de geestelijkheid verboden hem eer te bewijzen aan zijn graf. Waarom, om welke afdoende redenen is dit bevel uit den mond van een vriend tegen een vriend uitgegaan?”»Omdat gij hem,” antwoordde Orion somber, »in het oog van de geheele wereld wildet brandmerken als de man, die aan de ongeloovigen de voorkeur gegeven en hen de overwinning gemakkelijk gemaakt heeft.”»Ziedaar, dat noem ik de kunst te verstaan om in de harten te lezen!” zeide de prelaat, terwijl hij den jongeling aanzag met een spottenden blik, die half van instemming, half van ontevredenheid getuigde. »Welnu, knaap, nemen wij eens aan, dat ik de christenen van Memphis had willen toonen welk lot hem wacht, die zijn land voor den vijand opent en hand in hand met de ongeloovigen wandelt, zou ik dan niet in mijn recht zijn geweest?”»Heeft mijn vader de Arabieren hierheen geroepen?” vroeg de jongeling op zijn beurt.»Neen, mijn kind,” antwoordde de bisschop, »de vijand is vanzelf gekomen.”»En gij,” ging Orion voort, »hebt uit de woestijn, nadat de Grieken u in ballingschap hadden gezonden, voorspeld, dat de Arabieren zouden komen om de Grieksche Melchietische vijanden van ons geloof overhoop te werpen en uit dit land te verjagen.”»Zoo heeft de Heer gesproken door mijn mond,” hernam de grijsaard, terwijl hij deemoedig het hoofd boog. »En mij werden nog andere dingen geopenbaard, toen ik bij mijne askese mijn lichaam kastijdde in de brandende hitte der woestijnzon. Pas op, mijn kind, wees voorzichtig! Volg mijn raad, opdat het niet vervuld worde, en het huis van Menas verdwijne als de wolken, die de stormwind uit elkander drijft. Ik weet het, uw vader heeft mijne profetie zoo uitgelegd, als ware van mij aan hem de raad uitgegaan, om de ongeloovigen te ontvangen als werktuigen des Allerhoogsten en hen te helpen de Melchietische dwingelanden uit dit land te verjagen.”»Uwe voorspelling,” hernam de jongeling, »heeft in elk geval een diepen indruk op mijn vader gemaakt, en toen de zaak des keizers en der Grieken verloren was, was uw woord, dat de Melchieten niet minder ongeloovig waren dan de belijders van den Islam, hem tot grooten troost. Zoo iemand, dan weet gij, hoe hij allen grond had hen te haten, die twee zijner bloeiende zonen hadden vermoord. Wat daarna geschied is, heeft hij gedaan om zijne en uwe ongelukkige broeders, die aan zijne en uwe zorgen waren toevertrouwd, uit het verderf te redden; en hier, hier in dezen lessenaar ligt het antwoord, dat hij op de verwijten van den keizer heeft medegedeeld aan het Grieksche gezantschap, die hem in ditzelfde vertrek rekenschap kwamen vragen. Terstond na hun vertrek heeft hij het opgeschreven; wilt gij het hooren?”»Ik kan den inhoud van dat stuk wel raden.”»Neen, neen!” riep de jonkman vol vuur; opende in allerijl den lessenaar zijns vaders, haalde bij den eersten greep eene wastafel daaruit te voorschijn en zeide: »Aldus luidt het gegeven antwoord!”Al lezende vervolgde hij: »De Arabieren zijn ondanks hunne minderheid machtiger dan wij met onze menigte; éen man van hen is zooveel als honderd van ons, want zij zoeken den dood, die hen liever is dan het leven. Ieder hunner dringt vechtend vooruit, en zij kennen geen verlangen om naar hun vaderland en hunne haardsteden weder te keeren. Voor ieder dien zij dooden verwachten zij eene groote belooning in den hemel en zeggen, wanneer zij in den krijg vallen, dat zich de poorten van het paradijs voor hen openen. Zij hebben in deze wereld niets tewenschen, wanneer zij hunne dringendste behoeften aan voedsel en kleeding bevredigd zien. Wij daarentegen hebben het leven lief en vreezen den dood; hoe zouden wij tegen hen stand kunnen houden? Ik zeg u, dat ik den met de Arabieren gesloten vrede niet breken zal....”»En wat blijkt uit dit antwoord?” vroeg opeens de patriarch, de schouders ophalende.»Dat mijn vader zich gedwongen zag vrede te sluiten, en dat hij—lees maar verder—dat hij als wijs man den vijand de hand moest reiken.”»Den vijand, aan wien hij maar al te gewillig toegaf, en wien hij grooter eer bewees, dan hem als christen betaamde! Klinken die woorden niet als hadden onze verdoemde, bloeddorstige dwingelanden alleen het recht de vreugde van het paradijs te verwachten? En dat muzelmansche paradijs! Wat is het anders dan een poel, waarin zinnelijke driften wellustig ronddartelen? De leugenprofeet heeft het bedacht om de zijnen op te winden, opdat zij zijne valsche leer het eene volk na het andere zouden opdringen, met geweld en woeste doodsverachting. Maar onze Heer kwam als het menschgeworden woord op aarde, en won de geesten en harten door de overtuigende kracht der eenige, eeuwige, tot daad gewordene waarheid, die van hem uitgaat als het licht van de zon. Deze Mohammed daarentegen is een menschgeworden zwaard! Ook mij blijft in zeker opzicht niets over dan mij te onderwerpen aan de overmacht, maar ik wil hun dwazen, zielen misleidenden waan haten en verafschuwen, en dat doe ik, dat zal ik doen tot aan den laatsten slag van dit oude hart, dat hoe eer hoe liever moge stilstaan. Maar gij? Maar uw vader? Waarlijk, waarlijk, wie maar éen oogenblik vergeet ongeloof en valsch geloof te haten, die heeft zich voor zijn geheele leven hier en hiernamaals tegen het eenig waarachtig en zuiver geloof en hem die het verkondigde bezondigd. Met misdadige, teerhartige lofredenen op de vroomheid en gematigdheid van den vijand, den verderver van lichamen en van zielen, den lichamelijken antichrist, heeft uw vader zijn hart en zijne tong bezoedeld.”»Bezoedeld?” herhaalde de jonkman, terwijl zijne wangen gloeiden. »Beiden heeft hij rein en eervol bewaard; want er is geen woord van onwaarheid over zijne lippen gekomen. Gerechtigheid, ja gerechtigheid tegenover ieder, ook tegenover zijn tegenpartij, dat was de grondtrek, dat het richtsnoer van zijn vlekkeloos leven, en zelfs de edelsten onder de heidensche Grieken hebben hem bewonderd, die zichzelven zoozeer overwinnen kon, dat hij ook wat groot, waar en goed is in den vijand erkende.”»En zij hadden gelijk,” hernam de patriarch, »want zij waren nog niet in het bezit der waarheid. In het wereldlijk leven mag ieder onzer ook heden hen daarin navolgen. Doch wie hen vergeeft, die de hooge waarheid aanranden, die het brood, het vleesch en den wijn onzer christen ziel is, die bezondigt zich tegen deze waarheid. Is hij een leidsman der menigte, zoo lokt hij daarmede ook hen, die naar hem opzien en maar al te licht zijn voorbeeld volgen, in het eeuwige vuur. Waar uw vader een onwillig gehoorzamend vijand had moeten zijn, daar is hij een bondgenoot, en wat het hoofd der ongeloovigen aangaat—het heeft mij heete tranen gekost—een vriend geworden. En naar hetgeen ons arme volk zag gebeuren met zijn hoofd, heeft het—barmhartig God, schenk zijne verleiders vergiffenis!—heeft het zijne verhouding geregeld. Vele duizenden zijn van ons zaligmakend geloof afgevallen en overgeloopen tot hen, die in hunne oogen wel geen ellendige verdoemelingen konden zijn, daar zij hun wijzen en rechtvaardigen aanvoerder hand aan hand met hen zagen wandelen en handelen. En, daarom, daarom alleen, om de misleide menigte te waarschuwen, heb ik niet geaarzeld mijn eigen hart pijn te doen, eene waarschuwende stem aan de groeve van een dierbaar vriend te doen hooren, hem de eer en den zegen te onthouden, die hij echter door een deugdzaam en rechtvaardig leven voor de wereld waardiger was dan duizenden. Ik heb mij verklaard en nu moet er een einde komen aan uwe dwaze verstoordheid, en zult gij zeker de hand, die de wachter over de zielen der zijnen u andermaal reikt, gaarne en met een gerust hart aanvaarden.”Wederom stak de grijsaard Orion zijn rechterhand toe, doch deze nam hem ook ditmaal slechts aarzelend aan, en sloeg daarbij zijne oogen verward en somber naar den grond, in plaats van den kerkvorst in het aangezicht te zien. Doch de patriarch scheen het tegenstribbelen van den jonkman niet op te merken en drukte hem krachtig de hand. Hij bracht vervolgens het gesprek op Orions treurende moeder, den achteruitgang van Memphis, de toekomstige plannen van den jongen man, en eindelijk op de edelgesteenten, die de afgestorvene aan de kerk vermaakt had. Het gesprek vloeide nu kalm en op den toon van een gezellig onderhoud, de prelaat zat nu op den leuningstoel van den gestorvene, en het klonk natuurlijk en ongezocht, toen hij zich bij zijn lof op de juweelen de vraag naar den grooten smaragd ontvallen liet. Orion antwoordde op denzelfden toon, dat deze steen eigenlijk niet tot de schenking behoorde; doch de prelaat was van een ander gevoelen.Wat Orion sedert dien noodlottigen gang naar het tablinum gekweld en beangstigd had, werd door dit gesprek weder levendig; toch strekte het hem tot eenige geruststelling dat noch zijne moeder,noch vrouw Susanna aan den prelaat scheen medegedeeld te hebben, welk eene schuld hij als rechter op zich had geladen terwille van dien steen. De weduwe had deze aangelegenheid naar het scheen verzwegen, om niet in de noodzakelijkheid te komen van te spreken over het valsche getuigenis, dat haar dochtertje daarbij had afgelegd. Doch hoe gemakkelijk konden die onzalige dingen den strengen grijsaard ter oore komen, en daarom scheen den schuldige geen offer te groot elke vraag naar dat ongelukkig kleinood opzij te schuiven. Hij verzekerde daarom onverwijld, dat die smaragd hem afhandig was gemaakt, doch hij verklaarde zich bereid de volle waarde ervan te betalen. Benjamin mocht zijn waarde schatten en hem naar believen elke som noemen, die hij voor een of ander weldadig doel noodig had, hij zou hem, Orion, bereid vinden, deze onverwijld te betalen.Doch de patriarch stond dood bedaard op zijn eisch, gaf Orion in bedenking ijverig naar den steen onderzoek te doen, en verklaarde dat hij dien als eigendom van de kerk beschouwde, en de uitlevering van dit kleinood, wanneer zijn geduld zou zijn uitgeput, zeer stellig met alle middelen die hem ten dienste stonden zou vorderen. Orion bleef dus niet anders over dan te verklaren, dat hij het onderzoek naar den verloren smaragd wilde voortzetten; doch hij deed dit morrend, als iemand die toegeeft aan een onbillijken eisch.De patriarch hoorde dit eerst gelaten aan, doch toen hij daarna opstond om afscheid te nemen, veranderde hij plotseling van houding en zeide op strengen en ernstigen toon: »Ik ken u thans, zoon van den Mukaukas Georg, en waarmede ik begonnen ben, daarmede besluit ik ditmaal: de deemoed van den christen is u vreemd, de macht en de waarde van ons geloof kent gij niet, maar gij weet ook niet hoeveel liefde dat geloof bevat, welk een vurig verlangen om den afgedwaalden zondaar terug te brengen op het pad des heils. Met betraande oogen bekende uwe voortreffelijke moeder mij voor welk een afgrond gij staat. Gij verlangt een verbond voor uw leven te sluiten met eene ongeloovige, eene Melchietin. En daar is nog iets anders, dat het vrome moederhart beangstigt en martelt met het oog op u en uw heil. Zij heeft beloofd het mij in de kerk toe te vertrouwen, en ik zal het bij mijn terugkeer weten uit te vorschen. Maar waarlijk, wat het ook zij, uwe ziel kan in geen erger gevaar komen dan door eene echtverbintenis met die Melchietin. Waaraan hangt uw hart? Enkel aan het geluk dezer aarde? Gij dingt naar de hand des dochters van een ongeloovigen ketter; gij rijdt—neen hoor mij verder!—rijdt naar de overzijde, naar Fostat en biedt uw verstand en uw arm—gisteren is het gebeurd—den ongeloovigen aan. Maar ik, ik, de herder mijner kudde, zal het niet dulden, dat de aanzienlijkste van geboorte, de rijkste van vermogen, de machtigste onder de Jacobieten door de klank van zijn naam alleen, duizendenmet zich afvallig maakt. Ik bezit den wil en de macht om een dam op te werpen tegen zulk een onheil! Volg mij, of het zal u met bloedige tranen berouwen.”De prelaat verwachtte Orion na deze woorden de knie te zien buigen; doch deze deed niet wat hij verlangde, maar staarde hem met wijd geopende oogen diep bewogen en besluiteloos aan.Benjamin ging echter voort, met klimmenden aandrang: »Ik ben tot u gekomen om mijn stem te verheffen, en ik verlang, ik vorder, ja ik beveel: verbreek elken band met den vijand van uw volk en van ons geloof daarginds, verban de liefde voor de Melchietische sirene, die uwe onsterfelijke ziel bedreigt met een onherroepelijk verderf, uit uw gemoed...”Tot dusverre had Orion de vermaningen van den kerkvorst, die als vloeken hem naar het hoofd werden geslingerd, zwijgend en met gebogen hoofd aangehoord, Maar nu kwam al wat in hem was tegen den kerkvorst in verzet, de kracht om zich in te houden begaf hem, en met eene krachtige stem den prelaat in de rede vallende, zeide hij: »Nooit, nooit, neen nooit zal ik dit doen! Smaad mij, als gij wilt! Wat ik ben, dat zal ik blijven: een trouw lid der kerk, die de vaderen hebben aangehangen en voor welke mijne broeders gestorven zijn. Deemoedig belijd ik mijn Heer Jezus Christus. Ik geloof in hem, geloof in den goddelijken meester, die gestorven is om ons te verlossen en die de liefde in de wereld heeft geopenbaard. Onwrikbaar en trouw houd ik vast aan de mijnen. Nooit, neen nooit zal ik haar opofferen, die mij als een godsgezante, als mijne goede engel geleerd heeft den ernst en de waarde des levens recht te begrijpen, die ook mijn vader heeft liefgehad. Gij hebt de macht! Verlang billijke, bereikbare dingen van mij en ik wil trachten mijzelve te bedwingen en ze te volbrengen; doch trouweloos worden om u getrouw te zijn, dat wil, dat kan ik in eeuwigheid niet, en wat de Arabieren aangaat....”»Genoeg!” dus brak de prelaat zijne woorden af. »Ik ga naar Opper-Egypte en bij mijn terugkeer hebt gij te kiezen. Tot zoo lang geef ik u tijd om tot uzelven te komen, u te bezinnen en in alle kalmte beveel ik: vergeet de Melchietin! Uwe, juist uwe verbintenis met eene kettersche vrouw is een gruwel, die nooit te dulden is. Over uwe verhouding tot de Arabieren en over de vraag of het voegzaam is dat gij, als degene die gij zijt, bij hen dienst neemt, zullen wij later nog spreken. Zijt gij als ik wederkeer, met betrekking tot die vrouw tot betere gedachten gekomen—het staat u vrij de hand van elke Jacobietische jonkvrouw te vragen—dan zal ik op een anderen toon met u spreken. Ik bied u dan mijne vriendschap en hulp aan; in de plaats van den vloek beloof ik u dan den zegender kerk, de genade en de vergeving van den Allerhoogste, den effen weg tot aan gene zijde des grafs, en de zaligheid van het beangstigde gemoed eener bekommerde moeder met nieuw leven te vervullen. Mijn laatste woord luidt aldus: gij moet u losmaken van de vrouw, van wie gij niets te verwachten hebt dan ellende.”»Toch kan, en wil en zal ik het niet doen!” antwoordde Orion op stelligen toon.»Dan moet en wil en zal ik u doen gevoelen hoe zwaar de vloek drukt, dien ik in het uiterste geval niet aarzelen zal u naar het hoofd te slingeren!”»Dat zal aan u staan,” hernam Orion. »Maar gaat gij tot het uiterste over, dan dwingt gij mij den zegen, waaraan mijne ziel inniger behoefte heeft dan gij bevroeden kunt, heer, dan dwingt gij mij het heil, dat ik behoef, te zoeken bij hen die gij verdoemt, aan gene zijde van den stroom.”»Waag het!” riep de patriarch, en verliet met gloeiende wangen en vasten stap het vertrek.
EERSTE HOOFDSTUK.Evenmin als de arts Philippus, kon ook Orion dien nacht rustig slapen. Hij twijfelde niet meer aan Paula, doch zijn geheele hart was vervuld van vurig verlangen naar haar en naar de bevestiging dat zij hem en hem alleen liefhad, en dat verlangen hield hem wakker. Bij het krieken van den dag stond hij op, blijde dat de nacht voorbij was, en stak den Nijl over om den wisselaar Salech, den broeder van den ouden koopman Haschim, de helft toe te vertrouwen van het vermogen der dochter van Thomas.In Memphis was alles nog stil en wat hij daar zag, kwam hem heden bijzonder oud, afgeleefd, traag en vervallen voor. Alles scheen niet meer waard dan om onder te gaan, terwijl hij aan gene zijde van den stroom, in het jonge Fostat, niet anders waarnam dan een frisch, bedrijvig en krachtig jeugdig leven. Onwillekeurig vergeleek hij de oude pharaonenstad achter zich met eene vergane mummie en de nieuwe residentie van Amr met een jonkman, die dorst naar daden. Alles was daar leven en beweging. Den wisselaar, die, als alle muzelmannen vroeg opstond, »zoodra men een witten van een zwarten draad onderscheiden kon,” om zijn eerste gebed te verrichten, vond hij reeds bezig met het uitbetalen van rollen goud en zilver, en hoe gezwind, hoe knap en handig wist de Arabier deze zaak met hem en Nilus, die hem vergezelde af te doen! Werwaarts hij het oog ook richtte, hij zag niets dan oogen vol vuur, niets dan aangezichten, die van geestkracht, kloekheid en ondernemingszucht getuigden, geen slaafs gebogen halzen, geen trage suffers, geen blik van sombere berusting, zooals in zijne vaderstad aan de andere zijde. Hier in Fostat vloeide het bloed hem sneller door de aderen, dáar drukte het leven hem als een last. De Arabieren trokken voor alles hem aan.De kraam van den wisselaar bestond gelijk alle verkoopwinkels in de bazar van het jonge Fostat uit eene houten tent, waarin de koopman met zijn helpers verblijf hield. Door de opene zijde,die naar de straat was gekeerd, onderhandelden zij met de bezoekers, die als de onderhandelingen over een zaak wat langer moesten duren, door den koopman binnen werden genoodigd, ten einde naast hem te gaan zitten op de uitstallingsplanken. Ook Orion en Nilus hadden aan zulk eene uitnoodiging gehoor gegeven, en terwijl zij bij hunne samenspreking met den wisselaar daar zaten voor het oog van alle voorbijgangers, stapte de Wekil Obada, welke zich over den afkeer die de zoon des stadhouders hem gisteren avond betoond had zoo geweldig boos had gemaakt, rakelings hen voorbij. Tot zijne verbazing groette deze hem met bijzondere vriendelijkheid, en indachtig aan de waarschuwing van den veldheer, beantwoordde hij dien groet van den gehaten man, hoe zwaar het hem ook viel. Toen Obada echter andermaal en ten derde male daar langs ging, gevoelde Orion dat hij bespied werd. Doch het was ook mogelijk dat de Wekil insgelijks met den wisselaar zaken te doen had en wachtte tot hij gereed zou zijn.Intusschen zou Orion deze ontmoeting weldra vergeten, want tehuis wachtten hem gewichtige zaken.Zooals vaak geschiedt, had de dood van een enkel man, ofschoon zijn huis door zijn verscheiden noch rijker noch armer was geworden, en men daarin gedurende den laatsten tijd zijn afgezonderd leven nauwelijks had waargenomen, dit huis geheel, ja bijna onherkenbaar veranderd. De anders zoo levendige vertrekken waren nu stil en als uitgestorven. Smeekelingen en aanklagers vulden niet meer de voorzaal, en zij die hunne deelneming kwamen betuigen waren naar oud gebruik op den dag na de begrafenis ontvangen. De zooveel gedruisch makende bedrijvigheid van vrouw Neforis, haar roepen en het rinkelen harer sleutels dat alles vernam men niet meer, want zij hield zich van allen afgezonderd enkel in hetslaapvertrekof in de koele fonteinzaal op, welke laatste het lievelingsverblijf van haar gemaal was geweest, wanneer zij ten minste niet in de kerk vertoefde, die zij dagelijks tweemalen bezocht, Met hetzelfde afgematte en onverschillige gezicht waarmede zij naar den tempel reed, keerde zij daaruit terug, en wie haar werkeloos en in somber gepeins verzonken op den divan zag zitten, die gewoonlijk de rustplaats was geweest van haar overleden gemaal, zou in haar bezwaarlijk de altijd bezige, zorgvuldige vrouw van voor weinige dagen hebben herkend, die zoo geheel vervuld was van hare huishoudelijke beslommeringen. Zij treurde en klaagde eigenlijk niet over het verlies van haar echtgenoot, en als had zij in den nacht na de dagen van het sterven en begraven voor altijd uitgeweend, zoo had zij thans geen tranen meer voor hare smart. Zij kon helaas niet komen tot dien door vriendelijke herinneringengewijden weemoed, waarin vertroostende engelen, als men het eerste zieldoorvlijmend leed te boven is, zoo vaak eenige verkwikkende druppels mengen. Zij gevoelde, zij wist echter dat met haar gemaal een deel van haar eigen wezen van haar was afgescheurd, al had zij ook nog niet begrepen dat dit deel niets minder omvatte dan de hoofdbestanddeelen van haar innerlijk en uiterlijk bestaan.Haar vader en die van haar gemaal waren de eerste mannen in Memphis, ja in Egypte geweest. Trotsch, gelukkig, met een hart vol liefde, had zij den zoon van Menas de hand gereikt. Hij was niet alleen maar verbonden met haar opgeklommen tot de hoogste waardigheden, die een Egyptenaar bereiken kon, en zij had alles gedaan wat in haar vermogen was, om hem te handhaven op zijn door velen benijd standpunt, om hem dat schitterend en waardig te doen innemen. Na vele bij uitstek gelukkige jaren had de smart over hunne vermoorde zonen de harten van dit reeds innig verbonden paar nog vaster aan elkander gesloten, en toen haar gade in een kwijnende ziekte verviel, vergezelde zij hem blijmoedig in zijne afzondering, wijdde zij zich geheel aan zijne verpleging, en deelde zij met hem in den twijfel en de bezorgdheid, die zijne staatkundige handelwijze deed ontwaken. Het bewustzijn van voor hem niet alleen veel maar alles te zijn, maakte haar trotsch en gelukkig. De afkeer, die zij meer en meer voor Paula gevoelde, was allereerst hier uit ontstaan, dat zij had opgemerkt hoe zij, Neforis, niet meer onmisbaar was voor den lijdenden echtgenoot, zoodra deze zijne schoone nicht tot gezelschap had. En thans? Thans?Wanneer zij in een slapeloozen nacht ontwaakte uit de sluimering die haar niet verkwikte, luisterde zij onwillekeurig naar eene zachte, afgebrokene ademhaling, en toch was er in hare nabijheid geen borst meer, die zich op en neer bewoog. Als zij in den vroegen morgen de eenzame legerstede verliet, scheen de aangebroken dag haar een ledige, dorre woestijn te zijn. Des nachts zoowel als overdag trachtte zij herhaaldelijk zich het beeld van den afgestorvene voor den geest te brengen; doch zoo vaak dit hare zwakke verbeeldingskracht voor een oogenblik was gelukt, had zij hem enkel gezien zooals hij was in de laatste oogenblikken zijns levens, hem gezien en gehoord met de verwensching van zijn eigen zoon op de bevende lippen. Deze akelige herinnering bedierf voor haar de laatste troost der treurenden en het vriendelijk aandenken aan den ontslapene, en benam haar tegelijk het trotsch en blijmoedig welgevallen in haar eenig kind. De jonkman, die nog kort geleden de afgod harer ziel was geweest, stond daar voor haar als besmet engeschandvlekt. De last, die de rechtvaardigste van alle rechtvaardigen op Orion had gewenteld, mocht zij waarlijk niet voorbijzien. Doch in plaats van met verdubbelde teederheid hem aan haar hart te drukken, in plaats van het schrikkelijk oordeel, dat de vader over hem geveld had, te verzachten en wat hem drukte te verlichten, wist zij hem enkel te beklagen. Als Orion haar opzocht, streelde zij hem over de krullende haren, en daar zij hem noch beleedigen wilde, noch ongelukkiger maken, dan hij reeds was, berispte en vermaande zij hem niet, en herinnerde hem nimmer aan den vloek zijns vaders. En hoe verarmd was dit onvrijgevige hart, dat zich gewend had alles wat het aan liefde bezat slechts aan enkelen, ja bijna aan een enkele te wijden, die nu niet meer onder de levenden was. De vroolijke kinderstemmen in huis waren voor haar aangename tonen geweest, zoolang zij haar lijdendenden gemaal niet gestoord hadden; nu waren echter ook dezen verstomd, en aan hare eigene kleindochter, die de zonneschijn van hare zeer beperkte liefde nog niet ten volle had genoten, had zij die liefde thans geheel ontzegd. Droeg niet de kleine Maria de schuld van dat vreeselijk vonnis, dat in de laatste ure van haar gemaal over haar en Orion was geveld? Ja, in het overprikkeld gemoed van de treurende vrouw had de valsche voorstelling post gevat, dat dit kind de booze demon van het huis was en een werktuig van den satan.Sedert eergisteren had Neforis eenige betere uren gehad. Gedurende de slapeloosheid, die haar als eene lichamelijke smart begon te kwellen, was haar ingevallen, welk eene verlichting den afgestorvene juist in onrustige nachten die witte opiumpilletjes hadden gegeven, en zij had nog een pas aangebroken fleschje met deze artsenij bij de hand. Leed ook zij niet ondragelijke pijn? Waarom zou zij het middel niet gebruiken, dat de smarten van haar echtgenoot zoo wonderbaar had gelenigd? Bij langdurig en al te veelvuldig gebruik konden die pilletjes schadelijk werken, en zij had den overledene vaak teruggehouden om er zich te rijkelijk van te bedienen; maar kon haar leed dan nog verergeren? Moest zij dit geneesmiddel niet danken, wanneer het dit ellendig leven voor haar verkortte? Zoo gebruikte zij dus het proefhoudend bevonden middel, eerst aarzelende, dan menigvuldiger en reeds op den tweeden dag met waar genot en blijde verwachting. Het had haar niet alleen een goeden nacht bezorgd, maar haar ook den volgenden morgen eene groote weldaad bewezen, want de afgestorvene was haar voor het eerst na zijn dood niet als een vloekende voor den geest gekomen, maar als een jong, levenslustig man. Niemand in huis wist van welk een troostmiddel de weduwe zich bediendeen de arts zoowel als haar zoon hadden zich gisteren verheugd, dat zij haar gelatener hadden aangetroffen.Toen Orion, nadat hij te Fostat zijne zaken met den wisselaar had afgedaan, naar huis terugkwam, moest hij aan de voorpoort zich een weg banen door een aantal lieden, die van alle zijden waren saamgeloopen, daar hij het binnenhof vol menschen en de wacht alsmede alle bedienden in groote beweging vond. Niemand minder dan de patriarch was het stadhouderlijk paleis een bezoek komen brengen en deze vertoefde thans bij zijne moeder. Hij had, zoo deelde de huismeester Sebek hem mede, ook naar hem gevraagd, en vrouw Neforis wenschte, dat hij terstond tot haar zou komen, om den allerheiligsten vader zijn eerbied te betuigen.»Wenscht zij dat?” vroeg de jongeling, en bleef besluiteloos staan, terwijl hij een slaaf zijn reishoed toewierp. Hij was te veel kind van zijn tijd, en de kerk en hare dienaars hadden een te grooten invloed op zijne opvoeding uitgeoefend, dan dat hij het bezoek van den grooten prelaat niet als eene groote eer zou hebben beschouwd. Toch kon hij den smaad, die der nagedachtenis zijns vaders was aangedaan, kon hij de vermaning van den edelen Arabischen veldheer om zich voor de vijandschap van Benjamin te wachten, niet vergeten, en wellicht, zeide hij tot zichzelven, was het beter om eene samenspreking met den machtigen man te ontwijken, dan zich bloot te stellen aan het gevaar van gedurende het onderhoud zich niet te kunnen inhouden en nieuw voedsel te geven aan zijne eigene verbolgenheid.Doch hem zou geen keuze worden gelaten, want de kerkvorst zelf trad uit de fonteinzaal in het viridarium. De hooge gestalte van den grijsaard was nog ongekromd, zijn trotsch hoofd was omgeven door sneeuwwitte haren, en zijne grijze baard daalde in zachte golvingen af tot op zijne borst. De scherpe blik van zijne krachtige oogen vestigde zich op den jongen man, in wien hij terstond den heer des huizes herkende, ofschoon hij hem het laatst als knaap had gezien. Terwijl Orion diep voor hem boog, riep de patriarch hem met eene zware, welluidende stem waaruit opgewektheid en waardigheid spraken, vroolijk toe: »Wees welkom, zoon van mijn onvergetelijken vriend! Het kind is, gelijk ik zie, een flinke man geworden. Ik heb een uurtje aan uwe moeder gewijd, thans moet ik met den zoon belangrijke zaken bespreken.”»In de werkkamer mijns vaders!” riep Orion den huismeester toe, terwijl hij den patriarch voorging, daarbij de vormelijke, uitnoodigende beweging makende van de kamerheeren aan het keizerlijk hof.Voor de patriarch hem volgde, gaf hij hen die hem vergezelden een wenk, dat zij achter zouden blijven, en zoodra het vertrek gesloten was, trad hij op Orion toe en zeide: »Andermaal breng ik u mijn groet! Hier heb ik dus den kleinzoon voor mij van den braven Menas, den zoon van den Mukaukas Georg, den algemeen gevierden afgod van mijne Memphietische schapen, die bij den duizelingwekkenden dans der aanzienlijke jongelieden te Konstantinopel hun de baas is gebleven! Een zeldzaam meesterstuk voor een Egyptisch christen! Doch allereerst, mijn kind, allereerst uwe hand!”Daarbij stak hij hem de rechterhand toe en Orion gaf hem de zijne, hoewel schoorvoetend. Want in die toespraak van den patriarch trilde een toon van lichte bespotting, en hij vroeg zich af, of deze man hem werkelijk zoo welgezind was, dat hij hem met een goed hart, gelijk zijne ouders als »mijn kind” durfde aanspreken. Er viel niet aan te denken hem de hand te weigeren. Toch had hij den moed om te antwoorden: »Uw wensch, heilige vader, heb ik te gehoorzamen; intusschen weet ik niet of het den zoon wel vrij staat de hand aan te nemen van een vijand, dien zelfs de dood, die alles doet vergeten, niet verzoende, die zijn vader, den braafsten man, en met dezen ook hemzelven op het kerkhof, aan het gaf, den zwaarsten smaad heeft aangedaan.”De patriarch schudde met een gemaakt lachje het hoofd, legde Orion de hand op den schouder, waarbij deze een gevoel had als ging er een gloed door al zijne leden, en zeide met vriendelijken ernst: »Het valt den christen niet zwaar den belager, den tegenstander, den vijand te vergeven en het is hem eene vreugde het den zoon niet euvel te duiden, dat hij zich in de ziel van zijn eigen vader gekrenkt gevoelt, hoe kortzichtig en dwaas zijne boosheid ook zij. Uwe verontwaardiging kan mij zoo weinig deren als den Allerhoogste in den hemel, en gij zoudt daarover zelfs geene berisping verdienen, wanneer niet—doch daarover spreken wij later—wanneer niet—gij moet het maar dadelijk hooren—wanneer niet uit uwe houding juist zoo duidelijk en tastbaar bleek, wat u nog ontbreekt om een oprecht christen, om een man te zijn, gelijk hij moet zijn dien God in dit door ongeloovigen overheerschte land op eene zoo hooge plaats heeft gesteld. Gij weet wat ik bedoel?”Daarop liet de kerkvorst zijne hand van ’s jonkmans schouder glijden, zag hem vragend aan, en toen Orion, zonder een antwoord te vinden verder van hem terugging, zeide de grijsaard met toenemende opgewondenheid: »Deemoed, vrome en geloovige overgave, ziedaar, mijn vriend, wat ik bij u mis. Wie ben ik? Maar als de plaatsvervanger, het spraakorgaan vanhem voor wien wij allen niets zijn dan wormen in het stof, moet ik vorderen dat ieder, die zich een christen, een Jacobiet noemt, mijn wil en mijn gebod, zonder er over te denken of te morren, zoo onvoorwaardelijk en zonder tegenstreven gehoorzaamt, als trof het heil of onheil hem van hooger hand. Waar zou het heen, wanneer ieder zich durfde vermeten mij te weerstaan en zijn eigen weg te gaan! Nog éen menschenleeftijd, en met den dood der ouderen, die nog als ware christenen zijn opgegroeid, zou het uit zijn met de leer des Heilands aan dezen stroom, zou overal in plaats van het kruis de halve maan prijken, zouden zich weeklachten in den hemel doen hooren over zoovele verlorene zielen. Leer u deemoedig en bescheiden te buigen voor den wil des Allerhoogsten en zijne plaatsvervangers op aarde, overmoedige knaap, en laat uwe houding tegenover mij u toonen, hoe ver uw eigen oordeel reikt. Gij houdt mij voor een vijand uws vaders?”»Ja!” antwoordde Orion op stelligen toon.»En ik heb hem liefgehad als mijn broeder,” hernam de prelaat op gemoedelijken toon.»Hoe gaarne had ik onder tranen zijne lijkbaar bestrooid met palmen des vredes, zooals alleen de kerk die schenkt.”»Toch hebt gij hem, dien gij uw vriend noemt,” zeide Orion, »onthouden wat de kerk den dief en den moordenaar niet weigert, wanneer hij vergeving van zonden verlangt en die uit de mond eens priester heeft ontvangen, zooals toch....”»Zooals toch uw vader!” viel de grijsaard hem in de rede. »Wel hem! Hij mag thans misschien de heerlijkheid van den Allerhoogste aanschouwen. En desniettemin heb ik de geestelijkheid verboden hem eer te bewijzen aan zijn graf. Waarom, om welke afdoende redenen is dit bevel uit den mond van een vriend tegen een vriend uitgegaan?”»Omdat gij hem,” antwoordde Orion somber, »in het oog van de geheele wereld wildet brandmerken als de man, die aan de ongeloovigen de voorkeur gegeven en hen de overwinning gemakkelijk gemaakt heeft.”»Ziedaar, dat noem ik de kunst te verstaan om in de harten te lezen!” zeide de prelaat, terwijl hij den jongeling aanzag met een spottenden blik, die half van instemming, half van ontevredenheid getuigde. »Welnu, knaap, nemen wij eens aan, dat ik de christenen van Memphis had willen toonen welk lot hem wacht, die zijn land voor den vijand opent en hand in hand met de ongeloovigen wandelt, zou ik dan niet in mijn recht zijn geweest?”»Heeft mijn vader de Arabieren hierheen geroepen?” vroeg de jongeling op zijn beurt.»Neen, mijn kind,” antwoordde de bisschop, »de vijand is vanzelf gekomen.”»En gij,” ging Orion voort, »hebt uit de woestijn, nadat de Grieken u in ballingschap hadden gezonden, voorspeld, dat de Arabieren zouden komen om de Grieksche Melchietische vijanden van ons geloof overhoop te werpen en uit dit land te verjagen.”»Zoo heeft de Heer gesproken door mijn mond,” hernam de grijsaard, terwijl hij deemoedig het hoofd boog. »En mij werden nog andere dingen geopenbaard, toen ik bij mijne askese mijn lichaam kastijdde in de brandende hitte der woestijnzon. Pas op, mijn kind, wees voorzichtig! Volg mijn raad, opdat het niet vervuld worde, en het huis van Menas verdwijne als de wolken, die de stormwind uit elkander drijft. Ik weet het, uw vader heeft mijne profetie zoo uitgelegd, als ware van mij aan hem de raad uitgegaan, om de ongeloovigen te ontvangen als werktuigen des Allerhoogsten en hen te helpen de Melchietische dwingelanden uit dit land te verjagen.”»Uwe voorspelling,” hernam de jongeling, »heeft in elk geval een diepen indruk op mijn vader gemaakt, en toen de zaak des keizers en der Grieken verloren was, was uw woord, dat de Melchieten niet minder ongeloovig waren dan de belijders van den Islam, hem tot grooten troost. Zoo iemand, dan weet gij, hoe hij allen grond had hen te haten, die twee zijner bloeiende zonen hadden vermoord. Wat daarna geschied is, heeft hij gedaan om zijne en uwe ongelukkige broeders, die aan zijne en uwe zorgen waren toevertrouwd, uit het verderf te redden; en hier, hier in dezen lessenaar ligt het antwoord, dat hij op de verwijten van den keizer heeft medegedeeld aan het Grieksche gezantschap, die hem in ditzelfde vertrek rekenschap kwamen vragen. Terstond na hun vertrek heeft hij het opgeschreven; wilt gij het hooren?”»Ik kan den inhoud van dat stuk wel raden.”»Neen, neen!” riep de jonkman vol vuur; opende in allerijl den lessenaar zijns vaders, haalde bij den eersten greep eene wastafel daaruit te voorschijn en zeide: »Aldus luidt het gegeven antwoord!”Al lezende vervolgde hij: »De Arabieren zijn ondanks hunne minderheid machtiger dan wij met onze menigte; éen man van hen is zooveel als honderd van ons, want zij zoeken den dood, die hen liever is dan het leven. Ieder hunner dringt vechtend vooruit, en zij kennen geen verlangen om naar hun vaderland en hunne haardsteden weder te keeren. Voor ieder dien zij dooden verwachten zij eene groote belooning in den hemel en zeggen, wanneer zij in den krijg vallen, dat zich de poorten van het paradijs voor hen openen. Zij hebben in deze wereld niets tewenschen, wanneer zij hunne dringendste behoeften aan voedsel en kleeding bevredigd zien. Wij daarentegen hebben het leven lief en vreezen den dood; hoe zouden wij tegen hen stand kunnen houden? Ik zeg u, dat ik den met de Arabieren gesloten vrede niet breken zal....”»En wat blijkt uit dit antwoord?” vroeg opeens de patriarch, de schouders ophalende.»Dat mijn vader zich gedwongen zag vrede te sluiten, en dat hij—lees maar verder—dat hij als wijs man den vijand de hand moest reiken.”»Den vijand, aan wien hij maar al te gewillig toegaf, en wien hij grooter eer bewees, dan hem als christen betaamde! Klinken die woorden niet als hadden onze verdoemde, bloeddorstige dwingelanden alleen het recht de vreugde van het paradijs te verwachten? En dat muzelmansche paradijs! Wat is het anders dan een poel, waarin zinnelijke driften wellustig ronddartelen? De leugenprofeet heeft het bedacht om de zijnen op te winden, opdat zij zijne valsche leer het eene volk na het andere zouden opdringen, met geweld en woeste doodsverachting. Maar onze Heer kwam als het menschgeworden woord op aarde, en won de geesten en harten door de overtuigende kracht der eenige, eeuwige, tot daad gewordene waarheid, die van hem uitgaat als het licht van de zon. Deze Mohammed daarentegen is een menschgeworden zwaard! Ook mij blijft in zeker opzicht niets over dan mij te onderwerpen aan de overmacht, maar ik wil hun dwazen, zielen misleidenden waan haten en verafschuwen, en dat doe ik, dat zal ik doen tot aan den laatsten slag van dit oude hart, dat hoe eer hoe liever moge stilstaan. Maar gij? Maar uw vader? Waarlijk, waarlijk, wie maar éen oogenblik vergeet ongeloof en valsch geloof te haten, die heeft zich voor zijn geheele leven hier en hiernamaals tegen het eenig waarachtig en zuiver geloof en hem die het verkondigde bezondigd. Met misdadige, teerhartige lofredenen op de vroomheid en gematigdheid van den vijand, den verderver van lichamen en van zielen, den lichamelijken antichrist, heeft uw vader zijn hart en zijne tong bezoedeld.”»Bezoedeld?” herhaalde de jonkman, terwijl zijne wangen gloeiden. »Beiden heeft hij rein en eervol bewaard; want er is geen woord van onwaarheid over zijne lippen gekomen. Gerechtigheid, ja gerechtigheid tegenover ieder, ook tegenover zijn tegenpartij, dat was de grondtrek, dat het richtsnoer van zijn vlekkeloos leven, en zelfs de edelsten onder de heidensche Grieken hebben hem bewonderd, die zichzelven zoozeer overwinnen kon, dat hij ook wat groot, waar en goed is in den vijand erkende.”»En zij hadden gelijk,” hernam de patriarch, »want zij waren nog niet in het bezit der waarheid. In het wereldlijk leven mag ieder onzer ook heden hen daarin navolgen. Doch wie hen vergeeft, die de hooge waarheid aanranden, die het brood, het vleesch en den wijn onzer christen ziel is, die bezondigt zich tegen deze waarheid. Is hij een leidsman der menigte, zoo lokt hij daarmede ook hen, die naar hem opzien en maar al te licht zijn voorbeeld volgen, in het eeuwige vuur. Waar uw vader een onwillig gehoorzamend vijand had moeten zijn, daar is hij een bondgenoot, en wat het hoofd der ongeloovigen aangaat—het heeft mij heete tranen gekost—een vriend geworden. En naar hetgeen ons arme volk zag gebeuren met zijn hoofd, heeft het—barmhartig God, schenk zijne verleiders vergiffenis!—heeft het zijne verhouding geregeld. Vele duizenden zijn van ons zaligmakend geloof afgevallen en overgeloopen tot hen, die in hunne oogen wel geen ellendige verdoemelingen konden zijn, daar zij hun wijzen en rechtvaardigen aanvoerder hand aan hand met hen zagen wandelen en handelen. En, daarom, daarom alleen, om de misleide menigte te waarschuwen, heb ik niet geaarzeld mijn eigen hart pijn te doen, eene waarschuwende stem aan de groeve van een dierbaar vriend te doen hooren, hem de eer en den zegen te onthouden, die hij echter door een deugdzaam en rechtvaardig leven voor de wereld waardiger was dan duizenden. Ik heb mij verklaard en nu moet er een einde komen aan uwe dwaze verstoordheid, en zult gij zeker de hand, die de wachter over de zielen der zijnen u andermaal reikt, gaarne en met een gerust hart aanvaarden.”Wederom stak de grijsaard Orion zijn rechterhand toe, doch deze nam hem ook ditmaal slechts aarzelend aan, en sloeg daarbij zijne oogen verward en somber naar den grond, in plaats van den kerkvorst in het aangezicht te zien. Doch de patriarch scheen het tegenstribbelen van den jonkman niet op te merken en drukte hem krachtig de hand. Hij bracht vervolgens het gesprek op Orions treurende moeder, den achteruitgang van Memphis, de toekomstige plannen van den jongen man, en eindelijk op de edelgesteenten, die de afgestorvene aan de kerk vermaakt had. Het gesprek vloeide nu kalm en op den toon van een gezellig onderhoud, de prelaat zat nu op den leuningstoel van den gestorvene, en het klonk natuurlijk en ongezocht, toen hij zich bij zijn lof op de juweelen de vraag naar den grooten smaragd ontvallen liet. Orion antwoordde op denzelfden toon, dat deze steen eigenlijk niet tot de schenking behoorde; doch de prelaat was van een ander gevoelen.Wat Orion sedert dien noodlottigen gang naar het tablinum gekweld en beangstigd had, werd door dit gesprek weder levendig; toch strekte het hem tot eenige geruststelling dat noch zijne moeder,noch vrouw Susanna aan den prelaat scheen medegedeeld te hebben, welk eene schuld hij als rechter op zich had geladen terwille van dien steen. De weduwe had deze aangelegenheid naar het scheen verzwegen, om niet in de noodzakelijkheid te komen van te spreken over het valsche getuigenis, dat haar dochtertje daarbij had afgelegd. Doch hoe gemakkelijk konden die onzalige dingen den strengen grijsaard ter oore komen, en daarom scheen den schuldige geen offer te groot elke vraag naar dat ongelukkig kleinood opzij te schuiven. Hij verzekerde daarom onverwijld, dat die smaragd hem afhandig was gemaakt, doch hij verklaarde zich bereid de volle waarde ervan te betalen. Benjamin mocht zijn waarde schatten en hem naar believen elke som noemen, die hij voor een of ander weldadig doel noodig had, hij zou hem, Orion, bereid vinden, deze onverwijld te betalen.Doch de patriarch stond dood bedaard op zijn eisch, gaf Orion in bedenking ijverig naar den steen onderzoek te doen, en verklaarde dat hij dien als eigendom van de kerk beschouwde, en de uitlevering van dit kleinood, wanneer zijn geduld zou zijn uitgeput, zeer stellig met alle middelen die hem ten dienste stonden zou vorderen. Orion bleef dus niet anders over dan te verklaren, dat hij het onderzoek naar den verloren smaragd wilde voortzetten; doch hij deed dit morrend, als iemand die toegeeft aan een onbillijken eisch.De patriarch hoorde dit eerst gelaten aan, doch toen hij daarna opstond om afscheid te nemen, veranderde hij plotseling van houding en zeide op strengen en ernstigen toon: »Ik ken u thans, zoon van den Mukaukas Georg, en waarmede ik begonnen ben, daarmede besluit ik ditmaal: de deemoed van den christen is u vreemd, de macht en de waarde van ons geloof kent gij niet, maar gij weet ook niet hoeveel liefde dat geloof bevat, welk een vurig verlangen om den afgedwaalden zondaar terug te brengen op het pad des heils. Met betraande oogen bekende uwe voortreffelijke moeder mij voor welk een afgrond gij staat. Gij verlangt een verbond voor uw leven te sluiten met eene ongeloovige, eene Melchietin. En daar is nog iets anders, dat het vrome moederhart beangstigt en martelt met het oog op u en uw heil. Zij heeft beloofd het mij in de kerk toe te vertrouwen, en ik zal het bij mijn terugkeer weten uit te vorschen. Maar waarlijk, wat het ook zij, uwe ziel kan in geen erger gevaar komen dan door eene echtverbintenis met die Melchietin. Waaraan hangt uw hart? Enkel aan het geluk dezer aarde? Gij dingt naar de hand des dochters van een ongeloovigen ketter; gij rijdt—neen hoor mij verder!—rijdt naar de overzijde, naar Fostat en biedt uw verstand en uw arm—gisteren is het gebeurd—den ongeloovigen aan. Maar ik, ik, de herder mijner kudde, zal het niet dulden, dat de aanzienlijkste van geboorte, de rijkste van vermogen, de machtigste onder de Jacobieten door de klank van zijn naam alleen, duizendenmet zich afvallig maakt. Ik bezit den wil en de macht om een dam op te werpen tegen zulk een onheil! Volg mij, of het zal u met bloedige tranen berouwen.”De prelaat verwachtte Orion na deze woorden de knie te zien buigen; doch deze deed niet wat hij verlangde, maar staarde hem met wijd geopende oogen diep bewogen en besluiteloos aan.Benjamin ging echter voort, met klimmenden aandrang: »Ik ben tot u gekomen om mijn stem te verheffen, en ik verlang, ik vorder, ja ik beveel: verbreek elken band met den vijand van uw volk en van ons geloof daarginds, verban de liefde voor de Melchietische sirene, die uwe onsterfelijke ziel bedreigt met een onherroepelijk verderf, uit uw gemoed...”Tot dusverre had Orion de vermaningen van den kerkvorst, die als vloeken hem naar het hoofd werden geslingerd, zwijgend en met gebogen hoofd aangehoord, Maar nu kwam al wat in hem was tegen den kerkvorst in verzet, de kracht om zich in te houden begaf hem, en met eene krachtige stem den prelaat in de rede vallende, zeide hij: »Nooit, nooit, neen nooit zal ik dit doen! Smaad mij, als gij wilt! Wat ik ben, dat zal ik blijven: een trouw lid der kerk, die de vaderen hebben aangehangen en voor welke mijne broeders gestorven zijn. Deemoedig belijd ik mijn Heer Jezus Christus. Ik geloof in hem, geloof in den goddelijken meester, die gestorven is om ons te verlossen en die de liefde in de wereld heeft geopenbaard. Onwrikbaar en trouw houd ik vast aan de mijnen. Nooit, neen nooit zal ik haar opofferen, die mij als een godsgezante, als mijne goede engel geleerd heeft den ernst en de waarde des levens recht te begrijpen, die ook mijn vader heeft liefgehad. Gij hebt de macht! Verlang billijke, bereikbare dingen van mij en ik wil trachten mijzelve te bedwingen en ze te volbrengen; doch trouweloos worden om u getrouw te zijn, dat wil, dat kan ik in eeuwigheid niet, en wat de Arabieren aangaat....”»Genoeg!” dus brak de prelaat zijne woorden af. »Ik ga naar Opper-Egypte en bij mijn terugkeer hebt gij te kiezen. Tot zoo lang geef ik u tijd om tot uzelven te komen, u te bezinnen en in alle kalmte beveel ik: vergeet de Melchietin! Uwe, juist uwe verbintenis met eene kettersche vrouw is een gruwel, die nooit te dulden is. Over uwe verhouding tot de Arabieren en over de vraag of het voegzaam is dat gij, als degene die gij zijt, bij hen dienst neemt, zullen wij later nog spreken. Zijt gij als ik wederkeer, met betrekking tot die vrouw tot betere gedachten gekomen—het staat u vrij de hand van elke Jacobietische jonkvrouw te vragen—dan zal ik op een anderen toon met u spreken. Ik bied u dan mijne vriendschap en hulp aan; in de plaats van den vloek beloof ik u dan den zegender kerk, de genade en de vergeving van den Allerhoogste, den effen weg tot aan gene zijde des grafs, en de zaligheid van het beangstigde gemoed eener bekommerde moeder met nieuw leven te vervullen. Mijn laatste woord luidt aldus: gij moet u losmaken van de vrouw, van wie gij niets te verwachten hebt dan ellende.”»Toch kan, en wil en zal ik het niet doen!” antwoordde Orion op stelligen toon.»Dan moet en wil en zal ik u doen gevoelen hoe zwaar de vloek drukt, dien ik in het uiterste geval niet aarzelen zal u naar het hoofd te slingeren!”»Dat zal aan u staan,” hernam Orion. »Maar gaat gij tot het uiterste over, dan dwingt gij mij den zegen, waaraan mijne ziel inniger behoefte heeft dan gij bevroeden kunt, heer, dan dwingt gij mij het heil, dat ik behoef, te zoeken bij hen die gij verdoemt, aan gene zijde van den stroom.”»Waag het!” riep de patriarch, en verliet met gloeiende wangen en vasten stap het vertrek.
EERSTE HOOFDSTUK.Evenmin als de arts Philippus, kon ook Orion dien nacht rustig slapen. Hij twijfelde niet meer aan Paula, doch zijn geheele hart was vervuld van vurig verlangen naar haar en naar de bevestiging dat zij hem en hem alleen liefhad, en dat verlangen hield hem wakker. Bij het krieken van den dag stond hij op, blijde dat de nacht voorbij was, en stak den Nijl over om den wisselaar Salech, den broeder van den ouden koopman Haschim, de helft toe te vertrouwen van het vermogen der dochter van Thomas.In Memphis was alles nog stil en wat hij daar zag, kwam hem heden bijzonder oud, afgeleefd, traag en vervallen voor. Alles scheen niet meer waard dan om onder te gaan, terwijl hij aan gene zijde van den stroom, in het jonge Fostat, niet anders waarnam dan een frisch, bedrijvig en krachtig jeugdig leven. Onwillekeurig vergeleek hij de oude pharaonenstad achter zich met eene vergane mummie en de nieuwe residentie van Amr met een jonkman, die dorst naar daden. Alles was daar leven en beweging. Den wisselaar, die, als alle muzelmannen vroeg opstond, »zoodra men een witten van een zwarten draad onderscheiden kon,” om zijn eerste gebed te verrichten, vond hij reeds bezig met het uitbetalen van rollen goud en zilver, en hoe gezwind, hoe knap en handig wist de Arabier deze zaak met hem en Nilus, die hem vergezelde af te doen! Werwaarts hij het oog ook richtte, hij zag niets dan oogen vol vuur, niets dan aangezichten, die van geestkracht, kloekheid en ondernemingszucht getuigden, geen slaafs gebogen halzen, geen trage suffers, geen blik van sombere berusting, zooals in zijne vaderstad aan de andere zijde. Hier in Fostat vloeide het bloed hem sneller door de aderen, dáar drukte het leven hem als een last. De Arabieren trokken voor alles hem aan.De kraam van den wisselaar bestond gelijk alle verkoopwinkels in de bazar van het jonge Fostat uit eene houten tent, waarin de koopman met zijn helpers verblijf hield. Door de opene zijde,die naar de straat was gekeerd, onderhandelden zij met de bezoekers, die als de onderhandelingen over een zaak wat langer moesten duren, door den koopman binnen werden genoodigd, ten einde naast hem te gaan zitten op de uitstallingsplanken. Ook Orion en Nilus hadden aan zulk eene uitnoodiging gehoor gegeven, en terwijl zij bij hunne samenspreking met den wisselaar daar zaten voor het oog van alle voorbijgangers, stapte de Wekil Obada, welke zich over den afkeer die de zoon des stadhouders hem gisteren avond betoond had zoo geweldig boos had gemaakt, rakelings hen voorbij. Tot zijne verbazing groette deze hem met bijzondere vriendelijkheid, en indachtig aan de waarschuwing van den veldheer, beantwoordde hij dien groet van den gehaten man, hoe zwaar het hem ook viel. Toen Obada echter andermaal en ten derde male daar langs ging, gevoelde Orion dat hij bespied werd. Doch het was ook mogelijk dat de Wekil insgelijks met den wisselaar zaken te doen had en wachtte tot hij gereed zou zijn.Intusschen zou Orion deze ontmoeting weldra vergeten, want tehuis wachtten hem gewichtige zaken.Zooals vaak geschiedt, had de dood van een enkel man, ofschoon zijn huis door zijn verscheiden noch rijker noch armer was geworden, en men daarin gedurende den laatsten tijd zijn afgezonderd leven nauwelijks had waargenomen, dit huis geheel, ja bijna onherkenbaar veranderd. De anders zoo levendige vertrekken waren nu stil en als uitgestorven. Smeekelingen en aanklagers vulden niet meer de voorzaal, en zij die hunne deelneming kwamen betuigen waren naar oud gebruik op den dag na de begrafenis ontvangen. De zooveel gedruisch makende bedrijvigheid van vrouw Neforis, haar roepen en het rinkelen harer sleutels dat alles vernam men niet meer, want zij hield zich van allen afgezonderd enkel in hetslaapvertrekof in de koele fonteinzaal op, welke laatste het lievelingsverblijf van haar gemaal was geweest, wanneer zij ten minste niet in de kerk vertoefde, die zij dagelijks tweemalen bezocht, Met hetzelfde afgematte en onverschillige gezicht waarmede zij naar den tempel reed, keerde zij daaruit terug, en wie haar werkeloos en in somber gepeins verzonken op den divan zag zitten, die gewoonlijk de rustplaats was geweest van haar overleden gemaal, zou in haar bezwaarlijk de altijd bezige, zorgvuldige vrouw van voor weinige dagen hebben herkend, die zoo geheel vervuld was van hare huishoudelijke beslommeringen. Zij treurde en klaagde eigenlijk niet over het verlies van haar echtgenoot, en als had zij in den nacht na de dagen van het sterven en begraven voor altijd uitgeweend, zoo had zij thans geen tranen meer voor hare smart. Zij kon helaas niet komen tot dien door vriendelijke herinneringengewijden weemoed, waarin vertroostende engelen, als men het eerste zieldoorvlijmend leed te boven is, zoo vaak eenige verkwikkende druppels mengen. Zij gevoelde, zij wist echter dat met haar gemaal een deel van haar eigen wezen van haar was afgescheurd, al had zij ook nog niet begrepen dat dit deel niets minder omvatte dan de hoofdbestanddeelen van haar innerlijk en uiterlijk bestaan.Haar vader en die van haar gemaal waren de eerste mannen in Memphis, ja in Egypte geweest. Trotsch, gelukkig, met een hart vol liefde, had zij den zoon van Menas de hand gereikt. Hij was niet alleen maar verbonden met haar opgeklommen tot de hoogste waardigheden, die een Egyptenaar bereiken kon, en zij had alles gedaan wat in haar vermogen was, om hem te handhaven op zijn door velen benijd standpunt, om hem dat schitterend en waardig te doen innemen. Na vele bij uitstek gelukkige jaren had de smart over hunne vermoorde zonen de harten van dit reeds innig verbonden paar nog vaster aan elkander gesloten, en toen haar gade in een kwijnende ziekte verviel, vergezelde zij hem blijmoedig in zijne afzondering, wijdde zij zich geheel aan zijne verpleging, en deelde zij met hem in den twijfel en de bezorgdheid, die zijne staatkundige handelwijze deed ontwaken. Het bewustzijn van voor hem niet alleen veel maar alles te zijn, maakte haar trotsch en gelukkig. De afkeer, die zij meer en meer voor Paula gevoelde, was allereerst hier uit ontstaan, dat zij had opgemerkt hoe zij, Neforis, niet meer onmisbaar was voor den lijdenden echtgenoot, zoodra deze zijne schoone nicht tot gezelschap had. En thans? Thans?Wanneer zij in een slapeloozen nacht ontwaakte uit de sluimering die haar niet verkwikte, luisterde zij onwillekeurig naar eene zachte, afgebrokene ademhaling, en toch was er in hare nabijheid geen borst meer, die zich op en neer bewoog. Als zij in den vroegen morgen de eenzame legerstede verliet, scheen de aangebroken dag haar een ledige, dorre woestijn te zijn. Des nachts zoowel als overdag trachtte zij herhaaldelijk zich het beeld van den afgestorvene voor den geest te brengen; doch zoo vaak dit hare zwakke verbeeldingskracht voor een oogenblik was gelukt, had zij hem enkel gezien zooals hij was in de laatste oogenblikken zijns levens, hem gezien en gehoord met de verwensching van zijn eigen zoon op de bevende lippen. Deze akelige herinnering bedierf voor haar de laatste troost der treurenden en het vriendelijk aandenken aan den ontslapene, en benam haar tegelijk het trotsch en blijmoedig welgevallen in haar eenig kind. De jonkman, die nog kort geleden de afgod harer ziel was geweest, stond daar voor haar als besmet engeschandvlekt. De last, die de rechtvaardigste van alle rechtvaardigen op Orion had gewenteld, mocht zij waarlijk niet voorbijzien. Doch in plaats van met verdubbelde teederheid hem aan haar hart te drukken, in plaats van het schrikkelijk oordeel, dat de vader over hem geveld had, te verzachten en wat hem drukte te verlichten, wist zij hem enkel te beklagen. Als Orion haar opzocht, streelde zij hem over de krullende haren, en daar zij hem noch beleedigen wilde, noch ongelukkiger maken, dan hij reeds was, berispte en vermaande zij hem niet, en herinnerde hem nimmer aan den vloek zijns vaders. En hoe verarmd was dit onvrijgevige hart, dat zich gewend had alles wat het aan liefde bezat slechts aan enkelen, ja bijna aan een enkele te wijden, die nu niet meer onder de levenden was. De vroolijke kinderstemmen in huis waren voor haar aangename tonen geweest, zoolang zij haar lijdendenden gemaal niet gestoord hadden; nu waren echter ook dezen verstomd, en aan hare eigene kleindochter, die de zonneschijn van hare zeer beperkte liefde nog niet ten volle had genoten, had zij die liefde thans geheel ontzegd. Droeg niet de kleine Maria de schuld van dat vreeselijk vonnis, dat in de laatste ure van haar gemaal over haar en Orion was geveld? Ja, in het overprikkeld gemoed van de treurende vrouw had de valsche voorstelling post gevat, dat dit kind de booze demon van het huis was en een werktuig van den satan.Sedert eergisteren had Neforis eenige betere uren gehad. Gedurende de slapeloosheid, die haar als eene lichamelijke smart begon te kwellen, was haar ingevallen, welk eene verlichting den afgestorvene juist in onrustige nachten die witte opiumpilletjes hadden gegeven, en zij had nog een pas aangebroken fleschje met deze artsenij bij de hand. Leed ook zij niet ondragelijke pijn? Waarom zou zij het middel niet gebruiken, dat de smarten van haar echtgenoot zoo wonderbaar had gelenigd? Bij langdurig en al te veelvuldig gebruik konden die pilletjes schadelijk werken, en zij had den overledene vaak teruggehouden om er zich te rijkelijk van te bedienen; maar kon haar leed dan nog verergeren? Moest zij dit geneesmiddel niet danken, wanneer het dit ellendig leven voor haar verkortte? Zoo gebruikte zij dus het proefhoudend bevonden middel, eerst aarzelende, dan menigvuldiger en reeds op den tweeden dag met waar genot en blijde verwachting. Het had haar niet alleen een goeden nacht bezorgd, maar haar ook den volgenden morgen eene groote weldaad bewezen, want de afgestorvene was haar voor het eerst na zijn dood niet als een vloekende voor den geest gekomen, maar als een jong, levenslustig man. Niemand in huis wist van welk een troostmiddel de weduwe zich bediendeen de arts zoowel als haar zoon hadden zich gisteren verheugd, dat zij haar gelatener hadden aangetroffen.Toen Orion, nadat hij te Fostat zijne zaken met den wisselaar had afgedaan, naar huis terugkwam, moest hij aan de voorpoort zich een weg banen door een aantal lieden, die van alle zijden waren saamgeloopen, daar hij het binnenhof vol menschen en de wacht alsmede alle bedienden in groote beweging vond. Niemand minder dan de patriarch was het stadhouderlijk paleis een bezoek komen brengen en deze vertoefde thans bij zijne moeder. Hij had, zoo deelde de huismeester Sebek hem mede, ook naar hem gevraagd, en vrouw Neforis wenschte, dat hij terstond tot haar zou komen, om den allerheiligsten vader zijn eerbied te betuigen.»Wenscht zij dat?” vroeg de jongeling, en bleef besluiteloos staan, terwijl hij een slaaf zijn reishoed toewierp. Hij was te veel kind van zijn tijd, en de kerk en hare dienaars hadden een te grooten invloed op zijne opvoeding uitgeoefend, dan dat hij het bezoek van den grooten prelaat niet als eene groote eer zou hebben beschouwd. Toch kon hij den smaad, die der nagedachtenis zijns vaders was aangedaan, kon hij de vermaning van den edelen Arabischen veldheer om zich voor de vijandschap van Benjamin te wachten, niet vergeten, en wellicht, zeide hij tot zichzelven, was het beter om eene samenspreking met den machtigen man te ontwijken, dan zich bloot te stellen aan het gevaar van gedurende het onderhoud zich niet te kunnen inhouden en nieuw voedsel te geven aan zijne eigene verbolgenheid.Doch hem zou geen keuze worden gelaten, want de kerkvorst zelf trad uit de fonteinzaal in het viridarium. De hooge gestalte van den grijsaard was nog ongekromd, zijn trotsch hoofd was omgeven door sneeuwwitte haren, en zijne grijze baard daalde in zachte golvingen af tot op zijne borst. De scherpe blik van zijne krachtige oogen vestigde zich op den jongen man, in wien hij terstond den heer des huizes herkende, ofschoon hij hem het laatst als knaap had gezien. Terwijl Orion diep voor hem boog, riep de patriarch hem met eene zware, welluidende stem waaruit opgewektheid en waardigheid spraken, vroolijk toe: »Wees welkom, zoon van mijn onvergetelijken vriend! Het kind is, gelijk ik zie, een flinke man geworden. Ik heb een uurtje aan uwe moeder gewijd, thans moet ik met den zoon belangrijke zaken bespreken.”»In de werkkamer mijns vaders!” riep Orion den huismeester toe, terwijl hij den patriarch voorging, daarbij de vormelijke, uitnoodigende beweging makende van de kamerheeren aan het keizerlijk hof.Voor de patriarch hem volgde, gaf hij hen die hem vergezelden een wenk, dat zij achter zouden blijven, en zoodra het vertrek gesloten was, trad hij op Orion toe en zeide: »Andermaal breng ik u mijn groet! Hier heb ik dus den kleinzoon voor mij van den braven Menas, den zoon van den Mukaukas Georg, den algemeen gevierden afgod van mijne Memphietische schapen, die bij den duizelingwekkenden dans der aanzienlijke jongelieden te Konstantinopel hun de baas is gebleven! Een zeldzaam meesterstuk voor een Egyptisch christen! Doch allereerst, mijn kind, allereerst uwe hand!”Daarbij stak hij hem de rechterhand toe en Orion gaf hem de zijne, hoewel schoorvoetend. Want in die toespraak van den patriarch trilde een toon van lichte bespotting, en hij vroeg zich af, of deze man hem werkelijk zoo welgezind was, dat hij hem met een goed hart, gelijk zijne ouders als »mijn kind” durfde aanspreken. Er viel niet aan te denken hem de hand te weigeren. Toch had hij den moed om te antwoorden: »Uw wensch, heilige vader, heb ik te gehoorzamen; intusschen weet ik niet of het den zoon wel vrij staat de hand aan te nemen van een vijand, dien zelfs de dood, die alles doet vergeten, niet verzoende, die zijn vader, den braafsten man, en met dezen ook hemzelven op het kerkhof, aan het gaf, den zwaarsten smaad heeft aangedaan.”De patriarch schudde met een gemaakt lachje het hoofd, legde Orion de hand op den schouder, waarbij deze een gevoel had als ging er een gloed door al zijne leden, en zeide met vriendelijken ernst: »Het valt den christen niet zwaar den belager, den tegenstander, den vijand te vergeven en het is hem eene vreugde het den zoon niet euvel te duiden, dat hij zich in de ziel van zijn eigen vader gekrenkt gevoelt, hoe kortzichtig en dwaas zijne boosheid ook zij. Uwe verontwaardiging kan mij zoo weinig deren als den Allerhoogste in den hemel, en gij zoudt daarover zelfs geene berisping verdienen, wanneer niet—doch daarover spreken wij later—wanneer niet—gij moet het maar dadelijk hooren—wanneer niet uit uwe houding juist zoo duidelijk en tastbaar bleek, wat u nog ontbreekt om een oprecht christen, om een man te zijn, gelijk hij moet zijn dien God in dit door ongeloovigen overheerschte land op eene zoo hooge plaats heeft gesteld. Gij weet wat ik bedoel?”Daarop liet de kerkvorst zijne hand van ’s jonkmans schouder glijden, zag hem vragend aan, en toen Orion, zonder een antwoord te vinden verder van hem terugging, zeide de grijsaard met toenemende opgewondenheid: »Deemoed, vrome en geloovige overgave, ziedaar, mijn vriend, wat ik bij u mis. Wie ben ik? Maar als de plaatsvervanger, het spraakorgaan vanhem voor wien wij allen niets zijn dan wormen in het stof, moet ik vorderen dat ieder, die zich een christen, een Jacobiet noemt, mijn wil en mijn gebod, zonder er over te denken of te morren, zoo onvoorwaardelijk en zonder tegenstreven gehoorzaamt, als trof het heil of onheil hem van hooger hand. Waar zou het heen, wanneer ieder zich durfde vermeten mij te weerstaan en zijn eigen weg te gaan! Nog éen menschenleeftijd, en met den dood der ouderen, die nog als ware christenen zijn opgegroeid, zou het uit zijn met de leer des Heilands aan dezen stroom, zou overal in plaats van het kruis de halve maan prijken, zouden zich weeklachten in den hemel doen hooren over zoovele verlorene zielen. Leer u deemoedig en bescheiden te buigen voor den wil des Allerhoogsten en zijne plaatsvervangers op aarde, overmoedige knaap, en laat uwe houding tegenover mij u toonen, hoe ver uw eigen oordeel reikt. Gij houdt mij voor een vijand uws vaders?”»Ja!” antwoordde Orion op stelligen toon.»En ik heb hem liefgehad als mijn broeder,” hernam de prelaat op gemoedelijken toon.»Hoe gaarne had ik onder tranen zijne lijkbaar bestrooid met palmen des vredes, zooals alleen de kerk die schenkt.”»Toch hebt gij hem, dien gij uw vriend noemt,” zeide Orion, »onthouden wat de kerk den dief en den moordenaar niet weigert, wanneer hij vergeving van zonden verlangt en die uit de mond eens priester heeft ontvangen, zooals toch....”»Zooals toch uw vader!” viel de grijsaard hem in de rede. »Wel hem! Hij mag thans misschien de heerlijkheid van den Allerhoogste aanschouwen. En desniettemin heb ik de geestelijkheid verboden hem eer te bewijzen aan zijn graf. Waarom, om welke afdoende redenen is dit bevel uit den mond van een vriend tegen een vriend uitgegaan?”»Omdat gij hem,” antwoordde Orion somber, »in het oog van de geheele wereld wildet brandmerken als de man, die aan de ongeloovigen de voorkeur gegeven en hen de overwinning gemakkelijk gemaakt heeft.”»Ziedaar, dat noem ik de kunst te verstaan om in de harten te lezen!” zeide de prelaat, terwijl hij den jongeling aanzag met een spottenden blik, die half van instemming, half van ontevredenheid getuigde. »Welnu, knaap, nemen wij eens aan, dat ik de christenen van Memphis had willen toonen welk lot hem wacht, die zijn land voor den vijand opent en hand in hand met de ongeloovigen wandelt, zou ik dan niet in mijn recht zijn geweest?”»Heeft mijn vader de Arabieren hierheen geroepen?” vroeg de jongeling op zijn beurt.»Neen, mijn kind,” antwoordde de bisschop, »de vijand is vanzelf gekomen.”»En gij,” ging Orion voort, »hebt uit de woestijn, nadat de Grieken u in ballingschap hadden gezonden, voorspeld, dat de Arabieren zouden komen om de Grieksche Melchietische vijanden van ons geloof overhoop te werpen en uit dit land te verjagen.”»Zoo heeft de Heer gesproken door mijn mond,” hernam de grijsaard, terwijl hij deemoedig het hoofd boog. »En mij werden nog andere dingen geopenbaard, toen ik bij mijne askese mijn lichaam kastijdde in de brandende hitte der woestijnzon. Pas op, mijn kind, wees voorzichtig! Volg mijn raad, opdat het niet vervuld worde, en het huis van Menas verdwijne als de wolken, die de stormwind uit elkander drijft. Ik weet het, uw vader heeft mijne profetie zoo uitgelegd, als ware van mij aan hem de raad uitgegaan, om de ongeloovigen te ontvangen als werktuigen des Allerhoogsten en hen te helpen de Melchietische dwingelanden uit dit land te verjagen.”»Uwe voorspelling,” hernam de jongeling, »heeft in elk geval een diepen indruk op mijn vader gemaakt, en toen de zaak des keizers en der Grieken verloren was, was uw woord, dat de Melchieten niet minder ongeloovig waren dan de belijders van den Islam, hem tot grooten troost. Zoo iemand, dan weet gij, hoe hij allen grond had hen te haten, die twee zijner bloeiende zonen hadden vermoord. Wat daarna geschied is, heeft hij gedaan om zijne en uwe ongelukkige broeders, die aan zijne en uwe zorgen waren toevertrouwd, uit het verderf te redden; en hier, hier in dezen lessenaar ligt het antwoord, dat hij op de verwijten van den keizer heeft medegedeeld aan het Grieksche gezantschap, die hem in ditzelfde vertrek rekenschap kwamen vragen. Terstond na hun vertrek heeft hij het opgeschreven; wilt gij het hooren?”»Ik kan den inhoud van dat stuk wel raden.”»Neen, neen!” riep de jonkman vol vuur; opende in allerijl den lessenaar zijns vaders, haalde bij den eersten greep eene wastafel daaruit te voorschijn en zeide: »Aldus luidt het gegeven antwoord!”Al lezende vervolgde hij: »De Arabieren zijn ondanks hunne minderheid machtiger dan wij met onze menigte; éen man van hen is zooveel als honderd van ons, want zij zoeken den dood, die hen liever is dan het leven. Ieder hunner dringt vechtend vooruit, en zij kennen geen verlangen om naar hun vaderland en hunne haardsteden weder te keeren. Voor ieder dien zij dooden verwachten zij eene groote belooning in den hemel en zeggen, wanneer zij in den krijg vallen, dat zich de poorten van het paradijs voor hen openen. Zij hebben in deze wereld niets tewenschen, wanneer zij hunne dringendste behoeften aan voedsel en kleeding bevredigd zien. Wij daarentegen hebben het leven lief en vreezen den dood; hoe zouden wij tegen hen stand kunnen houden? Ik zeg u, dat ik den met de Arabieren gesloten vrede niet breken zal....”»En wat blijkt uit dit antwoord?” vroeg opeens de patriarch, de schouders ophalende.»Dat mijn vader zich gedwongen zag vrede te sluiten, en dat hij—lees maar verder—dat hij als wijs man den vijand de hand moest reiken.”»Den vijand, aan wien hij maar al te gewillig toegaf, en wien hij grooter eer bewees, dan hem als christen betaamde! Klinken die woorden niet als hadden onze verdoemde, bloeddorstige dwingelanden alleen het recht de vreugde van het paradijs te verwachten? En dat muzelmansche paradijs! Wat is het anders dan een poel, waarin zinnelijke driften wellustig ronddartelen? De leugenprofeet heeft het bedacht om de zijnen op te winden, opdat zij zijne valsche leer het eene volk na het andere zouden opdringen, met geweld en woeste doodsverachting. Maar onze Heer kwam als het menschgeworden woord op aarde, en won de geesten en harten door de overtuigende kracht der eenige, eeuwige, tot daad gewordene waarheid, die van hem uitgaat als het licht van de zon. Deze Mohammed daarentegen is een menschgeworden zwaard! Ook mij blijft in zeker opzicht niets over dan mij te onderwerpen aan de overmacht, maar ik wil hun dwazen, zielen misleidenden waan haten en verafschuwen, en dat doe ik, dat zal ik doen tot aan den laatsten slag van dit oude hart, dat hoe eer hoe liever moge stilstaan. Maar gij? Maar uw vader? Waarlijk, waarlijk, wie maar éen oogenblik vergeet ongeloof en valsch geloof te haten, die heeft zich voor zijn geheele leven hier en hiernamaals tegen het eenig waarachtig en zuiver geloof en hem die het verkondigde bezondigd. Met misdadige, teerhartige lofredenen op de vroomheid en gematigdheid van den vijand, den verderver van lichamen en van zielen, den lichamelijken antichrist, heeft uw vader zijn hart en zijne tong bezoedeld.”»Bezoedeld?” herhaalde de jonkman, terwijl zijne wangen gloeiden. »Beiden heeft hij rein en eervol bewaard; want er is geen woord van onwaarheid over zijne lippen gekomen. Gerechtigheid, ja gerechtigheid tegenover ieder, ook tegenover zijn tegenpartij, dat was de grondtrek, dat het richtsnoer van zijn vlekkeloos leven, en zelfs de edelsten onder de heidensche Grieken hebben hem bewonderd, die zichzelven zoozeer overwinnen kon, dat hij ook wat groot, waar en goed is in den vijand erkende.”»En zij hadden gelijk,” hernam de patriarch, »want zij waren nog niet in het bezit der waarheid. In het wereldlijk leven mag ieder onzer ook heden hen daarin navolgen. Doch wie hen vergeeft, die de hooge waarheid aanranden, die het brood, het vleesch en den wijn onzer christen ziel is, die bezondigt zich tegen deze waarheid. Is hij een leidsman der menigte, zoo lokt hij daarmede ook hen, die naar hem opzien en maar al te licht zijn voorbeeld volgen, in het eeuwige vuur. Waar uw vader een onwillig gehoorzamend vijand had moeten zijn, daar is hij een bondgenoot, en wat het hoofd der ongeloovigen aangaat—het heeft mij heete tranen gekost—een vriend geworden. En naar hetgeen ons arme volk zag gebeuren met zijn hoofd, heeft het—barmhartig God, schenk zijne verleiders vergiffenis!—heeft het zijne verhouding geregeld. Vele duizenden zijn van ons zaligmakend geloof afgevallen en overgeloopen tot hen, die in hunne oogen wel geen ellendige verdoemelingen konden zijn, daar zij hun wijzen en rechtvaardigen aanvoerder hand aan hand met hen zagen wandelen en handelen. En, daarom, daarom alleen, om de misleide menigte te waarschuwen, heb ik niet geaarzeld mijn eigen hart pijn te doen, eene waarschuwende stem aan de groeve van een dierbaar vriend te doen hooren, hem de eer en den zegen te onthouden, die hij echter door een deugdzaam en rechtvaardig leven voor de wereld waardiger was dan duizenden. Ik heb mij verklaard en nu moet er een einde komen aan uwe dwaze verstoordheid, en zult gij zeker de hand, die de wachter over de zielen der zijnen u andermaal reikt, gaarne en met een gerust hart aanvaarden.”Wederom stak de grijsaard Orion zijn rechterhand toe, doch deze nam hem ook ditmaal slechts aarzelend aan, en sloeg daarbij zijne oogen verward en somber naar den grond, in plaats van den kerkvorst in het aangezicht te zien. Doch de patriarch scheen het tegenstribbelen van den jonkman niet op te merken en drukte hem krachtig de hand. Hij bracht vervolgens het gesprek op Orions treurende moeder, den achteruitgang van Memphis, de toekomstige plannen van den jongen man, en eindelijk op de edelgesteenten, die de afgestorvene aan de kerk vermaakt had. Het gesprek vloeide nu kalm en op den toon van een gezellig onderhoud, de prelaat zat nu op den leuningstoel van den gestorvene, en het klonk natuurlijk en ongezocht, toen hij zich bij zijn lof op de juweelen de vraag naar den grooten smaragd ontvallen liet. Orion antwoordde op denzelfden toon, dat deze steen eigenlijk niet tot de schenking behoorde; doch de prelaat was van een ander gevoelen.Wat Orion sedert dien noodlottigen gang naar het tablinum gekweld en beangstigd had, werd door dit gesprek weder levendig; toch strekte het hem tot eenige geruststelling dat noch zijne moeder,noch vrouw Susanna aan den prelaat scheen medegedeeld te hebben, welk eene schuld hij als rechter op zich had geladen terwille van dien steen. De weduwe had deze aangelegenheid naar het scheen verzwegen, om niet in de noodzakelijkheid te komen van te spreken over het valsche getuigenis, dat haar dochtertje daarbij had afgelegd. Doch hoe gemakkelijk konden die onzalige dingen den strengen grijsaard ter oore komen, en daarom scheen den schuldige geen offer te groot elke vraag naar dat ongelukkig kleinood opzij te schuiven. Hij verzekerde daarom onverwijld, dat die smaragd hem afhandig was gemaakt, doch hij verklaarde zich bereid de volle waarde ervan te betalen. Benjamin mocht zijn waarde schatten en hem naar believen elke som noemen, die hij voor een of ander weldadig doel noodig had, hij zou hem, Orion, bereid vinden, deze onverwijld te betalen.Doch de patriarch stond dood bedaard op zijn eisch, gaf Orion in bedenking ijverig naar den steen onderzoek te doen, en verklaarde dat hij dien als eigendom van de kerk beschouwde, en de uitlevering van dit kleinood, wanneer zijn geduld zou zijn uitgeput, zeer stellig met alle middelen die hem ten dienste stonden zou vorderen. Orion bleef dus niet anders over dan te verklaren, dat hij het onderzoek naar den verloren smaragd wilde voortzetten; doch hij deed dit morrend, als iemand die toegeeft aan een onbillijken eisch.De patriarch hoorde dit eerst gelaten aan, doch toen hij daarna opstond om afscheid te nemen, veranderde hij plotseling van houding en zeide op strengen en ernstigen toon: »Ik ken u thans, zoon van den Mukaukas Georg, en waarmede ik begonnen ben, daarmede besluit ik ditmaal: de deemoed van den christen is u vreemd, de macht en de waarde van ons geloof kent gij niet, maar gij weet ook niet hoeveel liefde dat geloof bevat, welk een vurig verlangen om den afgedwaalden zondaar terug te brengen op het pad des heils. Met betraande oogen bekende uwe voortreffelijke moeder mij voor welk een afgrond gij staat. Gij verlangt een verbond voor uw leven te sluiten met eene ongeloovige, eene Melchietin. En daar is nog iets anders, dat het vrome moederhart beangstigt en martelt met het oog op u en uw heil. Zij heeft beloofd het mij in de kerk toe te vertrouwen, en ik zal het bij mijn terugkeer weten uit te vorschen. Maar waarlijk, wat het ook zij, uwe ziel kan in geen erger gevaar komen dan door eene echtverbintenis met die Melchietin. Waaraan hangt uw hart? Enkel aan het geluk dezer aarde? Gij dingt naar de hand des dochters van een ongeloovigen ketter; gij rijdt—neen hoor mij verder!—rijdt naar de overzijde, naar Fostat en biedt uw verstand en uw arm—gisteren is het gebeurd—den ongeloovigen aan. Maar ik, ik, de herder mijner kudde, zal het niet dulden, dat de aanzienlijkste van geboorte, de rijkste van vermogen, de machtigste onder de Jacobieten door de klank van zijn naam alleen, duizendenmet zich afvallig maakt. Ik bezit den wil en de macht om een dam op te werpen tegen zulk een onheil! Volg mij, of het zal u met bloedige tranen berouwen.”De prelaat verwachtte Orion na deze woorden de knie te zien buigen; doch deze deed niet wat hij verlangde, maar staarde hem met wijd geopende oogen diep bewogen en besluiteloos aan.Benjamin ging echter voort, met klimmenden aandrang: »Ik ben tot u gekomen om mijn stem te verheffen, en ik verlang, ik vorder, ja ik beveel: verbreek elken band met den vijand van uw volk en van ons geloof daarginds, verban de liefde voor de Melchietische sirene, die uwe onsterfelijke ziel bedreigt met een onherroepelijk verderf, uit uw gemoed...”Tot dusverre had Orion de vermaningen van den kerkvorst, die als vloeken hem naar het hoofd werden geslingerd, zwijgend en met gebogen hoofd aangehoord, Maar nu kwam al wat in hem was tegen den kerkvorst in verzet, de kracht om zich in te houden begaf hem, en met eene krachtige stem den prelaat in de rede vallende, zeide hij: »Nooit, nooit, neen nooit zal ik dit doen! Smaad mij, als gij wilt! Wat ik ben, dat zal ik blijven: een trouw lid der kerk, die de vaderen hebben aangehangen en voor welke mijne broeders gestorven zijn. Deemoedig belijd ik mijn Heer Jezus Christus. Ik geloof in hem, geloof in den goddelijken meester, die gestorven is om ons te verlossen en die de liefde in de wereld heeft geopenbaard. Onwrikbaar en trouw houd ik vast aan de mijnen. Nooit, neen nooit zal ik haar opofferen, die mij als een godsgezante, als mijne goede engel geleerd heeft den ernst en de waarde des levens recht te begrijpen, die ook mijn vader heeft liefgehad. Gij hebt de macht! Verlang billijke, bereikbare dingen van mij en ik wil trachten mijzelve te bedwingen en ze te volbrengen; doch trouweloos worden om u getrouw te zijn, dat wil, dat kan ik in eeuwigheid niet, en wat de Arabieren aangaat....”»Genoeg!” dus brak de prelaat zijne woorden af. »Ik ga naar Opper-Egypte en bij mijn terugkeer hebt gij te kiezen. Tot zoo lang geef ik u tijd om tot uzelven te komen, u te bezinnen en in alle kalmte beveel ik: vergeet de Melchietin! Uwe, juist uwe verbintenis met eene kettersche vrouw is een gruwel, die nooit te dulden is. Over uwe verhouding tot de Arabieren en over de vraag of het voegzaam is dat gij, als degene die gij zijt, bij hen dienst neemt, zullen wij later nog spreken. Zijt gij als ik wederkeer, met betrekking tot die vrouw tot betere gedachten gekomen—het staat u vrij de hand van elke Jacobietische jonkvrouw te vragen—dan zal ik op een anderen toon met u spreken. Ik bied u dan mijne vriendschap en hulp aan; in de plaats van den vloek beloof ik u dan den zegender kerk, de genade en de vergeving van den Allerhoogste, den effen weg tot aan gene zijde des grafs, en de zaligheid van het beangstigde gemoed eener bekommerde moeder met nieuw leven te vervullen. Mijn laatste woord luidt aldus: gij moet u losmaken van de vrouw, van wie gij niets te verwachten hebt dan ellende.”»Toch kan, en wil en zal ik het niet doen!” antwoordde Orion op stelligen toon.»Dan moet en wil en zal ik u doen gevoelen hoe zwaar de vloek drukt, dien ik in het uiterste geval niet aarzelen zal u naar het hoofd te slingeren!”»Dat zal aan u staan,” hernam Orion. »Maar gaat gij tot het uiterste over, dan dwingt gij mij den zegen, waaraan mijne ziel inniger behoefte heeft dan gij bevroeden kunt, heer, dan dwingt gij mij het heil, dat ik behoef, te zoeken bij hen die gij verdoemt, aan gene zijde van den stroom.”»Waag het!” riep de patriarch, en verliet met gloeiende wangen en vasten stap het vertrek.
EERSTE HOOFDSTUK.
Evenmin als de arts Philippus, kon ook Orion dien nacht rustig slapen. Hij twijfelde niet meer aan Paula, doch zijn geheele hart was vervuld van vurig verlangen naar haar en naar de bevestiging dat zij hem en hem alleen liefhad, en dat verlangen hield hem wakker. Bij het krieken van den dag stond hij op, blijde dat de nacht voorbij was, en stak den Nijl over om den wisselaar Salech, den broeder van den ouden koopman Haschim, de helft toe te vertrouwen van het vermogen der dochter van Thomas.In Memphis was alles nog stil en wat hij daar zag, kwam hem heden bijzonder oud, afgeleefd, traag en vervallen voor. Alles scheen niet meer waard dan om onder te gaan, terwijl hij aan gene zijde van den stroom, in het jonge Fostat, niet anders waarnam dan een frisch, bedrijvig en krachtig jeugdig leven. Onwillekeurig vergeleek hij de oude pharaonenstad achter zich met eene vergane mummie en de nieuwe residentie van Amr met een jonkman, die dorst naar daden. Alles was daar leven en beweging. Den wisselaar, die, als alle muzelmannen vroeg opstond, »zoodra men een witten van een zwarten draad onderscheiden kon,” om zijn eerste gebed te verrichten, vond hij reeds bezig met het uitbetalen van rollen goud en zilver, en hoe gezwind, hoe knap en handig wist de Arabier deze zaak met hem en Nilus, die hem vergezelde af te doen! Werwaarts hij het oog ook richtte, hij zag niets dan oogen vol vuur, niets dan aangezichten, die van geestkracht, kloekheid en ondernemingszucht getuigden, geen slaafs gebogen halzen, geen trage suffers, geen blik van sombere berusting, zooals in zijne vaderstad aan de andere zijde. Hier in Fostat vloeide het bloed hem sneller door de aderen, dáar drukte het leven hem als een last. De Arabieren trokken voor alles hem aan.De kraam van den wisselaar bestond gelijk alle verkoopwinkels in de bazar van het jonge Fostat uit eene houten tent, waarin de koopman met zijn helpers verblijf hield. Door de opene zijde,die naar de straat was gekeerd, onderhandelden zij met de bezoekers, die als de onderhandelingen over een zaak wat langer moesten duren, door den koopman binnen werden genoodigd, ten einde naast hem te gaan zitten op de uitstallingsplanken. Ook Orion en Nilus hadden aan zulk eene uitnoodiging gehoor gegeven, en terwijl zij bij hunne samenspreking met den wisselaar daar zaten voor het oog van alle voorbijgangers, stapte de Wekil Obada, welke zich over den afkeer die de zoon des stadhouders hem gisteren avond betoond had zoo geweldig boos had gemaakt, rakelings hen voorbij. Tot zijne verbazing groette deze hem met bijzondere vriendelijkheid, en indachtig aan de waarschuwing van den veldheer, beantwoordde hij dien groet van den gehaten man, hoe zwaar het hem ook viel. Toen Obada echter andermaal en ten derde male daar langs ging, gevoelde Orion dat hij bespied werd. Doch het was ook mogelijk dat de Wekil insgelijks met den wisselaar zaken te doen had en wachtte tot hij gereed zou zijn.Intusschen zou Orion deze ontmoeting weldra vergeten, want tehuis wachtten hem gewichtige zaken.Zooals vaak geschiedt, had de dood van een enkel man, ofschoon zijn huis door zijn verscheiden noch rijker noch armer was geworden, en men daarin gedurende den laatsten tijd zijn afgezonderd leven nauwelijks had waargenomen, dit huis geheel, ja bijna onherkenbaar veranderd. De anders zoo levendige vertrekken waren nu stil en als uitgestorven. Smeekelingen en aanklagers vulden niet meer de voorzaal, en zij die hunne deelneming kwamen betuigen waren naar oud gebruik op den dag na de begrafenis ontvangen. De zooveel gedruisch makende bedrijvigheid van vrouw Neforis, haar roepen en het rinkelen harer sleutels dat alles vernam men niet meer, want zij hield zich van allen afgezonderd enkel in hetslaapvertrekof in de koele fonteinzaal op, welke laatste het lievelingsverblijf van haar gemaal was geweest, wanneer zij ten minste niet in de kerk vertoefde, die zij dagelijks tweemalen bezocht, Met hetzelfde afgematte en onverschillige gezicht waarmede zij naar den tempel reed, keerde zij daaruit terug, en wie haar werkeloos en in somber gepeins verzonken op den divan zag zitten, die gewoonlijk de rustplaats was geweest van haar overleden gemaal, zou in haar bezwaarlijk de altijd bezige, zorgvuldige vrouw van voor weinige dagen hebben herkend, die zoo geheel vervuld was van hare huishoudelijke beslommeringen. Zij treurde en klaagde eigenlijk niet over het verlies van haar echtgenoot, en als had zij in den nacht na de dagen van het sterven en begraven voor altijd uitgeweend, zoo had zij thans geen tranen meer voor hare smart. Zij kon helaas niet komen tot dien door vriendelijke herinneringengewijden weemoed, waarin vertroostende engelen, als men het eerste zieldoorvlijmend leed te boven is, zoo vaak eenige verkwikkende druppels mengen. Zij gevoelde, zij wist echter dat met haar gemaal een deel van haar eigen wezen van haar was afgescheurd, al had zij ook nog niet begrepen dat dit deel niets minder omvatte dan de hoofdbestanddeelen van haar innerlijk en uiterlijk bestaan.Haar vader en die van haar gemaal waren de eerste mannen in Memphis, ja in Egypte geweest. Trotsch, gelukkig, met een hart vol liefde, had zij den zoon van Menas de hand gereikt. Hij was niet alleen maar verbonden met haar opgeklommen tot de hoogste waardigheden, die een Egyptenaar bereiken kon, en zij had alles gedaan wat in haar vermogen was, om hem te handhaven op zijn door velen benijd standpunt, om hem dat schitterend en waardig te doen innemen. Na vele bij uitstek gelukkige jaren had de smart over hunne vermoorde zonen de harten van dit reeds innig verbonden paar nog vaster aan elkander gesloten, en toen haar gade in een kwijnende ziekte verviel, vergezelde zij hem blijmoedig in zijne afzondering, wijdde zij zich geheel aan zijne verpleging, en deelde zij met hem in den twijfel en de bezorgdheid, die zijne staatkundige handelwijze deed ontwaken. Het bewustzijn van voor hem niet alleen veel maar alles te zijn, maakte haar trotsch en gelukkig. De afkeer, die zij meer en meer voor Paula gevoelde, was allereerst hier uit ontstaan, dat zij had opgemerkt hoe zij, Neforis, niet meer onmisbaar was voor den lijdenden echtgenoot, zoodra deze zijne schoone nicht tot gezelschap had. En thans? Thans?Wanneer zij in een slapeloozen nacht ontwaakte uit de sluimering die haar niet verkwikte, luisterde zij onwillekeurig naar eene zachte, afgebrokene ademhaling, en toch was er in hare nabijheid geen borst meer, die zich op en neer bewoog. Als zij in den vroegen morgen de eenzame legerstede verliet, scheen de aangebroken dag haar een ledige, dorre woestijn te zijn. Des nachts zoowel als overdag trachtte zij herhaaldelijk zich het beeld van den afgestorvene voor den geest te brengen; doch zoo vaak dit hare zwakke verbeeldingskracht voor een oogenblik was gelukt, had zij hem enkel gezien zooals hij was in de laatste oogenblikken zijns levens, hem gezien en gehoord met de verwensching van zijn eigen zoon op de bevende lippen. Deze akelige herinnering bedierf voor haar de laatste troost der treurenden en het vriendelijk aandenken aan den ontslapene, en benam haar tegelijk het trotsch en blijmoedig welgevallen in haar eenig kind. De jonkman, die nog kort geleden de afgod harer ziel was geweest, stond daar voor haar als besmet engeschandvlekt. De last, die de rechtvaardigste van alle rechtvaardigen op Orion had gewenteld, mocht zij waarlijk niet voorbijzien. Doch in plaats van met verdubbelde teederheid hem aan haar hart te drukken, in plaats van het schrikkelijk oordeel, dat de vader over hem geveld had, te verzachten en wat hem drukte te verlichten, wist zij hem enkel te beklagen. Als Orion haar opzocht, streelde zij hem over de krullende haren, en daar zij hem noch beleedigen wilde, noch ongelukkiger maken, dan hij reeds was, berispte en vermaande zij hem niet, en herinnerde hem nimmer aan den vloek zijns vaders. En hoe verarmd was dit onvrijgevige hart, dat zich gewend had alles wat het aan liefde bezat slechts aan enkelen, ja bijna aan een enkele te wijden, die nu niet meer onder de levenden was. De vroolijke kinderstemmen in huis waren voor haar aangename tonen geweest, zoolang zij haar lijdendenden gemaal niet gestoord hadden; nu waren echter ook dezen verstomd, en aan hare eigene kleindochter, die de zonneschijn van hare zeer beperkte liefde nog niet ten volle had genoten, had zij die liefde thans geheel ontzegd. Droeg niet de kleine Maria de schuld van dat vreeselijk vonnis, dat in de laatste ure van haar gemaal over haar en Orion was geveld? Ja, in het overprikkeld gemoed van de treurende vrouw had de valsche voorstelling post gevat, dat dit kind de booze demon van het huis was en een werktuig van den satan.Sedert eergisteren had Neforis eenige betere uren gehad. Gedurende de slapeloosheid, die haar als eene lichamelijke smart begon te kwellen, was haar ingevallen, welk eene verlichting den afgestorvene juist in onrustige nachten die witte opiumpilletjes hadden gegeven, en zij had nog een pas aangebroken fleschje met deze artsenij bij de hand. Leed ook zij niet ondragelijke pijn? Waarom zou zij het middel niet gebruiken, dat de smarten van haar echtgenoot zoo wonderbaar had gelenigd? Bij langdurig en al te veelvuldig gebruik konden die pilletjes schadelijk werken, en zij had den overledene vaak teruggehouden om er zich te rijkelijk van te bedienen; maar kon haar leed dan nog verergeren? Moest zij dit geneesmiddel niet danken, wanneer het dit ellendig leven voor haar verkortte? Zoo gebruikte zij dus het proefhoudend bevonden middel, eerst aarzelende, dan menigvuldiger en reeds op den tweeden dag met waar genot en blijde verwachting. Het had haar niet alleen een goeden nacht bezorgd, maar haar ook den volgenden morgen eene groote weldaad bewezen, want de afgestorvene was haar voor het eerst na zijn dood niet als een vloekende voor den geest gekomen, maar als een jong, levenslustig man. Niemand in huis wist van welk een troostmiddel de weduwe zich bediendeen de arts zoowel als haar zoon hadden zich gisteren verheugd, dat zij haar gelatener hadden aangetroffen.Toen Orion, nadat hij te Fostat zijne zaken met den wisselaar had afgedaan, naar huis terugkwam, moest hij aan de voorpoort zich een weg banen door een aantal lieden, die van alle zijden waren saamgeloopen, daar hij het binnenhof vol menschen en de wacht alsmede alle bedienden in groote beweging vond. Niemand minder dan de patriarch was het stadhouderlijk paleis een bezoek komen brengen en deze vertoefde thans bij zijne moeder. Hij had, zoo deelde de huismeester Sebek hem mede, ook naar hem gevraagd, en vrouw Neforis wenschte, dat hij terstond tot haar zou komen, om den allerheiligsten vader zijn eerbied te betuigen.»Wenscht zij dat?” vroeg de jongeling, en bleef besluiteloos staan, terwijl hij een slaaf zijn reishoed toewierp. Hij was te veel kind van zijn tijd, en de kerk en hare dienaars hadden een te grooten invloed op zijne opvoeding uitgeoefend, dan dat hij het bezoek van den grooten prelaat niet als eene groote eer zou hebben beschouwd. Toch kon hij den smaad, die der nagedachtenis zijns vaders was aangedaan, kon hij de vermaning van den edelen Arabischen veldheer om zich voor de vijandschap van Benjamin te wachten, niet vergeten, en wellicht, zeide hij tot zichzelven, was het beter om eene samenspreking met den machtigen man te ontwijken, dan zich bloot te stellen aan het gevaar van gedurende het onderhoud zich niet te kunnen inhouden en nieuw voedsel te geven aan zijne eigene verbolgenheid.Doch hem zou geen keuze worden gelaten, want de kerkvorst zelf trad uit de fonteinzaal in het viridarium. De hooge gestalte van den grijsaard was nog ongekromd, zijn trotsch hoofd was omgeven door sneeuwwitte haren, en zijne grijze baard daalde in zachte golvingen af tot op zijne borst. De scherpe blik van zijne krachtige oogen vestigde zich op den jongen man, in wien hij terstond den heer des huizes herkende, ofschoon hij hem het laatst als knaap had gezien. Terwijl Orion diep voor hem boog, riep de patriarch hem met eene zware, welluidende stem waaruit opgewektheid en waardigheid spraken, vroolijk toe: »Wees welkom, zoon van mijn onvergetelijken vriend! Het kind is, gelijk ik zie, een flinke man geworden. Ik heb een uurtje aan uwe moeder gewijd, thans moet ik met den zoon belangrijke zaken bespreken.”»In de werkkamer mijns vaders!” riep Orion den huismeester toe, terwijl hij den patriarch voorging, daarbij de vormelijke, uitnoodigende beweging makende van de kamerheeren aan het keizerlijk hof.Voor de patriarch hem volgde, gaf hij hen die hem vergezelden een wenk, dat zij achter zouden blijven, en zoodra het vertrek gesloten was, trad hij op Orion toe en zeide: »Andermaal breng ik u mijn groet! Hier heb ik dus den kleinzoon voor mij van den braven Menas, den zoon van den Mukaukas Georg, den algemeen gevierden afgod van mijne Memphietische schapen, die bij den duizelingwekkenden dans der aanzienlijke jongelieden te Konstantinopel hun de baas is gebleven! Een zeldzaam meesterstuk voor een Egyptisch christen! Doch allereerst, mijn kind, allereerst uwe hand!”Daarbij stak hij hem de rechterhand toe en Orion gaf hem de zijne, hoewel schoorvoetend. Want in die toespraak van den patriarch trilde een toon van lichte bespotting, en hij vroeg zich af, of deze man hem werkelijk zoo welgezind was, dat hij hem met een goed hart, gelijk zijne ouders als »mijn kind” durfde aanspreken. Er viel niet aan te denken hem de hand te weigeren. Toch had hij den moed om te antwoorden: »Uw wensch, heilige vader, heb ik te gehoorzamen; intusschen weet ik niet of het den zoon wel vrij staat de hand aan te nemen van een vijand, dien zelfs de dood, die alles doet vergeten, niet verzoende, die zijn vader, den braafsten man, en met dezen ook hemzelven op het kerkhof, aan het gaf, den zwaarsten smaad heeft aangedaan.”De patriarch schudde met een gemaakt lachje het hoofd, legde Orion de hand op den schouder, waarbij deze een gevoel had als ging er een gloed door al zijne leden, en zeide met vriendelijken ernst: »Het valt den christen niet zwaar den belager, den tegenstander, den vijand te vergeven en het is hem eene vreugde het den zoon niet euvel te duiden, dat hij zich in de ziel van zijn eigen vader gekrenkt gevoelt, hoe kortzichtig en dwaas zijne boosheid ook zij. Uwe verontwaardiging kan mij zoo weinig deren als den Allerhoogste in den hemel, en gij zoudt daarover zelfs geene berisping verdienen, wanneer niet—doch daarover spreken wij later—wanneer niet—gij moet het maar dadelijk hooren—wanneer niet uit uwe houding juist zoo duidelijk en tastbaar bleek, wat u nog ontbreekt om een oprecht christen, om een man te zijn, gelijk hij moet zijn dien God in dit door ongeloovigen overheerschte land op eene zoo hooge plaats heeft gesteld. Gij weet wat ik bedoel?”Daarop liet de kerkvorst zijne hand van ’s jonkmans schouder glijden, zag hem vragend aan, en toen Orion, zonder een antwoord te vinden verder van hem terugging, zeide de grijsaard met toenemende opgewondenheid: »Deemoed, vrome en geloovige overgave, ziedaar, mijn vriend, wat ik bij u mis. Wie ben ik? Maar als de plaatsvervanger, het spraakorgaan vanhem voor wien wij allen niets zijn dan wormen in het stof, moet ik vorderen dat ieder, die zich een christen, een Jacobiet noemt, mijn wil en mijn gebod, zonder er over te denken of te morren, zoo onvoorwaardelijk en zonder tegenstreven gehoorzaamt, als trof het heil of onheil hem van hooger hand. Waar zou het heen, wanneer ieder zich durfde vermeten mij te weerstaan en zijn eigen weg te gaan! Nog éen menschenleeftijd, en met den dood der ouderen, die nog als ware christenen zijn opgegroeid, zou het uit zijn met de leer des Heilands aan dezen stroom, zou overal in plaats van het kruis de halve maan prijken, zouden zich weeklachten in den hemel doen hooren over zoovele verlorene zielen. Leer u deemoedig en bescheiden te buigen voor den wil des Allerhoogsten en zijne plaatsvervangers op aarde, overmoedige knaap, en laat uwe houding tegenover mij u toonen, hoe ver uw eigen oordeel reikt. Gij houdt mij voor een vijand uws vaders?”»Ja!” antwoordde Orion op stelligen toon.»En ik heb hem liefgehad als mijn broeder,” hernam de prelaat op gemoedelijken toon.»Hoe gaarne had ik onder tranen zijne lijkbaar bestrooid met palmen des vredes, zooals alleen de kerk die schenkt.”»Toch hebt gij hem, dien gij uw vriend noemt,” zeide Orion, »onthouden wat de kerk den dief en den moordenaar niet weigert, wanneer hij vergeving van zonden verlangt en die uit de mond eens priester heeft ontvangen, zooals toch....”»Zooals toch uw vader!” viel de grijsaard hem in de rede. »Wel hem! Hij mag thans misschien de heerlijkheid van den Allerhoogste aanschouwen. En desniettemin heb ik de geestelijkheid verboden hem eer te bewijzen aan zijn graf. Waarom, om welke afdoende redenen is dit bevel uit den mond van een vriend tegen een vriend uitgegaan?”»Omdat gij hem,” antwoordde Orion somber, »in het oog van de geheele wereld wildet brandmerken als de man, die aan de ongeloovigen de voorkeur gegeven en hen de overwinning gemakkelijk gemaakt heeft.”»Ziedaar, dat noem ik de kunst te verstaan om in de harten te lezen!” zeide de prelaat, terwijl hij den jongeling aanzag met een spottenden blik, die half van instemming, half van ontevredenheid getuigde. »Welnu, knaap, nemen wij eens aan, dat ik de christenen van Memphis had willen toonen welk lot hem wacht, die zijn land voor den vijand opent en hand in hand met de ongeloovigen wandelt, zou ik dan niet in mijn recht zijn geweest?”»Heeft mijn vader de Arabieren hierheen geroepen?” vroeg de jongeling op zijn beurt.»Neen, mijn kind,” antwoordde de bisschop, »de vijand is vanzelf gekomen.”»En gij,” ging Orion voort, »hebt uit de woestijn, nadat de Grieken u in ballingschap hadden gezonden, voorspeld, dat de Arabieren zouden komen om de Grieksche Melchietische vijanden van ons geloof overhoop te werpen en uit dit land te verjagen.”»Zoo heeft de Heer gesproken door mijn mond,” hernam de grijsaard, terwijl hij deemoedig het hoofd boog. »En mij werden nog andere dingen geopenbaard, toen ik bij mijne askese mijn lichaam kastijdde in de brandende hitte der woestijnzon. Pas op, mijn kind, wees voorzichtig! Volg mijn raad, opdat het niet vervuld worde, en het huis van Menas verdwijne als de wolken, die de stormwind uit elkander drijft. Ik weet het, uw vader heeft mijne profetie zoo uitgelegd, als ware van mij aan hem de raad uitgegaan, om de ongeloovigen te ontvangen als werktuigen des Allerhoogsten en hen te helpen de Melchietische dwingelanden uit dit land te verjagen.”»Uwe voorspelling,” hernam de jongeling, »heeft in elk geval een diepen indruk op mijn vader gemaakt, en toen de zaak des keizers en der Grieken verloren was, was uw woord, dat de Melchieten niet minder ongeloovig waren dan de belijders van den Islam, hem tot grooten troost. Zoo iemand, dan weet gij, hoe hij allen grond had hen te haten, die twee zijner bloeiende zonen hadden vermoord. Wat daarna geschied is, heeft hij gedaan om zijne en uwe ongelukkige broeders, die aan zijne en uwe zorgen waren toevertrouwd, uit het verderf te redden; en hier, hier in dezen lessenaar ligt het antwoord, dat hij op de verwijten van den keizer heeft medegedeeld aan het Grieksche gezantschap, die hem in ditzelfde vertrek rekenschap kwamen vragen. Terstond na hun vertrek heeft hij het opgeschreven; wilt gij het hooren?”»Ik kan den inhoud van dat stuk wel raden.”»Neen, neen!” riep de jonkman vol vuur; opende in allerijl den lessenaar zijns vaders, haalde bij den eersten greep eene wastafel daaruit te voorschijn en zeide: »Aldus luidt het gegeven antwoord!”Al lezende vervolgde hij: »De Arabieren zijn ondanks hunne minderheid machtiger dan wij met onze menigte; éen man van hen is zooveel als honderd van ons, want zij zoeken den dood, die hen liever is dan het leven. Ieder hunner dringt vechtend vooruit, en zij kennen geen verlangen om naar hun vaderland en hunne haardsteden weder te keeren. Voor ieder dien zij dooden verwachten zij eene groote belooning in den hemel en zeggen, wanneer zij in den krijg vallen, dat zich de poorten van het paradijs voor hen openen. Zij hebben in deze wereld niets tewenschen, wanneer zij hunne dringendste behoeften aan voedsel en kleeding bevredigd zien. Wij daarentegen hebben het leven lief en vreezen den dood; hoe zouden wij tegen hen stand kunnen houden? Ik zeg u, dat ik den met de Arabieren gesloten vrede niet breken zal....”»En wat blijkt uit dit antwoord?” vroeg opeens de patriarch, de schouders ophalende.»Dat mijn vader zich gedwongen zag vrede te sluiten, en dat hij—lees maar verder—dat hij als wijs man den vijand de hand moest reiken.”»Den vijand, aan wien hij maar al te gewillig toegaf, en wien hij grooter eer bewees, dan hem als christen betaamde! Klinken die woorden niet als hadden onze verdoemde, bloeddorstige dwingelanden alleen het recht de vreugde van het paradijs te verwachten? En dat muzelmansche paradijs! Wat is het anders dan een poel, waarin zinnelijke driften wellustig ronddartelen? De leugenprofeet heeft het bedacht om de zijnen op te winden, opdat zij zijne valsche leer het eene volk na het andere zouden opdringen, met geweld en woeste doodsverachting. Maar onze Heer kwam als het menschgeworden woord op aarde, en won de geesten en harten door de overtuigende kracht der eenige, eeuwige, tot daad gewordene waarheid, die van hem uitgaat als het licht van de zon. Deze Mohammed daarentegen is een menschgeworden zwaard! Ook mij blijft in zeker opzicht niets over dan mij te onderwerpen aan de overmacht, maar ik wil hun dwazen, zielen misleidenden waan haten en verafschuwen, en dat doe ik, dat zal ik doen tot aan den laatsten slag van dit oude hart, dat hoe eer hoe liever moge stilstaan. Maar gij? Maar uw vader? Waarlijk, waarlijk, wie maar éen oogenblik vergeet ongeloof en valsch geloof te haten, die heeft zich voor zijn geheele leven hier en hiernamaals tegen het eenig waarachtig en zuiver geloof en hem die het verkondigde bezondigd. Met misdadige, teerhartige lofredenen op de vroomheid en gematigdheid van den vijand, den verderver van lichamen en van zielen, den lichamelijken antichrist, heeft uw vader zijn hart en zijne tong bezoedeld.”»Bezoedeld?” herhaalde de jonkman, terwijl zijne wangen gloeiden. »Beiden heeft hij rein en eervol bewaard; want er is geen woord van onwaarheid over zijne lippen gekomen. Gerechtigheid, ja gerechtigheid tegenover ieder, ook tegenover zijn tegenpartij, dat was de grondtrek, dat het richtsnoer van zijn vlekkeloos leven, en zelfs de edelsten onder de heidensche Grieken hebben hem bewonderd, die zichzelven zoozeer overwinnen kon, dat hij ook wat groot, waar en goed is in den vijand erkende.”»En zij hadden gelijk,” hernam de patriarch, »want zij waren nog niet in het bezit der waarheid. In het wereldlijk leven mag ieder onzer ook heden hen daarin navolgen. Doch wie hen vergeeft, die de hooge waarheid aanranden, die het brood, het vleesch en den wijn onzer christen ziel is, die bezondigt zich tegen deze waarheid. Is hij een leidsman der menigte, zoo lokt hij daarmede ook hen, die naar hem opzien en maar al te licht zijn voorbeeld volgen, in het eeuwige vuur. Waar uw vader een onwillig gehoorzamend vijand had moeten zijn, daar is hij een bondgenoot, en wat het hoofd der ongeloovigen aangaat—het heeft mij heete tranen gekost—een vriend geworden. En naar hetgeen ons arme volk zag gebeuren met zijn hoofd, heeft het—barmhartig God, schenk zijne verleiders vergiffenis!—heeft het zijne verhouding geregeld. Vele duizenden zijn van ons zaligmakend geloof afgevallen en overgeloopen tot hen, die in hunne oogen wel geen ellendige verdoemelingen konden zijn, daar zij hun wijzen en rechtvaardigen aanvoerder hand aan hand met hen zagen wandelen en handelen. En, daarom, daarom alleen, om de misleide menigte te waarschuwen, heb ik niet geaarzeld mijn eigen hart pijn te doen, eene waarschuwende stem aan de groeve van een dierbaar vriend te doen hooren, hem de eer en den zegen te onthouden, die hij echter door een deugdzaam en rechtvaardig leven voor de wereld waardiger was dan duizenden. Ik heb mij verklaard en nu moet er een einde komen aan uwe dwaze verstoordheid, en zult gij zeker de hand, die de wachter over de zielen der zijnen u andermaal reikt, gaarne en met een gerust hart aanvaarden.”Wederom stak de grijsaard Orion zijn rechterhand toe, doch deze nam hem ook ditmaal slechts aarzelend aan, en sloeg daarbij zijne oogen verward en somber naar den grond, in plaats van den kerkvorst in het aangezicht te zien. Doch de patriarch scheen het tegenstribbelen van den jonkman niet op te merken en drukte hem krachtig de hand. Hij bracht vervolgens het gesprek op Orions treurende moeder, den achteruitgang van Memphis, de toekomstige plannen van den jongen man, en eindelijk op de edelgesteenten, die de afgestorvene aan de kerk vermaakt had. Het gesprek vloeide nu kalm en op den toon van een gezellig onderhoud, de prelaat zat nu op den leuningstoel van den gestorvene, en het klonk natuurlijk en ongezocht, toen hij zich bij zijn lof op de juweelen de vraag naar den grooten smaragd ontvallen liet. Orion antwoordde op denzelfden toon, dat deze steen eigenlijk niet tot de schenking behoorde; doch de prelaat was van een ander gevoelen.Wat Orion sedert dien noodlottigen gang naar het tablinum gekweld en beangstigd had, werd door dit gesprek weder levendig; toch strekte het hem tot eenige geruststelling dat noch zijne moeder,noch vrouw Susanna aan den prelaat scheen medegedeeld te hebben, welk eene schuld hij als rechter op zich had geladen terwille van dien steen. De weduwe had deze aangelegenheid naar het scheen verzwegen, om niet in de noodzakelijkheid te komen van te spreken over het valsche getuigenis, dat haar dochtertje daarbij had afgelegd. Doch hoe gemakkelijk konden die onzalige dingen den strengen grijsaard ter oore komen, en daarom scheen den schuldige geen offer te groot elke vraag naar dat ongelukkig kleinood opzij te schuiven. Hij verzekerde daarom onverwijld, dat die smaragd hem afhandig was gemaakt, doch hij verklaarde zich bereid de volle waarde ervan te betalen. Benjamin mocht zijn waarde schatten en hem naar believen elke som noemen, die hij voor een of ander weldadig doel noodig had, hij zou hem, Orion, bereid vinden, deze onverwijld te betalen.Doch de patriarch stond dood bedaard op zijn eisch, gaf Orion in bedenking ijverig naar den steen onderzoek te doen, en verklaarde dat hij dien als eigendom van de kerk beschouwde, en de uitlevering van dit kleinood, wanneer zijn geduld zou zijn uitgeput, zeer stellig met alle middelen die hem ten dienste stonden zou vorderen. Orion bleef dus niet anders over dan te verklaren, dat hij het onderzoek naar den verloren smaragd wilde voortzetten; doch hij deed dit morrend, als iemand die toegeeft aan een onbillijken eisch.De patriarch hoorde dit eerst gelaten aan, doch toen hij daarna opstond om afscheid te nemen, veranderde hij plotseling van houding en zeide op strengen en ernstigen toon: »Ik ken u thans, zoon van den Mukaukas Georg, en waarmede ik begonnen ben, daarmede besluit ik ditmaal: de deemoed van den christen is u vreemd, de macht en de waarde van ons geloof kent gij niet, maar gij weet ook niet hoeveel liefde dat geloof bevat, welk een vurig verlangen om den afgedwaalden zondaar terug te brengen op het pad des heils. Met betraande oogen bekende uwe voortreffelijke moeder mij voor welk een afgrond gij staat. Gij verlangt een verbond voor uw leven te sluiten met eene ongeloovige, eene Melchietin. En daar is nog iets anders, dat het vrome moederhart beangstigt en martelt met het oog op u en uw heil. Zij heeft beloofd het mij in de kerk toe te vertrouwen, en ik zal het bij mijn terugkeer weten uit te vorschen. Maar waarlijk, wat het ook zij, uwe ziel kan in geen erger gevaar komen dan door eene echtverbintenis met die Melchietin. Waaraan hangt uw hart? Enkel aan het geluk dezer aarde? Gij dingt naar de hand des dochters van een ongeloovigen ketter; gij rijdt—neen hoor mij verder!—rijdt naar de overzijde, naar Fostat en biedt uw verstand en uw arm—gisteren is het gebeurd—den ongeloovigen aan. Maar ik, ik, de herder mijner kudde, zal het niet dulden, dat de aanzienlijkste van geboorte, de rijkste van vermogen, de machtigste onder de Jacobieten door de klank van zijn naam alleen, duizendenmet zich afvallig maakt. Ik bezit den wil en de macht om een dam op te werpen tegen zulk een onheil! Volg mij, of het zal u met bloedige tranen berouwen.”De prelaat verwachtte Orion na deze woorden de knie te zien buigen; doch deze deed niet wat hij verlangde, maar staarde hem met wijd geopende oogen diep bewogen en besluiteloos aan.Benjamin ging echter voort, met klimmenden aandrang: »Ik ben tot u gekomen om mijn stem te verheffen, en ik verlang, ik vorder, ja ik beveel: verbreek elken band met den vijand van uw volk en van ons geloof daarginds, verban de liefde voor de Melchietische sirene, die uwe onsterfelijke ziel bedreigt met een onherroepelijk verderf, uit uw gemoed...”Tot dusverre had Orion de vermaningen van den kerkvorst, die als vloeken hem naar het hoofd werden geslingerd, zwijgend en met gebogen hoofd aangehoord, Maar nu kwam al wat in hem was tegen den kerkvorst in verzet, de kracht om zich in te houden begaf hem, en met eene krachtige stem den prelaat in de rede vallende, zeide hij: »Nooit, nooit, neen nooit zal ik dit doen! Smaad mij, als gij wilt! Wat ik ben, dat zal ik blijven: een trouw lid der kerk, die de vaderen hebben aangehangen en voor welke mijne broeders gestorven zijn. Deemoedig belijd ik mijn Heer Jezus Christus. Ik geloof in hem, geloof in den goddelijken meester, die gestorven is om ons te verlossen en die de liefde in de wereld heeft geopenbaard. Onwrikbaar en trouw houd ik vast aan de mijnen. Nooit, neen nooit zal ik haar opofferen, die mij als een godsgezante, als mijne goede engel geleerd heeft den ernst en de waarde des levens recht te begrijpen, die ook mijn vader heeft liefgehad. Gij hebt de macht! Verlang billijke, bereikbare dingen van mij en ik wil trachten mijzelve te bedwingen en ze te volbrengen; doch trouweloos worden om u getrouw te zijn, dat wil, dat kan ik in eeuwigheid niet, en wat de Arabieren aangaat....”»Genoeg!” dus brak de prelaat zijne woorden af. »Ik ga naar Opper-Egypte en bij mijn terugkeer hebt gij te kiezen. Tot zoo lang geef ik u tijd om tot uzelven te komen, u te bezinnen en in alle kalmte beveel ik: vergeet de Melchietin! Uwe, juist uwe verbintenis met eene kettersche vrouw is een gruwel, die nooit te dulden is. Over uwe verhouding tot de Arabieren en over de vraag of het voegzaam is dat gij, als degene die gij zijt, bij hen dienst neemt, zullen wij later nog spreken. Zijt gij als ik wederkeer, met betrekking tot die vrouw tot betere gedachten gekomen—het staat u vrij de hand van elke Jacobietische jonkvrouw te vragen—dan zal ik op een anderen toon met u spreken. Ik bied u dan mijne vriendschap en hulp aan; in de plaats van den vloek beloof ik u dan den zegender kerk, de genade en de vergeving van den Allerhoogste, den effen weg tot aan gene zijde des grafs, en de zaligheid van het beangstigde gemoed eener bekommerde moeder met nieuw leven te vervullen. Mijn laatste woord luidt aldus: gij moet u losmaken van de vrouw, van wie gij niets te verwachten hebt dan ellende.”»Toch kan, en wil en zal ik het niet doen!” antwoordde Orion op stelligen toon.»Dan moet en wil en zal ik u doen gevoelen hoe zwaar de vloek drukt, dien ik in het uiterste geval niet aarzelen zal u naar het hoofd te slingeren!”»Dat zal aan u staan,” hernam Orion. »Maar gaat gij tot het uiterste over, dan dwingt gij mij den zegen, waaraan mijne ziel inniger behoefte heeft dan gij bevroeden kunt, heer, dan dwingt gij mij het heil, dat ik behoef, te zoeken bij hen die gij verdoemt, aan gene zijde van den stroom.”»Waag het!” riep de patriarch, en verliet met gloeiende wangen en vasten stap het vertrek.
Evenmin als de arts Philippus, kon ook Orion dien nacht rustig slapen. Hij twijfelde niet meer aan Paula, doch zijn geheele hart was vervuld van vurig verlangen naar haar en naar de bevestiging dat zij hem en hem alleen liefhad, en dat verlangen hield hem wakker. Bij het krieken van den dag stond hij op, blijde dat de nacht voorbij was, en stak den Nijl over om den wisselaar Salech, den broeder van den ouden koopman Haschim, de helft toe te vertrouwen van het vermogen der dochter van Thomas.
In Memphis was alles nog stil en wat hij daar zag, kwam hem heden bijzonder oud, afgeleefd, traag en vervallen voor. Alles scheen niet meer waard dan om onder te gaan, terwijl hij aan gene zijde van den stroom, in het jonge Fostat, niet anders waarnam dan een frisch, bedrijvig en krachtig jeugdig leven. Onwillekeurig vergeleek hij de oude pharaonenstad achter zich met eene vergane mummie en de nieuwe residentie van Amr met een jonkman, die dorst naar daden. Alles was daar leven en beweging. Den wisselaar, die, als alle muzelmannen vroeg opstond, »zoodra men een witten van een zwarten draad onderscheiden kon,” om zijn eerste gebed te verrichten, vond hij reeds bezig met het uitbetalen van rollen goud en zilver, en hoe gezwind, hoe knap en handig wist de Arabier deze zaak met hem en Nilus, die hem vergezelde af te doen! Werwaarts hij het oog ook richtte, hij zag niets dan oogen vol vuur, niets dan aangezichten, die van geestkracht, kloekheid en ondernemingszucht getuigden, geen slaafs gebogen halzen, geen trage suffers, geen blik van sombere berusting, zooals in zijne vaderstad aan de andere zijde. Hier in Fostat vloeide het bloed hem sneller door de aderen, dáar drukte het leven hem als een last. De Arabieren trokken voor alles hem aan.
De kraam van den wisselaar bestond gelijk alle verkoopwinkels in de bazar van het jonge Fostat uit eene houten tent, waarin de koopman met zijn helpers verblijf hield. Door de opene zijde,die naar de straat was gekeerd, onderhandelden zij met de bezoekers, die als de onderhandelingen over een zaak wat langer moesten duren, door den koopman binnen werden genoodigd, ten einde naast hem te gaan zitten op de uitstallingsplanken. Ook Orion en Nilus hadden aan zulk eene uitnoodiging gehoor gegeven, en terwijl zij bij hunne samenspreking met den wisselaar daar zaten voor het oog van alle voorbijgangers, stapte de Wekil Obada, welke zich over den afkeer die de zoon des stadhouders hem gisteren avond betoond had zoo geweldig boos had gemaakt, rakelings hen voorbij. Tot zijne verbazing groette deze hem met bijzondere vriendelijkheid, en indachtig aan de waarschuwing van den veldheer, beantwoordde hij dien groet van den gehaten man, hoe zwaar het hem ook viel. Toen Obada echter andermaal en ten derde male daar langs ging, gevoelde Orion dat hij bespied werd. Doch het was ook mogelijk dat de Wekil insgelijks met den wisselaar zaken te doen had en wachtte tot hij gereed zou zijn.
Intusschen zou Orion deze ontmoeting weldra vergeten, want tehuis wachtten hem gewichtige zaken.
Zooals vaak geschiedt, had de dood van een enkel man, ofschoon zijn huis door zijn verscheiden noch rijker noch armer was geworden, en men daarin gedurende den laatsten tijd zijn afgezonderd leven nauwelijks had waargenomen, dit huis geheel, ja bijna onherkenbaar veranderd. De anders zoo levendige vertrekken waren nu stil en als uitgestorven. Smeekelingen en aanklagers vulden niet meer de voorzaal, en zij die hunne deelneming kwamen betuigen waren naar oud gebruik op den dag na de begrafenis ontvangen. De zooveel gedruisch makende bedrijvigheid van vrouw Neforis, haar roepen en het rinkelen harer sleutels dat alles vernam men niet meer, want zij hield zich van allen afgezonderd enkel in hetslaapvertrekof in de koele fonteinzaal op, welke laatste het lievelingsverblijf van haar gemaal was geweest, wanneer zij ten minste niet in de kerk vertoefde, die zij dagelijks tweemalen bezocht, Met hetzelfde afgematte en onverschillige gezicht waarmede zij naar den tempel reed, keerde zij daaruit terug, en wie haar werkeloos en in somber gepeins verzonken op den divan zag zitten, die gewoonlijk de rustplaats was geweest van haar overleden gemaal, zou in haar bezwaarlijk de altijd bezige, zorgvuldige vrouw van voor weinige dagen hebben herkend, die zoo geheel vervuld was van hare huishoudelijke beslommeringen. Zij treurde en klaagde eigenlijk niet over het verlies van haar echtgenoot, en als had zij in den nacht na de dagen van het sterven en begraven voor altijd uitgeweend, zoo had zij thans geen tranen meer voor hare smart. Zij kon helaas niet komen tot dien door vriendelijke herinneringengewijden weemoed, waarin vertroostende engelen, als men het eerste zieldoorvlijmend leed te boven is, zoo vaak eenige verkwikkende druppels mengen. Zij gevoelde, zij wist echter dat met haar gemaal een deel van haar eigen wezen van haar was afgescheurd, al had zij ook nog niet begrepen dat dit deel niets minder omvatte dan de hoofdbestanddeelen van haar innerlijk en uiterlijk bestaan.
Haar vader en die van haar gemaal waren de eerste mannen in Memphis, ja in Egypte geweest. Trotsch, gelukkig, met een hart vol liefde, had zij den zoon van Menas de hand gereikt. Hij was niet alleen maar verbonden met haar opgeklommen tot de hoogste waardigheden, die een Egyptenaar bereiken kon, en zij had alles gedaan wat in haar vermogen was, om hem te handhaven op zijn door velen benijd standpunt, om hem dat schitterend en waardig te doen innemen. Na vele bij uitstek gelukkige jaren had de smart over hunne vermoorde zonen de harten van dit reeds innig verbonden paar nog vaster aan elkander gesloten, en toen haar gade in een kwijnende ziekte verviel, vergezelde zij hem blijmoedig in zijne afzondering, wijdde zij zich geheel aan zijne verpleging, en deelde zij met hem in den twijfel en de bezorgdheid, die zijne staatkundige handelwijze deed ontwaken. Het bewustzijn van voor hem niet alleen veel maar alles te zijn, maakte haar trotsch en gelukkig. De afkeer, die zij meer en meer voor Paula gevoelde, was allereerst hier uit ontstaan, dat zij had opgemerkt hoe zij, Neforis, niet meer onmisbaar was voor den lijdenden echtgenoot, zoodra deze zijne schoone nicht tot gezelschap had. En thans? Thans?
Wanneer zij in een slapeloozen nacht ontwaakte uit de sluimering die haar niet verkwikte, luisterde zij onwillekeurig naar eene zachte, afgebrokene ademhaling, en toch was er in hare nabijheid geen borst meer, die zich op en neer bewoog. Als zij in den vroegen morgen de eenzame legerstede verliet, scheen de aangebroken dag haar een ledige, dorre woestijn te zijn. Des nachts zoowel als overdag trachtte zij herhaaldelijk zich het beeld van den afgestorvene voor den geest te brengen; doch zoo vaak dit hare zwakke verbeeldingskracht voor een oogenblik was gelukt, had zij hem enkel gezien zooals hij was in de laatste oogenblikken zijns levens, hem gezien en gehoord met de verwensching van zijn eigen zoon op de bevende lippen. Deze akelige herinnering bedierf voor haar de laatste troost der treurenden en het vriendelijk aandenken aan den ontslapene, en benam haar tegelijk het trotsch en blijmoedig welgevallen in haar eenig kind. De jonkman, die nog kort geleden de afgod harer ziel was geweest, stond daar voor haar als besmet engeschandvlekt. De last, die de rechtvaardigste van alle rechtvaardigen op Orion had gewenteld, mocht zij waarlijk niet voorbijzien. Doch in plaats van met verdubbelde teederheid hem aan haar hart te drukken, in plaats van het schrikkelijk oordeel, dat de vader over hem geveld had, te verzachten en wat hem drukte te verlichten, wist zij hem enkel te beklagen. Als Orion haar opzocht, streelde zij hem over de krullende haren, en daar zij hem noch beleedigen wilde, noch ongelukkiger maken, dan hij reeds was, berispte en vermaande zij hem niet, en herinnerde hem nimmer aan den vloek zijns vaders. En hoe verarmd was dit onvrijgevige hart, dat zich gewend had alles wat het aan liefde bezat slechts aan enkelen, ja bijna aan een enkele te wijden, die nu niet meer onder de levenden was. De vroolijke kinderstemmen in huis waren voor haar aangename tonen geweest, zoolang zij haar lijdendenden gemaal niet gestoord hadden; nu waren echter ook dezen verstomd, en aan hare eigene kleindochter, die de zonneschijn van hare zeer beperkte liefde nog niet ten volle had genoten, had zij die liefde thans geheel ontzegd. Droeg niet de kleine Maria de schuld van dat vreeselijk vonnis, dat in de laatste ure van haar gemaal over haar en Orion was geveld? Ja, in het overprikkeld gemoed van de treurende vrouw had de valsche voorstelling post gevat, dat dit kind de booze demon van het huis was en een werktuig van den satan.
Sedert eergisteren had Neforis eenige betere uren gehad. Gedurende de slapeloosheid, die haar als eene lichamelijke smart begon te kwellen, was haar ingevallen, welk eene verlichting den afgestorvene juist in onrustige nachten die witte opiumpilletjes hadden gegeven, en zij had nog een pas aangebroken fleschje met deze artsenij bij de hand. Leed ook zij niet ondragelijke pijn? Waarom zou zij het middel niet gebruiken, dat de smarten van haar echtgenoot zoo wonderbaar had gelenigd? Bij langdurig en al te veelvuldig gebruik konden die pilletjes schadelijk werken, en zij had den overledene vaak teruggehouden om er zich te rijkelijk van te bedienen; maar kon haar leed dan nog verergeren? Moest zij dit geneesmiddel niet danken, wanneer het dit ellendig leven voor haar verkortte? Zoo gebruikte zij dus het proefhoudend bevonden middel, eerst aarzelende, dan menigvuldiger en reeds op den tweeden dag met waar genot en blijde verwachting. Het had haar niet alleen een goeden nacht bezorgd, maar haar ook den volgenden morgen eene groote weldaad bewezen, want de afgestorvene was haar voor het eerst na zijn dood niet als een vloekende voor den geest gekomen, maar als een jong, levenslustig man. Niemand in huis wist van welk een troostmiddel de weduwe zich bediendeen de arts zoowel als haar zoon hadden zich gisteren verheugd, dat zij haar gelatener hadden aangetroffen.
Toen Orion, nadat hij te Fostat zijne zaken met den wisselaar had afgedaan, naar huis terugkwam, moest hij aan de voorpoort zich een weg banen door een aantal lieden, die van alle zijden waren saamgeloopen, daar hij het binnenhof vol menschen en de wacht alsmede alle bedienden in groote beweging vond. Niemand minder dan de patriarch was het stadhouderlijk paleis een bezoek komen brengen en deze vertoefde thans bij zijne moeder. Hij had, zoo deelde de huismeester Sebek hem mede, ook naar hem gevraagd, en vrouw Neforis wenschte, dat hij terstond tot haar zou komen, om den allerheiligsten vader zijn eerbied te betuigen.
»Wenscht zij dat?” vroeg de jongeling, en bleef besluiteloos staan, terwijl hij een slaaf zijn reishoed toewierp. Hij was te veel kind van zijn tijd, en de kerk en hare dienaars hadden een te grooten invloed op zijne opvoeding uitgeoefend, dan dat hij het bezoek van den grooten prelaat niet als eene groote eer zou hebben beschouwd. Toch kon hij den smaad, die der nagedachtenis zijns vaders was aangedaan, kon hij de vermaning van den edelen Arabischen veldheer om zich voor de vijandschap van Benjamin te wachten, niet vergeten, en wellicht, zeide hij tot zichzelven, was het beter om eene samenspreking met den machtigen man te ontwijken, dan zich bloot te stellen aan het gevaar van gedurende het onderhoud zich niet te kunnen inhouden en nieuw voedsel te geven aan zijne eigene verbolgenheid.
Doch hem zou geen keuze worden gelaten, want de kerkvorst zelf trad uit de fonteinzaal in het viridarium. De hooge gestalte van den grijsaard was nog ongekromd, zijn trotsch hoofd was omgeven door sneeuwwitte haren, en zijne grijze baard daalde in zachte golvingen af tot op zijne borst. De scherpe blik van zijne krachtige oogen vestigde zich op den jongen man, in wien hij terstond den heer des huizes herkende, ofschoon hij hem het laatst als knaap had gezien. Terwijl Orion diep voor hem boog, riep de patriarch hem met eene zware, welluidende stem waaruit opgewektheid en waardigheid spraken, vroolijk toe: »Wees welkom, zoon van mijn onvergetelijken vriend! Het kind is, gelijk ik zie, een flinke man geworden. Ik heb een uurtje aan uwe moeder gewijd, thans moet ik met den zoon belangrijke zaken bespreken.”
»In de werkkamer mijns vaders!” riep Orion den huismeester toe, terwijl hij den patriarch voorging, daarbij de vormelijke, uitnoodigende beweging makende van de kamerheeren aan het keizerlijk hof.
Voor de patriarch hem volgde, gaf hij hen die hem vergezelden een wenk, dat zij achter zouden blijven, en zoodra het vertrek gesloten was, trad hij op Orion toe en zeide: »Andermaal breng ik u mijn groet! Hier heb ik dus den kleinzoon voor mij van den braven Menas, den zoon van den Mukaukas Georg, den algemeen gevierden afgod van mijne Memphietische schapen, die bij den duizelingwekkenden dans der aanzienlijke jongelieden te Konstantinopel hun de baas is gebleven! Een zeldzaam meesterstuk voor een Egyptisch christen! Doch allereerst, mijn kind, allereerst uwe hand!”
Daarbij stak hij hem de rechterhand toe en Orion gaf hem de zijne, hoewel schoorvoetend. Want in die toespraak van den patriarch trilde een toon van lichte bespotting, en hij vroeg zich af, of deze man hem werkelijk zoo welgezind was, dat hij hem met een goed hart, gelijk zijne ouders als »mijn kind” durfde aanspreken. Er viel niet aan te denken hem de hand te weigeren. Toch had hij den moed om te antwoorden: »Uw wensch, heilige vader, heb ik te gehoorzamen; intusschen weet ik niet of het den zoon wel vrij staat de hand aan te nemen van een vijand, dien zelfs de dood, die alles doet vergeten, niet verzoende, die zijn vader, den braafsten man, en met dezen ook hemzelven op het kerkhof, aan het gaf, den zwaarsten smaad heeft aangedaan.”
De patriarch schudde met een gemaakt lachje het hoofd, legde Orion de hand op den schouder, waarbij deze een gevoel had als ging er een gloed door al zijne leden, en zeide met vriendelijken ernst: »Het valt den christen niet zwaar den belager, den tegenstander, den vijand te vergeven en het is hem eene vreugde het den zoon niet euvel te duiden, dat hij zich in de ziel van zijn eigen vader gekrenkt gevoelt, hoe kortzichtig en dwaas zijne boosheid ook zij. Uwe verontwaardiging kan mij zoo weinig deren als den Allerhoogste in den hemel, en gij zoudt daarover zelfs geene berisping verdienen, wanneer niet—doch daarover spreken wij later—wanneer niet—gij moet het maar dadelijk hooren—wanneer niet uit uwe houding juist zoo duidelijk en tastbaar bleek, wat u nog ontbreekt om een oprecht christen, om een man te zijn, gelijk hij moet zijn dien God in dit door ongeloovigen overheerschte land op eene zoo hooge plaats heeft gesteld. Gij weet wat ik bedoel?”
Daarop liet de kerkvorst zijne hand van ’s jonkmans schouder glijden, zag hem vragend aan, en toen Orion, zonder een antwoord te vinden verder van hem terugging, zeide de grijsaard met toenemende opgewondenheid: »Deemoed, vrome en geloovige overgave, ziedaar, mijn vriend, wat ik bij u mis. Wie ben ik? Maar als de plaatsvervanger, het spraakorgaan vanhem voor wien wij allen niets zijn dan wormen in het stof, moet ik vorderen dat ieder, die zich een christen, een Jacobiet noemt, mijn wil en mijn gebod, zonder er over te denken of te morren, zoo onvoorwaardelijk en zonder tegenstreven gehoorzaamt, als trof het heil of onheil hem van hooger hand. Waar zou het heen, wanneer ieder zich durfde vermeten mij te weerstaan en zijn eigen weg te gaan! Nog éen menschenleeftijd, en met den dood der ouderen, die nog als ware christenen zijn opgegroeid, zou het uit zijn met de leer des Heilands aan dezen stroom, zou overal in plaats van het kruis de halve maan prijken, zouden zich weeklachten in den hemel doen hooren over zoovele verlorene zielen. Leer u deemoedig en bescheiden te buigen voor den wil des Allerhoogsten en zijne plaatsvervangers op aarde, overmoedige knaap, en laat uwe houding tegenover mij u toonen, hoe ver uw eigen oordeel reikt. Gij houdt mij voor een vijand uws vaders?”
»Ja!” antwoordde Orion op stelligen toon.
»En ik heb hem liefgehad als mijn broeder,” hernam de prelaat op gemoedelijken toon.»Hoe gaarne had ik onder tranen zijne lijkbaar bestrooid met palmen des vredes, zooals alleen de kerk die schenkt.”
»Toch hebt gij hem, dien gij uw vriend noemt,” zeide Orion, »onthouden wat de kerk den dief en den moordenaar niet weigert, wanneer hij vergeving van zonden verlangt en die uit de mond eens priester heeft ontvangen, zooals toch....”
»Zooals toch uw vader!” viel de grijsaard hem in de rede. »Wel hem! Hij mag thans misschien de heerlijkheid van den Allerhoogste aanschouwen. En desniettemin heb ik de geestelijkheid verboden hem eer te bewijzen aan zijn graf. Waarom, om welke afdoende redenen is dit bevel uit den mond van een vriend tegen een vriend uitgegaan?”
»Omdat gij hem,” antwoordde Orion somber, »in het oog van de geheele wereld wildet brandmerken als de man, die aan de ongeloovigen de voorkeur gegeven en hen de overwinning gemakkelijk gemaakt heeft.”
»Ziedaar, dat noem ik de kunst te verstaan om in de harten te lezen!” zeide de prelaat, terwijl hij den jongeling aanzag met een spottenden blik, die half van instemming, half van ontevredenheid getuigde. »Welnu, knaap, nemen wij eens aan, dat ik de christenen van Memphis had willen toonen welk lot hem wacht, die zijn land voor den vijand opent en hand in hand met de ongeloovigen wandelt, zou ik dan niet in mijn recht zijn geweest?”
»Heeft mijn vader de Arabieren hierheen geroepen?” vroeg de jongeling op zijn beurt.
»Neen, mijn kind,” antwoordde de bisschop, »de vijand is vanzelf gekomen.”
»En gij,” ging Orion voort, »hebt uit de woestijn, nadat de Grieken u in ballingschap hadden gezonden, voorspeld, dat de Arabieren zouden komen om de Grieksche Melchietische vijanden van ons geloof overhoop te werpen en uit dit land te verjagen.”
»Zoo heeft de Heer gesproken door mijn mond,” hernam de grijsaard, terwijl hij deemoedig het hoofd boog. »En mij werden nog andere dingen geopenbaard, toen ik bij mijne askese mijn lichaam kastijdde in de brandende hitte der woestijnzon. Pas op, mijn kind, wees voorzichtig! Volg mijn raad, opdat het niet vervuld worde, en het huis van Menas verdwijne als de wolken, die de stormwind uit elkander drijft. Ik weet het, uw vader heeft mijne profetie zoo uitgelegd, als ware van mij aan hem de raad uitgegaan, om de ongeloovigen te ontvangen als werktuigen des Allerhoogsten en hen te helpen de Melchietische dwingelanden uit dit land te verjagen.”
»Uwe voorspelling,” hernam de jongeling, »heeft in elk geval een diepen indruk op mijn vader gemaakt, en toen de zaak des keizers en der Grieken verloren was, was uw woord, dat de Melchieten niet minder ongeloovig waren dan de belijders van den Islam, hem tot grooten troost. Zoo iemand, dan weet gij, hoe hij allen grond had hen te haten, die twee zijner bloeiende zonen hadden vermoord. Wat daarna geschied is, heeft hij gedaan om zijne en uwe ongelukkige broeders, die aan zijne en uwe zorgen waren toevertrouwd, uit het verderf te redden; en hier, hier in dezen lessenaar ligt het antwoord, dat hij op de verwijten van den keizer heeft medegedeeld aan het Grieksche gezantschap, die hem in ditzelfde vertrek rekenschap kwamen vragen. Terstond na hun vertrek heeft hij het opgeschreven; wilt gij het hooren?”
»Ik kan den inhoud van dat stuk wel raden.”
»Neen, neen!” riep de jonkman vol vuur; opende in allerijl den lessenaar zijns vaders, haalde bij den eersten greep eene wastafel daaruit te voorschijn en zeide: »Aldus luidt het gegeven antwoord!”
Al lezende vervolgde hij: »De Arabieren zijn ondanks hunne minderheid machtiger dan wij met onze menigte; éen man van hen is zooveel als honderd van ons, want zij zoeken den dood, die hen liever is dan het leven. Ieder hunner dringt vechtend vooruit, en zij kennen geen verlangen om naar hun vaderland en hunne haardsteden weder te keeren. Voor ieder dien zij dooden verwachten zij eene groote belooning in den hemel en zeggen, wanneer zij in den krijg vallen, dat zich de poorten van het paradijs voor hen openen. Zij hebben in deze wereld niets tewenschen, wanneer zij hunne dringendste behoeften aan voedsel en kleeding bevredigd zien. Wij daarentegen hebben het leven lief en vreezen den dood; hoe zouden wij tegen hen stand kunnen houden? Ik zeg u, dat ik den met de Arabieren gesloten vrede niet breken zal....”
»En wat blijkt uit dit antwoord?” vroeg opeens de patriarch, de schouders ophalende.
»Dat mijn vader zich gedwongen zag vrede te sluiten, en dat hij—lees maar verder—dat hij als wijs man den vijand de hand moest reiken.”
»Den vijand, aan wien hij maar al te gewillig toegaf, en wien hij grooter eer bewees, dan hem als christen betaamde! Klinken die woorden niet als hadden onze verdoemde, bloeddorstige dwingelanden alleen het recht de vreugde van het paradijs te verwachten? En dat muzelmansche paradijs! Wat is het anders dan een poel, waarin zinnelijke driften wellustig ronddartelen? De leugenprofeet heeft het bedacht om de zijnen op te winden, opdat zij zijne valsche leer het eene volk na het andere zouden opdringen, met geweld en woeste doodsverachting. Maar onze Heer kwam als het menschgeworden woord op aarde, en won de geesten en harten door de overtuigende kracht der eenige, eeuwige, tot daad gewordene waarheid, die van hem uitgaat als het licht van de zon. Deze Mohammed daarentegen is een menschgeworden zwaard! Ook mij blijft in zeker opzicht niets over dan mij te onderwerpen aan de overmacht, maar ik wil hun dwazen, zielen misleidenden waan haten en verafschuwen, en dat doe ik, dat zal ik doen tot aan den laatsten slag van dit oude hart, dat hoe eer hoe liever moge stilstaan. Maar gij? Maar uw vader? Waarlijk, waarlijk, wie maar éen oogenblik vergeet ongeloof en valsch geloof te haten, die heeft zich voor zijn geheele leven hier en hiernamaals tegen het eenig waarachtig en zuiver geloof en hem die het verkondigde bezondigd. Met misdadige, teerhartige lofredenen op de vroomheid en gematigdheid van den vijand, den verderver van lichamen en van zielen, den lichamelijken antichrist, heeft uw vader zijn hart en zijne tong bezoedeld.”
»Bezoedeld?” herhaalde de jonkman, terwijl zijne wangen gloeiden. »Beiden heeft hij rein en eervol bewaard; want er is geen woord van onwaarheid over zijne lippen gekomen. Gerechtigheid, ja gerechtigheid tegenover ieder, ook tegenover zijn tegenpartij, dat was de grondtrek, dat het richtsnoer van zijn vlekkeloos leven, en zelfs de edelsten onder de heidensche Grieken hebben hem bewonderd, die zichzelven zoozeer overwinnen kon, dat hij ook wat groot, waar en goed is in den vijand erkende.”
»En zij hadden gelijk,” hernam de patriarch, »want zij waren nog niet in het bezit der waarheid. In het wereldlijk leven mag ieder onzer ook heden hen daarin navolgen. Doch wie hen vergeeft, die de hooge waarheid aanranden, die het brood, het vleesch en den wijn onzer christen ziel is, die bezondigt zich tegen deze waarheid. Is hij een leidsman der menigte, zoo lokt hij daarmede ook hen, die naar hem opzien en maar al te licht zijn voorbeeld volgen, in het eeuwige vuur. Waar uw vader een onwillig gehoorzamend vijand had moeten zijn, daar is hij een bondgenoot, en wat het hoofd der ongeloovigen aangaat—het heeft mij heete tranen gekost—een vriend geworden. En naar hetgeen ons arme volk zag gebeuren met zijn hoofd, heeft het—barmhartig God, schenk zijne verleiders vergiffenis!—heeft het zijne verhouding geregeld. Vele duizenden zijn van ons zaligmakend geloof afgevallen en overgeloopen tot hen, die in hunne oogen wel geen ellendige verdoemelingen konden zijn, daar zij hun wijzen en rechtvaardigen aanvoerder hand aan hand met hen zagen wandelen en handelen. En, daarom, daarom alleen, om de misleide menigte te waarschuwen, heb ik niet geaarzeld mijn eigen hart pijn te doen, eene waarschuwende stem aan de groeve van een dierbaar vriend te doen hooren, hem de eer en den zegen te onthouden, die hij echter door een deugdzaam en rechtvaardig leven voor de wereld waardiger was dan duizenden. Ik heb mij verklaard en nu moet er een einde komen aan uwe dwaze verstoordheid, en zult gij zeker de hand, die de wachter over de zielen der zijnen u andermaal reikt, gaarne en met een gerust hart aanvaarden.”
Wederom stak de grijsaard Orion zijn rechterhand toe, doch deze nam hem ook ditmaal slechts aarzelend aan, en sloeg daarbij zijne oogen verward en somber naar den grond, in plaats van den kerkvorst in het aangezicht te zien. Doch de patriarch scheen het tegenstribbelen van den jonkman niet op te merken en drukte hem krachtig de hand. Hij bracht vervolgens het gesprek op Orions treurende moeder, den achteruitgang van Memphis, de toekomstige plannen van den jongen man, en eindelijk op de edelgesteenten, die de afgestorvene aan de kerk vermaakt had. Het gesprek vloeide nu kalm en op den toon van een gezellig onderhoud, de prelaat zat nu op den leuningstoel van den gestorvene, en het klonk natuurlijk en ongezocht, toen hij zich bij zijn lof op de juweelen de vraag naar den grooten smaragd ontvallen liet. Orion antwoordde op denzelfden toon, dat deze steen eigenlijk niet tot de schenking behoorde; doch de prelaat was van een ander gevoelen.
Wat Orion sedert dien noodlottigen gang naar het tablinum gekweld en beangstigd had, werd door dit gesprek weder levendig; toch strekte het hem tot eenige geruststelling dat noch zijne moeder,noch vrouw Susanna aan den prelaat scheen medegedeeld te hebben, welk eene schuld hij als rechter op zich had geladen terwille van dien steen. De weduwe had deze aangelegenheid naar het scheen verzwegen, om niet in de noodzakelijkheid te komen van te spreken over het valsche getuigenis, dat haar dochtertje daarbij had afgelegd. Doch hoe gemakkelijk konden die onzalige dingen den strengen grijsaard ter oore komen, en daarom scheen den schuldige geen offer te groot elke vraag naar dat ongelukkig kleinood opzij te schuiven. Hij verzekerde daarom onverwijld, dat die smaragd hem afhandig was gemaakt, doch hij verklaarde zich bereid de volle waarde ervan te betalen. Benjamin mocht zijn waarde schatten en hem naar believen elke som noemen, die hij voor een of ander weldadig doel noodig had, hij zou hem, Orion, bereid vinden, deze onverwijld te betalen.
Doch de patriarch stond dood bedaard op zijn eisch, gaf Orion in bedenking ijverig naar den steen onderzoek te doen, en verklaarde dat hij dien als eigendom van de kerk beschouwde, en de uitlevering van dit kleinood, wanneer zijn geduld zou zijn uitgeput, zeer stellig met alle middelen die hem ten dienste stonden zou vorderen. Orion bleef dus niet anders over dan te verklaren, dat hij het onderzoek naar den verloren smaragd wilde voortzetten; doch hij deed dit morrend, als iemand die toegeeft aan een onbillijken eisch.
De patriarch hoorde dit eerst gelaten aan, doch toen hij daarna opstond om afscheid te nemen, veranderde hij plotseling van houding en zeide op strengen en ernstigen toon: »Ik ken u thans, zoon van den Mukaukas Georg, en waarmede ik begonnen ben, daarmede besluit ik ditmaal: de deemoed van den christen is u vreemd, de macht en de waarde van ons geloof kent gij niet, maar gij weet ook niet hoeveel liefde dat geloof bevat, welk een vurig verlangen om den afgedwaalden zondaar terug te brengen op het pad des heils. Met betraande oogen bekende uwe voortreffelijke moeder mij voor welk een afgrond gij staat. Gij verlangt een verbond voor uw leven te sluiten met eene ongeloovige, eene Melchietin. En daar is nog iets anders, dat het vrome moederhart beangstigt en martelt met het oog op u en uw heil. Zij heeft beloofd het mij in de kerk toe te vertrouwen, en ik zal het bij mijn terugkeer weten uit te vorschen. Maar waarlijk, wat het ook zij, uwe ziel kan in geen erger gevaar komen dan door eene echtverbintenis met die Melchietin. Waaraan hangt uw hart? Enkel aan het geluk dezer aarde? Gij dingt naar de hand des dochters van een ongeloovigen ketter; gij rijdt—neen hoor mij verder!—rijdt naar de overzijde, naar Fostat en biedt uw verstand en uw arm—gisteren is het gebeurd—den ongeloovigen aan. Maar ik, ik, de herder mijner kudde, zal het niet dulden, dat de aanzienlijkste van geboorte, de rijkste van vermogen, de machtigste onder de Jacobieten door de klank van zijn naam alleen, duizendenmet zich afvallig maakt. Ik bezit den wil en de macht om een dam op te werpen tegen zulk een onheil! Volg mij, of het zal u met bloedige tranen berouwen.”
De prelaat verwachtte Orion na deze woorden de knie te zien buigen; doch deze deed niet wat hij verlangde, maar staarde hem met wijd geopende oogen diep bewogen en besluiteloos aan.
Benjamin ging echter voort, met klimmenden aandrang: »Ik ben tot u gekomen om mijn stem te verheffen, en ik verlang, ik vorder, ja ik beveel: verbreek elken band met den vijand van uw volk en van ons geloof daarginds, verban de liefde voor de Melchietische sirene, die uwe onsterfelijke ziel bedreigt met een onherroepelijk verderf, uit uw gemoed...”
Tot dusverre had Orion de vermaningen van den kerkvorst, die als vloeken hem naar het hoofd werden geslingerd, zwijgend en met gebogen hoofd aangehoord, Maar nu kwam al wat in hem was tegen den kerkvorst in verzet, de kracht om zich in te houden begaf hem, en met eene krachtige stem den prelaat in de rede vallende, zeide hij: »Nooit, nooit, neen nooit zal ik dit doen! Smaad mij, als gij wilt! Wat ik ben, dat zal ik blijven: een trouw lid der kerk, die de vaderen hebben aangehangen en voor welke mijne broeders gestorven zijn. Deemoedig belijd ik mijn Heer Jezus Christus. Ik geloof in hem, geloof in den goddelijken meester, die gestorven is om ons te verlossen en die de liefde in de wereld heeft geopenbaard. Onwrikbaar en trouw houd ik vast aan de mijnen. Nooit, neen nooit zal ik haar opofferen, die mij als een godsgezante, als mijne goede engel geleerd heeft den ernst en de waarde des levens recht te begrijpen, die ook mijn vader heeft liefgehad. Gij hebt de macht! Verlang billijke, bereikbare dingen van mij en ik wil trachten mijzelve te bedwingen en ze te volbrengen; doch trouweloos worden om u getrouw te zijn, dat wil, dat kan ik in eeuwigheid niet, en wat de Arabieren aangaat....”
»Genoeg!” dus brak de prelaat zijne woorden af. »Ik ga naar Opper-Egypte en bij mijn terugkeer hebt gij te kiezen. Tot zoo lang geef ik u tijd om tot uzelven te komen, u te bezinnen en in alle kalmte beveel ik: vergeet de Melchietin! Uwe, juist uwe verbintenis met eene kettersche vrouw is een gruwel, die nooit te dulden is. Over uwe verhouding tot de Arabieren en over de vraag of het voegzaam is dat gij, als degene die gij zijt, bij hen dienst neemt, zullen wij later nog spreken. Zijt gij als ik wederkeer, met betrekking tot die vrouw tot betere gedachten gekomen—het staat u vrij de hand van elke Jacobietische jonkvrouw te vragen—dan zal ik op een anderen toon met u spreken. Ik bied u dan mijne vriendschap en hulp aan; in de plaats van den vloek beloof ik u dan den zegender kerk, de genade en de vergeving van den Allerhoogste, den effen weg tot aan gene zijde des grafs, en de zaligheid van het beangstigde gemoed eener bekommerde moeder met nieuw leven te vervullen. Mijn laatste woord luidt aldus: gij moet u losmaken van de vrouw, van wie gij niets te verwachten hebt dan ellende.”
»Toch kan, en wil en zal ik het niet doen!” antwoordde Orion op stelligen toon.
»Dan moet en wil en zal ik u doen gevoelen hoe zwaar de vloek drukt, dien ik in het uiterste geval niet aarzelen zal u naar het hoofd te slingeren!”
»Dat zal aan u staan,” hernam Orion. »Maar gaat gij tot het uiterste over, dan dwingt gij mij den zegen, waaraan mijne ziel inniger behoefte heeft dan gij bevroeden kunt, heer, dan dwingt gij mij het heil, dat ik behoef, te zoeken bij hen die gij verdoemt, aan gene zijde van den stroom.”
»Waag het!” riep de patriarch, en verliet met gloeiende wangen en vasten stap het vertrek.